Chapter 5

Een beauté van Port-Gjöa.Een beauté van Port-Gjöa.Talurnakto, onze andere begeleider; was juist het tegendeel van den Uil. Hij ging onder de zijnen door voor een soort van gek; maar in werkelijkheid was hij de verstandigste van allemaal. Hij lachte steeds en maakte grapjes. Buiten een eenigen broeder had hij in het geheel geen familie en hij bekommerde zich om niemand. Dik en kort van gestalte, had hij den bijnaam Takichja, dat is die moeilijk loopt. Wij werden het eerst op hem opmerkzaam door de taaie volharding, waarmee hij telkens weer op deGjöaverscheen, nadat we hem te verstaan hadden gegeven, dat we hem niet konden gebruiken. Maar toen we later hoorden, dat hij flink werken kon, behieldenwe hem maar. Aan den kost aan boord gewende hij zich gauw, ja, het eten smaakte hem uitstekend; maar zijn manieren waren afschuwelijk. Hij zag er afschrikwekkend uit, als hij zijn maal naar binnen werkte. Ook in dit opzicht was de Uil een voorbeeld; die zou in gezelschapstoilet in het deftigste milieu op zijn plaats zijn geweest; hij gebruikte mes en vork als een gentleman.Het was heerlijk weêr en onder gezang en scherts kwamen we vlug vooruit. Reeds om half 12 hadden we het eilandje bereikt, dat de luitenant en Ristvedt in Maart als zoodanig hadden herkend, Achliechtu noemden het de Eskimo’s. Dadelijk nadat we voet aan wal hadden gezet, liepen we toe op een paar plaatsen, die van sneeuw bevrijd waren en namen er bezit van, om er de tenten op te slaan. Men moet zelf in streken geweest zijn, waar de sneeuw tien maanden aaneen alles bedekt, om de geestdrift mee te voelen, die ons vervulde bij den aanblik van dien naakten grond. Met het merkwaardig troostrijk bewustzijn, te staan op moeder de aarde zelve, stampten we erop rond, en onze oogen zwelgden in de weelde van zwarte aarde en groen mos. Het was als het weerzien van een vriend, die lang afwezig is geweest.Dat het er intusschen erg lenteachtig was, kan ik niet zeggen. Maar in vergelijking met het doodsche van te voren werkte het ontwakende leven verrukkelijk. De weinige kale plekken werden tot drukke middelpunten, ook voor gonzende insecten; een bloempje kwam er boven den grond en werd met gejuich begroet. Eenden en zwanen trokken onophoudelijk in groote troepen boven ons hoofd langs in noordelijke richting. Wij schoten een menigte sneeuwhoenders en leidden bij het versche vleesch een echt heerenleven. Over het algemeen behooren de dagen op de Hovgaard-eilanden tot onze allergelukkigste.Familietooneel in een Eskimohut.Familietooneel in een Eskimohut.Bij mijn terugkeer vond ik als gewoonlijk aan boord alles in de beste orde. Mijn observatietent voor magnetische waarnemingen sloeg ik op in Ogchoktu, zoo noemden de Eskimo’s onze vestiging. Het ijs in de Simpsonstraat buiten begon langzamerhand die licht-blauwgroene kleur aan te nemen, die optreedt als het aan de oppervlakte smelt. Nu zou het niet lang meer duren, of het zou losraken. De Eskimo’s beweerden, dat dit elk jaar gebeurde; maar ze gaven mij ook te verstaan, dat de zomer van 1903, waarin wij waren aangekomen, een zeer ongewone ijszomer was geweest en dat ik niet op een herhaling daarvan zou kunnen hopen.Intusschen zag het er voor ons zeer goed uit. De lente en de voorzomer waren met hun lange avonden heerlijk. Er was één ding, dat ons het leven lastig maakte, en dat waren de muggen. Wij moesten vechten met die benden als tegen roofzuchtige bandieten. Ze vervolgden ons aan boord, en om ten minste des nachts rust van hen te hebben, moesten we onze vensters met vliegengaas overtrekken. Sommigen van ons hadden van de beten veel hinder, en bij voorbeeld bij den armen Lund zwollen ze op, en er kwam ontsteking bij.De meeste Eskimo’s waren nu vertrokken, om hun zomer verblijven op te zoeken en er aan vischvangst en rendierjacht te gaan doen. Alleen drie gezinnen, die naar King Williamsland noordwaarts wilden bleven nog, en dan behielden we den Uil met moeder en vrouw bij ons, alsook Talurnakto, daar ze mij zouden vergezellen, als ik, zoodra het open water aan den wal met een boot kon worden bevaren, mijn afgebroken waarnemingsreis weer zou opvatten.Verscheiden dagen zochten wij naar de lijken der beide Eskimojongens, om te zien op welke wijze ze waren begraven. Ten slotte vonden wij ze ook. Elk lijk lag in een eigen graf op de helling en was door kleine steenen omgeven. De zoon was zorgvuldig genaaid in rendiervel en men had hem zijn boog en pijlen, zijn drinkbeker, zijn vuisthandschoenen en zoo voort meegegeven, terwijl de pleegzoon veel onverschilliger was behandeld. Zijn hoofd was bijna onbedekt, en hij had niets anders bij zich dan een paar oude, afgedragen handschoenen. De insecten waren al met hun werk aan hem begonnen, en in den loop van den winter zou de vos dat wel komen voltooien. Toen ik de plek in het volgend jaar weer bezocht, wemelde het in beide graven van kleine wormen.Luitenant Hansen gebruikte nu het gunstige jaargetijde, om zijn photografieën te ontwikkelen, want thans had hij genoeg van het vroeger zoo kostbare water; in een van onze slooten richtte hij zich een bekken in met regelmatigen toe- en afvoer, waar hij naar hartelust kon plassen en spoelen.Den eersten Augustus begaf ik mij weer op expeditierondom het station. Het was nu een onderzoekingstocht te water en wel met een echte, kleine vloot. Een van onze ijzeren bootjes was het vlaggeschip, waarin ikzelf aan het roer zat; Anana en Kabloka zaten op de achterbank. Ons aller proviand was ook in die boot; Talurnakto roeide een van onze booten van zeildoek, en de Uil zat in zijn eigen kajak. De kajaks van de Netsjilli-Eskimo’s zijn in vergelijking met die van de Eskimo’s uit Noord-Groenland plomp en leelijk. Maar de Groenlanders zijn ook in veel sterker mate van hun kajaks afhankelijk.Ons doel was een heuvel, de Helmer-Hansenheuvel, die vijf zeemijlen verwijderd was; dus we hadden niet ver te varen. De muggen kwelden ons verschrikkelijk, tot wij een eind ver naar buiten waren gekomen; toen lieten ze ons met vrede. Toen echter het wêer na den regen van den morgen opklaarde en de zon stekend begon te worden, hadden we het uitgezochtste muggenweêr. Het half uur gaans van het strand naar den wachtpost was een marteling; wij liepen door zwermen muggen, en daar wij de handen niet vrij hadden, omdat we beladen waren, konden wij ons niet verdedigen; zoodra we den mond open deden, om een woord te spreken, hadden we dien vol muggen. Bijna waren we in wanhoop omgekeerd, maar we hielden vol, en toen eindelijk de tenten waren opgeslagen, vonden we beschutting tegen de millioenen kwelgeesten.Het verblijf op den Hansenheuvel was prettig; het landschap was mooi, en men had er een ruim uitzicht. Het open water reikte juist tot daar; meer naar het westen kwam het ijs nog tot dicht aan het strand. Naar het oosten kon ik over een groote baai juist op Nhchoktu kijken; zuidwaarts was het uitzicht vrij op de Simpsonstraat en in het Noorden lagen de eindelooze mossteppen van King Williamsland, waar, meer landwaarts in, veel meren glinsterden met spiegelend oppervlak. Duizenden vogels vlogen heen en weer, en hier en daar weidde een eenzaam rendier.Vanwege de muggen kon ik enkel des morgens en des avonds werken, en de vrije tijd, dien ik had, werd besteedaanvriendschappelijk verkeer met de Eskimo’s, die ik nu best kende. De Uil en Talurnakto waren meestal op de rendierjacht, en Kabloka vergezelde hen vaak, om te helpen met het vervoer van het geschoten wild. De oude Anana daarentegen bleef bij de tenten en haalde alleen nu en dan wat heidekruid voor brandstof. Zij hielp mij in de huishouding. Haar voornaamste werk was het wasschen van het vleesch, dat de Eskimo’s zeer ruw behandelden. Zij namen het van de sleden en lieten het liggen waar het viel, zoodat het door rendierhaar, modder en kleine steenen verontreinigd werd. Anana’s schoonmaken bestond nu, helaas, dikwijls nergens anders in, dan dat ze het ging aflikken. Ze meende, dat het alleen bescheidenheid van mij was, als ik haar trachtte af te brengen van die gewoonte.Als we eens in een vrij uurtje allen bij elkaar waren, noodigde ik mijn vrienden bij mij in mijn tent en onthaalde ze op chocolade en hard brood. Van alle dranken was chocolade het lekkerste, wat ze kenden. Zij grijnsden over het geheele gezicht, als ik het woord chocolade maar noemde. Bij zulke tractaties deed ik navraag naar alles en nog wat, hun leven en denken betreffende. Van hun taal trachtte ik wat meer te leeren. De Uil was een eerste paedagoog; hij vond het merkwaardig, als ik graag wou weten hoe dit of dat heette. Maar Talurnakto was niet te gebruiken; hij lachte maar en vatte alles op als een grapje.Van eetgerei was ik niet al te best voorzien, en ik zei, dat ze zich er maar zonder moesten behelpen, wat ook heel goed ging. Op een avond, toen we bij elkaar zaten aan tafel, kreeg Talurnakto plotseling een hevigen jeuk op den rug. Met zijn korte armen kon hij de plek niet bereiken, en vlug besloten, greep hij naar mijn lepel, dien ik een oogenblik weggelegd had, schoof het instrument bij zijn kleeren in op den rug en krabde erop los....Toen ik met mijn observaties zoowat klaar was, kwamen de luitenant en Helmer Hansen met de “dorry”, het kleine amerikaansche bootje van de soort als in de Hudsonsbaai worden gebruikt en dat zij hadden uitgerust voor een lange vaart naar kaap Crozier, de zuidwestpunt van King Williamsland. Zij wilden er een dépôt aanleggen voor de voor het voorjaar van 1905 ontworpen sledevaart naar de oostkust van Victorialand. Tevens wilden ze de smalste plaats van de Simpsonstraat tusschen het eiland Eta en het vasteland opmeten met het peillood. Ze waren voor een maand voorzien van het noodige en dus zwaar beladen, daar ze de voorraden van het dépôt ook bij zich hadden.De afstand van kaap Crozier tot de Gjöahaven was honderd zeemijlen. Het ijs, dat tot hier dicht bij het land kwam, was door een sterken Noordenwind zeewaarts gedreven, zoodat ze genoeg open water hadden, om vooruit te komen. Zij bleven een nacht over bij ons, om den volgenden dag met ons op te breken, daar ik naar Kaa-aak-ka, mijn naaste station, wou vertrekken.Dien namiddag beproefde ik mijn eersten tocht met een kajak. Ik had daarvoor een kleinen plas als oefeningsterrein uitgekozen. In het begin ging het uitstekend. Maar mijn kameraden, die in de buurt een post aanlegden, riepen mij allerlei aardigheden toe, en juist keerde ik mij om en wou hun zeggen, dat ik toch maar een voortreffelijken aanleg voor het kajakvaren had, toen de kajak met zijn inhoud kantelde. Het water was ondiep; ik kon den grond met mijn armen raken, maar het bootje was vol water en ikzelf nat tot op de huid. De anderen trokken mij aan land, en het was volstrekt geen triomftocht, toen ik naar de tent liep, om van kleeding te verwisselen.Den volgenden morgen ging het met de “dorry” naar het Westen. De wind was goed, dus behoefden we niet te roeien. Anana, die op het water geen heldin was, gaf er de voorkeur aan, over land te volgen; de Uil voer in zijn eigen kajak.Kaa-aak-ka straalde in volle zomerpracht; een bont tapijt van veelkleurige bloemen bedekte alle heuvels. Maar het ijs dreef weer naar land en belette het verder doordringen met de dorry. De luitenant en Hansen waren dus genoodzaakt ons gezelschap te blijven houden. De Eskimo’s gingen met goed gevolg op de jacht; zoo kwamen ze op een dagthuis met niet minder dan dertien ganzen, die ze met steenen hadden doodgeworpen.Den elfden Augustus was ik met al mijn stations klaar. Ik nam afscheid van mijn kameraden, die nog altijd door het ijs werden vastgehouden, en sloeg den weg naar Ogchoktu in. De tien zeemijlen werden in drie uur roeiend afgelegd, wat een goed stuk werk was, daar we zwaar beladen waren en telkens door het ijs werden tegengehouden.Aan boord werden wij met uitbundige vreugde ontvangen, niet het minst omdat we een flinken voorraad rendiervleesch en ganzen meebrachten.Het was nu stil in de Gjöahaven. Alle Eskimo’s hadden ons verlaten, en sinds langen tijd waren we voor het eerst weer onder ons. Op den zomer is niet veel staat te maken in deze streken; op den 16denAugustus begon het te regenen; we hadden nog maar drie graden Celsius in de kajuit en moesten dus stoken.Van onze leege petroleumvaten hadden Lund en Hansen een eerste-rangshotel voor de honden gebouwd. Ze huisden er veel behagelijker dan in de oude sneeuwhut. Voor het oogenblik waren ze alle vastgebonden en lagen in het zand zich gruwelijk te vervelen. Het leegloopen beviel hun al na een paar dagen niet meer en ik besloot dus een lang gekoesterd plan uit te voeren.Daar ik mijn waarnemingen op de kust van Boothia Felix in één en dezelfde lente had gedaan en toch eenige afwijkingen meende te hebben opgemerkt, besloot ik een station zoo ver noordelijk aan te leggen, als ik maar op de kust van King Williamsland kon doordringen. Daar wilde ik voor een sledetocht in den herfst nu een dépôt aanleggen, terwijl het water nog open was. De booten, die te mijner beschikking stonden, waren wel niet geschikt voor een langere zeereis; maar als men dicht bij den wal bleef, zou het wel gaan. Ik koos een van onze beide booten, die Lund in het begin van den zomer van een kiel had voorzien.De ijstoestanden waren intusschen zeer onaangenaam. Het ijs lag tot bij de Betzoldpunt, en eer het zich verlegd had, kon van den tocht geen sprake wezen. Den 20stenAugustus verveelde mij echter het wachten en ik ging met Talurnakto als eenige geleider op weg, om te zien of men aan den anderen kant van de punt misschien verder kon komen. Het was windstil, en wij moesten roeien, maar kwamen niet vooruit. Talurnakto was aan het roeien met twee riemen niet gewend en kon niet in de maat blijven; hij stiet telkens tegen mijn riemen, en deed meer kwaad dan goed. Het vlakke bootje draaide zich ieder oogenblik om en wees met den neus weer naar huis. Van de Gjöa uit zagen ze ons manoeuvreeren en bereidden zich al voor op onze terugkomst. Maar plotseling scheen er voor Talurnakto een licht op te gaan, wat dat was, roeien in de maat, en hij begon als een ervaren zeeman. Hij zat op de voorste bank, ik op het achterplankje. Nu ging het vliegensvlug en weldra waren we bij de Betzoldpunt. Hier was het ijs echter ondoordringbaar en het bleef verder zoo naar het Oosten langs de geheele kust. Wij brachten dus onze lading aan land, trokken de boot aan den oever en keerden haar onderste boven. Daarna keerden we te voet terug.Toen kwam er een lange, vervelende tijd. Elken morgen wandelde ik naar de landtong, om de ijstoestanden op te nemen. Maar eerst den 29stenAugustus scheidde zich bij zeewind het ijs van het land, en wij konden weer aan de reis denken. Wij brachten de boot in open water en laadden ze. Uit het Noorden woei een flinke bries en in de Schwatkabaai ging een hooge zee. Om voldoende diep water te bereiken, moesten we, voordat we den koers naar kaap Luigi d’Abruzzi richtten, eerst langs het strand tegen den wind in roeien. Dat was hard werk van ruim twee uren, waarin we roeiden dat het zweet bij ons neer droop. Ten laatste konden we zeil opzetten en zeilden dwars over de baai. De golven sloegen onophoudelijk over den rand der boot. Dit was Talurnakto’s eerste zeiltocht, en ze beviel hem maar matig. Maar wij kwamen ten minste zonder ander nadeel, dan dat we druipnat werden, over de baai. Wij zeilden om de punt en aan den anderen kant nog een eind langs het land naar Abva (Mount Matheson).Het eerste, waar we nu aan moesten denken, was het drogen van onze kleeren. De behandeling van kleeren van vellen eischt de grootste voorzichtigheid, opdat er geen scheuren in komen, en de Eskimo is daarin met zijn levenslange ervaring een eerste meester. De tent werd op een kleine plek mos aan het strand opgeslagen.Den volgenden morgen om acht uur trokken wij verder; de wind blies nog steeds uit het Noorden, en na vele uren roeiens bereikten wij een bocht, die zich van het Westen naar het Oosten uitstrekte. Wij deden herhaaldelijk pogingen, om erover te komen, maar de golven sloegen in de boot en wij moesten, hoe ongaarne ook, het opgeven en aan land gaan. Om het windstille weêr te gebruiken, gingen we er den volgenden morgen al om half vijf op uit; het ging nu vlug en we waren spoedig aan de noordzijde van Abva. Hier reikte het ijs weer tot dichtbij land; maar we werkten er ons doorheen, en het was zoo ondiep, dat we met de bootshaak ons konden afzetten.Het land was verlaten en onvruchtbaar, met zand en steenen bedekt, en toen wij bij het aanbreken van den avond, de tent wilden opslaan, vonden we nergens een plek mos die geschikt was. Dertig meter van het strand en ter hoogte van vijftien meter vond ik het skelet van een walvisch. Op dit punt stiet ik ook op het eerste stuk drijfhout, dat ik op King Williamsland kon ontdekken.Een treurige aanblik deed zich den volgenden morgen aan ons voor; de geheele kust was door het ijs geblokkeerd, en er bleef ons niets anders over dan te blijven, waar we waren. Ik gebruikte den tijd, om het land in oogenschouw te nemen. Het geheele zuiderstrand was zandig en kaal; eerst een paar zeemijlen landwaarts in vertoonde zich weer rendiermos.Twee dagen en twee nachten moesten we daar blijven liggen, en toen we den daarop volgenden morgen verder voeren, was het genoegen niet van langen duur. Een paar zeemijlen waren we in de Mc Clintock’s La Trobebaai vooruit gekomen, toen het ijs ons volkomen den weg versperde. Daar lagen we nu op dezelfde plaats tot den 16denSeptember enbewaakten het ijs. Het was winderig en het sneeuwde en in geen enkele richting was iets te zien. De zomer was voorbij, dat was duidelijk.Gesloten kindergraf der Netsjilli-Eskimo’sGesloten kindergraf derNetsjilli-Eskimo’sOp een van die vervelende wachtdagen probeerden we het met de jacht en schoten een rendierkoe en haar kalf. Dit jachtgeluk maakte den goeden Talurnakto opgewonden van plezier, en hij sprong van het eene been op het andere als een klein kind. De boottocht was dus volkomen mislukt. Of wij op de plek, waar we nu waren, of in onze eigen Gjöahaven een dépôt aanlegden, kwam vrijwel op hetzelfde neer. Wij legden dus zooveel, als we dragen konden, ter zijde en metselden het overige met steenen toe, stulpten de boot erover heen en begaven ons op den terugweg naar Ogchoktu. In rechte lijn hadden we 25 mijlen te gaan, maar als we alle hoeken en bochten meerekenden, dan hadden we met de boot meer dan 50 zeemijlen afgelegd. Wij hadden drie dagen noodig, om geheel in de Schwatkabocht te komen, maar wij moesten vaak heen en weer gaan. Hier sloegen wij de tent op en lieten die staan, toen we den volgenden morgen naar de Gjöa teruggingen. We wilden later in de baai op de rendierjacht gaan en lieten daarom ook onze voorraden achter. Het ijs begon vast te worden; maar het was nog niet sterk genoeg, om ons te dragen.Geopend kindergraf der Netsjilli-Eskimo’s.Geopend kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s.In de Gjöahaven was alles monter en gezond. Den 9denSeptember waren de luitenant en Hansen van hun lang uitstapje met goed succes teruggekeerd. Ze hadden hun doel, kaap Crozier, bereikt en het dépôt daar aangelegd. Het smalste deel der Simpsonstraat was nu, zoo goed het ging, onderzocht. Het vaarwater tusschen het eiland Eta en King Williamsland was zoo vol ondiepten, dat het eigenlijk feitelijk afgesloten was. Het zuidelijke vaarwater tusschen Eta en het vasteland van Amerika was, zoowel op den heen- als op den terugweg met ijs gevuld geweest. Maar die ijsbergen waren zoo groot, dat er de zee diep genoeg moest wezen voor ons schip. Kon het ijs door die straat heen komen, dan zou de Gjöa met groote voorzichtigheid hetzelfde kunnen doen. Dat was een bijzonder belangrijke ontdekking; de Noordwestelijke Doorvaart was dus daar niet afgesloten.Met de jacht zag het er in dezen herfst van 1904 twijfelachtig uit. In Ogchjoktu was nog geen grootere rendierkudde gezien; hoogstens hier en daar een alleen rondtrekkend dier. Hansen en Lund waren tijdens mijn afwezigheid met de dorry op jacht geweest, maar zonder veel geluk. Buitendien had hen het ijs verrast, zoodat ze de dorry aan land hadden moeten trekken en over land hadden moeten terugkeeren.We hadden dus nu twee booten in het open veld staan. Om nu voldoende voorraden voor den aanstaanden winter te krijgen, besloot ik, zoodra het ijs vast genoeg zou zijn, naar alle zijden jachtexpedities uit te zenden. De Eskimo’s hadden wel beloofd, ons bij hun terugkeer vleesch te brengen, en ze zouden, zooals we wisten, met het terugkeeren van het ijs komen, maar ik wist niet in hoever ze betrouwbaar waren, en durfde mij niet op hen te verlaten.Wij voerden allerlei verbeteringen aan Villa Magneet uit, volgens de ervaringen van den vorigen winter. Het dak werd met zoden aarde bedekt, bijna het geheele huis onder zand gezet en een uitstekende ventilatie ingericht.Het bleek, dat de winter zijn intocht kwam doen; de koude nachten, de beginnende sneeuwval en de in troepen wegtrekkende vogels waren onbedriegelijke teekenen. De zomer was koud en onvriendelijk geweest; we hadden haast geen open water voor scheepvaart gehad. Dus moesten we onze hoop op beter weêr in het volgend jaar stellen.In den nacht van den 1stenSeptember vroor alles toe. Onze tweede winter was begonnen.Op denzelfden dag, waarop het in ernst vroor, verschenen ook de Eskimo’s weer, en de eerste was onze oude vriend, de Uil, met zijn gezin. De laatste weken had hij met eenige andere familiën aan de jacht op rendieren en aan de zalmvisscherij gedaan bij Peel Inlet, aan de oostkust van King Williamsland. Die familiën hadden hoofdzakelijk gevischt en in de beek, die zich in Peel Inlet uitstort, hadden ze verbazend veel zalmen buitgemaakt. Over het algemeen is hier in de rivieren een rijkdom aan zalm, als wel nergens elders. De Uil had ook een groote menigte rendieren gezien en twintig stuks geschoten, waar hij ons de bouten van afstond.Hij vertelde mij, dat hij op den weg naar het Zuiden een Oglugi-Eskimo had ontmoet, die Tamoktuktu heette en die met zijn gezin in een van ijs gebouwdehut aan den voet van den Wiikheuvel woonde. Daar ik nog nooit een hut van ijs gezien had, ging ik den dag daarop op weg, om die te bekijken. Met den Uil kwam ik er. De hut was gebouwd van acht vierkante ijsblokken van een meter lengte en breedte en een halven voet dikte. De kanten waren tegen elkaar gezet en de blokken waren samengevoegd met een mengsel van ijs en sneeuw, dat een uitstekend bindmiddel is. Rendiervellen vormden het dak. Ik vond de heele familie te huis. Pocjarlu, Tamoktuktu’s vrouw, zat dik en vergenoegd op den achtergrond op een paar huiden. Om haar heen lagen beenderen en vischresten verspreid en vóór de hut lagen een menigte forellen. Het was te laat in het jaar, om nog visch in orde te maken en zoo werden de gevangen visschen alle in bevroren toestand bewaard.Tamoktuktu was op het punt, op de vischvangst uit te gaan, en ik mocht hem vergezellen. Zijn gereedschap bestond uit een kakiva of harpoen en een snoer van rendierpeezen, waar eenige kleine, schitterend gepolijste stukjes been en blik aan hingen. Zijn oudste zoon ging mee; hij sleepte een grooten steen achter zich aan. Vlug gingen we naar het water, dat de Ristvedtplas was genoemd en waar de vischvangst zou plaats hebben. Spiegelglad en glanzend lag het ijs op het water, en men kon elken steen en ieder levend wezen eronder onderscheiden. Tamoktuktu koos een geschikte plek, nam zijn zoon den steen af en hakte er een gat mee in het ijs. Toen hij er doorheen was, maakte hij de opening met zijn mes schoon en hing toen het snoer erin. Dadelijk stroomden de kleine forellen toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, snuffelden aan de vele geheimzinnige voorwerpjes en werden door den oplettenden Tamoktuktu vlug gespietst.Kampement van Netsjilli-Eskimo’s op King Williamsland.Kampement vanNetsjilli-Eskimo’sop King Williamsland.Onderwijl was de Uil bij Poojarlu in de hut gebleven; ze hadden met elkaar vriendschap gesloten en ik zag duidelijk, dat de Uil iets op het hart had. Jawel, hij had aan de schoone beloofd, mij voor haar om den inhoud van het laatst geschoten rendier te verzoeken! Ik beloofde dien en gaf den Uil vergunning, de maag terstond te halen.Het wonen in de tent was nu al minder aangenaam geworden. Het tentdoek lag vol sneeuw en als er binnen gestookt werd, smolt die en maakte alles vochtig. Daarom besloot ik de tent in te bouwen, en met medewerking der Eskimo’s haalden we uit den naasten plas acht ijsplaten van een halven voet dik, elke drie voet breed en evenzoo lang. Die zetten we om de tent, metselden ze met een ijsbrij samen en dekten het dak met rendiervellen. Het huis was klaar; maar het voldeed niet aan de verwachting, want de rijp drong binnen en het was steeds, alsof het van het dak sneeuwde. Toen bouwden mij mijn Eskimo’s een echte winter-iglu. De familie van den Uil en die van Talurnakto woonden in een slot van ijs, dat hoog was en ruim en vol jachttrofeeën. Het bouwen werd steeds ter hand genomen, als het geen weêr was om te jagen.Den 2denOctober keerde ik weer naar de Gjöa terug en liet Ristvedt mijn plaats in de tent innemen. Op den terugweg trof ik het spoor van een berin met twee jongen, die nog heel klein moesten geweest zijn. Zij trokken naar het Zuiden, naar warmer streken. Het was het eerste berenspoor, dat wij in de buurt van onze haven zagen.Toen ik aan boord kwam, was Umiktuallu, de moordenaar van zijn pleegzoon, van het amerikaansche vasteland gekomen. Van zijn kajak uit had hij 35 rendieren geschoten, en hij beloofde, ons het vleesch te brengen, zoodra het ijs goed begaanbaar was. Dat gaf een heerlijke aanwinst bij onzen nooitzeer grooten voorraad. Umiktuallu berichtte ook, dat groote rendierkudden langs de Todd-eilanden over het ijs trokken.Een nieuwtje hield onze nieuwsgierigheid in die dagen gespannen. Umiktuallu had een Kilnermiun-Eskimo, dat is een Eskimo van den stam die aan de Coppermine-rivier woont, ontmoet en vernomen, dat eenKablunaof blanke in Maart met een Eskimo-gezin een bezoek had gebracht aan de Eskimo’s van de Coppermine. Later bleek, dat dit bericht volkomen met de waarheid overeenstemde, zooals men zal zien.Nu besloten wij, ons jachtgeluk in het Westen te beproeven, waar Umiktuallu de vele rendieren had gezien. Daarom reisden Lund en Hansen met Umiktuallu naar het Westen, voorzien van sleden, vijf honden en proviand voor veertien dagen.Van Ristvedt kreeg ik een brief door een Eskimo-koerier, waarin hij mij meedeelde, dat hij het kamp verlegd had naar den noordelijksten heuvel, waar hij sporen van groote rendieren had ontdekt. Over het geheel waren er in dat jaar 1904 veel van die dieren; maar ze hadden de ijstoestanden rondom het eiland Eta gunstig gevonden, en dus kwamen ze op hun trek niet dicht bij ons. De rendieren waren in dit jaar dik en vet in tegenstelling met het vorige jaar. Maar zoo dik als de rendieren op Spitsbergen werden ze hier echter niet; doch dat is ook werkelijk wonderlijk, hoe de broodmagere rendieren op Spitsbergen in den loop van den zomer zich vetmesten en spekkussens krijgen van verscheiden duimen dik. Ook sneeuwhoenders trokken thans in groote scharen voorbij en wij hielden er zooveel van terug, als we maar konden.De 15deOctober was een zeer drukke dag in de haven, want al onze jagers en vier Eskimofamilies kwamen tegelijkertijd. Lund en Hansen hadden negen rendieren gedood, die ze in een sneeuwhut ingemetseld hadden en later aan boord brengen wilden. Het afhalen werd echter uitgesteld, en toen wij eindelijk in den winter het vleesch wilden halen, was het door de Oglugi-Eskimo’s gestolen. De geheele, door ons zelven bijeengebrachte, vleeschvoorraad bestond uit twintig rendieren; visschen hadden wij in het geheel niet. Maar later voorzagen ons de Eskimo’s ruim van visch en vleesch. Het waren daarin betrouwbare menschen, en als ze beloofd hadden vooraad te brengen, hielden ze woord.Door den terugkeer der Eskimo’s kreeg onze haven weer een levendig aanzien. In groote troepen kwamen ze meestal des avonds aan boord, om ons te begroeten, oude vriendschap te vernieuwen en nieuwe vrienden voor te stellen. Monter en vroolijk waren ze altijd, en wij waren goede buren samen.Tot hier toe heeft men altijd gedacht, dat de lucht in de poolstreken volkomen zuiver was en vrij van bacillen. Maar daaraan mag voortaan wel getwijfeld worden, ten minste wat de streken om King Williamsland betreft. Zooveel is zeker, de Eskimo’s worden in het najaar door een ware verkoudheidsepidemie aangetast. Een paar van hen werden zoo hard ziek, dat ik voor longontsteking vreesde. Daar bijna ieder van hen