Chapter 4

De kisten worden op het land opgeslagen.De kisten worden op het land opgeslagen.Den 29sten werd tot slot het geheele schip met zeildoek overtrokken; toen waren we volkomen klaar aan boord en konden wèl voorbereid den winter te gemoet zien.Den eersten October zag alles er wintersch uit. Het door den noordoostenwind tegen het schip gestuwde zeewater bevroor oogenblikkelijk en bekleedde deGjöamet een dicht pantser. De stuivende sneeuw woei ons in de oogen en verbond zich in het water tot een soort van brij, waar de halve haven mee bedekt was. Dat was het begin van de ijsvorming, en toen de wind verflauwde, hadden we draagkrachtig ijs.In den nacht was intusschen het schip naar den oever gedreven, want onze ankers hadden geen houvast genoeg gehad. Dat was niet erg, maar als het ijs in ernst vast werd, kon deGjöaom den springvloed niet op het bij eb blootliggend strand blijven, en zoodra dan ook den volgenden dag de wind bedaarde, trokken we het schip naar buiten en verankerden het op vijftig meter afstands van het strand. Verder van de dierbare proviandtent wilden we niet graag zijn.Den 3den October hadden we een bruikbaren weg over het ijs naar het land.Wij zagen dat najaar kudde na kudde van rendieren en konden zooveel bemachtigen als we wilden. Het ijs vroor denkelijk dat jaar anders dicht dan anders, en toen de dieren bij hun gewone overgangsplaats van King Williamsland naar het vasteland open water vonden, trokken ze de kust langs, om een nieuwe plek voor den overtocht te zoeken.Er lag nu een dik sneeuwdek, en daar het land eentonig is en zonder verheffingen van beteekenis, was het dikwijls moeilijk, de goede richting te houden. Eens waren we in twee partijen erop uit geweest, om vleesch binnen te rijden, de luitenant en ik, Ristvedt en Wiik. Het was al volkomen donker, toen luitenant Hansen en ik weer aan boord terugkeerden. Maar de anderen waren nog niet gekomen; ze kwamen eerst een paar uur later. Zij waren al mooi op weg geweest, de Noordwestelijke Doorvaart op eigen gelegenheid en per hondenslede te vinden, want in de duisternis waren ze, zonder het te merken, de haven voorbijgegaan en toen in westelijke richting verder gegaan. Toen ze ten laatste bespeurden, dat ze verdwaald waren, lieten ze de sleden achter en gingen langs het strand naar huis.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.In dezen tijd kregen ook de honden, die tot nu toe onder den vrijen hemel hadden gekampeerd, hun hondenhuis. Het werd ingewerkt in een geweldigen sneeuwhoop. Een van onze booten werd er als dak overheen gelegd, en daar stond het mooiste hondehok, dat men zich kan voorstellen. Het heele gebouw werd met sneeuwwater overgoten en vormde daardoor een vast geheel. Het was in twee deelen verdeeld; in de eene helft woonde het oude tweetal van de Fram en in de andere de Godhavntroep.Tegelijk werd voor een belangrijke aangelegenheid gezorgd. In het ijs aan stuurboordzijde werd een gat gehouwen en een sneeuwhuis werd er overheen gebouwd. Het gat werd den heelen winter door opengehouden, opdat men in geval van brand water bij de hand zou hebben. De inrichting werd het brandstation genoemd, en Lund werd tot chef ervan gekozen. Maar brandweerhoofdman van deGjöate zijn, was geen zeer benijdenswaardige positie. Elken morgen moest hij naar buiten, om voor het openhouden van het gat te zorgen. Als het ijs een dikte van bijna vier meter had bereikt, als in onzen eersten winter, is dat geen lichte taak.De nieuwe sneeuw was thans zoo stevig samengebakken, dat ze een uitstekend bouwmateriaal opleverde. Ik ging daarom met Lund en Hansen het gebouw oprichten, waarin we in den loop van den winter de absolute magnetische waarnemingen konden doen. Er werd een van het andere 75 meter verwijderd gebouwtje gezet in de richting van den magnetischen meridiaan. Wij haalden het bouwmateriaal uit een dichtbij zijnd hol wegje, waar de sneeuw in groote hoeveelheid hard was saamgebakken. Het huis zou acht meter lang, twee meter breed en een meter tachtig hoog worden. De blokken werden met de zaag uit de sneeuw gezaagd.Hoe dicht de sneeuw was, blijkt wel daaruit, dat de blokken gemiddeld honderd kilogram wogen. Toen we de laatste rij er boven op legden, hadden we drie man noodig, om ze op hun plaats te tillen. Voor het dak werd dunne, doorzichtige stof aaneengenaaid en erover getrokken. Op die manier kregen we een uitstekend huis voor de absolute magnetische waarnemingen.Onze smidse te Port-Gjöa.Onze smidse te Port-Gjöa.Daar de koude nu kwam opzetten en al meer voelbaar werd, moesten we ook aan onze persoonlijke winteruitrusting denken. Door onze gelukkige rendierjachten hadden wij een menigte prachtige vellen gewonnen. Hoe men die looien en tot onderkleeding verwerken kon, daarover braken de luitenant en ik ons telkens weer het hoofd. Bovenkleeren van rendiervel hadden we van huis meegebracht; daarover behoefden we ons geen zorg te maken, maar als we zachte, fijne onderkleeren hadden kunnen krijgen, zou dat heerlijk zijn geweest. Wij kozen nu alle huiden der jonge kalvers uit, sleepten ze in de kajuit en begonnen met ons werk. Geen van ons had een flauw vermoeden, hoe wij het aanleggen moesten. Wij wisten wel, dat men de vellen moest uitspreiden, om ze te drogen, maar of dat bij een zwak of een sterk vuur moest gebeuren, daar wisten we niets van. De luitenant keek naar mij en ik naar hem, en wij kwamen tot het besluit, dat hetgoed zou wezen, de vellen onder de zoldering uit te spannen. Zooveel vellen als er maar met mogelijkheid plaats konden vinden, werden uitgespannen, en weldra leek de kajuit op een mengeling van een slagerij en een looierij. Dagelijks bevoelden we de huiden, en als wij ze voor droog genoeg hielden, namen we ze af en begonnen het werk. Wat gaven we ons een moeite! Wij zouden graag resultaten bereiken, en hoe ver we het hadden kunnen brengen, is niet te zeggen. Bij gebrek aan iets beters zouden we wel stof voor onderkleeren klaar gekregen hebben, al was het dan niet eerste qualiteit. Maar als de nood op het hoogst is enz. De hulp kwam nog vóór we eraan dachten.Den 17den October hadden Ristvedt en Wiik hun huis voltooid. Het werd dadelijk gedoopt en ontving den naam Magneet. Het muntte niet zoozeer uit door zijn aanzien, als wel door zijn ligging, want het stond boven op den top van een ongeveer dertig meter hoogen heuvel en had een prachtig uitzicht over de geheele Simpsonstraat. Nu kon er niets gebeuren, of het werd dadelijk van uit de “Magneet” ontdekt. Mocht er visite bij ons komen, ieder moest eerst daar voorbij. Indien een beer op het ijs van de baai mocht verdwalen, dadelijk zou hij van daar uit worden waargenomen. In het kort de bewoners van het huis de Magneet beheerschten den omtrek.Het huis was evenals het vorige van kisten gebouwd, die met zand werden gevuld. Het was wel geen kasteel, maar daarover waren wij het allen eens dat zij tweeën er vrijwat beter woonden dan wij aan boord. Het huis had maar één kamer, die tegelijk slaap- en werkkamer was. In den eenen hoek stond een groot en breed, uit kistenplanken getimmerd bed. De beide bewoners hadden ontdekt, dat één bed minder plaats innam dan twee, en tevens vonden dat twee in één bed gemakkelijker warm te houden waren dan één alleen, en daarin moest men hun wel gelijk geven. Alles in aanmerking genomen, was het geheel zeer doelmatig ingericht. Onmiddellijk naast het bed stond een tafel met een bank aan elken kant. De andere helft van de kamer was zoo verdeeld, dat Ristvedt zijn werkbank aan de eene zijde en Wiik zijn werktafel tot vastlegging der magnetische krommingen aan de andere had. De grond was met planken van kisthout en met rendierenvellen belegd. Het huis had ook twee vensters, een met uitzicht op de zee en een, dat naar deGjöakeek.Voor zoo ver ik weet, werden hier voor het eerst in de poolstreken kisten als bouwmateriaal gebruikt. Als men iets heeft, waarmee men ze kan vullen, zou ik er de voorkeur aan willen geven boven elk ander materiaal, heeft men echter geen zand, dan is het er anders mee gesteld. Wiik en Ristvedt woonden ongeveer twee jaren in het huis, genaamd de Magneet, en ze hadden niet willen ruilen met ons aan boord derGjöa. Luitenant Hansen en ik woonden samen in de kajuit; maar het was zeer vochtig bij ons, en we moesten den geheelen winter door ’s avonds groote stukken ijs uit onze kooien slaan. Voorin het schip woonden Lund, Hansen en Lindström, en het was daar ook wel vochtig, maar toch niet zoo erg als bij ons in de achterkajuit. Den eersten winter hadden we het heele schip met sneeuw toegesloten en toen daalde de temperatuur in de voorkajuit niet beneden het vriespunt; maar in de achterkajuit hadden wij het steeds onder nul graden. In den tweeden winter liet ik het schip open liggen, in plaats van het met sneeuw te bedekken. Ofschoon deze winter veel zachter was dan de eerste, daalde de temperatuur in de voorkajuit bij nacht toch gauw onder nul. Toen ik hierop het vaartuig weer liet toedekken, trad na korten tijd de oude toestand weer in.Uranienborg, ons astronomisch observatorium, was het laatste bouwwerk in de reeks. Op een voormiddag kwamen wij allen bijeen, om den astronoom bij den bouw van een voor hem passend huis te helpen. Hij gaf de voorkeur aan den rondbogenstijl, en we bouwden goedsmoeds een Eskimohut. Het gebouw werd niet bijzonder prachtvol, maar het kwam toch tot stand.Eens op een morgen, toen we op den heuvel stonden, om ons ontbijt onder een vroolijk praatje te verteren, en daarbij als gewoonlijk ook een beetje op rendieren loerden, wees een van ons naar het Noorden en zei:“Daar zijn ze waarachtig al weer!”En dadelijk werden de toebereidselen tot de jacht gemaakt. Maar Hansen bleef kalm naast mij staan en scheen zijn ongewoon scherpe oogen buitengewoon in te spannen.“Nu, Hansen, heb je geen lust vandaag op de rendierenjacht te gaan?”“O jawel,” zei hij, “maar niet op die rendieren daarginds, want die loopen op twee beenen.”Na die verbluffende uitspraak liep ik naar mijn verrekijker en richtte dien op de vermeende kudde rendieren. En werkelijk daar in de verte stonden vijf menschen!Eskimo’s!Nu hadden wij al steeds wijd en breed over de Eskimo’s gepraat, maar we hadden het op allerlei gronden voor heel onwaarschijnlijk gehouden, dat we met hen zouden samentreffen. We hadden al eind October, en dachten dus, dat we er dit jaar niet op behoefden te rekenen en zoo waren ze ons geheel door het hoofd gegaan.En daar waren ze nu!Alles, wat wij over deze arctische barbaren wisten, drong thans plotseling tot ons door. Met de noord-amerikaansche Eskimo’s viel volstrekt niet te spotten, dat wisten we uit de oude reisbeschrijvingen uit deze streken. Uit “Roos en Klutschak” hadden we geleerd, dat het Eskimowoord “Teima” de beste groet was, waarmee men hun tegemoet treden kon. Het beduidde ongeveer een recht hartelijk: “Goeden dag!” En wij hadden ons het woord “Teima!” in alle mogelijke uitspraken ingeprent.Intusschen viel het ons niet in, ons vertrouwen op dat eene woord te laten rusten. Het was stellig noodig de aankomenden dadelijk als vijanden te beschouwen, en we ontwierpen ons krijgsplan. Ik zou met twee man den vijand tegemoet gaan, en Hansen en Lund gaven zich terstond als vrijwilligers aan. De karabijnen werden goed onderzocht en op het ijs vóór het schip hield ik een troepenschouw; zelfs demeest kritisch gestemde veldheer zou tevreden geweest zijn over houding en uitzien van mijn troepen. Ikzelf zette een zoo krijgshaftig mogelijk gezicht, richtte mij op en commandeerde: “Voorwaarts marsch!”Met mijn dapperen dicht achter mij trad ik naar voren en wierp daarbij een blik zijwaarts naar het dek, waar de luitenant en de kok naast elkaar stonden. Het scheen mij, alsof de monsterende blikken, waarmee ze ons aankeken, geen onverdeelde bewondering uitdrukten, niet eens den noodigen ernst!“Goed zoo,” dacht ik, “zich vroolijk maken over ons is niet moeilijk, als men aan boord veilig en wel is geborgen, terwijl wij ons in het onzekere wagen en mogelijk in het open veld den dood in het aangezicht moeten zien.”De Eskimo’s waren nog ongeveer vijfhonderd meter van ons verwijderd en bewogen zich van den heuvel naar beneden op ons schip af. Ik marcheerde hun zoo martiaal mogelijk te gemoet en achter mij hoorde ik den geregelden pas van mijn manschappen. Op een afstand van ongeveer twintig meter maakten de Eskimo’s halt. Verscheiden strategische mogelijkheden gingen mij door het hoofd; offensieve beweging, defensieve, wat zou het zijn? Maar ten slotte vond ik het toch maar het best, halt te commandeeren. Ik bestudeerde de tegenpartij. De vijanden schenen zeer opgewonden, ze lachten en gesticuleerden zonder bepaald krijgshaftige manieren. Maar plotseling stelden ze zich in positie en rukten voorwaarts.“Nu goed!” dacht ik, “beter met eere sterven, dan zich te redden door een laffe vlucht.” En “Voorwaarts marsch!” commandeerde ik.Wij rukten voorwaarts, volkomen erop voorbereid, den vijand in het volgende oogenblik den boog te zien spannen en op ons te zien aanleggen. Maar neen—hij heeft blijkbaar wat anders in den zin. Een krijgslist?Plotseling dook in mijn door de spanning van den verwachten strijd opgewonden brein het woord “Teima!” op. En “Teima!” brulde ik den vijand, zoo luid ik kon, tegen.De Eskimo’s stonden plotseling stil. Maar nu is onze opwinding te groot, nu moet er een beslissing vallen, en we snellen, tot den strijd gereed, voorwaarts. Daar klinkt de roep aan mijn oor: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”En dat klinkt zoo bekend en van Mc. Clintock herkomstig; het is de hoogste en innigste vriendschapsgroet van deze Eskimo’s. In een oogwenk werpen we de geweren weg en snellen naar onze vrienden:“Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”Wij schreeuwen allen door elkander, omhelzen elkaar, kloppen elkaâr op de schouders, en ik weet niet aan welken kant de vreugde het grootst is.Onze vrienden verrasten mij grootelijks door hun uitzien. Voor kort nog hadden wij de leelijke, platneuzige Eskimo’s der noordwestkust van Groenland verlaten en hier troffen we een volksstam, waarvan enkele mannen bepaald knap waren. Twee van hen geleken Indianen en waren als uit een Cooperschen roman geknipt. Forsch van gestalte en gespierd waren ze ook. Broederlijk vereend, gingen ze naar beneden naar het schip. Klik-klik! hoorde ik des luitenants photografietoestel—klik-klik! nog eens en nog eens. Naast hem stond Lindström met zijn breedsten lach, en ik kan niet zeggen, dat ik als veldheer plechtig genoeg gestemd was.Onze gasten namen de uitnoodiging, mee aan boord te komen, verheugd aan. Op het dek lagen wel honderd verslagen rendieren opgestapeld, en de Eskimo’s zetten groote oogen op over dien vleeschvoorraad, maar zeiden niets. Wij stonden nog bij elkaar te praten en lachen en schertsen, toen Lindström mij toefluisterde, of we hun maar iets zouden voorzetten. “Zeker,” antwoordde ik en verzocht hem, koffie te koken en wat hardbrood voor hen te halen. Wij namen de gasten mee in het scheepsruim, want in de kajuit wilden we ze liever niet hebben, daar we vreesden, dat er ongewenscht gezelschap bij hen zou wezen. De noordgroenlandsche Eskimo’s zijn ten minste om hun onzindelijkheid berucht.Koffie en brood schenen hun niet recht te smaken; ze lieten merken, dat ze wel graag wat te drinken wilden hebben, en toen we hun water lieten zien, begonnen hun gezichten te stralen. Ieder van hen dronk twee liter water.Toen zei ik: “Och, Lindström, geef die rendierbout eens, die daar ginds ligt.” En ik had gelijk; dat was wat anders dan hard brood! Nu zagen wij ook, dat ze niet geheel ongewapend waren, zooals eerst scheen. Uit de schachten hunner laarzen trokken ze lange messen en in ongeloofelijk korten tijd hadden ze het vleesch van drie rendierbouten zoo schoon afgekrabd, dat enkel de naakte beenderen overbleven.Wiik en Ristvedt waren niet bij de aankomst der Eskimo’s tegenwoordig geweest, en daar ze nog niet verschenen, moesten ze van het gebeurde nog niets hebben gemerkt. Toen de gasten eindelijk met hun maaltijd gereed waren, gaf ik hun een teeken, mij te volgen en liep vóór hen uit naar Villa Magneet. Nergens was iemand te zien; ik klopte aan de deur en ging binnen. Ristvedt en Wiik zaten diep over hun boeken gebogen. De Eskimo’s hielden zich rustig achter mij.“Is het niet merkwaardig,” begon ik, “dat wij in deze afgelegen streken gasten hebben gekregen? En nog wel bekende. Sta mij toe, dat ik ze even voorstel!”Beide heeren keken verschrikt op, gingen van hun stoelen opstaan en maakten een buiging, en nu traden de Eskimo’s naar voren. Er werd een algemeen luid gelach aangeheven, en toen begon een gesprek, dat daarin bestond, dat de Eskimo’s ons op ons verzoek leerden, hoe de gebruikelijkste dingen in hun taal werden genoemd.De Eskimo’s bleven den nacht bij ons, en den volgenden morgen trokken ze naar huis. Wij hadden intusschen voldoenden tijd gehad, hun aan het verstand te brengen, dat wij graag gelooide vellen van hen wilden koopen. Toen ze zagen, wat de luitenant en ik aan de bewerking der huiden hadden gedaan, maakten ze er ongeveinsd een grapje over. Twee dagen later kwamen ze weer terug en brachten eenige mooie rendiervellen. Ik besloot nu, hen naar hun woning te vergezellen, om te zien, waar en hoe zeleefden; ze hadden ons te verstaan gegeven, dat ze op den heenweg niet behoefden te overnachten; dus kon het niet bijzonder ver wezen.Den volgenden voormiddag om half twaalf braken we op. Ik had een slede bij mij, waarop mijn slaapzak, eenig voedsel en allerlei voorwerpen waren gebonden, die ik wist, dat de Eskimo’s op prijs stelden. Met de mij aangeboren meerderheid van den Europeaan spande ik mijn gasten voor de slede. Ik zelf liep op ski en nu ging het in vollen galop voorwaarts naar het Westen. De Eskimo’s hadden niets, noch ski, noch canadeesche sneeuwschoenen, noch iets, dat er op geleek; maar de harde sneeuw droeg ze met gemak. En ik moest mij inspannen, om op mijn ski hen bij te houden.We hadden al den 9den October, en het werd vroeg donker. Ik hield het dus voor noodzakelijk, tot haast aan te manen. Toentertijd wist ik nog niet, hoe onverschillig een Eskimo is, als hij onderweg is, hetzij bij dag of bij nacht, bij helder weêr of in den dichtsten nevel, in storm of stil weer, of bij een sneeuwstorm, waarin men zijn eigen neus niet kan onderscheiden, hij geeft er niet om. Ik merkte dat eerst later bij nadere bekendheid met de menschen. Om half vier beduidden ze mij, dat we nu hun kamp naderden. En van den top van een heuvelkam zag ik in een beschutten, behagelijken hollen weg eenige lichtjes schemeren. Het was al bijna geheel duister. De Eskimo’s stieten luide vreugdekreten uit en bleken uitermate verheugd bij dien aanblik. De kleine lichtjes daar beneden waren ook inderdaad verlokkend en wekten gedachten aan warmte en welbehagen, aan spijs en drank, aan alles, wat een zwerver in een kouden, ruwen winternacht prettig moet voorkomen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Toen wij ons verstaanbaar konden maken, gaven mijn begeleiders luide schreeuwen, waarbij ik alleen het eene woord, Kabluna, witte man, verstaan kon. En de bewoners van het kamp kwamen in troepjes naar buiten. Het was een merkwaardig tooneel, dat ik mij nu in de herinnering terugroep, en dat ik nooit vergeten zal. Daarginds in het verlaten sneeuwland werd ik omringd door een schaar wilden, die als dol door elkaar schreeuwden, mij in het gelaat keken, aan mijn kleeren trokken en mij streelden. De door de ijsvensters uit de hutten dringende lichtschijn kreeg door den verdwijnenden dag en het schijnsel in het Westen een flauw donkergroene kleur.Ik verlangde intusschen naar een warm huis en naar iets om te eten; dus ging ik met Attira, die mij het best beviel, in zijn hut. Hij en zijn gezin woonden hier met Tamoktuktu en zijn familie samen. Het was een groote hut, die haar acht bewoners goed kon bevatten. Kort na onze aankomst verzamelden zich de mannelijke leden der kolonie aan een feestmaaltijd, die uit rauw rendiervleesch en water bestond. Drie geheele rendieren verdwenen zoo snel, als ik een boterham zou hebben kunnen gebruiken. De Eskimo’s lachten en praatten er onophoudelijk bij. Geen vrouwen namen aan de feestelijkheid deel. Toen ik aan de mannen trachtte te verklaren, hoe het bij ons ging en aan mevrouw Tamoktuktu een stuk vleesch reikte, lachten de Eskimo’s mij hartelijk uit.Nadat de mannen eindelijk genoeg hadden, kwam de beurt aan de vrouwen. Ze groetten mij met haar Manik-tu-mi als een goed vriend.Tegen tien uur legde ik mij in mijn slaapzak, die een plaats had gekregen op de bank tusschen beide familiën. Ik sliep tot het volkomen dag was. Maar toch had ik bij het eerste morgengrauwen al gezien, dat de mannen hun bovenlijf ontblootten en een luchtbad namen in de morgenlucht. Een frisch plezier, dacht ik, verkneukelde mij in mijn warmen zak en sliep door.In den loop van den voormiddag trok ik op huis aan. Het uit zes hutten bestaande Eskimokamp was dicht bij een groot water, dat ze Kaa-aak-ka noemden. Zij vertelden mij ook, dat Lund en Hansen er gejaagd hadden.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.Den 2den November had het vaste station zijn werk begonnen. Wiik had de zelfregistreerende magnetische instrumenten in het gebouwtje voor de waarnemingen opgesteld en deed de waarnemingen geheel alleen. Elken middag, precies om twaalf uur, verwisselde hij de plaat op de registerwals, en dat was lang niet altijd een genoegen. Als men bedenkt, dat hij zich bij 60 graden Celsius onder nul door wind en sneeuwstorm en vaak door meterhooge sneeuw een weg moest banen, dan zal men begrijpen, hoeveel flinkheid en plichtgevoel iemand moest hebben, om die taak zoo trouw te vervullen. Negentien maanden lang deed Wiik het onafgebroken; dat is een mooi record.De weerkundige waarnemingen werden driemaal daags gedaan. Wij hadden daarbij ook registreerende instrumenten, die den heelen tijd door dag en nacht in werking waren. Van dit deel van den dienst was Ristvedt de leider. Menigen zwaren strijd had hij te voeren met zijn instrumenten in koude en vocht; zijn trouwe en stipte plichtsvervulling mogen wij dankbaar erkennen.Op deGjöa-expeditie als astronoom te fungeeren was geen lichte taak. De expeditie had nog de ruimte noch de middelen, om opvouwbare huizen mee te nemen, waarin men rustig en behagelijk het goede astronomische oogenblik kan afwachten. Hier moesten de waarnemingen bij de laagste temperatuur met niets dan een kleinen sneeuwmuur ter beschutting tegen wind en sneeuw worden gedaan. Men stelle zich zulk een avond voor: veertig graden kou en ijzige bitter scherpe sneeuw! Tot tegen den avond is de lucht betrokken geweest, maar dan is het plotseling helder geworden, en de hemel is met duizend fonkelende sterren bezaaid. “Wat een wondervolle sterrenhemel!” zeggen wij, anderen. Maar de arme astronoom moet uit zijn warme kajuit naar buiten en naar den overkant achter zijn sneeuwmuur, waar hij uren lang staan en al de kwalen van een sterrenkundig waarnemer in de poollanden moet doormaken, als daar zijn, stijf gevroren vingers, met ijs overtrokken kijkers en allerlei andere rampen.Voor Lund en Hansen kwam alle arbeid, die het schip betrof. Als specialiteit had Lund nog een watergat en Hansen de honden.Jammer genoeg, kregen de honden weer dezelfde ziekte als op de heenreis. Eerst werd Tiras van het Godhavntroepje aangetast en stierf. En al vóór Kerstmis hadden we zeven van onze beste honden verloren. Ik bedacht te laat, dat het den dieren wel aan vet bij het eten ontbreken kon; ze hadden den geheelen tijd alleen mager rendiervleesch gehad.Ja, de honden! Zij eten van alles, dat bleek uit iets, dat ik met afschuw waarnam en hier vermelden wil. Overal snuffelden ze rond, om buiten de hun geregelde toegewezen porties nog het een of ander op te scharrelen. En daar hadden ze ook eens een even onverwachten als griezeligen maaltijd. Wij hadden Silla, die in hoogst interessante positie was, opgesloten in het kleine uitbouwsel van huize Magneet, waar ze haar bevalling zou afwachten. Op een mooien morgen ontvluchtte ze echter en sloeg dadelijk de richting naar het schip in. Halfweg ontmoette ze al haar cavaliers en allen waren geestdriftig over het weerzien hunner dame. Ze omringden haar en geleidden haar verder. Maar wat gebeurt? De arme Silla beviel bij verrassing, en haar kroost moest zich met een hoopje sneeuw als wieg tevreden stellen. Op een teeken van Lurven natuurlijk wierpen zich plotseling alle honden op de jongen; ieder hapte naar een en verteerde het ter plaatse. Toen Silla ontdekte, dat haar jongen verdwenen waren, stond ze op en ging verder. Maar ze werd weer verrast en het laatste jong kwam ter wereld. Om nu de andere honden te verhinderen, zich ook hiervan meester te maken, vrat Silla het liever zelf in razende haast op. Hoe ongeloofelijk het klinke, het is precies zoo gebeurd.Op den eersten Kerstdag vierden we een dubbel feest. Wiik werd dien dag 25 jaar; hij was het jongste lid der expeditie en tevens een der vroolijksten van ons allen, vol aardige geschiedenissen en anecdoten. In den loop van den voormiddag kwam de oude Eskimo Teraiu aan en werd als gelukwenscher vriendelijk opgenomen. Teraiu behoorde tot onze oudste Eskimovrienden, een van de vijf, die zich het eerst hadden vertoond. Hij zal tusschen vijftig en zestig jaar zijn geweest en was een zeer vroolijke snaak. Bij zijn stamgenooten stond hij niet al te best aangeschreven, want ze hielden hem zoowat voor een idioot; maar dat hij best zijn verstand had, zouden wij later bemerken.Hij scheen op den jaardag echter niet in feestelijke stemming te wezen. Zijn gezicht en zijn gebaren drukten neerslachtigheid uit en de tranen stonden hem in de oogen. Hij gesticuleerde en babbelde zonder samenhang en jammerde ertusschen. Wij konden niet begrijpen, wat hem scheelde. Maar ten slotte gelukte het ons toch met vereende pogingen opheldering te krijgen over zijn ellende, en wij vernamen, dat het overige deel van de stam verder was getrokken en op de schandelijkste wijze Teraiu en zijn gezin had achtergelaten. Die zagen nu den verschrikkelijken hongerdood voor oogen, als wij ons niet over hen erbarmden en hen gedurende den strengsten wintertijd bij hen lieten wonen.Natuurlijk waren wij diep geroerd door die treurige geschiedenis en beloofden hem met vrouw en kinderen bij ons op te nemen. Buitendien zei ik, dat ik binnen kort zelf naar Kaa-aak-ka zou gaan om de zaak te onderzoeken.Teraiu en het gezin kwamen al spoedig aan, en op den tweeden Kerstdag besloten wij, het uitstapje naar Kaa-aak-ka te volbrengen. Het weder was wondermooi, stil en helder. Maar de thermometer wees 24 graden koude. De luitenant, Lund, Ristvedt en ik maakten ons gereed, met Teraiu en zijn familie te vertrekken. Vóór de slede spanden we acht honden, maar overigens namen we geen groote voorzorgen in zake de uitrusting, daar we immers maar een enkelen nacht wilden uitblijven. Ieder had gezorgd voor wat hij noodig had. Over het gladde ijs van de straat ging het vliegensvlug voort en na zes uren waren we op de plaats onzer bestemming. In het kamp van Kaa-aak-ka zag alles er geheel anders uit dan bij ons vorig bezoek; ledig en uitgestorven lagen de sneeuwhutten er, zonder menschen of eenig spoor van leven. Alleen Teraiu’s hut toonde aan, dat er menschen woonden. Kajaggolo zijn vrouw bijgenaamd de “oude uil” schoof het sneeuwblok op zij, dat voor den ingang der hut lag en ging naar binnen, om vuur aan te maken. Teraiu zelf sloeg een gat in het ijs, om water te halen, en wij kozen uit de verlaten hutten die, welke ons het zindelijkst leek, en namen er voor den nacht bezit van.Op den dag na onze terugkomst bouwde Teraiu zich een hut aan den wal en woonde er tot achter in de maand Maart. In werkelijkheid was ik er niet rouwig om, dat we hem hadden opgenomen, daar