ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Er heerschte zekere stille drukte in het huis van den kwaker, toen de dag ten avond neigde. Rachel Halliday ging bedaard heen en weder, en bracht van haren huiselijken voorraad een aantal benoodigdheden bijeen, welke in eene kleine ruimte konden gepakt worden, voor de zwervelingen die in den nacht zouden vertrekken. De avondschaduwen strekten zich oostwaarts, en de ronde, roode zon toefde als het ware peinzend bij den gezichteinder, terwijl hare gele stralen zacht in het slaapkamertje schenen, waar George en zijne vrouw bij elkander zaten. Hij had zijn kind op zijne knie en de hand zijner vrouw in de zijne. Beider gezicht stond nadenkend en ernstig, en er waren sporen van tranen op hunne wangen.

"Ja, Eliza," zeide George. "Ik weet dat al wat gij zegt waar is. Gij zijt een goed kind—veel beter dan ik; en ik zal trachten te doen gelijk gij zegt. Ik zal trachten te handelen gelijk een vrij man betaamt. Ik zal trachten het gevoel van een christen te koesteren. God almachtig weet dat ik wèl heb willen doen—dat ik mij ingespannen heb om wèl te doen—toen alles tegen mij was, en nu wil ik al het verledene vergeten, en harde en bittere aandoeningen smoren en mijn Bijbel lezen en een goed man leeren worden."

"En als wij in Canada komen," zeide Eliza, "kan ik u helpen. Ik kan heel goed dameskleeren maken, en fijn goed wasschen en strijken en met ons beiden zullen wij wel genoeg verdienen om van te leven."

"Ja, Eliza, zoolang wij maar elkander en ons kind liefhebben. O, Eliza, als die menschen maar eens wisten welk een zegen het voor een man is, dat zijne vrouw en zijne kinderenhemtoebehooren! Ik heb mij dikwijls verwonderd dat een man, die zijne vrouw en kinderenzijn eigenkon noemen, zich nog over iets anders kwelde. Ik voel mij nu rijk en sterk, hoewel wij niets hebben dan onze bloote handen. Het is mij, alsof ik God nauwelijks om iets meer zou durven vragen. Ja, hoewel ik alle dagen zwaar gewerkt heb tot ik nu vijf en twintig jaren oud ben, en geen cent geld bezit, en geen dak om mij te dekken, en geen plekje grond dat ik mijn eigendom kan noemen; toch, als zij mij nu maar met vrede willen laten, zal ik tevreden zijn, dankbaar zijn, zal ik werken, en het geld voor u en mijn kind terugzenden. Wat mijn ouden meester betreft, ik heb hem vijfvoudig alles betaald, wat ik hem ooit gekost heb. Hem ben ik niets schuldig."

"Maar wij zijn nog niet geheel buiten gevaar," zeide Eliza. "Wij zijn nog niet in Canada."

"Dat is waar," antwoordde George: "maar het is als rook ik reeds de vrije lucht, en dat maakt mij zoo sterk."

Op dit oogenblik werden er in de groote kamer stemmen gehoord, die een ernstig gesprek hielden, en weldra werd er aan de deur geklopt. Eliza opende haar schielijk.

Simeon Halliday was daar met een van zijne geloofsgenooten, dien hij als Phineas Fletcher binnenleidde. Phineas was lang en mager; hij had rood haar en een gezicht, waarvan de uitdrukking schranderheid en sluwheid aanduidde. Hij had lang niet het stille, kalme, voor de wereld onverschillige voorkomen van Simeon; maar integendeel een bijzonder scherp en wakker uitzicht, als iemand die er eenigszins grootsch op is dat hij weet wat hij doet en goed voor zich ziet; eigenaardigheden, die vrij zonderling bij zijne stijve kleeding en manier van spreken afstaken.

"George, onze vriend Phineas heeft iets van belang ontdekt voor u en uw gezelschap," zeide Simeon; "het zou goed voor u zijn dat te hooren."

"Dat heb ik," zeide Phineas, "en het bewijst hoe nuttig het is dat een man op zekere plaatsen altijd met één oor open slaapt, gelijk ik altijd gezegd heb. Den vorigen nacht vertoefde ik in eene kleine eenzame herberg aan den weg achterwaarts. Gij weet de plaats nog wel, Simeon, waar wij verleden jaar appelen verkocht hebben aan die dikke vrouw met groote oorringen. Nu, ik was moede van het harde rijden en na mijn avondmaal legde ik mij op een hoop zakken in een hoek neer, en dekte mij met een buffelhuid, om te wachten tot mijn bed gereed was, en wat doe ik anders dan vast in slaap vallen."

"Met één oor open, Phineas?" zeide Simeon koeltjes.

"Neen, ik sliep met beide ooren en al een paar uren lang, want ik was tamelijk moede; maar toen ik tot mij zelven kwam, bevond ik dat er eenige mannen in de kamer waren, die aan de tafel zaten te drinken en te praten; en ik dacht dat ik, eer ik veel beweging maakte, even moest zien waar zij aan bezig waren, vooral daar ik hen iets over de kwakers hoorde zeggen. "Dus zijn zij zeker in het kwakersdorp," zeide er een. Toen luisterde ik met beide ooren, en bevond dat zij juist over ditzelfde gezelschap spraken. Dus bleef ik liggen en hoorde hen al hunne plannen overleggen. Deze jonge man, zeiden zij, zou weder naar Kentucky gezonden worden, naar zijnen meester, die een voorbeeld aan hem zou stellen, om alle negers het wegloopen af te leeren; en zijne vrouw zouden twee van hen naar Nieuw-Orleans brengen om te verkoopen, en zij rekenden zestien- of achttienhonderd dollars voor haar te krijgen; en het kind, zeiden zij, moest naar een handelaar, die het gekocht had; en dan waren er de jongen Jim en zijne moeder, zij zouden weder naar hunne meesters in Kentucky. Zij zeiden dat er twee constabels waren in een stadje, een weinig verder op, die met hen zouden gaan om hen te vatten; en de jonge vrouw zou voor een rechter gebracht worden; en een van die lieden, die klein en welbespraakt is, zou zweren dat zij zijn eigendom was en haar aan hem laten overleveren. Zij hebben een recht begrip van den weg dien wij van nacht willen nemen; en zij willen ons nazetten, zes of acht man sterk. Dus, wat is er nu te doen?"

De groep, die na deze mededeeling in verschillende houdingen staan bleef, was een schilder waardig. Rachel Halliday, die het kneden van een baksel beschuit had laten staan om het nieuws te hooren, stond daar nu met opgeheven, bemeelde handen en een zeer verslagen gezicht. Simeon stond ernstig te peinzen; Eliza had hare armen om haren man geslagen en zag naar hem op. George stond daar met dichtgeknepen vuisten en gloeiende oogen; zijn blik was gelijk die van ieder ander man zou mogen wezen, als zijne vrouw bij opbod verkocht en zijn zoon aan een handelaar overgeleverd zou worden, alles onder het schild der wetten van een christelijk volk.

"Wat zullen wij doen, George?" zeide Eliza flauw.

"Ik weet wel watikdoen zal," antwoordde George en ging het kamertje weder binnen, om zijne pistolen na te zien.

"Ja, ja," zeide Phineas, Simeon toeknikkende: "gij ziet wel wat er op volgen moet."

"Ik zie het," zeide Simeon met een zucht; "maar ik bid dat het zoover niet komen zal."

"Ik wil niemand met mij of voor mij in gevaar brengen," zeide George nu. "Als gij mij uwe kar wilt leenen en den weg beduiden, zal ik alleen naar de volgende schuilplaats rijden. Jim heeft reuzenkracht en is zoo dapper als de dood en de wanhoop; en ik insgelijks."

"Dat is wel, vriend," zeide Phineas; "maar gij zult toch een voerman noodig hebben. Al het vechten zal met genoegen voor u worden gelaten; maar ik weet een paar dingen van den weg, die gij niet weet."

"Maar ik wil niemand in ongelegenheid brengen," zeide George.

"In ongelegenheid?" herhaalde Phineas met een zonderlingen glimlach. "Als gij mij in ongelegenheid brengt, wees dan zoo vriendelijk om het mij te laten weten."

"Phineas is een wijs en bekwaam man," zeide Simeon. "Gij doet wel, George, met u naar zijn oordeel te voegen, en," vervolgde hij, zijne hand vriendelijk op George's schouder leggende en naar de pistolen wijzende, "wees niet al te haastig met de—jong bloed is heet."

"Ik zal niemand aanvallen," antwoordde George. "Al wat ik van dit land vraag, is dat men mij met vrede laat, en ik zal vreedzaam heengaan; maar," hij zweeg een oogenblik en zijn gezicht werd donker—"er is eene zuster van mij op de markt van dat Nieuw-Orleans verkocht. Ik weet waartoe men haar verkocht; en ik zal het aanzien dat zij mijne vrouw nemen en haar verkoopen, terwijl God mij een paar sterke armen gegeven heeft om haar te verdedigen! Neen, zoo helpe mij God! Ik zal tot den laatsten ademtocht vechten, eer zij mijne vrouw en mijn zoon krijgen. Kunt gij mij laken?"

"Geen sterfelijk mensch kan u laken, George. Vleesch en bloed kunnen niets anders doen," zeide Simeon. "Wee over de wereld vanwege de ergernis; maar wee over hen, door wie de ergernis komt."

