De Pleegzoon.Eerste Hoofdstuk.Ghy die by vreemde lieden koomt,Het is u nut te sijn beschroomt.Cats.Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin ’s bruids Vader ten hove stond, de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van ’s Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen.Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein,en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken toestand achtergelaten.Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en doorhun lijfknechten vergezeld, het vorstelijk ’s-Gravenhage verlieten, om zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk en zoowel aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre echter onderscheiden, als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg een zwart fluweelen buis, dicht aan het lijf gesloten en reikend tot aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, als het ware omzoomd was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk ook op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide broek, mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven de knie, waar de met goud geborduurde banden haar van de lange bruine hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, van binnen met rood leder voorziene en met zware gouden franjes omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, met gouden knoppen bezet, hing een lang rapier met verguld gevest: de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder zwierde een zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den toenmaligen smaak, als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels opwaarts stonden: in één woord, de gansche kleedij was volgens de laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: de Graaf, die het bevel voerde over een bende Kleefsche ruiters, toenHanevederengenaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart des morgenwekkers ontrukt1.Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte hoed was van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos hing van achteren af: deradiusvan den kraag was twee duimen te klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken zijner waardigheid, was een weinig verschoten van kleur, doch de stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door de zorgen van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn kleedij. De sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante eener slang tot aan den rand der laars op; en reeds rinkinkte in die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld kort geleden had ingevoerd. Bij het uitrijden van het Haagsche Bosch, verzocht de Graaf zijn vriendden draf voor het stappen te verruilen, daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich aldaar voor het aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de beide vrienden het volgende gesprek.“Hebt gij,” vroeg Falckestein, “in de laatste dagen eenige tijding van uwe Huisvrouw bekomen?”“Ja,” antwoordde Reede, “doch die was weinig geruststellend. Ik ben eenigszins over haar toestand bekommerd!”“Gij hebt toch,” hernam Falckestein op een goedhartigen toon, “geen bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin zij zich bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn altijd geruststellend.”“Ik weet het,” zeide Reede: “dan, bij de ongemakken, aan dien staat verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, dat haar gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal kunnen worden weggenomen.”“En welk hartzeer,” vroeg zijn vriend, “kan haar kwellen? Zij is jong, geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden aan den man, dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar wenschen te bevredigen.”“Ach! het is juist dat laatste,” zeide de Heer van Sonheuvel: “zij had mij nooit moeten trouwen!”“Gij spreekt raadsels, beste vriend!”“Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne vrouw geworden tegen den wil haars vaders.”Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring te doen blijken. Reede ging voort:“En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne volle nicht is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne Protestant was: na den dood zijner gade koos hij den geestelijken stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën verbannen werd. Hij vertrok van hier: mijn vader, de natuurlijke voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een niet onnatuurlijke zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, mij aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria iets van haar vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: zij stemde in mijn verlangen en werd mijne vrouw. Niet lang daarna overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur een brief van den haren, een brief, dien ik nooit gezien had, waarin deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen zijn dochter en mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teedergestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen.”“Waarlijk,” zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond hebben gelegd, en ’t welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te kunnen daarlaten), had geëindigd: “waarlijk ik beklaag haar van harte.”“Ja,” zeide Reede, “ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw betrouwd heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem dat alles maar sturen, of mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, door zijn vertrek en afval van ons geloof, heeft afgezien?”“Mij dunkt,” antwoordde Falckestein, “het blijft onbetwistbaar zijn eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, wat hem behoort, terug te geven.”“En dat zal ik doen,” bromde Reede, “zoodra ik maar weet, waar hij zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland dan wel in Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in weerwil van ’t geen mijn advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, alles te houden; want, zegt hij, ’t gaat toch maar aan vreemde papen en conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd geloof, zegt hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze ’t anders meende, weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... wat duivel zeide hij toch?”.... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen duim en wijsvinger, terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette vervolgens den hoed weder op, bracht de hand voorwaarts, rolde zich den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen achtereen: “ja, wat duivel zeide hij toch?”Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken stil; doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn paard zoo strak tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar geschreven stond, zocht hij een wending aan het gesprek te geven, door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, huizinge of hofstede, welke, tusschen zware lindeboomen, een eind verder aan den weg gelegen was.“Dat erf heeft een gelukkige ligging,” merkte hij aan.“Gelukkig!” riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: “dat erf is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en geslecht worden.”“Dat zou jammer zijn!” zeide Falckestein glimlachende: “en waarom dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?”“De bewoner is mij, Goddank! onbekend,” antwoordde Reede, den hoed aflichtende: “en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch het erf zelf wordt gemeenlijk deKatholieke Hofstedegenaamd.”“En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?” vroeg Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends had.“Op dat erf,” vervolgde Reede, “zegt men, dat somtijds Jezuïeten vergaderen en, ’t welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn Excellentie.”“Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje gegrond?”“Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben.”“Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend hebben,” viel de Graaf in, “want het zou geen Jezuïetenpolitiek geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:—voorwaar groote gelaatkundigen!—Nu, ik wenschte wel, eens eenige van die Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, of zij hun hoedanigheden op ’t voorhoofd geschreven ronddragen.”Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe steenen, dat naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde huisjes met blauwe dakpannen bestond: de gevels liepen trapsgewijze op, naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, en nog meestal met planken dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was er van den rijweg geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een enkele vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, die hun schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon verwaarloosd uitzien.Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf op het weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. Zoodra Falckestein deze lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich meteen beklagende, dat hij hen niet in ’t aangezicht zien konde, om zijn gelaatkunde te beproeven. “Daartoe zal u de gelegenheid verschaft worden,” antwoordde Reede: “hun pad brengt hen op den rijweg en indien zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik mij die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge.”Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren zag, en wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgdezijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, op den rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen en sloegen op de onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De achterste der twee (want zij liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, had een ongemeen groot hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger was een man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis of onthouding,zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik, zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten bij den beschouwer een onaangenamen indruk achter.“Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt,” fluisterde Falckestein zijn vriend in ’t oor: “de achterste heeft veel van een beurzenknipper en de voorste van een struikroover.”“Vindt gij?” vroeg Reede: “ik weet niet, maar ik heb die gezichten meer gezien.”Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, dat hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze nieuwe vraag deed:“Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?”“Vermoedelijk ja.”“Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in ’s-Hage bleef om de groote zaken af te handelen, die met den Aartshertog op ’t tapijt zijn.””’t Is ook mogelijk.”“Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn Excellentie komen zal?” vervolgde de lastige vrager.”’t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!”Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin.Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te worden en het gelaat afwendde.“Zoo ik mij niet bedrieg,” vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan den onbekende, “heb ik u laatstleden Zondag in ’s-Hage gezien bij het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had.”Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: “jawel, Uwe Edelheid! ik ben daar geweest.”“Uitmuntend!” hervatte Reede “en weet ge u ook het hoofdzakelijke te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een punt te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor,” voegde hij er bij, zich hervattende, “dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert heeft aangeroerd.”“Hij predikte,” antwoordde de bleeke vreemdeling, “uit Genesis XXXI vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden haars vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden is aan afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht op het bezit daarvan.”“Het verwondert mij,” zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl hij Reede scherp aanzag, “dat UEd. mijn makker die vraag doet. Of UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. mede onder Domini Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten.”Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. “Ik zeide niet,” merkte hij aan, “dat ik er niet was geweest; ook herinner ik mij hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, hetgeen de Predikant in het slot zijner rede meer bepaaldelijk gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en afgodendienaars, omtrent....”“Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest,” antwoordde de lange man. “Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, ook jegens papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch zich met draaierijen behelpen, al moest het waarheid spreken ons beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten Psalm, het tweede vers.” En hierop begon de vreemdeling, met een zware stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen:“Wat kan de valsche tonge stichten?Wat kan de leugenaar uytrichten?Wat sullen syn listige zinnenEn valsche tonge toch gewinnen?”Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, volstandig doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn fatsoen door een langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein voorstelde, die lastige landlieden te ontrijden. Nauwelijks waren zij een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: “Ik wensch dat UEd. de preek van hedenmorgen beter dan die der vorige week onthouden moge.”Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein, die begreep dat zijn vriend zich te veel hadafgegeven, hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man scheen echter den aanval van Reede bedaard af te wachten, en had bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg zag vervolgen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en stapte bedaard verder.Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden: alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door een bijzondere bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te bevinden.De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; doch hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, door een der omstanders in ’t oor geblazen, “of hij namelijk de preek zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige week.” Driftig zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man met het zwarte haar, de vreemdeling uit deKatholieke Hofstede, was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte.1Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft,coquardes.Tweede Hoofdstuk.Ben ik de beste dan,Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.Vondel, Palamedes.Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury’s, de prachtige landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven elkander aaneengeschakeld achtervolgen:—doch men zag er ook niet meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, van Teylingen, van Heemstede en vanzoovele andere heerlijkheden, die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, op kostbare paarden heen en weder dravend:—de oude weelde was verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven.De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren: de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan, om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam de baasmet eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken; doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het, eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, ’t welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet, waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, ’t zij door de onhandigheid van den smid, ’t zij omdat het arme dier een stuk glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut vermoeien wilde en echter niet te laat in ’s-Hage wenschte te zijn, zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde, om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen werd. Het geluk diende hem zoo ’t scheen, in zijn nasporing: want bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op ’t oog, om hem een goed onthaal te beloven. Schoon hij het bij ’t naderen voor de Katholieke Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond, groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis stond, oefende voor ’t eerst eenigen invloed op hem uit: ’t was of een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje, hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten, als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen te voren op den weg naar Leiden dedoor ons verhaalde ontmoeting had gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij geen aandacht te slaan.Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat gaven: “neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze geheele reis onnut en de kosten in ’t water gesmeten. Zoo ik wel onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar ’t leger, en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om hem dáár te treffen.”“Welnu,” zeide diegene, welke de stool aanhad, “Panne is immers bereid om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren: de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen, en hoe hem, in het rijk van ’t licht gekomen, de glorierijke kroon werd opgezet.”“Dat alles weet hij,” viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, “en nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe ging het laatst in de kerk te ’s-Hage? De kans stond schoon: de Graaf zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in ’t leger; doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, en omdat toevallig Panne aan ’t eind van die streep zit, zoo pakt die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen.”“Ik hoop,” sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, “dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid,die mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar, die den ketter Willem van Nassau doodschoot!”—Dit gezegd hebbende, sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.“Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?” vroeg nu een der anderen aan den langen man; “gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!”“Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior,” gaf Eugenio ten antwoord: “en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras door Europa weergalmen: “zij is gevallen, die groote Hoer, die op de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer der gerechtigheid.””Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla fornic ati sunt,1gelijk de Schrift zegt,” voegde Broeder Melchior er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.“Hebt gij, Broeder Eugenio!” vroeg nu de vierde der aanzittenden, “volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal2te doen profeteeren?”“Ik ben van gedachten veranderd,” antwoordde Broeder Eugenio: “vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in ’t algemeen; doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles voor haar rekening krijgt en,”.... hier begon hij, eensklaps op Panne wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen.Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van ’t leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben, dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen,verliet hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen, lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden stil, en de Ritmeester reed verbaasd naarFalckesteinterug.....“Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en bij dat Satansch erf?”“Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden.”“Gij spreekt raadsels.”“Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!”—Hier vertelde hij hun in weinige woorden ’t geen hem was voorgekomen.“En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst bedekken?” zeide Reede, op de tanden knersende: “wij zullen hun dat afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!”“Voorzichtig om ’s hemels wil, of gij bederft alles,” zeide Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden terughoudende; “gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?”“Met sabel en pistolen.”“En uw bediende?”“Zooals ik: nietwaar Bouke?”“Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, en men moet huilen met....”“Houd den mond met uw spreekwoorden,” grauwde Reede hem toe, terwijl hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.“En nu,” zeide Falckestein: “hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer, en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil.”“Ja,” viel Bouke in, “tot zooverre is ’t goed. Overleg is ’t halve werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden, vooral als zij zich verweren....”“Praatjes!” mompelde Reede: “wij nemen de toomen onzer paarden.”“En onze paarden loopen haroet,” zeide Bouke.“Die jonkman heeft gelijk,” sprak Falckestein: “het ware misschien beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen.”“Mij dunkt,” zeide Bouke, “dat ik daarginds een deur hoor opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên.”“Dat vervloekte talmen!” riep de heer van Sonheuvel en snelde in drift de plank over die naar het erf geleidde.Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet, gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen het huis uit. “Redt u,” zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: “redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot wel overspringen.”De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond klonk nu het bevel: “geef u over, of gij zijt een kind des doods!”“Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?” vroeg Eugenio: “zijt gij roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend dit erf binnendringt?”“Het voegt u wel dus te spreken,” brulde Reede: “vervloekte Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet.”“Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje.” Dus sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren door en wierp den vederhoed in ’t gras.“Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang,” zeide Falckestein, hem met zijn degen in de zijde kwetsende.“En dat is voor u,” grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht, dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: “denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet herinneren kunt.”“Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren,” schreeuwde Reede, zijn tweede pistool op hem losbrandende.“Die is raak!” riep Eugenio: “van elk een wond;sed ultio dabitur septuagies septies,3als de Schrift zegt.”—Met dezewoorden reed hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: “ja kereltje, zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad ontmoet: ’t is alle dagen geen vastenavond!” enz.Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden; dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt, dat de in ’t begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had, was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich weggehaald te hebben.Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk opgehouden en den eigenaars teruggegeven.Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200 £vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd, alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior, een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de plaats der bijeenkomsten gediend.Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze laatste op het schavot groot berouw.1Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.2Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.3Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.
De Pleegzoon.Eerste Hoofdstuk.Ghy die by vreemde lieden koomt,Het is u nut te sijn beschroomt.Cats.Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin ’s bruids Vader ten hove stond, de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van ’s Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen.Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein,en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken toestand achtergelaten.Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en doorhun lijfknechten vergezeld, het vorstelijk ’s-Gravenhage verlieten, om zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk en zoowel aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre echter onderscheiden, als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg een zwart fluweelen buis, dicht aan het lijf gesloten en reikend tot aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, als het ware omzoomd was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk ook op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide broek, mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven de knie, waar de met goud geborduurde banden haar van de lange bruine hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, van binnen met rood leder voorziene en met zware gouden franjes omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, met gouden knoppen bezet, hing een lang rapier met verguld gevest: de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder zwierde een zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den toenmaligen smaak, als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels opwaarts stonden: in één woord, de gansche kleedij was volgens de laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: de Graaf, die het bevel voerde over een bende Kleefsche ruiters, toenHanevederengenaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart des morgenwekkers ontrukt1.Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte hoed was van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos hing van achteren af: deradiusvan den kraag was twee duimen te klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken zijner waardigheid, was een weinig verschoten van kleur, doch de stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door de zorgen van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn kleedij. De sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante eener slang tot aan den rand der laars op; en reeds rinkinkte in die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld kort geleden had ingevoerd. Bij het uitrijden van het Haagsche Bosch, verzocht de Graaf zijn vriendden draf voor het stappen te verruilen, daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich aldaar voor het aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de beide vrienden het volgende gesprek.“Hebt gij,” vroeg Falckestein, “in de laatste dagen eenige tijding van uwe Huisvrouw bekomen?”“Ja,” antwoordde Reede, “doch die was weinig geruststellend. Ik ben eenigszins over haar toestand bekommerd!”“Gij hebt toch,” hernam Falckestein op een goedhartigen toon, “geen bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin zij zich bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn altijd geruststellend.”“Ik weet het,” zeide Reede: “dan, bij de ongemakken, aan dien staat verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, dat haar gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal kunnen worden weggenomen.”“En welk hartzeer,” vroeg zijn vriend, “kan haar kwellen? Zij is jong, geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden aan den man, dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar wenschen te bevredigen.”“Ach! het is juist dat laatste,” zeide de Heer van Sonheuvel: “zij had mij nooit moeten trouwen!”“Gij spreekt raadsels, beste vriend!”“Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne vrouw geworden tegen den wil haars vaders.”Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring te doen blijken. Reede ging voort:“En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne volle nicht is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne Protestant was: na den dood zijner gade koos hij den geestelijken stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën verbannen werd. Hij vertrok van hier: mijn vader, de natuurlijke voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een niet onnatuurlijke zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, mij aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria iets van haar vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: zij stemde in mijn verlangen en werd mijne vrouw. Niet lang daarna overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur een brief van den haren, een brief, dien ik nooit gezien had, waarin deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen zijn dochter en mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teedergestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen.”