hij en zijn vrouw ons van veel dienst waren. Niettegenstaande zijn ouderdom was hij gezond en taai, en zonder eenige vermoeienis te toonen, trok hij een slede van den morgen tot den avond. Hij bleek vreedzaam en eerlijk, was altijd goed gehumeurd en tot schertsen geneigd. Als bouwmeester van sneeuwhutten was hij onvergelijkelijk en van grooten dienst. Kajaggolo zijn vrouw, was stellig even oud als hij. Haar gezicht leek precies een oud, verschrompeld en verdroogd winterappeltje. Ze was ongeveer vijf voet lang en zoo vuil, dat de Eskimo’s er haar zelf om bespotten. Haar tienjarige zoon, Nutra, was net zoo vuil als zijn moeder, maar overigens wel een aardige jongen, verstandig en vol dartele invallen. Aan zijn onzindelijkheid had zijn moeder de grootste schuld. Als de Eskimo’s eenigen tijd bij ons waren geweest begonnen ze gewoonlijk ons voorbeeld te volgen, waschten zich en hielden zich zoo ongeveer schoon. Maar aan de familie Teraiu was in dit opzicht geen zalf te strijken; toen ze vertrokken, waren ze nog net zoo vuil als bij hun komst.Wanneer ik des namiddags in het magnetische observatorium voor de absolute waarnemingen was geweest, sprak ik telkens eens met de Teraiu’s, wier hut ik passeerde. Bij die bezoeken ontving Kajaggolo mij soms met een gezang, het verschrikkelijkste, dat men zich voorstellen kan, het was niet anders dan woest geschreeuw.De man en Nutra waren meestal aan boord, nu eens vóór, dan achter, overal waren ze welkom. Het liefst zaten ze in de keuken te kijken, en ofschoon Lindström de Eskimo’s niet uitstaan kon, werd toch zijn goed hart hem vaak de baas, en menig lekker hapje vloog naar de beide Eskimo’s. Teraiu en Nutra gewenden langzamerhand aan ons eten; maar Kajaggolo bleef den geheelen tijd bij haar rauw vleesch en de rauwe visschen.Toen Kerstmis en Nieuwjaar voorbij waren, moesten we in ernst aan de ontworpen sledevaart denken. De plannen, die we ontworpen hadden, waren van allerlei aard, zooals meestal met plannen in deze streken het geval is. Eindelijk werd besloten, dat ik mij met een gezel naar het magnetisch station zou begeven, en als daar alles goed ging en in orde was, zou beproeven, de Leopoldshaven op Northsomerset met de post te bereiken.Een ondersteuningsexpeditie onder leiding van luitenant Hansen en met nog één man zou ons helpen, zoolang we dat doelmatig oordeelden.Alle sleden werden nu voor den dag gehaald en nauwkeurig nagezien, om zoo noodig hersteld te worden. Overal werden werkplaatsen opgericht. Lund zou de sleden in orde brengen en practische proviandkisten timmeren; Hansen, die zeer handig was, deed het fijne werk en was ook een meester op de naaimachine. Ristvedt had een smidse bij de proviandtent en zijn eigenlijke werkplaats in het huis Magneet. Wiik leverde goed werk als reparateur van instrumenten, en de luitenant beoefende naast zijn vak van handschoenenmaken ook de wetenschap. Zijn talent oude vuisthandschoenen met gaten weer te herstellen was buitengewoon.Zooals bij alle slede-expedities in het poolland werd de vraag van de slaapzakken druk besproken. Ons uitstapje met Teraiu naar Kaa-aak-ka had ons geleerd, dat er in dat opzicht nog veel te verbeteren was, en ieder beijverde zich, om het beste uit tevinden. Onze meegebrachte zakken waren te wijd en moesten vrijwat ingenomen worden. Een slaapzak moet slechts zoo wijd wezen, dat het vel aan alle zijden aan het lichaam sluit. Maar natuurlijk mag hij ook niet spannen. Als men erin ligt en nog naar het omhulsel moet zoeken, wordt men nooit warm. Het model met een opening van boven en een schuif om den hals vond het meest bijval; ik geef er ook de voorkeur aan en kan het ieder aanbevelen.Onze tenten waren genaaid als Eskimotenten en uitstekend waren ze; er viel niets aan te verbeteren. Ze konden zelfs bij den hevigsten wind door één persoon opgezet worden, en als ze er stonden, werden ze nooit omgeblazen. Daarvan legden ze proeven af. Een verbetering werd toch nog aangebracht en wel aan de deuren. De afsluiting is al van ouds het zwakke punt bij een tent, en dus in het bijzonder daar in het Noorden in de koude. Meestal bestaat de sluiting uit een menigte haken en touwtjes, waardoor het sluiten een heel werk is, als men uit de koude binnenkomt. Ik heb buiten ons eigen systeem geen enkele tentdeur gezien, die den sneeuwstorm geheel buiten hield. Daar nu twee van ons precies hetzelfde denkbeeld hadden gehad, wil ik geen namen noemen, ook omdat de zaak haast al te eenvoudig is, maar is niet het geniale meestal het eenvoudigste? Wij naaiden namelijk een zak rondom den ingang, sneden daar den bodem uit en kropen daardoor naar buiten en naar binnen, terwijl we den zak dan met een touw dichtbonden. Een betere tentafsluiting heb ik nog nooit gezien. Gemakkelijk te openen en gemakkelijk te sluiten en volkomen dicht. Het veeljarige probleem was dus opgelost door een zak.Bij een proef, die we bij een temperatuur beneden dertig graden vorst deden, vonden we het verblijf in de tenten te koud en wij besloten toen sneeuwhutten te bouwen, die naar onze ervaring bij de Eskimo’s veel warmer waren. Het kost wel meer tijd, een sneeuwhut te maken dan een tent op te slaan, maar ik vind het van zoo verbazend groot belang, dat men na het dagwerk een goeden en behagelijken nacht doorbrengt, dat het uur van bouwen wel beloond wordt.Wijlegdenons dus met ijver toe op de sneeuwbouwkunst. Grondstof hadden we genoeg, tijd ook en in Teraiu een uitstekenden leermeester. Eerst lieten we het bouwen den oude over, terwijl we nauwkeurig toekeken. Spoedig bleek het ons, dat het vinden van de goede sneeuw een voorwaarde van slagen was. Maar daar behoort veel ervaring toe, ja, het gevoel moet iemand, om zoo te zeggen, aangeboren zijn. De Eskimo’s bedienen zich daarbij van een zeer eenvoudig werktuig, dat ze een hervond noemen en dat bestaat uit een ongeveer een meter langen, uit rendierhoorn gesneden stok, met een handvatsel van rendierhoorn aan het eene einde en een haak van een bisambeen aan het andere. Daarbij komt den Eskimo’s hun instinkt te stade, waarmee ze juist de goede plek uitvinden, waar de kans op goede sneeuw aanwezig is. Als ze hun hervond niet bij zich hebben, gebruiken ze een mes met een lang heft, dat ze aan een touw op den rug hebben hangen. Wij brachten het in het vinden der goede sneeuw niet tot groote volkomenheid, maar toch zoo ver, dat het er mee door kon.Eskimo vrouw met kind.Eskimo vrouw met kind.Met een lang mes plaatsten wij vieren, de luitenant, Ristvedt, Hansen en ik, ons elken morgen na het ontbijt vóór Teraiu’s hut, om den oude te wekken. Als we ongeveer om acht uur kwamen, lag de geheele familie nog te bed. Dan sprong Teraiu vlug op, sloop in haast in zijn kleeren, want de Eskimokleeding is wijd en ruim en laat zich gemakkelijk uit- en aantrekken. Den meesten tijd hebben ze noodig voor het aantrekken der voetbekleeding. De Eskimo is zeer bezorgd voor zijn voeten, uit vrees niet alleen, dat ze bevriezen, maar ook, dat ze gewond zouden worden bij het den heelen dag loopen over het ijs en de harde sneeuw. Met minder dan vijf lagen aan de voeten stelt hij zich daarom niet tevreden. Als dan eindelijk Teraiu zijn bovenanorak had aangetrokken, terwijl hij voor zulke korte uitstapjes zijn onderanorak thuis liet, gingen we op weg. Wij bouwden om beurten; ieder had zijn bepaalden dag. Maar Hansen was in het bouwvak beslist de meest begaafde; zijn hutten waren meesterstukken. In de vele kleine holle wegjes, die in de haven uitloopen, vonden we al gauw een bouwplaats en goede sneeuw in overvloed. Wij hadden meestal anderhalf uur noodig voor een voor ons vieren geschikte hut. Na gedanen arbeid kwamen we er samen, om de waarde te bepalen. Teraiu was telkens volgeestdrift.“Mamakpo! mamakpo!” (dat is Uitmuntend! Uitmuntend!) riep hij. Een groote vreugde voor hem was iederen keer de belooning, die hem wachtte. Hij deed niets zonder betaling. Dit beteekende wel niet veel, een stuk ijzer of hout, of wat juist bij de hand was. Hij was altijd aan het verzamelen, om te eeniger tijd voor zichzelf een slede te kunnen bouwen. Zijn eischen waren niet groot; met een paar planken van een meter lengte was hij best tevreden. De familie en haar bezittingen beteekenden immers ook niet veel, wat zou hij dan met een groote slede doen? Een philosofie, die men zich overal ten voorbeeld kan nemen.Wiik en ik deden telkens proeven, om ons vast te overtuigen, dat onze instrumenten goed in orde waren. Wiik was bestuurder van het vaste, absolute observatorium, terwijl ik mij 75 meter verder een eigen nieuw observatorium had gebouwd. Door al die gebouwen was langzamerhand een aardig dorpjerondom de Gjöa-haven verrezen. Onze waarnemingen vielen tot onze groote tevredenheid goed uit en om de instrumenten behoefde ik nu niet meer ongerust te wezen. Voor waarnemingen op elke plaats, waar ik mij bevond, had ik een zeer kleine theodoliet, die ik van Frithiof Nansen had gekregen en die hij mee naar Groenland had gehad. Ook deze werd na nauwkeurig onderzoek van den astronoom in orde bevonden.Toen volgde de belangrijke werkzaamheid, het pakken van onze sleden.Tijdens het pakken moesten de sleden onder dak wezen. Maar een zoo groote hut te bouwen, dat de beide lange sleden erin ondergebracht konden worden, hielden we voor onmogelijk. Wij wendden ons tot Teraiu om raad, die echter tegenover onze vragen een sluw lachen stelde en niets verder zei. Hij strekte beide armen uit en met begeerig stralende oogen zei hij:“Panna angi!”, dat is Groot mes. Voor de oprichting van zulk een reuzenhut wou hij een groot mes als belooning. En dat werd hem beloofd.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.Wij gingen dadelijk aan het werk. Teraiu koos een terrein van langwerpigen vorm en opdat de sleden in de nabijheid zouden zijn, werd de hut op het ijs, onmiddellijk vóór het schip gebouwd. Zij was verbazend groot, en toen het dak erop moest gezet, moest er eene heele stelling worden gemaakt. Maar ze bleek toch niet vast genoeg en de bewegingen van het ijs waren te vreezen; daarom werd ze herbouwd op den wal en bleek nu voldoende, zoodat we konden beginnen te pakken. De eene slede kreeg een lading van 350 kilogram en werd door Hansen bestuurd en getrokken door de zeven honden, die we nog hadden. De tweede had een lading van 270 kilogram en zou door ons drie mannen worden voortgetrokken.Den 28sten Februari legden we de laatste hand aan het werk, en op den morgen van den 29sten trokken wij allen met elkaar de sleden tegen den heuvelkam op, om dat moeilijk eind al dadelijk achter den rug te hebben.Boven bouwden wij een hoogen sneeuwmuur om de sleden heen en legden er zware blokken sneeuw op, om te verhinderen, dat de vossen er een bezoek aan brachten. Dan keerden we terug en brachten den laatsten avond aan boord door.Ik zag de reis kalm tegemoet. Wij waren goed uitgerust met goede en krachtige kameraden en goede honden. Een grooter aantal honden zou wel gewenscht geweest zijn, maar we hoopten ons met het zevental te kunnen behelpen.Den eersten Maart waren we reisvaardig. De thermometer wees min 53 graden Celsius; maar wij waren in den loop van Februari zoo aan de koude gewend geraakt, dat ze op ons geen bijzonderen indruk meer maakte, en we waren goed gekleed. De eenen in volslagen Eskimodracht; de anderen ten halve geciviliseerd. Naar mijne meening is de Eskimokleeding in deze streken verre te verkiezen boven onze europeesche kleeding. Maar men moet die dan ook goed doorgevoerd dragen, of in het geheel niet. Elke halfheid is uit den booze. Wollen onderkleeren zuigen al het zweet op en maken de kleederen van vellen, die men erover draagt door en door nat. Niets dan rendiervel als de Eskimo’s en de kleedingstukken zoo wijd en ruim mogelijk, opdat tusschen kleeding en lichaam de lucht circuleeren kan, daarbij behoudt men in den regel droge kleeren. Moet men zich echter onderweg zoo inspannen, dat het pak toch nat wordt, dan zijn de kleeren van vellen toch ook nog gemakkelijker te drogen dan de wollen stoffen. Wollen kleeren worden ook veel eerder vuil en dan houden ze niet meer behoorlijk warm. In dit opzicht houden zich kleeren van huiden, zonder gewasschen te worden, bijzonder goed. Een groot voordeel van vellen is ook, dat men op hetzelfde oogenblik, dat men ze aantrekt, warm en behagelijk voelt. In wollen kleederen moet men zich als een gek aanstellen,rennen en draven en Indianendansen uitvoeren, eer men behoorlijk warm is. En ten slotte zijn de velkleederen volkomen winddicht, wat natuurlijk zeer veel beteekent.Onze achterblijvende kameraden vergezelden ons tot bij de sleden op de heuvels. De honden werden aangespannen—een laatste handdruk, en daar gingen we.Hansen leidde de honden van de eene slede, maar spande zich nu en dan ook zelf ervoor. Alle zeven dieren waren nog jong, en ze konden den last slechts met moeite vooruit brengen. Luitenant Hansen, Ristvedt en ik hadden ons vóór de andere slede gespannen. De weg liep zacht omhoog, zoo zacht, dat men het met de oogen bijna niet kon zien, maar men voelde het wel. Gedurende het eerste uur ging het met frissche krachten snel vooruit, maar daarna werd het moeilijk. Hansen vorderde met zijn honden goed. Als hij merkte, dat ze trager liepen, greep hij in de teugels, dan meenden de dieren, dat er nieuwe hulp was gekomen en trokken weer aan. Ons drieën, die de andere slede trokken, ging het minder goed. Het was, alsof we haar door woestijnzand moesten trekken. Zelfs thuis in Noorwegen weten we, hoe lastig poedersneeuw zijn kan, en bij de erge kou hier was het veel lastiger. Middenin hield de slede soms plotseling stil; elke kleine ophooping van sneeuw was een beletsel. Eén, twee, drie, hallo! Dan komt ze erover. Maar het duurt niet lang, of er volgt een nieuwe hoop—weer stilhouden—aantrekken—trekken....De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.Om drie uur in den namiddag besloten we, ons kamp op te slaan. Het begon al te schemeren, en eer we een sneeuwhut klaar konden hebben, zou het bepaald heelemaal donker zijn. Nu moesten wij voor het eerst op de zoek naar goede sneeuw. Wij bevonden ons midden op een groot meer. Nergens was goede sneeuw; hoe vaak we onze messen er ook instaken, overal was ze te slap. Naar den oever was het te ver; we zouden daar niet meer bij daglicht gekomen zijn, en we konden dus niet anders doen dan blijven, waar we waren.Allereerst lieten wij de honden los. Ze hadden een zwaar werk achter zich en hadden vrijheid en rust wel verdiend. De baas onder hen was Fix, een ongewoon mooie, witgrijze hond, die het meesterschap over de anderen alleen aan zijn gebiedende houding te danken had, niet door zijn meerdere kracht. Als het tot een vechtpartij gekomen was, zou Fix klop gekregen hebben; maar hij scheen als tot heerschen geboren en hij werd gehoorzaamd. Syl was zijn grootvizier, de leelijkste hond van den ganschen troep, bruinzwart en met gluiperigen blik. De spitse, opstaande ooren, die een poolhond een zoo verstandig uitzicht geven, stonden bij Syl scheef en deden hem er dom uitzien. Zoodra het tuig was afgenomen, deed Fix, gevolgd door Syl, de ronde bij de honden, en ten teeken van onderwerping moest iedere hond zich vóór den heerscher Fix op den rug leggen, met alle vier pooten in de lucht. Als een treuzelde, schoot Syl als de wind op hem los, en die had zeer scherpe tanden. Dan kregen de honden hun eten en we waren vrij van hen en konden gaan bouwen.Wij trokken onze vuisthandschoenen aan, die uitsluitend voor het bouwen van sneeuwhutten bestemd waren, om te beletten, dat de sneeuw bij de mouwen in liep, want ze hadden lange onderstukken, die vastgebonden waren. Ieder met een wel een halven meter lang mes gewapend, begonnen we ons werk. De voor dit doel benoemde bouwmeester stak eerst een kring op den grond af en langs die lijn maakte hij een vier duim diepe geul, die dan de sneeuwblokken van den grondmuur moest dragen. Wij anderen sneden blokken, en de bouwmeester zette ze op. Een iglu, zoo noemen de Eskimo’s hun sneeuwhutten, wordt spiraalvormig, ongeveer als de bijenkorven en altijd tegen de zon in gebouwd, dus van rechts naar links. De blokken moeten een lengte van twee voeten en een hoogte van anderhalven voet hebben en vier duim dik zijn. De grootste moeilijkheid is daarin gelegen,het bovenste klaar te krijgen en het dak erop te plaatsen. Een rechten muur kan ieder wel bouwen.Daar de thermometer min 57 graden Celsius wees, werd niemand tot luiheid verleid, en het werk schoot goed op. Zoo snel mogelijk ging de kok des avonds aan den arbeid, die daarin bestond, niet alleen het eten klaar te maken, maar ook de hutten te verwarmen, en als een aangename geur van spijzen tot ons doordrong, vlotte het werk buiten wondervlug. Het laatste was, alle spleten op te zoeken, waar licht door schemerde, om ze goed dicht te stoppen. Dan keken we ook nog de sleden na, dat alles stipt vastgebonden was en toegedekt en dat vooral tegen de honden, die zeer diefachtig waren. De stumpers hadden zich tegen de hut aan, zoo goed het ging, in de sneeuw opgerold en als het fel koud was, den snuit onder den staart gestoken.Was de hut gereed, dan wierpen we een laatsten blik op de wijde stilte rondom in de verbleekende groenachtige schemering en de reeds fonkelende sterren, en na ons de sneeuw van de kleederen te hebben geklopt, kropen wij in de hut. En er was stellig op de wereld dan geen gelukkiger gezelschap dan het onze in de warme, behagelijke ruimte met het dampend heete eten en de barre sneeuwvlakte met de tintelende vorst om ons heen. Na het eten kwamen de tabakspijpen aan de beurt; en alleen de gedachte dat we den volgenden morgen ons weer moesten inspannen, kon een eind maken aan het genoegelijk samenzijn en deed ons in onze slaapzakken kruipen. De vermoeienis deed zich spoedig gelden, en weldra toonde de gelijkmatige ademhaling van vier mannen, dat ook de menschlievende god, Morpheus, een poolvaarder is.Des morgens om vijf uur, toen de kok ons wekte, zag alles er veel minder vriendelijk uit dan ’s avonds, maar een kop dampende chocolade verbeterde dan de stemming gauw. Buiten kwamen mij de sterren ongewoon groot en schitterend voor; maar het had volgens den minimumthermometer dan ook in den nacht 61.7 graden gevroren. Wij hadden er weinig van gevoeld, en we konden onze uitrusting prijzen, die ons met onze goede sneeuwhut de kou van het lijf had gehouden. Wat voelden we haar in de vingertoppen, als we bij het werk de handschoenen moesten uittrekken! Dan werden de vingers dadelijk wit en men moest ze dan doen herleven, of door de handschoenen gauw weer aan te trekken of nog beter door ze op de manier der Eskimo’s tegen het bloote lichaam te houden.De honden lagen nog precies zooals wij ze in den avond hadden verlaten, behalve Fix en Syl, die op kattekwaad uit waren. Wij ondervonden ook, hoe totaal onmogelijk het was, de honden zoo vast te maken, dat ze niet los komen konden. Ze wisten zich altijd los te werken, namelijk als ze het volstrekt wilden. Enkele hielden zich steeds rustig, maar als er een los was, gingen de anderen aan het huilen, prettig was het niet, als men uit zijn slaapzak naar buiten moest, om de honden tot rust te brengen.Toen dien eersten morgen alles in orde was, braken we op. Naar de ervaring van den vorigen dag zetten we onder de met nieuwzilver beslagen sleden weer houten platen, omdat bij de scherpe kou de sleden op hout veel beter liepen. Het beste, wat men eraan doen kan, is er een fijn overtrek van ijs op te laten komen, zooals de Eskimo’s doen, maar daarin hadden wij nog geen ervaring.De afstandsmeter was op de hondenslede aangebracht; het was een oud rad van de tweede Fram expeditie, maar nog in voortreffelijken toestand. Trots al onze inspanning scheen echter het rad stil te staan, zoo langzaam kwamen we vooruit. Wat onze moeite nog vermeerderde, was een fijne, scherpe tegenwind, die iemand de onbedekte deelen van het aangezicht bepaald openscheurde. Voortdurend moest de een het gezicht van den ander bekijken, en dan vonden we meestal een bevroren neus of een spierwitte wang. Dan deden wij wat de Eskimo’s doen; we trokken een warme hand uit den vuisthandschoen en legden haar op de bevroren plaats, tot het bloed er weer circuleerde. Het oude huismiddel van de plaats met sneeuw in te wrijven, had ik al lang verworpen; de Eskimo’s wisten daar ook niets van. Terwijl de infaam scherpe wind ons de ijsnaalden bij min 50 graden als zweepslagen in het gezicht joeg, schenen de honden daar in het geheel niet onder te lijden. Maar de arme dieren plaagden zich erbarmelijk, vooral in de eerste morgenuren, waarin ze nog stijf van den vorigen dag waren. Ook wij menschen hadden zwaar te trekken. En ik zag in, dat we bij deze manier van reizen zeer weinig zouden uitrichten.Daar er nog op den tweeden, noch op den derden dag in de temperatuur eenige verandering kwam, besloot ik na ruggespraak met mijn kameraden eenvoudig terug te keeren en zachter weer af te wachten. Op den morgen van den derden dag legden we dus een deel van onze voorraden als dépôt in de sneeuwhut en sloten de opening goed af. De ligging der hut werd nauwkeurig opgenomen; een vlag erop gestoken en geheel gephotografeerd.Nu richtten we onzen koers weer naar de Gjöahaven. De honden bemerkten spoedig, in welke richting het thans voorwaarts ging, en ook wij menschen voelden ons zeer verlicht, dat ons nutteloos worstelen aan een eind zou komen. En zie daar, de weg, waar we twee en een halven dag over hadden gedaan, een eind van tien kilometer, werd nu in vier uren afgelegd. Maar nu waren dan ook onze sleden belangrijk lichter.Om elf uur in den voormiddag verrasten we onze kameraden op deGjöadoor onze onverwacht spoedige terugkomst.Op den 16den Maart ondernamen we een tweeden sledetocht, vonden het dépôt in goede orde en trokken verder noordwaarts; wij hadden nu een met tien honden bespannen slede bij ons. Het was des morgens 40 graden onder nul, zeer goed voor ons te verdragen. Terwijl we op weg waren naar het eiland Matty, zagen wij in de verte op het ijs een zwart punt. Hansen met zijn scherpe oogen verklaarde dadelijk, dat het een Eskimo was, die naar ons toekwam. Spoedig doken meer op tusschen de ijsschollen, en in een oogenblik hadden we 34 mannen en jongens op een afstand van tweehonderd meter voor ons. Zij bleven staan en keken naar ons, zonder het voornemenaan den dag te leggen, om naderbij te komen. Ik voelde mij nu natuurlijk veel zekerder dan bij mijn eerste samentreffen met Eskimo’s; mijn kennis van de taal had ook veel gewonnen en dus besloot ik, naar hen toe te gaan. Toch hadden we onze geweren geladen en Hansen hield er de wacht bij. Toen ik zeer dichtbij was, riep ik: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”Als een electrieke schok ging het door de menigte. Een 34voudig Manik-tu-mi klonk mij tegemoet. Hansen kwam achter mij aan; de vreugde en de geestdrift der Eskimo’s waren bepaald roerend. Het waren Netsjilli-Eskimo’s, die ons ontdekt hadden op hun reis naar hun plaatsen van de zeehondenvangst. Ieder had een speer in de hand en een hond aan een riem achter zich aan. Buitendien waren ze voorzien van groote sneeuwmessen. Ze maakten den indruk van beter en zindelijker gekleed te wezen dan onze eerste vrienden, de Ogluli-Eskimo’s. Toen ik naar hun kamp vroeg, wezen ze oostwaarts tusschen de ijsbergen. Ik had grooten lust, deze menschen nader te leeren kennen en zei, dat ik graag met hen naar hun kamp wilde gaan. Daarover waren ze uitgelaten blij; ze hielpen ons dadelijk de sleden verder trekken, door al hun honden ervoor te spannen. Nu hadden we een voorraad honden, dat het een aard had!Na een uur klonk plotseling een luid geschreeuw van de Eskimo’s en wij zagen tusschen de ijsbergen een menigte hutten van den vorm van een hooiberg. Het was het grootste kamp, dat ik nog gezien had, 16 hutten te zamen. Het zag er uitgestorven uit. Al spoedig vertoonden zich de vrouwen, geen schoonheden, de kleeren met vet en roet besmeerd, en grauwe haren uitkomend onder de kap. Bij de eerste kennismaking vonden wij de Netsjilli-Eskimo’s allen leelijk, maar later oordeelden we anders, al bleven we de Ogluli’s veel knapper vinden. Ze bouwden een prachtige sneeuwhut voor ons, nadat ze gelachen hadden om de pogingen, die wijzelven deden. Wij werden zeer bevriend met hen, en toen we den volgenden dag verder trokken, vergezelde ons Poieta, een jonge broeder van hun hoofd Atikleura. Wij kwamen tot in de nabijheid van het eiland Matty, maar het weer was zoo slecht, dat Poieta ons afried verder te gaan. We hadden weer een Eskimo-nederzetting van zes hutten gevonden, maar dit waren bedelachtige menschen, en toen wij den volgenden morgen opbraken, misten we een mes, een zaag en een bijl, die we eerst na veel gekijf terugkregen. Een dépôt in de buurt van deze menschen aan te leggen, was dus uitgesloten.Dan keerden wij weer naar de Netsjilli’s terug, die op het punt stonden naar zuidelijker streken te verhuizen voor de zeehondenvangst. Bij die gelegenheid verzocht ik hen, ons naar ons schip te vergezellen. Den 25sten Maart vertrokken wij allen te zamen en den volgenden dag kwamen wij aan boord, maar de Eskimo’s moesten eerst nog hun jacht volvoeren. Ik had hun de plek van de ligging derGjöaaangeduid, en ze begrepen mij goed en noemden ze evenals de Ogluli’s hadden gedaan, Ogchjoktu.De omstandigheden hadden mij ook ditmaal verhinderd, zoo ver te komen, als ik graag wou, maar we moesten tevreden wezen, dat we een dépôt toch zooveel verder het land in hadden aangelegd. We hadden het onder de hoede der Netsjilli’s gelaten. Op den dag na onzen terugkeer kwamen al onze dertig Eskimovrienden met Ristvedt en den luitenant, die hen op het ijs hadden aangetroffen, aan. Het werd druk in onze buurt. De Eskimo’s bouwden zich een rij hutten in het Lindströmdal, een der kleine holle wegen, die van de haven naar boven voerden.Den voorjaarssledetocht begonnen we in April, vonden het vroegere dépôt nog in den besten staat, wat wel pleit voor de betrouwbaarheid der Netsjilli-Eskimo’s, en deden een reis langs de kust van Boothia Felix, sloegen ons noordelijkste kamp op ten zuiden van de Tasmania-eilanden en sloegen den 7den Mei den terugweg in. Het doel was nu, ons dépôt te halen en er de Victoriahaven mee te bereiken, waar Ross met de Victoria had overwinterd en waar een reeks magnetische waarnemingen zeer interessant zou zijn; maar tot de uitvoering van dit plan kwam het niet. Ik leed aan mijn linkervoet, moest eenige dagen rust nemen en ten overvloede was het dépôt dezen keer geplunderd, zoodat we geen keus hadden en naar deGjöaterugkeerden.Den 5den Juli trokken we er op uit voor een gecombineerde opmetings- en magnetische expeditie. Van allerlei kanten kwamen Eskimo’s naar ons toe en we konden hulp krijgen, zooveel als we wilden. Wij waren voor veertien dagen van proviand voorzien en namen de Eskimo’s Ugpi en Talurnakto mee. De eerste, die de “Uil” bijgenaamd werd, had lang zwart haar en een open eerlijk gezicht. Hij was een uitstekend vogel- en rendierjager. Hij was ongeveer dertig en was getrouwd met Kabloka, een meisje van zeventien jaar. Ze hadden geen kinderen. De moeder van den Uil, die bij hen woonde, was Anana, die evenals de heele familie beheerscht werd door Umiktuallu, den ouderen broeder van Ugpi. Diens vrouw Onaller kon geweldig kijven. Het heftige karakter van Umiktuallu bleek bij een gelegenheid, die allertreurigste gevolgen had. Hij had drie kinderen en een pleegzoon. Eens toen het zevenjarig jongetje het geladen geweer van den wand had genomen en het den pleegzoon overreikte, ging het schot af en het kleinste jongetje viel dood neer. De oudere bleef verschrikt staan en Umiktuallu, die aan kwam loopen stiet zijn pleegzoon in drift en wanhoop zijn mes in het hart. In één graf werden de beide knapen begraven en Umiktuallu verliet na het gebeurde met zijn gezin het kamp.