"Zoudt gij in mijne plaats niet hetzelfde doen, Mijnheer?"

"Ik bid dat ik niet beproefd worde," antwoordde Simeon. "Het vleesch is zwak."

"Ik denk dat mijn vleesch in zulk een geval tamelijk sterk zou zijn," zeide Phineas, een paar armen uitstekende, die naar de wieken van een windmolen geleken. "Ik ben niet zeker, vriend George, of ik niet wel een kerel voor u zou vasthouden als gij eene rekening met hem had af te doen."

"Indien de mensch ooit het kwaad behoort te wederstaan," zeide Simeon, "dan moet George de vrijheid gevoelen om dit nu te doen; maar de leidslieden van ons volk hebben ons een meer uitmuntenden weg geleerd; want de toorn des mans wekt Gods gerechtigheid niet; maar deze strijd bitterlijk tegen den bedorven wil des menschen en niemand kan haar ontvangen dan zij aan wie zij gegeven wordt. Laten wij den Heere bidden dat wij niet verzocht worden."

"Dat doe ik ook," zeide Phineas; "maar als wij al te zeer verzocht worden—welnu, laten zij voor zich zien, dat is alles."

"Het is duidelijk dat gij geen Vriend geboren zijt," zeide Simeon met een glimlach. "De oude natuur blijft nog tamelijk sterk in u."

Om de waarheid te zeggen, Phineas was een forsche, hardhandige boschman geweest, een geweldig jager en scherpschutter; maar verliefd op eene bevallige kwakerin, was hij door de macht harer bekoorlijkheden bewogen om zich bij het gezelschap in deze streek te voegen; en hoewel hij een eerlijk, nuchter en nuttig lid der gemeente was, en er niets bijzonders op zijn gedrag was te zeggen, konden toch de meer geestelijkgezinden niet nalaten een bijzonder gebrek aan heilige zachtmoedigheid bij hem op te merken.

"Vriend Phineas zal altijd zijne eigene manieren hebben," zeide Rachel glimlachende; "maar wij allen denken toch dat zijn hart op de rechte plaats zit."

"Welnu," zeide George; "is het niet best dat wij onze vlucht verhaasten?"

"Ik ben te vier uren opgestaan en heb allen spoed gemaakt, twee of drie uren voor hen, als zij vertrekken op den tijd dien zij afspraken. Het is in allen gevalle niet veilig te vertrekken eer het donker is; want er zijn eenige booze menschen in de dorpen verder op, die genegen konden zijn om zich met ons te bemoeien als zij onzen wagen zagen, en dat zou ons meer ophouden dan het wachten; maar over twee uren denk ik dat wij het kunnen wagen. Ik zal naar Michael Cross gaan, en hem vragen om op zijnen harddraver achter ons aan te komen, en onderweg scherp uit te zien, en ons te waarschuwen als er een gezelschap aankomt. Michael heeft een paard, dat de meeste andere paarden spoedig kan vooruitloopen; en hij zou vooruit kunnen rijden, en het ons doen weten als er eenig gevaar was. Ik ga nu Jim en de oude vrouw waarschuwen om zich gereed te houden en naar de paarden zien. Wij zijn een goed eind vooruit en hebben dus kans om in veiligheid te komen eer zij ons inhalen. Heb dus goeden moed, vriend George; dat is niet de eerste maal, dat ik met uw volk leelijk in het nauw ben geweest," zeide Phineas, terwijl hij de deur sloot.

"Phineas is schrander," zeide Simeon. "Hij zal ook het beste doen dat voor u gedaan kan worden, George."

"Werkelijk, gij brengt u voor ons in ongelegenheid," zeide George.

"Gij zult ons zeer verplichten, vriend George, met daarvan niets meer te zeggen. Wat wij doen, zijn wij volgens ons geweten verplicht om te doen; wij kunnen niet anders. En nu, moeder," zeide hij, zich naar Rachel keerende, "spoed u met uwe toebereidselen voor deze vrienden, want wij moeten hen niet vastende heenzenden."

Terwijl Rachel en hare kinderen bezig waren met koornkoek te bakken, ham en hoenders te braden en andere toebereidselen voor het avondmaal te maken, zaten George en Eliza in hun kamertje met de armen om elkander heengeslagen en in zulke gesprekken verdiept, als man en vrouw met elkander moeten hebben, wanneer zij weten dat zij over weinige uren voor altijd van elkander gescheiden kunnen worden.

"Eliza," zeide George, "menschen die vrienden, huizen, land en geld en dat alles hebben, kunnen elkander niet zoo liefhebben als wij, die niets hebben dan elkander. Vóórdat ik u kende, Eliza, had niemand mij ooit liefgehad, behalve mijne ongelukkige moeder en zuster. Ik zag de arme Emily nog op den ochtend toen de handelaar haar medenam. Zij kwam naar den hoek waar ik lag te slapen, en zeide: "Arme George, uw laatste vriendin gaat heen. Wat zal er van u worden, arme jongen?" En ik stond op en sloeg mijne armen om haar heen, en schreide en snikte en zij schreide ook; en dat waren de laatste vriendelijke woorden die ik in tien lange jaren gehoord heb; en mijn hart verdroogde geheel en al, tot ik u ontmoette. En toen gij mij liefhadt—wel, het was bijna alsof iemand uit den dood werd opgewekt. Ik ben sedert dien tijd een nieuw mensch geweest. En nu, Eliza, zal ik mijn laatsten droppel bloed geven, maar zij zullen u niet van mij afnemen. Wie u krijgt, zal over mijn lijk moeten stappen."

"O Heere, wees barmhartig!" zeide Eliza snikkende. "Als Hij ons maar te zamen uit dit land wil laten komen, dat is al wat wij vragen."

"Is God dan op hunne zijde?" zeide George, minder tot zijne vrouw sprekende dan zijne eigene bittere gedachten uitstortende. "Ziet Hij al wat zij doen? Waarom laat Hij zulke dingen gebeuren? En men zegt dat de Bijbel op hunne zijde is; zeker is alle macht op hunne zijde. Zij zijn rijk, gezond en welvarend; zij zijn leden van de kerk en denken in den hemel te komen; het gaat hun goed in de wereld en zij hebben in alles hun zin; en arme, oprechte, getrouwe christenen—christenen zoo goed of beter dan zij—liggen in het stof onder hunne voeten. Zij koopen en verkoopen hen, en drijven handel met hun hartebloed, hunne zuchten en tranen, en God laat hun dat toe."

"Vriend George," zeide Simeon uit de keuken, "luister eens naar dezen psalm; hij zal u misschien goed doen."

George schoof zijn stoel naar de deur, en Eliza, hare tranen afdrogende, kwam ook nader om te luisteren, terwijl Simeon las:

"Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddeloozen vrede. Want er zijn geen banden, tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch. Zij zijn niet in moeite als andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. Daarom omringt hen de hoovaardij als een keten, het geweld bedekt hen als een gewaad. Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de verbeeldingen des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boozelijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Daarom keert zijn volk zich hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, dat zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?" "Is het nu zoo niet, dat gij denkt, George?"

"Zoo is het waarlijk," antwoordde George. "Zoo goed alsof ik het zelf geschreven had."

"Hoor dan," zeide Simeon. "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; totdat ik in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen en doet hen vallen in verwoestingen. Als Gij opwaakt, O Heer, dan zult Gij hun beeld verachten. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn: Gij hebt mijne rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere."

Deze woorden van heilig vertrouwen, door den vriendelijken ouden man uitgesproken, waren als hemelmuziek om den ontrusten geest van George te stillen, en toen het lezen ophield, droegen zijne trekken eene uitdrukking van kalmte en onderwerping.

"Indien deze wereld alles was, George," zeide Simeon, "dan mochten wij wel vragen: Waar is de Heere? Maar het zijn dikwijls diegenen, die het minste in dit leven hebben, welke Hij voor zijn koninkrijk uitkiest. Stel uw vertrouwen op Hem, en wat u hier ook overkome, Hij zal hier namaals wèl maken."

Indien deze woorden door een vermaner van de gewone soort waren gesproken, in wiens mond zij slechts vrome, redekunstige spreekwijzen zouden geweest zijn, zouden zij misschien niet veel indruk hebben gemaakt; maar uit den mond van iemand, die zich voor de zaak van God en den mensch dagelijks koelbloedig aan boeten en gevangenis blootstelde, hadden zij een gewicht dat men niet kon nalaten te gevoelen, en beide ongelukkige vluchtelingen bevonden dat hun daardoor kalmte en kracht werden ingeboezemd.

Nu nam Rachel Eliza vriendelijk bij de hand en bracht haar naar de tafel, waarop het avondmaal gereed stond. Toen zij zaten, werd er zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad Ruth binnen.

"Ik kom eens even aanloopen," zeide zij, "met deze kousjes voor den kleinen jongen—drie paar van lekker warme wol. Het zal zoo koud zijn, weet ge, daar in Canada. Houdt ge wel goeden moed, Eliza?" vervolgde zij, kwam de tafel om naar haar toe, en drukte haar hartelijk de hand, terwijl zij tegelijk Harry een kruidkoekje toestopte. "Ik heb een pakje daarvan voor hem medegebracht," zeide zij, trekkende om het bedoelde pakje uit haren zak te krijgen. "Kinderen, weet ge wel, willen toch altijd eten."