“Waarlijk,” zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond hebben gelegd, en ’t welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te kunnen daarlaten), had geëindigd: “waarlijk ik beklaag haar van harte.”“Ja,” zeide Reede, “ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw betrouwd heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem dat alles maar sturen, of mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, door zijn vertrek en afval van ons geloof, heeft afgezien?”“Mij dunkt,” antwoordde Falckestein, “het blijft onbetwistbaar zijn eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, wat hem behoort, terug te geven.”“En dat zal ik doen,” bromde Reede, “zoodra ik maar weet, waar hij zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland dan wel in Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in weerwil van ’t geen mijn advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, alles te houden; want, zegt hij, ’t gaat toch maar aan vreemde papen en conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd geloof, zegt hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze ’t anders meende, weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... wat duivel zeide hij toch?”.... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen duim en wijsvinger, terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette vervolgens den hoed weder op, bracht de hand voorwaarts, rolde zich den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen achtereen: “ja, wat duivel zeide hij toch?”Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken stil; doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn paard zoo strak tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar geschreven stond, zocht hij een wending aan het gesprek te geven, door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, huizinge of hofstede, welke, tusschen zware lindeboomen, een eind verder aan den weg gelegen was.“Dat erf heeft een gelukkige ligging,” merkte hij aan.“Gelukkig!” riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: “dat erf is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en geslecht worden.”“Dat zou jammer zijn!” zeide Falckestein glimlachende: “en waarom dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?”“De bewoner is mij, Goddank! onbekend,” antwoordde Reede, den hoed aflichtende: “en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch het erf zelf wordt gemeenlijk deKatholieke Hofstedegenaamd.”“En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?” vroeg Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends had.“Op dat erf,” vervolgde Reede, “zegt men, dat somtijds Jezuïeten vergaderen en, ’t welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn Excellentie.”“Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje gegrond?”“Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben.”“Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend hebben,” viel de Graaf in, “want het zou geen Jezuïetenpolitiek geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:—voorwaar groote gelaatkundigen!—Nu, ik wenschte wel, eens eenige van die Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, of zij hun hoedanigheden op ’t voorhoofd geschreven ronddragen.”Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe steenen, dat naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde huisjes met blauwe dakpannen bestond: de gevels liepen trapsgewijze op, naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, en nog meestal met planken dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was er van den rijweg geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een enkele vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, die hun schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon verwaarloosd uitzien.Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf op het weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. Zoodra Falckestein deze lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich meteen beklagende, dat hij hen niet in ’t aangezicht zien konde, om zijn gelaatkunde te beproeven. “Daartoe zal u de gelegenheid verschaft worden,” antwoordde Reede: “hun pad brengt hen op den rijweg en indien zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik mij die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge.”Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren zag, en wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgdezijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, op den rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen en sloegen op de onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De achterste der twee (want zij liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, had een ongemeen groot hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger was een man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis of onthouding,zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik, zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten bij den beschouwer een onaangenamen indruk achter.“Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt,” fluisterde Falckestein zijn vriend in ’t oor: “de achterste heeft veel van een beurzenknipper en de voorste van een struikroover.”“Vindt gij?” vroeg Reede: “ik weet niet, maar ik heb die gezichten meer gezien.”Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, dat hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze nieuwe vraag deed:“Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?”“Vermoedelijk ja.”“Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in ’s-Hage bleef om de groote zaken af te handelen, die met den Aartshertog op ’t tapijt zijn.””’t Is ook mogelijk.”“Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn Excellentie komen zal?” vervolgde de lastige vrager.”’t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!”Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin.Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te worden en het gelaat afwendde.“Zoo ik mij niet bedrieg,” vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan den onbekende, “heb ik u laatstleden Zondag in ’s-Hage gezien bij het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had.”Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: “jawel, Uwe Edelheid! ik ben daar geweest.”“Uitmuntend!” hervatte Reede “en weet ge u ook het hoofdzakelijke te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een punt te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor,” voegde hij er bij, zich hervattende, “dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert heeft aangeroerd.”“Hij predikte,” antwoordde de bleeke vreemdeling, “uit Genesis XXXI vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden haars vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden is aan afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht op het bezit daarvan.”“Het verwondert mij,” zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl hij Reede scherp aanzag, “dat UEd. mijn makker die vraag doet. Of UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. mede onder Domini Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten.”Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. “Ik zeide niet,” merkte hij aan, “dat ik er niet was geweest; ook herinner ik mij hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, hetgeen de Predikant in het slot zijner rede meer bepaaldelijk gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en afgodendienaars, omtrent....”“Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest,” antwoordde de lange man. “Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, ook jegens papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch zich met draaierijen behelpen, al moest het waarheid spreken ons beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten Psalm, het tweede vers.” En hierop begon de vreemdeling, met een zware stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen:“Wat kan de valsche tonge stichten?Wat kan de leugenaar uytrichten?Wat sullen syn listige zinnenEn valsche tonge toch gewinnen?”Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, volstandig doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn fatsoen door een langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein voorstelde, die lastige landlieden te ontrijden. Nauwelijks waren zij een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: “Ik wensch dat UEd. de preek van hedenmorgen beter dan die der vorige week onthouden moge.”Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein, die begreep dat zijn vriend zich te veel hadafgegeven, hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man scheen echter den aanval van Reede bedaard af te wachten, en had bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg zag vervolgen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en stapte bedaard verder.Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden: alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door een bijzondere bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te bevinden.De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; doch hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, door een der omstanders in ’t oor geblazen, “of hij namelijk de preek zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige week.” Driftig zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man met het zwarte haar, de vreemdeling uit deKatholieke Hofstede, was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte.1Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft,coquardes.
