Chapter 6

Een getatoeëerd Eskimobeen.Een getatoeëerd Eskimobeen.Eens kwam de Uil met een anderen Eskimo aan boord en vertelde, dat eenige Oglugi-Eskimo’s onze proviandtent hadden bestolen; ze brachten een ongeopende boterbus mee, die ze hadden opgeraapt. Bij onderzoek bleek, dat een vierde kist sledebrood, tien platen pemmikan en de bovengenoemde boterbus ontbraken. Als we er niets van vernomen hadden, zou de diefstal waarschijnlijk nooit zijn uitgekomen, want de dieven hadden alles weer in goede orde gebracht. En ze hadden het niet te erg gemaakt. De oude Teraiu en zijn broeder Tamoktuktu hadden aan de spits der onderneming gestaan, die in den vroegen morgen haar slag had geslagen. De Uil kreeg ter belooning voor zijn eerlijkheid een groote bijl, de ander een mes. Toen ze het schip weer verlieten, droeg ik hun een groet op voor de dieven en liet hun zeggen, dat zoo een van hen het in zijn hoofd mocht halen, zich ooit weer in Ogchoktu te vertoonen, dat hij dan op de plaats zou worden doodgeschoten. Op denzelfden avond legde Ristvedt een kleine mijn aan bij de deur van het proviandhuis, die zoo ingericht werd, dat ze op hetzelfde oogenblik ontplofte als de deur openging. Het was een ongevaarlijk ding, maar zou voldoende zijn, een nieuwe inbrekerspoging te verhinderen.In dezen tijd haalden we ook de beide booten binnen, die we in het open veld hadden achtergelaten; er was geen schade aan te bespeuren.Een getatoeëerde Eskimoarm.Een getatoeëerde Eskimoarm.Telkens kregen we bezoek van de Eskimo’s die ons in Februari hadden verlaten, om op de zeehondenjacht te gaan. Wij beantwoordden de bezoeken ook te zijner tijd. Van den eerbied, dien wij hun inboezemden, kregen we in dien tijd een schitterend bewijs. De Itchjuachtorvik-Eskimo’s hadden, toen wij in den vorigen winter op weg naar de magnetische pool waren en aan de noordkust van Boothia Felix een dépôt hadden geplaatst, een slede met proviand gestolen. In dit jaar nu kwamen ze en leverden de slede weer in, omdat ze vreesden, dat wij hun iets kwaads zouden aandoen. Zij bleven op eerbiedigen afstand en zetten de slede bij het kamp der Netsjilli-Eskimo’s op het ijs neer. Hun angst moet werkelijk zeer groot geweest zijn, als ze een zoo kostbaar voorwerp als een slede terugbrachten. De slede had wel veel geleden, maar onder Lund’s kundige behandeling werd ze hersteld en was daarna nog sterker dan te voren.Niet zelden kwamen de Eskimo’s ons ’s avonds bezoeken. Ik had dan medelijden met hen in die vreeselijke koude en noodigde hen uit, bij ons te overnachten. Ze mochten in de kajuit bij den luitenant en mij slapen. Wij hadden soms tot dertien slaapgasten aan boord. Zij legden zich eenvoudig op den grond en dekten zich met een rendiervel toe, dicht aaneengesloten als haringen in een ton. De anderen in de voorkajuit weigerden, zulke gasten op te nemen; ze trokken de neuzen op en beweerden, dat de gasten een naren reuk achterlieten. Nu vond de luitenant evenmin als ik, dat het juist naar eau de Cologne, viooltjes of versch gemaaid hooi rook, als de Eskimo’s ’s avonds hun groote kaplaarzen uittrokken; maar wij voelden, dat we met dit offer op goedkoope en goede manier de echte gastvrijheid uitoefenden.In den loop van den winter stichtten luitenant Hansen, Wiik, Ristvedt en ik een verbond, welks leden zooveel mogelijk alle voortbrengselen van het land zouden proeven. Ristvedt werd tot vereenigingskok benoemd, daar Lindström zich liever in zee wilde storten dan zulke vuiligheid klaar te maken. Een gebraden vos, waaraan de vereeniging zich des avonds te goed deed, had onzen kok aan den rand van den waanzin gebracht en hij verklaarde, dat wij de grootste vuiliken van de wereld waren. Maar de vereeniging beweerde eenstemmig, dat een vossengebraad het fijnste gerecht was, dat ons ooit aan boord was voorgezet. Het vleesch der meeste vossen, die hier in menigte waren, smaakte ook werkelijk zeer goed, het deed aan hazenvleesch denken. Wij beproefden het ook met andere gerechten, als rendiermagen, zeehondvinnen en dergelijke.De winter was nu voorbij, en naar het scheen stond de lente voor de deur. Bij het vorige jaar vergeleken, was er een groot onderscheid merkbaar. Toen hadden we op het eind van Maart ongeveer 45 graden Celsiusonder nul gehad, en in dit jaar daarentegen slechts acht graden. Dat was een goed voorteeken voor den zomer, die zoo groote beteekenis voor ons had.Al het winterwerk was nu voorbij, en het station weer omgeven door een kring van observatoria. Onze reizigers, die met de slede naar het Noorden wilden gaan, konden vertrekken zoodra het mooi weer werd. Deze slede-expeditie had voor 75 dagen proviand bij zich, in de veronderstelling dat het in het vorig jaar bij kaap Crozier opgerichte dépôt in orde was; in het tegenovergestelde geval hadden ze maar voor 50 dagen proviand bij zich.Den 2denApril 1905 brak de expeditie op. Onder wederzijdsch levendig wuiven met de vlaggen gingen ze heen, en, begeleid door onze beste en hartelijkste wenschen, wendden ze zich westwaarts naar Victorialand.Met het vertrek van die expeditie begon naar onze berekening in dit jaar het voorjaar. Wel hadden we later nog een geweldigen sneeuwstorm; maar de koude van den winter was gebroken en keerde niet terug.Er was veel te doen dat voorjaar, want wij zouden opbreken met al ons hebben en houden en verder westwaarts trekken. In Juni 1905 werd na 19 maanden de loop der zelfregistreerende instrumenten veranderd; ze moesten stilstaan, na zoo lang te hebben gewerkt onder Wiik’s leiding. Onze gebouwen werden afgebroken. Alles werd aan boord gebracht, wat daar geschikt voor was, en toen werd deGjöavan onder tot boven nieuw geverfd en geölied. Ook al onze booten ondergingen een groote schoonmaak. Het kon immers wezen, dat wij dezen zomer “menschen” ontmoetten, en dan mocht niemand kunnen zeggen, dat wij, Noren, geen hart voor ons schip hadden. Toen was deGjöaweer net zoo frisch en mooi, als den dag waarop ze de werf verliet.Allen deden mee aan dit werk. Ristvedt en Lund hadden een valreeptrap gemaakt van ijzer en hout, een mooie trap, die later zelfs in San Francisco opgang maakte. “Niemand mag aan ons zien”, zeiden we toen in Juni 1905,“dat wij tweemaal overwinterd hebben!”Een Eskimofamilie op jacht.Een Eskimofamilie op jacht.Wij hadden nu maar te wachten op den terugkeer der slede-expeditie. Toen ze na verloop der eerste zeven weken niet terug waren, besloot ik daaruit, dat ze het dépôt bij kaap Crozier onbeschadigd hadden aangetroffen. Maar ook in dat geval hadden ze den 16den Juni er weer moeten wezen. In den laatsten tijd waren veel Eskimo’s van verre gekomen, maar geen een had wat van de onzen gezien, en ik werd langzamerhand een beetje angstig. Sinds de Eskimo’s in zoo grooten getale er weer waren, hadden wij een nachtwacht aan boord ingesteld. Ik drukte de wacht nog ernstig op het hart, goed uit te zien en mij dadelijk te wekken, als er iets in het gezicht kwam, dat op onze sledevaarders geleek.De 24ste Juni, Sint Jan, werd ook bij ons een feestdag, want des morgens om half zeven kwam Lund, die de wacht had, bij mij binnenstormen met den uitroep:“Daar hebben we ze!”Ik was dadelijk in mijn kleeren. Het was een heerlijke morgen, volkomen windstil met stekendenzonneschijn. Ginds bij de uiterste landpunt kwamen onze kameraden in het gezicht. Ik kan bijna niet zeggen, hoe blij en verlicht ik mij voelde bij hun aanblik. En de behandeling, die de honden nu ondergingen, toonde wel, dat de heeren goed op krachten waren. In een wipje was de vlag geheschen, en met haar verschenen alle anderen op dek. Dat was een jubel aan boord! Een beter ontbijt dan anders werd opgedischt en daarbij hoorden wij terstond de gewichtigste gebeurtenissen.De tocht had zwaar en lichter werk gebracht, maar meestal was de arbeid zwaar geweest. Het dépôt van kaap Crozier was door beren volkomen vernield; maar toen ze daar waren, hadden ze al vier rendieren geschoten. De overvaart naar de Victoriastraat was zeer bezwaarlijk geweest. Het ijs was hoog opgetorend, en op sommige dagen waren ze niet meer dan twee of drie zeemijlen vooruitgekomen. Om een weinig te vorderen, hadden ze buitendien steeds groote omwegen moeten maken. Aan den anderen kant van de straat hadden ze een nieuwen Eskimostam aangetroffen, de Kiilnermium-Eskimo’s van de Copperminerivier, die op de zeehondenvangst waren. Terwijl nu deze Eskimo’s bijna niets hadden, dat van ijzer was, hadden ze veel meer voorwerpen van hout dan de Netsjilli’s. Veel beter waren o.a. de bogen en de sleden. Onze beide reizigers ruilden voor spijkers en kleine messen zooveel zeehondenvleesch als ze noodig hadden. Zij bleven bij die menschen den nacht over, om een rustdag te hebben, die zoowel voor de menschen als voor de honden noodig was na den harden trek door het ijs.Toen werd de reis langs de onbekende oostkust van Victorialand voortgezet. Het land was zoo laag en vlak, dat het over het grootste deel der kust niet van de zee was te onderscheiden. Onder het voortgaan maakten ze een kaart van de kust. Ook schoten ze geregeld zeehonden, rendieren en beren, zoodat ze bijna altijd overvloed van levensmiddelen hadden.Op Vrijdag 26 Mei keerden ze om, nadat ze op het noordelijkste punt dat ze bereikt hadden, een wachtpost gebouwd en een reisbericht erin neergelegd hadden.De terugweg ging vlugger, daar ze nu geen opmetingen meer te doen hadden. Op dien terugweg werd het door Dr. Rae in de Victoriastraat waargenomen land nauwkeurig onderzocht. Het bleek een groep van vele kleine eilanden, The Royal Geographical Society-eilanden. Deze werden zoo goed mogelijk geographisch opgenomen, wat later van groot belang is gebleken voor ons verder doordringen. De Oglugi-zee tusschen Amerika, Victorialand en King Williamsland was voor het grootste deel met eilanden opgevuld en open, zooals op de oude kaarten is aangegeven. Het was goed, dat wij dat wisten voor het geval, dat we er in een donkeren nacht door wilden varen.Op den terugweg naar kaap Crozier hadden de reizigers gelukkig beter ijs gevonden, waar ze gemakkelijker op vooruit konden komen. Behalve een paar zeere hondenpooten was alles in den besten welstand. De reis had 84 dagen geduurd met een proviandvoorraad voor maar vijftig dagen. De expeditie had dus een uitstekend gevolg gehad, ja, men kon het succes bepaald schitterend noemen, als men aan het vele slechte weêr dacht, dat ze hadden gehad en als men in aanmerking neemt welke opmetingen ze hadden gedaan en hoeveel tijd ze aan de jacht hadden moeten besteden, om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien.Dat alles vernamen we bij het eerste ontbijt. Verder verliep de dag in feeststemming.Tegen het eind van Juni werd het zeer warm, en aan het strand begon het ijs te smelten. Als het op deze wijze verder ging, konden we een zeer goed ijsjaar verwachten, net als in 1903. Het land was bijna van ijs bevrijd, en de muggen plaagden ons geweldig.Aan boord moesten we ons nu in velerlei opzicht anders inrichten, daar Wiik en Ristvedt van het vasteland tot ons waren gekomen. De luitenant en ik moesten de kajuit met hen deelen. Daar Wiik aanhoudend met de uitwerking van zijn waarnemingen bezig was, kon de kajuit niet meer als donkere kamer worden gebruikt. Een donkere kamer moest de luitenant echter hebben; de vraag werd van alle kanten bekeken, en ten slotte eindigde luitenant Hansen met een donkere kamer, welker nadere bestemming ik niet nader wil aanduiden. In den nood leert men zich behelpen.Omdat nu de proviandtent ledig was, en de voorraad aan boord was overgebracht, werd ze tot allerlei doeleinden gebezigd. Vooreerst als droogkamer voor alle vogelhuiden, die er werden opgehangen en die in den aanhoudenden tocht snel droogden. Dan werd de tent als kantoor en badhuis gebruikt. Ons klein stoombad werd er neergezet en de ingang werd zoo laag gemaakt, dat ieder er zich in kon wasschen. Wij plaatsten er ook eenige tafels, waar we onze waarnemingsboeken en magnetische krommen konden nazien, vóór ze werden afgesloten.De Uil, Umiktuallu en Noliein gingen den 2den Juni westwaarts naar Kamiglu in de buurt van het eiland Eta, om er te jagen. Ik beloofde hun, daar in de Simpsonstraat stil te houden, als wij met deGjöavoorbijkwamen, en ik gaf hun een lange staak met een vlag eraan, die ze moesten oprichten, opdat we konden zien waar ze waren. Ze zouden ons rendierbouten aan boord brengen. Reeds lang had ik Lindström een paar dagen vacantie beloofd, die hij wilde besteden aan een onderzoek in het geheimzinnige binnenland. De Eskimo’s hadden veel verteld van een rivier, de Kaa-aaga-angi, daar hoog in het Noorden, die vol zalmen moest zijn, en veel familiën waren er nu heen gegaan, terwijl er berichten kwamen van grootsche vangsten. Daarheen gingen ook Lindström’s wenschen.Eindelijk was op den 4den Juni zijn expeditie gereed tot het vertrek. Ze bestond uit hemzelven en Talurnakto als eerste officier. Door de anderen was deze expeditie al als de “expeditie tot onderzoek van het binnenland van King Williamsland” genoemd. Ik beproefde nog het langst mijn ernst te bewaren tegenover de tochtgenooten. Lindström had zich immers heusch ten doel gesteld, zijn zoölogische verzamelingen te verrijken, en de andere kameraden hielden hem teveel voor den gek. Toen de expeditie den9den Juli terugkeerde, werd ze met groote ovaties ontvangen. De buit bestond uit veertig eieren en eenige eiderganzen. Het wetenschappelijk rapport was kort. Het luidde, dat Kaa-aag-angi een rivier was van de breedte van de Nid bij Drontheim, en dat het dier- en plantenleven het rijkst was bij het station!Den 26sten Juli was de haven dezen zomer voor de eerste maal ijsvrij. Wij zagen het water in de straat buiten al blauwer worden, maar er was nog geen scheur in het ijs te zien. Maar eenige dagen later kwam de wind te hulp; hetijs zettezich in beweging en in allerlei richtingen verschenen de scheuren. Wij waren nu klaar voor de afvaart. Met uitzondering van de meteorologische instrumenten en van de honden, die tot het laatst aan land moesten blijven, hadden wij alles aan boord. De ruimte was door al onze verzamelingen overvol. In twee groote ijzeren kisten waren onze waarnemingen van de laatste twee jaar geborgen. Zij waren zoo ingericht, dat ze in het water konden drijven en op beide was de naam van het schip te lezen. Daaromheen stonden kleine kisten met proviand voor veertien dagen, munitie en verdere uitrusting, alles om te worden meegenomen, in geval we het schip moesten verlaten. Ieder had er ook zijn zak bij liggen met die dingen, die hij in geval van nood het liefst zou willen redden.Al onze booten en kajaks van zeildoek waren in de beste orde. Wij waren erop voorbereid, ons te moeten doorboomen. De wachten waren zoo verdeeld, dat één man aan het roer stond, één op den uitkijk en één bij de machine. Wij deklieden moesten alle drie op het dek zijn, terwijl de vierde mocht slapen. De machinisten wisselden elkaar af op de wacht; de kok zou de behulpzame hand reiken, zoo vaak hij weg kon.Allen zonder uitzondering wisten wij nu, dat er zwaar werk voor den boeg was. Maar de eensgezindheid, die al den tijd onder ons had geheerscht, bleef en gaf ons allen moed.Van de Axel-Steenhoogte had men het beste uitzicht naar het Westen over de straat, en in de volgende veertien dagen was ik daar dagelijks twee- of driemaal. Den 12den Augustus kwam er weer een flinke bries, en als wij inderdaad weg wilden, dan moest het nu zijn. Luitenant Hansen, Lund en ik waren al vroeg in den morgen op de Steenhoogte. Het ijs, dat zich hardnekkig was blijven vasthouden aan King Williamsland en westwaarts, was teruggeweken. Nu moest de poging gewaagd worden. De aftocht werd op den volgenden morgen om drie uur vastgesteld.Een zomeravond op het dek van de Gjöa.Een zomeravond op het dek van deGjöa.Den 13den Augustus precies op dat uur draaide de ankerspil lustig op deGjöa. Het was geen uitlokkend weêr, dichte nevel met tegenwind. Met volle kracht van den motor voeren we de haven uit. De Eskimo’s hadden zich trots het vroege uur aan het strand verzameld en het laatste “Manik-tu-mi” werd ons toegeroepen. Een van hen, Tonnich, had zich laten vinden om als achtste reisgezel met ons mee te gaan. Wij loodden en peilden ons door de Simpsonstraat naar Boothpoint, waar wij moesten ophouden, omdat we niet meer genoeg konden zien of wij verder tusschen het ijs door, dat in groote massa’s oostwaarts dreef, konden doorvaren. We ankerden dus in de lij van een der groote riffen vóór de kaap, waar we tegen het drijfijs waren beschut. Af en toe verdeelde zich de nevel, en dan zagen we vóór ons de door zeer veel ijs omgeven Todd-eilanden. Op den westkant van de eilandengroep konden wij open water waarnemen; daar moesten we dus zien te komen.Om drie uur in den namiddag trok de nevel op en wij kregen een overzicht van onzen toestand. Wij waren niet ver van de Todd-eilanden verwijderd, die slechts uit drie lage, kleine eilandjes bestaan, maar groot genoeg zijn om een massa ijs te verzamelen. Het zag er niet zeer hoopvol uit. Tusschen de hoofdmassa ijs en het verste eiland was wel een streep open water; maar het was niet te denken, dat diesmalle geul ver door zou loopen. Het ijs dreef namelijk zeer snel oostwaarts en ging waarschijnlijk aan de westzijde der eilanden vast zitten.Wij moesten daarheen om te onderzoeken. Het weer was wonderschoon geworden, stralend helder en bijna windstil. Nadat we de zuidpunt van het eiland hadden bereikt, waren we in spanning of werkelijk de westzijde met ijs bezet zou wezen. Een geul, die zoo smal was, dat ze uit de verte nauwelijks breed genoeg scheen voor een bootje, lag open tusschen het ijs en de kust. Nu was er nog de vraag, of ze diep genoeg was. Alles hing af van den aard van de kust.“Ik geloof, dat we er door kunnen!” riep Lund uit den mast. “Ik zie wel rotsen op den grond, maar wij kunnen tot vlak bij de kust komen.”Dat was ook volstrekt noodig, als we verder wilden. Gelukkig daalde de westkust van het eiland zonder eenig strand loodrecht naar beneden; maar deGjöazou niet veel duimen breeder hebben moeten zijn, of wij waren blijven zitten. En wij stieten allen een zucht van verlichting uit, toen we tegen het Westen het open water der zee vóór ons hadden.Groot diner aan boord.Groot diner aan boord.Roald Amundsen.—Helmer Hansen.—Peter Ristvedt.Bij Hall Point hadden de luitenant en Hansen op hun boottocht van 1904 twee geraamten zien liggen. Het waren geraamten van blanken, dus van deelnemers aan de Franklinexpeditie. Zij begroeven ze en richtten een steenheuvel op, dien wij nu in alle stilte passeerden, juist toen de zon onderging, terwijl hemel en aarde overvloeid werden door een roodgouden licht; onze kleine triomfeerendeGjöagroette eerbiedig haar ongelukkige voorgangers.Toen ik den volgenden morgen vroeg op dek kwam, waren wij juist voor de Douglasbaai. Tonnich, die in deze streek bekend was, noemde ons de namen van de verschillende heuvelketens aan land. Hij ontdekte ook het kamp van onze Eskimo’s. Het lag op den Kamiglu, een kleinen heuvel van ongeveer 20 meter hoogte. De tenten staken tegen den horizon af, en wij konden ook de staak met de kleine vlag zien.Daar de nevel nu in groote golven op ons toedrong, richtten we den koers recht naar den Kamiglu. Aan den kant van het vasteland was de grond zeer ongelijk, en we moesten dus een goed eind uit den wal ankeren. De mist hulde het schip geheel in, en om de aandacht van de Eskimo’s te trekken, lieten wij met korte tusschenpoozen den misthoorn klinken.Reeds na korten tijd bewoog zich een kajak uit den nevel naar voren op ons toe, en een vroolijk “Manik-tu-mi” klonk ons tegen. Het was Nuleiu, dien spoedig anderen volgden. Zij waren allen zeer blij ons weer te zien, en Lund en ik gingen in de dorry om hen naar den wal te volgen. De mist hinderde de Eskimo’s niet in het minst. Zij lachten ons uit, toen wij hen vraagden, of ze bij zulk dik weer den weg wel konden vinden en voeren vlug weg. Ofschoon wij drie kwartier moesten roeien, kwamen we precies bij hun landingsplaats aan. Om zonder een spoor van zonneschijn en bij volstrekte windstilte met zooveel zekerheid voorwaarts te komen, moesten deze menschen werkelijk met een zesde zintuig begiftigd zijn.Aan land was de nevel minder dicht. Kamiglu was een naar alle kanten steil afdalend schiereiland en alleen door een smal strookje land, tusschen lagunen in het Oosten en het Westen, met het land verbonden. Op den top hadden onze vrienden hun woningen in zeven tenten in een waar arctisch paradijs. In de lagunen beneden haalden ze zich zooveel visch, als ze noodig hadden, en rondom de uitgestrekte meren in het binnenland weidden groote rendierkudden. De Eskimo’s hadden een goede jacht gehad en hadden overvloed van vleesch. Maar het meeste lag in dépôts buiten op het vrije veld. Zij waren wel dadelijk bereid het te halen; maar dat zou ons verscheiden uren hebben opgehouden, daarom stelden we ons tevreden met wat in het kamp aanwezig was. Wij liepen rond en zeiden onze oude vrienden vaarwel; het zou zeker lang duren, eer we elkaar weerzagen. Tegelijk verzamelden wij zooveel gedroogd vleesch en zalm als we konden krijgen.Ons kamp te King-Point.Ons kamp te King-Point.Vóór de tent van Umiktuallu stond een pleegzoon van hem, Maniratcha of Manni, zooals wij hem altijd bij verkorting noemden. Hij stond te snikken, want hij had zoo graag met ons mee willen gaan, en nu hoorde hij, dat Tonnich was aangenomen. Hij was een flinke jongen van zeventien jaar, en hij had vroeger al gevraagd, om mee te mogen, zonder dat ik er veel op gelet had. Nu stond hij daar, en het speet mij, dat de zaak zoo geloopen was, want ik had Manni veel liever gehad dan Tonnich. Ik zei dus, dat hij maar eens moest meegaan; dan zou ik zien.Des morgens om zeven uur begon het op te klaren, en ik hield het nu voor het beste, dadelijk aan boord te gaan, om terstond te kunnen vertrekken als het goed helder was. In onze boot namen wij zes-en-dertig heerlijke rendierbouten mee en een grooten hoop gedroogde zalmen. De Uil, Manni en nog twee Eskimo’s gingen met ons, en buitendien nog vier anderen in hun kajaks. Tegen acht uur waren wij aan boord, en de lucht was intusschen bijna geheel opgeklaard. Ik rekende met de Eskimo’s af en betaalde hen voor vleesch en visch met ammunitie.Daarop moest het geval Manni met de kameraden worden besproken. Wij waren het allen eens, dat we liever Manni hadden dan Tonnich, die sedert zijn aankomst aan boord den welverdienden naam van vreetzak had gekregen. Daar opeens kwam de jonge heer zelf naar mij toe, en ik sprak hem aan:“Nu, lieve Tonnich, wil je nu werkelijk met ons naar het land der Kabluna’s reizen?”Hierop verklaarde hij mij dadelijk met verbluffende openhartigheid, dat hij daar al lang geen lust meer in had. Hij kon de blanken niet verstaan. Vóór drie dagen wou hij volstrekt mee en nu, na een leventje als een prins, was hem de lust vergaan. Ik nam het verrassende bericht heel kalm op, want nu was de zaak met Manni in orde. Maar neen, nog niet heelemaal. De pleegvader, Umiktuallu, had er nog een woordje in mee te spreken, diezelfde aangename pleegvader, die vroeger zijn anderen pleegzoon doorstoken had. Hij moest eerst zijn toestemming voor de reis van den jongen geven. En die toestemming gaf hij niet voor niets. Hij was mee aan boord gekomen en eischte betaling voor den knaap. Een vijl en een oud mes bevredigden intusschen zijn verlangens; dus de prijs voor den pleegzoon was niet buitensporig.Het was helder, en wij zeiden den Uil en onze andere goede vrienden van den Netsjillistam hartelijk vaarwel. Het was een heerlijke, warme zomerdag met volkomen windstilte. Midden in de Simpsonstraat lag Eta als een reus, die ons den weg wilde versperren. Met de allergrootste voorzichtigheid voeren we door het zuidelijke vaarwater tusschen het eiland en het vasteland, niet breeder dan drie vierde zeemijl en vol ondiepten en riffen. Ik geloof, dat dit onze spannendste doorvaart was. In het kanaal werd het breeder water al ondieper; maar de uitkijk meldde, dat hij dieper water zag, als we maar eens over het rif waren. Het peillood was aanhoudend in werking, en het roer vloog van de eene zijde naar de andere, alsof het door dicht ijs ging, maar ten laatste kwamen we gelukkig de Etasond door.Nu konden wij ons ook eens met Manni bezighouden, die tot hier toe aan zichzelven was overgelaten. Ristvedt, die de namiddagwacht had bij de machine, kreeg de opdracht, Manni tot een Kabluna te maken. In aanmerking de massa zeep en insectenpoeder, die erbij gebruikt werden, moest men wel verwachten, dat Manni schoon werd, en dat was hij ook geworden,ofschoon wij hem zijn mooi haar lieten behouden, nadat het duchtig gekamd was. Zijn toilet viel wat bont uit, want het bestond uit een blauwen tricotkiel, een kniebroek van zeehondenvel, witte kousen, de oude verlakte schoenen van den luitenant en op het hoofd een oude lichtblauwe badmuts, die ik eens op de een of andere badplaats had gekocht. Van het eerste uur af won Manni ons aller hart; zijn lach verjoeg elke onaangename stemming, en hijzelf was blijkbaar uitstekend bij ons tehuis. Hij was echter ook in een Eskimoparadijs beland, een plaats, waar men zooveel mag eten als men maar kan bergen.In den loop van den avond kwam van het Zuiden wat ijs opzetten; de kant van het pakijs liep in noordwestelijke richting en dwong ons nu dien weg ook te volgen. Het vaarwater lag vol kleine, met ijs omzoomde eilandjes en klippen en voortdurend moesten wij peilen vanwege de ondiepten. Wij kropen voorwaarts op dien 15denAugustus, tot wij om vijf uur ’s avonds buiten in de Victoriastraat waren en de moeilijke eilanden achter ons hadden. De straat, waar we door gevaren waren, doopten we de Palanderstraat ter herinnering aan den moedigen kapitein der Vega. De eilanden ten zuiden ervan kregen den naam Nordenskjöld-eilanden, naar den leider der Vega-expeditie. Luitenant Hansen’s aardrijkskundige opneming van deze eilanden bleek volkomen juist.De Victoriastraat was met ijs opgevuld, dat echter zoo los was, dat we er doorheen konden dringen, want onze kleine Gjöa kon flinke stooten toedienen. Vóór het eiland Lind lag het ijs zeer dicht, maar wij slopen er door een smal geultje doorheen en vonden gelukkig aan de andere zijde open water. Toen wij in den morgen de zeilen wilden opzetten, brak de gaffel, en om die te herstellen, besloten wij in de Cambridgebaai, Collinson’s winterhaven, binnen te varen.Victorialand was vlak en eentonig. Deasestraat is diep genoeg, als men zich maar een paar zeemijlen van de kust heeft verwijderd; maar van alle landtongen en rotspunten loopen ondiepten in zee.Den 17denAugustus om vijf uur in den morgen gingen wij op de westkust van kaap Colborne voor anker. Dat was een merksteen op onzen weg, want nu hadden wij met deGjöahet tot nu toe nog niet overwonnen gedeelte van de Noordwestelijke Doorvaart bevaren. Van nu aan voelden wij ons eigenlijk in druk bevaren water. Hier en daar was zelfs een diepte op een kaart aangegeven, en vooral werkte geruststellend het bewustzijn, dat we nu vóór ons een stuk van de Doorvaart hadden, waar reeds een groot schip door was gevaren.Wij repareerden de gaffel en namen een dag rust, waarna we den volgenden morgen om drie uur weer in zee staken, Collinson’s beschrijving van het vaarwater was ons van grooten dienst; zij bleek volkomen juist; de groote eilanden vielen ook nu steil in zee, en het water was diep en zuiver.Het kompas, dat ons op de doorvaart door de Etasond in het geheel niet van dienst was geweest, begon nu weer te werken; maar we moesten de aanwijzingen natuurlijk met de grootste voorzichtigheid opnemen. Den volgenden dag passeerden wij de Richardsoneilanden, die nog al plantengroei vertoonden. Toen kwamen de Mileseilanden, die naar het Westen zacht afdalen, en het eiland Douglas. Weer stelden de ondiepten en eilanden ons veel moeilijkheden in den weg, en het was een ontroerende gedachte, dat als wij nu hier moesten terugkeeren, de heele onderneming op niets zou uitloopen en het doel, dat reeds zoovelen zich te vergeefs gesteld hadden, weer onbereikt zou blijven. Ik was dan ook zeer zenuwachtig, kon bijna niet eten en was steeds op onaangename verrassingen verdacht.Maar toen we de Dolphin- en Uyionstraat hadden bereikt, was de laatste moeilijke doorgang in de Noordwestelijke Doorvaart achter den rug, en onze verlichting was onbeschrijfelijk groot. Nu ging het met korte onderbrekingen door nevel of tegenwind gelijkmatig westwaarts. Den 27sten Augustus, toen om acht uur ’s morgens mijn wacht voorbij was en ik te bed was gegaan, werd ik, na een poos te hebben geslapen, door een druk heen en weer loopen op het dek gewekt. Er was boven blijkbaar iets bijzonders aan de hand, en ik ergerde mij, dat ze om een zeehond of een ijsbeer zoo’n leven maakten. Maar daar stortte luitenant Hansen de kajuit binnen met de onvergetelijke woorden:“Schip in zicht!”Dadelijk daarna verdween hij weer en liet mij alleen.De Noordwestelijke Doorvaart was volbracht! De droom mijner kindsheid—op dit oogenblik was hij verwezenlijkt! Een eigenaardig gevoel snoerde mij de keel dicht; de tranen kwamen mij in de oogen. Schip in zicht! het woord had een magische uitwerking. Op eens waren het vaderland en alle vrienden mij zoo nabij, alsof ze de handen naar mij uitstrekten. Schip in zicht!In alle haast kleedde ik mij. Toen ik klaar was, stond ik een oogenblik stil voor het portret van Frithiof Nansen. Het was alsof het portret levend was geworden, alsof het mij toeknikte. “Ik wist het wel”, scheen het te zeggen. Ik knikte terug, lachend en gelukkig, en ging aan dek.Het was een prachtige dag. De wind was een weinig naar het Oosten gedraaid, en het ging vlug voorwaarts. DeGjöascheen te begrijpen, dat thans het ergste geleden was; ze was zoo merkwaardig licht in haar bewegingen. De beide mastpunten daarginds aan den horizon hielden al onze aandacht bezig. Alle mannen waren op dek, en alle verrekijkers waren op het ons tegemoetkomende schip gevestigd. Op aller gezicht troonde een lach; maar er werd niet veel gesproken. Nu liet een van allen den kijker dalen.