De kisten worden op het land opgeslagen.De kisten worden op het land opgeslagen.Den 29sten werd tot slot het geheele schip met zeildoek overtrokken; toen waren we volkomen klaar aan boord en konden wèl voorbereid den winter te gemoet zien.Den eersten October zag alles er wintersch uit. Het door den noordoostenwind tegen het schip gestuwde zeewater bevroor oogenblikkelijk en bekleedde deGjöamet een dicht pantser. De stuivende sneeuw woei ons in de oogen en verbond zich in het water tot een soort van brij, waar de halve haven mee bedekt was. Dat was het begin van de ijsvorming, en toen de wind verflauwde, hadden we draagkrachtig ijs.In den nacht was intusschen het schip naar den oever gedreven, want onze ankers hadden geen houvast genoeg gehad. Dat was niet erg, maar als het ijs in ernst vast werd, kon deGjöaom den springvloed niet op het bij eb blootliggend strand blijven, en zoodra dan ook den volgenden dag de wind bedaarde, trokken we het schip naar buiten en verankerden het op vijftig meter afstands van het strand. Verder van de dierbare proviandtent wilden we niet graag zijn.Den 3den October hadden we een bruikbaren weg over het ijs naar het land.Wij zagen dat najaar kudde na kudde van rendieren en konden zooveel bemachtigen als we wilden. Het ijs vroor denkelijk dat jaar anders dicht dan anders, en toen de dieren bij hun gewone overgangsplaats van King Williamsland naar het vasteland open water vonden, trokken ze de kust langs, om een nieuwe plek voor den overtocht te zoeken.Er lag nu een dik sneeuwdek, en daar het land eentonig is en zonder verheffingen van beteekenis, was het dikwijls moeilijk, de goede richting te houden. Eens waren we in twee partijen erop uit geweest, om vleesch binnen te rijden, de luitenant en ik, Ristvedt en Wiik. Het was al volkomen donker, toen luitenant Hansen en ik weer aan boord terugkeerden. Maar de anderen waren nog niet gekomen; ze kwamen eerst een paar uur later. Zij waren al mooi op weg geweest, de Noordwestelijke Doorvaart op eigen gelegenheid en per hondenslede te vinden, want in de duisternis waren ze, zonder het te merken, de haven voorbijgegaan en toen in westelijke richting verder gegaan. Toen ze ten laatste bespeurden, dat ze verdwaald waren, lieten ze de sleden achter en gingen langs het strand naar huis.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.In dezen tijd kregen ook de honden, die tot nu toe onder den vrijen hemel hadden gekampeerd, hun hondenhuis. Het werd ingewerkt in een geweldigen sneeuwhoop. Een van onze booten werd er als dak overheen gelegd, en daar stond het mooiste hondehok, dat men zich kan voorstellen. Het heele gebouw werd met sneeuwwater overgoten en vormde daardoor een vast geheel. Het was in twee deelen verdeeld; in de eene helft woonde het oude tweetal van de Fram en in de andere de Godhavntroep.Tegelijk werd voor een belangrijke aangelegenheid gezorgd. In het ijs aan stuurboordzijde werd een gat gehouwen en een sneeuwhuis werd er overheen gebouwd. Het gat werd den heelen winter door opengehouden, opdat men in geval van brand water bij de hand zou hebben. De inrichting werd het brandstation genoemd, en Lund werd tot chef ervan gekozen. Maar brandweerhoofdman van deGjöate zijn, was geen zeer benijdenswaardige positie. Elken morgen moest hij naar buiten, om voor het openhouden van het gat te zorgen. Als het ijs een dikte van bijna vier meter had bereikt, als in onzen eersten winter, is dat geen lichte taak.De nieuwe sneeuw was thans zoo stevig samengebakken, dat ze een uitstekend bouwmateriaal opleverde. Ik ging daarom met Lund en Hansen het gebouw oprichten, waarin we in den loop van den winter de absolute magnetische waarnemingen konden doen. Er werd een van het andere 75 meter verwijderd gebouwtje gezet in de richting van den magnetischen meridiaan. Wij haalden het bouwmateriaal uit een dichtbij zijnd hol wegje, waar de sneeuw in groote hoeveelheid hard was saamgebakken. Het huis zou acht meter lang, twee meter breed en een meter tachtig hoog worden. De blokken werden met de zaag uit de sneeuw gezaagd.Hoe dicht de sneeuw was, blijkt wel daaruit, dat de blokken gemiddeld honderd kilogram wogen. Toen we de laatste rij er boven op legden, hadden we drie man noodig, om ze op hun plaats te tillen. Voor het dak werd dunne, doorzichtige stof aaneengenaaid en erover getrokken. Op die manier kregen we een uitstekend huis voor de absolute magnetische waarnemingen.Onze smidse te Port-Gjöa.Onze smidse te Port-Gjöa.Daar de koude nu kwam opzetten en al meer voelbaar werd, moesten we ook aan onze persoonlijke winteruitrusting denken. Door onze gelukkige rendierjachten hadden wij een menigte prachtige vellen gewonnen. Hoe men die looien en tot onderkleeding verwerken kon, daarover braken de luitenant en ik ons telkens weer het hoofd. Bovenkleeren van rendiervel hadden we van huis meegebracht; daarover behoefden we ons geen zorg te maken, maar als we zachte, fijne onderkleeren hadden kunnen krijgen, zou dat heerlijk zijn geweest. Wij kozen nu alle huiden der jonge kalvers uit, sleepten ze in de kajuit en begonnen met ons werk. Geen van ons had een flauw vermoeden, hoe wij het aanleggen moesten. Wij wisten wel, dat men de vellen moest uitspreiden, om ze te drogen, maar of dat bij een zwak of een sterk vuur moest gebeuren, daar wisten we niets van. De luitenant keek naar mij en ik naar hem, en wij kwamen tot het besluit, dat hetgoed zou wezen, de vellen onder de zoldering uit te spannen. Zooveel vellen als er maar met mogelijkheid plaats konden vinden, werden uitgespannen, en weldra leek de kajuit op een mengeling van een slagerij en een looierij. Dagelijks bevoelden we de huiden, en als wij ze voor droog genoeg hielden, namen we ze af en begonnen het werk. Wat gaven we ons een moeite! Wij zouden graag resultaten bereiken, en hoe ver we het hadden kunnen brengen, is niet te zeggen. Bij gebrek aan iets beters zouden we wel stof voor onderkleeren klaar gekregen hebben, al was het dan niet eerste qualiteit. Maar als de nood op het hoogst is enz. De hulp kwam nog vóór we eraan dachten.Den 17den October hadden Ristvedt en Wiik hun huis voltooid. Het werd dadelijk gedoopt en ontving den naam Magneet. Het muntte niet zoozeer uit door zijn aanzien, als wel door zijn ligging, want het stond boven op den top van een ongeveer dertig meter hoogen heuvel en had een prachtig uitzicht over de geheele Simpsonstraat. Nu kon er niets gebeuren, of het werd dadelijk van uit de “Magneet” ontdekt. Mocht er visite bij ons komen, ieder moest eerst daar voorbij. Indien een beer op het ijs van de baai mocht verdwalen, dadelijk zou hij van daar uit worden waargenomen. In het kort de bewoners van het huis de Magneet beheerschten den omtrek.Het huis was evenals het vorige van kisten gebouwd, die met zand werden gevuld. Het was wel geen kasteel, maar daarover waren wij het allen eens dat zij tweeën er vrijwat beter woonden dan wij aan boord. Het huis had maar één kamer, die tegelijk slaap- en werkkamer was. In den eenen hoek stond een groot en breed, uit kistenplanken getimmerd bed. De beide bewoners hadden ontdekt, dat één bed minder plaats innam dan twee, en tevens vonden dat twee in één bed gemakkelijker warm te houden waren dan één alleen, en daarin moest men hun wel gelijk geven. Alles in aanmerking genomen, was het geheel zeer doelmatig ingericht. Onmiddellijk naast het bed stond een tafel met een bank aan elken kant. De andere helft van de kamer was zoo verdeeld, dat Ristvedt zijn werkbank aan de eene zijde en Wiik zijn werktafel tot vastlegging der magnetische krommingen aan de andere had. De grond was met planken van kisthout en met rendierenvellen belegd. Het huis had ook twee vensters, een met uitzicht op de zee en een, dat naar deGjöakeek.Voor zoo ver ik weet, werden hier voor het eerst in de poolstreken kisten als bouwmateriaal gebruikt. Als men iets heeft, waarmee men ze kan vullen, zou ik er de voorkeur aan willen geven boven elk ander materiaal, heeft men echter geen zand, dan is het er anders mee gesteld. Wiik en Ristvedt woonden ongeveer twee jaren in het huis, genaamd de Magneet, en ze hadden niet willen ruilen met ons aan boord derGjöa. Luitenant Hansen en ik woonden samen in de kajuit; maar het was zeer vochtig bij ons, en we moesten den geheelen winter door ’s avonds groote stukken ijs uit onze kooien slaan. Voorin het schip woonden Lund, Hansen en Lindström, en het was daar ook wel vochtig, maar toch niet zoo erg als bij ons in de achterkajuit. Den eersten winter hadden we het heele schip met sneeuw toegesloten en toen daalde de temperatuur in de voorkajuit niet beneden het vriespunt; maar in de achterkajuit hadden wij het steeds onder nul graden. In den tweeden winter liet ik het schip open liggen, in plaats van het met sneeuw te bedekken. Ofschoon deze winter veel zachter was dan de eerste, daalde de temperatuur in de voorkajuit bij nacht toch gauw onder nul. Toen ik hierop het vaartuig weer liet toedekken, trad na korten tijd de oude toestand weer in.Uranienborg, ons astronomisch observatorium, was het laatste bouwwerk in de reeks. Op een voormiddag kwamen wij allen bijeen, om den astronoom bij den bouw van een voor hem passend huis te helpen. Hij gaf de voorkeur aan den rondbogenstijl, en we bouwden goedsmoeds een Eskimohut. Het gebouw werd niet bijzonder prachtvol, maar het kwam toch tot stand.Eens op een morgen, toen we op den heuvel stonden, om ons ontbijt onder een vroolijk praatje te verteren, en daarbij als gewoonlijk ook een beetje op rendieren loerden, wees een van ons naar het Noorden en zei:“Daar zijn ze waarachtig al weer!”En dadelijk werden de toebereidselen tot de jacht gemaakt. Maar Hansen bleef kalm naast mij staan en scheen zijn ongewoon scherpe oogen buitengewoon in te spannen.“Nu, Hansen, heb je geen lust vandaag op de rendierenjacht te gaan?”“O jawel,” zei hij, “maar niet op die rendieren daarginds, want die loopen op twee beenen.”Na die verbluffende uitspraak liep ik naar mijn verrekijker en richtte dien op de vermeende kudde rendieren. En werkelijk daar in de verte stonden vijf menschen!Eskimo’s!Nu hadden wij al steeds wijd en breed over de Eskimo’s gepraat, maar we hadden het op allerlei gronden voor heel onwaarschijnlijk gehouden, dat we met hen zouden samentreffen. We hadden al eind October, en dachten dus, dat we er dit jaar niet op behoefden te rekenen en zoo waren ze ons geheel door het hoofd gegaan.En daar waren ze nu!Alles, wat wij over deze arctische barbaren wisten, drong thans plotseling tot ons door. Met de noord-amerikaansche Eskimo’s viel volstrekt niet te spotten, dat wisten we uit de oude reisbeschrijvingen uit deze streken. Uit “Roos en Klutschak” hadden we geleerd, dat het Eskimowoord “Teima” de beste groet was, waarmee men hun tegemoet treden kon. Het beduidde ongeveer een recht hartelijk: “Goeden dag!” En wij hadden ons het woord “Teima!” in alle mogelijke uitspraken ingeprent.Intusschen viel het ons niet in, ons vertrouwen op dat eene woord te laten rusten. Het was stellig noodig de aankomenden dadelijk als vijanden te beschouwen, en we ontwierpen ons krijgsplan. Ik zou met twee man den vijand tegemoet gaan, en Hansen en Lund gaven zich terstond als vrijwilligers aan. De karabijnen werden goed onderzocht en op het ijs vóór het schip hield ik een troepenschouw; zelfs demeest kritisch gestemde veldheer zou tevreden geweest zijn over houding en uitzien van mijn troepen. Ikzelf zette een zoo krijgshaftig mogelijk gezicht, richtte mij op en commandeerde: “Voorwaarts marsch!”Met mijn dapperen dicht achter mij trad ik naar voren en wierp daarbij een blik zijwaarts naar het dek, waar de luitenant en de kok naast elkaar stonden. Het scheen mij, alsof de monsterende blikken, waarmee ze ons aankeken, geen onverdeelde bewondering uitdrukten, niet eens den noodigen ernst!“Goed zoo,” dacht ik, “zich vroolijk maken over ons is niet moeilijk, als men aan boord veilig en wel is geborgen, terwijl wij ons in het onzekere wagen en mogelijk in het open veld den dood in het aangezicht moeten zien.”De Eskimo’s waren nog ongeveer vijfhonderd meter van ons verwijderd en bewogen zich van den heuvel naar beneden op ons schip af. Ik marcheerde hun zoo martiaal mogelijk te gemoet en achter mij hoorde ik den geregelden pas van mijn manschappen. Op een afstand van ongeveer twintig meter maakten de Eskimo’s halt. Verscheiden strategische mogelijkheden gingen mij door het hoofd; offensieve beweging, defensieve, wat zou het zijn? Maar ten slotte vond ik het toch maar het best, halt te commandeeren. Ik bestudeerde de tegenpartij. De vijanden schenen zeer opgewonden, ze lachten en gesticuleerden zonder bepaald krijgshaftige manieren. Maar plotseling stelden ze zich in positie en rukten voorwaarts.“Nu goed!” dacht ik, “beter met eere sterven, dan zich te redden door een laffe vlucht.” En “Voorwaarts marsch!” commandeerde ik.Wij rukten voorwaarts, volkomen erop voorbereid, den vijand in het volgende oogenblik den boog te zien spannen en op ons te zien aanleggen. Maar neen—hij heeft blijkbaar wat anders in den zin. Een krijgslist?Plotseling dook in mijn door de spanning van den verwachten strijd opgewonden brein het woord “Teima!” op. En “Teima!” brulde ik den vijand, zoo luid ik kon, tegen.De Eskimo’s stonden plotseling stil. Maar nu is onze opwinding te groot, nu moet er een beslissing vallen, en we snellen, tot den strijd gereed, voorwaarts. Daar klinkt de roep aan mijn oor: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”En dat klinkt zoo bekend en van Mc. Clintock herkomstig; het is de hoogste en innigste vriendschapsgroet van deze Eskimo’s. In een oogwenk werpen we de geweren weg en snellen naar onze vrienden:“Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”Wij schreeuwen allen door elkander, omhelzen elkaar, kloppen elkaâr op de schouders, en ik weet niet aan welken kant de vreugde het grootst is.Onze vrienden verrasten mij grootelijks door hun uitzien. Voor kort nog hadden wij de leelijke, platneuzige Eskimo’s der noordwestkust van Groenland verlaten en hier troffen we een volksstam, waarvan enkele mannen bepaald knap waren. Twee van hen geleken Indianen en waren als uit een Cooperschen roman geknipt. Forsch van gestalte en gespierd waren ze ook. Broederlijk vereend, gingen ze naar beneden naar het schip. Klik-klik! hoorde ik des luitenants photografietoestel—klik-klik! nog eens en nog eens. Naast hem stond Lindström met zijn breedsten lach, en ik kan niet zeggen, dat ik als veldheer plechtig genoeg gestemd was.Onze gasten namen de uitnoodiging, mee aan boord te komen, verheugd aan. Op het dek lagen wel honderd verslagen rendieren opgestapeld, en de Eskimo’s zetten groote oogen op over dien vleeschvoorraad, maar zeiden niets. Wij stonden nog bij elkaar te praten en lachen en schertsen, toen Lindström mij toefluisterde, of we hun maar iets zouden voorzetten. “Zeker,” antwoordde ik en verzocht hem, koffie te koken en wat hardbrood voor hen te halen. Wij namen de gasten mee in het scheepsruim, want in de kajuit wilden we ze liever niet hebben, daar we vreesden, dat er ongewenscht gezelschap bij hen zou wezen. De noordgroenlandsche Eskimo’s zijn ten minste om hun onzindelijkheid berucht.Koffie en brood schenen hun niet recht te smaken; ze lieten merken, dat ze wel graag wat te drinken wilden hebben, en toen we hun water lieten zien, begonnen hun gezichten te stralen. Ieder van hen dronk twee liter water.Toen zei ik: “Och, Lindström, geef die rendierbout eens, die daar ginds ligt.” En ik had gelijk; dat was wat anders dan hard brood! Nu zagen wij ook, dat ze niet geheel ongewapend waren, zooals eerst scheen. Uit de schachten hunner laarzen trokken ze lange messen en in ongeloofelijk korten tijd hadden ze het vleesch van drie rendierbouten zoo schoon afgekrabd, dat enkel de naakte beenderen overbleven.Wiik en Ristvedt waren niet bij de aankomst der Eskimo’s tegenwoordig geweest, en daar ze nog niet verschenen, moesten ze van het gebeurde nog niets hebben gemerkt. Toen de gasten eindelijk met hun maaltijd gereed waren, gaf ik hun een teeken, mij te volgen en liep vóór hen uit naar Villa Magneet. Nergens was iemand te zien; ik klopte aan de deur en ging binnen. Ristvedt en Wiik zaten diep over hun boeken gebogen. De Eskimo’s hielden zich rustig achter mij.“Is het niet merkwaardig,” begon ik, “dat wij in deze afgelegen streken gasten hebben gekregen? En nog wel bekende. Sta mij toe, dat ik ze even voorstel!”Beide heeren keken verschrikt op, gingen van hun stoelen opstaan en maakten een buiging, en nu traden de Eskimo’s naar voren. Er werd een algemeen luid gelach aangeheven, en toen begon een gesprek, dat daarin bestond, dat de Eskimo’s ons op ons verzoek leerden, hoe de gebruikelijkste dingen in hun taal werden genoemd.De Eskimo’s bleven den nacht bij ons, en den volgenden morgen trokken ze naar huis. Wij hadden intusschen voldoenden tijd gehad, hun aan het verstand te brengen, dat wij graag gelooide vellen van hen wilden koopen. Toen ze zagen, wat de luitenant en ik aan de bewerking der huiden hadden gedaan, maakten ze er ongeveinsd een grapje over. Twee dagen later kwamen ze weer terug en brachten eenige mooie rendiervellen. Ik besloot nu, hen naar hun woning te vergezellen, om te zien, waar en hoe zeleefden; ze hadden ons te verstaan gegeven, dat ze op den heenweg niet behoefden te overnachten; dus kon het niet bijzonder ver wezen.Den volgenden voormiddag om half twaalf braken we op. Ik had een slede bij mij, waarop mijn slaapzak, eenig voedsel en allerlei voorwerpen waren gebonden, die ik wist, dat de Eskimo’s op prijs stelden. Met de mij aangeboren meerderheid van den Europeaan spande ik mijn gasten voor de slede. Ik zelf liep op ski en nu ging het in vollen galop voorwaarts naar het Westen. De Eskimo’s hadden niets, noch ski, noch canadeesche sneeuwschoenen, noch iets, dat er op geleek; maar de harde sneeuw droeg ze met gemak. En ik moest mij inspannen, om op mijn ski hen bij te houden.We hadden al den 9den October, en het werd vroeg donker. Ik hield het dus voor noodzakelijk, tot haast aan te manen. Toentertijd wist ik nog niet, hoe onverschillig een Eskimo is, als hij onderweg is, hetzij bij dag of bij nacht, bij helder weêr of in den dichtsten nevel, in storm of stil weer, of bij een sneeuwstorm, waarin men zijn eigen neus niet kan onderscheiden, hij geeft er niet om. Ik merkte dat eerst later bij nadere bekendheid met de menschen. Om half vier beduidden ze mij, dat we nu hun kamp naderden. En van den top van een heuvelkam zag ik in een beschutten, behagelijken hollen weg eenige lichtjes schemeren. Het was al bijna geheel duister. De Eskimo’s stieten luide vreugdekreten uit en bleken uitermate verheugd bij dien aanblik. De kleine lichtjes daar beneden waren ook inderdaad verlokkend en wekten gedachten aan warmte en welbehagen, aan spijs en drank, aan alles, wat een zwerver in een kouden, ruwen winternacht prettig moet voorkomen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Toen wij ons verstaanbaar konden maken, gaven mijn begeleiders luide schreeuwen, waarbij ik alleen het eene woord, Kabluna, witte man, verstaan kon. En de bewoners van het kamp kwamen in troepjes naar buiten. Het was een merkwaardig tooneel, dat ik mij nu in de herinnering terugroep, en dat ik nooit vergeten zal. Daarginds in het verlaten sneeuwland werd ik omringd door een schaar wilden, die als dol door elkaar schreeuwden, mij in het gelaat keken, aan mijn kleeren trokken en mij streelden. De door de ijsvensters uit de hutten dringende lichtschijn kreeg door den verdwijnenden dag en het schijnsel in het Westen een flauw donkergroene kleur.Ik verlangde intusschen naar een warm huis en naar iets om te eten; dus ging ik met Attira, die mij het best beviel, in zijn hut. Hij en zijn gezin woonden hier met Tamoktuktu en zijn familie samen. Het was een groote hut, die haar acht bewoners goed kon bevatten. Kort na onze aankomst verzamelden zich de mannelijke leden der kolonie aan een feestmaaltijd, die uit rauw rendiervleesch en water bestond. Drie geheele rendieren verdwenen zoo snel, als ik een boterham zou hebben kunnen gebruiken. De Eskimo’s lachten en praatten er onophoudelijk bij. Geen vrouwen namen aan de feestelijkheid deel. Toen ik aan de mannen trachtte te verklaren, hoe het bij ons ging en aan mevrouw Tamoktuktu een stuk vleesch reikte, lachten de Eskimo’s mij hartelijk uit.Nadat de mannen eindelijk genoeg hadden, kwam de beurt aan de vrouwen. Ze groetten mij met haar Manik-tu-mi als een goed vriend.Tegen tien uur legde ik mij in mijn slaapzak, die een plaats had gekregen op de bank tusschen beide familiën. Ik sliep tot het volkomen dag was. Maar toch had ik bij het eerste morgengrauwen al gezien, dat de mannen hun bovenlijf ontblootten en een luchtbad namen in de morgenlucht. Een frisch plezier, dacht ik, verkneukelde mij in mijn warmen zak en sliep door.In den loop van den voormiddag trok ik op huis aan. Het uit zes hutten bestaande Eskimokamp was dicht bij een groot water, dat ze Kaa-aak-ka noemden. Zij vertelden mij ook, dat Lund en Hansen er gejaagd hadden.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.Den 2den November had het vaste station zijn werk begonnen. Wiik had de zelfregistreerende magnetische instrumenten in het gebouwtje voor de waarnemingen opgesteld en deed de waarnemingen geheel alleen. Elken middag, precies om twaalf uur, verwisselde hij de plaat op de registerwals, en dat was lang niet altijd een genoegen. Als men bedenkt, dat hij zich bij 60 graden Celsius onder nul door wind en sneeuwstorm en vaak door meterhooge sneeuw een weg moest banen, dan zal men begrijpen, hoeveel flinkheid en plichtgevoel iemand moest hebben, om die taak zoo trouw te vervullen. Negentien maanden lang deed Wiik het onafgebroken; dat is een mooi record.De weerkundige waarnemingen werden driemaal daags gedaan. Wij hadden daarbij ook registreerende instrumenten, die den heelen tijd door dag en nacht in werking waren. Van dit deel van den dienst was Ristvedt de leider. Menigen zwaren strijd had hij te voeren met zijn instrumenten in koude en vocht; zijn trouwe en stipte plichtsvervulling mogen wij dankbaar erkennen.Op deGjöa-expeditie als astronoom te fungeeren was geen lichte taak. De expeditie had nog de ruimte noch de middelen, om opvouwbare huizen mee te nemen, waarin men rustig en behagelijk het goede astronomische oogenblik kan afwachten. Hier moesten de waarnemingen bij de laagste temperatuur met niets dan een kleinen sneeuwmuur ter beschutting tegen wind en sneeuw worden gedaan. Men stelle zich zulk een avond voor: veertig graden kou en ijzige bitter scherpe sneeuw! Tot tegen den avond is de lucht betrokken geweest, maar dan is het plotseling helder geworden, en de hemel is met duizend fonkelende sterren bezaaid. “Wat een wondervolle sterrenhemel!” zeggen wij, anderen. Maar de arme astronoom moet uit zijn warme kajuit naar buiten en naar den overkant achter zijn sneeuwmuur, waar hij uren lang staan en al de kwalen van een sterrenkundig waarnemer in de poollanden moet doormaken, als daar zijn, stijf gevroren vingers, met ijs overtrokken kijkers en allerlei andere rampen.Voor Lund en Hansen kwam alle arbeid, die het schip betrof. Als specialiteit had Lund nog een watergat en Hansen de honden.Jammer genoeg, kregen de honden weer dezelfde ziekte als op de heenreis. Eerst werd Tiras van het Godhavntroepje aangetast en stierf. En al vóór Kerstmis hadden we zeven van onze beste honden verloren. Ik bedacht te laat, dat het den dieren wel aan vet bij het eten ontbreken kon; ze hadden den geheelen tijd alleen mager rendiervleesch gehad.Ja, de honden! Zij eten van alles, dat bleek uit iets, dat ik met afschuw waarnam en hier vermelden wil. Overal snuffelden ze rond, om buiten de hun geregelde toegewezen porties nog het een of ander op te scharrelen. En daar hadden ze ook eens een even onverwachten als griezeligen maaltijd. Wij hadden Silla, die in hoogst interessante positie was, opgesloten in het kleine uitbouwsel van huize Magneet, waar ze haar bevalling zou afwachten. Op een mooien morgen ontvluchtte ze echter en sloeg dadelijk de richting naar het schip in. Halfweg ontmoette ze al haar cavaliers en allen waren geestdriftig over het weerzien hunner dame. Ze omringden haar en geleidden haar verder. Maar wat gebeurt? De arme Silla beviel bij verrassing, en haar kroost moest zich met een hoopje sneeuw als wieg tevreden stellen. Op een teeken van Lurven natuurlijk wierpen zich plotseling alle honden op de jongen; ieder hapte naar een en verteerde het ter plaatse. Toen Silla ontdekte, dat haar jongen verdwenen waren, stond ze op en ging verder. Maar ze werd weer verrast en het laatste jong kwam ter wereld. Om nu de andere honden te verhinderen, zich ook hiervan meester te maken, vrat Silla het liever zelf in razende haast op. Hoe ongeloofelijk het klinke, het is precies zoo gebeurd.Op den eersten Kerstdag vierden we een dubbel feest. Wiik werd dien dag 25 jaar; hij was het jongste lid der expeditie en tevens een der vroolijksten van ons allen, vol aardige geschiedenissen en anecdoten. In den loop van den voormiddag kwam de oude Eskimo Teraiu aan en werd als gelukwenscher vriendelijk opgenomen. Teraiu behoorde tot onze oudste Eskimovrienden, een van de vijf, die zich het eerst hadden vertoond. Hij zal tusschen vijftig en zestig jaar zijn geweest en was een zeer vroolijke snaak. Bij zijn stamgenooten stond hij niet al te best aangeschreven, want ze hielden hem zoowat voor een idioot; maar dat hij best zijn verstand had, zouden wij later bemerken.Hij scheen op den jaardag echter niet in feestelijke stemming te wezen. Zijn gezicht en zijn gebaren drukten neerslachtigheid uit en de tranen stonden hem in de oogen. Hij gesticuleerde en babbelde zonder samenhang en jammerde ertusschen. Wij konden niet begrijpen, wat hem scheelde. Maar ten slotte gelukte het ons toch met vereende pogingen opheldering te krijgen over zijn ellende, en wij vernamen, dat het overige deel van de stam verder was getrokken en op de schandelijkste wijze Teraiu en zijn gezin had achtergelaten. Die zagen nu den verschrikkelijken hongerdood voor oogen, als wij ons niet over hen erbarmden en hen gedurende den strengsten wintertijd bij hen lieten wonen.Natuurlijk waren wij diep geroerd door die treurige geschiedenis en beloofden hem met vrouw en kinderen bij ons op te nemen. Buitendien zei ik, dat ik binnen kort zelf naar Kaa-aak-ka zou gaan om de zaak te onderzoeken.Teraiu en het gezin kwamen al spoedig aan, en op den tweeden Kerstdag besloten wij, het uitstapje naar Kaa-aak-ka te volbrengen. Het weder was wondermooi, stil en helder. Maar de thermometer wees 24 graden koude. De luitenant, Lund, Ristvedt en ik maakten ons gereed, met Teraiu en zijn familie te vertrekken. Vóór de slede spanden we acht honden, maar overigens namen we geen groote voorzorgen in zake de uitrusting, daar we immers maar een enkelen nacht wilden uitblijven. Ieder had gezorgd voor wat hij noodig had. Over het gladde ijs van de straat ging het vliegensvlug voort en na zes uren waren we op de plaats onzer bestemming. In het kamp van Kaa-aak-ka zag alles er geheel anders uit dan bij ons vorig bezoek; ledig en uitgestorven lagen de sneeuwhutten er, zonder menschen of eenig spoor van leven. Alleen Teraiu’s hut toonde aan, dat er menschen woonden. Kajaggolo zijn vrouw bijgenaamd de “oude uil” schoof het sneeuwblok op zij, dat voor den ingang der hut lag en ging naar binnen, om vuur aan te maken. Teraiu zelf sloeg een gat in het ijs, om water te halen, en wij kozen uit de verlaten hutten die, welke ons het zindelijkst leek, en namen er voor den nacht bezit van.Op den dag na onze terugkomst bouwde Teraiu zich een hut aan den wal en woonde er tot achter in de maand Maart. In werkelijkheid was ik er niet rouwig om, dat we hem hadden opgenomen, daar hij