ZESDE HOOFDSTUK.

Mr. Shelby en zijne vrouw konden, na het langgerekte gesprek van den vorigen avond, niet spoedig tot rust komen, en het gevolg daarvan was, dat zij den volgenden morgen wat langer dan gewoonlijk bleven slapen.

"Het verwondert mij waarom Eliza niet komt," zeide Mevrouw Shelby, nadat zij verscheidene malen vruchteloos aan hare schel had getrokken.

Shelby stond voor zijnen spiegel, bezig met zijn scheermes aan te zetten; en juist toen werd de deur geopend en kwam een zwarte jongen binnen om zijn meester heet water te brengen.

"Andy," zeide zijne meesteres, "ga eens naar Eliza's deur, en zeg haar dat ik al driemaal om haar gescheld heb. Arme ziel!" voegde zij er bij zich zelve zuchtend bij.

Andy kwam spoedig terug met groote oogen van verbazing.

"O Mevrouw! Lizzy's laden staan alle open, en al haar goed ligt overal in het rond, en ik geloof dat zij de deur uit is."

Op hetzelfde oogenblik begrepen Shelby en zijne vrouw beiden de waarheid.

"Dan heeft zij het vermoed en is weggeloopen," riep hij uit.

"Dat geloof ik ook. God zij gedankt!" zeide Mevrouw Shelby.

"Vrouw, gij spreekt als eene zottin. Het zal er inderdaad leelijk voor mij uitzien als zij het gedaan heeft. Haley zag dat ik er tegen had om dat kind te verkoopen, en zal nu denken dat ik oogluikend heb toegelaten hem uit den weg te helpen. Dat raakt mijne eer!" En daarmede snelde hij de kamer uit.

Omtrent een kwartier lang hoorde men heen en weer loopen en eene menigte van uitroepingen, afgewisseld met het openen en toeslaan van deuren, en zag men gezichten van allerlei tinten van kleur hier en daar te voorschijn komen. Één persoon echter, de eenige die eenig licht over de zaak had kunnen verspreiden, hield zich geheel stil. Tante Chloe namelijk, de eerste keukenmeid, wier eens zoo vroolijk gezicht donker betrokken was, bleef zwijgend aan het gereedmaken der ontbijtbeschuiten, als zag of hoorde zij niets van het gewoel om zich heen.

Zeer spoedig zaten een half dozijn, kleine zwarte jongens en meisjes, als zooveel kraaien, op het hek der veranda, allen verlangende de eerste te zijn, om den vreemden meester zijn ongeluk aan te kondigen.

"Hij zal razend worden, dat geloof ik vast," zeide Andy.

"Of hij ook vloeken zal!" zeide de kleine Jake.

"Ja, want hij vloekt erg," liet een meisje, Mandy geheeten, hierop volgen. "Ik heb het hem gisteren aan tafel hooren doen. Ik heb er toen alles van gehoord, omdat ik in de kast was gekropen, waar Mevrouw de groote kruiken bewaart; en ik hoorde ieder woord."

En Mandy, die nog nooit in haar leven over een woord dat zij hoorde had nagedacht, nam nu een voorkomen van bijzonder gewicht aan, en zeide niet dat zij, hoewel zij werkelijk op den genoemden tijd tusschen de kruiken had gelegen, al dien tijd vast had geslapen.

Toen Haley eindelijk gelaarsd en gespoord aankwam, werd hij van alle kanten met de slechte tijding begroet. De kleine kwelgeesten op het hek werden niet teleurgesteld in de hoop van hem te hooren vloeken; hij deed dit met eene vlugheid en kracht, die hen allen verbazend vermaakte, terwijl zij herwaarts en derwaarts stoven, om buiten bereik van zijne karwats te komen. Eindelijk liepen zij allen een eind weg, rolden over het verdorde gras en gilden, met de hielen in de lucht schoppende, hunne pret uit.

"Als ik die kleine duivels maar had!" prevelde Haley tusschen zijne tanden.

"Maar gij hebt ze nog niet," zeide Andy zegevierend, toen hij buiten gehoor was, en trok een geheele reeks van onbeschrijfelijke gezichten achter den rug van den ongelukkigen handelaar.

"Zeg eens, Shelby, dat is een vreemd geval hier!" zeide Haley, toen hij vrijpostig de voorkamer binnentrad. "Het schijnt dat die meid weggeloopen is met haar jong."

"Mijnheer Haley, Mevrouw Shelby is hier," zeide Shelby.

"Verschooning, Mevrouw," hervatte Haley, even buigende, maar nog met een donker gezicht. "Maar ik zeg nog eens, gelijk ik zeide, dat is een vreemd gerucht hier. Is het waar, Mijnheer?"

"Mijnheer," antwoordde Shelby, "als gij mij verlangt te spreken, moet gij eenigszins de manieren van eengentlemanin acht nemen. Andy, ontlast Mijnheer Haley van zijn hoed en karwats. Ga zitten, Mijnheer. Ja, Mijnheer; het spijt mij te moeten zeggen, dat die jonge vrouw iets van de zaak moet afgeluisterd of op eene andere manier vernomen hebben, en daardoor opgewonden in den nacht met haar kind is weggeloopen."

"Ik had een eerlijke manier van handelen verwacht, dat moet ik bekennen," zeide Haley.

"Mijnheer," antwoordde Shelby, zich driftig naar hem omkeerende, "wat moet ik uit dat gezegde verstaan? Als iemand mijne eer in twijfel trekt, heb ik maar een antwoord voor hem."

De handelaar scheen hierdoor uit het veld geslagen, en zeide op een wat lageren toon dat het toch verduiveld hard voor iemand was, als hij een goeden koop gedaan had, dan zoo gefopt te worden.

"Mijnheer Haley," antwoordde Shelby hierop, "als ik niet dacht dat gij eenige reden tot verdrietelijkheid hadt, zou ik zulk een ruw en vrijpostig binnenkomen in mijne kamer niet van u verdragen hebben. Ik zeg nu echter, dewijl uwe houding reden daartoe geeft, dat ik mij geene gezegden zal laten welgevallen, alsof het denkbaar was dat ik mij met eenige oneerlijkheid in dit geval had ingelaten. Bovendien zal ik mij verplicht achten om u, wat het gebruik van paarden, bedienden enz. betreft, alle hulp te verleenen om uw eigendom terug te bekomen. Dus kortom, Haley," vervolgde hij, eensklaps van zijnen koel deftigen toon tot zijne gewone rondborstige vriendelijkheid overgaande, "het beste wat gij doen kunt, is in een goed humeur te blijven, en hier te ontbijten; dan zullen wij daarna zien wat er te doen is."