"O, ik dank u; gij zijt al te goed," zeide Eliza.

"Kom, Ruth, ga mede aanzitten," zeide Rachel.

"Ik kan onmogelijk. Ik heb John bij het kleintje gelaten, en ik heb beschuit in den oven; en ik kan geen oogenblik blijven, of John zal de beschuit laten verbranden en het kind al de suiker in zijne pap geven. Dat is zijne manier zoo," zeide het kwakerinnetje. "Goeden dag, Eliza, goeden dag, George; de Heere geve u eene veilige reis." En daarmede trippelde Ruth weder de deur uit.

Een poosje na het avondeten kwam er een groote overdekte wagen voor de deur. Het was een heldere sterrennacht en Phineas sprong vlug van zijn bankje, om zijne passagiers te schikken. George kwam de deur uit met zijn kind op den eenen arm en zijne vrouw aan den anderen. Zijn tred was vast, zijn gezicht ernstig, maar kalm. Rachel en Simeon kwamen ook buiten.

"Stapt eens even uit,' zeide Phineas tegen hen, die reeds in den wagen zaten, "en laat ik het achterste van den wagen klaarmaken voor de vrouwen en het kind."

"Hier zijn de twee buffelhuiden," zeide Rachel. "Maak de plaatsen maar zoo zacht als gij kunt, want het is toch hard genoeg, den geheelen nacht te rijden."

Jim stapte het eerst af en hielp toen voorzichtig zijne oude moeder, die zich aan zijnen arm vastklemde en angstig rondzag, alsof zij ieder oogenblik een vervolger verwachtte.

"Jim, zijn uwe pistolen in orde?" zeide George, met eene zachte maar vaste stem.

"Ja, wel zeker," antwoordde Jim.

"En gij zult u niet bedenken wat te doen zal komen?"

"Ik geloof haast van neen," antwoordde Jim, zoo diep ademhalende, dat zijne breede borst opzwol. "Denkt gij dat ik moeder weder zal laten krijgen?"

Onder dit korte gesprek had Eliza van hare liefderijke vriendin Rachel afscheid genomen. Zij werd nu door Simeon in den wagen geholpen, en met haar kind naar het achtereinde kruipende, zette zij zich op de buffelhuiden neer.

De oude vrouw werd vervolgens in den wagen geholpen en naast haar geplaatst; George en Jim zetten zich op de harde bank in het midden en Phineas klom voorop.

"Vaartwel, mijne vrienden," riep Simeon van buiten.

"God zegene u!" was het antwoord van binnen.

En de wagen reed voort, ratelende en hotsende over den bevroren weg. Door het stooten en gedruisch dat de wielen maakten, was het niet mogelijk een gesprek te voeren. Men hotste dus uur op uur maar voort en voort, door lange donkere streken boschland, over uitgestrekte barre vlakten, tegen heuvelen op en in dalen af. Het kind viel spoedig in slaap en lag zwaar op den schoot zijner moeder. De arme vrouw vergat eindelijk haar angst, en zelfs Eliza bevond, toen het later in den nacht werd, dat al hare bekommeringen niet in staat waren om hare oogen het dichtvallen te beletten. Phineas scheen over het algemeen de levendigste van het gezelschap, en kortte zich den tijd van den langen tocht door het fluiten van zeer onkwakerachtige deuntjes.

Tegen drie uren ving George's gehoor het gekletter op van snelle hoefslagen die achter hen aankwamen, en stiet hij Phineas aan den elleboog. Phineas hield stil en luisterde.

"Dat moet Michael zijn," zeide hij, "ik meen het geluid van zijnen galop te kennen."

Hij stond op en keek oplettend den weg langs.

Nu kon men op den top van een heuvel een man te paard onderscheiden, die haastig aankwam.

"Daar is hij, geloof ik," zeide Phineas.

George en Jim sprongen beiden van den wagen, eer zij recht wisten wat zij deden. Allen tuurden doodstil naar den verwachten bode. Hij naderde. Nu daalde hij in eene vallei af, waar zij hem niet zien konden; maar zij hoorden toch de snelle hoefslagen al dichter en dichter bij komen; eindelijk zagen zij hem op den top eener hoogte, binnen beroep.

"Ja, dat is Michael," zeide Phineas, en zijne stem hoog verheffende, riep hij: "Holla daar, Michael!"

"Phineas, zijt gij dat?"

"Ja! Wat nieuws? Komen zij?"

"Vlak achter mij. Met hun achten of tienen. Dol van brandewijn, vloekende en schuimbekkende als wolven."

En terwijl hij dit zeide, voerde de wind den flauwen klank van galoppeerende ruiters aan.

"Stapt weer op, jongens," zeide Phineas. "Als gij vechten moet, wacht dan tot gij een eind verder zijt."

Beiden sprongen weder in den wagen, en Phineas bracht de paarden door zweepslagen in een ren, terwijl de ruiter naast hen bleef. Hotsend en stootend vloog de wagen bijna over den bevroren grond; maar al duidelijker en duidelijker werd het geluid der achteraankomende ruiters. De vrouwen hoorden dit ook, en uitkijkende zagen zij, ver achterwaarts, op den kam van een heuvel, een troep mannen tegen het roode schijnsel van den dageraad afstekende. Nog een heuvel, en de vervolgers hadden blijkbaar den wagen in het oog gekregen, daar de witte kap dezen in de verte deed onderscheiden, en een woeste zegekreet werd door den wind overgevoerd. Met een gevoel alsof ze flauw zou vallen, drukte Eliza haar kind vaster aan hare borst; de oude vrouw kermde en bad; George en Jim grepen met de kracht der wanhoop hunne pistolen. De vervolgers wonnen nu snel. De weg nam een draai en bracht den wagen vlak bij eenige steile rotsen die bijna loodrecht oprezen, op eene plek die in het rond geheel effen was. Deze groep of keten van rotsen, die zwart tegen de reeds helder wordende lucht afstak, scheen eene schuilplaats, waar men zich veiligheid kon beloven. Zij waren Phineas wel bekend, daar hij, in vroeger tijd op de jacht zijnde, dikwijls in deze streek was geweest, en het was om deze plek te bereiken, dat hij de paarden zoo had voortgejaagd.

"Nu komt het er op aan," zeide hij, zijne paarden eensklaps inhoudende; en terstond op den grond springende, vervolgde hij: "Dadelijk er uit, allemaal, en met mij de rotsen op. Michael, bind uw paard aan den wagen en rijd door naar Amariah, en laat hij met zijne jongens terugkomen, om met die kerels te spreken."

In een oogenblik waren allen uit den wagen.

"Komt," zeide Phineas, Harry opnemende, "neemt ieder een van de vrouwen, en loopt dan zooals gij nog nooit in uw leven geloopen hebt."

Zij hadden geene aansporing noodig. Sneller dan wij het zeggen kunnen, waren allen over het staketsel langs den weg en haastten zij zich naar de rotsen, terwijl Michael van zijn paard sprong, het aan den wagen vastbond, voorop klom en zoo hard hij kon voortreed.

"Komt verder," zeide Phineas, toen zij de rotsen bereikten, en in het flauwe licht van den dageraad de sporen van een ruw maar duidelijk aangewezen voetpad zagen. "Dat is een van onze oude jagersholen. Komt op!"

Phineas ging vooruit en sprong als eene geit de rotsen op, met het kind in zijne armen. Jim, die zijne oude moeder over zijnen schouder droeg, was de tweede; George en Eliza kwamen achteraan. De ruiters kwamen ingelijks aan het staketsel, en stegen schreeuwende en vloekende af om hen te volgen. Eene korte poos klauterens bracht de vluchtelingen op den top der eerste steilte; vervolgens liep het pad door eene enge kloof, waardoor zij slechts een voor een konden heengaan, tot zij plotseling gestuit werden door eene diepe kloof van meer dan eene el breedte en over de dertig voet diepte, met wanden zoo steil en effen als een muur. Phineas sprong vlug over de spleet heen, en zette het kind op het witte veerkrachtige mos neer, dat den effen top der rots bedekte.

"Komt er over!" riep hij. "Doet nu eens een sprong voor uw leven!"

Weldra waren allen aan den overkant.

Een aantal losse steenen lag daar, zoodanig opgestapeld, dat zij eene soort van borstwering vormden, zoodat men, daarachter zijnde, niet van beneden kon gezien worden.

"Zoo, daar zijn wij allen," zeide Phineas, over de borstwering kijkende naar de vervolgers, die gedeeltelijk de rots opklauterden, gedeeltelijk beneden bleven staan. "Laten zij ons maar krijgen als zij kunnen. Die hier komen, moeten een voor een tusschen de rotsen door, onder bereik van uwe pistolen; ziet ge wel, jongens?"

"Ik zie het," antwoordde George; "en daar de zaak ons alleen aangaat, zoo laat ons het gevaar op ons nemen en alleen vechten."

