V.

V.“Waar ga je naar toe?” vroeg Stubener verwonderd, terwijl hij op zijn horloge keek.Pat, met zijn hand op de deurknop, bleef staan en keerde zich om.“Naar de Academie,” zeide hij. “Daar is een professor, die vanavond een lezing houdt over Browning en Browning is een schrijver, waar je hulp bij noodig hebt. Soms denk ik, dat 't goed zou zijn als ik naar de avondschool ging.”“Maar groote goedheid, kerel!” riep de manager uit. “Je moet vanavond uitkomen tegen den Vliegenden Hollander.”“Dat weet ik wel. Maar ik kom geen oogenblik vroeger dan half tien of kwart voor tienen in den ring. De lezing is om kwart over negen afgeloopen. Als u zeker wilt zijn, kom dan even langs en neem me mee in uw car.”Stubener haalde met hulpeloos gebaar de schouders op.“U hoeft u niet ongerust te maken,” verzekerde Pat. “Vader heeft mij dikwijls gezegd, dat de ergste tijd juist was die laatste uren vóór een match, en dat menige partij verloren werd, nadat iemand den moed verloor in dien tijd, dat hij niets te doen had als denken en zich angstig maken. Nu, voor mij hoeft u daarover nooit ongerust te zijn. U moest blij zijn, dat ik naar een lezing kan gaan.”En later op den avond, terwijl hij vijftien prachtige ronden voor zich zag, grinnikte Stubener meer dan eens in zichzelf bij het denkbeeld, wat het sport-publiek er wel van denken zou, als ze wisten dat de prachtige jonge prijs-bokser zóó van een lezing over Browning in den ring was gekomen.De Vliegende Hollander was een jonge Zweed, die een ongewonen ijver voor het boksen bezat en gezegend was met een wonderlijk uithoudingsvermogen. Hij rustte nooit, viel altijd aan en stormde in en vocht van de ééne gongslag naar den andere. Bij de zwaaislagen draaiden zijn armen rondals dorschvlegels, bij het invechten gaf hij altijd schouderstooten of worstelde half en bracht stooten toe zoo gauw hij maar een hand vrij kon krijgen. Van 't begin tot het einde was hij een wervelwind, vandaar zijn naam. Zijn gebrek was gewis een oordeel over tijd en afstand. Toch had hij heel wat partijen gewonnen doordat bij de oneindige fusillade van stooten die hij toebracht, er licht één in elk dozijn raak was. Pat, onder den strengen eisch, zijn tegenstander niet neer te slaan, had zijn handen vol. En ofschoon hij aan ernstig letsel ontkwam, kon hij toch niet geheel en al vrij blijven van die eeuwig rondvliegende handschoenen. Maar 't was een eerlijk gevecht en hij genoot ervan op zijn gemoedelijke wijze.“Zou je hem nu onder kunnen krijgen?” fluisterde Stubener hem in 't oor in de minuut rust na de vijfde ronde.”“Stellig,” was Pat's antwoord.“Je weet, hij is nog nooit in den eindstoot neergeslagen,” waarschuwde Stubener een paar ronden later.“Dan ben ik bang, dat ik mijn knokkels zal moeten breken,” glimlachte Pat. “Ik weet welken stoot ik in me heb, en als ikdaarmee raak, moet er iets wijken. Alshij't niet is, dan mijn knokkels.”“Denk je dat je er hem nu onder zoudt kunnen krijgen?” vroeg Stubener aan het eind van de dertiende ronde.“Wanneer ik wil, zeg ik u.”“Nu Pat, laat 't dan tot de vijftiende doorgaan.”In de veertiende ronde overtrof de Vliegende Hollander zichzelf. Bij den gongslag stormde hij door den ring naar den tegenovergestelden hoek waar Pat langzaam op zijn beenen ging staan. Het publiek juichte, want men wist, dat de Vliegende Hollander loskwam. Pat, die de zaak van de grappige kant opnam, kwam op den inval, den verschrikkelijken nooit-verslagene tegemoet te komen met een gansch lijdelijken afweer en geen stoot toe te brengen.Gedurende de drie minuten wervelwind die volgden, deed hij geen stoot, noch veinsde een stoot te zullen doen. Hij gaf een zeldzaam staal van afweer, zijn neergebogen gezicht beschermend met zijn linker arm, en zijn onderlichaam met zijn rechter; dan weer veranderend als het aanvalspunt veranderde, zóó dat beide handschoenen aan weerskantenvan zijn gezicht werden gehouden of beide ellebogen en voorarmen zijn maag beschutten; en steeds in beweging, schouderend of half uitvallend naar zijn tegenstander om diens pogingen te verijdelen; zelf stoote hij niet, noch dreigde te stooten, en nu en dan wankelde hij door de kracht van de stormachtige stooten, die zijn afweer door een duivelschen taptoe zochten te overwinnen.Zij, die vlak bij den ring zaten, zagen en waardeerden het, maar de rest van het publiek stond als dol op, en brulde zijn toejuichingen uit in de verkeerde meening dat Pat hulpeloos een verschrikkelijk pak slaag opliep. Aan het eind van de ronde, ging het publiek zwijgend weer zitten, terwijl Pat langzaam naar zijn hoek ging. Het was niet te begrijpen. Hij had tot moes moeten zijn en er was hem niets overkomen.“Hoe krijg je hem neer?” vroeg Stubener angstig.“Binnen tien seconden,” was Pat's geruste verzekering. “Let maar op.”Er was niets van slimheid of streken bij. Toen de gong luidde en Pat op zijn voeten sprong, was het hem ontwijfelbaar aan te zien dat het hem voor de eerste maal in departij, er om te doen was, zijn tegenstander te kloppen. Geen enkele toeschouwer of hij begreep het en de Vliegende Hollander las de aankondiging ook in Pats' uiterlijk en toen zij in het midden van den ring tegenover elkaar kwamen te staan, aarzelde hij voor 't eerst in zijn boksers-loopbaan. Gedurende een deel van een seconde keken zij elkaar in gevechtshouding aan. Toen sprong de Vliegende Hollander op zijn tegenstander toe en Pat, met een op het juiste oogenblik toegebrachte rechts-zijdelingschen stoot, deed hem neervallen in zijn sprong.Na dit gevecht begon Pat Glendon's vlucht naar den roem. De sportmenschen en bladen sloegen acht op hem. Voor 't eerst was de Vliegende Hollander neergeslagen. Zijn overwinnaar had bewezen een heksenmeester in den afweer te zijn. Zijn vroegere overwinningen waren geen toeval geweest. Hij had een stoot in beide handen. Reus die hij was, zou hij 't ver brengen. De tijd was voor hem reeds voorbij, schreef men, om zijn kracht te verspillen tegen derderangsboksers.Waar waren Ben Menzies, Rege Rede, Bill Tarwater en Ernest Lawson? 't Werd tijd dat zij uitkwamen tegen dezen jongenbeginner, die plotseling getoond had een bokser te zijn waarmede te rekenen viel. Waar was zijn manager, dat hij geen uitdagingen publiceerde?Toen was hij in één dag beroemd; want Stubener onthulde het geheim, dat zijn beschermeling niemand anders was dan de zoon van Pat Glendon, Oude Pat, den vroegeren held van den ring. “Jonge” Pat Glendon was hij werkelijk gedoopt en sportlui en schrijvers zwermden om hem heen om hem te bewonderen en te helpen en over hem te schrijven.Te beginnen met Ben Menzies en eindigend met Bill Tarwater daagde hij de vier tweederangs-boksers uit, bevocht en versloeg hen. Om dit te doen was hij gedwongen te reizen, daar de matches in Goldfield, Denver, Texas en New-York plaats vonden. Om dit te volbrengen waren maanden noodig, want de grootere matches waren niet zoo gemakkelijk te regelen en de boksers zelf hadden meer tijd noodig om zich te trainen.Het tweede jaar zag hem uitkomen om het half dozijn groote boksers, saamgegroept juist onder de zwaargewicht ladder, te bevechten en te overwinnen. Hier op de topstond stevig geplant: “Groote” Jim Hanford, de nooit verslagen wereld-kampioen. Hier langs de hoogste sporten vorderde men langzamer, ofschoon Stubener onvermoeid was in het publiceeren van uitdagingen en in het gebruiken van de critiek om de boksers tot vechten te bewegen. Will King was in Engeland bezet en Glendon volgde Tom Harrison halfweg de wereld rond om hem op den boks-dag in Australië te verslaan.Maar de beurzen werden grooter en grooter. In plaats van een honderd dollar, die zijn eerste gevechten hadden opgebracht, ontving hij nu twintig tot dertig duizend dollar per gevecht, en even groote sommen van de bioscoop-opnemers. Stubener nam zijn percenten als manager van dit alles, volgens de bepalingen van het contract, door ouden Pat opgemaakt en hij en Glendon waren, ondanks hun groote onkosten, bezig rijk te worden. Dit vond zijn oorzaak, meer dan in iets anders, in het solide leven dat zij leidden. Ze waren geen verkwisters.Stubener belegde zijn geld bij voorkeur in vaste goederen en zijn bezittingen in San Francisco, bestaande uit étagewoningen en huizen met appartementen, waren grooterdan Glendon ooit gedroomd had. Doch er was een geheim syndicaat van gokkers die wel ten naastenbij konden raden, hoe grootStubenersbezittingen waren, omdat er ééne groote som na de andere, waar Glendon nooit iets van hoorde, aan zijn manager betaald werd door de filmopnemers.Stubeners gewichtigste taak was, de onschuld van zijn jongen gladiator te behoeden. Moeielijk was dit niet. Glendon, die niets te maken had met den zakenkant, stelde er weinig belang in. Bovendien bracht hij, waar hij op zijn reizen ook kwam, zijn vrijen tijd door met jagen en visschen. Hij kwam zelden in aanraking met de lui uit de sportwereld, was buitengewoon schuw en gesloten en verkoos musea en verzenboeken boven praatjes over sport. En aan zijn trainers en partners bij het sparren was door den manager op het hart gedrukt, hun mond te houden over de minste toespelingen op verdorvenheden van den ring. In elk gevecht plaatste Stubener zich tusschen Glendon en de wereld. Hij werd zelfs nooit geïnterviewd als in bijzijn van Stubener. Slechts ééns werd aan Glendon een geheim aanbod gedaan. Het was vlak vóór zijn strijd met Henderson eneen aanbod van honderdduizend werd haastig gedaan in vlug gefluisterde woorden in een hôtel-corridor. Het was gelukkig voor den man, dat Pat zijn drift beheerschte en hem schouderophalend voorbij liep zonder te antwoorden. Hij vertelde het aan Stubener, die zeide:“Het was maar gekheid, Pat. Ze probeerden je voor de mal te houden.” Hij merkte op hoe de blauwe oogen vonkten. “En misschien erger dan dat. Als zij je hadden kunnen vangen, zou er een groot sensatiebericht in de couranten zijn gekomen en 't was met je gedaan geweest. Maar ik betwijfel dit. Zulke dingen gebeuren niet meer. 't Is een legende, anders niet, die uit de vroegere geschiedenis van den ring stamt. Vroeger werd er geknoeid maar geen bokser of manager, die een goeden naam heeft, zou in dezen tijd zoo iets durven doen. Neen Pat, de mannen in de bokswereld zijn even eerlijk en oprecht als de beroeps-baseballspelers en iets eerlijkers en oprechters bestaat er niet.”En den geheelen tijd dat hij sprak wist Stubener, dat het aanstaande gevecht met Henderson niet korter dan twaalf ronden zou duren—dit ter wille van de film—en nietlanger dan de veertiende ronde. En bovendien wist hij, zoo groot was de inzet, dat Henderson zelfs omgekocht was het niet langer dan tot de veertiende te laten duren.En Glendon, die er niet meer over aangesproken werd, zette de zaak uit zijn hoofd en ging uit om den middag door de brengen met het nemen van kleurphotografieën.De camera was zijn liefhebberij van den laatsten tijd. Omdat hij van schilderijen hield, maar zelf niet schilderen kon, zocht hij een hulpmiddel door te photografeeren. In zijn handkoffer was een vak volgepakt met boeken over dit onderwerp en hij bracht vele uren door in de donkere kamer om voor zichzelf proeven te nemen met de verschillende processen.Nooit had er een groot bokser bestaan, die zoo los was van de bokserswereld als hij. Omdat hij weinig wist te praten met de menschen, die hij ontmoette, werd hij norsch en ongezellig genoemd en hieruit ontstond een reputatie in de nieuwsbladen, die geen overdrijving was, maar een volkomen misvatting.Volgens de gedrukte berichten, was zijn karakter dat van een onspraakzame domme,ruwe kerel met spieren als een os, en een baardeloos schrijvertje over sport gaf hem den bijnaam van “De Ongelikte Beer”. De naam sloeg in. De overige leden van de broederschap namen hem met gejuich over en hierna verscheen Glendon's naam nooit meer in druk zonder die bijvoeging. Dikwijls in een opschrift of onder een photografie verscheen “De Ongelikte Beer”, alleen in hoofdletters en zonder aanhalingsteekens. De heele wereld wist wie die Beer was. Dat maakte dat hij zich meer dan ooit in zichzelf opsloot, omdat hij een bitter veroordeel tegen krantenmenschen koesterde.Wat het boksen zelf betreft, groeide zijn vroegere belangstelling nog aan. De mannen tegen wie hij nu uitkwam, waren alles behalve stumperts en de overwinning werd niet zoo gemakkelijk behaald.Het waren boksers van naam en ondervinding en de eersten in den ring en elke strijd was een probleem. Er waren gelegenheden waarbij het hem onmogelijk bleek, hen buiten gevecht te stellen in de afgesproken ronde. Zoo met Sulsberger, den reusachtigen Duitscher; hoe hij zich ook inspande in de achttiende ronde, hij kreeg hem niet onder, in denegentiende was het dezelfde geschiedenis en eerst in de twintigste gelukte het hem door den afweer van den ander heen te breken en hem te doen vallen. Glendon's groeiende vreugd in de bokssport bracht ernstiger en langer training mede.Nooit overdrijvend en terwijl hij veel van zijn tijd doorbracht met jagen over de heuvels, was hij practisch altijd in conditie en anders dan bij zijn vader, werd zijn carrière niet belemmerd door ongelukkige toevalligheden. Hij brak nooit een been of bezeerde ook maar een knokkel. Een ding, dat Stubener met geheime vreugd opmerkte was, dat zijn jonge bokser er niet meer van sprak, voor goed naar zijn bergen terug te gaan als hij Jim Hanford het kampioenschap ontnomen had.VI.Het hoogte-punt van zijn loopbaan kwam snel naderbij. De groote kampioen had in het publiek bekend gemaakt, dat hij bereid was tegen Glendon uit te komen, zoo gauw deze laatste de drie of vier aspiranten voor het kampioenschap die er tusschen stonden, overwonnen had. In zes maanden slaagde Pat er in, Kid Mc Grath, Jack Mc Bride uit Philadelphia te kloppen en alleen Nat Powers en Tom Cannem bleven nog over.En alles zou goed gegaan zijn, wanneer niet een zeker meisje uit de voorname wereld het in haar hoofd had gekregen in de journalistiek te gaan en wanneer Stubener niet toegestemd had in een interview met de vrouwelijke reporter van de Courier Journal van San Francisco. Haar werk was altijd onderteekend met den naam van Maud Sangster, en dit, tusschen twee haakjes, was haar eigen naam. De Sangsters stonden bekendals een rijke familie. De grondlegger van het geslacht, oude Jacob Sangster, had zijn dekens opgenomen en was gaan werken als knecht op een farm in het Westen.Hij had een onuitputtelijk borax-gebied ontdekt in Nevada en nadat hij begonnen was het te ontginnen met behulp van muildieren, had hij een spoorweg aangelegd voor het vervoer. Daarna had hij voor de winst, met de borax gemaakt, honderden en duizenden vierkante mijlen boschgrond gekocht in Californië, Oregon en Washington. Nog later had hij de politiek gecombineerd met zaken, kocht staatslieden, rechters en machines, en werd een held op 't gebied van gecombineerde industrie. En daarna was hij gestorven vol eer en vol pessimisme, zijn naam nalatend als een moddervlek, die toekomstige historieschrijvers nog konden aandikken; tevens liet hij een paar honderd millioen na, waar zijn vier zoons om konden kibbelen. De wettelijke, industriëele en politieke gevechten die volgden, ergerden en vermaakten Californië een generatie lang en bereikten hun toppunt in doodelijke haat tusschen de vier zoons, die elkaar niet meer wilden kennen.De jongste, Theodore, kwam op middelbaren leeftijd tot inkeer, verkocht zijn farms en zijn stallen met race-paarden en wierp zich in een strijd tegen al de verderfelijke machten van zijn geboorteland, waartoe de meeste millionairs behoorden, in een Don-Quichot-achtige poging het te zuiveren van den smet er door den ouden Jacob Sangster opgeworpen.Maud Sangster was de oudste dochter van Theodore. Het geslacht der Sangsters bracht geregeld twistzoekers voort onder de mannen en schoonheden onder de vrouwen. En Maud was geen uitzondering op den regel. Ook moest zij iets geërfd hebben van den lust naar avonturen, den Sangsters eigen; want toen zij volwassen werd, had zij een massa dingen gedaan, die voor een vrouw in haar positie niet te pas kwamen. Eén geval uit tienduizend: zij was nog ongetrouwd gebleven. Zij had Europa bezocht zonder een adellijk heer als echtgenoot mede te brengen en had thuis een gansche stoet pretendenten uit haar eigen kring afgewezen. Zij had liefhebberij in openlucht-sport: won hettenniskampioenschapvan den Staat; deed de wereld elke week nieuwsgierig uitkijkennaar nieuwe onconventioneele dingen van haar, liep voor een weddenschap op tijd van San Mateo naar Santa Cruz en veroorzaakte sensatie door bij een match polo te spelen in een mannenteam.Onverwachts was zij zich voor kunst gaan interesseeren en hield er een atelier op na in het Quartier Latin van San Francisco.Dit alles kwam er niet op aan vóór haar vaders plotselinge bekeering. Aangelegd met een hartstochtelijk gevoel voor onafhankelijkheid, terwijl zij nooit den man ontmoet had, aan wien zij zich met vreugde zou onderwerpen en zij zich ergerde aan de pretendenten naar haar hand, wees zij haar vaders bemoeiïngen met haar manier van leven af en zette de kroon op al haar maatschappelijke verkeerdheden door werk te gaan zoeken bij de “Courier Journal.” Begonnen met twintig dollars per week, was haar salaris spoedig geklommen tot vijftig. Haar werk was voornamelijk muziek-, tooneel- en kunst-critiek, ofschoon zij zich niet verheven voelde boven gewone journalistieke artikelen, wanneer zij maar genoeg interessants beloofden. Zoo versloeg zij het groote interview met Morgan op een oogenblik, toenhij door een dozijn journalisten uit New York op kleinzielige wijze bespot werd; ook daalde zij in een duikerpak naar den bodem van den Golden Gate en vloog met Rood, den manvogel toen hij alle records voor lang volgehouden vluchten versloeg door Riverside te bereiken.Nu moet men niet denken, dat Maud Sangster een hoekige Amazone was. Integendeel, zij was een tengere jonge vrouw van drie of vier en twintig jaar, met grijze oogen en van middelmatige gestalte en zij had buitengewoon kleine handen en voeten voor een vrouw, die aan openlucht-sport deed en trouwens voor elk soort vrouw. Ook wist zij veel beter dan de meeste sport-vrouwen liefelijk vrouwelijk te zijn.Het was op haar aanwijzing, dat zij van den uitgever de opdracht kreeg, Pat Glendon te interviewen. Behalve dat zij eens Bob Fitzsimmons een oogenblik had gezien in avondtoilet in Palace Grill, had zij nooit in haar leven een prijs-bokser gezien. Zij was ook niet verlangend er een te zien—ten minste zij had er niet naar verlangd totdat Jonge Pat Glendon naar San Francisco kwam om zich te trainen voor zijn partij met NatPowers. Toen had zijn couranten-reputatie haar belangstelling gewekt. De ongelikte Beer! die moest zeker de moeite waard zijn om te zien. Uit wat zij over hem las, maakte zij op, dat hij een man-monster moest zijn, ongelooflijk dom en met de kwaadaardigheid en de woestheid van een beest uit de wildernis. Wel is waar bleek dit alles niet uit de photo's, die van hem gepubliceerd werden, maar wel bleek daaruit de reusachtige spierkracht, die verwacht kon worden er mede samen te gaan. En zoo begaf zij zich, op het uur door Stubener vastgesteld, en vergezeld van een photograaf voor het blad, naar de training-appartementen in Cliff House.De eigenaar van deappartementenhad moeite met Pat. Hij stribbelde tegen. Met zijn ééne reusachtige been bengelend over den kant van zijn leunstoel en Shakespeare's sonnetten op zijn knie, zat hij te oreeren tegen de moderne vrouw.“Wat hebben zij met boksen te maken? vroeg hij. “Daar is haar plaats niet. En wat weten zij ervan? De mannen zijn al slecht genoeg. Ik ben geen heilige om aan te komen gapen. Die vrouw komt hier om zoo iets van mij te maken. Ik heb mij nooit met devrouwen bemoeid, die bij detraining-appartementenstaan te wachten en 't kan mij niet schelen of zij reporter is.”“Maar zij is geen gewone reporter,” wierp Stubener tegen.“Heb je wel eens van de Sangsters gehoord? millionairs!” Pat knikte.“Zij is er één van. Ze hoort totdehoogste kringen en zoo. Als ze wou kon ze met de Blingum's omgaan inplaats van voor haar brood te werken. Haar oude is vijftig millioen waard zoo als hij een cent waard is.”“Waarom werkt zij dan aan een courant?—en neemt een of anderen armen duivel een baantje af?“Zij en de oude zijn niet goed met elkaar, ze hebben ruzie gehad of zoo iets, in den tijd toen hij San Francisco schoon begon te vegen. Zij ging van hem weg. Dat is alles—ging uit huis en zocht een baantje. En laat mij je één ding zeggen, Pat: ze kan Engelsch neerkrabbelen. Er is geen pennelikker in 't land die haar aan kan als ze zich laat gaan.”Pat begon belangstelling te toonen en Stubener sprak haastig voort.“Zij schrijft verzen ook—van die fijneliedjes, net als jij. Alleen denk ik, dat de hare beter zijn, want zij heeft er eens een heel boek vol van uitgegeven. En ze schrijft over het tooneel. Ze interviewt elken grooten acteur, die hier op de planken komt.”“Ik heb haar naam in de courant gezien,” gaf Pat toe.“Natuurlijk. En 't is een eer voor je, Pat, dat zij je komt interviewen. En 't geeft je niets geen last. Ik ben er bij en geef zelf de meeste inlichtingen. Je weet, dat ik dat altijd gedaan heb.”Pats oogen spraken dankbaarheid.“En nog iets Pat: vergeet niet, dat je je aan dat interview moèt onderwerpen. 't Is een deel van je werk. 't Is een groote advertentie en gratis. Wij kunnen 't niet koopen. Het interesseert de menschen, trekt het publiek en het is het publiek, dat de groote ontvangsten in je zak brengt.” Hij zweeg en luisterde; keek op zijn horloge. “Ik geloof, dat zij daar is. Ik zal haar wel zeggen, dat zij 't kort moet maken; 't zal niet lang duren. In de deur keerde hij zich om. “En wees beleefd, Pat. Houd je mond niet dicht als een klem. Praat een beetje tegen haar als zij wat vraagt.”Pat legde de sonnetten op tafel, nam een courant op en was schijnbaar verdiept in den inhoud ervan, toen het tweetal de kamer binnenkwam en hij opstond.De ontmoeting gaf een wederzijdschen schok. Toen de blauwe oogen de grijze ontmoeten, was het bijna alsof de man en de vrouw triomfantelijk elkaar iets toeriepen, alsof elk onverwachts iets had gevonden, dat lang gezocht was. Doch dit duurde slechts een oogwenk. Ieder had in den ander iets zoo totaal anders verwacht, dat in het volgend oogenblik de heldere kreet van herkenning plaats maakte voor verlegenheid.Zooals gewoonlijk het geval is, was de vrouw de eerste, die haar zelfbeheersching terug vond en zij deed het, zonder door eenig uiterlijk teeken te verraden, dat zij die zelfbeheersching ooit kwijt was geweest. Zij liep het grootste eind door van den afstand, die hen scheidde, om bij Glendon te komen. Wat hem betreft, hij wist nauwelijks hoe hij door de voorstelling heen stumperde. Dit was een vrouw, een V.R.O.U.W. Hij had niet geweten, dat er zulk een wezen kon bestaan. De weinige vrouwen, waar hij op gelet had, geleken in niets op deze. Hijvroeg zich af, hoe het oordeel van ouden Pat over haar geweest zou zijn, of zij de soort van vrouw was, aan wie zijn zoon zich volgens zijn raad met beide handen vast moest klemmen. Hij bemerkte, dat hij op een of andere wijze haar hand vasthield. Hij keek er naar, nieuwsgierig en geboeid, verbaasd over de fijnheid ervan.Zijdaarentegen was er in geslaagd ook den naklank van dien eersten helderen kreet tot zwijgen te brengen. Het was een vreemde gewaarwording geweest, zich plotseling aangetrokken te voelen tot een vreemden man: dat was al. Want was hij niet de Ongelikte Beer van de prijsgevechten, het groote, boksende, massale mannetjes-dier, die zijn kameraden van hetzelfde stomme soort neersloeg? Zij glimlachte om de wijze waarop hij haar hand bleef vasthouden.