Derde Hoofdstuk.Gelyck een ingeborsten stroomZal ’t ingelaten heirVerdrencken al den Duitschen boômEn bruizen als een meir.Vondel, op de tweedraght der Christen Princen.Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer deszelfden jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde om zich te laten inhuldigen, luisterrijk ontving.Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder de voorwaarde, dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, zou huwen, waartoe de Paus alreeds de vrijheid verleend had. Deze opdracht, welke door den Infant Filips, ’sKoningserfopvolger, bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598.De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, ’t geen hij op den 22stenAugustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza, tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit aldus beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal.Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder den naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van Kleef reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; doch de invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. Alleen hadden, op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet.Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en hunne wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond dat Orsoy op onzijdig grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen wederstand, bemachtigd. Op het hooren dezer tijdingenverzamelde Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar.De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo ’t eenigszins mogelijk ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25stenSeptember den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid van sommige, als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij steunde veel op den drang van het oogenblik en op de welsprekendheid van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen aanwenden, om den Raad tot het uitschrijven van een veldtocht te nopen.De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld en sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door ’s Voorzitters stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude wezen, tegen zoo geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen kant een vast verbond ware, dat aan Kleef de vriendschap van Spanje en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en droefheid in zwommen, zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, het scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in drift oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen de vijanden gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast door het binnentreden eener vrouw van middelbare jaren, trotsche en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, terwijl een somber rouwgewaad aan haar weemoedigen blik nog meer treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, ’s Vorsten zuster en vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid ving zij aan, den Raad zijn lafheid en verwaarloozing van ’s lands belangen in een zoo gevaarlijk tijdstip te verwijten: met zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza’s bescherming bij die van den wolf, onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest geschikt om een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap wist zij in haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, ten minste tot verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, zooveel volks tot bescherming van den lande te werven als hem mogelijk was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de algemeene belangen teraadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld te beklagen en spoedige hulp te verzoeken. In ’t laatst derzelfde maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar Falckestein aan al de aanwezigen zulk een moed in ’t lijf sprak, dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza te zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden recht met de wapenen terug te vorderen.Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde gade en lieve kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere torens van zijn voorouderlijk slot tegen de heldere lucht afsteken, en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit aloud verblijf van vaderlandlievende helden geen Spanjaards tot beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, zag hij met verwondering op een der torens een aantal krijgslieden vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te wijzen. Terwijl hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen draf te gemoet rennen.“Wel Hensken!” sprak de Graaf: “wat komt gij ons met zulk een spoed boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?”“Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over uwe terugkomst,” gaf de Haneveder in zijn Platduitsch ten antwoord: “voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen terugkomen.”“Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij?”“Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche ruiters gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet te rijden en te verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om ons allen uit de verlegenheid te helpen.”Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen bericht weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees op het vreemde schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, mager persoon, liep met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, op en neder, en hield het toevoorzicht over de maatregelen, die de burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden kogels opgestapeld en vaatjes buskruit binnengewenteld: op de plaats ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes in orde: daar maakte men vuurroeren en lansenschoon: ginds droeg men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: in de groote benedenzaal, welke nu mede voor stal dienen moest, liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens door elkander. Hier hoorde men het rollen van wagens, ginds het kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel der kalkoenen en het schril gekwaak der ganzen: en in ’t midden van dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem uit om al dat geraas te overschreeuwen.Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van ’s Graven ruiters op de brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw: “daar is de vijand!” liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede te halen en viel in ’t achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken waanden, zochten overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: “het is zijn Genade!” den algemeenen schrikinluide blijdschap veranderde.“Hoe!” zeide Falckestein, bij ’t afstijgen, tot den Rentmeester: “begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe het naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?”“Met verlof,” zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de ruggestreng wreef: “die duivelsche degen zit zoo vast in de scheede, dat ik hem voor betooverd houde.”“Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, waarmede hij nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch daar is Mevrouw!”....“God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!” riep de Gravin, die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand en het jongste knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad.“Ik bemerk,” zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met aandoening omhelsde, “dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: dan, de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, wat tot deze aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!” (deze was aan het hoofd der met hem gekomen ruiters) “zult den ouden Beckman bijstaan in het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten sluiten en de brug ophalen: ik zal terstond weder hier zijn.”Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor een aanval vreezen deed.Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: “Helaas! sedert uw vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben wij geen oogenblik rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren onze bescherming kwamen verzoeken, bitter klagende, dat de Spanjaards hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, diezelfde klachten werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de leeftocht van hetslot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, eergisteren verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. Tijd hopende te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam vrij onvoldaan, naar Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in ’t westen krijgsvolk had zien overvaren: ik gaf dadelijk aan Beckman last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, en begaf mij naar de tinne, om met eigen oogen te zien wat er gaande was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde hetgeen Peter zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten omtrekken.”“Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,” hervatte de Graaf: “wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet aan de wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten mij zoo kloekhartig te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot opgeven, dat ik zonder u tot den laatsten droppel bloeds verdedigen kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, mij van alle onnutte monden te ontslaan.—Geen tegenspraak! het is mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken.”De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder het storten van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem zijn last te zullen volgen. “Helaas!” voegde zij er schreiend bij, “moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder afscheid te nemen?”“Afscheid nemen!” herhaalde een stem: “en waarom afscheid nemen?”Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende.“Ja mijn goede vrouw,” zeide de Gravin; “wij vertrekken. Het slot van Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen zooals wij.”“Niet?” vroeg de vreemdelinge met verbazing: “en sedert wanneer zijn vaste sterkten minder veilig dan het open veld?”“Mijn echtgenoot beveelt,” zeide de Gravin: “en ik gehoorzaam.”“Wie is die vrouw?” vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw.“Een vluchteling,” antwoordde deze, “wier huis door de Spanjaards vernield is.”“En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?” zeide Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen de vreemde.“Dat zou ik, door af te reizen,” antwoordde deze: “hier valt niets voor mij te vreezen.””’t Kan zijn,” hernam Falckestein koel: “doch het strookt niet met mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide zal de Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier kunt gij niet blijven.”“Welnu!” zeide de vrouw: “de Gravin van Falckestein heeft de arme Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet geweigerd: Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal noodig hebben.” Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek.Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, en een gelijk getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst bescherming en huisvesting voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij.Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, die langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de vijand om moest trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner gemalin had zijn hart van een groote zorg ontslagen, zoodat hij met koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de bezetting thans bestond uit zestig ruiters, twintig musketiers en een veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, van welke laatsten het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken waren in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere zijden door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De overtuiging van dit alles vervulde hem met een moed, welken hij zonder moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter besloten dat de wederstand vruchteloos zijn zoude, en dat juist zijn bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen.Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee kanonschoten aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting uitgedost en van een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek werd ingewilligd en de Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, Hopman in Spaanschen dienst, afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, en de overlevering te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken waarvan hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen.Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning van Spanje op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel zijner vaderen tegen geweld en overlast verdedigen zou.“Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de Graaf van Falckestein,” zeide Don Diego: “het doet mij echter leed, Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen weinig tijd zien wij elkander weder.” Deze woorden geuit hebbende, groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen draf naar zijn vendel terug, terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken.Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden afgedeeld, trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur en begon weldra eenige kogels op de wallen af te zenden, zonder echter eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit beschieten alleen moest dienen om hem vrees aan te jagen én tot de overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, hetwelk inmiddels de Roer was overgevaren, van den kant der rivier een aanval scheen te zullen wagen.“Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin komen,” zeide Feurich, die deze tijding bracht: “de vischkaar en de steiger steken zoover in ’t water uit, dat zij in een oogenblik de rivier over zijn.”“Gij hebt gelijk,” antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende vijanden inmiddels in ’t oog hield: “doch wij hopen het hun te beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?”“Voortreffelijk,” hernam Feurich: “maar wat vermag één veldstukje tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden de rivier oversteekt?”“Welnu!” zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: “neem tien boeren en even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten in den tuin en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de schutters hun kruit en lood niet verspillen, maar vijf aan vijf vuren en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die Spanjaards, die werkelijk te water gaan. Deinst de vijand, zoo wacht gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al uw volk op den kant van ’t water, laat algemeen vuur geven en zendt mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen versterken.—Ik vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit het boschje aankomt.—Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!—heerlijk getroffen! Zaagt gij dien langen schelm met zijn roode pluimage nederstorten en over denkop in ’t zand buitelen?—Hier gij knapen! aan de poort! houdt uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt.”Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven wijze post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk vooruitspringende, met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De rivier, die het slot bespoelde, en een steenen borstwering, die er langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen had om in dien tuin te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij niet dan na het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon binnendringen; doch het was niettemin van het hoogste belang hem te beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den grootsten last en ongerustheid baren kon.Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; terwijl de boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift in ’t rond zwaaiden en met woorden en gebaarden den aanrukkenden vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, die dit vendel der belegeraars aanvoerde en achter een dijkje aan de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun drift, tot al zijn manschappen vereenigd waren. Toen liet hij de twee kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich gevoerd had, met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten, die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo gelijktijdig op verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid te brengen. Het overschot zijner manschappen bleef op den oever in ’t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht te dekken en de landlieden van hun post op den steiger te verdrijven.Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, door zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, die, doodelijk getroffen, uit de boot in ’t water plompte. Vijf musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden kozen den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten dan gezonden aan boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, die nu van hunne zijde op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven.“Hier Heinrich! Walter! hier!” riep Feurich: “helpt mij die schurkeneens begroeten.” Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met vereende krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen afgeweerd, doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar den overkant terug.Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat en meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval op dezelfde wijze doen beproeven.“Zoo zal het nooit gaan,” zeide een monnik, die naast den aanvoerder stond: “zij moeten allen te water, en gelijktijdig,quasi vir unus,1gelijk de Vulgata zegt.”“Ik weet, eerwaarde Vader!” zeide Velasco, “dat gij een begenadigd man zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch veroorloof mij in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht dekken, zoo allen te water gaan?”“En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, thans uitgericht?” vroeg de monnik: “door ons te verdeelen, zullen wij de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam aan mijn ondervinding! Zend de helft van uw volk op den steiger af, en de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag.”“Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank voer,” hernam Velasco.“Jongeling!” zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: “Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan te gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg.”Velasco beet zich op de lippen van toorn. “Het zal dan geschieden,” zeide hij “doch niet op mijn last.”—“Spitsbroeders!” vervolgde hij, terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: “ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, die u ten zege voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman.”—Dit gezegd hebbende, ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet die den monnik voor de voeten en trad terug.De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. “Docebo vos viam rectam!”2riep de geestelijke, een zwaard uit de handen van een der manschappen grijpende: “Ik zal u zelf het voorbeeld geven en u aantoonen, hoe de zege behaald kan worden.”Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet het andere vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, wie moed had en toonen wilde, dat het hem ernst was roemen prijs te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun vorigen tegenspoed vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier alleen aan den oever staan bleef. Deze bevond zich nu in den toestand van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven vergezellen voorbij het een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem uitlachende, zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn ouders inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In zooverre echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven staan. Toen hij echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder zijn eer te krenken, als vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en laken; hij sprong in de rivier en zwom weldra al de overigen voorbij.Ongeveer in ’t midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar op de schutters, die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, ’t geen ten gevolge had, dat een paar van deze laatsten gewond en buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen.Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; doch daar de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde zij niet; met forsche armen klemde de monnik den balk tegen zijn borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, greep een der kettingen van de vischkaar en slingerde zich er boven op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan de voorpoort reeds had afgeslagen, met eenige Hanevederen in den tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers snelden naar de borstwering: de Spanjaards, die om den boomgaard waren aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en Velasco met de zijnen tot den terugtocht genoodzaakt.Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van geen wijken. De ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze volharding der Spaansche veteranen verwekte een doodschen schrik bij de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld aan. Vreeselijk stond hij op de kaar, met de eene hand om den ketting gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, waaronder sommige Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met leeuwenwoede tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin beducht was, terondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras de monnik hem in ’t oog had, drong hij met geweld door, liep op den Graaf toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid had.Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: “septuagies septies!”3“Ik herken u, vervloekte Jezuïet!” was het antwoord van Falckestein: “doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen.”Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk op den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, wien het gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den pas af en dreigden hem den dood.“Grijpt hem levend!” riep Falckestein: “de schelm moet geen krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!””Nondum venit hora mea,”4zeide Eugenio, die, schoon hij zich omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van geest verloren had. Evenals de forsche bulhond, die in een weide geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle kanten bestookt ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in ’t rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze voor den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst hij belandde, lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, plofte als een molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten en kwam behouden aan de overzijde.“Welnu,” zeide Velasco: “gij ziet den heerlijken uitslag van uw onmisbaren aanval!””Me deseruerunt omnes!” zeide Eugenio: “zij hebben mij allen verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; vandaag genoeg! Laat nu maar den aftocht blazen.”Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen toedienen en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te kunnen verwachten.1Als één man.2Ik zal u den rechten weg leeren.3Zeventigmaal zevenmaal.4Mijne ure is nog niet gekomen.Vierde Hoofdstuk.Zie hier uw gemalin.’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,Bilderdijk, Floris de Vijfde.Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het leger: het was acht uren geslagen, en nog deed niets het voornemen tot eenigen aanval vermoeden. “Waarlijk,” zeide Feurich, “ik zou beginnen te gelooven, dat zij van hun onderneming afzien en eieren voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren vergenoegen en willen zeker het middagmaal van heden niet afwachten.”