ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

Cassy trad de kamer binnen en vond Emmeline, bleek van angst, in den versten hoek zitten. Toen zij binnenkwam sprong het meisje met schrik op; maar zoodra zij zag wie het was, snelde zij toe, en haar bij den arm vattende, zeide zij:

"O, Cassy, zijt gij het? Ik ben zoo blij dat gij komt. Ik was bang dat …. O, gij weet niet welk een schrikkelijk leven er den geheelen avond beneden is geweest."

"Dat zal ik toch wel kunnen weten," zeide Cassy droogjes. "Ik heb het dikwijls genoeg gehoord."

"O, Cassy, zeg mij toch! Zouden wij hier niet vandaan kunnen komen? Het kan mij niet schelen waarheen—in het moeras bij de slangen, ergens maar.Kunnenwij nietergenshier vandaan komen?"

"Nergens dan in het graf," antwoordde Cassy.

"Hebt gij het ooit beproefd?"

"Ik heb het genoeg zien beproeven, en genoeg gezien wat daarvan komt," zeide Cassy.

"Ik zou wel in het moeras willen leven en bast van de boomen knagen. Ik ben niet bang voor slangen. Ik zou liever eene slang bij mij willen hebben dan hem," zeide Emmeline met drift.

"Er zijn al velen hier van uw gevoelen geweest," antwoordde Cassy. "Maar gij zoudt niet in het moeras kunnen blijven. Gij zoudt door de honden opgespoord en teruggebracht kunnen worden—en dan—dan…."

"Wat zou hij dan doen?" zeide het meisje, haar strak aanziende.

"Gij moest liever vragen wat hij dannietzoude doen," antwoordde Cassy. "Hij is lang genoeg bij de zeeroovers in de West-Indiën in de leer geweest. Gij zoudt niet veel meer slapen, als ik u de dingen vertelde, die ik gezien heb—dingen, die hij somtijds als grappen vertelt. Ik heb gillen gehoord, die ik weken lang niet uit mijne ooren kon krijgen. Er is eene plek, daar bij het kwartier, waar gij een zwart geblakerden boom kunt zien, en de grond nog geheel met asch bedekt; vraag maar wat daar gedaan is en zie of iemand het u zal willen zeggen."

"O, wat meent ge toch?"

"Ik wil het u niet zeggen. Ik heb een hekel om er aan te denken. En ik zeg u, de Heere alleen weet wat wij morgen zullen zien, als die arme man volhoudt zooals hij begonnen is."

"IJselijk!" zeide Emmeline, terwijl alle spoor van kleur hare wangen ontvlood. "O, Cassy, zeg mij toch wat ik doen zal."

"Wat ik gedaan heb. Doe het beste wat gij kunt, doe wat gij moet en haal dan uw hart op met haten en vloeken."

"Hij wilde mij brandewijn doen drinken," zeide Emmeline, "en ik heb daar zulk een afkeer van…"

"Drink maar liever," zeide Cassy. "Ik had er ook een afkeer van; en nu kan ik er niet buiten. Iemand moet iets hebben; men vindt alles zoo akelig niet meer, als men dat neemt."

"Moeder zeide mij altijd dat ik nooit zoo iets mocht proeven," zeide Emmeline.

"Moeder zeide u!" herhaalde Cassy, met bitteren nadruk op het woord moeder. "Waartoe dient het, dat moeders iets zeggen? Gij moet toch allen gekocht en betaald worden, en uwe ziel behoort aan wie u krijgt. Zoo gaat het. Ik zeg: drink brandewijn, en drink zooveel gij kunt; dat maakt de dingen lichter."

"O, Cassy, heb toch medelijden met mij!"

"Medelijden met u? Heb ik dat niet? Heb ik geene dochter? De hemel weet waar zij nu is, en van wien zij is. Zij zal den weg opgaan, denk ik, dien hare moeder voor haar gegaan is, en dien hare kinderen na haar op moeten. Er is geen einde aan den vloek, in eeuwigheid niet!"

"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zeide Emmeline, hare handen wringende.

"Dat is al een oude wensch bij mij," zeide Cassy. "Ik ben er aan gewoon om dat te wenschen. Ik zou sterven, als ik maar durfde," voegde zij er bij, in de duisternis uitziende met die stille, strakke wanhoop, welke de gewone uitdrukking van haar gelaat was, wanneer hare trekken door geene hartstochten in beweging werden gebracht.

"Het zou goddeloos zijn zich zelve om het leven te brengen," zeideEmmeline.

"Ik weet niet waarom. Niet goddeloozer dan de dingen, die wij dag aan dag doen, terwijl wij leven. Maar de zusters hebben mij dingen verteld, terwijl ik in het klooster was, die mij bang maken om te sterven. Als het dan maar ten einde met ons was, dan…."

Emmeline keerde zich om en verborg haar gezicht in hare handen.

Terwijl dit gesprek boven plaats had, was Legree beneden door den drank geheel bedwelmd, in slaap gevallen. Legree was niet gewoon zich dronken te drinken. Zijn grof en sterk gestel kon wel eene gedurige prikkeling verdragen, waaronder een zwakker spoedig zou zijn bezweken, en zijn trek daartoe was groot genoeg; maar voorzichtigheid weerhield hem meestal van zich in zulke mate aan dien trek over te geven, dat hij zijne bezinning geheel verloor.

Dezen avond echter had hij, zich koortsachtig inspannende om de beginselen van angst en wroeging, die bij hem waren ontwaakt, te verdooven, meer dan gewoonlijk gedronken; zoodat hij, toen hij zijne zwarte makkers had laten gaan, log op eene rustbank neerviel en weldra in slaap viel.

O, hoe durft de schuldige ziel de schimmenwereld van den slaap binnentreden?—dat land, welks schemerende grenzen zoo vreeselijk dicht bij het geheimzinnige tooneel der vergelding liggen! Legree droomde. In zijnen zwaren, koortsigen slaap stond er eene gesluierde gedaante naast hem, en lag een koude en zachte hand op hem. Hij dacht dat hij wel wist wie dat was; en eene huivering van ontzetting kroop door zijn gebeente, hoewel het gelaat gesluierd bleef. Toen dacht hij dat hijdat haarom zijne vingers voelde kronkelen; en toen, dat dat om zijnen hals werd geslingerd, en al dichter en dichter klemde, tot hij geen adem meer kon halen—en toen dacht hij dat stemmen hem toefluisterden—een gefluister dat hem van angst deed verstijven. Toen verbeeldde hij zich, dat hij op den kant van een donkeren afgrond stond, zich vasthoudende en in doodsangst worstelende, terwijl donkere handen zich uitstrekten en hem over den rand trokken en Cassy kwam lachende achter hem en duwde hem voort. En toen rees die plechtige gesluierde gedaante weder op en schoof den sluier weg. Het was zijne moeder, en zij keerde zich van hem af, en hij viel al dieper en dieper, onder een verward gerucht van gillen en weeklachten en uitbarstingen van een duivelachtig gelach—en Legree ontwaakte.

De roode schemering van den dageraad vervulde het vertrek. De morgenster zag uit de heldere lucht, met haar plechtig, heilig oog van licht, op den man der zonde neder. O, welk een frischheid, welk eene statigheid en schoonheid heeft elke nieuwgeboren dag, alsof hij de gevoellooze en verstandlooze menschen toeriep: "Ziet, gij hebt nog weder een kans! Streeft naar de eeuwige heerlijkheid!" Er is geen spraak of taal, waarin die stem niet gehoord wordt; maar de verharde booswicht hoorde haar niet. Hij ontwaakte met een vloek en eene verwensching. Wat was voor hem het goud en purper, het dagelijksche wonderwerk van den morgen! Wat was voor hem de plechtige schoonheid van die ster, welke de Zoon Gods als zijn eigen zinnebeeld heeft geheiligd! Gelijk een redeloos dier zag hij haar, zonder haar op te merken; en strompelend opstaande, schonk hij zich een glas brandewijn in en dronk het half ledig.