"Ik gun u het vechten wel alleen, George," zeide Phineas, eenige bessenbladeren kauwende, onder het spreken, "maar ik zal toch wel de aardigheid mogen hebben van toe te kijken, zou ik denken. Maar zie, die kerels staan daar beneden te overleggen, en kijken naar omhoog, gelijk kippen als zij naar hare slaapplaats opvliegen. Zou het niet beter zijn een woordje van goeden raad te geven eer zij komen, om hun eerlijk te waarschuwen dat er op hen geschoten zal worden, als zij dat doen?"

De troep beneden, thans in het licht van den aanbrekenden dag duidelijk zichtbaar, bestond uit onze oude bekenden, Tom Loker en Marks met twee constabels, en eenige kerels die zich in de laatste herberg door wat brandewijn hadden laten bewegen om vermaakshalve mede op de jacht te gaan.

"Wel, Tom, het wild is in de val," zeide een van hen.

"Ja, ik zag ze recht hierop gaan," antwoordde Tom, "en daar is een pad. Ik ben er voor om terstond op hen af te gaan. Zij kunnen toch niet in eens naar beneden springen, en het zal niet lang duren of wij vinden ze."

"Maar Tom, zij kunnen wel achter de rotsen op ons vuren," zeide Marks, "en dat zou leelijk zijn."

"Ba!" zeide Tom smalend. "Gij wilt altijd uw huid sparen, Marks. Maar geen gevaar! Negers zijn veel te laf."

"Ik weet niet waarom ik mijne huid niet zou sparen," antwoordde Marks. "Het is het beste wat ik heb, en negers vechten somtijds als duivels."

Op dit oogenblik verscheen George op den top der rots boven hen en zeide met eene heldere en vaste stem:

"Heeren, wie zijt gij daar beneden en wat zoekt gij hier?"

"Wij zoeken een troep weggeloopen negers," antwoordde Tom Loker. "Zekeren George Harris en Eliza Harris en hun zoon, en Jim Selden en eene oude vrouw. Wij hebben de officieren hier en eene volmacht om hen te vatten; en wij zullen hen krijgen ook. Hoort gij wel? Zijt gij George Harris niet, die aan Mr. Harris van Kentucky behoort?"

"Ik ben George Harris. Zekere Mr. Harris van Kentucky noemde mij eens zijn eigendom. Maar nu ben ik een vrij man en sta op Gods vrijen grond, en mijne vrouw en mijn kind behooren mij toe. Jim en zijne moeder zijn hier. Wij hebben wapenen om ons te verdedigen en dat zullen wij ook doen. Gij kunt naar boven komen als gij wilt; maar de eerste van u, die binnen bereik van onze kogels komt, is een lijk, en de volgende ook, en zoo voort tot den laatsten toe."

"Och, kom, kom!" zeide een kort, zwaarlijvig manneke, naar voren komende, en terwijl hij dit deed zijn neus snuitende: "Jonkman, dat is eene taal die u geheel niet past. Gij ziet, wij zijn officieren van justitie. Wij hebben de wet op onze zijde, en de macht en zoo voort. Gij zult dus best doen met u vreedzaam over te geven, ziet ge, want gij moet het toch eindelijk zeker opgeven."

"Ik weet zeer wel, dat gij de wetten de macht op uwe zijde hebt," antwoordde George met bitterheid. "Gij meent mijne vrouw te Nieuw-Orleans te gaan verkoopen, en mijn kind als een kalf in het hok van een handelaar op te sluiten, en Jims oude moeder weer naar dien beestachtigen kerel te brengen, die haar te voren mishandeld heeft omdat hij haar zoon niet mishandelen kon. Gij wilt Jim en mij terugbrengen, om gemarteld en getrapt te worden onder de voeten van hen die zich onze meesters noemen, en uwe wetten zullen dat goedkeuren—des te meer schande voor u en uwe wetten. Maar gij hebt ons nog niet. We erkennen uwe wetten niet, wij erkennen uw land niet, wij staan hier onder Gods hemel als vrije lieden, gelijk gij zijt; en bij den grooten God die ons geschapen heeft, wij zullen voor onze vrijheid vechten tot wij sterven."

George stond in het volle gezicht zijner vijanden boven op de rots, toen hij deze verklaring van onafhankelijkheid aflegde; de gloed van den dageraad leende een blos aan zijne gebruinde wangen, en verontwaardiging en wanhoop gaven vuur aan zijne donkere oogen; en alsof hij zich van de menschen op de rechtvaardigheid Gods beriep, hief hij onder het spreken zijne hand ten hemel op.

Als hij nu maar een jeugdig Hongaar geweest was, die in eene bergvesting den aftocht der vluchtelingen beveiligde, welke uit hun vaderland in Amerika eene wijkplaats wilden zoeken, dan zou dit eene verhevene heldhaftigheid zijn geweest; maar nu hij een jonkman van Afrikaansche afkomst was, die vluchtelingen uit Amerika naar Canada verdedigde, zijn wij natuurlijk te wel onderwezen en te patriotsch, om daarin eene heldhaftigheid te zien; en indien iemand van onze lezers dit doet, moet hij het op zijne eigene verantwoordelijkheid doen. Indien wanhopige Hongaarsche vluchtelingen, tegen het gezag, ondanks de nasporingen hunner wettige regeering naar Amerika ontsnappen, weergalmen de drukpers en het politieke kabinet van toejuichingen en welkomstgroeten. Indien wanhopige Afrikaansche vluchtelingen hetzelfde doen—dan is het—wat is het dan?

Dat zij gelijk het wil, zeker is het dat de houding, de oogen en de stem van den spreker den troep beneden voor een oogenblik tot stilte brachten. Vastberadene stoutmoedigheid heeft iets dat zelfs het ruwste gemoed voor eene poos ontzag inboezemt. Marks was de eenige die geheel ongetroffen bleef. Hij spande bedaard den haan van zijn pistool, en in het oogenblik van stilte, dat op de toespraak van George volgde, gaf hij vuur op hem.

"Gij begrijpt wel, gij krijgt dood of levend evenveel voor hem inKentucky," zeide hij koeltjes, en veegde zijn pistool op zijne mouw af.

George sprong achteruit—Eliza gaf een gil—de kogel was bijna door zijne haren en dicht langs de wang zijner vrouw gegaan.

"Het is niets, Eliza," zeide George snel.

"Gij moest liever uit het gezicht blijven, als gij aanspraken houdt," zeide Phineas. "Zij zijn gemeene schurken."

"Zie nu of uwe pistolen in orde zijn, Jim," zeide George, "en pas met mij op de engte. Op den eerste die zich vertoont geef ik vuur; gij neemt den tweede en zoo verder. Het zou niet gaan, weet ge, twee schoten kruit aan één te verspillen."

"Maar als gij niet raakt?"

"Ik zal raken," antwoordde George koelbloedig.

"Goed zoo! Dat is een jongen die hart heeft," prevelde Phineas binnensmonds.

De troep beneden bleef, toen Marks gevuurd had, voor eene poos eenigszins besluiteloos staan.

"Ik ben er voor om recht op hen af te gaan," zeide Tom. "Ik ben nooit bang voor negers geweest, en dat wil ik nu ook niet worden. Wie volgt mij?" riep hij en sprong tegen de rots op.

George hoorde deze woorden duidelijk. Hij haalde een pistool te voorschijn, bezichtigde die nog eens en richtte haar naar dat punt der engte, waar de eerste man zich vertoonen moest.

Een der dapperste van den troep volgde Tom en toen aldus het voorbeeld gegeven was, begonnen allen tegen de rotsen op te klauteren, terwijl de achtersten de voorsten sneller voortduwden, dan zij uit zich zelven wel zouden gestapt hebben. Zoo kwamen zij aan, en een oogenblik later vertoonde zich de breede gestalte van Tom bijna aan den rand der kloof.

George gaf vuur—de kogel trof Tom in de zijde, doch hoewel gekwetst, wilde hij niet terugdeinzen, maar met een brullenden kreet als van een razenden stier deed hij een sprong, die hem over de kloof onder de vluchtelingen zou gebracht hebben.

"Vriend," zeide Phineas, eensklaps vooruitkomende en hem met zijne lange armen een duw gevende, "gij zijt hier niet noodig."

Tom stortte in de kloof en tuimelde tusschen de krakende takken van boomen en struiken door, tot hij, dertig voet diep, op de afgebrokkelde steenen bleef liggen. Deze val zou hem het leven hebben gekost als hij niet daardoor gebroken was, dat zijne kleeren aan de takken van een grooten boom bleven haken; hij kwam echter nog met tamelijk veel kracht neer—met meer kracht dan hem eenigszins aangenaam was.

"Heere help ons! Zij zijn baarlijke duivels!" zeide Marks en stoof vooruit de rots weder af, veel gewilliger dan hij mede was opgeklommen. Al de anderen volgden hem met even grooten spoed, die den dikken constabel inzonderheid deed blazen en hijgen.

"Hoort eens, jongens," zeide Marks. "Ge moest omloopen en Tom opnemen, terwijl ik naar mijn paard ga en terugrijd om hulp te halen."

En zonder zich aan de smaadwoorden en het uitjouwen zijner makkers te storen, deed Marks wat hij gezegd had en reed weldra in galop heen.

"Heb ik ooit zulk een laffen schobbejak gezien?" zeide een van den troep. "Wij komen hier voor zijne zaken, en hij loopt weg en laat ons hier in den steek."

"Nu, wij moeten zijn kameraad toch gaan opzoeken," zeide een ander; "maar ik mag verd..d zijn, als het mij veel schelen kan of hij levend of dood is."