Ghy die by vreemde lieden koomt,Het is u nut te sijn beschroomt.Cats.
Ghy die by vreemde lieden koomt,Het is u nut te sijn beschroomt.
Ghy die by vreemde lieden koomt,
Het is u nut te sijn beschroomt.
Cats.
Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin ’s bruids Vader ten hove stond, de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van ’s Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.
Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen.
Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein,en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.
Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken toestand achtergelaten.
Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en doorhun lijfknechten vergezeld, het vorstelijk ’s-Gravenhage verlieten, om zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk en zoowel aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre echter onderscheiden, als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg een zwart fluweelen buis, dicht aan het lijf gesloten en reikend tot aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, als het ware omzoomd was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk ook op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide broek, mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven de knie, waar de met goud geborduurde banden haar van de lange bruine hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, van binnen met rood leder voorziene en met zware gouden franjes omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, met gouden knoppen bezet, hing een lang rapier met verguld gevest: de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder zwierde een zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den toenmaligen smaak, als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels opwaarts stonden: in één woord, de gansche kleedij was volgens de laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: de Graaf, die het bevel voerde over een bende Kleefsche ruiters, toenHanevederengenaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart des morgenwekkers ontrukt1.
Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte hoed was van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos hing van achteren af: deradiusvan den kraag was twee duimen te klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken zijner waardigheid, was een weinig verschoten van kleur, doch de stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door de zorgen van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn kleedij. De sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante eener slang tot aan den rand der laars op; en reeds rinkinkte in die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld kort geleden had ingevoerd. Bij het uitrijden van het Haagsche Bosch, verzocht de Graaf zijn vriendden draf voor het stappen te verruilen, daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich aldaar voor het aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de beide vrienden het volgende gesprek.
“Hebt gij,” vroeg Falckestein, “in de laatste dagen eenige tijding van uwe Huisvrouw bekomen?”
“Ja,” antwoordde Reede, “doch die was weinig geruststellend. Ik ben eenigszins over haar toestand bekommerd!”
“Gij hebt toch,” hernam Falckestein op een goedhartigen toon, “geen bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin zij zich bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn altijd geruststellend.”
“Ik weet het,” zeide Reede: “dan, bij de ongemakken, aan dien staat verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, dat haar gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal kunnen worden weggenomen.”
“En welk hartzeer,” vroeg zijn vriend, “kan haar kwellen? Zij is jong, geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden aan den man, dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar wenschen te bevredigen.”
“Ach! het is juist dat laatste,” zeide de Heer van Sonheuvel: “zij had mij nooit moeten trouwen!”
“Gij spreekt raadsels, beste vriend!”
“Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne vrouw geworden tegen den wil haars vaders.”
Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring te doen blijken. Reede ging voort:
“En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne volle nicht is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne Protestant was: na den dood zijner gade koos hij den geestelijken stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën verbannen werd. Hij vertrok van hier: mijn vader, de natuurlijke voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een niet onnatuurlijke zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, mij aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria iets van haar vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: zij stemde in mijn verlangen en werd mijne vrouw. Niet lang daarna overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur een brief van den haren, een brief, dien ik nooit gezien had, waarin deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen zijn dochter en mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teedergestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen.”
“Waarlijk,” zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond hebben gelegd, en ’t welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te kunnen daarlaten), had geëindigd: “waarlijk ik beklaag haar van harte.”
“Ja,” zeide Reede, “ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw betrouwd heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem dat alles maar sturen, of mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, door zijn vertrek en afval van ons geloof, heeft afgezien?”
“Mij dunkt,” antwoordde Falckestein, “het blijft onbetwistbaar zijn eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, wat hem behoort, terug te geven.”