“Ik wou mijn hand graag terug hebben, Mr. Glendon,” zeide zij. “Ik ... ik heb 'm werkelijk noodig, ziet u.” Hij keek haar aan zonder te begrijpen, volgde haar blik naar de gevangen hand en liet haar los op een plotselinge lompe manier, die hem het bloed in een duidelijk zichtbare blos naar het gelaat dreef.Zij merkte den blos op en de gedachte schoot door haar hoofd dat hij toch niet zoo'n phenomenale lomperd scheen te zijn als zij zich had voorgesteld. Zij kon zich niet denken dat een beestmensch ergens over zou blozen. En tevens deed het haar prettig aan, dat hem de radheid van tong ontbrak om een verontschuldiging te mompelen. Doch de wijze waarop hij haar met zijn oogen verslond, bracht haar in de war. Hij staarde naar haar als in vervoering, terwijl zijn wangen àl rooder werden.In dien tijd had Stubener een stoel voor haar gehaald en Glendon liet zich werktuigelijk in den zijne zakken.“Hij is in de beste conditie, Miss Sangster, in prachtige conditie,” zeide de manager. “Zoo is 't immers, nietwaar Pat? Je hebt je nooit beter gevoeld?”De woorden hinderden Glendon. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen als in ergernis en hij antwoordde niet.“Ik heb er al lang naar uitgezien, u te ontmoeten, Mr. Glendon,” zeide Miss Sangster. “Ik heb nog nooit een vuistvechter geïnterviewd, dus als ik niet met genoegkennis van zaken spreek, zult u 't mij wel willen vergeven, hoop ik.”“Misschien zou het beter zijn, wanneer u begon met hem in actie te zien,” gaf de manager aan. “Terwijl hij zijn bokscostuum aantrekt, kan ik u heel veel over hem vertellen—versch nieuws ook. We zullen Walsh binnen roepen, Pat, en een paar ronden maken.”“Daar gebeurt niets van,” snauwde Pat ruw, juist op de wijze als een Ongelikte Beer doen zou. Vooruit maar met het interview.”Het interview begon slecht. Stubener praatte 't meest en gaf aan waarover gesproken zou worden, hetgeen genoeg was om Maud Sangster boos te maken, terwijl Pat uit zichzelf niets zeide. Zij bestudeerde zijn fijngesneden gelaat, de oogen, helder blauw en ver van elkaar staande, de goedgevormde neus, een arendsneus bijna, de vastgesloten, kuische lippen, die iets mannelijk zachts hadden in de omgekrulde hoeken en waar niets aan was, dat op boosaardigheid wees. Zijn uiterlijk was bedriegelijk, besloot zij, als wat de couranten van hem vertelden, waar was. Tevergeefs zocht zijnaar kenmerken van een beestmensch. En tevergeefs trachtte zij contact met hem te krijgen. Ten eerste wist zij te weinig van prijsgevechten en den ring en zoodra zij haar lood uitgooide, werd het door Stubener, die klaar stond met inlichtingen, opgepikt.”'t Moet heel interessant zijn, het leven van een beroepsbokser,” zeide zij, en voegde er met een glimlach aan toe: “Ik wou, dat ik er meer van wist. Zeg me: waarom vecht u?—O, behalve om geld. (Het laatste tot Stubener.) Houdt u van boksen? Vuurt het u aan als u op uw tegenstander los gaat? Ik weet niet goed, hoe ik moet uitdrukken wat ik bedoel, dus u moet geduld met mij hebben.”Pat en Stubener begonnen tegelijk te spreken, maar ditmaal duwde Pat zijn manager weg.“Eerst gaf ik er niet om—”“Ja, ziet u, 't was zoo dood gemakkelijk voor hem,” viel Stubener in.“Maar later,” ging Pat voort, “toen ik tegenover de betere boksers uitkwam, de werkelijk groote en knappe in het vak, waar mijn...”“Eer mee gemoeid was?” vulde zij aan.“Ja, dat is 't, waar mijn eer mee gemoeid was, toen ontdekte ik, dat ik 't prettig vond—heel prettig zelfs. Ziet u, ofschoon iedere strijd een soort van probleem voor mij is, dat ik met mijn verstand en met mijn spieren moet uitwerken, is toch de uitslag nooit twijfelachtig voor mij.—”“Hij heeft nooit een partij gebokst waarbij hij zijn tegenpartij gewoon onderkreeg,” verklaarde Stubener.“Hij wint altijd door den eindstoot.”“En die zekerheid omtrent den uitslag neemt er van weg, wat ik mij verbeeld, dat de fijnste trillingen moeten zijn,” besloot Pat.“Misschien zul je wel wat van die trillingen voelen, als je tegen Jim Hanford uitkomt,” zei de manager.Pat glimlachte, maar sprak niet.“Vertel mij nog wat meer,” verzocht zij; “meer over wat u voelt terwijl u vecht.”En nu bracht Pat zijn manager, Miss Sangster en zichzelf in verbazing, door uit te barsten:“Ik geloof, dat ik met u niet over die dingen moest praten. 't Is of er voor u en mij veelbelangrijker dingen bestaan om over te spreken. Ik—.”Hij stokte plotseling, zich bewust van wat hij gezegd had, maar onbewust waarom hij het gezegd had.“Ja,” riep zij gretig uit. “Dat is zoo. Dat maakt een goed interview, de ware persoonlijkheid, ziet u.”Maar Pats tong bleef gekluisterd en Stubener dwaalde naar een statistische vergelijking over het lichaamsgewicht en de maat van zijn kampioen en dat van Sandow, de Terrible Turk, Jeffries en andere sterke boksers van den laatsten tijd. Hier stelde Maud Sangster weinig belang in en zij liet merken, dat het haar verveelde. Toevallig viel haar oog op de Sonnetten. Zij nam het boek in de hand en keek vragend naar Stubener.“Zoo is Pat,” verklaarde hij. “Hij is dol op die dingen en op kleurfotografie en kunsttentoonstellingen en zoo. Maar schrijf daar in 's hemelsnaam niets over. Zijn reputatie zou naar de maan zijn.”Zij keek verwijtend naar Glendon, die dadelijk verlegen werd. Zij vond het verrukkelijk. Een schuchtere jonge man, met het lichaam van een reus, één der koningenin het vuistvechten en die gedichten las en naar kunsttentoonstellingen ging en proeven nam met kleurfotografie. Neen zeker, hier was geen Ongelikte Beer. Zijn schuchterheid, begreep zij nu, kwam voort uit fijngevoeligheid en niet uit domheid. Shakespeare's Sonnetten! Hier was een aanleiding om verder te vragen. Maar Stubener stal de gelegenheid weg en was alweer aan het opdreunen van zijn eeuwige statistieken.Enkele minuten later en zonder dat zij er zich van bewust was, bracht zij het zwaarste geschut in het vuur. De eerste sterke aantrekkingskracht, die zij gevoeld had bij haar binnenkomen, begon opnieuw te werken na de ontdekking van de Sonnetten. Zijn prachtige lichaamsbouw, zijn knap gezicht, de kuische lippen, de heldere oogen, het mooie voorhoofd, niet verborgen door de korte blonde kuif, de indruk van lichamelijk welzijn en zuiverheid, die hij maakte—dit alles en meer nog een innerlijk gevoel, trok haar tot hem zooals zij zich nooit tot eenigen man aangetrokken had gevoeld en toch bleven in haar hoofd de leelijke geruchten die zij den vorigen dag nog gehoord had op het bureau van de Courier Journal.“U hadt gelijk,” zeide zij. “Er zijn belangrijker dingen om over te spreken. Ik heb iets in gedachte, dat ik graag door u zou opgehelderd zien. Heeft u er op tegen?”Pat schudde het hoofd.“Als ik soms vrijpostig ben?—verschrikkelijk vrijpostig? Ik heb mannen soms hooren spreken over bijzondere boksmatches en over de kansen van het wedden en terwijl ik er toentertijd niet veel op lette, scheen mij toe, hoe iedereen het er over eens was, dat er heel wat bedrog en truc's aan die sport vastzitten. En als ik u nu bijvoorbeeld aankijk, kan ik moeielijk begrijpen, hoe u in zulk een bedrog betrokken zoudt kunnen zijn. Ik kan begrijpen, dat u van de sport houdt om de sport en ook om het geld, dat ze inbrengt, maar ik begrijp niet—.”“Er valt niets te begrijpen,” viel Stubener in, terwijl om Pat's lippen een vriendelijk lijdzame glimlach trok. “Allemaal sprookjes, die verhalen over bedrog, over tevoren vastgestelde partijen en al die rotrommel. Dat bestaat niet, Miss Sangster, ik verzeker het u. En laat mij u nu eens vertellen, hoe ik Mr. Glendon ontdekt heb.'t Kwam door een brief, dien ik van zijn vader kreeg—.”Maar Maud Sangster weigerde, zich te laten afleiden en wendde zich tot Pat.“Luister. Ik herinner mij één geval in 't bijzonder. 't Was bij een match, die eenige maanden geleden plaats vond—ik ben de deelnemers vergeten. Eén van de redacteuren van de Courier Journal zei aan me, dat hij een aardig winstje zou maken. Hijhoopte't niet: hij zei, dat hij 'tzoumaken. Hij beweerde, dat hij op de hoogte was en wedden zou op het aantal ronden. Hij vertelde, dat de partij bij de negentiende zou eindigen. Dit was de avond tevoren. En den volgenden dag riep hij triomfantelijk mijn aandacht in voor het feit, dat de partij werkelijk bij die ronde was geëindigd. Ik dacht er toen niets bij. Ik stelde geen belang in prijsgevechten. Maar nu doe ik dat wel. Toentertijd scheen het precies in overeenstemming te zijn met de vage denkbeelden, die ik over boksen had. Dus u ziet, 't zijn toch niet allemaal sprookjes, nietwaar?”“Ik weet welke partij het was,” zeide Glendon. “Owen en Murgweather. En die eindigde met de negentiende ronde, Sam.En zij zegt, dat zij die ronde den dag tevoren heeft hooren noemen. Hoe verklaar je dat, Sam?“Hoe verklaar je 't als een man een gelukkig lot uit de loterij trekt?” luidde de wedervraag van den manager, terwijl hij zijn brein scherpte om een antwoord te vinden. “Dat is juist het punt van belang. Mannen, die training en conditie en secondanten en regels en zulke dingen bestudeeren, raden dikwijls het aantal ronden, net zooals er menschen zijn, die bij de wedrennen honderd tegen één zetten en winnen. En vergeet één ding niet: tegenover elken man die wint, staat een ander die verliest, een ander die verkeerd heeft geraden. Maud Sangster, ik verzeker u, op mijn eer, dat bedriegen en knoeien bij de bokssport iets is dat niet bestaat.”“Wat denkt u er van, Mr. Glendon?” vroeg zij.“Net als ik,” sneed Stubener het antwoord af.“Hij weet, dat alles wat ik zeg waar is, elk woord. Hij heeft nooit in zijn leven anders dan een eerlijke partij gebokst. Nietwaar Pat?”“Ja, 't is waar,” stemde Pat toe en het vreemdste scheen Maud Sangster haar eigen overtuiging, dat hij waarheid sprak.Zij streek met haar hand langs haar voorhoofd alsof zij zich wilde bevrijden van de verbijstering, die over haar denken nevelde.“Luister,” zeide zij. “Gisterenavond vertelde dezelfde redacteur mij, dat van een aanstaande partij alles vooruit bepaald was en precies de ronde, waarin ze zou eindigen.”Stubener verwachtte een uitbarsting, maar Pat's woorden maakten zijn antwoord onnoodig.“Dan liegt die redacteur.” Pat's stem was voor 't eerst toornig.“Hij loog den vorigen keer niet over die andere partij,” daagde zij uit.“In welke ronde zeide hij dat mijn partij met Nat Powers zou eindigen?”Eer zij antwoorden kon, was de manager er midden in.“Nonsens Pat!” riep hij. “Schei uit. Zulke praatjes loopen er altijd. Laat het interview voortgaan.”Glendon luisterde niet; zijn oogen, strak in die van Maud, waren niet langer zacht blauw, maar hard en bevelend. Zij was ernu zeker van, dat zij aan iets ontzettends had geraakt, dat alles zou verklaren, waarover zij zich verwonderd had. Tegelijk beefde zij voor het bevelende in zijn stem en blik. Hier was een mannelijke man, die het leven grijpen zou en er uit zou schudden, wat hij noodig had.“Welke ronde noemde die redacteur?” herhaalde Glendon zijn vraag.“In godsnaam, Pat schei uit met die dwaasheden,” viel Stubener in.“Ik wou, dat U mij een kans gaf om te antwoorden,” sprak Maud Sangster.“Ik geloof, dat ik zelf wel in staat ben met Miss Sangster te spreken,” voegde Glendon er bij. “Ga jij maar weg Sam. Ga weg en kijk eens naar de photo's.”Gedurende een kort oogenblik van spanning keken zij elkander aan, toen bewoog de manager langzaam in de richting van de deur, deed deze open en keerde zijn hoofd om, om te luisteren.“En welke ronde noemde hij nu?”“Ik hoop, dat ik niets verkeerds heb gedaan,” zeide zij bevend; “maar ik weet heel zeker, dat hij de zestiende ronde noemde.”Zij zag een trek van verbazing en woedeover Glendon's gezicht glijden en de woede en het verwijt in den blik, dien hij op zijn manager wierp en zij wist, dat de slag raak was geweest.En er was reden voor zijn boosheid. Hij wist, dat hij er met Stubener over gesproken had en dat zij overeen waren gekomen, het publiek een goede partij voor zijn geld te geven zonder den strijd noodeloos te verlengen en er daarom in de zestiende ronde een eind aan te maken. En nu was hier een vrouw, van een courantenbureau, die dezelfde ronde noemde.Stubener stond bleek en slap in de deur, blijkbaar had hij moeite zich op te houden.“Ik zal later met je spreken,” zeide Pat tot hem. “Doe de deur achter je dicht.”De deur werd gesloten en zij waren alleen met hun beiden. Glendon sprak niet. Zijn gezicht droeg een sprekende uitdrukking van leed en verslagenheid.“Nu?” vroeg zij.Hij sprong op en stak als een toren boven haar uit; toen ging hij weer zitten en maakte zijn lippen nat met zijn tong.“Ik zal u één ding zeggen,” sprak hijeindelijk. “De partij zal niet met de zestiende ronde eindigen.”Zij sprak niet, doch haar ongeloovige, fijn spottende glimlach deed hem pijn.“Wacht maar af, dan zult u zien, Miss Sangster, dat die man van de redactie het mis had.”“U bedoelt, dat het programma veranderd zal worden?” vroeg zij stout weg.Hij beefde onder de snerping harer woorden.“Ik ben niet gewend te liegen,” zeide hij stijf, “zelfs niet tegenover vrouwen.”“Dat heeft u tegenover mij ook niet gedaan en u heeft ook niet geloochend, dat het programma veranderd zal worden. Misschien ben ik dom, Mr. Glendon, maar ik kan niet inzien wat voor verschil het maakt, welke ronde de laatste zal zijn, zoolang dat te voren is vastgesteld en bekend gemaakt.”“Ik zal de ronde tegen u noemen en anders zal geen ziel ter wereld het weten.”Zij haalde hare schouders op en glimlachte.“Het klinkt voor mij precies als bij de races gebeurt. Daar worden altijd op die manier van te voren afspraken gemaakt, zietu. Overigens ben ik niet zoo heel dom en ik begrijp, dat er hier iets niet in den haak is. Waarom werd u boos toen ik de ronde noemde? Waarom was u boos op uw manager? Waarom stuurde u hem de kamer uit?”Tot antwoord liep Glendon naar het raam, alsof hij naar buiten wilde kijken, waar hij van idee veranderde en zich halverwege omkeerde; en zij wist, zonder het te zien, dat hij haar gezicht bestudeerde. Hij kwam terug en ging zitten.“U heeft gezegd, dat ik niet tegenover u gelogen heb, Miss Sangster, en daar had u gelijk aan. Ik heb niet gelogen.”“Hij zweeg met pijnlijk tasten naar een juiste bepaling van de situatie. “Denkt u, dat u kunt gelooven wat ik u zeggen ga? Wilt u het woord gelooven van een ... prijsbokser?”Zij knikte ernstig, keek hem recht in de oogen en was er zeker van, dat, wat hij zou vertellen, de waarheid was.“Ik heb altijd eerlijk gebokst. Ik heb nooit in mijn leven een vuil stuk geld aangeraakt of een smerige streek toegepast.“U heeft mij een leelijken schok gegevenmet wat u vertelde. Ik weet niet wat ik ervan denken moet. Ik heb er niet dadelijk een oordeel over. Ik weet 't niet. Maar het ziet er leelijk uit. Dat hindert me. Want, ziet u, Stubener en ik hebben over deze match gesproken en tusschen ons was het uitgemaakt, dat ik de partij in de zestiende ronde zou doen eindigen. Nu brengt u hetzelfde woord. Hoe wist de redacteur dat? Niet van mij. Stubener moet het losgelaten hebben..., of...”Hij zweeg om het raadsel te overdenken. “Of die redacteur is een gelukkige rader. Ik kan 't niet begrijpen. Ik zal mijn oogen moeten openhouden en opletten en leeren. Elk woord, dat ik u gezegd heb, is de waarheid en hier is mijn hand er op.”Weer rees hij hoog op uit zijn stoel en kwam naar haar toe. Haar kleine hand werd in zijn groote gegrepen toen zij opstond en hem tegemoet kwam en na een eerlijken, open blik in elkanders oogen, keken beiden onbewust naar de ineengeklemde handen. Zij voelde, nooit zoo volkomen beseft te hebben, dat zij een vrouw was.Het sexe-verschil in die twee handen—de zachte en tengere vrouwenhand en de zwaregespierde van den man—was verbazend. Glendon was de eerste die sprak.“Uw handje zou licht bezeerd kunnen worden,” zeide hij en op hetzelfde oogenblik voelde zij de vastheid van zijn greep bijna liefkozend losser worden.Zij dacht aan de voorliefde voor reuzen van den ouden Pruisischen koning en lachte om de ongerijmdheid van die gedachte-associatie terwijl zij haar hand terugtrok.“Ik ben blij, dat u vandaag hier bent gekomen,” zeide hij en sprak toen onhandig vlug door om er een verklaring aan toe te voegen, die door den warmen glans in zijn oogen werd weersproken. “Ik bedoel, omdat u mij misschien de oogen hebt geopend voor het geknoei, dat er gebeurt.”“U heeft mij verbaasd,” zeide zij. “Ik dacht 't zoo algemeen bekend, dat bij prijsboksen allerlei geknoei voorkomt, dat ik niet kan begrijpen, hoe u, één van de voornaamste vertegenwoordigers uit die wereld, er onkundig van kunt zijn. Ik dacht het vanzelf sprekend dat u er alles van wist en nu heeft u mij doen gelooven, dat u er zelfs niet van droomde. U moet anders zijn dan andere boksers.”Hij knikte met het hoofd.“Dat verklaart het, denk ik. En dat komt daarvan dat ik mij apart houd van de anderen, van de andere boksers en de managers en de sportlui. 't Was gemakkelijk, mij een rad voor de oogen te draaien. Toch staat 't nog aan mij, te zien of mij werkelijk een rad voor de oogen is gedraaid of niet. Ziet u, dat moet ik zelf uitvinden.”“En er dan verandering in brengen?”“Neen; dan ga ik er uit,” was zijn antwoord. “Als 't niet eerlijk is, wil ik er niets meer mee te maken hebben. En één ding is zeker: deze aanstaande partij met NatPowerszal niet bij de zestiende ronde uit zijn. Als er iets waars is in die voorwetenschap van den redacteur, komen zij allemaal bedrogen uit. Inplaats van hem in de zestiende buiten gevecht te stellen, zal ik het gevecht door laten gaan tot in de twintigste. U zult 't zien.”“En mag ik het den redacteur niet vertellen?”Zij stond nu klaar om heen te gaan.“Stellig niet. Als hij er alleen naar raadt, heeft hij dezelfde kans. Als er geknoei bij is, verdient hij zijn heele inzet te verliezen.Dit moet een klein geheim blijven tusschen u en mij. Ik zal u vertellen, wat ik doen zal. Ik zal u de ronde zeggen. Ik ga niet door tot de twintigste. Ik zal Nat Powers in de achttiende neerslaan.”“Ik zal het zelfs niet fluisteren,” verzekerde zij.“Ik zou u graag een gunst willen vragen,” zeide hij, haar polsend. “Misschien is het een groote gunst.”Haar gezicht sprak haar bereidwilligheid uit, alsof de gunst reeds was toegestaan en hij ging voort:“Natuurlijk begrijp ik, dat u niet over dit geknoei zoudt schrijven in het interview. Maar ik verlang meer dan dat. Ik zou willen, dat u in 't geheel niets publiceerde.”Even zagen hare vragende grijze oogen in de zijne; toen verwonderde zij zich over haar eigen antwoord.“Goed,” zeide zij. “Het zal niet gepubliceerd worden. Ik zal er geen regel over neerschrijven.”“Dat wist ik,” zeide hij eenvoudig.Het eerste oogenblik was zij teleurgesteld, omdat hij haar niet bedankte, maar het volgende was zij er blij om. Zij voelde, hoe hijeen anderen grondslag bouwde onder dit samenzijn van een uur en zij waagde een onderzoek.“Hoe wist u 't?” vroeg zij.“Ik weet 't niet.” Hij schudde het hoofd. “Ik kan er geen verklaring van geven. Ik wist het als iets dat vanzelf sprak. 't Is mij of ik op een of andere wijze heel veel weet omtrent u en mij.”“Maar waarom het interview niet te publiceeren? Zooals uw manager zegt, 't is een goede reclame.”“Dat weet ik,” antwoordde hij langzaam. Maar ik wou u niet op die manier kennen. Ik geloof, dat het pijn zou doen als u het publiceerde. Ik wou er niet graag aan denken, dat onze kennismaking zakelijk was; ik zou aan ons gesprek hier willen denken als aan een gesprek tusschen een man en een vrouw. Ik weet niet of u begrijpt waar ik heen wil. Maar zóó voel ik het. Ik wou hier aan denken als aan een man en een vrouw.”Terwijl hij sprak, lag in zijn oogen heel de uitdrukking, waarmede een man een vrouw aankijkt. Zij voelde zijn kracht en zijn overmacht en zij voelde zich wonderlijk zwijgzaam en schuw tegenover dezen man,die bekend stond als zwijgzaam en schuw. Stellig kon hij meer rechtuit en overtuigender spreken dan de meeste mannen en wat haar 't sterkst trof, was haar eigen innerlijke zekerheid, dat het van zijn kant niets was als naïve eenvoudige openhartigheid en geen aangeleerde kunst.Hij bracht haar naar haar auto en deed haar opnieuw beven, toen hij afscheid nam. Opnieuw lagen hunne handen in elkaar, terwijl hij sprak:“Op een of anderen dag zal ik u weerzien. Ik wil u weerzien. Ik heb een gevoel, dat het laatste woord niet tusschen ons gesproken is.”En terwijl de auto wegrolde, werd zij zich bewust van een vreemde gewaarwording. Zij had hem niet voor het laatst gezien, dien geweldigen Pat Glendon, koning der boksers en Ongelikte Beer.Op den terugweg naar zijn kamers, kwam Glendon zijn vertoornden manager tegen.“Waarom joeg je mij de kamer uit?” vroeg Stubener.”'t Is uit met ons. 'n Helsche rommel heb je ervan gemaakt. Vroeger wou je nooit een reporter alleen ontvangen en nu zal je eenswat zien als dat interview voor den dag komt.”Glendon, die hem met een soort koud genoegen had aangehoord, deed alsof hij om wilde keeren en hem voorbijgaan, maar hij veranderde van idee.”'t Komt niet voor den dag,” zeide hij.Stubener stond versteld.“Ik heb 't haar gezegd,” legde Glendon uit.Toen barstte Stubener uit:“Alsof zij zoo'n sappig ding voor zich zou houden!”Glendon werd ijskoud en zijn stem was kort en snijdend.”'t Wordt niet gepubliceerd. Dat heeft zij mij gezegd.Er aan te twijfelen, is haar een leugenaarster te noemen.”In zijn oogen laaide de Iersche vlam en dit tezamen met het onwillekeurige samenklemmen van zijn hartstochtelijk gebalde handen maakte dat Stubener, die de kracht kende van die handen en van den man dien hij tegenover zich had, niet langer durfde twijfelen.