en zijn vrouw ons van veel dienst waren. Niettegenstaande zijn ouderdom was hij gezond en taai, en zonder eenige vermoeienis te toonen, trok hij een slede van den morgen tot den avond. Hij bleek vreedzaam en eerlijk, was altijd goed gehumeurd en tot schertsen geneigd. Als bouwmeester van sneeuwhutten was hij onvergelijkelijk en van grooten dienst. Kajaggolo zijn vrouw, was stellig even oud als hij. Haar gezicht leek precies een oud, verschrompeld en verdroogd winterappeltje. Ze was ongeveer vijf voet lang en zoo vuil, dat de Eskimo’s er haar zelf om bespotten. Haar tienjarige zoon, Nutra, was net zoo vuil als zijn moeder, maar overigens wel een aardige jongen, verstandig en vol dartele invallen. Aan zijn onzindelijkheid had zijn moeder de grootste schuld. Als de Eskimo’s eenigen tijd bij ons waren geweest begonnen ze gewoonlijk ons voorbeeld te volgen, waschten zich en hielden zich zoo ongeveer schoon. Maar aan de familie Teraiu was in dit opzicht geen zalf te strijken; toen ze vertrokken, waren ze nog net zoo vuil als bij hun komst.Wanneer ik des namiddags in het magnetische observatorium voor de absolute waarnemingen was geweest, sprak ik telkens eens met de Teraiu’s, wier hut ik passeerde. Bij die bezoeken ontving Kajaggolo mij soms met een gezang, het verschrikkelijkste, dat men zich voorstellen kan, het was niet anders dan woest geschreeuw.De man en Nutra waren meestal aan boord, nu eens vóór, dan achter, overal waren ze welkom. Het liefst zaten ze in de keuken te kijken, en ofschoon Lindström de Eskimo’s niet uitstaan kon, werd toch zijn goed hart hem vaak de baas, en menig lekker hapje vloog naar de beide Eskimo’s. Teraiu en Nutra gewenden langzamerhand aan ons eten; maar Kajaggolo bleef den geheelen tijd bij haar rauw vleesch en de rauwe visschen.Toen Kerstmis en Nieuwjaar voorbij waren, moesten we in ernst aan de ontworpen sledevaart denken. De plannen, die we ontworpen hadden, waren van allerlei aard, zooals meestal met plannen in deze streken het geval is. Eindelijk werd besloten, dat ik mij met een gezel naar het magnetisch station zou begeven, en als daar alles goed ging en in orde was, zou beproeven, de Leopoldshaven op Northsomerset met de post te bereiken.Een ondersteuningsexpeditie onder leiding van luitenant Hansen en met nog één man zou ons helpen, zoolang we dat doelmatig oordeelden.Alle sleden werden nu voor den dag gehaald en nauwkeurig nagezien, om zoo noodig hersteld te worden. Overal werden werkplaatsen opgericht. Lund zou de sleden in orde brengen en practische proviandkisten timmeren; Hansen, die zeer handig was, deed het fijne werk en was ook een meester op de naaimachine. Ristvedt had een smidse bij de proviandtent en zijn eigenlijke werkplaats in het huis Magneet. Wiik leverde goed werk als reparateur van instrumenten, en de luitenant beoefende naast zijn vak van handschoenenmaken ook de wetenschap. Zijn talent oude vuisthandschoenen met gaten weer te herstellen was buitengewoon.Zooals bij alle slede-expedities in het poolland werd de vraag van de slaapzakken druk besproken. Ons uitstapje met Teraiu naar Kaa-aak-ka had ons geleerd, dat er in dat opzicht nog veel te verbeteren was, en ieder beijverde zich, om het beste uit tevinden. Onze meegebrachte zakken waren te wijd en moesten vrijwat ingenomen worden. Een slaapzak moet slechts zoo wijd wezen, dat het vel aan alle zijden aan het lichaam sluit. Maar natuurlijk mag hij ook niet spannen. Als men erin ligt en nog naar het omhulsel moet zoeken, wordt men nooit warm. Het model met een opening van boven en een schuif om den hals vond het meest bijval; ik geef er ook de voorkeur aan en kan het ieder aanbevelen.Onze tenten waren genaaid als Eskimotenten en uitstekend waren ze; er viel niets aan te verbeteren. Ze konden zelfs bij den hevigsten wind door één persoon opgezet worden, en als ze er stonden, werden ze nooit omgeblazen. Daarvan legden ze proeven af. Een verbetering werd toch nog aangebracht en wel aan de deuren. De afsluiting is al van ouds het zwakke punt bij een tent, en dus in het bijzonder daar in het Noorden in de koude. Meestal bestaat de sluiting uit een menigte haken en touwtjes, waardoor het sluiten een heel werk is, als men uit de koude binnenkomt. Ik heb buiten ons eigen systeem geen enkele tentdeur gezien, die den sneeuwstorm geheel buiten hield. Daar nu twee van ons precies hetzelfde denkbeeld hadden gehad, wil ik geen namen noemen, ook omdat de zaak haast al te eenvoudig is, maar is niet het geniale meestal het eenvoudigste? Wij naaiden namelijk een zak rondom den ingang, sneden daar den bodem uit en kropen daardoor naar buiten en naar binnen, terwijl we den zak dan met een touw dichtbonden. Een betere tentafsluiting heb ik nog nooit gezien. Gemakkelijk te openen en gemakkelijk te sluiten en volkomen dicht. Het veeljarige probleem was dus opgelost door een zak.Bij een proef, die we bij een temperatuur beneden dertig graden vorst deden, vonden we het verblijf in de tenten te koud en wij besloten toen sneeuwhutten te bouwen, die naar onze ervaring bij de Eskimo’s veel warmer waren. Het kost wel meer tijd, een sneeuwhut te maken dan een tent op te slaan, maar ik vind het van zoo verbazend groot belang, dat men na het dagwerk een goeden en behagelijken nacht doorbrengt, dat het uur van bouwen wel beloond wordt.Wijlegdenons dus met ijver toe op de sneeuwbouwkunst. Grondstof hadden we genoeg, tijd ook en in Teraiu een uitstekenden leermeester. Eerst lieten we het bouwen den oude over, terwijl we nauwkeurig toekeken. Spoedig bleek het ons, dat het vinden van de goede sneeuw een voorwaarde van slagen was. Maar daar behoort veel ervaring toe, ja, het gevoel moet iemand, om zoo te zeggen, aangeboren zijn. De Eskimo’s bedienen zich daarbij van een zeer eenvoudig werktuig, dat ze een hervond noemen en dat bestaat uit een ongeveer een meter langen, uit rendierhoorn gesneden stok, met een handvatsel van rendierhoorn aan het eene einde en een haak van een bisambeen aan het andere. Daarbij komt den Eskimo’s hun instinkt te stade, waarmee ze juist de goede plek uitvinden, waar de kans op goede sneeuw aanwezig is. Als ze hun hervond niet bij zich hebben, gebruiken ze een mes met een lang heft, dat ze aan een touw op den rug hebben hangen. Wij brachten het in het vinden der goede sneeuw niet tot groote volkomenheid, maar toch zoo ver, dat het er mee door kon.Eskimo vrouw met kind.Eskimo vrouw met kind.Met een lang mes plaatsten wij vieren, de luitenant, Ristvedt, Hansen en ik, ons elken morgen na het ontbijt vóór Teraiu’s hut, om den oude te wekken. Als we ongeveer om acht uur kwamen, lag de geheele familie nog te bed. Dan sprong Teraiu vlug op, sloop in haast in zijn kleeren, want de Eskimokleeding is wijd en ruim en laat zich gemakkelijk uit- en aantrekken. Den meesten tijd hebben ze noodig voor het aantrekken der voetbekleeding. De Eskimo is zeer bezorgd voor zijn voeten, uit vrees niet alleen, dat ze bevriezen, maar ook, dat ze gewond zouden worden bij het den heelen dag loopen over het ijs en de harde sneeuw. Met minder dan vijf lagen aan de voeten stelt hij zich daarom niet tevreden. Als dan eindelijk Teraiu zijn bovenanorak had aangetrokken, terwijl hij voor zulke korte uitstapjes zijn onderanorak thuis liet, gingen we op weg. Wij bouwden om beurten; ieder had zijn bepaalden dag. Maar Hansen was in het bouwvak beslist de meest begaafde; zijn hutten waren meesterstukken. In de vele kleine holle wegjes, die in de haven uitloopen, vonden we al gauw een bouwplaats en goede sneeuw in overvloed. Wij hadden meestal anderhalf uur noodig voor een voor ons vieren geschikte hut. Na gedanen arbeid kwamen we er samen, om de waarde te bepalen. Teraiu was telkens volgeestdrift.“Mamakpo! mamakpo!” (dat is Uitmuntend! Uitmuntend!) riep hij. Een groote vreugde voor hem was iederen keer de belooning, die hem wachtte. Hij deed niets zonder betaling. Dit beteekende wel niet veel, een stuk ijzer of hout, of wat juist bij de hand was. Hij was altijd aan het verzamelen, om te eeniger tijd voor zichzelf een slede te kunnen bouwen. Zijn eischen waren niet groot; met een paar planken van een meter lengte was hij best tevreden. De familie en haar bezittingen beteekenden immers ook niet veel, wat zou hij dan met een groote slede doen? Een philosofie, die men zich overal ten voorbeeld kan nemen.Wiik en ik deden telkens proeven, om ons vast te overtuigen, dat onze instrumenten goed in orde waren. Wiik was bestuurder van het vaste, absolute observatorium, terwijl ik mij 75 meter verder een eigen nieuw observatorium had gebouwd. Door al die gebouwen was langzamerhand een aardig dorpjerondom de Gjöa-haven verrezen. Onze waarnemingen vielen tot onze groote tevredenheid goed uit en om de instrumenten behoefde ik nu niet meer ongerust te wezen. Voor waarnemingen op elke plaats, waar ik mij bevond, had ik een zeer kleine theodoliet, die ik van Frithiof Nansen had gekregen en die hij mee naar Groenland had gehad. Ook deze werd na nauwkeurig onderzoek van den astronoom in orde bevonden.Toen volgde de belangrijke werkzaamheid, het pakken van onze sleden.Tijdens het pakken moesten de sleden onder dak wezen. Maar een zoo groote hut te bouwen, dat de beide lange sleden erin ondergebracht konden worden, hielden we voor onmogelijk. Wij wendden ons tot Teraiu om raad, die echter tegenover onze vragen een sluw lachen stelde en niets verder zei. Hij strekte beide armen uit en met begeerig stralende oogen zei hij:“Panna angi!”, dat is Groot mes. Voor de oprichting van zulk een reuzenhut wou hij een groot mes als belooning. En dat werd hem beloofd.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.Wij gingen dadelijk aan het werk. Teraiu koos een terrein van langwerpigen vorm en opdat de sleden in de nabijheid zouden zijn, werd de hut op het ijs, onmiddellijk vóór het schip gebouwd. Zij was verbazend groot, en toen het dak erop moest gezet, moest er eene heele stelling worden gemaakt. Maar ze bleek toch niet vast genoeg en de bewegingen van het ijs waren te vreezen; daarom werd ze herbouwd op den wal en bleek nu voldoende, zoodat we konden beginnen te pakken. De eene slede kreeg een lading van 350 kilogram en werd door Hansen bestuurd en getrokken door de zeven honden, die we nog hadden. De tweede had een lading van 270 kilogram en zou door ons drie mannen worden voortgetrokken.Den 28sten Februari legden we de laatste hand aan het werk, en op den morgen van den 29sten trokken wij allen met elkaar de sleden tegen den heuvelkam op, om dat moeilijk eind al dadelijk achter den rug te hebben.Boven bouwden wij een hoogen sneeuwmuur om de sleden heen en legden er zware blokken sneeuw op, om te verhinderen, dat de vossen er een bezoek aan brachten. Dan keerden we terug en brachten den laatsten avond aan boord door.Ik zag de reis kalm tegemoet. Wij waren goed uitgerust met goede en krachtige kameraden en goede honden. Een grooter aantal honden zou wel gewenscht geweest zijn, maar we hoopten ons met het zevental te kunnen behelpen.Den eersten Maart waren we reisvaardig. De thermometer wees min 53 graden Celsius; maar wij waren in den loop van Februari zoo aan de koude gewend geraakt, dat ze op ons geen bijzonderen indruk meer maakte, en we waren goed gekleed. De eenen in volslagen Eskimodracht; de anderen ten halve geciviliseerd. Naar mijne meening is de Eskimokleeding in deze streken verre te verkiezen boven onze europeesche kleeding. Maar men moet die dan ook goed doorgevoerd dragen, of in het geheel niet. Elke halfheid is uit den booze. Wollen onderkleeren zuigen al het zweet op en maken de kleederen van vellen, die men erover draagt door en door nat. Niets dan rendiervel als de Eskimo’s en de kleedingstukken zoo wijd en ruim mogelijk, opdat tusschen kleeding en lichaam de lucht circuleeren kan, daarbij behoudt men in den regel droge kleeren. Moet men zich echter onderweg zoo inspannen, dat het pak toch nat wordt, dan zijn de kleeren van vellen toch ook nog gemakkelijker te drogen dan de wollen stoffen. Wollen kleeren worden ook veel eerder vuil en dan houden ze niet meer behoorlijk warm. In dit opzicht houden zich kleeren van huiden, zonder gewasschen te worden, bijzonder goed. Een groot voordeel van vellen is ook, dat men op hetzelfde oogenblik, dat men ze aantrekt, warm en behagelijk voelt. In wollen kleederen moet men zich als een gek aanstellen,rennen en draven en Indianendansen uitvoeren, eer men behoorlijk warm is. En ten slotte zijn de velkleederen volkomen winddicht, wat natuurlijk zeer veel beteekent.Onze achterblijvende kameraden vergezelden ons tot bij de sleden op de heuvels. De honden werden aangespannen—een laatste handdruk, en daar gingen we.Hansen leidde de honden van de eene slede, maar spande zich nu en dan ook zelf ervoor. Alle zeven dieren waren nog jong, en ze konden den last slechts met moeite vooruit brengen. Luitenant Hansen, Ristvedt en ik hadden ons vóór de andere slede gespannen. De weg liep zacht omhoog, zoo zacht, dat men het met de oogen bijna niet kon zien, maar men voelde het wel. Gedurende het eerste uur ging het met frissche krachten snel vooruit, maar daarna werd het moeilijk. Hansen vorderde met zijn honden goed. Als hij merkte, dat ze trager liepen, greep hij in de teugels, dan meenden de dieren, dat er nieuwe hulp was gekomen en trokken weer aan. Ons drieën, die de andere slede trokken, ging het minder goed. Het was, alsof we haar door woestijnzand moesten trekken. Zelfs thuis in Noorwegen weten we, hoe lastig poedersneeuw zijn kan, en bij de erge kou hier was het veel lastiger. Middenin hield de slede soms plotseling stil; elke kleine ophooping van sneeuw was een beletsel. Eén, twee, drie, hallo! Dan komt ze erover. Maar het duurt niet lang, of er volgt een nieuwe hoop—weer stilhouden—aantrekken—trekken....De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.Om drie uur in den namiddag besloten we, ons kamp op te slaan. Het begon al te schemeren, en eer we een sneeuwhut klaar konden hebben, zou het bepaald heelemaal donker zijn. Nu moesten wij voor het eerst op de zoek naar goede sneeuw. Wij bevonden ons midden op een groot meer. Nergens was goede sneeuw; hoe vaak we onze messen er ook instaken, overal was ze te slap. Naar den oever was het te ver; we zouden daar niet meer bij daglicht gekomen zijn, en we konden dus niet anders doen dan blijven, waar we waren.Allereerst lieten wij de honden los. Ze hadden een zwaar werk achter zich en hadden vrijheid en rust wel verdiend. De baas onder hen was Fix, een ongewoon mooie, witgrijze hond, die het meesterschap over de anderen alleen aan zijn gebiedende houding te danken had, niet door zijn meerdere kracht. Als het tot een vechtpartij gekomen was, zou Fix klop gekregen hebben; maar hij scheen als tot heerschen geboren en hij werd gehoorzaamd. Syl was zijn grootvizier, de leelijkste hond van den ganschen troep, bruinzwart en met gluiperigen blik. De spitse, opstaande ooren, die een poolhond een zoo verstandig uitzicht geven, stonden bij Syl scheef en deden hem er dom uitzien. Zoodra het tuig was afgenomen, deed Fix, gevolgd door Syl, de ronde bij de honden, en ten teeken van onderwerping moest iedere hond zich vóór den heerscher Fix op den rug leggen, met alle vier pooten in de lucht. Als een treuzelde, schoot Syl als de wind op hem los, en die had zeer scherpe tanden. Dan kregen de honden hun eten en we waren vrij van hen en konden gaan bouwen.Wij trokken onze vuisthandschoenen aan, die uitsluitend voor het bouwen van sneeuwhutten bestemd waren, om te beletten, dat de sneeuw bij de mouwen in liep, want ze hadden lange onderstukken, die vastgebonden waren. Ieder met een wel een halven meter lang mes gewapend, begonnen we ons werk. De voor dit doel benoemde bouwmeester stak eerst een kring op den grond af en langs die lijn maakte hij een vier duim diepe geul, die dan de sneeuwblokken van den grondmuur moest dragen. Wij anderen sneden blokken, en de bouwmeester zette ze op. Een iglu, zoo noemen de Eskimo’s hun sneeuwhutten, wordt spiraalvormig, ongeveer als de bijenkorven en altijd tegen de zon in gebouwd, dus van rechts naar links. De blokken moeten een lengte van twee voeten en een hoogte van anderhalven voet hebben en vier duim dik zijn. De grootste moeilijkheid is daarin gelegen,het bovenste klaar te krijgen en het dak erop te plaatsen. Een rechten muur kan ieder wel bouwen.Daar de thermometer min 57 graden Celsius wees, werd niemand tot luiheid verleid, en het werk schoot goed op. Zoo snel mogelijk ging de kok des avonds aan den arbeid, die daarin bestond, niet alleen het eten klaar te maken, maar ook de hutten te verwarmen, en als een aangename geur van spijzen tot ons doordrong, vlotte het werk buiten wondervlug. Het laatste was, alle spleten op te zoeken, waar licht door schemerde, om ze goed dicht te stoppen. Dan keken we ook nog de sleden na, dat alles stipt vastgebonden was en toegedekt en dat vooral tegen de honden, die zeer diefachtig waren. De stumpers hadden zich tegen de hut aan, zoo goed het ging, in de sneeuw opgerold en als het fel koud was, den snuit onder den staart gestoken.Was de hut gereed, dan wierpen we een laatsten blik op de wijde stilte rondom in de verbleekende groenachtige schemering en de reeds fonkelende sterren, en na ons de sneeuw van de kleederen te hebben geklopt, kropen wij in de hut. En er was stellig op de wereld dan geen gelukkiger gezelschap dan het onze in de warme, behagelijke ruimte met het dampend heete eten en de barre sneeuwvlakte met de tintelende vorst om ons heen. Na het eten kwamen de tabakspijpen aan de beurt; en alleen de gedachte dat we den volgenden morgen ons weer moesten inspannen, kon een eind maken aan het genoegelijk samenzijn en deed ons in onze slaapzakken kruipen. De vermoeienis deed zich spoedig gelden, en weldra toonde de gelijkmatige ademhaling van vier mannen, dat ook de menschlievende god, Morpheus, een poolvaarder is.Des morgens om vijf uur, toen de kok ons wekte, zag alles er veel minder vriendelijk uit dan ’s avonds, maar een kop dampende chocolade verbeterde dan de stemming gauw. Buiten kwamen mij de sterren ongewoon groot en schitterend voor; maar het had volgens den minimumthermometer dan ook in den nacht 61.7 graden gevroren. Wij hadden er weinig van gevoeld, en we konden onze uitrusting prijzen, die ons met onze goede sneeuwhut de kou van het lijf had gehouden. Wat voelden we haar in de vingertoppen, als we bij het werk de handschoenen moesten uittrekken! Dan werden de vingers dadelijk wit en men moest ze dan doen herleven, of door de handschoenen gauw weer aan te trekken of nog beter door ze op de manier der Eskimo’s tegen het bloote lichaam te houden.De honden lagen nog precies zooals wij ze in den avond hadden verlaten, behalve Fix en Syl, die op kattekwaad uit waren. Wij ondervonden ook, hoe totaal onmogelijk het was, de honden zoo vast te maken, dat ze niet los komen konden. Ze wisten zich altijd los te werken, namelijk als ze het volstrekt wilden. Enkele hielden zich steeds rustig, maar als er een los was, gingen de anderen aan het huilen, prettig was het niet, als men uit zijn slaapzak naar buiten moest, om de honden tot rust te brengen.Toen dien eersten morgen alles in orde was, braken we op. Naar de ervaring van den vorigen dag zetten we onder de met nieuwzilver beslagen sleden weer houten platen, omdat bij de scherpe kou de sleden op hout veel beter liepen. Het beste, wat men eraan doen kan, is er een fijn overtrek van ijs op te laten komen, zooals de Eskimo’s doen, maar daarin hadden wij nog geen ervaring.De afstandsmeter was op de hondenslede aangebracht; het was een oud rad van de tweede Fram expeditie, maar nog in voortreffelijken toestand. Trots al onze inspanning scheen echter het rad stil te staan, zoo langzaam kwamen we vooruit. Wat onze moeite nog vermeerderde, was een fijne, scherpe tegenwind, die iemand de onbedekte deelen van het aangezicht bepaald openscheurde. Voortdurend moest de een het gezicht van den ander bekijken, en dan vonden we meestal een bevroren neus of een spierwitte wang. Dan deden wij wat de Eskimo’s doen; we trokken een warme hand uit den vuisthandschoen en legden haar op de bevroren plaats, tot het bloed er weer circuleerde. Het oude huismiddel van de plaats met sneeuw in te wrijven, had ik al lang verworpen; de Eskimo’s wisten daar ook niets van. Terwijl de infaam scherpe wind ons de ijsnaalden bij min 50 graden als zweepslagen in het gezicht joeg, schenen de honden daar in het geheel niet onder te lijden. Maar de arme dieren plaagden zich erbarmelijk, vooral in de eerste morgenuren, waarin ze nog stijf van den vorigen dag waren. Ook wij menschen hadden zwaar te trekken. En ik zag in, dat we bij deze manier van reizen zeer weinig zouden uitrichten.Daar er nog op den tweeden, noch op den derden dag in de temperatuur eenige verandering kwam, besloot ik na ruggespraak met mijn kameraden eenvoudig terug te keeren en zachter weer af te wachten. Op den morgen van den derden dag legden we dus een deel van onze voorraden als dépôt in de sneeuwhut en sloten de opening goed af. De ligging der hut werd nauwkeurig opgenomen; een vlag erop gestoken en geheel gephotografeerd.Nu richtten we onzen koers weer naar de Gjöahaven. De honden bemerkten spoedig, in welke richting het thans voorwaarts ging, en ook wij menschen voelden ons zeer verlicht, dat ons nutteloos worstelen aan een eind zou komen. En zie daar, de weg, waar we twee en een halven dag over hadden gedaan, een eind van tien kilometer, werd nu in vier uren afgelegd. Maar nu waren dan ook onze sleden belangrijk lichter.Om elf uur in den voormiddag verrasten we onze kameraden op deGjöadoor onze onverwacht spoedige terugkomst.Op den 16den Maart ondernamen we een tweeden sledetocht, vonden het dépôt in goede orde en trokken verder noordwaarts; wij hadden nu een met tien honden bespannen slede bij ons. Het was des morgens 40 graden onder nul, zeer goed voor ons te verdragen. Terwijl we op weg waren naar het eiland Matty, zagen wij in de verte op het ijs een zwart punt. Hansen met zijn scherpe oogen verklaarde dadelijk, dat het een Eskimo was, die naar ons toekwam. Spoedig doken meer op tusschen de ijsschollen, en in een oogenblik hadden we 34 mannen en jongens op een afstand van tweehonderd meter voor ons. Zij bleven staan en keken naar ons, zonder het voornemenaan den dag te leggen, om naderbij te komen. Ik voelde mij nu natuurlijk veel zekerder dan bij mijn eerste samentreffen met Eskimo’s; mijn kennis van de taal had ook veel gewonnen en dus besloot ik, naar hen toe te gaan. Toch hadden we onze geweren geladen en Hansen hield er de wacht bij. Toen ik zeer dichtbij was, riep ik: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”Als een electrieke schok ging het door de menigte. Een 34voudig Manik-tu-mi klonk mij tegemoet. Hansen kwam achter mij aan; de vreugde en de geestdrift der Eskimo’s waren bepaald roerend. Het waren Netsjilli-Eskimo’s, die ons ontdekt hadden op hun reis naar hun plaatsen van de zeehondenvangst. Ieder had een speer in de hand en een hond aan een riem achter zich aan. Buitendien waren ze voorzien van groote sneeuwmessen. Ze maakten den indruk van beter en zindelijker gekleed te wezen dan onze eerste vrienden, de Ogluli-Eskimo’s. Toen ik naar hun kamp vroeg, wezen ze oostwaarts tusschen de ijsbergen. Ik had grooten lust, deze menschen nader te leeren kennen en zei, dat ik graag met hen naar hun kamp wilde gaan. Daarover waren ze uitgelaten blij; ze hielpen ons dadelijk de sleden verder trekken, door al hun honden ervoor te spannen. Nu hadden we een voorraad honden, dat het een aard had!Na een uur klonk plotseling een luid geschreeuw van de Eskimo’s en wij zagen tusschen de ijsbergen een menigte hutten van den vorm van een hooiberg. Het was het grootste kamp, dat ik nog gezien had, 16 hutten te zamen. Het zag er uitgestorven uit. Al spoedig vertoonden zich de vrouwen, geen schoonheden, de kleeren met vet en roet besmeerd, en grauwe haren uitkomend onder de kap. Bij de eerste kennismaking vonden wij de Netsjilli-Eskimo’s allen leelijk, maar later oordeelden we anders, al bleven we de Ogluli’s veel knapper vinden. Ze bouwden een prachtige sneeuwhut voor ons, nadat ze gelachen hadden om de pogingen, die wijzelven deden. Wij werden zeer bevriend met hen, en toen we den volgenden dag verder trokken, vergezelde ons Poieta, een jonge broeder van hun hoofd Atikleura. Wij kwamen tot in de nabijheid van het eiland Matty, maar het weer was zoo slecht, dat Poieta ons afried verder te gaan. We hadden weer een Eskimo-nederzetting van zes hutten gevonden, maar dit waren bedelachtige menschen, en toen wij den volgenden morgen opbraken, misten we een mes, een zaag en een bijl, die we eerst na veel gekijf terugkregen. Een dépôt in de buurt van deze menschen aan te leggen, was dus uitgesloten.Dan keerden wij weer naar de Netsjilli’s terug, die op het punt stonden naar zuidelijker streken te verhuizen voor de zeehondenvangst. Bij die gelegenheid verzocht ik hen, ons naar ons schip te vergezellen. Den 25sten Maart vertrokken wij allen te zamen en den volgenden dag kwamen wij aan boord, maar de Eskimo’s moesten eerst nog hun jacht volvoeren. Ik had hun de plek van de ligging derGjöaaangeduid, en ze begrepen mij goed en noemden ze evenals de Ogluli’s hadden gedaan, Ogchjoktu.De omstandigheden hadden mij ook ditmaal verhinderd, zoo ver te komen, als ik graag wou, maar we moesten tevreden wezen, dat we een dépôt toch zooveel verder het land in hadden aangelegd. We hadden het onder de hoede der Netsjilli’s gelaten. Op den dag na onzen terugkeer kwamen al onze dertig Eskimovrienden met Ristvedt en den luitenant, die hen op het ijs hadden aangetroffen, aan. Het werd druk in onze buurt. De Eskimo’s bouwden zich een rij hutten in het Lindströmdal, een der kleine holle wegen, die van de haven naar boven voerden.Den voorjaarssledetocht begonnen we in April, vonden het vroegere dépôt nog in den besten staat, wat wel pleit voor de betrouwbaarheid der Netsjilli-Eskimo’s, en deden een reis langs de kust van Boothia Felix, sloegen ons noordelijkste kamp op ten zuiden van de Tasmania-eilanden en sloegen den 7den Mei den terugweg in. Het doel was nu, ons dépôt te halen en er de Victoriahaven mee te bereiken, waar Ross met de Victoria had overwinterd en waar een reeks magnetische waarnemingen zeer interessant zou zijn; maar tot de uitvoering van dit plan kwam het niet. Ik leed aan mijn linkervoet, moest eenige dagen rust nemen en ten overvloede was het dépôt dezen keer geplunderd, zoodat we geen keus hadden en naar deGjöaterugkeerden.Den 5den Juli trokken we er op uit voor een gecombineerde opmetings- en magnetische expeditie. Van allerlei kanten kwamen Eskimo’s naar ons toe en we konden hulp krijgen, zooveel als we wilden. Wij waren voor veertien dagen van proviand voorzien en namen de Eskimo’s Ugpi en Talurnakto mee. De eerste, die de “Uil” bijgenaamd werd, had lang zwart haar en een open eerlijk gezicht. Hij was een uitstekend vogel- en rendierjager. Hij was ongeveer dertig en was getrouwd met Kabloka, een meisje van zeventien jaar. Ze hadden geen kinderen. De moeder van den Uil, die bij hen woonde, was Anana, die evenals de heele familie beheerscht werd door Umiktuallu, den ouderen broeder van Ugpi. Diens vrouw Onaller kon geweldig kijven. Het heftige karakter van Umiktuallu bleek bij een gelegenheid, die allertreurigste gevolgen had. Hij had drie kinderen en een pleegzoon. Eens toen het zevenjarig jongetje het geladen geweer van den wand had genomen en het den pleegzoon overreikte, ging het schot af en het kleinste jongetje viel dood neer. De oudere bleef verschrikt staan en Umiktuallu, die aan kwam loopen stiet zijn pleegzoon in drift en wanhoop zijn mes in het hart. In één graf werden de beide knapen begraven en Umiktuallu verliet na het gebeurde met zijn gezin het kamp.