de ziekte kreeg, moest er wel aan besmetting worden gedacht. Wij op de Gjöa bleven gelukkig vrij, maar wij namen ook onze voorzorgsmaatregelen. Tegen het spuwen hadden we een zwaren strijd te voeren. In dat opzicht zijn de Eskimo’s al zoo erg mogelijk, en nu in den tijd van de verkoudheden was het natuurlijk vreeselijk. Onder onze leiding werd het wel beter.Omdat ik graag het groote Eskimokamp, dat er bij Navjato moest zijn, wilde leeren kennen, en daar ik ook visschen wilde inruilen, ging ik op weg naar het kamp en nam Helmer Hansen mee. Den 23stenOctober vertrokken wij met drie Eskimogezinnen, die denzelfden weg gingen. Ter afwisseling gebruikten we ski. Nog was de sneeuw niet vast aaneengebakken en de temperatuur was niet beneden 25 graden vorst, dus voor een skitocht zeer geschikt. Des avonds om half vijf bereikten wij, vijftien zeemijlen van het station verwijderd, den top der “Ellinghoogte.” Hier vonden wij een oude iglu, die wij den naam gaven van “Hotel Ellinghoogte.”Met mijn vriend Poieta en zijn vrouw namen wij vieren de oude iglu in bezit, en met de hulp van mevrouw Nalungia was het er spoedig licht en warm. Na den maaltijd en een klein praatuurtje gingen we te bed. Natuurlijk schreeuwde de zuigeling nu en dan en moest dan tot rust gebracht worden; mij hinderde de stoornis, maar Hansen had er behagen in, want die nachtelijke kinderkamergebeurtenis herinnerde aan het verre thuis en aan zijn Nalungia.Den volgenden morgen togen we in zuidelijke richting naar de Simpsonstraat op weg. Eerst om vier uur hadden wij Navjato bereikt en vonden tot onze verbazing in het geheel niet meer dan tien hutten, veel minder dan we hadden verwacht. Wij werden door onze oude vrienden, die hier kabeljauwen wilden vangen, zeer vriendelijk ontvangen.Navjato of Novo Terro, zooals de Eskimo’s zeggen, heeten de oevers van een klein meer, dat eenige zeemijlen ten zuiden van Point Richardson ligt. Navjato is niet zeer ver van de Hongerbaai, die zoo genoemd wordt, omdat men er geraamten van een groot deel van Franklin’s gezellen vond, en men neemt aan dat ze hier op den weg naar het Zuiden van honger zijn omgekomen. De ironie van het noodlot wil, dat juist deze plek zulk een naam draagt, want het is een der mooiste en rijkste punten van de noordkust van Amerika. In de lente, als het ijs van den oever loslaat, vangt men hier tallooze vette zalmen. Iets later komen groote en vele kudden rendieren en blijven den geheelen zomer. In den herfst kan men kabeljauwen in ongetelde menigten vangen. En juist hier, in dit arctische Eden, moesten die koene reizigers uit gebrek aan levensmiddelen ten gronde gaan! Maar ze waren hierheen gekomen, toen het vlakke land met sneeuw bedekt was, en ze waren doodop van inspanning, uitgeput door ziekte en hadden er halt gehouden. Geen enkele afwisseling bood het eentonige, vlakke land, overal met sneeuw bedekt; geen levende ziel kwam hun tegemoet, om hen terecht te helpen en hulp te verschaffen. En over de geheele aarde zal men lang moeten zoeken, eer men een tweede plek vindt, zoo verlaten als deze in den winter.Toen eindelijk de zomer kwam en in den korten tijd van verlossing van het juk van den winter millioenen bloemen op de velden gingen bloeien,toen alle wateren glinsterden en alle beken kabbelden, toen het van vogels wemelde, die met vroolijk gekweel nesten bouwden, en de eerste rendierbok aan den rand van de open IJszee opdook, toen wees een hoop verbleekte steenen de plaats aan, waar de laatsten van Franklin’s dappere schaar hun laatsten zucht hadden geslaakt, in het laatste bedrijf van dit groote treurspel.Op deze plek, waar zooveel treurige herinneringen aan verbonden zijn, bewogen zich nu de Eskimo’s vroolijk en levendig, voordat de lange nacht aanbrak, die met zware hand licht en leven in deze streken uitbluscht. Ze haalden uit een diepte water van drie of vier vadem groote menigten kabeljauwen, en maakten daarbij gebruik van snoeren van rendierenpeezen en een krommen spijker. Op den namiddag van mijn aankomst werd mij een spartelende kabeljauw vereerd, die dadelijk naar den kookpot verhuisde! Na onzen langen, inspannenden marsch genoten we onzen verschen kabeljauw met vreugde en dachten aan een vaderlandschen fjord in Noorwegen op een mooien zomeravond...Maar eigenlijk waren we minder hierheen gekomen om kabeljauw te eten, dan om kabeljauwen te koopen, en de volgende dagen werden dan ook aan de zaken gewijd. Buiten op het witte ijs beproefde ik mijn geluk met de vischvangst, maar zonder bijzonder goed resultaat. Wij hadden verder een paar onaangename dagen in Navjato. Het was steeds nevel en wind en min 25 graden. In het voorjaar en den herfst voelt men de koude het meest, zelfs als ze in den winter veel heviger is, wat wel samenhangt met de kleeding, die er dan nog niet recht op is ingericht. De Eskimo’s waren van den morgen tot den avond op de jacht en bezig met de vischvangst, vooral voor het verkrijgen van voorraad voor den winter.Toen wij na eenige dagen Navjato verlieten, waren onze sleden hoog beladen met visch. Verscheiden Eskimo’s vergezelden ons op den terugweg, en onder hen was onze oudste en beste vriend Teraiu. Hij had ons uitstapje naar Kaa-aak-ka niet vergeten, en kwam nu bij zijn zware verkoudheid, om een middel ertegen, bij ons. Onderweg hoestte hij erg en spuwde ook bloed. De oude Auva zat, toen we vertrokken, bij het vuur en leed aan een ernstig maaglijden; ze stierf een paar dagen later.Op een der Todd-eilanden brachten wij den eersten nacht door in een oude sneeuwhut. Ook op deze eilanden had men eenige geraamten en andere sporen van de Franklin-expeditie gevonden. Teraiu vertelde, dat hij indertijd al van de blanke mannen, die hierheen gekomen waren, had hooren vertellen. Op het eiland, waar we overnachtten, liet hij mij een groot, plat rotsblok zien, dat ter herinnering aan de dooden was opgericht. De Eskimo’s noemen dit eiland Keuna.Toen wij met een groote slede vol versche, bevroren kabeljauwen aankwamen, werden we natuurlijk met geestdrift ontvangen!Naar de ervaringen van den vorigen winter hadden wij ons gericht voor de verbeteringen op deGjöa. Het winterdak over het schip heen was nu beter in orde, en we maakten er een bewegelijke deur in, waardoor wij als in een huis uit en in konden gaan. Dat had ook nog een ander voordeel; wij konden ons nu de Eskimo’s beter van het lijf houden, wat soms zeer noodig was. Des avonds sloot en grendelde luitenant Hansen de deur, en wij zaten dan veilig binnen, als in een vesting. We richtten ook een bad in en hadden al gauw beneden in het ruim ons eigen stoombad. De luitenant en ik maakten er in dezen winter druk gebruik van; het werkte uitstekend en werd voor ons al gauw bij het leven in de enge ruimte en in de zware kleeding onontbeerlijk. Een kleedkamer konden wij ook niet ontberen, maar we gebruikten er een omgekeerde boterton voor. Wat lastig was, dat was de koude douche, die wij iederen keer kregen door den rijm, dien de bevroren damp vormde en die dan smolt en op ons neerdroop.Luitenant Hansen was vol geestdrift voor het bad en maakte er electrisch licht bij, drie lampen wel! Ja, hij ging nog verder en richtte ook op het dek electrische leidingen in. Men zat dan recht genoegelijk in de kajuit, drukte op een knopje, en—ja, dan moest het licht wezen. Maar het werd niet licht. De eenige fout in de leidingen van luitenant Hansen was, dat ze geen licht verschaften. Wij moesten weer in donker baden. Maar men moet niet meenen, dat de luitenant een slecht electrotechnicus was. O neen! Maar zelfs de beste electrische ingenieur kan niet uit niets, uit zeer ongeschikt materiaal iets zóó maken, dat hij maar heeft te zeggen: “Het zij licht!” Wij waren anders vaak genoeg trotsch op wat we met onze weinige hulpmiddelen uitrichtten.Een vraag, die wij ons nu en dan stelden, was deze, hoe wij ons in geval van nood tegen de Eskimo’s konden verdedigen, ingeval ze wat in het schild voerden. Er was nu een groote menigte rondom ons verzameld, en als zij nu eens een slechte jacht hadden, hoe gemakkelijk konden ze dan onze proviandtent openbreken. Wij moesten hun dus behoorlijk respect inboezemen, en eindelijk werd het middel daartoe gevonden. Onder een sneeuwhut, op vrij grooten afstand van deGjöa, werd een mijn gegraven, die verbonden werd met het schip door een onder de sneeuw verborgen leiding.Toen dat gebeurd was, lieten wij de Eskimo’s samenkomen aan boord. Ik hield voor hen een voordracht over de macht van den blanken man; zei, dat wij van een grooten afstand uit verdelging konden brengen en over het algemeen de wonderlijkste dingen tot stand brengen. Dus was het voor hen van groot belang, dat ze zich fatsoenlijk hielden, omdat ze anders zich den toorn der Kabluna’s of blanke menschen op den hals haalden. Als zij daarginds aan den wal booze dingen zouden willen uitrichten, bij voorbeeld bij die sneeuwhut daar in de verte, dan zouden wij rustig en wel aan boord blijven en enkel maar zóó doen.... Met een vreeselijk geknal vloog de sneeuwhut in de lucht, en een sneeuwwolk stoof omhoog.Dat was volkomen genoeg! Meer was er voor langen tijd niet noodig.Op Zondag 20 September zaten wij juist aan het tweede ontbijt, toen tot onze groote verbazing ons een geheel vreemde Eskimo een bezoek bracht. Reeds de manier, waarop hij binnentrad, wees erop, datonze gast zich in de “wereld” had bewogen. Zijn kleeding verschilde van die van den Netsjillistam. Onze verwondering verminderde niet, toen de man in een, zoo al niet juist, toch volkomen verstaanbaar Engelsch zei: “Give me ’moke!”Wij gaven hem tabak en een pijp, en hij stopte die op sierlijke manier. Toen stelde hij zich voor:“Mister Atangala!”Het begon interessant te worden! Ik bekeek hem oplettend en wachtte wat nu zou volgen. Maar hij wekte mij uit mijn gepeins en deed mij verstaan, dat nu van mij de volgende stap werd verwacht, door te zeggen:“Mag ik vragen, Mijnheer, hoe uw naam is?”Ik kreeg een kleur om mijn gebrek aan wellevendheid, boog en noemde mijn naam. De voorstelling was afgeloopen, en nu was hij blijkbaar tevreden. Hij beduidde mij, dat zijn familie buiten op het dek was en ik maakte mijn gebrek aan wellevendheid van zooëven weer goed, door dadelijk de familie binnen te noodigen. Zij verscheen terstond. De vrouw was een groote, donkere verschijning van echt Eskimotype, Kokko geheeten, en ongeveer veertig jaar oud. Haar zoon schatte ze op tien jaren; hij was een eerste bengel.Vertrek van een excursie per kajak.Vertrek van een excursie per kajak.Atangala vertelde, dat hij en zijn gezin drie blanken van Chesterfield Inlet in de Hudsonsbaai naar de Coppermine hadden begeleid. Dit bevestigde dus het bericht van Umiktuallu, ons zes weken geleden gebracht. Van de Coppermine had Atangala zich huiswaarts gewend, en toen hij hoorde, dat er een schip in Ogchoktu lag, besloot hij ons te bezoeken, ofschoon de afstand een paar honderd zeemijlen bedroeg, en te onderzoeken of hij ook zaken met ons zou kunnen doen. Hij blufte van belang, beweerde dat hij kon schrijven, en op zijn verlangen brachten we hem potlood en papier. Zijn bedrevenheid in de edele schrijfkunst was niet overweldigend. Met ongeloofelijke inspanning bracht hij zijn naam op papier. Hij vertelde, dat hij een paar jaren geleden met een amerikaanschen walvischvanger van de Hudsonsbaai over land naar Winnipeg was gegaan, en van zijn verblijf aldaar kende hij nu alle uitvindingen van den nieuweren tijd, telefonen, spoorwegen, electrisch licht en—whisky. Voor de laatste had hij groote belangstelling, en hij vroeg er steeds naar. Ik beproefde hem uit te leggen, dat de anti-alcoholbeweging het allernieuwste was op dat gebied, maar daar wilde hij niets van weten. Ten slotte smeekte hij om brandewijn. Maar hij kreeg geen drank. Voor ons was het bericht, dat bij Katiktali of kaap Fullerton twee groote schepen lagen, van het grootste belang. Mij kwam het terstond in den zin, of wij misschien door die beide schepen een postverbinding met de buitenwereld konden krijgen. Dus vroeg ik den heer Atangala, of hij bereid was, voor postillon te spelen en hij scheen er niet tegen te hebben.De Gjöa in het ijs te Port-Gjöa.DeGjöain het ijs te Port-Gjöa.Op de zalmvangst.Op de zalmvangst.Ieder was nu ijverig in de weer met brieven te schrijven. De post zou binnen een paar dagen vertrekken, en men moest zien, gauw klaar te komen. Atangala was nog steeds gast aan boord, en hij scheen het naar zijn zin te hebben. Maar zijn honden zagen er slecht uit; ze leken magere wolven en liepen snuffelend rond. Het was een naar gezicht; maar wat konden wij doen? We hadden voor onze eigen honden niet genoeg, laat staan voor vreemde.Den 28stenNovember was de postslede gereed en trots wind en sneeuwstorm vertrokken de postillons om elf uur in den voormiddag. Ik had het voor het veiligst gehouden, Talurnakto mee te zenden, want ik kende immers Atangala niet; misschien was hij wel een der grootste deugnieten.Het was een dwaas gezicht, hoe Talurnakto zich met de opdracht, die hem toevertrouwd was, in zijn schik voelde. De brieven, die geadresseerd waren aan de “Schepen bij kaap Fullerton,” droeg hij in een tasch aan een riem over den schouder. Ik zag wel, dat een spotachtig lachje om Atangala’s mond speelde, maar begreep eerst later, wat dat beduidde. De beide Eskimo’s trokken dus weg en waren spoedig in een sneeuwwolk uit ons gezicht verdwenen.Als een expeditie in de wereld van het poolijs zal gelukken, is het een eerste vereischte, dat alle leden ten allen tijde volop werk hebben, en de plicht van den leider is het, de indeeling van het werk te maken, wat echter in lange perioden wel eens moeilijk onafgebroken vol te houden is. Ledigheid werkt altijd demoraliseerend, en dat alleen is al reden genoeg om op een poolreis niet te veel menschen mee te nemen. Enkele menschen kan men altijd wel aan het werk zetten, maar een grooter aantal altijd bezig te houden, is bijna onmogelijk. Voor mij was het geen moeilijke taak, want mijn kameraden kwamen mij altijd halfweg tegemoet. Als ik niet wat uitvond, kwamen ze zelf met hun plannen. Lund genoot de hoop van een groot uitvinder te wezen op allerlei gebied. Als ik met een denkbeeld bij hem kwam, werd het dadelijk uitgevoerd. Alleen moest hij soms, als er smeedwerk moest worden verricht, Ristvedt te hulp roepen. Maar als dan ook de smid Ristvedt en de architect Lund samenwerkten, was er niets onmogelijk.Van Godhavn hadden wij een menigte vuurvaste baksteenen meegebracht, waarmee wij onze petroleumkachels ommetselen wilden, om de warmte langer te kunnen bewaren. Nu had ik al lang over de beste manier om van die steenen gebruik te maken nagedacht en wendde mij ten laatste met die vraag tot Lund. Wij overlegden en kwamen toen tot de slotsom, dat men, in plaats van de oude kachels in te metselen, even goed een geheel nieuwe kachel kon maken. Lund nam de plannen en de uitvoering op zich. Op denzelfden dag, waarop de post vertrok, verraste hij ons met het voltooide werk. Hij had een van onze groote blikken pakkisten genomen, die in baksteenen ingemetseld en aan de eene zijde een deur erin aangebracht.Zijn plan was, een van onze groote kooktoestellen, die een verbazende hitte verspreidden, door de deur erin te schuiven en daarmee de kachel te stoken. Als het toestel dan werd uitgedaan, zou de warmte door de steenen nog lang worden vastgehouden. Dat klonk prachtig en met mij verheugde zich de luitenant al op de warmte in onze kajuit. Wij keken met de grootste belangstelling naar het zetten van de kachel. Toen die goed op haar plaats stond, werd het toestel aangestoken en erin neergezet.Luitenant Hansen zat ijverig over allerlei berekeningen, en ik was aan mijn eigen werk. Het toestel had nog niet lang gebrand, toen mij een eigenaardige, scherpe, doordringende geur in den neus kwam. Snel keek ik naar den luitenant, om te zien of hij ook wat merkte; maar hij zat onbewegelijk over zijn cijfers gebogen. Ik zei dus niets, maar stond op en kleedde mij aan om naar het observatiehuis te gaan en hem alleen de verdere proeven met de kachel overte laten. Het kon mij niet schelen—maar het stonk afschuwelijk!“Voor den drommel!” viel de luitenant plotseling uit en wierp zijn potlood weg. “Wat is dat hier voor vuiligheid?”Ik was de deur al uit en liet den luitenant in een dikken, verstikkenden walm, waarvan de reuk de herinnering wakker riep aan alle honden, zoowel de Godhavnhonden als de Gjöahonden. Het kwam namelijk doordat de baksteenen onbeschut buiten hadden gelegen en wel op de plek, waar de honden zich graag ophielden. Men kan zich nu wel voorstellen, wat de uitwerking moest wezen van ons verwarmingstoestel op die steenen!Toen ik al ver weg was op den weg naar het observatorium, hoorde ik een geweldig spektakel aan boord. Ik kon wel raden wat het was. Lund’s zinrijke kachel werd eruit gesmeten.Nu hadden wij niets meer dan de herinnering eraan; maar die zat dan ook vervloekt lang in de wanden!Où est la femme?!Zelfs hier in de sneeuwwoestijn moet men vaak dezen noodkreet van de menschheid uitstooten, of liever gezegd er de oorzaak in zoeken van der menschen misslagen en dwalingen. Umiktuallu, die nog altijd op de vischvangst in Navjato was, kwam bij ons aan boord, om onze honden voor een paar dagen te leenen. Hij vertelde, dat Talurnakto in Navjato de post aan Atangala had gegeven en met een Eskimovrouw naar het zuiden was getrokken. Als echtgenoot nommer twee namelijk. Dat was echter, zooals ik uitdrukkelijk verklaar, de eenige onbetrouwbaarheid, die wij van deNetsjilli-Eskimo’servoeren.Umiktuallu zei ook nog, dat een ons bekende jonge vrouw in het kraambed gestorven was. Dat was het tweede sterfgeval in den winter.De Eskimo’s stroomden thans in December in grooten getale in onze haven binnen. De vischvangst in Navjato en de andere plaatsen was geëindigd. Voor zoo ver we hen begrepen, wilden ze nu tot na Kerstmis rustig in Ogchoktu blijven. Zeker verleende onze tegenwoordigheid aan de plaats een groote bekoring. Een groot aantal van de Eskimo’s bedelde dadelijk om eten. Er waren lieden onder, die voor zich en de hunnen meer dan genoeg wintervoorraad hadden, maar anderen hadden weinig, deels uit ongeluk, deels uit luiheid. Voor ons was het volstrekt niet aangenaam, al dat bedelvolk bij ons te hebben, en wij moesten telkens beslist weigeren, daar we toch niet voor al die menschen voedsel hadden.De meeste Eskimo’s bouwden hun hutten in het Sälanddal, en het kamp zag er belangrijk genoeg uit.Wij hadden nu den donkersten tijd van het jaar, waarin de zon den geheelen dag onder den horizon blijft. Wij moesten dus aanhoudend licht branden. In verband met dien “langen nacht” had ik extra-patentlampen meegenomen, waarin de verhitte petroleum als gas brandde, waardoor een zeer sterk licht verkregen werd. Maar reeds den eersten winter hadden deze lampen vaak niet goed gebrand en veel moeite gegeven. In dezen winter gaven ze het geheel op. Lindström, tot wiens departement de lampen behoorden, was wanhopend, en hij gaf zich bewonderenswaardig veel moeite, om de zaak in orde te brengen. Maar ten laatste moest hij zich overwonnen geven, en de geheele voorraad lampen werd weggestopt. Ik had een groote fout begaan; in plaats van mij volkomen te verlaten op die lampen, had ik toch ook nog eenige gewone lampen moeten meenemen.De verlichtingstoestanden waren dus aan het eind van den winter aan boord van deGjöaver van schitterend. Een photografeerlamp, een kompaslamp en twee lantarens, dat was alles, wat we hadden, en daarmee moesten we ons behelpen, zoo goed het ging. Natuurlijk deed Lund de eene uitvinding na de andere in zake verlichting, en zijn toestellen hadden misschien wel een tentoonstellingsprijs verdiend, als ze maar gebrand hadden, maar dat deden ze niet.Eerst half Januari begon de jacht op zeehonden, en het was hoog tijd geworden voor de aanvulling van de voorraden. Ik geloof haast, dat de Eskimo’s om een of ander oud vooroordeel niet vroeger met die jacht beginnen. De maan moest, naar ik meende te begrijpen, een bepaalden stand innemen, vóór men met de jacht op zeehonden mocht aanvangen. En de maan is hun iets heel heiligs, waarnaar ze ook hun tijd regelen.Hun bijgeloof zat hun soms leelijk in den weg. Juist in dien tijd gebeurde iets karakteristieks in dit opzicht. Een aantal vrouwen waren bij ons aan boord geregeld met naaiwerk voor ons bezig. Ze kregen er een kleine betaling voor, waar ze zeer mee ingenomen waren. Op een dag verklaarden ze eenstemmig, dat ze niet konden werken. Wij vroegen naar de reden en vernamen, dat de eerste zeehond gevangen was en dat de vrouwen zeehondenvleesch gegeten hadden; dan mochten ze buiten haar eigen huis niet het minste werk doen, eer de zon zoo en zoo hoog aan den hemel stond. Wij wilden haar het dwaze van deze beschouwing duidelijk maken, beloofden haar ook een ruimere betaling, ja, smeekten haar, toch voort te maken met het werk, dat voor ons noodig was. Maar neen, hier stieten we op een muur, waar we met gewone menschelijke bewijsgronden niet konden doorheen dringen. Daar stond of God of de duivel op wacht, en tegenover deze verloochenden de vrouwen hare anders zoo volgzame en toegefelijke natuur. Alleen de oude Navjato was slim genoeg geweest, niet van het zeehondenvleesch te eten. En zij zat nu bij ons aan boord, naaide van den morgen tot den avond en verwierf ons aller hulde.Den 11den Januari volbracht ik een volkstelling in de Gjöahaven en de omgeving en bevond, dat er achttien familiën met zestig personen waren.In het midden van Januari 1905 kwam Lindström op een dag met het bericht, dat er conserven gestolen waren van onzen voorraad op het dek. Wij hadden uit het proviandhuis naar boord gehaald, wat we aan levensmiddelen voor den winter noodig hadden, en ze op het dek ondergebracht, waar het droog was. Van het begin af was het mij duidelijk geweest, wat dat voor een verzoeking was voor de Eskimo’s, vooral nu, dat ze bijna niets te eten hadden, en ik vond het nog een wonder, dat er in al dien tijd niets gebeurd was. De Eskimo’s gingen immers dagelijksop deGjöauit en in; een blikje kan in het voorbijgaan gemakkelijk verstopt en in de kleederen geborgen worden. Nu ontbraken er dus eenige blikken. Ik riep den Uil en Umiktuallu en zei hun, dat hun landslui ons bestolen hadden en dat ik volstrekt de schuldigen aangewezen wilde zien.Zij namen de zaak heel ernstig op; men zag duidelijk, dat ze zich in zekeren zin voor hun stam verantwoordelijk voelden. Ze verlieten mij, en een paar uren later kwamen ze terug en noemden vier of vijf namen van de schuldigen. Het waren alleen Oglugi-Eskimo’s; van den Netsjillistam had geen enkele zich vergrepen. Ik liet de schuldigen halen. Onder hen bevond zich ook Teraiu, evenals zijn broeder Tamoktuktu. Ieder van hen had zich een bus toegeëigend. Ik hield een donderende toespraak en verbood hun van dat oogenblik af den toegang tot het schip. Toen dropen ze druipstaartend af.Tegen het eind van Januari hadden de Eskimo’s meer geluk op de zeehondenjacht, die hun in het begin niet goed naar wensch was gegaan. Den 1sten Februari gaven allerlei kenteekenen te verstaan, dat de stam ging opbreken; de Eskimo’s begonnen hunnen voorraden naar buiten te brengen op het ijs, en enkele dagen later trokken ze werkelijk weg. Wij voelden ons zeer verlicht, toen wij ze kwijt waren. Het eeuwige gebedel om levensmiddelen was ons zeer lastig geweest.Nu begonnen voor ons ook de voorbereidingen tot een slede-expeditie, die al lang voor het aanstaand voorjaar ontworpen was. Luitenant Hansen en Ristvedt wilden met elkander de oostkust van Victorialand trachten te bereiken, om van dit land, het eenige dat nog niet opgenomen was in den noord-amerikaanschen archipel, een kaart te teekenen. Zooals vroeger al verteld is, was voor deze expeditie bij kaap Crozier, ongeveer honderd zeemijlen van de Gjöahaven verwijderd, een dépôt aangelegd. Onze eerste zorg draaide nu om de honden. Wij hadden een uitstekend troepje, maar er waren te weinig. De luitenant en Ristvedt deden daarom een uitstapje naar de Eskimo’s, die thans ongeveer twintig zeemijlen op het ijs buiten woonden, en keerden na twee dagen met vier groote honden terug, die ze voor een paar stangen ijzer hadden gekregen.Die honden waren wel erg uitgehongerd en moesten eerst goed gevoed worden, vóór wij ze in gebruik konden nemen. Maar toen kwam nog de tweede zorg, namelijk het voeder, dat even belangrijk was in dezen als de honden zelf. Ons hondevoêr was opgebruikt. Het eenige, wat wij nog hadden, was menschenpemmikan, en dat zou het niet lang volhouden. Ons pemmikan bestond uit vijftig percent ossenvet en vijftig percent gedroogd en gestampt paardenvleesch. Deze beide stoffen zijn saamgesmolten en in platen van elk een half kilo geperst, zeer gemakkelijk en beknopt in te pakken. De Indianen zijn het, van wie men oorspronkelijk het gebruik van dit proviand heeft geleerd, en alle poolvaarders moeten hun daar dankbaar voor zijn. Het pemmikan smaakt voortreffelijk, neemt weinig plaats in en kan rauw, gebraden of gekookt gegeten worden. Vooral is het van groote waarde op een slede-expeditie. Wij hadden buitendien ook nog een aantal kisten met hondentalg, die nog over waren van de tweede Framexpeditie, en die stof bleek zeer bruikbaar. Ook hadden we een massa havergort en havermeel, dat ongebruikt lag omdat geen van ons er een bijzondere voorliefde voor had. Al die dingen werden aan luitenant Hansen afgestaan, en hij ging er proeven mee nemen. Havermeel met hondentalg smaakte de honden en bekwam hun goed. En zoo vormde hij porties van elk een half kilogram van dat mengsel als dagelijksche maaltijden voor de honden. De bereiding had in het groot plaats; het geheele schip leek wel een gepatenteerde hondenvoerfabriek onder leiding van den directeur Godfried Hansen. Het werk vlotte goed, en weldra was deze heele quaestie opgelost. Daarna werd over de verdere uitrusting gesproken en alles nagezien. Lund zou voor de sleden zorgen, waar heel wat aan te herstellen viel en die van nieuwe schuivers moesten worden voorzien.Midden in deze toebereidselen kwam het bericht, dat Talurnakto, de verdwenen postillon, in Navjato teruggekeerd was en verzocht, weer in genade te worden aangenomen. Wij hadden hem niet enkel om zijn vlijt, maar ook om zijn goed humeur gemist en vonden zijn misdaad niet grooter dan die van zoo menig man, die er met de vrouw van een ander van door was gegaan; ja, eigenlijk was er minder misdreven, daar in dit geval de geheele familie der vrouw en haar man en kinderen meegegaan waren.Dus lieten wij hem weten, dat wij hem wilden vergeven en hij zijn vroegere betrekking van “meid alleen” weer kon aanvaarden. Op een avond in Februari werd mij gemeld, dat Talurnakto gekomen was. Hij waagde niet eens, zoo maar bij mij binnen te treden. Ik liet hem halen. Zijn uitzicht was, sinds we hem de laatste maal zagen, zeer veranderd. Hij had het blijkbaar als minnaar niet gemakkelijk gehad. Zijn rond, vergenoegd gezicht was langgerekt geworden en mager, en droeg een uitdrukking van diepen weemoed. Hij had zeker niet enkel aangename herinneringen aan zijn liefdesavontuur bewaard. Al wat hij bezat, zijn mes, en speer, pijp en meer van dien aard, alles was in het bezit der geliefde vrouw overgegaan, of de echtgenoot had ze als vergoeding voor zijn liberaliteit verlangd. De arme Talurnakto kwam volkomen uitgeplunderd van zijn escapade terug.Den 7denFebruari ondernam luitenant Hansen de eerste slede-expeditie in het jaar. Hij ging naar Kaa-aak-ka en deed er een menigte magnetische waarnemingen. Het was de allervroegste tijd voor eenig werk in de open lucht; maar we hadden veel plannen en moesten haast maken. Maar koud was het, dat het een aard had! Het is merkwaardig, hoe bros en licht breekbaar alle voorwerpen bij zoo strenge koude worden. Zoo was onze goede Lund op een dag juist met de sledeschuivers bezig; de lat van hickory-hout lag op twee verscheiden voet hooge kisten; bij een onhandige beweging liet hij het ding op het dek vallen en het sprong in vele stukken. Hickory is toch het taaiste hout van de wereld; onze schuivers waren van uitstekend amerikaansch maaksel uit Pensecola; maar in deze koude streken is toch esschenhout te verkiezen.Op een Zaterdagmiddag reed tot onze verbazing onze met vijf honden bespannen slede de haven binnen en hield met een mooien zwaai voor deGjöaop,maar er was geen koetsier. Toen kwam kort daarna van de “Magneet” het bericht, dat er op het ijs een zwarte stip was te zien. En na een poosje kwam Talurnakto hijgend en blazend aanloopen; hij was van de slede geworpen, en de honden waren er van door gegaan en hadden alleen het huis opgezocht.