V.“Waar ga je naar toe?” vroeg Stubener verwonderd, terwijl hij op zijn horloge keek.Pat, met zijn hand op de deurknop, bleef staan en keerde zich om.“Naar de Academie,” zeide hij. “Daar is een professor, die vanavond een lezing houdt over Browning en Browning is een schrijver, waar je hulp bij noodig hebt. Soms denk ik, dat 't goed zou zijn als ik naar de avondschool ging.”“Maar groote goedheid, kerel!” riep de manager uit. “Je moet vanavond uitkomen tegen den Vliegenden Hollander.”“Dat weet ik wel. Maar ik kom geen oogenblik vroeger dan half tien of kwart voor tienen in den ring. De lezing is om kwart over negen afgeloopen. Als u zeker wilt zijn, kom dan even langs en neem me mee in uw car.”Stubener haalde met hulpeloos gebaar de schouders op.“U hoeft u niet ongerust te maken,” verzekerde Pat. “Vader heeft mij dikwijls gezegd, dat de ergste tijd juist was die laatste uren vóór een match, en dat menige partij verloren werd, nadat iemand den moed verloor in dien tijd, dat hij niets te doen had als denken en zich angstig maken. Nu, voor mij hoeft u daarover nooit ongerust te zijn. U moest blij zijn, dat ik naar een lezing kan gaan.”En later op den avond, terwijl hij vijftien prachtige ronden voor zich zag, grinnikte Stubener meer dan eens in zichzelf bij het denkbeeld, wat het sport-publiek er wel van denken zou, als ze wisten dat de prachtige jonge prijs-bokser zóó van een lezing over Browning in den ring was gekomen.De Vliegende Hollander was een jonge Zweed, die een ongewonen ijver voor het boksen bezat en gezegend was met een wonderlijk uithoudingsvermogen. Hij rustte nooit, viel altijd aan en stormde in en vocht van de ééne gongslag naar den andere. Bij de zwaaislagen draaiden zijn armen rondals dorschvlegels, bij het invechten gaf hij altijd schouderstooten of worstelde half en bracht stooten toe zoo gauw hij maar een hand vrij kon krijgen. Van 't begin tot het einde was hij een wervelwind, vandaar zijn naam. Zijn gebrek was gewis een oordeel over tijd en afstand. Toch had hij heel wat partijen gewonnen doordat bij de oneindige fusillade van stooten die hij toebracht, er licht één in elk dozijn raak was. Pat, onder den strengen eisch, zijn tegenstander niet neer te slaan, had zijn handen vol. En ofschoon hij aan ernstig letsel ontkwam, kon hij toch niet geheel en al vrij blijven van die eeuwig rondvliegende handschoenen. Maar 't was een eerlijk gevecht en hij genoot ervan op zijn gemoedelijke wijze.“Zou je hem nu onder kunnen krijgen?” fluisterde Stubener hem in 't oor in de minuut rust na de vijfde ronde.”“Stellig,” was Pat's antwoord.“Je weet, hij is nog nooit in den eindstoot neergeslagen,” waarschuwde Stubener een paar ronden later.“Dan ben ik bang, dat ik mijn knokkels zal moeten breken,” glimlachte Pat. “Ik weet welken stoot ik in me heb, en als ikdaarmee raak, moet er iets wijken. Alshij't niet is, dan mijn knokkels.”“Denk je dat je er hem nu onder zoudt kunnen krijgen?” vroeg Stubener aan het eind van de dertiende ronde.“Wanneer ik wil, zeg ik u.”“Nu Pat, laat 't dan tot de vijftiende doorgaan.”In de veertiende ronde overtrof de Vliegende Hollander zichzelf. Bij den gongslag stormde hij door den ring naar den tegenovergestelden hoek waar Pat langzaam op zijn beenen ging staan. Het publiek juichte, want men wist, dat de Vliegende Hollander loskwam. Pat, die de zaak van de grappige kant opnam, kwam op den inval, den verschrikkelijken nooit-verslagene tegemoet te komen met een gansch lijdelijken afweer en geen stoot toe te brengen.Gedurende de drie minuten wervelwind die volgden, deed hij geen stoot, noch veinsde een stoot te zullen doen. Hij gaf een zeldzaam staal van afweer, zijn neergebogen gezicht beschermend met zijn linker arm, en zijn onderlichaam met zijn rechter; dan weer veranderend als het aanvalspunt veranderde, zóó dat beide handschoenen aan weerskantenvan zijn gezicht werden gehouden of beide ellebogen en voorarmen zijn maag beschutten; en steeds in beweging, schouderend of half uitvallend naar zijn tegenstander om diens pogingen te verijdelen; zelf stoote hij niet, noch dreigde te stooten, en nu en dan wankelde hij door de kracht van de stormachtige stooten, die zijn afweer door een duivelschen taptoe zochten te overwinnen.Zij, die vlak bij den ring zaten, zagen en waardeerden het, maar de rest van het publiek stond als dol op, en brulde zijn toejuichingen uit in de verkeerde meening dat Pat hulpeloos een verschrikkelijk pak slaag opliep. Aan het eind van de ronde, ging het publiek zwijgend weer zitten, terwijl Pat langzaam naar zijn hoek ging. Het was niet te begrijpen. Hij had tot moes moeten zijn en er was hem niets overkomen.“Hoe krijg je hem neer?” vroeg Stubener angstig.“Binnen tien seconden,” was Pat's geruste verzekering. “Let maar op.”Er was niets van slimheid of streken bij. Toen de gong luidde en Pat op zijn voeten sprong, was het hem ontwijfelbaar aan te zien dat het hem voor de eerste maal in departij, er om te doen was, zijn tegenstander te kloppen. Geen enkele toeschouwer of hij begreep het en de Vliegende Hollander las de aankondiging ook in Pats' uiterlijk en toen zij in het midden van den ring tegenover elkaar kwamen te staan, aarzelde hij voor 't eerst in zijn boksers-loopbaan. Gedurende een deel van een seconde keken zij elkaar in gevechtshouding aan. Toen sprong de Vliegende Hollander op zijn tegenstander toe en Pat, met een op het juiste oogenblik toegebrachte rechts-zijdelingschen stoot, deed hem neervallen in zijn sprong.Na dit gevecht begon Pat Glendon's vlucht naar den roem. De sportmenschen en bladen sloegen acht op hem. Voor 't eerst was de Vliegende Hollander neergeslagen. Zijn overwinnaar had bewezen een heksenmeester in den afweer te zijn. Zijn vroegere overwinningen waren geen toeval geweest. Hij had een stoot in beide handen. Reus die hij was, zou hij 't ver brengen. De tijd was voor hem reeds voorbij, schreef men, om zijn kracht te verspillen tegen derderangsboksers.Waar waren Ben Menzies, Rege Rede, Bill Tarwater en Ernest Lawson? 't Werd tijd dat zij uitkwamen tegen dezen jongenbeginner, die plotseling getoond had een bokser te zijn waarmede te rekenen viel. Waar was zijn manager, dat hij geen uitdagingen publiceerde?Toen was hij in één dag beroemd; want Stubener onthulde het geheim, dat zijn beschermeling niemand anders was dan de zoon van Pat Glendon, Oude Pat, den vroegeren held van den ring. “Jonge” Pat Glendon was hij werkelijk gedoopt en sportlui en schrijvers zwermden om hem heen om hem te bewonderen en te helpen en over hem te schrijven.Te beginnen met Ben Menzies en eindigend met Bill Tarwater daagde hij de vier tweederangs-boksers uit, bevocht en versloeg hen. Om dit te doen was hij gedwongen te reizen, daar de matches in Goldfield, Denver, Texas en New-York plaats vonden. Om dit te volbrengen waren maanden noodig, want de grootere matches waren niet zoo gemakkelijk te regelen en de boksers zelf hadden meer tijd noodig om zich te trainen.Het tweede jaar zag hem uitkomen om het half dozijn groote boksers, saamgegroept juist onder de zwaargewicht ladder, te bevechten en te overwinnen. Hier op de topstond stevig geplant: “Groote” Jim Hanford, de nooit verslagen wereld-kampioen. Hier langs de hoogste sporten vorderde men langzamer, ofschoon Stubener onvermoeid was in het publiceeren van uitdagingen en in het gebruiken van de critiek om de boksers tot vechten te bewegen. Will King was in Engeland bezet en Glendon volgde Tom Harrison halfweg de wereld rond om hem op den boks-dag in Australië te verslaan.Maar de beurzen werden grooter en grooter. In plaats van een honderd dollar, die zijn eerste gevechten hadden opgebracht, ontving hij nu twintig tot dertig duizend dollar per gevecht, en even groote sommen van de bioscoop-opnemers. Stubener nam zijn percenten als manager van dit alles, volgens de bepalingen van het contract, door ouden Pat opgemaakt en hij en Glendon waren, ondanks hun groote onkosten, bezig rijk te worden. Dit vond zijn oorzaak, meer dan in iets anders, in het solide leven dat zij leidden. Ze waren geen verkwisters.Stubener belegde zijn geld bij voorkeur in vaste goederen en zijn bezittingen in San Francisco, bestaande uit étagewoningen en huizen met appartementen, waren grooterdan Glendon ooit gedroomd had. Doch er was een geheim syndicaat van gokkers die wel ten naastenbij konden raden, hoe grootStubenersbezittingen waren, omdat er ééne groote som na de andere, waar Glendon nooit iets van hoorde, aan zijn manager betaald werd door de filmopnemers.Stubeners gewichtigste taak was, de onschuld van zijn jongen gladiator te behoeden. Moeielijk was dit niet. Glendon, die niets te maken had met den zakenkant, stelde er weinig belang in. Bovendien bracht hij, waar hij op zijn reizen ook kwam, zijn vrijen tijd door met jagen en visschen. Hij kwam zelden in aanraking met de lui uit de sportwereld, was buitengewoon schuw en gesloten en verkoos musea en verzenboeken boven praatjes over sport. En aan zijn trainers en partners bij het sparren was door den manager op het hart gedrukt, hun mond te houden over de minste toespelingen op verdorvenheden van den ring. In elk gevecht plaatste Stubener zich tusschen Glendon en de wereld. Hij werd zelfs nooit geïnterviewd als in bijzijn van Stubener. Slechts ééns werd aan Glendon een geheim aanbod gedaan. Het was vlak vóór zijn strijd met Henderson eneen aanbod van honderdduizend werd haastig gedaan in vlug gefluisterde woorden in een hôtel-corridor. Het was gelukkig voor den man, dat Pat zijn drift beheerschte en hem schouderophalend voorbij liep zonder te antwoorden. Hij vertelde het aan Stubener, die zeide:“Het was maar gekheid, Pat. Ze probeerden je voor de mal te houden.” Hij merkte op hoe de blauwe oogen vonkten. “En misschien erger dan dat. Als zij je hadden kunnen vangen, zou er een groot sensatiebericht in de couranten zijn gekomen en 't was met je gedaan geweest. Maar ik betwijfel dit. Zulke dingen gebeuren niet meer. 't Is een legende, anders niet, die uit de vroegere geschiedenis van den ring stamt. Vroeger werd er geknoeid maar geen bokser of manager, die een goeden naam heeft, zou in dezen tijd zoo iets durven doen. Neen Pat, de mannen in de bokswereld zijn even eerlijk en oprecht als de beroeps-baseballspelers en iets eerlijkers en oprechters bestaat er niet.”En den geheelen tijd dat hij sprak wist Stubener, dat het aanstaande gevecht met Henderson niet korter dan twaalf ronden zou duren—dit ter wille van de film—en nietlanger dan de veertiende ronde. En bovendien wist hij, zoo groot was de inzet, dat Henderson zelfs omgekocht was het niet langer dan tot de veertiende te laten duren.En Glendon, die er niet meer over aangesproken werd, zette de zaak uit zijn hoofd en ging uit om den middag door de brengen met het nemen van kleurphotografieën.De camera was zijn liefhebberij van den laatsten tijd. Omdat hij van schilderijen hield, maar zelf niet schilderen kon, zocht hij een hulpmiddel door te photografeeren. In zijn handkoffer was een vak volgepakt met boeken over dit onderwerp en hij bracht vele uren door in de donkere kamer om voor zichzelf proeven te nemen met de verschillende processen.Nooit had er een groot bokser bestaan, die zoo los was van de bokserswereld als hij. Omdat hij weinig wist te praten met de menschen, die hij ontmoette, werd hij norsch en ongezellig genoemd en hieruit ontstond een reputatie in de nieuwsbladen, die geen overdrijving was, maar een volkomen misvatting.Volgens de gedrukte berichten, was zijn karakter dat van een onspraakzame domme,ruwe kerel met spieren als een os, en een baardeloos schrijvertje over sport gaf hem den bijnaam van “De Ongelikte Beer”. De naam sloeg in. De overige leden van de broederschap namen hem met gejuich over en hierna verscheen Glendon's naam nooit meer in druk zonder die bijvoeging. Dikwijls in een opschrift of onder een photografie verscheen “De Ongelikte Beer”, alleen in hoofdletters en zonder aanhalingsteekens. De heele wereld wist wie die Beer was. Dat maakte dat hij zich meer dan ooit in zichzelf opsloot, omdat hij een bitter veroordeel tegen krantenmenschen koesterde.Wat het boksen zelf betreft, groeide zijn vroegere belangstelling nog aan. De mannen tegen wie hij nu uitkwam, waren alles behalve stumperts en de overwinning werd niet zoo gemakkelijk behaald.Het waren boksers van naam en ondervinding en de eersten in den ring en elke strijd was een probleem. Er waren gelegenheden waarbij het hem onmogelijk bleek, hen buiten gevecht te stellen in de afgesproken ronde. Zoo met Sulsberger, den reusachtigen Duitscher; hoe hij zich ook inspande in de achttiende ronde, hij kreeg hem niet onder, in denegentiende was het dezelfde geschiedenis en eerst in de twintigste gelukte het hem door den afweer van den ander heen te breken en hem te doen vallen. Glendon's groeiende vreugd in de bokssport bracht ernstiger en langer training mede.Nooit overdrijvend en terwijl hij veel van zijn tijd doorbracht met jagen over de heuvels, was hij practisch altijd in conditie en anders dan bij zijn vader, werd zijn carrière niet belemmerd door ongelukkige toevalligheden. Hij brak nooit een been of bezeerde ook maar een knokkel. Een ding, dat Stubener met geheime vreugd opmerkte was, dat zijn jonge bokser er niet meer van sprak, voor goed naar zijn bergen terug te gaan als hij Jim Hanford het kampioenschap ontnomen had.