Mevrouw Shelby stond nu op, en zeide dat hare bezigheden haar verhinderden dien morgen bij het ontbijt te blijven; en nadat zij eene zeer welgemanierde mulattin had belast de heeren van koffie te bedienen, verliet zij de kamer.

"De oude vrouw schijnt niet machtig op uwen onderdanigen dienaar gesteld," zeide Haley, met een gedwongen poging om zeer familiaar te zijn.

"Ik ben niet gewoon op zulk een vrijen toon van mijne vrouw te hooren spreken," antwoordde Shelby droogjes.

"Verschooning! Natuurlijk maar een aardigheid, weet ge," zeide Haley, gemaakt lachende.

"Sommige aardigheden zijn minder aangenaam dan andere," zeide Shelby hierop.

"Duivels licht geraakt, nu ik die papieren geteekend heb!" mompeldeHaley. "Vervloekt grootsch geworden sedert gisteren."

Nooit maakte de val van een eersten minister meer algemeenen indruk aan een hof, dan het gerucht van het lot dat Tom te wachten stond op het landgoed. Iedereen had er overal den mond vol van; en in het huis en op het veld deed men niets anders dan over de waarschijnlijke gevolgen van dat voorval spreken. Eliza's vlucht—eene voorbeeldelooze gebeurtenis op het goed—bracht er ook niet weinig toe bij om de algemeene spanning te vergrooten.

Zwarte Sam, gelijk hij gewoonlijk genoemd werd, omdat hij een zweempje zwarter was dan iemand anders op de plaats, overwoog de zaak in al hare omstandigheden en gevolgen, met een scherpzinnigheid en eene stipte aandacht voor zijn eigen belang, die een blank patriot te Washington tot eer zouden zijn geweest.

"Het is een slechte wind, die nergens heenwaait—zoo is het," zeide hij spreukmatig en trok zijn broek op, om voor een afwezigen bretelknoop een langen spijker in de plaats te steken; eene vinding, waarmede hij zeer in zijn schik scheen te zijn.

"Ja, het is een slechte wind, die nergens heenwaait," herhaalde hij. "Daar is nu Tom naar omlaag—natuurlijk geeft dat ruimte voor een anderen neger om omhoog te komen—en waarom deze neger niet?—dat is de vraag. Tom het land doorrijden—met gepoetste laarzen—pas in zijn zak! Waarom Sam nu niet? Dat zou ik willen weten."

"Hallo, Sam! O Sam! Meester zegt dat ge Bill en Jerry moet vangen," riep Andy, Sam's alleenspraak afbrekende.

"Ho! Wat is er nu te doen, jongen?"

"O, gij zult nog niet weten, dat Lizzy met haar jongen is weggeloopen."

"Loop uwe grootmoeder een lesje geven," antwoordde Sam met diepe minachting. "Dat heb ik veel eer geweten dan gij. Deze neger is zoo dom niet."

"Welnu, meester wil Bill en Jerry dadelijk opgetoomd hebben; en gij en ik moeten met Mijnheer Haley mee om haar te zoeken."

"Zoo! Goed! Zoo laat is het nu!" zeide Sam. "Het is nu Sam, die geroepen wordt. Hij is nu de neger. Zie maar of ik haar niet vang. Meester zal zien wat Sam doen kan."

"Ja, maar, Sam," zeide Andy, "daar moogt ge u nog wel eens op bedenken; want Mevrouw wil niet hebben dat zij gevangen wordt en zij zal het u betaald zetten."

"Ho!" zeide Sam met wijd starende oogen. "Hoe weet ge dat?"

"Dat heb ik haar van morgen zelve hooren zeggen, toen ik meester scheerwater bracht. Zij liet mij gaan zien waarom Lizzy haar niet kwam kleeden; en toen ik haar kwam zeggen dat deze weg was, stond zij op en zeide: "God zij gedankt!" en meester geleek half dol te worden en zei: "vrouw! gij spreekt als een zottin." Maar zij zal hem wel ompraten. Ik weet wel hoe dat gaat. Het is altijd best, het met Mevrouw te houden; dat zeg ik u."

Zwarte Sam krabde zijn kroeskop, die, als hij geene zeer diepe wijsheid bevatte, toch genoeg van die bijzondere soort inhield, welke onder staatkundigen van alle kleuren en landen zeer in trek is, en gemeenlijk genoemd wordt: te weten aan welken kant het brood geboterd is. Sam dacht dus ernstig na en trok daarbij zijn broek nog eens op, zijne gewone manier om zich in diepzinnige overpeinzingen te helpen.

"Men kan toch nooit iets zeggen,—nooit—van iets op deze wereld," zeide hij eindelijk.

Hij legde zulk een nadruk op het woorddeze, alsof hij in verschillende werelden ondervinding had opgedaan, en zoo na rijp beraad tot zijn besluit gekomen was.

"Ik zou zeker gedacht hebben dat Mevrouw de geheele wereld door naarLizzy zou laten zoeken," voegde hij er vervolgens bij.

"Dat zou ze ook," zeide Andy hierop; "maar kunt gij niet door eene ladder heen zien, gij, zwarte neger? Mevrouw wil niet dat die Mijnheer Haley Lizzy's jongen krijgt; dat is het."

"Ho!" zeide Sam, met die onbeschrijfelijke uitdrukking in den toon, welke alleen zij zich kunnen voorstellen, die dezen uitroep van negers gehoord hebben.

"En ik zal u nog meer zeggen," vervolgde Andy. "Ik geloof, dat ge best zoudt doen naar de paarden te gaan zoeken, en wat gauw ook; want ik heb Mevrouw naar u hooren vragen. Gij hebt al lang genoeg staan talmen."

Sam maakte nu ernst van de zaak, en kwam weldra in zegepraal naar huis met Bill en Jerry in vollen galop. Zich behendig afwerpende, terwijl de paarden nog in vollen ren waren, liet hij ze als een wervelwind voorbij den paal stuiven, die daar geplaatst was om paarden aan te binden. Haley's paard, een schichtig, jong veulen, sprong op zijde en trok hard aan zijn halster.

"Ha, ha! Schichtig? Zijt gij dat?" zeide Sam, en een zonderlinge glans van boosaardig, spottend vermaak verlichtte zijn zwart gezicht. "O, ik zal u wel mak maken."

Een groote beukenboom overschaduwde de plek, en de scherpe, driehoekige beukennootjes lagen in menigte op den grond. Met een van deze tusschen zijne vingers naderde Sam het veulen, om het te streelen en schijnbaar tot bedaren te brengen. Veinzende den zadel te willen recht leggen, stak hij het scherp beukennootje behendig daaronder, zoodanig dat het minste gewicht op den zadel het gevoelige dier onverdragelijk moest prikken, zonder eene zichtbare wonde of schram te veroorzaken.

"Daar," zeide Sam, en liet met een grijns van genoegen zijne oogen rollen. "Nu heb ik hem klaar."

Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Shelby op het balkon en wenkte hem. Sam naderde met zulk een goed voornemen om zijn hof te maken, als ooit eenige sollicitant naar eene ledige plaats te Londen of Washington.

"Waarom hebt ge zoo getalmd, Sam? Ik heb Andy laten zeggen dat gij u haasten moest."

"God zegene u, Mevrouw", antwoordde Sam, "de paarden wilden zich zoo gauw niet laten vangen. Zij waren heel naar de zuidweide geloopen en de Heer weet waar."

"Sam, hoe dikwijls moet ik u zeggen, om niet zoo lichtzinnig zulke uitdrukkingen te gebruiken, als "God zegene u" en "de Heere weet", en dergelijke? Dat is goddeloos."

"O, God zegene me, Mevrouw! Ik vergat het. Ik zal nooit zoo iets meer zeggen."

"Wel, Sam, daar hebt gij het al weer gedaan."

"Heb ik? O, Heere—ik wil zeggen; ik wilde het niet eens doen."

"Gij moet attent wezen, Sam."

"Laat mij maar even op adem komen, Mevrouw, dan zal ik wel beter oppassen. Ik zal heel attent zijn."

"Nu, Sam, gij moet met Mijnheer Haley mederijden om hem den weg te wijzen en hem te helpen. Maar pas op de paarden, Sam. Gij weet wel dat Jerry verleden week wat kreupel ging. Laat hem niet te hard loopen."

Mevrouw Shelby zeide deze laatste woorden zacht, maar met bijzonderen nadruk.

"Laat dit kind daarvoor maar zorgen," antwoordde Sam, en liet zijne oogen rollen op eene manier, die genoeg zeide. "De Heere weet! dat meende ik daar niet," riep hij uit, naar adem snakkende, met eene koddige beweging van schrik, die zijne meesteres tegen wil en dank deed lachen. "Ja, Mevrouw, ik zal wel op de paarden passen."

"Nu, Andy," zeide Sam, naar den beukeboom terugkeerende, "het zou mij volstrekt niet verwonderen, dat het paard van dien heer schopte of steigerde als hij wil opstijgen. Ge weet wel, Andy, die dieren doen dat somtijds." En daarmede gaf hij Andy een veelbeteekenenden ribbestoot.

"Ho!" zeide Andy, met oogenblikkelijk begrip.

"Ja, ziet ge, Andy, mevrouw wil tijd winnen; dat kan de domste wel zien. Ik zal eens een beetje voor haar winnen. Ge weet wel, Andy, als die paarden eens dol rondliepen, om het huis heen en naar het bosch, dan geloof ik niet dat die mijnheer zoo gauw onderweg zou zijn."

Andy grinnikte.

"Ge ziet wel, Andy, ge ziet wel, als het gebeuren mocht dat Mijnheer Haley's paard baloorig mocht worden en ging steigeren, zouden gij en ik de onze moeten loslaten om hem te helpen—en wij zouden hem helpen, zekerlijk."

Sam en Andy staken de hoofden bijeen en lachten zacht, maar allersmakelijkst, terwijl zij van pret op den grond trappelden.

Op dit oogenblik kwam Haley onder de veranda. Eenigszins verzacht door eenige koppen zeer goede koffie, kwam hij lachende en pratende naar buiten en scheen weder in een tamelijk goed humeur te zijn. Sam en Andy tastten naar zekere bossen palmbladeren, die zij gewoon waren voor hoeden te houden, en schoten toe om "mijnheer te helpen." Sams zoogenaamde hoed was zoodanig versleten, dat de rand geheel was losgeraakt en de strooken palmblad, waarvan hij eens gevlochten was geweest, als een krans van pluimen naar alle kanten opstaken; van Andy's hoed was de geheele rand af, maar hij duwde toch met een handigen stomp den bol op zijn hoofd, met een gezicht alsof hij vragen wilde: "wie zegt nu dat ik geen hoed op heb?"

"Kom dan, jongens," zeide Haley. "Nu wat vlug. Wij moeten geen tijd verliezen."

"Geen korreltje er van, Mijnheer!" antwoordde Sam, gaf Haley de teugels in de hand en hield zijn stijgbeugel voor hem, terwijl Andy de andere paarden losmaakte.

Op het oogenblik toen Haley zich in den zadel zette, deed zijn paard zulk een onverwachten en geweldigen sprong, dat het zijn ruiter eenige voeten ver op het zachte, droge gras neersmeet. Sam deed met een dollen uitroep van schrik een greep naar de teugels; maar deed eigenlijk niets anders dan met zijn bovengemeld hoofdsieraad van palmbladeren het paard langs de oogen schrappen, hetgeen geenszins bevorderlijk was om het dier te bedaren. Het deed nog een sprong, die Sam omver smeet, brieschte een paar malen met toornige minachting en rende toen heen, gevolgd door Bill en Jerry, die Andy volgens afspraak op dit oogenblik losliet en eenige jammerkreten achterna zond. Daarop volgde een tooneel van koddige verwarring. Sam en Andy schreeuwden—honden blaften hier en daar—en een heele troep zwarte en bruine jongens en meisjes klapte in de handen en gilde en joelde, met luidruchtige dienstvaardigheid en onvermoeibaren ijver.

Haley's paard, dat vlug en vurig was, scheen weldra smaak in het gewoel te krijgen, en daar het tot renbaan een uitgestrekt grasperk had, dat naar alle zijden naar een boschland afhelde, scheen het vermaak te hebben om te beproeven, hoe nabij het zijne vervolgers kon laten komen, om, als zij nog maar een handbreed van hem af waren, met een gehinnik en een zijsprong weder voort te stuiven en eene laan van het bosschage in te rennen. Niets was verder uit Sams gedachten verwijderd dan om een der paarden te laten opvangen, vóórdat hij dit goedvond, en heldhaftig waren de inspanningen die hij daartoe van zich vergde. Gelijk het zwaard van Richard Leeuwenhart altijd in het dichtste van den strijd flikkerde, zoo zag men ook de pluim van palmbladeren van Sam overal, waar het minste gevaar was, dat een paard zou gevangen worden. Daarheen kwam hij dan in volle vaart aanloopen, schreeuwende: "nu er op aan! Pak hem, pak hem!" op eene manier, die allen in een oogenblik uit elkander deed stuiven.

Haley liep vloekend en stampvoetende op en neer. Shelby poogde zich van het balkon vruchteloos te doen hooren om bevelen te geven, en Mevrouw Shelby zat voor het venster harer kamer, beurtelings te lachen en zich te verwonderen, niet zonder eenig vermoeden wat de grond van die verwarring was.