Een beauté van Port-Gjöa.Een beauté van Port-Gjöa.Talurnakto, onze andere begeleider; was juist het tegendeel van den Uil. Hij ging onder de zijnen door voor een soort van gek; maar in werkelijkheid was hij de verstandigste van allemaal. Hij lachte steeds en maakte grapjes. Buiten een eenigen broeder had hij in het geheel geen familie en hij bekommerde zich om niemand. Dik en kort van gestalte, had hij den bijnaam Takichja, dat is die moeilijk loopt. Wij werden het eerst op hem opmerkzaam door de taaie volharding, waarmee hij telkens weer op deGjöaverscheen, nadat we hem te verstaan hadden gegeven, dat we hem niet konden gebruiken. Maar toen we later hoorden, dat hij flink werken kon, behieldenwe hem maar. Aan den kost aan boord gewende hij zich gauw, ja, het eten smaakte hem uitstekend; maar zijn manieren waren afschuwelijk. Hij zag er afschrikwekkend uit, als hij zijn maal naar binnen werkte. Ook in dit opzicht was de Uil een voorbeeld; die zou in gezelschapstoilet in het deftigste milieu op zijn plaats zijn geweest; hij gebruikte mes en vork als een gentleman.Het was heerlijk weêr en onder gezang en scherts kwamen we vlug vooruit. Reeds om half 12 hadden we het eilandje bereikt, dat de luitenant en Ristvedt in Maart als zoodanig hadden herkend, Achliechtu noemden het de Eskimo’s. Dadelijk nadat we voet aan wal hadden gezet, liepen we toe op een paar plaatsen, die van sneeuw bevrijd waren en namen er bezit van, om er de tenten op te slaan. Men moet zelf in streken geweest zijn, waar de sneeuw tien maanden aaneen alles bedekt, om de geestdrift mee te voelen, die ons vervulde bij den aanblik van dien naakten grond. Met het merkwaardig troostrijk bewustzijn, te staan op moeder de aarde zelve, stampten we erop rond, en onze oogen zwelgden in de weelde van zwarte aarde en groen mos. Het was als het weerzien van een vriend, die lang afwezig is geweest.Dat het er intusschen erg lenteachtig was, kan ik niet zeggen. Maar in vergelijking met het doodsche van te voren werkte het ontwakende leven verrukkelijk. De weinige kale plekken werden tot drukke middelpunten, ook voor gonzende insecten; een bloempje kwam er boven den grond en werd met gejuich begroet. Eenden en zwanen trokken onophoudelijk in groote troepen boven ons hoofd langs in noordelijke richting. Wij schoten een menigte sneeuwhoenders en leidden bij het versche vleesch een echt heerenleven. Over het algemeen behooren de dagen op de Hovgaard-eilanden tot onze allergelukkigste.Familietooneel in een Eskimohut.Familietooneel in een Eskimohut.Bij mijn terugkeer vond ik als gewoonlijk aan boord alles in de beste orde. Mijn observatietent voor magnetische waarnemingen sloeg ik op in Ogchoktu, zoo noemden de Eskimo’s onze vestiging. Het ijs in de Simpsonstraat buiten begon langzamerhand die licht-blauwgroene kleur aan te nemen, die optreedt als het aan de oppervlakte smelt. Nu zou het niet lang meer duren, of het zou losraken. De Eskimo’s beweerden, dat dit elk jaar gebeurde; maar ze gaven mij ook te verstaan, dat de zomer van 1903, waarin wij waren aangekomen, een zeer ongewone ijszomer was geweest en dat ik niet op een herhaling daarvan zou kunnen hopen.Intusschen zag het er voor ons zeer goed uit. De lente en de voorzomer waren met hun lange avonden heerlijk. Er was één ding, dat ons het leven lastig maakte, en dat waren de muggen. Wij moesten vechten met die benden als tegen roofzuchtige bandieten. Ze vervolgden ons aan boord, en om ten minste des nachts rust van hen te hebben, moesten we onze vensters met vliegengaas overtrekken. Sommigen van ons hadden van de beten veel hinder, en bij voorbeeld bij den armen Lund zwollen ze op, en er kwam ontsteking bij.De meeste Eskimo’s waren nu vertrokken, om hun zomer verblijven op te zoeken en er aan vischvangst en rendierjacht te gaan doen. Alleen drie gezinnen, die naar King Williamsland noordwaarts wilden bleven nog, en dan behielden we den Uil met moeder en vrouw bij ons, alsook Talurnakto, daar ze mij zouden vergezellen, als ik, zoodra het open water aan den wal met een boot kon worden bevaren, mijn afgebroken waarnemingsreis weer zou opvatten.Verscheiden dagen zochten wij naar de lijken der beide Eskimojongens, om te zien op welke wijze ze waren begraven. Ten slotte vonden wij ze ook. Elk lijk lag in een eigen graf op de helling en was door kleine steenen omgeven. De zoon was zorgvuldig genaaid in rendiervel en men had hem zijn boog en pijlen, zijn drinkbeker, zijn vuisthandschoenen en zoo voort meegegeven, terwijl de pleegzoon veel onverschilliger was behandeld. Zijn hoofd was bijna onbedekt, en hij had niets anders bij zich dan een paar oude, afgedragen handschoenen. De insecten waren al met hun werk aan hem begonnen, en in den loop van den winter zou de vos dat wel komen voltooien. Toen ik de plek in het volgend jaar weer bezocht, wemelde het in beide graven van kleine wormen.Luitenant Hansen gebruikte nu het gunstige jaargetijde, om zijn photografieën te ontwikkelen, want thans had hij genoeg van het vroeger zoo kostbare water; in een van onze slooten richtte hij zich een bekken in met regelmatigen toe- en afvoer, waar hij naar hartelust kon plassen en spoelen.Den eersten Augustus begaf ik mij weer op expeditierondom het station. Het was nu een onderzoekingstocht te water en wel met een echte, kleine vloot. Een van onze ijzeren bootjes was het vlaggeschip, waarin ikzelf aan het roer zat; Anana en Kabloka zaten op de achterbank. Ons aller proviand was ook in die boot; Talurnakto roeide een van onze booten van zeildoek, en de Uil zat in zijn eigen kajak. De kajaks van de Netsjilli-Eskimo’s zijn in vergelijking met die van de Eskimo’s uit Noord-Groenland plomp en leelijk. Maar de Groenlanders zijn ook in veel sterker mate van hun kajaks afhankelijk.Ons doel was een heuvel, de Helmer-Hansenheuvel, die vijf zeemijlen verwijderd was; dus we hadden niet ver te varen. De muggen kwelden ons verschrikkelijk, tot wij een eind ver naar buiten waren gekomen; toen lieten ze ons met vrede. Toen echter het wêer na den regen van den morgen opklaarde en de zon stekend begon te worden, hadden we het uitgezochtste muggenweêr. Het half uur gaans van het strand naar den wachtpost was een marteling; wij liepen door zwermen muggen, en daar wij de handen niet vrij hadden, omdat we beladen waren, konden wij ons niet verdedigen; zoodra we den mond open deden, om een woord te spreken, hadden we dien vol muggen. Bijna waren we in wanhoop omgekeerd, maar we hielden vol, en toen eindelijk de tenten waren opgeslagen, vonden we beschutting tegen de millioenen kwelgeesten.Het verblijf op den Hansenheuvel was prettig; het landschap was mooi, en men had er een ruim uitzicht. Het open water reikte juist tot daar; meer naar het westen kwam het ijs nog tot dicht aan het strand. Naar het oosten kon ik over een groote baai juist op Nhchoktu kijken; zuidwaarts was het uitzicht vrij op de Simpsonstraat en in het Noorden lagen de eindelooze mossteppen van King Williamsland, waar, meer landwaarts in, veel meren glinsterden met spiegelend oppervlak. Duizenden vogels vlogen heen en weer, en hier en daar weidde een eenzaam rendier.Vanwege de muggen kon ik enkel des morgens en des avonds werken, en de vrije tijd, dien ik had, werd besteedaanvriendschappelijk verkeer met de Eskimo’s, die ik nu best kende. De Uil en Talurnakto waren meestal op de rendierjacht, en Kabloka vergezelde hen vaak, om te helpen met het vervoer van het geschoten wild. De oude Anana daarentegen bleef bij de tenten en haalde alleen nu en dan wat heidekruid voor brandstof. Zij hielp mij in de huishouding. Haar voornaamste werk was het wasschen van het vleesch, dat de Eskimo’s zeer ruw behandelden. Zij namen het van de sleden en lieten het liggen waar het viel, zoodat het door rendierhaar, modder en kleine steenen verontreinigd werd. Anana’s schoonmaken bestond nu, helaas, dikwijls nergens anders in, dan dat ze het ging aflikken. Ze meende, dat het alleen bescheidenheid van mij was, als ik haar trachtte af te brengen van die gewoonte.Als we eens in een vrij uurtje allen bij elkaar waren, noodigde ik mijn vrienden bij mij in mijn tent en onthaalde ze op chocolade en hard brood. Van alle dranken was chocolade het lekkerste, wat ze kenden. Zij grijnsden over het geheele gezicht, als ik het woord chocolade maar noemde. Bij zulke tractaties deed ik navraag naar alles en nog wat, hun leven en denken betreffende. Van hun taal trachtte ik wat meer te leeren. De Uil was een eerste paedagoog; hij vond het merkwaardig, als ik graag wou weten hoe dit of dat heette. Maar Talurnakto was niet te gebruiken; hij lachte maar en vatte alles op als een grapje.Van eetgerei was ik niet al te best voorzien, en ik zei, dat ze zich er maar zonder moesten behelpen, wat ook heel goed ging. Op een avond, toen we bij elkaar zaten aan tafel, kreeg Talurnakto plotseling een hevigen jeuk op den rug. Met zijn korte armen kon hij de plek niet bereiken, en vlug besloten, greep hij naar mijn lepel, dien ik een oogenblik weggelegd had, schoof het instrument bij zijn kleeren in op den rug en krabde erop los....Toen ik met mijn observaties zoowat klaar was, kwamen de luitenant en Helmer Hansen met de “dorry”, het kleine amerikaansche bootje van de soort als in de Hudsonsbaai worden gebruikt en dat zij hadden uitgerust voor een lange vaart naar kaap Crozier, de zuidwestpunt van King Williamsland. Zij wilden er een dépôt aanleggen voor de voor het voorjaar van 1905 ontworpen sledevaart naar de oostkust van Victorialand. Tevens wilden ze de smalste plaats van de Simpsonstraat tusschen het eiland Eta en het vasteland opmeten met het peillood. Ze waren voor een maand voorzien van het noodige en dus zwaar beladen, daar ze de voorraden van het dépôt ook bij zich hadden.De afstand van kaap Crozier tot de Gjöahaven was honderd zeemijlen. Het ijs, dat tot hier dicht bij het land kwam, was door een sterken Noordenwind zeewaarts gedreven, zoodat ze genoeg open water hadden, om vooruit te komen. Zij bleven een nacht over bij ons, om den volgenden dag met ons op te breken, daar ik naar Kaa-aak-ka, mijn naaste station, wou vertrekken.Dien namiddag beproefde ik mijn eersten tocht met een kajak. Ik had daarvoor een kleinen plas als oefeningsterrein uitgekozen. In het begin ging het uitstekend. Maar mijn kameraden, die in de buurt een post aanlegden, riepen mij allerlei aardigheden toe, en juist keerde ik mij om en wou hun zeggen, dat ik toch maar een voortreffelijken aanleg voor het kajakvaren had, toen de kajak met zijn inhoud kantelde. Het water was ondiep; ik kon den grond met mijn armen raken, maar het bootje was vol water en ikzelf nat tot op de huid. De anderen trokken mij aan land, en het was volstrekt geen triomftocht, toen ik naar de tent liep, om van kleeding te verwisselen.Den volgenden morgen ging het met de “dorry” naar het Westen. De wind was goed, dus behoefden we niet te roeien. Anana, die op het water geen heldin was, gaf er de voorkeur aan, over land te volgen; de Uil voer in zijn eigen kajak.Kaa-aak-ka straalde in volle zomerpracht; een bont tapijt van veelkleurige bloemen bedekte alle heuvels. Maar het ijs dreef weer naar land en belette het verder doordringen met de dorry. De luitenant en Hansen waren dus genoodzaakt ons gezelschap te blijven houden. De Eskimo’s gingen met goed gevolg op de jacht; zoo kwamen ze op een dagthuis met niet minder dan dertien ganzen, die ze met steenen hadden doodgeworpen.Den elfden Augustus was ik met al mijn stations klaar. Ik nam afscheid van mijn kameraden, die nog altijd door het ijs werden vastgehouden, en sloeg den weg naar Ogchoktu in. De tien zeemijlen werden in drie uur roeiend afgelegd, wat een goed stuk werk was, daar we zwaar beladen waren en telkens door het ijs werden tegengehouden.Aan boord werden wij met uitbundige vreugde ontvangen, niet het minst omdat we een flinken voorraad rendiervleesch en ganzen meebrachten.Het was nu stil in de Gjöahaven. Alle Eskimo’s hadden ons verlaten, en sinds langen tijd waren we voor het eerst weer onder ons. Op den zomer is niet veel staat te maken in deze streken; op den 16denAugustus begon het te regenen; we hadden nog maar drie graden Celsius in de kajuit en moesten dus stoken.Van onze leege petroleumvaten hadden Lund en Hansen een eerste-rangshotel voor de honden gebouwd. Ze huisden er veel behagelijker dan in de oude sneeuwhut. Voor het oogenblik waren ze alle vastgebonden en lagen in het zand zich gruwelijk te vervelen. Het leegloopen beviel hun al na een paar dagen niet meer en ik besloot dus een lang gekoesterd plan uit te voeren.Daar ik mijn waarnemingen op de kust van Boothia Felix in één en dezelfde lente had gedaan en toch eenige afwijkingen meende te hebben opgemerkt, besloot ik een station zoo ver noordelijk aan te leggen, als ik maar op de kust van King Williamsland kon doordringen. Daar wilde ik voor een sledetocht in den herfst nu een dépôt aanleggen, terwijl het water nog open was. De booten, die te mijner beschikking stonden, waren wel niet geschikt voor een langere zeereis; maar als men dicht bij den wal bleef, zou het wel gaan. Ik koos een van onze beide booten, die Lund in het begin van den zomer van een kiel had voorzien.De ijstoestanden waren intusschen zeer onaangenaam. Het ijs lag tot bij de Betzoldpunt, en eer het zich verlegd had, kon van den tocht geen sprake wezen. Den 20stenAugustus verveelde mij echter het wachten en ik ging met Talurnakto als eenige geleider op weg, om te zien of men aan den anderen kant van de punt misschien verder kon komen. Het was windstil, en wij moesten roeien, maar kwamen niet vooruit. Talurnakto was aan het roeien met twee riemen niet gewend en kon niet in de maat blijven; hij stiet telkens tegen mijn riemen, en deed meer kwaad dan goed. Het vlakke bootje draaide zich ieder oogenblik om en wees met den neus weer naar huis. Van de Gjöa uit zagen ze ons manoeuvreeren en bereidden zich al voor op onze terugkomst. Maar plotseling scheen er voor Talurnakto een licht op te gaan, wat dat was, roeien in de maat, en hij begon als een ervaren zeeman. Hij zat op de voorste bank, ik op het achterplankje. Nu ging het vliegensvlug en weldra waren we bij de Betzoldpunt. Hier was het ijs echter ondoordringbaar en het bleef verder zoo naar het Oosten langs de geheele kust. Wij brachten dus onze lading aan land, trokken de boot aan den oever en keerden haar onderste boven. Daarna keerden we te voet terug.Toen kwam er een lange, vervelende tijd. Elken morgen wandelde ik naar de landtong, om de ijstoestanden op te nemen. Maar eerst den 29stenAugustus scheidde zich bij zeewind het ijs van het land, en wij konden weer aan de reis denken. Wij brachten de boot in open water en laadden ze. Uit het Noorden woei een flinke bries en in de Schwatkabaai ging een hooge zee. Om voldoende diep water te bereiken, moesten we, voordat we den koers naar kaap Luigi d’Abruzzi richtten, eerst langs het strand tegen den wind in roeien. Dat was hard werk van ruim twee uren, waarin we roeiden dat het zweet bij ons neer droop. Ten laatste konden we zeil opzetten en zeilden dwars over de baai. De golven sloegen onophoudelijk over den rand der boot. Dit was Talurnakto’s eerste zeiltocht, en ze beviel hem maar matig. Maar wij kwamen ten minste zonder ander nadeel, dan dat we druipnat werden, over de baai. Wij zeilden om de punt en aan den anderen kant nog een eind langs het land naar Abva (Mount Matheson).Het eerste, waar we nu aan moesten denken, was het drogen van onze kleeren. De behandeling van kleeren van vellen eischt de grootste voorzichtigheid, opdat er geen scheuren in komen, en de Eskimo is daarin met zijn levenslange ervaring een eerste meester. De tent werd op een kleine plek mos aan het strand opgeslagen.Den volgenden morgen om acht uur trokken wij verder; de wind blies nog steeds uit het Noorden, en na vele uren roeiens bereikten wij een bocht, die zich van het Westen naar het Oosten uitstrekte. Wij deden herhaaldelijk pogingen, om erover te komen, maar de golven sloegen in de boot en wij moesten, hoe ongaarne ook, het opgeven en aan land gaan. Om het windstille weêr te gebruiken, gingen we er den volgenden morgen al om half vijf op uit; het ging nu vlug en we waren spoedig aan de noordzijde van Abva. Hier reikte het ijs weer tot dichtbij land; maar we werkten er ons doorheen, en het was zoo ondiep, dat we met de bootshaak ons konden afzetten.Het land was verlaten en onvruchtbaar, met zand en steenen bedekt, en toen wij bij het aanbreken van den avond, de tent wilden opslaan, vonden we nergens een plek mos die geschikt was. Dertig meter van het strand en ter hoogte van vijftien meter vond ik het skelet van een walvisch. Op dit punt stiet ik ook op het eerste stuk drijfhout, dat ik op King Williamsland kon ontdekken.Een treurige aanblik deed zich den volgenden morgen aan ons voor; de geheele kust was door het ijs geblokkeerd, en er bleef ons niets anders over dan te blijven, waar we waren. Ik gebruikte den tijd, om het land in oogenschouw te nemen. Het geheele zuiderstrand was zandig en kaal; eerst een paar zeemijlen landwaarts in vertoonde zich weer rendiermos.Twee dagen en twee nachten moesten we daar blijven liggen, en toen we den daarop volgenden morgen verder voeren, was het genoegen niet van langen duur. Een paar zeemijlen waren we in de Mc Clintock’s La Trobebaai vooruit gekomen, toen het ijs ons volkomen den weg versperde. Daar lagen we nu op dezelfde plaats tot den 16denSeptember enbewaakten het ijs. Het was winderig en het sneeuwde en in geen enkele richting was iets te zien. De zomer was voorbij, dat was duidelijk.Gesloten kindergraf der Netsjilli-Eskimo’sGesloten kindergraf derNetsjilli-Eskimo’sOp een van die vervelende wachtdagen probeerden we het met de jacht en schoten een rendierkoe en haar kalf. Dit jachtgeluk maakte den goeden Talurnakto opgewonden van plezier, en hij sprong van het eene been op het andere als een klein kind. De boottocht was dus volkomen mislukt. Of wij op de plek, waar we nu waren, of in onze eigen Gjöahaven een dépôt aanlegden, kwam vrijwel op hetzelfde neer. Wij legden dus zooveel, als we dragen konden, ter zijde en metselden het overige met steenen toe, stulpten de boot erover heen en begaven ons op den terugweg naar Ogchoktu. In rechte lijn hadden we 25 mijlen te gaan, maar als we alle hoeken en bochten meerekenden, dan hadden we met de boot meer dan 50 zeemijlen afgelegd. Wij hadden drie dagen noodig, om geheel in de Schwatkabocht te komen, maar wij moesten vaak heen en weer gaan. Hier sloegen wij de tent op en lieten die staan, toen we den volgenden morgen naar de Gjöa teruggingen. We wilden later in de baai op de rendierjacht gaan en lieten daarom ook onze voorraden achter. Het ijs begon vast te worden; maar het was nog niet sterk genoeg, om ons te dragen.Geopend kindergraf der Netsjilli-Eskimo’s.Geopend kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s.In de Gjöahaven was alles monter en gezond. Den 9denSeptember waren de luitenant en Hansen van hun lang uitstapje met goed succes teruggekeerd. Ze hadden hun doel, kaap Crozier, bereikt en het dépôt daar aangelegd. Het smalste deel der Simpsonstraat was nu, zoo goed het ging, onderzocht. Het vaarwater tusschen het eiland Eta en King Williamsland was zoo vol ondiepten, dat het eigenlijk feitelijk afgesloten was. Het zuidelijke vaarwater tusschen Eta en het vasteland van Amerika was, zoowel op den heen- als op den terugweg met ijs gevuld geweest. Maar die ijsbergen waren zoo groot, dat er de zee diep genoeg moest wezen voor ons schip. Kon het ijs door die straat heen komen, dan zou de Gjöa met groote voorzichtigheid hetzelfde kunnen doen. Dat was een bijzonder belangrijke ontdekking; de Noordwestelijke Doorvaart was dus daar niet afgesloten.Met de jacht zag het er in dezen herfst van 1904 twijfelachtig uit. In Ogchjoktu was nog geen grootere rendierkudde gezien; hoogstens hier en daar een alleen rondtrekkend dier. Hansen en Lund waren tijdens mijn afwezigheid met de dorry op jacht geweest, maar zonder veel geluk. Buitendien had hen het ijs verrast, zoodat ze de dorry aan land hadden moeten trekken en over land hadden moeten terugkeeren.We hadden dus nu twee booten in het open veld staan. Om nu voldoende voorraden voor den aanstaanden winter te krijgen, besloot ik, zoodra het ijs vast genoeg zou zijn, naar alle zijden jachtexpedities uit te zenden. De Eskimo’s hadden wel beloofd, ons bij hun terugkeer vleesch te brengen, en ze zouden, zooals we wisten, met het terugkeeren van het ijs komen, maar ik wist niet in hoever ze betrouwbaar waren, en durfde mij niet op hen te verlaten.Wij voerden allerlei verbeteringen aan Villa Magneet uit, volgens de ervaringen van den vorigen winter. Het dak werd met zoden aarde bedekt, bijna het geheele huis onder zand gezet en een uitstekende ventilatie ingericht.Het bleek, dat de winter zijn intocht kwam doen; de koude nachten, de beginnende sneeuwval en de in troepen wegtrekkende vogels waren onbedriegelijke teekenen. De zomer was koud en onvriendelijk geweest; we hadden haast geen open water voor scheepvaart gehad. Dus moesten we onze hoop op beter weêr in het volgend jaar stellen.In den nacht van den 1stenSeptember vroor alles toe. Onze tweede winter was begonnen.Op denzelfden dag, waarop het in ernst vroor, verschenen ook de Eskimo’s weer, en de eerste was onze oude vriend, de Uil, met zijn gezin. De laatste weken had hij met eenige andere familiën aan de jacht op rendieren en aan de zalmvisscherij gedaan bij Peel Inlet, aan de oostkust van King Williamsland. Die familiën hadden hoofdzakelijk gevischt en in de beek, die zich in Peel Inlet uitstort, hadden ze verbazend veel zalmen buitgemaakt. Over het algemeen is hier in de rivieren een rijkdom aan zalm, als wel nergens elders. De Uil had ook een groote menigte rendieren gezien en twintig stuks geschoten, waar hij ons de bouten van afstond.Hij vertelde mij, dat hij op den weg naar het Zuiden een Oglugi-Eskimo had ontmoet, die Tamoktuktu heette en die met zijn gezin in een van ijs gebouwdehut aan den voet van den Wiikheuvel woonde. Daar ik nog nooit een hut van ijs gezien had, ging ik den dag daarop op weg, om die te bekijken. Met den Uil kwam ik er. De hut was gebouwd van acht vierkante ijsblokken van een meter lengte en breedte en een halven voet dikte. De kanten waren tegen elkaar gezet en de blokken waren samengevoegd met een mengsel van ijs en sneeuw, dat een uitstekend bindmiddel is. Rendiervellen vormden het dak. Ik vond de heele familie te huis. Pocjarlu, Tamoktuktu’s vrouw, zat dik en vergenoegd op den achtergrond op een paar huiden. Om haar heen lagen beenderen en vischresten verspreid en vóór de hut lagen een menigte forellen. Het was te laat in het jaar, om nog visch in orde te maken en zoo werden de gevangen visschen alle in bevroren toestand bewaard.Tamoktuktu was op het punt, op de vischvangst uit te gaan, en ik mocht hem vergezellen. Zijn gereedschap bestond uit een kakiva of harpoen en een snoer van rendierpeezen, waar eenige kleine, schitterend gepolijste stukjes been en blik aan hingen. Zijn oudste zoon ging mee; hij sleepte een grooten steen achter zich aan. Vlug gingen we naar het water, dat de Ristvedtplas was genoemd en waar de vischvangst zou plaats hebben. Spiegelglad en glanzend lag het ijs op het water, en men kon elken steen en ieder levend wezen eronder onderscheiden. Tamoktuktu koos een geschikte plek, nam zijn zoon den steen af en hakte er een gat mee in het ijs. Toen hij er doorheen was, maakte hij de opening met zijn mes schoon en hing toen het snoer erin. Dadelijk stroomden de kleine forellen toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, snuffelden aan de vele geheimzinnige voorwerpjes en werden door den oplettenden Tamoktuktu vlug gespietst.Kampement van Netsjilli-Eskimo’s op King Williamsland.Kampement vanNetsjilli-Eskimo’sop King Williamsland.Onderwijl was de Uil bij Poojarlu in de hut gebleven; ze hadden met elkaar vriendschap gesloten en ik zag duidelijk, dat de Uil iets op het hart had. Jawel, hij had aan de schoone beloofd, mij voor haar om den inhoud van het laatst geschoten rendier te verzoeken! Ik beloofde dien en gaf den Uil vergunning, de maag terstond te halen.Het wonen in de tent was nu al minder aangenaam geworden. Het tentdoek lag vol sneeuw en als er binnen gestookt werd, smolt die en maakte alles vochtig. Daarom besloot ik de tent in te bouwen, en met medewerking der Eskimo’s haalden we uit den naasten plas acht ijsplaten van een halven voet dik, elke drie voet breed en evenzoo lang. Die zetten we om de tent, metselden ze met een ijsbrij samen en dekten het dak met rendiervellen. Het huis was klaar; maar het voldeed niet aan de verwachting, want de rijp drong binnen en het was steeds, alsof het van het dak sneeuwde. Toen bouwden mij mijn Eskimo’s een echte winter-iglu. De familie van den Uil en die van Talurnakto woonden in een slot van ijs, dat hoog was en ruim en vol jachttrofeeën. Het bouwen werd steeds ter hand genomen, als het geen weêr was om te jagen.Den 2denOctober keerde ik weer naar de Gjöa terug en liet Ristvedt mijn plaats in de tent innemen. Op den terugweg trof ik het spoor van een berin met twee jongen, die nog heel klein moesten geweest zijn. Zij trokken naar het Zuiden, naar warmer streken. Het was het eerste berenspoor, dat wij in de buurt van onze haven zagen.Toen ik aan boord kwam, was Umiktuallu, de moordenaar van zijn pleegzoon, van het amerikaansche vasteland gekomen. Van zijn kajak uit had hij 35 rendieren geschoten, en hij beloofde, ons het vleesch te brengen, zoodra het ijs goed begaanbaar was. Dat gaf een heerlijke aanwinst bij onzen nooitzeer grooten voorraad. Umiktuallu berichtte ook, dat groote rendierkudden langs de Todd-eilanden over het ijs trokken.Een nieuwtje hield onze nieuwsgierigheid in die dagen gespannen. Umiktuallu had een Kilnermiun-Eskimo, dat is een Eskimo van den stam die aan de Coppermine-rivier woont, ontmoet en vernomen, dat eenKablunaof blanke in Maart met een Eskimo-gezin een bezoek had gebracht aan de Eskimo’s van de Coppermine. Later bleek, dat dit bericht volkomen met de waarheid overeenstemde, zooals men zal zien.Nu besloten wij, ons jachtgeluk in het Westen te beproeven, waar Umiktuallu de vele rendieren had gezien. Daarom reisden Lund en Hansen met Umiktuallu naar het Westen, voorzien van sleden, vijf honden en proviand voor veertien dagen.Van Ristvedt kreeg ik een brief door een Eskimo-koerier, waarin hij mij meedeelde, dat hij het kamp verlegd had naar den noordelijksten heuvel, waar hij sporen van groote rendieren had ontdekt. Over het geheel waren er in dat jaar 1904 veel van die dieren; maar ze hadden de ijstoestanden rondom het eiland Eta gunstig gevonden, en dus kwamen ze op hun trek niet dicht bij ons. De rendieren waren in dit jaar dik en vet in tegenstelling met het vorige jaar. Maar zoo dik als de rendieren op Spitsbergen werden ze hier echter niet; doch dat is ook werkelijk wonderlijk, hoe de broodmagere rendieren op Spitsbergen in den loop van den zomer zich vetmesten en spekkussens krijgen van verscheiden duimen dik. Ook sneeuwhoenders trokken thans in groote scharen voorbij en wij hielden er zooveel van terug, als we maar konden.De 15deOctober was een zeer drukke dag in de haven, want al onze jagers en vier Eskimofamilies kwamen tegelijkertijd. Lund en Hansen hadden negen rendieren gedood, die ze in een sneeuwhut ingemetseld hadden en later aan boord brengen wilden. Het afhalen werd echter uitgesteld, en toen wij eindelijk in den winter het vleesch wilden halen, was het door de Oglugi-Eskimo’s gestolen. De geheele, door ons zelven bijeengebrachte, vleeschvoorraad bestond uit twintig rendieren; visschen hadden wij in het geheel niet. Maar later voorzagen ons de Eskimo’s ruim van visch en vleesch. Het waren daarin betrouwbare menschen, en als ze beloofd hadden vooraad te brengen, hielden ze woord.Door den terugkeer der Eskimo’s kreeg onze haven weer een levendig aanzien. In groote troepen kwamen ze meestal des avonds aan boord, om ons te begroeten, oude vriendschap te vernieuwen en nieuwe vrienden voor te stellen. Monter en vroolijk waren ze altijd, en wij waren goede buren samen.Tot hier toe heeft men altijd gedacht, dat de lucht in de poolstreken volkomen zuiver was en vrij van bacillen. Maar daaraan mag voortaan wel getwijfeld worden, ten minste wat de streken om King Williamsland betreft. Zooveel is zeker, de Eskimo’s worden in het najaar door een ware verkoudheidsepidemie aangetast. Een paar van hen werden zoo hard ziek, dat ik voor longontsteking vreesde. Daar bijna ieder van hen de