“Waar ga je naar toe?” vroeg Stubener verwonderd, terwijl hij op zijn horloge keek.

Pat, met zijn hand op de deurknop, bleef staan en keerde zich om.

“Naar de Academie,” zeide hij. “Daar is een professor, die vanavond een lezing houdt over Browning en Browning is een schrijver, waar je hulp bij noodig hebt. Soms denk ik, dat 't goed zou zijn als ik naar de avondschool ging.”

“Maar groote goedheid, kerel!” riep de manager uit. “Je moet vanavond uitkomen tegen den Vliegenden Hollander.”

“Dat weet ik wel. Maar ik kom geen oogenblik vroeger dan half tien of kwart voor tienen in den ring. De lezing is om kwart over negen afgeloopen. Als u zeker wilt zijn, kom dan even langs en neem me mee in uw car.”

Stubener haalde met hulpeloos gebaar de schouders op.

“U hoeft u niet ongerust te maken,” verzekerde Pat. “Vader heeft mij dikwijls gezegd, dat de ergste tijd juist was die laatste uren vóór een match, en dat menige partij verloren werd, nadat iemand den moed verloor in dien tijd, dat hij niets te doen had als denken en zich angstig maken. Nu, voor mij hoeft u daarover nooit ongerust te zijn. U moest blij zijn, dat ik naar een lezing kan gaan.”

En later op den avond, terwijl hij vijftien prachtige ronden voor zich zag, grinnikte Stubener meer dan eens in zichzelf bij het denkbeeld, wat het sport-publiek er wel van denken zou, als ze wisten dat de prachtige jonge prijs-bokser zóó van een lezing over Browning in den ring was gekomen.

De Vliegende Hollander was een jonge Zweed, die een ongewonen ijver voor het boksen bezat en gezegend was met een wonderlijk uithoudingsvermogen. Hij rustte nooit, viel altijd aan en stormde in en vocht van de ééne gongslag naar den andere. Bij de zwaaislagen draaiden zijn armen rondals dorschvlegels, bij het invechten gaf hij altijd schouderstooten of worstelde half en bracht stooten toe zoo gauw hij maar een hand vrij kon krijgen. Van 't begin tot het einde was hij een wervelwind, vandaar zijn naam. Zijn gebrek was gewis een oordeel over tijd en afstand. Toch had hij heel wat partijen gewonnen doordat bij de oneindige fusillade van stooten die hij toebracht, er licht één in elk dozijn raak was. Pat, onder den strengen eisch, zijn tegenstander niet neer te slaan, had zijn handen vol. En ofschoon hij aan ernstig letsel ontkwam, kon hij toch niet geheel en al vrij blijven van die eeuwig rondvliegende handschoenen. Maar 't was een eerlijk gevecht en hij genoot ervan op zijn gemoedelijke wijze.

“Zou je hem nu onder kunnen krijgen?” fluisterde Stubener hem in 't oor in de minuut rust na de vijfde ronde.”

“Stellig,” was Pat's antwoord.

“Je weet, hij is nog nooit in den eindstoot neergeslagen,” waarschuwde Stubener een paar ronden later.

“Dan ben ik bang, dat ik mijn knokkels zal moeten breken,” glimlachte Pat. “Ik weet welken stoot ik in me heb, en als ikdaarmee raak, moet er iets wijken. Alshij't niet is, dan mijn knokkels.”

“Denk je dat je er hem nu onder zoudt kunnen krijgen?” vroeg Stubener aan het eind van de dertiende ronde.

“Wanneer ik wil, zeg ik u.”

“Nu Pat, laat 't dan tot de vijftiende doorgaan.”

In de veertiende ronde overtrof de Vliegende Hollander zichzelf. Bij den gongslag stormde hij door den ring naar den tegenovergestelden hoek waar Pat langzaam op zijn beenen ging staan. Het publiek juichte, want men wist, dat de Vliegende Hollander loskwam. Pat, die de zaak van de grappige kant opnam, kwam op den inval, den verschrikkelijken nooit-verslagene tegemoet te komen met een gansch lijdelijken afweer en geen stoot toe te brengen.

Gedurende de drie minuten wervelwind die volgden, deed hij geen stoot, noch veinsde een stoot te zullen doen. Hij gaf een zeldzaam staal van afweer, zijn neergebogen gezicht beschermend met zijn linker arm, en zijn onderlichaam met zijn rechter; dan weer veranderend als het aanvalspunt veranderde, zóó dat beide handschoenen aan weerskantenvan zijn gezicht werden gehouden of beide ellebogen en voorarmen zijn maag beschutten; en steeds in beweging, schouderend of half uitvallend naar zijn tegenstander om diens pogingen te verijdelen; zelf stoote hij niet, noch dreigde te stooten, en nu en dan wankelde hij door de kracht van de stormachtige stooten, die zijn afweer door een duivelschen taptoe zochten te overwinnen.

Zij, die vlak bij den ring zaten, zagen en waardeerden het, maar de rest van het publiek stond als dol op, en brulde zijn toejuichingen uit in de verkeerde meening dat Pat hulpeloos een verschrikkelijk pak slaag opliep. Aan het eind van de ronde, ging het publiek zwijgend weer zitten, terwijl Pat langzaam naar zijn hoek ging. Het was niet te begrijpen. Hij had tot moes moeten zijn en er was hem niets overkomen.

“Hoe krijg je hem neer?” vroeg Stubener angstig.

“Binnen tien seconden,” was Pat's geruste verzekering. “Let maar op.”

Er was niets van slimheid of streken bij. Toen de gong luidde en Pat op zijn voeten sprong, was het hem ontwijfelbaar aan te zien dat het hem voor de eerste maal in departij, er om te doen was, zijn tegenstander te kloppen. Geen enkele toeschouwer of hij begreep het en de Vliegende Hollander las de aankondiging ook in Pats' uiterlijk en toen zij in het midden van den ring tegenover elkaar kwamen te staan, aarzelde hij voor 't eerst in zijn boksers-loopbaan. Gedurende een deel van een seconde keken zij elkaar in gevechtshouding aan. Toen sprong de Vliegende Hollander op zijn tegenstander toe en Pat, met een op het juiste oogenblik toegebrachte rechts-zijdelingschen stoot, deed hem neervallen in zijn sprong.

Na dit gevecht begon Pat Glendon's vlucht naar den roem. De sportmenschen en bladen sloegen acht op hem. Voor 't eerst was de Vliegende Hollander neergeslagen. Zijn overwinnaar had bewezen een heksenmeester in den afweer te zijn. Zijn vroegere overwinningen waren geen toeval geweest. Hij had een stoot in beide handen. Reus die hij was, zou hij 't ver brengen. De tijd was voor hem reeds voorbij, schreef men, om zijn kracht te verspillen tegen derderangsboksers.

Waar waren Ben Menzies, Rege Rede, Bill Tarwater en Ernest Lawson? 't Werd tijd dat zij uitkwamen tegen dezen jongenbeginner, die plotseling getoond had een bokser te zijn waarmede te rekenen viel. Waar was zijn manager, dat hij geen uitdagingen publiceerde?

Toen was hij in één dag beroemd; want Stubener onthulde het geheim, dat zijn beschermeling niemand anders was dan de zoon van Pat Glendon, Oude Pat, den vroegeren held van den ring. “Jonge” Pat Glendon was hij werkelijk gedoopt en sportlui en schrijvers zwermden om hem heen om hem te bewonderen en te helpen en over hem te schrijven.

Te beginnen met Ben Menzies en eindigend met Bill Tarwater daagde hij de vier tweederangs-boksers uit, bevocht en versloeg hen. Om dit te doen was hij gedwongen te reizen, daar de matches in Goldfield, Denver, Texas en New-York plaats vonden. Om dit te volbrengen waren maanden noodig, want de grootere matches waren niet zoo gemakkelijk te regelen en de boksers zelf hadden meer tijd noodig om zich te trainen.

Het tweede jaar zag hem uitkomen om het half dozijn groote boksers, saamgegroept juist onder de zwaargewicht ladder, te bevechten en te overwinnen. Hier op de topstond stevig geplant: “Groote” Jim Hanford, de nooit verslagen wereld-kampioen. Hier langs de hoogste sporten vorderde men langzamer, ofschoon Stubener onvermoeid was in het publiceeren van uitdagingen en in het gebruiken van de critiek om de boksers tot vechten te bewegen. Will King was in Engeland bezet en Glendon volgde Tom Harrison halfweg de wereld rond om hem op den boks-dag in Australië te verslaan.

Maar de beurzen werden grooter en grooter. In plaats van een honderd dollar, die zijn eerste gevechten hadden opgebracht, ontving hij nu twintig tot dertig duizend dollar per gevecht, en even groote sommen van de bioscoop-opnemers. Stubener nam zijn percenten als manager van dit alles, volgens de bepalingen van het contract, door ouden Pat opgemaakt en hij en Glendon waren, ondanks hun groote onkosten, bezig rijk te worden. Dit vond zijn oorzaak, meer dan in iets anders, in het solide leven dat zij leidden. Ze waren geen verkwisters.

Stubener belegde zijn geld bij voorkeur in vaste goederen en zijn bezittingen in San Francisco, bestaande uit étagewoningen en huizen met appartementen, waren grooterdan Glendon ooit gedroomd had. Doch er was een geheim syndicaat van gokkers die wel ten naastenbij konden raden, hoe grootStubenersbezittingen waren, omdat er ééne groote som na de andere, waar Glendon nooit iets van hoorde, aan zijn manager betaald werd door de filmopnemers.

Stubeners gewichtigste taak was, de onschuld van zijn jongen gladiator te behoeden. Moeielijk was dit niet. Glendon, die niets te maken had met den zakenkant, stelde er weinig belang in. Bovendien bracht hij, waar hij op zijn reizen ook kwam, zijn vrijen tijd door met jagen en visschen. Hij kwam zelden in aanraking met de lui uit de sportwereld, was buitengewoon schuw en gesloten en verkoos musea en verzenboeken boven praatjes over sport. En aan zijn trainers en partners bij het sparren was door den manager op het hart gedrukt, hun mond te houden over de minste toespelingen op verdorvenheden van den ring. In elk gevecht plaatste Stubener zich tusschen Glendon en de wereld. Hij werd zelfs nooit geïnterviewd als in bijzijn van Stubener. Slechts ééns werd aan Glendon een geheim aanbod gedaan. Het was vlak vóór zijn strijd met Henderson eneen aanbod van honderdduizend werd haastig gedaan in vlug gefluisterde woorden in een hôtel-corridor. Het was gelukkig voor den man, dat Pat zijn drift beheerschte en hem schouderophalend voorbij liep zonder te antwoorden. Hij vertelde het aan Stubener, die zeide:

“Het was maar gekheid, Pat. Ze probeerden je voor de mal te houden.” Hij merkte op hoe de blauwe oogen vonkten. “En misschien erger dan dat. Als zij je hadden kunnen vangen, zou er een groot sensatiebericht in de couranten zijn gekomen en 't was met je gedaan geweest. Maar ik betwijfel dit. Zulke dingen gebeuren niet meer. 't Is een legende, anders niet, die uit de vroegere geschiedenis van den ring stamt. Vroeger werd er geknoeid maar geen bokser of manager, die een goeden naam heeft, zou in dezen tijd zoo iets durven doen. Neen Pat, de mannen in de bokswereld zijn even eerlijk en oprecht als de beroeps-baseballspelers en iets eerlijkers en oprechters bestaat er niet.”