"Ik heb een helschen nacht gehad," zeide hij tegen Cassy, die juist de deur inkwam.

"Gij zult er nog wel in overvloed krijgen van dezelfde soort," antwoordde zij droogjes.

"Wat meent ge daarmee, karonje?"

"Dat zult ge wel eens ondervinden," antwoordde Cassy even droog. "En nu, Simon heb ik u een raad te geven."

"Wat duivel zal die zijn?"

"Mijn raad is," zeide Cassy, terwijl zij bedaard begon het een en ander in de kamer in orde te zetten, "dat gij Tom met vrede laat."

"Wat gaat u dat aan?"

"Wat het mij aangaat? Ja, dat weet ik zeker niet. Als gij twaalfhonderd dollars voor een man wilt geven en hem onbruikbaar maken in het drukste van den tijd, alleen om uwe kwaadaardigheid te voldoen, is het zeker iets dat mij niet raakt. Ik heb voor hem gedaan wat ik kon."

"Zoo hebt gij dat? Wat hebt gij u met mijne zaken te bemoeien?"

"O geheel niet, dat is zeker. Ik heb u nu en dan eenige duizenden dollars bespaard, door op uwe arbeiders te passen—en dat is al de dank dien ik krijg. Als uw oogst lichter aan de markt komt dan een van anderen, zult gij uwe weddenschap niet verliezen, denk ik? Tompkins zal u niet uitlachen, denk ik, en gij zult maar zoetsappig uw geld betalen, niet waar? Mij dunkt ik zie het u al doen."

Legree had, gelijk vele andere planters, slechts eene eerzucht, om namelijk den zwaarsten oogst van het seizoen te hebben; en hij had juist op dit seizoen verscheidene weddenschappen gedaan, die in de naaste stad beslist moesten worden. Cassy had dus, met vrouwelijken tact, de eenige snaar geraakt die nog trillen kon.

"Welnu, ik zal het laten bij wat hij gekregen heeft," zeide Legree; "maar hij moet mij vergiffenis vragen en betere manieren beloven."

"Dat zal hij niet willen doen," zeide Cassy.

"Niet willen?"

"Neen."

"Ik zou wel eens willen weten waarom, Juffertje," zeide Legree met diepe minachting.

"Omdat hij wèl gedaan heeft en dat weet, en dus niet zal zeggen dat hij kwaad gedaan heeft."

"Wie duivel geeft er iets om wat hij weet? De neger zal zeggen wat ik verkies, of…."

"Of gij zult uwe weddenschap op den katoenoogst verliezen door hem juist in het dringendste van zijn werk uit het veld te houden."

"Maar hij zal het opgeven; hij moet wel. Weet ik niet wat negers zijn? Hij zal van morgen kruipen als een hond."

"Dat zal hij niet, Simon. Gij kent deze soort nog niet. Gij kunt hem doodmartelen; maar gij zult niet het eerste woord van eene schuldbekentenis uit hem krijgen."

"Dat zullen wij zien. Waar is hij?" zeide Legree naar buiten gaande.

"In het berghol van het machinehuis," hernam Cassy.

Hoewel Legree zoo stout sprak, voelde hij toch, terwijl hij naar de aangeduide plaats ging, zekeren schroom, die iets ongewoons bij hem was. Zijne akelige droomen van den vorigen nacht, met Cassy's voorzichtigen raad vereenigd, hadden een niet onbeduidenden indruk op hem gemaakt. Hij wilde dat niemand getuige zou zijn van zijne eerste ontmoeting met Tom, en nam zich voor, indien hij dezen niet door dreigementen tot onderwerping kon brengen, zijne wraak tot een meer gelegen tijd uit te stellen.

Het plechtige licht van den dageraad en de engelenglans der morgenster hadden ook door het venster geschenen van de ruwe schuur, waar Tom nog lag, en als op de stralen der ster nederdalende, waren hem de woorden toegezonden: "Ik ben de wortel van het geslacht Davids, de blinkende morgenster." De geheimzinnige waarschuwingen en welmeenende bedreiging van Cassy, wel verre van zijne ziel te ontmoedigen, hadden haar als met eene hemelsche roepstem opgewekt. Hij wist niet beter of het was de dag van zijnen dood, die daar aan den hemel begon te gloren, en zijn hart klopte van ernstige vreugde en verlangen, toen hij dacht dat al het wonderbare, waarover hij zoo dikwijls had gepeinsd—de groote witte troon met zijnen altijd schitterenden regenboog, de menigte met witte kleederen, en stemmen als vele wateren, de kronen, de palmen, de harpen—alles misschien voor zijne oogen geopenbaard zou worden, eer die zon weder onderging; en daarom hoorde hij zonder vreezen of beven de stem van zijnen vervolger, toen deze naderde.

"Wel, mijn jongen," zeide Legree met een verachtelijken schop, "hoe gaat het nu? Heb ik niet gezegd dat ik je een paar dingen zou leeren? Hoe bevalt je dat? Hoe is dat pak je bekomen, Tom? Niet geheel zoo spraakzaam meer als gisteravond? Ge zoudt nu een armen zondaar niet meer op een stukje preek kunnen onthalen, zoudt ge wel?"

Tom antwoordde niets.

"Sta op, gij beest!" zeide Legree, hem weder een schop gevende.

Dit was moeielijk voor iemand, die zoo gekneusd en flauw was, en terwijl Tom pogingen deed om te gehoorzamen, hief Legree een barbaarsch geschater aan.

"Wat maakt je zoo vlug van morgen, Tom? Misschien kou gevat verleden avond?"

Tom was nu overeind gekomen en stond rechtop en zonder het hoofd te buigen voor zijnen meester.

"Verduiveld, gij kunt het toch!" zeide Legree. "Ik geloof dat gij nog niet genoeg gehad hebt. Komaan nu, Tom, op uwe knieën en vraag mij vergiffenis voor uw brutaliteit van gisteravond."

Tom bewoog zich niet.

"Kniel, hond!" zeide Legree, hem een slag met zijne karwats gevende.

"Meester Legree," zeide Tom, "dat kan ik niet doen. Ik heb maar gedaan wat ik voor recht hield. Ik zal juist hetzelfde doen, als dat ooit weer wezen moet. Ik wil geen wreedheid doen, wat er ook gebeuren mag."

"Ja, maar gij weet niet wat er gebeuren kan, meester Tom. Gij denkt dat gij al iets gehad hebt. Ik zeg u, het is nog niets—nog niemendal. Hoe zou het u bevallen aan een boom te worden gebonden, met een langzaam vuurtje om u heen? Zou dat niet pleizierig wezen, zeg Tom?"

"Meester," antwoordde Tom, "Ik weet dat gij schrikkelijke dingen doen kunt; maar," en hierbij richtte hij zich nog meer op en vouwde zijne handen, "maar nadat gij het lichaam gedood hebt, kunt gij niets meer doen; o, er komt eene geheeleeeuwigheidnaderhand!"

Eeuwigheid—dat woord deed de ziel van den zwarten man beven van blijdschap, terwijl hij het uitsprak—het deed ook de ziel des zondaars beven, alsof hem een schorpioen had gestoken. Legree knarste op zijne tanden, maar zijne woede hield hem stom; en Tom sprak als een vrij man, met een heldere en vroolijke stem:

"Meester Legree, daar gij mij gekocht heb, zal ik een trouw en gehoorzaam dienaar voor u zijn. Ik zal u al het werk mijner handen, al mijn tijd en al mijne kracht geven; maar mijne ziel wil ik aan geen sterfelijk mensch overgeven. Ik wil mij aan de Heere vasthouden en zijne geboden boven alles stellen, hetzij ik leve of sterve, daarvan kunt gij zeker zijn. Meester Legree, ik ben geen zier bevreesd om te sterven. Ik zou zelfs liever sterven. Gij moogt mij geeselen, mij uithongeren, mij verbranden—dat zal mij maar te spoediger brengen waar ik verlang te zijn."

