Chapter 4

Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,En op iederen hoek een groote stuit voor elk,En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,En iedereen doet zijn buiksken wel,Zeven schepkens meer of minDaarvan maken zij geen spelEn dat gaat er zachtjes in.Van de rompel de pompel de pom..... . . . . . . . . . . . .Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waarhij meende den zanger te vinden.—Ja, ’t was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:—Waarom bleef-je weer zoolang weg?En een meisjesstem die verlegen antwoordde:—’k Heb nu pas gedaan met ’t stalwerk.Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het donker; ’t moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê zoekt, dacht Wies,—maar wie mag er bij hem zijn? ’k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in ’t schemerdonker naar de ladder en met drie terden t’eenegaderklouterde hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z’het wisten: het spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in ’t hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of ’t best was voorzichtig naarzijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.—Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame doening,—bescheed durfde hij niet vragen.De oude zat op de knieën in ’t stroo met een loshangend hemd aan dat opensplette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van ’t spel. ’t Geluk bleef voor ’t meisje en ’t kind scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe oogen verlegen naarden oude op als om verschooning: dat ’t niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen: noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen wat er wel aardigs aan was.De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken, dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,—lijk bij kleine jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te laten winnen; ’t geen hemmonkelendeed zoodat zijn dunne lippen over den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes loensch op als ze ’t niet merkte en zijn bevende hand foefelde met een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen.—’t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen.’t Meisje raapte ’t spel op, trok de beenen recht, en ging zonder spreken.—Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in.De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het:—Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb gehoord hoe ge ons liedjes zingt.De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken.—Kent ge Sjob Subbel?—zijt ge hier komen pikken?—Ik ben een oude pikker. Van waar zijt ge?Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde.—Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel goed kende.—Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies.—Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha, ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest, en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn, mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open over zijn zwarte mondholte.—Veertig zomers, jongen, heb ik hierin den oogst gewrocht, maar nu is ’t uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer.—Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen, dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor hem zat.—Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij.—Ho, ’k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen,lachteSjob. Men kan overal wel zijn waar men ’t wel maakt. In den tijde verlangde en haakte ik omweer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da’s allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.—En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen.—Ha! da’s mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond niet.—Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.—Kent ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob moest het ook al bijsleuren en ’t waren geen vette brokken, hoor. Met werken alleen ging het niet: ’s winters moesten ze wel soms de duimen zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;—maar ’s zomers was ’t goed, de jongens scharrelden wat bij op ’t land en ikreisde uit gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor een pot schuimend bier! ’t Was heel hard gewonnen en gauw verteerd, maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden met Koolie den boomsnoeier,—dat wist ik van de gebuurs—en als ik het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij:—Dan heb ik gekennist met een nieuwwijf, hier in ’t hof—en die is dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in mijn eenigheid.Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in ’t donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel door zijn hoofd speelde.’s Anderendaags bij ’t werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens van den donkeren haverdilte, en over ’t hof lonkte hij benieuwd rond om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als ’t donker werd sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,—daar ook was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog moest hijnaar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op ’t einde ging hij ’s avonds in de andere schuren zoeken en ’t gelukte dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter ’t hof.—Zie, Aga, da’s een jongen uit mijne streek, zegde Sjob.Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar spel zonder iets te zeggen.Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm pakjelosdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte en wegborg. In ’t vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al heur centen voor den oude uit. Op ’t laatst werd zij te beven over heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en ’s morgens eerst gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de pikkers naar uitleg overSjob Subbel maar de kerels die hem kenden, haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen:—Wel Subbel is een oude dronkaard.Van Aga durfde Wies hun niet spreken.Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd van ’t veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top.Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn dochter nievers meer kaarten ’s avonds. Binst het werk zag hij Aga twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over ’t hof ging, maar hij kon er niet bij geraken.—Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij eindelijk, enbleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer.—’t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar.Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde thuiskomst met hun geld.Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens naar buiten vlug over ’t hof, staken de armen in de lucht en gingen welgemoed aan ’t poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer,bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot, lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar wat ze met al hun geld zouden koopen thuis.Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren naar ’t dorp. Ze zouden eerst ’s anderendaags in de vroegte vertrekken.Wies wilde nu ook van ’t verzet en hij trok welgezind mede met de bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden.’t Was maar zelden—tusschen eene vlaag van genot—dat hij het wee voeldeom den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;—maar Rommelaere’s orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde zilverpenningen op het hert.—Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden.—Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne gezondheid.—Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld, moetg’er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten ’t rollen!’t Koorn is af! ’t koorn is af!Al het koorn is af!De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. ’t Was donkernacht als z’er aan dachten naar ’t hof te keeren.Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware schoenen om de straatsteenen te gruizelen.Wij zijn gezworen kameraden..... . . . . . . . . . . . .zongen zij hier in een bende;Jongens jongens, jongens,We zijn nog niet dood,bijlange nog niet dood,’t en is geen nood,Ja, we zijn nog niet dood!ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers:’t Koorn is af, ’t koorn is àf!Al het koorn is àf!en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere’s trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat en als ’t uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen kwam overmeesteren.—De laatste nacht hier in ’t donkerkot, in ’t vreemde land! morgen opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.De groote stilte hing weer over ’t hof en ’t wijde land rondom en alle dingen sliepen.Dat leed vrij lang toen Wies aan ’t droomen ging: hij lag wakker met de oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in ’t stroo aan zijn voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En—ja, daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in’t stroo onder zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij geworden omdat ’t allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht nog,—seffens komen er mannen al uw geld stelen, ’k Heb de dieven afgeluisterd in vaders hooischuur.Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek hoe hetlanteernlichtje slingerde tegen ’t zwartsel van Aga’s kleeren.Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met geweld naar beneden duwde. Op ’t einde begon hij te twijfelen aan ’t gebeurde, ’t dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte toen alles dood en begraven lag in slaap.Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien hij met de nagels in het zand klauwde.—De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, ’t is donker, dat werd zoo dom,en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust.Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel en geraas. De pikkers vloekten en vochten in ’t donker.—Ei, ’k ben mijn geld gestolen! riep er een.—Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!—Slaat dood!De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en riep om hulp.—Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen!—Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in ’t opene aangezicht.Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen ongemerkt wegvluchten.—’k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze vermoorden ons!Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar ’t raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten.—Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren!—Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden.—Maar, sakker, nijp me niet dood,kermde Sneyer, ’t is God van den hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.Als ’t klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover.—Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.—Ik ook, ik ook, riepen anderen.Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d’hofsteê, maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten.—Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot de overheid van ’t dorp.De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in ’t wezen slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij.Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de tent om aanstonds te vertrekken.Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder ’t zand terug en de jongen wandelde zwaarmoedig over ’t hof. Hij lanterde tusschen stalling en schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden.—Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hemal heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot hij haar zou zien uitkomen. ’t Was een gedurig over en weer geloop van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief.En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop Wies achterde stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open, loerde tusschen de boomlanen en vond haar in ’t grasweidje onder de hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet.En ze zat daar zoo schoon dat ’t hem in lang nog niet verdroten zou hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij ’t best zou beleggen om haar schuchterheid niet te vervaren.Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:—Aga, fluisterde hij.Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk:—Aga, zegde hij nog eens.Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat hij haar mocht te zeggen hebben.—Aga, g’hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da’s heel goed, zegde hij ingehouden, maar ’k was zoo moe en slaperig en ’k meende dat ’t in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt.Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en:—Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het gras neerzinken.Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid door zijnhert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en ’t goede wintertij en van Rik zijn besten vriend—die nu dood is, besloot hij triestig en hij merkte hoe ’t meisje hem aan de lippen hing en gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen over den jongen die de zon hier vermoord had.—Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.—Ja zeker.—En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida, ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt?—Zeker, herzei Wies.—En nu komt hij niet naar huis, enge zult hun al dat kwade nieuws vermonden?Wies zweeg, en zij ook.Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in ’t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.—Waarom gaat ge zoo ’s nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies.—Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en ’s avonds speelt hij geern met de kaart.—Doet ge dat ook geern, Aga?—Om vaders wil, ja.—En om wat speelt ge?—Om geld.—En vader wint altijd?—Ik laat hem geern winnen.—En als gij verliest?—Dan betaal ik,—met mijn huurgeld.—En als uw vader verliest?—Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou’ ik de winste schuldig tot ik weer verlies.—En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen?—Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader kwijt,—ik durf hem niet slaan,—maar als ik verlies slaat hij me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij, en altijd voor dulsten spelen.—En wat doet uw vader met dat geld?Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te sterk was.Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo ’n schamele weerloosheid vóor hem zat.Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga’s schoot regenen. Dan stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde om de daad die hij begaan had. “Nu kanzij toch lang verliezen zonder dulsten te krijgen van haar vader,” dacht hij.—Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden.—Indien ’t de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een kinderkous! Maar ’t was nu gedaan en hij was er blij om.De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar.—Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om te winter vleesch te hebben.—Ik ben slechter, kermde Sneyer, ’tis heel mijne huishuur die gaan vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat te gooien!Pinne zat g’hertig te lachen om al dat gekerm:—Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!—En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen?—G’ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen algelijk!—Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we doen?—we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een getij in de beeten gaan werken?De andere staken den neus op.—Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de kermis te laat komen! zei er een.—’t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z’hadden me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de oksels! ha! ha!—Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg om de bestolenen rijkelijk in te staan.—Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn brood en dan zijnwe er van onder. Grijpt toe, makkers!Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met ’t overschot en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor onder weg.Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;—de anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in ’t voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers, en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze verlangden weer te zien.Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij ’t moest verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,—en dat kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.—’k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer, ’t was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.Daar kwamen zij weer in de groote stad en ’t was eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de toogramen lag.Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den rug.Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen nogbenden pikkers die meer naar oost of west van ’t werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van ’t dorp al de kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was ’t hun land dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar ’t altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden demenschen nu hier en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare die hij te vermonden had.—Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in ’t voorjaar?De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind met groote boomen—de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij kennissen op ’t land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje aan ’t pikken waren.Aan elke kruisstraat sloeg een deel vande bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.Een groote zegeschreeuw ging op.—Zie, dáar onze kerktoren!De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den grooten meitak voor de kermis.Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in ’t land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de “Meerschblomme,”in den “Koekoek”, in de “Veugelmuite” of elders.Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in ’t loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een goede lafenis door de keel.Jongens, jongens, jongens,We zijn nog niet dood.Ja ’t en is geen nood,Bijlange nog niet dood!ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten van ’t eene bierhuis naar ’t andere. Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.

Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,En op iederen hoek een groote stuit voor elk,En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,En iedereen doet zijn buiksken wel,Zeven schepkens meer of minDaarvan maken zij geen spelEn dat gaat er zachtjes in.Van de rompel de pompel de pom..... . . . . . . . . . . . .Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waarhij meende den zanger te vinden.—Ja, ’t was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:—Waarom bleef-je weer zoolang weg?En een meisjesstem die verlegen antwoordde:—’k Heb nu pas gedaan met ’t stalwerk.Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het donker; ’t moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê zoekt, dacht Wies,—maar wie mag er bij hem zijn? ’k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in ’t schemerdonker naar de ladder en met drie terden t’eenegaderklouterde hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z’het wisten: het spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in ’t hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of ’t best was voorzichtig naarzijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.—Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame doening,—bescheed durfde hij niet vragen.De oude zat op de knieën in ’t stroo met een loshangend hemd aan dat opensplette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van ’t spel. ’t Geluk bleef voor ’t meisje en ’t kind scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe oogen verlegen naarden oude op als om verschooning: dat ’t niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen: noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen wat er wel aardigs aan was.De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken, dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,—lijk bij kleine jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te laten winnen; ’t geen hemmonkelendeed zoodat zijn dunne lippen over den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes loensch op als ze ’t niet merkte en zijn bevende hand foefelde met een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen.—’t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen.’t Meisje raapte ’t spel op, trok de beenen recht, en ging zonder spreken.—Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in.De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het:—Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb gehoord hoe ge ons liedjes zingt.De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken.—Kent ge Sjob Subbel?—zijt ge hier komen pikken?—Ik ben een oude pikker. Van waar zijt ge?Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde.—Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel goed kende.—Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies.—Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha, ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest, en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn, mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open over zijn zwarte mondholte.—Veertig zomers, jongen, heb ik hierin den oogst gewrocht, maar nu is ’t uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer.—Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen, dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor hem zat.—Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij.—Ho, ’k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen,lachteSjob. Men kan overal wel zijn waar men ’t wel maakt. In den tijde verlangde en haakte ik omweer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da’s allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.—En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen.—Ha! da’s mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond niet.—Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.—Kent ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob moest het ook al bijsleuren en ’t waren geen vette brokken, hoor. Met werken alleen ging het niet: ’s winters moesten ze wel soms de duimen zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;—maar ’s zomers was ’t goed, de jongens scharrelden wat bij op ’t land en ikreisde uit gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor een pot schuimend bier! ’t Was heel hard gewonnen en gauw verteerd, maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden met Koolie den boomsnoeier,—dat wist ik van de gebuurs—en als ik het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij:—Dan heb ik gekennist met een nieuwwijf, hier in ’t hof—en die is dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in mijn eenigheid.Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in ’t donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel door zijn hoofd speelde.’s Anderendaags bij ’t werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens van den donkeren haverdilte, en over ’t hof lonkte hij benieuwd rond om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als ’t donker werd sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,—daar ook was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog moest hijnaar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op ’t einde ging hij ’s avonds in de andere schuren zoeken en ’t gelukte dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter ’t hof.—Zie, Aga, da’s een jongen uit mijne streek, zegde Sjob.Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar spel zonder iets te zeggen.Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm pakjelosdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte en wegborg. In ’t vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al heur centen voor den oude uit. Op ’t laatst werd zij te beven over heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en ’s morgens eerst gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de pikkers naar uitleg overSjob Subbel maar de kerels die hem kenden, haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen:—Wel Subbel is een oude dronkaard.Van Aga durfde Wies hun niet spreken.Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd van ’t veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top.Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn dochter nievers meer kaarten ’s avonds. Binst het werk zag hij Aga twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over ’t hof ging, maar hij kon er niet bij geraken.—Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij eindelijk, enbleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer.—’t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar.Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde thuiskomst met hun geld.Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens naar buiten vlug over ’t hof, staken de armen in de lucht en gingen welgemoed aan ’t poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer,bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot, lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar wat ze met al hun geld zouden koopen thuis.Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren naar ’t dorp. Ze zouden eerst ’s anderendaags in de vroegte vertrekken.Wies wilde nu ook van ’t verzet en hij trok welgezind mede met de bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden.’t Was maar zelden—tusschen eene vlaag van genot—dat hij het wee voeldeom den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;—maar Rommelaere’s orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde zilverpenningen op het hert.—Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden.—Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne gezondheid.—Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld, moetg’er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten ’t rollen!’t Koorn is af! ’t koorn is af!Al het koorn is af!De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. ’t Was donkernacht als z’er aan dachten naar ’t hof te keeren.Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware schoenen om de straatsteenen te gruizelen.Wij zijn gezworen kameraden..... . . . . . . . . . . . .zongen zij hier in een bende;Jongens jongens, jongens,We zijn nog niet dood,bijlange nog niet dood,’t en is geen nood,Ja, we zijn nog niet dood!ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers:’t Koorn is af, ’t koorn is àf!Al het koorn is àf!en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere’s trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat en als ’t uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen kwam overmeesteren.—De laatste nacht hier in ’t donkerkot, in ’t vreemde land! morgen opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.De groote stilte hing weer over ’t hof en ’t wijde land rondom en alle dingen sliepen.Dat leed vrij lang toen Wies aan ’t droomen ging: hij lag wakker met de oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in ’t stroo aan zijn voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En—ja, daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in’t stroo onder zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij geworden omdat ’t allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht nog,—seffens komen er mannen al uw geld stelen, ’k Heb de dieven afgeluisterd in vaders hooischuur.Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek hoe hetlanteernlichtje slingerde tegen ’t zwartsel van Aga’s kleeren.Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met geweld naar beneden duwde. Op ’t einde begon hij te twijfelen aan ’t gebeurde, ’t dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte toen alles dood en begraven lag in slaap.Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien hij met de nagels in het zand klauwde.—De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, ’t is donker, dat werd zoo dom,en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust.Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel en geraas. De pikkers vloekten en vochten in ’t donker.—Ei, ’k ben mijn geld gestolen! riep er een.—Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!—Slaat dood!De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en riep om hulp.—Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen!—Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in ’t opene aangezicht.Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen ongemerkt wegvluchten.—’k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze vermoorden ons!Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar ’t raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten.—Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren!—Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden.—Maar, sakker, nijp me niet dood,kermde Sneyer, ’t is God van den hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.Als ’t klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover.—Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.—Ik ook, ik ook, riepen anderen.Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d’hofsteê, maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten.—Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot de overheid van ’t dorp.De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in ’t wezen slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij.Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de tent om aanstonds te vertrekken.Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder ’t zand terug en de jongen wandelde zwaarmoedig over ’t hof. Hij lanterde tusschen stalling en schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden.—Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hemal heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot hij haar zou zien uitkomen. ’t Was een gedurig over en weer geloop van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief.En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop Wies achterde stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open, loerde tusschen de boomlanen en vond haar in ’t grasweidje onder de hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet.En ze zat daar zoo schoon dat ’t hem in lang nog niet verdroten zou hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij ’t best zou beleggen om haar schuchterheid niet te vervaren.Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:—Aga, fluisterde hij.Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk:—Aga, zegde hij nog eens.Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat hij haar mocht te zeggen hebben.—Aga, g’hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da’s heel goed, zegde hij ingehouden, maar ’k was zoo moe en slaperig en ’k meende dat ’t in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt.Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en:—Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het gras neerzinken.Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid door zijnhert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en ’t goede wintertij en van Rik zijn besten vriend—die nu dood is, besloot hij triestig en hij merkte hoe ’t meisje hem aan de lippen hing en gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen over den jongen die de zon hier vermoord had.—Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.—Ja zeker.—En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida, ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt?—Zeker, herzei Wies.—En nu komt hij niet naar huis, enge zult hun al dat kwade nieuws vermonden?Wies zweeg, en zij ook.Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in ’t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.—Waarom gaat ge zoo ’s nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies.—Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en ’s avonds speelt hij geern met de kaart.—Doet ge dat ook geern, Aga?—Om vaders wil, ja.—En om wat speelt ge?—Om geld.—En vader wint altijd?—Ik laat hem geern winnen.—En als gij verliest?—Dan betaal ik,—met mijn huurgeld.—En als uw vader verliest?—Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou’ ik de winste schuldig tot ik weer verlies.—En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen?—Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader kwijt,—ik durf hem niet slaan,—maar als ik verlies slaat hij me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij, en altijd voor dulsten spelen.—En wat doet uw vader met dat geld?Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te sterk was.Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo ’n schamele weerloosheid vóor hem zat.Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga’s schoot regenen. Dan stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde om de daad die hij begaan had. “Nu kanzij toch lang verliezen zonder dulsten te krijgen van haar vader,” dacht hij.—Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden.—Indien ’t de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een kinderkous! Maar ’t was nu gedaan en hij was er blij om.De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar.—Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om te winter vleesch te hebben.—Ik ben slechter, kermde Sneyer, ’tis heel mijne huishuur die gaan vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat te gooien!Pinne zat g’hertig te lachen om al dat gekerm:—Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!—En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen?—G’ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen algelijk!—Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we doen?—we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een getij in de beeten gaan werken?De andere staken den neus op.—Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de kermis te laat komen! zei er een.—’t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z’hadden me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de oksels! ha! ha!—Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg om de bestolenen rijkelijk in te staan.—Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn brood en dan zijnwe er van onder. Grijpt toe, makkers!Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met ’t overschot en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor onder weg.Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;—de anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in ’t voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers, en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze verlangden weer te zien.Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij ’t moest verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,—en dat kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.—’k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer, ’t was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.Daar kwamen zij weer in de groote stad en ’t was eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de toogramen lag.Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den rug.Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen nogbenden pikkers die meer naar oost of west van ’t werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van ’t dorp al de kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was ’t hun land dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar ’t altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden demenschen nu hier en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare die hij te vermonden had.—Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in ’t voorjaar?De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind met groote boomen—de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij kennissen op ’t land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje aan ’t pikken waren.Aan elke kruisstraat sloeg een deel vande bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.Een groote zegeschreeuw ging op.—Zie, dáar onze kerktoren!De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den grooten meitak voor de kermis.Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in ’t land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de “Meerschblomme,”in den “Koekoek”, in de “Veugelmuite” of elders.Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in ’t loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een goede lafenis door de keel.Jongens, jongens, jongens,We zijn nog niet dood.Ja ’t en is geen nood,Bijlange nog niet dood!ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten van ’t eene bierhuis naar ’t andere. Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.

Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,En op iederen hoek een groote stuit voor elk,En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,En iedereen doet zijn buiksken wel,Zeven schepkens meer of minDaarvan maken zij geen spelEn dat gaat er zachtjes in.Van de rompel de pompel de pom..... . . . . . . . . . . . .Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waarhij meende den zanger te vinden.—Ja, ’t was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:—Waarom bleef-je weer zoolang weg?En een meisjesstem die verlegen antwoordde:—’k Heb nu pas gedaan met ’t stalwerk.Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het donker; ’t moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê zoekt, dacht Wies,—maar wie mag er bij hem zijn? ’k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in ’t schemerdonker naar de ladder en met drie terden t’eenegaderklouterde hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z’het wisten: het spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in ’t hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of ’t best was voorzichtig naarzijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.—Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame doening,—bescheed durfde hij niet vragen.De oude zat op de knieën in ’t stroo met een loshangend hemd aan dat opensplette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van ’t spel. ’t Geluk bleef voor ’t meisje en ’t kind scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe oogen verlegen naarden oude op als om verschooning: dat ’t niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen: noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen wat er wel aardigs aan was.De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken, dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,—lijk bij kleine jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te laten winnen; ’t geen hemmonkelendeed zoodat zijn dunne lippen over den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes loensch op als ze ’t niet merkte en zijn bevende hand foefelde met een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen.—’t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen.’t Meisje raapte ’t spel op, trok de beenen recht, en ging zonder spreken.—Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in.De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het:—Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb gehoord hoe ge ons liedjes zingt.De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken.—Kent ge Sjob Subbel?—zijt ge hier komen pikken?—Ik ben een oude pikker. Van waar zijt ge?Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde.—Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel goed kende.—Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies.—Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha, ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest, en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn, mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open over zijn zwarte mondholte.—Veertig zomers, jongen, heb ik hierin den oogst gewrocht, maar nu is ’t uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer.—Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen, dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor hem zat.—Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij.—Ho, ’k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen,lachteSjob. Men kan overal wel zijn waar men ’t wel maakt. In den tijde verlangde en haakte ik omweer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da’s allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.—En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen.—Ha! da’s mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond niet.—Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.—Kent ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob moest het ook al bijsleuren en ’t waren geen vette brokken, hoor. Met werken alleen ging het niet: ’s winters moesten ze wel soms de duimen zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;—maar ’s zomers was ’t goed, de jongens scharrelden wat bij op ’t land en ikreisde uit gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor een pot schuimend bier! ’t Was heel hard gewonnen en gauw verteerd, maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden met Koolie den boomsnoeier,—dat wist ik van de gebuurs—en als ik het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij:—Dan heb ik gekennist met een nieuwwijf, hier in ’t hof—en die is dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in mijn eenigheid.Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in ’t donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel door zijn hoofd speelde.’s Anderendaags bij ’t werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens van den donkeren haverdilte, en over ’t hof lonkte hij benieuwd rond om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als ’t donker werd sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,—daar ook was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog moest hijnaar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op ’t einde ging hij ’s avonds in de andere schuren zoeken en ’t gelukte dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter ’t hof.—Zie, Aga, da’s een jongen uit mijne streek, zegde Sjob.Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar spel zonder iets te zeggen.Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm pakjelosdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte en wegborg. In ’t vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al heur centen voor den oude uit. Op ’t laatst werd zij te beven over heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en ’s morgens eerst gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de pikkers naar uitleg overSjob Subbel maar de kerels die hem kenden, haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen:—Wel Subbel is een oude dronkaard.Van Aga durfde Wies hun niet spreken.Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd van ’t veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top.Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn dochter nievers meer kaarten ’s avonds. Binst het werk zag hij Aga twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over ’t hof ging, maar hij kon er niet bij geraken.—Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij eindelijk, enbleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer.—’t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar.Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde thuiskomst met hun geld.Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens naar buiten vlug over ’t hof, staken de armen in de lucht en gingen welgemoed aan ’t poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer,bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot, lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar wat ze met al hun geld zouden koopen thuis.Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren naar ’t dorp. Ze zouden eerst ’s anderendaags in de vroegte vertrekken.Wies wilde nu ook van ’t verzet en hij trok welgezind mede met de bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden.’t Was maar zelden—tusschen eene vlaag van genot—dat hij het wee voeldeom den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;—maar Rommelaere’s orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde zilverpenningen op het hert.—Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden.—Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne gezondheid.—Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld, moetg’er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten ’t rollen!’t Koorn is af! ’t koorn is af!Al het koorn is af!De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. ’t Was donkernacht als z’er aan dachten naar ’t hof te keeren.Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware schoenen om de straatsteenen te gruizelen.Wij zijn gezworen kameraden..... . . . . . . . . . . . .zongen zij hier in een bende;Jongens jongens, jongens,We zijn nog niet dood,bijlange nog niet dood,’t en is geen nood,Ja, we zijn nog niet dood!ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers:’t Koorn is af, ’t koorn is àf!Al het koorn is àf!en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere’s trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat en als ’t uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen kwam overmeesteren.—De laatste nacht hier in ’t donkerkot, in ’t vreemde land! morgen opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.De groote stilte hing weer over ’t hof en ’t wijde land rondom en alle dingen sliepen.Dat leed vrij lang toen Wies aan ’t droomen ging: hij lag wakker met de oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in ’t stroo aan zijn voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En—ja, daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in’t stroo onder zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij geworden omdat ’t allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht nog,—seffens komen er mannen al uw geld stelen, ’k Heb de dieven afgeluisterd in vaders hooischuur.Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek hoe hetlanteernlichtje slingerde tegen ’t zwartsel van Aga’s kleeren.Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met geweld naar beneden duwde. Op ’t einde begon hij te twijfelen aan ’t gebeurde, ’t dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte toen alles dood en begraven lag in slaap.Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien hij met de nagels in het zand klauwde.—De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, ’t is donker, dat werd zoo dom,en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust.Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel en geraas. De pikkers vloekten en vochten in ’t donker.—Ei, ’k ben mijn geld gestolen! riep er een.—Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!—Slaat dood!De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en riep om hulp.—Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen!—Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in ’t opene aangezicht.Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen ongemerkt wegvluchten.—’k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze vermoorden ons!Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar ’t raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten.—Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren!—Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden.—Maar, sakker, nijp me niet dood,kermde Sneyer, ’t is God van den hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.Als ’t klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover.—Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.—Ik ook, ik ook, riepen anderen.Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d’hofsteê, maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten.—Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot de overheid van ’t dorp.De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in ’t wezen slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij.Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de tent om aanstonds te vertrekken.Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder ’t zand terug en de jongen wandelde zwaarmoedig over ’t hof. Hij lanterde tusschen stalling en schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden.—Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hemal heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot hij haar zou zien uitkomen. ’t Was een gedurig over en weer geloop van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief.En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop Wies achterde stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open, loerde tusschen de boomlanen en vond haar in ’t grasweidje onder de hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet.En ze zat daar zoo schoon dat ’t hem in lang nog niet verdroten zou hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij ’t best zou beleggen om haar schuchterheid niet te vervaren.Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:—Aga, fluisterde hij.Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk:—Aga, zegde hij nog eens.Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat hij haar mocht te zeggen hebben.—Aga, g’hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da’s heel goed, zegde hij ingehouden, maar ’k was zoo moe en slaperig en ’k meende dat ’t in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt.Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en:—Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het gras neerzinken.Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid door zijnhert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en ’t goede wintertij en van Rik zijn besten vriend—die nu dood is, besloot hij triestig en hij merkte hoe ’t meisje hem aan de lippen hing en gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen over den jongen die de zon hier vermoord had.—Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.—Ja zeker.—En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida, ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt?—Zeker, herzei Wies.—En nu komt hij niet naar huis, enge zult hun al dat kwade nieuws vermonden?Wies zweeg, en zij ook.Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in ’t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.—Waarom gaat ge zoo ’s nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies.—Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en ’s avonds speelt hij geern met de kaart.—Doet ge dat ook geern, Aga?—Om vaders wil, ja.—En om wat speelt ge?—Om geld.—En vader wint altijd?—Ik laat hem geern winnen.—En als gij verliest?—Dan betaal ik,—met mijn huurgeld.—En als uw vader verliest?—Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou’ ik de winste schuldig tot ik weer verlies.—En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen?—Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader kwijt,—ik durf hem niet slaan,—maar als ik verlies slaat hij me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij, en altijd voor dulsten spelen.—En wat doet uw vader met dat geld?Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te sterk was.Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo ’n schamele weerloosheid vóor hem zat.Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga’s schoot regenen. Dan stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde om de daad die hij begaan had. “Nu kanzij toch lang verliezen zonder dulsten te krijgen van haar vader,” dacht hij.—Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden.—Indien ’t de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een kinderkous! Maar ’t was nu gedaan en hij was er blij om.De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar.—Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om te winter vleesch te hebben.—Ik ben slechter, kermde Sneyer, ’tis heel mijne huishuur die gaan vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat te gooien!Pinne zat g’hertig te lachen om al dat gekerm:—Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!—En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen?—G’ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen algelijk!—Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we doen?—we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een getij in de beeten gaan werken?De andere staken den neus op.—Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de kermis te laat komen! zei er een.—’t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z’hadden me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de oksels! ha! ha!—Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg om de bestolenen rijkelijk in te staan.—Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn brood en dan zijnwe er van onder. Grijpt toe, makkers!Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met ’t overschot en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor onder weg.Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;—de anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in ’t voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers, en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze verlangden weer te zien.Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij ’t moest verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,—en dat kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.—’k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer, ’t was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.Daar kwamen zij weer in de groote stad en ’t was eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de toogramen lag.Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den rug.Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen nogbenden pikkers die meer naar oost of west van ’t werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van ’t dorp al de kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was ’t hun land dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar ’t altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden demenschen nu hier en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare die hij te vermonden had.—Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in ’t voorjaar?De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind met groote boomen—de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij kennissen op ’t land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje aan ’t pikken waren.Aan elke kruisstraat sloeg een deel vande bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.Een groote zegeschreeuw ging op.—Zie, dáar onze kerktoren!De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den grooten meitak voor de kermis.Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in ’t land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de “Meerschblomme,”in den “Koekoek”, in de “Veugelmuite” of elders.Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in ’t loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een goede lafenis door de keel.Jongens, jongens, jongens,We zijn nog niet dood.Ja ’t en is geen nood,Bijlange nog niet dood!ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten van ’t eene bierhuis naar ’t andere. Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.

Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,En op iederen hoek een groote stuit voor elk,En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,En iedereen doet zijn buiksken wel,Zeven schepkens meer of minDaarvan maken zij geen spelEn dat gaat er zachtjes in.Van de rompel de pompel de pom..... . . . . . . . . . . . .

Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,

En op iederen hoek een groote stuit voor elk,

En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,

Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,

En iedereen doet zijn buiksken wel,

Zeven schepkens meer of min

Daarvan maken zij geen spel

En dat gaat er zachtjes in.

Van de rompel de pompel de pom....

. . . . . . . . . . . . .

Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waarhij meende den zanger te vinden.—Ja, ’t was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:

—Waarom bleef-je weer zoolang weg?

En een meisjesstem die verlegen antwoordde:

—’k Heb nu pas gedaan met ’t stalwerk.

Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het donker; ’t moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê zoekt, dacht Wies,—maar wie mag er bij hem zijn? ’k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in ’t schemerdonker naar de ladder en met drie terden t’eenegaderklouterde hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z’het wisten: het spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in ’t hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.

Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of ’t best was voorzichtig naarzijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.

—Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame doening,—bescheed durfde hij niet vragen.

De oude zat op de knieën in ’t stroo met een loshangend hemd aan dat opensplette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van ’t spel. ’t Geluk bleef voor ’t meisje en ’t kind scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe oogen verlegen naarden oude op als om verschooning: dat ’t niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.

Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen: noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen wat er wel aardigs aan was.

De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken, dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.

Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,—lijk bij kleine jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te laten winnen; ’t geen hemmonkelendeed zoodat zijn dunne lippen over den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes loensch op als ze ’t niet merkte en zijn bevende hand foefelde met een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.

Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen.

—’t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen.

’t Meisje raapte ’t spel op, trok de beenen recht, en ging zonder spreken.

—Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in.

De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het:

—Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb gehoord hoe ge ons liedjes zingt.

De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken.

—Kent ge Sjob Subbel?—zijt ge hier komen pikken?—Ik ben een oude pikker. Van waar zijt ge?

Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde.

—Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel goed kende.

—Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies.

—Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha, ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest, en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn, mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open over zijn zwarte mondholte.

—Veertig zomers, jongen, heb ik hierin den oogst gewrocht, maar nu is ’t uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer.

—Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen, dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor hem zat.

—Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij.

—Ho, ’k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen,lachteSjob. Men kan overal wel zijn waar men ’t wel maakt. In den tijde verlangde en haakte ik omweer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da’s allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.

—En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen.

—Ha! da’s mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond niet.

—Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.—Kent ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob moest het ook al bijsleuren en ’t waren geen vette brokken, hoor. Met werken alleen ging het niet: ’s winters moesten ze wel soms de duimen zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;—maar ’s zomers was ’t goed, de jongens scharrelden wat bij op ’t land en ikreisde uit gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor een pot schuimend bier! ’t Was heel hard gewonnen en gauw verteerd, maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden met Koolie den boomsnoeier,—dat wist ik van de gebuurs—en als ik het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij:

—Dan heb ik gekennist met een nieuwwijf, hier in ’t hof—en die is dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in mijn eenigheid.

Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in ’t donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel door zijn hoofd speelde.

’s Anderendaags bij ’t werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens van den donkeren haverdilte, en over ’t hof lonkte hij benieuwd rond om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als ’t donker werd sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,—daar ook was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog moest hijnaar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op ’t einde ging hij ’s avonds in de andere schuren zoeken en ’t gelukte dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter ’t hof.

—Zie, Aga, da’s een jongen uit mijne streek, zegde Sjob.

Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar spel zonder iets te zeggen.

Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm pakjelosdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte en wegborg. In ’t vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al heur centen voor den oude uit. Op ’t laatst werd zij te beven over heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en ’s morgens eerst gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de pikkers naar uitleg overSjob Subbel maar de kerels die hem kenden, haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen:

—Wel Subbel is een oude dronkaard.

Van Aga durfde Wies hun niet spreken.

Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd van ’t veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top.

Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn dochter nievers meer kaarten ’s avonds. Binst het werk zag hij Aga twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over ’t hof ging, maar hij kon er niet bij geraken.

—Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij eindelijk, enbleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer.

—’t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar.

Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde thuiskomst met hun geld.

Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens naar buiten vlug over ’t hof, staken de armen in de lucht en gingen welgemoed aan ’t poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer,bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot, lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar wat ze met al hun geld zouden koopen thuis.

Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren naar ’t dorp. Ze zouden eerst ’s anderendaags in de vroegte vertrekken.

Wies wilde nu ook van ’t verzet en hij trok welgezind mede met de bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden.

’t Was maar zelden—tusschen eene vlaag van genot—dat hij het wee voeldeom den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;—maar Rommelaere’s orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde zilverpenningen op het hert.

—Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden.

—Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne gezondheid.

—Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld, moetg’er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten ’t rollen!

’t Koorn is af! ’t koorn is af!Al het koorn is af!

’t Koorn is af! ’t koorn is af!

Al het koorn is af!

De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. ’t Was donkernacht als z’er aan dachten naar ’t hof te keeren.

Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware schoenen om de straatsteenen te gruizelen.

Wij zijn gezworen kameraden..... . . . . . . . . . . . .

Wij zijn gezworen kameraden....

. . . . . . . . . . . . .

zongen zij hier in een bende;

Jongens jongens, jongens,We zijn nog niet dood,bijlange nog niet dood,’t en is geen nood,Ja, we zijn nog niet dood!

Jongens jongens, jongens,

We zijn nog niet dood,

bijlange nog niet dood,

’t en is geen nood,

Ja, we zijn nog niet dood!

ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers:

’t Koorn is af, ’t koorn is àf!Al het koorn is àf!

’t Koorn is af, ’t koorn is àf!

Al het koorn is àf!

en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere’s trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat en als ’t uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen kwam overmeesteren.

—De laatste nacht hier in ’t donkerkot, in ’t vreemde land! morgen opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.

De groote stilte hing weer over ’t hof en ’t wijde land rondom en alle dingen sliepen.

Dat leed vrij lang toen Wies aan ’t droomen ging: hij lag wakker met de oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in ’t stroo aan zijn voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En—ja, daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in’t stroo onder zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond, zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij geworden omdat ’t allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.

Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:

Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht nog,—seffens komen er mannen al uw geld stelen, ’k Heb de dieven afgeluisterd in vaders hooischuur.

Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek hoe hetlanteernlichtje slingerde tegen ’t zwartsel van Aga’s kleeren.

Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met geweld naar beneden duwde. Op ’t einde begon hij te twijfelen aan ’t gebeurde, ’t dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte toen alles dood en begraven lag in slaap.

Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien hij met de nagels in het zand klauwde.

—De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, ’t is donker, dat werd zoo dom,en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust.

Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel en geraas. De pikkers vloekten en vochten in ’t donker.

—Ei, ’k ben mijn geld gestolen! riep er een.

—Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!

—Slaat dood!

De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en riep om hulp.

—Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen!

—Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in ’t opene aangezicht.

Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen ongemerkt wegvluchten.

—’k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze vermoorden ons!

Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar ’t raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten.

—Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren!

—Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden.

—Maar, sakker, nijp me niet dood,kermde Sneyer, ’t is God van den hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.

Als ’t klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover.

—Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.

—Ik ook, ik ook, riepen anderen.

Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d’hofsteê, maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten.

—Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot de overheid van ’t dorp.

De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in ’t wezen slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij.

Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de tent om aanstonds te vertrekken.

Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder ’t zand terug en de jongen wandelde zwaarmoedig over ’t hof. Hij lanterde tusschen stalling en schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden.

—Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hemal heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot hij haar zou zien uitkomen. ’t Was een gedurig over en weer geloop van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief.

En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop Wies achterde stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open, loerde tusschen de boomlanen en vond haar in ’t grasweidje onder de hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet.

En ze zat daar zoo schoon dat ’t hem in lang nog niet verdroten zou hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij ’t best zou beleggen om haar schuchterheid niet te vervaren.

Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:

—Aga, fluisterde hij.

Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.

Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk:

—Aga, zegde hij nog eens.

Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat hij haar mocht te zeggen hebben.

—Aga, g’hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da’s heel goed, zegde hij ingehouden, maar ’k was zoo moe en slaperig en ’k meende dat ’t in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt.

Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en:

—Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het gras neerzinken.

Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid door zijnhert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en ’t goede wintertij en van Rik zijn besten vriend—die nu dood is, besloot hij triestig en hij merkte hoe ’t meisje hem aan de lippen hing en gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen over den jongen die de zon hier vermoord had.

—Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.

—Ja zeker.

—En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida, ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt?

—Zeker, herzei Wies.

—En nu komt hij niet naar huis, enge zult hun al dat kwade nieuws vermonden?

Wies zweeg, en zij ook.

Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in ’t bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.

—Waarom gaat ge zoo ’s nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies.

—Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en ’s avonds speelt hij geern met de kaart.

—Doet ge dat ook geern, Aga?

—Om vaders wil, ja.

—En om wat speelt ge?

—Om geld.

—En vader wint altijd?

—Ik laat hem geern winnen.

—En als gij verliest?

—Dan betaal ik,—met mijn huurgeld.

—En als uw vader verliest?

—Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou’ ik de winste schuldig tot ik weer verlies.

—En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen?

—Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader kwijt,—ik durf hem niet slaan,—maar als ik verlies slaat hij me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij, en altijd voor dulsten spelen.

—En wat doet uw vader met dat geld?

Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te sterk was.

Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo ’n schamele weerloosheid vóor hem zat.

Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga’s schoot regenen. Dan stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde om de daad die hij begaan had. “Nu kanzij toch lang verliezen zonder dulsten te krijgen van haar vader,” dacht hij.

—Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden.

—Indien ’t de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een kinderkous! Maar ’t was nu gedaan en hij was er blij om.

De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar.

—Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om te winter vleesch te hebben.

—Ik ben slechter, kermde Sneyer, ’tis heel mijne huishuur die gaan vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat te gooien!

Pinne zat g’hertig te lachen om al dat gekerm:

—Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!

—En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen?

—G’ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen algelijk!

—Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we doen?—we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een getij in de beeten gaan werken?

De andere staken den neus op.

—Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de kermis te laat komen! zei er een.

—’t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z’hadden me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de oksels! ha! ha!

—Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg om de bestolenen rijkelijk in te staan.

—Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn brood en dan zijnwe er van onder. Grijpt toe, makkers!

Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met ’t overschot en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor onder weg.

Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;—de anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in ’t voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers, en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze verlangden weer te zien.

Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij ’t moest verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,—en dat kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.

—’k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.

De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.

Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer, ’t was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.

Daar kwamen zij weer in de groote stad en ’t was eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de toogramen lag.

Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den rug.

Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen nogbenden pikkers die meer naar oost of west van ’t werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van ’t dorp al de kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.

Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was ’t hun land dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar ’t altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden demenschen nu hier en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare die hij te vermonden had.

—Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in ’t voorjaar?

De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind met groote boomen—de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij kennissen op ’t land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje aan ’t pikken waren.

Aan elke kruisstraat sloeg een deel vande bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.

Een groote zegeschreeuw ging op.

—Zie, dáar onze kerktoren!

De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den grooten meitak voor de kermis.

Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in ’t land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de “Meerschblomme,”in den “Koekoek”, in de “Veugelmuite” of elders.

Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in ’t loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een goede lafenis door de keel.

Jongens, jongens, jongens,We zijn nog niet dood.Ja ’t en is geen nood,Bijlange nog niet dood!

Jongens, jongens, jongens,

We zijn nog niet dood.

Ja ’t en is geen nood,

Bijlange nog niet dood!

ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten van ’t eene bierhuis naar ’t andere. Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.


Back to IndexNext