Eindelijk, tegen twaalf uren, kwam Sam zegepralend aan, op Jerry gezeten en met het paard van Haley aan den teugel, dampende van zweet, maar nog met flikkerende oogen en opgespalte neusgaten, die aankondigden dat zijne wildheid nog niet geheel bedaard was.

"Hij is gevangen!" riep Sam zegevierend. "Als ik er niet geweest was, hadden zij zich allen te barsten kunnen loopen; maar ik heb hem gevangen."

"Gij," bromde Haley, in geene zachtzinnige luim. "Als gij er niet geweest waart, zou het nooit gebeurd zijn."

"God zegene ons, Mijnheer!" antwoordde Sam op een toon van diepe spijt. "En ik heb geloopen en gedraafd, dat het zweet van mij neerdruipt."

"Zoo!" hervatte Haley. "Gij hebt mij drie uren doen verliezen met uwe vervloekte gekheid. Laten wij nu voortmaken, zonder meer zotternij."

"Wel, Mijnheer," zeide Sam zeer nederig, "ik geloof dat gij ons allen om hals wilt helpen, paarden en al. Mijnheer zal er nu toch niet aan denken om voor den eten af te rijden. Mijnheers paard moet afgewreven worden, zie maar hoe het zich bespat heeft; en Jerry loopt ook kreupel. Ik geloof nooit dat mevrouw van ons zal vergen om zoo heen te rijden. Wij zullen de meid toch wel vangen, al wachten wij wat."

"Lizzy is nooit eene groote loopster geweest."

Mevrouw Shelby, die met groot genoegen dit gesprek beluisterd had, besloot nu insgelijks hare rol te spelen. Zij kwam naar buiten, gaf met beleefdheid haar leedwezen over Haley's ongeluk te kennen en drong hem om ter maaltijd te blijven, zeggende, dat de keukenmeid alle mogelijke haast zou maken.

Alles overlegd hebbende, ging Haley, hoewel niet zeer goedschiks, naar de voorkamer, terwijl Sam hem eene onuitsprekelijke beteekenis in zijn rollende oogen nakeek, en vervolgens zeer stil de paarden naar de stalwerf bracht.

"Hebt gij hem gezien?" zeide Sam, toen zij veilig achter de schuur gekomen waren en de paarden hadden vastgebonden. "O, was het niet zoo pleizierig als psalmzingen, om hem daar te zien rondspringen en op ons vloeken? Hebt gij hem niet gehoord? Vloek maar, oude knaap, zeide ik bij mij zelven. Wilt gij uw paard nu terstond hebben, of wachten tot ik het gevangen heb? O, mij dunkt ik zie hem nog zoo."

Het gesprek werd gestaakt totdat beiden op hun gemak hadden uitgelachen.

"Gij hadt eens moeten zien hoe dol hij keek, toen ik met het paard aankwam," hervatte Sam. "Hij had mij wel willen doodslaan, als hij gedurfd had. En daar stond ik zoo onschuldig en zoo nederig."

"O, ik zag het wel," zeide Andy. "Zijt gij niet een oude snaak, Sam?"

"Dat denk ik wel haast," was het antwoord. "Hebt ge Mevrouw boven voor het venster zien staan? Ik heb haar zien lachen."

"Ik liep zoo hard, dat ik niemendal zag," zeide Andy.

"Wel, ziet ge," hervatte Sam, terwijl hij het paard van Haley ging poetsen, "ik heb gekregen wat men de gewoonte van bopservasie noemt, en dat is eene heel voordeelige gewoonte, Andy, en ik raad u, om ze aan te leeren, nu gij nog zoo jong zijt. Til den achterpoot eens op, Andy. Ziet ge wel, Andy, het is de bopservasie, die al het verschil maakt tusschen den eenen neger en den anderen. Zag ik niet wat Mevrouw hebben wilde, al zeide ze het niet? Dat is bopservasie, Andy. Het is een talent, zooals men dat noemt, en alle menschen hebben verschillende talenten; maar aanwennen kan veel doen."

"Ik geloof, als ik uwe bopservasie van morgen niet geholpen had, zoudt ge niet zooveel gezien hebben," zeide Andy.

"Andy," zeide Sam hierop, "ge zijt een veelbelovende jongen, daar is niet aan te twijfelen. Ik houd veel van u, en schaam mij geheel niet om een idee van u over te nemen. Wij moeten op niemand laag neerzien, Andy, omdat de knapste van ons wel eens struikelen kan. En dus, Andy, laten wij nu in huis gaan. Mevrouw zal ons zeker dezen keer eens buitengemeen goed laten onthalen."

Het is onmogelijk zich een menschelijk wezen voor te stellen, meer hulpeloos en verlaten dan Eliza, toen zij de hut van Oom Tom verliet.

Het lijden en gevaar van haren echtgenoot en de nood van haar kind vermengden zich in hare gedachten met een verbijsterend, bedwelmend gevoel van hetgeen zij zelve waagde, door het eenige tehuis te verlaten, dat zij ooit gekend had, en zich te onttrekken aan de bescherming eener vriendin, die zij liefhad en eerbiedigde. Daarbij kwam het scheiden van alles waaraan zij gewoon was—van de plaats waar zij was opgegroeid, de boomen waaronder zij gespeeld had, de bosschages waar zij in gelukkiger tijd menigen avond aan de zijde van haren jeugdigen echtgenoot had gewandeld. Alles wat daar in het heldere sterrenlicht voor haar lag, scheen haar verwijten toe te spreken, en haar te vragen waarheen zij gaan kon van een tehuis gelijk dit.

Doch sterker dan alles was de moederliefde, door een vreeselijk dreigend gevaar tot eene aan het waanzinnige grenzende overspanning gedreven. Haar knaapje was oud genoeg om naast haar te loopen, en in een gewoon geval zou zij het slechts bij de hand hebben geleid; maar nu deed de gedachte alleen om hem uit hare armen te laten haar huiveren, en drukte zij hem, terwijl zij snel voortstapte, met stuipachtige kracht aan hare borst.

De bevroren grond kraakte onder hare voeten, en zij beefde bij dat geluid. Elk trillend blaadje, elke wuivende schaduw dreef het bloed naar heur hart terug en versnelde hare schreden. Zij verbaasde zich zelve over de kracht die haar scheen gegeven te worden; want het gewicht van haar kind was voor haar gevoel slechts een veertje, en elke vlaag van angst scheen de bovennatuurlijke macht te versterken, die haar als het ware droeg, terwijl aan hare bleeke lippen telkens een uitroep ontsnapte, die een gebed was tot den Vriend daarboven: "Heere help mij! Heere behoud mij!"