ziekte kreeg, moest er wel aan besmetting worden gedacht. Wij op de Gjöa bleven gelukkig vrij, maar wij namen ook onze voorzorgsmaatregelen. Tegen het spuwen hadden we een zwaren strijd te voeren. In dat opzicht zijn de Eskimo’s al zoo erg mogelijk, en nu in den tijd van de verkoudheden was het natuurlijk vreeselijk. Onder onze leiding werd het wel beter.Omdat ik graag het groote Eskimokamp, dat er bij Navjato moest zijn, wilde leeren kennen, en daar ik ook visschen wilde inruilen, ging ik op weg naar het kamp en nam Helmer Hansen mee. Den 23stenOctober vertrokken wij met drie Eskimogezinnen, die denzelfden weg gingen. Ter afwisseling gebruikten we ski. Nog was de sneeuw niet vast aaneengebakken en de temperatuur was niet beneden 25 graden vorst, dus voor een skitocht zeer geschikt. Des avonds om half vijf bereikten wij, vijftien zeemijlen van het station verwijderd, den top der “Ellinghoogte.” Hier vonden wij een oude iglu, die wij den naam gaven van “Hotel Ellinghoogte.”Met mijn vriend Poieta en zijn vrouw namen wij vieren de oude iglu in bezit, en met de hulp van mevrouw Nalungia was het er spoedig licht en warm. Na den maaltijd en een klein praatuurtje gingen we te bed. Natuurlijk schreeuwde de zuigeling nu en dan en moest dan tot rust gebracht worden; mij hinderde de stoornis, maar Hansen had er behagen in, want die nachtelijke kinderkamergebeurtenis herinnerde aan het verre thuis en aan zijn Nalungia.Den volgenden morgen togen we in zuidelijke richting naar de Simpsonstraat op weg. Eerst om vier uur hadden wij Navjato bereikt en vonden tot onze verbazing in het geheel niet meer dan tien hutten, veel minder dan we hadden verwacht. Wij werden door onze oude vrienden, die hier kabeljauwen wilden vangen, zeer vriendelijk ontvangen.Navjato of Novo Terro, zooals de Eskimo’s zeggen, heeten de oevers van een klein meer, dat eenige zeemijlen ten zuiden van Point Richardson ligt. Navjato is niet zeer ver van de Hongerbaai, die zoo genoemd wordt, omdat men er geraamten van een groot deel van Franklin’s gezellen vond, en men neemt aan dat ze hier op den weg naar het Zuiden van honger zijn omgekomen. De ironie van het noodlot wil, dat juist deze plek zulk een naam draagt, want het is een der mooiste en rijkste punten van de noordkust van Amerika. In de lente, als het ijs van den oever loslaat, vangt men hier tallooze vette zalmen. Iets later komen groote en vele kudden rendieren en blijven den geheelen zomer. In den herfst kan men kabeljauwen in ongetelde menigten vangen. En juist hier, in dit arctische Eden, moesten die koene reizigers uit gebrek aan levensmiddelen ten gronde gaan! Maar ze waren hierheen gekomen, toen het vlakke land met sneeuw bedekt was, en ze waren doodop van inspanning, uitgeput door ziekte en hadden er halt gehouden. Geen enkele afwisseling bood het eentonige, vlakke land, overal met sneeuw bedekt; geen levende ziel kwam hun tegemoet, om hen terecht te helpen en hulp te verschaffen. En over de geheele aarde zal men lang moeten zoeken, eer men een tweede plek vindt, zoo verlaten als deze in den winter.Toen eindelijk de zomer kwam en in den korten tijd van verlossing van het juk van den winter millioenen bloemen op de velden gingen bloeien,toen alle wateren glinsterden en alle beken kabbelden, toen het van vogels wemelde, die met vroolijk gekweel nesten bouwden, en de eerste rendierbok aan den rand van de open IJszee opdook, toen wees een hoop verbleekte steenen de plaats aan, waar de laatsten van Franklin’s dappere schaar hun laatsten zucht hadden geslaakt, in het laatste bedrijf van dit groote treurspel.Op deze plek, waar zooveel treurige herinneringen aan verbonden zijn, bewogen zich nu de Eskimo’s vroolijk en levendig, voordat de lange nacht aanbrak, die met zware hand licht en leven in deze streken uitbluscht. Ze haalden uit een diepte water van drie of vier vadem groote menigten kabeljauwen, en maakten daarbij gebruik van snoeren van rendierenpeezen en een krommen spijker. Op den namiddag van mijn aankomst werd mij een spartelende kabeljauw vereerd, die dadelijk naar den kookpot verhuisde! Na onzen langen, inspannenden marsch genoten we onzen verschen kabeljauw met vreugde en dachten aan een vaderlandschen fjord in Noorwegen op een mooien zomeravond...Maar eigenlijk waren we minder hierheen gekomen om kabeljauw te eten, dan om kabeljauwen te koopen, en de volgende dagen werden dan ook aan de zaken gewijd. Buiten op het witte ijs beproefde ik mijn geluk met de vischvangst, maar zonder bijzonder goed resultaat. Wij hadden verder een paar onaangename dagen in Navjato. Het was steeds nevel en wind en min 25 graden. In het voorjaar en den herfst voelt men de koude het meest, zelfs als ze in den winter veel heviger is, wat wel samenhangt met de kleeding, die er dan nog niet recht op is ingericht. De Eskimo’s waren van den morgen tot den avond op de jacht en bezig met de vischvangst, vooral voor het verkrijgen van voorraad voor den winter.Toen wij na eenige dagen Navjato verlieten, waren onze sleden hoog beladen met visch. Verscheiden Eskimo’s vergezelden ons op den terugweg, en onder hen was onze oudste en beste vriend Teraiu. Hij had ons uitstapje naar Kaa-aak-ka niet vergeten, en kwam nu bij zijn zware verkoudheid, om een middel ertegen, bij ons. Onderweg hoestte hij erg en spuwde ook bloed. De oude Auva zat, toen we vertrokken, bij het vuur en leed aan een ernstig maaglijden; ze stierf een paar dagen later.Op een der Todd-eilanden brachten wij den eersten nacht door in een oude sneeuwhut. Ook op deze eilanden had men eenige geraamten en andere sporen van de Franklin-expeditie gevonden. Teraiu vertelde, dat hij indertijd al van de blanke mannen, die hierheen gekomen waren, had hooren vertellen. Op het eiland, waar we overnachtten, liet hij mij een groot, plat rotsblok zien, dat ter herinnering aan de dooden was opgericht. De Eskimo’s noemen dit eiland Keuna.Toen wij met een groote slede vol versche, bevroren kabeljauwen aankwamen, werden we natuurlijk met geestdrift ontvangen!Naar de ervaringen van den vorigen winter hadden wij ons gericht voor de verbeteringen op deGjöa. Het winterdak over het schip heen was nu beter in orde, en we maakten er een bewegelijke deur in, waardoor wij als in een huis uit en in konden gaan. Dat had ook nog een ander voordeel; wij konden ons nu de Eskimo’s beter van het lijf houden, wat soms zeer noodig was. Des avonds sloot en grendelde luitenant Hansen de deur, en wij zaten dan veilig binnen, als in een vesting. We richtten ook een bad in en hadden al gauw beneden in het ruim ons eigen stoombad. De luitenant en ik maakten er in dezen winter druk gebruik van; het werkte uitstekend en werd voor ons al gauw bij het leven in de enge ruimte en in de zware kleeding onontbeerlijk. Een kleedkamer konden wij ook niet ontberen, maar we gebruikten er een omgekeerde boterton voor. Wat lastig was, dat was de koude douche, die wij iederen keer kregen door den rijm, dien de bevroren damp vormde en die dan smolt en op ons neerdroop.Luitenant Hansen was vol geestdrift voor het bad en maakte er electrisch licht bij, drie lampen wel! Ja, hij ging nog verder en richtte ook op het dek electrische leidingen in. Men zat dan recht genoegelijk in de kajuit, drukte op een knopje, en—ja, dan moest het licht wezen. Maar het werd niet licht. De eenige fout in de leidingen van luitenant Hansen was, dat ze geen licht verschaften. Wij moesten weer in donker baden. Maar men moet niet meenen, dat de luitenant een slecht electrotechnicus was. O neen! Maar zelfs de beste electrische ingenieur kan niet uit niets, uit zeer ongeschikt materiaal iets zóó maken, dat hij maar heeft te zeggen: “Het zij licht!” Wij waren anders vaak genoeg trotsch op wat we met onze weinige hulpmiddelen uitrichtten.Een vraag, die wij ons nu en dan stelden, was deze, hoe wij ons in geval van nood tegen de Eskimo’s konden verdedigen, ingeval ze wat in het schild voerden. Er was nu een groote menigte rondom ons verzameld, en als zij nu eens een slechte jacht hadden, hoe gemakkelijk konden ze dan onze proviandtent openbreken. Wij moesten hun dus behoorlijk respect inboezemen, en eindelijk werd het middel daartoe gevonden. Onder een sneeuwhut, op vrij grooten afstand van deGjöa, werd een mijn gegraven, die verbonden werd met het schip door een onder de sneeuw verborgen leiding.Toen dat gebeurd was, lieten wij de Eskimo’s samenkomen aan boord. Ik hield voor hen een voordracht over de macht van den blanken man; zei, dat wij van een grooten afstand uit verdelging konden brengen en over het algemeen de wonderlijkste dingen tot stand brengen. Dus was het voor hen van groot belang, dat ze zich fatsoenlijk hielden, omdat ze anders zich den toorn der Kabluna’s of blanke menschen op den hals haalden. Als zij daarginds aan den wal booze dingen zouden willen uitrichten, bij voorbeeld bij die sneeuwhut daar in de verte, dan zouden wij rustig en wel aan boord blijven en enkel maar zóó doen.... Met een vreeselijk geknal vloog de sneeuwhut in de lucht, en een sneeuwwolk stoof omhoog.Dat was volkomen genoeg! Meer was er voor langen tijd niet noodig.Op Zondag 20 September zaten wij juist aan het tweede ontbijt, toen tot onze groote verbazing ons een geheel vreemde Eskimo een bezoek bracht. Reeds de manier, waarop hij binnentrad, wees erop, datonze gast zich in de “wereld” had bewogen. Zijn kleeding verschilde van die van den Netsjillistam. Onze verwondering verminderde niet, toen de man in een, zoo al niet juist, toch volkomen verstaanbaar Engelsch zei: “Give me ’moke!”Wij gaven hem tabak en een pijp, en hij stopte die op sierlijke manier. Toen stelde hij zich voor:“Mister Atangala!”Het begon interessant te worden! Ik bekeek hem oplettend en wachtte wat nu zou volgen. Maar hij wekte mij uit mijn gepeins en deed mij verstaan, dat nu van mij de volgende stap werd verwacht, door te zeggen:“Mag ik vragen, Mijnheer, hoe uw naam is?”Ik kreeg een kleur om mijn gebrek aan wellevendheid, boog en noemde mijn naam. De voorstelling was afgeloopen, en nu was hij blijkbaar tevreden. Hij beduidde mij, dat zijn familie buiten op het dek was en ik maakte mijn gebrek aan wellevendheid van zooëven weer goed, door dadelijk de familie binnen te noodigen. Zij verscheen terstond. De vrouw was een groote, donkere verschijning van echt Eskimotype, Kokko geheeten, en ongeveer veertig jaar oud. Haar zoon schatte ze op tien jaren; hij was een eerste bengel.Vertrek van een excursie per kajak.Vertrek van een excursie per kajak.Atangala vertelde, dat hij en zijn gezin drie blanken van Chesterfield Inlet in de Hudsonsbaai naar de Coppermine hadden begeleid. Dit bevestigde dus het bericht van Umiktuallu, ons zes weken geleden gebracht. Van de Coppermine had Atangala zich huiswaarts gewend, en toen hij hoorde, dat er een schip in Ogchoktu lag, besloot hij ons te bezoeken, ofschoon de afstand een paar honderd zeemijlen bedroeg, en te onderzoeken of hij ook zaken met ons zou kunnen doen. Hij blufte van belang, beweerde dat hij kon schrijven, en op zijn verlangen brachten we hem potlood en papier. Zijn bedrevenheid in de edele schrijfkunst was niet overweldigend. Met ongeloofelijke inspanning bracht hij zijn naam op papier. Hij vertelde, dat hij een paar jaren geleden met een amerikaanschen walvischvanger van de Hudsonsbaai over land naar Winnipeg was gegaan, en van zijn verblijf aldaar kende hij nu alle uitvindingen van den nieuweren tijd, telefonen, spoorwegen, electrisch licht en—whisky. Voor de laatste had hij groote belangstelling, en hij vroeg er steeds naar. Ik beproefde hem uit te leggen, dat de anti-alcoholbeweging het allernieuwste was op dat gebied, maar daar wilde hij niets van weten. Ten slotte smeekte hij om brandewijn. Maar hij kreeg geen drank. Voor ons was het bericht, dat bij Katiktali of kaap Fullerton twee groote schepen lagen, van het grootste belang. Mij kwam het terstond in den zin, of wij misschien door die beide schepen een postverbinding met de buitenwereld konden krijgen. Dus vroeg ik den heer Atangala, of hij bereid was, voor postillon te spelen en hij scheen er niet tegen te hebben.De Gjöa in het ijs te Port-Gjöa.DeGjöain het ijs te Port-Gjöa.Op de zalmvangst.Op de zalmvangst.Ieder was nu ijverig in de weer met brieven te schrijven. De post zou binnen een paar dagen vertrekken, en men moest zien, gauw klaar te komen. Atangala was nog steeds gast aan boord, en hij scheen het naar zijn zin te hebben. Maar zijn honden zagen er slecht uit; ze leken magere wolven en liepen snuffelend rond. Het was een naar gezicht; maar wat konden wij doen? We hadden voor onze eigen honden niet genoeg, laat staan voor vreemde.Den 28stenNovember was de postslede gereed en trots wind en sneeuwstorm vertrokken de postillons om elf uur in den voormiddag. Ik had het voor het veiligst gehouden, Talurnakto mee te zenden, want ik kende immers Atangala niet; misschien was hij wel een der grootste deugnieten.Het was een dwaas gezicht, hoe Talurnakto zich met de opdracht, die hem toevertrouwd was, in zijn schik voelde. De brieven, die geadresseerd waren aan de “Schepen bij kaap Fullerton,” droeg hij in een tasch aan een riem over den schouder. Ik zag wel, dat een spotachtig lachje om Atangala’s mond speelde, maar begreep eerst later, wat dat beduidde. De beide Eskimo’s trokken dus weg en waren spoedig in een sneeuwwolk uit ons gezicht verdwenen.Als een expeditie in de wereld van het poolijs zal gelukken, is het een eerste vereischte, dat alle leden ten allen tijde volop werk hebben, en de plicht van den leider is het, de indeeling van het werk te maken, wat echter in lange perioden wel eens moeilijk onafgebroken vol te houden is. Ledigheid werkt altijd demoraliseerend, en dat alleen is al reden genoeg om op een poolreis niet te veel menschen mee te nemen. Enkele menschen kan men altijd wel aan het werk zetten, maar een grooter aantal altijd bezig te houden, is bijna onmogelijk. Voor mij was het geen moeilijke taak, want mijn kameraden kwamen mij altijd halfweg tegemoet. Als ik niet wat uitvond, kwamen ze zelf met hun plannen. Lund genoot de hoop van een groot uitvinder te wezen op allerlei gebied. Als ik met een denkbeeld bij hem kwam, werd het dadelijk uitgevoerd. Alleen moest hij soms, als er smeedwerk moest worden verricht, Ristvedt te hulp roepen. Maar als dan ook de smid Ristvedt en de architect Lund samenwerkten, was er niets onmogelijk.Van Godhavn hadden wij een menigte vuurvaste baksteenen meegebracht, waarmee wij onze petroleumkachels ommetselen wilden, om de warmte langer te kunnen bewaren. Nu had ik al lang over de beste manier om van die steenen gebruik te maken nagedacht en wendde mij ten laatste met die vraag tot Lund. Wij overlegden en kwamen toen tot de slotsom, dat men, in plaats van de oude kachels in te metselen, even goed een geheel nieuwe kachel kon maken. Lund nam de plannen en de uitvoering op zich. Op denzelfden dag, waarop de post vertrok, verraste hij ons met het voltooide werk. Hij had een van onze groote blikken pakkisten genomen, die in baksteenen ingemetseld en aan de eene zijde een deur erin aangebracht.Zijn plan was, een van onze groote kooktoestellen, die een verbazende hitte verspreidden, door de deur erin te schuiven en daarmee de kachel te stoken. Als het toestel dan werd uitgedaan, zou de warmte door de steenen nog lang worden vastgehouden. Dat klonk prachtig en met mij verheugde zich de luitenant al op de warmte in onze kajuit. Wij keken met de grootste belangstelling naar het zetten van de kachel. Toen die goed op haar plaats stond, werd het toestel aangestoken en erin neergezet.Luitenant Hansen zat ijverig over allerlei berekeningen, en ik was aan mijn eigen werk. Het toestel had nog niet lang gebrand, toen mij een eigenaardige, scherpe, doordringende geur in den neus kwam. Snel keek ik naar den luitenant, om te zien of hij ook wat merkte; maar hij zat onbewegelijk over zijn cijfers gebogen. Ik zei dus niets, maar stond op en kleedde mij aan om naar het observatiehuis te gaan en hem alleen de verdere proeven met de kachel overte laten. Het kon mij niet schelen—maar het stonk afschuwelijk!“Voor den drommel!” viel de luitenant plotseling uit en wierp zijn potlood weg. “Wat is dat hier voor vuiligheid?”Ik was de deur al uit en liet den luitenant in een dikken, verstikkenden walm, waarvan de reuk de herinnering wakker riep aan alle honden, zoowel de Godhavnhonden als de Gjöahonden. Het kwam namelijk doordat de baksteenen onbeschut buiten hadden gelegen en wel op de plek, waar de honden zich graag ophielden. Men kan zich nu wel voorstellen, wat de uitwerking moest wezen van ons verwarmingstoestel op die steenen!Toen ik al ver weg was op den weg naar het observatorium, hoorde ik een geweldig spektakel aan boord. Ik kon wel raden wat het was. Lund’s zinrijke kachel werd eruit gesmeten.Nu hadden wij niets meer dan de herinnering eraan; maar die zat dan ook vervloekt lang in de wanden!Où est la femme?!Zelfs hier in de sneeuwwoestijn moet men vaak dezen noodkreet van de menschheid uitstooten, of liever gezegd er de oorzaak in zoeken van der menschen misslagen en dwalingen. Umiktuallu, die nog altijd op de vischvangst in Navjato was, kwam bij ons aan boord, om onze honden voor een paar dagen te leenen. Hij vertelde, dat Talurnakto in Navjato de post aan Atangala had gegeven en met een Eskimovrouw naar het zuiden was getrokken. Als echtgenoot nommer twee namelijk. Dat was echter, zooals ik uitdrukkelijk verklaar, de eenige onbetrouwbaarheid, die wij van deNetsjilli-Eskimo’servoeren.Umiktuallu zei ook nog, dat een ons bekende jonge vrouw in het kraambed gestorven was. Dat was het tweede sterfgeval in den winter.De Eskimo’s stroomden thans in December in grooten getale in onze haven binnen. De vischvangst in Navjato en de andere plaatsen was geëindigd. Voor zoo ver we hen begrepen, wilden ze nu tot na Kerstmis rustig in Ogchoktu blijven. Zeker verleende onze tegenwoordigheid aan de plaats een groote bekoring. Een groot aantal van de Eskimo’s bedelde dadelijk om eten. Er waren lieden onder, die voor zich en de hunnen meer dan genoeg wintervoorraad hadden, maar anderen hadden weinig, deels uit ongeluk, deels uit luiheid. Voor ons was het volstrekt niet aangenaam, al dat bedelvolk bij ons te hebben, en wij moesten telkens beslist weigeren, daar we toch niet voor al die menschen voedsel hadden.De meeste Eskimo’s bouwden hun hutten in het Sälanddal, en het kamp zag er belangrijk genoeg uit.Wij hadden nu den donkersten tijd van het jaar, waarin de zon den geheelen dag onder den horizon blijft. Wij moesten dus aanhoudend licht branden. In verband met dien “langen nacht” had ik extra-patentlampen meegenomen, waarin de verhitte petroleum als gas brandde, waardoor een zeer sterk licht verkregen werd. Maar reeds den eersten winter hadden deze lampen vaak niet goed gebrand en veel moeite gegeven. In dezen winter gaven ze het geheel op. Lindström, tot wiens departement de lampen behoorden, was wanhopend, en hij gaf zich bewonderenswaardig veel moeite, om de zaak in orde te brengen. Maar ten laatste moest hij zich overwonnen geven, en de geheele voorraad lampen werd weggestopt. Ik had een groote fout begaan; in plaats van mij volkomen te verlaten op die lampen, had ik toch ook nog eenige gewone lampen moeten meenemen.De verlichtingstoestanden waren dus aan het eind van den winter aan boord van deGjöaver van schitterend. Een photografeerlamp, een kompaslamp en twee lantarens, dat was alles, wat we hadden, en daarmee moesten we ons behelpen, zoo goed het ging. Natuurlijk deed Lund de eene uitvinding na de andere in zake verlichting, en zijn toestellen hadden misschien wel een tentoonstellingsprijs verdiend, als ze maar gebrand hadden, maar dat deden ze niet.Eerst half Januari begon de jacht op zeehonden, en het was hoog tijd geworden voor de aanvulling van de voorraden. Ik geloof haast, dat de Eskimo’s om een of ander oud vooroordeel niet vroeger met die jacht beginnen. De maan moest, naar ik meende te begrijpen, een bepaalden stand innemen, vóór men met de jacht op zeehonden mocht aanvangen. En de maan is hun iets heel heiligs, waarnaar ze ook hun tijd regelen.Hun bijgeloof zat hun soms leelijk in den weg. Juist in dien tijd gebeurde iets karakteristieks in dit opzicht. Een aantal vrouwen waren bij ons aan boord geregeld met naaiwerk voor ons bezig. Ze kregen er een kleine betaling voor, waar ze zeer mee ingenomen waren. Op een dag verklaarden ze eenstemmig, dat ze niet konden werken. Wij vroegen naar de reden en vernamen, dat de eerste zeehond gevangen was en dat de vrouwen zeehondenvleesch gegeten hadden; dan mochten ze buiten haar eigen huis niet het minste werk doen, eer de zon zoo en zoo hoog aan den hemel stond. Wij wilden haar het dwaze van deze beschouwing duidelijk maken, beloofden haar ook een ruimere betaling, ja, smeekten haar, toch voort te maken met het werk, dat voor ons noodig was. Maar neen, hier stieten we op een muur, waar we met gewone menschelijke bewijsgronden niet konden doorheen dringen. Daar stond of God of de duivel op wacht, en tegenover deze verloochenden de vrouwen hare anders zoo volgzame en toegefelijke natuur. Alleen de oude Navjato was slim genoeg geweest, niet van het zeehondenvleesch te eten. En zij zat nu bij ons aan boord, naaide van den morgen tot den avond en verwierf ons aller hulde.Den 11den Januari volbracht ik een volkstelling in de Gjöahaven en de omgeving en bevond, dat er achttien familiën met zestig personen waren.In het midden van Januari 1905 kwam Lindström op een dag met het bericht, dat er conserven gestolen waren van onzen voorraad op het dek. Wij hadden uit het proviandhuis naar boord gehaald, wat we aan levensmiddelen voor den winter noodig hadden, en ze op het dek ondergebracht, waar het droog was. Van het begin af was het mij duidelijk geweest, wat dat voor een verzoeking was voor de Eskimo’s, vooral nu, dat ze bijna niets te eten hadden, en ik vond het nog een wonder, dat er in al dien tijd niets gebeurd was. De Eskimo’s gingen immers dagelijksop deGjöauit en in; een blikje kan in het voorbijgaan gemakkelijk verstopt en in de kleederen geborgen worden. Nu ontbraken er dus eenige blikken. Ik riep den Uil en Umiktuallu en zei hun, dat hun landslui ons bestolen hadden en dat ik volstrekt de schuldigen aangewezen wilde zien.Zij namen de zaak heel ernstig op; men zag duidelijk, dat ze zich in zekeren zin voor hun stam verantwoordelijk voelden. Ze verlieten mij, en een paar uren later kwamen ze terug en noemden vier of vijf namen van de schuldigen. Het waren alleen Oglugi-Eskimo’s; van den Netsjillistam had geen enkele zich vergrepen. Ik liet de schuldigen halen. Onder hen bevond zich ook Teraiu, evenals zijn broeder Tamoktuktu. Ieder van hen had zich een bus toegeëigend. Ik hield een donderende toespraak en verbood hun van dat oogenblik af den toegang tot het schip. Toen dropen ze druipstaartend af.Tegen het eind van Januari hadden de Eskimo’s meer geluk op de zeehondenjacht, die hun in het begin niet goed naar wensch was gegaan. Den 1sten Februari gaven allerlei kenteekenen te verstaan, dat de stam ging opbreken; de Eskimo’s begonnen hunnen voorraden naar buiten te brengen op het ijs, en enkele dagen later trokken ze werkelijk weg. Wij voelden ons zeer verlicht, toen wij ze kwijt waren. Het eeuwige gebedel om levensmiddelen was ons zeer lastig geweest.Nu begonnen voor ons ook de voorbereidingen tot een slede-expeditie, die al lang voor het aanstaand voorjaar ontworpen was. Luitenant Hansen en Ristvedt wilden met elkander de oostkust van Victorialand trachten te bereiken, om van dit land, het eenige dat nog niet opgenomen was in den noord-amerikaanschen archipel, een kaart te teekenen. Zooals vroeger al verteld is, was voor deze expeditie bij kaap Crozier, ongeveer honderd zeemijlen van de Gjöahaven verwijderd, een dépôt aangelegd. Onze eerste zorg draaide nu om de honden. Wij hadden een uitstekend troepje, maar er waren te weinig. De luitenant en Ristvedt deden daarom een uitstapje naar de Eskimo’s, die thans ongeveer twintig zeemijlen op het ijs buiten woonden, en keerden na twee dagen met vier groote honden terug, die ze voor een paar stangen ijzer hadden gekregen.Die honden waren wel erg uitgehongerd en moesten eerst goed gevoed worden, vóór wij ze in gebruik konden nemen. Maar toen kwam nog de tweede zorg, namelijk het voeder, dat even belangrijk was in dezen als de honden zelf. Ons hondevoêr was opgebruikt. Het eenige, wat wij nog hadden, was menschenpemmikan, en dat zou het niet lang volhouden. Ons pemmikan bestond uit vijftig percent ossenvet en vijftig percent gedroogd en gestampt paardenvleesch. Deze beide stoffen zijn saamgesmolten en in platen van elk een half kilo geperst, zeer gemakkelijk en beknopt in te pakken. De Indianen zijn het, van wie men oorspronkelijk het gebruik van dit proviand heeft geleerd, en alle poolvaarders moeten hun daar dankbaar voor zijn. Het pemmikan smaakt voortreffelijk, neemt weinig plaats in en kan rauw, gebraden of gekookt gegeten worden. Vooral is het van groote waarde op een slede-expeditie. Wij hadden buitendien ook nog een aantal kisten met hondentalg, die nog over waren van de tweede Framexpeditie, en die stof bleek zeer bruikbaar. Ook hadden we een massa havergort en havermeel, dat ongebruikt lag omdat geen van ons er een bijzondere voorliefde voor had. Al die dingen werden aan luitenant Hansen afgestaan, en hij ging er proeven mee nemen. Havermeel met hondentalg smaakte de honden en bekwam hun goed. En zoo vormde hij porties van elk een half kilogram van dat mengsel als dagelijksche maaltijden voor de honden. De bereiding had in het groot plaats; het geheele schip leek wel een gepatenteerde hondenvoerfabriek onder leiding van den directeur Godfried Hansen. Het werk vlotte goed, en weldra was deze heele quaestie opgelost. Daarna werd over de verdere uitrusting gesproken en alles nagezien. Lund zou voor de sleden zorgen, waar heel wat aan te herstellen viel en die van nieuwe schuivers moesten worden voorzien.Midden in deze toebereidselen kwam het bericht, dat Talurnakto, de verdwenen postillon, in Navjato teruggekeerd was en verzocht, weer in genade te worden aangenomen. Wij hadden hem niet enkel om zijn vlijt, maar ook om zijn goed humeur gemist en vonden zijn misdaad niet grooter dan die van zoo menig man, die er met de vrouw van een ander van door was gegaan; ja, eigenlijk was er minder misdreven, daar in dit geval de geheele familie der vrouw en haar man en kinderen meegegaan waren.Dus lieten wij hem weten, dat wij hem wilden vergeven en hij zijn vroegere betrekking van “meid alleen” weer kon aanvaarden. Op een avond in Februari werd mij gemeld, dat Talurnakto gekomen was. Hij waagde niet eens, zoo maar bij mij binnen te treden. Ik liet hem halen. Zijn uitzicht was, sinds we hem de laatste maal zagen, zeer veranderd. Hij had het blijkbaar als minnaar niet gemakkelijk gehad. Zijn rond, vergenoegd gezicht was langgerekt geworden en mager, en droeg een uitdrukking van diepen weemoed. Hij had zeker niet enkel aangename herinneringen aan zijn liefdesavontuur bewaard. Al wat hij bezat, zijn mes, en speer, pijp en meer van dien aard, alles was in het bezit der geliefde vrouw overgegaan, of de echtgenoot had ze als vergoeding voor zijn liberaliteit verlangd. De arme Talurnakto kwam volkomen uitgeplunderd van zijn escapade terug.Den 7denFebruari ondernam luitenant Hansen de eerste slede-expeditie in het jaar. Hij ging naar Kaa-aak-ka en deed er een menigte magnetische waarnemingen. Het was de allervroegste tijd voor eenig werk in de open lucht; maar we hadden veel plannen en moesten haast maken. Maar koud was het, dat het een aard had! Het is merkwaardig, hoe bros en licht breekbaar alle voorwerpen bij zoo strenge koude worden. Zoo was onze goede Lund op een dag juist met de sledeschuivers bezig; de lat van hickory-hout lag op twee verscheiden voet hooge kisten; bij een onhandige beweging liet hij het ding op het dek vallen en het sprong in vele stukken. Hickory is toch het taaiste hout van de wereld; onze schuivers waren van uitstekend amerikaansch maaksel uit Pensecola; maar in deze koude streken is toch esschenhout te verkiezen.Op een Zaterdagmiddag reed tot onze verbazing onze met vijf honden bespannen slede de haven binnen en hield met een mooien zwaai voor deGjöaop,maar er was geen koetsier. Toen kwam kort daarna van de “Magneet” het bericht, dat er op het ijs een zwarte stip was te zien. En na een poosje kwam Talurnakto hijgend en blazend aanloopen; hij was van de slede geworpen, en de honden waren er van door gegaan en hadden alleen het huis opgezocht.

