Chapter 3

—Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar ’t posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!—Juu!De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:—Die simpele jongen! met zijnen brief! ’t is zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware ’t geen zonde Gods al dat geld te verteren aan dat papierken?!Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.—’k Zal wijn koopen met den jongenzijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld in een kroeg onder weg.Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren kostelijken glimlach.Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat ’t laatste áf was.—Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.’s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel ’t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan ’t klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonkaltijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze tevreden waren met de betaling.De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei eindelijk:—Ja, ’t was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.—Wilt ge nog eens hertellen?—Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w’hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij bedrogen te zijn.—De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w’hebben toch goed geld, ’t is het eerste, we zullen er geluk mede hebben, ’t is wel verdiend!Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de dubbele dreef, naar ’t zuiden. Zij zongen weer dat ’t hellemde en stapten met goeden moed.—We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en luidde tierden.’t Waren nog dezelfde peerden en knechtenvan verleden jaar en de oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door ’t stuivend zand en ’t plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig mede,—’t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was ’t éen gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.—’t Moet áf, ’t moet áf, al het koorn moet áf!Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over zijn mannen.De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.—Wies, hoe ver is ’t nog?—Wies, waar voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld,hij greep Rik bij ’t lijf en danste rond op den wagen.—Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d’hofsteê en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor ’nen truntaard.Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, ’t was Quélin’s hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op ’t hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen welvier maal, van Wies was ’t tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zichgaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter ’t hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze drinken wilden.—Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w’hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als ’t voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.Na het eten wandelden zij nog wat rond over ’t hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.—Dat volk en kent hier malkaar niet? ’t is lijk een heele stad, Wies.Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over ’t hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende kalvers.Wat eenlevende miereling en gewroetsel ondereen!Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van huis kwam doodbeulen.Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.’t Was volle nacht nog als zij weer open recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in ’t groote bleekblauw boven hun hoofden.—Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van ’t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies een boschuil.—We zijn hier heel alleen, zei Kretse.—Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekteSneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten den hemel kleurde.—Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.Datwas het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor ’t goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en ’t ruischen van ’t koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met ’t uitberstenvan ’t zweet voelden de pikkers eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten aan ’t wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en overgoten door het teisterende hittelicht van de zon—altijd vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke bot stond. Dan gingen zij aan ’t kloppen met den hamer en klabetterdenmet den wetsteen over ’t staal om met nieuwe snede te herbeginnen.Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een vuurwoestenij.—Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op ’t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en verfrissching in den vischvijver. Zij dompeldennaakt lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer op los naar ’t veld.Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid als zij dienhoogenbarm op moesten en aan strijd vallen tegen al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te meerderen in den dikken muur vanstroostalen die daar manhoogde, en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.—Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme of te spartelen in ’t Scheldewater thuis bij avonde?Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;—de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de adem achterwege bleef en ’t zweet lekewijs uit het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.—Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.—Ja, regenen, jongen, ’t kan hier vijf weken lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekkenin ons tente en al ons geld opeten. ’t Weer is goed, knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.—Regenen, o, dat ’t toch maar een dag regende! wenschte Rik; ’k en weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een wolklap vóor de zon!Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende teistering.Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warmen lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat ’t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten mag!—dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals de anderen, sterk blijven.—Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem onmogelijk dat ’t nu nog warmer kon worden. ’s Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er noguit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van koorn, ’t werd of groeide het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten neerkapten.Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een groote flauwte. ’s Avonds volgde hij traag de bende naar ’t strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.—Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of ’t slapen was of waken ’t geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.Hoe wonder: daar bij de linde stond hijte wachten naar Lida. Hij zag haar komen in ’t wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente; ’t was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzichtzóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de kostelijke teug water—hoe frisch—na dien langen dorstigen dag.—Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik versmachten zonder u.Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in het oor:—Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui achterover leunenen kruiste de handen om haar opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap gestoord te worden.—Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang blijven wonen.Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:—We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem, Wies die schudde en schreeuwde:—Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar ’t veld. In ’t eerste verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida’s groote genegenheid voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:—Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons;wij willen ’t al of niets en ’t eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.—Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.—Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!—z’ heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!Vlammende wit zat ’t geluchte en daar tusschen de biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.—Nu zal ’t eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor man, t’avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke bliksemglimde bij ’t op- en neergaan, slag op slag. Met ’t groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor ’t geen zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker puntvan den hemel, maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en vuur! ’t regende geen hitte, ’t waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen spelen tusschen ’t koorn, om en nevens hem en over heel het afgeschoren land.De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om ’t lijf.—Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralenkletterend, machtig als feestvuur.Hij dook diep den kop in het koorn—dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.—Hij wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.De kerels hun lied klonk nogaltijdeven vereend en als hij weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheidmaar de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan ’t gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.Rik wist dat ’t met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover—dan, niets meer.—Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.—Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten kennis lag te glariën naar de zon boven hem.—Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.—De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel ’k heb het gevreesd.De pikkers werden op ’t einde onverduldig; als zij zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij den zieken jongen.—Rik, recht u; ’t zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.Rik roerde niet.Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten wachten naar leven en beternis.Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.—Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen den jongen zijn oor.—Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch ’nen keer! Zijne hand tastte op Rik’sbloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, ’t was zoo spijtig om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaapmaar hij voelde vrees en een groote vereering voor ’t geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door ’t koorn, een ruiter aanstormen.—Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.—Is dit uw broêr? vroeg hij.—Mijn makker.—Hier seffens gevallen?—Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.—Hoe heet de jongen?—Rik Busschaert.—Leeft zijn moeder nog?—Ja, Boer!Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door ’t missen van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte nog eens—hopeloos alevenwel—die handen en voeten, maar alle leven was eruit.De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan ’t land opgereden met tweemannen; zij laadden den dooden Rik erop en reden naar ’t pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. ’t Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.—De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.—Heb-je ’t nog zoo warm geweten, Krotse?—En wie zal de lustige mare doen aanden jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.Twee timmerlieden van ’t hof mieken een bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans aanstaarden. Als ’t gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en Liefde;—al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het niet meer uit,—hij dook zich in den donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen.In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in ’t bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien langen lijkgang, uit te komen in een anderewereld of ievers in een spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte ongeluk. “De jongen moest zoover komen om dood en zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!”Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman droeg Quélin’s getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd Rik naar ’t kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist erin neerzinken.’t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand die vroeg hoe ’t met de begraving vergaan was.—Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.—Ho! mannen, dáár is ’t einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over ’t koorn te kijken waar ze zagen dat ’t werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte voorteeken vaneene levensredding en zij kapten te heftiger om aanstonds het einde te naken.Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de lengte; ’t geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoogen tierden met volle kelen den overwinningskreet:Het koorn is af, het koorn is af!Al het koorn is af!In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog en zongen dat ’t dreunde het zegelied:’t Koorn is af, ’t koorn is af!Al het koorn is af!Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer: hij zateenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.’s Anderdaags wrochten zij op ’t zelfde veld en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef oogstkoorn die van ’t veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en ’s zondags namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op voois van Rommelaere’sorgel of gingen bij benden naar ’t dorp gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers gaan en bleef liefst alleen.Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze ’s zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hijnievers vinden kon: iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;—maar Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.Het groot hof, anders in zoo’n woelige bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in zijn eenzaamheid.Daar lag hij te glariën in ’t donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan ’t vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:Als de de zurkel schiet, ’t is in de maand van Meie.Schieten al de boerkens in een grooten lach.Weg den hutsepot, karoten en pareie;De gestampte taatjes komen voor den dag.En als de pot weer overgaat,Haalt de boer den stamper uit,En als hij aan het stampen gaatDan zingt hij overluid:Van de rompel de pompel de pom.. . . . . . . . . . . . .Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle’s heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart donker zijn en fel winteren,—de goede winter!Die stem was heel grof, ’t was het stil grommelen van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of ’t toch echt gezongen was en niet gedroomd.Het ging alsaan voort:

—Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar ’t posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!—Juu!De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:—Die simpele jongen! met zijnen brief! ’t is zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware ’t geen zonde Gods al dat geld te verteren aan dat papierken?!Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.—’k Zal wijn koopen met den jongenzijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld in een kroeg onder weg.Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren kostelijken glimlach.Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat ’t laatste áf was.—Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.’s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel ’t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan ’t klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonkaltijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze tevreden waren met de betaling.De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei eindelijk:—Ja, ’t was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.—Wilt ge nog eens hertellen?—Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w’hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij bedrogen te zijn.—De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w’hebben toch goed geld, ’t is het eerste, we zullen er geluk mede hebben, ’t is wel verdiend!Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de dubbele dreef, naar ’t zuiden. Zij zongen weer dat ’t hellemde en stapten met goeden moed.—We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en luidde tierden.’t Waren nog dezelfde peerden en knechtenvan verleden jaar en de oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door ’t stuivend zand en ’t plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig mede,—’t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was ’t éen gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.—’t Moet áf, ’t moet áf, al het koorn moet áf!Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over zijn mannen.De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.—Wies, hoe ver is ’t nog?—Wies, waar voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld,hij greep Rik bij ’t lijf en danste rond op den wagen.—Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d’hofsteê en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor ’nen truntaard.Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, ’t was Quélin’s hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op ’t hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen welvier maal, van Wies was ’t tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zichgaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter ’t hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze drinken wilden.—Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w’hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als ’t voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.Na het eten wandelden zij nog wat rond over ’t hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.—Dat volk en kent hier malkaar niet? ’t is lijk een heele stad, Wies.Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over ’t hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende kalvers.Wat eenlevende miereling en gewroetsel ondereen!Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van huis kwam doodbeulen.Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.’t Was volle nacht nog als zij weer open recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in ’t groote bleekblauw boven hun hoofden.—Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van ’t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies een boschuil.—We zijn hier heel alleen, zei Kretse.—Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekteSneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten den hemel kleurde.—Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.Datwas het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor ’t goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en ’t ruischen van ’t koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met ’t uitberstenvan ’t zweet voelden de pikkers eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten aan ’t wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en overgoten door het teisterende hittelicht van de zon—altijd vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke bot stond. Dan gingen zij aan ’t kloppen met den hamer en klabetterdenmet den wetsteen over ’t staal om met nieuwe snede te herbeginnen.Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een vuurwoestenij.—Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op ’t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en verfrissching in den vischvijver. Zij dompeldennaakt lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer op los naar ’t veld.Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid als zij dienhoogenbarm op moesten en aan strijd vallen tegen al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te meerderen in den dikken muur vanstroostalen die daar manhoogde, en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.—Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme of te spartelen in ’t Scheldewater thuis bij avonde?Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;—de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de adem achterwege bleef en ’t zweet lekewijs uit het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.—Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.—Ja, regenen, jongen, ’t kan hier vijf weken lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekkenin ons tente en al ons geld opeten. ’t Weer is goed, knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.—Regenen, o, dat ’t toch maar een dag regende! wenschte Rik; ’k en weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een wolklap vóor de zon!Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende teistering.Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warmen lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat ’t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten mag!—dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals de anderen, sterk blijven.—Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem onmogelijk dat ’t nu nog warmer kon worden. ’s Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er noguit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van koorn, ’t werd of groeide het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten neerkapten.Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een groote flauwte. ’s Avonds volgde hij traag de bende naar ’t strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.—Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of ’t slapen was of waken ’t geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.Hoe wonder: daar bij de linde stond hijte wachten naar Lida. Hij zag haar komen in ’t wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente; ’t was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzichtzóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de kostelijke teug water—hoe frisch—na dien langen dorstigen dag.—Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik versmachten zonder u.Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in het oor:—Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui achterover leunenen kruiste de handen om haar opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap gestoord te worden.—Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang blijven wonen.Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:—We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem, Wies die schudde en schreeuwde:—Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar ’t veld. In ’t eerste verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida’s groote genegenheid voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:—Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons;wij willen ’t al of niets en ’t eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.—Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.—Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!—z’ heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!Vlammende wit zat ’t geluchte en daar tusschen de biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.—Nu zal ’t eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor man, t’avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke bliksemglimde bij ’t op- en neergaan, slag op slag. Met ’t groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor ’t geen zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker puntvan den hemel, maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en vuur! ’t regende geen hitte, ’t waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen spelen tusschen ’t koorn, om en nevens hem en over heel het afgeschoren land.De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om ’t lijf.—Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralenkletterend, machtig als feestvuur.Hij dook diep den kop in het koorn—dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.—Hij wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.De kerels hun lied klonk nogaltijdeven vereend en als hij weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheidmaar de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan ’t gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.Rik wist dat ’t met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover—dan, niets meer.—Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.—Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten kennis lag te glariën naar de zon boven hem.—Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.—De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel ’k heb het gevreesd.De pikkers werden op ’t einde onverduldig; als zij zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij den zieken jongen.—Rik, recht u; ’t zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.Rik roerde niet.Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten wachten naar leven en beternis.Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.—Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen den jongen zijn oor.—Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch ’nen keer! Zijne hand tastte op Rik’sbloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, ’t was zoo spijtig om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaapmaar hij voelde vrees en een groote vereering voor ’t geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door ’t koorn, een ruiter aanstormen.—Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.—Is dit uw broêr? vroeg hij.—Mijn makker.—Hier seffens gevallen?—Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.—Hoe heet de jongen?—Rik Busschaert.—Leeft zijn moeder nog?—Ja, Boer!Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door ’t missen van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte nog eens—hopeloos alevenwel—die handen en voeten, maar alle leven was eruit.De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan ’t land opgereden met tweemannen; zij laadden den dooden Rik erop en reden naar ’t pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. ’t Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.—De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.—Heb-je ’t nog zoo warm geweten, Krotse?—En wie zal de lustige mare doen aanden jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.Twee timmerlieden van ’t hof mieken een bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans aanstaarden. Als ’t gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en Liefde;—al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het niet meer uit,—hij dook zich in den donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen.In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in ’t bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien langen lijkgang, uit te komen in een anderewereld of ievers in een spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte ongeluk. “De jongen moest zoover komen om dood en zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!”Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman droeg Quélin’s getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd Rik naar ’t kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist erin neerzinken.’t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand die vroeg hoe ’t met de begraving vergaan was.—Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.—Ho! mannen, dáár is ’t einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over ’t koorn te kijken waar ze zagen dat ’t werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte voorteeken vaneene levensredding en zij kapten te heftiger om aanstonds het einde te naken.Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de lengte; ’t geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoogen tierden met volle kelen den overwinningskreet:Het koorn is af, het koorn is af!Al het koorn is af!In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog en zongen dat ’t dreunde het zegelied:’t Koorn is af, ’t koorn is af!Al het koorn is af!Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer: hij zateenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.’s Anderdaags wrochten zij op ’t zelfde veld en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef oogstkoorn die van ’t veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en ’s zondags namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op voois van Rommelaere’sorgel of gingen bij benden naar ’t dorp gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers gaan en bleef liefst alleen.Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze ’s zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hijnievers vinden kon: iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;—maar Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.Het groot hof, anders in zoo’n woelige bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in zijn eenzaamheid.Daar lag hij te glariën in ’t donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan ’t vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:Als de de zurkel schiet, ’t is in de maand van Meie.Schieten al de boerkens in een grooten lach.Weg den hutsepot, karoten en pareie;De gestampte taatjes komen voor den dag.En als de pot weer overgaat,Haalt de boer den stamper uit,En als hij aan het stampen gaatDan zingt hij overluid:Van de rompel de pompel de pom.. . . . . . . . . . . . .Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle’s heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart donker zijn en fel winteren,—de goede winter!Die stem was heel grof, ’t was het stil grommelen van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of ’t toch echt gezongen was en niet gedroomd.Het ging alsaan voort:

—Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar ’t posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!—Juu!De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:—Die simpele jongen! met zijnen brief! ’t is zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware ’t geen zonde Gods al dat geld te verteren aan dat papierken?!Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.—’k Zal wijn koopen met den jongenzijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld in een kroeg onder weg.Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren kostelijken glimlach.Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat ’t laatste áf was.—Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.’s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel ’t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan ’t klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonkaltijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze tevreden waren met de betaling.De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei eindelijk:—Ja, ’t was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.—Wilt ge nog eens hertellen?—Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w’hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij bedrogen te zijn.—De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w’hebben toch goed geld, ’t is het eerste, we zullen er geluk mede hebben, ’t is wel verdiend!Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de dubbele dreef, naar ’t zuiden. Zij zongen weer dat ’t hellemde en stapten met goeden moed.—We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en luidde tierden.’t Waren nog dezelfde peerden en knechtenvan verleden jaar en de oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door ’t stuivend zand en ’t plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig mede,—’t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was ’t éen gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.—’t Moet áf, ’t moet áf, al het koorn moet áf!Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over zijn mannen.De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.—Wies, hoe ver is ’t nog?—Wies, waar voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld,hij greep Rik bij ’t lijf en danste rond op den wagen.—Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d’hofsteê en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor ’nen truntaard.Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, ’t was Quélin’s hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op ’t hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen welvier maal, van Wies was ’t tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zichgaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter ’t hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze drinken wilden.—Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w’hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als ’t voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.Na het eten wandelden zij nog wat rond over ’t hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.—Dat volk en kent hier malkaar niet? ’t is lijk een heele stad, Wies.Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over ’t hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende kalvers.Wat eenlevende miereling en gewroetsel ondereen!Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van huis kwam doodbeulen.Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.’t Was volle nacht nog als zij weer open recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in ’t groote bleekblauw boven hun hoofden.—Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van ’t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies een boschuil.—We zijn hier heel alleen, zei Kretse.—Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekteSneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten den hemel kleurde.—Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.Datwas het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor ’t goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en ’t ruischen van ’t koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met ’t uitberstenvan ’t zweet voelden de pikkers eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten aan ’t wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en overgoten door het teisterende hittelicht van de zon—altijd vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke bot stond. Dan gingen zij aan ’t kloppen met den hamer en klabetterdenmet den wetsteen over ’t staal om met nieuwe snede te herbeginnen.Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een vuurwoestenij.—Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op ’t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en verfrissching in den vischvijver. Zij dompeldennaakt lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer op los naar ’t veld.Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid als zij dienhoogenbarm op moesten en aan strijd vallen tegen al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te meerderen in den dikken muur vanstroostalen die daar manhoogde, en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.—Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme of te spartelen in ’t Scheldewater thuis bij avonde?Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;—de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de adem achterwege bleef en ’t zweet lekewijs uit het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.—Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.—Ja, regenen, jongen, ’t kan hier vijf weken lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekkenin ons tente en al ons geld opeten. ’t Weer is goed, knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.—Regenen, o, dat ’t toch maar een dag regende! wenschte Rik; ’k en weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een wolklap vóor de zon!Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende teistering.Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warmen lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat ’t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten mag!—dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals de anderen, sterk blijven.—Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem onmogelijk dat ’t nu nog warmer kon worden. ’s Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er noguit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van koorn, ’t werd of groeide het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten neerkapten.Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een groote flauwte. ’s Avonds volgde hij traag de bende naar ’t strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.—Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of ’t slapen was of waken ’t geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.Hoe wonder: daar bij de linde stond hijte wachten naar Lida. Hij zag haar komen in ’t wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente; ’t was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzichtzóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de kostelijke teug water—hoe frisch—na dien langen dorstigen dag.—Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik versmachten zonder u.Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in het oor:—Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui achterover leunenen kruiste de handen om haar opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap gestoord te worden.—Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang blijven wonen.Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:—We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem, Wies die schudde en schreeuwde:—Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar ’t veld. In ’t eerste verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida’s groote genegenheid voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:—Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons;wij willen ’t al of niets en ’t eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.—Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.—Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!—z’ heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!Vlammende wit zat ’t geluchte en daar tusschen de biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.—Nu zal ’t eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor man, t’avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke bliksemglimde bij ’t op- en neergaan, slag op slag. Met ’t groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor ’t geen zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker puntvan den hemel, maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en vuur! ’t regende geen hitte, ’t waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen spelen tusschen ’t koorn, om en nevens hem en over heel het afgeschoren land.De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om ’t lijf.—Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralenkletterend, machtig als feestvuur.Hij dook diep den kop in het koorn—dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.—Hij wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.De kerels hun lied klonk nogaltijdeven vereend en als hij weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheidmaar de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan ’t gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.Rik wist dat ’t met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover—dan, niets meer.—Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.—Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten kennis lag te glariën naar de zon boven hem.—Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.—De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel ’k heb het gevreesd.De pikkers werden op ’t einde onverduldig; als zij zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij den zieken jongen.—Rik, recht u; ’t zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.Rik roerde niet.Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten wachten naar leven en beternis.Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.—Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen den jongen zijn oor.—Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch ’nen keer! Zijne hand tastte op Rik’sbloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, ’t was zoo spijtig om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaapmaar hij voelde vrees en een groote vereering voor ’t geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door ’t koorn, een ruiter aanstormen.—Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.—Is dit uw broêr? vroeg hij.—Mijn makker.—Hier seffens gevallen?—Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.—Hoe heet de jongen?—Rik Busschaert.—Leeft zijn moeder nog?—Ja, Boer!Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door ’t missen van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte nog eens—hopeloos alevenwel—die handen en voeten, maar alle leven was eruit.De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan ’t land opgereden met tweemannen; zij laadden den dooden Rik erop en reden naar ’t pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. ’t Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.—De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.—Heb-je ’t nog zoo warm geweten, Krotse?—En wie zal de lustige mare doen aanden jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.Twee timmerlieden van ’t hof mieken een bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans aanstaarden. Als ’t gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en Liefde;—al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het niet meer uit,—hij dook zich in den donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen.In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in ’t bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien langen lijkgang, uit te komen in een anderewereld of ievers in een spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte ongeluk. “De jongen moest zoover komen om dood en zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!”Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman droeg Quélin’s getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd Rik naar ’t kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist erin neerzinken.’t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand die vroeg hoe ’t met de begraving vergaan was.—Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.—Ho! mannen, dáár is ’t einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over ’t koorn te kijken waar ze zagen dat ’t werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte voorteeken vaneene levensredding en zij kapten te heftiger om aanstonds het einde te naken.Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de lengte; ’t geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoogen tierden met volle kelen den overwinningskreet:Het koorn is af, het koorn is af!Al het koorn is af!In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog en zongen dat ’t dreunde het zegelied:’t Koorn is af, ’t koorn is af!Al het koorn is af!Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer: hij zateenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.’s Anderdaags wrochten zij op ’t zelfde veld en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef oogstkoorn die van ’t veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en ’s zondags namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op voois van Rommelaere’sorgel of gingen bij benden naar ’t dorp gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers gaan en bleef liefst alleen.Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze ’s zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hijnievers vinden kon: iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;—maar Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.Het groot hof, anders in zoo’n woelige bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in zijn eenzaamheid.Daar lag hij te glariën in ’t donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan ’t vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:Als de de zurkel schiet, ’t is in de maand van Meie.Schieten al de boerkens in een grooten lach.Weg den hutsepot, karoten en pareie;De gestampte taatjes komen voor den dag.En als de pot weer overgaat,Haalt de boer den stamper uit,En als hij aan het stampen gaatDan zingt hij overluid:Van de rompel de pompel de pom.. . . . . . . . . . . . .Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle’s heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart donker zijn en fel winteren,—de goede winter!Die stem was heel grof, ’t was het stil grommelen van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of ’t toch echt gezongen was en niet gedroomd.Het ging alsaan voort:

—Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar ’t posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!—Juu!

De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:

—Die simpele jongen! met zijnen brief! ’t is zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware ’t geen zonde Gods al dat geld te verteren aan dat papierken?!

Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.

—’k Zal wijn koopen met den jongenzijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld in een kroeg onder weg.

Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren kostelijken glimlach.

Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat ’t laatste áf was.

—Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.

’s Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.

De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel ’t ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.

De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan ’t klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonkaltijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze tevreden waren met de betaling.

De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei eindelijk:

—Ja, ’t was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.

—Wilt ge nog eens hertellen?

—Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w’hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.

Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij bedrogen te zijn.

—De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w’hebben toch goed geld, ’t is het eerste, we zullen er geluk mede hebben, ’t is wel verdiend!

Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de dubbele dreef, naar ’t zuiden. Zij zongen weer dat ’t hellemde en stapten met goeden moed.

—We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.

Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en luidde tierden.

’t Waren nog dezelfde peerden en knechtenvan verleden jaar en de oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.

Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door ’t stuivend zand en ’t plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig mede,—’t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was ’t éen gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.

—’t Moet áf, ’t moet áf, al het koorn moet áf!

Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over zijn mannen.

De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.

Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.

—Wies, hoe ver is ’t nog?—Wies, waar voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.

Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld,hij greep Rik bij ’t lijf en danste rond op den wagen.

—Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d’hofsteê en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor ’nen truntaard.

Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, ’t was Quélin’s hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op ’t hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen welvier maal, van Wies was ’t tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zichgaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter ’t hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze drinken wilden.

—Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w’hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.

Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.

De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als ’t voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.

Na het eten wandelden zij nog wat rond over ’t hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.

—Dat volk en kent hier malkaar niet? ’t is lijk een heele stad, Wies.

Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over ’t hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende kalvers.Wat eenlevende miereling en gewroetsel ondereen!

Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van huis kwam doodbeulen.

Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.

’t Was volle nacht nog als zij weer open recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.

Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in ’t groote bleekblauw boven hun hoofden.

—Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.

Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van ’t koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies een boschuil.

—We zijn hier heel alleen, zei Kretse.

—Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekteSneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?

Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten den hemel kleurde.

—Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.

Datwas het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor ’t goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en ’t ruischen van ’t koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met ’t uitberstenvan ’t zweet voelden de pikkers eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten aan ’t wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en overgoten door het teisterende hittelicht van de zon—altijd vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke bot stond. Dan gingen zij aan ’t kloppen met den hamer en klabetterdenmet den wetsteen over ’t staal om met nieuwe snede te herbeginnen.

Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een vuurwoestenij.—Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.

Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op ’t hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en verfrissching in den vischvijver. Zij dompeldennaakt lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.

Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer op los naar ’t veld.

Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid als zij dienhoogenbarm op moesten en aan strijd vallen tegen al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te meerderen in den dikken muur vanstroostalen die daar manhoogde, en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.

—Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme of te spartelen in ’t Scheldewater thuis bij avonde?

Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;—de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de adem achterwege bleef en ’t zweet lekewijs uit het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.

Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.

—Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.

—Ja, regenen, jongen, ’t kan hier vijf weken lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekkenin ons tente en al ons geld opeten. ’t Weer is goed, knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.

—Regenen, o, dat ’t toch maar een dag regende! wenschte Rik; ’k en weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een wolklap vóor de zon!

Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende teistering.

Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warmen lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat ’t hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten mag!—dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals de anderen, sterk blijven.

—Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem onmogelijk dat ’t nu nog warmer kon worden. ’s Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er noguit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van koorn, ’t werd of groeide het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten neerkapten.

Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.

Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een groote flauwte. ’s Avonds volgde hij traag de bende naar ’t strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.

—Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.

Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of ’t slapen was of waken ’t geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.

Hoe wonder: daar bij de linde stond hijte wachten naar Lida. Hij zag haar komen in ’t wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente; ’t was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.

Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzichtzóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de kostelijke teug water—hoe frisch—na dien langen dorstigen dag.

—Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik versmachten zonder u.

Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in het oor:

—Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.

Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui achterover leunenen kruiste de handen om haar opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap gestoord te worden.

—Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang blijven wonen.

Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:

—We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?

Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.

Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem, Wies die schudde en schreeuwde:

—Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar ’t veld. In ’t eerste verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida’s groote genegenheid voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:

—Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons;wij willen ’t al of niets en ’t eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.

—Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.

Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.

—Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!—z’ heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!

Vlammende wit zat ’t geluchte en daar tusschen de biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.

—Nu zal ’t eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor man, t’avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!

En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke bliksemglimde bij ’t op- en neergaan, slag op slag. Met ’t groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor ’t geen zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker puntvan den hemel, maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en vuur! ’t regende geen hitte, ’t waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen spelen tusschen ’t koorn, om en nevens hem en over heel het afgeschoren land.

De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om ’t lijf.

—Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!

Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralenkletterend, machtig als feestvuur.