Indien het uw Harry was, moeder, ofuwWillie, die u morgenochtend door een barbaarschen slavenhandelaar zou ontrukt worden—indien ge den man hadt gezien, en gehoord had dat de papieren geteekend en overgegeven waren, en gij niet meer tijd hadt om te vluchten dan van middernacht tot aan den ochtend—hoe snel zoudt gij dan kunnen gaan? Hoevele mijlen zoudt gij dan kunnen afleggen in die weinige uren, met den lieveling aan uwe borst—met het slapende hoofdje op uwen schouder—met de zachte armpjes vertrouwelijk om uwen hals?

Want het kind sliep. In het eerst hadden onrust en verwondering het wakker gehouden; maar zijne moeder stuitte zoo haastig ieder woord of geluid, en verzekerde hem zoo, dat zij hem zeker zou redden als hij zich maar stil hield, dat hij zich ook stil om haren hals klemde en toen hij voelde dat hij in slaap zou vallen, alleen maar vroeg:

"Moeder, ik behoef niet wakker te blijven, niet waar?"

"Neen, mijn lieveling; slaap maar als gij moet."

"Maar moeder, als ik ga slapen, zult gij hem mij niet laten krijgen?"

"Neen zoo helpe mij God!" antwoordde de moeder met bleeke wangen en een helder licht in hare oogen.

"Gij weet dat zeker, niet waar, moeder?"

"Ja zeker!" antwoordde de moeder met eene stem waarvan zij zelve schrikte, want zij scheen van een geest in haar binnenste te komen die haar niet toebehoorde, en het knaapje liet zijn vermoeid hoofd op haren schouder zakken en viel in slaap. Hoe scheen de aanraking van die armpjes, hoe scheen de zachte ademhaling die haar in den hals blies, vuur en kracht aan haar bewegingen te geven! Het was met elke zachte aanraking en beweging van het slapend kind, alsof electrische stroomen van kracht haar werden ingestort. Verheven is de heerschappij van den geest over het lichaam, die voor een tijd het vleesch onoverwinnelijk kan maken, en de spieren spannen als staal, zoodat de zwakken zoo sterk worden.

De zoomen van hoeve, bosch en plantsoen zweefden haar schemerend voorbij; en steeds ging zij voort, het eene gemeenzame voorwerp na het andere achter zich latende, en toefde niet en rustte niet, totdat het aanbrekende daglicht haar ver van elk gemeenzaam voorwerp op den open weg vond.

Zij was dikwijls met hare meesteres op een bezoek bij betrekkingen in het dorpje T*** aan de Ohio geweest, en kende den weg wel. Daarheen te gaan en over de Ohio te komen, waren de eerste haastige trekken van het plan harer vlucht geweest; verder kon zij alleen op God vertrouwen.

Toen zich paarden en rijtuigen op den weg begonnen te vertoonen, begreep zij met die levendigheid van bevatting, die aan een staat van buitengemeene opgewondenheid eigen is en naar eene soort van ingeving gelijkt, dat haar haastige tred en verwilderd voorkomen opmerkzaamheid en achterdocht konden wekken. Zij zette dus haar kind op den grond, bracht hare kleeding wat in orde, en stapte toen weder voort, zoo snel als zij meende te kunnen doen zonder aandacht te trekken. In haar pakje had zij een kleinen voorraad van koekjes en appelen, welke zij gebruikte om haar kind meer spoed te doen maken. Dikwijls liet zij een appel een eind vooruitrollen, en dan liep de kleine uit alle macht om hem te krijgen. Deze list, dikwijls herhaald, bracht hem menige halve mijl ver.

Na een poos kwamen zij aan een dicht boschje, waardoor eene heldere beek murmelde. Daar het kind over honger en dorst klaagde, klom zij er mede over het staketsel; en zich achter eene groote rots neerzettende, die hen voor voorbijgangers op den weg verborg, gaf zij hem een ontbijt uit haar pakje. Het knaapje was verwonderd en bedroefd dat zij niet eten kon, en toen hij, zijne armpjes om haren hals slaande, haar een stuk van zijn koekje in den mond poogde te stoppen, was het haar alsof keelkramp haar zou doen stikken.

"Neen, Harry, moeder kan niet eten tot gij veilig zijt. Wij moeten voort—voort tot wij aan de rivier komen."

En zij snelde met hem naar den weg, en dwong zich daar weder om bedaard en geregeld voort te stappen.

Zij was mijlen ver elke plaats voorbij waar zij persoonlijk bekend was. Als zij nog bij toeval iemand mocht ontmoeten die haar kende, dacht zij dat de algemeen bekende goedheid der familie strekken zou om alle achterdocht van haar af te wenden, daar het iedereen onwaarschijnlijk moest voorkomen, dat zij gevlucht zou zijn. Daar zij ook zoo blank was, dat men haar niet zonder haar opmerkzaam aan te zien voor eene kleurlinge kon herkennen, en haar kind insgelijks, was het des te gemakkelijker voor haar om onopgemerkt te blijven.

Hierop vertrouwende, ging zij tegen den middag eene nette boerenwoning binnen om te rusten, en eten voor zich zelve en haar kind te bekomen; want daar het gevaar met den afstand kleiner werd, nam ook de overmatige spanning harer zenuwen af, en voelde zij zoowel vermoeienis als honger.

De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen wel in haar schik te zijn dat er iemand wat met haar kwam praten, en geloofde zonder eenige navraag Eliza's opgaaf "dat zij een eind ver ging om eene week bij vrienden door te brengen," hetgeen zij in haar hart wenschte dat waarheid mocht zijn.

Een uur voor het ondergaan der zon kwam zij aan het dorp T***, bij de Ohio, vermoeid en met pijnlijke voeten, maar nog krachtig van hart. Haar eerste blik was de rivier, die gelijk de Jordaan en het Kanaän der vrijheid aan den overkant stroomde.

Het was in het begin der lente, en de rivier was gezwollen en onstuimig; groote brokken ijs dreven heen en weder op het troebele water. Door den bijzonderen vorm van den oever aan de zijde van Kentucky, waar het land met eene bocht ver in het water uitstak, was het ijs daar in groote hoeveelheid opgehouden en vastgezet, en het nauwe kanaal, dat om die bocht heenliep, was ingelijks vol ijs, zoodat de op elkander gestapelde schotsen een slagboom vormden, waartegen het afdrijvende ijs stuitte, dat als een groot golvend vlot de geheele rivier vulde, en zich bijna van den eenen oever tot den anderen uitstrekte.

Eliza stond voor een oogenblik dezen ongunstigen staat van zaken aan te zien, welke, zooals zij terstond begreep, eene gewone veerboot het oversteken moest beletten, en keerde zich toen naar eene kleine herberg op den oever om eenige navraag te doen.

De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde zich met eene vork in de hand om, toen Eliza's zachte, klagende stem haar in haar werk stoorde.

"Wat is er?" zeide zij.