En den geheelen tijd dat hij sprak wist Stubener, dat het aanstaande gevecht met Henderson niet korter dan twaalf ronden zou duren—dit ter wille van de film—en nietlanger dan de veertiende ronde. En bovendien wist hij, zoo groot was de inzet, dat Henderson zelfs omgekocht was het niet langer dan tot de veertiende te laten duren.

En Glendon, die er niet meer over aangesproken werd, zette de zaak uit zijn hoofd en ging uit om den middag door de brengen met het nemen van kleurphotografieën.

De camera was zijn liefhebberij van den laatsten tijd. Omdat hij van schilderijen hield, maar zelf niet schilderen kon, zocht hij een hulpmiddel door te photografeeren. In zijn handkoffer was een vak volgepakt met boeken over dit onderwerp en hij bracht vele uren door in de donkere kamer om voor zichzelf proeven te nemen met de verschillende processen.

Nooit had er een groot bokser bestaan, die zoo los was van de bokserswereld als hij. Omdat hij weinig wist te praten met de menschen, die hij ontmoette, werd hij norsch en ongezellig genoemd en hieruit ontstond een reputatie in de nieuwsbladen, die geen overdrijving was, maar een volkomen misvatting.

Volgens de gedrukte berichten, was zijn karakter dat van een onspraakzame domme,ruwe kerel met spieren als een os, en een baardeloos schrijvertje over sport gaf hem den bijnaam van “De Ongelikte Beer”. De naam sloeg in. De overige leden van de broederschap namen hem met gejuich over en hierna verscheen Glendon's naam nooit meer in druk zonder die bijvoeging. Dikwijls in een opschrift of onder een photografie verscheen “De Ongelikte Beer”, alleen in hoofdletters en zonder aanhalingsteekens. De heele wereld wist wie die Beer was. Dat maakte dat hij zich meer dan ooit in zichzelf opsloot, omdat hij een bitter veroordeel tegen krantenmenschen koesterde.

Wat het boksen zelf betreft, groeide zijn vroegere belangstelling nog aan. De mannen tegen wie hij nu uitkwam, waren alles behalve stumperts en de overwinning werd niet zoo gemakkelijk behaald.Het waren boksers van naam en ondervinding en de eersten in den ring en elke strijd was een probleem. Er waren gelegenheden waarbij het hem onmogelijk bleek, hen buiten gevecht te stellen in de afgesproken ronde. Zoo met Sulsberger, den reusachtigen Duitscher; hoe hij zich ook inspande in de achttiende ronde, hij kreeg hem niet onder, in denegentiende was het dezelfde geschiedenis en eerst in de twintigste gelukte het hem door den afweer van den ander heen te breken en hem te doen vallen. Glendon's groeiende vreugd in de bokssport bracht ernstiger en langer training mede.

Nooit overdrijvend en terwijl hij veel van zijn tijd doorbracht met jagen over de heuvels, was hij practisch altijd in conditie en anders dan bij zijn vader, werd zijn carrière niet belemmerd door ongelukkige toevalligheden. Hij brak nooit een been of bezeerde ook maar een knokkel. Een ding, dat Stubener met geheime vreugd opmerkte was, dat zijn jonge bokser er niet meer van sprak, voor goed naar zijn bergen terug te gaan als hij Jim Hanford het kampioenschap ontnomen had.