Een beauté van Port-Gjöa.Een beauté van Port-Gjöa.Talurnakto, onze andere begeleider; was juist het tegendeel van den Uil. Hij ging onder de zijnen door voor een soort van gek; maar in werkelijkheid was hij de verstandigste van allemaal. Hij lachte steeds en maakte grapjes. Buiten een eenigen broeder had hij in het geheel geen familie en hij bekommerde zich om niemand. Dik en kort van gestalte, had hij den bijnaam Takichja, dat is die moeilijk loopt. Wij werden het eerst op hem opmerkzaam door de taaie volharding, waarmee hij telkens weer op deGjöaverscheen, nadat we hem te verstaan hadden gegeven, dat we hem niet konden gebruiken. Maar toen we later hoorden, dat hij flink werken kon, behieldenwe hem maar. Aan den kost aan boord gewende hij zich gauw, ja, het eten smaakte hem uitstekend; maar zijn manieren waren afschuwelijk. Hij zag er afschrikwekkend uit, als hij zijn maal naar binnen werkte. Ook in dit opzicht was de Uil een voorbeeld; die zou in gezelschapstoilet in het deftigste milieu op zijn plaats zijn geweest; hij gebruikte mes en vork als een gentleman.Het was heerlijk weêr en onder gezang en scherts kwamen we vlug vooruit. Reeds om half 12 hadden we het eilandje bereikt, dat de luitenant en Ristvedt in Maart als zoodanig hadden herkend, Achliechtu noemden het de Eskimo’s. Dadelijk nadat we voet aan wal hadden gezet, liepen we toe op een paar plaatsen, die van sneeuw bevrijd waren en namen er bezit van, om er de tenten op te slaan. Men moet zelf in streken geweest zijn, waar de sneeuw tien maanden aaneen alles bedekt, om de geestdrift mee te voelen, die ons vervulde bij den aanblik van dien naakten grond. Met het merkwaardig troostrijk bewustzijn, te staan op moeder de aarde zelve, stampten we erop rond, en onze oogen zwelgden in de weelde van zwarte aarde en groen mos. Het was als het weerzien van een vriend, die lang afwezig is geweest.Dat het er intusschen erg lenteachtig was, kan ik niet zeggen. Maar in vergelijking met het doodsche van te voren werkte het ontwakende leven verrukkelijk. De weinige kale plekken werden tot drukke middelpunten, ook voor gonzende insecten; een bloempje kwam er boven den grond en werd met gejuich begroet. Eenden en zwanen trokken onophoudelijk in groote troepen boven ons hoofd langs in noordelijke richting. Wij schoten een menigte sneeuwhoenders en leidden bij het versche vleesch een echt heerenleven. Over het algemeen behooren de dagen op de Hovgaard-eilanden tot onze allergelukkigste.Familietooneel in een Eskimohut.Familietooneel in een Eskimohut.Bij mijn terugkeer vond ik als gewoonlijk aan boord alles in de beste orde. Mijn observatietent voor magnetische waarnemingen sloeg ik op in Ogchoktu, zoo noemden de Eskimo’s onze vestiging. Het ijs in de Simpsonstraat buiten begon langzamerhand die licht-blauwgroene kleur aan te nemen, die optreedt als het aan de oppervlakte smelt. Nu zou het niet lang meer duren, of het zou losraken. De Eskimo’s beweerden, dat dit elk jaar gebeurde; maar ze gaven mij ook te verstaan, dat de zomer van 1903, waarin wij waren aangekomen, een zeer ongewone ijszomer was geweest en dat ik niet op een herhaling daarvan zou kunnen hopen.Intusschen zag het er voor ons zeer goed uit. De lente en de voorzomer waren met hun lange avonden heerlijk. Er was één ding, dat ons het leven lastig maakte, en dat waren de muggen. Wij moesten vechten met die benden als tegen roofzuchtige bandieten. Ze vervolgden ons aan boord, en om ten minste des nachts rust van hen te hebben, moesten we onze vensters met vliegengaas overtrekken. Sommigen van ons hadden van de beten veel hinder, en bij voorbeeld bij den armen Lund zwollen ze op, en er kwam ontsteking bij.De meeste Eskimo’s waren nu vertrokken, om hun zomer verblijven op te zoeken en er aan vischvangst en rendierjacht te gaan doen. Alleen drie gezinnen, die naar King Williamsland noordwaarts wilden bleven nog, en dan behielden we den Uil met moeder en vrouw bij ons, alsook Talurnakto, daar ze mij zouden vergezellen, als ik, zoodra het open water aan den wal met een boot kon worden bevaren, mijn afgebroken waarnemingsreis weer zou opvatten.Verscheiden dagen zochten wij naar de lijken der beide Eskimojongens, om te zien op welke wijze ze waren begraven. Ten slotte vonden wij ze ook. Elk lijk lag in een eigen graf op de helling en was door kleine steenen omgeven. De zoon was zorgvuldig genaaid in rendiervel en men had hem zijn boog en pijlen, zijn drinkbeker, zijn vuisthandschoenen en zoo voort meegegeven, terwijl de pleegzoon veel onverschilliger was behandeld. Zijn hoofd was bijna onbedekt, en hij had niets anders bij zich dan een paar oude, afgedragen handschoenen. De insecten waren al met hun werk aan hem begonnen, en in den loop van den winter zou de vos dat wel komen voltooien. Toen ik de plek in het volgend jaar weer bezocht, wemelde het in beide graven van kleine wormen.Luitenant Hansen gebruikte nu het gunstige jaargetijde, om zijn photografieën te ontwikkelen, want thans had hij genoeg van het vroeger zoo kostbare water; in een van onze slooten richtte hij zich een bekken in met regelmatigen toe- en afvoer, waar hij naar hartelust kon plassen en spoelen.Den eersten Augustus begaf ik mij weer op expeditierondom het station. Het was nu een onderzoekingstocht te water en wel met een echte, kleine vloot. Een van onze ijzeren bootjes was het vlaggeschip, waarin ikzelf aan het roer zat; Anana en Kabloka zaten op de achterbank. Ons aller proviand was ook in die boot; Talurnakto roeide een van onze booten van zeildoek, en de Uil zat in zijn eigen kajak. De kajaks van de Netsjilli-Eskimo’s zijn in vergelijking met die van de Eskimo’s uit Noord-Groenland plomp en leelijk. Maar de Groenlanders zijn ook in veel sterker mate van hun kajaks afhankelijk.Ons doel was een heuvel, de Helmer-Hansenheuvel, die vijf zeemijlen verwijderd was; dus we hadden niet ver te varen. De muggen kwelden ons verschrikkelijk, tot wij een eind ver naar buiten waren gekomen; toen lieten ze ons met vrede. Toen echter het wêer na den regen van den morgen opklaarde en de zon stekend begon te worden, hadden we het uitgezochtste muggenweêr. Het half uur gaans van het strand naar den wachtpost was een marteling; wij liepen door zwermen muggen, en daar wij de handen niet vrij hadden, omdat we beladen waren, konden wij ons niet verdedigen; zoodra we den mond open deden, om een woord te spreken, hadden we dien vol muggen. Bijna waren we in wanhoop omgekeerd, maar we hielden vol, en toen eindelijk de tenten waren opgeslagen, vonden we beschutting tegen de millioenen kwelgeesten.Het verblijf op den Hansenheuvel was prettig; het landschap was mooi, en men had er een ruim uitzicht. Het open water reikte juist tot daar; meer naar het westen kwam het ijs nog tot dicht aan het strand. Naar het oosten kon ik over een groote baai juist op Nhchoktu kijken; zuidwaarts was het uitzicht vrij op de Simpsonstraat en in het Noorden lagen de eindelooze mossteppen van King Williamsland, waar, meer landwaarts in, veel meren glinsterden met spiegelend oppervlak. Duizenden vogels vlogen heen en weer, en hier en daar weidde een eenzaam rendier.Vanwege de muggen kon ik enkel des morgens en des avonds werken, en de vrije tijd, dien ik had, werd besteedaanvriendschappelijk verkeer met de Eskimo’s, die ik nu best kende. De Uil en Talurnakto waren meestal op de rendierjacht, en Kabloka vergezelde hen vaak, om te helpen met het vervoer van het geschoten wild. De oude Anana daarentegen bleef bij de tenten en haalde alleen nu en dan wat heidekruid voor brandstof. Zij hielp mij in de huishouding. Haar voornaamste werk was het wasschen van het vleesch, dat de Eskimo’s zeer ruw behandelden. Zij namen het van de sleden en lieten het liggen waar het viel, zoodat het door rendierhaar, modder en kleine steenen verontreinigd werd. Anana’s schoonmaken bestond nu, helaas, dikwijls nergens anders in, dan dat ze het ging aflikken. Ze meende, dat het alleen bescheidenheid van mij was, als ik haar trachtte af te brengen van die gewoonte.Als we eens in een vrij uurtje allen bij elkaar waren, noodigde ik mijn vrienden bij mij in mijn tent en onthaalde ze op chocolade en hard brood. Van alle dranken was chocolade het lekkerste, wat ze kenden. Zij grijnsden over het geheele gezicht, als ik het woord chocolade maar noemde. Bij zulke tractaties deed ik navraag naar alles en nog wat, hun leven en denken betreffende. Van hun taal trachtte ik wat meer te leeren. De Uil was een eerste paedagoog; hij vond het merkwaardig, als ik graag wou weten hoe dit of dat heette. Maar Talurnakto was niet te gebruiken; hij lachte maar en vatte alles op als een grapje.Van eetgerei was ik niet al te best voorzien, en ik zei, dat ze zich er maar zonder moesten behelpen, wat ook heel goed ging. Op een avond, toen we bij elkaar zaten aan tafel, kreeg Talurnakto plotseling een hevigen jeuk op den rug. Met zijn korte armen kon hij de plek niet bereiken, en vlug besloten, greep hij naar mijn lepel, dien ik een oogenblik weggelegd had, schoof het instrument bij zijn kleeren in op den rug en krabde erop los....Toen ik met mijn observaties zoowat klaar was, kwamen de luitenant en Helmer Hansen met de “dorry”, het kleine amerikaansche bootje van de soort als in de Hudsonsbaai worden gebruikt en dat zij hadden uitgerust voor een lange vaart naar kaap Crozier, de zuidwestpunt van King Williamsland. Zij wilden er een dépôt aanleggen voor de voor het voorjaar van 1905 ontworpen sledevaart naar de oostkust van Victorialand. Tevens wilden ze de smalste plaats van de Simpsonstraat tusschen het eiland Eta en het vasteland opmeten met het peillood. Ze waren voor een maand voorzien van het noodige en dus zwaar beladen, daar ze de voorraden van het dépôt ook bij zich hadden.De afstand van kaap Crozier tot de Gjöahaven was honderd zeemijlen. Het ijs, dat tot hier dicht bij het land kwam, was door een sterken Noordenwind zeewaarts gedreven, zoodat ze genoeg open water hadden, om vooruit te komen. Zij bleven een nacht over bij ons, om den volgenden dag met ons op te breken, daar ik naar Kaa-aak-ka, mijn naaste station, wou vertrekken.Dien namiddag beproefde ik mijn eersten tocht met een kajak. Ik had daarvoor een kleinen plas als oefeningsterrein uitgekozen. In het begin ging het uitstekend. Maar mijn kameraden, die in de buurt een post aanlegden, riepen mij allerlei aardigheden toe, en juist keerde ik mij om en wou hun zeggen, dat ik toch maar een voortreffelijken aanleg voor het kajakvaren had, toen de kajak met zijn inhoud kantelde. Het water was ondiep; ik kon den grond met mijn armen raken, maar het bootje was vol water en ikzelf nat tot op de huid. De anderen trokken mij aan land, en het was volstrekt geen triomftocht, toen ik naar de tent liep, om van kleeding te verwisselen.Den volgenden morgen ging het met de “dorry” naar het Westen. De wind was goed, dus behoefden we niet te roeien. Anana, die op het water geen heldin was, gaf er de voorkeur aan, over land te volgen; de Uil voer in zijn eigen kajak.Kaa-aak-ka straalde in volle zomerpracht; een bont tapijt van veelkleurige bloemen bedekte alle heuvels. Maar het ijs dreef weer naar land en belette het verder doordringen met de dorry. De luitenant en Hansen waren dus genoodzaakt ons gezelschap te blijven houden. De Eskimo’s gingen met goed gevolg op de jacht; zoo kwamen ze op een dagthuis met niet minder dan dertien ganzen, die ze met steenen hadden doodgeworpen.Den elfden Augustus was ik met al mijn stations klaar. Ik nam afscheid van mijn kameraden, die nog altijd door het ijs werden vastgehouden, en sloeg den weg naar Ogchoktu in. De tien zeemijlen werden in drie uur roeiend afgelegd, wat een goed stuk werk was, daar we zwaar beladen waren en telkens door het ijs werden tegengehouden.Aan boord werden wij met uitbundige vreugde ontvangen, niet het minst omdat we een flinken voorraad rendiervleesch en ganzen meebrachten.Het was nu stil in de Gjöahaven. Alle Eskimo’s hadden ons verlaten, en sinds langen tijd waren we voor het eerst weer onder ons. Op den zomer is niet veel staat te maken in deze streken; op den 16denAugustus begon het te regenen; we hadden nog maar drie graden Celsius in de kajuit en moesten dus stoken.Van onze leege petroleumvaten hadden Lund en Hansen een eerste-rangshotel voor de honden gebouwd. Ze huisden er veel behagelijker dan in de oude sneeuwhut. Voor het oogenblik waren ze alle vastgebonden en lagen in het zand zich gruwelijk te vervelen. Het leegloopen beviel hun al na een paar dagen niet meer en ik besloot dus een lang gekoesterd plan uit te voeren.Daar ik mijn waarnemingen op de kust van Boothia Felix in één en dezelfde lente had gedaan en toch eenige afwijkingen meende te hebben opgemerkt, besloot ik een station zoo ver noordelijk aan te leggen, als ik maar op de kust van King Williamsland kon doordringen. Daar wilde ik voor een sledetocht in den herfst nu een dépôt aanleggen, terwijl het water nog open was. De booten, die te mijner beschikking stonden, waren wel niet geschikt voor een langere zeereis; maar als men dicht bij den wal bleef, zou het wel gaan. Ik koos een van onze beide booten, die Lund in het begin van den zomer van een kiel had voorzien.De ijstoestanden waren intusschen zeer onaangenaam. Het ijs lag tot bij de Betzoldpunt, en eer het zich verlegd had, kon van den tocht geen sprake wezen. Den 20stenAugustus verveelde mij echter het wachten en ik ging met Talurnakto als eenige geleider op weg, om te zien of men aan den anderen kant van de punt misschien verder kon komen. Het was windstil, en wij moesten roeien, maar kwamen niet vooruit. Talurnakto was aan het roeien met twee riemen niet gewend en kon niet in de maat blijven; hij stiet telkens tegen mijn riemen, en deed meer kwaad dan goed. Het vlakke bootje draaide zich ieder oogenblik om en wees met den neus weer naar huis. Van de Gjöa uit zagen ze ons manoeuvreeren en bereidden zich al voor op onze terugkomst. Maar plotseling scheen er voor Talurnakto een licht op te gaan, wat dat was, roeien in de maat, en hij begon als een ervaren zeeman. Hij zat op de voorste bank, ik op het achterplankje. Nu ging het vliegensvlug en weldra waren we bij de Betzoldpunt. Hier was het ijs echter ondoordringbaar en het bleef verder zoo naar het Oosten langs de geheele kust. Wij brachten dus onze lading aan land, trokken de boot aan den oever en keerden haar onderste boven. Daarna keerden we te voet terug.Toen kwam er een lange, vervelende tijd. Elken morgen wandelde ik naar de landtong, om de ijstoestanden op te nemen. Maar eerst den 29stenAugustus scheidde zich bij zeewind het ijs van het land, en wij konden weer aan de reis denken. Wij brachten de boot in open water en laadden ze. Uit het Noorden woei een flinke bries en in de Schwatkabaai ging een hooge zee. Om voldoende diep water te bereiken, moesten we, voordat we den koers naar kaap Luigi d’Abruzzi richtten, eerst langs het strand tegen den wind in roeien. Dat was hard werk van ruim twee uren, waarin we roeiden dat het zweet bij ons neer droop. Ten laatste konden we zeil opzetten en zeilden dwars over de baai. De golven sloegen onophoudelijk over den rand der boot. Dit was Talurnakto’s eerste zeiltocht, en ze beviel hem maar matig. Maar wij kwamen ten minste zonder ander nadeel, dan dat we druipnat werden, over de baai. Wij zeilden om de punt en aan den anderen kant nog een eind langs het land naar Abva (Mount Matheson).Het eerste, waar we nu aan moesten denken, was het drogen van onze kleeren. De behandeling van kleeren van vellen eischt de grootste voorzichtigheid, opdat er geen scheuren in komen, en de Eskimo is daarin met zijn levenslange ervaring een eerste meester. De tent werd op een kleine plek mos aan het strand opgeslagen.Den volgenden morgen om acht uur trokken wij verder; de wind blies nog steeds uit het Noorden, en na vele uren roeiens bereikten wij een bocht, die zich van het Westen naar het Oosten uitstrekte. Wij deden herhaaldelijk pogingen, om erover te komen, maar de golven sloegen in de boot en wij moesten, hoe ongaarne ook, het opgeven en aan land gaan. Om het windstille weêr te gebruiken, gingen we er den volgenden morgen al om half vijf op uit; het ging nu vlug en we waren spoedig aan de noordzijde van Abva. Hier reikte het ijs weer tot dichtbij land; maar we werkten er ons doorheen, en het was zoo ondiep, dat we met de bootshaak ons konden afzetten.Het land was verlaten en onvruchtbaar, met zand en steenen bedekt, en toen wij bij het aanbreken van den avond, de tent wilden opslaan, vonden we nergens een plek mos die geschikt was. Dertig meter van het strand en ter hoogte van vijftien meter vond ik het skelet van een walvisch. Op dit punt stiet ik ook op het eerste stuk drijfhout, dat ik op King Williamsland kon ontdekken.Een treurige aanblik deed zich den volgenden morgen aan ons voor; de geheele kust was door het ijs geblokkeerd, en er bleef ons niets anders over dan te blijven, waar we waren. Ik gebruikte den tijd, om het land in oogenschouw te nemen. Het geheele zuiderstrand was zandig en kaal; eerst een paar zeemijlen landwaarts in vertoonde zich weer rendiermos.Twee dagen en twee nachten moesten we daar blijven liggen, en toen we den daarop volgenden morgen verder voeren, was het genoegen niet van langen duur. Een paar zeemijlen waren we in de Mc Clintock’s La Trobebaai vooruit gekomen, toen het ijs ons volkomen den weg versperde. Daar lagen we nu op dezelfde plaats tot den 16denSeptember enbewaakten het ijs. Het was winderig en het sneeuwde en in geen enkele richting was iets te zien. De zomer was voorbij, dat was duidelijk.Gesloten kindergraf der Netsjilli-Eskimo’sGesloten kindergraf derNetsjilli-Eskimo’sOp een van die vervelende wachtdagen probeerden we het met de jacht en schoten een rendierkoe en haar kalf. Dit jachtgeluk maakte den goeden Talurnakto opgewonden van plezier, en hij sprong van het eene been op het andere als een klein kind. De boottocht was dus volkomen mislukt. Of wij op de plek, waar we nu waren, of in onze eigen Gjöahaven een dépôt aanlegden, kwam vrijwel op hetzelfde neer. Wij legden dus zooveel, als we dragen konden, ter zijde en metselden het overige met steenen toe, stulpten de boot erover heen en begaven ons op den terugweg naar Ogchoktu. In rechte lijn hadden we 25 mijlen te gaan, maar als we alle hoeken en bochten meerekenden, dan hadden we met de boot meer dan 50 zeemijlen afgelegd. Wij hadden drie dagen noodig, om geheel in de Schwatkabocht te komen, maar wij moesten vaak heen en weer gaan. Hier sloegen wij de tent op en lieten die staan, toen we den volgenden morgen naar de Gjöa teruggingen. We wilden later in de baai op de rendierjacht gaan en lieten daarom ook onze voorraden achter. Het ijs begon vast te worden; maar het was nog niet sterk genoeg, om ons te dragen.Geopend kindergraf der Netsjilli-Eskimo’s.Geopend kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s.In de Gjöahaven was alles monter en gezond. Den 9denSeptember waren de luitenant en Hansen van hun lang uitstapje met goed succes teruggekeerd. Ze hadden hun doel, kaap Crozier, bereikt en het dépôt daar aangelegd. Het smalste deel der Simpsonstraat was nu, zoo goed het ging, onderzocht. Het vaarwater tusschen het eiland Eta en King Williamsland was zoo vol ondiepten, dat het eigenlijk feitelijk afgesloten was. Het zuidelijke vaarwater tusschen Eta en het vasteland van Amerika was, zoowel op den heen- als op den terugweg met ijs gevuld geweest. Maar die ijsbergen waren zoo groot, dat er de zee diep genoeg moest wezen voor ons schip. Kon het ijs door die straat heen komen, dan zou de Gjöa met groote voorzichtigheid hetzelfde kunnen doen. Dat was een bijzonder belangrijke ontdekking; de Noordwestelijke Doorvaart was dus daar niet afgesloten.Met de jacht zag het er in dezen herfst van 1904 twijfelachtig uit. In Ogchjoktu was nog geen grootere rendierkudde gezien; hoogstens hier en daar een alleen rondtrekkend dier. Hansen en Lund waren tijdens mijn afwezigheid met de dorry op jacht geweest, maar zonder veel geluk. Buitendien had hen het ijs verrast, zoodat ze de dorry aan land hadden moeten trekken en over land hadden moeten terugkeeren.We hadden dus nu twee booten in het open veld staan. Om nu voldoende voorraden voor den aanstaanden winter te krijgen, besloot ik, zoodra het ijs vast genoeg zou zijn, naar alle zijden jachtexpedities uit te zenden. De Eskimo’s hadden wel beloofd, ons bij hun terugkeer vleesch te brengen, en ze zouden, zooals we wisten, met het terugkeeren van het ijs komen, maar ik wist niet in hoever ze betrouwbaar waren, en durfde mij niet op hen te verlaten.Wij voerden allerlei verbeteringen aan Villa Magneet uit, volgens de ervaringen van den vorigen winter. Het dak werd met zoden aarde bedekt, bijna het geheele huis onder zand gezet en een uitstekende ventilatie ingericht.Het bleek, dat de winter zijn intocht kwam doen; de koude nachten, de beginnende sneeuwval en de in troepen wegtrekkende vogels waren onbedriegelijke teekenen. De zomer was koud en onvriendelijk geweest; we hadden haast geen open water voor scheepvaart gehad. Dus moesten we onze hoop op beter weêr in het volgend jaar stellen.In den nacht van den 1stenSeptember vroor alles toe. Onze tweede winter was begonnen.Op denzelfden dag, waarop het in ernst vroor, verschenen ook de Eskimo’s weer, en de eerste was onze oude vriend, de Uil, met zijn gezin. De laatste weken had hij met eenige andere familiën aan de jacht op rendieren en aan de zalmvisscherij gedaan bij Peel Inlet, aan de oostkust van King Williamsland. Die familiën hadden hoofdzakelijk gevischt en in de beek, die zich in Peel Inlet uitstort, hadden ze verbazend veel zalmen buitgemaakt. Over het algemeen is hier in de rivieren een rijkdom aan zalm, als wel nergens elders. De Uil had ook een groote menigte rendieren gezien en twintig stuks geschoten, waar hij ons de bouten van afstond.Hij vertelde mij, dat hij op den weg naar het Zuiden een Oglugi-Eskimo had ontmoet, die Tamoktuktu heette en die met zijn gezin in een van ijs gebouwdehut aan den voet van den Wiikheuvel woonde. Daar ik nog nooit een hut van ijs gezien had, ging ik den dag daarop op weg, om die te bekijken. Met den Uil kwam ik er. De hut was gebouwd van acht vierkante ijsblokken van een meter lengte en breedte en een halven voet dikte. De kanten waren tegen elkaar gezet en de blokken waren samengevoegd met een mengsel van ijs en sneeuw, dat een uitstekend bindmiddel is. Rendiervellen vormden het dak. Ik vond de heele familie te huis. Pocjarlu, Tamoktuktu’s vrouw, zat dik en vergenoegd op den achtergrond op een paar huiden. Om haar heen lagen beenderen en vischresten verspreid en vóór de hut lagen een menigte forellen. Het was te laat in het jaar, om nog visch in orde te maken en zoo werden de gevangen visschen alle in bevroren toestand bewaard.Tamoktuktu was op het punt, op de vischvangst uit te gaan, en ik mocht hem vergezellen. Zijn gereedschap bestond uit een kakiva of harpoen en een snoer van rendierpeezen, waar eenige kleine, schitterend gepolijste stukjes been en blik aan hingen. Zijn oudste zoon ging mee; hij sleepte een grooten steen achter zich aan. Vlug gingen we naar het water, dat de Ristvedtplas was genoemd en waar de vischvangst zou plaats hebben. Spiegelglad en glanzend lag het ijs op het water, en men kon elken steen en ieder levend wezen eronder onderscheiden. Tamoktuktu koos een geschikte plek, nam zijn zoon den steen af en hakte er een gat mee in het ijs. Toen hij er doorheen was, maakte hij de opening met zijn mes schoon en hing toen het snoer erin. Dadelijk stroomden de kleine forellen toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, snuffelden aan de vele geheimzinnige voorwerpjes en werden door den oplettenden Tamoktuktu vlug gespietst.Kampement van Netsjilli-Eskimo’s op King Williamsland.Kampement vanNetsjilli-Eskimo’sop King Williamsland.Onderwijl was de Uil bij Poojarlu in de hut gebleven; ze hadden met elkaar vriendschap gesloten en ik zag duidelijk, dat de Uil iets op het hart had. Jawel, hij had aan de schoone beloofd, mij voor haar om den inhoud van het laatst geschoten rendier te verzoeken! Ik beloofde dien en gaf den Uil vergunning, de maag terstond te halen.Het wonen in de tent was nu al minder aangenaam geworden. Het tentdoek lag vol sneeuw en als er binnen gestookt werd, smolt die en maakte alles vochtig. Daarom besloot ik de tent in te bouwen, en met medewerking der Eskimo’s haalden we uit den naasten plas acht ijsplaten van een halven voet dik, elke drie voet breed en evenzoo lang. Die zetten we om de tent, metselden ze met een ijsbrij samen en dekten het dak met rendiervellen. Het huis was klaar; maar het voldeed niet aan de verwachting, want de rijp drong binnen en het was steeds, alsof het van het dak sneeuwde. Toen bouwden mij mijn Eskimo’s een echte winter-iglu. De familie van den Uil en die van Talurnakto woonden in een slot van ijs, dat hoog was en ruim en vol jachttrofeeën. Het bouwen werd steeds ter hand genomen, als het geen weêr was om te jagen.Den 2denOctober keerde ik weer naar de Gjöa terug en liet Ristvedt mijn plaats in de tent innemen. Op den terugweg trof ik het spoor van een berin met twee jongen, die nog heel klein moesten geweest zijn. Zij trokken naar het Zuiden, naar warmer streken. Het was het eerste berenspoor, dat wij in de buurt van onze haven zagen.Toen ik aan boord kwam, was Umiktuallu, de moordenaar van zijn pleegzoon, van het amerikaansche vasteland gekomen. Van zijn kajak uit had hij 35 rendieren geschoten, en hij beloofde, ons het vleesch te brengen, zoodra het ijs goed begaanbaar was. Dat gaf een heerlijke aanwinst bij onzen nooitzeer grooten voorraad. Umiktuallu berichtte ook, dat groote rendierkudden langs de Todd-eilanden over het ijs trokken.Een nieuwtje hield onze nieuwsgierigheid in die dagen gespannen. Umiktuallu had een Kilnermiun-Eskimo, dat is een Eskimo van den stam die aan de Coppermine-rivier woont, ontmoet en vernomen, dat eenKablunaof blanke in Maart met een Eskimo-gezin een bezoek had gebracht aan de Eskimo’s van de Coppermine. Later bleek, dat dit bericht volkomen met de waarheid overeenstemde, zooals men zal zien.Nu besloten wij, ons jachtgeluk in het Westen te beproeven, waar Umiktuallu de vele rendieren had gezien. Daarom reisden Lund en Hansen met Umiktuallu naar het Westen, voorzien van sleden, vijf honden en proviand voor veertien dagen.Van Ristvedt kreeg ik een brief door een Eskimo-koerier, waarin hij mij meedeelde, dat hij het kamp verlegd had naar den noordelijksten heuvel, waar hij sporen van groote rendieren had ontdekt. Over het geheel waren er in dat jaar 1904 veel van die dieren; maar ze hadden de ijstoestanden rondom het eiland Eta gunstig gevonden, en dus kwamen ze op hun trek niet dicht bij ons. De rendieren waren in dit jaar dik en vet in tegenstelling met het vorige jaar. Maar zoo dik als de rendieren op Spitsbergen werden ze hier echter niet; doch dat is ook werkelijk wonderlijk, hoe de broodmagere rendieren op Spitsbergen in den loop van den zomer zich vetmesten en spekkussens krijgen van verscheiden duimen dik. Ook sneeuwhoenders trokken thans in groote scharen voorbij en wij hielden er zooveel van terug, als we maar konden.De 15deOctober was een zeer drukke dag in de haven, want al onze jagers en vier Eskimofamilies kwamen tegelijkertijd. Lund en Hansen hadden negen rendieren gedood, die ze in een sneeuwhut ingemetseld hadden en later aan boord brengen wilden. Het afhalen werd echter uitgesteld, en toen wij eindelijk in den winter het vleesch wilden halen, was het door de Oglugi-Eskimo’s gestolen. De geheele, door ons zelven bijeengebrachte, vleeschvoorraad bestond uit twintig rendieren; visschen hadden wij in het geheel niet. Maar later voorzagen ons de Eskimo’s ruim van visch en vleesch. Het waren daarin betrouwbare menschen, en als ze beloofd hadden vooraad te brengen, hielden ze woord.Door den terugkeer der Eskimo’s kreeg onze haven weer een levendig aanzien. In groote troepen kwamen ze meestal des avonds aan boord, om ons te begroeten, oude vriendschap te vernieuwen en nieuwe vrienden voor te stellen. Monter en vroolijk waren ze altijd, en wij waren goede buren samen.Tot hier toe heeft men altijd gedacht, dat de lucht in de poolstreken volkomen zuiver was en vrij van bacillen. Maar daaraan mag voortaan wel getwijfeld worden, ten minste wat de streken om King Williamsland betreft. Zooveel is zeker, de Eskimo’s worden in het najaar door een ware verkoudheidsepidemie aangetast. Een paar van hen werden zoo hard ziek, dat ik voor longontsteking vreesde. Daar bijna ieder van hen de