“Ik zou wel willen weten...”En weer werd het instrument voor de oogen gehouden. Een ander liet den kijker neer en begon weer: “Ik zou wel willen weten...!”Toen de romp van het vreemde schip zichtbaar werd, heschen we onze noorsche vlag. Langzaam rees ze; alle oogen volgden haar met liefkoozende blikken. Ze was verkleurd en had veel geleden, maar zij droeg naar litteekenen met eere.“Ik zou wel eens willen weten wat hij denkt, als hij ons ziet!”“Hij denkt, dat het een vervloekt mooie vlag is!”“Hij is waarschijnlijk een Amerikaan.”“Ik zou denken dat het eerder een Engelschman is!”“Ja, wat wij voor lui zijn, dat ziet hij nu aan de vlag.”“O ja, hij ziet nu, dat wij menschen uit het oude Noorwegen zijn.”De schepen kwamen snel dichter bij elkaar.“Thans wordt de amerikaansche vlag geheschen!” riep de man op den uitkijk, die den grooten verrekijker op het schip had gericht. En ja, spoedig zagen we allen de sterrenvlag met de strepen. Hij had onze vlag gezien en herkend, dat was duidelijk. De stoom vloog om het schip; het had blijkbaar een motor net als wij, en kwam snel vooruit.Nu was het tijd om zich voor de eerste ontmoeting wat op te knappen. Vier van ons zouden aan boord van het andere schip gaan, en de vier anderen moesten op deGjöablijven. In haast werden onze beste kleederen voor den dag gehaald. Enkelen trokken hun deftige, vaderlandsche kleeren aan; anderen gaven aan de Eskimodracht de voorkeur. Er was een, die laarzen van zeehondenvel voor de gelegenheid het meest passend vond, en een ander droeg gewone zeemanslaarzen. Op dek werd ook opgeruimd, zoo goed het ging. Van uit zijn mastkorf kon de Amerikaan door zijn kijker ons dek geheel overzien. En wij wilden een zoo goed mogelijken indruk maken. Wij waren nu zoo dicht bij elkander, dat wij van ons dek het geheele schip konden overzien. Het was een kleine, zwartgeverfde tweemaster, die een sterken motor moest hebben; wij maakten nu ons bootje klaar, lieten de machine bijdraaien en maakten onze dorry, onze zeewaardige boot, los. Het was wel geen mooie boot, en de kapitein had op het achterbankje met de vlag geen bepaald gemakkelijke zitplaats, maar het bootje paste bij ons schip, en wij waren immers ook niet op een pleizierreis.Onze trouwe knecht Manni.Onze trouwe knecht Manni.De Amerikaan had zijn machine stop gezet en wachtte ons. Met twee man aan de riemen, waren we gauw naast hem. Een eind touw werd ons toegeworpen; ik vatte het aan en nu was ik weer in verbinding met de beschaving. Zij trad mij wel niet met overweldigende pracht te gemoet, want de “Charles Hansson” uit San Francisco zag er niet naar uit, alsof er overdreven weelde aan boord zou wezen. Een trap was overbodig, daar het schip diep in het water lag. Wij grepen de reeling en kropen naar boven. De eerste indruk was eigenaardig. Op het dek was elke voetbreed zoo bezet, dat men niet wist, hoe er door te komen. Eskimo vrouwen met roode rokken en negers in de bontste kleeren liepen door elkander, precies als in een soort van sprookjeswereld. Een oudere man met wit haar en baard trad op mij toe. Hij was pas geschoren en netjes gekleed, blijkbaar de kapitein.“Is u kapitein Amundsen?” luidde zijn eerste woord.Ik was zeer verbaasd, dat men hier aan het eind der wereld iets van ons wist en antwoordde bevestigend.“Is dit het eerste schip, dat u ontmoet?”Toen ik daarop toestemmend antwoordde, klaarde zijn gezicht op en wij drukten elkaar lang en hartelijk de hand.“Het doet mij buitengewoon veel genoegen, dat ik de eerste ben, die u mag welkom heeten na uw volbrachte Noordwestelijke Doorvaart.”Hierop werden wij uiterst vriendelijk in zijn kajuit genoodigd. Het was geen groote ruimte, maar toch wel even groot als de kajuit op deGjöa. Kapitein James Mc Kenna was een middelgroote, corpulente man van tusschen vijftig en zestig jaar. Dat hij een stamgast in de IJszee was, kon men wel aan hem zien. Het diepgegroefde, koperroode gezicht sprak van koude en slecht weêr. Hij was joviaal en gul en vroeg, of wij het een of ander noodig hadden, waarmee hij ons kon helpen. Het eenige, wat ons ontbrak, waren berichten uit het vaderland, maar helaas, die kon hij ons niet brengen. Hij had wel een paar oude kranten, maar...“Oude! Ja, voor u! Voor ons zijn ze fonkelnieuw!”Hij bracht een hoop, en door een merkwaardig toeval viel mijn oog het allereerst op een titel, dien ik als versteend aanstaarde.“Oorlog tusschen Noorwegen en Zweden.”Ik verslond het artikel in haast, maar het gaf slechts weinig opheldering. Kapitein Mc Kenna was al lang onderweg en kon ons niets naders meedeelen. Wij vraagden aan allen op het schip, of ze er ook meer van konden vertellen, maar tevergeefs. En deze onzekerheid was pijnlijker dan de totale onwetendheid van te voren. Maar er was niets aan te doen; wij moesten geduld oefenen.Na een zeer goed middagmaal wonnen luitenant Hansen en ik zooveel mogelijk inlichtingen in omtrent den verderen weg van hier af. Mc Kenna was de senior van de amerikaansche walvischvaardersvloot en kende de kust van Noord-Amerika beter dan iemand. Zeer dankbaar waren wij voor amerikaansche kaarten van de verdere reis. Ze waren nieuwer danonze eigene en gaven veel bijzonderheden. Met randopmerkingen en koersrichtingen van den ouden bevaren zeeman waren ze een ware schat voor ons. Wel waren ze al wat versleten en we moesten dus voorzichtig ermee omgaan.Toen vroegen wij naar de ijstoestanden. Of hij geloofde, dat wij verder naar het Westen zonder bezwaren vooruit zouden kunnen komen. Hij zei, dat hij op de heenreis door het ijs bij het Herscheleiland was opgehouden; maar wij zouden zoo laat in het jaar wel niet op hinderpalen stooten. En dat Herscheleiland zouden wij in elk geval gemakkelijk bereiken. Hij dacht zelf op dat eiland te zullen moeten overwinteren, en misschien ontmoetten we elkaar daar nog eens weer. Vóór den winter wou hij nu nog naar Banksland op de walvischvangst. Tot nu toe had hij geen geluk gehad en nog geen enkel dier getroffen. Zijn motor was zeer sterk, en hij zou ons bij zijn terugkeer naar Herscheleiland misschien nog wel inhalen. Buitendien gaf hij ons alle mogelijke inlichtingen over het ons wachtende vaarwater. Een zeer aangenaam bericht was de mededeeling, dat langs de geheele kust de grond uit leem bestond, zoodat wij veilig naar het lood konden varen. Wij waren daarin niet verwend, en dit verdere deel van onze reis kwam ons dan ook bijna als een pleizierreis voor.Daar de wind bleef aanhouden en ik daarvan gebruik wilde maken, namen wij na een paar uur afscheid van onzen beminnelijken gastheer. Bij het vertrek schonk hij ons een zak aardappelen en een zak uien. Daar het al lang geleden was sedert wij iets dergelijks hadden geproefd, nam ik die gift in dank aan.Aan boord werden wij in groote spanning verwacht. Wij besloten ons voorloopig niet bezorgd te maken over het bericht van oorlog tusschen de twee volken en de aardappels en uien, waren het middelpunt van onze blijdschap.Toen haalden we onze vlag in en zetten de vaart met volle zeilen voort. Mc Kenna voer naar het Oosten, om zijn geluk op de walvischvangst te beproeven.Den volgenden avond passeerden wij de Franklin-baai. Den 30stenAugustus waren wij al bij het eiland Bailey en zagen er geen ijs, zoodat we den moed vatten, om recht naar het Herscheleiland over te steken.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Bij kaap Bathurst zagen wij het dikke, bruine water, dat de rivier de Mackenzie naar buiten stoot. Er kwam nu weer ijs opzetten met nevel. Er volgde nu nog een zeer moeilijke vaart van eenige dagen. Bij kaap Sabine gingen we aan land, om rond te zien. Er breidden zich groote, met lang gras begroeide weiden uit en in de dalen groeiden hooge struiken. Den volgenden morgen, het was de derde September, waren wij zoowat een uur onderweg, toen de man op den uitkijk naar beneden riep, dat een boot van het land naar ons toe kwam. Eerst meenden wij dat het Eskimo’s waren, doch al spoedig zagen we, dat het twee blanken en één Eskimo waren.Wij namen ze aan boord en merkwaardig genoeg, sprak een der mannen ons dadelijk in het Noorsch aan. Het was de Noor Christian Sten, die tweede stuurman op de schoenerBonanzavan San Francisco was geweest. De schoener was gelijktijdig met ons van huis weggevaren en had even als wij tweemaal in deze streken overwinterd. Het schip was door herhaald stooten op het ijs er slecht aan toe, en voor eenige dagen had men het bij King Point aan land moeten zetten, omdat het anders zou zijn gezonken. Sten woonde nu met een der harpoeniers en eenige Eskimo’s aan den wal, om de wacht te houden bij de proviand en de verdere uitrusting. De kapitein van het schip, kapitein Mogg, was met de overige bemanning in booten naar het Herscheleiland gevaren en wou van daar met een ander schip zuidwaarts naar San Francisco gaan.Daar zagen wij al het wrak onder de steil afdalende kaap vóór ons.Sten zei ons, dat het ijs tot dicht bij King Point reikte en dat wij voorloopig niet verder zouden komen. Hij twijfelde overigens niet, of het zou nog wel weer losraken. Hij had het zelfs wel beleefd, dat het ijs op 9 October nog was los gegaan.Om twaalf uur op den middag bereikten wij het land en vonden alles, zooals Sten het beschreven had. Wij voeren tot bij een groot stuk grondijs, dat aan den buitenkant van het wrak lag en maakten er deGjöaaan vast. Hoe weinig vermoedden wij, dat King Point onze verblijfplaats voor tien maanden worden zou!We roeiden aan land, om deBonanzaen Stens kleine kolonie te zien. Kapitein Tilton op deAlexandrawas de oudste kapitein derzelfde reederij, aan wie ook deBonanzabehoorde, en hij had, toen hij voor twee dagen voorbijgevaren was, aan Sten de opdracht gegeven, ons alle mogelijke hulp te verschaffen. Wij waren wel goed voorzien van het noodige; maar bij een zoo vriendelijk aanbod was er altijd nog wel het een of ander, dat welkom was. Wij ruilden veel conserven met hem, daar wij graag de amerikaansche wilden proeven, terwijl Sten naar noorsche verlangde. Ook kregen wij nog veel andere kleinigheden, en ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor de diensten, die Sten en deBonanzaons bewezen.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Sten had al vele winters aan de noordamerikaansche kust doorgebracht en kon ons dus ook veel belangrijks over het land en de bewoners vertellen, en, wat van gewicht was, hij kende de hier wonende Eskimo’s.Om dezen tijd had ook Manni zich aan boord thuis leeren voelen. Hij was als een Kabluna gekleed, en daar hij een buitengewoon goed jager was, had ik hem een geweer gegeven, waar hij zeer trotsch op was en dat hij opperbest behandelde. Ik vroeg hem, of hij ons niet liever wilde verlaten en aan land gaan, maar hij antwoordde beslist ontkennend. Ik nam hem mee naar de Eskimo’s, die bij Sten woonden, en zie daar, ze konden elkaar verstaan. Het eene of het andere woord verschilde wel, maar in het groot beschouwd, was het dezelfde taal. Deze Eskimo’s, een man en drie vrouwen, waren afkomstig uit de buurt van de Kotzebuesond in de nabijheid der Beringstraat en ze waren met de walvischvaarders hierheen gekomen. Zij noemden zich Nunatarmiun-Eskimo’s. De bewoners der kust hier noemden zich Kagmallik-Eskimo’s; maar de beschaving had reeds een zoo verderfelijken invloed op hen uitgeoefend, dat ze van verscheiden honderden familiën al tot op enkele weinige versmolten waren. De Kagmallik-Eskimo’s waren grooter en knapper menschen dan de Nunatarmiun-Eskimo’s. Sten wou juist zich op een plateautje aan de berghelling een huis bouwen dichtbij het groote proviandhuis en al het andere, dat aan land was gebracht. Wij brachten ook een bezoek aan boord van deBonanza. Het schip lag aan den oever; de voormast was gekapt, maar de groote mast stond nog. Daarvan was een tros getrokken naar hetzelfde ijs, waar wij aan vast lagen; een andere tros was aan den wal bevestigd. Het ruim was vol water, en een menigte leege vaten dreven erin rond.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Met hun toestemming namen wij wat wij noodig hadden, vooral takelwerk, blokken, lantaarns en dergelijke. Een klein kacheltje werd ook met vreugde ontvangen. Als wij nog een winter moesten blijven, en daar begon het wel op te gelijken, zou dat ons goede diensten kunnen bewijzen. En ook voor Sten waren wij te rechter tijd gekomen. Hij had veel te doen en moest hulp hebben. Die had hij later met gemak van de Eskimo’s kunnen krijgen; maar het was veel beter voor hem, als het werk gedaan was eer er sneeuw lag.Wij waren niet de eenigen, die naar een verandering in de ijstoestanden verlangden. Een groot aantal Eskimo’s was met hun booten op weg van Herschel-eiland naar de Mackenzie, ongeveer vier zeemijlen westwaarts, door het ijs opgehouden. Ze hadden hunbooten aan land moeten trekken en waren nu tot wachten gedoemd. Van de hoogte op King Point konden wij het takelwerk van een schoener in de richting van Key Point vijftien zeemijlen westwaarts waarnemen. Dit schip behoorde aan de Eskimo’s. Zij hadden het ingeruild voor pelswerk en deden er nu mee aan walvischvangst. Nu was het aan den grond geloopen, kwam echter weer los vóór het vroor, en wendde zich nu naar het Herscheleiland. De hier wonende Eskimo’s zijn alleen schippers en walvischvangers, de Amerikanen nemen geen groote bemanning mee, daar ze hier menschen genoeg vinden, die het werk best kunnen doen aan boord.Ristvedt en Manni waren op de jacht geweest en kwamen met een menigte sneeuwhoenders terug. De luitenant en ik deden aan vischvangst en we leverden menig lekker vischgerecht voor de keuken. Lund werkte in het zweet zijns aangezichts, om de nieuwe gaffel klaar te krijgen, eer wij verder voeren. Wiik en Hansen hadden zich op mijn verzoek bereid verklaard, Sten bij het bouwen van zijn huis te helpen, dat onder dak zou komen, eer er sneeuw viel. De hulp der beide flinke werkers was gemakkelijk te krijgen geweest, en ze hadden schik in de verandering van arbeid en van spijs.De dagen verliepen, maar in het ijs speurden wij geen verandering. Wij moesten ons met de gedachte vertrouwd maken, hier te overwinteren. De vraag was maar, of er ruimte genoeg was. De baai vóór ons was zeer ondiep en vol van vaststaande ijsbergen, zoodat er weinig kans was op verandering. Sten vertelde, dat hier eenmaal drie walvischvaarders hadden overwinterd, maar dat ze in dien tijd geen enkele beweging hadden waargenomen. Naar het Oosten was het oeverwater nog open, zoodat wij Shingle Point, vijftien zeemijlen verder oostwaarts zouden hebben kunnen bereiken, waar een haventje moest wezen, maar dat was toch onzeker, en daar wij hier gezelschap en hulp hadden, besloten wij te blijven waar we waren.Elken nacht werd het ijs nu een duim dikker en weldra was ons lot ook voor dezen winter bezegeld. Op Zaterdag den 9den September konden wij over het ijs loopen, en daarmee moest de derde winter beschouwd als te zijn ingegaan.Op denzelfden dag, waarop het ijs begaanbaar werd, kregen wij ons eerste bezoek. Het was een zendeling, de heer Fraser, die van Herscheleiland kwam en naar Fort Mc Pherson wou, het noordelijkste station der Hudsonsbaaimaatschappij aan de Mackenzie. Als gids had hij een Eskimo, Roksi, geheeten, bij zich. De reizigers waren door het ijs opgehouden en woonden nu aan het strand, ongeveer vier zeemijlen westwaarts van ons in een tent. Van den heer Fraser hoorden wij, dat in de haven van Herschel vijf schepen door het ijs waren ingesloten; verder lagen er nog zes andere verder naar het Oosten, ze wisten niet waar. Dus waren er nu niet minder dan twaalf schepen hier in het ijs, en daarvan waren slechts drie op een overwintering ingericht. Dat zag er niet te best uit.Roksi was een Kagmallik-Eskimo, en daar zijn vader stamhoofd was geweest, hield hij zich voor een persoon van gewicht. Zijn stamgenooten hadden de leelijke gewoonte, zich in elken hoek van den mond een gat in de onderlip te boren en er als sieraad een hoornen knoop in te steken. De eenigzins geciviliseerde hadden het sieraad weer verwijderd; de gaten trokken dan weer dicht, maar lieten leelijke litteekens.Den 11den September begonnen we met den bouw van ons huis. Wij wilden dezen winter van drijfhout twee huizen bouwen, een om erin te wonen en een als observatorium en voor de magnetische instrumenten. Het woonhuis zou uit twee afdeelingen bestaan, een slaapkamer voor vier man en een ruimte, die tegelijk keuken en eetkamer zou wezen. Het liefst zouden allen aan land hebben willen wonen. Om de vochtigheid aan boord te verminderen, liet ik de geheele keuken aan land brengen.Onze kok en Sten hadden innige vriendschap gesloten, en daarvan wilden wij zooveel mogelijk profiteeren. Sten was namelijk een uitstekend kok; in zijn nu voltooid huis had hij een grooten haard, waar de heerlijkste gerechten gereed konden worden gemaakt. De luitenant en ik wilden met Manni aan boord blijven en het schip bewaken. De architect en de smid zorgden voor den bouw van het huis. De vorm van een aardhut scheen hun het best; Hansen en Wiik hielpen hen bij het werk. Als bouwterrein was het vlakste deel van den heuvel gekozen.Aan boord richtten de luitenant en ik ons zoo goed mogelijk in. De kachel van deBonanzawerd geplaatst en verbreidde al gauw al de warmte, die wij de vorige winters ontbeerd hadden. Manni was onze “meid alleen”.In dezen tijd kregen wij geregeld bezoek vooral van Eskimo’s, die, als wij, in het ijs waren opgesloten. Af en toe was ook de zendeling erbij. Sten had zijn huis met zoden gedekt, en de Eskimo Kunak was met de zijnen getrokken in een door hem gebouwd huis, dat dicht naast dat van Sten lag. De winter mocht komen; hij vond de kolonie van King Point bereid hem te ontvangen. In het geheel waren er twintig personen, die gedurende de eerstvolgende tien maanden op deze plek kampeerden.Op deGjöawoonden luitenant Hansen, Manni en ik; in ons huis aan wal de andere vijf van ons; vijftig meter verder westwaarts lag Stens huis, dat van planken en balken uit deBonanzawas opgetrokken en er als een villa uitzag. Het bestond uit twee kamers, waarvan de eene bestemd was voor Sten met zijn vrouw Kataksina en zijn dochtertje Anni, en de andere voor den harpoenier Jimmi met zijn vrouw. Boven was nog een hokje voor den Eskimo Neiu met zijn vrouw.Wand aan wand met Sten had Kunak zijn huisje gebouwd van slechts één kamer met twee bedden, een tafel en een kachel. Het was weinig, in aanmerking genomen dat Kunak er woonde met zijn vrouw, zijn oude moeder en twee kinderen. Hij kreeg vaak gasten en dan woonden er soms tien menschen in het kleine huis.Er waren in de kolonie ongeveer evenveel honden als menschen.Al lang had ik het ijs erop aangezien, of het niet spoedig mogelijk zou wezen, per slede naarHerscheleiland te komen, omdat ik er naar de post onderzoek wilde doen, die van daar in de eerstvolgende dagen zou vertrekken. Wij verlangden allen zoo naar berichten van huis. Ik had met Sten afgesproken, samen te gaan, daar hij met walvischvaarders op Herscheleiland zaken had te doen. De Eskimo’s westwaarts van ons hadden beloofd, bericht te zenden, zoodra het ijs voor de sleden geschikt was, want er loopt daar een rivier in zee uit.Op Zondag 24 September 1905 kwam een Eskimo voorbij, die naar Herschel ging. Als die erheen kon gaan, zou het ons ook gelukken. Den Dinsdag daarop vertrokken wij met een slede en een goed span honden. Daar wij het loopen nog niet gewend waren, hielden we den eersten dag bij Key Point stil, vijftien mijlen van King Point en twintig mijlen van Herschel verwijderd. Wij sloegen op het strand een tent op en maakten het ons gemakkelijk. Ik had Manni meegenomen, om hem de groote schepen en de vele Kabluna te laten zien.Den volgenden dag om half vijf waren wij in de haven van Herscheleiland. Daar deed zich een zeer ongewone aanblik aan ons voor, want er lagen vier groote schepen naast elkander en op het ijs ertusschen wemelde het van menschen. Onze aankomst wekte groot opzien. In een oogenblik waren wij door een dichte menigte omringd; er waren Mulatten onder en negers, blanken en gelen. Hun kleeding was zeer verschillend; de meeste Eskimo’s liepen in Kablunakleeren en de meeste Kabluna’s in Eskimokleeren. Kabluna’s noemen de Eskimo’s hier alle menschen van een vreemd ras. De negers noemen ze echter “maktok” Kabluna, wat zooveel beteekent als “de zwarte blanke”.Ik was de gast van veel kapiteins, sprak met de zendelingen, en had het voorrecht een brief van huis te ontvangen, met vreugde begroet, al was hij anderhalf jaar oud. Manni had veel pleizier en kreeg verscheiden uitnoodigingen bij de Eskimo’s. Het leven aan boord van die amerikaansche walvischvaarders staat in geen te besten roep, en ik hoorde er wonderlijke verhalen over; maar positieve bewijzen heb ik niet verkregen. De post zou den 20sten October over Fort Mc Person naar Fort Yukon gaan, en daar zou ze wachten en dan voor de verschillende kapiteins telegrammen verzenden en terugbrengen.Met een antwoord voor ons zag het er dus vóór de maand Mei niet best uit, want de post wordt over Edmonton naar Fort Mc Pherson gebracht en van daar door Indianen naar Herscheleiland overgebracht. Dat duurde te lang, en wij vroegen daarom bij de walvischvaarders, of zij er iets tegen hadden, als ik de post den 20stenOctober vergezelde. Met de grootste vriendelijkheid werd dit goed gevonden en al wat ik ervoor noodig had, werd te mijner beschikking gesteld. Kapitein Mogg van de gestrandeBonanzawilde ook met de post verder reizen en trachten, San Francisco te bereiken, om dan in het volgend jaar met een nieuw schip weer naar de noordelijke breedten te trekken.Den 29stenSeptember keerden wij naar deGjöaterug. Zonder veel moeite hadden we ’s avonds om elf uur ons doel bereikt. Drie weken later was mijn uitrusting voor de postreis klaar; ik nam vier honden mee en ook Jimmi, om hem een blik in de beschaafde wereld te laten slaan.Na mijn vertrek verliep op deGjöade tijd kalm onder het commando van luitenant Hansen. Een reeks van jachtexpedities werd ondernomen, en nooit keerde men met leege handen terug. Kunak, de Eskimobuurman van Sten, werd naar de Mackzenziedelta gezonden, om op elanden te jagen, die daar nog in menigte voorkomen. In het begin van Maart ontvingen ze de eerste postzending aan boord. Het waren een aantal couranten en een telegram, dat ik met de “Royal Northwest Mounted Police,” die Dawson City den 25stenDecember verliet, had afgezonden. Door deze couranten en door brieven van mij kregen ze nauwkeurige berichten over hetgeen er in Noorwegen en in de verdere wereld was voorgevallen en tegelijk ontving ieder berichten van de zijnen.Den 12denMaart was ik terug aan boord met nog meer brieven en couranten. Onze derde winter was goed doorstaan. Helaas, dat er op het laatst nog iets heel droevigs moest gebeuren. Wiik werd in de derde week van Maart onwel; maar niet zóó, dat we aan iets ernstigs dachten. Hij had geen eetlust en kreeg den 26stenhevige pijn in de zijde. Den volgenden dag moest hij blijven liggen; de pijn in de rechterzij hield aan, en ik begon voor borstvliesontsteking te vreezen. Eerst behandelden wij hem met koude omslagen, later met mosterdpleisters en pappen, en in den nacht op den 28stenschertste hij weer met ons en voelde zich beter. Maar in den namiddag namen de pijnen toe; er kwam benauwdheid bij, en de pols ging tot honderd-vier slagen in de minuut. Wij hadden een electrische leiding tusschen het woonhuis en het schip. Den 30stenMaart schreef ik in mijn dagboek: “Wiik is veel beter. Temperatuur van morgen 38.8 graden, met kalmen pols; eetlust neemt toe en spijsvertering goed.”En toch, dien nacht werd ik door de electrische bel gewekt; Wiik was veel erger. Ik schreef aan kapitein Tilton, die een dokter aan boord had, dien te zenden en stuurde Jimmi er mee naar Herscheleiland, maar eer hij vertrokken was, had onze beste vriend Wiik reeds den laatsten adem uitgeblazen. Onzegbaar treurig bleven we dien nacht bij den doode; hij was voor ons allen een goed vriend geweest, en door zijn opgewekt humeur had hij veel tot de onderlinge aangename verhouding bijgedragen.Het werk moest ons over de droefheid heen helpen. Lund had den 3den April de zwartgeverfde doodkist gereed, waar Wiik in werd gelegd, in afwachting, dat de grond zoo ver zou zijn ontdooid, dat we onzen vriend konden begraven. Op het toegeschroefde deksel spreidden we de noorsche vlag.Den 2den Mei kwam vroeg in den morgen een Indiaan aan boord met de eerste regelmatige post, die over Edmonton en Fort Mc Pherson aan de Yukon naar Herschel was gekomen. Luitenant Hansen en ik waren de gelukkigen, ieder van ons kreeg een brief, wel oud maar zeer welkom. Den 6den keerden de brengers terug, en daar ze terstond naar Aljaska gingen, gaven wij hun eenige brieven mee en een telegram, dat, naar ik uitdrukkelijk zei, groote haast had. Het was het bericht van Wiik’s dood, waardoor ik hoopte te verhinderen, dat zijnoude moeder van anderen kant de tijding ontving. Maar het telegram is nooit in handen van den heer Firth, den directeur op Fort Mc Pherson gekomen.Mei was een mooie maand, en den 9den konden we onzen vriend begraven. Er werd een kruis met een krans op den grafheuvel geplaatst en ik sprak een laatste afscheidswoord.Een der flinkste Eskimo’s, Manitchja, bewees ons in dezen tijd den dienst, Manni tot zich te nemen, want ondanks al onze moeite om hem te winnen, wilde hij weer naar de Eskimo’s. Toch duurde die stemming niet lang; na een week was hij al terug, en wij namen hem weer in genade aan.