Op het geluid afgaande, klauterden en kropen zij door struiken, stronken en steenen heen, tot zij aan de plek kwamen waar onze held beurtelings lag te vloeken en te kermen.

"Gij laat u tamelijk hard hooren, Tom," zeide er een. "Zijt ge erg bezeerd?"

"Dat weet ik niet. Neemt mij maar op als gij kunt. De duivel haal dien helschen kwaker. Was hij er niet geweest, dan zou ik een van den troep hier naar hebben gesmeten, om te zien hoe dat hun aanstond."

Met veel moeite en gekerm werd de gevallen held opgeholpen, en hem onder de armen vasthoudende, brachten zij hem tot bij de paarden.

"Als ge mij maar naar die herberg terug kunt brengen. Geeft mij een zakdoek of zoo iets om hier in te stoppen en dat duivelsch bloeden te stuiten."

George keek over de rotsen heen en zag hen beproeven om den loggen Tom op een paard te tillen. Na een paar vruchtelooze pogingen zwaaide hij duizelend om en viel met een slag op den grond.

"O, ik hoop maar dat hij niet dood is," zeide Eliza, die nu met al de anderen stond toe te zien.

"Waarom?" zeide Phineas. "Het zou niet meer dan zijn loon zijn."

"Omdat na den dood het oordeel komt," antwoordde Eliza.

"Ja," zeide de oude vrouw, die onder al het voorgevallene op hare methodisten-manier had zitten kermen en bidden, "dat zou ontzaglijk wezen voor de ziel van dat arme schepsel."

"Op mijn woord, zij laten hem liggen, geloof ik," zeide Phineas.

Dit was de waarheid, want na eenig beraad stegen al de anderen te paard en reden heen. Toen zij uit het gezicht waren, achtte Phineas het raadzaam ook niet langer te toeven.

"Wij moeten afklimmen en een eind te voet gaan," zeide hij. "Ik heb Michael gezegd dat hij moest doorrijden en hulp halen en hij zal spoedig met den wagen terug zijn, maar wij zullen hem een eind wegs te gemoet dienen te gaan. De Heere geve dat hij spoedig kome! Het is nog vroeg op den dag, en er zullen nog niet veel voetgangers op den weg zijn. Wij zijn niet veel verder dan een paar mijlen van onze rustplaats af. Als de weg verleden nacht niet zoo heel slecht was geweest, zouden wij hun geheel zijn ontkomen."

Toen de vluchtelingen het hek langs den weg naderden, zagen zij in de verte hun eigen wagen weder aankomen, door eenige mannen te paard vergezeld.

"Zoo, daar is Michael en Stephen en Amariah," riep Phineas met blijdschap uit. "Nu zijn we behouden—zoo goed alsof wij daar al waren."

"Maar blijf dan nog even," zeide Eliza, "en doet iets voor dien armen man. Hij kermt zoo akelig."

"Het zou niet meer dan christelijk wezen," zeide George. "Laten wij hem maar optillen en medenemen"

"En hem onder de kwakers genezen!" zeide Phineas. "Dat zou wel aardig zijn. Nu, ik heb er niets tegen. Maar laten wij eerst eens naar hem gaan kijken."

En Phineas, die in zijn jagersleven eenige ondervinding in de chirurgie had opgedaan, knielde bij den gekwetste neer en begon zorgvuldig zijn toestand te onderzoeken.

"Marks," zeide Tom met eene flauwe stem, "zijt gij dat Marks?"

"Neen, dat is niet te denken, vriend," antwoordde Phineas. "Hoeveel Marks van u houdt, hij houdt toch meer van zijne eigene huid. Hij is al lang voort."

"Ik geloof dat het met mij gedaan is," zeide Tom. "Die lafhartige rekel, om mij hier alleen te laten sterven! Mijne goede oude moeder heeft mij altijd gezegd dat het zoo gaan zou."

"Och Heere, hoor dat arme schepsel eens! Hij heeft nog eene moeder," zeide de oude negerin. "Ik kan het niet nalaten om medelijden met hem te hebben."

"Zachtjes, zachtjes; zoo kleinzeerig en driftig niet, vriend," zeide Phineas, toen Tom ineenkromp en zijn hand wegstiet. "Gij hebt geene kans meer, als ik het bloeden niet stuit." En Phineas improviseerde haastig een verband van zijn eigen zakdoek en van die, welke hij bij het gezelschap nog kon bekomen.

"Gij hebt mij daar afgestooten," zeide Tom met eene flauwe stem.

"Wel, als ik dat niet gedaan had, zoudt gij er ons hebben afgestooten," antwoordde Phineas, bukkende om het verband aan te leggen. "Kom, laat ik u helpen. Wij meenen het wel met u; wij willen u geen kwaad doen. Gij zult naar een huis gebracht worden, waar men u uitmuntend zal oppassen—zoogoed als uwe eigene moeder zou kunnen doen."

Tom kermde slechts en sloot zijn oogen. Bij menschen van zijne klasse zijn kracht en moed iets geheel lichamelijks, en vervliegen met het wegvloeien van hun bloed; de reusachtige kerel zag er in zijne hulpeloosheid inderdaad jammerlijk uit.

De andere troep kwam nu aan. Men nam de banken uit den wagen, legde de buffelhuiden, in vieren gevouwen, geheel langs eene zijde, en daarop tilden vier mannen met groote moeite den loggen Tom er in. Eer men hem neerlegde was hij geheel flauw. De oude negerin ging, in haren overvloed van medelijden, op den grond zitten, en nam zijn hoofd in haren schoot.

"Wat denkt gij van hem?" zeide George, die naast Phineas voorop zat.

"Wel, het is maar eene tamelijk diepe vleeschwonde; maar dat kneuzen en krabben bij zijnen val heeft hem geen goed gedaan. Hij heeft tamelijk sterk gebloed; hij is haast leeggeloopen, met courage en al; maar hij zal het wel te boven komen en er misschien iets door leeren."

"Ik ben blijde, dat ik dit van u hoor," zeide George, "het zou altijd eene drukkende gedachte voor mij geweest zijn, als ik zijn dood veroorzaakt had, zelfs in eene rechtvaardige zaak."

"Ja," zeide Phineas, "het dooden is een leelijk ding, hoe men het ook neemt—mensch of beest. Ik ben in mijnen tijd een groot jager geweest en ik zeg u, ik heb dikwijls gezien dat een reebok, die geschoten was en stierf, iemand zoo aankeek, dat hij haast een gevoel had alsof hij eene goddeloosheid had gedaan; en met menschelijke wezens is het nog ernstiger, omdat, zooals uwe vrouw gezegd heeft, voor hen na den dood het oordeel komt. Ik weet niet of de begrippen van ons volk over die dingen wel te nauw zijn; en als men bedenkt hoe ik ben groot geworden, heb ik ze tamelijk wel overgenomen."

"Wat zullen wij nu met dien armen kerel doen?" zeide George.

"O, hem naar Amariah brengen. Daar is oude grootmoeder Stephens—Dorcas noemen zij haar—zij kan verbazend goed oppassen. Dat is haar natuurlijk vak, en zij is nooit beter in haren schik dan wanneer zij een zieke heeft te verzorgen. Wij kunnen hem wel veertien dagen of zoo bij haar laten."

Na omtrent een uur rijdens kwam men aan eene nette boerenwoning, waar de vermoeide reizigers terstond op een goed ontbijt werden onthaald. Tom Loker werd spoedig met behoedzaamheid op een veel zindelijker en zachter bed gelegd, dan waarin hij ooit gewoon was geweest te slapen. Zijne wonde werd zorgvuldig gezuiverd en verbonden, en toen bleef hij stilliggen als een vermoeid kind, kwijnend zijne oogen sluitende en dan weder openende, om naar de witte gordijnen der kamer en de zacht voorbijglijdende gedaanten te turen. En hiermede nemen wij voor het tegenwoordige van dit gezelschap afscheid.

Onze vriend Tom vergeleek, in zijn eenvoudig gepeins, zijn eigen gelukkig lot in zijne dienstbaarheid met dat van Jozef in Egypte; en naarmate zijn karakter zich voor het oog van zijnen meester meer en meer ontwikkelde, werd die vergelijking al juister en juister.

St. Clare was traag en onverschillig voor geld. Tot nog toe was het inkoopen van allerlei benoodigdheden voornamelijk door Adolf bezorgd, die even onbedacht en spilziek was als zijn meester; en met hun beiden ging het verkwisten met vervaarlijke snelheid voort. Jarenlang gewoon zijns meesters eigendom als een aan hem toevertrouwd goed te beschouwen, zag Tom met eene onrust, die hij bijna niet smoren kon, de verkwisting in dit huishouden; en op de zachte, zijdelingsche manier, die menschen van zijnen stand dikwijls aannemen, gaf hij somtijds wenken en raad.

In het begin gebruikte St. Clare hem nu en dan; maar Weldra overtuigd van zijn gezond oordeel en zijne bedrevenheid in dit opzicht, vertrouwde hij hem al meer en meer, totdat eindelijk alle inkoopen op de markt en elders aan hem werden opgedragen.

