De beeldjes en schilderijen in Eva's kamer waren met witte doeken bedekt; men hoorde daar slechts gesmoord ademhalen en met zachte voorzichtige schreden gaan, en het licht, door de neergelaten valgordijnen schijnende, verspreidde eene plechtige schemering.
Het bed was met eene sprei bedekt; en daar, onder de zwevende engelengedaante, lag de kleine slaapster—die sliep om nooit weder te ontwaken.
Daar lag zij, in een van die eenvoudige witte jurkjes gekleed, die zij placht te dragen toen zij leefde; het rozekleurige licht door de gordijnen wierp een warmen gloed over het ijskoude des doods. De zware wimpers lagen zacht op de reine wangen; het hoofd was een weinigje op zijde gekeerd, gelijk in een natuurlijken slaap, maar elke trek van het gezichtje deelde in die hemelsche uitdrukking, die mengeling van verrukking en ernst, welke bewees dat het geen aardsche, kortstondige slaap was, maar de lange, heilige rust, die "Hij aan zijne beminden geeft."
Er is geen dood voor dezulken als gij, lieve Eva! geene duisternis of schaduw des doods; niet anders dan zulk een helder verbleeken, gelijk wanneer de morgenster in den gouden dageraad verdwijnt. Voor hen is het een zege zonder strijd—een kroon zonder kamp.
Zoo dacht St. Clare, terwijl hij daar met de armen over elkander stond te staren. Maar wie zal zeggen wat hij dacht? want van het oogenblik, toen de stemmen in dat sterfvertrek hadden gezegd: "Het is voorbij," was alles om hem heen een dichte nevel geweest, had hij niets gevoeld dan zijne bedwelmende zielesmart. Hij had stemmen gehoord; er waren hem vragen gedaan, en hij had geantwoord; men had hem gevraagd, wanneer de begrafenis moest plaats hebben, en waar zij begraven moest worden, en hij had ongeduldig geantwoord, dat het hem niet schelen kon.
Adolf en Rosa hadden de kamer geschikt. Zoo lichtzinnig, wispelturig en kinderachtig als zij doorgaans waren, hadden zij toch een zacht hart en warm gevoel: en terwijl Ophelia over het geheel het opzicht hield en zorgde dat alles net en ordelijk was, waren het hunne handen, welke die kleine, poëtische versierselen aanbrachten, die het sterfvertrek dat akelige en sombere ontnamen, hetwelk eene begrafenis in Nieuw-Engeland maar al te zeer kenmerkt.
Er waren nog bloemen hier en daar—alle wit, teeder en geurig, met sierlijk hangende bladeren. Op Eva's tafeltje, met een wit kleed bedekt, stond hare geliefde vaas, thans met eene enkele witte mos-roos er in. De plooien van draperiën en gordijnen waren door Adolf en Rosa geschikt en herschikt, met die juistheid van oog, die aan hun geslacht eigen is; en ook nu nog, terwijl St. Clare daar stond te peinzen, kwam Rosa de kamer binnentrippelen met een mandje witte bloemen. Zij trad terug toen zij haar meester zag en bleef eerbiedig staan; maar ziende dat hij haar niet opmerkte, kwam zij nader om ze op het bed te strooien. St. Clare zag haar als in een droom, terwijl zij een Kaapsche jasmijn in de witte handjes plaatste, en de overige bloemen met keurigen smaak hier en daar verdeelde.
De deur werd wederom geopend en Topsy kwam, met oogen gezwollen van het schreien en iets onder haar voorschoot houdende. Rosa wenkte haar snel om terug te blijven, maar zij trad toch binnen.
"Gij moet heengaan," zei Rosa, driftig en gebiedend fluisterende, "gij hebt hier niets te maken."
"O laat mij toch! Ik heb eene bloem gebracht—zoo mooi!" zeide Topsy, eene half ontloken theeroos vertoonende. "Laat ik die toch maar even daar leggen."
"Maak je weg," zeide Rosa nog scherper.
"Laat haar blijven!" zeide St. Clare eensklaps en stampte met zijnen voet. "Zij mag komen."
Rosa droop spoedig af en Topsy kwam nader en legde haar offer aan den voet van het lijkje. Toen wierp zij zich plotseling, met een woesten en bitteren kreet, bij het bed op den grond en bleef daar luid liggen schreien en kermen.
Ophelia kwam haastig de kamer binnen en poogde haar te doen opstaan en zwijgen, maar vruchteloos.
"O, Miss Eva! O, Miss Eva! Ik wenschte dat ik dood was,—dat doe ik!"
Toen zij dat met woeste droefheid uitriep, kwam er weder een blos op St. Clare's marmerwitte wangen, en sprongen de eerste tranen, die hij sedert Eva's dood had geschreid, uit zijne oogen.
"Sta op, kind," zeide Ophelia met meer zachtheid in hare stem. "Huil zoo niet. Miss Eva is naar den hemel gegaan. Zij is nu een engel!"
"Maar ik kan haar niet meer zien, en ik zal haar nooit meer zien," zeide Topsy en begon weder te snikken.
Allen zwegen een poos.
"Zij zeide dat zij mij liefhad," begon Topsy weder, "dat deed zij! En och! nu is er niemand over—niemand!"
"Dat is maar al te waar," zeide St. Clare. "Maar zie toch of gij dat arme schepsel niet troosten kunt," vervolgde hij tegen Ophelia.
"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zei Topsy. "Ik behoefde geheel niet geboren te worden. Ik zie niet waarvoor het goed is."
Miss Ophelia nam haar nu met zachten dwang van den grond op en bracht haar de kamer uit; maar terwijl zij dit deed, rolden er tranen over hare wangen.
"Topsy, gij arm kind," zeide zij, toen zij het meisje naar hare eigene kamer had gebracht, "verlies nu den moed niet. Ik kan u liefhebben, al ben ik niet gelijk aan dat lieve kleine kind. Ik hoop dat ik toch iets van de liefde van Christus van haar geleerd heb. Ik kan u liefhebben. Dat doe ik al, en ik zal beproeven u te helpen om een goed christelijk meisje te worden."
Ophelia's stem zeide meer dan hare woorden, en nog meer zeiden de oprechte, medelijdende tranen, die over hare wangen rolden. Van dat uur af verkreeg zij een invloed op het gemoed van dat arme kind, dien zij nooit weder verloor.
"O, mijne Eva, wier korte tijd op aarde zooveel goed deed," dacht St. Clare, "welke verantwoording heb ik voor mijne lange jaren te geven!"
Eene poos hoorde men nog gefluister en zachte voetstappen in de kamer, terwijl de een na den ander binnensloop om den doode te zien; en toen kwam de kleine doodkist, en toen volgde de begrafenis, en koetsen hielden voor de deur op, en vreemdelingen gingen daarin zitten; en men zag witte strikken en zwarte strooken krip, en dragers geheel in het zwart; en er werden woorden uit den Bijbel gelezen, en gebeden gedaan; en St. Clare leefde en ging en deed gelijk iemand, die zijne laatste tranen geschreid had. Tot het laatst toe zag hij slechts dat eene—het hoofdje met gouden lokken in de doodkist. Maar toen zag hij den doek daarover leggen en het deksel op de kist doen; en toen hij naast anderen geplaatst was, ging hij voort naar eene plek in den tuin, en daar, bij de met mos begroeide bank, waarop zij en Tom zoo dikwijls hadden zitten praten, zingen en lezen, daar was het grafje. St. Clare stond er bij en zag er verstrooid in neder, hij zag de kleine kist afdalen, hoorde flauw de plechtige woorden: "Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven," en toen de aarde in het grafje werd geworpen, kon hij zich niet voorstellen, dat het zijne Eva was, die men zoo voor zijne oogen verborg.