Een getatoeëerd Eskimobeen.Een getatoeëerd Eskimobeen.Eens kwam de Uil met een anderen Eskimo aan boord en vertelde, dat eenige Oglugi-Eskimo’s onze proviandtent hadden bestolen; ze brachten een ongeopende boterbus mee, die ze hadden opgeraapt. Bij onderzoek bleek, dat een vierde kist sledebrood, tien platen pemmikan en de bovengenoemde boterbus ontbraken. Als we er niets van vernomen hadden, zou de diefstal waarschijnlijk nooit zijn uitgekomen, want de dieven hadden alles weer in goede orde gebracht. En ze hadden het niet te erg gemaakt. De oude Teraiu en zijn broeder Tamoktuktu hadden aan de spits der onderneming gestaan, die in den vroegen morgen haar slag had geslagen. De Uil kreeg ter belooning voor zijn eerlijkheid een groote bijl, de ander een mes. Toen ze het schip weer verlieten, droeg ik hun een groet op voor de dieven en liet hun zeggen, dat zoo een van hen het in zijn hoofd mocht halen, zich ooit weer in Ogchoktu te vertoonen, dat hij dan op de plaats zou worden doodgeschoten. Op denzelfden avond legde Ristvedt een kleine mijn aan bij de deur van het proviandhuis, die zoo ingericht werd, dat ze op hetzelfde oogenblik ontplofte als de deur openging. Het was een ongevaarlijk ding, maar zou voldoende zijn, een nieuwe inbrekerspoging te verhinderen.In dezen tijd haalden we ook de beide booten binnen, die we in het open veld hadden achtergelaten; er was geen schade aan te bespeuren.Een getatoeëerde Eskimoarm.Een getatoeëerde Eskimoarm.Telkens kregen we bezoek van de Eskimo’s die ons in Februari hadden verlaten, om op de zeehondenjacht te gaan. Wij beantwoordden de bezoeken ook te zijner tijd. Van den eerbied, dien wij hun inboezemden, kregen we in dien tijd een schitterend bewijs. De Itchjuachtorvik-Eskimo’s hadden, toen wij in den vorigen winter op weg naar de magnetische pool waren en aan de noordkust van Boothia Felix een dépôt hadden geplaatst, een slede met proviand gestolen. In dit jaar nu kwamen ze en leverden de slede weer in, omdat ze vreesden, dat wij hun iets kwaads zouden aandoen. Zij bleven op eerbiedigen afstand en zetten de slede bij het kamp der Netsjilli-Eskimo’s op het ijs neer. Hun angst moet werkelijk zeer groot geweest zijn, als ze een zoo kostbaar voorwerp als een slede terugbrachten. De slede had wel veel geleden, maar onder Lund’s kundige behandeling werd ze hersteld en was daarna nog sterker dan te voren.Niet zelden kwamen de Eskimo’s ons ’s avonds bezoeken. Ik had dan medelijden met hen in die vreeselijke koude en noodigde hen uit, bij ons te overnachten. Ze mochten in de kajuit bij den luitenant en mij slapen. Wij hadden soms tot dertien slaapgasten aan boord. Zij legden zich eenvoudig op den grond en dekten zich met een rendiervel toe, dicht aaneengesloten als haringen in een ton. De anderen in de voorkajuit weigerden, zulke gasten op te nemen; ze trokken de neuzen op en beweerden, dat de gasten een naren reuk achterlieten. Nu vond de luitenant evenmin als ik, dat het juist naar eau de Cologne, viooltjes of versch gemaaid hooi rook, als de Eskimo’s ’s avonds hun groote kaplaarzen uittrokken; maar wij voelden, dat we met dit offer op goedkoope en goede manier de echte gastvrijheid uitoefenden.In den loop van den winter stichtten luitenant Hansen, Wiik, Ristvedt en ik een verbond, welks leden zooveel mogelijk alle voortbrengselen van het land zouden proeven. Ristvedt werd tot vereenigingskok benoemd, daar Lindström zich liever in zee wilde storten dan zulke vuiligheid klaar te maken. Een gebraden vos, waaraan de vereeniging zich des avonds te goed deed, had onzen kok aan den rand van den waanzin gebracht en hij verklaarde, dat wij de grootste vuiliken van de wereld waren. Maar de vereeniging beweerde eenstemmig, dat een vossengebraad het fijnste gerecht was, dat ons ooit aan boord was voorgezet. Het vleesch der meeste vossen, die hier in menigte waren, smaakte ook werkelijk zeer goed, het deed aan hazenvleesch denken. Wij beproefden het ook met andere gerechten, als rendiermagen, zeehondvinnen en dergelijke.De winter was nu voorbij, en naar het scheen stond de lente voor de deur. Bij het vorige jaar vergeleken, was er een groot onderscheid merkbaar. Toen hadden we op het eind van Maart ongeveer 45 graden Celsiusonder nul gehad, en in dit jaar daarentegen slechts acht graden. Dat was een goed voorteeken voor den zomer, die zoo groote beteekenis voor ons had.Al het winterwerk was nu voorbij, en het station weer omgeven door een kring van observatoria. Onze reizigers, die met de slede naar het Noorden wilden gaan, konden vertrekken zoodra het mooi weer werd. Deze slede-expeditie had voor 75 dagen proviand bij zich, in de veronderstelling dat het in het vorig jaar bij kaap Crozier opgerichte dépôt in orde was; in het tegenovergestelde geval hadden ze maar voor 50 dagen proviand bij zich.Den 2denApril 1905 brak de expeditie op. Onder wederzijdsch levendig wuiven met de vlaggen gingen ze heen, en, begeleid door onze beste en hartelijkste wenschen, wendden ze zich westwaarts naar Victorialand.Met het vertrek van die expeditie begon naar onze berekening in dit jaar het voorjaar. Wel hadden we later nog een geweldigen sneeuwstorm; maar de koude van den winter was gebroken en keerde niet terug.Er was veel te doen dat voorjaar, want wij zouden opbreken met al ons hebben en houden en verder westwaarts trekken. In Juni 1905 werd na 19 maanden de loop der zelfregistreerende instrumenten veranderd; ze moesten stilstaan, na zoo lang te hebben gewerkt onder Wiik’s leiding. Onze gebouwen werden afgebroken. Alles werd aan boord gebracht, wat daar geschikt voor was, en toen werd deGjöavan onder tot boven nieuw geverfd en geölied. Ook al onze booten ondergingen een groote schoonmaak. Het kon immers wezen, dat wij dezen zomer “menschen” ontmoetten, en dan mocht niemand kunnen zeggen, dat wij, Noren, geen hart voor ons schip hadden. Toen was deGjöaweer net zoo frisch en mooi, als den dag waarop ze de werf verliet.Allen deden mee aan dit werk. Ristvedt en Lund hadden een valreeptrap gemaakt van ijzer en hout, een mooie trap, die later zelfs in San Francisco opgang maakte. “Niemand mag aan ons zien”, zeiden we toen in Juni 1905,“dat wij tweemaal overwinterd hebben!”Een Eskimofamilie op jacht.Een Eskimofamilie op jacht.Wij hadden nu maar te wachten op den terugkeer der slede-expeditie. Toen ze na verloop der eerste zeven weken niet terug waren, besloot ik daaruit, dat ze het dépôt bij kaap Crozier onbeschadigd hadden aangetroffen. Maar ook in dat geval hadden ze den 16den Juni er weer moeten wezen. In den laatsten tijd waren veel Eskimo’s van verre gekomen, maar geen een had wat van de onzen gezien, en ik werd langzamerhand een beetje angstig. Sinds de Eskimo’s in zoo grooten getale er weer waren, hadden wij een nachtwacht aan boord ingesteld. Ik drukte de wacht nog ernstig op het hart, goed uit te zien en mij dadelijk te wekken, als er iets in het gezicht kwam, dat op onze sledevaarders geleek.De 24ste Juni, Sint Jan, werd ook bij ons een feestdag, want des morgens om half zeven kwam Lund, die de wacht had, bij mij binnenstormen met den uitroep:“Daar hebben we ze!”Ik was dadelijk in mijn kleeren. Het was een heerlijke morgen, volkomen windstil met stekendenzonneschijn. Ginds bij de uiterste landpunt kwamen onze kameraden in het gezicht. Ik kan bijna niet zeggen, hoe blij en verlicht ik mij voelde bij hun aanblik. En de behandeling, die de honden nu ondergingen, toonde wel, dat de heeren goed op krachten waren. In een wipje was de vlag geheschen, en met haar verschenen alle anderen op dek. Dat was een jubel aan boord! Een beter ontbijt dan anders werd opgedischt en daarbij hoorden wij terstond de gewichtigste gebeurtenissen.De tocht had zwaar en lichter werk gebracht, maar meestal was de arbeid zwaar geweest. Het dépôt van kaap Crozier was door beren volkomen vernield; maar toen ze daar waren, hadden ze al vier rendieren geschoten. De overvaart naar de Victoriastraat was zeer bezwaarlijk geweest. Het ijs was hoog opgetorend, en op sommige dagen waren ze niet meer dan twee of drie zeemijlen vooruitgekomen. Om een weinig te vorderen, hadden ze buitendien steeds groote omwegen moeten maken. Aan den anderen kant van de straat hadden ze een nieuwen Eskimostam aangetroffen, de Kiilnermium-Eskimo’s van de Copperminerivier, die op de zeehondenvangst waren. Terwijl nu deze Eskimo’s bijna niets hadden, dat van ijzer was, hadden ze veel meer voorwerpen van hout dan de Netsjilli’s. Veel beter waren o.a. de bogen en de sleden. Onze beide reizigers ruilden voor spijkers en kleine messen zooveel zeehondenvleesch als ze noodig hadden. Zij bleven bij die menschen den nacht over, om een rustdag te hebben, die zoowel voor de menschen als voor de honden noodig was na den harden trek door het ijs.Toen werd de reis langs de onbekende oostkust van Victorialand voortgezet. Het land was zoo laag en vlak, dat het over het grootste deel der kust niet van de zee was te onderscheiden. Onder het voortgaan maakten ze een kaart van de kust. Ook schoten ze geregeld zeehonden, rendieren en beren, zoodat ze bijna altijd overvloed van levensmiddelen hadden.Op Vrijdag 26 Mei keerden ze om, nadat ze op het noordelijkste punt dat ze bereikt hadden, een wachtpost gebouwd en een reisbericht erin neergelegd hadden.De terugweg ging vlugger, daar ze nu geen opmetingen meer te doen hadden. Op dien terugweg werd het door Dr. Rae in de Victoriastraat waargenomen land nauwkeurig onderzocht. Het bleek een groep van vele kleine eilanden, The Royal Geographical Society-eilanden. Deze werden zoo goed mogelijk geographisch opgenomen, wat later van groot belang is gebleken voor ons verder doordringen. De Oglugi-zee tusschen Amerika, Victorialand en King Williamsland was voor het grootste deel met eilanden opgevuld en open, zooals op de oude kaarten is aangegeven. Het was goed, dat wij dat wisten voor het geval, dat we er in een donkeren nacht door wilden varen.Op den terugweg naar kaap Crozier hadden de reizigers gelukkig beter ijs gevonden, waar ze gemakkelijker op vooruit konden komen. Behalve een paar zeere hondenpooten was alles in den besten welstand. De reis had 84 dagen geduurd met een proviandvoorraad voor maar vijftig dagen. De expeditie had dus een uitstekend gevolg gehad, ja, men kon het succes bepaald schitterend noemen, als men aan het vele slechte weêr dacht, dat ze hadden gehad en als men in aanmerking neemt welke opmetingen ze hadden gedaan en hoeveel tijd ze aan de jacht hadden moeten besteden, om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien.Dat alles vernamen we bij het eerste ontbijt. Verder verliep de dag in feeststemming.Tegen het eind van Juni werd het zeer warm, en aan het strand begon het ijs te smelten. Als het op deze wijze verder ging, konden we een zeer goed ijsjaar verwachten, net als in 1903. Het land was bijna van ijs bevrijd, en de muggen plaagden ons geweldig.Aan boord moesten we ons nu in velerlei opzicht anders inrichten, daar Wiik en Ristvedt van het vasteland tot ons waren gekomen. De luitenant en ik moesten de kajuit met hen deelen. Daar Wiik aanhoudend met de uitwerking van zijn waarnemingen bezig was, kon de kajuit niet meer als donkere kamer worden gebruikt. Een donkere kamer moest de luitenant echter hebben; de vraag werd van alle kanten bekeken, en ten slotte eindigde luitenant Hansen met een donkere kamer, welker nadere bestemming ik niet nader wil aanduiden. In den nood leert men zich behelpen.Omdat nu de proviandtent ledig was, en de voorraad aan boord was overgebracht, werd ze tot allerlei doeleinden gebezigd. Vooreerst als droogkamer voor alle vogelhuiden, die er werden opgehangen en die in den aanhoudenden tocht snel droogden. Dan werd de tent als kantoor en badhuis gebruikt. Ons klein stoombad werd er neergezet en de ingang werd zoo laag gemaakt, dat ieder er zich in kon wasschen. Wij plaatsten er ook eenige tafels, waar we onze waarnemingsboeken en magnetische krommen konden nazien, vóór ze werden afgesloten.De Uil, Umiktuallu en Noliein gingen den 2den Juni westwaarts naar Kamiglu in de buurt van het eiland Eta, om er te jagen. Ik beloofde hun, daar in de Simpsonstraat stil te houden, als wij met deGjöavoorbijkwamen, en ik gaf hun een lange staak met een vlag eraan, die ze moesten oprichten, opdat we konden zien waar ze waren. Ze zouden ons rendierbouten aan boord brengen. Reeds lang had ik Lindström een paar dagen vacantie beloofd, die hij wilde besteden aan een onderzoek in het geheimzinnige binnenland. De Eskimo’s hadden veel verteld van een rivier, de Kaa-aaga-angi, daar hoog in het Noorden, die vol zalmen moest zijn, en veel familiën waren er nu heen gegaan, terwijl er berichten kwamen van grootsche vangsten. Daarheen gingen ook Lindström’s wenschen.Eindelijk was op den 4den Juni zijn expeditie gereed tot het vertrek. Ze bestond uit hemzelven en Talurnakto als eerste officier. Door de anderen was deze expeditie al als de “expeditie tot onderzoek van het binnenland van King Williamsland” genoemd. Ik beproefde nog het langst mijn ernst te bewaren tegenover de tochtgenooten. Lindström had zich immers heusch ten doel gesteld, zijn zoölogische verzamelingen te verrijken, en de andere kameraden hielden hem teveel voor den gek. Toen de expeditie den9den Juli terugkeerde, werd ze met groote ovaties ontvangen. De buit bestond uit veertig eieren en eenige eiderganzen. Het wetenschappelijk rapport was kort. Het luidde, dat Kaa-aag-angi een rivier was van de breedte van de Nid bij Drontheim, en dat het dier- en plantenleven het rijkst was bij het station!Den 26sten Juli was de haven dezen zomer voor de eerste maal ijsvrij. Wij zagen het water in de straat buiten al blauwer worden, maar er was nog geen scheur in het ijs te zien. Maar eenige dagen later kwam de wind te hulp; hetijs zettezich in beweging en in allerlei richtingen verschenen de scheuren. Wij waren nu klaar voor de afvaart. Met uitzondering van de meteorologische instrumenten en van de honden, die tot het laatst aan land moesten blijven, hadden wij alles aan boord. De ruimte was door al onze verzamelingen overvol. In twee groote ijzeren kisten waren onze waarnemingen van de laatste twee jaar geborgen. Zij waren zoo ingericht, dat ze in het water konden drijven en op beide was de naam van het schip te lezen. Daaromheen stonden kleine kisten met proviand voor veertien dagen, munitie en verdere uitrusting, alles om te worden meegenomen, in geval we het schip moesten verlaten. Ieder had er ook zijn zak bij liggen met die dingen, die hij in geval van nood het liefst zou willen redden.Al onze booten en kajaks van zeildoek waren in de beste orde. Wij waren erop voorbereid, ons te moeten doorboomen. De wachten waren zoo verdeeld, dat één man aan het roer stond, één op den uitkijk en één bij de machine. Wij deklieden moesten alle drie op het dek zijn, terwijl de vierde mocht slapen. De machinisten wisselden elkaar af op de wacht; de kok zou de behulpzame hand reiken, zoo vaak hij weg kon.Allen zonder uitzondering wisten wij nu, dat er zwaar werk voor den boeg was. Maar de eensgezindheid, die al den tijd onder ons had geheerscht, bleef en gaf ons allen moed.Van de Axel-Steenhoogte had men het beste uitzicht naar het Westen over de straat, en in de volgende veertien dagen was ik daar dagelijks twee- of driemaal. Den 12den Augustus kwam er weer een flinke bries, en als wij inderdaad weg wilden, dan moest het nu zijn. Luitenant Hansen, Lund en ik waren al vroeg in den morgen op de Steenhoogte. Het ijs, dat zich hardnekkig was blijven vasthouden aan King Williamsland en westwaarts, was teruggeweken. Nu moest de poging gewaagd worden. De aftocht werd op den volgenden morgen om drie uur vastgesteld.Een zomeravond op het dek van de Gjöa.Een zomeravond op het dek van deGjöa.Den 13den Augustus precies op dat uur draaide de ankerspil lustig op deGjöa. Het was geen uitlokkend weêr, dichte nevel met tegenwind. Met volle kracht van den motor voeren we de haven uit. De Eskimo’s hadden zich trots het vroege uur aan het strand verzameld en het laatste “Manik-tu-mi” werd ons toegeroepen. Een van hen, Tonnich, had zich laten vinden om als achtste reisgezel met ons mee te gaan. Wij loodden en peilden ons door de Simpsonstraat naar Boothpoint, waar wij moesten ophouden, omdat we niet meer genoeg konden zien of wij verder tusschen het ijs door, dat in groote massa’s oostwaarts dreef, konden doorvaren. We ankerden dus in de lij van een der groote riffen vóór de kaap, waar we tegen het drijfijs waren beschut. Af en toe verdeelde zich de nevel, en dan zagen we vóór ons de door zeer veel ijs omgeven Todd-eilanden. Op den westkant van de eilandengroep konden wij open water waarnemen; daar moesten we dus zien te komen.Om drie uur in den namiddag trok de nevel op en wij kregen een overzicht van onzen toestand. Wij waren niet ver van de Todd-eilanden verwijderd, die slechts uit drie lage, kleine eilandjes bestaan, maar groot genoeg zijn om een massa ijs te verzamelen. Het zag er niet zeer hoopvol uit. Tusschen de hoofdmassa ijs en het verste eiland was wel een streep open water; maar het was niet te denken, dat diesmalle geul ver door zou loopen. Het ijs dreef namelijk zeer snel oostwaarts en ging waarschijnlijk aan de westzijde der eilanden vast zitten.Wij moesten daarheen om te onderzoeken. Het weer was wonderschoon geworden, stralend helder en bijna windstil. Nadat we de zuidpunt van het eiland hadden bereikt, waren we in spanning of werkelijk de westzijde met ijs bezet zou wezen. Een geul, die zoo smal was, dat ze uit de verte nauwelijks breed genoeg scheen voor een bootje, lag open tusschen het ijs en de kust. Nu was er nog de vraag, of ze diep genoeg was. Alles hing af van den aard van de kust.“Ik geloof, dat we er door kunnen!” riep Lund uit den mast. “Ik zie wel rotsen op den grond, maar wij kunnen tot vlak bij de kust komen.”Dat was ook volstrekt noodig, als we verder wilden. Gelukkig daalde de westkust van het eiland zonder eenig strand loodrecht naar beneden; maar deGjöazou niet veel duimen breeder hebben moeten zijn, of wij waren blijven zitten. En wij stieten allen een zucht van verlichting uit, toen we tegen het Westen het open water der zee vóór ons hadden.Groot diner aan boord.Groot diner aan boord.Roald Amundsen.—Helmer Hansen.—Peter Ristvedt.Bij Hall Point hadden de luitenant en Hansen op hun boottocht van 1904 twee geraamten zien liggen. Het waren geraamten van blanken, dus van deelnemers aan de Franklinexpeditie. Zij begroeven ze en richtten een steenheuvel op, dien wij nu in alle stilte passeerden, juist toen de zon onderging, terwijl hemel en aarde overvloeid werden door een roodgouden licht; onze kleine triomfeerendeGjöagroette eerbiedig haar ongelukkige voorgangers.Toen ik den volgenden morgen vroeg op dek kwam, waren wij juist voor de Douglasbaai. Tonnich, die in deze streek bekend was, noemde ons de namen van de verschillende heuvelketens aan land. Hij ontdekte ook het kamp van onze Eskimo’s. Het lag op den Kamiglu, een kleinen heuvel van ongeveer 20 meter hoogte. De tenten staken tegen den horizon af, en wij konden ook de staak met de kleine vlag zien.Daar de nevel nu in groote golven op ons toedrong, richtten we den koers recht naar den Kamiglu. Aan den kant van het vasteland was de grond zeer ongelijk, en we moesten dus een goed eind uit den wal ankeren. De mist hulde het schip geheel in, en om de aandacht van de Eskimo’s te trekken, lieten wij met korte tusschenpoozen den misthoorn klinken.Reeds na korten tijd bewoog zich een kajak uit den nevel naar voren op ons toe, en een vroolijk “Manik-tu-mi” klonk ons tegen. Het was Nuleiu, dien spoedig anderen volgden. Zij waren allen zeer blij ons weer te zien, en Lund en ik gingen in de dorry om hen naar den wal te volgen. De mist hinderde de Eskimo’s niet in het minst. Zij lachten ons uit, toen wij hen vraagden, of ze bij zulk dik weer den weg wel konden vinden en voeren vlug weg. Ofschoon wij drie kwartier moesten roeien, kwamen we precies bij hun landingsplaats aan. Om zonder een spoor van zonneschijn en bij volstrekte windstilte met zooveel zekerheid voorwaarts te komen, moesten deze menschen werkelijk met een zesde zintuig begiftigd zijn.Aan land was de nevel minder dicht. Kamiglu was een naar alle kanten steil afdalend schiereiland en alleen door een smal strookje land, tusschen lagunen in het Oosten en het Westen, met het land verbonden. Op den top hadden onze vrienden hun woningen in zeven tenten in een waar arctisch paradijs. In de lagunen beneden haalden ze zich zooveel visch, als ze noodig hadden, en rondom de uitgestrekte meren in het binnenland weidden groote rendierkudden. De Eskimo’s hadden een goede jacht gehad en hadden overvloed van vleesch. Maar het meeste lag in dépôts buiten op het vrije veld. Zij waren wel dadelijk bereid het te halen; maar dat zou ons verscheiden uren hebben opgehouden, daarom stelden we ons tevreden met wat in het kamp aanwezig was. Wij liepen rond en zeiden onze oude vrienden vaarwel; het zou zeker lang duren, eer we elkaar weerzagen. Tegelijk verzamelden wij zooveel gedroogd vleesch en zalm als we konden krijgen.Ons kamp te King-Point.Ons kamp te King-Point.Vóór de tent van Umiktuallu stond een pleegzoon van hem, Maniratcha of Manni, zooals wij hem altijd bij verkorting noemden. Hij stond te snikken, want hij had zoo graag met ons mee willen gaan, en nu hoorde hij, dat Tonnich was aangenomen. Hij was een flinke jongen van zeventien jaar, en hij had vroeger al gevraagd, om mee te mogen, zonder dat ik er veel op gelet had. Nu stond hij daar, en het speet mij, dat de zaak zoo geloopen was, want ik had Manni veel liever gehad dan Tonnich. Ik zei dus, dat hij maar eens moest meegaan; dan zou ik zien.Des morgens om zeven uur begon het op te klaren, en ik hield het nu voor het beste, dadelijk aan boord te gaan, om terstond te kunnen vertrekken als het goed helder was. In onze boot namen wij zes-en-dertig heerlijke rendierbouten mee en een grooten hoop gedroogde zalmen. De Uil, Manni en nog twee Eskimo’s gingen met ons, en buitendien nog vier anderen in hun kajaks. Tegen acht uur waren wij aan boord, en de lucht was intusschen bijna geheel opgeklaard. Ik rekende met de Eskimo’s af en betaalde hen voor vleesch en visch met ammunitie.Daarop moest het geval Manni met de kameraden worden besproken. Wij waren het allen eens, dat we liever Manni hadden dan Tonnich, die sedert zijn aankomst aan boord den welverdienden naam van vreetzak had gekregen. Daar opeens kwam de jonge heer zelf naar mij toe, en ik sprak hem aan:“Nu, lieve Tonnich, wil je nu werkelijk met ons naar het land der Kabluna’s reizen?”Hierop verklaarde hij mij dadelijk met verbluffende openhartigheid, dat hij daar al lang geen lust meer in had. Hij kon de blanken niet verstaan. Vóór drie dagen wou hij volstrekt mee en nu, na een leventje als een prins, was hem de lust vergaan. Ik nam het verrassende bericht heel kalm op, want nu was de zaak met Manni in orde. Maar neen, nog niet heelemaal. De pleegvader, Umiktuallu, had er nog een woordje in mee te spreken, diezelfde aangename pleegvader, die vroeger zijn anderen pleegzoon doorstoken had. Hij moest eerst zijn toestemming voor de reis van den jongen geven. En die toestemming gaf hij niet voor niets. Hij was mee aan boord gekomen en eischte betaling voor den knaap. Een vijl en een oud mes bevredigden intusschen zijn verlangens; dus de prijs voor den pleegzoon was niet buitensporig.Het was helder, en wij zeiden den Uil en onze andere goede vrienden van den Netsjillistam hartelijk vaarwel. Het was een heerlijke, warme zomerdag met volkomen windstilte. Midden in de Simpsonstraat lag Eta als een reus, die ons den weg wilde versperren. Met de allergrootste voorzichtigheid voeren we door het zuidelijke vaarwater tusschen het eiland en het vasteland, niet breeder dan drie vierde zeemijl en vol ondiepten en riffen. Ik geloof, dat dit onze spannendste doorvaart was. In het kanaal werd het breeder water al ondieper; maar de uitkijk meldde, dat hij dieper water zag, als we maar eens over het rif waren. Het peillood was aanhoudend in werking, en het roer vloog van de eene zijde naar de andere, alsof het door dicht ijs ging, maar ten laatste kwamen we gelukkig de Etasond door.Nu konden wij ons ook eens met Manni bezighouden, die tot hier toe aan zichzelven was overgelaten. Ristvedt, die de namiddagwacht had bij de machine, kreeg de opdracht, Manni tot een Kabluna te maken. In aanmerking de massa zeep en insectenpoeder, die erbij gebruikt werden, moest men wel verwachten, dat Manni schoon werd, en dat was hij ook geworden,ofschoon wij hem zijn mooi haar lieten behouden, nadat het duchtig gekamd was. Zijn toilet viel wat bont uit, want het bestond uit een blauwen tricotkiel, een kniebroek van zeehondenvel, witte kousen, de oude verlakte schoenen van den luitenant en op het hoofd een oude lichtblauwe badmuts, die ik eens op de een of andere badplaats had gekocht. Van het eerste uur af won Manni ons aller hart; zijn lach verjoeg elke onaangename stemming, en hijzelf was blijkbaar uitstekend bij ons tehuis. Hij was echter ook in een Eskimoparadijs beland, een plaats, waar men zooveel mag eten als men maar kan bergen.In den loop van den avond kwam van het Zuiden wat ijs opzetten; de kant van het pakijs liep in noordwestelijke richting en dwong ons nu dien weg ook te volgen. Het vaarwater lag vol kleine, met ijs omzoomde eilandjes en klippen en voortdurend moesten wij peilen vanwege de ondiepten. Wij kropen voorwaarts op dien 15denAugustus, tot wij om vijf uur ’s avonds buiten in de Victoriastraat waren en de moeilijke eilanden achter ons hadden. De straat, waar we door gevaren waren, doopten we de Palanderstraat ter herinnering aan den moedigen kapitein der Vega. De eilanden ten zuiden ervan kregen den naam Nordenskjöld-eilanden, naar den leider der Vega-expeditie. Luitenant Hansen’s aardrijkskundige opneming van deze eilanden bleek volkomen juist.De Victoriastraat was met ijs opgevuld, dat echter zoo los was, dat we er doorheen konden dringen, want onze kleine Gjöa kon flinke stooten toedienen. Vóór het eiland Lind lag het ijs zeer dicht, maar wij slopen er door een smal geultje doorheen en vonden gelukkig aan de andere zijde open water. Toen wij in den morgen de zeilen wilden opzetten, brak de gaffel, en om die te herstellen, besloten wij in de Cambridgebaai, Collinson’s winterhaven, binnen te varen.Victorialand was vlak en eentonig. Deasestraat is diep genoeg, als men zich maar een paar zeemijlen van de kust heeft verwijderd; maar van alle landtongen en rotspunten loopen ondiepten in zee.Den 17denAugustus om vijf uur in den morgen gingen wij op de westkust van kaap Colborne voor anker. Dat was een merksteen op onzen weg, want nu hadden wij met deGjöahet tot nu toe nog niet overwonnen gedeelte van de Noordwestelijke Doorvaart bevaren. Van nu aan voelden wij ons eigenlijk in druk bevaren water. Hier en daar was zelfs een diepte op een kaart aangegeven, en vooral werkte geruststellend het bewustzijn, dat we nu vóór ons een stuk van de Doorvaart hadden, waar reeds een groot schip door was gevaren.Wij repareerden de gaffel en namen een dag rust, waarna we den volgenden morgen om drie uur weer in zee staken, Collinson’s beschrijving van het vaarwater was ons van grooten dienst; zij bleek volkomen juist; de groote eilanden vielen ook nu steil in zee, en het water was diep en zuiver.Het kompas, dat ons op de doorvaart door de Etasond in het geheel niet van dienst was geweest, begon nu weer te werken; maar we moesten de aanwijzingen natuurlijk met de grootste voorzichtigheid opnemen. Den volgenden dag passeerden wij de Richardsoneilanden, die nog al plantengroei vertoonden. Toen kwamen de Mileseilanden, die naar het Westen zacht afdalen, en het eiland Douglas. Weer stelden de ondiepten en eilanden ons veel moeilijkheden in den weg, en het was een ontroerende gedachte, dat als wij nu hier moesten terugkeeren, de heele onderneming op niets zou uitloopen en het doel, dat reeds zoovelen zich te vergeefs gesteld hadden, weer onbereikt zou blijven. Ik was dan ook zeer zenuwachtig, kon bijna niet eten en was steeds op onaangename verrassingen verdacht.Maar toen we de Dolphin- en Uyionstraat hadden bereikt, was de laatste moeilijke doorgang in de Noordwestelijke Doorvaart achter den rug, en onze verlichting was onbeschrijfelijk groot. Nu ging het met korte onderbrekingen door nevel of tegenwind gelijkmatig westwaarts. Den 27sten Augustus, toen om acht uur ’s morgens mijn wacht voorbij was en ik te bed was gegaan, werd ik, na een poos te hebben geslapen, door een druk heen en weer loopen op het dek gewekt. Er was boven blijkbaar iets bijzonders aan de hand, en ik ergerde mij, dat ze om een zeehond of een ijsbeer zoo’n leven maakten. Maar daar stortte luitenant Hansen de kajuit binnen met de onvergetelijke woorden:“Schip in zicht!”Dadelijk daarna verdween hij weer en liet mij alleen.De Noordwestelijke Doorvaart was volbracht! De droom mijner kindsheid—op dit oogenblik was hij verwezenlijkt! Een eigenaardig gevoel snoerde mij de keel dicht; de tranen kwamen mij in de oogen. Schip in zicht! het woord had een magische uitwerking. Op eens waren het vaderland en alle vrienden mij zoo nabij, alsof ze de handen naar mij uitstrekten. Schip in zicht!In alle haast kleedde ik mij. Toen ik klaar was, stond ik een oogenblik stil voor het portret van Frithiof Nansen. Het was alsof het portret levend was geworden, alsof het mij toeknikte. “Ik wist het wel”, scheen het te zeggen. Ik knikte terug, lachend en gelukkig, en ging aan dek.Het was een prachtige dag. De wind was een weinig naar het Oosten gedraaid, en het ging vlug voorwaarts. DeGjöascheen te begrijpen, dat thans het ergste geleden was; ze was zoo merkwaardig licht in haar bewegingen. De beide mastpunten daarginds aan den horizon hielden al onze aandacht bezig. Alle mannen waren op dek, en alle verrekijkers waren op het ons tegemoetkomende schip gevestigd. Op aller gezicht troonde een lach; maar er werd niet veel gesproken. Nu liet een van allen den kijker dalen.“Ik zou wel willen weten...”En weer werd het instrument voor de oogen gehouden. Een ander liet den kijker neer en begon weer: “Ik zou wel willen weten...!”Toen de romp van het vreemde schip zichtbaar werd, heschen we onze noorsche vlag. Langzaam rees ze; alle oogen volgden haar met liefkoozende blikken. Ze was verkleurd en had veel geleden, maar zij droeg naar litteekenen met eere.“Ik zou wel eens willen weten wat hij denkt, als hij ons ziet!”“Hij denkt, dat het een vervloekt mooie vlag is!”“Hij is waarschijnlijk een Amerikaan.”“Ik zou denken dat het eerder een Engelschman is!”“Ja, wat wij voor lui zijn, dat ziet hij nu aan de vlag.”“O ja, hij ziet nu, dat wij menschen uit het oude Noorwegen zijn.”De schepen kwamen snel dichter bij elkaar.“Thans wordt de amerikaansche vlag geheschen!” riep de man op den uitkijk, die den grooten verrekijker op het schip had gericht. En ja, spoedig zagen we allen de sterrenvlag met de strepen. Hij had onze vlag gezien en herkend, dat was duidelijk. De stoom vloog om het schip; het had blijkbaar een motor net als wij, en kwam snel vooruit.Nu was het tijd om zich voor de eerste ontmoeting wat op te knappen. Vier van ons zouden aan boord van het andere schip gaan, en de vier anderen moesten op deGjöablijven. In haast werden onze beste kleederen voor den dag gehaald. Enkelen trokken hun deftige, vaderlandsche kleeren aan; anderen gaven aan de Eskimodracht de voorkeur. Er was een, die laarzen van zeehondenvel voor de gelegenheid het meest passend vond, en een ander droeg gewone zeemanslaarzen. Op dek werd ook opgeruimd, zoo goed het ging. Van uit zijn mastkorf kon de Amerikaan door zijn kijker ons dek geheel overzien. En wij wilden een zoo goed mogelijken indruk maken. Wij waren nu zoo dicht bij elkander, dat wij van ons dek het geheele schip konden overzien. Het was een kleine, zwartgeverfde tweemaster, die een sterken motor moest hebben; wij maakten nu ons bootje klaar, lieten de machine bijdraaien en maakten onze dorry, onze zeewaardige boot, los. Het was wel geen mooie boot, en de kapitein had op het achterbankje met de vlag geen bepaald gemakkelijke zitplaats, maar het bootje paste bij ons schip, en wij waren immers ook niet op een pleizierreis.Onze trouwe knecht Manni.Onze trouwe knecht Manni.De Amerikaan had zijn machine stop gezet en wachtte ons. Met twee man aan de riemen, waren we gauw naast hem. Een eind touw werd ons toegeworpen; ik vatte het aan en nu was ik weer in verbinding met de beschaving. Zij trad mij wel niet met overweldigende pracht te gemoet, want de “Charles Hansson” uit San Francisco zag er niet naar uit, alsof er overdreven weelde aan boord zou wezen. Een trap was overbodig, daar het schip diep in het water lag. Wij grepen de reeling en kropen naar boven. De eerste indruk was eigenaardig. Op het dek was elke voetbreed zoo bezet, dat men niet wist, hoe er door te komen. Eskimo vrouwen met roode rokken en negers in de bontste kleeren liepen door elkander, precies als in een soort van sprookjeswereld. Een oudere man met wit haar en baard trad op mij toe. Hij was pas geschoren en netjes gekleed, blijkbaar de kapitein.“Is u kapitein Amundsen?” luidde zijn eerste woord.Ik was zeer verbaasd, dat men hier aan het eind der wereld iets van ons wist en antwoordde bevestigend.“Is dit het eerste schip, dat u ontmoet?”Toen ik daarop toestemmend antwoordde, klaarde zijn gezicht op en wij drukten elkaar lang en hartelijk de hand.“Het doet mij buitengewoon veel genoegen, dat ik de eerste ben, die u mag welkom heeten na uw volbrachte Noordwestelijke Doorvaart.”Hierop werden wij uiterst vriendelijk in zijn kajuit genoodigd. Het was geen groote ruimte, maar toch wel even groot als de kajuit op deGjöa. Kapitein James Mc Kenna was een middelgroote, corpulente man van tusschen vijftig en zestig jaar. Dat hij een stamgast in de IJszee was, kon men wel aan hem zien. Het diepgegroefde, koperroode gezicht sprak van koude en slecht weêr. Hij was joviaal en gul en vroeg, of wij het een of ander noodig hadden, waarmee hij ons kon helpen. Het eenige, wat ons ontbrak, waren berichten uit het vaderland, maar helaas, die kon hij ons niet brengen. Hij had wel een paar oude kranten, maar...“Oude! Ja, voor u! Voor ons zijn ze fonkelnieuw!”Hij bracht een hoop, en door een merkwaardig toeval viel mijn oog het allereerst op een titel, dien ik als versteend aanstaarde.“Oorlog tusschen Noorwegen en Zweden.”Ik verslond het artikel in haast, maar het gaf slechts weinig opheldering. Kapitein Mc Kenna was al lang onderweg en kon ons niets naders meedeelen. Wij vraagden aan allen op het schip, of ze er ook meer van konden vertellen, maar tevergeefs. En deze onzekerheid was pijnlijker dan de totale onwetendheid van te voren. Maar er was niets aan te doen; wij moesten geduld oefenen.Na een zeer goed middagmaal wonnen luitenant Hansen en ik zooveel mogelijk inlichtingen in omtrent den verderen weg van hier af. Mc Kenna was de senior van de amerikaansche walvischvaardersvloot en kende de kust van Noord-Amerika beter dan iemand. Zeer dankbaar waren wij voor amerikaansche kaarten van de verdere reis. Ze waren nieuwer danonze eigene en gaven veel bijzonderheden. Met randopmerkingen en koersrichtingen van den ouden bevaren zeeman waren ze een ware schat voor ons. Wel waren ze al wat versleten en we moesten dus voorzichtig ermee omgaan.Toen vroegen wij naar de ijstoestanden. Of hij geloofde, dat wij verder naar het Westen zonder bezwaren vooruit zouden kunnen komen. Hij zei, dat hij op de heenreis door het ijs bij het Herscheleiland was opgehouden; maar wij zouden zoo laat in het jaar wel niet op hinderpalen stooten. En dat Herscheleiland zouden wij in elk geval gemakkelijk bereiken. Hij dacht zelf op dat eiland te zullen moeten overwinteren, en misschien ontmoetten we elkaar daar nog eens weer. Vóór den winter wou hij nu nog naar Banksland op de walvischvangst. Tot nu toe had hij geen geluk gehad en nog geen enkel dier getroffen. Zijn motor was zeer sterk, en hij zou ons bij zijn terugkeer naar Herscheleiland misschien nog wel inhalen. Buitendien gaf hij ons alle mogelijke inlichtingen over het ons wachtende vaarwater. Een zeer aangenaam bericht was de mededeeling, dat langs de geheele kust de grond uit leem bestond, zoodat wij veilig naar het lood konden varen. Wij waren daarin niet verwend, en dit verdere deel van onze reis kwam ons dan ook bijna als een pleizierreis voor.Daar de wind bleef aanhouden en ik daarvan gebruik wilde maken, namen wij na een paar uur afscheid van onzen beminnelijken gastheer. Bij het vertrek schonk hij ons een zak aardappelen en een zak uien. Daar het al lang geleden was sedert wij iets dergelijks hadden geproefd, nam ik die gift in dank aan.Aan boord werden wij in groote spanning verwacht. Wij besloten ons voorloopig niet bezorgd te maken over het bericht van oorlog tusschen de twee volken en de aardappels en uien, waren het middelpunt van onze blijdschap.Toen haalden we onze vlag in en zetten de vaart met volle zeilen voort. Mc Kenna voer naar het Oosten, om zijn geluk op de walvischvangst te beproeven.Den volgenden avond passeerden wij de Franklin-baai. Den 30stenAugustus waren wij al bij het eiland Bailey en zagen er geen ijs, zoodat we den moed vatten, om recht naar het Herscheleiland over te steken.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Bij kaap Bathurst zagen wij het dikke, bruine water, dat de rivier de Mackenzie naar buiten stoot. Er kwam nu weer ijs opzetten met nevel. Er volgde nu nog een zeer moeilijke vaart van eenige dagen. Bij kaap Sabine gingen we aan land, om rond te zien. Er breidden zich groote, met lang gras begroeide weiden uit en in de dalen groeiden hooge struiken. Den volgenden morgen, het was de derde September, waren wij zoowat een uur onderweg, toen de man op den uitkijk naar beneden riep, dat een boot van het land naar ons toe kwam. Eerst meenden wij dat het Eskimo’s waren, doch al spoedig zagen we, dat het twee blanken en één Eskimo waren.Wij namen ze aan boord en merkwaardig genoeg, sprak een der mannen ons dadelijk in het Noorsch aan. Het was de Noor Christian Sten, die tweede stuurman op de schoenerBonanzavan San Francisco was geweest. De schoener was gelijktijdig met ons van huis weggevaren en had even als wij tweemaal in deze streken overwinterd. Het schip was door herhaald stooten op het ijs er slecht aan toe, en voor eenige dagen had men het bij King Point aan land moeten zetten, omdat het anders zou zijn gezonken. Sten woonde nu met een der harpoeniers en eenige Eskimo’s aan den wal, om de wacht te houden bij de proviand en de verdere uitrusting. De kapitein van het schip, kapitein Mogg, was met de overige bemanning in booten naar het Herscheleiland gevaren en wou van daar met een ander schip zuidwaarts naar San Francisco gaan.Daar zagen wij al het wrak onder de steil afdalende kaap vóór ons.Sten zei ons, dat het ijs tot dicht bij King Point reikte en dat wij voorloopig niet verder zouden komen. Hij twijfelde overigens niet, of het zou nog wel weer losraken. Hij had het zelfs wel beleefd, dat het ijs op 9 October nog was los gegaan.Om twaalf uur op den middag bereikten wij het land en vonden alles, zooals Sten het beschreven had. Wij voeren tot bij een groot stuk grondijs, dat aan den buitenkant van het wrak lag en maakten er deGjöaaan vast. Hoe weinig vermoedden wij, dat King Point onze verblijfplaats voor tien maanden worden zou!We roeiden aan land, om deBonanzaen Stens kleine kolonie te zien. Kapitein Tilton op deAlexandrawas de oudste kapitein derzelfde reederij, aan wie ook deBonanzabehoorde, en hij had, toen hij voor twee dagen voorbijgevaren was, aan Sten de opdracht gegeven, ons alle mogelijke hulp te verschaffen. Wij waren wel goed voorzien van het noodige; maar bij een zoo vriendelijk aanbod was er altijd nog wel het een of ander, dat welkom was. Wij ruilden veel conserven met hem, daar wij graag de amerikaansche wilden proeven, terwijl Sten naar noorsche verlangde. Ook kregen wij nog veel andere kleinigheden, en ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor de diensten, die Sten en deBonanzaons bewezen.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Sten had al vele winters aan de noordamerikaansche kust doorgebracht en kon ons dus ook veel belangrijks over het land en de bewoners vertellen, en, wat van gewicht was, hij kende de hier wonende Eskimo’s.Om dezen tijd had ook Manni zich aan boord thuis leeren voelen. Hij was als een Kabluna gekleed, en daar hij een buitengewoon goed jager was, had ik hem een geweer gegeven, waar hij zeer trotsch op was en dat hij opperbest behandelde. Ik vroeg hem, of hij ons niet liever wilde verlaten en aan land gaan, maar hij antwoordde beslist ontkennend. Ik nam hem mee naar de Eskimo’s, die bij Sten woonden, en zie daar, ze konden elkaar verstaan. Het eene of het andere woord verschilde wel, maar in het groot beschouwd, was het dezelfde taal. Deze Eskimo’s, een man en drie vrouwen, waren afkomstig uit de buurt van de Kotzebuesond in de nabijheid der Beringstraat en ze waren met de walvischvaarders hierheen gekomen. Zij noemden zich Nunatarmiun-Eskimo’s. De bewoners der kust hier noemden zich Kagmallik-Eskimo’s; maar de beschaving had reeds een zoo verderfelijken invloed op hen uitgeoefend, dat ze van verscheiden honderden familiën al tot op enkele weinige versmolten waren. De Kagmallik-Eskimo’s waren grooter en knapper menschen dan de Nunatarmiun-Eskimo’s. Sten wou juist zich op een plateautje aan de berghelling een huis bouwen dichtbij het groote proviandhuis en al het andere, dat aan land was gebracht. Wij brachten ook een bezoek aan boord van deBonanza. Het schip lag aan den oever; de voormast was gekapt, maar de groote mast stond nog. Daarvan was een tros getrokken naar hetzelfde ijs, waar wij aan vast lagen; een andere tros was aan den wal bevestigd. Het ruim was vol water, en een menigte leege vaten dreven erin rond.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Met hun toestemming namen wij wat wij noodig hadden, vooral takelwerk, blokken, lantaarns en dergelijke. Een klein kacheltje werd ook met vreugde ontvangen. Als wij nog een winter moesten blijven, en daar begon het wel op te gelijken, zou dat ons goede diensten kunnen bewijzen. En ook voor Sten waren wij te rechter tijd gekomen. Hij had veel te doen en moest hulp hebben. Die had hij later met gemak van de Eskimo’s kunnen krijgen; maar het was veel beter voor hem, als het werk gedaan was eer er sneeuw lag.Wij waren niet de eenigen, die naar een verandering in de ijstoestanden verlangden. Een groot aantal Eskimo’s was met hun booten op weg van Herschel-eiland naar de Mackenzie, ongeveer vier zeemijlen westwaarts, door het ijs opgehouden. Ze hadden hunbooten aan land moeten trekken en waren nu tot wachten gedoemd. Van de hoogte op King Point konden wij het takelwerk van een schoener in de richting van Key Point vijftien zeemijlen westwaarts waarnemen. Dit schip behoorde aan de Eskimo’s. Zij hadden het ingeruild voor pelswerk en deden er nu mee aan walvischvangst. Nu was het aan den grond geloopen, kwam echter weer los vóór het vroor, en wendde zich nu naar het Herscheleiland. De hier wonende Eskimo’s zijn alleen schippers en walvischvangers, de Amerikanen nemen geen groote bemanning mee, daar ze hier menschen genoeg vinden, die het werk best kunnen doen aan boord.Ristvedt en Manni waren op de jacht geweest en kwamen met een menigte sneeuwhoenders terug. De luitenant en ik deden aan vischvangst en we leverden menig lekker vischgerecht voor de keuken. Lund werkte in het zweet zijns aangezichts, om de nieuwe gaffel klaar te krijgen, eer wij verder voeren. Wiik en Hansen hadden zich op mijn verzoek bereid verklaard, Sten bij het bouwen van zijn huis te helpen, dat onder dak zou komen, eer er sneeuw viel. De hulp der beide flinke werkers was gemakkelijk te krijgen geweest, en ze hadden schik in de verandering van arbeid en van spijs.De dagen verliepen, maar in het ijs speurden wij geen verandering. Wij moesten ons met de gedachte vertrouwd maken, hier te overwinteren. De vraag was maar, of er ruimte genoeg was. De baai vóór ons was zeer ondiep en vol van vaststaande ijsbergen, zoodat er weinig kans was op verandering. Sten vertelde, dat hier eenmaal drie walvischvaarders hadden overwinterd, maar dat ze in dien tijd geen enkele beweging hadden waargenomen. Naar het Oosten was het oeverwater nog open, zoodat wij Shingle Point, vijftien zeemijlen verder oostwaarts zouden hebben kunnen bereiken, waar een haventje moest wezen, maar dat was toch onzeker, en daar wij hier gezelschap en hulp hadden, besloten wij te blijven waar we waren.Elken nacht werd het ijs nu een duim dikker en weldra was ons lot ook voor dezen winter bezegeld. Op Zaterdag den 9den September konden wij over het ijs loopen, en daarmee moest de derde winter beschouwd als te zijn ingegaan.Op denzelfden dag, waarop het ijs begaanbaar werd, kregen wij ons eerste bezoek. Het was een zendeling, de heer Fraser, die van Herscheleiland kwam en naar Fort Mc Pherson wou, het noordelijkste station der Hudsonsbaaimaatschappij aan de Mackenzie. Als gids had hij een Eskimo, Roksi, geheeten, bij zich. De reizigers waren door het ijs opgehouden en woonden nu aan het strand, ongeveer vier zeemijlen westwaarts van ons in een tent. Van den heer Fraser hoorden wij, dat in de haven van Herschel vijf schepen door het ijs waren ingesloten; verder lagen er nog zes andere verder naar het Oosten, ze wisten niet waar. Dus waren er nu niet minder dan twaalf schepen hier in het ijs, en daarvan waren slechts drie op een overwintering ingericht. Dat zag er niet te best uit.Roksi was een Kagmallik-Eskimo, en daar zijn vader stamhoofd was geweest, hield hij zich voor een persoon van gewicht. Zijn stamgenooten hadden de leelijke gewoonte, zich in elken hoek van den mond een gat in de onderlip te boren en er als sieraad een hoornen knoop in te steken. De eenigzins geciviliseerde hadden het sieraad weer verwijderd; de gaten trokken dan weer dicht, maar lieten leelijke litteekens.Den 11den September begonnen we met den bouw van ons huis. Wij wilden dezen winter van drijfhout twee huizen bouwen, een om erin te wonen en een als observatorium en voor de magnetische instrumenten. Het woonhuis zou uit twee afdeelingen bestaan, een slaapkamer voor vier man en een ruimte, die tegelijk keuken en eetkamer zou wezen. Het liefst zouden allen aan land hebben willen wonen. Om de vochtigheid aan boord te verminderen, liet ik de geheele keuken aan land brengen.Onze kok en Sten hadden innige vriendschap gesloten, en daarvan wilden wij zooveel mogelijk profiteeren. Sten was namelijk een uitstekend kok; in zijn nu voltooid huis had hij een grooten haard, waar de heerlijkste gerechten gereed konden worden gemaakt. De luitenant en ik wilden met Manni aan boord blijven en het schip bewaken. De architect en de smid zorgden voor den bouw van het huis. De vorm van een aardhut scheen hun het best; Hansen en Wiik hielpen hen bij het werk. Als bouwterrein was het vlakste deel van den heuvel gekozen.Aan boord richtten de luitenant en ik ons zoo goed mogelijk in. De kachel van deBonanzawerd geplaatst en verbreidde al gauw al de warmte, die wij de vorige winters ontbeerd hadden. Manni was onze “meid alleen”.In dezen tijd kregen wij geregeld bezoek vooral van Eskimo’s, die, als wij, in het ijs waren opgesloten. Af en toe was ook de zendeling erbij. Sten had zijn huis met zoden gedekt, en de Eskimo Kunak was met de zijnen getrokken in een door hem gebouwd huis, dat dicht naast dat van Sten lag. De winter mocht komen; hij vond de kolonie van King Point bereid hem te ontvangen. In het geheel waren er twintig personen, die gedurende de eerstvolgende tien maanden op deze plek kampeerden.Op deGjöawoonden luitenant Hansen, Manni en ik; in ons huis aan wal de andere vijf van ons; vijftig meter verder westwaarts lag Stens huis, dat van planken en balken uit deBonanzawas opgetrokken en er als een villa uitzag. Het bestond uit twee kamers, waarvan de eene bestemd was voor Sten met zijn vrouw Kataksina en zijn dochtertje Anni, en de andere voor den harpoenier Jimmi met zijn vrouw. Boven was nog een hokje voor den Eskimo Neiu met zijn vrouw.Wand aan wand met Sten had Kunak zijn huisje gebouwd van slechts één kamer met twee bedden, een tafel en een kachel. Het was weinig, in aanmerking genomen dat Kunak er woonde met zijn vrouw, zijn oude moeder en twee kinderen. Hij kreeg vaak gasten en dan woonden er soms tien menschen in het kleine huis.Er waren in de kolonie ongeveer evenveel honden als menschen.Al lang had ik het ijs erop aangezien, of het niet spoedig mogelijk zou wezen, per slede naarHerscheleiland te komen, omdat ik er naar de post onderzoek wilde doen, die van daar in de eerstvolgende dagen zou vertrekken. Wij verlangden allen zoo naar berichten van huis. Ik had met Sten afgesproken, samen te gaan, daar hij met walvischvaarders op Herscheleiland zaken had te doen. De Eskimo’s westwaarts van ons hadden beloofd, bericht te zenden, zoodra het ijs voor de sleden geschikt was, want er loopt daar een rivier in zee uit.Op Zondag 24 September 1905 kwam een Eskimo voorbij, die naar Herschel ging. Als die erheen kon gaan, zou het ons ook gelukken. Den Dinsdag daarop vertrokken wij met een slede en een goed span honden. Daar wij het loopen nog niet gewend waren, hielden we den eersten dag bij Key Point stil, vijftien mijlen van King Point en twintig mijlen van Herschel verwijderd. Wij sloegen op het strand een tent op en maakten het ons gemakkelijk. Ik had Manni meegenomen, om hem de groote schepen en de vele Kabluna te laten zien.Den volgenden dag om half vijf waren wij in de haven van Herscheleiland. Daar deed zich een zeer ongewone aanblik aan ons voor, want er lagen vier groote schepen naast elkander en op het ijs ertusschen wemelde het van menschen. Onze aankomst wekte groot opzien. In een oogenblik waren wij door een dichte menigte omringd; er waren Mulatten onder en negers, blanken en gelen. Hun kleeding was zeer verschillend; de meeste Eskimo’s liepen in Kablunakleeren en de meeste Kabluna’s in Eskimokleeren. Kabluna’s noemen de Eskimo’s hier alle menschen van een vreemd ras. De negers noemen ze echter “maktok” Kabluna, wat zooveel beteekent als “de zwarte blanke”.Ik was de gast van veel kapiteins, sprak met de zendelingen, en had het voorrecht een brief van huis te ontvangen, met vreugde begroet, al was hij anderhalf jaar oud. Manni had veel pleizier en kreeg verscheiden uitnoodigingen bij de Eskimo’s. Het leven aan boord van die amerikaansche walvischvaarders staat in geen te besten roep, en ik hoorde er wonderlijke verhalen over; maar positieve bewijzen heb ik niet verkregen. De post zou den 20sten October over Fort Mc Person naar Fort Yukon gaan, en daar zou ze wachten en dan voor de verschillende kapiteins telegrammen verzenden en terugbrengen.Met een antwoord voor ons zag het er dus vóór de maand Mei niet best uit, want de post wordt over Edmonton naar Fort Mc Pherson gebracht en van daar door Indianen naar Herscheleiland overgebracht. Dat duurde te lang, en wij vroegen daarom bij de walvischvaarders, of zij er iets tegen hadden, als ik de post den 20stenOctober vergezelde. Met de grootste vriendelijkheid werd dit goed gevonden en al wat ik ervoor noodig had, werd te mijner beschikking gesteld. Kapitein Mogg van de gestrandeBonanzawilde ook met de post verder reizen en trachten, San Francisco te bereiken, om dan in het volgend jaar met een nieuw schip weer naar de noordelijke breedten te trekken.Den 29stenSeptember keerden wij naar deGjöaterug. Zonder veel moeite hadden we ’s avonds om elf uur ons doel bereikt. Drie weken later was mijn uitrusting voor de postreis klaar; ik nam vier honden mee en ook Jimmi, om hem een blik in de beschaafde wereld te laten slaan.Na mijn vertrek verliep op deGjöade tijd kalm onder het commando van luitenant Hansen. Een reeks van jachtexpedities werd ondernomen, en nooit keerde men met leege handen terug. Kunak, de Eskimobuurman van Sten, werd naar de Mackzenziedelta gezonden, om op elanden te jagen, die daar nog in menigte voorkomen. In het begin van Maart ontvingen ze de eerste postzending aan boord. Het waren een aantal couranten en een telegram, dat ik met de “Royal Northwest Mounted Police,” die Dawson City den 25stenDecember verliet, had afgezonden. Door deze couranten en door brieven van mij kregen ze nauwkeurige berichten over hetgeen er in Noorwegen en in de verdere wereld was voorgevallen en tegelijk ontving ieder berichten van de zijnen.Den 12denMaart was ik terug aan boord met nog meer brieven en couranten. Onze derde winter was goed doorstaan. Helaas, dat er op het laatst nog iets heel droevigs moest gebeuren. Wiik werd in de derde week van Maart onwel; maar niet zóó, dat we aan iets ernstigs dachten. Hij had geen eetlust en kreeg den 26stenhevige pijn in de zijde. Den volgenden dag moest hij blijven liggen; de pijn in de rechterzij hield aan, en ik begon voor borstvliesontsteking te vreezen. Eerst behandelden wij hem met koude omslagen, later met mosterdpleisters en pappen, en in den nacht op den 28stenschertste hij weer met ons en voelde zich beter. Maar in den namiddag namen de pijnen toe; er kwam benauwdheid bij, en de pols ging tot honderd-vier slagen in de minuut. Wij hadden een electrische leiding tusschen het woonhuis en het schip. Den 30stenMaart schreef ik in mijn dagboek: “Wiik is veel beter. Temperatuur van morgen 38.8 graden, met kalmen pols; eetlust neemt toe en spijsvertering goed.”En toch, dien nacht werd ik door de electrische bel gewekt; Wiik was veel erger. Ik schreef aan kapitein Tilton, die een dokter aan boord had, dien te zenden en stuurde Jimmi er mee naar Herscheleiland, maar eer hij vertrokken was, had onze beste vriend Wiik reeds den laatsten adem uitgeblazen. Onzegbaar treurig bleven we dien nacht bij den doode; hij was voor ons allen een goed vriend geweest, en door zijn opgewekt humeur had hij veel tot de onderlinge aangename verhouding bijgedragen.Het werk moest ons over de droefheid heen helpen. Lund had den 3den April de zwartgeverfde doodkist gereed, waar Wiik in werd gelegd, in afwachting, dat de grond zoo ver zou zijn ontdooid, dat we onzen vriend konden begraven. Op het toegeschroefde deksel spreidden we de noorsche vlag.Den 2den Mei kwam vroeg in den morgen een Indiaan aan boord met de eerste regelmatige post, die over Edmonton en Fort Mc Pherson aan de Yukon naar Herschel was gekomen. Luitenant Hansen en ik waren de gelukkigen, ieder van ons kreeg een brief, wel oud maar zeer welkom. Den 6den keerden de brengers terug, en daar ze terstond naar Aljaska gingen, gaven wij hun eenige brieven mee en een telegram, dat, naar ik uitdrukkelijk zei, groote haast had. Het was het bericht van Wiik’s dood, waardoor ik hoopte te verhinderen, dat zijnoude moeder van anderen kant de tijding ontving. Maar het telegram is nooit in handen van den heer Firth, den directeur op Fort Mc Pherson gekomen.Mei was een mooie maand, en den 9den konden we onzen vriend begraven. Er werd een kruis met een krans op den grafheuvel geplaatst en ik sprak een laatste afscheidswoord.Een der flinkste Eskimo’s, Manitchja, bewees ons in dezen tijd den dienst, Manni tot zich te nemen, want ondanks al onze moeite om hem te winnen, wilde hij weer naar de Eskimo’s. Toch duurde die stemming niet lang; na een week was hij al terug, en wij namen hem weer in genade aan.