“Zoo zij wilden vertrekken,” zeide de Graaf, “hadden wij hun daartoe reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten ronken nog onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk wachten zij versterking uit het hoofdleger, of willen zij ons door honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen alleen over mijn lichaam in het slot mijns vaders komen.”“Heer Graaf!” riep nu Peter de torenwachter: “ziet Uwe Genade die stofwolk van den kant van Duisburg?”“Ach hemel!” zuchtte Beckman: “dat zijn voorzeker de schapen van Göbel, welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: een kudde van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens zullen braden!”“Wat schapen!” hernam de torenwachter: “ik zie duidelijk helmen en lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken.”“Inderdaad,” sprak de Graaf: “doch wat is het? vriend of vijand? Kunt gij het vendel niet onderscheiden?”“Nog niet, Uwe Genade!” antwoordde Peter, “doch ja.... het zijn Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van aanmarsch.”“Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet.”“Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn,” zeide Beckman: “doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?”“Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!” antwoordde zijn Heer: “wat zegt de spreuk:werktenbidt! ga allen aanzeggen, dat zij zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, doch ik zal zelf het gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is.”De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan,ja, ook sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem aan, van Wien alleen zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen te strijden en hen niet beschaamd te maken in de groote beproeving, die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland doorstonden. “Of,” zeide hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, “indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele vrome martelaars, die voor de verdediging van hun vaderland, voor de rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting in de ure des lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon vertoonen om rekenschap af te leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden;gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren!”Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop der plechtigheid niet bemoedigd en als ’t ware meteen nieuw leven bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen bemoedigd had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein gevoelde, niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, zijn boezem beklemd en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken welk lot hij te wachten had, met Beckman en Feurich naar den toren.“Ik zie hun nog geen toebereidselen maken,” zeide Peter de wachter: “de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, en vermaken zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is nog doodstil...dan ginds komen er soldaten uit het bosch en voeren hout mede dat zij gekapt hebben.”“Die schurken,” riep Beckman verontwaardigd uit, “het bosch van Uwe Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan timmerhout uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam.”“En wat moeten zij op die hoogte bouwen,” vervolgde Peter, “daar die twee ezels die stammen naar toe sleepen?”“Och ja!” viel Beckman weemoedig in: “dat zijn de ezels van Lottchen Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd ooit een ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? En daar, de kleinste van de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk doen! doch dat heidensch volk heeft deernis met mensch noch beest.”“Gelukkig nog zijn die arme beesten,” zeide Falckestein, wien, bij de sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook de vrij kluchtig uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geenglimlach konden afpersen: “gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling vatbaar zijn.”“Maar wat gaan zij nu verrichten?” vroeg Feurich, de oogen strak op de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende.“Zeker,” zeide Beckman, “is het hun voornemen een stormgevaarte te maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis gebruikte om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar voor Paus Julius Cesar het bevel voerde.”“Ziet!” vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des Rentmeesters te beantwoorden: “Zij zetten twee balken recht overeind!”“En spijkeren er een derde boven op,” voegde Peter er bij; “dat lijkt als twee droppels water op een galg.”“Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben,” zeide de Graaf, wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken lach afdwong: “of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede zij de bezetting van Orsoy hebben bang gemaakt? Die vlieger zal bij mij niet opgaan.”“Ziet!” vervolgde Feurich: “daar komen de Oversten te paard de hoogte oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd.”“Luistert!” hernam Falckestein, “daar klinkt de trompet, zeker om onze aandacht op dit spel te vestigen.”“En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht,” zeide Peter, het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren.“Ik zie vrouwen uit het leger komen,” zeide Feurich schielijk, “vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den heuvel op.”“Waar? waar?” riep Falckestein.—“Almachtige God! wat zie ik daar?” en zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij over leunde. Het onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna doen herkennen, die met haar twee zoontjes den heuvel werd opgestuwd.“Mijn vrouw!” gilde hij: “mijn kinderen! Zij moeten gered worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!”Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over ’t geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, en niet dan zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening overmeesterd worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, aan wie een minder bedaard gestel te beurt viel. Falckestein strekte tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen te berekenen, zonder in te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis verderf zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren om hem in ’t veld te volgen.Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren liet, en, na een kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten.Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, hoe was hem nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop herrees in zijn gemoed, en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van geest. Spoedig liet hij de valbrug uitwerpen en reed met Feurich en twee ruiters de afgezondenen te gemoed.Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een zijden wambuis, rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en een pronkdegen hing van den breeden gordel. In den anderen herkende Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in ’t gewaad zijner orde. De Hopman voerde het woord:“Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren tegen onze troepen in ’t werk te stellen, zal het u bevreemden, dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard heeft een walg van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, en, bedenk u wel! wij eischen het voor ’t laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, een eerlijken uittocht aanbiedende, voor u en voor de uwen.”“Ik dacht, Hopman!” zeide de Graaf, “dat de wijze, waarop ik u gisteren ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een dergelijk aanbod zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u alle verdere moeite omtrent mij te sparen en u naar uw kamp terug te begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken.”“Dat rade ik u sterk aan,” zeide Eugenio: “gij zult op een vermakelijk schouwspel vergast worden.”“Met den sluipmoordenaar spreek ik niet,” zeide Falckestein, den Jezuïet verachtelijk met de oogen metende.“Graaf!” hervatte Velasco: “ik moet u onder ’t oog brengen, welk leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade voor al wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw en kinderen,” voegde hij er langzaam bij.“Met mijn vrouw en kinderen!” herhaalde Falckestein sidderende.“Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, welke hun lot beslissen moet.”“Hoe moet die zijn?” vroeg Eugenio: “septuagies septies...”1“Ziet!” zeide Falckestein, naar het slot wijzende: “op dat voorpleinstaan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren de zege gaf, zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw tijgerwoede te ontscheuren.”Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af moest loopen, hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude maken..... zijn doel was echter gemist.“De Hemel zij dan hun zielen genadig,” zeide Eugenio. Met deze woorden haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht af.“Wat zal dit?” riep Falckestein, de hand aan ’t zwaard slaande.“Het is een sein,” antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier haalde, hij een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer.” En, om aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, haalde hij den haan over.“Om Gods wil!” gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten uitbrak. “Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!”“Beraad u kort,” herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog.“Wel!” zeide Falckestein: “ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen en handel met mijn slot naar uw verkiezing.”“Gij wordt redelijk, Graaf,” hernam Eugenio, en verborg het moordtuig weder in zijn gewaad.“Trompetter, blaas!” riep Velasco: “Graaf! binnen weinige oogenblikken zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen.”“Komt dan in Gods naam binnen,” zeide de Graaf, “opdat wij over de voorwaarden der overgave spreken mogen.”Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen de valbrug over.—Velasco bekleedde ’s Graven rechterhand, doch in zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, bijna even somber als Falckestein deed, naar den grond, want zijn edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk een wijze gekocht was geweest. Eugenio’s gelaat stond strak; doch onder zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer hij ook meester over zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen.Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, terwijl een traan hem in de oogen blonk:“Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige schande.”“Hoe wij hier ook binnenkomen,” antwoordde Velasco met eene buiging: “het kan u nimmer tot schande verstrekken.”“Wat u betreft,” vervolgde de Graaf tot Eugenio: “ik kan u niet ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren.”“Dat verwondert mij,” zeide Eugenio met veel koelheid: “wantgisteren had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw vrouw en kinderen.”“En belaadt mij met dubbele oneer,” zeide Falckestein, “dat ik u gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet.”“Ik bid u, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “laat ons eene reeds uit haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen verbitteren.”Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; het noodige schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men zich en begon men de voorwaarden der overgave onderling te overleggen.Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens hem gehouden gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken van net verdrag de billijkste en ruimste voorwaarden toestonden: de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid een zweem van spotternij, doch de uitslag bleef gunstig voor den Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel op staanden voet zou overgaan aan de Infante, dat de bezetting met krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude uittrekken: dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun bedieningen zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug te keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende partijen geteekend en aan weerskanten overgenomen werden.Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan het hoofd van zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de Gravin van Falckestein gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene vrouwen volgden met het oudste knaapje, te voet: en boven dezen stak de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de hand geleidde. De trein hield op een afstand van het kasteel stil, en, nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen had, trad Falckestein, te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die met een buiging aan Velasco bood. “Ik vervul,” zeide deze, terwijl hij de kenteekenen der overdracht aannam, “de eerste voorwaarde onzer overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, die mede in onze macht gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, die door de slagen mijner wapenbroeders gevallen zijn, u niet terug kan geven.”—Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid de Gravin van het paard en stelde haar aan haren gemaal voor.Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit oogenblik onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had kunnen verdedigen, bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in ’t oog, drukte hij de hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde zijn kinderen en vergezelde met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot.“Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!” zeide hij in ’t gaan tegen Beckman: “tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam te maken.”De grijsaard snikte luid: “Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe Genade elders geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren overgewonnen om zijn weinige levensdagen nog te kunnen doorbrengen zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader stierf, was ik diep bedroefd; maar het denkbeeld troostte mij, dat Uw Genade mijn Heer en Meester werd.Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans”.... hier beletteden de tranen hem te spreken.“Droog uw oogen, mijn vriend!” zeide Falckestein, “niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos van gindschen torentop blijven waaien.—Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe bezitters gedragen.”In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. “Heer Graaf!” zeide deze: “Het zal u wellicht aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken.”—Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco’s beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de bezetting kon worden uitgevoerd.Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: “Ach!” riep zij uit: “datiku onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend.”“En uw kinderen!” zeide Falckestein: “Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?”“Mijn kinderen!” zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: “doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!—Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste wreedheid geworden.”“Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?”“Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch ’t zij dat hij in vijandelijke handen viel, ’t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van ’t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep:“Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?”“Ik ken die stem,” zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena’s welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was intusschen door een der ruiters op ’t paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaarddreigde, hem in ’t water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in ’t gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:—de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: “Bruck! Bruck!”—Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!”Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot was afgebroken. “Er is iets vreemds,” zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, “in het gedrag van die Magdalena! zij heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet.”Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken.1Zeventigmaal zevenmalen.
Derde Hoofdstuk.Gelyck een ingeborsten stroomZal ’t ingelaten heirVerdrencken al den Duitschen boômEn bruizen als een meir.Vondel, op de tweedraght der Christen Princen.Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer deszelfden jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde om zich te laten inhuldigen, luisterrijk ontving.Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder de voorwaarde, dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, zou huwen, waartoe de Paus alreeds de vrijheid verleend had. Deze opdracht, welke door den Infant Filips, ’sKoningserfopvolger, bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598.De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, ’t geen hij op den 22stenAugustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza, tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit aldus beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal.Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder den naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van Kleef reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; doch de invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. Alleen hadden, op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet.Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en hunne wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond dat Orsoy op onzijdig grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen wederstand, bemachtigd. Op het hooren dezer tijdingenverzamelde Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar.De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo ’t eenigszins mogelijk ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25stenSeptember den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid van sommige, als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij steunde veel op den drang van het oogenblik en op de welsprekendheid van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen aanwenden, om den Raad tot het uitschrijven van een veldtocht te nopen.De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld en sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door ’s Voorzitters stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude wezen, tegen zoo geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen kant een vast verbond ware, dat aan Kleef de vriendschap van Spanje en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en droefheid in zwommen, zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, het scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in drift oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen de vijanden gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast door het binnentreden eener vrouw van middelbare jaren, trotsche en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, terwijl een somber rouwgewaad aan haar weemoedigen blik nog meer treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, ’s Vorsten zuster en vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid ving zij aan, den Raad zijn lafheid en verwaarloozing van ’s lands belangen in een zoo gevaarlijk tijdstip te verwijten: met zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza’s bescherming bij die van den wolf, onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest geschikt om een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap wist zij in haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, ten minste tot verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, zooveel volks tot bescherming van den lande te werven als hem mogelijk was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de algemeene belangen teraadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld te beklagen en spoedige hulp te verzoeken. In ’t laatst derzelfde maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar Falckestein aan al de aanwezigen zulk een moed in ’t lijf sprak, dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza te zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden recht met de wapenen terug te vorderen.Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde gade en lieve kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere torens van zijn voorouderlijk slot tegen de heldere lucht afsteken, en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit aloud verblijf van vaderlandlievende helden geen Spanjaards tot beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, zag hij met verwondering op een der torens een aantal krijgslieden vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te wijzen. Terwijl hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen draf te gemoet rennen.“Wel Hensken!” sprak de Graaf: “wat komt gij ons met zulk een spoed boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?”“Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over uwe terugkomst,” gaf de Haneveder in zijn Platduitsch ten antwoord: “voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen terugkomen.”“Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij?”“Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche ruiters gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet te rijden en te verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om ons allen uit de verlegenheid te helpen.”Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen bericht weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees op het vreemde schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, mager persoon, liep met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, op en neder, en hield het toevoorzicht over de maatregelen, die de burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden kogels opgestapeld en vaatjes buskruit binnengewenteld: op de plaats ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes in orde: daar maakte men vuurroeren en lansenschoon: ginds droeg men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: in de groote benedenzaal, welke nu mede voor stal dienen moest, liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens door elkander. Hier hoorde men het rollen van wagens, ginds het kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel der kalkoenen en het schril gekwaak der ganzen: en in ’t midden van dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem uit om al dat geraas te overschreeuwen.Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van ’s Graven ruiters op de brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw: “daar is de vijand!” liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede te halen en viel in ’t achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken waanden, zochten overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: “het is zijn Genade!” den algemeenen schrikinluide blijdschap veranderde.“Hoe!” zeide Falckestein, bij ’t afstijgen, tot den Rentmeester: “begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe het naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?”“Met verlof,” zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de ruggestreng wreef: “die duivelsche degen zit zoo vast in de scheede, dat ik hem voor betooverd houde.”“Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, waarmede hij nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch daar is Mevrouw!”....“God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!” riep de Gravin, die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand en het jongste knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad.“Ik bemerk,” zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met aandoening omhelsde, “dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: dan, de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, wat tot deze aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!” (deze was aan het hoofd der met hem gekomen ruiters) “zult den ouden Beckman bijstaan in het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten sluiten en de brug ophalen: ik zal terstond weder hier zijn.”Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor een aanval vreezen deed.Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: “Helaas! sedert uw vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben wij geen oogenblik rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren onze bescherming kwamen verzoeken, bitter klagende, dat de Spanjaards hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, diezelfde klachten werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de leeftocht van hetslot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, eergisteren verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. Tijd hopende te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam vrij onvoldaan, naar Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in ’t westen krijgsvolk had zien overvaren: ik gaf dadelijk aan Beckman last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, en begaf mij naar de tinne, om met eigen oogen te zien wat er gaande was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde hetgeen Peter zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten omtrekken.”“Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,” hervatte de Graaf: “wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet aan de wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten mij zoo kloekhartig te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot opgeven, dat ik zonder u tot den laatsten droppel bloeds verdedigen kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, mij van alle onnutte monden te ontslaan.—Geen tegenspraak! het is mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken.”De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder het storten van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem zijn last te zullen volgen. “Helaas!” voegde zij er schreiend bij, “moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder afscheid te nemen?”“Afscheid nemen!” herhaalde een stem: “en waarom afscheid nemen?”Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende.“Ja mijn goede vrouw,” zeide de Gravin; “wij vertrekken. Het slot van Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen zooals wij.”“Niet?” vroeg de vreemdelinge met verbazing: “en sedert wanneer zijn vaste sterkten minder veilig dan het open veld?”“Mijn echtgenoot beveelt,” zeide de Gravin: “en ik gehoorzaam.”“Wie is die vrouw?” vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw.“Een vluchteling,” antwoordde deze, “wier huis door de Spanjaards vernield is.”“En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?” zeide Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen de vreemde.“Dat zou ik, door af te reizen,” antwoordde deze: “hier valt niets voor mij te vreezen.””’t Kan zijn,” hernam Falckestein koel: “doch het strookt niet met mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide zal de Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier kunt gij niet blijven.”“Welnu!” zeide de vrouw: “de Gravin van Falckestein heeft de arme Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet geweigerd: Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal noodig hebben.” Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek.Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, en een gelijk getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst bescherming en huisvesting voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij.Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, die langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de vijand om moest trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner gemalin had zijn hart van een groote zorg ontslagen, zoodat hij met koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de bezetting thans bestond uit zestig ruiters, twintig musketiers en een veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, van welke laatsten het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken waren in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere zijden door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De overtuiging van dit alles vervulde hem met een moed, welken hij zonder moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter besloten dat de wederstand vruchteloos zijn zoude, en dat juist zijn bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen.Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee kanonschoten aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting uitgedost en van een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek werd ingewilligd en de Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, Hopman in Spaanschen dienst, afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, en de overlevering te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken waarvan hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen.Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning van Spanje op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel zijner vaderen tegen geweld en overlast verdedigen zou.“Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de Graaf van Falckestein,” zeide Don Diego: “het doet mij echter leed, Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen weinig tijd zien wij elkander weder.” Deze woorden geuit hebbende, groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen draf naar zijn vendel terug, terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken.Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden afgedeeld, trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur en begon weldra eenige kogels op de wallen af te zenden, zonder echter eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit beschieten alleen moest dienen om hem vrees aan te jagen én tot de overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, hetwelk inmiddels de Roer was overgevaren, van den kant der rivier een aanval scheen te zullen wagen.“Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin komen,” zeide Feurich, die deze tijding bracht: “de vischkaar en de steiger steken zoover in ’t water uit, dat zij in een oogenblik de rivier over zijn.”“Gij hebt gelijk,” antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende vijanden inmiddels in ’t oog hield: “doch wij hopen het hun te beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?”“Voortreffelijk,” hernam Feurich: “maar wat vermag één veldstukje tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden de rivier oversteekt?”“Welnu!” zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: “neem tien boeren en even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten in den tuin en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de schutters hun kruit en lood niet verspillen, maar vijf aan vijf vuren en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die Spanjaards, die werkelijk te water gaan. Deinst de vijand, zoo wacht gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al uw volk op den kant van ’t water, laat algemeen vuur geven en zendt mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen versterken.—Ik vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit het boschje aankomt.—Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!—heerlijk getroffen! Zaagt gij dien langen schelm met zijn roode pluimage nederstorten en over denkop in ’t zand buitelen?—Hier gij knapen! aan de poort! houdt uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt.”Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven wijze post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk vooruitspringende, met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De rivier, die het slot bespoelde, en een steenen borstwering, die er langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen had om in dien tuin te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij niet dan na het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon binnendringen; doch het was niettemin van het hoogste belang hem te beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den grootsten last en ongerustheid baren kon.Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; terwijl de boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift in ’t rond zwaaiden en met woorden en gebaarden den aanrukkenden vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, die dit vendel der belegeraars aanvoerde en achter een dijkje aan de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun drift, tot al zijn manschappen vereenigd waren. Toen liet hij de twee kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich gevoerd had, met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten, die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo gelijktijdig op verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid te brengen. Het overschot zijner manschappen bleef op den oever in ’t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht te dekken en de landlieden van hun post op den steiger te verdrijven.Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, door zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, die, doodelijk getroffen, uit de boot in ’t water plompte. Vijf musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden kozen den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten dan gezonden aan boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, die nu van hunne zijde op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven.“Hier Heinrich! Walter! hier!” riep Feurich: “helpt mij die schurkeneens begroeten.” Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met vereende krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen afgeweerd, doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar den overkant terug.Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat en meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval op dezelfde wijze doen beproeven.“Zoo zal het nooit gaan,” zeide een monnik, die naast den aanvoerder stond: “zij moeten allen te water, en gelijktijdig,quasi vir unus,1gelijk de Vulgata zegt.”“Ik weet, eerwaarde Vader!” zeide Velasco, “dat gij een begenadigd man zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch veroorloof mij in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht dekken, zoo allen te water gaan?”“En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, thans uitgericht?” vroeg de monnik: “door ons te verdeelen, zullen wij de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam aan mijn ondervinding! Zend de helft van uw volk op den steiger af, en de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag.”“Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank voer,” hernam Velasco.“Jongeling!” zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: “Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan te gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg.”Velasco beet zich op de lippen van toorn. “Het zal dan geschieden,” zeide hij “doch niet op mijn last.”—“Spitsbroeders!” vervolgde hij, terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: “ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, die u ten zege voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman.”—Dit gezegd hebbende, ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet die den monnik voor de voeten en trad terug.De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. “Docebo vos viam rectam!”2riep de geestelijke, een zwaard uit de handen van een der manschappen grijpende: “Ik zal u zelf het voorbeeld geven en u aantoonen, hoe de zege behaald kan worden.”Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet het andere vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, wie moed had en toonen wilde, dat het hem ernst was roemen prijs te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun vorigen tegenspoed vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier alleen aan den oever staan bleef. Deze bevond zich nu in den toestand van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven vergezellen voorbij het een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem uitlachende, zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn ouders inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In zooverre echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven staan. Toen hij echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder zijn eer te krenken, als vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en laken; hij sprong in de rivier en zwom weldra al de overigen voorbij.Ongeveer in ’t midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar op de schutters, die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, ’t geen ten gevolge had, dat een paar van deze laatsten gewond en buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen.Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; doch daar de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde zij niet; met forsche armen klemde de monnik den balk tegen zijn borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, greep een der kettingen van de vischkaar en slingerde zich er boven op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan de voorpoort reeds had afgeslagen, met eenige Hanevederen in den tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers snelden naar de borstwering: de Spanjaards, die om den boomgaard waren aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en Velasco met de zijnen tot den terugtocht genoodzaakt.Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van geen wijken. De ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze volharding der Spaansche veteranen verwekte een doodschen schrik bij de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld aan. Vreeselijk stond hij op de kaar, met de eene hand om den ketting gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, waaronder sommige Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met leeuwenwoede tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin beducht was, terondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras de monnik hem in ’t oog had, drong hij met geweld door, liep op den Graaf toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid had.Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: “septuagies septies!”3“Ik herken u, vervloekte Jezuïet!” was het antwoord van Falckestein: “doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen.”Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk op den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, wien het gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den pas af en dreigden hem den dood.“Grijpt hem levend!” riep Falckestein: “de schelm moet geen krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!””Nondum venit hora mea,”4zeide Eugenio, die, schoon hij zich omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van geest verloren had. Evenals de forsche bulhond, die in een weide geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle kanten bestookt ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in ’t rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze voor den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst hij belandde, lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, plofte als een molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten en kwam behouden aan de overzijde.“Welnu,” zeide Velasco: “gij ziet den heerlijken uitslag van uw onmisbaren aanval!””Me deseruerunt omnes!” zeide Eugenio: “zij hebben mij allen verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; vandaag genoeg! Laat nu maar den aftocht blazen.”Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen toedienen en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te kunnen verwachten.1Als één man.2Ik zal u den rechten weg leeren.3Zeventigmaal zevenmaal.4Mijne ure is nog niet gekomen.
Gelyck een ingeborsten stroomZal ’t ingelaten heirVerdrencken al den Duitschen boômEn bruizen als een meir.Vondel, op de tweedraght der Christen Princen.
Gelyck een ingeborsten stroomZal ’t ingelaten heirVerdrencken al den Duitschen boômEn bruizen als een meir.
Gelyck een ingeborsten stroom
Zal ’t ingelaten heir
Verdrencken al den Duitschen boôm
En bruizen als een meir.
Vondel, op de tweedraght der Christen Princen.
Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer deszelfden jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde om zich te laten inhuldigen, luisterrijk ontving.
Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder de voorwaarde, dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, zou huwen, waartoe de Paus alreeds de vrijheid verleend had. Deze opdracht, welke door den Infant Filips, ’sKoningserfopvolger, bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598.
De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, ’t geen hij op den 22stenAugustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza, tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit aldus beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal.
Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder den naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van Kleef reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; doch de invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. Alleen hadden, op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet.
Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en hunne wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond dat Orsoy op onzijdig grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen wederstand, bemachtigd. Op het hooren dezer tijdingenverzamelde Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar.
De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo ’t eenigszins mogelijk ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25stenSeptember den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid van sommige, als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij steunde veel op den drang van het oogenblik en op de welsprekendheid van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen aanwenden, om den Raad tot het uitschrijven van een veldtocht te nopen.
De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld en sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door ’s Voorzitters stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude wezen, tegen zoo geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen kant een vast verbond ware, dat aan Kleef de vriendschap van Spanje en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en droefheid in zwommen, zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, het scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in drift oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen de vijanden gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast door het binnentreden eener vrouw van middelbare jaren, trotsche en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, terwijl een somber rouwgewaad aan haar weemoedigen blik nog meer treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, ’s Vorsten zuster en vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid ving zij aan, den Raad zijn lafheid en verwaarloozing van ’s lands belangen in een zoo gevaarlijk tijdstip te verwijten: met zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza’s bescherming bij die van den wolf, onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest geschikt om een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap wist zij in haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, ten minste tot verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, zooveel volks tot bescherming van den lande te werven als hem mogelijk was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de algemeene belangen teraadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld te beklagen en spoedige hulp te verzoeken. In ’t laatst derzelfde maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar Falckestein aan al de aanwezigen zulk een moed in ’t lijf sprak, dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza te zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden recht met de wapenen terug te vorderen.
Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde gade en lieve kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere torens van zijn voorouderlijk slot tegen de heldere lucht afsteken, en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit aloud verblijf van vaderlandlievende helden geen Spanjaards tot beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, zag hij met verwondering op een der torens een aantal krijgslieden vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te wijzen. Terwijl hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen draf te gemoet rennen.
“Wel Hensken!” sprak de Graaf: “wat komt gij ons met zulk een spoed boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?”
“Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over uwe terugkomst,” gaf de Haneveder in zijn Platduitsch ten antwoord: “voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen terugkomen.”
“Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij?”
“Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche ruiters gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet te rijden en te verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om ons allen uit de verlegenheid te helpen.”
Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen bericht weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees op het vreemde schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, mager persoon, liep met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, op en neder, en hield het toevoorzicht over de maatregelen, die de burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden kogels opgestapeld en vaatjes buskruit binnengewenteld: op de plaats ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes in orde: daar maakte men vuurroeren en lansenschoon: ginds droeg men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: in de groote benedenzaal, welke nu mede voor stal dienen moest, liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens door elkander. Hier hoorde men het rollen van wagens, ginds het kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel der kalkoenen en het schril gekwaak der ganzen: en in ’t midden van dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem uit om al dat geraas te overschreeuwen.
Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van ’s Graven ruiters op de brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw: “daar is de vijand!” liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede te halen en viel in ’t achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken waanden, zochten overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: “het is zijn Genade!” den algemeenen schrikinluide blijdschap veranderde.
“Hoe!” zeide Falckestein, bij ’t afstijgen, tot den Rentmeester: “begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe het naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?”
“Met verlof,” zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de ruggestreng wreef: “die duivelsche degen zit zoo vast in de scheede, dat ik hem voor betooverd houde.”
“Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, waarmede hij nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch daar is Mevrouw!”....
“God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!” riep de Gravin, die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand en het jongste knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad.
“Ik bemerk,” zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met aandoening omhelsde, “dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: dan, de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, wat tot deze aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!” (deze was aan het hoofd der met hem gekomen ruiters) “zult den ouden Beckman bijstaan in het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten sluiten en de brug ophalen: ik zal terstond weder hier zijn.”
Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor een aanval vreezen deed.
Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: “Helaas! sedert uw vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben wij geen oogenblik rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren onze bescherming kwamen verzoeken, bitter klagende, dat de Spanjaards hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, diezelfde klachten werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de leeftocht van hetslot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, eergisteren verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. Tijd hopende te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam vrij onvoldaan, naar Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in ’t westen krijgsvolk had zien overvaren: ik gaf dadelijk aan Beckman last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, en begaf mij naar de tinne, om met eigen oogen te zien wat er gaande was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde hetgeen Peter zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten omtrekken.”
“Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,” hervatte de Graaf: “wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet aan de wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten mij zoo kloekhartig te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot opgeven, dat ik zonder u tot den laatsten droppel bloeds verdedigen kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, mij van alle onnutte monden te ontslaan.—Geen tegenspraak! het is mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken.”
De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder het storten van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem zijn last te zullen volgen. “Helaas!” voegde zij er schreiend bij, “moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder afscheid te nemen?”
“Afscheid nemen!” herhaalde een stem: “en waarom afscheid nemen?”
Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende.
“Ja mijn goede vrouw,” zeide de Gravin; “wij vertrekken. Het slot van Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen zooals wij.”
“Niet?” vroeg de vreemdelinge met verbazing: “en sedert wanneer zijn vaste sterkten minder veilig dan het open veld?”
“Mijn echtgenoot beveelt,” zeide de Gravin: “en ik gehoorzaam.”
“Wie is die vrouw?” vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw.
“Een vluchteling,” antwoordde deze, “wier huis door de Spanjaards vernield is.”
“En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?” zeide Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen de vreemde.
“Dat zou ik, door af te reizen,” antwoordde deze: “hier valt niets voor mij te vreezen.”
”’t Kan zijn,” hernam Falckestein koel: “doch het strookt niet met mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide zal de Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier kunt gij niet blijven.”
“Welnu!” zeide de vrouw: “de Gravin van Falckestein heeft de arme Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet geweigerd: Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal noodig hebben.” Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek.
Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, en een gelijk getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst bescherming en huisvesting voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij.
Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, die langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de vijand om moest trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner gemalin had zijn hart van een groote zorg ontslagen, zoodat hij met koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de bezetting thans bestond uit zestig ruiters, twintig musketiers en een veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, van welke laatsten het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken waren in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere zijden door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De overtuiging van dit alles vervulde hem met een moed, welken hij zonder moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter besloten dat de wederstand vruchteloos zijn zoude, en dat juist zijn bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen.
Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee kanonschoten aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting uitgedost en van een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek werd ingewilligd en de Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, Hopman in Spaanschen dienst, afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, en de overlevering te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken waarvan hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen.
Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning van Spanje op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel zijner vaderen tegen geweld en overlast verdedigen zou.
“Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de Graaf van Falckestein,” zeide Don Diego: “het doet mij echter leed, Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen weinig tijd zien wij elkander weder.” Deze woorden geuit hebbende, groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen draf naar zijn vendel terug, terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken.
Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden afgedeeld, trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur en begon weldra eenige kogels op de wallen af te zenden, zonder echter eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit beschieten alleen moest dienen om hem vrees aan te jagen én tot de overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, hetwelk inmiddels de Roer was overgevaren, van den kant der rivier een aanval scheen te zullen wagen.
“Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin komen,” zeide Feurich, die deze tijding bracht: “de vischkaar en de steiger steken zoover in ’t water uit, dat zij in een oogenblik de rivier over zijn.”
“Gij hebt gelijk,” antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende vijanden inmiddels in ’t oog hield: “doch wij hopen het hun te beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?”
“Voortreffelijk,” hernam Feurich: “maar wat vermag één veldstukje tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden de rivier oversteekt?”
“Welnu!” zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: “neem tien boeren en even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten in den tuin en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de schutters hun kruit en lood niet verspillen, maar vijf aan vijf vuren en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die Spanjaards, die werkelijk te water gaan. Deinst de vijand, zoo wacht gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al uw volk op den kant van ’t water, laat algemeen vuur geven en zendt mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen versterken.—Ik vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit het boschje aankomt.—Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!—heerlijk getroffen! Zaagt gij dien langen schelm met zijn roode pluimage nederstorten en over denkop in ’t zand buitelen?—Hier gij knapen! aan de poort! houdt uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt.”
Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven wijze post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk vooruitspringende, met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De rivier, die het slot bespoelde, en een steenen borstwering, die er langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen had om in dien tuin te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij niet dan na het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon binnendringen; doch het was niettemin van het hoogste belang hem te beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den grootsten last en ongerustheid baren kon.
Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; terwijl de boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift in ’t rond zwaaiden en met woorden en gebaarden den aanrukkenden vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, die dit vendel der belegeraars aanvoerde en achter een dijkje aan de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun drift, tot al zijn manschappen vereenigd waren. Toen liet hij de twee kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich gevoerd had, met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten, die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo gelijktijdig op verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid te brengen. Het overschot zijner manschappen bleef op den oever in ’t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht te dekken en de landlieden van hun post op den steiger te verdrijven.
Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, door zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, die, doodelijk getroffen, uit de boot in ’t water plompte. Vijf musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden kozen den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten dan gezonden aan boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, die nu van hunne zijde op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven.
“Hier Heinrich! Walter! hier!” riep Feurich: “helpt mij die schurkeneens begroeten.” Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met vereende krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen afgeweerd, doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar den overkant terug.
Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat en meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval op dezelfde wijze doen beproeven.
“Zoo zal het nooit gaan,” zeide een monnik, die naast den aanvoerder stond: “zij moeten allen te water, en gelijktijdig,quasi vir unus,1gelijk de Vulgata zegt.”
“Ik weet, eerwaarde Vader!” zeide Velasco, “dat gij een begenadigd man zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch veroorloof mij in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht dekken, zoo allen te water gaan?”
“En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, thans uitgericht?” vroeg de monnik: “door ons te verdeelen, zullen wij de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam aan mijn ondervinding! Zend de helft van uw volk op den steiger af, en de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag.”
“Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank voer,” hernam Velasco.
“Jongeling!” zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: “Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan te gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg.”
Velasco beet zich op de lippen van toorn. “Het zal dan geschieden,” zeide hij “doch niet op mijn last.”—“Spitsbroeders!” vervolgde hij, terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: “ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, die u ten zege voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman.”—Dit gezegd hebbende, ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet die den monnik voor de voeten en trad terug.
De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. “Docebo vos viam rectam!”2riep de geestelijke, een zwaard uit de handen van een der manschappen grijpende: “Ik zal u zelf het voorbeeld geven en u aantoonen, hoe de zege behaald kan worden.”
Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet het andere vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, wie moed had en toonen wilde, dat het hem ernst was roemen prijs te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun vorigen tegenspoed vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier alleen aan den oever staan bleef. Deze bevond zich nu in den toestand van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven vergezellen voorbij het een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem uitlachende, zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn ouders inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In zooverre echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven staan. Toen hij echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder zijn eer te krenken, als vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en laken; hij sprong in de rivier en zwom weldra al de overigen voorbij.