VI.Het hoogte-punt van zijn loopbaan kwam snel naderbij. De groote kampioen had in het publiek bekend gemaakt, dat hij bereid was tegen Glendon uit te komen, zoo gauw deze laatste de drie of vier aspiranten voor het kampioenschap die er tusschen stonden, overwonnen had. In zes maanden slaagde Pat er in, Kid Mc Grath, Jack Mc Bride uit Philadelphia te kloppen en alleen Nat Powers en Tom Cannem bleven nog over.En alles zou goed gegaan zijn, wanneer niet een zeker meisje uit de voorname wereld het in haar hoofd had gekregen in de journalistiek te gaan en wanneer Stubener niet toegestemd had in een interview met de vrouwelijke reporter van de Courier Journal van San Francisco. Haar werk was altijd onderteekend met den naam van Maud Sangster, en dit, tusschen twee haakjes, was haar eigen naam. De Sangsters stonden bekendals een rijke familie. De grondlegger van het geslacht, oude Jacob Sangster, had zijn dekens opgenomen en was gaan werken als knecht op een farm in het Westen.Hij had een onuitputtelijk borax-gebied ontdekt in Nevada en nadat hij begonnen was het te ontginnen met behulp van muildieren, had hij een spoorweg aangelegd voor het vervoer. Daarna had hij voor de winst, met de borax gemaakt, honderden en duizenden vierkante mijlen boschgrond gekocht in Californië, Oregon en Washington. Nog later had hij de politiek gecombineerd met zaken, kocht staatslieden, rechters en machines, en werd een held op 't gebied van gecombineerde industrie. En daarna was hij gestorven vol eer en vol pessimisme, zijn naam nalatend als een moddervlek, die toekomstige historieschrijvers nog konden aandikken; tevens liet hij een paar honderd millioen na, waar zijn vier zoons om konden kibbelen. De wettelijke, industriëele en politieke gevechten die volgden, ergerden en vermaakten Californië een generatie lang en bereikten hun toppunt in doodelijke haat tusschen de vier zoons, die elkaar niet meer wilden kennen.De jongste, Theodore, kwam op middelbaren leeftijd tot inkeer, verkocht zijn farms en zijn stallen met race-paarden en wierp zich in een strijd tegen al de verderfelijke machten van zijn geboorteland, waartoe de meeste millionairs behoorden, in een Don-Quichot-achtige poging het te zuiveren van den smet er door den ouden Jacob Sangster opgeworpen.Maud Sangster was de oudste dochter van Theodore. Het geslacht der Sangsters bracht geregeld twistzoekers voort onder de mannen en schoonheden onder de vrouwen. En Maud was geen uitzondering op den regel. Ook moest zij iets geërfd hebben van den lust naar avonturen, den Sangsters eigen; want toen zij volwassen werd, had zij een massa dingen gedaan, die voor een vrouw in haar positie niet te pas kwamen. Eén geval uit tienduizend: zij was nog ongetrouwd gebleven. Zij had Europa bezocht zonder een adellijk heer als echtgenoot mede te brengen en had thuis een gansche stoet pretendenten uit haar eigen kring afgewezen. Zij had liefhebberij in openlucht-sport: won hettenniskampioenschapvan den Staat; deed de wereld elke week nieuwsgierig uitkijkennaar nieuwe onconventioneele dingen van haar, liep voor een weddenschap op tijd van San Mateo naar Santa Cruz en veroorzaakte sensatie door bij een match polo te spelen in een mannenteam.Onverwachts was zij zich voor kunst gaan interesseeren en hield er een atelier op na in het Quartier Latin van San Francisco.Dit alles kwam er niet op aan vóór haar vaders plotselinge bekeering. Aangelegd met een hartstochtelijk gevoel voor onafhankelijkheid, terwijl zij nooit den man ontmoet had, aan wien zij zich met vreugde zou onderwerpen en zij zich ergerde aan de pretendenten naar haar hand, wees zij haar vaders bemoeiïngen met haar manier van leven af en zette de kroon op al haar maatschappelijke verkeerdheden door werk te gaan zoeken bij de “Courier Journal.” Begonnen met twintig dollars per week, was haar salaris spoedig geklommen tot vijftig. Haar werk was voornamelijk muziek-, tooneel- en kunst-critiek, ofschoon zij zich niet verheven voelde boven gewone journalistieke artikelen, wanneer zij maar genoeg interessants beloofden. Zoo versloeg zij het groote interview met Morgan op een oogenblik, toenhij door een dozijn journalisten uit New York op kleinzielige wijze bespot werd; ook daalde zij in een duikerpak naar den bodem van den Golden Gate en vloog met Rood, den manvogel toen hij alle records voor lang volgehouden vluchten versloeg door Riverside te bereiken.Nu moet men niet denken, dat Maud Sangster een hoekige Amazone was. Integendeel, zij was een tengere jonge vrouw van drie of vier en twintig jaar, met grijze oogen en van middelmatige gestalte en zij had buitengewoon kleine handen en voeten voor een vrouw, die aan openlucht-sport deed en trouwens voor elk soort vrouw. Ook wist zij veel beter dan de meeste sport-vrouwen liefelijk vrouwelijk te zijn.Het was op haar aanwijzing, dat zij van den uitgever de opdracht kreeg, Pat Glendon te interviewen. Behalve dat zij eens Bob Fitzsimmons een oogenblik had gezien in avondtoilet in Palace Grill, had zij nooit in haar leven een prijs-bokser gezien. Zij was ook niet verlangend er een te zien—ten minste zij had er niet naar verlangd totdat Jonge Pat Glendon naar San Francisco kwam om zich te trainen voor zijn partij met NatPowers. Toen had zijn couranten-reputatie haar belangstelling gewekt. De ongelikte Beer! die moest zeker de moeite waard zijn om te zien. Uit wat zij over hem las, maakte zij op, dat hij een man-monster moest zijn, ongelooflijk dom en met de kwaadaardigheid en de woestheid van een beest uit de wildernis. Wel is waar bleek dit alles niet uit de photo's, die van hem gepubliceerd werden, maar wel bleek daaruit de reusachtige spierkracht, die verwacht kon worden er mede samen te gaan. En zoo begaf zij zich, op het uur door Stubener vastgesteld, en vergezeld van een photograaf voor het blad, naar de training-appartementen in Cliff House.De eigenaar van deappartementenhad moeite met Pat. Hij stribbelde tegen. Met zijn ééne reusachtige been bengelend over den kant van zijn leunstoel en Shakespeare's sonnetten op zijn knie, zat hij te oreeren tegen de moderne vrouw.“Wat hebben zij met boksen te maken? vroeg hij. “Daar is haar plaats niet. En wat weten zij ervan? De mannen zijn al slecht genoeg. Ik ben geen heilige om aan te komen gapen. Die vrouw komt hier om zoo iets van mij te maken. Ik heb mij nooit met devrouwen bemoeid, die bij detraining-appartementenstaan te wachten en 't kan mij niet schelen of zij reporter is.”“Maar zij is geen gewone reporter,” wierp Stubener tegen.“Heb je wel eens van de Sangsters gehoord? millionairs!” Pat knikte.“Zij is er één van. Ze hoort totdehoogste kringen en zoo. Als ze wou kon ze met de Blingum's omgaan inplaats van voor haar brood te werken. Haar oude is vijftig millioen waard zoo als hij een cent waard is.”“Waarom werkt zij dan aan een courant?—en neemt een of anderen armen duivel een baantje af?“Zij en de oude zijn niet goed met elkaar, ze hebben ruzie gehad of zoo iets, in den tijd toen hij San Francisco schoon begon te vegen. Zij ging van hem weg. Dat is alles—ging uit huis en zocht een baantje. En laat mij je één ding zeggen, Pat: ze kan Engelsch neerkrabbelen. Er is geen pennelikker in 't land die haar aan kan als ze zich laat gaan.”Pat begon belangstelling te toonen en Stubener sprak haastig voort.“Zij schrijft verzen ook—van die fijneliedjes, net als jij. Alleen denk ik, dat de hare beter zijn, want zij heeft er eens een heel boek vol van uitgegeven. En ze schrijft over het tooneel. Ze interviewt elken grooten acteur, die hier op de planken komt.”“Ik heb haar naam in de courant gezien,” gaf Pat toe.“Natuurlijk. En 't is een eer voor je, Pat, dat zij je komt interviewen. En 't geeft je niets geen last. Ik ben er bij en geef zelf de meeste inlichtingen. Je weet, dat ik dat altijd gedaan heb.”Pats oogen spraken dankbaarheid.“En nog iets Pat: vergeet niet, dat je je aan dat interview moèt onderwerpen. 't Is een deel van je werk. 't Is een groote advertentie en gratis. Wij kunnen 't niet koopen. Het interesseert de menschen, trekt het publiek en het is het publiek, dat de groote ontvangsten in je zak brengt.” Hij zweeg en luisterde; keek op zijn horloge. “Ik geloof, dat zij daar is. Ik zal haar wel zeggen, dat zij 't kort moet maken; 't zal niet lang duren. In de deur keerde hij zich om. “En wees beleefd, Pat. Houd je mond niet dicht als een klem. Praat een beetje tegen haar als zij wat vraagt.”Pat legde de sonnetten op tafel, nam een courant op en was schijnbaar verdiept in den inhoud ervan, toen het tweetal de kamer binnenkwam en hij opstond.De ontmoeting gaf een wederzijdschen schok. Toen de blauwe oogen de grijze ontmoeten, was het bijna alsof de man en de vrouw triomfantelijk elkaar iets toeriepen, alsof elk onverwachts iets had gevonden, dat lang gezocht was. Doch dit duurde slechts een oogwenk. Ieder had in den ander iets zoo totaal anders verwacht, dat in het volgend oogenblik de heldere kreet van herkenning plaats maakte voor verlegenheid.Zooals gewoonlijk het geval is, was de vrouw de eerste, die haar zelfbeheersching terug vond en zij deed het, zonder door eenig uiterlijk teeken te verraden, dat zij die zelfbeheersching ooit kwijt was geweest. Zij liep het grootste eind door van den afstand, die hen scheidde, om bij Glendon te komen. Wat hem betreft, hij wist nauwelijks hoe hij door de voorstelling heen stumperde. Dit was een vrouw, een V.R.O.U.W. Hij had niet geweten, dat er zulk een wezen kon bestaan. De weinige vrouwen, waar hij op gelet had, geleken in niets op deze. Hijvroeg zich af, hoe het oordeel van ouden Pat over haar geweest zou zijn, of zij de soort van vrouw was, aan wie zijn zoon zich volgens zijn raad met beide handen vast moest klemmen. Hij bemerkte, dat hij op een of andere wijze haar hand vasthield. Hij keek er naar, nieuwsgierig en geboeid, verbaasd over de fijnheid ervan.Zijdaarentegen was er in geslaagd ook den naklank van dien eersten helderen kreet tot zwijgen te brengen. Het was een vreemde gewaarwording geweest, zich plotseling aangetrokken te voelen tot een vreemden man: dat was al. Want was hij niet de Ongelikte Beer van de prijsgevechten, het groote, boksende, massale mannetjes-dier, die zijn kameraden van hetzelfde stomme soort neersloeg? Zij glimlachte om de wijze waarop hij haar hand bleef vasthouden.“Ik wou mijn hand graag terug hebben, Mr. Glendon,” zeide zij. “Ik ... ik heb 'm werkelijk noodig, ziet u.” Hij keek haar aan zonder te begrijpen, volgde haar blik naar de gevangen hand en liet haar los op een plotselinge lompe manier, die hem het bloed in een duidelijk zichtbare blos naar het gelaat dreef.Zij merkte den blos op en de gedachte schoot door haar hoofd dat hij toch niet zoo'n phenomenale lomperd scheen te zijn als zij zich had voorgesteld. Zij kon zich niet denken dat een beestmensch ergens over zou blozen. En tevens deed het haar prettig aan, dat hem de radheid van tong ontbrak om een verontschuldiging te mompelen. Doch de wijze waarop hij haar met zijn oogen verslond, bracht haar in de war. Hij staarde naar haar als in vervoering, terwijl zijn wangen àl rooder werden.In dien tijd had Stubener een stoel voor haar gehaald en Glendon liet zich werktuigelijk in den zijne zakken.“Hij is in de beste conditie, Miss Sangster, in prachtige conditie,” zeide de manager. “Zoo is 't immers, nietwaar Pat? Je hebt je nooit beter gevoeld?”De woorden hinderden Glendon. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen als in ergernis en hij antwoordde niet.“Ik heb er al lang naar uitgezien, u te ontmoeten, Mr. Glendon,” zeide Miss Sangster. “Ik heb nog nooit een vuistvechter geïnterviewd, dus als ik niet met genoegkennis van zaken spreek, zult u 't mij wel willen vergeven, hoop ik.”“Misschien zou het beter zijn, wanneer u begon met hem in actie te zien,” gaf de manager aan. “Terwijl hij zijn bokscostuum aantrekt, kan ik u heel veel over hem vertellen—versch nieuws ook. We zullen Walsh binnen roepen, Pat, en een paar ronden maken.”“Daar gebeurt niets van,” snauwde Pat ruw, juist op de wijze als een Ongelikte Beer doen zou. Vooruit maar met het interview.”Het interview begon slecht. Stubener praatte 't meest en gaf aan waarover gesproken zou worden, hetgeen genoeg was om Maud Sangster boos te maken, terwijl Pat uit zichzelf niets zeide. Zij bestudeerde zijn fijngesneden gelaat, de oogen, helder blauw en ver van elkaar staande, de goedgevormde neus, een arendsneus bijna, de vastgesloten, kuische lippen, die iets mannelijk zachts hadden in de omgekrulde hoeken en waar niets aan was, dat op boosaardigheid wees. Zijn uiterlijk was bedriegelijk, besloot zij, als wat de couranten van hem vertelden, waar was. Tevergeefs zocht zijnaar kenmerken van een beestmensch. En tevergeefs trachtte zij contact met hem te krijgen. Ten eerste wist zij te weinig van prijsgevechten en den ring en zoodra zij haar lood uitgooide, werd het door Stubener, die klaar stond met inlichtingen, opgepikt.”'t Moet heel interessant zijn, het leven van een beroepsbokser,” zeide zij, en voegde er met een glimlach aan toe: “Ik wou, dat ik er meer van wist. Zeg me: waarom vecht u?—O, behalve om geld. (Het laatste tot Stubener.) Houdt u van boksen? Vuurt het u aan als u op uw tegenstander los gaat? Ik weet niet goed, hoe ik moet uitdrukken wat ik bedoel, dus u moet geduld met mij hebben.”Pat en Stubener begonnen tegelijk te spreken, maar ditmaal duwde Pat zijn manager weg.“Eerst gaf ik er niet om—”“Ja, ziet u, 't was zoo dood gemakkelijk voor hem,” viel Stubener in.“Maar later,” ging Pat voort, “toen ik tegenover de betere boksers uitkwam, de werkelijk groote en knappe in het vak, waar mijn...”“Eer mee gemoeid was?” vulde zij aan.“Ja, dat is 't, waar mijn eer mee gemoeid was, toen ontdekte ik, dat ik 't prettig vond—heel prettig zelfs. Ziet u, ofschoon iedere strijd een soort van probleem voor mij is, dat ik met mijn verstand en met mijn spieren moet uitwerken, is toch de uitslag nooit twijfelachtig voor mij.—”“Hij heeft nooit een partij gebokst waarbij hij zijn tegenpartij gewoon onderkreeg,” verklaarde Stubener.“Hij wint altijd door den eindstoot.”“En die zekerheid omtrent den uitslag neemt er van weg, wat ik mij verbeeld, dat de fijnste trillingen moeten zijn,” besloot Pat.“Misschien zul je wel wat van die trillingen voelen, als je tegen Jim Hanford uitkomt,” zei de manager.Pat glimlachte, maar sprak niet.“Vertel mij nog wat meer,” verzocht zij; “meer over wat u voelt terwijl u vecht.”En nu bracht Pat zijn manager, Miss Sangster en zichzelf in verbazing, door uit te barsten:“Ik geloof, dat ik met u niet over die dingen moest praten. 't Is of er voor u en mij veelbelangrijker dingen bestaan om over te spreken. Ik—.”Hij stokte plotseling, zich bewust van wat hij gezegd had, maar onbewust waarom hij het gezegd had.“Ja,” riep zij gretig uit. “Dat is zoo. Dat maakt een goed interview, de ware persoonlijkheid, ziet u.”Maar Pats tong bleef gekluisterd en Stubener dwaalde naar een statistische vergelijking over het lichaamsgewicht en de maat van zijn kampioen en dat van Sandow, de Terrible Turk, Jeffries en andere sterke boksers van den laatsten tijd. Hier stelde Maud Sangster weinig belang in en zij liet merken, dat het haar verveelde. Toevallig viel haar oog op de Sonnetten. Zij nam het boek in de hand en keek vragend naar Stubener.“Zoo is Pat,” verklaarde hij. “Hij is dol op die dingen en op kleurfotografie en kunsttentoonstellingen en zoo. Maar schrijf daar in 's hemelsnaam niets over. Zijn reputatie zou naar de maan zijn.”Zij keek verwijtend naar Glendon, die dadelijk verlegen werd. Zij vond het verrukkelijk. Een schuchtere jonge man, met het lichaam van een reus, één der koningenin het vuistvechten en die gedichten las en naar kunsttentoonstellingen ging en proeven nam met kleurfotografie. Neen zeker, hier was geen Ongelikte Beer. Zijn schuchterheid, begreep zij nu, kwam voort uit fijngevoeligheid en niet uit domheid. Shakespeare's Sonnetten! Hier was een aanleiding om verder te vragen. Maar Stubener stal de gelegenheid weg en was alweer aan het opdreunen van zijn eeuwige statistieken.Enkele minuten later en zonder dat zij er zich van bewust was, bracht zij het zwaarste geschut in het vuur. De eerste sterke aantrekkingskracht, die zij gevoeld had bij haar binnenkomen, begon opnieuw te werken na de ontdekking van de Sonnetten. Zijn prachtige lichaamsbouw, zijn knap gezicht, de kuische lippen, de heldere oogen, het mooie voorhoofd, niet verborgen door de korte blonde kuif, de indruk van lichamelijk welzijn en zuiverheid, die hij maakte—dit alles en meer nog een innerlijk gevoel, trok haar tot hem zooals zij zich nooit tot eenigen man aangetrokken had gevoeld en toch bleven in haar hoofd de leelijke geruchten die zij den vorigen dag nog gehoord had op het bureau van de Courier Journal.“U hadt gelijk,” zeide zij. “Er zijn belangrijker dingen om over te spreken. Ik heb iets in gedachte, dat ik graag door u zou opgehelderd zien. Heeft u er op tegen?”Pat schudde het hoofd.“Als ik soms vrijpostig ben?—verschrikkelijk vrijpostig? Ik heb mannen soms hooren spreken over bijzondere boksmatches en over de kansen van het wedden en terwijl ik er toentertijd niet veel op lette, scheen mij toe, hoe iedereen het er over eens was, dat er heel wat bedrog en truc's aan die sport vastzitten. En als ik u nu bijvoorbeeld aankijk, kan ik moeielijk begrijpen, hoe u in zulk een bedrog betrokken zoudt kunnen zijn. Ik kan begrijpen, dat u van de sport houdt om de sport en ook om het geld, dat ze inbrengt, maar ik begrijp niet—.”“Er valt niets te begrijpen,” viel Stubener in, terwijl om Pat's lippen een vriendelijk lijdzame glimlach trok. “Allemaal sprookjes, die verhalen over bedrog, over tevoren vastgestelde partijen en al die rotrommel. Dat bestaat niet, Miss Sangster, ik verzeker het u. En laat mij u nu eens vertellen, hoe ik Mr. Glendon ontdekt heb.'t Kwam door een brief, dien ik van zijn vader kreeg—.”Maar Maud Sangster weigerde, zich te laten afleiden en wendde zich tot Pat.“Luister. Ik herinner mij één geval in 't bijzonder. 't Was bij een match, die eenige maanden geleden plaats vond—ik ben de deelnemers vergeten. Eén van de redacteuren van de Courier Journal zei aan me, dat hij een aardig winstje zou maken. Hijhoopte't niet: hij zei, dat hij 'tzoumaken. Hij beweerde, dat hij op de hoogte was en wedden zou op het aantal ronden. Hij vertelde, dat de partij bij de negentiende zou eindigen. Dit was de avond tevoren. En den volgenden dag riep hij triomfantelijk mijn aandacht in voor het feit, dat de partij werkelijk bij die ronde was geëindigd. Ik dacht er toen niets bij. Ik stelde geen belang in prijsgevechten. Maar nu doe ik dat wel. Toentertijd scheen het precies in overeenstemming te zijn met de vage denkbeelden, die ik over boksen had. Dus u ziet, 't zijn toch niet allemaal sprookjes, nietwaar?”“Ik weet welke partij het was,” zeide Glendon. “Owen en Murgweather. En die eindigde met de negentiende ronde, Sam.En zij zegt, dat zij die ronde den dag tevoren heeft hooren noemen. Hoe verklaar je dat, Sam?“Hoe verklaar je 't als een man een gelukkig lot uit de loterij trekt?” luidde de wedervraag van den manager, terwijl hij zijn brein scherpte om een antwoord te vinden. “Dat is juist het punt van belang. Mannen, die training en conditie en secondanten en regels en zulke dingen bestudeeren, raden dikwijls het aantal ronden, net zooals er menschen zijn, die bij de wedrennen honderd tegen één zetten en winnen. En vergeet één ding niet: tegenover elken man die wint, staat een ander die verliest, een ander die verkeerd heeft geraden. Maud Sangster, ik verzeker u, op mijn eer, dat bedriegen en knoeien bij de bokssport iets is dat niet bestaat.”“Wat denkt u er van, Mr. Glendon?” vroeg zij.“Net als ik,” sneed Stubener het antwoord af.“Hij weet, dat alles wat ik zeg waar is, elk woord. Hij heeft nooit in zijn leven anders dan een eerlijke partij gebokst. Nietwaar Pat?”“Ja, 't is waar,” stemde Pat toe en het vreemdste scheen Maud Sangster haar eigen overtuiging, dat hij waarheid sprak.Zij streek met haar hand langs haar voorhoofd alsof zij zich wilde bevrijden van de verbijstering, die over haar denken nevelde.“Luister,” zeide zij. “Gisterenavond vertelde dezelfde redacteur mij, dat van een aanstaande partij alles vooruit bepaald was en precies de ronde, waarin ze zou eindigen.”Stubener verwachtte een uitbarsting, maar Pat's woorden maakten zijn antwoord onnoodig.“Dan liegt die redacteur.” Pat's stem was voor 't eerst toornig.“Hij loog den vorigen keer niet over die andere partij,” daagde zij uit.“In welke ronde zeide hij dat mijn partij met Nat Powers zou eindigen?”Eer zij antwoorden kon, was de manager er midden in.“Nonsens Pat!” riep hij. “Schei uit. Zulke praatjes loopen er altijd. Laat het interview voortgaan.”Glendon luisterde niet; zijn oogen, strak in die van Maud, waren niet langer zacht blauw, maar hard en bevelend. Zij was ernu zeker van, dat zij aan iets ontzettends had geraakt, dat alles zou verklaren, waarover zij zich verwonderd had. Tegelijk beefde zij voor het bevelende in zijn stem en blik. Hier was een mannelijke man, die het leven grijpen zou en er uit zou schudden, wat hij noodig had.“Welke ronde noemde die redacteur?” herhaalde Glendon zijn vraag.“In godsnaam, Pat schei uit met die dwaasheden,” viel Stubener in.“Ik wou, dat U mij een kans gaf om te antwoorden,” sprak Maud Sangster.“Ik geloof, dat ik zelf wel in staat ben met Miss Sangster te spreken,” voegde Glendon er bij. “Ga jij maar weg Sam. Ga weg en kijk eens naar de photo's.”Gedurende een kort oogenblik van spanning keken zij elkander aan, toen bewoog de manager langzaam in de richting van de deur, deed deze open en keerde zijn hoofd om, om te luisteren.“En welke ronde noemde hij nu?”“Ik hoop, dat ik niets verkeerds heb gedaan,” zeide zij bevend; “maar ik weet heel zeker, dat hij de zestiende ronde noemde.”Zij zag een trek van verbazing en woedeover Glendon's gezicht glijden en de woede en het verwijt in den blik, dien hij op zijn manager wierp en zij wist, dat de slag raak was geweest.En er was reden voor zijn boosheid. Hij wist, dat hij er met Stubener over gesproken had en dat zij overeen waren gekomen, het publiek een goede partij voor zijn geld te geven zonder den strijd noodeloos te verlengen en er daarom in de zestiende ronde een eind aan te maken. En nu was hier een vrouw, van een courantenbureau, die dezelfde ronde noemde.Stubener stond bleek en slap in de deur, blijkbaar had hij moeite zich op te houden.“Ik zal later met je spreken,” zeide Pat tot hem. “Doe de deur achter je dicht.”De deur werd gesloten en zij waren alleen met hun beiden. Glendon sprak niet. Zijn gezicht droeg een sprekende uitdrukking van leed en verslagenheid.“Nu?” vroeg zij.Hij sprong op en stak als een toren boven haar uit; toen ging hij weer zitten en maakte zijn lippen nat met zijn tong.“Ik zal u één ding zeggen,” sprak hijeindelijk. “De partij zal niet met de zestiende ronde eindigen.”Zij sprak niet, doch haar ongeloovige, fijn spottende glimlach deed hem pijn.“Wacht maar af, dan zult u zien, Miss Sangster, dat die man van de redactie het mis had.”“U bedoelt, dat het programma veranderd zal worden?” vroeg zij stout weg.Hij beefde onder de snerping harer woorden.“Ik ben niet gewend te liegen,” zeide hij stijf, “zelfs niet tegenover vrouwen.”“Dat heeft u tegenover mij ook niet gedaan en u heeft ook niet geloochend, dat het programma veranderd zal worden. Misschien ben ik dom, Mr. Glendon, maar ik kan niet inzien wat voor verschil het maakt, welke ronde de laatste zal zijn, zoolang dat te voren is vastgesteld en bekend gemaakt.”“Ik zal de ronde tegen u noemen en anders zal geen ziel ter wereld het weten.”Zij haalde hare schouders op en glimlachte.“Het klinkt voor mij precies als bij de races gebeurt. Daar worden altijd op die manier van te voren afspraken gemaakt, zietu. Overigens ben ik niet zoo heel dom en ik begrijp, dat er hier iets niet in den haak is. Waarom werd u boos toen ik de ronde noemde? Waarom was u boos op uw manager? Waarom stuurde u hem de kamer uit?”Tot antwoord liep Glendon naar het raam, alsof hij naar buiten wilde kijken, waar hij van idee veranderde en zich halverwege omkeerde; en zij wist, zonder het te zien, dat hij haar gezicht bestudeerde. Hij kwam terug en ging zitten.“U heeft gezegd, dat ik niet tegenover u gelogen heb, Miss Sangster, en daar had u gelijk aan. Ik heb niet gelogen.”“Hij zweeg met pijnlijk tasten naar een juiste bepaling van de situatie. “Denkt u, dat u kunt gelooven wat ik u zeggen ga? Wilt u het woord gelooven van een ... prijsbokser?”Zij knikte ernstig, keek hem recht in de oogen en was er zeker van, dat, wat hij zou vertellen, de waarheid was.“Ik heb altijd eerlijk gebokst. Ik heb nooit in mijn leven een vuil stuk geld aangeraakt of een smerige streek toegepast.“U heeft mij een leelijken schok gegevenmet wat u vertelde. Ik weet niet wat ik ervan denken moet. Ik heb er niet dadelijk een oordeel over. Ik weet 't niet. Maar het ziet er leelijk uit. Dat hindert me. Want, ziet u, Stubener en ik hebben over deze match gesproken en tusschen ons was het uitgemaakt, dat ik de partij in de zestiende ronde zou doen eindigen. Nu brengt u hetzelfde woord. Hoe wist de redacteur dat? Niet van mij. Stubener moet het losgelaten hebben..., of...”Hij zweeg om het raadsel te overdenken. “Of die redacteur is een gelukkige rader. Ik kan 't niet begrijpen. Ik zal mijn oogen moeten openhouden en opletten en leeren. Elk woord, dat ik u gezegd heb, is de waarheid en hier is mijn hand er op.”Weer rees hij hoog op uit zijn stoel en kwam naar haar toe. Haar kleine hand werd in zijn groote gegrepen toen zij opstond en hem tegemoet kwam en na een eerlijken, open blik in elkanders oogen, keken beiden onbewust naar de ineengeklemde handen. Zij voelde, nooit zoo volkomen beseft te hebben, dat zij een vrouw was.Het sexe-verschil in die twee handen—de zachte en tengere vrouwenhand en de zwaregespierde van den man—was verbazend. Glendon was de eerste die sprak.“Uw handje zou licht bezeerd kunnen worden,” zeide hij en op hetzelfde oogenblik voelde zij de vastheid van zijn greep bijna liefkozend losser worden.Zij dacht aan de voorliefde voor reuzen van den ouden Pruisischen koning en lachte om de ongerijmdheid van die gedachte-associatie terwijl zij haar hand terugtrok.“Ik ben blij, dat u vandaag hier bent gekomen,” zeide hij en sprak toen onhandig vlug door om er een verklaring aan toe te voegen, die door den warmen glans in zijn oogen werd weersproken. “Ik bedoel, omdat u mij misschien de oogen hebt geopend voor het geknoei, dat er gebeurt.”“U heeft mij verbaasd,” zeide zij. “Ik dacht 't zoo algemeen bekend, dat bij prijsboksen allerlei geknoei voorkomt, dat ik niet kan begrijpen, hoe u, één van de voornaamste vertegenwoordigers uit die wereld, er onkundig van kunt zijn. Ik dacht het vanzelf sprekend dat u er alles van wist en nu heeft u mij doen gelooven, dat u er zelfs niet van droomde. U moet anders zijn dan andere boksers.”Hij knikte met het hoofd.“Dat verklaart het, denk ik. En dat komt daarvan dat ik mij apart houd van de anderen, van de andere boksers en de managers en de sportlui. 't Was gemakkelijk, mij een rad voor de oogen te draaien. Toch staat 't nog aan mij, te zien of mij werkelijk een rad voor de oogen is gedraaid of niet. Ziet u, dat moet ik zelf uitvinden.”“En er dan verandering in brengen?”“Neen; dan ga ik er uit,” was zijn antwoord. “Als 't niet eerlijk is, wil ik er niets meer mee te maken hebben. En één ding is zeker: deze aanstaande partij met NatPowerszal niet bij de zestiende ronde uit zijn. Als er iets waars is in die voorwetenschap van den redacteur, komen zij allemaal bedrogen uit. Inplaats van hem in de zestiende buiten gevecht te stellen, zal ik het gevecht door laten gaan tot in de twintigste. U zult 't zien.”“En mag ik het den redacteur niet vertellen?”Zij stond nu klaar om heen te gaan.“Stellig niet. Als hij er alleen naar raadt, heeft hij dezelfde kans. Als er geknoei bij is, verdient hij zijn heele inzet te verliezen.Dit moet een klein geheim blijven tusschen u en mij. Ik zal u vertellen, wat ik doen zal. Ik zal u de ronde zeggen. Ik ga niet door tot de twintigste. Ik zal Nat Powers in de achttiende neerslaan.”“Ik zal het zelfs niet fluisteren,” verzekerde zij.“Ik zou u graag een gunst willen vragen,” zeide hij, haar polsend. “Misschien is het een groote gunst.”Haar gezicht sprak haar bereidwilligheid uit, alsof de gunst reeds was toegestaan en hij ging voort:“Natuurlijk begrijp ik, dat u niet over dit geknoei zoudt schrijven in het interview. Maar ik verlang meer dan dat. Ik zou willen, dat u in 't geheel niets publiceerde.”Even zagen hare vragende grijze oogen in de zijne; toen verwonderde zij zich over haar eigen antwoord.“Goed,” zeide zij. “Het zal niet gepubliceerd worden. Ik zal er geen regel over neerschrijven.”“Dat wist ik,” zeide hij eenvoudig.Het eerste oogenblik was zij teleurgesteld, omdat hij haar niet bedankte, maar het volgende was zij er blij om. Zij voelde, hoe hijeen anderen grondslag bouwde onder dit samenzijn van een uur en zij waagde een onderzoek.“Hoe wist u 't?” vroeg zij.“Ik weet 't niet.” Hij schudde het hoofd. “Ik kan er geen verklaring van geven. Ik wist het als iets dat vanzelf sprak. 't Is mij of ik op een of andere wijze heel veel weet omtrent u en mij.”“Maar waarom het interview niet te publiceeren? Zooals uw manager zegt, 't is een goede reclame.”“Dat weet ik,” antwoordde hij langzaam. Maar ik wou u niet op die manier kennen. Ik geloof, dat het pijn zou doen als u het publiceerde. Ik wou er niet graag aan denken, dat onze kennismaking zakelijk was; ik zou aan ons gesprek hier willen denken als aan een gesprek tusschen een man en een vrouw. Ik weet niet of u begrijpt waar ik heen wil. Maar zóó voel ik het. Ik wou hier aan denken als aan een man en een vrouw.”Terwijl hij sprak, lag in zijn oogen heel de uitdrukking, waarmede een man een vrouw aankijkt. Zij voelde zijn kracht en zijn overmacht en zij voelde zich wonderlijk zwijgzaam en schuw tegenover dezen man,die bekend stond als zwijgzaam en schuw. Stellig kon hij meer rechtuit en overtuigender spreken dan de meeste mannen en wat haar 't sterkst trof, was haar eigen innerlijke zekerheid, dat het van zijn kant niets was als naïve eenvoudige openhartigheid en geen aangeleerde kunst.Hij bracht haar naar haar auto en deed haar opnieuw beven, toen hij afscheid nam. Opnieuw lagen hunne handen in elkaar, terwijl hij sprak:“Op een of anderen dag zal ik u weerzien. Ik wil u weerzien. Ik heb een gevoel, dat het laatste woord niet tusschen ons gesproken is.”En terwijl de auto wegrolde, werd zij zich bewust van een vreemde gewaarwording. Zij had hem niet voor het laatst gezien, dien geweldigen Pat Glendon, koning der boksers en Ongelikte Beer.Op den terugweg naar zijn kamers, kwam Glendon zijn vertoornden manager tegen.“Waarom joeg je mij de kamer uit?” vroeg Stubener.”'t Is uit met ons. 'n Helsche rommel heb je ervan gemaakt. Vroeger wou je nooit een reporter alleen ontvangen en nu zal je eenswat zien als dat interview voor den dag komt.”Glendon, die hem met een soort koud genoegen had aangehoord, deed alsof hij om wilde keeren en hem voorbijgaan, maar hij veranderde van idee.”'t Komt niet voor den dag,” zeide hij.Stubener stond versteld.“Ik heb 't haar gezegd,” legde Glendon uit.Toen barstte Stubener uit:“Alsof zij zoo'n sappig ding voor zich zou houden!”Glendon werd ijskoud en zijn stem was kort en snijdend.”'t Wordt niet gepubliceerd. Dat heeft zij mij gezegd.Er aan te twijfelen, is haar een leugenaarster te noemen.”In zijn oogen laaide de Iersche vlam en dit tezamen met het onwillekeurige samenklemmen van zijn hartstochtelijk gebalde handen maakte dat Stubener, die de kracht kende van die handen en van den man dien hij tegenover zich had, niet langer durfde twijfelen.