En het was ook Eva niet—maar alleen de zwakke kiem van die heerlijke, onsterfelijke gedaante, die eens te voorschijn zal treden op den dag van den Heere Jezus!
En toen verstrooiden zich allen, en de rouwdragers gingen weder naar de plaats die haar niet meer kennen zou; en de kamer van Marie was donker gemaakt, en zij lag te bed, snikkende en zuchtende in onbedwingbare smart, en telkens om de hulp harer bedienden vragende. Zij hadden natuurlijk geen tijd om te schreien—wat behoefden zij ook? Het leed washaarleed, en zij was ten volle overtuigd, dat niemand het zoo op de wereld kon en zou gevoelen als zij.
"St. Clare schreide geen enkele traan," zeide zij. "Hij had geen het minste medelijden met haar. Het was inderdaad verbazend als men dacht hoe hardvochtig en ongevoelig hij was, daar hij toch wel weten moest wat zij leed."
Zoozeer zijn de menschen de slaven hunner oogen en ooren, dat velen der bedienden inderdaad geloofden, dat hunne meesteres het meest onder het gebeurde leed, vooral toen Marie zenuwtoevallen begon te krijgen, en den dokter liet komen, en eindelijk verklaarde dat zij stervende was; en het loopen en draven, het brengen van warme kruiken, het heet maken van wollen lappen, het wrijven en al het gedoe dat daarop volgde, gaf werkelijk eene afleiding.
Tom evenwel had een gevoel in zijn hart, dat hem naar zijnen meester trok. Hij volgde dezen oplettend en treurig, waar hij ook ging, en toen hij hem zoo bleek en stil in Eva's kamer zag zitten, met haar Bijbeltje open voor zich, schoon hij geen woord of letter zag van hetgeen er in stond, was er voor Tom meer smart in die strakke, tranenlooze oogen, dan in al het kermen en klagen zijner meesteres.
Eenige dagen later ging de familie weder naar de stad terug, daar St. Clare, met de rusteloosheid der smart, naar verandering van plaats verlangde, om den loop zijner gedachten eene andere richting te geven. Zij verlieten dus het huis en den tuin, met zijn grafje, en kwamen te Nieuw-Orleans terug; St. Clare zwierf veel langs de straten, en poogde het ledige in zijn hart met gewoel en drukte te vervullen; en zij die hem op straat of in het koffiehuis zagen, wisten van zijn verlies alleen door den rouwband om zijnen hoed; want daar was hij pratende en lachende, de couranten lezende, en zich met politiek en handelszaken bemoeiende; en wie kon het zien dat die uitwendige vroolijkheid slechts een holle schel was over een hart, dat een stil en donker graf was.
"St. Clare is een zonderling man," zeide Marie eens op een klagenden toon tegen Ophelia. "Ik placht te denken, als er iets op de wereld was dat hij liefhad, dat het dan onze kleine Eva was; maar hij schijnt haar zeer gemakkelijk te vergeten. Ik kan hem er nooit toe krijgen om over haar te spreken. Ik had waarlijk gedacht dat hij meer gevoel zou toonen."
"Stille waters hebben diepe gronden, placht men mij te zeggen," antwoordde Ophelia op den toon van een orakel.
"Och, ik geloof aan zulke dingen niet. Dat zijn maar praatjes. Als iemand gevoel heeft toont hij het ook; dat kan hij niet laten. Maar toch is het een groot ongeluk als men gevoel heeft. Ik zou liever naar St. Clare willen gelijken. Mijn gevoel ondermijnt mij."
"Maar zeker, Mevrouw, Mijnheer St. Clare wordt zoo bleek en mager als een schim, en ik hoor dat hij haast niet meer eet," zeide Mammy. "Ik weet wel, dat hij Miss Eva niet vergeet; en dat zou ook niemand kunnen doen, dat lieve, kleine schaap," voegde zij er bij en veegde hare oogen af.
"Nu, in allen gevalle, hij denkt geheel niet om mij," zeide Marie. "Hij heeft geen woord van troost tegen mij gesproken, en hij moet toch wel weten hoeveel meer eene moeder voelt dan een man ooit doen kan."
"Het hart kent zijne eigene bitterheid," zeide Ophelia ernstig.
"Dat is het juist wat ik denk. Ik weet wat ik gevoel—niemand anders schijnt dat te weten. Eva placht dat te doen; maar ze is weg!" En Marie liet zich achterover op de sofa zinken en begon jammerlijk te snikken.
Marie was eene van die ongelukkige stervelingen, in wier oogen al wat zij verloren hebben eene waarde verkrijgt, die het nooit had terwijl zij het bezaten. Wat zij had, scheen zij slechts te beschouwen om er gebreken aan te vinden; maar wanneer zij het eens voorgoed kwijt was, hield zij niet op het te prijzen.
Terwijl dit gesprek in de voorkamer plaats had, werd er een ander in de bibliotheek gevoerd.
Tom, die zijn meester onrustig overal volgde, had hem eenige uren geleden daar zien binnengaan, en na vruchtloos gewacht te hebben dat hij er weder uit zou komen, besloot hij eindelijk er eenige bezigheid te zoeken. Hij trad zacht binnen. St. Clare zat in een leuningstoel aan het einde van het vertrek. Zijn gezicht was in zijne handen verborgen, en Eva's Bijbeltje lag op eenigen afstand open op de tafel.
Tom kwam nader en bleef aarzelend bij hem staan. Eensklaps richtte St. Clare zich op. Toms eerlijk gezicht, zoo vol droefheid en met zulk een smeekende uitdrukking van liefde en medelijden, trof zijn meester. Hij legde zijne hand op die van Tom, en liet zijn voorhoofd daarop zinken.
"O Tom, mijn jongen, de geheele wereld is zoo ledig als een eierschaal."
"Dat weet ik, meester, dat weet ik," antwoordde Tom. "Maar o, als meester kon opzien, waar onze lieve Miss Eva is—naar den lieven Heere Jezus!"
"Och, Tom, ik zie op. Maar het ergste is, ik zie toch niets als ik het doe. Ik wenschte dat ik kon."
Tom slaakte een zwaren zucht.
"Het schijnt aan de kinderen en arme oprechte lieden, zooals gij, gegeven te zijn, om te zien wat wij niet kunnen zien," zeide St. Clare nu. "Hoe komt dat?"
"Gij hebt ze voor de wijzen en verstandigen verborgen, en ze den kinderkens geopenbaard," prevelde Tom. "Ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U."
"Tom, ik geloof niet—ik kan niet gelooven; ik heb de gewoonte van twijfelen aangenomen," zeide St. Clare. "Ik wil dezen Bijbel gelooven, en ik kan niet."
"Lieve meester, bid tot den goeden Heere: 'Heere, ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp.'"
"Wie weet iets van niets?" zeide St. Clare bij zichzelven, terwijl zijne oogen peinzend rondzwierven. "Was al die heerlijke liefde, was al dat schoone geloof slechts een der altijd afwisselende verschijnselen van het menschelijk gevoel, dat niets wezenlijks tot grondslag had en met den laatsten ademtocht werd uitgeblazen? Er is geen Eva meer—geen hemel—geen Christus—niets!"