"Is er tegenwoordig geen veerschuit of boot om iemand naar F*** over te zetten?" vroeg Eliza.

"Wel neen," antwoordde de vrouw. "Al de booten hebben opgehouden met varen."

Eliza's blik van schrik en teleurstelling trof de vrouw, en zij zeide vragend:

"Misschien moest gij zelf over? Iemand ziek? Ge schijnt zoo angstig te zijn."

"Ik heb een kind dat heel gevaarlijk is," antwoordde Eliza. "Ik wist er niets van voor gisteravond, en ben vandaag een heel eind gegaan, in de hoop om nog aan het veer te komen."

"Wel, dat is ongelukkig," zeide de vrouw, wier moederlijk gevoel terstond ontwaakte. "Ik heb waarlijk met u te doen.—Salomon!" riep zij uit het venster naar een achtergebouwtje.

Een man met een lederen schootsvel en zeer morsige handen kwam aan de deur.

"Zeg eens, Sam," hervatte de vrouw, "gaat die man van avond die vaten niet overbrengen?"

"Hij zeide dat hij het beproeven zou, als het maar eenigszins te wagen was," antwoordde de man.

"Er is een man hier, die van avond met eenig goed over zou gaan, als hij het durfde doen. Dat is een lieve kleine jongen," voegde de vrouw er bij en bood hem een koekje aan.

Maar het kind, geheel afgemat, schreide van vermoeienis.

"Arme kleine! Hij is het loopen niet gewend, en ik heb hem zoo gehaast," zeide Eliza.

"Wel breng hem in deze kamer," zeide de vrouw, een kamertje openende waarin een goed bed stond.

Eliza legde het vermoeide kind daarop neer en hield zijne handjes in de hare, totdat hij in slaap was. Voor haar was er geene rust. De gedachte aan den vervolger joeg haar voort, en met verlangende oogen staarde zij op den gezwollen stroom, die tusschen haar en de vrijheid golfde.

Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid van haar nemen om naar hare vervolgers terug te keeren.

Hoewel Mevrouw Shelby beloofd had dat er haast met den maaltijd zou gemaakt worden, bleek het echter weldra, gelijk meermalen is gebleken, dat haast niet altijd spoed is. Hoewel het gebod ten aanhoore van Haley werd gegeven en door tenminste een half dozijn kleine boden naar de keuken overgebracht, scheen Tante Chloe toch niet gezind om eenigen spoed te maken. Zij bromde slechts wat, wierp haar hoofd in den nek en ging met buitengewone omslachtigheid en langzaamheid haar gang.

Eene of andere bijzondere reden scheen tot eene algemeene verbeelding onder de bedienden aanleiding te hebben gegeven, dat Mevrouw zich niet meer boos zou maken over eenig getalm; en het was verbazend welk een getal van kleine ongelukken er samenliep om den maaltijd te vertragen. Een lomperd stiet de sauspan om, en toen moest er met zorgvuldigheid weder nieuwe saus gemaakt worden, die tante Chloe met hardnekkige oplettendheid mengde en roerde, terwijl zij ieder die van haast sprak, ten antwoord gaf "dat zij geene klonterige saus op de tafel zou geven, om wien het ook wezen mocht te helpen vangen." Een helper deed een val met het water en moest naar de bron gaan om meer te halen; een ander smeet de boter als een hinderpaal in den loop der gebeurtenissen om, en van tijd tot tijd werd er grinnikend bericht in de keuken gebracht, dat "Mijnheer Haley machtig onrustig was, en onmogelijk op zijn stoel kon blijven zitten, maar telkens naar de vensters en de veranda wandelde."

"Dat heeft hij er voor," zeide Tante Chloe met verontwaardiging.

"Hij zal wel eens nog onrustiger worden als hij zijn leven niet betert. Zijn meester zal hem laten halen, en dan zullen wij zien hoe het hem gaan zal."

"Hij zal naar de plaats der pijning gaan, zonder missen," zeide kleine Jake.

"Dat verdient hij," zeide Tante Chloe strak. "Hij heeft menig hart gebroken. Ik zeg u allen," vervolgde zij, zich omkeerende, met eene opgeheven vork in de hand, "het is zooals de jongeheer George in de Openbaring las—zielen roepende onder het altaar,—roepende tot den Heer om wraak over dezulken,—en eens zal de Heer hen hooren.—dat zal Hij!"

Tante Chloe, die in de keuken in groot aanzien stond, werd met open monden aangehoord, en daar de maaltijd nu eindelijk was opgedischt, had iedereen tijd om naar haar te luisteren en met haar te praten.

"Zulke kerels zullen voor eeuwig branden, zullen ze niet?" zeide Andy.

"Of ik blij zal zijn als ik het zie!" liet kleine Jake hierop volgen.

"Kinderen!" riep eene stem, die allen deed schrikken.

Het was Oom Tom, die binnen was gekomen, en bij de deur naar het gesprek stond te luisteren.

"Kinderen," herhaalde hij, "ik weet dat gij niet weet wat gij zegt. Voor eeuwig is een schrikkend woord, kinderen; het is ontzettend om er aan te denken. Gij moet dat nooit een menschelijk wezen toewenschen."

"Wij zouden het niemand dan de zielendrijvers," zeide Andy. "Niemand kan het laten het hun toe te wenschen; zij zijn zoo ontzaglijk goddeloos."

"Roept de natuur zelve geen wraak over hen?" zeide Tante Chloe. "Rukken zij niet den zuigeling van de moederborst, en verkoopen hem—en de kleine kinderen, die zich schreiend aan hare kleeren vasthouden, rukken zij ze niet los en verkoopen ze? Rukken zij niet man en vrouw van elkander?" vervolgde zij, en begon te schreien, "al moest het hun ook het leven kosten? En voelen zij iets van dat alles—drinken en rooken zij niet, en nemen zij het niet heel licht op? O, als de duivel hen niet krijgt, waar is hij dan goed voor?"

En Tante Chloe bedekte haar gezicht met haar geruiten voorschoot, en begon in goeden ernst te snikken.

"Bidt voor degenen die u geweld aandoen, zegt het boek," zeide Oom Tom.

"Voor hen bidden!" zeide Tante Chloe. "O, dat is al te hard. Ik kan niet voor hen bidden."

"Dat is de natuur, Chloe, en de natuur is sterk," antwoordde Tom, "maar de genade des Heeren is sterker. Bovendien, gij moest bedenken in welk een ontzettenden staat de ziel van een arm schepsel is, dat zulke dingen doet—gij moest God danken, dat gij niet aan hem gelijk zijt, Chloe. Ik ben zeker dat ik mij liever tien duizendmaal zou laten verkoopen, dan dat alles te verantwoorden te hebben wat dat arme schepsel heeft."

"Ik ook veel liever," zeide Jake. "Gij ook niet Andy?"