ziekte kreeg, moest er wel aan besmetting worden gedacht. Wij op de Gjöa bleven gelukkig vrij, maar wij namen ook onze voorzorgsmaatregelen. Tegen het spuwen hadden we een zwaren strijd te voeren. In dat opzicht zijn de Eskimo’s al zoo erg mogelijk, en nu in den tijd van de verkoudheden was het natuurlijk vreeselijk. Onder onze leiding werd het wel beter.Omdat ik graag het groote Eskimokamp, dat er bij Navjato moest zijn, wilde leeren kennen, en daar ik ook visschen wilde inruilen, ging ik op weg naar het kamp en nam Helmer Hansen mee. Den 23stenOctober vertrokken wij met drie Eskimogezinnen, die denzelfden weg gingen. Ter afwisseling gebruikten we ski. Nog was de sneeuw niet vast aaneengebakken en de temperatuur was niet beneden 25 graden vorst, dus voor een skitocht zeer geschikt. Des avonds om half vijf bereikten wij, vijftien zeemijlen van het station verwijderd, den top der “Ellinghoogte.” Hier vonden wij een oude iglu, die wij den naam gaven van “Hotel Ellinghoogte.”Met mijn vriend Poieta en zijn vrouw namen wij vieren de oude iglu in bezit, en met de hulp van mevrouw Nalungia was het er spoedig licht en warm. Na den maaltijd en een klein praatuurtje gingen we te bed. Natuurlijk schreeuwde de zuigeling nu en dan en moest dan tot rust gebracht worden; mij hinderde de stoornis, maar Hansen had er behagen in, want die nachtelijke kinderkamergebeurtenis herinnerde aan het verre thuis en aan zijn Nalungia.Den volgenden morgen togen we in zuidelijke richting naar de Simpsonstraat op weg. Eerst om vier uur hadden wij Navjato bereikt en vonden tot onze verbazing in het geheel niet meer dan tien hutten, veel minder dan we hadden verwacht. Wij werden door onze oude vrienden, die hier kabeljauwen wilden vangen, zeer vriendelijk ontvangen.Navjato of Novo Terro, zooals de Eskimo’s zeggen, heeten de oevers van een klein meer, dat eenige zeemijlen ten zuiden van Point Richardson ligt. Navjato is niet zeer ver van de Hongerbaai, die zoo genoemd wordt, omdat men er geraamten van een groot deel van Franklin’s gezellen vond, en men neemt aan dat ze hier op den weg naar het Zuiden van honger zijn omgekomen. De ironie van het noodlot wil, dat juist deze plek zulk een naam draagt, want het is een der mooiste en rijkste punten van de noordkust van Amerika. In de lente, als het ijs van den oever loslaat, vangt men hier tallooze vette zalmen. Iets later komen groote en vele kudden rendieren en blijven den geheelen zomer. In den herfst kan men kabeljauwen in ongetelde menigten vangen. En juist hier, in dit arctische Eden, moesten die koene reizigers uit gebrek aan levensmiddelen ten gronde gaan! Maar ze waren hierheen gekomen, toen het vlakke land met sneeuw bedekt was, en ze waren doodop van inspanning, uitgeput door ziekte en hadden er halt gehouden. Geen enkele afwisseling bood het eentonige, vlakke land, overal met sneeuw bedekt; geen levende ziel kwam hun tegemoet, om hen terecht te helpen en hulp te verschaffen. En over de geheele aarde zal men lang moeten zoeken, eer men een tweede plek vindt, zoo verlaten als deze in den winter.Toen eindelijk de zomer kwam en in den korten tijd van verlossing van het juk van den winter millioenen bloemen op de velden gingen bloeien,toen alle wateren glinsterden en alle beken kabbelden, toen het van vogels wemelde, die met vroolijk gekweel nesten bouwden, en de eerste rendierbok aan den rand van de open IJszee opdook, toen wees een hoop verbleekte steenen de plaats aan, waar de laatsten van Franklin’s dappere schaar hun laatsten zucht hadden geslaakt, in het laatste bedrijf van dit groote treurspel.Op deze plek, waar zooveel treurige herinneringen aan verbonden zijn, bewogen zich nu de Eskimo’s vroolijk en levendig, voordat de lange nacht aanbrak, die met zware hand licht en leven in deze streken uitbluscht. Ze haalden uit een diepte water van drie of vier vadem groote menigten kabeljauwen, en maakten daarbij gebruik van snoeren van rendierenpeezen en een krommen spijker. Op den namiddag van mijn aankomst werd mij een spartelende kabeljauw vereerd, die dadelijk naar den kookpot verhuisde! Na onzen langen, inspannenden marsch genoten we onzen verschen kabeljauw met vreugde en dachten aan een vaderlandschen fjord in Noorwegen op een mooien zomeravond...Maar eigenlijk waren we minder hierheen gekomen om kabeljauw te eten, dan om kabeljauwen te koopen, en de volgende dagen werden dan ook aan de zaken gewijd. Buiten op het witte ijs beproefde ik mijn geluk met de vischvangst, maar zonder bijzonder goed resultaat. Wij hadden verder een paar onaangename dagen in Navjato. Het was steeds nevel en wind en min 25 graden. In het voorjaar en den herfst voelt men de koude het meest, zelfs als ze in den winter veel heviger is, wat wel samenhangt met de kleeding, die er dan nog niet recht op is ingericht. De Eskimo’s waren van den morgen tot den avond op de jacht en bezig met de vischvangst, vooral voor het verkrijgen van voorraad voor den winter.Toen wij na eenige dagen Navjato verlieten, waren onze sleden hoog beladen met visch. Verscheiden Eskimo’s vergezelden ons op den terugweg, en onder hen was onze oudste en beste vriend Teraiu. Hij had ons uitstapje naar Kaa-aak-ka niet vergeten, en kwam nu bij zijn zware verkoudheid, om een middel ertegen, bij ons. Onderweg hoestte hij erg en spuwde ook bloed. De oude Auva zat, toen we vertrokken, bij het vuur en leed aan een ernstig maaglijden; ze stierf een paar dagen later.Op een der Todd-eilanden brachten wij den eersten nacht door in een oude sneeuwhut. Ook op deze eilanden had men eenige geraamten en andere sporen van de Franklin-expeditie gevonden. Teraiu vertelde, dat hij indertijd al van de blanke mannen, die hierheen gekomen waren, had hooren vertellen. Op het eiland, waar we overnachtten, liet hij mij een groot, plat rotsblok zien, dat ter herinnering aan de dooden was opgericht. De Eskimo’s noemen dit eiland Keuna.Toen wij met een groote slede vol versche, bevroren kabeljauwen aankwamen, werden we natuurlijk met geestdrift ontvangen!Naar de ervaringen van den vorigen winter hadden wij ons gericht voor de verbeteringen op deGjöa. Het winterdak over het schip heen was nu beter in orde, en we maakten er een bewegelijke deur in, waardoor wij als in een huis uit en in konden gaan. Dat had ook nog een ander voordeel; wij konden ons nu de Eskimo’s beter van het lijf houden, wat soms zeer noodig was. Des avonds sloot en grendelde luitenant Hansen de deur, en wij zaten dan veilig binnen, als in een vesting. We richtten ook een bad in en hadden al gauw beneden in het ruim ons eigen stoombad. De luitenant en ik maakten er in dezen winter druk gebruik van; het werkte uitstekend en werd voor ons al gauw bij het leven in de enge ruimte en in de zware kleeding onontbeerlijk. Een kleedkamer konden wij ook niet ontberen, maar we gebruikten er een omgekeerde boterton voor. Wat lastig was, dat was de koude douche, die wij iederen keer kregen door den rijm, dien de bevroren damp vormde en die dan smolt en op ons neerdroop.Luitenant Hansen was vol geestdrift voor het bad en maakte er electrisch licht bij, drie lampen wel! Ja, hij ging nog verder en richtte ook op het dek electrische leidingen in. Men zat dan recht genoegelijk in de kajuit, drukte op een knopje, en—ja, dan moest het licht wezen. Maar het werd niet licht. De eenige fout in de leidingen van luitenant Hansen was, dat ze geen licht verschaften. Wij moesten weer in donker baden. Maar men moet niet meenen, dat de luitenant een slecht electrotechnicus was. O neen! Maar zelfs de beste electrische ingenieur kan niet uit niets, uit zeer ongeschikt materiaal iets zóó maken, dat hij maar heeft te zeggen: “Het zij licht!” Wij waren anders vaak genoeg trotsch op wat we met onze weinige hulpmiddelen uitrichtten.Een vraag, die wij ons nu en dan stelden, was deze, hoe wij ons in geval van nood tegen de Eskimo’s konden verdedigen, ingeval ze wat in het schild voerden. Er was nu een groote menigte rondom ons verzameld, en als zij nu eens een slechte jacht hadden, hoe gemakkelijk konden ze dan onze proviandtent openbreken. Wij moesten hun dus behoorlijk respect inboezemen, en eindelijk werd het middel daartoe gevonden. Onder een sneeuwhut, op vrij grooten afstand van deGjöa, werd een mijn gegraven, die verbonden werd met het schip door een onder de sneeuw verborgen leiding.Toen dat gebeurd was, lieten wij de Eskimo’s samenkomen aan boord. Ik hield voor hen een voordracht over de macht van den blanken man; zei, dat wij van een grooten afstand uit verdelging konden brengen en over het algemeen de wonderlijkste dingen tot stand brengen. Dus was het voor hen van groot belang, dat ze zich fatsoenlijk hielden, omdat ze anders zich den toorn der Kabluna’s of blanke menschen op den hals haalden. Als zij daarginds aan den wal booze dingen zouden willen uitrichten, bij voorbeeld bij die sneeuwhut daar in de verte, dan zouden wij rustig en wel aan boord blijven en enkel maar zóó doen.... Met een vreeselijk geknal vloog de sneeuwhut in de lucht, en een sneeuwwolk stoof omhoog.Dat was volkomen genoeg! Meer was er voor langen tijd niet noodig.Op Zondag 20 September zaten wij juist aan het tweede ontbijt, toen tot onze groote verbazing ons een geheel vreemde Eskimo een bezoek bracht. Reeds de manier, waarop hij binnentrad, wees erop, datonze gast zich in de “wereld” had bewogen. Zijn kleeding verschilde van die van den Netsjillistam. Onze verwondering verminderde niet, toen de man in een, zoo al niet juist, toch volkomen verstaanbaar Engelsch zei: “Give me ’moke!”Wij gaven hem tabak en een pijp, en hij stopte die op sierlijke manier. Toen stelde hij zich voor:“Mister Atangala!”Het begon interessant te worden! Ik bekeek hem oplettend en wachtte wat nu zou volgen. Maar hij wekte mij uit mijn gepeins en deed mij verstaan, dat nu van mij de volgende stap werd verwacht, door te zeggen:“Mag ik vragen, Mijnheer, hoe uw naam is?”Ik kreeg een kleur om mijn gebrek aan wellevendheid, boog en noemde mijn naam. De voorstelling was afgeloopen, en nu was hij blijkbaar tevreden. Hij beduidde mij, dat zijn familie buiten op het dek was en ik maakte mijn gebrek aan wellevendheid van zooëven weer goed, door dadelijk de familie binnen te noodigen. Zij verscheen terstond. De vrouw was een groote, donkere verschijning van echt Eskimotype, Kokko geheeten, en ongeveer veertig jaar oud. Haar zoon schatte ze op tien jaren; hij was een eerste bengel.Vertrek van een excursie per kajak.Vertrek van een excursie per kajak.Atangala vertelde, dat hij en zijn gezin drie blanken van Chesterfield Inlet in de Hudsonsbaai naar de Coppermine hadden begeleid. Dit bevestigde dus het bericht van Umiktuallu, ons zes weken geleden gebracht. Van de Coppermine had Atangala zich huiswaarts gewend, en toen hij hoorde, dat er een schip in Ogchoktu lag, besloot hij ons te bezoeken, ofschoon de afstand een paar honderd zeemijlen bedroeg, en te onderzoeken of hij ook zaken met ons zou kunnen doen. Hij blufte van belang, beweerde dat hij kon schrijven, en op zijn verlangen brachten we hem potlood en papier. Zijn bedrevenheid in de edele schrijfkunst was niet overweldigend. Met ongeloofelijke inspanning bracht hij zijn naam op papier. Hij vertelde, dat hij een paar jaren geleden met een amerikaanschen walvischvanger van de Hudsonsbaai over land naar Winnipeg was gegaan, en van zijn verblijf aldaar kende hij nu alle uitvindingen van den nieuweren tijd, telefonen, spoorwegen, electrisch licht en—whisky. Voor de laatste had hij groote belangstelling, en hij vroeg er steeds naar. Ik beproefde hem uit te leggen, dat de anti-alcoholbeweging het allernieuwste was op dat gebied, maar daar wilde hij niets van weten. Ten slotte smeekte hij om brandewijn. Maar hij kreeg geen drank. Voor ons was het bericht, dat bij Katiktali of kaap Fullerton twee groote schepen lagen, van het grootste belang. Mij kwam het terstond in den zin, of wij misschien door die beide schepen een postverbinding met de buitenwereld konden krijgen. Dus vroeg ik den heer Atangala, of hij bereid was, voor postillon te spelen en hij scheen er niet tegen te hebben.De Gjöa in het ijs te Port-Gjöa.DeGjöain het ijs te Port-Gjöa.Op de zalmvangst.Op de zalmvangst.Ieder was nu ijverig in de weer met brieven te schrijven. De post zou binnen een paar dagen vertrekken, en men moest zien, gauw klaar te komen. Atangala was nog steeds gast aan boord, en hij scheen het naar zijn zin te hebben. Maar zijn honden zagen er slecht uit; ze leken magere wolven en liepen snuffelend rond. Het was een naar gezicht; maar wat konden wij doen? We hadden voor onze eigen honden niet genoeg, laat staan voor vreemde.Den 28stenNovember was de postslede gereed en trots wind en sneeuwstorm vertrokken de postillons om elf uur in den voormiddag. Ik had het voor het veiligst gehouden, Talurnakto mee te zenden, want ik kende immers Atangala niet; misschien was hij wel een der grootste deugnieten.Het was een dwaas gezicht, hoe Talurnakto zich met de opdracht, die hem toevertrouwd was, in zijn schik voelde. De brieven, die geadresseerd waren aan de “Schepen bij kaap Fullerton,” droeg hij in een tasch aan een riem over den schouder. Ik zag wel, dat een spotachtig lachje om Atangala’s mond speelde, maar begreep eerst later, wat dat beduidde. De beide Eskimo’s trokken dus weg en waren spoedig in een sneeuwwolk uit ons gezicht verdwenen.Als een expeditie in de wereld van het poolijs zal gelukken, is het een eerste vereischte, dat alle leden ten allen tijde volop werk hebben, en de plicht van den leider is het, de indeeling van het werk te maken, wat echter in lange perioden wel eens moeilijk onafgebroken vol te houden is. Ledigheid werkt altijd demoraliseerend, en dat alleen is al reden genoeg om op een poolreis niet te veel menschen mee te nemen. Enkele menschen kan men altijd wel aan het werk zetten, maar een grooter aantal altijd bezig te houden, is bijna onmogelijk. Voor mij was het geen moeilijke taak, want mijn kameraden kwamen mij altijd halfweg tegemoet. Als ik niet wat uitvond, kwamen ze zelf met hun plannen. Lund genoot de hoop van een groot uitvinder te wezen op allerlei gebied. Als ik met een denkbeeld bij hem kwam, werd het dadelijk uitgevoerd. Alleen moest hij soms, als er smeedwerk moest worden verricht, Ristvedt te hulp roepen. Maar als dan ook de smid Ristvedt en de architect Lund samenwerkten, was er niets onmogelijk.Van Godhavn hadden wij een menigte vuurvaste baksteenen meegebracht, waarmee wij onze petroleumkachels ommetselen wilden, om de warmte langer te kunnen bewaren. Nu had ik al lang over de beste manier om van die steenen gebruik te maken nagedacht en wendde mij ten laatste met die vraag tot Lund. Wij overlegden en kwamen toen tot de slotsom, dat men, in plaats van de oude kachels in te metselen, even goed een geheel nieuwe kachel kon maken. Lund nam de plannen en de uitvoering op zich. Op denzelfden dag, waarop de post vertrok, verraste hij ons met het voltooide werk. Hij had een van onze groote blikken pakkisten genomen, die in baksteenen ingemetseld en aan de eene zijde een deur erin aangebracht.Zijn plan was, een van onze groote kooktoestellen, die een verbazende hitte verspreidden, door de deur erin te schuiven en daarmee de kachel te stoken. Als het toestel dan werd uitgedaan, zou de warmte door de steenen nog lang worden vastgehouden. Dat klonk prachtig en met mij verheugde zich de luitenant al op de warmte in onze kajuit. Wij keken met de grootste belangstelling naar het zetten van de kachel. Toen die goed op haar plaats stond, werd het toestel aangestoken en erin neergezet.Luitenant Hansen zat ijverig over allerlei berekeningen, en ik was aan mijn eigen werk. Het toestel had nog niet lang gebrand, toen mij een eigenaardige, scherpe, doordringende geur in den neus kwam. Snel keek ik naar den luitenant, om te zien of hij ook wat merkte; maar hij zat onbewegelijk over zijn cijfers gebogen. Ik zei dus niets, maar stond op en kleedde mij aan om naar het observatiehuis te gaan en hem alleen de verdere proeven met de kachel overte laten. Het kon mij niet schelen—maar het stonk afschuwelijk!“Voor den drommel!” viel de luitenant plotseling uit en wierp zijn potlood weg. “Wat is dat hier voor vuiligheid?”Ik was de deur al uit en liet den luitenant in een dikken, verstikkenden walm, waarvan de reuk de herinnering wakker riep aan alle honden, zoowel de Godhavnhonden als de Gjöahonden. Het kwam namelijk doordat de baksteenen onbeschut buiten hadden gelegen en wel op de plek, waar de honden zich graag ophielden. Men kan zich nu wel voorstellen, wat de uitwerking moest wezen van ons verwarmingstoestel op die steenen!Toen ik al ver weg was op den weg naar het observatorium, hoorde ik een geweldig spektakel aan boord. Ik kon wel raden wat het was. Lund’s zinrijke kachel werd eruit gesmeten.Nu hadden wij niets meer dan de herinnering eraan; maar die zat dan ook vervloekt lang in de wanden!Où est la femme?!Zelfs hier in de sneeuwwoestijn moet men vaak dezen noodkreet van de menschheid uitstooten, of liever gezegd er de oorzaak in zoeken van der menschen misslagen en dwalingen. Umiktuallu, die nog altijd op de vischvangst in Navjato was, kwam bij ons aan boord, om onze honden voor een paar dagen te leenen. Hij vertelde, dat Talurnakto in Navjato de post aan Atangala had gegeven en met een Eskimovrouw naar het zuiden was getrokken. Als echtgenoot nommer twee namelijk. Dat was echter, zooals ik uitdrukkelijk verklaar, de eenige onbetrouwbaarheid, die wij van deNetsjilli-Eskimo’servoeren.Umiktuallu zei ook nog, dat een ons bekende jonge vrouw in het kraambed gestorven was. Dat was het tweede sterfgeval in den winter.De Eskimo’s stroomden thans in December in grooten getale in onze haven binnen. De vischvangst in Navjato en de andere plaatsen was geëindigd. Voor zoo ver we hen begrepen, wilden ze nu tot na Kerstmis rustig in Ogchoktu blijven. Zeker verleende onze tegenwoordigheid aan de plaats een groote bekoring. Een groot aantal van de Eskimo’s bedelde dadelijk om eten. Er waren lieden onder, die voor zich en de hunnen meer dan genoeg wintervoorraad hadden, maar anderen hadden weinig, deels uit ongeluk, deels uit luiheid. Voor ons was het volstrekt niet aangenaam, al dat bedelvolk bij ons te hebben, en wij moesten telkens beslist weigeren, daar we toch niet voor al die menschen voedsel hadden.De meeste Eskimo’s bouwden hun hutten in het Sälanddal, en het kamp zag er belangrijk genoeg uit.Wij hadden nu den donkersten tijd van het jaar, waarin de zon den geheelen dag onder den horizon blijft. Wij moesten dus aanhoudend licht branden. In verband met dien “langen nacht” had ik extra-patentlampen meegenomen, waarin de verhitte petroleum als gas brandde, waardoor een zeer sterk licht verkregen werd. Maar reeds den eersten winter hadden deze lampen vaak niet goed gebrand en veel moeite gegeven. In dezen winter gaven ze het geheel op. Lindström, tot wiens departement de lampen behoorden, was wanhopend, en hij gaf zich bewonderenswaardig veel moeite, om de zaak in orde te brengen. Maar ten laatste moest hij zich overwonnen geven, en de geheele voorraad lampen werd weggestopt. Ik had een groote fout begaan; in plaats van mij volkomen te verlaten op die lampen, had ik toch ook nog eenige gewone lampen moeten meenemen.De verlichtingstoestanden waren dus aan het eind van den winter aan boord van deGjöaver van schitterend. Een photografeerlamp, een kompaslamp en twee lantarens, dat was alles, wat we hadden, en daarmee moesten we ons behelpen, zoo goed het ging. Natuurlijk deed Lund de eene uitvinding na de andere in zake verlichting, en zijn toestellen hadden misschien wel een tentoonstellingsprijs verdiend, als ze maar gebrand hadden, maar dat deden ze niet.Eerst half Januari begon de jacht op zeehonden, en het was hoog tijd geworden voor de aanvulling van de voorraden. Ik geloof haast, dat de Eskimo’s om een of ander oud vooroordeel niet vroeger met die jacht beginnen. De maan moest, naar ik meende te begrijpen, een bepaalden stand innemen, vóór men met de jacht op zeehonden mocht aanvangen. En de maan is hun iets heel heiligs, waarnaar ze ook hun tijd regelen.Hun bijgeloof zat hun soms leelijk in den weg. Juist in dien tijd gebeurde iets karakteristieks in dit opzicht. Een aantal vrouwen waren bij ons aan boord geregeld met naaiwerk voor ons bezig. Ze kregen er een kleine betaling voor, waar ze zeer mee ingenomen waren. Op een dag verklaarden ze eenstemmig, dat ze niet konden werken. Wij vroegen naar de reden en vernamen, dat de eerste zeehond gevangen was en dat de vrouwen zeehondenvleesch gegeten hadden; dan mochten ze buiten haar eigen huis niet het minste werk doen, eer de zon zoo en zoo hoog aan den hemel stond. Wij wilden haar het dwaze van deze beschouwing duidelijk maken, beloofden haar ook een ruimere betaling, ja, smeekten haar, toch voort te maken met het werk, dat voor ons noodig was. Maar neen, hier stieten we op een muur, waar we met gewone menschelijke bewijsgronden niet konden doorheen dringen. Daar stond of God of de duivel op wacht, en tegenover deze verloochenden de vrouwen hare anders zoo volgzame en toegefelijke natuur. Alleen de oude Navjato was slim genoeg geweest, niet van het zeehondenvleesch te eten. En zij zat nu bij ons aan boord, naaide van den morgen tot den avond en verwierf ons aller hulde.Den 11den Januari volbracht ik een volkstelling in de Gjöahaven en de omgeving en bevond, dat er achttien familiën met zestig personen waren.In het midden van Januari 1905 kwam Lindström op een dag met het bericht, dat er conserven gestolen waren van onzen voorraad op het dek. Wij hadden uit het proviandhuis naar boord gehaald, wat we aan levensmiddelen voor den winter noodig hadden, en ze op het dek ondergebracht, waar het droog was. Van het begin af was het mij duidelijk geweest, wat dat voor een verzoeking was voor de Eskimo’s, vooral nu, dat ze bijna niets te eten hadden, en ik vond het nog een wonder, dat er in al dien tijd niets gebeurd was. De Eskimo’s gingen immers dagelijksop deGjöauit en in; een blikje kan in het voorbijgaan gemakkelijk verstopt en in de kleederen geborgen worden. Nu ontbraken er dus eenige blikken. Ik riep den Uil en Umiktuallu en zei hun, dat hun landslui ons bestolen hadden en dat ik volstrekt de schuldigen aangewezen wilde zien.Zij namen de zaak heel ernstig op; men zag duidelijk, dat ze zich in zekeren zin voor hun stam verantwoordelijk voelden. Ze verlieten mij, en een paar uren later kwamen ze terug en noemden vier of vijf namen van de schuldigen. Het waren alleen Oglugi-Eskimo’s; van den Netsjillistam had geen enkele zich vergrepen. Ik liet de schuldigen halen. Onder hen bevond zich ook Teraiu, evenals zijn broeder Tamoktuktu. Ieder van hen had zich een bus toegeëigend. Ik hield een donderende toespraak en verbood hun van dat oogenblik af den toegang tot het schip. Toen dropen ze druipstaartend af.Tegen het eind van Januari hadden de Eskimo’s meer geluk op de zeehondenjacht, die hun in het begin niet goed naar wensch was gegaan. Den 1sten Februari gaven allerlei kenteekenen te verstaan, dat de stam ging opbreken; de Eskimo’s begonnen hunnen voorraden naar buiten te brengen op het ijs, en enkele dagen later trokken ze werkelijk weg. Wij voelden ons zeer verlicht, toen wij ze kwijt waren. Het eeuwige gebedel om levensmiddelen was ons zeer lastig geweest.Nu begonnen voor ons ook de voorbereidingen tot een slede-expeditie, die al lang voor het aanstaand voorjaar ontworpen was. Luitenant Hansen en Ristvedt wilden met elkander de oostkust van Victorialand trachten te bereiken, om van dit land, het eenige dat nog niet opgenomen was in den noord-amerikaanschen archipel, een kaart te teekenen. Zooals vroeger al verteld is, was voor deze expeditie bij kaap Crozier, ongeveer honderd zeemijlen van de Gjöahaven verwijderd, een dépôt aangelegd. Onze eerste zorg draaide nu om de honden. Wij hadden een uitstekend troepje, maar er waren te weinig. De luitenant en Ristvedt deden daarom een uitstapje naar de Eskimo’s, die thans ongeveer twintig zeemijlen op het ijs buiten woonden, en keerden na twee dagen met vier groote honden terug, die ze voor een paar stangen ijzer hadden gekregen.Die honden waren wel erg uitgehongerd en moesten eerst goed gevoed worden, vóór wij ze in gebruik konden nemen. Maar toen kwam nog de tweede zorg, namelijk het voeder, dat even belangrijk was in dezen als de honden zelf. Ons hondevoêr was opgebruikt. Het eenige, wat wij nog hadden, was menschenpemmikan, en dat zou het niet lang volhouden. Ons pemmikan bestond uit vijftig percent ossenvet en vijftig percent gedroogd en gestampt paardenvleesch. Deze beide stoffen zijn saamgesmolten en in platen van elk een half kilo geperst, zeer gemakkelijk en beknopt in te pakken. De Indianen zijn het, van wie men oorspronkelijk het gebruik van dit proviand heeft geleerd, en alle poolvaarders moeten hun daar dankbaar voor zijn. Het pemmikan smaakt voortreffelijk, neemt weinig plaats in en kan rauw, gebraden of gekookt gegeten worden. Vooral is het van groote waarde op een slede-expeditie. Wij hadden buitendien ook nog een aantal kisten met hondentalg, die nog over waren van de tweede Framexpeditie, en die stof bleek zeer bruikbaar. Ook hadden we een massa havergort en havermeel, dat ongebruikt lag omdat geen van ons er een bijzondere voorliefde voor had. Al die dingen werden aan luitenant Hansen afgestaan, en hij ging er proeven mee nemen. Havermeel met hondentalg smaakte de honden en bekwam hun goed. En zoo vormde hij porties van elk een half kilogram van dat mengsel als dagelijksche maaltijden voor de honden. De bereiding had in het groot plaats; het geheele schip leek wel een gepatenteerde hondenvoerfabriek onder leiding van den directeur Godfried Hansen. Het werk vlotte goed, en weldra was deze heele quaestie opgelost. Daarna werd over de verdere uitrusting gesproken en alles nagezien. Lund zou voor de sleden zorgen, waar heel wat aan te herstellen viel en die van nieuwe schuivers moesten worden voorzien.Midden in deze toebereidselen kwam het bericht, dat Talurnakto, de verdwenen postillon, in Navjato teruggekeerd was en verzocht, weer in genade te worden aangenomen. Wij hadden hem niet enkel om zijn vlijt, maar ook om zijn goed humeur gemist en vonden zijn misdaad niet grooter dan die van zoo menig man, die er met de vrouw van een ander van door was gegaan; ja, eigenlijk was er minder misdreven, daar in dit geval de geheele familie der vrouw en haar man en kinderen meegegaan waren.Dus lieten wij hem weten, dat wij hem wilden vergeven en hij zijn vroegere betrekking van “meid alleen” weer kon aanvaarden. Op een avond in Februari werd mij gemeld, dat Talurnakto gekomen was. Hij waagde niet eens, zoo maar bij mij binnen te treden. Ik liet hem halen. Zijn uitzicht was, sinds we hem de laatste maal zagen, zeer veranderd. Hij had het blijkbaar als minnaar niet gemakkelijk gehad. Zijn rond, vergenoegd gezicht was langgerekt geworden en mager, en droeg een uitdrukking van diepen weemoed. Hij had zeker niet enkel aangename herinneringen aan zijn liefdesavontuur bewaard. Al wat hij bezat, zijn mes, en speer, pijp en meer van dien aard, alles was in het bezit der geliefde vrouw overgegaan, of de echtgenoot had ze als vergoeding voor zijn liberaliteit verlangd. De arme Talurnakto kwam volkomen uitgeplunderd van zijn escapade terug.Den 7denFebruari ondernam luitenant Hansen de eerste slede-expeditie in het jaar. Hij ging naar Kaa-aak-ka en deed er een menigte magnetische waarnemingen. Het was de allervroegste tijd voor eenig werk in de open lucht; maar we hadden veel plannen en moesten haast maken. Maar koud was het, dat het een aard had! Het is merkwaardig, hoe bros en licht breekbaar alle voorwerpen bij zoo strenge koude worden. Zoo was onze goede Lund op een dag juist met de sledeschuivers bezig; de lat van hickory-hout lag op twee verscheiden voet hooge kisten; bij een onhandige beweging liet hij het ding op het dek vallen en het sprong in vele stukken. Hickory is toch het taaiste hout van de wereld; onze schuivers waren van uitstekend amerikaansch maaksel uit Pensecola; maar in deze koude streken is toch esschenhout te verkiezen.Op een Zaterdagmiddag reed tot onze verbazing onze met vijf honden bespannen slede de haven binnen en hield met een mooien zwaai voor deGjöaop,maar er was geen koetsier. Toen kwam kort daarna van de “Magneet” het bericht, dat er op het ijs een zwarte stip was te zien. En na een poosje kwam Talurnakto hijgend en blazend aanloopen; hij was van de slede geworpen, en de honden waren er van door gegaan en hadden alleen het huis opgezocht.