“En dat zal ik doen,” bromde Reede, “zoodra ik maar weet, waar hij zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland dan wel in Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in weerwil van ’t geen mijn advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, alles te houden; want, zegt hij, ’t gaat toch maar aan vreemde papen en conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd geloof, zegt hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze ’t anders meende, weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... wat duivel zeide hij toch?”.... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen duim en wijsvinger, terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette vervolgens den hoed weder op, bracht de hand voorwaarts, rolde zich den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen achtereen: “ja, wat duivel zeide hij toch?”
Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken stil; doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn paard zoo strak tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar geschreven stond, zocht hij een wending aan het gesprek te geven, door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, huizinge of hofstede, welke, tusschen zware lindeboomen, een eind verder aan den weg gelegen was.
“Dat erf heeft een gelukkige ligging,” merkte hij aan.
“Gelukkig!” riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: “dat erf is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en geslecht worden.”
“Dat zou jammer zijn!” zeide Falckestein glimlachende: “en waarom dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?”
“De bewoner is mij, Goddank! onbekend,” antwoordde Reede, den hoed aflichtende: “en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch het erf zelf wordt gemeenlijk deKatholieke Hofstedegenaamd.”
“En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?” vroeg Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends had.
“Op dat erf,” vervolgde Reede, “zegt men, dat somtijds Jezuïeten vergaderen en, ’t welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn Excellentie.”
“Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje gegrond?”
“Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben.”
“Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend hebben,” viel de Graaf in, “want het zou geen Jezuïetenpolitiek geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:—voorwaar groote gelaatkundigen!—Nu, ik wenschte wel, eens eenige van die Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, of zij hun hoedanigheden op ’t voorhoofd geschreven ronddragen.”
Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe steenen, dat naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde huisjes met blauwe dakpannen bestond: de gevels liepen trapsgewijze op, naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, en nog meestal met planken dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was er van den rijweg geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een enkele vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, die hun schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon verwaarloosd uitzien.
Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf op het weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. Zoodra Falckestein deze lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich meteen beklagende, dat hij hen niet in ’t aangezicht zien konde, om zijn gelaatkunde te beproeven. “Daartoe zal u de gelegenheid verschaft worden,” antwoordde Reede: “hun pad brengt hen op den rijweg en indien zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik mij die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge.”
Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren zag, en wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgdezijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, op den rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen en sloegen op de onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De achterste der twee (want zij liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, had een ongemeen groot hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger was een man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis of onthouding,zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik, zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten bij den beschouwer een onaangenamen indruk achter.
“Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt,” fluisterde Falckestein zijn vriend in ’t oor: “de achterste heeft veel van een beurzenknipper en de voorste van een struikroover.”
“Vindt gij?” vroeg Reede: “ik weet niet, maar ik heb die gezichten meer gezien.”
Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, dat hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze nieuwe vraag deed:
“Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?”
“Vermoedelijk ja.”
“Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in ’s-Hage bleef om de groote zaken af te handelen, die met den Aartshertog op ’t tapijt zijn.”
”’t Is ook mogelijk.”
“Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn Excellentie komen zal?” vervolgde de lastige vrager.
”’t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!”
Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin.
Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te worden en het gelaat afwendde.
“Zoo ik mij niet bedrieg,” vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan den onbekende, “heb ik u laatstleden Zondag in ’s-Hage gezien bij het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had.”
Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: “jawel, Uwe Edelheid! ik ben daar geweest.”
“Uitmuntend!” hervatte Reede “en weet ge u ook het hoofdzakelijke te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een punt te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor,” voegde hij er bij, zich hervattende, “dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert heeft aangeroerd.”
“Hij predikte,” antwoordde de bleeke vreemdeling, “uit Genesis XXXI vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden haars vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden is aan afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht op het bezit daarvan.”
“Het verwondert mij,” zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl hij Reede scherp aanzag, “dat UEd. mijn makker die vraag doet. Of UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. mede onder Domini Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten.”
Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. “Ik zeide niet,” merkte hij aan, “dat ik er niet was geweest; ook herinner ik mij hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, hetgeen de Predikant in het slot zijner rede meer bepaaldelijk gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en afgodendienaars, omtrent....”
“Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest,” antwoordde de lange man. “Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, ook jegens papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch zich met draaierijen behelpen, al moest het waarheid spreken ons beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten Psalm, het tweede vers.” En hierop begon de vreemdeling, met een zware stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen:
“Wat kan de valsche tonge stichten?Wat kan de leugenaar uytrichten?Wat sullen syn listige zinnenEn valsche tonge toch gewinnen?”
“Wat kan de valsche tonge stichten?
Wat kan de leugenaar uytrichten?
Wat sullen syn listige zinnen
En valsche tonge toch gewinnen?”
Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, volstandig doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn fatsoen door een langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein voorstelde, die lastige landlieden te ontrijden. Nauwelijks waren zij een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: “Ik wensch dat UEd. de preek van hedenmorgen beter dan die der vorige week onthouden moge.”
Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein, die begreep dat zijn vriend zich te veel hadafgegeven, hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man scheen echter den aanval van Reede bedaard af te wachten, en had bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg zag vervolgen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en stapte bedaard verder.
Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden: alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door een bijzondere bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te bevinden.
De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; doch hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, door een der omstanders in ’t oor geblazen, “of hij namelijk de preek zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige week.” Driftig zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man met het zwarte haar, de vreemdeling uit deKatholieke Hofstede, was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte.
1Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft,coquardes.
1Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft,coquardes.