"O, lieve meester, Hij is er! Dat weet ik; daarvan ben ik zeker," zeideTom, op zijne knieën vallende. "O, lieve meester, geloof het toch!"
"Hoe weet gij dat er een Christus is, Tom? Gij hebt den Heere nooit gezien."
"Ik heb Hem in mijne ziel gevoeld, meester—ik voel Hem nu! O, meester, toen ik verkocht werd en van mijne vrouw en kinderen af moest, toen was het haast gedaan met mij. Het was mij alsof ik niets meer over had, en toen kwam de goede Heere mij te hulp en zeide: "Wees niet bevreesd, Tom!" en Hij brengt licht en vreugd in de ziel van een armen neger, en maakt alles vrede; en ik ben zoo gelukkig, en heb alle menschen lief, en voel mij gewillig om des Heeren te zijn, en des Heeren wil te laten geschieden, en overal te zijn waar de Heere mij brengen wil. Ik weet dat dit niet van mij kan komen, omdat ik een arm zondig schepsel ben; het komt van den Heere, en ik weet dat Hij gewillig is om dit ook voor meester te doen."
Tom sprak met eene gesmoorde stem, terwijl de tranen hem over de wangen rolden. St. Clare liet het hoofd op zijnen schouder zinken, en drukte de harde, trouwe zwarte hand.
"Tom, gij hebt mij lief," zeide hij.
"Ik ben gewillig om mijn leven af te leggen, nog dezen gezegenden dag, om meester een christen te zien."
"Arme, dwaze jongen," zeide St. Clare zich half oprichtende. "Ik ben de liefde van een goed, eerlijk hart, zooals het uwe, niet waardig."
"O, meester, er zijn er meer dan ik die u liefhebben—de gezegendeHeere Jezus heeft u lief."
"Hoe weet ge dat, Tom?"
"Ik voel het in mijne ziel. O, meester, "de liefde van Christus, die steeds alle verstand te boven gaat!""
"Vreemd!" zeide St. Clare, "dat de geschiedenis van een man, die achttienhonderd jaren geleden geleefd en gestorven is, iemand zoodanig kan aandoen. Maar hij was ook geen mensch," vervolgde hij snel. "Geen mensch heeft ooit zulk een lange en levende macht gehad. O, dat ik gelooven kon wat mijne moeder mij leerde, en bidden kon gelijk ik deed toen ik een kind was!"
"Als het meester belieft," zeide Tom; "Miss Eva placht dat zoo schoon te lezen. Ik wenschte dat meester zoo goed was om het te lezen. Ik hoor haast niet meer lezen, nu Miss Eva weg is."
Het hoofdstuk was het elfde van Johannes—het treffende verhaal der opwekking van Lazarus. St. Clare las het overluid. Dikwijls ophoudende, om de aandoeningen te bekampen, die door het aandoenlijke der geschiedenis werden opgewekt. Tom knielde voor hem met gevouwen handen, en met eene uitdrukking van liefde, vertrouwen en eerbied in zijne kalme trekken.
"Tom, is dat alles waarheid voor u?" zeide zijn meester.
"Ik kan het zoo voor mij zien, meester," antwoordde Tom.
"Ik wenschte dat ik uwe oogen had, Tom."
"Ik wenschte van onzen Lieven Heer dat meester ze had."
"Maar, Tom, gij weet wel, dat ik veel kundiger ben dan gij. Als ik u nu zeide dat ik dien Bijbel niet geloof?"
"O, meester!" zeide Tom, smeekend de handen opheffende.
"Zou dat uw geloof toch niet eenigszins schokken, Tom?"
"Geheel niet," antwoordde Tom.
"Wel, Tom, gij moet toch weten dat ik het meeste weet."
"O, meester, hebt gij niet zoo pas gelezen, dat Hij het voor de wijzen en verstandigen verborgen houdt, en aan de kinderkens openbaart? Maar meester sprak niet in ernst, zeker niet?" zeide Tom angstig.
"Neen, Tom, dat deed ik niet. Ik ben niet ongeloovig, en ik denk dat er reden is om te gelooven; en toch doe ik het niet. Dat is een lastige gewoonte, die ik aangenomen heb, Tom!"
"Als meester maar wilde bidden."
"Hoe weet gij dat ik dat niet doe, Tom?"
"Doet meester het?"
"Ik zou het doen, Tom, als er iemand vóór mij was, wanneer ik bid; maar het is alles in de lucht gesproken, als ik het doe. Maar kom aan, Tom, bidt gij en leer mij het te doen."
Toms hart was vol, en hij stortte het nu geheel uit in zijn gebed. Eén ding was duidelijk: Tom dacht wel dat er iemand was om hem te hooren, hetzij er iemand was of niet. St. Clare voelde zich dan ook werkelijk door den stroom van zijne liefde en zijn geloof tot bijna voor de poorten van den hemel gevoerd, dien hij zich zoo levendig scheen voor te stellen. Hij scheen daardoor nader bij Eva gebracht te worden.
"Dank, mijn jongen," zeide St. Clare, toen Tom opstond. "Ik hoor u gaarne, Tom; maar ga nu heen en laat mij alleen. Op een anderen tijd zal ik meer met u spreken."
Tom verliet stilzwijgend het vertrek.
Week op week verliep in de woning van St. Clare, en de golven des levens effenden zich weder tot haar gewonen vloed, waar die kleine bark gezonken was. Want hoe heerschzuchtig, hoe onverschillig voor iemands gevoel, stroomt die koude, gewone loop der dagelijksche zaken voort! Nog moeten wij eten, drinken, slapen en weder ontwaken—nog moeten wij koopen, verkoopen, vragen en antwoorden—kortom duizend schaduwen naloopen, hoewel alle belangstelling daarin voorbij is; de koude werktuigelijke gewoonte des levens blijft nog, wanneer alles wat waarde voor ons geeft is verdwenen.
Alle hoop en uitzicht van St. Clare's leven had zich, zonder dat hij zelf het wist, met zijn kind samengestrengeld. Het was voor Eva, dat hij zijn vermogen bewaarde; het was voor Eva, dat hij het besteden van zijnen tijd overleide; en dit en dat nu en dan voor Eva te doen—iets voor haar te koopen, te veranderen of te beschikken—was zoolang zijne gewoonte geweest, dat er, nu zij er niet meer was, om niets meer scheen gedacht, niets meer scheen gedaan te moeten worden.
Het is waar, er was een ander leven—een leven dat, als men er eens aan gelooft, als een ernstig, veelbeteekenend cijfer vóór de andere waardelooze nullen van den tijd staat, en die in eene reeks van geheimzinnige, onberekenbare waarde doet veranderen. St. Clare wist dit wel; en dikwijls had hij in een moedeloos uur die zachte kinderstem naar boven hooren roepen, dat handje hem den weg van dat ware leven zien aanwijzen; maar de doffe slaperigheid der smart benevelde hem—hij kon niet opstaan. Zijn geest behoorde onder diegenen, die zich, naar hunne eigene aandoeningen en neigingen, een beter en duidelijker begrip van godsdienstige zaken kunnen vormen, dan menig welonderwezen en geoefend christen kan. De gaaf om de fijnste onderscheidingen en betrekkingen van zedelijke dingen te gevoelen en te beoordeelen, schijnt dikwijls eene eigenschap te zijn van hen, wier geheele leven eene onverschillige minachting daarvoor toont. Vandaar dat Moore, Byron en Goethe dikwijls woorden zeggen, waarin het ware godsdienstige gevoel beter beschreven wordt, dan in die van iemand, wiens geheele leven daardoor bestuurd wordt. In zulke gemoederen is minachting voor den godsdienst een des te schrikkelijker verraad—eene te doodelijker zonde.