Het hoogte-punt van zijn loopbaan kwam snel naderbij. De groote kampioen had in het publiek bekend gemaakt, dat hij bereid was tegen Glendon uit te komen, zoo gauw deze laatste de drie of vier aspiranten voor het kampioenschap die er tusschen stonden, overwonnen had. In zes maanden slaagde Pat er in, Kid Mc Grath, Jack Mc Bride uit Philadelphia te kloppen en alleen Nat Powers en Tom Cannem bleven nog over.

En alles zou goed gegaan zijn, wanneer niet een zeker meisje uit de voorname wereld het in haar hoofd had gekregen in de journalistiek te gaan en wanneer Stubener niet toegestemd had in een interview met de vrouwelijke reporter van de Courier Journal van San Francisco. Haar werk was altijd onderteekend met den naam van Maud Sangster, en dit, tusschen twee haakjes, was haar eigen naam. De Sangsters stonden bekendals een rijke familie. De grondlegger van het geslacht, oude Jacob Sangster, had zijn dekens opgenomen en was gaan werken als knecht op een farm in het Westen.

Hij had een onuitputtelijk borax-gebied ontdekt in Nevada en nadat hij begonnen was het te ontginnen met behulp van muildieren, had hij een spoorweg aangelegd voor het vervoer. Daarna had hij voor de winst, met de borax gemaakt, honderden en duizenden vierkante mijlen boschgrond gekocht in Californië, Oregon en Washington. Nog later had hij de politiek gecombineerd met zaken, kocht staatslieden, rechters en machines, en werd een held op 't gebied van gecombineerde industrie. En daarna was hij gestorven vol eer en vol pessimisme, zijn naam nalatend als een moddervlek, die toekomstige historieschrijvers nog konden aandikken; tevens liet hij een paar honderd millioen na, waar zijn vier zoons om konden kibbelen. De wettelijke, industriëele en politieke gevechten die volgden, ergerden en vermaakten Californië een generatie lang en bereikten hun toppunt in doodelijke haat tusschen de vier zoons, die elkaar niet meer wilden kennen.

De jongste, Theodore, kwam op middelbaren leeftijd tot inkeer, verkocht zijn farms en zijn stallen met race-paarden en wierp zich in een strijd tegen al de verderfelijke machten van zijn geboorteland, waartoe de meeste millionairs behoorden, in een Don-Quichot-achtige poging het te zuiveren van den smet er door den ouden Jacob Sangster opgeworpen.

Maud Sangster was de oudste dochter van Theodore. Het geslacht der Sangsters bracht geregeld twistzoekers voort onder de mannen en schoonheden onder de vrouwen. En Maud was geen uitzondering op den regel. Ook moest zij iets geërfd hebben van den lust naar avonturen, den Sangsters eigen; want toen zij volwassen werd, had zij een massa dingen gedaan, die voor een vrouw in haar positie niet te pas kwamen. Eén geval uit tienduizend: zij was nog ongetrouwd gebleven. Zij had Europa bezocht zonder een adellijk heer als echtgenoot mede te brengen en had thuis een gansche stoet pretendenten uit haar eigen kring afgewezen. Zij had liefhebberij in openlucht-sport: won hettenniskampioenschapvan den Staat; deed de wereld elke week nieuwsgierig uitkijkennaar nieuwe onconventioneele dingen van haar, liep voor een weddenschap op tijd van San Mateo naar Santa Cruz en veroorzaakte sensatie door bij een match polo te spelen in een mannenteam.

Onverwachts was zij zich voor kunst gaan interesseeren en hield er een atelier op na in het Quartier Latin van San Francisco.

Dit alles kwam er niet op aan vóór haar vaders plotselinge bekeering. Aangelegd met een hartstochtelijk gevoel voor onafhankelijkheid, terwijl zij nooit den man ontmoet had, aan wien zij zich met vreugde zou onderwerpen en zij zich ergerde aan de pretendenten naar haar hand, wees zij haar vaders bemoeiïngen met haar manier van leven af en zette de kroon op al haar maatschappelijke verkeerdheden door werk te gaan zoeken bij de “Courier Journal.” Begonnen met twintig dollars per week, was haar salaris spoedig geklommen tot vijftig. Haar werk was voornamelijk muziek-, tooneel- en kunst-critiek, ofschoon zij zich niet verheven voelde boven gewone journalistieke artikelen, wanneer zij maar genoeg interessants beloofden. Zoo versloeg zij het groote interview met Morgan op een oogenblik, toenhij door een dozijn journalisten uit New York op kleinzielige wijze bespot werd; ook daalde zij in een duikerpak naar den bodem van den Golden Gate en vloog met Rood, den manvogel toen hij alle records voor lang volgehouden vluchten versloeg door Riverside te bereiken.

Nu moet men niet denken, dat Maud Sangster een hoekige Amazone was. Integendeel, zij was een tengere jonge vrouw van drie of vier en twintig jaar, met grijze oogen en van middelmatige gestalte en zij had buitengewoon kleine handen en voeten voor een vrouw, die aan openlucht-sport deed en trouwens voor elk soort vrouw. Ook wist zij veel beter dan de meeste sport-vrouwen liefelijk vrouwelijk te zijn.

Het was op haar aanwijzing, dat zij van den uitgever de opdracht kreeg, Pat Glendon te interviewen. Behalve dat zij eens Bob Fitzsimmons een oogenblik had gezien in avondtoilet in Palace Grill, had zij nooit in haar leven een prijs-bokser gezien. Zij was ook niet verlangend er een te zien—ten minste zij had er niet naar verlangd totdat Jonge Pat Glendon naar San Francisco kwam om zich te trainen voor zijn partij met NatPowers. Toen had zijn couranten-reputatie haar belangstelling gewekt. De ongelikte Beer! die moest zeker de moeite waard zijn om te zien. Uit wat zij over hem las, maakte zij op, dat hij een man-monster moest zijn, ongelooflijk dom en met de kwaadaardigheid en de woestheid van een beest uit de wildernis. Wel is waar bleek dit alles niet uit de photo's, die van hem gepubliceerd werden, maar wel bleek daaruit de reusachtige spierkracht, die verwacht kon worden er mede samen te gaan. En zoo begaf zij zich, op het uur door Stubener vastgesteld, en vergezeld van een photograaf voor het blad, naar de training-appartementen in Cliff House.

De eigenaar van deappartementenhad moeite met Pat. Hij stribbelde tegen. Met zijn ééne reusachtige been bengelend over den kant van zijn leunstoel en Shakespeare's sonnetten op zijn knie, zat hij te oreeren tegen de moderne vrouw.

“Wat hebben zij met boksen te maken? vroeg hij. “Daar is haar plaats niet. En wat weten zij ervan? De mannen zijn al slecht genoeg. Ik ben geen heilige om aan te komen gapen. Die vrouw komt hier om zoo iets van mij te maken. Ik heb mij nooit met devrouwen bemoeid, die bij detraining-appartementenstaan te wachten en 't kan mij niet schelen of zij reporter is.”

“Maar zij is geen gewone reporter,” wierp Stubener tegen.

“Heb je wel eens van de Sangsters gehoord? millionairs!” Pat knikte.

“Zij is er één van. Ze hoort totdehoogste kringen en zoo. Als ze wou kon ze met de Blingum's omgaan inplaats van voor haar brood te werken. Haar oude is vijftig millioen waard zoo als hij een cent waard is.”

“Waarom werkt zij dan aan een courant?—en neemt een of anderen armen duivel een baantje af?

“Zij en de oude zijn niet goed met elkaar, ze hebben ruzie gehad of zoo iets, in den tijd toen hij San Francisco schoon begon te vegen. Zij ging van hem weg. Dat is alles—ging uit huis en zocht een baantje. En laat mij je één ding zeggen, Pat: ze kan Engelsch neerkrabbelen. Er is geen pennelikker in 't land die haar aan kan als ze zich laat gaan.”

Pat begon belangstelling te toonen en Stubener sprak haastig voort.

“Zij schrijft verzen ook—van die fijneliedjes, net als jij. Alleen denk ik, dat de hare beter zijn, want zij heeft er eens een heel boek vol van uitgegeven. En ze schrijft over het tooneel. Ze interviewt elken grooten acteur, die hier op de planken komt.”

“Ik heb haar naam in de courant gezien,” gaf Pat toe.

“Natuurlijk. En 't is een eer voor je, Pat, dat zij je komt interviewen. En 't geeft je niets geen last. Ik ben er bij en geef zelf de meeste inlichtingen. Je weet, dat ik dat altijd gedaan heb.”

Pats oogen spraken dankbaarheid.

“En nog iets Pat: vergeet niet, dat je je aan dat interview moèt onderwerpen. 't Is een deel van je werk. 't Is een groote advertentie en gratis. Wij kunnen 't niet koopen. Het interesseert de menschen, trekt het publiek en het is het publiek, dat de groote ontvangsten in je zak brengt.” Hij zweeg en luisterde; keek op zijn horloge. “Ik geloof, dat zij daar is. Ik zal haar wel zeggen, dat zij 't kort moet maken; 't zal niet lang duren. In de deur keerde hij zich om. “En wees beleefd, Pat. Houd je mond niet dicht als een klem. Praat een beetje tegen haar als zij wat vraagt.”

Pat legde de sonnetten op tafel, nam een courant op en was schijnbaar verdiept in den inhoud ervan, toen het tweetal de kamer binnenkwam en hij opstond.

De ontmoeting gaf een wederzijdschen schok. Toen de blauwe oogen de grijze ontmoeten, was het bijna alsof de man en de vrouw triomfantelijk elkaar iets toeriepen, alsof elk onverwachts iets had gevonden, dat lang gezocht was. Doch dit duurde slechts een oogwenk. Ieder had in den ander iets zoo totaal anders verwacht, dat in het volgend oogenblik de heldere kreet van herkenning plaats maakte voor verlegenheid.

Zooals gewoonlijk het geval is, was de vrouw de eerste, die haar zelfbeheersching terug vond en zij deed het, zonder door eenig uiterlijk teeken te verraden, dat zij die zelfbeheersching ooit kwijt was geweest. Zij liep het grootste eind door van den afstand, die hen scheidde, om bij Glendon te komen. Wat hem betreft, hij wist nauwelijks hoe hij door de voorstelling heen stumperde. Dit was een vrouw, een V.R.O.U.W. Hij had niet geweten, dat er zulk een wezen kon bestaan. De weinige vrouwen, waar hij op gelet had, geleken in niets op deze. Hijvroeg zich af, hoe het oordeel van ouden Pat over haar geweest zou zijn, of zij de soort van vrouw was, aan wie zijn zoon zich volgens zijn raad met beide handen vast moest klemmen. Hij bemerkte, dat hij op een of andere wijze haar hand vasthield. Hij keek er naar, nieuwsgierig en geboeid, verbaasd over de fijnheid ervan.

Zijdaarentegen was er in geslaagd ook den naklank van dien eersten helderen kreet tot zwijgen te brengen. Het was een vreemde gewaarwording geweest, zich plotseling aangetrokken te voelen tot een vreemden man: dat was al. Want was hij niet de Ongelikte Beer van de prijsgevechten, het groote, boksende, massale mannetjes-dier, die zijn kameraden van hetzelfde stomme soort neersloeg? Zij glimlachte om de wijze waarop hij haar hand bleef vasthouden.

“Ik wou mijn hand graag terug hebben, Mr. Glendon,” zeide zij. “Ik ... ik heb 'm werkelijk noodig, ziet u.” Hij keek haar aan zonder te begrijpen, volgde haar blik naar de gevangen hand en liet haar los op een plotselinge lompe manier, die hem het bloed in een duidelijk zichtbare blos naar het gelaat dreef.

Zij merkte den blos op en de gedachte schoot door haar hoofd dat hij toch niet zoo'n phenomenale lomperd scheen te zijn als zij zich had voorgesteld. Zij kon zich niet denken dat een beestmensch ergens over zou blozen. En tevens deed het haar prettig aan, dat hem de radheid van tong ontbrak om een verontschuldiging te mompelen. Doch de wijze waarop hij haar met zijn oogen verslond, bracht haar in de war. Hij staarde naar haar als in vervoering, terwijl zijn wangen àl rooder werden.

In dien tijd had Stubener een stoel voor haar gehaald en Glendon liet zich werktuigelijk in den zijne zakken.

“Hij is in de beste conditie, Miss Sangster, in prachtige conditie,” zeide de manager. “Zoo is 't immers, nietwaar Pat? Je hebt je nooit beter gevoeld?”

De woorden hinderden Glendon. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen als in ergernis en hij antwoordde niet.

“Ik heb er al lang naar uitgezien, u te ontmoeten, Mr. Glendon,” zeide Miss Sangster. “Ik heb nog nooit een vuistvechter geïnterviewd, dus als ik niet met genoegkennis van zaken spreek, zult u 't mij wel willen vergeven, hoop ik.”

“Misschien zou het beter zijn, wanneer u begon met hem in actie te zien,” gaf de manager aan. “Terwijl hij zijn bokscostuum aantrekt, kan ik u heel veel over hem vertellen—versch nieuws ook. We zullen Walsh binnen roepen, Pat, en een paar ronden maken.”

“Daar gebeurt niets van,” snauwde Pat ruw, juist op de wijze als een Ongelikte Beer doen zou. Vooruit maar met het interview.”

Het interview begon slecht. Stubener praatte 't meest en gaf aan waarover gesproken zou worden, hetgeen genoeg was om Maud Sangster boos te maken, terwijl Pat uit zichzelf niets zeide. Zij bestudeerde zijn fijngesneden gelaat, de oogen, helder blauw en ver van elkaar staande, de goedgevormde neus, een arendsneus bijna, de vastgesloten, kuische lippen, die iets mannelijk zachts hadden in de omgekrulde hoeken en waar niets aan was, dat op boosaardigheid wees. Zijn uiterlijk was bedriegelijk, besloot zij, als wat de couranten van hem vertelden, waar was. Tevergeefs zocht zijnaar kenmerken van een beestmensch. En tevergeefs trachtte zij contact met hem te krijgen. Ten eerste wist zij te weinig van prijsgevechten en den ring en zoodra zij haar lood uitgooide, werd het door Stubener, die klaar stond met inlichtingen, opgepikt.

”'t Moet heel interessant zijn, het leven van een beroepsbokser,” zeide zij, en voegde er met een glimlach aan toe: “Ik wou, dat ik er meer van wist. Zeg me: waarom vecht u?—O, behalve om geld. (Het laatste tot Stubener.) Houdt u van boksen? Vuurt het u aan als u op uw tegenstander los gaat? Ik weet niet goed, hoe ik moet uitdrukken wat ik bedoel, dus u moet geduld met mij hebben.”

Pat en Stubener begonnen tegelijk te spreken, maar ditmaal duwde Pat zijn manager weg.

“Eerst gaf ik er niet om—”

“Ja, ziet u, 't was zoo dood gemakkelijk voor hem,” viel Stubener in.

“Maar later,” ging Pat voort, “toen ik tegenover de betere boksers uitkwam, de werkelijk groote en knappe in het vak, waar mijn...”

“Eer mee gemoeid was?” vulde zij aan.

“Ja, dat is 't, waar mijn eer mee gemoeid was, toen ontdekte ik, dat ik 't prettig vond—heel prettig zelfs. Ziet u, ofschoon iedere strijd een soort van probleem voor mij is, dat ik met mijn verstand en met mijn spieren moet uitwerken, is toch de uitslag nooit twijfelachtig voor mij.—”

“Hij heeft nooit een partij gebokst waarbij hij zijn tegenpartij gewoon onderkreeg,” verklaarde Stubener.

“Hij wint altijd door den eindstoot.”

“En die zekerheid omtrent den uitslag neemt er van weg, wat ik mij verbeeld, dat de fijnste trillingen moeten zijn,” besloot Pat.

“Misschien zul je wel wat van die trillingen voelen, als je tegen Jim Hanford uitkomt,” zei de manager.

Pat glimlachte, maar sprak niet.

“Vertel mij nog wat meer,” verzocht zij; “meer over wat u voelt terwijl u vecht.”

En nu bracht Pat zijn manager, Miss Sangster en zichzelf in verbazing, door uit te barsten:

“Ik geloof, dat ik met u niet over die dingen moest praten. 't Is of er voor u en mij veelbelangrijker dingen bestaan om over te spreken. Ik—.”

Hij stokte plotseling, zich bewust van wat hij gezegd had, maar onbewust waarom hij het gezegd had.

“Ja,” riep zij gretig uit. “Dat is zoo. Dat maakt een goed interview, de ware persoonlijkheid, ziet u.”

Maar Pats tong bleef gekluisterd en Stubener dwaalde naar een statistische vergelijking over het lichaamsgewicht en de maat van zijn kampioen en dat van Sandow, de Terrible Turk, Jeffries en andere sterke boksers van den laatsten tijd. Hier stelde Maud Sangster weinig belang in en zij liet merken, dat het haar verveelde. Toevallig viel haar oog op de Sonnetten. Zij nam het boek in de hand en keek vragend naar Stubener.

“Zoo is Pat,” verklaarde hij. “Hij is dol op die dingen en op kleurfotografie en kunsttentoonstellingen en zoo. Maar schrijf daar in 's hemelsnaam niets over. Zijn reputatie zou naar de maan zijn.”