"Ik zal u toch wel doen buigen, eer ik met u gedaan heb," zeideLegree woedend.

"Dat zult gij nooit doen. Ik zal hulp krijgen," antwoordde Tom.

"Wie duivel zal u dan helpen?" zeide Legree met smalende minachting.

"De Heere, de Almachtige!" antwoordde Tom.

"Daar dan, verdoemde kerel!" schreeuwde Legree, met een vuistslag, die Tom op den grond deed storten.

Een koude zachte hand werd op dit oogenblik op die

van Legree gelegd. Hij zag om—het was Cassy; maar die koude, zachte aanraking herinnerde hem zijn droom van den vorigen nacht, en deed tevens de tafereelen van vroegere, akelige nachtwaken voor hem oprijzen, met een gedeelte van den angst dien hij toen had gevoeld.

"Wilt gij dan een zot wezen?" zeide Cassy in het Fransch. "Laat hem met rust. Laat mij begaan om hem weer tot werken in staat te krijgen. Is het niet juist zooals ik u gezegd heb?"

Men zegt dat de aligator en de rhinoceros, hoewel in een kogelvormig harnas gekleed, zelfs ieder een plek hebben, waar zij kwetsbaar zijn; en woeste, roekelooze ongeloovigen en booswichten hebben doorgaans dit kwetsbare punt in eene bijgeloovige vrees.

Legree keerde zich om, en besloot de zaak vooreerst te laten rusten.

"Welnu, doe uw zin," zeide hij norsch tot Cassy.

"Hoor eens," vervolgde hij tot Tom, "ik zal het er nu bij laten, omdat het werk dringt en ik al mijne handen noodig heb; maar ik vergeet het nooit. Ik zal het u op rekening stellen, en mij op een of anderen tijd betaling verschaffen uit uwe zwarte huid; onthoud dat."

Daarmede ging Legree heen.

"Ga maar," zeide Cassy, hem dreigend aanziende. "Uwe rekening zal ook wel komen. Hoe gaat het u, arme man?"

"De Heere heeft zijn engel gezonden en voor ditmaal den muil van den leeuw gesloten," antwoordde Tom.

"Voor ditmaal zeker wel," zeide Cassy; "maar nu hebt gij zijn haat op u, die u dag aan dag volgen zal, u als een hond aan de keel zal hangen en uw bloed drop voor drop afzuigen. Ik ken den man!"

"Onverschillig met welke plechtigheden hij op het altaar der slavernij mag gewijd zijn, op het oogenblik dat hij den heiligen Britschen grond aanraakt, zinken het altaar en de god te zamen in het stof, en hij staat daar verlost, herboren, ontslaafd, door den onweerstaanbaren geest der algemeene emancipatie."

Curran.

Wij moeten Tom voor een tijd in de handen van zijnen barbaarschen meester laten, terwijl wij de lotgevallen van George en zijne vrouw nagaan, die wij in eene hoeve aan den weg in handen van vrienden hebben gelaten.

Tom Loker lieten wij kermende en woelende in een voorbeeldig zindelijk kwaker-bed, onder de moederlijke zorgen van Tante Dorcas, die in hem zulk een handelbaar patiënt vond als een zieke bison zou wezen.

Verbeeld u eene rijzige, deftige vrouw, met een schrander uitzicht, wier helderwitte neteldoeksche muts de lokken van zilvergrijs haar beschaduwt, die glad langs een breed, effen voorhoofd zijn gestreken, dat zich boven een paar peinzende oogen welft; een sneeuwwitte halsdoek is met keurige netheid over hare borst geplooid; hare glanzige bruine zijden japon ritselt vreedzaam, terwijl zij in de kamer op en neer trippelt.

"De duivel!" zegt Tom Loker, en werpt met een grooten smak het dek van zich af.

"Ik moet u verzoeken, Thomas, om niet zulke taal te gebruiken," zegtTante Dorcas, terwijl zij bedaard het dek weder terecht gaat leggen.

"Welnu, ik zal niet, grootje, als ik het laten kan," zegt Tom, "maar het is wel genoeg om iemand te doen vloeken, zoo verwenscht heet!"

Dorcas nam eene deken van het bed, legde het overige dek weder glad en stopte het in, tot Tom eenigszins naar een bakerkindje geleek. Dit gedaan hebbende, zeide zij:

"Ik wenschte, vriend, dat gij dat vloeken en zweren woudt nalaten en over uw levensgedrag eens denken."

"Voor wat duivel, zou ik daaraan denken," antwoordde Tom; "dat is wel het laatste, waar ik ooit lust heb om aan te denken—ik geef er den brui van!" En daarmede wentelde Tom zich om en bracht het dek weder in eene wanorde, die schrikkelijk was om aan te zien.

"Die kerel en die meid zullen wel hier wezen, denk ik?" zeide hij, na eene poos van stilte, op norschen toon.

"Dat zijn zij," zeide Dorcas.

"Zij mogen wel maken dat zij op het meer komen," zeide Tom. "Hoe gauwer hoe beter."

"Waarschijnlijk zullen zij dat doen," antwoordde Tante Dorcas, vreedzaam breiende.

"En hoor eens," zeide Tom, "wij hebben correspondenten te Sandusky, die voor ons op de booten passen. Het kan mij nu niet schelen of ik het zeg. Ik hoop dat zij zullen wegkomen, alleen tot spijt van Marks, dien vervloekten lafbek, die verdoemd mag zijn."

"Thomas, Thomas!" zeide Dorcas.

"Ik zeg u, grootje, als ge iemand al te vast dichtkurkt, moet hij barsten," zeide Tom. "Maar nu over die meid—zeg hun dat zij haar op eene of andere wijs moeten verkleeden, zoodat zij niet meer te kennen is. Haar signalement is naar Sandusky gezonden."

"Wij zullen op die zaak letten," zeide Dorcas met eigenaardige bedaardheid.

Daar wij hier van Tom Loker afscheid nemen, mogen wij nog wel vermelden dat hij, na drie weken in het kwakerhuis te hebben ziek gelegen aan eene rheumatische koorts, die hij zich met zijne andere onheilen op den hals had gehaald, als een eenigszins stiller en wijzer mensch van zijn bed opstond; en in plaats van weder aan het slaven-jagen te gaan, zich naar de nieuwe volksplantingen begaf, waar hij zijne talenten op eene betere wijs gebruikte tot het vangen van beren, wolven en andere boschbewoners, waardoor hij zich zelfs een grooten naam in het land maakte. Tom sprak altijd met veel achting van de kwakers.

"Aardige lui," placht hij te zeggen. "Zij wilden mij bekeeren, maar dat konden zij toch niet recht gedaan krijgen. Maar ik zal u wat zeggen, vreemdeling, om eene zieke op te lappen zijn ze knap. Zij maken bouillon en liflafjes van de allerbeste soort."

Daar Tom gewaarschuwd had dat er te Sandusky op de vluchtelingen zou gepast worden, achtte men het best hen te verdeelen. Jim en zijne oude moeder werden afzonderlijk voortgeholpen; en een paar, nachten later werden George en Eliza met hun kind naar Sandusky gereden en onder een gastvrij dak geherbergd, waar zij zich gereed zouden maken om hun laatsten tocht over het meer te doen.

Hun nacht was nu ver verloopen, en de morgenster der vrijheid rees voor hen op. Vrijheid! Electriseerend woord! Wat is zij? Is zij iets meer dan een naam, eene oratorische spreekwijs? Waarom, gij mannen en vrouwen van Amerika, klopt het hart u hooger bij dat woord, waarvoor uwe vaderen hun bloed hebben gestort, en uwe moeders, nog heldhaftiger, gewillig waren, dat hunne besten en edelsten zouden sterven?