St. Clare had zich nooit willen laten doorgaan voor iemand, die zich door godsdienstige verplichtingen liet besturen, en zekere fijnheid van zedelijk gevoel gaf hem zulk een verheven denkbeeld van de uitgebreide eischen des christendoms, dat hij reeds bij voorbaat terugdeinsde voor hetgeen hij gevoelde dat zijn geweten van hem vorderen zou, wanneer hij ooit besloot om zich aan die eischen te onderwerpen. Want zulke tegenstrijdigheden bevat het menschelijk gemoed, dat het beter schijnt iets geheel niet te ondernemen, dan het te ondernemen en te kort te schieten.
Evenwel was St. Clare in vele opzichten een ander mensch geworden.
Hij las ernstig en met oprechte begeerte in den Bijbel zijner kleine Eva; hij dacht meer bepaald en opzettelijk na over zijne betrekkingen tot zijne bedienden—genoeg om hem buitengemeen ontevreden te maken, zoowel met zijne tegenwoordige als zijne vroegere handelwijs. Eén ding deed hij dan ook, kort na zijne terugkomst te Nieuw-Orleans; hij maakte namelijk een aanvang met de noodige wettige maatregelen om Tom vrij te verklaren, hetgeen zoo spoedig geschieden zou, als hij door de vereischte formaliteiten kon heenkomen. Ondertusschen hechtte hij zich dagelijks meer aan Tom. In de geheele wijde wereld was er niets dat hem zoozeer aan Eva scheen te herinneren; hij hield hem dus bestendig bij zich, en zoo huiverig als hij anders was om zijn dieper gevoel aan iemand te ontdekken, voor Tom dacht hij bijna overluid. Niemand, die gezien had met welk een gezicht vol dienstvaardige genegenheid Tom zijn meester gedurig volgde, zou zich ook daarover verwonderd hebben.
"Wel, Tom," zeide St. Clare, daags nadat hij een aanvang had gemaakt met de wettige formaliteiten voor zijne vrijverklaring, "ik zal een vrij man van u maken. Pak uw koffer dus maar, en houd u gereed om naar Kentucky te vertrekken."
De glans van blijdschap, die Toms gezicht eensklaps verhelderde, terwijl hij zijne handen naar den hemel ophief en een nadrukkelijk "de Heere zij gezegend!" ontboezemde, maakte op St. Clare een eenigszins onaangenamen indruk; het beviel hem niet, dat Tom zoo bereidwillig was om hem te verlaten.
"Gij hebt hier zulk een slechten tijd niet gehad, dat ge zoo verrukt behoeft te wezen, Tom," zeide hij droogjes.
"Neen, neen, meester, dat is het niet. Het is dat ik een vrij man zal wezen. Dat is het waarover ik zoo blij ben."
"Maar, Tom, denkt gij niet, dat gij het, wat u aangaat, hier beter hebt, dan gij het als vrij man zult hebben?"
"Neen, waarlijk niet, Mijnheer St. Clare," antwoordde Tom, met eene opwelling van fierheid. "Neen, waarlijk niet."
"Wel, Tom, gij zoudt toch met werken onmogelijk zulke kleeren en zulk een kost kunnen verdiend hebben, als ik u gegeven heb."
"Dat weet ik alles wel, meester St. Clare. Meester is al te goed geweest; maar ik zou toch liever armoedige kleeren, een armoedig huis, alles even armoedig willen hebben, als het maar het mijne was, dan het beste als het van een ander is. Dat zou ik, meester; en ik geloof dat het natuurlijk is."
"Dat denk ik ook, Tom, en dus zult ge over eene maand of zoo vertrekken en mij verlaten," zeide St. Clare eenigszins onvergenoegd. "Evenwel, geen mensch zou kunnen zeggen waarom gij het niet doen zoudt," voegde hij er op vroolijker toon bij, en begon op en neer te wandelen.
"Niet, zoolang meester in droefheid is," zeide Tom. "Ik zal bij meester blijven, zoolang hij mij noodig heeft—als ik maar van eenig nut kan zijn."
"Niet, zoolang ik in droefheid ben, Tom?" zeide St. Clare, treurig uit het venster ziende. "En wanneer zal mijn droefheid ten einde zijn?"
"Als meester een christen is," antwoordde Tom.
"En meent gij werkelijk bij mij te blijven tot die dag komt?" zeide St. Clare, zich met een halven glimlach van het venster afkeerende. "O, Tom, gij onnoozele jongen," vervolgde hij, zijne hand op Toms schouder leggende, "ik wil u niet tot dien dag laten wachten. Ga naar huis, naar uwe vrouw en kinderen, en wees gelukkig met hen."
"Mijn geloof zegt mij te gelooven dat die dag wel komen zal," zeide Tom ernstig en tevens met tranen in de oogen. "De Heere heeft een werk voor meester."
"Een werk!" herhaalde St. Clare. "Wel zoo! Zeg mij eens wat voor een werk dat wezen zou, naar uw begrip. Laat hooren Tom."
"Wel, zelfs zulk een arm man als ik, heeft een werk van den Heere; en meester St. Clare, die geleerdheid, geld en vrienden heeft—hoeveel meer zou hij voor den Heer kunnen doen!"
"Gij schijnt dus te denken, Tom, dat de Heere noodig heeft, dat er veel voor hem gedaan wordt," zeide St. Clare glimlachende.
"Wij doen voor den Heere wat wij voor Zijne schepselen doen," antwoordde Tom.
"Dat is goede godgeleerdheid, Tom; beter dan die Dr. C*** preekt; dat durf ik beweren," zeide St. Clare.
Hier werd het gesprek door het aandienen van bezoek gestoord.
Marie St. Clare gevoelde het verlies van Eva zoo diep, als zij iets gevoelen kon; en daar zij iemand was, bijzonder in staat, om wanneer zij zich ongelukkig gevoelde, hetzelfde gevoel aan allen om haar heen mede te deden, hadden hare lijfbedienden nog grooter reden om het verlies hunner meesteres te beklagen, wier innemende manieren en lieftallige tusschenkomst hun zoo dikwijls tot een schild hadden gestrekt tegen de eigenlievende dwingelandij harer moeder. De arme Mammy vooral, wier hart, van alle natuurlijke banden losgerukt, zich met dat ééne beminnelijke wezen had getroost, verging bijna van rouw. Zij schreide nacht en dag, en was, door de groote overmaat van droefheid, minder vlug en behendig in hare diensten bij hare meesteres, waardoor zij zich gedurig een storm van smaad- en scheldwoorden berokkende.