"Neen, neen, Adolf," zeide hij eens, toen deze zich beklaagde over de vermindering van zijne macht, "laat Tom maar begaan. Gij weet alleen wat er noodig is—Tom weet wat het kost en waar het gekocht moet worden; en er zou welhaast een einde aan het geld komen, als wij niet iemand daarop lieten passen."

Zoo onbeperkt vertrouwd door een zorgeloozen meester, die hem eene banknoot gaf zonder er naar te zien, en het geld aannam zonder het te tellen, had Tom velerlei gelegenheden en verzoekingen tot oneerlijkheid, en niets dan zijne eenvoudige rechtschapenheid, door zijn christelijk geloof versterkt, kon hem daarvan terughouden. Voor hem was juist het onbeperkte vertrouwen, dat men in hem stelde, eene drangreden en heilige verplichting tot de striktste nauwgezetheid.

Met Adolf was het geheel anders geweest. Onnadenkend begeerig en niet gedwongen door vrees voor een meester, die het 't gemakkelijkst vond alles maar te laten loopen gelijk het wilde, was hij ten opzichte van dien meester tot zulk eene volkomen verwarring van hetmijnendijngeraakt, dat zelfs St. Clare somtijds onrustig daarover werd. Zijn eigen gezond verstand zeide hem dat het verkeerd en gevaarlijk was, zijne bedienden zoodanige gewoonten te laten aannemen. Hij gevoelde altijd zekere knaging daarover, hoewel deze niet sterk genoeg was om hem eene beslissende verandering in zijne handelwijs te doen maken; en juist deze knaging bewoog hem tot verdere toegeeflijkheid. Hij zag de zwaarste fouten licht over het hoofd, omdat hij zich zelven zeide dat zonder zijn toedoen zijne bedienden niet daartoe zouden vervallen zijn.

Tom beschouwde zijn vroolijken, luchthartigen, innemenden jongen meester met een zonderlinge mengeling van welgevallen, eerbied en vaderlijke bekommering. Dat hij nooit in den Bijbel las en nooit naar de kerk ging, dat hij spotte met alles waarmede hij verkoos zijn vernuft te laten spelen, dat hij zijne Zondagavonden in de opera sleet; dat hij meer dan hem wel dienstig was naar de clubs en avondgezelschappen ging, waar veel gedronken werd—waren dingen, welke Tom even duidelijk zien kon als iemand anders, en die hem tot de overtuiging brachten dat "meester geen christen was;" eene overtuiging evenwel, die hij zeer bezwaarlijk aan iemand anders zou bekend hebben, maar die hem in zijn slaapkamertje op zijne eenvoudige manier menig gebed deed uitstorten. Bij gelegenheid zeide hij ook wel eens zijne gedachten, met iets van dien tact die aan zijne klasse eigen is. Bij voorbeeld: daags na den vroeger beschreven Zondag was St. Clare op eene gezellige partij van vroolijke snaken genoodigd, en werd hij tusschen één en twee uur in den nacht tehuis gebracht in een toestand, welke weinig van smoordronken verschilde. Tom en Adolf hielpen hem in bed. De laatste was zeer vroolijk, hield de zaak blijkbaar voor een aardigheid en lachte hartelijk over de onnoozele ontzetting van Tom, die inderdaad eenvoudig genoeg was om het grootste gedeelte van den nacht te blijven wakker liggen en voor zijnen jongen meester te bidden.

"Wel, Tom, waar wacht gij naar?" zeide St. Clare den volgenden dag, toen hij in zijne kamerjapon in zijn bibliotheek zat, en Tom juist verschillende boodschappen en eenig geld had gegeven. "Is het niet alles in orde?" vervolgde hij, toen Tom nog staan bleef.

"Ik vrees van neen, meester," antwoordde Tom met een ernstig gezicht.

St. Clare legde zijne courant neder en zag Tom aan.

"Wel, Tom, wat scheelt er aan? Gij kijkt zoo plechtig als eene doodkist."

"Ik ben heel benauwd, meester. Ik heb altijd gedacht, dat meester voor alle menschen goed zou zijn."

"Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, wat woudt ge hebben? Gij wilt om iets vragen, denk ik, en dit is de inleiding."

"Meester is altijd goed voor mij geweest. Ik heb in dat opzicht niets te klagen. Maar er is iemand, voor wien meester niet goed is."

"Wel, Tom, hoe is u dat in het hoofd gekomen? Spreek op, wat meent gij?"

"Verleden nacht tusschen één en twee uur dacht ik zoo. Ik heb toen de zaak overlegd. Meester is niet goed voor zich zelven."

Toen Tom dit zeide, keerde hij zich om en tastte naar de kruk van de deur. St. Clare voelde zijn gezicht bloedrood worden, maar hij lachte toch.

"O, is dat alles?" zeide hij luchtig.

"Alles!" zeide Tom, zich eensklaps weder omkeerende en op de knieën vallende. "O, mijn lieve jonge meester, ik vrees dat dit het verlies van alles zal zijn—van alles—lichaam en ziel. Het goede boek zegt: Hij zal bijten als eene slang en steken als eene adder, lieve meester."

Zijne stem bleef steken en de tranen rolden over zijne wangen.

"Welnu, ik zal niet meer naar die verwenschte gezelschappen gaan, Tom," zeide St. Clare, "op mijn eer, ik zal niet. Ik weet niet waarom ik er al niet lang van weggebleven ben. Ik heb die ruwheid altijd veracht, en mij zelven ook omdat ik er aan mededeed. Veeg dus nu uwe oogen maar af, Tom, en ga uwe boodschappen doen. Neen," vervolgde hij, "geene zegenbeden! Ik ben zoo verbazend goed nog niet." En dit zeggende, duwde hij Tom zachtjes naar de deur. "Daar, Tom, ik verpand u mijne eer, dat ge mij nooit weder zoo zien zult."

Tom veegde zijne oogen af en ging zeer vergenoegd heen.

"En ik zal ook mijn woord aan hem houden," zeide St. Clare, de deur sluitende.

Hij deed dit werkelijk; want grof zinnelijk genot, van welken aard ook, was geene groote verzoeking voor hem.

Doch wie zal de menigvuldige verdrietelijkheden van onze vriendin Ophelia beschrijven, die in zulk een Zuidelijk huishouden de taak van huishoudster aanvaardde?

Tusschen de bedienden in Zuidelijke huisgezinnen bestaat zooveel verschil als maar mogelijk is, volgens het karakter en de bekwaamheid der meesteressen, die hen hebben opgebracht. In het Zuiden, zoowel als in het Noorden zijn vrouwen, die een buitengewonen aanleg hebben om heerschappij te voeren en een bijzondere tact van opvoeding bezitten. Dezulken zijn in staat om met schijnbaar gemak en zonder gestrengheid de leden van een talrijk gezin aan haren wil te onderwerpen en in geregelde orde te doen samenwerken, terwijl zij ieders eigenaardigheden zoodanig aanmoedigen, en wat den een ontbreekt zoodanig door hetgeen de ander in overmaat bezit weten te vergoeden, dat daardoor een goed geheel ontstaat.

Zulk eene huishoudster was Mevrouw Shelby, welke wij reeds beschreven hebben en onze lezers zich misschien nog herinneren. Indien zij in het Zuiden niet talrijk zijn, is het omdat zij dit op de geheele wereld niet zijn. Zij zijn daar evengoed te vinden als ergens elders, en zij vinden daar in den bijzonderen toestand der maatschappij eene schitterende gelegenheid om hare huiselijke talenten aan den dag te leggen.

Zulk eene huishoudster was Mevrouw St. Clare niet, evenmin als hare moeder vóór haar. Traag, kinderachtig, onnadenkend en zelve aan geenen regel gewend, was het niet te verwachten, dat de bedienden onder haar bestuur anders zouden zijn, en zij had Ophelia den staat van verwarring, waarin zij het huishouden zou vinden, naar waarheid beschreven, hoewel zij dien niet aan de rechte oorzaak had geweten.

Op den eersten morgen van haar regentschap stond Ophelia te vier uren op, en nadat zij hare eigene kamer had opgeredderd, gelijk zij, tot groote verbazing der kamermeid, sedert hare aankomst altijd gedaan had, ging zij een krachtigen aanval doen op de kasten en bergplaatsen, waarvan zij de sleutels had.

De provisiekamer, de linnenkasten, de porseleinkast, de keuken en de kelder moesten dien dag eene geduchte inspectie doorstaan. Verborgen dingen der duisternis werden voor het licht gebracht met zoo weinig verschooning, dat de gezagvoersters in de keuken en elders er van versteld stonden, en er niet weinig over "die Noordsche dame" werd gepraat en gemompeld.

De oude Dina, de opperkeukenmeid en de eerste in gezag in dat gedeelte van het huis, was niet weinig vergramd over de vermeende schennis harer privilegiën. Geen baron in den tijd der Magna Charta kon meer verbitterd zijn over de aanmatigingen der kroon.

Dina was op hare manier een origineel, en wij zouden hare nagedachtenis onrecht aandoen, als wij den lezer niet eenig denkbeeld van haar gaven. Zij was eene geboren keukenmeid, evenzeer als Tante Chloe, want het koken is een aangeboren talent van den Afrikaanschen stam; maar Chloe was eene geregelde wel-afgerichte keukenmeid, die hare zaken met orde en overleg verrichtte, terwijl Dina een ongeregeld genie en, gelijk genieën in het algemeen, ten uiterste eigenzinnig en onhandelbaar was.