Een getatoeëerd Eskimobeen.Een getatoeëerd Eskimobeen.Eens kwam de Uil met een anderen Eskimo aan boord en vertelde, dat eenige Oglugi-Eskimo’s onze proviandtent hadden bestolen; ze brachten een ongeopende boterbus mee, die ze hadden opgeraapt. Bij onderzoek bleek, dat een vierde kist sledebrood, tien platen pemmikan en de bovengenoemde boterbus ontbraken. Als we er niets van vernomen hadden, zou de diefstal waarschijnlijk nooit zijn uitgekomen, want de dieven hadden alles weer in goede orde gebracht. En ze hadden het niet te erg gemaakt. De oude Teraiu en zijn broeder Tamoktuktu hadden aan de spits der onderneming gestaan, die in den vroegen morgen haar slag had geslagen. De Uil kreeg ter belooning voor zijn eerlijkheid een groote bijl, de ander een mes. Toen ze het schip weer verlieten, droeg ik hun een groet op voor de dieven en liet hun zeggen, dat zoo een van hen het in zijn hoofd mocht halen, zich ooit weer in Ogchoktu te vertoonen, dat hij dan op de plaats zou worden doodgeschoten. Op denzelfden avond legde Ristvedt een kleine mijn aan bij de deur van het proviandhuis, die zoo ingericht werd, dat ze op hetzelfde oogenblik ontplofte als de deur openging. Het was een ongevaarlijk ding, maar zou voldoende zijn, een nieuwe inbrekerspoging te verhinderen.In dezen tijd haalden we ook de beide booten binnen, die we in het open veld hadden achtergelaten; er was geen schade aan te bespeuren.Een getatoeëerde Eskimoarm.Een getatoeëerde Eskimoarm.Telkens kregen we bezoek van de Eskimo’s die ons in Februari hadden verlaten, om op de zeehondenjacht te gaan. Wij beantwoordden de bezoeken ook te zijner tijd. Van den eerbied, dien wij hun inboezemden, kregen we in dien tijd een schitterend bewijs. De Itchjuachtorvik-Eskimo’s hadden, toen wij in den vorigen winter op weg naar de magnetische pool waren en aan de noordkust van Boothia Felix een dépôt hadden geplaatst, een slede met proviand gestolen. In dit jaar nu kwamen ze en leverden de slede weer in, omdat ze vreesden, dat wij hun iets kwaads zouden aandoen. Zij bleven op eerbiedigen afstand en zetten de slede bij het kamp der Netsjilli-Eskimo’s op het ijs neer. Hun angst moet werkelijk zeer groot geweest zijn, als ze een zoo kostbaar voorwerp als een slede terugbrachten. De slede had wel veel geleden, maar onder Lund’s kundige behandeling werd ze hersteld en was daarna nog sterker dan te voren.Niet zelden kwamen de Eskimo’s ons ’s avonds bezoeken. Ik had dan medelijden met hen in die vreeselijke koude en noodigde hen uit, bij ons te overnachten. Ze mochten in de kajuit bij den luitenant en mij slapen. Wij hadden soms tot dertien slaapgasten aan boord. Zij legden zich eenvoudig op den grond en dekten zich met een rendiervel toe, dicht aaneengesloten als haringen in een ton. De anderen in de voorkajuit weigerden, zulke gasten op te nemen; ze trokken de neuzen op en beweerden, dat de gasten een naren reuk achterlieten. Nu vond de luitenant evenmin als ik, dat het juist naar eau de Cologne, viooltjes of versch gemaaid hooi rook, als de Eskimo’s ’s avonds hun groote kaplaarzen uittrokken; maar wij voelden, dat we met dit offer op goedkoope en goede manier de echte gastvrijheid uitoefenden.In den loop van den winter stichtten luitenant Hansen, Wiik, Ristvedt en ik een verbond, welks leden zooveel mogelijk alle voortbrengselen van het land zouden proeven. Ristvedt werd tot vereenigingskok benoemd, daar Lindström zich liever in zee wilde storten dan zulke vuiligheid klaar te maken. Een gebraden vos, waaraan de vereeniging zich des avonds te goed deed, had onzen kok aan den rand van den waanzin gebracht en hij verklaarde, dat wij de grootste vuiliken van de wereld waren. Maar de vereeniging beweerde eenstemmig, dat een vossengebraad het fijnste gerecht was, dat ons ooit aan boord was voorgezet. Het vleesch der meeste vossen, die hier in menigte waren, smaakte ook werkelijk zeer goed, het deed aan hazenvleesch denken. Wij beproefden het ook met andere gerechten, als rendiermagen, zeehondvinnen en dergelijke.De winter was nu voorbij, en naar het scheen stond de lente voor de deur. Bij het vorige jaar vergeleken, was er een groot onderscheid merkbaar. Toen hadden we op het eind van Maart ongeveer 45 graden Celsiusonder nul gehad, en in dit jaar daarentegen slechts acht graden. Dat was een goed voorteeken voor den zomer, die zoo groote beteekenis voor ons had.Al het winterwerk was nu voorbij, en het station weer omgeven door een kring van observatoria. Onze reizigers, die met de slede naar het Noorden wilden gaan, konden vertrekken zoodra het mooi weer werd. Deze slede-expeditie had voor 75 dagen proviand bij zich, in de veronderstelling dat het in het vorig jaar bij kaap Crozier opgerichte dépôt in orde was; in het tegenovergestelde geval hadden ze maar voor 50 dagen proviand bij zich.Den 2denApril 1905 brak de expeditie op. Onder wederzijdsch levendig wuiven met de vlaggen gingen ze heen, en, begeleid door onze beste en hartelijkste wenschen, wendden ze zich westwaarts naar Victorialand.Met het vertrek van die expeditie begon naar onze berekening in dit jaar het voorjaar. Wel hadden we later nog een geweldigen sneeuwstorm; maar de koude van den winter was gebroken en keerde niet terug.Er was veel te doen dat voorjaar, want wij zouden opbreken met al ons hebben en houden en verder westwaarts trekken. In Juni 1905 werd na 19 maanden de loop der zelfregistreerende instrumenten veranderd; ze moesten stilstaan, na zoo lang te hebben gewerkt onder Wiik’s leiding. Onze gebouwen werden afgebroken. Alles werd aan boord gebracht, wat daar geschikt voor was, en toen werd deGjöavan onder tot boven nieuw geverfd en geölied. Ook al onze booten ondergingen een groote schoonmaak. Het kon immers wezen, dat wij dezen zomer “menschen” ontmoetten, en dan mocht niemand kunnen zeggen, dat wij, Noren, geen hart voor ons schip hadden. Toen was deGjöaweer net zoo frisch en mooi, als den dag waarop ze de werf verliet.Allen deden mee aan dit werk. Ristvedt en Lund hadden een valreeptrap gemaakt van ijzer en hout, een mooie trap, die later zelfs in San Francisco opgang maakte. “Niemand mag aan ons zien”, zeiden we toen in Juni 1905,“dat wij tweemaal overwinterd hebben!”Een Eskimofamilie op jacht.Een Eskimofamilie op jacht.Wij hadden nu maar te wachten op den terugkeer der slede-expeditie. Toen ze na verloop der eerste zeven weken niet terug waren, besloot ik daaruit, dat ze het dépôt bij kaap Crozier onbeschadigd hadden aangetroffen. Maar ook in dat geval hadden ze den 16den Juni er weer moeten wezen. In den laatsten tijd waren veel Eskimo’s van verre gekomen, maar geen een had wat van de onzen gezien, en ik werd langzamerhand een beetje angstig. Sinds de Eskimo’s in zoo grooten getale er weer waren, hadden wij een nachtwacht aan boord ingesteld. Ik drukte de wacht nog ernstig op het hart, goed uit te zien en mij dadelijk te wekken, als er iets in het gezicht kwam, dat op onze sledevaarders geleek.De 24ste Juni, Sint Jan, werd ook bij ons een feestdag, want des morgens om half zeven kwam Lund, die de wacht had, bij mij binnenstormen met den uitroep:“Daar hebben we ze!”Ik was dadelijk in mijn kleeren. Het was een heerlijke morgen, volkomen windstil met stekendenzonneschijn. Ginds bij de uiterste landpunt kwamen onze kameraden in het gezicht. Ik kan bijna niet zeggen, hoe blij en verlicht ik mij voelde bij hun aanblik. En de behandeling, die de honden nu ondergingen, toonde wel, dat de heeren goed op krachten waren. In een wipje was de vlag geheschen, en met haar verschenen alle anderen op dek. Dat was een jubel aan boord! Een beter ontbijt dan anders werd opgedischt en daarbij hoorden wij terstond de gewichtigste gebeurtenissen.De tocht had zwaar en lichter werk gebracht, maar meestal was de arbeid zwaar geweest. Het dépôt van kaap Crozier was door beren volkomen vernield; maar toen ze daar waren, hadden ze al vier rendieren geschoten. De overvaart naar de Victoriastraat was zeer bezwaarlijk geweest. Het ijs was hoog opgetorend, en op sommige dagen waren ze niet meer dan twee of drie zeemijlen vooruitgekomen. Om een weinig te vorderen, hadden ze buitendien steeds groote omwegen moeten maken. Aan den anderen kant van de straat hadden ze een nieuwen Eskimostam aangetroffen, de Kiilnermium-Eskimo’s van de Copperminerivier, die op de zeehondenvangst waren. Terwijl nu deze Eskimo’s bijna niets hadden, dat van ijzer was, hadden ze veel meer voorwerpen van hout dan de Netsjilli’s. Veel beter waren o.a. de bogen en de sleden. Onze beide reizigers ruilden voor spijkers en kleine messen zooveel zeehondenvleesch als ze noodig hadden. Zij bleven bij die menschen den nacht over, om een rustdag te hebben, die zoowel voor de menschen als voor de honden noodig was na den harden trek door het ijs.Toen werd de reis langs de onbekende oostkust van Victorialand voortgezet. Het land was zoo laag en vlak, dat het over het grootste deel der kust niet van de zee was te onderscheiden. Onder het voortgaan maakten ze een kaart van de kust. Ook schoten ze geregeld zeehonden, rendieren en beren, zoodat ze bijna altijd overvloed van levensmiddelen hadden.Op Vrijdag 26 Mei keerden ze om, nadat ze op het noordelijkste punt dat ze bereikt hadden, een wachtpost gebouwd en een reisbericht erin neergelegd hadden.De terugweg ging vlugger, daar ze nu geen opmetingen meer te doen hadden. Op dien terugweg werd het door Dr. Rae in de Victoriastraat waargenomen land nauwkeurig onderzocht. Het bleek een groep van vele kleine eilanden, The Royal Geographical Society-eilanden. Deze werden zoo goed mogelijk geographisch opgenomen, wat later van groot belang is gebleken voor ons verder doordringen. De Oglugi-zee tusschen Amerika, Victorialand en King Williamsland was voor het grootste deel met eilanden opgevuld en open, zooals op de oude kaarten is aangegeven. Het was goed, dat wij dat wisten voor het geval, dat we er in een donkeren nacht door wilden varen.Op den terugweg naar kaap Crozier hadden de reizigers gelukkig beter ijs gevonden, waar ze gemakkelijker op vooruit konden komen. Behalve een paar zeere hondenpooten was alles in den besten welstand. De reis had 84 dagen geduurd met een proviandvoorraad voor maar vijftig dagen. De expeditie had dus een uitstekend gevolg gehad, ja, men kon het succes bepaald schitterend noemen, als men aan het vele slechte weêr dacht, dat ze hadden gehad en als men in aanmerking neemt welke opmetingen ze hadden gedaan en hoeveel tijd ze aan de jacht hadden moeten besteden, om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien.Dat alles vernamen we bij het eerste ontbijt. Verder verliep de dag in feeststemming.Tegen het eind van Juni werd het zeer warm, en aan het strand begon het ijs te smelten. Als het op deze wijze verder ging, konden we een zeer goed ijsjaar verwachten, net als in 1903. Het land was bijna van ijs bevrijd, en de muggen plaagden ons geweldig.Aan boord moesten we ons nu in velerlei opzicht anders inrichten, daar Wiik en Ristvedt van het vasteland tot ons waren gekomen. De luitenant en ik moesten de kajuit met hen deelen. Daar Wiik aanhoudend met de uitwerking van zijn waarnemingen bezig was, kon de kajuit niet meer als donkere kamer worden gebruikt. Een donkere kamer moest de luitenant echter hebben; de vraag werd van alle kanten bekeken, en ten slotte eindigde luitenant Hansen met een donkere kamer, welker nadere bestemming ik niet nader wil aanduiden. In den nood leert men zich behelpen.Omdat nu de proviandtent ledig was, en de voorraad aan boord was overgebracht, werd ze tot allerlei doeleinden gebezigd. Vooreerst als droogkamer voor alle vogelhuiden, die er werden opgehangen en die in den aanhoudenden tocht snel droogden. Dan werd de tent als kantoor en badhuis gebruikt. Ons klein stoombad werd er neergezet en de ingang werd zoo laag gemaakt, dat ieder er zich in kon wasschen. Wij plaatsten er ook eenige tafels, waar we onze waarnemingsboeken en magnetische krommen konden nazien, vóór ze werden afgesloten.De Uil, Umiktuallu en Noliein gingen den 2den Juni westwaarts naar Kamiglu in de buurt van het eiland Eta, om er te jagen. Ik beloofde hun, daar in de Simpsonstraat stil te houden, als wij met deGjöavoorbijkwamen, en ik gaf hun een lange staak met een vlag eraan, die ze moesten oprichten, opdat we konden zien waar ze waren. Ze zouden ons rendierbouten aan boord brengen. Reeds lang had ik Lindström een paar dagen vacantie beloofd, die hij wilde besteden aan een onderzoek in het geheimzinnige binnenland. De Eskimo’s hadden veel verteld van een rivier, de Kaa-aaga-angi, daar hoog in het Noorden, die vol zalmen moest zijn, en veel familiën waren er nu heen gegaan, terwijl er berichten kwamen van grootsche vangsten. Daarheen gingen ook Lindström’s wenschen.Eindelijk was op den 4den Juni zijn expeditie gereed tot het vertrek. Ze bestond uit hemzelven en Talurnakto als eerste officier. Door de anderen was deze expeditie al als de “expeditie tot onderzoek van het binnenland van King Williamsland” genoemd. Ik beproefde nog het langst mijn ernst te bewaren tegenover de tochtgenooten. Lindström had zich immers heusch ten doel gesteld, zijn zoölogische verzamelingen te verrijken, en de andere kameraden hielden hem teveel voor den gek. Toen de expeditie den9den Juli terugkeerde, werd ze met groote ovaties ontvangen. De buit bestond uit veertig eieren en eenige eiderganzen. Het wetenschappelijk rapport was kort. Het luidde, dat Kaa-aag-angi een rivier was van de breedte van de Nid bij Drontheim, en dat het dier- en plantenleven het rijkst was bij het station!Den 26sten Juli was de haven dezen zomer voor de eerste maal ijsvrij. Wij zagen het water in de straat buiten al blauwer worden, maar er was nog geen scheur in het ijs te zien. Maar eenige dagen later kwam de wind te hulp; hetijs zettezich in beweging en in allerlei richtingen verschenen de scheuren. Wij waren nu klaar voor de afvaart. Met uitzondering van de meteorologische instrumenten en van de honden, die tot het laatst aan land moesten blijven, hadden wij alles aan boord. De ruimte was door al onze verzamelingen overvol. In twee groote ijzeren kisten waren onze waarnemingen van de laatste twee jaar geborgen. Zij waren zoo ingericht, dat ze in het water konden drijven en op beide was de naam van het schip te lezen. Daaromheen stonden kleine kisten met proviand voor veertien dagen, munitie en verdere uitrusting, alles om te worden meegenomen, in geval we het schip moesten verlaten. Ieder had er ook zijn zak bij liggen met die dingen, die hij in geval van nood het liefst zou willen redden.Al onze booten en kajaks van zeildoek waren in de beste orde. Wij waren erop voorbereid, ons te moeten doorboomen. De wachten waren zoo verdeeld, dat één man aan het roer stond, één op den uitkijk en één bij de machine. Wij deklieden moesten alle drie op het dek zijn, terwijl de vierde mocht slapen. De machinisten wisselden elkaar af op de wacht; de kok zou de behulpzame hand reiken, zoo vaak hij weg kon.Allen zonder uitzondering wisten wij nu, dat er zwaar werk voor den boeg was. Maar de eensgezindheid, die al den tijd onder ons had geheerscht, bleef en gaf ons allen moed.Van de Axel-Steenhoogte had men het beste uitzicht naar het Westen over de straat, en in de volgende veertien dagen was ik daar dagelijks twee- of driemaal. Den 12den Augustus kwam er weer een flinke bries, en als wij inderdaad weg wilden, dan moest het nu zijn. Luitenant Hansen, Lund en ik waren al vroeg in den morgen op de Steenhoogte. Het ijs, dat zich hardnekkig was blijven vasthouden aan King Williamsland en westwaarts, was teruggeweken. Nu moest de poging gewaagd worden. De aftocht werd op den volgenden morgen om drie uur vastgesteld.Een zomeravond op het dek van de Gjöa.Een zomeravond op het dek van deGjöa.Den 13den Augustus precies op dat uur draaide de ankerspil lustig op deGjöa. Het was geen uitlokkend weêr, dichte nevel met tegenwind. Met volle kracht van den motor voeren we de haven uit. De Eskimo’s hadden zich trots het vroege uur aan het strand verzameld en het laatste “Manik-tu-mi” werd ons toegeroepen. Een van hen, Tonnich, had zich laten vinden om als achtste reisgezel met ons mee te gaan. Wij loodden en peilden ons door de Simpsonstraat naar Boothpoint, waar wij moesten ophouden, omdat we niet meer genoeg konden zien of wij verder tusschen het ijs door, dat in groote massa’s oostwaarts dreef, konden doorvaren. We ankerden dus in de lij van een der groote riffen vóór de kaap, waar we tegen het drijfijs waren beschut. Af en toe verdeelde zich de nevel, en dan zagen we vóór ons de door zeer veel ijs omgeven Todd-eilanden. Op den westkant van de eilandengroep konden wij open water waarnemen; daar moesten we dus zien te komen.Om drie uur in den namiddag trok de nevel op en wij kregen een overzicht van onzen toestand. Wij waren niet ver van de Todd-eilanden verwijderd, die slechts uit drie lage, kleine eilandjes bestaan, maar groot genoeg zijn om een massa ijs te verzamelen. Het zag er niet zeer hoopvol uit. Tusschen de hoofdmassa ijs en het verste eiland was wel een streep open water; maar het was niet te denken, dat diesmalle geul ver door zou loopen. Het ijs dreef namelijk zeer snel oostwaarts en ging waarschijnlijk aan de westzijde der eilanden vast zitten.Wij moesten daarheen om te onderzoeken. Het weer was wonderschoon geworden, stralend helder en bijna windstil. Nadat we de zuidpunt van het eiland hadden bereikt, waren we in spanning of werkelijk de westzijde met ijs bezet zou wezen. Een geul, die zoo smal was, dat ze uit de verte nauwelijks breed genoeg scheen voor een bootje, lag open tusschen het ijs en de kust. Nu was er nog de vraag, of ze diep genoeg was. Alles hing af van den aard van de kust.“Ik geloof, dat we er door kunnen!” riep Lund uit den mast. “Ik zie wel rotsen op den grond, maar wij kunnen tot vlak bij de kust komen.”Dat was ook volstrekt noodig, als we verder wilden. Gelukkig daalde de westkust van het eiland zonder eenig strand loodrecht naar beneden; maar deGjöazou niet veel duimen breeder hebben moeten zijn, of wij waren blijven zitten. En wij stieten allen een zucht van verlichting uit, toen we tegen het Westen het open water der zee vóór ons hadden.Groot diner aan boord.Groot diner aan boord.Roald Amundsen.—Helmer Hansen.—Peter Ristvedt.Bij Hall Point hadden de luitenant en Hansen op hun boottocht van 1904 twee geraamten zien liggen. Het waren geraamten van blanken, dus van deelnemers aan de Franklinexpeditie. Zij begroeven ze en richtten een steenheuvel op, dien wij nu in alle stilte passeerden, juist toen de zon onderging, terwijl hemel en aarde overvloeid werden door een roodgouden licht; onze kleine triomfeerendeGjöagroette eerbiedig haar ongelukkige voorgangers.Toen ik den volgenden morgen vroeg op dek kwam, waren wij juist voor de Douglasbaai. Tonnich, die in deze streek bekend was, noemde ons de namen van de verschillende heuvelketens aan land. Hij ontdekte ook het kamp van onze Eskimo’s. Het lag op den Kamiglu, een kleinen heuvel van ongeveer 20 meter hoogte. De tenten staken tegen den horizon af, en wij konden ook de staak met de kleine vlag zien.Daar de nevel nu in groote golven op ons toedrong, richtten we den koers recht naar den Kamiglu. Aan den kant van het vasteland was de grond zeer ongelijk, en we moesten dus een goed eind uit den wal ankeren. De mist hulde het schip geheel in, en om de aandacht van de Eskimo’s te trekken, lieten wij met korte tusschenpoozen den misthoorn klinken.Reeds na korten tijd bewoog zich een kajak uit den nevel naar voren op ons toe, en een vroolijk “Manik-tu-mi” klonk ons tegen. Het was Nuleiu, dien spoedig anderen volgden. Zij waren allen zeer blij ons weer te zien, en Lund en ik gingen in de dorry om hen naar den wal te volgen. De mist hinderde de Eskimo’s niet in het minst. Zij lachten ons uit, toen wij hen vraagden, of ze bij zulk dik weer den weg wel konden vinden en voeren vlug weg. Ofschoon wij drie kwartier moesten roeien, kwamen we precies bij hun landingsplaats aan. Om zonder een spoor van zonneschijn en bij volstrekte windstilte met zooveel zekerheid voorwaarts te komen, moesten deze menschen werkelijk met een zesde zintuig begiftigd zijn.Aan land was de nevel minder dicht. Kamiglu was een naar alle kanten steil afdalend schiereiland en alleen door een smal strookje land, tusschen lagunen in het Oosten en het Westen, met het land verbonden. Op den top hadden onze vrienden hun woningen in zeven tenten in een waar arctisch paradijs. In de lagunen beneden haalden ze zich zooveel visch, als ze noodig hadden, en rondom de uitgestrekte meren in het binnenland weidden groote rendierkudden. De Eskimo’s hadden een goede jacht gehad en hadden overvloed van vleesch. Maar het meeste lag in dépôts buiten op het vrije veld. Zij waren wel dadelijk bereid het te halen; maar dat zou ons verscheiden uren hebben opgehouden, daarom stelden we ons tevreden met wat in het kamp aanwezig was. Wij liepen rond en zeiden onze oude vrienden vaarwel; het zou zeker lang duren, eer we elkaar weerzagen. Tegelijk verzamelden wij zooveel gedroogd vleesch en zalm als we konden krijgen.Ons kamp te King-Point.Ons kamp te King-Point.Vóór de tent van Umiktuallu stond een pleegzoon van hem, Maniratcha of Manni, zooals wij hem altijd bij verkorting noemden. Hij stond te snikken, want hij had zoo graag met ons mee willen gaan, en nu hoorde hij, dat Tonnich was aangenomen. Hij was een flinke jongen van zeventien jaar, en hij had vroeger al gevraagd, om mee te mogen, zonder dat ik er veel op gelet had. Nu stond hij daar, en het speet mij, dat de zaak zoo geloopen was, want ik had Manni veel liever gehad dan Tonnich. Ik zei dus, dat hij maar eens moest meegaan; dan zou ik zien.Des morgens om zeven uur begon het op te klaren, en ik hield het nu voor het beste, dadelijk aan boord te gaan, om terstond te kunnen vertrekken als het goed helder was. In onze boot namen wij zes-en-dertig heerlijke rendierbouten mee en een grooten hoop gedroogde zalmen. De Uil, Manni en nog twee Eskimo’s gingen met ons, en buitendien nog vier anderen in hun kajaks. Tegen acht uur waren wij aan boord, en de lucht was intusschen bijna geheel opgeklaard. Ik rekende met de Eskimo’s af en betaalde hen voor vleesch en visch met ammunitie.Daarop moest het geval Manni met de kameraden worden besproken. Wij waren het allen eens, dat we liever Manni hadden dan Tonnich, die sedert zijn aankomst aan boord den welverdienden naam van vreetzak had gekregen. Daar opeens kwam de jonge heer zelf naar mij toe, en ik sprak hem aan:“Nu, lieve Tonnich, wil je nu werkelijk met ons naar het land der Kabluna’s reizen?”Hierop verklaarde hij mij dadelijk met verbluffende openhartigheid, dat hij daar al lang geen lust meer in had. Hij kon de blanken niet verstaan. Vóór drie dagen wou hij volstrekt mee en nu, na een leventje als een prins, was hem de lust vergaan. Ik nam het verrassende bericht heel kalm op, want nu was de zaak met Manni in orde. Maar neen, nog niet heelemaal. De pleegvader, Umiktuallu, had er nog een woordje in mee te spreken, diezelfde aangename pleegvader, die vroeger zijn anderen pleegzoon doorstoken had. Hij moest eerst zijn toestemming voor de reis van den jongen geven. En die toestemming gaf hij niet voor niets. Hij was mee aan boord gekomen en eischte betaling voor den knaap. Een vijl en een oud mes bevredigden intusschen zijn verlangens; dus de prijs voor den pleegzoon was niet buitensporig.Het was helder, en wij zeiden den Uil en onze andere goede vrienden van den Netsjillistam hartelijk vaarwel. Het was een heerlijke, warme zomerdag met volkomen windstilte. Midden in de Simpsonstraat lag Eta als een reus, die ons den weg wilde versperren. Met de allergrootste voorzichtigheid voeren we door het zuidelijke vaarwater tusschen het eiland en het vasteland, niet breeder dan drie vierde zeemijl en vol ondiepten en riffen. Ik geloof, dat dit onze spannendste doorvaart was. In het kanaal werd het breeder water al ondieper; maar de uitkijk meldde, dat hij dieper water zag, als we maar eens over het rif waren. Het peillood was aanhoudend in werking, en het roer vloog van de eene zijde naar de andere, alsof het door dicht ijs ging, maar ten laatste kwamen we gelukkig de Etasond door.Nu konden wij ons ook eens met Manni bezighouden, die tot hier toe aan zichzelven was overgelaten. Ristvedt, die de namiddagwacht had bij de machine, kreeg de opdracht, Manni tot een Kabluna te maken. In aanmerking de massa zeep en insectenpoeder, die erbij gebruikt werden, moest men wel verwachten, dat Manni schoon werd, en dat was hij ook geworden,ofschoon wij hem zijn mooi haar lieten behouden, nadat het duchtig gekamd was. Zijn toilet viel wat bont uit, want het bestond uit een blauwen tricotkiel, een kniebroek van zeehondenvel, witte kousen, de oude verlakte schoenen van den luitenant en op het hoofd een oude lichtblauwe badmuts, die ik eens op de een of andere badplaats had gekocht. Van het eerste uur af won Manni ons aller hart; zijn lach verjoeg elke onaangename stemming, en hijzelf was blijkbaar uitstekend bij ons tehuis. Hij was echter ook in een Eskimoparadijs beland, een plaats, waar men zooveel mag eten als men maar kan bergen.In den loop van den avond kwam van het Zuiden wat ijs opzetten; de kant van het pakijs liep in noordwestelijke richting en dwong ons nu dien weg ook te volgen. Het vaarwater lag vol kleine, met ijs omzoomde eilandjes en klippen en voortdurend moesten wij peilen vanwege de ondiepten. Wij kropen voorwaarts op dien 15denAugustus, tot wij om vijf uur ’s avonds buiten in de Victoriastraat waren en de moeilijke eilanden achter ons hadden. De straat, waar we door gevaren waren, doopten we de Palanderstraat ter herinnering aan den moedigen kapitein der Vega. De eilanden ten zuiden ervan kregen den naam Nordenskjöld-eilanden, naar den leider der Vega-expeditie. Luitenant Hansen’s aardrijkskundige opneming van deze eilanden bleek volkomen juist.De Victoriastraat was met ijs opgevuld, dat echter zoo los was, dat we er doorheen konden dringen, want onze kleine Gjöa kon flinke stooten toedienen. Vóór het eiland Lind lag het ijs zeer dicht, maar wij slopen er door een smal geultje doorheen en vonden gelukkig aan de andere zijde open water. Toen wij in den morgen de zeilen wilden opzetten, brak de gaffel, en om die te herstellen, besloten wij in de Cambridgebaai, Collinson’s winterhaven, binnen te varen.Victorialand was vlak en eentonig. Deasestraat is diep genoeg, als men zich maar een paar zeemijlen van de kust heeft verwijderd; maar van alle landtongen en rotspunten loopen ondiepten in zee.Den 17denAugustus om vijf uur in den morgen gingen wij op de westkust van kaap Colborne voor anker. Dat was een merksteen op onzen weg, want nu hadden wij met deGjöahet tot nu toe nog niet overwonnen gedeelte van de Noordwestelijke Doorvaart bevaren. Van nu aan voelden wij ons eigenlijk in druk bevaren water. Hier en daar was zelfs een diepte op een kaart aangegeven, en vooral werkte geruststellend het bewustzijn, dat we nu vóór ons een stuk van de Doorvaart hadden, waar reeds een groot schip door was gevaren.Wij repareerden de gaffel en namen een dag rust, waarna we den volgenden morgen om drie uur weer in zee staken, Collinson’s beschrijving van het vaarwater was ons van grooten dienst; zij bleek volkomen juist; de groote eilanden vielen ook nu steil in zee, en het water was diep en zuiver.Het kompas, dat ons op de doorvaart door de Etasond in het geheel niet van dienst was geweest, begon nu weer te werken; maar we moesten de aanwijzingen natuurlijk met de grootste voorzichtigheid opnemen. Den volgenden dag passeerden wij de Richardsoneilanden, die nog al plantengroei vertoonden. Toen kwamen de Mileseilanden, die naar het Westen zacht afdalen, en het eiland Douglas. Weer stelden de ondiepten en eilanden ons veel moeilijkheden in den weg, en het was een ontroerende gedachte, dat als wij nu hier moesten terugkeeren, de heele onderneming op niets zou uitloopen en het doel, dat reeds zoovelen zich te vergeefs gesteld hadden, weer onbereikt zou blijven. Ik was dan ook zeer zenuwachtig, kon bijna niet eten en was steeds op onaangename verrassingen verdacht.Maar toen we de Dolphin- en Uyionstraat hadden bereikt, was de laatste moeilijke doorgang in de Noordwestelijke Doorvaart achter den rug, en onze verlichting was onbeschrijfelijk groot. Nu ging het met korte onderbrekingen door nevel of tegenwind gelijkmatig westwaarts. Den 27sten Augustus, toen om acht uur ’s morgens mijn wacht voorbij was en ik te bed was gegaan, werd ik, na een poos te hebben geslapen, door een druk heen en weer loopen op het dek gewekt. Er was boven blijkbaar iets bijzonders aan de hand, en ik ergerde mij, dat ze om een zeehond of een ijsbeer zoo’n leven maakten. Maar daar stortte luitenant Hansen de kajuit binnen met de onvergetelijke woorden:“Schip in zicht!”Dadelijk daarna verdween hij weer en liet mij alleen.De Noordwestelijke Doorvaart was volbracht! De droom mijner kindsheid—op dit oogenblik was hij verwezenlijkt! Een eigenaardig gevoel snoerde mij de keel dicht; de tranen kwamen mij in de oogen. Schip in zicht! het woord had een magische uitwerking. Op eens waren het vaderland en alle vrienden mij zoo nabij, alsof ze de handen naar mij uitstrekten. Schip in zicht!In alle haast kleedde ik mij. Toen ik klaar was, stond ik een oogenblik stil voor het portret van Frithiof Nansen. Het was alsof het portret levend was geworden, alsof het mij toeknikte. “Ik wist het wel”, scheen het te zeggen. Ik knikte terug, lachend en gelukkig, en ging aan dek.Het was een prachtige dag. De wind was een weinig naar het Oosten gedraaid, en het ging vlug voorwaarts. DeGjöascheen te begrijpen, dat thans het ergste geleden was; ze was zoo merkwaardig licht in haar bewegingen. De beide mastpunten daarginds aan den horizon hielden al onze aandacht bezig. Alle mannen waren op dek, en alle verrekijkers waren op het ons tegemoetkomende schip gevestigd. Op aller gezicht troonde een lach; maar er werd niet veel gesproken. Nu liet een van allen den kijker dalen.