Een beauté van Port-Gjöa.Een beauté van Port-Gjöa.

Een beauté van Port-Gjöa.

Talurnakto, onze andere begeleider; was juist het tegendeel van den Uil. Hij ging onder de zijnen door voor een soort van gek; maar in werkelijkheid was hij de verstandigste van allemaal. Hij lachte steeds en maakte grapjes. Buiten een eenigen broeder had hij in het geheel geen familie en hij bekommerde zich om niemand. Dik en kort van gestalte, had hij den bijnaam Takichja, dat is die moeilijk loopt. Wij werden het eerst op hem opmerkzaam door de taaie volharding, waarmee hij telkens weer op deGjöaverscheen, nadat we hem te verstaan hadden gegeven, dat we hem niet konden gebruiken. Maar toen we later hoorden, dat hij flink werken kon, behieldenwe hem maar. Aan den kost aan boord gewende hij zich gauw, ja, het eten smaakte hem uitstekend; maar zijn manieren waren afschuwelijk. Hij zag er afschrikwekkend uit, als hij zijn maal naar binnen werkte. Ook in dit opzicht was de Uil een voorbeeld; die zou in gezelschapstoilet in het deftigste milieu op zijn plaats zijn geweest; hij gebruikte mes en vork als een gentleman.

Het was heerlijk weêr en onder gezang en scherts kwamen we vlug vooruit. Reeds om half 12 hadden we het eilandje bereikt, dat de luitenant en Ristvedt in Maart als zoodanig hadden herkend, Achliechtu noemden het de Eskimo’s. Dadelijk nadat we voet aan wal hadden gezet, liepen we toe op een paar plaatsen, die van sneeuw bevrijd waren en namen er bezit van, om er de tenten op te slaan. Men moet zelf in streken geweest zijn, waar de sneeuw tien maanden aaneen alles bedekt, om de geestdrift mee te voelen, die ons vervulde bij den aanblik van dien naakten grond. Met het merkwaardig troostrijk bewustzijn, te staan op moeder de aarde zelve, stampten we erop rond, en onze oogen zwelgden in de weelde van zwarte aarde en groen mos. Het was als het weerzien van een vriend, die lang afwezig is geweest.

Dat het er intusschen erg lenteachtig was, kan ik niet zeggen. Maar in vergelijking met het doodsche van te voren werkte het ontwakende leven verrukkelijk. De weinige kale plekken werden tot drukke middelpunten, ook voor gonzende insecten; een bloempje kwam er boven den grond en werd met gejuich begroet. Eenden en zwanen trokken onophoudelijk in groote troepen boven ons hoofd langs in noordelijke richting. Wij schoten een menigte sneeuwhoenders en leidden bij het versche vleesch een echt heerenleven. Over het algemeen behooren de dagen op de Hovgaard-eilanden tot onze allergelukkigste.

Familietooneel in een Eskimohut.Familietooneel in een Eskimohut.

Familietooneel in een Eskimohut.

Bij mijn terugkeer vond ik als gewoonlijk aan boord alles in de beste orde. Mijn observatietent voor magnetische waarnemingen sloeg ik op in Ogchoktu, zoo noemden de Eskimo’s onze vestiging. Het ijs in de Simpsonstraat buiten begon langzamerhand die licht-blauwgroene kleur aan te nemen, die optreedt als het aan de oppervlakte smelt. Nu zou het niet lang meer duren, of het zou losraken. De Eskimo’s beweerden, dat dit elk jaar gebeurde; maar ze gaven mij ook te verstaan, dat de zomer van 1903, waarin wij waren aangekomen, een zeer ongewone ijszomer was geweest en dat ik niet op een herhaling daarvan zou kunnen hopen.

Intusschen zag het er voor ons zeer goed uit. De lente en de voorzomer waren met hun lange avonden heerlijk. Er was één ding, dat ons het leven lastig maakte, en dat waren de muggen. Wij moesten vechten met die benden als tegen roofzuchtige bandieten. Ze vervolgden ons aan boord, en om ten minste des nachts rust van hen te hebben, moesten we onze vensters met vliegengaas overtrekken. Sommigen van ons hadden van de beten veel hinder, en bij voorbeeld bij den armen Lund zwollen ze op, en er kwam ontsteking bij.

De meeste Eskimo’s waren nu vertrokken, om hun zomer verblijven op te zoeken en er aan vischvangst en rendierjacht te gaan doen. Alleen drie gezinnen, die naar King Williamsland noordwaarts wilden bleven nog, en dan behielden we den Uil met moeder en vrouw bij ons, alsook Talurnakto, daar ze mij zouden vergezellen, als ik, zoodra het open water aan den wal met een boot kon worden bevaren, mijn afgebroken waarnemingsreis weer zou opvatten.

Verscheiden dagen zochten wij naar de lijken der beide Eskimojongens, om te zien op welke wijze ze waren begraven. Ten slotte vonden wij ze ook. Elk lijk lag in een eigen graf op de helling en was door kleine steenen omgeven. De zoon was zorgvuldig genaaid in rendiervel en men had hem zijn boog en pijlen, zijn drinkbeker, zijn vuisthandschoenen en zoo voort meegegeven, terwijl de pleegzoon veel onverschilliger was behandeld. Zijn hoofd was bijna onbedekt, en hij had niets anders bij zich dan een paar oude, afgedragen handschoenen. De insecten waren al met hun werk aan hem begonnen, en in den loop van den winter zou de vos dat wel komen voltooien. Toen ik de plek in het volgend jaar weer bezocht, wemelde het in beide graven van kleine wormen.

Luitenant Hansen gebruikte nu het gunstige jaargetijde, om zijn photografieën te ontwikkelen, want thans had hij genoeg van het vroeger zoo kostbare water; in een van onze slooten richtte hij zich een bekken in met regelmatigen toe- en afvoer, waar hij naar hartelust kon plassen en spoelen.

Den eersten Augustus begaf ik mij weer op expeditierondom het station. Het was nu een onderzoekingstocht te water en wel met een echte, kleine vloot. Een van onze ijzeren bootjes was het vlaggeschip, waarin ikzelf aan het roer zat; Anana en Kabloka zaten op de achterbank. Ons aller proviand was ook in die boot; Talurnakto roeide een van onze booten van zeildoek, en de Uil zat in zijn eigen kajak. De kajaks van de Netsjilli-Eskimo’s zijn in vergelijking met die van de Eskimo’s uit Noord-Groenland plomp en leelijk. Maar de Groenlanders zijn ook in veel sterker mate van hun kajaks afhankelijk.

Ons doel was een heuvel, de Helmer-Hansenheuvel, die vijf zeemijlen verwijderd was; dus we hadden niet ver te varen. De muggen kwelden ons verschrikkelijk, tot wij een eind ver naar buiten waren gekomen; toen lieten ze ons met vrede. Toen echter het wêer na den regen van den morgen opklaarde en de zon stekend begon te worden, hadden we het uitgezochtste muggenweêr. Het half uur gaans van het strand naar den wachtpost was een marteling; wij liepen door zwermen muggen, en daar wij de handen niet vrij hadden, omdat we beladen waren, konden wij ons niet verdedigen; zoodra we den mond open deden, om een woord te spreken, hadden we dien vol muggen. Bijna waren we in wanhoop omgekeerd, maar we hielden vol, en toen eindelijk de tenten waren opgeslagen, vonden we beschutting tegen de millioenen kwelgeesten.

Het verblijf op den Hansenheuvel was prettig; het landschap was mooi, en men had er een ruim uitzicht. Het open water reikte juist tot daar; meer naar het westen kwam het ijs nog tot dicht aan het strand. Naar het oosten kon ik over een groote baai juist op Nhchoktu kijken; zuidwaarts was het uitzicht vrij op de Simpsonstraat en in het Noorden lagen de eindelooze mossteppen van King Williamsland, waar, meer landwaarts in, veel meren glinsterden met spiegelend oppervlak. Duizenden vogels vlogen heen en weer, en hier en daar weidde een eenzaam rendier.

Vanwege de muggen kon ik enkel des morgens en des avonds werken, en de vrije tijd, dien ik had, werd besteedaanvriendschappelijk verkeer met de Eskimo’s, die ik nu best kende. De Uil en Talurnakto waren meestal op de rendierjacht, en Kabloka vergezelde hen vaak, om te helpen met het vervoer van het geschoten wild. De oude Anana daarentegen bleef bij de tenten en haalde alleen nu en dan wat heidekruid voor brandstof. Zij hielp mij in de huishouding. Haar voornaamste werk was het wasschen van het vleesch, dat de Eskimo’s zeer ruw behandelden. Zij namen het van de sleden en lieten het liggen waar het viel, zoodat het door rendierhaar, modder en kleine steenen verontreinigd werd. Anana’s schoonmaken bestond nu, helaas, dikwijls nergens anders in, dan dat ze het ging aflikken. Ze meende, dat het alleen bescheidenheid van mij was, als ik haar trachtte af te brengen van die gewoonte.

Als we eens in een vrij uurtje allen bij elkaar waren, noodigde ik mijn vrienden bij mij in mijn tent en onthaalde ze op chocolade en hard brood. Van alle dranken was chocolade het lekkerste, wat ze kenden. Zij grijnsden over het geheele gezicht, als ik het woord chocolade maar noemde. Bij zulke tractaties deed ik navraag naar alles en nog wat, hun leven en denken betreffende. Van hun taal trachtte ik wat meer te leeren. De Uil was een eerste paedagoog; hij vond het merkwaardig, als ik graag wou weten hoe dit of dat heette. Maar Talurnakto was niet te gebruiken; hij lachte maar en vatte alles op als een grapje.

Van eetgerei was ik niet al te best voorzien, en ik zei, dat ze zich er maar zonder moesten behelpen, wat ook heel goed ging. Op een avond, toen we bij elkaar zaten aan tafel, kreeg Talurnakto plotseling een hevigen jeuk op den rug. Met zijn korte armen kon hij de plek niet bereiken, en vlug besloten, greep hij naar mijn lepel, dien ik een oogenblik weggelegd had, schoof het instrument bij zijn kleeren in op den rug en krabde erop los....

Toen ik met mijn observaties zoowat klaar was, kwamen de luitenant en Helmer Hansen met de “dorry”, het kleine amerikaansche bootje van de soort als in de Hudsonsbaai worden gebruikt en dat zij hadden uitgerust voor een lange vaart naar kaap Crozier, de zuidwestpunt van King Williamsland. Zij wilden er een dépôt aanleggen voor de voor het voorjaar van 1905 ontworpen sledevaart naar de oostkust van Victorialand. Tevens wilden ze de smalste plaats van de Simpsonstraat tusschen het eiland Eta en het vasteland opmeten met het peillood. Ze waren voor een maand voorzien van het noodige en dus zwaar beladen, daar ze de voorraden van het dépôt ook bij zich hadden.

De afstand van kaap Crozier tot de Gjöahaven was honderd zeemijlen. Het ijs, dat tot hier dicht bij het land kwam, was door een sterken Noordenwind zeewaarts gedreven, zoodat ze genoeg open water hadden, om vooruit te komen. Zij bleven een nacht over bij ons, om den volgenden dag met ons op te breken, daar ik naar Kaa-aak-ka, mijn naaste station, wou vertrekken.

Dien namiddag beproefde ik mijn eersten tocht met een kajak. Ik had daarvoor een kleinen plas als oefeningsterrein uitgekozen. In het begin ging het uitstekend. Maar mijn kameraden, die in de buurt een post aanlegden, riepen mij allerlei aardigheden toe, en juist keerde ik mij om en wou hun zeggen, dat ik toch maar een voortreffelijken aanleg voor het kajakvaren had, toen de kajak met zijn inhoud kantelde. Het water was ondiep; ik kon den grond met mijn armen raken, maar het bootje was vol water en ikzelf nat tot op de huid. De anderen trokken mij aan land, en het was volstrekt geen triomftocht, toen ik naar de tent liep, om van kleeding te verwisselen.

Den volgenden morgen ging het met de “dorry” naar het Westen. De wind was goed, dus behoefden we niet te roeien. Anana, die op het water geen heldin was, gaf er de voorkeur aan, over land te volgen; de Uil voer in zijn eigen kajak.

Kaa-aak-ka straalde in volle zomerpracht; een bont tapijt van veelkleurige bloemen bedekte alle heuvels. Maar het ijs dreef weer naar land en belette het verder doordringen met de dorry. De luitenant en Hansen waren dus genoodzaakt ons gezelschap te blijven houden. De Eskimo’s gingen met goed gevolg op de jacht; zoo kwamen ze op een dagthuis met niet minder dan dertien ganzen, die ze met steenen hadden doodgeworpen.

Den elfden Augustus was ik met al mijn stations klaar. Ik nam afscheid van mijn kameraden, die nog altijd door het ijs werden vastgehouden, en sloeg den weg naar Ogchoktu in. De tien zeemijlen werden in drie uur roeiend afgelegd, wat een goed stuk werk was, daar we zwaar beladen waren en telkens door het ijs werden tegengehouden.

Aan boord werden wij met uitbundige vreugde ontvangen, niet het minst omdat we een flinken voorraad rendiervleesch en ganzen meebrachten.

Het was nu stil in de Gjöahaven. Alle Eskimo’s hadden ons verlaten, en sinds langen tijd waren we voor het eerst weer onder ons. Op den zomer is niet veel staat te maken in deze streken; op den 16denAugustus begon het te regenen; we hadden nog maar drie graden Celsius in de kajuit en moesten dus stoken.

Van onze leege petroleumvaten hadden Lund en Hansen een eerste-rangshotel voor de honden gebouwd. Ze huisden er veel behagelijker dan in de oude sneeuwhut. Voor het oogenblik waren ze alle vastgebonden en lagen in het zand zich gruwelijk te vervelen. Het leegloopen beviel hun al na een paar dagen niet meer en ik besloot dus een lang gekoesterd plan uit te voeren.

Daar ik mijn waarnemingen op de kust van Boothia Felix in één en dezelfde lente had gedaan en toch eenige afwijkingen meende te hebben opgemerkt, besloot ik een station zoo ver noordelijk aan te leggen, als ik maar op de kust van King Williamsland kon doordringen. Daar wilde ik voor een sledetocht in den herfst nu een dépôt aanleggen, terwijl het water nog open was. De booten, die te mijner beschikking stonden, waren wel niet geschikt voor een langere zeereis; maar als men dicht bij den wal bleef, zou het wel gaan. Ik koos een van onze beide booten, die Lund in het begin van den zomer van een kiel had voorzien.

De ijstoestanden waren intusschen zeer onaangenaam. Het ijs lag tot bij de Betzoldpunt, en eer het zich verlegd had, kon van den tocht geen sprake wezen. Den 20stenAugustus verveelde mij echter het wachten en ik ging met Talurnakto als eenige geleider op weg, om te zien of men aan den anderen kant van de punt misschien verder kon komen. Het was windstil, en wij moesten roeien, maar kwamen niet vooruit. Talurnakto was aan het roeien met twee riemen niet gewend en kon niet in de maat blijven; hij stiet telkens tegen mijn riemen, en deed meer kwaad dan goed. Het vlakke bootje draaide zich ieder oogenblik om en wees met den neus weer naar huis. Van de Gjöa uit zagen ze ons manoeuvreeren en bereidden zich al voor op onze terugkomst. Maar plotseling scheen er voor Talurnakto een licht op te gaan, wat dat was, roeien in de maat, en hij begon als een ervaren zeeman. Hij zat op de voorste bank, ik op het achterplankje. Nu ging het vliegensvlug en weldra waren we bij de Betzoldpunt. Hier was het ijs echter ondoordringbaar en het bleef verder zoo naar het Oosten langs de geheele kust. Wij brachten dus onze lading aan land, trokken de boot aan den oever en keerden haar onderste boven. Daarna keerden we te voet terug.

Toen kwam er een lange, vervelende tijd. Elken morgen wandelde ik naar de landtong, om de ijstoestanden op te nemen. Maar eerst den 29stenAugustus scheidde zich bij zeewind het ijs van het land, en wij konden weer aan de reis denken. Wij brachten de boot in open water en laadden ze. Uit het Noorden woei een flinke bries en in de Schwatkabaai ging een hooge zee. Om voldoende diep water te bereiken, moesten we, voordat we den koers naar kaap Luigi d’Abruzzi richtten, eerst langs het strand tegen den wind in roeien. Dat was hard werk van ruim twee uren, waarin we roeiden dat het zweet bij ons neer droop. Ten laatste konden we zeil opzetten en zeilden dwars over de baai. De golven sloegen onophoudelijk over den rand der boot. Dit was Talurnakto’s eerste zeiltocht, en ze beviel hem maar matig. Maar wij kwamen ten minste zonder ander nadeel, dan dat we druipnat werden, over de baai. Wij zeilden om de punt en aan den anderen kant nog een eind langs het land naar Abva (Mount Matheson).

Het eerste, waar we nu aan moesten denken, was het drogen van onze kleeren. De behandeling van kleeren van vellen eischt de grootste voorzichtigheid, opdat er geen scheuren in komen, en de Eskimo is daarin met zijn levenslange ervaring een eerste meester. De tent werd op een kleine plek mos aan het strand opgeslagen.

Den volgenden morgen om acht uur trokken wij verder; de wind blies nog steeds uit het Noorden, en na vele uren roeiens bereikten wij een bocht, die zich van het Westen naar het Oosten uitstrekte. Wij deden herhaaldelijk pogingen, om erover te komen, maar de golven sloegen in de boot en wij moesten, hoe ongaarne ook, het opgeven en aan land gaan. Om het windstille weêr te gebruiken, gingen we er den volgenden morgen al om half vijf op uit; het ging nu vlug en we waren spoedig aan de noordzijde van Abva. Hier reikte het ijs weer tot dichtbij land; maar we werkten er ons doorheen, en het was zoo ondiep, dat we met de bootshaak ons konden afzetten.

Het land was verlaten en onvruchtbaar, met zand en steenen bedekt, en toen wij bij het aanbreken van den avond, de tent wilden opslaan, vonden we nergens een plek mos die geschikt was. Dertig meter van het strand en ter hoogte van vijftien meter vond ik het skelet van een walvisch. Op dit punt stiet ik ook op het eerste stuk drijfhout, dat ik op King Williamsland kon ontdekken.

Een treurige aanblik deed zich den volgenden morgen aan ons voor; de geheele kust was door het ijs geblokkeerd, en er bleef ons niets anders over dan te blijven, waar we waren. Ik gebruikte den tijd, om het land in oogenschouw te nemen. Het geheele zuiderstrand was zandig en kaal; eerst een paar zeemijlen landwaarts in vertoonde zich weer rendiermos.

Twee dagen en twee nachten moesten we daar blijven liggen, en toen we den daarop volgenden morgen verder voeren, was het genoegen niet van langen duur. Een paar zeemijlen waren we in de Mc Clintock’s La Trobebaai vooruit gekomen, toen het ijs ons volkomen den weg versperde. Daar lagen we nu op dezelfde plaats tot den 16denSeptember enbewaakten het ijs. Het was winderig en het sneeuwde en in geen enkele richting was iets te zien. De zomer was voorbij, dat was duidelijk.

Gesloten kindergraf der Netsjilli-Eskimo’sGesloten kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s

Gesloten kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s

Op een van die vervelende wachtdagen probeerden we het met de jacht en schoten een rendierkoe en haar kalf. Dit jachtgeluk maakte den goeden Talurnakto opgewonden van plezier, en hij sprong van het eene been op het andere als een klein kind. De boottocht was dus volkomen mislukt. Of wij op de plek, waar we nu waren, of in onze eigen Gjöahaven een dépôt aanlegden, kwam vrijwel op hetzelfde neer. Wij legden dus zooveel, als we dragen konden, ter zijde en metselden het overige met steenen toe, stulpten de boot erover heen en begaven ons op den terugweg naar Ogchoktu. In rechte lijn hadden we 25 mijlen te gaan, maar als we alle hoeken en bochten meerekenden, dan hadden we met de boot meer dan 50 zeemijlen afgelegd. Wij hadden drie dagen noodig, om geheel in de Schwatkabocht te komen, maar wij moesten vaak heen en weer gaan. Hier sloegen wij de tent op en lieten die staan, toen we den volgenden morgen naar de Gjöa teruggingen. We wilden later in de baai op de rendierjacht gaan en lieten daarom ook onze voorraden achter. Het ijs begon vast te worden; maar het was nog niet sterk genoeg, om ons te dragen.

Geopend kindergraf der Netsjilli-Eskimo’s.Geopend kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s.

Geopend kindergraf derNetsjilli-Eskimo’s.

In de Gjöahaven was alles monter en gezond. Den 9denSeptember waren de luitenant en Hansen van hun lang uitstapje met goed succes teruggekeerd. Ze hadden hun doel, kaap Crozier, bereikt en het dépôt daar aangelegd. Het smalste deel der Simpsonstraat was nu, zoo goed het ging, onderzocht. Het vaarwater tusschen het eiland Eta en King Williamsland was zoo vol ondiepten, dat het eigenlijk feitelijk afgesloten was. Het zuidelijke vaarwater tusschen Eta en het vasteland van Amerika was, zoowel op den heen- als op den terugweg met ijs gevuld geweest. Maar die ijsbergen waren zoo groot, dat er de zee diep genoeg moest wezen voor ons schip. Kon het ijs door die straat heen komen, dan zou de Gjöa met groote voorzichtigheid hetzelfde kunnen doen. Dat was een bijzonder belangrijke ontdekking; de Noordwestelijke Doorvaart was dus daar niet afgesloten.

Met de jacht zag het er in dezen herfst van 1904 twijfelachtig uit. In Ogchjoktu was nog geen grootere rendierkudde gezien; hoogstens hier en daar een alleen rondtrekkend dier. Hansen en Lund waren tijdens mijn afwezigheid met de dorry op jacht geweest, maar zonder veel geluk. Buitendien had hen het ijs verrast, zoodat ze de dorry aan land hadden moeten trekken en over land hadden moeten terugkeeren.

We hadden dus nu twee booten in het open veld staan. Om nu voldoende voorraden voor den aanstaanden winter te krijgen, besloot ik, zoodra het ijs vast genoeg zou zijn, naar alle zijden jachtexpedities uit te zenden. De Eskimo’s hadden wel beloofd, ons bij hun terugkeer vleesch te brengen, en ze zouden, zooals we wisten, met het terugkeeren van het ijs komen, maar ik wist niet in hoever ze betrouwbaar waren, en durfde mij niet op hen te verlaten.

Wij voerden allerlei verbeteringen aan Villa Magneet uit, volgens de ervaringen van den vorigen winter. Het dak werd met zoden aarde bedekt, bijna het geheele huis onder zand gezet en een uitstekende ventilatie ingericht.

Het bleek, dat de winter zijn intocht kwam doen; de koude nachten, de beginnende sneeuwval en de in troepen wegtrekkende vogels waren onbedriegelijke teekenen. De zomer was koud en onvriendelijk geweest; we hadden haast geen open water voor scheepvaart gehad. Dus moesten we onze hoop op beter weêr in het volgend jaar stellen.

In den nacht van den 1stenSeptember vroor alles toe. Onze tweede winter was begonnen.

Op denzelfden dag, waarop het in ernst vroor, verschenen ook de Eskimo’s weer, en de eerste was onze oude vriend, de Uil, met zijn gezin. De laatste weken had hij met eenige andere familiën aan de jacht op rendieren en aan de zalmvisscherij gedaan bij Peel Inlet, aan de oostkust van King Williamsland. Die familiën hadden hoofdzakelijk gevischt en in de beek, die zich in Peel Inlet uitstort, hadden ze verbazend veel zalmen buitgemaakt. Over het algemeen is hier in de rivieren een rijkdom aan zalm, als wel nergens elders. De Uil had ook een groote menigte rendieren gezien en twintig stuks geschoten, waar hij ons de bouten van afstond.

Hij vertelde mij, dat hij op den weg naar het Zuiden een Oglugi-Eskimo had ontmoet, die Tamoktuktu heette en die met zijn gezin in een van ijs gebouwdehut aan den voet van den Wiikheuvel woonde. Daar ik nog nooit een hut van ijs gezien had, ging ik den dag daarop op weg, om die te bekijken. Met den Uil kwam ik er. De hut was gebouwd van acht vierkante ijsblokken van een meter lengte en breedte en een halven voet dikte. De kanten waren tegen elkaar gezet en de blokken waren samengevoegd met een mengsel van ijs en sneeuw, dat een uitstekend bindmiddel is. Rendiervellen vormden het dak. Ik vond de heele familie te huis. Pocjarlu, Tamoktuktu’s vrouw, zat dik en vergenoegd op den achtergrond op een paar huiden. Om haar heen lagen beenderen en vischresten verspreid en vóór de hut lagen een menigte forellen. Het was te laat in het jaar, om nog visch in orde te maken en zoo werden de gevangen visschen alle in bevroren toestand bewaard.

Tamoktuktu was op het punt, op de vischvangst uit te gaan, en ik mocht hem vergezellen. Zijn gereedschap bestond uit een kakiva of harpoen en een snoer van rendierpeezen, waar eenige kleine, schitterend gepolijste stukjes been en blik aan hingen. Zijn oudste zoon ging mee; hij sleepte een grooten steen achter zich aan. Vlug gingen we naar het water, dat de Ristvedtplas was genoemd en waar de vischvangst zou plaats hebben. Spiegelglad en glanzend lag het ijs op het water, en men kon elken steen en ieder levend wezen eronder onderscheiden. Tamoktuktu koos een geschikte plek, nam zijn zoon den steen af en hakte er een gat mee in het ijs. Toen hij er doorheen was, maakte hij de opening met zijn mes schoon en hing toen het snoer erin. Dadelijk stroomden de kleine forellen toe, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, snuffelden aan de vele geheimzinnige voorwerpjes en werden door den oplettenden Tamoktuktu vlug gespietst.

Kampement van Netsjilli-Eskimo’s op King Williamsland.Kampement vanNetsjilli-Eskimo’sop King Williamsland.

Kampement vanNetsjilli-Eskimo’sop King Williamsland.

Onderwijl was de Uil bij Poojarlu in de hut gebleven; ze hadden met elkaar vriendschap gesloten en ik zag duidelijk, dat de Uil iets op het hart had. Jawel, hij had aan de schoone beloofd, mij voor haar om den inhoud van het laatst geschoten rendier te verzoeken! Ik beloofde dien en gaf den Uil vergunning, de maag terstond te halen.

Het wonen in de tent was nu al minder aangenaam geworden. Het tentdoek lag vol sneeuw en als er binnen gestookt werd, smolt die en maakte alles vochtig. Daarom besloot ik de tent in te bouwen, en met medewerking der Eskimo’s haalden we uit den naasten plas acht ijsplaten van een halven voet dik, elke drie voet breed en evenzoo lang. Die zetten we om de tent, metselden ze met een ijsbrij samen en dekten het dak met rendiervellen. Het huis was klaar; maar het voldeed niet aan de verwachting, want de rijp drong binnen en het was steeds, alsof het van het dak sneeuwde. Toen bouwden mij mijn Eskimo’s een echte winter-iglu. De familie van den Uil en die van Talurnakto woonden in een slot van ijs, dat hoog was en ruim en vol jachttrofeeën. Het bouwen werd steeds ter hand genomen, als het geen weêr was om te jagen.

Den 2denOctober keerde ik weer naar de Gjöa terug en liet Ristvedt mijn plaats in de tent innemen. Op den terugweg trof ik het spoor van een berin met twee jongen, die nog heel klein moesten geweest zijn. Zij trokken naar het Zuiden, naar warmer streken. Het was het eerste berenspoor, dat wij in de buurt van onze haven zagen.

Toen ik aan boord kwam, was Umiktuallu, de moordenaar van zijn pleegzoon, van het amerikaansche vasteland gekomen. Van zijn kajak uit had hij 35 rendieren geschoten, en hij beloofde, ons het vleesch te brengen, zoodra het ijs goed begaanbaar was. Dat gaf een heerlijke aanwinst bij onzen nooitzeer grooten voorraad. Umiktuallu berichtte ook, dat groote rendierkudden langs de Todd-eilanden over het ijs trokken.

Een nieuwtje hield onze nieuwsgierigheid in die dagen gespannen. Umiktuallu had een Kilnermiun-Eskimo, dat is een Eskimo van den stam die aan de Coppermine-rivier woont, ontmoet en vernomen, dat eenKablunaof blanke in Maart met een Eskimo-gezin een bezoek had gebracht aan de Eskimo’s van de Coppermine. Later bleek, dat dit bericht volkomen met de waarheid overeenstemde, zooals men zal zien.

Nu besloten wij, ons jachtgeluk in het Westen te beproeven, waar Umiktuallu de vele rendieren had gezien. Daarom reisden Lund en Hansen met Umiktuallu naar het Westen, voorzien van sleden, vijf honden en proviand voor veertien dagen.

Van Ristvedt kreeg ik een brief door een Eskimo-koerier, waarin hij mij meedeelde, dat hij het kamp verlegd had naar den noordelijksten heuvel, waar hij sporen van groote rendieren had ontdekt. Over het geheel waren er in dat jaar 1904 veel van die dieren; maar ze hadden de ijstoestanden rondom het eiland Eta gunstig gevonden, en dus kwamen ze op hun trek niet dicht bij ons. De rendieren waren in dit jaar dik en vet in tegenstelling met het vorige jaar. Maar zoo dik als de rendieren op Spitsbergen werden ze hier echter niet; doch dat is ook werkelijk wonderlijk, hoe de broodmagere rendieren op Spitsbergen in den loop van den zomer zich vetmesten en spekkussens krijgen van verscheiden duimen dik. Ook sneeuwhoenders trokken thans in groote scharen voorbij en wij hielden er zooveel van terug, als we maar konden.

De 15deOctober was een zeer drukke dag in de haven, want al onze jagers en vier Eskimofamilies kwamen tegelijkertijd. Lund en Hansen hadden negen rendieren gedood, die ze in een sneeuwhut ingemetseld hadden en later aan boord brengen wilden. Het afhalen werd echter uitgesteld, en toen wij eindelijk in den winter het vleesch wilden halen, was het door de Oglugi-Eskimo’s gestolen. De geheele, door ons zelven bijeengebrachte, vleeschvoorraad bestond uit twintig rendieren; visschen hadden wij in het geheel niet. Maar later voorzagen ons de Eskimo’s ruim van visch en vleesch. Het waren daarin betrouwbare menschen, en als ze beloofd hadden vooraad te brengen, hielden ze woord.

Door den terugkeer der Eskimo’s kreeg onze haven weer een levendig aanzien. In groote troepen kwamen ze meestal des avonds aan boord, om ons te begroeten, oude vriendschap te vernieuwen en nieuwe vrienden voor te stellen. Monter en vroolijk waren ze altijd, en wij waren goede buren samen.

Tot hier toe heeft men altijd gedacht, dat de lucht in de poolstreken volkomen zuiver was en vrij van bacillen. Maar daaraan mag voortaan wel getwijfeld worden, ten minste wat de streken om King Williamsland betreft. Zooveel is zeker, de Eskimo’s worden in het najaar door een ware verkoudheidsepidemie aangetast. Een paar van hen werden zoo hard ziek, dat ik voor longontsteking vreesde. Daar bijna ieder van hen de ziekte kreeg, moest er wel aan besmetting worden gedacht. Wij op de Gjöa bleven gelukkig vrij, maar wij namen ook onze voorzorgsmaatregelen. Tegen het spuwen hadden we een zwaren strijd te voeren. In dat opzicht zijn de Eskimo’s al zoo erg mogelijk, en nu in den tijd van de verkoudheden was het natuurlijk vreeselijk. Onder onze leiding werd het wel beter.