De kisten worden op het land opgeslagen.De kisten worden op het land opgeslagen.Den 29sten werd tot slot het geheele schip met zeildoek overtrokken; toen waren we volkomen klaar aan boord en konden wèl voorbereid den winter te gemoet zien.Den eersten October zag alles er wintersch uit. Het door den noordoostenwind tegen het schip gestuwde zeewater bevroor oogenblikkelijk en bekleedde deGjöamet een dicht pantser. De stuivende sneeuw woei ons in de oogen en verbond zich in het water tot een soort van brij, waar de halve haven mee bedekt was. Dat was het begin van de ijsvorming, en toen de wind verflauwde, hadden we draagkrachtig ijs.In den nacht was intusschen het schip naar den oever gedreven, want onze ankers hadden geen houvast genoeg gehad. Dat was niet erg, maar als het ijs in ernst vast werd, kon deGjöaom den springvloed niet op het bij eb blootliggend strand blijven, en zoodra dan ook den volgenden dag de wind bedaarde, trokken we het schip naar buiten en verankerden het op vijftig meter afstands van het strand. Verder van de dierbare proviandtent wilden we niet graag zijn.Den 3den October hadden we een bruikbaren weg over het ijs naar het land.Wij zagen dat najaar kudde na kudde van rendieren en konden zooveel bemachtigen als we wilden. Het ijs vroor denkelijk dat jaar anders dicht dan anders, en toen de dieren bij hun gewone overgangsplaats van King Williamsland naar het vasteland open water vonden, trokken ze de kust langs, om een nieuwe plek voor den overtocht te zoeken.Er lag nu een dik sneeuwdek, en daar het land eentonig is en zonder verheffingen van beteekenis, was het dikwijls moeilijk, de goede richting te houden. Eens waren we in twee partijen erop uit geweest, om vleesch binnen te rijden, de luitenant en ik, Ristvedt en Wiik. Het was al volkomen donker, toen luitenant Hansen en ik weer aan boord terugkeerden. Maar de anderen waren nog niet gekomen; ze kwamen eerst een paar uur later. Zij waren al mooi op weg geweest, de Noordwestelijke Doorvaart op eigen gelegenheid en per hondenslede te vinden, want in de duisternis waren ze, zonder het te merken, de haven voorbijgegaan en toen in westelijke richting verder gegaan. Toen ze ten laatste bespeurden, dat ze verdwaald waren, lieten ze de sleden achter en gingen langs het strand naar huis.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.In dezen tijd kregen ook de honden, die tot nu toe onder den vrijen hemel hadden gekampeerd, hun hondenhuis. Het werd ingewerkt in een geweldigen sneeuwhoop. Een van onze booten werd er als dak overheen gelegd, en daar stond het mooiste hondehok, dat men zich kan voorstellen. Het heele gebouw werd met sneeuwwater overgoten en vormde daardoor een vast geheel. Het was in twee deelen verdeeld; in de eene helft woonde het oude tweetal van de Fram en in de andere de Godhavntroep.Tegelijk werd voor een belangrijke aangelegenheid gezorgd. In het ijs aan stuurboordzijde werd een gat gehouwen en een sneeuwhuis werd er overheen gebouwd. Het gat werd den heelen winter door opengehouden, opdat men in geval van brand water bij de hand zou hebben. De inrichting werd het brandstation genoemd, en Lund werd tot chef ervan gekozen. Maar brandweerhoofdman van deGjöate zijn, was geen zeer benijdenswaardige positie. Elken morgen moest hij naar buiten, om voor het openhouden van het gat te zorgen. Als het ijs een dikte van bijna vier meter had bereikt, als in onzen eersten winter, is dat geen lichte taak.De nieuwe sneeuw was thans zoo stevig samengebakken, dat ze een uitstekend bouwmateriaal opleverde. Ik ging daarom met Lund en Hansen het gebouw oprichten, waarin we in den loop van den winter de absolute magnetische waarnemingen konden doen. Er werd een van het andere 75 meter verwijderd gebouwtje gezet in de richting van den magnetischen meridiaan. Wij haalden het bouwmateriaal uit een dichtbij zijnd hol wegje, waar de sneeuw in groote hoeveelheid hard was saamgebakken. Het huis zou acht meter lang, twee meter breed en een meter tachtig hoog worden. De blokken werden met de zaag uit de sneeuw gezaagd.Hoe dicht de sneeuw was, blijkt wel daaruit, dat de blokken gemiddeld honderd kilogram wogen. Toen we de laatste rij er boven op legden, hadden we drie man noodig, om ze op hun plaats te tillen. Voor het dak werd dunne, doorzichtige stof aaneengenaaid en erover getrokken. Op die manier kregen we een uitstekend huis voor de absolute magnetische waarnemingen.Onze smidse te Port-Gjöa.Onze smidse te Port-Gjöa.Daar de koude nu kwam opzetten en al meer voelbaar werd, moesten we ook aan onze persoonlijke winteruitrusting denken. Door onze gelukkige rendierjachten hadden wij een menigte prachtige vellen gewonnen. Hoe men die looien en tot onderkleeding verwerken kon, daarover braken de luitenant en ik ons telkens weer het hoofd. Bovenkleeren van rendiervel hadden we van huis meegebracht; daarover behoefden we ons geen zorg te maken, maar als we zachte, fijne onderkleeren hadden kunnen krijgen, zou dat heerlijk zijn geweest. Wij kozen nu alle huiden der jonge kalvers uit, sleepten ze in de kajuit en begonnen met ons werk. Geen van ons had een flauw vermoeden, hoe wij het aanleggen moesten. Wij wisten wel, dat men de vellen moest uitspreiden, om ze te drogen, maar of dat bij een zwak of een sterk vuur moest gebeuren, daar wisten we niets van. De luitenant keek naar mij en ik naar hem, en wij kwamen tot het besluit, dat hetgoed zou wezen, de vellen onder de zoldering uit te spannen. Zooveel vellen als er maar met mogelijkheid plaats konden vinden, werden uitgespannen, en weldra leek de kajuit op een mengeling van een slagerij en een looierij. Dagelijks bevoelden we de huiden, en als wij ze voor droog genoeg hielden, namen we ze af en begonnen het werk. Wat gaven we ons een moeite! Wij zouden graag resultaten bereiken, en hoe ver we het hadden kunnen brengen, is niet te zeggen. Bij gebrek aan iets beters zouden we wel stof voor onderkleeren klaar gekregen hebben, al was het dan niet eerste qualiteit. Maar als de nood op het hoogst is enz. De hulp kwam nog vóór we eraan dachten.Den 17den October hadden Ristvedt en Wiik hun huis voltooid. Het werd dadelijk gedoopt en ontving den naam Magneet. Het muntte niet zoozeer uit door zijn aanzien, als wel door zijn ligging, want het stond boven op den top van een ongeveer dertig meter hoogen heuvel en had een prachtig uitzicht over de geheele Simpsonstraat. Nu kon er niets gebeuren, of het werd dadelijk van uit de “Magneet” ontdekt. Mocht er visite bij ons komen, ieder moest eerst daar voorbij. Indien een beer op het ijs van de baai mocht verdwalen, dadelijk zou hij van daar uit worden waargenomen. In het kort de bewoners van het huis de Magneet beheerschten den omtrek.Het huis was evenals het vorige van kisten gebouwd, die met zand werden gevuld. Het was wel geen kasteel, maar daarover waren wij het allen eens dat zij tweeën er vrijwat beter woonden dan wij aan boord. Het huis had maar één kamer, die tegelijk slaap- en werkkamer was. In den eenen hoek stond een groot en breed, uit kistenplanken getimmerd bed. De beide bewoners hadden ontdekt, dat één bed minder plaats innam dan twee, en tevens vonden dat twee in één bed gemakkelijker warm te houden waren dan één alleen, en daarin moest men hun wel gelijk geven. Alles in aanmerking genomen, was het geheel zeer doelmatig ingericht. Onmiddellijk naast het bed stond een tafel met een bank aan elken kant. De andere helft van de kamer was zoo verdeeld, dat Ristvedt zijn werkbank aan de eene zijde en Wiik zijn werktafel tot vastlegging der magnetische krommingen aan de andere had. De grond was met planken van kisthout en met rendierenvellen belegd. Het huis had ook twee vensters, een met uitzicht op de zee en een, dat naar deGjöakeek.Voor zoo ver ik weet, werden hier voor het eerst in de poolstreken kisten als bouwmateriaal gebruikt. Als men iets heeft, waarmee men ze kan vullen, zou ik er de voorkeur aan willen geven boven elk ander materiaal, heeft men echter geen zand, dan is het er anders mee gesteld. Wiik en Ristvedt woonden ongeveer twee jaren in het huis, genaamd de Magneet, en ze hadden niet willen ruilen met ons aan boord derGjöa. Luitenant Hansen en ik woonden samen in de kajuit; maar het was zeer vochtig bij ons, en we moesten den geheelen winter door ’s avonds groote stukken ijs uit onze kooien slaan. Voorin het schip woonden Lund, Hansen en Lindström, en het was daar ook wel vochtig, maar toch niet zoo erg als bij ons in de achterkajuit. Den eersten winter hadden we het heele schip met sneeuw toegesloten en toen daalde de temperatuur in de voorkajuit niet beneden het vriespunt; maar in de achterkajuit hadden wij het steeds onder nul graden. In den tweeden winter liet ik het schip open liggen, in plaats van het met sneeuw te bedekken. Ofschoon deze winter veel zachter was dan de eerste, daalde de temperatuur in de voorkajuit bij nacht toch gauw onder nul. Toen ik hierop het vaartuig weer liet toedekken, trad na korten tijd de oude toestand weer in.Uranienborg, ons astronomisch observatorium, was het laatste bouwwerk in de reeks. Op een voormiddag kwamen wij allen bijeen, om den astronoom bij den bouw van een voor hem passend huis te helpen. Hij gaf de voorkeur aan den rondbogenstijl, en we bouwden goedsmoeds een Eskimohut. Het gebouw werd niet bijzonder prachtvol, maar het kwam toch tot stand.Eens op een morgen, toen we op den heuvel stonden, om ons ontbijt onder een vroolijk praatje te verteren, en daarbij als gewoonlijk ook een beetje op rendieren loerden, wees een van ons naar het Noorden en zei:“Daar zijn ze waarachtig al weer!”En dadelijk werden de toebereidselen tot de jacht gemaakt. Maar Hansen bleef kalm naast mij staan en scheen zijn ongewoon scherpe oogen buitengewoon in te spannen.“Nu, Hansen, heb je geen lust vandaag op de rendierenjacht te gaan?”“O jawel,” zei hij, “maar niet op die rendieren daarginds, want die loopen op twee beenen.”Na die verbluffende uitspraak liep ik naar mijn verrekijker en richtte dien op de vermeende kudde rendieren. En werkelijk daar in de verte stonden vijf menschen!Eskimo’s!Nu hadden wij al steeds wijd en breed over de Eskimo’s gepraat, maar we hadden het op allerlei gronden voor heel onwaarschijnlijk gehouden, dat we met hen zouden samentreffen. We hadden al eind October, en dachten dus, dat we er dit jaar niet op behoefden te rekenen en zoo waren ze ons geheel door het hoofd gegaan.En daar waren ze nu!Alles, wat wij over deze arctische barbaren wisten, drong thans plotseling tot ons door. Met de noord-amerikaansche Eskimo’s viel volstrekt niet te spotten, dat wisten we uit de oude reisbeschrijvingen uit deze streken. Uit “Roos en Klutschak” hadden we geleerd, dat het Eskimowoord “Teima” de beste groet was, waarmee men hun tegemoet treden kon. Het beduidde ongeveer een recht hartelijk: “Goeden dag!” En wij hadden ons het woord “Teima!” in alle mogelijke uitspraken ingeprent.Intusschen viel het ons niet in, ons vertrouwen op dat eene woord te laten rusten. Het was stellig noodig de aankomenden dadelijk als vijanden te beschouwen, en we ontwierpen ons krijgsplan. Ik zou met twee man den vijand tegemoet gaan, en Hansen en Lund gaven zich terstond als vrijwilligers aan. De karabijnen werden goed onderzocht en op het ijs vóór het schip hield ik een troepenschouw; zelfs demeest kritisch gestemde veldheer zou tevreden geweest zijn over houding en uitzien van mijn troepen. Ikzelf zette een zoo krijgshaftig mogelijk gezicht, richtte mij op en commandeerde: “Voorwaarts marsch!”Met mijn dapperen dicht achter mij trad ik naar voren en wierp daarbij een blik zijwaarts naar het dek, waar de luitenant en de kok naast elkaar stonden. Het scheen mij, alsof de monsterende blikken, waarmee ze ons aankeken, geen onverdeelde bewondering uitdrukten, niet eens den noodigen ernst!“Goed zoo,” dacht ik, “zich vroolijk maken over ons is niet moeilijk, als men aan boord veilig en wel is geborgen, terwijl wij ons in het onzekere wagen en mogelijk in het open veld den dood in het aangezicht moeten zien.”De Eskimo’s waren nog ongeveer vijfhonderd meter van ons verwijderd en bewogen zich van den heuvel naar beneden op ons schip af. Ik marcheerde hun zoo martiaal mogelijk te gemoet en achter mij hoorde ik den geregelden pas van mijn manschappen. Op een afstand van ongeveer twintig meter maakten de Eskimo’s halt. Verscheiden strategische mogelijkheden gingen mij door het hoofd; offensieve beweging, defensieve, wat zou het zijn? Maar ten slotte vond ik het toch maar het best, halt te commandeeren. Ik bestudeerde de tegenpartij. De vijanden schenen zeer opgewonden, ze lachten en gesticuleerden zonder bepaald krijgshaftige manieren. Maar plotseling stelden ze zich in positie en rukten voorwaarts.“Nu goed!” dacht ik, “beter met eere sterven, dan zich te redden door een laffe vlucht.” En “Voorwaarts marsch!” commandeerde ik.Wij rukten voorwaarts, volkomen erop voorbereid, den vijand in het volgende oogenblik den boog te zien spannen en op ons te zien aanleggen. Maar neen—hij heeft blijkbaar wat anders in den zin. Een krijgslist?Plotseling dook in mijn door de spanning van den verwachten strijd opgewonden brein het woord “Teima!” op. En “Teima!” brulde ik den vijand, zoo luid ik kon, tegen.De Eskimo’s stonden plotseling stil. Maar nu is onze opwinding te groot, nu moet er een beslissing vallen, en we snellen, tot den strijd gereed, voorwaarts. Daar klinkt de roep aan mijn oor: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”En dat klinkt zoo bekend en van Mc. Clintock herkomstig; het is de hoogste en innigste vriendschapsgroet van deze Eskimo’s. In een oogwenk werpen we de geweren weg en snellen naar onze vrienden:“Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”Wij schreeuwen allen door elkander, omhelzen elkaar, kloppen elkaâr op de schouders, en ik weet niet aan welken kant de vreugde het grootst is.Onze vrienden verrasten mij grootelijks door hun uitzien. Voor kort nog hadden wij de leelijke, platneuzige Eskimo’s der noordwestkust van Groenland verlaten en hier troffen we een volksstam, waarvan enkele mannen bepaald knap waren. Twee van hen geleken Indianen en waren als uit een Cooperschen roman geknipt. Forsch van gestalte en gespierd waren ze ook. Broederlijk vereend, gingen ze naar beneden naar het schip. Klik-klik! hoorde ik des luitenants photografietoestel—klik-klik! nog eens en nog eens. Naast hem stond Lindström met zijn breedsten lach, en ik kan niet zeggen, dat ik als veldheer plechtig genoeg gestemd was.Onze gasten namen de uitnoodiging, mee aan boord te komen, verheugd aan. Op het dek lagen wel honderd verslagen rendieren opgestapeld, en de Eskimo’s zetten groote oogen op over dien vleeschvoorraad, maar zeiden niets. Wij stonden nog bij elkaar te praten en lachen en schertsen, toen Lindström mij toefluisterde, of we hun maar iets zouden voorzetten. “Zeker,” antwoordde ik en verzocht hem, koffie te koken en wat hardbrood voor hen te halen. Wij namen de gasten mee in het scheepsruim, want in de kajuit wilden we ze liever niet hebben, daar we vreesden, dat er ongewenscht gezelschap bij hen zou wezen. De noordgroenlandsche Eskimo’s zijn ten minste om hun onzindelijkheid berucht.Koffie en brood schenen hun niet recht te smaken; ze lieten merken, dat ze wel graag wat te drinken wilden hebben, en toen we hun water lieten zien, begonnen hun gezichten te stralen. Ieder van hen dronk twee liter water.Toen zei ik: “Och, Lindström, geef die rendierbout eens, die daar ginds ligt.” En ik had gelijk; dat was wat anders dan hard brood! Nu zagen wij ook, dat ze niet geheel ongewapend waren, zooals eerst scheen. Uit de schachten hunner laarzen trokken ze lange messen en in ongeloofelijk korten tijd hadden ze het vleesch van drie rendierbouten zoo schoon afgekrabd, dat enkel de naakte beenderen overbleven.Wiik en Ristvedt waren niet bij de aankomst der Eskimo’s tegenwoordig geweest, en daar ze nog niet verschenen, moesten ze van het gebeurde nog niets hebben gemerkt. Toen de gasten eindelijk met hun maaltijd gereed waren, gaf ik hun een teeken, mij te volgen en liep vóór hen uit naar Villa Magneet. Nergens was iemand te zien; ik klopte aan de deur en ging binnen. Ristvedt en Wiik zaten diep over hun boeken gebogen. De Eskimo’s hielden zich rustig achter mij.“Is het niet merkwaardig,” begon ik, “dat wij in deze afgelegen streken gasten hebben gekregen? En nog wel bekende. Sta mij toe, dat ik ze even voorstel!”Beide heeren keken verschrikt op, gingen van hun stoelen opstaan en maakten een buiging, en nu traden de Eskimo’s naar voren. Er werd een algemeen luid gelach aangeheven, en toen begon een gesprek, dat daarin bestond, dat de Eskimo’s ons op ons verzoek leerden, hoe de gebruikelijkste dingen in hun taal werden genoemd.De Eskimo’s bleven den nacht bij ons, en den volgenden morgen trokken ze naar huis. Wij hadden intusschen voldoenden tijd gehad, hun aan het verstand te brengen, dat wij graag gelooide vellen van hen wilden koopen. Toen ze zagen, wat de luitenant en ik aan de bewerking der huiden hadden gedaan, maakten ze er ongeveinsd een grapje over. Twee dagen later kwamen ze weer terug en brachten eenige mooie rendiervellen. Ik besloot nu, hen naar hun woning te vergezellen, om te zien, waar en hoe zeleefden; ze hadden ons te verstaan gegeven, dat ze op den heenweg niet behoefden te overnachten; dus kon het niet bijzonder ver wezen.Den volgenden voormiddag om half twaalf braken we op. Ik had een slede bij mij, waarop mijn slaapzak, eenig voedsel en allerlei voorwerpen waren gebonden, die ik wist, dat de Eskimo’s op prijs stelden. Met de mij aangeboren meerderheid van den Europeaan spande ik mijn gasten voor de slede. Ik zelf liep op ski en nu ging het in vollen galop voorwaarts naar het Westen. De Eskimo’s hadden niets, noch ski, noch canadeesche sneeuwschoenen, noch iets, dat er op geleek; maar de harde sneeuw droeg ze met gemak. En ik moest mij inspannen, om op mijn ski hen bij te houden.We hadden al den 9den October, en het werd vroeg donker. Ik hield het dus voor noodzakelijk, tot haast aan te manen. Toentertijd wist ik nog niet, hoe onverschillig een Eskimo is, als hij onderweg is, hetzij bij dag of bij nacht, bij helder weêr of in den dichtsten nevel, in storm of stil weer, of bij een sneeuwstorm, waarin men zijn eigen neus niet kan onderscheiden, hij geeft er niet om. Ik merkte dat eerst later bij nadere bekendheid met de menschen. Om half vier beduidden ze mij, dat we nu hun kamp naderden. En van den top van een heuvelkam zag ik in een beschutten, behagelijken hollen weg eenige lichtjes schemeren. Het was al bijna geheel duister. De Eskimo’s stieten luide vreugdekreten uit en bleken uitermate verheugd bij dien aanblik. De kleine lichtjes daar beneden waren ook inderdaad verlokkend en wekten gedachten aan warmte en welbehagen, aan spijs en drank, aan alles, wat een zwerver in een kouden, ruwen winternacht prettig moet voorkomen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Toen wij ons verstaanbaar konden maken, gaven mijn begeleiders luide schreeuwen, waarbij ik alleen het eene woord, Kabluna, witte man, verstaan kon. En de bewoners van het kamp kwamen in troepjes naar buiten. Het was een merkwaardig tooneel, dat ik mij nu in de herinnering terugroep, en dat ik nooit vergeten zal. Daarginds in het verlaten sneeuwland werd ik omringd door een schaar wilden, die als dol door elkaar schreeuwden, mij in het gelaat keken, aan mijn kleeren trokken en mij streelden. De door de ijsvensters uit de hutten dringende lichtschijn kreeg door den verdwijnenden dag en het schijnsel in het Westen een flauw donkergroene kleur.Ik verlangde intusschen naar een warm huis en naar iets om te eten; dus ging ik met Attira, die mij het best beviel, in zijn hut. Hij en zijn gezin woonden hier met Tamoktuktu en zijn familie samen. Het was een groote hut, die haar acht bewoners goed kon bevatten. Kort na onze aankomst verzamelden zich de mannelijke leden der kolonie aan een feestmaaltijd, die uit rauw rendiervleesch en water bestond. Drie geheele rendieren verdwenen zoo snel, als ik een boterham zou hebben kunnen gebruiken. De Eskimo’s lachten en praatten er onophoudelijk bij. Geen vrouwen namen aan de feestelijkheid deel. Toen ik aan de mannen trachtte te verklaren, hoe het bij ons ging en aan mevrouw Tamoktuktu een stuk vleesch reikte, lachten de Eskimo’s mij hartelijk uit.Nadat de mannen eindelijk genoeg hadden, kwam de beurt aan de vrouwen. Ze groetten mij met haar Manik-tu-mi als een goed vriend.Tegen tien uur legde ik mij in mijn slaapzak, die een plaats had gekregen op de bank tusschen beide familiën. Ik sliep tot het volkomen dag was. Maar toch had ik bij het eerste morgengrauwen al gezien, dat de mannen hun bovenlijf ontblootten en een luchtbad namen in de morgenlucht. Een frisch plezier, dacht ik, verkneukelde mij in mijn warmen zak en sliep door.In den loop van den voormiddag trok ik op huis aan. Het uit zes hutten bestaande Eskimokamp was dicht bij een groot water, dat ze Kaa-aak-ka noemden. Zij vertelden mij ook, dat Lund en Hansen er gejaagd hadden.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.Den 2den November had het vaste station zijn werk begonnen. Wiik had de zelfregistreerende magnetische instrumenten in het gebouwtje voor de waarnemingen opgesteld en deed de waarnemingen geheel alleen. Elken middag, precies om twaalf uur, verwisselde hij de plaat op de registerwals, en dat was lang niet altijd een genoegen. Als men bedenkt, dat hij zich bij 60 graden Celsius onder nul door wind en sneeuwstorm en vaak door meterhooge sneeuw een weg moest banen, dan zal men begrijpen, hoeveel flinkheid en plichtgevoel iemand moest hebben, om die taak zoo trouw te vervullen. Negentien maanden lang deed Wiik het onafgebroken; dat is een mooi record.De weerkundige waarnemingen werden driemaal daags gedaan. Wij hadden daarbij ook registreerende instrumenten, die den heelen tijd door dag en nacht in werking waren. Van dit deel van den dienst was Ristvedt de leider. Menigen zwaren strijd had hij te voeren met zijn instrumenten in koude en vocht; zijn trouwe en stipte plichtsvervulling mogen wij dankbaar erkennen.Op deGjöa-expeditie als astronoom te fungeeren was geen lichte taak. De expeditie had nog de ruimte noch de middelen, om opvouwbare huizen mee te nemen, waarin men rustig en behagelijk het goede astronomische oogenblik kan afwachten. Hier moesten de waarnemingen bij de laagste temperatuur met niets dan een kleinen sneeuwmuur ter beschutting tegen wind en sneeuw worden gedaan. Men stelle zich zulk een avond voor: veertig graden kou en ijzige bitter scherpe sneeuw! Tot tegen den avond is de lucht betrokken geweest, maar dan is het plotseling helder geworden, en de hemel is met duizend fonkelende sterren bezaaid. “Wat een wondervolle sterrenhemel!” zeggen wij, anderen. Maar de arme astronoom moet uit zijn warme kajuit naar buiten en naar den overkant achter zijn sneeuwmuur, waar hij uren lang staan en al de kwalen van een sterrenkundig waarnemer in de poollanden moet doormaken, als daar zijn, stijf gevroren vingers, met ijs overtrokken kijkers en allerlei andere rampen.Voor Lund en Hansen kwam alle arbeid, die het schip betrof. Als specialiteit had Lund nog een watergat en Hansen de honden.Jammer genoeg, kregen de honden weer dezelfde ziekte als op de heenreis. Eerst werd Tiras van het Godhavntroepje aangetast en stierf. En al vóór Kerstmis hadden we zeven van onze beste honden verloren. Ik bedacht te laat, dat het den dieren wel aan vet bij het eten ontbreken kon; ze hadden den geheelen tijd alleen mager rendiervleesch gehad.Ja, de honden! Zij eten van alles, dat bleek uit iets, dat ik met afschuw waarnam en hier vermelden wil. Overal snuffelden ze rond, om buiten de hun geregelde toegewezen porties nog het een of ander op te scharrelen. En daar hadden ze ook eens een even onverwachten als griezeligen maaltijd. Wij hadden Silla, die in hoogst interessante positie was, opgesloten in het kleine uitbouwsel van huize Magneet, waar ze haar bevalling zou afwachten. Op een mooien morgen ontvluchtte ze echter en sloeg dadelijk de richting naar het schip in. Halfweg ontmoette ze al haar cavaliers en allen waren geestdriftig over het weerzien hunner dame. Ze omringden haar en geleidden haar verder. Maar wat gebeurt? De arme Silla beviel bij verrassing, en haar kroost moest zich met een hoopje sneeuw als wieg tevreden stellen. Op een teeken van Lurven natuurlijk wierpen zich plotseling alle honden op de jongen; ieder hapte naar een en verteerde het ter plaatse. Toen Silla ontdekte, dat haar jongen verdwenen waren, stond ze op en ging verder. Maar ze werd weer verrast en het laatste jong kwam ter wereld. Om nu de andere honden te verhinderen, zich ook hiervan meester te maken, vrat Silla het liever zelf in razende haast op. Hoe ongeloofelijk het klinke, het is precies zoo gebeurd.Op den eersten Kerstdag vierden we een dubbel feest. Wiik werd dien dag 25 jaar; hij was het jongste lid der expeditie en tevens een der vroolijksten van ons allen, vol aardige geschiedenissen en anecdoten. In den loop van den voormiddag kwam de oude Eskimo Teraiu aan en werd als gelukwenscher vriendelijk opgenomen. Teraiu behoorde tot onze oudste Eskimovrienden, een van de vijf, die zich het eerst hadden vertoond. Hij zal tusschen vijftig en zestig jaar zijn geweest en was een zeer vroolijke snaak. Bij zijn stamgenooten stond hij niet al te best aangeschreven, want ze hielden hem zoowat voor een idioot; maar dat hij best zijn verstand had, zouden wij later bemerken.Hij scheen op den jaardag echter niet in feestelijke stemming te wezen. Zijn gezicht en zijn gebaren drukten neerslachtigheid uit en de tranen stonden hem in de oogen. Hij gesticuleerde en babbelde zonder samenhang en jammerde ertusschen. Wij konden niet begrijpen, wat hem scheelde. Maar ten slotte gelukte het ons toch met vereende pogingen opheldering te krijgen over zijn ellende, en wij vernamen, dat het overige deel van de stam verder was getrokken en op de schandelijkste wijze Teraiu en zijn gezin had achtergelaten. Die zagen nu den verschrikkelijken hongerdood voor oogen, als wij ons niet over hen erbarmden en hen gedurende den strengsten wintertijd bij hen lieten wonen.Natuurlijk waren wij diep geroerd door die treurige geschiedenis en beloofden hem met vrouw en kinderen bij ons op te nemen. Buitendien zei ik, dat ik binnen kort zelf naar Kaa-aak-ka zou gaan om de zaak te onderzoeken.Teraiu en het gezin kwamen al spoedig aan, en op den tweeden Kerstdag besloten wij, het uitstapje naar Kaa-aak-ka te volbrengen. Het weder was wondermooi, stil en helder. Maar de thermometer wees 24 graden koude. De luitenant, Lund, Ristvedt en ik maakten ons gereed, met Teraiu en zijn familie te vertrekken. Vóór de slede spanden we acht honden, maar overigens namen we geen groote voorzorgen in zake de uitrusting, daar we immers maar een enkelen nacht wilden uitblijven. Ieder had gezorgd voor wat hij noodig had. Over het gladde ijs van de straat ging het vliegensvlug voort en na zes uren waren we op de plaats onzer bestemming. In het kamp van Kaa-aak-ka zag alles er geheel anders uit dan bij ons vorig bezoek; ledig en uitgestorven lagen de sneeuwhutten er, zonder menschen of eenig spoor van leven. Alleen Teraiu’s hut toonde aan, dat er menschen woonden. Kajaggolo zijn vrouw bijgenaamd de “oude uil” schoof het sneeuwblok op zij, dat voor den ingang der hut lag en ging naar binnen, om vuur aan te maken. Teraiu zelf sloeg een gat in het ijs, om water te halen, en wij kozen uit de verlaten hutten die, welke ons het zindelijkst leek, en namen er voor den nacht bezit van.Op den dag na onze terugkomst bouwde Teraiu zich een hut aan den wal en woonde er tot achter in de maand Maart. In werkelijkheid was ik er niet rouwig om, dat we hem hadden opgenomen, daar hij