Gelijk zekere klasse van nieuwe philosofen, verachtte Dina alles wat naar rede en regel geleek, en beriep zich steeds op eene ingeschapen kennis. Daarmede gewapend, was zij onaantastbaar; geen gezag, overreding of opheldering kon haar ooit doen gelooven, dat eenige andere manier beter kon zijn dan de hare, of dat de handelwijs, waaraan zij gewoon was, in het geringste kon gewijzigd worden. Dit was iets waaraan hare oude meesteres, de moeder van Marie, en deze zelve na haar huwelijk hadden toegegeven, daar dit veel gemakkelijker was dan het te bekampen, en zoo had Dina altijd haar eigen zin gedaan. Dit was haar des te eer gelukt, daar zij volmaakt meesteres was in die diplomatische kunst, welke de grootste onderdanigheid van manieren met de grootste hardnekkigheid wat de zaak zelve betreft weet te vereenigen.

Dina was meesteres in de geheele kunst van verontschuldigingen maken in al hare takken. Het was bij haar een stelregel dat eene keukenmeid geen kwaad kan doen; en in eene Zuidelijke keuken vindt de oppervoogdes altijd hoofden en schouders genoeg om alle zonden en zwakheden op te laden, zoodat zij hare onfeilbaarheid ongedeerd houdt. Als een of ander gedeelte van een diner mislukte, waren daarvoor altijd vijftig ontegenzeggelijk goede redenen; het was onloochenbaar de schuld van vijftig andere lieden; welke Dina met onbarmhartigen ijver bekeef.

Doch het was zelden dat er iets mislukt kon heeten van hetgeen door Dina naar de tafel werd gezonden. Schoon de manier waarop zij alles deed, bijzonder omslachtig en langdradig was, en tijd of plaats daarbij in geene aanmerking kwam—schoon hare keuken er doorgaans uitzag alsof alles daar gerangschikt was door een orkaan, die er doorheen had gewaaid, en zij voor elk stuk kookgereedschap omtrent zoovele plaatsen had als er dagen in het jaar waren, kwam toch, als men maar geduld had om haar tijd af te wachten, de maaltijd in volmaakte orde op de tafel, zoo keurig toebereid dat geen epicurist er iets op kon aanmerken.

Het was nu de tijd voor de allereerste toebereidselen voor den maaltijd. Dina, die lange tusschenpoozen van rust en nadenken noodig had, en bij alles zooveel mogelijk gemak zocht, zat op den vloer een kort stompje pijp te rooken, waarvan zij veel hield, en dat zij altijd bij wijze van wierookvat liet branden, als zij voor haren arbeid eenige inspiratie noodig had. Dit was hare manier om de huiselijke muzen aan te roepen.

Om haar heen zaten verscheidene leden van dat opkomende geslacht, dat in een Zuidelijk huishouden zoo talrijk is, bezig met erwten te doppen, aardappelen te schillen, vogels te plukken en andere voorloopige werkzaamheden, terwijl Dina telkens uit haar gepeins opkeek, om met een rolstok, die naast haar lag, een harer jonge helpsters een stomp of een tik op het hoofd te geven. Dina beheerschte inderdaad de jonge leden van het dienstbare gezin als met eene ijzeren roede. Dit was de geest van het stelsel waaronder zij zelve was opgegroeid, en dat zij ook ten volle had aangenomen.

Nadat Ophelia haar hervormingstocht door andere gewesten van haar gebied had volbracht, kwam zij ook in de keuken. Dina had van verschillende kanten gehoord wat er gaande was; en bij zich zelve besloten eene geheel conservatieve en defensieve houding te bewaren, geene nieuwigheden aan te nemen of te laten invoeren, maar toch tot geene werkelijke en zichtbare tegenkanting te komen.

De keuken was een ruim vertrek met een vloer van gebakken tegels, en een grooten ouderwetschen schoorsteen, die aan ééne zijde den geheelen muur besloeg; eene inrichting, welke St.-Clare vruchteloos gepoogd had door eene nieuwerwetsche kookkachel te doen vervangen. Hij had het onmogelijk bevonden Dina zoover te brengen. Hoe meer kastjes en laden er waren, des te meer schuilhoeken kon Dina vinden, om oude doeken, kammen, schoenen, linten, weggeworpen kunstbloemen en andere fraaiïgheden weg te stoppen, waarvoor zij een bijzonderen smaak had.

Toen Ophelia de keuken binnentrad, stond Dina niet op, maar bleef met statige kalmte zitten rooken, nu en dan in de schuinte naar haar kijkende, maar schijnbaar op niets anders lettende dan op het werk om haar heen.

Ophelia begon hare inspectie met een kastje met laden.

"Waar zijn die laden voor, Dina?" zeide zij.

"Die zijn handig voor bijna alle dingen, Juffrouw," was het antwoord.

Zoo bleek het ook te zijn. Uit eene lade haalde Ophelia vooreerst een fijn damasten tafellaken met bloed bevlekt en blijkbaar gediend hebbende om rauw vleesch in te wikkelen.

"Wat is dat, Dina? Gij zult toch de beste tafellakens van uwe meesteres niet om het vleesch heenslaan?"

"O, wel neen, Juffrouw. De handdoeken waren eens allemaal weg—en toen deed ik het maar. Ik heb het daar gelegd, om het te laten wasschen—daarom ligt het daar maar."

"Hoe roekeloos!" zeide Ophelia bij zich zelve, haalde de laden verder uit en vond een muskaatrasp met muskaatnoten, een methodistisch gezangboek, een paar vuile bonte zakdoeken, eenig breiwerk en wat garen, een papiertje met tabak en een kort pijpje, eenige zwermen, een paar porseleinen schoteltjes met pommade, een paar oude schoenen, een stuk flanel, zorgvuldig dichtgespeld en daarin eenige witte uien, verscheidene damasten servetten, eenige grove handdoeken, wat bindgaren en eenige stopnaalden, en verscheidene papiertjes met gaten, waaruit specerijen door de geheele lade waren gestrooid.

"Waar bewaart gij uwe muskaatnoten, Dina?" zeide Ophelia, met een gezicht, alsof zij bij zich zelve om geduld bad.

"Bijna overal, Juffrouw. Er zijn er wat in dien gebarsten trekpot daar boven op, en er zijn er nog wat in die kast daar."

"Er zijn er ook hier in de rasp," zeide Ophelia.

"Och ja, ik heb ze daar van morgen ingedaan. Ik heb mijne dingen gaarne bijdehand," zeide Dina. "Gij, Jake, waarom werkt gij niet voort? Ik zal u raken. Pas op!" vervolgde zij, en deed een stomp met den stok naar de schuldige.

"Wat is dat?" zeide Ophelia, een der schoteltjes met pommade ophoudende.

"Och, dat is vet voor mijn haar. Ik heb het daar gezet om het bijdehand te hebben."

"En gebruikt gij de beste schoteltjes van uwe meesteres daarvoor?"

"Och, dat was maar, omdat ik eens haast had; ik zou ze vandaag verwisseld hebben."

"Hier zijn twee damasten servetten."

"Die heb ik daar gelegd om ze te laten wasschen."

"Hebt gij dan geene vaste plaats voor het goed dat gewasschen moet worden?"

"Ja, meester heeft die kist daarvoor gegeven, zegt hij, maar ik kneed mijne beschuit wel eens daarop en zet er goed op, en dan is het zoo'n omslag om het deksel op te lichten."

"Waarom kneedt gij de beschuit niet daar op de tafel?"

"Och, Juffrouw, die staat altijd zoo vol schotels en allerlei dingen, dat er nooit plaats op is."

"Maar gij moest uwe schotels wasschen en wegzetten."

"Mijne schotels wasschen?" zeide Dina op hoogen toon, daar thans hare gramschap sterker werd dan haar ontzag. "Wat de dames van het werk weten, dat zou ik wel eens willen weten. Wanneer zou meester ooit zijn eten krijgen, als ik mijn tijd moest verslijten met schotels wasschen en wegzetten? Miss Marie," zoo noemde zij hare meesteres nog, gelijk zij gewoon was haar vóór haar huwelijk te noemen, "heeft mij nooit iets daarvan gezegd."

"Zoo! En hier zijn die uien."

"Och, ja," zeide Dina. "Daar heb ik ze geborgen. Ik kon het mij niet bezinnen. De uien had ik juist voor dezen ragout bewaard. Ik had vergeten dat ze in dien ouden lap waren."

Nu nam Ophelia de papiertjes met specerijen op.

"Ik wou dat de juffrouw daar niet aan wilde komen," zeide Dina tamelijk stout. "Ik houd mijne dingen gaarne waar ik weet waar ik ze vinden kan."

"Maar ge hebt toch geene gaten in de papieren noodig."

"Dat is handig om uit te strooien," zeide Dina.

"Maar gij ziet wel, dat het door de geheele lade morst."

"Nu ja, als de juffrouw alles zoo overhoop wil halen, dan doet het dat. De juffrouw heeft al een heelen boel gemorst," zeide Dina, onrustig naar de lade komende. "Als de juffrouw maar naar boven wil gaan tot de opruimtijd komt, dan zal ik alles in orde hebben; maar ik kan niets doen, als er dames om mij heen zijn en mij hinderen. Gij, Sam, geef dat kind den suikerpot niet. Ik zal je een tik geven, als ge niet oppast."