Miss Ophelia gevoelde het verlies insgelijks; maar in haar goed en oprecht hart droeg het vruchten ten eeuwigen leven. Zij was zachter en vriendelijker; en schoon even ijverig in hare plichten, was het met meer bedaardheid en kalmte, waaruit bleek dat zij niet vruchteloos haar eigen hart had doorzocht. Zij was vlijtiger in het onderwijzen van Topsy—onderrichtte haar hoofdzakelijk uit den Bijbel—en was niet langer huiverig om haar aan te raken—zij liet geene kwalijk ontveinsde viesheid meer blijken, omdat zij die niet langer gevoelde. Zij beschouwde haar nu als het ware door het verhelderde glas, dat Eva's handje haar het eerst voor de oogen had gehouden, en zag in haar slechts een onsterfelijk schepsel, dat God gezonden had, om door haar tot de deugd en de eeuwige heerlijkheid geleid te worden. Topsy werd niet op eens een heilige, maar het leven en de dood van Eva bewerkten toch eene opmerkelijke verandering in haar. De verharde onverschilligheid was verdwenen; deze was vervangen door gevoel, hoop, verlangen en een streven naar het goede—een streven dat ongeregeld was en dikwijls afgebroken werd, maar toch telkens werd hervat.
Eens, toen Topsy bij Ophelia was geroepen, stak zij, aankomende, haastig iets in hare borst weg.
"Wat doet gij daar, ondeugend nest? Gij hebt zeker weer iets gestolen," zeide de heerschzuchtige, kleine Rosa, die gezonden was om haar te roepen, en greep haar tevens onzacht bij den arm.
"Och, loop heen, Miss Rosa," zeide Topsy, met eene poging om zich los te trekken. "Dat is iets dat je niet aangaat."
"Wees maar zoo onbeschaamd niet," hervatte Rosa. "Ik heb je daar wat zien wegstoppen. Ik ken je streken wel," en daarmede poogde Rosa hare hand in Topsy's borst te steken, terwijl het meisje woedend van zich af schopte en dapper vocht voor wat zij hare rechten achtte. Het rumoer van dit gevecht deed Ophelia en St. Clare beiden toeschieten.
"Zij heeft gestolen," zeide Rosa.
"Dat heb ik niet," schreeuwde Topsy, huilende van kwaadheid.
"Geef het mij, wat het ook wezen mag," gebood Ophelia.
Topsy aarzelde; maar op een tweede bevel haalde zij een pakje uit hare borst, in den voet van eene harer oude kousen gewikkeld.
Toen Ophelia het opendeed, vond zij een boekje, dat Eva eens aan Topsy geschonken had, een almanak met een tekst uit den Bijbel voor elken dag van het jaar, en in een papiertje de haarlok, welke zij het kind op den gedenkwaardigen dag van haar afscheid had gegeven.
St. Clare werd zeer aangedaan door dit gezicht. Het boekje was in eene strook zwarte krip gewikkeld.
"Waarom hebt geditom het boekje gedaan?" zeide St. Clare, het krip vertoonende.
"Omdat—omdat het van Miss Eva was. O, neem het mij niet af," antwoordde Topsy, zette zich toen plat op den grond neer, sloeg haar voorschoot over haar hoofd en begon heftig te schreien.
Het was een zonderling mengsel van aandoenlijkheid en belachelijkheid—dat stuk van eene kous, het zwarte krip, het tekstenboekje, de haarlok en Topsy's matelooze droefheid.
St. Clare glimlachte, maar er stonden toch tranen in zijne oogen, toen hij zeide:
"Kom, kom, schrei maar niet; gij moogt het wel hebben." En alles weder bijeendoende wierp hij het Topsy in den schoot, en trok Ophelia mede naar de voorkamer.
"Ik geloof inderdaad dat gij nog iets van dat ding zult kunnen maken," zeide hij met zijnen duim over zijnen schouder wijzende. "Een gemoed, dat voor ware droefheid vatbaar is, is ook voor het goede vatbaar. Gij moet uw best maar met haar doen."
"Het kind is veel verbeterd," antwoordde Ophelia, "en ik heb groote hoop van haar. Maar Augustine," vervolgde zij, hare hand op zijnen arm leggende, "ik moet u nog iets vragen. Van wien zal dit kind wezen? Van u of van mij?"
"Wel, ik heb haar immers aan u gegeven," antwoordde St. Clare.
"Maar niet wettig. Ik zou willen dat zij wettig de mijne was," zeide Ophelia.
"Wel, Nicht, wat zal het abolitie-genootschap daarvan denken?" zeide St. Clare. "Zij zullen een vastendag uitschrijven voor zulk een afval, dat gij eene slavenhoudster wordt."
"Dat is maar gekheid. Ik zou willen dat zij de mijne was, om het recht te hebben haar naar de vrije staten te brengen en haar heur vrijheid te geven, opdat al wat ik beproef te doen niet weer verijdeld worde."
"O, Nicht, welk een ontzettend, 'kwaaddoen opdat er goed uit voortkome.' Daartoe kan ik niet behulpzaam zijn."
"Ik zou u liever hooren redeneeren dan schertsen," zeide Ophelia. "Het baat niet of ik mijn best doe om dit kind tot een christenkind te maken, als ik haar niet bewaar voor alles, waaraan de slavernij haar later blootstelt, en als gij inderdaad gezind zijt om haar aan mij te geven, verlang ik dat ge mij een giftbrief of ander wettig bewijs geeft."
"Welnu, dat zal ik," zeide St. Clare, zette zich neer en nam de courant op om te gaan lezen.
"Maar ik zou dat nu willen gedaan hebben," hervatte Ophelia.
"Hoe hebt ge zoo'n haast?"
"Omdat het nu gedaan moet, als het ooit gedaan zal worden," antwoorddeOphelia. "Kom, daar is papier, pen en inkt; schrijf nu even zoo iets."
St. Clare had, gelijk de meeste menschen van zijnen stempel, een hartelijken afkeer van den tegenwoordigen tijd, van het bedrijvend werkwoord, en werd dus eenigszins verstoord over Ophelia's voortvarendheid.
"Wat scheelt u toch?" zeide hij. "Kunt gij mijn woord niet aannemen? Men zou denken dat ge bij de joden les had genomen, om iemand zoo aan te pakken."
"Ik wil er zeker van zijn," antwoordde Ophelia. "Gij kunt sterven of in ongelegenheid raken, en dan zou Topsy verkocht worden, zonder dat ik er iets tegen doen kon."
"Inderdaad, ge zijt zeer voorzichtig. Maar nu ik zie dat ik in de handen van een Yankee ben, is er niets anders op dan maar toe te geven," zeide St. Clare en schreef snel een giftbrief, hetgeen hij, daar hij met alle wettige vormen bekend was, zeer gemakkelijk doen kon, en teekende zijn naam met groote wilde letters, met een geduchte krul er onder.
"Daar, is dat nu zwart op wit, Miss Vermont?" zeide hij, haar het papier overgevende.
"Goede jongen!" zeide Ophelia nu hierop. "Maar moet het ook niet door een getuige onderteekend worden?"
"Och ja, dat is ook waar. Hier, Marie!" vervolgde St. Clare tot zijne vrouw, de deur harer kamer openende. "Nicht wilde uw handteekening bewaren. Zet eens even uw naam hieronder."
"Wat is dat?" zeide Marie het geschrift doorloopende. "Wel, dat is grappig! Ik dacht dat nicht veel te vroom was voor zulke afschuwelijkheden," vervolgde zij, onverschillig haar naam schrijvende. "Maar als zij dat ding verlangt te hebben, is het haar hartelijk gegund."