Andy haalde zijne schouders op.

"Ik ben blij dat de meester van morgen niet is heengegaan, zooals hij voornemens was," zeide Tom, "dat zou mij meer verdriet gedaan hebben dan het verkoopen. Misschien zou het natuurlijk voor hem zijn geweest; maar het zou bitter hard voor mij geweest zijn, die hem van kind af gekend heb. Maar ik heb meester gezien en nu begin ik eenigszins met den wil des Heeren verzoend te worden. Meester kon zich niet anders helpen. Hij heeft wèl gedaan; maar ik vrees dat de zaken in de war zullen loopen als ik wegga. Men kan niet verwachten dat meester overal zal rondkijken, zooals ik deed, om alles in orde te houden. De jongens willen wel, maar zij zijn machtig zorgeloos. Dat kwelt mij."

Hier liet de schel zich hooren en werd Tom in de voorkamer geroepen.

"Tom," zeide zijn meester vriendelijk, "ik wilde u kennis geven, dat ik dezen heer eene schriftelijke belofte heb gegeven, om duizend dollars te verbeuren als gij niet gereed zijt, wanneer hij u hebben wil. Hij gaat vandaag naar zijne andere zaken zien, en gij kunt dezen dag voor u zelven hebben. Ga nu waar gij wilt, mijn jongen."

"Dank u meester," zeide Tom.

"En pas op," zeide de handelaar nu, "en fop uw meester niet met uwe negerstreken, want ik zal elken cent van hem halen als gij er niet zijt. Als hij naar mij luisterde zou hij u niet vertrouwen. Ge zijt zoo glad als alen."

"Meester," zeide Tom, en richtte zich rechtop, "ik was juist acht jaren oud, toen de oude mevrouw u in mijne armen legde, en gij waart toen nog geen jaar oud. "Daar," zeide zij. "Tom, dat moet uw jonge meester zijn; pas goed op hem," zeide zij. En nu vraag ik u, meester, heb ik ooit mijn woord gebroken of iets tot uw nadeel gedaan, vooral sedert ik een Christen ben geworden?"

Mr. Shelby was diep getroffen, en de tranen kwamen hem in de oogen.

"Mijn goede jongen," antwoordde hij, "de Heer weet dat gij niets anders dan de waarheid zegt; en als ik in staat was om anders te doen, zou de geheele wereld u niet van mij koopen."

"En zoo zeker als ik eene christinne ben," zeide Mevrouw Shelby, "zult gij losgemaakt worden, zoodra ik op eenerlei wijs de middelen kan bijeenbrengen. Mijnheer," vervolgde zij tot Haley, "let wel op aan wien gij hem verkoopt en laat het mij weten."

"Och wel ja, wat dat aangaat," antwoordde de handelaar, "misschien breng ik hem over een jaar terug, niet eens veel versleten, en verhandel hem weer."

"Dan zal ik met u handelen, en het tot uw voordeel maken," zeideMevrouw Shelby.

"Het is mij natuurlijk hetzelfde," liet de handelaar hierop volgen. "Ik breng ze even lief de rivier op als de rivier af, als ik maar goede zaken maak. Al wat ik zoek is bestaan, weet ge, Mevrouw; en dat is wat wij allen zoeken, denk ik."

Mr. Shelby en zijne vrouw voelden zich beiden gekrenkt en vernederd door de onbeschaamde gemeenzaamheid van den handelaar, maar beiden begrepen ook de volstrekte noodzakelijkheid om hun gevoel te bedwingen. Hoe langgeestiger en gevoelloozer hij zich toonde, des te grooter werd Mevrouw Shelby's angst dat het hem gelukken zou Eliza en haar kind te achterhalen, en des te grooter natuurlijk haar verlangen om hem door allerlei vrouwelijke kunstgrepen op te houden. Zij glimlachte dus vriendelijk, gaf hem zooveel mogelijk gelijk, praatte gemeenzaam met hem en deed al wat zij kon om den tijd ongemerkt te doen omgaan.

Tegen twee uren brachten Sam en Andy de paarden voor, naar het scheen slechts verfrischt en versterkt door het hollen van dien ochtend.

Sam had door een goed maal insgelijks nieuwe krachten gekregen en was geheel ijver en gedienstigheid. Toen Haley naderde, pochte hij tegen Andy in een bloemrijken stijl op den ontwijfelbaar goeden uitslag der onderneming, nu zij er maar eens toe kwamen.

"Uw meester geloof ik, houdt geene honden," zeide Haley toen hij gereed was om op te stijgen.

"Bij troepen," antwoordde Sam zegepralende. "Daar is Bruno—dat is een bullebak, en bovendien houdt bijna elke neger van ons een hond van de eene of andere soort."

"Poe!" zeide Haley; en hij zeide nog iets anders van die honden, waarop Sam mompelde:

"Ik zie niet in waar het toe dient, om ze zoo te vervloeken."

"Maar uw meester houdt geene honden—ik weet haast wel zeker van neen—om negers op te sporen."

Sam wist zeer wel wat hij meende, maar bleef zeer ernstig en dom onnoozel kijken.

"Onze honden hebben allemaal een fijnen reuk. Ik denk, dat ze wel van de soort zullen zijn, al zijn ze nooit gedresseerd. Zij loopen haast naar alles waar men ze op afstuurt. Hier, Bruno," riep hij, en floot te gelijk den loggen Newfoundlander, die met plompe sprongen naar hem toekwam.

"Laat ze hangen!" zeide Haley, opstijgende. "Kom aan, te paard maar."

Sam sprong te paard, en terwijl hij dit deed trok hij een gezicht tegen Andy, waarop deze in een luiden lach uitbarstte, tot groote verontwaardiging van Haley, die een slag met zijn karwats naar hem deed.

"Ik ben verbaasd over u, Andy," zeide Sam met strakken ernst. "Het is een ernstig werk, Andy. Gij moet er den gek niet mee steken. Dit is de manier niet om Mijnheer te helpen."

"Ik zal den rechten weg naar de rivier nemen," zeide Haley beslissend, toen zij op de grenzen van het landgoed waren gekomen. "Ik ken de manier van die wegloopers wel. Zij willen allen maar naar den overkant."

"Zeker," zeide Sam, "dat is het idee. Mijnheer Haley heeft den spijker vlak op den kop geslagen. Maar er zijn twee wegen naar de rivier: de landweg en de tolweg;—welken van die twee denkt Mijnheer te nemen?"

Andy keek Sam onnoozel aan, zeer verwonderd over deze nieuwe ontdekking, maar bevestigde toch dadelijk het gezegde door eene nadrukkelijke herhaling.

"Omdat," zeide Sam, "ik haast zou denken,dat Lizzy den landweg genomen heeft, die het minst begaan en bereden wordt."