Is er iets in dat woord heerlijk en dierbaar voor een volk, dat ook niet heerlijk en dierbaar voor een mensch zou zijn? Wat is de vrijheid van een volk anders, dan de vrijheid der personen die het uitmaken? Wat is de vrijheid voor den jonkman, die daar met zijne armen over zijne breede borst gekruist zit, met die tint van Afrikaansch bloed op zijne wangen, en dat donkere vuur in zijne oogen—wat is de vrijheid voor George Harris? Voor uwe vaderen was de vrijheid het recht van een volk om een volk te zijn. Voor hem is zij het recht van een man om een mensch en geen beest te zijn; het recht om de vrouw van zijn hart zijne vrouw te noemen en haar tegen losbandig geweld te beschermen; het recht om zijn kind te beschermen en op te voeden, het recht om een eigen huis, een eigen godsdienst, eene eigene ziel te hebben, niet onderworpen aan den wil van een ander. Al deze gedachten woelden in George's borst, terwijl hij peinzend zijn hoofd op zijne hand liet rusten, en naar zijne vrouw zag, terwijl zij bezig was hare ranke gestalte in de mannenkleederen te vermommen, waarin men had gemeend dat zij het veiligste zou kunnen vluchten.

"Nu moeten zij er aan," zeide zij, terwijl zij zich voor den spiegel plaatste en haren overvloed van zwarte, glanzige krullen losschudde.

"Zeg eens, het is haast jammer, George, niet waar?" vervolgde zij, schertsend een gedeelte van die lokken ophoudende. "Is het niet jammer dat alles er af moet?"

George glimlachte treurig en gaf geen antwoord.

Eliza keerde zich naar den spiegel en flikkerend knipte de schaar, terwijl de eene lange lok na de andere van haar hoofd viel.

"Daar, nu zal het goed zijn," zeide zij, "een haarborstel opnemende. "Nu nog maar eens wat opstrijken."

"Daar, ben ik nu geen lieve jongen?" zeide zij zich lachend en blozend tegelijk naar haren man omkeerende.

"Gij zult altijd lief zijn, wat gij ook doen moogt," antwoordde George.

"Wat maakt u zoo ernstig?" zeide zij, voor hem op eene knie zinkende en hare hand op de zijne leggende. "Wij zijn nog maar vier en twintig uren van Canada, zegt men. Maar één dag en nacht op het meer, en dan—o dan!"

"O, Eliza!" zeide George, haar dichter bij zich trekkende; "dat is het! Nu moet mijn lot bijna in een oogenblik beslist wezen. Zoo dichtbij gekomen, bijna in het gezicht, en dan nog alles te verliezen! Dat zou ik niet overleven, Eliza!"

"Vrees niet," zeide zijne vrouw met hopend vertrouwen. "De goede God zou ons niet zoover gebracht hebben, als Hij ons er niet doorheen wilde brengen. Het is alsof ik Hem bij ons voel, George."

"Gij zijt eene gezegende vrouw, Eliza," zeide George, met zekere woestheid zijn arm om haar heenslaande. "Maar o, zeg mij! kan die groote genade voor ons bestemd zijn? Zullen die jaren van ellende ten einde komen? Zullen wij vrij worden?"

"Ik ben er zeker van, George," antwoordde Eliza, met tranen van hoop en geestvervoering in hare donkere oogen naar boven ziende. "Ik gevoel het in mij, dat God ons nog dezen dag uit de dienstbaarheid zal brengen."

"Ik wil u gelooven, Eliza," zeide George driftig opstaande. "Ik wil u gelooven. Kom, laten wij gaan. Wel waarlijk," vervolgde hij, haar op armslengte van zich afhoudende en met bewondering aanziende, "gij zijt een lieve, aardige, kleine jongen. Die korte krullen staan u zeer goed. Zet uwe muts op. Zoo—wat op zijde. Ik heb er u nog nooit zóó aardig zien uitzien. Maar het is haast tijd voor de koets. Ik ben benieuwd of Juffrouw Smith Harry al gekleed heeft."

De deur werd geopend en eene fatsoenlijke vrouw van middelbare jaren trad binnen, met kleine Harry in meisjeskleeren aan de hand.

"Welk een lief meisje is hij!" zeide Eliza, hem om- en omdraaiende. "Wij willen hem Harriet noemen. Komt die naam niet juist van pas?"

Het kind stond zijne moeder in hare vreemde kleeding ernstig aan te zien, zweeg bot stil, maar slaakte nu en dan een zwaren zucht, en wierp dan tegelijk een schuinen blik naar haar.

"Kent Harry mama niet?" zeide Eliza, de handen naar hem uitstrekkende.

Het kind hield zich schichtig aan zijne geleidster vast.

"Kom nu, Eliza, wat wilt gij hem lokken, terwijl gij weet dat hij van u vandaan gehouden moet worden?"

"Ik weet dat het dwaas van mij is," antwoordde Eliza, "en toch kan ik het niet uitstaan, dat hij zich van mij afkeert. Maar kom—waar is mijn mantel? Hoe doet een man zijn mantel om, George?"

"Gij moet hem zóó dragen," antwoordde George, den mantel over zijne eigene schouders werpende.

"Zoo dan," zeide Eliza, zijne bewegingen nabootsende, "en ik moet stampen, en groote stappen nemen, en mijn best doen om brutaal te kijken."

"Geef u maar geen moeite," zeide George. "Er is nu en dan wel eens een bedeesd jonkman, en ik geloof dat het gemakkelijker voor u zal zijn die rol te spelen."

"En die handschoenen! Kijk eens," zeide Eliza, "ik verlies mijne handen er in."

"Ik raad u toch om ze zorgvuldig aan te houden," zeide George; "uw fijn smal pootje zou ons allen in gevaar kunnen brengen. Nu, Juffrouw Smith, reist gij in ons geleide en zijt onze tante—onthoud dat wel."

"Ik heb gehoord," zeide Juffrouw Smith, "dat er menschen zijn gekomen, die alle stoombootkapiteins hebben gewaarschuwd tegen een man en vrouw met eenen kleinen jongen."

"Zoo?" zeide George. "Welnu, als wij zulke lieden zien, kunnen wij het hun zeggen."

Een huurkoets kwam nu voor de deur, en de vriendelijke familie drong om hen heen om afscheid te nemen.

De vermommingen welke het gezelschap had aangenomen, waren volgens de wenken van Tom Loker gekozen; Juffrouw Smith, eene fatsoenlijke vrouw uit het etablissement in Canada, waarheen zij vloden, die gelukkig het meer wilde oversteken om daarheen terug te keeren, had bewilligd om zich als tante van den kleinen Harry voor te doen; en om deze aan haar te hechten, was hij de laatste twee dagen geheel bij haar gelaten, in welken tijd een overvloed van liefkoozingen, bij een onbeperkte toelaag van kruidkoekjes en kandijklontjes gevoegd, reeds eene zeer nauwe gehechtheid bij den jongeheer had doen ontstaan.

De koets reed naar de werf. De twee jongelieden—gelijk zij schenen—stapten de plank over en de boot op. Daar gaf Eliza galant den arm aan Juffrouw Smith, terwijl George nu voor de bagage zorgde.

George stond bij het kantoortje van een kapitein, om daar voor zijn gezelschap te betalen, toen hij twee mannen, die naast hem stonden, met elkander hoorde spreken.

"Ik heb op iedereen gelet, die aan boord kwam," zeide de een, "en ik weet wel dat zij niet op deze boot zijn."

Het was de stem van den klerk der boot. De andere, wien hij aansprak, was onze vroegere vriend Marks, die in zijn lofwaardigen ijver naar Sandusky was gekomen, zoekende wien hij zou mogen verslinden.

"Men zou de vrouw haast niet van eene blanke onderscheiden," zeide Marks. "De man is een lichte mulat. Hij heeft een brandmerk in eene van zijne handen."

De hand, waarmede George de plaatsbriefjes aannam, beefde eenigszins; maar hij keerde zich koelbloedig om, zag den spreker onverschillig in het gezicht, en ging op zijn gemak naar den anderen kant der boot, waar Eliza naar hem stond te wachten.