“Ik zou wel willen weten...”En weer werd het instrument voor de oogen gehouden. Een ander liet den kijker neer en begon weer: “Ik zou wel willen weten...!”Toen de romp van het vreemde schip zichtbaar werd, heschen we onze noorsche vlag. Langzaam rees ze; alle oogen volgden haar met liefkoozende blikken. Ze was verkleurd en had veel geleden, maar zij droeg naar litteekenen met eere.“Ik zou wel eens willen weten wat hij denkt, als hij ons ziet!”“Hij denkt, dat het een vervloekt mooie vlag is!”“Hij is waarschijnlijk een Amerikaan.”“Ik zou denken dat het eerder een Engelschman is!”“Ja, wat wij voor lui zijn, dat ziet hij nu aan de vlag.”“O ja, hij ziet nu, dat wij menschen uit het oude Noorwegen zijn.”De schepen kwamen snel dichter bij elkaar.“Thans wordt de amerikaansche vlag geheschen!” riep de man op den uitkijk, die den grooten verrekijker op het schip had gericht. En ja, spoedig zagen we allen de sterrenvlag met de strepen. Hij had onze vlag gezien en herkend, dat was duidelijk. De stoom vloog om het schip; het had blijkbaar een motor net als wij, en kwam snel vooruit.Nu was het tijd om zich voor de eerste ontmoeting wat op te knappen. Vier van ons zouden aan boord van het andere schip gaan, en de vier anderen moesten op deGjöablijven. In haast werden onze beste kleederen voor den dag gehaald. Enkelen trokken hun deftige, vaderlandsche kleeren aan; anderen gaven aan de Eskimodracht de voorkeur. Er was een, die laarzen van zeehondenvel voor de gelegenheid het meest passend vond, en een ander droeg gewone zeemanslaarzen. Op dek werd ook opgeruimd, zoo goed het ging. Van uit zijn mastkorf kon de Amerikaan door zijn kijker ons dek geheel overzien. En wij wilden een zoo goed mogelijken indruk maken. Wij waren nu zoo dicht bij elkander, dat wij van ons dek het geheele schip konden overzien. Het was een kleine, zwartgeverfde tweemaster, die een sterken motor moest hebben; wij maakten nu ons bootje klaar, lieten de machine bijdraaien en maakten onze dorry, onze zeewaardige boot, los. Het was wel geen mooie boot, en de kapitein had op het achterbankje met de vlag geen bepaald gemakkelijke zitplaats, maar het bootje paste bij ons schip, en wij waren immers ook niet op een pleizierreis.Onze trouwe knecht Manni.Onze trouwe knecht Manni.De Amerikaan had zijn machine stop gezet en wachtte ons. Met twee man aan de riemen, waren we gauw naast hem. Een eind touw werd ons toegeworpen; ik vatte het aan en nu was ik weer in verbinding met de beschaving. Zij trad mij wel niet met overweldigende pracht te gemoet, want de “Charles Hansson” uit San Francisco zag er niet naar uit, alsof er overdreven weelde aan boord zou wezen. Een trap was overbodig, daar het schip diep in het water lag. Wij grepen de reeling en kropen naar boven. De eerste indruk was eigenaardig. Op het dek was elke voetbreed zoo bezet, dat men niet wist, hoe er door te komen. Eskimo vrouwen met roode rokken en negers in de bontste kleeren liepen door elkander, precies als in een soort van sprookjeswereld. Een oudere man met wit haar en baard trad op mij toe. Hij was pas geschoren en netjes gekleed, blijkbaar de kapitein.“Is u kapitein Amundsen?” luidde zijn eerste woord.Ik was zeer verbaasd, dat men hier aan het eind der wereld iets van ons wist en antwoordde bevestigend.“Is dit het eerste schip, dat u ontmoet?”Toen ik daarop toestemmend antwoordde, klaarde zijn gezicht op en wij drukten elkaar lang en hartelijk de hand.“Het doet mij buitengewoon veel genoegen, dat ik de eerste ben, die u mag welkom heeten na uw volbrachte Noordwestelijke Doorvaart.”Hierop werden wij uiterst vriendelijk in zijn kajuit genoodigd. Het was geen groote ruimte, maar toch wel even groot als de kajuit op deGjöa. Kapitein James Mc Kenna was een middelgroote, corpulente man van tusschen vijftig en zestig jaar. Dat hij een stamgast in de IJszee was, kon men wel aan hem zien. Het diepgegroefde, koperroode gezicht sprak van koude en slecht weêr. Hij was joviaal en gul en vroeg, of wij het een of ander noodig hadden, waarmee hij ons kon helpen. Het eenige, wat ons ontbrak, waren berichten uit het vaderland, maar helaas, die kon hij ons niet brengen. Hij had wel een paar oude kranten, maar...“Oude! Ja, voor u! Voor ons zijn ze fonkelnieuw!”Hij bracht een hoop, en door een merkwaardig toeval viel mijn oog het allereerst op een titel, dien ik als versteend aanstaarde.“Oorlog tusschen Noorwegen en Zweden.”Ik verslond het artikel in haast, maar het gaf slechts weinig opheldering. Kapitein Mc Kenna was al lang onderweg en kon ons niets naders meedeelen. Wij vraagden aan allen op het schip, of ze er ook meer van konden vertellen, maar tevergeefs. En deze onzekerheid was pijnlijker dan de totale onwetendheid van te voren. Maar er was niets aan te doen; wij moesten geduld oefenen.Na een zeer goed middagmaal wonnen luitenant Hansen en ik zooveel mogelijk inlichtingen in omtrent den verderen weg van hier af. Mc Kenna was de senior van de amerikaansche walvischvaardersvloot en kende de kust van Noord-Amerika beter dan iemand. Zeer dankbaar waren wij voor amerikaansche kaarten van de verdere reis. Ze waren nieuwer danonze eigene en gaven veel bijzonderheden. Met randopmerkingen en koersrichtingen van den ouden bevaren zeeman waren ze een ware schat voor ons. Wel waren ze al wat versleten en we moesten dus voorzichtig ermee omgaan.Toen vroegen wij naar de ijstoestanden. Of hij geloofde, dat wij verder naar het Westen zonder bezwaren vooruit zouden kunnen komen. Hij zei, dat hij op de heenreis door het ijs bij het Herscheleiland was opgehouden; maar wij zouden zoo laat in het jaar wel niet op hinderpalen stooten. En dat Herscheleiland zouden wij in elk geval gemakkelijk bereiken. Hij dacht zelf op dat eiland te zullen moeten overwinteren, en misschien ontmoetten we elkaar daar nog eens weer. Vóór den winter wou hij nu nog naar Banksland op de walvischvangst. Tot nu toe had hij geen geluk gehad en nog geen enkel dier getroffen. Zijn motor was zeer sterk, en hij zou ons bij zijn terugkeer naar Herscheleiland misschien nog wel inhalen. Buitendien gaf hij ons alle mogelijke inlichtingen over het ons wachtende vaarwater. Een zeer aangenaam bericht was de mededeeling, dat langs de geheele kust de grond uit leem bestond, zoodat wij veilig naar het lood konden varen. Wij waren daarin niet verwend, en dit verdere deel van onze reis kwam ons dan ook bijna als een pleizierreis voor.Daar de wind bleef aanhouden en ik daarvan gebruik wilde maken, namen wij na een paar uur afscheid van onzen beminnelijken gastheer. Bij het vertrek schonk hij ons een zak aardappelen en een zak uien. Daar het al lang geleden was sedert wij iets dergelijks hadden geproefd, nam ik die gift in dank aan.Aan boord werden wij in groote spanning verwacht. Wij besloten ons voorloopig niet bezorgd te maken over het bericht van oorlog tusschen de twee volken en de aardappels en uien, waren het middelpunt van onze blijdschap.Toen haalden we onze vlag in en zetten de vaart met volle zeilen voort. Mc Kenna voer naar het Oosten, om zijn geluk op de walvischvangst te beproeven.Den volgenden avond passeerden wij de Franklin-baai. Den 30stenAugustus waren wij al bij het eiland Bailey en zagen er geen ijs, zoodat we den moed vatten, om recht naar het Herscheleiland over te steken.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Bij kaap Bathurst zagen wij het dikke, bruine water, dat de rivier de Mackenzie naar buiten stoot. Er kwam nu weer ijs opzetten met nevel. Er volgde nu nog een zeer moeilijke vaart van eenige dagen. Bij kaap Sabine gingen we aan land, om rond te zien. Er breidden zich groote, met lang gras begroeide weiden uit en in de dalen groeiden hooge struiken. Den volgenden morgen, het was de derde September, waren wij zoowat een uur onderweg, toen de man op den uitkijk naar beneden riep, dat een boot van het land naar ons toe kwam. Eerst meenden wij dat het Eskimo’s waren, doch al spoedig zagen we, dat het twee blanken en één Eskimo waren.Wij namen ze aan boord en merkwaardig genoeg, sprak een der mannen ons dadelijk in het Noorsch aan. Het was de Noor Christian Sten, die tweede stuurman op de schoenerBonanzavan San Francisco was geweest. De schoener was gelijktijdig met ons van huis weggevaren en had even als wij tweemaal in deze streken overwinterd. Het schip was door herhaald stooten op het ijs er slecht aan toe, en voor eenige dagen had men het bij King Point aan land moeten zetten, omdat het anders zou zijn gezonken. Sten woonde nu met een der harpoeniers en eenige Eskimo’s aan den wal, om de wacht te houden bij de proviand en de verdere uitrusting. De kapitein van het schip, kapitein Mogg, was met de overige bemanning in booten naar het Herscheleiland gevaren en wou van daar met een ander schip zuidwaarts naar San Francisco gaan.Daar zagen wij al het wrak onder de steil afdalende kaap vóór ons.Sten zei ons, dat het ijs tot dicht bij King Point reikte en dat wij voorloopig niet verder zouden komen. Hij twijfelde overigens niet, of het zou nog wel weer losraken. Hij had het zelfs wel beleefd, dat het ijs op 9 October nog was los gegaan.Om twaalf uur op den middag bereikten wij het land en vonden alles, zooals Sten het beschreven had. Wij voeren tot bij een groot stuk grondijs, dat aan den buitenkant van het wrak lag en maakten er deGjöaaan vast. Hoe weinig vermoedden wij, dat King Point onze verblijfplaats voor tien maanden worden zou!We roeiden aan land, om deBonanzaen Stens kleine kolonie te zien. Kapitein Tilton op deAlexandrawas de oudste kapitein derzelfde reederij, aan wie ook deBonanzabehoorde, en hij had, toen hij voor twee dagen voorbijgevaren was, aan Sten de opdracht gegeven, ons alle mogelijke hulp te verschaffen. Wij waren wel goed voorzien van het noodige; maar bij een zoo vriendelijk aanbod was er altijd nog wel het een of ander, dat welkom was. Wij ruilden veel conserven met hem, daar wij graag de amerikaansche wilden proeven, terwijl Sten naar noorsche verlangde. Ook kregen wij nog veel andere kleinigheden, en ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor de diensten, die Sten en deBonanzaons bewezen.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Sten had al vele winters aan de noordamerikaansche kust doorgebracht en kon ons dus ook veel belangrijks over het land en de bewoners vertellen, en, wat van gewicht was, hij kende de hier wonende Eskimo’s.Om dezen tijd had ook Manni zich aan boord thuis leeren voelen. Hij was als een Kabluna gekleed, en daar hij een buitengewoon goed jager was, had ik hem een geweer gegeven, waar hij zeer trotsch op was en dat hij opperbest behandelde. Ik vroeg hem, of hij ons niet liever wilde verlaten en aan land gaan, maar hij antwoordde beslist ontkennend. Ik nam hem mee naar de Eskimo’s, die bij Sten woonden, en zie daar, ze konden elkaar verstaan. Het eene of het andere woord verschilde wel, maar in het groot beschouwd, was het dezelfde taal. Deze Eskimo’s, een man en drie vrouwen, waren afkomstig uit de buurt van de Kotzebuesond in de nabijheid der Beringstraat en ze waren met de walvischvaarders hierheen gekomen. Zij noemden zich Nunatarmiun-Eskimo’s. De bewoners der kust hier noemden zich Kagmallik-Eskimo’s; maar de beschaving had reeds een zoo verderfelijken invloed op hen uitgeoefend, dat ze van verscheiden honderden familiën al tot op enkele weinige versmolten waren. De Kagmallik-Eskimo’s waren grooter en knapper menschen dan de Nunatarmiun-Eskimo’s. Sten wou juist zich op een plateautje aan de berghelling een huis bouwen dichtbij het groote proviandhuis en al het andere, dat aan land was gebracht. Wij brachten ook een bezoek aan boord van deBonanza. Het schip lag aan den oever; de voormast was gekapt, maar de groote mast stond nog. Daarvan was een tros getrokken naar hetzelfde ijs, waar wij aan vast lagen; een andere tros was aan den wal bevestigd. Het ruim was vol water, en een menigte leege vaten dreven erin rond.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Met hun toestemming namen wij wat wij noodig hadden, vooral takelwerk, blokken, lantaarns en dergelijke. Een klein kacheltje werd ook met vreugde ontvangen. Als wij nog een winter moesten blijven, en daar begon het wel op te gelijken, zou dat ons goede diensten kunnen bewijzen. En ook voor Sten waren wij te rechter tijd gekomen. Hij had veel te doen en moest hulp hebben. Die had hij later met gemak van de Eskimo’s kunnen krijgen; maar het was veel beter voor hem, als het werk gedaan was eer er sneeuw lag.Wij waren niet de eenigen, die naar een verandering in de ijstoestanden verlangden. Een groot aantal Eskimo’s was met hun booten op weg van Herschel-eiland naar de Mackenzie, ongeveer vier zeemijlen westwaarts, door het ijs opgehouden. Ze hadden hunbooten aan land moeten trekken en waren nu tot wachten gedoemd. Van de hoogte op King Point konden wij het takelwerk van een schoener in de richting van Key Point vijftien zeemijlen westwaarts waarnemen. Dit schip behoorde aan de Eskimo’s. Zij hadden het ingeruild voor pelswerk en deden er nu mee aan walvischvangst. Nu was het aan den grond geloopen, kwam echter weer los vóór het vroor, en wendde zich nu naar het Herscheleiland. De hier wonende Eskimo’s zijn alleen schippers en walvischvangers, de Amerikanen nemen geen groote bemanning mee, daar ze hier menschen genoeg vinden, die het werk best kunnen doen aan boord.Ristvedt en Manni waren op de jacht geweest en kwamen met een menigte sneeuwhoenders terug. De luitenant en ik deden aan vischvangst en we leverden menig lekker vischgerecht voor de keuken. Lund werkte in het zweet zijns aangezichts, om de nieuwe gaffel klaar te krijgen, eer wij verder voeren. Wiik en Hansen hadden zich op mijn verzoek bereid verklaard, Sten bij het bouwen van zijn huis te helpen, dat onder dak zou komen, eer er sneeuw viel. De hulp der beide flinke werkers was gemakkelijk te krijgen geweest, en ze hadden schik in de verandering van arbeid en van spijs.De dagen verliepen, maar in het ijs speurden wij geen verandering. Wij moesten ons met de gedachte vertrouwd maken, hier te overwinteren. De vraag was maar, of er ruimte genoeg was. De baai vóór ons was zeer ondiep en vol van vaststaande ijsbergen, zoodat er weinig kans was op verandering. Sten vertelde, dat hier eenmaal drie walvischvaarders hadden overwinterd, maar dat ze in dien tijd geen enkele beweging hadden waargenomen. Naar het Oosten was het oeverwater nog open, zoodat wij Shingle Point, vijftien zeemijlen verder oostwaarts zouden hebben kunnen bereiken, waar een haventje moest wezen, maar dat was toch onzeker, en daar wij hier gezelschap en hulp hadden, besloten wij te blijven waar we waren.Elken nacht werd het ijs nu een duim dikker en weldra was ons lot ook voor dezen winter bezegeld. Op Zaterdag den 9den September konden wij over het ijs loopen, en daarmee moest de derde winter beschouwd als te zijn ingegaan.Op denzelfden dag, waarop het ijs begaanbaar werd, kregen wij ons eerste bezoek. Het was een zendeling, de heer Fraser, die van Herscheleiland kwam en naar Fort Mc Pherson wou, het noordelijkste station der Hudsonsbaaimaatschappij aan de Mackenzie. Als gids had hij een Eskimo, Roksi, geheeten, bij zich. De reizigers waren door het ijs opgehouden en woonden nu aan het strand, ongeveer vier zeemijlen westwaarts van ons in een tent. Van den heer Fraser hoorden wij, dat in de haven van Herschel vijf schepen door het ijs waren ingesloten; verder lagen er nog zes andere verder naar het Oosten, ze wisten niet waar. Dus waren er nu niet minder dan twaalf schepen hier in het ijs, en daarvan waren slechts drie op een overwintering ingericht. Dat zag er niet te best uit.Roksi was een Kagmallik-Eskimo, en daar zijn vader stamhoofd was geweest, hield hij zich voor een persoon van gewicht. Zijn stamgenooten hadden de leelijke gewoonte, zich in elken hoek van den mond een gat in de onderlip te boren en er als sieraad een hoornen knoop in te steken. De eenigzins geciviliseerde hadden het sieraad weer verwijderd; de gaten trokken dan weer dicht, maar lieten leelijke litteekens.Den 11den September begonnen we met den bouw van ons huis. Wij wilden dezen winter van drijfhout twee huizen bouwen, een om erin te wonen en een als observatorium en voor de magnetische instrumenten. Het woonhuis zou uit twee afdeelingen bestaan, een slaapkamer voor vier man en een ruimte, die tegelijk keuken en eetkamer zou wezen. Het liefst zouden allen aan land hebben willen wonen. Om de vochtigheid aan boord te verminderen, liet ik de geheele keuken aan land brengen.Onze kok en Sten hadden innige vriendschap gesloten, en daarvan wilden wij zooveel mogelijk profiteeren. Sten was namelijk een uitstekend kok; in zijn nu voltooid huis had hij een grooten haard, waar de heerlijkste gerechten gereed konden worden gemaakt. De luitenant en ik wilden met Manni aan boord blijven en het schip bewaken. De architect en de smid zorgden voor den bouw van het huis. De vorm van een aardhut scheen hun het best; Hansen en Wiik hielpen hen bij het werk. Als bouwterrein was het vlakste deel van den heuvel gekozen.Aan boord richtten de luitenant en ik ons zoo goed mogelijk in. De kachel van deBonanzawerd geplaatst en verbreidde al gauw al de warmte, die wij de vorige winters ontbeerd hadden. Manni was onze “meid alleen”.In dezen tijd kregen wij geregeld bezoek vooral van Eskimo’s, die, als wij, in het ijs waren opgesloten. Af en toe was ook de zendeling erbij. Sten had zijn huis met zoden gedekt, en de Eskimo Kunak was met de zijnen getrokken in een door hem gebouwd huis, dat dicht naast dat van Sten lag. De winter mocht komen; hij vond de kolonie van King Point bereid hem te ontvangen. In het geheel waren er twintig personen, die gedurende de eerstvolgende tien maanden op deze plek kampeerden.Op deGjöawoonden luitenant Hansen, Manni en ik; in ons huis aan wal de andere vijf van ons; vijftig meter verder westwaarts lag Stens huis, dat van planken en balken uit deBonanzawas opgetrokken en er als een villa uitzag. Het bestond uit twee kamers, waarvan de eene bestemd was voor Sten met zijn vrouw Kataksina en zijn dochtertje Anni, en de andere voor den harpoenier Jimmi met zijn vrouw. Boven was nog een hokje voor den Eskimo Neiu met zijn vrouw.Wand aan wand met Sten had Kunak zijn huisje gebouwd van slechts één kamer met twee bedden, een tafel en een kachel. Het was weinig, in aanmerking genomen dat Kunak er woonde met zijn vrouw, zijn oude moeder en twee kinderen. Hij kreeg vaak gasten en dan woonden er soms tien menschen in het kleine huis.Er waren in de kolonie ongeveer evenveel honden als menschen.Al lang had ik het ijs erop aangezien, of het niet spoedig mogelijk zou wezen, per slede naarHerscheleiland te komen, omdat ik er naar de post onderzoek wilde doen, die van daar in de eerstvolgende dagen zou vertrekken. Wij verlangden allen zoo naar berichten van huis. Ik had met Sten afgesproken, samen te gaan, daar hij met walvischvaarders op Herscheleiland zaken had te doen. De Eskimo’s westwaarts van ons hadden beloofd, bericht te zenden, zoodra het ijs voor de sleden geschikt was, want er loopt daar een rivier in zee uit.Op Zondag 24 September 1905 kwam een Eskimo voorbij, die naar Herschel ging. Als die erheen kon gaan, zou het ons ook gelukken. Den Dinsdag daarop vertrokken wij met een slede en een goed span honden. Daar wij het loopen nog niet gewend waren, hielden we den eersten dag bij Key Point stil, vijftien mijlen van King Point en twintig mijlen van Herschel verwijderd. Wij sloegen op het strand een tent op en maakten het ons gemakkelijk. Ik had Manni meegenomen, om hem de groote schepen en de vele Kabluna te laten zien.Den volgenden dag om half vijf waren wij in de haven van Herscheleiland. Daar deed zich een zeer ongewone aanblik aan ons voor, want er lagen vier groote schepen naast elkander en op het ijs ertusschen wemelde het van menschen. Onze aankomst wekte groot opzien. In een oogenblik waren wij door een dichte menigte omringd; er waren Mulatten onder en negers, blanken en gelen. Hun kleeding was zeer verschillend; de meeste Eskimo’s liepen in Kablunakleeren en de meeste Kabluna’s in Eskimokleeren. Kabluna’s noemen de Eskimo’s hier alle menschen van een vreemd ras. De negers noemen ze echter “maktok” Kabluna, wat zooveel beteekent als “de zwarte blanke”.Ik was de gast van veel kapiteins, sprak met de zendelingen, en had het voorrecht een brief van huis te ontvangen, met vreugde begroet, al was hij anderhalf jaar oud. Manni had veel pleizier en kreeg verscheiden uitnoodigingen bij de Eskimo’s. Het leven aan boord van die amerikaansche walvischvaarders staat in geen te besten roep, en ik hoorde er wonderlijke verhalen over; maar positieve bewijzen heb ik niet verkregen. De post zou den 20sten October over Fort Mc Person naar Fort Yukon gaan, en daar zou ze wachten en dan voor de verschillende kapiteins telegrammen verzenden en terugbrengen.Met een antwoord voor ons zag het er dus vóór de maand Mei niet best uit, want de post wordt over Edmonton naar Fort Mc Pherson gebracht en van daar door Indianen naar Herscheleiland overgebracht. Dat duurde te lang, en wij vroegen daarom bij de walvischvaarders, of zij er iets tegen hadden, als ik de post den 20stenOctober vergezelde. Met de grootste vriendelijkheid werd dit goed gevonden en al wat ik ervoor noodig had, werd te mijner beschikking gesteld. Kapitein Mogg van de gestrandeBonanzawilde ook met de post verder reizen en trachten, San Francisco te bereiken, om dan in het volgend jaar met een nieuw schip weer naar de noordelijke breedten te trekken.Den 29stenSeptember keerden wij naar deGjöaterug. Zonder veel moeite hadden we ’s avonds om elf uur ons doel bereikt. Drie weken later was mijn uitrusting voor de postreis klaar; ik nam vier honden mee en ook Jimmi, om hem een blik in de beschaafde wereld te laten slaan.Na mijn vertrek verliep op deGjöade tijd kalm onder het commando van luitenant Hansen. Een reeks van jachtexpedities werd ondernomen, en nooit keerde men met leege handen terug. Kunak, de Eskimobuurman van Sten, werd naar de Mackzenziedelta gezonden, om op elanden te jagen, die daar nog in menigte voorkomen. In het begin van Maart ontvingen ze de eerste postzending aan boord. Het waren een aantal couranten en een telegram, dat ik met de “Royal Northwest Mounted Police,” die Dawson City den 25stenDecember verliet, had afgezonden. Door deze couranten en door brieven van mij kregen ze nauwkeurige berichten over hetgeen er in Noorwegen en in de verdere wereld was voorgevallen en tegelijk ontving ieder berichten van de zijnen.Den 12denMaart was ik terug aan boord met nog meer brieven en couranten. Onze derde winter was goed doorstaan. Helaas, dat er op het laatst nog iets heel droevigs moest gebeuren. Wiik werd in de derde week van Maart onwel; maar niet zóó, dat we aan iets ernstigs dachten. Hij had geen eetlust en kreeg den 26stenhevige pijn in de zijde. Den volgenden dag moest hij blijven liggen; de pijn in de rechterzij hield aan, en ik begon voor borstvliesontsteking te vreezen. Eerst behandelden wij hem met koude omslagen, later met mosterdpleisters en pappen, en in den nacht op den 28stenschertste hij weer met ons en voelde zich beter. Maar in den namiddag namen de pijnen toe; er kwam benauwdheid bij, en de pols ging tot honderd-vier slagen in de minuut. Wij hadden een electrische leiding tusschen het woonhuis en het schip. Den 30stenMaart schreef ik in mijn dagboek: “Wiik is veel beter. Temperatuur van morgen 38.8 graden, met kalmen pols; eetlust neemt toe en spijsvertering goed.”En toch, dien nacht werd ik door de electrische bel gewekt; Wiik was veel erger. Ik schreef aan kapitein Tilton, die een dokter aan boord had, dien te zenden en stuurde Jimmi er mee naar Herscheleiland, maar eer hij vertrokken was, had onze beste vriend Wiik reeds den laatsten adem uitgeblazen. Onzegbaar treurig bleven we dien nacht bij den doode; hij was voor ons allen een goed vriend geweest, en door zijn opgewekt humeur had hij veel tot de onderlinge aangename verhouding bijgedragen.Het werk moest ons over de droefheid heen helpen. Lund had den 3den April de zwartgeverfde doodkist gereed, waar Wiik in werd gelegd, in afwachting, dat de grond zoo ver zou zijn ontdooid, dat we onzen vriend konden begraven. Op het toegeschroefde deksel spreidden we de noorsche vlag.Den 2den Mei kwam vroeg in den morgen een Indiaan aan boord met de eerste regelmatige post, die over Edmonton en Fort Mc Pherson aan de Yukon naar Herschel was gekomen. Luitenant Hansen en ik waren de gelukkigen, ieder van ons kreeg een brief, wel oud maar zeer welkom. Den 6den keerden de brengers terug, en daar ze terstond naar Aljaska gingen, gaven wij hun eenige brieven mee en een telegram, dat, naar ik uitdrukkelijk zei, groote haast had. Het was het bericht van Wiik’s dood, waardoor ik hoopte te verhinderen, dat zijnoude moeder van anderen kant de tijding ontving. Maar het telegram is nooit in handen van den heer Firth, den directeur op Fort Mc Pherson gekomen.Mei was een mooie maand, en den 9den konden we onzen vriend begraven. Er werd een kruis met een krans op den grafheuvel geplaatst en ik sprak een laatste afscheidswoord.Een der flinkste Eskimo’s, Manitchja, bewees ons in dezen tijd den dienst, Manni tot zich te nemen, want ondanks al onze moeite om hem te winnen, wilde hij weer naar de Eskimo’s. Toch duurde die stemming niet lang; na een week was hij al terug, en wij namen hem weer in genade aan.