Tweede Hoofdstuk.Ben ik de beste dan,Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.Vondel, Palamedes.Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury’s, de prachtige landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven elkander aaneengeschakeld achtervolgen:—doch men zag er ook niet meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, van Teylingen, van Heemstede en vanzoovele andere heerlijkheden, die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, op kostbare paarden heen en weder dravend:—de oude weelde was verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven.De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren: de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan, om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam de baasmet eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken; doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het, eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, ’t welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet, waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, ’t zij door de onhandigheid van den smid, ’t zij omdat het arme dier een stuk glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut vermoeien wilde en echter niet te laat in ’s-Hage wenschte te zijn, zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde, om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen werd. Het geluk diende hem zoo ’t scheen, in zijn nasporing: want bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op ’t oog, om hem een goed onthaal te beloven. Schoon hij het bij ’t naderen voor de Katholieke Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond, groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis stond, oefende voor ’t eerst eenigen invloed op hem uit: ’t was of een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje, hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten, als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen te voren op den weg naar Leiden dedoor ons verhaalde ontmoeting had gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij geen aandacht te slaan.Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat gaven: “neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze geheele reis onnut en de kosten in ’t water gesmeten. Zoo ik wel onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar ’t leger, en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om hem dáár te treffen.”“Welnu,” zeide diegene, welke de stool aanhad, “Panne is immers bereid om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren: de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen, en hoe hem, in het rijk van ’t licht gekomen, de glorierijke kroon werd opgezet.”“Dat alles weet hij,” viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, “en nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe ging het laatst in de kerk te ’s-Hage? De kans stond schoon: de Graaf zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in ’t leger; doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, en omdat toevallig Panne aan ’t eind van die streep zit, zoo pakt die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen.”“Ik hoop,” sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, “dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid,die mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar, die den ketter Willem van Nassau doodschoot!”—Dit gezegd hebbende, sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.“Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?” vroeg nu een der anderen aan den langen man; “gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!”“Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior,” gaf Eugenio ten antwoord: “en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras door Europa weergalmen: “zij is gevallen, die groote Hoer, die op de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer der gerechtigheid.””Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla fornic ati sunt,1gelijk de Schrift zegt,” voegde Broeder Melchior er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.“Hebt gij, Broeder Eugenio!” vroeg nu de vierde der aanzittenden, “volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal2te doen profeteeren?”“Ik ben van gedachten veranderd,” antwoordde Broeder Eugenio: “vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in ’t algemeen; doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles voor haar rekening krijgt en,”.... hier begon hij, eensklaps op Panne wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen.Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van ’t leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben, dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen,verliet hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen, lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden stil, en de Ritmeester reed verbaasd naarFalckesteinterug.....“Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en bij dat Satansch erf?”“Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden.”“Gij spreekt raadsels.”“Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!”—Hier vertelde hij hun in weinige woorden ’t geen hem was voorgekomen.“En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst bedekken?” zeide Reede, op de tanden knersende: “wij zullen hun dat afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!”“Voorzichtig om ’s hemels wil, of gij bederft alles,” zeide Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden terughoudende; “gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?”“Met sabel en pistolen.”“En uw bediende?”“Zooals ik: nietwaar Bouke?”“Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, en men moet huilen met....”“Houd den mond met uw spreekwoorden,” grauwde Reede hem toe, terwijl hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.“En nu,” zeide Falckestein: “hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer, en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil.”“Ja,” viel Bouke in, “tot zooverre is ’t goed. Overleg is ’t halve werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden, vooral als zij zich verweren....”“Praatjes!” mompelde Reede: “wij nemen de toomen onzer paarden.”“En onze paarden loopen haroet,” zeide Bouke.“Die jonkman heeft gelijk,” sprak Falckestein: “het ware misschien beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen.”“Mij dunkt,” zeide Bouke, “dat ik daarginds een deur hoor opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên.”“Dat vervloekte talmen!” riep de heer van Sonheuvel en snelde in drift de plank over die naar het erf geleidde.Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet, gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen het huis uit. “Redt u,” zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: “redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot wel overspringen.”De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond klonk nu het bevel: “geef u over, of gij zijt een kind des doods!”“Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?” vroeg Eugenio: “zijt gij roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend dit erf binnendringt?”“Het voegt u wel dus te spreken,” brulde Reede: “vervloekte Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet.”“Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje.” Dus sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren door en wierp den vederhoed in ’t gras.“Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang,” zeide Falckestein, hem met zijn degen in de zijde kwetsende.“En dat is voor u,” grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht, dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: “denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet herinneren kunt.”“Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren,” schreeuwde Reede, zijn tweede pistool op hem losbrandende.“Die is raak!” riep Eugenio: “van elk een wond;sed ultio dabitur septuagies septies,3als de Schrift zegt.”—Met dezewoorden reed hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: “ja kereltje, zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad ontmoet: ’t is alle dagen geen vastenavond!” enz.Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden; dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt, dat de in ’t begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had, was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich weggehaald te hebben.Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk opgehouden en den eigenaars teruggegeven.Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200 £vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd, alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior, een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de plaats der bijeenkomsten gediend.Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze laatste op het schavot groot berouw.1Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.2Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.3Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.
Ben ik de beste dan,Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.Vondel, Palamedes.
Ben ik de beste dan,Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.
Ben ik de beste dan,
Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?
Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.
Vondel, Palamedes.
Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury’s, de prachtige landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven elkander aaneengeschakeld achtervolgen:—doch men zag er ook niet meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, van Teylingen, van Heemstede en vanzoovele andere heerlijkheden, die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, op kostbare paarden heen en weder dravend:—de oude weelde was verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven.
De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren: de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan, om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam de baasmet eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken; doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het, eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, ’t welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet, waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, ’t zij door de onhandigheid van den smid, ’t zij omdat het arme dier een stuk glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut vermoeien wilde en echter niet te laat in ’s-Hage wenschte te zijn, zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde, om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen werd. Het geluk diende hem zoo ’t scheen, in zijn nasporing: want bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op ’t oog, om hem een goed onthaal te beloven. Schoon hij het bij ’t naderen voor de Katholieke Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond, groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis stond, oefende voor ’t eerst eenigen invloed op hem uit: ’t was of een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.
In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje, hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten, als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen te voren op den weg naar Leiden dedoor ons verhaalde ontmoeting had gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij geen aandacht te slaan.
Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat gaven: “neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze geheele reis onnut en de kosten in ’t water gesmeten. Zoo ik wel onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar ’t leger, en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om hem dáár te treffen.”
“Welnu,” zeide diegene, welke de stool aanhad, “Panne is immers bereid om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren: de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen, en hoe hem, in het rijk van ’t licht gekomen, de glorierijke kroon werd opgezet.”
“Dat alles weet hij,” viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, “en nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe ging het laatst in de kerk te ’s-Hage? De kans stond schoon: de Graaf zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in ’t leger; doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, en omdat toevallig Panne aan ’t eind van die streep zit, zoo pakt die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen.”
“Ik hoop,” sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, “dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid,die mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar, die den ketter Willem van Nassau doodschoot!”—Dit gezegd hebbende, sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.
“Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?” vroeg nu een der anderen aan den langen man; “gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!”
“Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior,” gaf Eugenio ten antwoord: “en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras door Europa weergalmen: “zij is gevallen, die groote Hoer, die op de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer der gerechtigheid.”
”Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla fornic ati sunt,1gelijk de Schrift zegt,” voegde Broeder Melchior er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.
“Hebt gij, Broeder Eugenio!” vroeg nu de vierde der aanzittenden, “volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal2te doen profeteeren?”
“Ik ben van gedachten veranderd,” antwoordde Broeder Eugenio: “vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in ’t algemeen; doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles voor haar rekening krijgt en,”.... hier begon hij, eensklaps op Panne wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen.
Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van ’t leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben, dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen,verliet hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen, lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden stil, en de Ritmeester reed verbaasd naarFalckesteinterug.....
“Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en bij dat Satansch erf?”
“Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden.”
“Gij spreekt raadsels.”
“Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!”—Hier vertelde hij hun in weinige woorden ’t geen hem was voorgekomen.
“En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst bedekken?” zeide Reede, op de tanden knersende: “wij zullen hun dat afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!”
“Voorzichtig om ’s hemels wil, of gij bederft alles,” zeide Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden terughoudende; “gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?”
“Met sabel en pistolen.”
“En uw bediende?”
“Zooals ik: nietwaar Bouke?”
“Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, en men moet huilen met....”
“Houd den mond met uw spreekwoorden,” grauwde Reede hem toe, terwijl hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.
“En nu,” zeide Falckestein: “hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer, en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil.”
“Ja,” viel Bouke in, “tot zooverre is ’t goed. Overleg is ’t halve werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden, vooral als zij zich verweren....”
“Praatjes!” mompelde Reede: “wij nemen de toomen onzer paarden.”
“En onze paarden loopen haroet,” zeide Bouke.
“Die jonkman heeft gelijk,” sprak Falckestein: “het ware misschien beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen.”
“Mij dunkt,” zeide Bouke, “dat ik daarginds een deur hoor opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên.”
“Dat vervloekte talmen!” riep de heer van Sonheuvel en snelde in drift de plank over die naar het erf geleidde.
Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet, gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen het huis uit. “Redt u,” zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: “redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot wel overspringen.”
De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond klonk nu het bevel: “geef u over, of gij zijt een kind des doods!”
“Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?” vroeg Eugenio: “zijt gij roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend dit erf binnendringt?”
“Het voegt u wel dus te spreken,” brulde Reede: “vervloekte Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet.”
“Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje.” Dus sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren door en wierp den vederhoed in ’t gras.
“Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang,” zeide Falckestein, hem met zijn degen in de zijde kwetsende.
“En dat is voor u,” grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht, dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: “denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet herinneren kunt.”
“Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren,” schreeuwde Reede, zijn tweede pistool op hem losbrandende.
“Die is raak!” riep Eugenio: “van elk een wond;sed ultio dabitur septuagies septies,3als de Schrift zegt.”—Met dezewoorden reed hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.
Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: “ja kereltje, zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad ontmoet: ’t is alle dagen geen vastenavond!” enz.
Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden; dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt, dat de in ’t begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had, was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich weggehaald te hebben.
Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk opgehouden en den eigenaars teruggegeven.
Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200 £vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd, alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior, een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de plaats der bijeenkomsten gediend.
Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze laatste op het schavot groot berouw.
1Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.2Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.3Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.
1Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.
2Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.
3Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.