Juffrouw Smith had met kleine Harry de afzondering der dameskajuit opgezocht, waar de donkere schoonheid van het vermeende meisje vele vleiende aanmerkingen uitlokte.

Toen de klok geluid werd om van de Amerikaansche kust afscheid te nemen, had George het genoegen van Marks over de plank naar den wal te zien stappen, en hij verlichtte zijn hart met een langen zucht, toen de afstand tusschen hen het terugkeeren onmogelijk had gemaakt.

Het was een heerlijke dag. De blauwe golven van het meer Erie dansten flikkerend en vroolijk in het zonnelicht. Wie dacht er, toen George met zijnen schuwen makker aan de zijde, zoo kalm het dek der stoomboot op en neer wandelde, aan alles wat in zijnen boezem gloeide? Het geluk, dat hem scheen te naderen, kwam hem al te groot en schoon voor, om ooit werkelijkheid te worden, en ieder oogenblik van dien dag kwelde hem een heimelijke angst, dat er zich nog iets zou opdoen om het hem te ontrukken.

Doch de boot voer voort, de uren vlogen om, en eindelijk kwam de gezegende Engelsche kust duidelijk in het gezicht—de kust, welke door eene machtige tooverspreuk gewijd, met eene enkele aanraking elke helsche bezwering van slavernij vernietigt, onverschillig in welke taal zij is uitgesproken, of door welke nationale macht zij is bekrachtigd. George en zijne vrouw stonden gearmd naast elkander, toen de boot het stadje Amhertsberg in Canada naderde. Zijne ademhaling werd kort en zwaar, er kwam een nevel voor zijne oogen, stilzwijgend drukte hij het handje, dat bevend op zijnen arm lag. De klok luidde—de boot werd gestopt. Nauwelijks ziende wat hij deed, zocht George zijne bagage uit en verzamelde hij zijn klein gezelschap. Hij werd met de zijnen aan land gezet. Zij bleven stilstaan, tot de boot weder was afgevaren; en toen knielden man en vrouw met hun verwonderd kind in de armen, op den oever neder, en verhieven het hart tot God.

"Het was," gelijk een dichter zegt: "iets, dat geleek naar den overstap uit den dood in het leven, uit de windselen des grafs in het gewaad des hemels, uit de heerschappij der zonden en den strijd der hartstochten in de reine vrijheid eener gezaligde ziel, waar alle banden van dood en hel verbroken worden, en het sterfelijke de onsterfelijkheid aandoet, wanneer de genade de gouden poort heeft geopend en hare stem heeft gesproken: "Juich, uwe ziel is vrij!"

Het gezelschap werd door Juffrouw Smith naar de gastvrije woning van een braven zendeling gebracht, die door de christelijke liefde aldaar geplaatst was geworden tot een herder voor de zwervende ballingen, die gedurig op deze kust een vrijplaats komen zoeken.

Wie kan de zaligheid van dien eersten dag van vrijheid beschrijven? Is hetgevoel der vrijheidedeler en fijner, dan eenig ander dat de zinnen kan aandoen? Onbespied en zonder gevaar te spreken en te ademen, uit en in te gaan! Wie kan het gezegende beschrijven van die rust, welke op de peluw van den vrijen man nederdaalt, onder de wetten, die hem de rechten verzekeren, welke God den mensch gegeven heeft? Hoe schoon en lief was voor die moeder dat slapende kindergezichtje, haar nog dierbaarder gemaakt door de herinnering aan duizend gevaren! Hoe onmogelijk was het te slapen in het bezit van zulk een overmatig geluk! En toch bezaten deze twee geen voet gronds, geen dak dat zij het hunne konden noemen, en hadden zij alles verteerd tot hunnen laatsten dollar. Zij hadden niets meer dan de vogelen der lucht of de bloemen des velds—en toch konden zij niet slapen van blijdschap. O gij, die den mensch de vrijheid ontneemt, met welke woorden zult gij dat voor God verantwoorden?

"Gode zij dank, die ons de overwinning geeft."

Hebben niet velen van ons wel eens op den vermoeienden levensweg gevoeld, hoeveel lichter het zijn zou te sterven dan te leven?

De martelaar, wanneer hij een dood van lichamelijke folteringen voor oogen ziet, vindt juist in het schrikkelijke van zijn lot een krachtig middel tot opwekking en versterking. Hij gevoelt eene opgewondenheid, een ijver, eene hoop, die hem het lijdensuur helpen doorstaan, dat het geboorte-uur der eeuwige rust en heerlijkheid zal wezen.

Maar voort te leven, dag aan dag te slijten in een lage, verachte, bittere, kwellende dienstbaarheid, waaronder elke zenuw verslapt en ontstemt, elk gevoelsvermogen langzamerhand verdoofd wordt—dat lange, verterende martelaarschap van het hart, dat langzame, dagelijksche wegbloeden van het innerlijke leven, droppel voor droppel en uur op uur—dit is de ware, doorzoekende proef van wat een mensch, hetzij man of vrouw, in zijn binnenste bezit.

Toen Tom tegenover zijnen woedenden meester stond en zijne dreigementen hoorde, en bij zich zelven dacht dat zijn uur gekomen was, klopte zijn hart hooger en moediger, en dacht hij dat hij martelingen, brandstapel, dat hij alles zou kunnen doorstaan, met het uitzicht op den hemel, die nog maar ééne schrede van hem verwijderd was; maar toen die woedende meester was heengegaan, en zijne opgewondenheid daalde, kwam de pijn in zijne gekneusde leden terug, kwam het gevoel van zijnen vernederden, verlaten, hopeloozen toestand terug; en hij sleet den dag treurig genoeg.

Lang voordat zijne wonden genezen waren, zette Legree hem weder aan het gewone veldwerk; en toen kwamen dag aan dag pijn en vermoeienis, verergerd door alle verongelijkingen en kwellingen, die de hatelijkheid van een laaghartig, boosaardig mensch kon uitdenken. Wie inonzeomstandigheden eene proef van pijn heeft gehad, zelfs met die verlichtingen, welke ons meestal ten deel vallen, moet wel weten, welk een wrevelig ongeduld daaruit gewoonlijk ontstaat. Tom verwonderde zich nu niet meer over de doorgaande norschheid zijner makkers; ja, hij vond zelfs de vreedzame, blijmoedige gemoedsgesteldheid, welke de gewoonte van zijn leven geweest was, zeer bemoeielijkt en gestoord door dezelfde kwellingen, die hen zoo onverdragelijk voor anderen maakten. Hij had zich met vrijen tijd gevleid om zijn Bijbel te lezen, maar hier was niets dat naar vrijen tijd geleek. In de drukte van het seizoen aarzelde Legree niet, om zijne arbeiders op Zondag eveneens te laten werken als door de week. Waarom zou hij niet? Hij kreeg dan meer katoen en won zijne weddenschap, en als hij er eenige arbeiders meer door versleet, kon hij andere koopen. In het eerst placht Tom bij het flikkeren van het vuur, een paar verzen in zijnen Bijbel te lezen, als hij van zijn dagwerk terug kwam; maar na de wreede behandeling, die hij ondergaan had, kwam hij doorgaans zoo afgemat naar huis toe, dat zijn hoofd duizelde en zijne oogen schemerden wanneer hij beproefde te lezen, en hij blijde was, als hij gelijk de anderen zijne pijnlijke leden op den grond kon uitstrekken.