Een getatoeëerd Eskimobeen.Een getatoeëerd Eskimobeen.

Een getatoeëerd Eskimobeen.

Eens kwam de Uil met een anderen Eskimo aan boord en vertelde, dat eenige Oglugi-Eskimo’s onze proviandtent hadden bestolen; ze brachten een ongeopende boterbus mee, die ze hadden opgeraapt. Bij onderzoek bleek, dat een vierde kist sledebrood, tien platen pemmikan en de bovengenoemde boterbus ontbraken. Als we er niets van vernomen hadden, zou de diefstal waarschijnlijk nooit zijn uitgekomen, want de dieven hadden alles weer in goede orde gebracht. En ze hadden het niet te erg gemaakt. De oude Teraiu en zijn broeder Tamoktuktu hadden aan de spits der onderneming gestaan, die in den vroegen morgen haar slag had geslagen. De Uil kreeg ter belooning voor zijn eerlijkheid een groote bijl, de ander een mes. Toen ze het schip weer verlieten, droeg ik hun een groet op voor de dieven en liet hun zeggen, dat zoo een van hen het in zijn hoofd mocht halen, zich ooit weer in Ogchoktu te vertoonen, dat hij dan op de plaats zou worden doodgeschoten. Op denzelfden avond legde Ristvedt een kleine mijn aan bij de deur van het proviandhuis, die zoo ingericht werd, dat ze op hetzelfde oogenblik ontplofte als de deur openging. Het was een ongevaarlijk ding, maar zou voldoende zijn, een nieuwe inbrekerspoging te verhinderen.