Omdat ik graag het groote Eskimokamp, dat er bij Navjato moest zijn, wilde leeren kennen, en daar ik ook visschen wilde inruilen, ging ik op weg naar het kamp en nam Helmer Hansen mee. Den 23stenOctober vertrokken wij met drie Eskimogezinnen, die denzelfden weg gingen. Ter afwisseling gebruikten we ski. Nog was de sneeuw niet vast aaneengebakken en de temperatuur was niet beneden 25 graden vorst, dus voor een skitocht zeer geschikt. Des avonds om half vijf bereikten wij, vijftien zeemijlen van het station verwijderd, den top der “Ellinghoogte.” Hier vonden wij een oude iglu, die wij den naam gaven van “Hotel Ellinghoogte.”

Met mijn vriend Poieta en zijn vrouw namen wij vieren de oude iglu in bezit, en met de hulp van mevrouw Nalungia was het er spoedig licht en warm. Na den maaltijd en een klein praatuurtje gingen we te bed. Natuurlijk schreeuwde de zuigeling nu en dan en moest dan tot rust gebracht worden; mij hinderde de stoornis, maar Hansen had er behagen in, want die nachtelijke kinderkamergebeurtenis herinnerde aan het verre thuis en aan zijn Nalungia.

Den volgenden morgen togen we in zuidelijke richting naar de Simpsonstraat op weg. Eerst om vier uur hadden wij Navjato bereikt en vonden tot onze verbazing in het geheel niet meer dan tien hutten, veel minder dan we hadden verwacht. Wij werden door onze oude vrienden, die hier kabeljauwen wilden vangen, zeer vriendelijk ontvangen.

Navjato of Novo Terro, zooals de Eskimo’s zeggen, heeten de oevers van een klein meer, dat eenige zeemijlen ten zuiden van Point Richardson ligt. Navjato is niet zeer ver van de Hongerbaai, die zoo genoemd wordt, omdat men er geraamten van een groot deel van Franklin’s gezellen vond, en men neemt aan dat ze hier op den weg naar het Zuiden van honger zijn omgekomen. De ironie van het noodlot wil, dat juist deze plek zulk een naam draagt, want het is een der mooiste en rijkste punten van de noordkust van Amerika. In de lente, als het ijs van den oever loslaat, vangt men hier tallooze vette zalmen. Iets later komen groote en vele kudden rendieren en blijven den geheelen zomer. In den herfst kan men kabeljauwen in ongetelde menigten vangen. En juist hier, in dit arctische Eden, moesten die koene reizigers uit gebrek aan levensmiddelen ten gronde gaan! Maar ze waren hierheen gekomen, toen het vlakke land met sneeuw bedekt was, en ze waren doodop van inspanning, uitgeput door ziekte en hadden er halt gehouden. Geen enkele afwisseling bood het eentonige, vlakke land, overal met sneeuw bedekt; geen levende ziel kwam hun tegemoet, om hen terecht te helpen en hulp te verschaffen. En over de geheele aarde zal men lang moeten zoeken, eer men een tweede plek vindt, zoo verlaten als deze in den winter.

Toen eindelijk de zomer kwam en in den korten tijd van verlossing van het juk van den winter millioenen bloemen op de velden gingen bloeien,toen alle wateren glinsterden en alle beken kabbelden, toen het van vogels wemelde, die met vroolijk gekweel nesten bouwden, en de eerste rendierbok aan den rand van de open IJszee opdook, toen wees een hoop verbleekte steenen de plaats aan, waar de laatsten van Franklin’s dappere schaar hun laatsten zucht hadden geslaakt, in het laatste bedrijf van dit groote treurspel.

Op deze plek, waar zooveel treurige herinneringen aan verbonden zijn, bewogen zich nu de Eskimo’s vroolijk en levendig, voordat de lange nacht aanbrak, die met zware hand licht en leven in deze streken uitbluscht. Ze haalden uit een diepte water van drie of vier vadem groote menigten kabeljauwen, en maakten daarbij gebruik van snoeren van rendierenpeezen en een krommen spijker. Op den namiddag van mijn aankomst werd mij een spartelende kabeljauw vereerd, die dadelijk naar den kookpot verhuisde! Na onzen langen, inspannenden marsch genoten we onzen verschen kabeljauw met vreugde en dachten aan een vaderlandschen fjord in Noorwegen op een mooien zomeravond...

Maar eigenlijk waren we minder hierheen gekomen om kabeljauw te eten, dan om kabeljauwen te koopen, en de volgende dagen werden dan ook aan de zaken gewijd. Buiten op het witte ijs beproefde ik mijn geluk met de vischvangst, maar zonder bijzonder goed resultaat. Wij hadden verder een paar onaangename dagen in Navjato. Het was steeds nevel en wind en min 25 graden. In het voorjaar en den herfst voelt men de koude het meest, zelfs als ze in den winter veel heviger is, wat wel samenhangt met de kleeding, die er dan nog niet recht op is ingericht. De Eskimo’s waren van den morgen tot den avond op de jacht en bezig met de vischvangst, vooral voor het verkrijgen van voorraad voor den winter.

Toen wij na eenige dagen Navjato verlieten, waren onze sleden hoog beladen met visch. Verscheiden Eskimo’s vergezelden ons op den terugweg, en onder hen was onze oudste en beste vriend Teraiu. Hij had ons uitstapje naar Kaa-aak-ka niet vergeten, en kwam nu bij zijn zware verkoudheid, om een middel ertegen, bij ons. Onderweg hoestte hij erg en spuwde ook bloed. De oude Auva zat, toen we vertrokken, bij het vuur en leed aan een ernstig maaglijden; ze stierf een paar dagen later.

Op een der Todd-eilanden brachten wij den eersten nacht door in een oude sneeuwhut. Ook op deze eilanden had men eenige geraamten en andere sporen van de Franklin-expeditie gevonden. Teraiu vertelde, dat hij indertijd al van de blanke mannen, die hierheen gekomen waren, had hooren vertellen. Op het eiland, waar we overnachtten, liet hij mij een groot, plat rotsblok zien, dat ter herinnering aan de dooden was opgericht. De Eskimo’s noemen dit eiland Keuna.

Toen wij met een groote slede vol versche, bevroren kabeljauwen aankwamen, werden we natuurlijk met geestdrift ontvangen!

Naar de ervaringen van den vorigen winter hadden wij ons gericht voor de verbeteringen op deGjöa. Het winterdak over het schip heen was nu beter in orde, en we maakten er een bewegelijke deur in, waardoor wij als in een huis uit en in konden gaan. Dat had ook nog een ander voordeel; wij konden ons nu de Eskimo’s beter van het lijf houden, wat soms zeer noodig was. Des avonds sloot en grendelde luitenant Hansen de deur, en wij zaten dan veilig binnen, als in een vesting. We richtten ook een bad in en hadden al gauw beneden in het ruim ons eigen stoombad. De luitenant en ik maakten er in dezen winter druk gebruik van; het werkte uitstekend en werd voor ons al gauw bij het leven in de enge ruimte en in de zware kleeding onontbeerlijk. Een kleedkamer konden wij ook niet ontberen, maar we gebruikten er een omgekeerde boterton voor. Wat lastig was, dat was de koude douche, die wij iederen keer kregen door den rijm, dien de bevroren damp vormde en die dan smolt en op ons neerdroop.

Luitenant Hansen was vol geestdrift voor het bad en maakte er electrisch licht bij, drie lampen wel! Ja, hij ging nog verder en richtte ook op het dek electrische leidingen in. Men zat dan recht genoegelijk in de kajuit, drukte op een knopje, en—ja, dan moest het licht wezen. Maar het werd niet licht. De eenige fout in de leidingen van luitenant Hansen was, dat ze geen licht verschaften. Wij moesten weer in donker baden. Maar men moet niet meenen, dat de luitenant een slecht electrotechnicus was. O neen! Maar zelfs de beste electrische ingenieur kan niet uit niets, uit zeer ongeschikt materiaal iets zóó maken, dat hij maar heeft te zeggen: “Het zij licht!” Wij waren anders vaak genoeg trotsch op wat we met onze weinige hulpmiddelen uitrichtten.

Een vraag, die wij ons nu en dan stelden, was deze, hoe wij ons in geval van nood tegen de Eskimo’s konden verdedigen, ingeval ze wat in het schild voerden. Er was nu een groote menigte rondom ons verzameld, en als zij nu eens een slechte jacht hadden, hoe gemakkelijk konden ze dan onze proviandtent openbreken. Wij moesten hun dus behoorlijk respect inboezemen, en eindelijk werd het middel daartoe gevonden. Onder een sneeuwhut, op vrij grooten afstand van deGjöa, werd een mijn gegraven, die verbonden werd met het schip door een onder de sneeuw verborgen leiding.

Toen dat gebeurd was, lieten wij de Eskimo’s samenkomen aan boord. Ik hield voor hen een voordracht over de macht van den blanken man; zei, dat wij van een grooten afstand uit verdelging konden brengen en over het algemeen de wonderlijkste dingen tot stand brengen. Dus was het voor hen van groot belang, dat ze zich fatsoenlijk hielden, omdat ze anders zich den toorn der Kabluna’s of blanke menschen op den hals haalden. Als zij daarginds aan den wal booze dingen zouden willen uitrichten, bij voorbeeld bij die sneeuwhut daar in de verte, dan zouden wij rustig en wel aan boord blijven en enkel maar zóó doen.... Met een vreeselijk geknal vloog de sneeuwhut in de lucht, en een sneeuwwolk stoof omhoog.

Dat was volkomen genoeg! Meer was er voor langen tijd niet noodig.

Op Zondag 20 September zaten wij juist aan het tweede ontbijt, toen tot onze groote verbazing ons een geheel vreemde Eskimo een bezoek bracht. Reeds de manier, waarop hij binnentrad, wees erop, datonze gast zich in de “wereld” had bewogen. Zijn kleeding verschilde van die van den Netsjillistam. Onze verwondering verminderde niet, toen de man in een, zoo al niet juist, toch volkomen verstaanbaar Engelsch zei: “Give me ’moke!”

Wij gaven hem tabak en een pijp, en hij stopte die op sierlijke manier. Toen stelde hij zich voor:

“Mister Atangala!”

Het begon interessant te worden! Ik bekeek hem oplettend en wachtte wat nu zou volgen. Maar hij wekte mij uit mijn gepeins en deed mij verstaan, dat nu van mij de volgende stap werd verwacht, door te zeggen:

“Mag ik vragen, Mijnheer, hoe uw naam is?”

Ik kreeg een kleur om mijn gebrek aan wellevendheid, boog en noemde mijn naam. De voorstelling was afgeloopen, en nu was hij blijkbaar tevreden. Hij beduidde mij, dat zijn familie buiten op het dek was en ik maakte mijn gebrek aan wellevendheid van zooëven weer goed, door dadelijk de familie binnen te noodigen. Zij verscheen terstond. De vrouw was een groote, donkere verschijning van echt Eskimotype, Kokko geheeten, en ongeveer veertig jaar oud. Haar zoon schatte ze op tien jaren; hij was een eerste bengel.

Vertrek van een excursie per kajak.Vertrek van een excursie per kajak.

Vertrek van een excursie per kajak.

Atangala vertelde, dat hij en zijn gezin drie blanken van Chesterfield Inlet in de Hudsonsbaai naar de Coppermine hadden begeleid. Dit bevestigde dus het bericht van Umiktuallu, ons zes weken geleden gebracht. Van de Coppermine had Atangala zich huiswaarts gewend, en toen hij hoorde, dat er een schip in Ogchoktu lag, besloot hij ons te bezoeken, ofschoon de afstand een paar honderd zeemijlen bedroeg, en te onderzoeken of hij ook zaken met ons zou kunnen doen. Hij blufte van belang, beweerde dat hij kon schrijven, en op zijn verlangen brachten we hem potlood en papier. Zijn bedrevenheid in de edele schrijfkunst was niet overweldigend. Met ongeloofelijke inspanning bracht hij zijn naam op papier. Hij vertelde, dat hij een paar jaren geleden met een amerikaanschen walvischvanger van de Hudsonsbaai over land naar Winnipeg was gegaan, en van zijn verblijf aldaar kende hij nu alle uitvindingen van den nieuweren tijd, telefonen, spoorwegen, electrisch licht en—whisky. Voor de laatste had hij groote belangstelling, en hij vroeg er steeds naar. Ik beproefde hem uit te leggen, dat de anti-alcoholbeweging het allernieuwste was op dat gebied, maar daar wilde hij niets van weten. Ten slotte smeekte hij om brandewijn. Maar hij kreeg geen drank. Voor ons was het bericht, dat bij Katiktali of kaap Fullerton twee groote schepen lagen, van het grootste belang. Mij kwam het terstond in den zin, of wij misschien door die beide schepen een postverbinding met de buitenwereld konden krijgen. Dus vroeg ik den heer Atangala, of hij bereid was, voor postillon te spelen en hij scheen er niet tegen te hebben.

De Gjöa in het ijs te Port-Gjöa.DeGjöain het ijs te Port-Gjöa.

DeGjöain het ijs te Port-Gjöa.

Op de zalmvangst.Op de zalmvangst.

Op de zalmvangst.

Ieder was nu ijverig in de weer met brieven te schrijven. De post zou binnen een paar dagen vertrekken, en men moest zien, gauw klaar te komen. Atangala was nog steeds gast aan boord, en hij scheen het naar zijn zin te hebben. Maar zijn honden zagen er slecht uit; ze leken magere wolven en liepen snuffelend rond. Het was een naar gezicht; maar wat konden wij doen? We hadden voor onze eigen honden niet genoeg, laat staan voor vreemde.

Den 28stenNovember was de postslede gereed en trots wind en sneeuwstorm vertrokken de postillons om elf uur in den voormiddag. Ik had het voor het veiligst gehouden, Talurnakto mee te zenden, want ik kende immers Atangala niet; misschien was hij wel een der grootste deugnieten.

Het was een dwaas gezicht, hoe Talurnakto zich met de opdracht, die hem toevertrouwd was, in zijn schik voelde. De brieven, die geadresseerd waren aan de “Schepen bij kaap Fullerton,” droeg hij in een tasch aan een riem over den schouder. Ik zag wel, dat een spotachtig lachje om Atangala’s mond speelde, maar begreep eerst later, wat dat beduidde. De beide Eskimo’s trokken dus weg en waren spoedig in een sneeuwwolk uit ons gezicht verdwenen.

Als een expeditie in de wereld van het poolijs zal gelukken, is het een eerste vereischte, dat alle leden ten allen tijde volop werk hebben, en de plicht van den leider is het, de indeeling van het werk te maken, wat echter in lange perioden wel eens moeilijk onafgebroken vol te houden is. Ledigheid werkt altijd demoraliseerend, en dat alleen is al reden genoeg om op een poolreis niet te veel menschen mee te nemen. Enkele menschen kan men altijd wel aan het werk zetten, maar een grooter aantal altijd bezig te houden, is bijna onmogelijk. Voor mij was het geen moeilijke taak, want mijn kameraden kwamen mij altijd halfweg tegemoet. Als ik niet wat uitvond, kwamen ze zelf met hun plannen. Lund genoot de hoop van een groot uitvinder te wezen op allerlei gebied. Als ik met een denkbeeld bij hem kwam, werd het dadelijk uitgevoerd. Alleen moest hij soms, als er smeedwerk moest worden verricht, Ristvedt te hulp roepen. Maar als dan ook de smid Ristvedt en de architect Lund samenwerkten, was er niets onmogelijk.

Van Godhavn hadden wij een menigte vuurvaste baksteenen meegebracht, waarmee wij onze petroleumkachels ommetselen wilden, om de warmte langer te kunnen bewaren. Nu had ik al lang over de beste manier om van die steenen gebruik te maken nagedacht en wendde mij ten laatste met die vraag tot Lund. Wij overlegden en kwamen toen tot de slotsom, dat men, in plaats van de oude kachels in te metselen, even goed een geheel nieuwe kachel kon maken. Lund nam de plannen en de uitvoering op zich. Op denzelfden dag, waarop de post vertrok, verraste hij ons met het voltooide werk. Hij had een van onze groote blikken pakkisten genomen, die in baksteenen ingemetseld en aan de eene zijde een deur erin aangebracht.

Zijn plan was, een van onze groote kooktoestellen, die een verbazende hitte verspreidden, door de deur erin te schuiven en daarmee de kachel te stoken. Als het toestel dan werd uitgedaan, zou de warmte door de steenen nog lang worden vastgehouden. Dat klonk prachtig en met mij verheugde zich de luitenant al op de warmte in onze kajuit. Wij keken met de grootste belangstelling naar het zetten van de kachel. Toen die goed op haar plaats stond, werd het toestel aangestoken en erin neergezet.

Luitenant Hansen zat ijverig over allerlei berekeningen, en ik was aan mijn eigen werk. Het toestel had nog niet lang gebrand, toen mij een eigenaardige, scherpe, doordringende geur in den neus kwam. Snel keek ik naar den luitenant, om te zien of hij ook wat merkte; maar hij zat onbewegelijk over zijn cijfers gebogen. Ik zei dus niets, maar stond op en kleedde mij aan om naar het observatiehuis te gaan en hem alleen de verdere proeven met de kachel overte laten. Het kon mij niet schelen—maar het stonk afschuwelijk!

“Voor den drommel!” viel de luitenant plotseling uit en wierp zijn potlood weg. “Wat is dat hier voor vuiligheid?”

Ik was de deur al uit en liet den luitenant in een dikken, verstikkenden walm, waarvan de reuk de herinnering wakker riep aan alle honden, zoowel de Godhavnhonden als de Gjöahonden. Het kwam namelijk doordat de baksteenen onbeschut buiten hadden gelegen en wel op de plek, waar de honden zich graag ophielden. Men kan zich nu wel voorstellen, wat de uitwerking moest wezen van ons verwarmingstoestel op die steenen!

Toen ik al ver weg was op den weg naar het observatorium, hoorde ik een geweldig spektakel aan boord. Ik kon wel raden wat het was. Lund’s zinrijke kachel werd eruit gesmeten.

Nu hadden wij niets meer dan de herinnering eraan; maar die zat dan ook vervloekt lang in de wanden!

Où est la femme?!Zelfs hier in de sneeuwwoestijn moet men vaak dezen noodkreet van de menschheid uitstooten, of liever gezegd er de oorzaak in zoeken van der menschen misslagen en dwalingen. Umiktuallu, die nog altijd op de vischvangst in Navjato was, kwam bij ons aan boord, om onze honden voor een paar dagen te leenen. Hij vertelde, dat Talurnakto in Navjato de post aan Atangala had gegeven en met een Eskimovrouw naar het zuiden was getrokken. Als echtgenoot nommer twee namelijk. Dat was echter, zooals ik uitdrukkelijk verklaar, de eenige onbetrouwbaarheid, die wij van deNetsjilli-Eskimo’servoeren.

Umiktuallu zei ook nog, dat een ons bekende jonge vrouw in het kraambed gestorven was. Dat was het tweede sterfgeval in den winter.

De Eskimo’s stroomden thans in December in grooten getale in onze haven binnen. De vischvangst in Navjato en de andere plaatsen was geëindigd. Voor zoo ver we hen begrepen, wilden ze nu tot na Kerstmis rustig in Ogchoktu blijven. Zeker verleende onze tegenwoordigheid aan de plaats een groote bekoring. Een groot aantal van de Eskimo’s bedelde dadelijk om eten. Er waren lieden onder, die voor zich en de hunnen meer dan genoeg wintervoorraad hadden, maar anderen hadden weinig, deels uit ongeluk, deels uit luiheid. Voor ons was het volstrekt niet aangenaam, al dat bedelvolk bij ons te hebben, en wij moesten telkens beslist weigeren, daar we toch niet voor al die menschen voedsel hadden.

De meeste Eskimo’s bouwden hun hutten in het Sälanddal, en het kamp zag er belangrijk genoeg uit.

Wij hadden nu den donkersten tijd van het jaar, waarin de zon den geheelen dag onder den horizon blijft. Wij moesten dus aanhoudend licht branden. In verband met dien “langen nacht” had ik extra-patentlampen meegenomen, waarin de verhitte petroleum als gas brandde, waardoor een zeer sterk licht verkregen werd. Maar reeds den eersten winter hadden deze lampen vaak niet goed gebrand en veel moeite gegeven. In dezen winter gaven ze het geheel op. Lindström, tot wiens departement de lampen behoorden, was wanhopend, en hij gaf zich bewonderenswaardig veel moeite, om de zaak in orde te brengen. Maar ten laatste moest hij zich overwonnen geven, en de geheele voorraad lampen werd weggestopt. Ik had een groote fout begaan; in plaats van mij volkomen te verlaten op die lampen, had ik toch ook nog eenige gewone lampen moeten meenemen.

De verlichtingstoestanden waren dus aan het eind van den winter aan boord van deGjöaver van schitterend. Een photografeerlamp, een kompaslamp en twee lantarens, dat was alles, wat we hadden, en daarmee moesten we ons behelpen, zoo goed het ging. Natuurlijk deed Lund de eene uitvinding na de andere in zake verlichting, en zijn toestellen hadden misschien wel een tentoonstellingsprijs verdiend, als ze maar gebrand hadden, maar dat deden ze niet.

Eerst half Januari begon de jacht op zeehonden, en het was hoog tijd geworden voor de aanvulling van de voorraden. Ik geloof haast, dat de Eskimo’s om een of ander oud vooroordeel niet vroeger met die jacht beginnen. De maan moest, naar ik meende te begrijpen, een bepaalden stand innemen, vóór men met de jacht op zeehonden mocht aanvangen. En de maan is hun iets heel heiligs, waarnaar ze ook hun tijd regelen.

Hun bijgeloof zat hun soms leelijk in den weg. Juist in dien tijd gebeurde iets karakteristieks in dit opzicht. Een aantal vrouwen waren bij ons aan boord geregeld met naaiwerk voor ons bezig. Ze kregen er een kleine betaling voor, waar ze zeer mee ingenomen waren. Op een dag verklaarden ze eenstemmig, dat ze niet konden werken. Wij vroegen naar de reden en vernamen, dat de eerste zeehond gevangen was en dat de vrouwen zeehondenvleesch gegeten hadden; dan mochten ze buiten haar eigen huis niet het minste werk doen, eer de zon zoo en zoo hoog aan den hemel stond. Wij wilden haar het dwaze van deze beschouwing duidelijk maken, beloofden haar ook een ruimere betaling, ja, smeekten haar, toch voort te maken met het werk, dat voor ons noodig was. Maar neen, hier stieten we op een muur, waar we met gewone menschelijke bewijsgronden niet konden doorheen dringen. Daar stond of God of de duivel op wacht, en tegenover deze verloochenden de vrouwen hare anders zoo volgzame en toegefelijke natuur. Alleen de oude Navjato was slim genoeg geweest, niet van het zeehondenvleesch te eten. En zij zat nu bij ons aan boord, naaide van den morgen tot den avond en verwierf ons aller hulde.

Den 11den Januari volbracht ik een volkstelling in de Gjöahaven en de omgeving en bevond, dat er achttien familiën met zestig personen waren.

In het midden van Januari 1905 kwam Lindström op een dag met het bericht, dat er conserven gestolen waren van onzen voorraad op het dek. Wij hadden uit het proviandhuis naar boord gehaald, wat we aan levensmiddelen voor den winter noodig hadden, en ze op het dek ondergebracht, waar het droog was. Van het begin af was het mij duidelijk geweest, wat dat voor een verzoeking was voor de Eskimo’s, vooral nu, dat ze bijna niets te eten hadden, en ik vond het nog een wonder, dat er in al dien tijd niets gebeurd was. De Eskimo’s gingen immers dagelijksop deGjöauit en in; een blikje kan in het voorbijgaan gemakkelijk verstopt en in de kleederen geborgen worden. Nu ontbraken er dus eenige blikken. Ik riep den Uil en Umiktuallu en zei hun, dat hun landslui ons bestolen hadden en dat ik volstrekt de schuldigen aangewezen wilde zien.

Zij namen de zaak heel ernstig op; men zag duidelijk, dat ze zich in zekeren zin voor hun stam verantwoordelijk voelden. Ze verlieten mij, en een paar uren later kwamen ze terug en noemden vier of vijf namen van de schuldigen. Het waren alleen Oglugi-Eskimo’s; van den Netsjillistam had geen enkele zich vergrepen. Ik liet de schuldigen halen. Onder hen bevond zich ook Teraiu, evenals zijn broeder Tamoktuktu. Ieder van hen had zich een bus toegeëigend. Ik hield een donderende toespraak en verbood hun van dat oogenblik af den toegang tot het schip. Toen dropen ze druipstaartend af.

Tegen het eind van Januari hadden de Eskimo’s meer geluk op de zeehondenjacht, die hun in het begin niet goed naar wensch was gegaan. Den 1sten Februari gaven allerlei kenteekenen te verstaan, dat de stam ging opbreken; de Eskimo’s begonnen hunnen voorraden naar buiten te brengen op het ijs, en enkele dagen later trokken ze werkelijk weg. Wij voelden ons zeer verlicht, toen wij ze kwijt waren. Het eeuwige gebedel om levensmiddelen was ons zeer lastig geweest.

Nu begonnen voor ons ook de voorbereidingen tot een slede-expeditie, die al lang voor het aanstaand voorjaar ontworpen was. Luitenant Hansen en Ristvedt wilden met elkander de oostkust van Victorialand trachten te bereiken, om van dit land, het eenige dat nog niet opgenomen was in den noord-amerikaanschen archipel, een kaart te teekenen. Zooals vroeger al verteld is, was voor deze expeditie bij kaap Crozier, ongeveer honderd zeemijlen van de Gjöahaven verwijderd, een dépôt aangelegd. Onze eerste zorg draaide nu om de honden. Wij hadden een uitstekend troepje, maar er waren te weinig. De luitenant en Ristvedt deden daarom een uitstapje naar de Eskimo’s, die thans ongeveer twintig zeemijlen op het ijs buiten woonden, en keerden na twee dagen met vier groote honden terug, die ze voor een paar stangen ijzer hadden gekregen.

Die honden waren wel erg uitgehongerd en moesten eerst goed gevoed worden, vóór wij ze in gebruik konden nemen. Maar toen kwam nog de tweede zorg, namelijk het voeder, dat even belangrijk was in dezen als de honden zelf. Ons hondevoêr was opgebruikt. Het eenige, wat wij nog hadden, was menschenpemmikan, en dat zou het niet lang volhouden. Ons pemmikan bestond uit vijftig percent ossenvet en vijftig percent gedroogd en gestampt paardenvleesch. Deze beide stoffen zijn saamgesmolten en in platen van elk een half kilo geperst, zeer gemakkelijk en beknopt in te pakken. De Indianen zijn het, van wie men oorspronkelijk het gebruik van dit proviand heeft geleerd, en alle poolvaarders moeten hun daar dankbaar voor zijn. Het pemmikan smaakt voortreffelijk, neemt weinig plaats in en kan rauw, gebraden of gekookt gegeten worden. Vooral is het van groote waarde op een slede-expeditie. Wij hadden buitendien ook nog een aantal kisten met hondentalg, die nog over waren van de tweede Framexpeditie, en die stof bleek zeer bruikbaar. Ook hadden we een massa havergort en havermeel, dat ongebruikt lag omdat geen van ons er een bijzondere voorliefde voor had. Al die dingen werden aan luitenant Hansen afgestaan, en hij ging er proeven mee nemen. Havermeel met hondentalg smaakte de honden en bekwam hun goed. En zoo vormde hij porties van elk een half kilogram van dat mengsel als dagelijksche maaltijden voor de honden. De bereiding had in het groot plaats; het geheele schip leek wel een gepatenteerde hondenvoerfabriek onder leiding van den directeur Godfried Hansen. Het werk vlotte goed, en weldra was deze heele quaestie opgelost. Daarna werd over de verdere uitrusting gesproken en alles nagezien. Lund zou voor de sleden zorgen, waar heel wat aan te herstellen viel en die van nieuwe schuivers moesten worden voorzien.

Midden in deze toebereidselen kwam het bericht, dat Talurnakto, de verdwenen postillon, in Navjato teruggekeerd was en verzocht, weer in genade te worden aangenomen. Wij hadden hem niet enkel om zijn vlijt, maar ook om zijn goed humeur gemist en vonden zijn misdaad niet grooter dan die van zoo menig man, die er met de vrouw van een ander van door was gegaan; ja, eigenlijk was er minder misdreven, daar in dit geval de geheele familie der vrouw en haar man en kinderen meegegaan waren.

Dus lieten wij hem weten, dat wij hem wilden vergeven en hij zijn vroegere betrekking van “meid alleen” weer kon aanvaarden. Op een avond in Februari werd mij gemeld, dat Talurnakto gekomen was. Hij waagde niet eens, zoo maar bij mij binnen te treden. Ik liet hem halen. Zijn uitzicht was, sinds we hem de laatste maal zagen, zeer veranderd. Hij had het blijkbaar als minnaar niet gemakkelijk gehad. Zijn rond, vergenoegd gezicht was langgerekt geworden en mager, en droeg een uitdrukking van diepen weemoed. Hij had zeker niet enkel aangename herinneringen aan zijn liefdesavontuur bewaard. Al wat hij bezat, zijn mes, en speer, pijp en meer van dien aard, alles was in het bezit der geliefde vrouw overgegaan, of de echtgenoot had ze als vergoeding voor zijn liberaliteit verlangd. De arme Talurnakto kwam volkomen uitgeplunderd van zijn escapade terug.

Den 7denFebruari ondernam luitenant Hansen de eerste slede-expeditie in het jaar. Hij ging naar Kaa-aak-ka en deed er een menigte magnetische waarnemingen. Het was de allervroegste tijd voor eenig werk in de open lucht; maar we hadden veel plannen en moesten haast maken. Maar koud was het, dat het een aard had! Het is merkwaardig, hoe bros en licht breekbaar alle voorwerpen bij zoo strenge koude worden. Zoo was onze goede Lund op een dag juist met de sledeschuivers bezig; de lat van hickory-hout lag op twee verscheiden voet hooge kisten; bij een onhandige beweging liet hij het ding op het dek vallen en het sprong in vele stukken. Hickory is toch het taaiste hout van de wereld; onze schuivers waren van uitstekend amerikaansch maaksel uit Pensecola; maar in deze koude streken is toch esschenhout te verkiezen.

Op een Zaterdagmiddag reed tot onze verbazing onze met vijf honden bespannen slede de haven binnen en hield met een mooien zwaai voor deGjöaop,maar er was geen koetsier. Toen kwam kort daarna van de “Magneet” het bericht, dat er op het ijs een zwarte stip was te zien. En na een poosje kwam Talurnakto hijgend en blazend aanloopen; hij was van de slede geworpen, en de honden waren er van door gegaan en hadden alleen het huis opgezocht.


Back to IndexNext