Het is niet vreemd, dat het godsdienstige vertrouwen en de gemoedsrust, die hem tot nog toe hadden ondersteund, voor het slingeren zijner ziel bezweken. Het donkerste raadsel van dit raadselachtig leven stond gedurig voor zijnen geest: zielen met geweld verdorven, het kwaad zegepralende, en God zwijgende. Het duurde weken en maanden dat Tom in zijne ziel zoo in smart en duisternis worstelde. Hij dacht aan Miss Ophelia's brief, aan zijne vrienden in Kentucky, en bad God ernstig om hem redding te zenden; en dan zag hij dag aan dag uit, in de flauwe hoop dat hij iemand zien zou die gezonden was om hem los te koopen; en als er niemand kwam, deed hij weder moeite om in zijne ziel de bittere gedachte te smoren—dat het ijdel was God te dienen, en dat God hem vergeten had. Somtijds sprak hij Cassy; en somtijds, wanneer hij naar het huis werd geroepen, kon hij even de neerslachtige Emmeline zien, maar hij had weinig omgang met eene van beiden, en hij had ook eigenlijk geen tijd om met iemand om te gaan.

Op een avond zat hij geheel uitgeput en ternedergeslagen bij eenige half verbrande houten, waarop zijn onsmakelijk avondmaal braadde. Hij legde eenige droge rijsjes op het vuur, om zoo vast wat licht te krijgen, en haalde zijn Bijbel uit zijn zak. Daar waren al de gemerkte plaatsen, die zijne ziel zoo dikwijls verrukt hadden—woorden van aartsvaders en zieners, van dichters en wijzen, die van den vroegsten tijd af den mensch moed hadden ingesproken—stemmen uit die groote wolk van getuigen, welke ons op de levensbaan altijd omringt. Had het woord zijne kracht verloren, of waren het schemerende oog en het vermoeide gevoel niet meer vatbaar voor den troost der heilige bladen? Met een zwaren zucht stak hij het boek weder in zijnen zak. Een woeste lach wekte hem uit zijne dofheid. Hij zag op, Legree stond voor hem.

"Wel, oude jongen," zeide hij, "gij vindt dat uw godsdienst niet meer werkt, naar het schijnt. Ik dacht wel dat ik dat eindelijk in uw wolligen kroeskop zou krijgen."

Die wreede spot was erger dan honger, koude en naaktheid; Tom zweeg.

"Ge zijt een zot geweest," hernam Legree, "want ik had het goed met u voor, toen ik u kocht. Ge hadt het beter kunnen hebben dan Sambo of Quimbo, en een gemakkelijk leven; en in plaats van elke paar dagen geranseld te worden, hadt ge vrijheid kunnen hebben om den heer te spelen en de andere negers te ranselen; en ge hadt nu en dan eene goede verwarming van punch kunnen krijgen. Kom aan, denkt gij nu niet dat het beter is verstandig te worden? Smijt dat pak gewawel in het vuur, en kom tot mijne kerk over."

"Dat verhoede de Heere!" zeide Tom met vurigen ernst.

"Gij ziet wel dat de Heere u niet helpen zal. Als Hij dat gewild had, zou Hij wel gemaakt hebben dat ik u niet kreeg. Die godsdienst van u is alles een hoop leugenachtige bombast, Tom. Gij deedt beter u aan mij te houden. Ik ben iemand en kan iets doen."

"Neen, meester," antwoordde Tom, "ik blijf er bij. De Heere mag mij helpen of niet helpen; maar ik houd mij aan Hem vast en geloof Hem tot het laatste."

Wanneer een zware last de ziel zoo diep neerdrukt, als zij met mogelijkheid kan verduren, volgt er eene plotselinge, wanhopige inspanning van alle lichamelijke en zedelijke krachten om dien last af te werpen, en daarom is de zwaarste zielsangst dikwijls de voorbode van een terugkeer van moed en blijdschap. Zoo was het nu met Tom. De goddelooze smaad- en spotwoorden van zijnen meester drukten zijne reeds moedelooze ziel in de laagste diepte neder; en hoewel de hand des geloofs de eeuwige rots nog vasthield, was het alleen met de kracht der verstijfde wanhoop. Tom zat daar als geheel bedwelmd en versuft bij het vuur. Eensklaps scheen alles om hem heen te verdwijnen; eene verschijning rees voor hem op van Eenen met doornen gekroond en met bloedige geeselstriemen. Tom staarde met verbazing en ontzag op het verheven geduld van het gelaat; de oogen vol lijden en hemelsch medelijden straalden tot in zijn hart; zijne ziel ontwaakte, terwijl hij overstelpt van aandoening, de handen uitstrekte en op de knieën zonk; toen veranderde langzamerhand de verschijning: de scherpe doornen werden tot stralen eener glorie; met onuitsprekelijken luister zag hij datzelfde gelaat medelijdend naar hem nederbuigen, en hoorde hij eene stem zeggen: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in Zijnen troon."

Hoelang Tom daar lag, wist hij niet. Toen hij tot zich zelven kwam, was het vuur uitgegaan en waren zijne kleederen doornat van den kouden dauw; maar de schrikkelijke benauwdheid zijner ziel was voorbij, en in de vreugde, die hem vervulde, gevoelde hij geen honger, geen koude, geen vernedering, teleurstelling of ellende meer. Uit het diepste zijner ziel verzaakte hij in dat uur alle hoop in het tegenwoordige leven, en offerde hij zijn eigen wil als een onherroepelijk offer aan den Oneindige op. Tom zag op naar de stille, altijd levende sterren, zinnebeelden dier engelenscharen, die altijd op den mensch neerzien, en in de eenzaamheid van den nacht klonken de zegepralende woorden van een lied, dat hij in gelukkiger dagen dikwijls had gezongen, maar nooit met zulk een gevoel als thans:

"Deze aarde zal als sneeuw vergaan,De zon geen licht meer geven;Maar bij den God, die mij hier riep,Zal ik dan eeuwig leven.

"Als 't aardsche leven mij ontzinkt,De zinnen mij begeven,Dan wacht mij in het hemelhofHet eeuwig, zalig leven.

"En als ons daar tienduizend jaarReeds tienmaal is gegeven,Dan wacht ons nog geen dag te minVan 't eeuwig, zalig leven."

Zij, die met de godsdienstige geschiedenis der slavenbevolking bekend zijn, weten dat verhalen van zulke verschijningen en gezichten zeer dikwijls voorkomen. Wij hebben eenige zulke verhalen van treffend aandoenlijken aard uit den eigen mond van hen gehoord, die aldus gesterkt en getroost waren. Zielkundigen spreken van een toestand, waarin de aandoeningen en voorstellingen van het gemoed zulk eene kracht en levendigheid bekomen, dat zij de uiterlijke zinnen aan zich dienstbaar maken en deze eene tastbare gedaante aan die innerlijke voorstellingen doen geven. Wie zal het bepalen, waartoe een alles doordringende Geest deze vatbaarheid van ons stoffelijk hulsel zal aanwenden, of door welke middelen Hij eene in wanhoop verzonkene ziel zal bemoedigen? Indien de arme, vergeten slaaf gelooft dat Jezus hem verschenen is en tot hem gesproken heeft, wie zal hem tegenspreken? Heeft Hij niet gezegd dat Hij door alle eeuwen heen gezonden was, om hen die gebroken zijn van harte te genezen en de verslagenen heen te zenden in vrijheid?

Toen de grauwe schemering van den dageraad de sluimerenden wekte om weder naar het veld te gaan, was er een onder die huiverende, met lompen bedekte ellendelingen, die met fieren tred voortstapte; want vaster dan de grond dien hij betrad was zijn krachtig geloof in eene almachtige eeuwige liefde. Ha, Legree, beproef al uw vermogen! Lichaamspijn en zieleleed, gebrek en mishandeling zullen slechts den overstap verhaasten, waardoor hij een koning en priester voor God zal worden.

Van dien tijd af omringde een onschendbaar gebied van vrede het nederige hart van den verdrukte; een altijd tegenwoordige Zaligmaker heiligde het tot een tempel. Voorbij was nu het bloeden van aardsche wonden—voorbij was het sidderen van hoop, vrees en verlangen—de menschelijke wil, lang bloedend worstelende, was nu geheel in den Goddelijken versmolten. Zoo kort scheen nu de nog overige levensreis—zoo nabij, zoo duidelijk zichtbaar scheen de eeuwige zaligheid—dat het zwaarste leed des levens op hem afstuitte, zonder hem te deren.