In dezen tijd haalden we ook de beide booten binnen, die we in het open veld hadden achtergelaten; er was geen schade aan te bespeuren.

Een getatoeëerde Eskimoarm.Een getatoeëerde Eskimoarm.

Een getatoeëerde Eskimoarm.

Telkens kregen we bezoek van de Eskimo’s die ons in Februari hadden verlaten, om op de zeehondenjacht te gaan. Wij beantwoordden de bezoeken ook te zijner tijd. Van den eerbied, dien wij hun inboezemden, kregen we in dien tijd een schitterend bewijs. De Itchjuachtorvik-Eskimo’s hadden, toen wij in den vorigen winter op weg naar de magnetische pool waren en aan de noordkust van Boothia Felix een dépôt hadden geplaatst, een slede met proviand gestolen. In dit jaar nu kwamen ze en leverden de slede weer in, omdat ze vreesden, dat wij hun iets kwaads zouden aandoen. Zij bleven op eerbiedigen afstand en zetten de slede bij het kamp der Netsjilli-Eskimo’s op het ijs neer. Hun angst moet werkelijk zeer groot geweest zijn, als ze een zoo kostbaar voorwerp als een slede terugbrachten. De slede had wel veel geleden, maar onder Lund’s kundige behandeling werd ze hersteld en was daarna nog sterker dan te voren.

Niet zelden kwamen de Eskimo’s ons ’s avonds bezoeken. Ik had dan medelijden met hen in die vreeselijke koude en noodigde hen uit, bij ons te overnachten. Ze mochten in de kajuit bij den luitenant en mij slapen. Wij hadden soms tot dertien slaapgasten aan boord. Zij legden zich eenvoudig op den grond en dekten zich met een rendiervel toe, dicht aaneengesloten als haringen in een ton. De anderen in de voorkajuit weigerden, zulke gasten op te nemen; ze trokken de neuzen op en beweerden, dat de gasten een naren reuk achterlieten. Nu vond de luitenant evenmin als ik, dat het juist naar eau de Cologne, viooltjes of versch gemaaid hooi rook, als de Eskimo’s ’s avonds hun groote kaplaarzen uittrokken; maar wij voelden, dat we met dit offer op goedkoope en goede manier de echte gastvrijheid uitoefenden.

In den loop van den winter stichtten luitenant Hansen, Wiik, Ristvedt en ik een verbond, welks leden zooveel mogelijk alle voortbrengselen van het land zouden proeven. Ristvedt werd tot vereenigingskok benoemd, daar Lindström zich liever in zee wilde storten dan zulke vuiligheid klaar te maken. Een gebraden vos, waaraan de vereeniging zich des avonds te goed deed, had onzen kok aan den rand van den waanzin gebracht en hij verklaarde, dat wij de grootste vuiliken van de wereld waren. Maar de vereeniging beweerde eenstemmig, dat een vossengebraad het fijnste gerecht was, dat ons ooit aan boord was voorgezet. Het vleesch der meeste vossen, die hier in menigte waren, smaakte ook werkelijk zeer goed, het deed aan hazenvleesch denken. Wij beproefden het ook met andere gerechten, als rendiermagen, zeehondvinnen en dergelijke.

De winter was nu voorbij, en naar het scheen stond de lente voor de deur. Bij het vorige jaar vergeleken, was er een groot onderscheid merkbaar. Toen hadden we op het eind van Maart ongeveer 45 graden Celsiusonder nul gehad, en in dit jaar daarentegen slechts acht graden. Dat was een goed voorteeken voor den zomer, die zoo groote beteekenis voor ons had.

Al het winterwerk was nu voorbij, en het station weer omgeven door een kring van observatoria. Onze reizigers, die met de slede naar het Noorden wilden gaan, konden vertrekken zoodra het mooi weer werd. Deze slede-expeditie had voor 75 dagen proviand bij zich, in de veronderstelling dat het in het vorig jaar bij kaap Crozier opgerichte dépôt in orde was; in het tegenovergestelde geval hadden ze maar voor 50 dagen proviand bij zich.

Den 2denApril 1905 brak de expeditie op. Onder wederzijdsch levendig wuiven met de vlaggen gingen ze heen, en, begeleid door onze beste en hartelijkste wenschen, wendden ze zich westwaarts naar Victorialand.

Met het vertrek van die expeditie begon naar onze berekening in dit jaar het voorjaar. Wel hadden we later nog een geweldigen sneeuwstorm; maar de koude van den winter was gebroken en keerde niet terug.

Er was veel te doen dat voorjaar, want wij zouden opbreken met al ons hebben en houden en verder westwaarts trekken. In Juni 1905 werd na 19 maanden de loop der zelfregistreerende instrumenten veranderd; ze moesten stilstaan, na zoo lang te hebben gewerkt onder Wiik’s leiding. Onze gebouwen werden afgebroken. Alles werd aan boord gebracht, wat daar geschikt voor was, en toen werd deGjöavan onder tot boven nieuw geverfd en geölied. Ook al onze booten ondergingen een groote schoonmaak. Het kon immers wezen, dat wij dezen zomer “menschen” ontmoetten, en dan mocht niemand kunnen zeggen, dat wij, Noren, geen hart voor ons schip hadden. Toen was deGjöaweer net zoo frisch en mooi, als den dag waarop ze de werf verliet.

Allen deden mee aan dit werk. Ristvedt en Lund hadden een valreeptrap gemaakt van ijzer en hout, een mooie trap, die later zelfs in San Francisco opgang maakte. “Niemand mag aan ons zien”, zeiden we toen in Juni 1905,“dat wij tweemaal overwinterd hebben!”

Een Eskimofamilie op jacht.Een Eskimofamilie op jacht.

Een Eskimofamilie op jacht.

Wij hadden nu maar te wachten op den terugkeer der slede-expeditie. Toen ze na verloop der eerste zeven weken niet terug waren, besloot ik daaruit, dat ze het dépôt bij kaap Crozier onbeschadigd hadden aangetroffen. Maar ook in dat geval hadden ze den 16den Juni er weer moeten wezen. In den laatsten tijd waren veel Eskimo’s van verre gekomen, maar geen een had wat van de onzen gezien, en ik werd langzamerhand een beetje angstig. Sinds de Eskimo’s in zoo grooten getale er weer waren, hadden wij een nachtwacht aan boord ingesteld. Ik drukte de wacht nog ernstig op het hart, goed uit te zien en mij dadelijk te wekken, als er iets in het gezicht kwam, dat op onze sledevaarders geleek.

De 24ste Juni, Sint Jan, werd ook bij ons een feestdag, want des morgens om half zeven kwam Lund, die de wacht had, bij mij binnenstormen met den uitroep:

“Daar hebben we ze!”

Ik was dadelijk in mijn kleeren. Het was een heerlijke morgen, volkomen windstil met stekendenzonneschijn. Ginds bij de uiterste landpunt kwamen onze kameraden in het gezicht. Ik kan bijna niet zeggen, hoe blij en verlicht ik mij voelde bij hun aanblik. En de behandeling, die de honden nu ondergingen, toonde wel, dat de heeren goed op krachten waren. In een wipje was de vlag geheschen, en met haar verschenen alle anderen op dek. Dat was een jubel aan boord! Een beter ontbijt dan anders werd opgedischt en daarbij hoorden wij terstond de gewichtigste gebeurtenissen.

De tocht had zwaar en lichter werk gebracht, maar meestal was de arbeid zwaar geweest. Het dépôt van kaap Crozier was door beren volkomen vernield; maar toen ze daar waren, hadden ze al vier rendieren geschoten. De overvaart naar de Victoriastraat was zeer bezwaarlijk geweest. Het ijs was hoog opgetorend, en op sommige dagen waren ze niet meer dan twee of drie zeemijlen vooruitgekomen. Om een weinig te vorderen, hadden ze buitendien steeds groote omwegen moeten maken. Aan den anderen kant van de straat hadden ze een nieuwen Eskimostam aangetroffen, de Kiilnermium-Eskimo’s van de Copperminerivier, die op de zeehondenvangst waren. Terwijl nu deze Eskimo’s bijna niets hadden, dat van ijzer was, hadden ze veel meer voorwerpen van hout dan de Netsjilli’s. Veel beter waren o.a. de bogen en de sleden. Onze beide reizigers ruilden voor spijkers en kleine messen zooveel zeehondenvleesch als ze noodig hadden. Zij bleven bij die menschen den nacht over, om een rustdag te hebben, die zoowel voor de menschen als voor de honden noodig was na den harden trek door het ijs.

Toen werd de reis langs de onbekende oostkust van Victorialand voortgezet. Het land was zoo laag en vlak, dat het over het grootste deel der kust niet van de zee was te onderscheiden. Onder het voortgaan maakten ze een kaart van de kust. Ook schoten ze geregeld zeehonden, rendieren en beren, zoodat ze bijna altijd overvloed van levensmiddelen hadden.

Op Vrijdag 26 Mei keerden ze om, nadat ze op het noordelijkste punt dat ze bereikt hadden, een wachtpost gebouwd en een reisbericht erin neergelegd hadden.

De terugweg ging vlugger, daar ze nu geen opmetingen meer te doen hadden. Op dien terugweg werd het door Dr. Rae in de Victoriastraat waargenomen land nauwkeurig onderzocht. Het bleek een groep van vele kleine eilanden, The Royal Geographical Society-eilanden. Deze werden zoo goed mogelijk geographisch opgenomen, wat later van groot belang is gebleken voor ons verder doordringen. De Oglugi-zee tusschen Amerika, Victorialand en King Williamsland was voor het grootste deel met eilanden opgevuld en open, zooals op de oude kaarten is aangegeven. Het was goed, dat wij dat wisten voor het geval, dat we er in een donkeren nacht door wilden varen.

Op den terugweg naar kaap Crozier hadden de reizigers gelukkig beter ijs gevonden, waar ze gemakkelijker op vooruit konden komen. Behalve een paar zeere hondenpooten was alles in den besten welstand. De reis had 84 dagen geduurd met een proviandvoorraad voor maar vijftig dagen. De expeditie had dus een uitstekend gevolg gehad, ja, men kon het succes bepaald schitterend noemen, als men aan het vele slechte weêr dacht, dat ze hadden gehad en als men in aanmerking neemt welke opmetingen ze hadden gedaan en hoeveel tijd ze aan de jacht hadden moeten besteden, om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien.

Dat alles vernamen we bij het eerste ontbijt. Verder verliep de dag in feeststemming.

Tegen het eind van Juni werd het zeer warm, en aan het strand begon het ijs te smelten. Als het op deze wijze verder ging, konden we een zeer goed ijsjaar verwachten, net als in 1903. Het land was bijna van ijs bevrijd, en de muggen plaagden ons geweldig.

Aan boord moesten we ons nu in velerlei opzicht anders inrichten, daar Wiik en Ristvedt van het vasteland tot ons waren gekomen. De luitenant en ik moesten de kajuit met hen deelen. Daar Wiik aanhoudend met de uitwerking van zijn waarnemingen bezig was, kon de kajuit niet meer als donkere kamer worden gebruikt. Een donkere kamer moest de luitenant echter hebben; de vraag werd van alle kanten bekeken, en ten slotte eindigde luitenant Hansen met een donkere kamer, welker nadere bestemming ik niet nader wil aanduiden. In den nood leert men zich behelpen.

Omdat nu de proviandtent ledig was, en de voorraad aan boord was overgebracht, werd ze tot allerlei doeleinden gebezigd. Vooreerst als droogkamer voor alle vogelhuiden, die er werden opgehangen en die in den aanhoudenden tocht snel droogden. Dan werd de tent als kantoor en badhuis gebruikt. Ons klein stoombad werd er neergezet en de ingang werd zoo laag gemaakt, dat ieder er zich in kon wasschen. Wij plaatsten er ook eenige tafels, waar we onze waarnemingsboeken en magnetische krommen konden nazien, vóór ze werden afgesloten.

De Uil, Umiktuallu en Noliein gingen den 2den Juni westwaarts naar Kamiglu in de buurt van het eiland Eta, om er te jagen. Ik beloofde hun, daar in de Simpsonstraat stil te houden, als wij met deGjöavoorbijkwamen, en ik gaf hun een lange staak met een vlag eraan, die ze moesten oprichten, opdat we konden zien waar ze waren. Ze zouden ons rendierbouten aan boord brengen. Reeds lang had ik Lindström een paar dagen vacantie beloofd, die hij wilde besteden aan een onderzoek in het geheimzinnige binnenland. De Eskimo’s hadden veel verteld van een rivier, de Kaa-aaga-angi, daar hoog in het Noorden, die vol zalmen moest zijn, en veel familiën waren er nu heen gegaan, terwijl er berichten kwamen van grootsche vangsten. Daarheen gingen ook Lindström’s wenschen.

Eindelijk was op den 4den Juni zijn expeditie gereed tot het vertrek. Ze bestond uit hemzelven en Talurnakto als eerste officier. Door de anderen was deze expeditie al als de “expeditie tot onderzoek van het binnenland van King Williamsland” genoemd. Ik beproefde nog het langst mijn ernst te bewaren tegenover de tochtgenooten. Lindström had zich immers heusch ten doel gesteld, zijn zoölogische verzamelingen te verrijken, en de andere kameraden hielden hem teveel voor den gek. Toen de expeditie den9den Juli terugkeerde, werd ze met groote ovaties ontvangen. De buit bestond uit veertig eieren en eenige eiderganzen. Het wetenschappelijk rapport was kort. Het luidde, dat Kaa-aag-angi een rivier was van de breedte van de Nid bij Drontheim, en dat het dier- en plantenleven het rijkst was bij het station!

Den 26sten Juli was de haven dezen zomer voor de eerste maal ijsvrij. Wij zagen het water in de straat buiten al blauwer worden, maar er was nog geen scheur in het ijs te zien. Maar eenige dagen later kwam de wind te hulp; hetijs zettezich in beweging en in allerlei richtingen verschenen de scheuren. Wij waren nu klaar voor de afvaart. Met uitzondering van de meteorologische instrumenten en van de honden, die tot het laatst aan land moesten blijven, hadden wij alles aan boord. De ruimte was door al onze verzamelingen overvol. In twee groote ijzeren kisten waren onze waarnemingen van de laatste twee jaar geborgen. Zij waren zoo ingericht, dat ze in het water konden drijven en op beide was de naam van het schip te lezen. Daaromheen stonden kleine kisten met proviand voor veertien dagen, munitie en verdere uitrusting, alles om te worden meegenomen, in geval we het schip moesten verlaten. Ieder had er ook zijn zak bij liggen met die dingen, die hij in geval van nood het liefst zou willen redden.

Al onze booten en kajaks van zeildoek waren in de beste orde. Wij waren erop voorbereid, ons te moeten doorboomen. De wachten waren zoo verdeeld, dat één man aan het roer stond, één op den uitkijk en één bij de machine. Wij deklieden moesten alle drie op het dek zijn, terwijl de vierde mocht slapen. De machinisten wisselden elkaar af op de wacht; de kok zou de behulpzame hand reiken, zoo vaak hij weg kon.

Allen zonder uitzondering wisten wij nu, dat er zwaar werk voor den boeg was. Maar de eensgezindheid, die al den tijd onder ons had geheerscht, bleef en gaf ons allen moed.

Van de Axel-Steenhoogte had men het beste uitzicht naar het Westen over de straat, en in de volgende veertien dagen was ik daar dagelijks twee- of driemaal. Den 12den Augustus kwam er weer een flinke bries, en als wij inderdaad weg wilden, dan moest het nu zijn. Luitenant Hansen, Lund en ik waren al vroeg in den morgen op de Steenhoogte. Het ijs, dat zich hardnekkig was blijven vasthouden aan King Williamsland en westwaarts, was teruggeweken. Nu moest de poging gewaagd worden. De aftocht werd op den volgenden morgen om drie uur vastgesteld.

Een zomeravond op het dek van de Gjöa.Een zomeravond op het dek van deGjöa.

Een zomeravond op het dek van deGjöa.

Den 13den Augustus precies op dat uur draaide de ankerspil lustig op deGjöa. Het was geen uitlokkend weêr, dichte nevel met tegenwind. Met volle kracht van den motor voeren we de haven uit. De Eskimo’s hadden zich trots het vroege uur aan het strand verzameld en het laatste “Manik-tu-mi” werd ons toegeroepen. Een van hen, Tonnich, had zich laten vinden om als achtste reisgezel met ons mee te gaan. Wij loodden en peilden ons door de Simpsonstraat naar Boothpoint, waar wij moesten ophouden, omdat we niet meer genoeg konden zien of wij verder tusschen het ijs door, dat in groote massa’s oostwaarts dreef, konden doorvaren. We ankerden dus in de lij van een der groote riffen vóór de kaap, waar we tegen het drijfijs waren beschut. Af en toe verdeelde zich de nevel, en dan zagen we vóór ons de door zeer veel ijs omgeven Todd-eilanden. Op den westkant van de eilandengroep konden wij open water waarnemen; daar moesten we dus zien te komen.

Om drie uur in den namiddag trok de nevel op en wij kregen een overzicht van onzen toestand. Wij waren niet ver van de Todd-eilanden verwijderd, die slechts uit drie lage, kleine eilandjes bestaan, maar groot genoeg zijn om een massa ijs te verzamelen. Het zag er niet zeer hoopvol uit. Tusschen de hoofdmassa ijs en het verste eiland was wel een streep open water; maar het was niet te denken, dat diesmalle geul ver door zou loopen. Het ijs dreef namelijk zeer snel oostwaarts en ging waarschijnlijk aan de westzijde der eilanden vast zitten.

Wij moesten daarheen om te onderzoeken. Het weer was wonderschoon geworden, stralend helder en bijna windstil. Nadat we de zuidpunt van het eiland hadden bereikt, waren we in spanning of werkelijk de westzijde met ijs bezet zou wezen. Een geul, die zoo smal was, dat ze uit de verte nauwelijks breed genoeg scheen voor een bootje, lag open tusschen het ijs en de kust. Nu was er nog de vraag, of ze diep genoeg was. Alles hing af van den aard van de kust.

“Ik geloof, dat we er door kunnen!” riep Lund uit den mast. “Ik zie wel rotsen op den grond, maar wij kunnen tot vlak bij de kust komen.”

Dat was ook volstrekt noodig, als we verder wilden. Gelukkig daalde de westkust van het eiland zonder eenig strand loodrecht naar beneden; maar deGjöazou niet veel duimen breeder hebben moeten zijn, of wij waren blijven zitten. En wij stieten allen een zucht van verlichting uit, toen we tegen het Westen het open water der zee vóór ons hadden.

Groot diner aan boord.Groot diner aan boord.Roald Amundsen.—Helmer Hansen.—Peter Ristvedt.

Groot diner aan boord.

Roald Amundsen.—Helmer Hansen.—Peter Ristvedt.

Bij Hall Point hadden de luitenant en Hansen op hun boottocht van 1904 twee geraamten zien liggen. Het waren geraamten van blanken, dus van deelnemers aan de Franklinexpeditie. Zij begroeven ze en richtten een steenheuvel op, dien wij nu in alle stilte passeerden, juist toen de zon onderging, terwijl hemel en aarde overvloeid werden door een roodgouden licht; onze kleine triomfeerendeGjöagroette eerbiedig haar ongelukkige voorgangers.

Toen ik den volgenden morgen vroeg op dek kwam, waren wij juist voor de Douglasbaai. Tonnich, die in deze streek bekend was, noemde ons de namen van de verschillende heuvelketens aan land. Hij ontdekte ook het kamp van onze Eskimo’s. Het lag op den Kamiglu, een kleinen heuvel van ongeveer 20 meter hoogte. De tenten staken tegen den horizon af, en wij konden ook de staak met de kleine vlag zien.

Daar de nevel nu in groote golven op ons toedrong, richtten we den koers recht naar den Kamiglu. Aan den kant van het vasteland was de grond zeer ongelijk, en we moesten dus een goed eind uit den wal ankeren. De mist hulde het schip geheel in, en om de aandacht van de Eskimo’s te trekken, lieten wij met korte tusschenpoozen den misthoorn klinken.

Reeds na korten tijd bewoog zich een kajak uit den nevel naar voren op ons toe, en een vroolijk “Manik-tu-mi” klonk ons tegen. Het was Nuleiu, dien spoedig anderen volgden. Zij waren allen zeer blij ons weer te zien, en Lund en ik gingen in de dorry om hen naar den wal te volgen. De mist hinderde de Eskimo’s niet in het minst. Zij lachten ons uit, toen wij hen vraagden, of ze bij zulk dik weer den weg wel konden vinden en voeren vlug weg. Ofschoon wij drie kwartier moesten roeien, kwamen we precies bij hun landingsplaats aan. Om zonder een spoor van zonneschijn en bij volstrekte windstilte met zooveel zekerheid voorwaarts te komen, moesten deze menschen werkelijk met een zesde zintuig begiftigd zijn.

Aan land was de nevel minder dicht. Kamiglu was een naar alle kanten steil afdalend schiereiland en alleen door een smal strookje land, tusschen lagunen in het Oosten en het Westen, met het land verbonden. Op den top hadden onze vrienden hun woningen in zeven tenten in een waar arctisch paradijs. In de lagunen beneden haalden ze zich zooveel visch, als ze noodig hadden, en rondom de uitgestrekte meren in het binnenland weidden groote rendierkudden. De Eskimo’s hadden een goede jacht gehad en hadden overvloed van vleesch. Maar het meeste lag in dépôts buiten op het vrije veld. Zij waren wel dadelijk bereid het te halen; maar dat zou ons verscheiden uren hebben opgehouden, daarom stelden we ons tevreden met wat in het kamp aanwezig was. Wij liepen rond en zeiden onze oude vrienden vaarwel; het zou zeker lang duren, eer we elkaar weerzagen. Tegelijk verzamelden wij zooveel gedroogd vleesch en zalm als we konden krijgen.

Ons kamp te King-Point.Ons kamp te King-Point.

Ons kamp te King-Point.

Vóór de tent van Umiktuallu stond een pleegzoon van hem, Maniratcha of Manni, zooals wij hem altijd bij verkorting noemden. Hij stond te snikken, want hij had zoo graag met ons mee willen gaan, en nu hoorde hij, dat Tonnich was aangenomen. Hij was een flinke jongen van zeventien jaar, en hij had vroeger al gevraagd, om mee te mogen, zonder dat ik er veel op gelet had. Nu stond hij daar, en het speet mij, dat de zaak zoo geloopen was, want ik had Manni veel liever gehad dan Tonnich. Ik zei dus, dat hij maar eens moest meegaan; dan zou ik zien.

Des morgens om zeven uur begon het op te klaren, en ik hield het nu voor het beste, dadelijk aan boord te gaan, om terstond te kunnen vertrekken als het goed helder was. In onze boot namen wij zes-en-dertig heerlijke rendierbouten mee en een grooten hoop gedroogde zalmen. De Uil, Manni en nog twee Eskimo’s gingen met ons, en buitendien nog vier anderen in hun kajaks. Tegen acht uur waren wij aan boord, en de lucht was intusschen bijna geheel opgeklaard. Ik rekende met de Eskimo’s af en betaalde hen voor vleesch en visch met ammunitie.

Daarop moest het geval Manni met de kameraden worden besproken. Wij waren het allen eens, dat we liever Manni hadden dan Tonnich, die sedert zijn aankomst aan boord den welverdienden naam van vreetzak had gekregen. Daar opeens kwam de jonge heer zelf naar mij toe, en ik sprak hem aan:

“Nu, lieve Tonnich, wil je nu werkelijk met ons naar het land der Kabluna’s reizen?”

Hierop verklaarde hij mij dadelijk met verbluffende openhartigheid, dat hij daar al lang geen lust meer in had. Hij kon de blanken niet verstaan. Vóór drie dagen wou hij volstrekt mee en nu, na een leventje als een prins, was hem de lust vergaan. Ik nam het verrassende bericht heel kalm op, want nu was de zaak met Manni in orde. Maar neen, nog niet heelemaal. De pleegvader, Umiktuallu, had er nog een woordje in mee te spreken, diezelfde aangename pleegvader, die vroeger zijn anderen pleegzoon doorstoken had. Hij moest eerst zijn toestemming voor de reis van den jongen geven. En die toestemming gaf hij niet voor niets. Hij was mee aan boord gekomen en eischte betaling voor den knaap. Een vijl en een oud mes bevredigden intusschen zijn verlangens; dus de prijs voor den pleegzoon was niet buitensporig.

Het was helder, en wij zeiden den Uil en onze andere goede vrienden van den Netsjillistam hartelijk vaarwel. Het was een heerlijke, warme zomerdag met volkomen windstilte. Midden in de Simpsonstraat lag Eta als een reus, die ons den weg wilde versperren. Met de allergrootste voorzichtigheid voeren we door het zuidelijke vaarwater tusschen het eiland en het vasteland, niet breeder dan drie vierde zeemijl en vol ondiepten en riffen. Ik geloof, dat dit onze spannendste doorvaart was. In het kanaal werd het breeder water al ondieper; maar de uitkijk meldde, dat hij dieper water zag, als we maar eens over het rif waren. Het peillood was aanhoudend in werking, en het roer vloog van de eene zijde naar de andere, alsof het door dicht ijs ging, maar ten laatste kwamen we gelukkig de Etasond door.

Nu konden wij ons ook eens met Manni bezighouden, die tot hier toe aan zichzelven was overgelaten. Ristvedt, die de namiddagwacht had bij de machine, kreeg de opdracht, Manni tot een Kabluna te maken. In aanmerking de massa zeep en insectenpoeder, die erbij gebruikt werden, moest men wel verwachten, dat Manni schoon werd, en dat was hij ook geworden,ofschoon wij hem zijn mooi haar lieten behouden, nadat het duchtig gekamd was. Zijn toilet viel wat bont uit, want het bestond uit een blauwen tricotkiel, een kniebroek van zeehondenvel, witte kousen, de oude verlakte schoenen van den luitenant en op het hoofd een oude lichtblauwe badmuts, die ik eens op de een of andere badplaats had gekocht. Van het eerste uur af won Manni ons aller hart; zijn lach verjoeg elke onaangename stemming, en hijzelf was blijkbaar uitstekend bij ons tehuis. Hij was echter ook in een Eskimoparadijs beland, een plaats, waar men zooveel mag eten als men maar kan bergen.

In den loop van den avond kwam van het Zuiden wat ijs opzetten; de kant van het pakijs liep in noordwestelijke richting en dwong ons nu dien weg ook te volgen. Het vaarwater lag vol kleine, met ijs omzoomde eilandjes en klippen en voortdurend moesten wij peilen vanwege de ondiepten. Wij kropen voorwaarts op dien 15denAugustus, tot wij om vijf uur ’s avonds buiten in de Victoriastraat waren en de moeilijke eilanden achter ons hadden. De straat, waar we door gevaren waren, doopten we de Palanderstraat ter herinnering aan den moedigen kapitein der Vega. De eilanden ten zuiden ervan kregen den naam Nordenskjöld-eilanden, naar den leider der Vega-expeditie. Luitenant Hansen’s aardrijkskundige opneming van deze eilanden bleek volkomen juist.

De Victoriastraat was met ijs opgevuld, dat echter zoo los was, dat we er doorheen konden dringen, want onze kleine Gjöa kon flinke stooten toedienen. Vóór het eiland Lind lag het ijs zeer dicht, maar wij slopen er door een smal geultje doorheen en vonden gelukkig aan de andere zijde open water. Toen wij in den morgen de zeilen wilden opzetten, brak de gaffel, en om die te herstellen, besloten wij in de Cambridgebaai, Collinson’s winterhaven, binnen te varen.

Victorialand was vlak en eentonig. Deasestraat is diep genoeg, als men zich maar een paar zeemijlen van de kust heeft verwijderd; maar van alle landtongen en rotspunten loopen ondiepten in zee.

Den 17denAugustus om vijf uur in den morgen gingen wij op de westkust van kaap Colborne voor anker. Dat was een merksteen op onzen weg, want nu hadden wij met deGjöahet tot nu toe nog niet overwonnen gedeelte van de Noordwestelijke Doorvaart bevaren. Van nu aan voelden wij ons eigenlijk in druk bevaren water. Hier en daar was zelfs een diepte op een kaart aangegeven, en vooral werkte geruststellend het bewustzijn, dat we nu vóór ons een stuk van de Doorvaart hadden, waar reeds een groot schip door was gevaren.

Wij repareerden de gaffel en namen een dag rust, waarna we den volgenden morgen om drie uur weer in zee staken, Collinson’s beschrijving van het vaarwater was ons van grooten dienst; zij bleek volkomen juist; de groote eilanden vielen ook nu steil in zee, en het water was diep en zuiver.

Het kompas, dat ons op de doorvaart door de Etasond in het geheel niet van dienst was geweest, begon nu weer te werken; maar we moesten de aanwijzingen natuurlijk met de grootste voorzichtigheid opnemen. Den volgenden dag passeerden wij de Richardsoneilanden, die nog al plantengroei vertoonden. Toen kwamen de Mileseilanden, die naar het Westen zacht afdalen, en het eiland Douglas. Weer stelden de ondiepten en eilanden ons veel moeilijkheden in den weg, en het was een ontroerende gedachte, dat als wij nu hier moesten terugkeeren, de heele onderneming op niets zou uitloopen en het doel, dat reeds zoovelen zich te vergeefs gesteld hadden, weer onbereikt zou blijven. Ik was dan ook zeer zenuwachtig, kon bijna niet eten en was steeds op onaangename verrassingen verdacht.