Haley, hoewel slim genoeg om altijd streken te vermoeden, liet zich toch door deze redeneering eenigszins tot hetzelfde gevoel bewegen.

"Als gij maar zulke vervloekte leugenaars niet waart," zeide hij twijfelende, na een oogenblik te hebben nagedacht.

De peinzende toon, waarop dit gezegd werd, scheen Andy bijzonder te vermaken; hij bleef wat achter en schudde zoo, dat hij gevaar liep om van zijn paard te vallen, terwijl Sams gezicht onverzettelijk ernstig bleef.

"Natuurlijk," zeide Sam, "Mijnheer kan doen wat hij het liefst wil en den tolweg nemen, als hij dat het beste vindt, het is ons hetzelfde. Als ik er beter over denk, vind ik ook den tolweg het beste."

"Zij moest natuurlijk den eenzamen weg kiezen," zeide Haley, hardop denkende, zonder op het gezegde van Sam te letten.

"Daar is geen zeggen van," liet Sam hierop volgen. "Die meiden zijn zoo wonderlijk. Zij doen nooit iets dat men denkt dat zij zullen doen, maar meestal vlak contrarie. Meiden zijn natuurlijk contrarie, en dus als gij denkt dat zij den eenen weg gegaan zijn, is het beter den anderen te nemen en dan kunt gij er vast op aan dat gij ze vindt. Nu is mijne gedachte dat Lizzy den landweg heeft genomen, en dus houd ik het voor beter den tolweg te nemen."

Deze diepzinnige bespiegeling over den aard der vrouwelijke sekse scheen Haley niet bijzonder voor den tolweg in te nemen. Hij gaf zijn stellig besluit te kennen om den anderen weg te kiezen, en vroeg Sam wanneer zij daar aankwamen.

"Een beetje verder," antwoordde Sam, en gaf tevens Andy een wenk met het oog dat niet aan Haley's kant was. "Maar ik heb nu over de zaak gedacht," vervolgde hij zeer ernstig, "en ben vast van meening dat wij dien weg niet moeten gaan. Ik ben dien weg nooit geweest. Het is er schrikkelijk eenzaam en wij zouden wel kunnen verdwalen. Onze lieve Heer alleen weet waar wij zouden terecht komen."

"Ik zal toch dien weg nemen," zeide Haley.

"Nu ik er aan denk geloof ik, dat ik heb hooren zeggen dat die weg bij de beek en verderop afgeheind en gesloten is. Is het zoo niet, Andy?"

Andy was er niet zeker van; hij had maar alleen van dien weg hooren spreken, maar was er nooit over geweest. Kortom, hij wilde zich niet compromitteeren.

Haley, gewoon om de waarschijnlijkheid te berekenen tusschen logens van meerdere en mindere grootte, meende dat de landweg toch de voorkeur verdiende. Het was onwillekeurig, gelijk hij meende opgemerkt te hebben, dat Sam er het eerst van had gesproken; en zijne verwarde poging tot afrading schreef hij aan een wanhopig liegen toe, toen de neger zich bedacht had en ongenegen was om Eliza te helpen vatten.

Toen Sam dus den bedoelden weg aanwees, sloeg Haley dien driftig in, door de twee negers gevolgd.

De weg nu was inderdaad een oude weg, die vroeger tot aan de rivier had doorgeloopen, maar sedert het aanleggen van den nieuwen tolweg verlaten was. Omtrent een uur rijdens ver was hij open, maar dan werd hij door de schuttingen van verscheidene hoeven doorsneden. Sam wist dit zeer wel; en de weg was reeds zoolang gesloten geweest, dat Andy er nooit van had hooren spreken. Hij reed dus met een gezicht vol ootmoedige onderdanigheid mede, en bromde slechts tusschenbeiden dat de weg machtig ongelijk was en heel slecht voor Jerry's poot.

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley. "Ik weet wel wat ge wilt, maar ge zult mij met al dat geklaag niet van dezen weg afbrengen, zwijg dus maar stil."

Om zijn ijver te toonen, hield Sam zich alsof hij steeds scherp uitkeek. Nu riep hij dat hij op eene hoogte in de verte een vrouwenhoed zag; dan vroeg hij Andy of dat Lizzy niet was, daar beneden in de diepte, en telkens deed hij die uitroepingen op eene ruwe en rotsige plek van den weg, waar het versnellen van den draf gevaarlijk en vermoeiend moest wezen, zoodat Haley in gedurige onrust bleef.

Nadat zij omtrent een uur lang aldus hadden gereden, draafde de troep, eensklaps in eene diepte afdalende, de werf eener groote boerderij op. Er was niemand te zien, daar al de arbeiders op het veld waren, maar eene schuur die dwars over den weg stond, deed duidelijk blijken dat de tocht in deze richting hier voor goed gestuit werd.

"Heb ik dat Mijnheer niet gezegd?" zeide Sam op een toon alsof hij zeer verongelijkt was. "Hoe kan een vreemd heer denken, dat hij meer van het land zal weten dan iemand die er geboren is?"

"Gij, schelm!" zeide Haley, "dat hebt gij wel geweten."

"Heb ik u niet gezegd dat ik het wist, toen gij mij niet woudt gelooven? Ik heb Mijnheer gezegd dat de weg afgezet en gesloten was, en dat ik niet dacht dat wij er door zouden kunnen. Andy heeft het gehoord."

Dit was al te waar om het tegen te spreken, en de ongelukkige Haley moest zijne gramschap verkroppen zoo goed hij kon. Zij keerden terug en sloegen den gewonen grooten weg in.

Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep, die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed het venster voorbij naar de voordeur.

Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen.

De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende, springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen.

"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met een vloek.

Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve, niet ver van hare oude woning.

"O, Mijnheer Symmes, red mij—red mij toch—verberg mij!" riep zij uit.

"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid vanShelby is!"

"Mijn kind—dit jongetje—hij heeft hem verkocht! Daar is zijn meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes, gij hebt ook een jongetje!"

"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie."

Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan.

"Ik zou gaarne iets voor u doen," zeide hij, "maar ik kan u nergens brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gijdaarheengaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen—zij zijn aan dat alles gewoon."

"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig.

"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft niets te beduiden."

"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!"

"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft, zult gij ze hebben."

Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden heen. De man bleef haar staan nakijken.

"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen."

Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen, hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest, niet had mogen doen.

Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam en Andy met een verwonderd vragenden blik.

"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam.

"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij sprong als een wilde kat."

"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor gelach hooren.

"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar.

"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden.

"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar hunne hoofden met zijne karwats.

Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren te paard eer hij hen bereikte.

"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast, dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen.

"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over Lizzy's brug brachten."

En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun schaterend gelach overwoei.


Back to IndexNext