Iedereen merkte de verandering in zijn voorkomen op. Hij scheen zijne opgeruimdheid en vlugheid terug te krijgen, en eene kalmte te bezitten, die door geene beleediging of mishandeling kon gestoord worden.

"Wat duivel zit er in Tom?" zeide Legree tot Sambo. "Eene maand geleden was hij geheel melancholiek, en nu is hij zoo vroolijk als een krekel."

"Weet niet, meester. Misschien wil hij wegloopen."

"Dat zou ik hem wel eens willen zien probeeren," zeide Legree met een woesten grijnzenden lach. "Zouden we niet, Sambo?"

"Denk nog al, ha, ha!" antwoordde de zwarte pluimstrijker, gedienstig lachende. "He, wat een pret! Hem in de modder te zien steken, en door de struiken rennen, met de honden op het lijf. Ik dacht te barsten van lachen, toen we Molly vingen. Ik dacht dat zij haar geheel opengescheurd zouden hebben, eer we bij haar konden komen. Zij heeft nog de teekens van die grap."

"En die zal ze wel houden tot in haar graf, denk ik," zeide Legree. "Maar let nu goed op, Sambo, als de neger iets van dien aard voornemens is, laat hem dan in de val loopen."

"Laat mij maar begaan, meester," antwoordde Sambo, "ik zal hem wel beetnemen, ho, ho, ho!"

Dit werd gezegd toen Legree te paard stapte, om naar eene naburige stad te rijden. Toen hij dien avond terugkwam, viel het hem in om eens naar het kwartier te rijden en te zien of alles veilig was.

Het was helder maneschijn, de schaduwen van het geboomte teekenden zich met scherpe omtrekken op het gras, en er was eene stilte in de lucht, waarvan het storen bijna heiligschennis scheen te zijn. Legree was nog op eenigen afstand van het kwartier, toen hij eene stem hoorde zingen. Dit was daar iets zeer ongewoons, en hij bleef staan om te luisteren. Eene welluidende tenorstem zong:

"Ben ik van mijn plaats maar zeker,In de woning van mijn Heer,'k Vrees dan voor geen lijdensbeker,'k Ween dan geene tranen meer.

"Mag de wereld mij bestrijden,Helsche boosheid wonden slaan,Ik kan kampen, dulden, lijden,Satans woede wederstaan.

"Laten rampen me overstroomen,'k Sta voor storm en golven pal,Als ik veilig maar mag komenBij mijn God, mijn heil, mijn al."

"Zoo, zoo, denkt hij zoo?" zeide Legree bij zichzelven. "Die vervloekte methodisten-zangen! Hier, gij neger!" riep hij, plotseling op Tom toeschietende en met zijne karwats dreigende, "Hoe durft gij zoo'n geweld hier maken, als gij in bed moest wezen. Houd je zwarten smoel, en maak dat je wegkomt!"

"Ja, meester," antwoordde Tom, met vlugge bereidwilligheid opstaande om heen te gaan.

Legree werd woedend over Toms onverstoorbare kalmte, en op hem toerijdende, sloeg hij zoo hard hij kon op zijn hoofd en schouders los.

"Daar gij hond!" zeide hij. "Zie of ge nu nog zoo weltevreden zijt."

Maar de slagen vielen slechts op den uitwendigen mensch, en niet gelijk te voren op het hart. Tom bleef onderdanig staan, en toch kon Legree het niet voor zich zelven verbergen, dat hij zijne macht over zijnen gekochten slaaf, hoe dan ook, verloren had; en toen Tom in zijne hut verdween, en hij zijn paard wendde om heen te rijden, schoot er eensklaps eene van die flikkeringen door zijne ziel, die dikwijls den bliksem des gewetens in een donkeren, goddeloozen geest zenden. Hij begreep ten volle dat het God was die tusschen hem en zijn slachtoffer stond, en hij lasterde Hem. Die zwijgende, onderdanige man, die geene smaadwoorden, dreigementen of slagen konden ontrusten, welke eene stem in zijn binnenste, gelijk in vroegeren tijd zijn meester in de door den duivel bezeten ziel had gewekt, zeggende: "Wij, Jezus van Nazareth, wat hebben wij met U te doen? Zijt gij gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?"

Toms hart vloeide over van liefderijk medelijden met de rampzaligen die hem omringden. Het was alsof voor hem nu alle leed des levens voorbij was, en hij uit de schatkamer van vrede en vreugde, waarmede hij boven hen begiftigd was, iets verlangde mede te deelen tot verzachting hunner ellende. Het is waar, de gelegenheden daartoe waren zeldzaam; maar op weg naar het veld en terug en gedurende de werkuren, had hij toch nu en dan eene kans om vermoeiden, neerslachtigen en moedeloozen een helpende hand te reiken. De arme, afgetobde, verdierlijkte schepselen konden dit in het eerst nauwelijks begrijpen; maar toen dit week op week, en maand op maand aanhield, begon het eindelijk een lang verstorven gevoel in hunne verdoofde harten op te wekken. Langzamerhand en onbemerkt begon die vreemde, geduldige, stille man, die zoo gereed was om ieders last te dragen en zelf bij niemand hulp zocht—die voor allen week, het laatste kwam en het geringste nam, en toch de eerste was, om het weinige dat hij had te deelen met hen die gebrek leden—de man, die in koude nachten zijne gescheurde dekens afstond, om een vrouw te verwarmen die van koorts rilde,—en die in het veld de manden der zwakken vulde, op het schrikkelijke gevaar af om zelf in gewicht te kort te komen—en die, hoewel hij door den algemeenen dwingeland met onverbiddelijke wreedheid werd vervolgd, nooit mededeed om een woord van smaad of vloek tegen hen uit te spreken—eindelijk begon die man eene vreemde macht over hen te bekomen; en toen het drukste van het seizoen voorbij was, en zij de Zondagen weder tot eigen gebruik kregen, verzamelden zich velen, om door hem van Jezus te hooren. Gaarne zouden zij geregeld bijeengekomen zijn om te hooren, te bidden en te zingen; maar Legree wilde dit niet toelaten, en meer dan eens stoorde hij zulke vergaderingen met vloeken en verwenschingen, zoodat het gezegende nieuws bij enkelen van mond tot mond moest gaan. Wie kan echter de eenvoudige blijdschap beschrijven, waarmede sommigen van die arme verworpelingen, voor wie het leven eene vreugdelooze reis naar eene onbekende duisternis was, van een medelijdenden Verlosser en een hemelsch vaderland hoorden? De zendelingen verklaren dat, onder al de geslachten der aarde geen het Evangelie met zulk eene gretige leerzaamheid ontvangen heeft als het Afrikaansche. Het beginsel van vertrouwen en onvoorwaardelijk geloof, dat den grondslag daarvan uitmaakt, is meer een natuurlijk element voor dit geslacht, dan voor eenig ander; en dikwijls heeft men onder negers bevonden dat een verdwaald zaadje waarheid, door den wind van het toeval in de onkundige harten gevoerd, opgegroeid is en vruchten heeft gedragen, welker overvloed die van meer zorgvuldige kweeking beschaamde.

De arme mulattin, wier eenvoudig geloof bijna verpletterd en begraven was door den berg van wreedheid en onrecht, die haar overstelpt had, voelde hare ziel opgebeurd door de gezangen en Bijbelplaatsen, die deze nederige zendeling haar nu en dan in het oor fluisterde, wanneer zij naar het werk ging of terugkwam; en zelfs het half krankzinnige, ongeregeld zwervende gemoed van Cassy werd door zijnen stillen zich nooit opdringenden invloed verzacht en bedaard.

Tot razernij en wanhoop gedreven door de opeengehoopte zielesmarten van haar leven, had Cassy dikwijls bij zich zelve besloten, dat er eens een uur van vergelding zou komen, wanneer hare hand op haren verdrukker wraak zou oefenen over al de wreedheid en onrechtvaardigheid, waarvan zij getuige was geweest of die zelve geleden had.