Maar toen we de Dolphin- en Uyionstraat hadden bereikt, was de laatste moeilijke doorgang in de Noordwestelijke Doorvaart achter den rug, en onze verlichting was onbeschrijfelijk groot. Nu ging het met korte onderbrekingen door nevel of tegenwind gelijkmatig westwaarts. Den 27sten Augustus, toen om acht uur ’s morgens mijn wacht voorbij was en ik te bed was gegaan, werd ik, na een poos te hebben geslapen, door een druk heen en weer loopen op het dek gewekt. Er was boven blijkbaar iets bijzonders aan de hand, en ik ergerde mij, dat ze om een zeehond of een ijsbeer zoo’n leven maakten. Maar daar stortte luitenant Hansen de kajuit binnen met de onvergetelijke woorden:

“Schip in zicht!”

Dadelijk daarna verdween hij weer en liet mij alleen.

De Noordwestelijke Doorvaart was volbracht! De droom mijner kindsheid—op dit oogenblik was hij verwezenlijkt! Een eigenaardig gevoel snoerde mij de keel dicht; de tranen kwamen mij in de oogen. Schip in zicht! het woord had een magische uitwerking. Op eens waren het vaderland en alle vrienden mij zoo nabij, alsof ze de handen naar mij uitstrekten. Schip in zicht!

In alle haast kleedde ik mij. Toen ik klaar was, stond ik een oogenblik stil voor het portret van Frithiof Nansen. Het was alsof het portret levend was geworden, alsof het mij toeknikte. “Ik wist het wel”, scheen het te zeggen. Ik knikte terug, lachend en gelukkig, en ging aan dek.

Het was een prachtige dag. De wind was een weinig naar het Oosten gedraaid, en het ging vlug voorwaarts. DeGjöascheen te begrijpen, dat thans het ergste geleden was; ze was zoo merkwaardig licht in haar bewegingen. De beide mastpunten daarginds aan den horizon hielden al onze aandacht bezig. Alle mannen waren op dek, en alle verrekijkers waren op het ons tegemoetkomende schip gevestigd. Op aller gezicht troonde een lach; maar er werd niet veel gesproken. Nu liet een van allen den kijker dalen.

“Ik zou wel willen weten...”

En weer werd het instrument voor de oogen gehouden. Een ander liet den kijker neer en begon weer: “Ik zou wel willen weten...!”

Toen de romp van het vreemde schip zichtbaar werd, heschen we onze noorsche vlag. Langzaam rees ze; alle oogen volgden haar met liefkoozende blikken. Ze was verkleurd en had veel geleden, maar zij droeg naar litteekenen met eere.

“Ik zou wel eens willen weten wat hij denkt, als hij ons ziet!”

“Hij denkt, dat het een vervloekt mooie vlag is!”

“Hij is waarschijnlijk een Amerikaan.”

“Ik zou denken dat het eerder een Engelschman is!”

“Ja, wat wij voor lui zijn, dat ziet hij nu aan de vlag.”

“O ja, hij ziet nu, dat wij menschen uit het oude Noorwegen zijn.”

De schepen kwamen snel dichter bij elkaar.

“Thans wordt de amerikaansche vlag geheschen!” riep de man op den uitkijk, die den grooten verrekijker op het schip had gericht. En ja, spoedig zagen we allen de sterrenvlag met de strepen. Hij had onze vlag gezien en herkend, dat was duidelijk. De stoom vloog om het schip; het had blijkbaar een motor net als wij, en kwam snel vooruit.

Nu was het tijd om zich voor de eerste ontmoeting wat op te knappen. Vier van ons zouden aan boord van het andere schip gaan, en de vier anderen moesten op deGjöablijven. In haast werden onze beste kleederen voor den dag gehaald. Enkelen trokken hun deftige, vaderlandsche kleeren aan; anderen gaven aan de Eskimodracht de voorkeur. Er was een, die laarzen van zeehondenvel voor de gelegenheid het meest passend vond, en een ander droeg gewone zeemanslaarzen. Op dek werd ook opgeruimd, zoo goed het ging. Van uit zijn mastkorf kon de Amerikaan door zijn kijker ons dek geheel overzien. En wij wilden een zoo goed mogelijken indruk maken. Wij waren nu zoo dicht bij elkander, dat wij van ons dek het geheele schip konden overzien. Het was een kleine, zwartgeverfde tweemaster, die een sterken motor moest hebben; wij maakten nu ons bootje klaar, lieten de machine bijdraaien en maakten onze dorry, onze zeewaardige boot, los. Het was wel geen mooie boot, en de kapitein had op het achterbankje met de vlag geen bepaald gemakkelijke zitplaats, maar het bootje paste bij ons schip, en wij waren immers ook niet op een pleizierreis.

Onze trouwe knecht Manni.Onze trouwe knecht Manni.

Onze trouwe knecht Manni.

De Amerikaan had zijn machine stop gezet en wachtte ons. Met twee man aan de riemen, waren we gauw naast hem. Een eind touw werd ons toegeworpen; ik vatte het aan en nu was ik weer in verbinding met de beschaving. Zij trad mij wel niet met overweldigende pracht te gemoet, want de “Charles Hansson” uit San Francisco zag er niet naar uit, alsof er overdreven weelde aan boord zou wezen. Een trap was overbodig, daar het schip diep in het water lag. Wij grepen de reeling en kropen naar boven. De eerste indruk was eigenaardig. Op het dek was elke voetbreed zoo bezet, dat men niet wist, hoe er door te komen. Eskimo vrouwen met roode rokken en negers in de bontste kleeren liepen door elkander, precies als in een soort van sprookjeswereld. Een oudere man met wit haar en baard trad op mij toe. Hij was pas geschoren en netjes gekleed, blijkbaar de kapitein.

“Is u kapitein Amundsen?” luidde zijn eerste woord.

Ik was zeer verbaasd, dat men hier aan het eind der wereld iets van ons wist en antwoordde bevestigend.

“Is dit het eerste schip, dat u ontmoet?”

Toen ik daarop toestemmend antwoordde, klaarde zijn gezicht op en wij drukten elkaar lang en hartelijk de hand.

“Het doet mij buitengewoon veel genoegen, dat ik de eerste ben, die u mag welkom heeten na uw volbrachte Noordwestelijke Doorvaart.”

Hierop werden wij uiterst vriendelijk in zijn kajuit genoodigd. Het was geen groote ruimte, maar toch wel even groot als de kajuit op deGjöa. Kapitein James Mc Kenna was een middelgroote, corpulente man van tusschen vijftig en zestig jaar. Dat hij een stamgast in de IJszee was, kon men wel aan hem zien. Het diepgegroefde, koperroode gezicht sprak van koude en slecht weêr. Hij was joviaal en gul en vroeg, of wij het een of ander noodig hadden, waarmee hij ons kon helpen. Het eenige, wat ons ontbrak, waren berichten uit het vaderland, maar helaas, die kon hij ons niet brengen. Hij had wel een paar oude kranten, maar...

“Oude! Ja, voor u! Voor ons zijn ze fonkelnieuw!”

Hij bracht een hoop, en door een merkwaardig toeval viel mijn oog het allereerst op een titel, dien ik als versteend aanstaarde.

“Oorlog tusschen Noorwegen en Zweden.”

Ik verslond het artikel in haast, maar het gaf slechts weinig opheldering. Kapitein Mc Kenna was al lang onderweg en kon ons niets naders meedeelen. Wij vraagden aan allen op het schip, of ze er ook meer van konden vertellen, maar tevergeefs. En deze onzekerheid was pijnlijker dan de totale onwetendheid van te voren. Maar er was niets aan te doen; wij moesten geduld oefenen.

Na een zeer goed middagmaal wonnen luitenant Hansen en ik zooveel mogelijk inlichtingen in omtrent den verderen weg van hier af. Mc Kenna was de senior van de amerikaansche walvischvaardersvloot en kende de kust van Noord-Amerika beter dan iemand. Zeer dankbaar waren wij voor amerikaansche kaarten van de verdere reis. Ze waren nieuwer danonze eigene en gaven veel bijzonderheden. Met randopmerkingen en koersrichtingen van den ouden bevaren zeeman waren ze een ware schat voor ons. Wel waren ze al wat versleten en we moesten dus voorzichtig ermee omgaan.

Toen vroegen wij naar de ijstoestanden. Of hij geloofde, dat wij verder naar het Westen zonder bezwaren vooruit zouden kunnen komen. Hij zei, dat hij op de heenreis door het ijs bij het Herscheleiland was opgehouden; maar wij zouden zoo laat in het jaar wel niet op hinderpalen stooten. En dat Herscheleiland zouden wij in elk geval gemakkelijk bereiken. Hij dacht zelf op dat eiland te zullen moeten overwinteren, en misschien ontmoetten we elkaar daar nog eens weer. Vóór den winter wou hij nu nog naar Banksland op de walvischvangst. Tot nu toe had hij geen geluk gehad en nog geen enkel dier getroffen. Zijn motor was zeer sterk, en hij zou ons bij zijn terugkeer naar Herscheleiland misschien nog wel inhalen. Buitendien gaf hij ons alle mogelijke inlichtingen over het ons wachtende vaarwater. Een zeer aangenaam bericht was de mededeeling, dat langs de geheele kust de grond uit leem bestond, zoodat wij veilig naar het lood konden varen. Wij waren daarin niet verwend, en dit verdere deel van onze reis kwam ons dan ook bijna als een pleizierreis voor.

Daar de wind bleef aanhouden en ik daarvan gebruik wilde maken, namen wij na een paar uur afscheid van onzen beminnelijken gastheer. Bij het vertrek schonk hij ons een zak aardappelen en een zak uien. Daar het al lang geleden was sedert wij iets dergelijks hadden geproefd, nam ik die gift in dank aan.

Aan boord werden wij in groote spanning verwacht. Wij besloten ons voorloopig niet bezorgd te maken over het bericht van oorlog tusschen de twee volken en de aardappels en uien, waren het middelpunt van onze blijdschap.

Toen haalden we onze vlag in en zetten de vaart met volle zeilen voort. Mc Kenna voer naar het Oosten, om zijn geluk op de walvischvangst te beproeven.

Den volgenden avond passeerden wij de Franklin-baai. Den 30stenAugustus waren wij al bij het eiland Bailey en zagen er geen ijs, zoodat we den moed vatten, om recht naar het Herscheleiland over te steken.

Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.

Sten en een Kagmallik-Eskimo met beenen knoopjes in de hoeken der lippen.

Bij kaap Bathurst zagen wij het dikke, bruine water, dat de rivier de Mackenzie naar buiten stoot. Er kwam nu weer ijs opzetten met nevel. Er volgde nu nog een zeer moeilijke vaart van eenige dagen. Bij kaap Sabine gingen we aan land, om rond te zien. Er breidden zich groote, met lang gras begroeide weiden uit en in de dalen groeiden hooge struiken. Den volgenden morgen, het was de derde September, waren wij zoowat een uur onderweg, toen de man op den uitkijk naar beneden riep, dat een boot van het land naar ons toe kwam. Eerst meenden wij dat het Eskimo’s waren, doch al spoedig zagen we, dat het twee blanken en één Eskimo waren.

Wij namen ze aan boord en merkwaardig genoeg, sprak een der mannen ons dadelijk in het Noorsch aan. Het was de Noor Christian Sten, die tweede stuurman op de schoenerBonanzavan San Francisco was geweest. De schoener was gelijktijdig met ons van huis weggevaren en had even als wij tweemaal in deze streken overwinterd. Het schip was door herhaald stooten op het ijs er slecht aan toe, en voor eenige dagen had men het bij King Point aan land moeten zetten, omdat het anders zou zijn gezonken. Sten woonde nu met een der harpoeniers en eenige Eskimo’s aan den wal, om de wacht te houden bij de proviand en de verdere uitrusting. De kapitein van het schip, kapitein Mogg, was met de overige bemanning in booten naar het Herscheleiland gevaren en wou van daar met een ander schip zuidwaarts naar San Francisco gaan.

Daar zagen wij al het wrak onder de steil afdalende kaap vóór ons.

Sten zei ons, dat het ijs tot dicht bij King Point reikte en dat wij voorloopig niet verder zouden komen. Hij twijfelde overigens niet, of het zou nog wel weer losraken. Hij had het zelfs wel beleefd, dat het ijs op 9 October nog was los gegaan.

Om twaalf uur op den middag bereikten wij het land en vonden alles, zooals Sten het beschreven had. Wij voeren tot bij een groot stuk grondijs, dat aan den buitenkant van het wrak lag en maakten er deGjöaaan vast. Hoe weinig vermoedden wij, dat King Point onze verblijfplaats voor tien maanden worden zou!

We roeiden aan land, om deBonanzaen Stens kleine kolonie te zien. Kapitein Tilton op deAlexandrawas de oudste kapitein derzelfde reederij, aan wie ook deBonanzabehoorde, en hij had, toen hij voor twee dagen voorbijgevaren was, aan Sten de opdracht gegeven, ons alle mogelijke hulp te verschaffen. Wij waren wel goed voorzien van het noodige; maar bij een zoo vriendelijk aanbod was er altijd nog wel het een of ander, dat welkom was. Wij ruilden veel conserven met hem, daar wij graag de amerikaansche wilden proeven, terwijl Sten naar noorsche verlangde. Ook kregen wij nog veel andere kleinigheden, en ik kan niet dankbaar genoeg zijn voor de diensten, die Sten en deBonanzaons bewezen.

Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.

Amerikaansche walvischvaarders, ingevroren hij het Herschel-eiland.

Sten had al vele winters aan de noordamerikaansche kust doorgebracht en kon ons dus ook veel belangrijks over het land en de bewoners vertellen, en, wat van gewicht was, hij kende de hier wonende Eskimo’s.

Om dezen tijd had ook Manni zich aan boord thuis leeren voelen. Hij was als een Kabluna gekleed, en daar hij een buitengewoon goed jager was, had ik hem een geweer gegeven, waar hij zeer trotsch op was en dat hij opperbest behandelde. Ik vroeg hem, of hij ons niet liever wilde verlaten en aan land gaan, maar hij antwoordde beslist ontkennend. Ik nam hem mee naar de Eskimo’s, die bij Sten woonden, en zie daar, ze konden elkaar verstaan. Het eene of het andere woord verschilde wel, maar in het groot beschouwd, was het dezelfde taal. Deze Eskimo’s, een man en drie vrouwen, waren afkomstig uit de buurt van de Kotzebuesond in de nabijheid der Beringstraat en ze waren met de walvischvaarders hierheen gekomen. Zij noemden zich Nunatarmiun-Eskimo’s. De bewoners der kust hier noemden zich Kagmallik-Eskimo’s; maar de beschaving had reeds een zoo verderfelijken invloed op hen uitgeoefend, dat ze van verscheiden honderden familiën al tot op enkele weinige versmolten waren. De Kagmallik-Eskimo’s waren grooter en knapper menschen dan de Nunatarmiun-Eskimo’s. Sten wou juist zich op een plateautje aan de berghelling een huis bouwen dichtbij het groote proviandhuis en al het andere, dat aan land was gebracht. Wij brachten ook een bezoek aan boord van deBonanza. Het schip lag aan den oever; de voormast was gekapt, maar de groote mast stond nog. Daarvan was een tros getrokken naar hetzelfde ijs, waar wij aan vast lagen; een andere tros was aan den wal bevestigd. Het ruim was vol water, en een menigte leege vaten dreven erin rond.

Leven en verkeer op het Herschel-eiland.Leven en verkeer op het Herschel-eiland.

Leven en verkeer op het Herschel-eiland.

Met hun toestemming namen wij wat wij noodig hadden, vooral takelwerk, blokken, lantaarns en dergelijke. Een klein kacheltje werd ook met vreugde ontvangen. Als wij nog een winter moesten blijven, en daar begon het wel op te gelijken, zou dat ons goede diensten kunnen bewijzen. En ook voor Sten waren wij te rechter tijd gekomen. Hij had veel te doen en moest hulp hebben. Die had hij later met gemak van de Eskimo’s kunnen krijgen; maar het was veel beter voor hem, als het werk gedaan was eer er sneeuw lag.

Wij waren niet de eenigen, die naar een verandering in de ijstoestanden verlangden. Een groot aantal Eskimo’s was met hun booten op weg van Herschel-eiland naar de Mackenzie, ongeveer vier zeemijlen westwaarts, door het ijs opgehouden. Ze hadden hunbooten aan land moeten trekken en waren nu tot wachten gedoemd. Van de hoogte op King Point konden wij het takelwerk van een schoener in de richting van Key Point vijftien zeemijlen westwaarts waarnemen. Dit schip behoorde aan de Eskimo’s. Zij hadden het ingeruild voor pelswerk en deden er nu mee aan walvischvangst. Nu was het aan den grond geloopen, kwam echter weer los vóór het vroor, en wendde zich nu naar het Herscheleiland. De hier wonende Eskimo’s zijn alleen schippers en walvischvangers, de Amerikanen nemen geen groote bemanning mee, daar ze hier menschen genoeg vinden, die het werk best kunnen doen aan boord.

Ristvedt en Manni waren op de jacht geweest en kwamen met een menigte sneeuwhoenders terug. De luitenant en ik deden aan vischvangst en we leverden menig lekker vischgerecht voor de keuken. Lund werkte in het zweet zijns aangezichts, om de nieuwe gaffel klaar te krijgen, eer wij verder voeren. Wiik en Hansen hadden zich op mijn verzoek bereid verklaard, Sten bij het bouwen van zijn huis te helpen, dat onder dak zou komen, eer er sneeuw viel. De hulp der beide flinke werkers was gemakkelijk te krijgen geweest, en ze hadden schik in de verandering van arbeid en van spijs.

De dagen verliepen, maar in het ijs speurden wij geen verandering. Wij moesten ons met de gedachte vertrouwd maken, hier te overwinteren. De vraag was maar, of er ruimte genoeg was. De baai vóór ons was zeer ondiep en vol van vaststaande ijsbergen, zoodat er weinig kans was op verandering. Sten vertelde, dat hier eenmaal drie walvischvaarders hadden overwinterd, maar dat ze in dien tijd geen enkele beweging hadden waargenomen. Naar het Oosten was het oeverwater nog open, zoodat wij Shingle Point, vijftien zeemijlen verder oostwaarts zouden hebben kunnen bereiken, waar een haventje moest wezen, maar dat was toch onzeker, en daar wij hier gezelschap en hulp hadden, besloten wij te blijven waar we waren.

Elken nacht werd het ijs nu een duim dikker en weldra was ons lot ook voor dezen winter bezegeld. Op Zaterdag den 9den September konden wij over het ijs loopen, en daarmee moest de derde winter beschouwd als te zijn ingegaan.

Op denzelfden dag, waarop het ijs begaanbaar werd, kregen wij ons eerste bezoek. Het was een zendeling, de heer Fraser, die van Herscheleiland kwam en naar Fort Mc Pherson wou, het noordelijkste station der Hudsonsbaaimaatschappij aan de Mackenzie. Als gids had hij een Eskimo, Roksi, geheeten, bij zich. De reizigers waren door het ijs opgehouden en woonden nu aan het strand, ongeveer vier zeemijlen westwaarts van ons in een tent. Van den heer Fraser hoorden wij, dat in de haven van Herschel vijf schepen door het ijs waren ingesloten; verder lagen er nog zes andere verder naar het Oosten, ze wisten niet waar. Dus waren er nu niet minder dan twaalf schepen hier in het ijs, en daarvan waren slechts drie op een overwintering ingericht. Dat zag er niet te best uit.

Roksi was een Kagmallik-Eskimo, en daar zijn vader stamhoofd was geweest, hield hij zich voor een persoon van gewicht. Zijn stamgenooten hadden de leelijke gewoonte, zich in elken hoek van den mond een gat in de onderlip te boren en er als sieraad een hoornen knoop in te steken. De eenigzins geciviliseerde hadden het sieraad weer verwijderd; de gaten trokken dan weer dicht, maar lieten leelijke litteekens.

Den 11den September begonnen we met den bouw van ons huis. Wij wilden dezen winter van drijfhout twee huizen bouwen, een om erin te wonen en een als observatorium en voor de magnetische instrumenten. Het woonhuis zou uit twee afdeelingen bestaan, een slaapkamer voor vier man en een ruimte, die tegelijk keuken en eetkamer zou wezen. Het liefst zouden allen aan land hebben willen wonen. Om de vochtigheid aan boord te verminderen, liet ik de geheele keuken aan land brengen.

Onze kok en Sten hadden innige vriendschap gesloten, en daarvan wilden wij zooveel mogelijk profiteeren. Sten was namelijk een uitstekend kok; in zijn nu voltooid huis had hij een grooten haard, waar de heerlijkste gerechten gereed konden worden gemaakt. De luitenant en ik wilden met Manni aan boord blijven en het schip bewaken. De architect en de smid zorgden voor den bouw van het huis. De vorm van een aardhut scheen hun het best; Hansen en Wiik hielpen hen bij het werk. Als bouwterrein was het vlakste deel van den heuvel gekozen.

Aan boord richtten de luitenant en ik ons zoo goed mogelijk in. De kachel van deBonanzawerd geplaatst en verbreidde al gauw al de warmte, die wij de vorige winters ontbeerd hadden. Manni was onze “meid alleen”.

In dezen tijd kregen wij geregeld bezoek vooral van Eskimo’s, die, als wij, in het ijs waren opgesloten. Af en toe was ook de zendeling erbij. Sten had zijn huis met zoden gedekt, en de Eskimo Kunak was met de zijnen getrokken in een door hem gebouwd huis, dat dicht naast dat van Sten lag. De winter mocht komen; hij vond de kolonie van King Point bereid hem te ontvangen. In het geheel waren er twintig personen, die gedurende de eerstvolgende tien maanden op deze plek kampeerden.

Op deGjöawoonden luitenant Hansen, Manni en ik; in ons huis aan wal de andere vijf van ons; vijftig meter verder westwaarts lag Stens huis, dat van planken en balken uit deBonanzawas opgetrokken en er als een villa uitzag. Het bestond uit twee kamers, waarvan de eene bestemd was voor Sten met zijn vrouw Kataksina en zijn dochtertje Anni, en de andere voor den harpoenier Jimmi met zijn vrouw. Boven was nog een hokje voor den Eskimo Neiu met zijn vrouw.

Wand aan wand met Sten had Kunak zijn huisje gebouwd van slechts één kamer met twee bedden, een tafel en een kachel. Het was weinig, in aanmerking genomen dat Kunak er woonde met zijn vrouw, zijn oude moeder en twee kinderen. Hij kreeg vaak gasten en dan woonden er soms tien menschen in het kleine huis.

Er waren in de kolonie ongeveer evenveel honden als menschen.

Al lang had ik het ijs erop aangezien, of het niet spoedig mogelijk zou wezen, per slede naarHerscheleiland te komen, omdat ik er naar de post onderzoek wilde doen, die van daar in de eerstvolgende dagen zou vertrekken. Wij verlangden allen zoo naar berichten van huis. Ik had met Sten afgesproken, samen te gaan, daar hij met walvischvaarders op Herscheleiland zaken had te doen. De Eskimo’s westwaarts van ons hadden beloofd, bericht te zenden, zoodra het ijs voor de sleden geschikt was, want er loopt daar een rivier in zee uit.

Op Zondag 24 September 1905 kwam een Eskimo voorbij, die naar Herschel ging. Als die erheen kon gaan, zou het ons ook gelukken. Den Dinsdag daarop vertrokken wij met een slede en een goed span honden. Daar wij het loopen nog niet gewend waren, hielden we den eersten dag bij Key Point stil, vijftien mijlen van King Point en twintig mijlen van Herschel verwijderd. Wij sloegen op het strand een tent op en maakten het ons gemakkelijk. Ik had Manni meegenomen, om hem de groote schepen en de vele Kabluna te laten zien.

Den volgenden dag om half vijf waren wij in de haven van Herscheleiland. Daar deed zich een zeer ongewone aanblik aan ons voor, want er lagen vier groote schepen naast elkander en op het ijs ertusschen wemelde het van menschen. Onze aankomst wekte groot opzien. In een oogenblik waren wij door een dichte menigte omringd; er waren Mulatten onder en negers, blanken en gelen. Hun kleeding was zeer verschillend; de meeste Eskimo’s liepen in Kablunakleeren en de meeste Kabluna’s in Eskimokleeren. Kabluna’s noemen de Eskimo’s hier alle menschen van een vreemd ras. De negers noemen ze echter “maktok” Kabluna, wat zooveel beteekent als “de zwarte blanke”.

Ik was de gast van veel kapiteins, sprak met de zendelingen, en had het voorrecht een brief van huis te ontvangen, met vreugde begroet, al was hij anderhalf jaar oud. Manni had veel pleizier en kreeg verscheiden uitnoodigingen bij de Eskimo’s. Het leven aan boord van die amerikaansche walvischvaarders staat in geen te besten roep, en ik hoorde er wonderlijke verhalen over; maar positieve bewijzen heb ik niet verkregen. De post zou den 20sten October over Fort Mc Person naar Fort Yukon gaan, en daar zou ze wachten en dan voor de verschillende kapiteins telegrammen verzenden en terugbrengen.

Met een antwoord voor ons zag het er dus vóór de maand Mei niet best uit, want de post wordt over Edmonton naar Fort Mc Pherson gebracht en van daar door Indianen naar Herscheleiland overgebracht. Dat duurde te lang, en wij vroegen daarom bij de walvischvaarders, of zij er iets tegen hadden, als ik de post den 20stenOctober vergezelde. Met de grootste vriendelijkheid werd dit goed gevonden en al wat ik ervoor noodig had, werd te mijner beschikking gesteld. Kapitein Mogg van de gestrandeBonanzawilde ook met de post verder reizen en trachten, San Francisco te bereiken, om dan in het volgend jaar met een nieuw schip weer naar de noordelijke breedten te trekken.

Den 29stenSeptember keerden wij naar deGjöaterug. Zonder veel moeite hadden we ’s avonds om elf uur ons doel bereikt. Drie weken later was mijn uitrusting voor de postreis klaar; ik nam vier honden mee en ook Jimmi, om hem een blik in de beschaafde wereld te laten slaan.

Na mijn vertrek verliep op deGjöade tijd kalm onder het commando van luitenant Hansen. Een reeks van jachtexpedities werd ondernomen, en nooit keerde men met leege handen terug. Kunak, de Eskimobuurman van Sten, werd naar de Mackzenziedelta gezonden, om op elanden te jagen, die daar nog in menigte voorkomen. In het begin van Maart ontvingen ze de eerste postzending aan boord. Het waren een aantal couranten en een telegram, dat ik met de “Royal Northwest Mounted Police,” die Dawson City den 25stenDecember verliet, had afgezonden. Door deze couranten en door brieven van mij kregen ze nauwkeurige berichten over hetgeen er in Noorwegen en in de verdere wereld was voorgevallen en tegelijk ontving ieder berichten van de zijnen.

Den 12denMaart was ik terug aan boord met nog meer brieven en couranten. Onze derde winter was goed doorstaan. Helaas, dat er op het laatst nog iets heel droevigs moest gebeuren. Wiik werd in de derde week van Maart onwel; maar niet zóó, dat we aan iets ernstigs dachten. Hij had geen eetlust en kreeg den 26stenhevige pijn in de zijde. Den volgenden dag moest hij blijven liggen; de pijn in de rechterzij hield aan, en ik begon voor borstvliesontsteking te vreezen. Eerst behandelden wij hem met koude omslagen, later met mosterdpleisters en pappen, en in den nacht op den 28stenschertste hij weer met ons en voelde zich beter. Maar in den namiddag namen de pijnen toe; er kwam benauwdheid bij, en de pols ging tot honderd-vier slagen in de minuut. Wij hadden een electrische leiding tusschen het woonhuis en het schip. Den 30stenMaart schreef ik in mijn dagboek: “Wiik is veel beter. Temperatuur van morgen 38.8 graden, met kalmen pols; eetlust neemt toe en spijsvertering goed.”

En toch, dien nacht werd ik door de electrische bel gewekt; Wiik was veel erger. Ik schreef aan kapitein Tilton, die een dokter aan boord had, dien te zenden en stuurde Jimmi er mee naar Herscheleiland, maar eer hij vertrokken was, had onze beste vriend Wiik reeds den laatsten adem uitgeblazen. Onzegbaar treurig bleven we dien nacht bij den doode; hij was voor ons allen een goed vriend geweest, en door zijn opgewekt humeur had hij veel tot de onderlinge aangename verhouding bijgedragen.

Het werk moest ons over de droefheid heen helpen. Lund had den 3den April de zwartgeverfde doodkist gereed, waar Wiik in werd gelegd, in afwachting, dat de grond zoo ver zou zijn ontdooid, dat we onzen vriend konden begraven. Op het toegeschroefde deksel spreidden we de noorsche vlag.

Den 2den Mei kwam vroeg in den morgen een Indiaan aan boord met de eerste regelmatige post, die over Edmonton en Fort Mc Pherson aan de Yukon naar Herschel was gekomen. Luitenant Hansen en ik waren de gelukkigen, ieder van ons kreeg een brief, wel oud maar zeer welkom. Den 6den keerden de brengers terug, en daar ze terstond naar Aljaska gingen, gaven wij hun eenige brieven mee en een telegram, dat, naar ik uitdrukkelijk zei, groote haast had. Het was het bericht van Wiik’s dood, waardoor ik hoopte te verhinderen, dat zijnoude moeder van anderen kant de tijding ontving. Maar het telegram is nooit in handen van den heer Firth, den directeur op Fort Mc Pherson gekomen.

Mei was een mooie maand, en den 9den konden we onzen vriend begraven. Er werd een kruis met een krans op den grafheuvel geplaatst en ik sprak een laatste afscheidswoord.

Een der flinkste Eskimo’s, Manitchja, bewees ons in dezen tijd den dienst, Manni tot zich te nemen, want ondanks al onze moeite om hem te winnen, wilde hij weer naar de Eskimo’s. Toch duurde die stemming niet lang; na een week was hij al terug, en wij namen hem weer in genade aan.


Back to IndexNext