Zij keek verwijtend naar Glendon, die dadelijk verlegen werd. Zij vond het verrukkelijk. Een schuchtere jonge man, met het lichaam van een reus, één der koningenin het vuistvechten en die gedichten las en naar kunsttentoonstellingen ging en proeven nam met kleurfotografie. Neen zeker, hier was geen Ongelikte Beer. Zijn schuchterheid, begreep zij nu, kwam voort uit fijngevoeligheid en niet uit domheid. Shakespeare's Sonnetten! Hier was een aanleiding om verder te vragen. Maar Stubener stal de gelegenheid weg en was alweer aan het opdreunen van zijn eeuwige statistieken.

Enkele minuten later en zonder dat zij er zich van bewust was, bracht zij het zwaarste geschut in het vuur. De eerste sterke aantrekkingskracht, die zij gevoeld had bij haar binnenkomen, begon opnieuw te werken na de ontdekking van de Sonnetten. Zijn prachtige lichaamsbouw, zijn knap gezicht, de kuische lippen, de heldere oogen, het mooie voorhoofd, niet verborgen door de korte blonde kuif, de indruk van lichamelijk welzijn en zuiverheid, die hij maakte—dit alles en meer nog een innerlijk gevoel, trok haar tot hem zooals zij zich nooit tot eenigen man aangetrokken had gevoeld en toch bleven in haar hoofd de leelijke geruchten die zij den vorigen dag nog gehoord had op het bureau van de Courier Journal.

“U hadt gelijk,” zeide zij. “Er zijn belangrijker dingen om over te spreken. Ik heb iets in gedachte, dat ik graag door u zou opgehelderd zien. Heeft u er op tegen?”

Pat schudde het hoofd.

“Als ik soms vrijpostig ben?—verschrikkelijk vrijpostig? Ik heb mannen soms hooren spreken over bijzondere boksmatches en over de kansen van het wedden en terwijl ik er toentertijd niet veel op lette, scheen mij toe, hoe iedereen het er over eens was, dat er heel wat bedrog en truc's aan die sport vastzitten. En als ik u nu bijvoorbeeld aankijk, kan ik moeielijk begrijpen, hoe u in zulk een bedrog betrokken zoudt kunnen zijn. Ik kan begrijpen, dat u van de sport houdt om de sport en ook om het geld, dat ze inbrengt, maar ik begrijp niet—.”

“Er valt niets te begrijpen,” viel Stubener in, terwijl om Pat's lippen een vriendelijk lijdzame glimlach trok. “Allemaal sprookjes, die verhalen over bedrog, over tevoren vastgestelde partijen en al die rotrommel. Dat bestaat niet, Miss Sangster, ik verzeker het u. En laat mij u nu eens vertellen, hoe ik Mr. Glendon ontdekt heb.'t Kwam door een brief, dien ik van zijn vader kreeg—.”

Maar Maud Sangster weigerde, zich te laten afleiden en wendde zich tot Pat.

“Luister. Ik herinner mij één geval in 't bijzonder. 't Was bij een match, die eenige maanden geleden plaats vond—ik ben de deelnemers vergeten. Eén van de redacteuren van de Courier Journal zei aan me, dat hij een aardig winstje zou maken. Hijhoopte't niet: hij zei, dat hij 'tzoumaken. Hij beweerde, dat hij op de hoogte was en wedden zou op het aantal ronden. Hij vertelde, dat de partij bij de negentiende zou eindigen. Dit was de avond tevoren. En den volgenden dag riep hij triomfantelijk mijn aandacht in voor het feit, dat de partij werkelijk bij die ronde was geëindigd. Ik dacht er toen niets bij. Ik stelde geen belang in prijsgevechten. Maar nu doe ik dat wel. Toentertijd scheen het precies in overeenstemming te zijn met de vage denkbeelden, die ik over boksen had. Dus u ziet, 't zijn toch niet allemaal sprookjes, nietwaar?”

“Ik weet welke partij het was,” zeide Glendon. “Owen en Murgweather. En die eindigde met de negentiende ronde, Sam.En zij zegt, dat zij die ronde den dag tevoren heeft hooren noemen. Hoe verklaar je dat, Sam?

“Hoe verklaar je 't als een man een gelukkig lot uit de loterij trekt?” luidde de wedervraag van den manager, terwijl hij zijn brein scherpte om een antwoord te vinden. “Dat is juist het punt van belang. Mannen, die training en conditie en secondanten en regels en zulke dingen bestudeeren, raden dikwijls het aantal ronden, net zooals er menschen zijn, die bij de wedrennen honderd tegen één zetten en winnen. En vergeet één ding niet: tegenover elken man die wint, staat een ander die verliest, een ander die verkeerd heeft geraden. Maud Sangster, ik verzeker u, op mijn eer, dat bedriegen en knoeien bij de bokssport iets is dat niet bestaat.”

“Wat denkt u er van, Mr. Glendon?” vroeg zij.

“Net als ik,” sneed Stubener het antwoord af.

“Hij weet, dat alles wat ik zeg waar is, elk woord. Hij heeft nooit in zijn leven anders dan een eerlijke partij gebokst. Nietwaar Pat?”

“Ja, 't is waar,” stemde Pat toe en het vreemdste scheen Maud Sangster haar eigen overtuiging, dat hij waarheid sprak.

Zij streek met haar hand langs haar voorhoofd alsof zij zich wilde bevrijden van de verbijstering, die over haar denken nevelde.

“Luister,” zeide zij. “Gisterenavond vertelde dezelfde redacteur mij, dat van een aanstaande partij alles vooruit bepaald was en precies de ronde, waarin ze zou eindigen.”

Stubener verwachtte een uitbarsting, maar Pat's woorden maakten zijn antwoord onnoodig.

“Dan liegt die redacteur.” Pat's stem was voor 't eerst toornig.

“Hij loog den vorigen keer niet over die andere partij,” daagde zij uit.

“In welke ronde zeide hij dat mijn partij met Nat Powers zou eindigen?”

Eer zij antwoorden kon, was de manager er midden in.

“Nonsens Pat!” riep hij. “Schei uit. Zulke praatjes loopen er altijd. Laat het interview voortgaan.”

Glendon luisterde niet; zijn oogen, strak in die van Maud, waren niet langer zacht blauw, maar hard en bevelend. Zij was ernu zeker van, dat zij aan iets ontzettends had geraakt, dat alles zou verklaren, waarover zij zich verwonderd had. Tegelijk beefde zij voor het bevelende in zijn stem en blik. Hier was een mannelijke man, die het leven grijpen zou en er uit zou schudden, wat hij noodig had.

“Welke ronde noemde die redacteur?” herhaalde Glendon zijn vraag.

“In godsnaam, Pat schei uit met die dwaasheden,” viel Stubener in.

“Ik wou, dat U mij een kans gaf om te antwoorden,” sprak Maud Sangster.

“Ik geloof, dat ik zelf wel in staat ben met Miss Sangster te spreken,” voegde Glendon er bij. “Ga jij maar weg Sam. Ga weg en kijk eens naar de photo's.”

Gedurende een kort oogenblik van spanning keken zij elkander aan, toen bewoog de manager langzaam in de richting van de deur, deed deze open en keerde zijn hoofd om, om te luisteren.

“En welke ronde noemde hij nu?”

“Ik hoop, dat ik niets verkeerds heb gedaan,” zeide zij bevend; “maar ik weet heel zeker, dat hij de zestiende ronde noemde.”

Zij zag een trek van verbazing en woedeover Glendon's gezicht glijden en de woede en het verwijt in den blik, dien hij op zijn manager wierp en zij wist, dat de slag raak was geweest.

En er was reden voor zijn boosheid. Hij wist, dat hij er met Stubener over gesproken had en dat zij overeen waren gekomen, het publiek een goede partij voor zijn geld te geven zonder den strijd noodeloos te verlengen en er daarom in de zestiende ronde een eind aan te maken. En nu was hier een vrouw, van een courantenbureau, die dezelfde ronde noemde.

Stubener stond bleek en slap in de deur, blijkbaar had hij moeite zich op te houden.

“Ik zal later met je spreken,” zeide Pat tot hem. “Doe de deur achter je dicht.”

De deur werd gesloten en zij waren alleen met hun beiden. Glendon sprak niet. Zijn gezicht droeg een sprekende uitdrukking van leed en verslagenheid.

“Nu?” vroeg zij.

Hij sprong op en stak als een toren boven haar uit; toen ging hij weer zitten en maakte zijn lippen nat met zijn tong.

“Ik zal u één ding zeggen,” sprak hijeindelijk. “De partij zal niet met de zestiende ronde eindigen.”

Zij sprak niet, doch haar ongeloovige, fijn spottende glimlach deed hem pijn.

“Wacht maar af, dan zult u zien, Miss Sangster, dat die man van de redactie het mis had.”

“U bedoelt, dat het programma veranderd zal worden?” vroeg zij stout weg.

Hij beefde onder de snerping harer woorden.

“Ik ben niet gewend te liegen,” zeide hij stijf, “zelfs niet tegenover vrouwen.”

“Dat heeft u tegenover mij ook niet gedaan en u heeft ook niet geloochend, dat het programma veranderd zal worden. Misschien ben ik dom, Mr. Glendon, maar ik kan niet inzien wat voor verschil het maakt, welke ronde de laatste zal zijn, zoolang dat te voren is vastgesteld en bekend gemaakt.”

“Ik zal de ronde tegen u noemen en anders zal geen ziel ter wereld het weten.”

Zij haalde hare schouders op en glimlachte.

“Het klinkt voor mij precies als bij de races gebeurt. Daar worden altijd op die manier van te voren afspraken gemaakt, zietu. Overigens ben ik niet zoo heel dom en ik begrijp, dat er hier iets niet in den haak is. Waarom werd u boos toen ik de ronde noemde? Waarom was u boos op uw manager? Waarom stuurde u hem de kamer uit?”

Tot antwoord liep Glendon naar het raam, alsof hij naar buiten wilde kijken, waar hij van idee veranderde en zich halverwege omkeerde; en zij wist, zonder het te zien, dat hij haar gezicht bestudeerde. Hij kwam terug en ging zitten.

“U heeft gezegd, dat ik niet tegenover u gelogen heb, Miss Sangster, en daar had u gelijk aan. Ik heb niet gelogen.”

“Hij zweeg met pijnlijk tasten naar een juiste bepaling van de situatie. “Denkt u, dat u kunt gelooven wat ik u zeggen ga? Wilt u het woord gelooven van een ... prijsbokser?”

Zij knikte ernstig, keek hem recht in de oogen en was er zeker van, dat, wat hij zou vertellen, de waarheid was.

“Ik heb altijd eerlijk gebokst. Ik heb nooit in mijn leven een vuil stuk geld aangeraakt of een smerige streek toegepast.

“U heeft mij een leelijken schok gegevenmet wat u vertelde. Ik weet niet wat ik ervan denken moet. Ik heb er niet dadelijk een oordeel over. Ik weet 't niet. Maar het ziet er leelijk uit. Dat hindert me. Want, ziet u, Stubener en ik hebben over deze match gesproken en tusschen ons was het uitgemaakt, dat ik de partij in de zestiende ronde zou doen eindigen. Nu brengt u hetzelfde woord. Hoe wist de redacteur dat? Niet van mij. Stubener moet het losgelaten hebben..., of...”

Hij zweeg om het raadsel te overdenken. “Of die redacteur is een gelukkige rader. Ik kan 't niet begrijpen. Ik zal mijn oogen moeten openhouden en opletten en leeren. Elk woord, dat ik u gezegd heb, is de waarheid en hier is mijn hand er op.”

Weer rees hij hoog op uit zijn stoel en kwam naar haar toe. Haar kleine hand werd in zijn groote gegrepen toen zij opstond en hem tegemoet kwam en na een eerlijken, open blik in elkanders oogen, keken beiden onbewust naar de ineengeklemde handen. Zij voelde, nooit zoo volkomen beseft te hebben, dat zij een vrouw was.

Het sexe-verschil in die twee handen—de zachte en tengere vrouwenhand en de zwaregespierde van den man—was verbazend. Glendon was de eerste die sprak.

“Uw handje zou licht bezeerd kunnen worden,” zeide hij en op hetzelfde oogenblik voelde zij de vastheid van zijn greep bijna liefkozend losser worden.

Zij dacht aan de voorliefde voor reuzen van den ouden Pruisischen koning en lachte om de ongerijmdheid van die gedachte-associatie terwijl zij haar hand terugtrok.

“Ik ben blij, dat u vandaag hier bent gekomen,” zeide hij en sprak toen onhandig vlug door om er een verklaring aan toe te voegen, die door den warmen glans in zijn oogen werd weersproken. “Ik bedoel, omdat u mij misschien de oogen hebt geopend voor het geknoei, dat er gebeurt.”

“U heeft mij verbaasd,” zeide zij. “Ik dacht 't zoo algemeen bekend, dat bij prijsboksen allerlei geknoei voorkomt, dat ik niet kan begrijpen, hoe u, één van de voornaamste vertegenwoordigers uit die wereld, er onkundig van kunt zijn. Ik dacht het vanzelf sprekend dat u er alles van wist en nu heeft u mij doen gelooven, dat u er zelfs niet van droomde. U moet anders zijn dan andere boksers.”

Hij knikte met het hoofd.

“Dat verklaart het, denk ik. En dat komt daarvan dat ik mij apart houd van de anderen, van de andere boksers en de managers en de sportlui. 't Was gemakkelijk, mij een rad voor de oogen te draaien. Toch staat 't nog aan mij, te zien of mij werkelijk een rad voor de oogen is gedraaid of niet. Ziet u, dat moet ik zelf uitvinden.”

“En er dan verandering in brengen?”

“Neen; dan ga ik er uit,” was zijn antwoord. “Als 't niet eerlijk is, wil ik er niets meer mee te maken hebben. En één ding is zeker: deze aanstaande partij met NatPowerszal niet bij de zestiende ronde uit zijn. Als er iets waars is in die voorwetenschap van den redacteur, komen zij allemaal bedrogen uit. Inplaats van hem in de zestiende buiten gevecht te stellen, zal ik het gevecht door laten gaan tot in de twintigste. U zult 't zien.”

“En mag ik het den redacteur niet vertellen?”

Zij stond nu klaar om heen te gaan.

“Stellig niet. Als hij er alleen naar raadt, heeft hij dezelfde kans. Als er geknoei bij is, verdient hij zijn heele inzet te verliezen.Dit moet een klein geheim blijven tusschen u en mij. Ik zal u vertellen, wat ik doen zal. Ik zal u de ronde zeggen. Ik ga niet door tot de twintigste. Ik zal Nat Powers in de achttiende neerslaan.”

“Ik zal het zelfs niet fluisteren,” verzekerde zij.

“Ik zou u graag een gunst willen vragen,” zeide hij, haar polsend. “Misschien is het een groote gunst.”

Haar gezicht sprak haar bereidwilligheid uit, alsof de gunst reeds was toegestaan en hij ging voort:

“Natuurlijk begrijp ik, dat u niet over dit geknoei zoudt schrijven in het interview. Maar ik verlang meer dan dat. Ik zou willen, dat u in 't geheel niets publiceerde.”

Even zagen hare vragende grijze oogen in de zijne; toen verwonderde zij zich over haar eigen antwoord.

“Goed,” zeide zij. “Het zal niet gepubliceerd worden. Ik zal er geen regel over neerschrijven.”

“Dat wist ik,” zeide hij eenvoudig.

Het eerste oogenblik was zij teleurgesteld, omdat hij haar niet bedankte, maar het volgende was zij er blij om. Zij voelde, hoe hijeen anderen grondslag bouwde onder dit samenzijn van een uur en zij waagde een onderzoek.

“Hoe wist u 't?” vroeg zij.

“Ik weet 't niet.” Hij schudde het hoofd. “Ik kan er geen verklaring van geven. Ik wist het als iets dat vanzelf sprak. 't Is mij of ik op een of andere wijze heel veel weet omtrent u en mij.”

“Maar waarom het interview niet te publiceeren? Zooals uw manager zegt, 't is een goede reclame.”

“Dat weet ik,” antwoordde hij langzaam. Maar ik wou u niet op die manier kennen. Ik geloof, dat het pijn zou doen als u het publiceerde. Ik wou er niet graag aan denken, dat onze kennismaking zakelijk was; ik zou aan ons gesprek hier willen denken als aan een gesprek tusschen een man en een vrouw. Ik weet niet of u begrijpt waar ik heen wil. Maar zóó voel ik het. Ik wou hier aan denken als aan een man en een vrouw.”

Terwijl hij sprak, lag in zijn oogen heel de uitdrukking, waarmede een man een vrouw aankijkt. Zij voelde zijn kracht en zijn overmacht en zij voelde zich wonderlijk zwijgzaam en schuw tegenover dezen man,die bekend stond als zwijgzaam en schuw. Stellig kon hij meer rechtuit en overtuigender spreken dan de meeste mannen en wat haar 't sterkst trof, was haar eigen innerlijke zekerheid, dat het van zijn kant niets was als naïve eenvoudige openhartigheid en geen aangeleerde kunst.

Hij bracht haar naar haar auto en deed haar opnieuw beven, toen hij afscheid nam. Opnieuw lagen hunne handen in elkaar, terwijl hij sprak:

“Op een of anderen dag zal ik u weerzien. Ik wil u weerzien. Ik heb een gevoel, dat het laatste woord niet tusschen ons gesproken is.”

En terwijl de auto wegrolde, werd zij zich bewust van een vreemde gewaarwording. Zij had hem niet voor het laatst gezien, dien geweldigen Pat Glendon, koning der boksers en Ongelikte Beer.

Op den terugweg naar zijn kamers, kwam Glendon zijn vertoornden manager tegen.

“Waarom joeg je mij de kamer uit?” vroeg Stubener.

”'t Is uit met ons. 'n Helsche rommel heb je ervan gemaakt. Vroeger wou je nooit een reporter alleen ontvangen en nu zal je eenswat zien als dat interview voor den dag komt.”

Glendon, die hem met een soort koud genoegen had aangehoord, deed alsof hij om wilde keeren en hem voorbijgaan, maar hij veranderde van idee.

”'t Komt niet voor den dag,” zeide hij.

Stubener stond versteld.

“Ik heb 't haar gezegd,” legde Glendon uit.

Toen barstte Stubener uit:

“Alsof zij zoo'n sappig ding voor zich zou houden!”

Glendon werd ijskoud en zijn stem was kort en snijdend.

”'t Wordt niet gepubliceerd. Dat heeft zij mij gezegd.

Er aan te twijfelen, is haar een leugenaarster te noemen.”

In zijn oogen laaide de Iersche vlam en dit tezamen met het onwillekeurige samenklemmen van zijn hartstochtelijk gebalde handen maakte dat Stubener, die de kracht kende van die handen en van den man dien hij tegenover zich had, niet langer durfde twijfelen.


Back to IndexNext