In een nacht, toen allen in Toms hut lagen te slapen, werd hij eensklaps gewekt, en zag hij haar gezicht voor het gat dat tot venster diende; zij wenkte hem stilzwijgend om buiten te komen.

Tom kwam voor de deur. Het was tusschen één en twee uren in den nacht, en de maan scheen helder. Tom zag, toen het maanlicht Cassy in de oogen scheen, dat die groote zwarte oogen een wilden, eigenaardigen glans hadden, geheel verschillend van hare gewone strakke blik.

"Kom hier, vader Tom," zeide zij, hare hand op zijnen arm leggende, en hem voorttrekkende met eene kracht alsof dat smalle handje van staal was. "Kom hier—ik heb nieuws voor u."

"Wat is het, Miss Cassy?" zeide Tom, met vurige oplettendheid.

"Tom, zoudt ge niet gaarne uwe vrijheid willen hebben?"

"Die zal ik hebben,missis, als het Gods tijd is," antwoordde Tom.

"Ja, maar gij kunt haar dezen nacht nog krijgen," zeide Cassy met drift. "Kom maar mede."

Tom aarzelde.

"Kom," zeide zij fluisterend en hem strak aanziende. "Kom voort! Hij slaapt—gerust! Ik heb genoeg in zijn brandewijn gedaan, om hem te doen slapen. Ik wenschte dat ik meer had gehad; dan zou ik u niet noodig gehad hebben. Maar kom, de achterdeur is open en daar ligt eene bijl. Zijne kamer is ook open. Ik zal u den weg wijzen. Ik zou het zelve wel gedaan hebben, maar mijne armen zijn zoo zwak. Kom!"

"Voor geen tien duizend werelden,missis," zeide Tom op vasten toon, stilstaande en haar terughoudende, terwijl zij hem wilde voorttrekken.

"Maar denk eens aan al die arme schepsels," zeide Cassy. "Wij zouden hen allen kunnen vrijlaten en ergens in de moerassen gaan en een eilandje opzoeken en daar verborgen leven. Ik heb gehoord dat zoo iets meer gedaan is. Alle ander leven is beter dan dit."

"Neen," antwoordde Tom, even vast. "Neen. Nooit komt er goed uit goddeloosheid. Ik zou liever mijne rechterhand afhakken."

"Dan zalikhet doen," zeide Cassy, zich omkeerende.

"O, miss Cassy," zeide Tom, zich voor haar neerwerpende, "om den wil van den lieven Heer, die voor u gestorven is, verkoop toch uwe kostbare ziel niet zoo aan den duivel! Niet dan kwaad zal er uit voortkomen. De Heere heeft ons niet tot wraak geroepen. Wij moeten lijden en Zijn tijd afwachten."

"Wachten!" zeide Cassy. "Heb ik niet gewacht? Gewacht tot mijn hoofd duizelig en mijn hart flauw is? Wat heeft hij mij niet doen lijden? Wat heeft hij honderden van arme schepsels doen lijden? Zuigt hij ook u dan het hartebloed niet uit? Ik word er toe geroepen! Zij roepen mij! Zijn tijd is nu gekomen en ik zal en moet zijn bloed hebben!"

"Neen, neen, neen!" zeide Tom, hare handen vasthoudende, die zij met stuipachtige kracht dichtkneep. "Neen, gij arme verdwaalde ziel, dat moet gij niet doen! De lieve, gezegende Heere heeft nooit bloed gestort, dan zijn eigen, en dat heeft Hij voor ons vergoten, toen wij Zijne vijanden waren. Heere, help ons uwe schreden te volgen en vijanden lief te hebben."

"Liefhebben!" zeide Cassy met een woest flikkerenden blik. "Zulkevijanden liefhebben! Daartoe zijn vleesch en bloed niet in staat!"

"Neen, die zijn het ook niet," antwoordde Tom omhoog ziende, "maar Hij geeft dat aan ons, en dat is de overwinning. Wanneer wij kunnen liefhebben en bidden voor allen en door alles, dan is de strijd voorbij en de overwinning gekomen—eere zij God!"

En met oogen vol tranen, daar de stem hem begaf, zag de zwarte man naar den hemel op.

En dit, o Afrika!—laatst geroepene van alle volken, geroepen tot de doornenkroon, de geeselroede, het bloedig zweet en het kruis van smarte—dit zal uwe overwinning zijn; hierdoor zult gij met Christus regeeren, wanneer Zijn koninkrijk op de aarde zal gekomen zijn!

Het vurige van Toms gevoel, de zachtheid zijner stem en zijne tranen bedaarden het woest opgewonden gemoed der ongelukkige vrouw. Er kwam een nevel van zachtheid voor het flikkerende vuur van hare oogen; zij zag voor zich neer, en Tom voelde hare hand hem omklemmen, toen zij tot hem zeide:

"Heb ik u niet gezegd, dat booze geesten mij volgden? O, vader Tom, ik kan niet bidden! Ik wenschte dat ik het kon. Ik heb nooit gebeden sedert mijne kinderen verkocht werden! Wat gij zegt moet wel zoo zijn—dat weet ik; maar als ik beproef te bidden, kan ik alleen haten en vloeken. Ik kan niet bidden."

"Arme ziel," zeide Tom medelijdend. "De satan begeert u te hebben, om u te ziften als de tarwe. Ik bid den Heere voor u. O, Miss Cassy, keer u naar den lieven Heere Jezus. Hij kwam om te genezen die gebroken van harte zijn, en om alle treurenden te troosten."

Cassy bleef stilstaan terwijl groote tranen uit hare neergeslagene oogen rolden.

"Miss Cassy," zeide Tom met zekere aarzeling in zijnen toon, nadat hij haar een poos had aangezien; "als gij maar hier vandaan kondt komen—als dat maar mogelijk was—dan zou ik u en Emmeline raden om het te doen, dat is, als gij het zonder bloedschuld doen kunt—anders niet."

"Zoudt gij het met ons beproeven, vader Tom?"

"Neen," antwoordde Tom. "Er is een tijd geweest dat ik het zou gedaan hebben, maar de Heere heeft mij een werk onder deze arme menschenzielen hier gegeven, en ik zal bij hen blijven en mijn kruis met hen dragen tot aan het einde. Met u is het anders—het is een valstrik voor u—het is meer dan gij wederstaan kunt, en het is beter dat gij gaat, als gij kunt."

"Ik weet geen weg dan door het graf," zeide Cassy. "Er is geen beest of vogel, of hij kan ergens schuilplaats vinden, zelfs de slangen en alligators hebben hunne plaatsen om te liggen en stil te zijn; maar voor ons is er geene plaats. In de diepste moerassen zullen hunne honden ons opjagen en vinden. Iedereen en alles is tegen ons, zelfs de beesten zijn tegen ons, waar willen wij dan henengaan?"

Tom zweeg een poos, eindelijk zeide hij:

"Hij, die Daniël in den leeuwenkuil bewaarde—die de jongelingen in den vurigen oven behield—Hij, die op de zee wandelde en de winden beval stil te zijn,—Hij leeft nog; en ik heb geloof om te hopen dat Hij u verlossen kan. Beproef het en ik zal met al mijne macht voor u bidden."

Door welke eene vreemde werking van den geest is het, dat een denkbeeld lang voorbijgezien en als een nutteloozen steen onder den voet getreden, eensklaps in een nieuw licht schittert, als een dan eerst ontdekte diamant?

Cassy had dikwijls uren lang over alle mogelijke plannen ter ontsnapping nagedacht en alle als hopeloos en onuitvoerbaar verworpen; maar op dat oogenblik kwam haar een plan voor den geest, zoo eenvoudig en uitvoerbaar in alle bijzonderheden, dat het haar terstond met hoop en moed vervulde.

"Vader Tom, ik zal het beproeven," zeide zij eensklaps.

"Amen!" zeide Tom. "De Heere helpe u!"


Back to IndexNext