en zijn vrouw ons van veel dienst waren. Niettegenstaande zijn ouderdom was hij gezond en taai, en zonder eenige vermoeienis te toonen, trok hij een slede van den morgen tot den avond. Hij bleek vreedzaam en eerlijk, was altijd goed gehumeurd en tot schertsen geneigd. Als bouwmeester van sneeuwhutten was hij onvergelijkelijk en van grooten dienst. Kajaggolo zijn vrouw, was stellig even oud als hij. Haar gezicht leek precies een oud, verschrompeld en verdroogd winterappeltje. Ze was ongeveer vijf voet lang en zoo vuil, dat de Eskimo’s er haar zelf om bespotten. Haar tienjarige zoon, Nutra, was net zoo vuil als zijn moeder, maar overigens wel een aardige jongen, verstandig en vol dartele invallen. Aan zijn onzindelijkheid had zijn moeder de grootste schuld. Als de Eskimo’s eenigen tijd bij ons waren geweest begonnen ze gewoonlijk ons voorbeeld te volgen, waschten zich en hielden zich zoo ongeveer schoon. Maar aan de familie Teraiu was in dit opzicht geen zalf te strijken; toen ze vertrokken, waren ze nog net zoo vuil als bij hun komst.Wanneer ik des namiddags in het magnetische observatorium voor de absolute waarnemingen was geweest, sprak ik telkens eens met de Teraiu’s, wier hut ik passeerde. Bij die bezoeken ontving Kajaggolo mij soms met een gezang, het verschrikkelijkste, dat men zich voorstellen kan, het was niet anders dan woest geschreeuw.De man en Nutra waren meestal aan boord, nu eens vóór, dan achter, overal waren ze welkom. Het liefst zaten ze in de keuken te kijken, en ofschoon Lindström de Eskimo’s niet uitstaan kon, werd toch zijn goed hart hem vaak de baas, en menig lekker hapje vloog naar de beide Eskimo’s. Teraiu en Nutra gewenden langzamerhand aan ons eten; maar Kajaggolo bleef den geheelen tijd bij haar rauw vleesch en de rauwe visschen.Toen Kerstmis en Nieuwjaar voorbij waren, moesten we in ernst aan de ontworpen sledevaart denken. De plannen, die we ontworpen hadden, waren van allerlei aard, zooals meestal met plannen in deze streken het geval is. Eindelijk werd besloten, dat ik mij met een gezel naar het magnetisch station zou begeven, en als daar alles goed ging en in orde was, zou beproeven, de Leopoldshaven op Northsomerset met de post te bereiken.Een ondersteuningsexpeditie onder leiding van luitenant Hansen en met nog één man zou ons helpen, zoolang we dat doelmatig oordeelden.Alle sleden werden nu voor den dag gehaald en nauwkeurig nagezien, om zoo noodig hersteld te worden. Overal werden werkplaatsen opgericht. Lund zou de sleden in orde brengen en practische proviandkisten timmeren; Hansen, die zeer handig was, deed het fijne werk en was ook een meester op de naaimachine. Ristvedt had een smidse bij de proviandtent en zijn eigenlijke werkplaats in het huis Magneet. Wiik leverde goed werk als reparateur van instrumenten, en de luitenant beoefende naast zijn vak van handschoenenmaken ook de wetenschap. Zijn talent oude vuisthandschoenen met gaten weer te herstellen was buitengewoon.Zooals bij alle slede-expedities in het poolland werd de vraag van de slaapzakken druk besproken. Ons uitstapje met Teraiu naar Kaa-aak-ka had ons geleerd, dat er in dat opzicht nog veel te verbeteren was, en ieder beijverde zich, om het beste uit tevinden. Onze meegebrachte zakken waren te wijd en moesten vrijwat ingenomen worden. Een slaapzak moet slechts zoo wijd wezen, dat het vel aan alle zijden aan het lichaam sluit. Maar natuurlijk mag hij ook niet spannen. Als men erin ligt en nog naar het omhulsel moet zoeken, wordt men nooit warm. Het model met een opening van boven en een schuif om den hals vond het meest bijval; ik geef er ook de voorkeur aan en kan het ieder aanbevelen.Onze tenten waren genaaid als Eskimotenten en uitstekend waren ze; er viel niets aan te verbeteren. Ze konden zelfs bij den hevigsten wind door één persoon opgezet worden, en als ze er stonden, werden ze nooit omgeblazen. Daarvan legden ze proeven af. Een verbetering werd toch nog aangebracht en wel aan de deuren. De afsluiting is al van ouds het zwakke punt bij een tent, en dus in het bijzonder daar in het Noorden in de koude. Meestal bestaat de sluiting uit een menigte haken en touwtjes, waardoor het sluiten een heel werk is, als men uit de koude binnenkomt. Ik heb buiten ons eigen systeem geen enkele tentdeur gezien, die den sneeuwstorm geheel buiten hield. Daar nu twee van ons precies hetzelfde denkbeeld hadden gehad, wil ik geen namen noemen, ook omdat de zaak haast al te eenvoudig is, maar is niet het geniale meestal het eenvoudigste? Wij naaiden namelijk een zak rondom den ingang, sneden daar den bodem uit en kropen daardoor naar buiten en naar binnen, terwijl we den zak dan met een touw dichtbonden. Een betere tentafsluiting heb ik nog nooit gezien. Gemakkelijk te openen en gemakkelijk te sluiten en volkomen dicht. Het veeljarige probleem was dus opgelost door een zak.Bij een proef, die we bij een temperatuur beneden dertig graden vorst deden, vonden we het verblijf in de tenten te koud en wij besloten toen sneeuwhutten te bouwen, die naar onze ervaring bij de Eskimo’s veel warmer waren. Het kost wel meer tijd, een sneeuwhut te maken dan een tent op te slaan, maar ik vind het van zoo verbazend groot belang, dat men na het dagwerk een goeden en behagelijken nacht doorbrengt, dat het uur van bouwen wel beloond wordt.Wijlegdenons dus met ijver toe op de sneeuwbouwkunst. Grondstof hadden we genoeg, tijd ook en in Teraiu een uitstekenden leermeester. Eerst lieten we het bouwen den oude over, terwijl we nauwkeurig toekeken. Spoedig bleek het ons, dat het vinden van de goede sneeuw een voorwaarde van slagen was. Maar daar behoort veel ervaring toe, ja, het gevoel moet iemand, om zoo te zeggen, aangeboren zijn. De Eskimo’s bedienen zich daarbij van een zeer eenvoudig werktuig, dat ze een hervond noemen en dat bestaat uit een ongeveer een meter langen, uit rendierhoorn gesneden stok, met een handvatsel van rendierhoorn aan het eene einde en een haak van een bisambeen aan het andere. Daarbij komt den Eskimo’s hun instinkt te stade, waarmee ze juist de goede plek uitvinden, waar de kans op goede sneeuw aanwezig is. Als ze hun hervond niet bij zich hebben, gebruiken ze een mes met een lang heft, dat ze aan een touw op den rug hebben hangen. Wij brachten het in het vinden der goede sneeuw niet tot groote volkomenheid, maar toch zoo ver, dat het er mee door kon.Eskimo vrouw met kind.Eskimo vrouw met kind.Met een lang mes plaatsten wij vieren, de luitenant, Ristvedt, Hansen en ik, ons elken morgen na het ontbijt vóór Teraiu’s hut, om den oude te wekken. Als we ongeveer om acht uur kwamen, lag de geheele familie nog te bed. Dan sprong Teraiu vlug op, sloop in haast in zijn kleeren, want de Eskimokleeding is wijd en ruim en laat zich gemakkelijk uit- en aantrekken. Den meesten tijd hebben ze noodig voor het aantrekken der voetbekleeding. De Eskimo is zeer bezorgd voor zijn voeten, uit vrees niet alleen, dat ze bevriezen, maar ook, dat ze gewond zouden worden bij het den heelen dag loopen over het ijs en de harde sneeuw. Met minder dan vijf lagen aan de voeten stelt hij zich daarom niet tevreden. Als dan eindelijk Teraiu zijn bovenanorak had aangetrokken, terwijl hij voor zulke korte uitstapjes zijn onderanorak thuis liet, gingen we op weg. Wij bouwden om beurten; ieder had zijn bepaalden dag. Maar Hansen was in het bouwvak beslist de meest begaafde; zijn hutten waren meesterstukken. In de vele kleine holle wegjes, die in de haven uitloopen, vonden we al gauw een bouwplaats en goede sneeuw in overvloed. Wij hadden meestal anderhalf uur noodig voor een voor ons vieren geschikte hut. Na gedanen arbeid kwamen we er samen, om de waarde te bepalen. Teraiu was telkens volgeestdrift.“Mamakpo! mamakpo!” (dat is Uitmuntend! Uitmuntend!) riep hij. Een groote vreugde voor hem was iederen keer de belooning, die hem wachtte. Hij deed niets zonder betaling. Dit beteekende wel niet veel, een stuk ijzer of hout, of wat juist bij de hand was. Hij was altijd aan het verzamelen, om te eeniger tijd voor zichzelf een slede te kunnen bouwen. Zijn eischen waren niet groot; met een paar planken van een meter lengte was hij best tevreden. De familie en haar bezittingen beteekenden immers ook niet veel, wat zou hij dan met een groote slede doen? Een philosofie, die men zich overal ten voorbeeld kan nemen.Wiik en ik deden telkens proeven, om ons vast te overtuigen, dat onze instrumenten goed in orde waren. Wiik was bestuurder van het vaste, absolute observatorium, terwijl ik mij 75 meter verder een eigen nieuw observatorium had gebouwd. Door al die gebouwen was langzamerhand een aardig dorpjerondom de Gjöa-haven verrezen. Onze waarnemingen vielen tot onze groote tevredenheid goed uit en om de instrumenten behoefde ik nu niet meer ongerust te wezen. Voor waarnemingen op elke plaats, waar ik mij bevond, had ik een zeer kleine theodoliet, die ik van Frithiof Nansen had gekregen en die hij mee naar Groenland had gehad. Ook deze werd na nauwkeurig onderzoek van den astronoom in orde bevonden.Toen volgde de belangrijke werkzaamheid, het pakken van onze sleden.Tijdens het pakken moesten de sleden onder dak wezen. Maar een zoo groote hut te bouwen, dat de beide lange sleden erin ondergebracht konden worden, hielden we voor onmogelijk. Wij wendden ons tot Teraiu om raad, die echter tegenover onze vragen een sluw lachen stelde en niets verder zei. Hij strekte beide armen uit en met begeerig stralende oogen zei hij:“Panna angi!”, dat is Groot mes. Voor de oprichting van zulk een reuzenhut wou hij een groot mes als belooning. En dat werd hem beloofd.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.Wij gingen dadelijk aan het werk. Teraiu koos een terrein van langwerpigen vorm en opdat de sleden in de nabijheid zouden zijn, werd de hut op het ijs, onmiddellijk vóór het schip gebouwd. Zij was verbazend groot, en toen het dak erop moest gezet, moest er eene heele stelling worden gemaakt. Maar ze bleek toch niet vast genoeg en de bewegingen van het ijs waren te vreezen; daarom werd ze herbouwd op den wal en bleek nu voldoende, zoodat we konden beginnen te pakken. De eene slede kreeg een lading van 350 kilogram en werd door Hansen bestuurd en getrokken door de zeven honden, die we nog hadden. De tweede had een lading van 270 kilogram en zou door ons drie mannen worden voortgetrokken.Den 28sten Februari legden we de laatste hand aan het werk, en op den morgen van den 29sten trokken wij allen met elkaar de sleden tegen den heuvelkam op, om dat moeilijk eind al dadelijk achter den rug te hebben.Boven bouwden wij een hoogen sneeuwmuur om de sleden heen en legden er zware blokken sneeuw op, om te verhinderen, dat de vossen er een bezoek aan brachten. Dan keerden we terug en brachten den laatsten avond aan boord door.Ik zag de reis kalm tegemoet. Wij waren goed uitgerust met goede en krachtige kameraden en goede honden. Een grooter aantal honden zou wel gewenscht geweest zijn, maar we hoopten ons met het zevental te kunnen behelpen.Den eersten Maart waren we reisvaardig. De thermometer wees min 53 graden Celsius; maar wij waren in den loop van Februari zoo aan de koude gewend geraakt, dat ze op ons geen bijzonderen indruk meer maakte, en we waren goed gekleed. De eenen in volslagen Eskimodracht; de anderen ten halve geciviliseerd. Naar mijne meening is de Eskimokleeding in deze streken verre te verkiezen boven onze europeesche kleeding. Maar men moet die dan ook goed doorgevoerd dragen, of in het geheel niet. Elke halfheid is uit den booze. Wollen onderkleeren zuigen al het zweet op en maken de kleederen van vellen, die men erover draagt door en door nat. Niets dan rendiervel als de Eskimo’s en de kleedingstukken zoo wijd en ruim mogelijk, opdat tusschen kleeding en lichaam de lucht circuleeren kan, daarbij behoudt men in den regel droge kleeren. Moet men zich echter onderweg zoo inspannen, dat het pak toch nat wordt, dan zijn de kleeren van vellen toch ook nog gemakkelijker te drogen dan de wollen stoffen. Wollen kleeren worden ook veel eerder vuil en dan houden ze niet meer behoorlijk warm. In dit opzicht houden zich kleeren van huiden, zonder gewasschen te worden, bijzonder goed. Een groot voordeel van vellen is ook, dat men op hetzelfde oogenblik, dat men ze aantrekt, warm en behagelijk voelt. In wollen kleederen moet men zich als een gek aanstellen,rennen en draven en Indianendansen uitvoeren, eer men behoorlijk warm is. En ten slotte zijn de velkleederen volkomen winddicht, wat natuurlijk zeer veel beteekent.Onze achterblijvende kameraden vergezelden ons tot bij de sleden op de heuvels. De honden werden aangespannen—een laatste handdruk, en daar gingen we.Hansen leidde de honden van de eene slede, maar spande zich nu en dan ook zelf ervoor. Alle zeven dieren waren nog jong, en ze konden den last slechts met moeite vooruit brengen. Luitenant Hansen, Ristvedt en ik hadden ons vóór de andere slede gespannen. De weg liep zacht omhoog, zoo zacht, dat men het met de oogen bijna niet kon zien, maar men voelde het wel. Gedurende het eerste uur ging het met frissche krachten snel vooruit, maar daarna werd het moeilijk. Hansen vorderde met zijn honden goed. Als hij merkte, dat ze trager liepen, greep hij in de teugels, dan meenden de dieren, dat er nieuwe hulp was gekomen en trokken weer aan. Ons drieën, die de andere slede trokken, ging het minder goed. Het was, alsof we haar door woestijnzand moesten trekken. Zelfs thuis in Noorwegen weten we, hoe lastig poedersneeuw zijn kan, en bij de erge kou hier was het veel lastiger. Middenin hield de slede soms plotseling stil; elke kleine ophooping van sneeuw was een beletsel. Eén, twee, drie, hallo! Dan komt ze erover. Maar het duurt niet lang, of er volgt een nieuwe hoop—weer stilhouden—aantrekken—trekken....De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.Om drie uur in den namiddag besloten we, ons kamp op te slaan. Het begon al te schemeren, en eer we een sneeuwhut klaar konden hebben, zou het bepaald heelemaal donker zijn. Nu moesten wij voor het eerst op de zoek naar goede sneeuw. Wij bevonden ons midden op een groot meer. Nergens was goede sneeuw; hoe vaak we onze messen er ook instaken, overal was ze te slap. Naar den oever was het te ver; we zouden daar niet meer bij daglicht gekomen zijn, en we konden dus niet anders doen dan blijven, waar we waren.Allereerst lieten wij de honden los. Ze hadden een zwaar werk achter zich en hadden vrijheid en rust wel verdiend. De baas onder hen was Fix, een ongewoon mooie, witgrijze hond, die het meesterschap over de anderen alleen aan zijn gebiedende houding te danken had, niet door zijn meerdere kracht. Als het tot een vechtpartij gekomen was, zou Fix klop gekregen hebben; maar hij scheen als tot heerschen geboren en hij werd gehoorzaamd. Syl was zijn grootvizier, de leelijkste hond van den ganschen troep, bruinzwart en met gluiperigen blik. De spitse, opstaande ooren, die een poolhond een zoo verstandig uitzicht geven, stonden bij Syl scheef en deden hem er dom uitzien. Zoodra het tuig was afgenomen, deed Fix, gevolgd door Syl, de ronde bij de honden, en ten teeken van onderwerping moest iedere hond zich vóór den heerscher Fix op den rug leggen, met alle vier pooten in de lucht. Als een treuzelde, schoot Syl als de wind op hem los, en die had zeer scherpe tanden. Dan kregen de honden hun eten en we waren vrij van hen en konden gaan bouwen.Wij trokken onze vuisthandschoenen aan, die uitsluitend voor het bouwen van sneeuwhutten bestemd waren, om te beletten, dat de sneeuw bij de mouwen in liep, want ze hadden lange onderstukken, die vastgebonden waren. Ieder met een wel een halven meter lang mes gewapend, begonnen we ons werk. De voor dit doel benoemde bouwmeester stak eerst een kring op den grond af en langs die lijn maakte hij een vier duim diepe geul, die dan de sneeuwblokken van den grondmuur moest dragen. Wij anderen sneden blokken, en de bouwmeester zette ze op. Een iglu, zoo noemen de Eskimo’s hun sneeuwhutten, wordt spiraalvormig, ongeveer als de bijenkorven en altijd tegen de zon in gebouwd, dus van rechts naar links. De blokken moeten een lengte van twee voeten en een hoogte van anderhalven voet hebben en vier duim dik zijn. De grootste moeilijkheid is daarin gelegen,het bovenste klaar te krijgen en het dak erop te plaatsen. Een rechten muur kan ieder wel bouwen.Daar de thermometer min 57 graden Celsius wees, werd niemand tot luiheid verleid, en het werk schoot goed op. Zoo snel mogelijk ging de kok des avonds aan den arbeid, die daarin bestond, niet alleen het eten klaar te maken, maar ook de hutten te verwarmen, en als een aangename geur van spijzen tot ons doordrong, vlotte het werk buiten wondervlug. Het laatste was, alle spleten op te zoeken, waar licht door schemerde, om ze goed dicht te stoppen. Dan keken we ook nog de sleden na, dat alles stipt vastgebonden was en toegedekt en dat vooral tegen de honden, die zeer diefachtig waren. De stumpers hadden zich tegen de hut aan, zoo goed het ging, in de sneeuw opgerold en als het fel koud was, den snuit onder den staart gestoken.Was de hut gereed, dan wierpen we een laatsten blik op de wijde stilte rondom in de verbleekende groenachtige schemering en de reeds fonkelende sterren, en na ons de sneeuw van de kleederen te hebben geklopt, kropen wij in de hut. En er was stellig op de wereld dan geen gelukkiger gezelschap dan het onze in de warme, behagelijke ruimte met het dampend heete eten en de barre sneeuwvlakte met de tintelende vorst om ons heen. Na het eten kwamen de tabakspijpen aan de beurt; en alleen de gedachte dat we den volgenden morgen ons weer moesten inspannen, kon een eind maken aan het genoegelijk samenzijn en deed ons in onze slaapzakken kruipen. De vermoeienis deed zich spoedig gelden, en weldra toonde de gelijkmatige ademhaling van vier mannen, dat ook de menschlievende god, Morpheus, een poolvaarder is.Des morgens om vijf uur, toen de kok ons wekte, zag alles er veel minder vriendelijk uit dan ’s avonds, maar een kop dampende chocolade verbeterde dan de stemming gauw. Buiten kwamen mij de sterren ongewoon groot en schitterend voor; maar het had volgens den minimumthermometer dan ook in den nacht 61.7 graden gevroren. Wij hadden er weinig van gevoeld, en we konden onze uitrusting prijzen, die ons met onze goede sneeuwhut de kou van het lijf had gehouden. Wat voelden we haar in de vingertoppen, als we bij het werk de handschoenen moesten uittrekken! Dan werden de vingers dadelijk wit en men moest ze dan doen herleven, of door de handschoenen gauw weer aan te trekken of nog beter door ze op de manier der Eskimo’s tegen het bloote lichaam te houden.De honden lagen nog precies zooals wij ze in den avond hadden verlaten, behalve Fix en Syl, die op kattekwaad uit waren. Wij ondervonden ook, hoe totaal onmogelijk het was, de honden zoo vast te maken, dat ze niet los komen konden. Ze wisten zich altijd los te werken, namelijk als ze het volstrekt wilden. Enkele hielden zich steeds rustig, maar als er een los was, gingen de anderen aan het huilen, prettig was het niet, als men uit zijn slaapzak naar buiten moest, om de honden tot rust te brengen.Toen dien eersten morgen alles in orde was, braken we op. Naar de ervaring van den vorigen dag zetten we onder de met nieuwzilver beslagen sleden weer houten platen, omdat bij de scherpe kou de sleden op hout veel beter liepen. Het beste, wat men eraan doen kan, is er een fijn overtrek van ijs op te laten komen, zooals de Eskimo’s doen, maar daarin hadden wij nog geen ervaring.De afstandsmeter was op de hondenslede aangebracht; het was een oud rad van de tweede Fram expeditie, maar nog in voortreffelijken toestand. Trots al onze inspanning scheen echter het rad stil te staan, zoo langzaam kwamen we vooruit. Wat onze moeite nog vermeerderde, was een fijne, scherpe tegenwind, die iemand de onbedekte deelen van het aangezicht bepaald openscheurde. Voortdurend moest de een het gezicht van den ander bekijken, en dan vonden we meestal een bevroren neus of een spierwitte wang. Dan deden wij wat de Eskimo’s doen; we trokken een warme hand uit den vuisthandschoen en legden haar op de bevroren plaats, tot het bloed er weer circuleerde. Het oude huismiddel van de plaats met sneeuw in te wrijven, had ik al lang verworpen; de Eskimo’s wisten daar ook niets van. Terwijl de infaam scherpe wind ons de ijsnaalden bij min 50 graden als zweepslagen in het gezicht joeg, schenen de honden daar in het geheel niet onder te lijden. Maar de arme dieren plaagden zich erbarmelijk, vooral in de eerste morgenuren, waarin ze nog stijf van den vorigen dag waren. Ook wij menschen hadden zwaar te trekken. En ik zag in, dat we bij deze manier van reizen zeer weinig zouden uitrichten.Daar er nog op den tweeden, noch op den derden dag in de temperatuur eenige verandering kwam, besloot ik na ruggespraak met mijn kameraden eenvoudig terug te keeren en zachter weer af te wachten. Op den morgen van den derden dag legden we dus een deel van onze voorraden als dépôt in de sneeuwhut en sloten de opening goed af. De ligging der hut werd nauwkeurig opgenomen; een vlag erop gestoken en geheel gephotografeerd.Nu richtten we onzen koers weer naar de Gjöahaven. De honden bemerkten spoedig, in welke richting het thans voorwaarts ging, en ook wij menschen voelden ons zeer verlicht, dat ons nutteloos worstelen aan een eind zou komen. En zie daar, de weg, waar we twee en een halven dag over hadden gedaan, een eind van tien kilometer, werd nu in vier uren afgelegd. Maar nu waren dan ook onze sleden belangrijk lichter.Om elf uur in den voormiddag verrasten we onze kameraden op deGjöadoor onze onverwacht spoedige terugkomst.Op den 16den Maart ondernamen we een tweeden sledetocht, vonden het dépôt in goede orde en trokken verder noordwaarts; wij hadden nu een met tien honden bespannen slede bij ons. Het was des morgens 40 graden onder nul, zeer goed voor ons te verdragen. Terwijl we op weg waren naar het eiland Matty, zagen wij in de verte op het ijs een zwart punt. Hansen met zijn scherpe oogen verklaarde dadelijk, dat het een Eskimo was, die naar ons toekwam. Spoedig doken meer op tusschen de ijsschollen, en in een oogenblik hadden we 34 mannen en jongens op een afstand van tweehonderd meter voor ons. Zij bleven staan en keken naar ons, zonder het voornemenaan den dag te leggen, om naderbij te komen. Ik voelde mij nu natuurlijk veel zekerder dan bij mijn eerste samentreffen met Eskimo’s; mijn kennis van de taal had ook veel gewonnen en dus besloot ik, naar hen toe te gaan. Toch hadden we onze geweren geladen en Hansen hield er de wacht bij. Toen ik zeer dichtbij was, riep ik: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”Als een electrieke schok ging het door de menigte. Een 34voudig Manik-tu-mi klonk mij tegemoet. Hansen kwam achter mij aan; de vreugde en de geestdrift der Eskimo’s waren bepaald roerend. Het waren Netsjilli-Eskimo’s, die ons ontdekt hadden op hun reis naar hun plaatsen van de zeehondenvangst. Ieder had een speer in de hand en een hond aan een riem achter zich aan. Buitendien waren ze voorzien van groote sneeuwmessen. Ze maakten den indruk van beter en zindelijker gekleed te wezen dan onze eerste vrienden, de Ogluli-Eskimo’s. Toen ik naar hun kamp vroeg, wezen ze oostwaarts tusschen de ijsbergen. Ik had grooten lust, deze menschen nader te leeren kennen en zei, dat ik graag met hen naar hun kamp wilde gaan. Daarover waren ze uitgelaten blij; ze hielpen ons dadelijk de sleden verder trekken, door al hun honden ervoor te spannen. Nu hadden we een voorraad honden, dat het een aard had!Na een uur klonk plotseling een luid geschreeuw van de Eskimo’s en wij zagen tusschen de ijsbergen een menigte hutten van den vorm van een hooiberg. Het was het grootste kamp, dat ik nog gezien had, 16 hutten te zamen. Het zag er uitgestorven uit. Al spoedig vertoonden zich de vrouwen, geen schoonheden, de kleeren met vet en roet besmeerd, en grauwe haren uitkomend onder de kap. Bij de eerste kennismaking vonden wij de Netsjilli-Eskimo’s allen leelijk, maar later oordeelden we anders, al bleven we de Ogluli’s veel knapper vinden. Ze bouwden een prachtige sneeuwhut voor ons, nadat ze gelachen hadden om de pogingen, die wijzelven deden. Wij werden zeer bevriend met hen, en toen we den volgenden dag verder trokken, vergezelde ons Poieta, een jonge broeder van hun hoofd Atikleura. Wij kwamen tot in de nabijheid van het eiland Matty, maar het weer was zoo slecht, dat Poieta ons afried verder te gaan. We hadden weer een Eskimo-nederzetting van zes hutten gevonden, maar dit waren bedelachtige menschen, en toen wij den volgenden morgen opbraken, misten we een mes, een zaag en een bijl, die we eerst na veel gekijf terugkregen. Een dépôt in de buurt van deze menschen aan te leggen, was dus uitgesloten.Dan keerden wij weer naar de Netsjilli’s terug, die op het punt stonden naar zuidelijker streken te verhuizen voor de zeehondenvangst. Bij die gelegenheid verzocht ik hen, ons naar ons schip te vergezellen. Den 25sten Maart vertrokken wij allen te zamen en den volgenden dag kwamen wij aan boord, maar de Eskimo’s moesten eerst nog hun jacht volvoeren. Ik had hun de plek van de ligging derGjöaaangeduid, en ze begrepen mij goed en noemden ze evenals de Ogluli’s hadden gedaan, Ogchjoktu.De omstandigheden hadden mij ook ditmaal verhinderd, zoo ver te komen, als ik graag wou, maar we moesten tevreden wezen, dat we een dépôt toch zooveel verder het land in hadden aangelegd. We hadden het onder de hoede der Netsjilli’s gelaten. Op den dag na onzen terugkeer kwamen al onze dertig Eskimovrienden met Ristvedt en den luitenant, die hen op het ijs hadden aangetroffen, aan. Het werd druk in onze buurt. De Eskimo’s bouwden zich een rij hutten in het Lindströmdal, een der kleine holle wegen, die van de haven naar boven voerden.Den voorjaarssledetocht begonnen we in April, vonden het vroegere dépôt nog in den besten staat, wat wel pleit voor de betrouwbaarheid der Netsjilli-Eskimo’s, en deden een reis langs de kust van Boothia Felix, sloegen ons noordelijkste kamp op ten zuiden van de Tasmania-eilanden en sloegen den 7den Mei den terugweg in. Het doel was nu, ons dépôt te halen en er de Victoriahaven mee te bereiken, waar Ross met de Victoria had overwinterd en waar een reeks magnetische waarnemingen zeer interessant zou zijn; maar tot de uitvoering van dit plan kwam het niet. Ik leed aan mijn linkervoet, moest eenige dagen rust nemen en ten overvloede was het dépôt dezen keer geplunderd, zoodat we geen keus hadden en naar deGjöaterugkeerden.Den 5den Juli trokken we er op uit voor een gecombineerde opmetings- en magnetische expeditie. Van allerlei kanten kwamen Eskimo’s naar ons toe en we konden hulp krijgen, zooveel als we wilden. Wij waren voor veertien dagen van proviand voorzien en namen de Eskimo’s Ugpi en Talurnakto mee. De eerste, die de “Uil” bijgenaamd werd, had lang zwart haar en een open eerlijk gezicht. Hij was een uitstekend vogel- en rendierjager. Hij was ongeveer dertig en was getrouwd met Kabloka, een meisje van zeventien jaar. Ze hadden geen kinderen. De moeder van den Uil, die bij hen woonde, was Anana, die evenals de heele familie beheerscht werd door Umiktuallu, den ouderen broeder van Ugpi. Diens vrouw Onaller kon geweldig kijven. Het heftige karakter van Umiktuallu bleek bij een gelegenheid, die allertreurigste gevolgen had. Hij had drie kinderen en een pleegzoon. Eens toen het zevenjarig jongetje het geladen geweer van den wand had genomen en het den pleegzoon overreikte, ging het schot af en het kleinste jongetje viel dood neer. De oudere bleef verschrikt staan en Umiktuallu, die aan kwam loopen stiet zijn pleegzoon in drift en wanhoop zijn mes in het hart. In één graf werden de beide knapen begraven en Umiktuallu verliet na het gebeurde met zijn gezin het kamp.