"Daar, nu is zij de uwe met lichaam en ziel," zeide St. Clare, het papier teruggevende.
"Niet meer de mijne dan zij te voren was," zeide Ophelia. "Niemand dan God heeft het recht om haar aan mij te geven; maar ik kan haar nu beschermen."
"Welnu, zij is dan nu de uwe door eene fictie der wet," zeideSt. Clare, naar de voorkamer en zijne courant terugkeerende.
Ophelia, die Marie zelden veel gezelschap bleef houden, volgde hem naar de voorkamer, nadat zij het papier zorgvuldig geborgen had.
"Augustine," zeide zij eensklaps terwijl zij zat te breien, "hebt gij eenige bestelling voor uw bedienden gemaakt, in geval van overlijden?"
"Neen," antwoordde St. Clare en las weder voort.
"Dan kan al uwe goedheid voor hen wel eens eene groote wreedheid blijken te zijn."
St. Clare had bij zich zelven dikwijls eveneens gedacht, maar antwoordde nu toch achteloos: "Nu, ik denk ook zulk eene bestelling te maken."
"Wanneer?" zeide Ophelia.
"Eerstdaags."
"En als gij dan nog eerder kwaamt te sterven?"
"Wat scheelt u toch, Nicht?" zeide St. Clare, zijne courant neerleggende en haar aanziende. "Denkt gij dat ik eenige voorteekenen van de gele koorts of de cholera heb, dat gij zoo ijverig voor mijn testament zorgt?"
"Te midden van het leven zijn wij in den dood," antwoordde Ophelia.
St. Clare stond op en ging naar de deur die op de veranda uitkwam, om zoo een eind te maken aan een gesprek, dat hem onaangenaam was. Onwillekeurig herhaalde hij het laatste woord "dood!"—en terwijl hij tegen het hek leunde, en naar de springende fontein en het water in de kom tuurde, en daarin als in een nevel de bloemen en boomen van het binnenplein zag spiegelen, herhaalde hij nog eens het geheimzinnige woord, dat iedereen zoo dikwijls in den mond neemt, en dat toch zulk een geduchte kracht heeft—"dood!"
"Vreemd, dat er zulk een woord en zulk een ding is," zeide hij bij zich zelven, "en wij het ooit vergeten, dat iemand den eenen dag leeft vol hoop, begeerten en behoeften, en den volgenden dag weg is, geheel weg en voor altijd."
Het was een warme, heldere avond, en toen hij naar het andere einde der veranda ging, zag hij Tom in zijnen Bijbel zitten lezen, daarbij met zijnen vinger van woord tot woord wijzende en ernstig fluisterende.
"Wilt ge mij voor u laten lezen, Tom?" zeide St. Clare, zich achteloos naast hem nederzettende.
"Als het meester belieft," antwoordde Tom. "Meester maakt het zooveel duidelijker."
St. Clare nam het boek en begon te lezen bij eene van de plaatsen, dieTom met dikke strepen in het rond had gemerkt. Die plaats luidde aldus:
"En wanneer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijkheid, en al de engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt."
St. Clare las met eene heldere stem voort, totdat hij aan de laatste verzen kwam.
"Dan zal Hij zeggen tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is. Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook deze Hem antwoorden en zeggen: "Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?" Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar ik zeg u: voor zooveel gij dit eene van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het ook Mij niet gedaan."
Deze laatste woorden schenen St. Clare te treffen, want hij las ze tweemaal over; de tweede maal langzaam, alsof hij bij zich zelven er over nadacht.
"Tom," zeide hij daarop, "die lieden die zulk een hard vonnis krijgen, schijnen juist gedaan te hebben wat ik doe—goed en fatsoenlijk op hun gemak geleefd te hebben, zonder zich te kwellen met te vragen: hoevelen van hunne broederen hongerig, of dorstig, ziek of in de gevangenis waren."
Tom gaf geen antwoord.
St. Clare stond op en wandelde peinzend onder de veranda op en neer, naar het scheen alles vergetende, behalve zijne eigene gedachten. Zoozeer was hij daarin verdiept, dat Tom hem tweemaal moest herinneren dat de schel voor het theedrinken geluid was, eer hij gehoor kreeg.
Onder het theedrinken was St. Clare verstrooid en nadenkend; en na de thee zette hij zich met Ophelia en Marie, allen bijna even stil, in de voorkamer.
Marie nam op eene sofa onder een zijden muskieten gordijn haar gemak en was spoedig gerust in slaap. Ophelia zat stil te breien, St. Clare zette zich voor de piano en begon een zachte melodie te spelen, met accompagnement van seraphine. Hij scheen in diep gepeins verzonken en als het ware eene alleenspraak in muziek te houden. Na eenigen tijd trok hij eene der laden open, nam daaruit een oud muziekboek, welks bladen geel van ouderdom waren, en zag het door.
"Dit was een boek van mijne moeder," zeide hij tot Ophelia, "en hier is haar schrift. Kom eens zien. Dit heeft zij zelve gearrangeerd uit Mozarts Requiem."
Ophelia kwam bij hem.
"Dit was iets dat zij dikwijls placht te zingen," zeide St. Clare. "Mij dunkt, ik hoor haar nog."
Hij sloeg eenige statige accoorden aan, en begon toen het oude verheven kerklied: deDies Irae, te zingen.
Tom, die onder de veranda stond te luisteren, werd door deze muziek naar de deur der kamer gelokt. De woorden van het Latijnsche lied verstond hij natuurlijk niet, maar de muziek en de manier waarop die gezongen werd, scheen hem zeer aan te doen, vooral wanneer St. Clare de roerendste gedeelten zong. Nog veel dieper zou zijn gemoed zijn bewogen, als hij de beteekenis had verstaan der treffende woorden:
"Recordare, Jesu pie,Quod sum causa tuae viae,Ne me perdas illa die;Quaerens me sedisti lassus,Redimisti crucem passus,Tantus labor non sit cassus." [8]
St. Clare gaf eene diep roerende uitdrukking aan deze woorden; want de nevelachtige sluier der jaren scheen te worden opgelicht, en het was hem alsof hij de stem zijner moeder met de zijne hoorde medezingen.
Toen het lied uitgezongen was, bleef St. Clare nog eene poos met het hoofd in de hand zitten; stond toen op en begon in de kamer op en neer te wandelen.
"Welk eene verhevene voorstelling van het laatste oordeel!" zeide hij. "Al het onrecht van eeuwen hersteld!—alle zedelijke raadselen opgelost, door eene onbedriegelijke wijsheid. Het is waarlijk een grootsch tafereel."
"Maar geducht voor ons," zeide Ophelia.
"Dat moest het voor mij wezen, zou ik denken," zeide St. Clare, peinzend stilstaande. "Ik las van middag voor Tom dat hoofdstuk van Mattheus, dat eene beschrijving daarvan geeft, en ik ben er waarlijk door getroffen. Men zou verwacht hebben, dat aan diegenen die van den hemel worden uitgesloten, gruwelijke euveldaden te last zouden worden gelegd, als reden daarvoor, maar neen—zij worden uitgesloten omdat zij geen positief goed hebben gedaan, alsof dat alle mogelijk kwaad insloot."
"Misschien," zeide Ophelia, "is het onmogelijk, dat iemand die geen goed doet, geen kwaad doet."