"Ik zal de keuken rondgaan, Dina, en alles voor eens in orde brengen; en dan verwacht ik dat gij het zoo houden zult."

"Wel, Juffrouw Phelia, dat is geene manier voor dames om te doen. Ik heb nooit dames zoo iets zien doen, mijne oude meesteres en Miss Marie hebben het nooit gedaan en ik zie ook niet in dat het noodig is."

Dina bleef met verontwaardiging op een afstand, terwijl Ophelia schotels en borden sorteerde; een dozijn hier en daar verspreide suikerpotten in één pot ledigde; servetten, tafellakens en handdoeken bij elkander zocht om te laten wasschen, en eigenhandig alles schoonmaakte en wegzette met een spoed, waarover Dina geheel verbaasd stond.

"Nu, als dat de manier is waarop de Noordsche dames doen, dan zijn zij geene dames," zeide zij tot eenige harer satellieten, toen zij gerust was dat niemand anders het hooren zou. "Ik heb alles zoo goed in orde als iemand, als mijn opruimtijd komt; maar ik wil geene dames om mij heen hebben, die mij in den weg loopen en al mijne dingen zetten waar ik ze niet vinden kan."

Om Dina recht te doen moeten wij zeggen, dat zij op geregelde tijden vlagen van zindelijkheid en orde had, die zij hare "opruimtijden" noemde. Dan ging zij met grooten ijver aan het werk, haalde alle kasten en laden op den vloer en de tafels uit, en maakte de gewone verwarring nog zevenmaal erger; vervolgens stak zij haar pijpje aan, ging op haar gemak den boel aanzien en bedenken en overleggen hoe alles moest geschikt worden; liet hare helpsters alles boenen en schuren, hield alles eenige uren lang in de grootst mogelijke opschudding en verklaarde deze drukte aan allen, die naar de reden vroegen, door te zeggen dat zij "opruimde."—"Zij kon den boel niet zoo laten loopen als het ging, en zou dat jonge goed beter orde leeren houden," want Dina streelde zich met den waan, dat zij zelve de orde in eigen persoon was en het slechts aan "het jonge goed en anderen" was te wijten, dat in dit opzicht de keuken beneden de volmaaktheid bleef. Wanneer al het kopergoed blinkend was geschuurd en de tafels sneeuwwit waren geboend, en alles wat aanstootelijk kon zijn, in hoeken en gaten was gestopt, kleedde Dina zich netjes aan, met een schoon voorschoot en zwierigen bonten tulband, en zeide het stroopende jonge goed dat het uit de keuken moest blijven, want dat alles nu in orde moest gehouden worden. Deze tijdperken waren zelfs een ongemak voor het geheele huisgezin; want Dina kreeg dan zulk eene overdreven gehechtheid aan haar blinkend keukengereedschap, dat zij het tot niets hoegenaamd weder wilde laten gebruiken, ten minste totdat het vuur van den "opruimtijd" weder verflauwd was.

Ophelia had na weinige dagen alles in huis op een geregelden voet gebracht; maar in die opzichten, waarin het gevolg harer bemoeiïngen van de medewerking der bedienden afhing, geleek haar arbeid naar dien van Sisyphus of der Danaïden. Eens deed zij wanhopig haar beklag bij St.-Clare.

"Het is niet mogelijk," zeide zij, "iets wat naar orde en regel gelijkt in dit huishouden te brengen."

"Dat is het ook niet," antwoordde St.-Clare.

"Zulk een roekeloosheid, zulk een vermorsen van allerlei dingen, zulk een ongeregeldheid heb ik nog nooit gezien."

"Dat zult ge zeker wel niet."

"Gij zoudt dat niet zoo koel opnemen als gij eene huishoudster waart."

"Lieve Nicht, gij moogt wel voor eens en altijd hooren dat wij meesters in twee klassen zijn verdeeld: de onderdrukkers en de onderdrukten. Wij, die goedaardig zijn en een afkeer van gestrengheid hebben, moeten vrij wat onaangenaams voor lief nemen. Als wij tot ons gerief een troep domme, loszinnige, onbedreven dienaren willen houden, dan moeten wij ook de gevolgen daarvan dragen. Ik heb eenige zeldzame voorbeelden gezien van menschen, die door een bijzonder talent, zonder gestrengheid orde kunnen houden; maar ik behoor daar niet onder, en ik heb dus reeds lang geleden het besluit genomen om het maar te laten loopen gelijk het kan. Ik wil de arme duivels niet laten ranselen en dat weten zij; en daardoor hebben zij natuurlijk het heft in handen."

"Maar geen tijd, geene plaats, geen regel te hebben, alles maar zoo in de war te laten loopen…."

"Lieve Nicht, gij goede lieden, die bij de Noordpool woont, hecht eene buitensporige waarde aan den tijd. Wat op de wereld heeft de tijd te beduiden voor iemand, die er tweemaal zooveel van heeft als hij er iets mede weet uit te richten? Wat orde en regel betreft, als men niets anders te doen heeft dan op de sofa te luieren en wat te lezen, is het niet van groot belang of men een uur vroeger of later ontbijt en dineert. Nu bezorgt Dina toch een heerlijk diner—soep, ragout, gebraad, dessert, roomijs en alles—en dat schept zij uit een chaos daar in de keuken. Ik vind hare manier van doen inderdaad subliem. Maar, lieve hemel, als wij nu naar beneden gaan en haar onder den vuilen verwarden boel met haar stompje pijp op den grond zien zitten, moeten wij maar nooit meer eten. Absolveer u zelve daarvan, lieve Nicht. Het is erger dan een Roomsche penetentie en van even weinig nut. Gij zult maar uit uw humeur raken en Dina geheel in de war brengen. Laat haar maar haar eigen gang gaan."

"Maar, Augustine, gij weet niet hoe ik alles gevonden heb."

"Weet ik het niet? Weet ik niet dat de rolstok onder haar bed ligt, en het muskaatraspje bij hare tabak in haren zak zit—dat er vijf en zestig verschillende suikerpotten zijn in alle hoeken en gaten van het huis—dat zij de schotels den eenen dag met een servet wascht, en den anderen dag met een lap van een ouden rok? Maar het einde van alles is dat zij uitmuntende diners op tafel brengt en heerlijke koffie zet; en gij moet haar beoordeelen gelijk men veldoversten en staatslieden beoordeelt, naar den uitslag."

"Maar de verspilling—de onkosten!"

"Och ja. Sluit alles weg wat gij kunt wegsluiten. Geef bij kleine porties uit en vraag nooit naar overschotjes—dat is het beste."

"Maar er is iets dat mij onrustig maakt, Augustine. Ik kan niet nalaten te denken dat die bedienden niet eerlijk zijn. Zijt gij wel zeker dat men hen vertrouwen kan?"

Augustine lachte schaterend over het ernstige en benauwde gezicht, waarmede Ophelia deze vraag deed.

"O, Nicht, dat is al te koddig. Eerlijk!—alsof men zoo iets verwachten kon. Eerlijk!—Wel zeker zijn ze dat niet. Waarom zouden zij dat wezen? En wat op de wereld zou het hen maken?"

"Waarom leert gij hun dan niet beter?"

"Leeren! Kom, kom, gekheid. Hoe zou ik hun iets kunnen leeren, denkt gij? Daar ben ik wel de man naar. Wat Marie betreft, zij is zeker driftig genoeg om eene geheele plantage dood te slaan als men haar begaan liet; maar het bedriegen zou zij hun toch niet afwennen."

"Zijn er dan geene eerlijke?"

"Nu en dan wel eens een, wien de natuur zoo onhandelbaar, onnoozel, braaf en trouw heeft gemaakt, dat de slechtste voorbeelden hem niet bederven kunnen. Maar ziet ge, van de moederborst af leert het gekleurde kind dat hem geene andere dan slinksche wegen openstaan. Hij kan anders met zijne ouders, zijne meesters en zijne kleine meestertjes en meesteresjes, die tegelijk zijne speelkameraden zijn, volstrekt niet voort. List en bedrog worden hem tot noodzakelijke, onmisbare gewoonten. Het is niet billijk iets anders van hen te verwachten. Zij behooren er niet voor gestraft te worden. Wat eerlijkheid betreft, de slaaf wordt in zulk een afhankelijken, halfkinderlijken staat gehouden, dat men hem geen denkbeeld van het recht van eigendom kan geven, en niet kan doen voelen dat het goed van zijnen meester hem niet toebehoort, als hij het zich kan toeëigenen. Wat zoo iemand als dien Tom aangaat—hij is een zedelijk mirakel."

"En wat wordt er dan van hunne zielen?" zeide Ophelia.

"Dat is mijne zaak niet, zoover ik weet," antwoordde St.-Clare. "Ik heb alleen met de zaken van het tegenwoordige leven te doen; en om de waarheid te zeggen, men denkt vrij algemeen dat zij in deze wereld ten onzen voordeele aan den duivel zijn overgegeven, hoe het dan in de andere met hen mag afloopen."

"Maar dat is afschuwelijk," zeide Miss Ophelia. "Gij moest u schamen."


Back to IndexNext