De kisten worden op het land opgeslagen.De kisten worden op het land opgeslagen.

De kisten worden op het land opgeslagen.

Den 29sten werd tot slot het geheele schip met zeildoek overtrokken; toen waren we volkomen klaar aan boord en konden wèl voorbereid den winter te gemoet zien.

Den eersten October zag alles er wintersch uit. Het door den noordoostenwind tegen het schip gestuwde zeewater bevroor oogenblikkelijk en bekleedde deGjöamet een dicht pantser. De stuivende sneeuw woei ons in de oogen en verbond zich in het water tot een soort van brij, waar de halve haven mee bedekt was. Dat was het begin van de ijsvorming, en toen de wind verflauwde, hadden we draagkrachtig ijs.

In den nacht was intusschen het schip naar den oever gedreven, want onze ankers hadden geen houvast genoeg gehad. Dat was niet erg, maar als het ijs in ernst vast werd, kon deGjöaom den springvloed niet op het bij eb blootliggend strand blijven, en zoodra dan ook den volgenden dag de wind bedaarde, trokken we het schip naar buiten en verankerden het op vijftig meter afstands van het strand. Verder van de dierbare proviandtent wilden we niet graag zijn.

Den 3den October hadden we een bruikbaren weg over het ijs naar het land.

Wij zagen dat najaar kudde na kudde van rendieren en konden zooveel bemachtigen als we wilden. Het ijs vroor denkelijk dat jaar anders dicht dan anders, en toen de dieren bij hun gewone overgangsplaats van King Williamsland naar het vasteland open water vonden, trokken ze de kust langs, om een nieuwe plek voor den overtocht te zoeken.

Er lag nu een dik sneeuwdek, en daar het land eentonig is en zonder verheffingen van beteekenis, was het dikwijls moeilijk, de goede richting te houden. Eens waren we in twee partijen erop uit geweest, om vleesch binnen te rijden, de luitenant en ik, Ristvedt en Wiik. Het was al volkomen donker, toen luitenant Hansen en ik weer aan boord terugkeerden. Maar de anderen waren nog niet gekomen; ze kwamen eerst een paar uur later. Zij waren al mooi op weg geweest, de Noordwestelijke Doorvaart op eigen gelegenheid en per hondenslede te vinden, want in de duisternis waren ze, zonder het te merken, de haven voorbijgegaan en toen in westelijke richting verder gegaan. Toen ze ten laatste bespeurden, dat ze verdwaald waren, lieten ze de sleden achter en gingen langs het strand naar huis.

De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.

De Villa Magneet bestaat uit slechts één vertrek.

In dezen tijd kregen ook de honden, die tot nu toe onder den vrijen hemel hadden gekampeerd, hun hondenhuis. Het werd ingewerkt in een geweldigen sneeuwhoop. Een van onze booten werd er als dak overheen gelegd, en daar stond het mooiste hondehok, dat men zich kan voorstellen. Het heele gebouw werd met sneeuwwater overgoten en vormde daardoor een vast geheel. Het was in twee deelen verdeeld; in de eene helft woonde het oude tweetal van de Fram en in de andere de Godhavntroep.

Tegelijk werd voor een belangrijke aangelegenheid gezorgd. In het ijs aan stuurboordzijde werd een gat gehouwen en een sneeuwhuis werd er overheen gebouwd. Het gat werd den heelen winter door opengehouden, opdat men in geval van brand water bij de hand zou hebben. De inrichting werd het brandstation genoemd, en Lund werd tot chef ervan gekozen. Maar brandweerhoofdman van deGjöate zijn, was geen zeer benijdenswaardige positie. Elken morgen moest hij naar buiten, om voor het openhouden van het gat te zorgen. Als het ijs een dikte van bijna vier meter had bereikt, als in onzen eersten winter, is dat geen lichte taak.

De nieuwe sneeuw was thans zoo stevig samengebakken, dat ze een uitstekend bouwmateriaal opleverde. Ik ging daarom met Lund en Hansen het gebouw oprichten, waarin we in den loop van den winter de absolute magnetische waarnemingen konden doen. Er werd een van het andere 75 meter verwijderd gebouwtje gezet in de richting van den magnetischen meridiaan. Wij haalden het bouwmateriaal uit een dichtbij zijnd hol wegje, waar de sneeuw in groote hoeveelheid hard was saamgebakken. Het huis zou acht meter lang, twee meter breed en een meter tachtig hoog worden. De blokken werden met de zaag uit de sneeuw gezaagd.

Hoe dicht de sneeuw was, blijkt wel daaruit, dat de blokken gemiddeld honderd kilogram wogen. Toen we de laatste rij er boven op legden, hadden we drie man noodig, om ze op hun plaats te tillen. Voor het dak werd dunne, doorzichtige stof aaneengenaaid en erover getrokken. Op die manier kregen we een uitstekend huis voor de absolute magnetische waarnemingen.

Onze smidse te Port-Gjöa.Onze smidse te Port-Gjöa.

Onze smidse te Port-Gjöa.

Daar de koude nu kwam opzetten en al meer voelbaar werd, moesten we ook aan onze persoonlijke winteruitrusting denken. Door onze gelukkige rendierjachten hadden wij een menigte prachtige vellen gewonnen. Hoe men die looien en tot onderkleeding verwerken kon, daarover braken de luitenant en ik ons telkens weer het hoofd. Bovenkleeren van rendiervel hadden we van huis meegebracht; daarover behoefden we ons geen zorg te maken, maar als we zachte, fijne onderkleeren hadden kunnen krijgen, zou dat heerlijk zijn geweest. Wij kozen nu alle huiden der jonge kalvers uit, sleepten ze in de kajuit en begonnen met ons werk. Geen van ons had een flauw vermoeden, hoe wij het aanleggen moesten. Wij wisten wel, dat men de vellen moest uitspreiden, om ze te drogen, maar of dat bij een zwak of een sterk vuur moest gebeuren, daar wisten we niets van. De luitenant keek naar mij en ik naar hem, en wij kwamen tot het besluit, dat hetgoed zou wezen, de vellen onder de zoldering uit te spannen. Zooveel vellen als er maar met mogelijkheid plaats konden vinden, werden uitgespannen, en weldra leek de kajuit op een mengeling van een slagerij en een looierij. Dagelijks bevoelden we de huiden, en als wij ze voor droog genoeg hielden, namen we ze af en begonnen het werk. Wat gaven we ons een moeite! Wij zouden graag resultaten bereiken, en hoe ver we het hadden kunnen brengen, is niet te zeggen. Bij gebrek aan iets beters zouden we wel stof voor onderkleeren klaar gekregen hebben, al was het dan niet eerste qualiteit. Maar als de nood op het hoogst is enz. De hulp kwam nog vóór we eraan dachten.

Den 17den October hadden Ristvedt en Wiik hun huis voltooid. Het werd dadelijk gedoopt en ontving den naam Magneet. Het muntte niet zoozeer uit door zijn aanzien, als wel door zijn ligging, want het stond boven op den top van een ongeveer dertig meter hoogen heuvel en had een prachtig uitzicht over de geheele Simpsonstraat. Nu kon er niets gebeuren, of het werd dadelijk van uit de “Magneet” ontdekt. Mocht er visite bij ons komen, ieder moest eerst daar voorbij. Indien een beer op het ijs van de baai mocht verdwalen, dadelijk zou hij van daar uit worden waargenomen. In het kort de bewoners van het huis de Magneet beheerschten den omtrek.

Het huis was evenals het vorige van kisten gebouwd, die met zand werden gevuld. Het was wel geen kasteel, maar daarover waren wij het allen eens dat zij tweeën er vrijwat beter woonden dan wij aan boord. Het huis had maar één kamer, die tegelijk slaap- en werkkamer was. In den eenen hoek stond een groot en breed, uit kistenplanken getimmerd bed. De beide bewoners hadden ontdekt, dat één bed minder plaats innam dan twee, en tevens vonden dat twee in één bed gemakkelijker warm te houden waren dan één alleen, en daarin moest men hun wel gelijk geven. Alles in aanmerking genomen, was het geheel zeer doelmatig ingericht. Onmiddellijk naast het bed stond een tafel met een bank aan elken kant. De andere helft van de kamer was zoo verdeeld, dat Ristvedt zijn werkbank aan de eene zijde en Wiik zijn werktafel tot vastlegging der magnetische krommingen aan de andere had. De grond was met planken van kisthout en met rendierenvellen belegd. Het huis had ook twee vensters, een met uitzicht op de zee en een, dat naar deGjöakeek.

Voor zoo ver ik weet, werden hier voor het eerst in de poolstreken kisten als bouwmateriaal gebruikt. Als men iets heeft, waarmee men ze kan vullen, zou ik er de voorkeur aan willen geven boven elk ander materiaal, heeft men echter geen zand, dan is het er anders mee gesteld. Wiik en Ristvedt woonden ongeveer twee jaren in het huis, genaamd de Magneet, en ze hadden niet willen ruilen met ons aan boord derGjöa. Luitenant Hansen en ik woonden samen in de kajuit; maar het was zeer vochtig bij ons, en we moesten den geheelen winter door ’s avonds groote stukken ijs uit onze kooien slaan. Voorin het schip woonden Lund, Hansen en Lindström, en het was daar ook wel vochtig, maar toch niet zoo erg als bij ons in de achterkajuit. Den eersten winter hadden we het heele schip met sneeuw toegesloten en toen daalde de temperatuur in de voorkajuit niet beneden het vriespunt; maar in de achterkajuit hadden wij het steeds onder nul graden. In den tweeden winter liet ik het schip open liggen, in plaats van het met sneeuw te bedekken. Ofschoon deze winter veel zachter was dan de eerste, daalde de temperatuur in de voorkajuit bij nacht toch gauw onder nul. Toen ik hierop het vaartuig weer liet toedekken, trad na korten tijd de oude toestand weer in.

Uranienborg, ons astronomisch observatorium, was het laatste bouwwerk in de reeks. Op een voormiddag kwamen wij allen bijeen, om den astronoom bij den bouw van een voor hem passend huis te helpen. Hij gaf de voorkeur aan den rondbogenstijl, en we bouwden goedsmoeds een Eskimohut. Het gebouw werd niet bijzonder prachtvol, maar het kwam toch tot stand.

Eens op een morgen, toen we op den heuvel stonden, om ons ontbijt onder een vroolijk praatje te verteren, en daarbij als gewoonlijk ook een beetje op rendieren loerden, wees een van ons naar het Noorden en zei:

“Daar zijn ze waarachtig al weer!”

En dadelijk werden de toebereidselen tot de jacht gemaakt. Maar Hansen bleef kalm naast mij staan en scheen zijn ongewoon scherpe oogen buitengewoon in te spannen.

“Nu, Hansen, heb je geen lust vandaag op de rendierenjacht te gaan?”

“O jawel,” zei hij, “maar niet op die rendieren daarginds, want die loopen op twee beenen.”

Na die verbluffende uitspraak liep ik naar mijn verrekijker en richtte dien op de vermeende kudde rendieren. En werkelijk daar in de verte stonden vijf menschen!

Eskimo’s!

Nu hadden wij al steeds wijd en breed over de Eskimo’s gepraat, maar we hadden het op allerlei gronden voor heel onwaarschijnlijk gehouden, dat we met hen zouden samentreffen. We hadden al eind October, en dachten dus, dat we er dit jaar niet op behoefden te rekenen en zoo waren ze ons geheel door het hoofd gegaan.

En daar waren ze nu!

Alles, wat wij over deze arctische barbaren wisten, drong thans plotseling tot ons door. Met de noord-amerikaansche Eskimo’s viel volstrekt niet te spotten, dat wisten we uit de oude reisbeschrijvingen uit deze streken. Uit “Roos en Klutschak” hadden we geleerd, dat het Eskimowoord “Teima” de beste groet was, waarmee men hun tegemoet treden kon. Het beduidde ongeveer een recht hartelijk: “Goeden dag!” En wij hadden ons het woord “Teima!” in alle mogelijke uitspraken ingeprent.

Intusschen viel het ons niet in, ons vertrouwen op dat eene woord te laten rusten. Het was stellig noodig de aankomenden dadelijk als vijanden te beschouwen, en we ontwierpen ons krijgsplan. Ik zou met twee man den vijand tegemoet gaan, en Hansen en Lund gaven zich terstond als vrijwilligers aan. De karabijnen werden goed onderzocht en op het ijs vóór het schip hield ik een troepenschouw; zelfs demeest kritisch gestemde veldheer zou tevreden geweest zijn over houding en uitzien van mijn troepen. Ikzelf zette een zoo krijgshaftig mogelijk gezicht, richtte mij op en commandeerde: “Voorwaarts marsch!”

Met mijn dapperen dicht achter mij trad ik naar voren en wierp daarbij een blik zijwaarts naar het dek, waar de luitenant en de kok naast elkaar stonden. Het scheen mij, alsof de monsterende blikken, waarmee ze ons aankeken, geen onverdeelde bewondering uitdrukten, niet eens den noodigen ernst!

“Goed zoo,” dacht ik, “zich vroolijk maken over ons is niet moeilijk, als men aan boord veilig en wel is geborgen, terwijl wij ons in het onzekere wagen en mogelijk in het open veld den dood in het aangezicht moeten zien.”

De Eskimo’s waren nog ongeveer vijfhonderd meter van ons verwijderd en bewogen zich van den heuvel naar beneden op ons schip af. Ik marcheerde hun zoo martiaal mogelijk te gemoet en achter mij hoorde ik den geregelden pas van mijn manschappen. Op een afstand van ongeveer twintig meter maakten de Eskimo’s halt. Verscheiden strategische mogelijkheden gingen mij door het hoofd; offensieve beweging, defensieve, wat zou het zijn? Maar ten slotte vond ik het toch maar het best, halt te commandeeren. Ik bestudeerde de tegenpartij. De vijanden schenen zeer opgewonden, ze lachten en gesticuleerden zonder bepaald krijgshaftige manieren. Maar plotseling stelden ze zich in positie en rukten voorwaarts.

“Nu goed!” dacht ik, “beter met eere sterven, dan zich te redden door een laffe vlucht.” En “Voorwaarts marsch!” commandeerde ik.

Wij rukten voorwaarts, volkomen erop voorbereid, den vijand in het volgende oogenblik den boog te zien spannen en op ons te zien aanleggen. Maar neen—hij heeft blijkbaar wat anders in den zin. Een krijgslist?

Plotseling dook in mijn door de spanning van den verwachten strijd opgewonden brein het woord “Teima!” op. En “Teima!” brulde ik den vijand, zoo luid ik kon, tegen.

De Eskimo’s stonden plotseling stil. Maar nu is onze opwinding te groot, nu moet er een beslissing vallen, en we snellen, tot den strijd gereed, voorwaarts. Daar klinkt de roep aan mijn oor: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”

En dat klinkt zoo bekend en van Mc. Clintock herkomstig; het is de hoogste en innigste vriendschapsgroet van deze Eskimo’s. In een oogwenk werpen we de geweren weg en snellen naar onze vrienden:

“Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”

Wij schreeuwen allen door elkander, omhelzen elkaar, kloppen elkaâr op de schouders, en ik weet niet aan welken kant de vreugde het grootst is.

Onze vrienden verrasten mij grootelijks door hun uitzien. Voor kort nog hadden wij de leelijke, platneuzige Eskimo’s der noordwestkust van Groenland verlaten en hier troffen we een volksstam, waarvan enkele mannen bepaald knap waren. Twee van hen geleken Indianen en waren als uit een Cooperschen roman geknipt. Forsch van gestalte en gespierd waren ze ook. Broederlijk vereend, gingen ze naar beneden naar het schip. Klik-klik! hoorde ik des luitenants photografietoestel—klik-klik! nog eens en nog eens. Naast hem stond Lindström met zijn breedsten lach, en ik kan niet zeggen, dat ik als veldheer plechtig genoeg gestemd was.

Onze gasten namen de uitnoodiging, mee aan boord te komen, verheugd aan. Op het dek lagen wel honderd verslagen rendieren opgestapeld, en de Eskimo’s zetten groote oogen op over dien vleeschvoorraad, maar zeiden niets. Wij stonden nog bij elkaar te praten en lachen en schertsen, toen Lindström mij toefluisterde, of we hun maar iets zouden voorzetten. “Zeker,” antwoordde ik en verzocht hem, koffie te koken en wat hardbrood voor hen te halen. Wij namen de gasten mee in het scheepsruim, want in de kajuit wilden we ze liever niet hebben, daar we vreesden, dat er ongewenscht gezelschap bij hen zou wezen. De noordgroenlandsche Eskimo’s zijn ten minste om hun onzindelijkheid berucht.

Koffie en brood schenen hun niet recht te smaken; ze lieten merken, dat ze wel graag wat te drinken wilden hebben, en toen we hun water lieten zien, begonnen hun gezichten te stralen. Ieder van hen dronk twee liter water.

Toen zei ik: “Och, Lindström, geef die rendierbout eens, die daar ginds ligt.” En ik had gelijk; dat was wat anders dan hard brood! Nu zagen wij ook, dat ze niet geheel ongewapend waren, zooals eerst scheen. Uit de schachten hunner laarzen trokken ze lange messen en in ongeloofelijk korten tijd hadden ze het vleesch van drie rendierbouten zoo schoon afgekrabd, dat enkel de naakte beenderen overbleven.

Wiik en Ristvedt waren niet bij de aankomst der Eskimo’s tegenwoordig geweest, en daar ze nog niet verschenen, moesten ze van het gebeurde nog niets hebben gemerkt. Toen de gasten eindelijk met hun maaltijd gereed waren, gaf ik hun een teeken, mij te volgen en liep vóór hen uit naar Villa Magneet. Nergens was iemand te zien; ik klopte aan de deur en ging binnen. Ristvedt en Wiik zaten diep over hun boeken gebogen. De Eskimo’s hielden zich rustig achter mij.

“Is het niet merkwaardig,” begon ik, “dat wij in deze afgelegen streken gasten hebben gekregen? En nog wel bekende. Sta mij toe, dat ik ze even voorstel!”

Beide heeren keken verschrikt op, gingen van hun stoelen opstaan en maakten een buiging, en nu traden de Eskimo’s naar voren. Er werd een algemeen luid gelach aangeheven, en toen begon een gesprek, dat daarin bestond, dat de Eskimo’s ons op ons verzoek leerden, hoe de gebruikelijkste dingen in hun taal werden genoemd.

De Eskimo’s bleven den nacht bij ons, en den volgenden morgen trokken ze naar huis. Wij hadden intusschen voldoenden tijd gehad, hun aan het verstand te brengen, dat wij graag gelooide vellen van hen wilden koopen. Toen ze zagen, wat de luitenant en ik aan de bewerking der huiden hadden gedaan, maakten ze er ongeveinsd een grapje over. Twee dagen later kwamen ze weer terug en brachten eenige mooie rendiervellen. Ik besloot nu, hen naar hun woning te vergezellen, om te zien, waar en hoe zeleefden; ze hadden ons te verstaan gegeven, dat ze op den heenweg niet behoefden te overnachten; dus kon het niet bijzonder ver wezen.

Den volgenden voormiddag om half twaalf braken we op. Ik had een slede bij mij, waarop mijn slaapzak, eenig voedsel en allerlei voorwerpen waren gebonden, die ik wist, dat de Eskimo’s op prijs stelden. Met de mij aangeboren meerderheid van den Europeaan spande ik mijn gasten voor de slede. Ik zelf liep op ski en nu ging het in vollen galop voorwaarts naar het Westen. De Eskimo’s hadden niets, noch ski, noch canadeesche sneeuwschoenen, noch iets, dat er op geleek; maar de harde sneeuw droeg ze met gemak. En ik moest mij inspannen, om op mijn ski hen bij te houden.

We hadden al den 9den October, en het werd vroeg donker. Ik hield het dus voor noodzakelijk, tot haast aan te manen. Toentertijd wist ik nog niet, hoe onverschillig een Eskimo is, als hij onderweg is, hetzij bij dag of bij nacht, bij helder weêr of in den dichtsten nevel, in storm of stil weer, of bij een sneeuwstorm, waarin men zijn eigen neus niet kan onderscheiden, hij geeft er niet om. Ik merkte dat eerst later bij nadere bekendheid met de menschen. Om half vier beduidden ze mij, dat we nu hun kamp naderden. En van den top van een heuvelkam zag ik in een beschutten, behagelijken hollen weg eenige lichtjes schemeren. Het was al bijna geheel duister. De Eskimo’s stieten luide vreugdekreten uit en bleken uitermate verheugd bij dien aanblik. De kleine lichtjes daar beneden waren ook inderdaad verlokkend en wekten gedachten aan warmte en welbehagen, aan spijs en drank, aan alles, wat een zwerver in een kouden, ruwen winternacht prettig moet voorkomen.

Het observatorium voor magnetische waarnemingen.Het observatorium voor magnetische waarnemingen.

Het observatorium voor magnetische waarnemingen.

Toen wij ons verstaanbaar konden maken, gaven mijn begeleiders luide schreeuwen, waarbij ik alleen het eene woord, Kabluna, witte man, verstaan kon. En de bewoners van het kamp kwamen in troepjes naar buiten. Het was een merkwaardig tooneel, dat ik mij nu in de herinnering terugroep, en dat ik nooit vergeten zal. Daarginds in het verlaten sneeuwland werd ik omringd door een schaar wilden, die als dol door elkaar schreeuwden, mij in het gelaat keken, aan mijn kleeren trokken en mij streelden. De door de ijsvensters uit de hutten dringende lichtschijn kreeg door den verdwijnenden dag en het schijnsel in het Westen een flauw donkergroene kleur.

Ik verlangde intusschen naar een warm huis en naar iets om te eten; dus ging ik met Attira, die mij het best beviel, in zijn hut. Hij en zijn gezin woonden hier met Tamoktuktu en zijn familie samen. Het was een groote hut, die haar acht bewoners goed kon bevatten. Kort na onze aankomst verzamelden zich de mannelijke leden der kolonie aan een feestmaaltijd, die uit rauw rendiervleesch en water bestond. Drie geheele rendieren verdwenen zoo snel, als ik een boterham zou hebben kunnen gebruiken. De Eskimo’s lachten en praatten er onophoudelijk bij. Geen vrouwen namen aan de feestelijkheid deel. Toen ik aan de mannen trachtte te verklaren, hoe het bij ons ging en aan mevrouw Tamoktuktu een stuk vleesch reikte, lachten de Eskimo’s mij hartelijk uit.

Nadat de mannen eindelijk genoeg hadden, kwam de beurt aan de vrouwen. Ze groetten mij met haar Manik-tu-mi als een goed vriend.

Tegen tien uur legde ik mij in mijn slaapzak, die een plaats had gekregen op de bank tusschen beide familiën. Ik sliep tot het volkomen dag was. Maar toch had ik bij het eerste morgengrauwen al gezien, dat de mannen hun bovenlijf ontblootten en een luchtbad namen in de morgenlucht. Een frisch plezier, dacht ik, verkneukelde mij in mijn warmen zak en sliep door.

In den loop van den voormiddag trok ik op huis aan. Het uit zes hutten bestaande Eskimokamp was dicht bij een groot water, dat ze Kaa-aak-ka noemden. Zij vertelden mij ook, dat Lund en Hansen er gejaagd hadden.

De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.

De eerste sledetocht gaat wanhopig langzaam.

Den 2den November had het vaste station zijn werk begonnen. Wiik had de zelfregistreerende magnetische instrumenten in het gebouwtje voor de waarnemingen opgesteld en deed de waarnemingen geheel alleen. Elken middag, precies om twaalf uur, verwisselde hij de plaat op de registerwals, en dat was lang niet altijd een genoegen. Als men bedenkt, dat hij zich bij 60 graden Celsius onder nul door wind en sneeuwstorm en vaak door meterhooge sneeuw een weg moest banen, dan zal men begrijpen, hoeveel flinkheid en plichtgevoel iemand moest hebben, om die taak zoo trouw te vervullen. Negentien maanden lang deed Wiik het onafgebroken; dat is een mooi record.

De weerkundige waarnemingen werden driemaal daags gedaan. Wij hadden daarbij ook registreerende instrumenten, die den heelen tijd door dag en nacht in werking waren. Van dit deel van den dienst was Ristvedt de leider. Menigen zwaren strijd had hij te voeren met zijn instrumenten in koude en vocht; zijn trouwe en stipte plichtsvervulling mogen wij dankbaar erkennen.

Op deGjöa-expeditie als astronoom te fungeeren was geen lichte taak. De expeditie had nog de ruimte noch de middelen, om opvouwbare huizen mee te nemen, waarin men rustig en behagelijk het goede astronomische oogenblik kan afwachten. Hier moesten de waarnemingen bij de laagste temperatuur met niets dan een kleinen sneeuwmuur ter beschutting tegen wind en sneeuw worden gedaan. Men stelle zich zulk een avond voor: veertig graden kou en ijzige bitter scherpe sneeuw! Tot tegen den avond is de lucht betrokken geweest, maar dan is het plotseling helder geworden, en de hemel is met duizend fonkelende sterren bezaaid. “Wat een wondervolle sterrenhemel!” zeggen wij, anderen. Maar de arme astronoom moet uit zijn warme kajuit naar buiten en naar den overkant achter zijn sneeuwmuur, waar hij uren lang staan en al de kwalen van een sterrenkundig waarnemer in de poollanden moet doormaken, als daar zijn, stijf gevroren vingers, met ijs overtrokken kijkers en allerlei andere rampen.

Voor Lund en Hansen kwam alle arbeid, die het schip betrof. Als specialiteit had Lund nog een watergat en Hansen de honden.

Jammer genoeg, kregen de honden weer dezelfde ziekte als op de heenreis. Eerst werd Tiras van het Godhavntroepje aangetast en stierf. En al vóór Kerstmis hadden we zeven van onze beste honden verloren. Ik bedacht te laat, dat het den dieren wel aan vet bij het eten ontbreken kon; ze hadden den geheelen tijd alleen mager rendiervleesch gehad.

Ja, de honden! Zij eten van alles, dat bleek uit iets, dat ik met afschuw waarnam en hier vermelden wil. Overal snuffelden ze rond, om buiten de hun geregelde toegewezen porties nog het een of ander op te scharrelen. En daar hadden ze ook eens een even onverwachten als griezeligen maaltijd. Wij hadden Silla, die in hoogst interessante positie was, opgesloten in het kleine uitbouwsel van huize Magneet, waar ze haar bevalling zou afwachten. Op een mooien morgen ontvluchtte ze echter en sloeg dadelijk de richting naar het schip in. Halfweg ontmoette ze al haar cavaliers en allen waren geestdriftig over het weerzien hunner dame. Ze omringden haar en geleidden haar verder. Maar wat gebeurt? De arme Silla beviel bij verrassing, en haar kroost moest zich met een hoopje sneeuw als wieg tevreden stellen. Op een teeken van Lurven natuurlijk wierpen zich plotseling alle honden op de jongen; ieder hapte naar een en verteerde het ter plaatse. Toen Silla ontdekte, dat haar jongen verdwenen waren, stond ze op en ging verder. Maar ze werd weer verrast en het laatste jong kwam ter wereld. Om nu de andere honden te verhinderen, zich ook hiervan meester te maken, vrat Silla het liever zelf in razende haast op. Hoe ongeloofelijk het klinke, het is precies zoo gebeurd.

Op den eersten Kerstdag vierden we een dubbel feest. Wiik werd dien dag 25 jaar; hij was het jongste lid der expeditie en tevens een der vroolijksten van ons allen, vol aardige geschiedenissen en anecdoten. In den loop van den voormiddag kwam de oude Eskimo Teraiu aan en werd als gelukwenscher vriendelijk opgenomen. Teraiu behoorde tot onze oudste Eskimovrienden, een van de vijf, die zich het eerst hadden vertoond. Hij zal tusschen vijftig en zestig jaar zijn geweest en was een zeer vroolijke snaak. Bij zijn stamgenooten stond hij niet al te best aangeschreven, want ze hielden hem zoowat voor een idioot; maar dat hij best zijn verstand had, zouden wij later bemerken.

Hij scheen op den jaardag echter niet in feestelijke stemming te wezen. Zijn gezicht en zijn gebaren drukten neerslachtigheid uit en de tranen stonden hem in de oogen. Hij gesticuleerde en babbelde zonder samenhang en jammerde ertusschen. Wij konden niet begrijpen, wat hem scheelde. Maar ten slotte gelukte het ons toch met vereende pogingen opheldering te krijgen over zijn ellende, en wij vernamen, dat het overige deel van de stam verder was getrokken en op de schandelijkste wijze Teraiu en zijn gezin had achtergelaten. Die zagen nu den verschrikkelijken hongerdood voor oogen, als wij ons niet over hen erbarmden en hen gedurende den strengsten wintertijd bij hen lieten wonen.

Natuurlijk waren wij diep geroerd door die treurige geschiedenis en beloofden hem met vrouw en kinderen bij ons op te nemen. Buitendien zei ik, dat ik binnen kort zelf naar Kaa-aak-ka zou gaan om de zaak te onderzoeken.

Teraiu en het gezin kwamen al spoedig aan, en op den tweeden Kerstdag besloten wij, het uitstapje naar Kaa-aak-ka te volbrengen. Het weder was wondermooi, stil en helder. Maar de thermometer wees 24 graden koude. De luitenant, Lund, Ristvedt en ik maakten ons gereed, met Teraiu en zijn familie te vertrekken. Vóór de slede spanden we acht honden, maar overigens namen we geen groote voorzorgen in zake de uitrusting, daar we immers maar een enkelen nacht wilden uitblijven. Ieder had gezorgd voor wat hij noodig had. Over het gladde ijs van de straat ging het vliegensvlug voort en na zes uren waren we op de plaats onzer bestemming. In het kamp van Kaa-aak-ka zag alles er geheel anders uit dan bij ons vorig bezoek; ledig en uitgestorven lagen de sneeuwhutten er, zonder menschen of eenig spoor van leven. Alleen Teraiu’s hut toonde aan, dat er menschen woonden. Kajaggolo zijn vrouw bijgenaamd de “oude uil” schoof het sneeuwblok op zij, dat voor den ingang der hut lag en ging naar binnen, om vuur aan te maken. Teraiu zelf sloeg een gat in het ijs, om water te halen, en wij kozen uit de verlaten hutten die, welke ons het zindelijkst leek, en namen er voor den nacht bezit van.