"En wat," zeide St. Clare redeneerende, maar toch met diep gevoel sprekende, "wat zal er dan gezegd worden van iemand, die door zijn eigen hart, zijne opvoeding en de behoeften der maatschappij vruchteloos tot een edel doel geroepen werd; die als een droomerig, onzijdig toeschouwer van den strijd den angst en het lijden der menschheid heeft laten voortbestaan, terwijl hij werkzaam had kunnen en moeten zijn?"
"Ik zou zeggen," antwoordde Ophelia, "dat hij berouw moest hebben en nu beginnen."
"Altijd practisch en op den man af!" zeide St. Clare, terwijl zich een glimlach op zijn gezicht begon te vertoonen. "Gij laat mij nooit tijd tot algemeene bespiegelingen, Nicht; gij brengt mij altijd vlak voor het werkelijk tegenwoordige; gij hebt eene soort van eeuwig nu, dat u altijd voor den geest is."
"Nu is al de tijd, waarmede ik iets te doen heb," antwoordde Ophelia.
"Lieve, kleine Eva—arm kind!" zeide St. Clare, "zij had haar eenvoudig hartje gezet op een goed werk voor mij."
Het was de eerste maal sedert Eva's dood, dat men hem zoovele woorden over haar had hooren spreken, en hij had nu blijkbaar veel moeite om zijn gevoel te bedwingen.
"Ik heb van het Christendom zulk een begrip," vervolgde hij, "dat ik geloof, dat niemand het kan belijden, of hij moet om consequent te blijven, zich met alle macht tegen het gedrochtelijk stelsel van ongerechtigheid verzetten, dat den grondslag van geheel onze maatschappij uitmaakt, en zoo het noodig is, zichzelven in dien strijd opofferen. Dat is, ik meen dat ik op geene andere wijs een Christen zou kunnen zijn, schoon ik zeker omgang heb gehad met vele verlichte, Christelijke menschen, die zoo niet deden; en ik beken dat de lauwheid van godsdienstige menschen in dit opzicht, hun gebrek aan een gevoel bij een onrecht dat mij deed ijzen, mij meer dan iets anders tot twijfelzucht heeft gebracht."
"Indien gij dat alles wist," zeide Ophelia, "waarom hebt gij het niet gedaan?"
"Och, omdat ik alleen die soort menschlievendheid heb, die daarin bestaat, dat men op de sofa liggende, de kerk en de geestelijken verwenscht, omdat zij geene belijders en martelaren zijn. Men kan zeer gemakkelijk zien, weet ge, dat anderen martelaren behoorden te wezen."
"En zult ge nu anders gaan doen?" zeide Ophelia.
"God alleen kent de toekomst," antwoordde St. Clare. "Ik ben dapperder dan ik was, omdat ik alles verloren heb; en wie niets te verliezen heeft, kan alles wagen."
"En wat zult ge nu gaan doen?"
"Mijn plicht, hoop ik, jegens armen en geringen, zoodra ik dien maar duidelijk zie," antwoordde St. Clare; "beginnende bij mijne eigen bedienden, voor wie ik nog niets gedaan heb; en misschien zal het eens blijken, dat ik iets voor de geheele klasse kan doen; iets om mijn land te ontheffen van de schande, welke het thans voor alle beschaafde natiën bedekt."
"Acht gij het mogelijk, dat een volk ooit vrijwillig tot de emancipatie zal komen?" zeide Ophelia.
"Ik weet het niet," antwoordde St. Clare. "Dit is een dag van groote daden. Heldhaftigheid en belangeloosheid rijzen hier en daar als uit den grond. De Hongaarsche edelen hebben met een ontzaglijk financieel verlies millioenen van lijfeigenen vrijverklaard, en misschien zullen er onder ons grootmoedigen worden gevonden, die eer en recht niet naar dollars en centen waardeeren."
"Ik denk het haast niet," zeide Ophelia.
"Maar onderstel dat wij morgen zouden opstaan en emancipeeren, wie zou dan deze millioenen opvoeden en hen hunne vrijheid leeren gebruiken? Zij zouden onder ons nooit veel goeds worden. De waarheid is, dat wij zelven te lui en te flauwhartig zijn, om hun een denkbeeld te geven van die geestkracht en vlijt, die vereischt wordt om hen tot menschen te vormen. Zij zullen naar het Noorden moeten gaan, waar het arbeiden de mode—het algemeen gebruik is; en zeg mij nu, is er genoeg christelijke menschenliefde in uwe Noordelijke staten om het bezwaar van hunne opvoeding en beschaving te dragen? Gij geeft duizenden van dollars aan zendelingen in vreemde landen; maar kunt gij het velen, dat de heiden in uwe steden en dorpen gezonden wordt, en kunt gij uw tijd, uwe gedachten en uw geld geven, om hem tot den christelijken standaard te verheffen? Dat zou ik willen weten. Als wij emancipeeren, zijt gij dan bereid om op te voeden? Hoevele huisgezinnen in uwe stad zouden dan een neger en negerin willen opnemen, hen onderrichten, geduld met hen hebben en hen tot christenen maken? Hoevele kooplieden zouden Adolf willen nemen, als ik hem als klerk bij hen wilde plaatsen, of hoevele handwerkslieden, als ik hem een ambacht wilde laten leeren? Als ik Jane en Rosa school wilde leggen, hoevele scholen zijn er dan in de Noordelijke staten, die haar zouden opnemen? Hoevele familiën die haar zouden willen hebben? En toch zijn zij zoo blank als menige vrouw in het Zuiden en Noorden. Gij ziet, Nicht, ik wil dat ons recht gedaan worde. Wij zijn in eene slechte positie. Wij zijn demeer openbareonderdrukkers van den neger; maar het onchristelijk vooroordeel van het Noorden is een bijna even hard onderdrukker."
"Ja, Neef, ik weet dat het zoo is," antwoordde Ophelia. "Ik weet dat het zoo met mij was, tot ik zag dat het mijn plicht was dat vooroordeel te overwinnen, en ik weet dat er vele brave menschen in het Noorden zijn, die in dit opzicht alleen behoeven te leeren wat hun plicht is, om het te doen. Het zou zeker eene grooter zelfverloochening vereischen, om heidenen onder ons te ontvangen, dan om hun zendelingen te zenden; maar ik denk dat wij het doen zouden."
"Gij zoudt het doen, dat weet ik," zeide St. Clare. "Ik zou wel eens willen zien wat gij niet doen zoudt, als gij het voor uwen plicht hieldt."
"Och, ik ben zoo buitengemeen niet," zeide Ophelia daarop. "Anderen zouden hetzelfde doen, als zij de dingen zoo zagen als ik. Ik denk Topsy mede naar huis te nemen als ik ga. Ik denk dat de menschen bij ons zich eerst wel erg zullen verwonderen; maar ik geloof dat zij zich wel tot mijn begrip zullen laten brengen. Bovendien weet ik dat er velen in het Noorden zijn, die juist zoo doen als gij gezegd hebt."
"Ja, maar zij zijn de minderheid, en als wij wat veel begonnen te emancipeeren, zouden wij van uwen kant spoedig wat anders hooren."
Ophelia gaf hierop geen antwoord. Er volgde eene poos van stilte, en St. Clare's gezicht nam eene treurige mijmerende uitdrukking aan.