Hij dook diep den kop in het koorn—dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.—Hij wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.

De kerels hun lied klonk nogaltijdeven vereend en als hij weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheidmaar de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan ’t gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.

Rik wist dat ’t met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover—dan, niets meer.

—Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.

—Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten kennis lag te glariën naar de zon boven hem.

—Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.

Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.

—De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel ’k heb het gevreesd.

De pikkers werden op ’t einde onverduldig; als zij zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij den zieken jongen.

—Rik, recht u; ’t zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.

Rik roerde niet.

Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten wachten naar leven en beternis.

Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.

—Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen den jongen zijn oor.

—Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch ’nen keer! Zijne hand tastte op Rik’sbloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, ’t was zoo spijtig om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.

Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaapmaar hij voelde vrees en een groote vereering voor ’t geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door ’t koorn, een ruiter aanstormen.

—Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.

—Is dit uw broêr? vroeg hij.

—Mijn makker.

—Hier seffens gevallen?

—Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.

—Hoe heet de jongen?

—Rik Busschaert.

—Leeft zijn moeder nog?

—Ja, Boer!

Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.

Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door ’t missen van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte nog eens—hopeloos alevenwel—die handen en voeten, maar alle leven was eruit.

De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan ’t land opgereden met tweemannen; zij laadden den dooden Rik erop en reden naar ’t pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. ’t Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.

—De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.

—Heb-je ’t nog zoo warm geweten, Krotse?

—En wie zal de lustige mare doen aanden jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.

Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.

Twee timmerlieden van ’t hof mieken een bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans aanstaarden. Als ’t gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en Liefde;—al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het niet meer uit,—hij dook zich in den donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen.

In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in ’t bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.

De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien langen lijkgang, uit te komen in een anderewereld of ievers in een spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte ongeluk. “De jongen moest zoover komen om dood en zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!”

Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman droeg Quélin’s getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd Rik naar ’t kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist erin neerzinken.

’t Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand die vroeg hoe ’t met de begraving vergaan was.

—Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.

Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.

—Ho! mannen, dáár is ’t einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over ’t koorn te kijken waar ze zagen dat ’t werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.

Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte voorteeken vaneene levensredding en zij kapten te heftiger om aanstonds het einde te naken.

Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de lengte; ’t geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoogen tierden met volle kelen den overwinningskreet:

Het koorn is af, het koorn is af!Al het koorn is af!

Het koorn is af, het koorn is af!

Al het koorn is af!

In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog en zongen dat ’t dreunde het zegelied:

’t Koorn is af, ’t koorn is af!Al het koorn is af!

’t Koorn is af, ’t koorn is af!

Al het koorn is af!

Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.

Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer: hij zateenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.

’s Anderdaags wrochten zij op ’t zelfde veld en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef oogstkoorn die van ’t veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en ’s zondags namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op voois van Rommelaere’sorgel of gingen bij benden naar ’t dorp gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers gaan en bleef liefst alleen.

Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze ’s zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hijnievers vinden kon: iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;—maar Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.

Het groot hof, anders in zoo’n woelige bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in zijn eenzaamheid.Daar lag hij te glariën in ’t donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan ’t vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:

Als de de zurkel schiet, ’t is in de maand van Meie.Schieten al de boerkens in een grooten lach.Weg den hutsepot, karoten en pareie;De gestampte taatjes komen voor den dag.En als de pot weer overgaat,Haalt de boer den stamper uit,En als hij aan het stampen gaatDan zingt hij overluid:Van de rompel de pompel de pom.. . . . . . . . . . . . .

Als de de zurkel schiet, ’t is in de maand van Meie.

Schieten al de boerkens in een grooten lach.

Weg den hutsepot, karoten en pareie;

De gestampte taatjes komen voor den dag.

En als de pot weer overgaat,

Haalt de boer den stamper uit,

En als hij aan het stampen gaat

Dan zingt hij overluid:

Van de rompel de pompel de pom.

. . . . . . . . . . . . .

Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle’s heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart donker zijn en fel winteren,—de goede winter!

Die stem was heel grof, ’t was het stil grommelen van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of ’t toch echt gezongen was en niet gedroomd.

Het ging alsaan voort:


Back to IndexNext