Op den dag na onze terugkomst bouwde Teraiu zich een hut aan den wal en woonde er tot achter in de maand Maart. In werkelijkheid was ik er niet rouwig om, dat we hem hadden opgenomen, daar hij en zijn vrouw ons van veel dienst waren. Niettegenstaande zijn ouderdom was hij gezond en taai, en zonder eenige vermoeienis te toonen, trok hij een slede van den morgen tot den avond. Hij bleek vreedzaam en eerlijk, was altijd goed gehumeurd en tot schertsen geneigd. Als bouwmeester van sneeuwhutten was hij onvergelijkelijk en van grooten dienst. Kajaggolo zijn vrouw, was stellig even oud als hij. Haar gezicht leek precies een oud, verschrompeld en verdroogd winterappeltje. Ze was ongeveer vijf voet lang en zoo vuil, dat de Eskimo’s er haar zelf om bespotten. Haar tienjarige zoon, Nutra, was net zoo vuil als zijn moeder, maar overigens wel een aardige jongen, verstandig en vol dartele invallen. Aan zijn onzindelijkheid had zijn moeder de grootste schuld. Als de Eskimo’s eenigen tijd bij ons waren geweest begonnen ze gewoonlijk ons voorbeeld te volgen, waschten zich en hielden zich zoo ongeveer schoon. Maar aan de familie Teraiu was in dit opzicht geen zalf te strijken; toen ze vertrokken, waren ze nog net zoo vuil als bij hun komst.

Wanneer ik des namiddags in het magnetische observatorium voor de absolute waarnemingen was geweest, sprak ik telkens eens met de Teraiu’s, wier hut ik passeerde. Bij die bezoeken ontving Kajaggolo mij soms met een gezang, het verschrikkelijkste, dat men zich voorstellen kan, het was niet anders dan woest geschreeuw.

De man en Nutra waren meestal aan boord, nu eens vóór, dan achter, overal waren ze welkom. Het liefst zaten ze in de keuken te kijken, en ofschoon Lindström de Eskimo’s niet uitstaan kon, werd toch zijn goed hart hem vaak de baas, en menig lekker hapje vloog naar de beide Eskimo’s. Teraiu en Nutra gewenden langzamerhand aan ons eten; maar Kajaggolo bleef den geheelen tijd bij haar rauw vleesch en de rauwe visschen.

Toen Kerstmis en Nieuwjaar voorbij waren, moesten we in ernst aan de ontworpen sledevaart denken. De plannen, die we ontworpen hadden, waren van allerlei aard, zooals meestal met plannen in deze streken het geval is. Eindelijk werd besloten, dat ik mij met een gezel naar het magnetisch station zou begeven, en als daar alles goed ging en in orde was, zou beproeven, de Leopoldshaven op Northsomerset met de post te bereiken.

Een ondersteuningsexpeditie onder leiding van luitenant Hansen en met nog één man zou ons helpen, zoolang we dat doelmatig oordeelden.

Alle sleden werden nu voor den dag gehaald en nauwkeurig nagezien, om zoo noodig hersteld te worden. Overal werden werkplaatsen opgericht. Lund zou de sleden in orde brengen en practische proviandkisten timmeren; Hansen, die zeer handig was, deed het fijne werk en was ook een meester op de naaimachine. Ristvedt had een smidse bij de proviandtent en zijn eigenlijke werkplaats in het huis Magneet. Wiik leverde goed werk als reparateur van instrumenten, en de luitenant beoefende naast zijn vak van handschoenenmaken ook de wetenschap. Zijn talent oude vuisthandschoenen met gaten weer te herstellen was buitengewoon.

Zooals bij alle slede-expedities in het poolland werd de vraag van de slaapzakken druk besproken. Ons uitstapje met Teraiu naar Kaa-aak-ka had ons geleerd, dat er in dat opzicht nog veel te verbeteren was, en ieder beijverde zich, om het beste uit tevinden. Onze meegebrachte zakken waren te wijd en moesten vrijwat ingenomen worden. Een slaapzak moet slechts zoo wijd wezen, dat het vel aan alle zijden aan het lichaam sluit. Maar natuurlijk mag hij ook niet spannen. Als men erin ligt en nog naar het omhulsel moet zoeken, wordt men nooit warm. Het model met een opening van boven en een schuif om den hals vond het meest bijval; ik geef er ook de voorkeur aan en kan het ieder aanbevelen.

Onze tenten waren genaaid als Eskimotenten en uitstekend waren ze; er viel niets aan te verbeteren. Ze konden zelfs bij den hevigsten wind door één persoon opgezet worden, en als ze er stonden, werden ze nooit omgeblazen. Daarvan legden ze proeven af. Een verbetering werd toch nog aangebracht en wel aan de deuren. De afsluiting is al van ouds het zwakke punt bij een tent, en dus in het bijzonder daar in het Noorden in de koude. Meestal bestaat de sluiting uit een menigte haken en touwtjes, waardoor het sluiten een heel werk is, als men uit de koude binnenkomt. Ik heb buiten ons eigen systeem geen enkele tentdeur gezien, die den sneeuwstorm geheel buiten hield. Daar nu twee van ons precies hetzelfde denkbeeld hadden gehad, wil ik geen namen noemen, ook omdat de zaak haast al te eenvoudig is, maar is niet het geniale meestal het eenvoudigste? Wij naaiden namelijk een zak rondom den ingang, sneden daar den bodem uit en kropen daardoor naar buiten en naar binnen, terwijl we den zak dan met een touw dichtbonden. Een betere tentafsluiting heb ik nog nooit gezien. Gemakkelijk te openen en gemakkelijk te sluiten en volkomen dicht. Het veeljarige probleem was dus opgelost door een zak.

Bij een proef, die we bij een temperatuur beneden dertig graden vorst deden, vonden we het verblijf in de tenten te koud en wij besloten toen sneeuwhutten te bouwen, die naar onze ervaring bij de Eskimo’s veel warmer waren. Het kost wel meer tijd, een sneeuwhut te maken dan een tent op te slaan, maar ik vind het van zoo verbazend groot belang, dat men na het dagwerk een goeden en behagelijken nacht doorbrengt, dat het uur van bouwen wel beloond wordt.

Wijlegdenons dus met ijver toe op de sneeuwbouwkunst. Grondstof hadden we genoeg, tijd ook en in Teraiu een uitstekenden leermeester. Eerst lieten we het bouwen den oude over, terwijl we nauwkeurig toekeken. Spoedig bleek het ons, dat het vinden van de goede sneeuw een voorwaarde van slagen was. Maar daar behoort veel ervaring toe, ja, het gevoel moet iemand, om zoo te zeggen, aangeboren zijn. De Eskimo’s bedienen zich daarbij van een zeer eenvoudig werktuig, dat ze een hervond noemen en dat bestaat uit een ongeveer een meter langen, uit rendierhoorn gesneden stok, met een handvatsel van rendierhoorn aan het eene einde en een haak van een bisambeen aan het andere. Daarbij komt den Eskimo’s hun instinkt te stade, waarmee ze juist de goede plek uitvinden, waar de kans op goede sneeuw aanwezig is. Als ze hun hervond niet bij zich hebben, gebruiken ze een mes met een lang heft, dat ze aan een touw op den rug hebben hangen. Wij brachten het in het vinden der goede sneeuw niet tot groote volkomenheid, maar toch zoo ver, dat het er mee door kon.

Eskimo vrouw met kind.Eskimo vrouw met kind.

Eskimo vrouw met kind.

Met een lang mes plaatsten wij vieren, de luitenant, Ristvedt, Hansen en ik, ons elken morgen na het ontbijt vóór Teraiu’s hut, om den oude te wekken. Als we ongeveer om acht uur kwamen, lag de geheele familie nog te bed. Dan sprong Teraiu vlug op, sloop in haast in zijn kleeren, want de Eskimokleeding is wijd en ruim en laat zich gemakkelijk uit- en aantrekken. Den meesten tijd hebben ze noodig voor het aantrekken der voetbekleeding. De Eskimo is zeer bezorgd voor zijn voeten, uit vrees niet alleen, dat ze bevriezen, maar ook, dat ze gewond zouden worden bij het den heelen dag loopen over het ijs en de harde sneeuw. Met minder dan vijf lagen aan de voeten stelt hij zich daarom niet tevreden. Als dan eindelijk Teraiu zijn bovenanorak had aangetrokken, terwijl hij voor zulke korte uitstapjes zijn onderanorak thuis liet, gingen we op weg. Wij bouwden om beurten; ieder had zijn bepaalden dag. Maar Hansen was in het bouwvak beslist de meest begaafde; zijn hutten waren meesterstukken. In de vele kleine holle wegjes, die in de haven uitloopen, vonden we al gauw een bouwplaats en goede sneeuw in overvloed. Wij hadden meestal anderhalf uur noodig voor een voor ons vieren geschikte hut. Na gedanen arbeid kwamen we er samen, om de waarde te bepalen. Teraiu was telkens volgeestdrift.

“Mamakpo! mamakpo!” (dat is Uitmuntend! Uitmuntend!) riep hij. Een groote vreugde voor hem was iederen keer de belooning, die hem wachtte. Hij deed niets zonder betaling. Dit beteekende wel niet veel, een stuk ijzer of hout, of wat juist bij de hand was. Hij was altijd aan het verzamelen, om te eeniger tijd voor zichzelf een slede te kunnen bouwen. Zijn eischen waren niet groot; met een paar planken van een meter lengte was hij best tevreden. De familie en haar bezittingen beteekenden immers ook niet veel, wat zou hij dan met een groote slede doen? Een philosofie, die men zich overal ten voorbeeld kan nemen.

Wiik en ik deden telkens proeven, om ons vast te overtuigen, dat onze instrumenten goed in orde waren. Wiik was bestuurder van het vaste, absolute observatorium, terwijl ik mij 75 meter verder een eigen nieuw observatorium had gebouwd. Door al die gebouwen was langzamerhand een aardig dorpjerondom de Gjöa-haven verrezen. Onze waarnemingen vielen tot onze groote tevredenheid goed uit en om de instrumenten behoefde ik nu niet meer ongerust te wezen. Voor waarnemingen op elke plaats, waar ik mij bevond, had ik een zeer kleine theodoliet, die ik van Frithiof Nansen had gekregen en die hij mee naar Groenland had gehad. Ook deze werd na nauwkeurig onderzoek van den astronoom in orde bevonden.

Toen volgde de belangrijke werkzaamheid, het pakken van onze sleden.

Tijdens het pakken moesten de sleden onder dak wezen. Maar een zoo groote hut te bouwen, dat de beide lange sleden erin ondergebracht konden worden, hielden we voor onmogelijk. Wij wendden ons tot Teraiu om raad, die echter tegenover onze vragen een sluw lachen stelde en niets verder zei. Hij strekte beide armen uit en met begeerig stralende oogen zei hij:

“Panna angi!”, dat is Groot mes. Voor de oprichting van zulk een reuzenhut wou hij een groot mes als belooning. En dat werd hem beloofd.

De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.

De leden der expeditie in wintercostuum, van voren.

Wij gingen dadelijk aan het werk. Teraiu koos een terrein van langwerpigen vorm en opdat de sleden in de nabijheid zouden zijn, werd de hut op het ijs, onmiddellijk vóór het schip gebouwd. Zij was verbazend groot, en toen het dak erop moest gezet, moest er eene heele stelling worden gemaakt. Maar ze bleek toch niet vast genoeg en de bewegingen van het ijs waren te vreezen; daarom werd ze herbouwd op den wal en bleek nu voldoende, zoodat we konden beginnen te pakken. De eene slede kreeg een lading van 350 kilogram en werd door Hansen bestuurd en getrokken door de zeven honden, die we nog hadden. De tweede had een lading van 270 kilogram en zou door ons drie mannen worden voortgetrokken.

Den 28sten Februari legden we de laatste hand aan het werk, en op den morgen van den 29sten trokken wij allen met elkaar de sleden tegen den heuvelkam op, om dat moeilijk eind al dadelijk achter den rug te hebben.

Boven bouwden wij een hoogen sneeuwmuur om de sleden heen en legden er zware blokken sneeuw op, om te verhinderen, dat de vossen er een bezoek aan brachten. Dan keerden we terug en brachten den laatsten avond aan boord door.

Ik zag de reis kalm tegemoet. Wij waren goed uitgerust met goede en krachtige kameraden en goede honden. Een grooter aantal honden zou wel gewenscht geweest zijn, maar we hoopten ons met het zevental te kunnen behelpen.

Den eersten Maart waren we reisvaardig. De thermometer wees min 53 graden Celsius; maar wij waren in den loop van Februari zoo aan de koude gewend geraakt, dat ze op ons geen bijzonderen indruk meer maakte, en we waren goed gekleed. De eenen in volslagen Eskimodracht; de anderen ten halve geciviliseerd. Naar mijne meening is de Eskimokleeding in deze streken verre te verkiezen boven onze europeesche kleeding. Maar men moet die dan ook goed doorgevoerd dragen, of in het geheel niet. Elke halfheid is uit den booze. Wollen onderkleeren zuigen al het zweet op en maken de kleederen van vellen, die men erover draagt door en door nat. Niets dan rendiervel als de Eskimo’s en de kleedingstukken zoo wijd en ruim mogelijk, opdat tusschen kleeding en lichaam de lucht circuleeren kan, daarbij behoudt men in den regel droge kleeren. Moet men zich echter onderweg zoo inspannen, dat het pak toch nat wordt, dan zijn de kleeren van vellen toch ook nog gemakkelijker te drogen dan de wollen stoffen. Wollen kleeren worden ook veel eerder vuil en dan houden ze niet meer behoorlijk warm. In dit opzicht houden zich kleeren van huiden, zonder gewasschen te worden, bijzonder goed. Een groot voordeel van vellen is ook, dat men op hetzelfde oogenblik, dat men ze aantrekt, warm en behagelijk voelt. In wollen kleederen moet men zich als een gek aanstellen,rennen en draven en Indianendansen uitvoeren, eer men behoorlijk warm is. En ten slotte zijn de velkleederen volkomen winddicht, wat natuurlijk zeer veel beteekent.

Onze achterblijvende kameraden vergezelden ons tot bij de sleden op de heuvels. De honden werden aangespannen—een laatste handdruk, en daar gingen we.

Hansen leidde de honden van de eene slede, maar spande zich nu en dan ook zelf ervoor. Alle zeven dieren waren nog jong, en ze konden den last slechts met moeite vooruit brengen. Luitenant Hansen, Ristvedt en ik hadden ons vóór de andere slede gespannen. De weg liep zacht omhoog, zoo zacht, dat men het met de oogen bijna niet kon zien, maar men voelde het wel. Gedurende het eerste uur ging het met frissche krachten snel vooruit, maar daarna werd het moeilijk. Hansen vorderde met zijn honden goed. Als hij merkte, dat ze trager liepen, greep hij in de teugels, dan meenden de dieren, dat er nieuwe hulp was gekomen en trokken weer aan. Ons drieën, die de andere slede trokken, ging het minder goed. Het was, alsof we haar door woestijnzand moesten trekken. Zelfs thuis in Noorwegen weten we, hoe lastig poedersneeuw zijn kan, en bij de erge kou hier was het veel lastiger. Middenin hield de slede soms plotseling stil; elke kleine ophooping van sneeuw was een beletsel. Eén, twee, drie, hallo! Dan komt ze erover. Maar het duurt niet lang, of er volgt een nieuwe hoop—weer stilhouden—aantrekken—trekken....

De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.

De leden der expeditie in wintercostuum, van achteren.

Om drie uur in den namiddag besloten we, ons kamp op te slaan. Het begon al te schemeren, en eer we een sneeuwhut klaar konden hebben, zou het bepaald heelemaal donker zijn. Nu moesten wij voor het eerst op de zoek naar goede sneeuw. Wij bevonden ons midden op een groot meer. Nergens was goede sneeuw; hoe vaak we onze messen er ook instaken, overal was ze te slap. Naar den oever was het te ver; we zouden daar niet meer bij daglicht gekomen zijn, en we konden dus niet anders doen dan blijven, waar we waren.

Allereerst lieten wij de honden los. Ze hadden een zwaar werk achter zich en hadden vrijheid en rust wel verdiend. De baas onder hen was Fix, een ongewoon mooie, witgrijze hond, die het meesterschap over de anderen alleen aan zijn gebiedende houding te danken had, niet door zijn meerdere kracht. Als het tot een vechtpartij gekomen was, zou Fix klop gekregen hebben; maar hij scheen als tot heerschen geboren en hij werd gehoorzaamd. Syl was zijn grootvizier, de leelijkste hond van den ganschen troep, bruinzwart en met gluiperigen blik. De spitse, opstaande ooren, die een poolhond een zoo verstandig uitzicht geven, stonden bij Syl scheef en deden hem er dom uitzien. Zoodra het tuig was afgenomen, deed Fix, gevolgd door Syl, de ronde bij de honden, en ten teeken van onderwerping moest iedere hond zich vóór den heerscher Fix op den rug leggen, met alle vier pooten in de lucht. Als een treuzelde, schoot Syl als de wind op hem los, en die had zeer scherpe tanden. Dan kregen de honden hun eten en we waren vrij van hen en konden gaan bouwen.

Wij trokken onze vuisthandschoenen aan, die uitsluitend voor het bouwen van sneeuwhutten bestemd waren, om te beletten, dat de sneeuw bij de mouwen in liep, want ze hadden lange onderstukken, die vastgebonden waren. Ieder met een wel een halven meter lang mes gewapend, begonnen we ons werk. De voor dit doel benoemde bouwmeester stak eerst een kring op den grond af en langs die lijn maakte hij een vier duim diepe geul, die dan de sneeuwblokken van den grondmuur moest dragen. Wij anderen sneden blokken, en de bouwmeester zette ze op. Een iglu, zoo noemen de Eskimo’s hun sneeuwhutten, wordt spiraalvormig, ongeveer als de bijenkorven en altijd tegen de zon in gebouwd, dus van rechts naar links. De blokken moeten een lengte van twee voeten en een hoogte van anderhalven voet hebben en vier duim dik zijn. De grootste moeilijkheid is daarin gelegen,het bovenste klaar te krijgen en het dak erop te plaatsen. Een rechten muur kan ieder wel bouwen.

Daar de thermometer min 57 graden Celsius wees, werd niemand tot luiheid verleid, en het werk schoot goed op. Zoo snel mogelijk ging de kok des avonds aan den arbeid, die daarin bestond, niet alleen het eten klaar te maken, maar ook de hutten te verwarmen, en als een aangename geur van spijzen tot ons doordrong, vlotte het werk buiten wondervlug. Het laatste was, alle spleten op te zoeken, waar licht door schemerde, om ze goed dicht te stoppen. Dan keken we ook nog de sleden na, dat alles stipt vastgebonden was en toegedekt en dat vooral tegen de honden, die zeer diefachtig waren. De stumpers hadden zich tegen de hut aan, zoo goed het ging, in de sneeuw opgerold en als het fel koud was, den snuit onder den staart gestoken.

Was de hut gereed, dan wierpen we een laatsten blik op de wijde stilte rondom in de verbleekende groenachtige schemering en de reeds fonkelende sterren, en na ons de sneeuw van de kleederen te hebben geklopt, kropen wij in de hut. En er was stellig op de wereld dan geen gelukkiger gezelschap dan het onze in de warme, behagelijke ruimte met het dampend heete eten en de barre sneeuwvlakte met de tintelende vorst om ons heen. Na het eten kwamen de tabakspijpen aan de beurt; en alleen de gedachte dat we den volgenden morgen ons weer moesten inspannen, kon een eind maken aan het genoegelijk samenzijn en deed ons in onze slaapzakken kruipen. De vermoeienis deed zich spoedig gelden, en weldra toonde de gelijkmatige ademhaling van vier mannen, dat ook de menschlievende god, Morpheus, een poolvaarder is.

Des morgens om vijf uur, toen de kok ons wekte, zag alles er veel minder vriendelijk uit dan ’s avonds, maar een kop dampende chocolade verbeterde dan de stemming gauw. Buiten kwamen mij de sterren ongewoon groot en schitterend voor; maar het had volgens den minimumthermometer dan ook in den nacht 61.7 graden gevroren. Wij hadden er weinig van gevoeld, en we konden onze uitrusting prijzen, die ons met onze goede sneeuwhut de kou van het lijf had gehouden. Wat voelden we haar in de vingertoppen, als we bij het werk de handschoenen moesten uittrekken! Dan werden de vingers dadelijk wit en men moest ze dan doen herleven, of door de handschoenen gauw weer aan te trekken of nog beter door ze op de manier der Eskimo’s tegen het bloote lichaam te houden.

De honden lagen nog precies zooals wij ze in den avond hadden verlaten, behalve Fix en Syl, die op kattekwaad uit waren. Wij ondervonden ook, hoe totaal onmogelijk het was, de honden zoo vast te maken, dat ze niet los komen konden. Ze wisten zich altijd los te werken, namelijk als ze het volstrekt wilden. Enkele hielden zich steeds rustig, maar als er een los was, gingen de anderen aan het huilen, prettig was het niet, als men uit zijn slaapzak naar buiten moest, om de honden tot rust te brengen.

Toen dien eersten morgen alles in orde was, braken we op. Naar de ervaring van den vorigen dag zetten we onder de met nieuwzilver beslagen sleden weer houten platen, omdat bij de scherpe kou de sleden op hout veel beter liepen. Het beste, wat men eraan doen kan, is er een fijn overtrek van ijs op te laten komen, zooals de Eskimo’s doen, maar daarin hadden wij nog geen ervaring.

De afstandsmeter was op de hondenslede aangebracht; het was een oud rad van de tweede Fram expeditie, maar nog in voortreffelijken toestand. Trots al onze inspanning scheen echter het rad stil te staan, zoo langzaam kwamen we vooruit. Wat onze moeite nog vermeerderde, was een fijne, scherpe tegenwind, die iemand de onbedekte deelen van het aangezicht bepaald openscheurde. Voortdurend moest de een het gezicht van den ander bekijken, en dan vonden we meestal een bevroren neus of een spierwitte wang. Dan deden wij wat de Eskimo’s doen; we trokken een warme hand uit den vuisthandschoen en legden haar op de bevroren plaats, tot het bloed er weer circuleerde. Het oude huismiddel van de plaats met sneeuw in te wrijven, had ik al lang verworpen; de Eskimo’s wisten daar ook niets van. Terwijl de infaam scherpe wind ons de ijsnaalden bij min 50 graden als zweepslagen in het gezicht joeg, schenen de honden daar in het geheel niet onder te lijden. Maar de arme dieren plaagden zich erbarmelijk, vooral in de eerste morgenuren, waarin ze nog stijf van den vorigen dag waren. Ook wij menschen hadden zwaar te trekken. En ik zag in, dat we bij deze manier van reizen zeer weinig zouden uitrichten.

Daar er nog op den tweeden, noch op den derden dag in de temperatuur eenige verandering kwam, besloot ik na ruggespraak met mijn kameraden eenvoudig terug te keeren en zachter weer af te wachten. Op den morgen van den derden dag legden we dus een deel van onze voorraden als dépôt in de sneeuwhut en sloten de opening goed af. De ligging der hut werd nauwkeurig opgenomen; een vlag erop gestoken en geheel gephotografeerd.

Nu richtten we onzen koers weer naar de Gjöahaven. De honden bemerkten spoedig, in welke richting het thans voorwaarts ging, en ook wij menschen voelden ons zeer verlicht, dat ons nutteloos worstelen aan een eind zou komen. En zie daar, de weg, waar we twee en een halven dag over hadden gedaan, een eind van tien kilometer, werd nu in vier uren afgelegd. Maar nu waren dan ook onze sleden belangrijk lichter.

Om elf uur in den voormiddag verrasten we onze kameraden op deGjöadoor onze onverwacht spoedige terugkomst.

Op den 16den Maart ondernamen we een tweeden sledetocht, vonden het dépôt in goede orde en trokken verder noordwaarts; wij hadden nu een met tien honden bespannen slede bij ons. Het was des morgens 40 graden onder nul, zeer goed voor ons te verdragen. Terwijl we op weg waren naar het eiland Matty, zagen wij in de verte op het ijs een zwart punt. Hansen met zijn scherpe oogen verklaarde dadelijk, dat het een Eskimo was, die naar ons toekwam. Spoedig doken meer op tusschen de ijsschollen, en in een oogenblik hadden we 34 mannen en jongens op een afstand van tweehonderd meter voor ons. Zij bleven staan en keken naar ons, zonder het voornemenaan den dag te leggen, om naderbij te komen. Ik voelde mij nu natuurlijk veel zekerder dan bij mijn eerste samentreffen met Eskimo’s; mijn kennis van de taal had ook veel gewonnen en dus besloot ik, naar hen toe te gaan. Toch hadden we onze geweren geladen en Hansen hield er de wacht bij. Toen ik zeer dichtbij was, riep ik: “Manik-tu-mi! Manik-tu-mi!”

Als een electrieke schok ging het door de menigte. Een 34voudig Manik-tu-mi klonk mij tegemoet. Hansen kwam achter mij aan; de vreugde en de geestdrift der Eskimo’s waren bepaald roerend. Het waren Netsjilli-Eskimo’s, die ons ontdekt hadden op hun reis naar hun plaatsen van de zeehondenvangst. Ieder had een speer in de hand en een hond aan een riem achter zich aan. Buitendien waren ze voorzien van groote sneeuwmessen. Ze maakten den indruk van beter en zindelijker gekleed te wezen dan onze eerste vrienden, de Ogluli-Eskimo’s. Toen ik naar hun kamp vroeg, wezen ze oostwaarts tusschen de ijsbergen. Ik had grooten lust, deze menschen nader te leeren kennen en zei, dat ik graag met hen naar hun kamp wilde gaan. Daarover waren ze uitgelaten blij; ze hielpen ons dadelijk de sleden verder trekken, door al hun honden ervoor te spannen. Nu hadden we een voorraad honden, dat het een aard had!

Na een uur klonk plotseling een luid geschreeuw van de Eskimo’s en wij zagen tusschen de ijsbergen een menigte hutten van den vorm van een hooiberg. Het was het grootste kamp, dat ik nog gezien had, 16 hutten te zamen. Het zag er uitgestorven uit. Al spoedig vertoonden zich de vrouwen, geen schoonheden, de kleeren met vet en roet besmeerd, en grauwe haren uitkomend onder de kap. Bij de eerste kennismaking vonden wij de Netsjilli-Eskimo’s allen leelijk, maar later oordeelden we anders, al bleven we de Ogluli’s veel knapper vinden. Ze bouwden een prachtige sneeuwhut voor ons, nadat ze gelachen hadden om de pogingen, die wijzelven deden. Wij werden zeer bevriend met hen, en toen we den volgenden dag verder trokken, vergezelde ons Poieta, een jonge broeder van hun hoofd Atikleura. Wij kwamen tot in de nabijheid van het eiland Matty, maar het weer was zoo slecht, dat Poieta ons afried verder te gaan. We hadden weer een Eskimo-nederzetting van zes hutten gevonden, maar dit waren bedelachtige menschen, en toen wij den volgenden morgen opbraken, misten we een mes, een zaag en een bijl, die we eerst na veel gekijf terugkregen. Een dépôt in de buurt van deze menschen aan te leggen, was dus uitgesloten.

Dan keerden wij weer naar de Netsjilli’s terug, die op het punt stonden naar zuidelijker streken te verhuizen voor de zeehondenvangst. Bij die gelegenheid verzocht ik hen, ons naar ons schip te vergezellen. Den 25sten Maart vertrokken wij allen te zamen en den volgenden dag kwamen wij aan boord, maar de Eskimo’s moesten eerst nog hun jacht volvoeren. Ik had hun de plek van de ligging derGjöaaangeduid, en ze begrepen mij goed en noemden ze evenals de Ogluli’s hadden gedaan, Ogchjoktu.

De omstandigheden hadden mij ook ditmaal verhinderd, zoo ver te komen, als ik graag wou, maar we moesten tevreden wezen, dat we een dépôt toch zooveel verder het land in hadden aangelegd. We hadden het onder de hoede der Netsjilli’s gelaten. Op den dag na onzen terugkeer kwamen al onze dertig Eskimovrienden met Ristvedt en den luitenant, die hen op het ijs hadden aangetroffen, aan. Het werd druk in onze buurt. De Eskimo’s bouwden zich een rij hutten in het Lindströmdal, een der kleine holle wegen, die van de haven naar boven voerden.

Den voorjaarssledetocht begonnen we in April, vonden het vroegere dépôt nog in den besten staat, wat wel pleit voor de betrouwbaarheid der Netsjilli-Eskimo’s, en deden een reis langs de kust van Boothia Felix, sloegen ons noordelijkste kamp op ten zuiden van de Tasmania-eilanden en sloegen den 7den Mei den terugweg in. Het doel was nu, ons dépôt te halen en er de Victoriahaven mee te bereiken, waar Ross met de Victoria had overwinterd en waar een reeks magnetische waarnemingen zeer interessant zou zijn; maar tot de uitvoering van dit plan kwam het niet. Ik leed aan mijn linkervoet, moest eenige dagen rust nemen en ten overvloede was het dépôt dezen keer geplunderd, zoodat we geen keus hadden en naar deGjöaterugkeerden.

Den 5den Juli trokken we er op uit voor een gecombineerde opmetings- en magnetische expeditie. Van allerlei kanten kwamen Eskimo’s naar ons toe en we konden hulp krijgen, zooveel als we wilden. Wij waren voor veertien dagen van proviand voorzien en namen de Eskimo’s Ugpi en Talurnakto mee. De eerste, die de “Uil” bijgenaamd werd, had lang zwart haar en een open eerlijk gezicht. Hij was een uitstekend vogel- en rendierjager. Hij was ongeveer dertig en was getrouwd met Kabloka, een meisje van zeventien jaar. Ze hadden geen kinderen. De moeder van den Uil, die bij hen woonde, was Anana, die evenals de heele familie beheerscht werd door Umiktuallu, den ouderen broeder van Ugpi. Diens vrouw Onaller kon geweldig kijven. Het heftige karakter van Umiktuallu bleek bij een gelegenheid, die allertreurigste gevolgen had. Hij had drie kinderen en een pleegzoon. Eens toen het zevenjarig jongetje het geladen geweer van den wand had genomen en het den pleegzoon overreikte, ging het schot af en het kleinste jongetje viel dood neer. De oudere bleef verschrikt staan en Umiktuallu, die aan kwam loopen stiet zijn pleegzoon in drift en wanhoop zijn mes in het hart. In één graf werden de beide knapen begraven en Umiktuallu verliet na het gebeurde met zijn gezin het kamp.


Back to IndexNext