"Ik weet niet wat mij van avond zooveel aan mijne moeder doet denken," zeide hij. "Ik heb een zonderling gevoel, alsof zij dicht bij mij was. Ik denk gedurig aan dingen die zij placht te zeggen. Het is vreemd. Wat is het toch, dat ons dat lang verledene somtijds zoo levendig herinnert?"
Hij wandelde nog een poos de kamer op en neer en zeide toen: "Mij dunkt, ik zal eens even de straat opgaan en hooren wat nieuws er van avond is."
Hij nam zijn hoed en ging.
Tom volgde hem het binnenplein over en vroeg of hij zou medegaan.
"Neen, mijn jongen," antwoordde St. Clare; "ik zal binnen een uur terug zijn."
Tom zette zich onder de veranda. Het was helder maneschijn, hij zat daar naar het springen der fontein te turen en ook naar het geklater te luisteren. Tom dacht aan zijn huis en dat hij spoedig een vrij man zou zijn en in staat om daarheen terug te keeren wanneer hij verkoos. Hij dacht hoe hij werken zou om zijne vrouw en kinderen te koopen. Hij betastte met zekere blijdschap de spieren zijner forsche armen en dacht hoe spoedig zij hem zelven zouden toebehooren, en hoeveel zij zouden werken om de vrijheid zijner familie te verdienen. En toen dacht hij aan zijnen edelaardigen jongen meester, en op die gedachte volgde het gewone gebed, dat hij altijd voor hem had opgezonden, en toen zwierven zijne gedachten naar de lieve kleine Eva, welke hij zich onder de engelen voorstelde: en hij bleef zoo peinzen, tot hij zich bijna verbeeldde dat haar helder gezichtje hem uit de spattende droppels der fontein aanzag. En zoo peinzende viel hij in slaap en droomde dat hij haar naar zich toe zag komen huppelen, juist gelijk zij placht te doen, met een krans van jasmijn in het haar, met blozende wangen en oogen die van blijdschap straalden; maar toen hij wel toezag, scheen zij van den grond op te rijzen; hare wangen hadden een bleeke kleur, hare oogen een meer hemelschen glans, en eene gouden glorie scheen haar hoofd te omringen, en zoo verdween zij uit zijn gezicht; Tom ontwaakte door een luid kloppen en het roepen van verscheidene stemmen aan de voorpoort.
Hij haastte zich om die te openen: en met zware schreden, onder enkele woorden, met gesmoorde stem gesproken, kwamen eenige mannen binnen, een mensch dragende, die in een mantel gewikkeld op een vensterluik lag. Het licht der lantaren bescheen het gezicht; en Tom gaf een woesten kreet van ontzetting en wanhoop, die door de galerijen klonk, terwijl de mannen met hunnen last de open deur der voorkamer naderden, waar Ophelia zat te breien.
St. Clare was een koffiehuis binnengegaan, om een avondblad in te zien. Terwijl hij dit las, werden twee heeren in de zaal, die beiden door drank beneveld waren, met elkander handgemeen, St. Clare en een paar anderen poogden hen te scheiden, en St. Clare kreeg een noodlottigen steek in de zijde met een ponjaard-mes, dat hij een der vechtenden wilde ontwringen.
Terstond was het huis vol gegil, geschreeuw en gejammer; de bedienden trokken zich als razend de haren uit, en wierpen zich wanhopig op den grond, of liepen verbijsterd heen en weder. Tom en Miss Ophelia alleen schenen nog eenige tegenwoordigheid van geest te bezitten; want Marie lag in een heftig zenuwtoeval. Op Ophelia's beschikking werd eene der sofa's in de voorkamer haastig gereedgemaakt en de gekwetste daarop nedergelegd. St. Clare was van pijn en bloedverlies flauw gevallen; maar toen Ophelia opwekkende middelen aanwendde, kwam hij weder bij, opende de oogen, staarde strak voor zich, zocht ernstig in de kamer rond, en liet zijn blik over alle voorwerpen dwalen, tot deze eindelijk op het portret zijner moeder bleef rusten.
De dokter kwam nu en onderzocht zijn toestand. Men kon uit zijn gezicht opmaken, dat er geene hoop meer was; maar hij maakte toch aanstalten om de wond te verbinden; en hij, Miss Ophelia en Tom verrichtten dit werk met alle bedaardheid, onder het jammeren, snikken en kermen der verschrikte en angstige bedienden, die elkander bij de deur verdrongen.
"Wij moeten al dat volk wegjagen," zeide de dokter. "Alles hangt er van af, dat hij stilgehouden wordt."
St. Clare opende de oogen en staarde strak naar de bedroefden, welke Ophelia en de dokter uit de kamer poogden te verwijderen. "Arme schepsels!" zeide hij, en eene uitdrukking van bitter zelfverwijt vloog over zijn gezicht. Adolf was onmogelijk te verdrijven. Ontzetting had hem bijna van zijne zinnen beroofd; hij wierp zich zoo lang hij was op den grond, en niets kon hem bewegen om op te staan. De anderen luisterden naar Ophelia's dringende vermaningen, toen zij zeide dat het behoud van hunnen meester van hunne stilte en gehoorzaamheid afhing.
St. Clare kon maar weinig spreken. Hij lag met gesloten oogen, maar het was duidelijk te zien dat hij met bittere gedachten worstelde. Na eene poos leide hij zijne hand op die van Tom, die naast hem knielde en zeide: "Tom, arme man!"
"Wat, meester?" zeide Tom ernstig.
"Ik ben stervende," zeide St. Clare en drukte hem de hand. "Bid!"
"Als gij een geestelijke mocht verlangen," begon de dokter.
St. Clare schudde zijn hoofd en zeide nog eens en met meer ernst totTom: "Bid!"
En Tom bad, met alle kracht en geheel zijn hart, voor de ziel die scheiden zou—de ziel, welke zoo ernstig uit die blauwe oogen scheen te staren. Het was letterlijk een goed gebed, "met sterke roeping in tranen geofferd."
Toen Tom zweeg, vatte St. Clare hem nogmaals bij de hand, maar zeide niets. Hij sloot zijne oogen, maar bleef die hand vasthouden; want voor de poort der eeuwigheid drukken de zwarte hand en de blanke elkander als gelijken. Afgebroken en bij tusschenpoozen prevelde hij bij zichzelven:
"Recordare, Jesu pie—* * *Ne me perdas illa die,Quaerens me sedisti lassus."
Blijkbaar kwamen dus de woorden, welke hij dien avond gezongen had, hem weder voor den geest—woorden van smeeking, tot de oneindige Barmhartigheid gericht. Nu en dan ontvloden enkele afgebroken regels van het lied zijne lippen.
"Hij ijlt," zeide de dokter.
"Neen, ik kom eindelijk tot mij zelven," zeide St. Clare met nadruk. "Eindelijk, eindelijk!"
Het spreken had zijne krachten geheel uitgeput. De bleekheid des doods spreidde zich over zijne trekken, maar vergezeld van eene uitdrukking van vreedzame kalmte, gelijk die van een vermoeid kind dat in slaap valt. Het was als ware een engel tot hem afgedaald, om hem te troosten.
Zoo lag hij een korte poos. Zij zagen dat de hand des doods op hem was. Slechts nog even, juist vóórdat hij den geest gaf, opende hij zijne oogen, waaruit een plotselinge glans als van blijde herkenning straalde, en zeide: "Moeder!" en toen was hij gestorven.