Ongeveer in ’t midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar op de schutters, die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, ’t geen ten gevolge had, dat een paar van deze laatsten gewond en buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen.
Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; doch daar de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde zij niet; met forsche armen klemde de monnik den balk tegen zijn borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, greep een der kettingen van de vischkaar en slingerde zich er boven op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan de voorpoort reeds had afgeslagen, met eenige Hanevederen in den tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers snelden naar de borstwering: de Spanjaards, die om den boomgaard waren aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en Velasco met de zijnen tot den terugtocht genoodzaakt.
Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van geen wijken. De ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze volharding der Spaansche veteranen verwekte een doodschen schrik bij de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld aan. Vreeselijk stond hij op de kaar, met de eene hand om den ketting gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, waaronder sommige Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met leeuwenwoede tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin beducht was, terondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras de monnik hem in ’t oog had, drong hij met geweld door, liep op den Graaf toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid had.
Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: “septuagies septies!”3
“Ik herken u, vervloekte Jezuïet!” was het antwoord van Falckestein: “doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen.”
Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk op den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, wien het gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den pas af en dreigden hem den dood.
“Grijpt hem levend!” riep Falckestein: “de schelm moet geen krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!”
”Nondum venit hora mea,”4zeide Eugenio, die, schoon hij zich omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van geest verloren had. Evenals de forsche bulhond, die in een weide geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle kanten bestookt ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in ’t rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze voor den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst hij belandde, lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, plofte als een molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten en kwam behouden aan de overzijde.
“Welnu,” zeide Velasco: “gij ziet den heerlijken uitslag van uw onmisbaren aanval!”
”Me deseruerunt omnes!” zeide Eugenio: “zij hebben mij allen verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; vandaag genoeg! Laat nu maar den aftocht blazen.”
Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen toedienen en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te kunnen verwachten.
1Als één man.2Ik zal u den rechten weg leeren.3Zeventigmaal zevenmaal.4Mijne ure is nog niet gekomen.
1Als één man.
2Ik zal u den rechten weg leeren.
3Zeventigmaal zevenmaal.
4Mijne ure is nog niet gekomen.
Vierde Hoofdstuk.Zie hier uw gemalin.’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,Bilderdijk, Floris de Vijfde.Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het leger: het was acht uren geslagen, en nog deed niets het voornemen tot eenigen aanval vermoeden. “Waarlijk,” zeide Feurich, “ik zou beginnen te gelooven, dat zij van hun onderneming afzien en eieren voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren vergenoegen en willen zeker het middagmaal van heden niet afwachten.”“Zoo zij wilden vertrekken,” zeide de Graaf, “hadden wij hun daartoe reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten ronken nog onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk wachten zij versterking uit het hoofdleger, of willen zij ons door honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen alleen over mijn lichaam in het slot mijns vaders komen.”“Heer Graaf!” riep nu Peter de torenwachter: “ziet Uwe Genade die stofwolk van den kant van Duisburg?”“Ach hemel!” zuchtte Beckman: “dat zijn voorzeker de schapen van Göbel, welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: een kudde van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens zullen braden!”“Wat schapen!” hernam de torenwachter: “ik zie duidelijk helmen en lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken.”“Inderdaad,” sprak de Graaf: “doch wat is het? vriend of vijand? Kunt gij het vendel niet onderscheiden?”“Nog niet, Uwe Genade!” antwoordde Peter, “doch ja.... het zijn Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van aanmarsch.”“Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet.”“Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn,” zeide Beckman: “doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?”“Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!” antwoordde zijn Heer: “wat zegt de spreuk:werktenbidt! ga allen aanzeggen, dat zij zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, doch ik zal zelf het gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is.”De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan,ja, ook sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem aan, van Wien alleen zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen te strijden en hen niet beschaamd te maken in de groote beproeving, die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland doorstonden. “Of,” zeide hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, “indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele vrome martelaars, die voor de verdediging van hun vaderland, voor de rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting in de ure des lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon vertoonen om rekenschap af te leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden;gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren!”Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop der plechtigheid niet bemoedigd en als ’t ware meteen nieuw leven bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen bemoedigd had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein gevoelde, niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, zijn boezem beklemd en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken welk lot hij te wachten had, met Beckman en Feurich naar den toren.“Ik zie hun nog geen toebereidselen maken,” zeide Peter de wachter: “de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, en vermaken zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is nog doodstil...dan ginds komen er soldaten uit het bosch en voeren hout mede dat zij gekapt hebben.”“Die schurken,” riep Beckman verontwaardigd uit, “het bosch van Uwe Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan timmerhout uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam.”“En wat moeten zij op die hoogte bouwen,” vervolgde Peter, “daar die twee ezels die stammen naar toe sleepen?”“Och ja!” viel Beckman weemoedig in: “dat zijn de ezels van Lottchen Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd ooit een ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? En daar, de kleinste van de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk doen! doch dat heidensch volk heeft deernis met mensch noch beest.”“Gelukkig nog zijn die arme beesten,” zeide Falckestein, wien, bij de sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook de vrij kluchtig uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geenglimlach konden afpersen: “gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling vatbaar zijn.”“Maar wat gaan zij nu verrichten?” vroeg Feurich, de oogen strak op de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende.“Zeker,” zeide Beckman, “is het hun voornemen een stormgevaarte te maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis gebruikte om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar voor Paus Julius Cesar het bevel voerde.”“Ziet!” vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des Rentmeesters te beantwoorden: “Zij zetten twee balken recht overeind!”“En spijkeren er een derde boven op,” voegde Peter er bij; “dat lijkt als twee droppels water op een galg.”“Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben,” zeide de Graaf, wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken lach afdwong: “of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede zij de bezetting van Orsoy hebben bang gemaakt? Die vlieger zal bij mij niet opgaan.”“Ziet!” vervolgde Feurich: “daar komen de Oversten te paard de hoogte oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd.”“Luistert!” hernam Falckestein, “daar klinkt de trompet, zeker om onze aandacht op dit spel te vestigen.”“En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht,” zeide Peter, het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren.“Ik zie vrouwen uit het leger komen,” zeide Feurich schielijk, “vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den heuvel op.”“Waar? waar?” riep Falckestein.—“Almachtige God! wat zie ik daar?” en zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij over leunde. Het onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna doen herkennen, die met haar twee zoontjes den heuvel werd opgestuwd.“Mijn vrouw!” gilde hij: “mijn kinderen! Zij moeten gered worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!”Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over ’t geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, en niet dan zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening overmeesterd worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, aan wie een minder bedaard gestel te beurt viel. Falckestein strekte tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen te berekenen, zonder in te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis verderf zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren om hem in ’t veld te volgen.Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren liet, en, na een kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten.Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, hoe was hem nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop herrees in zijn gemoed, en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van geest. Spoedig liet hij de valbrug uitwerpen en reed met Feurich en twee ruiters de afgezondenen te gemoed.Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een zijden wambuis, rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en een pronkdegen hing van den breeden gordel. In den anderen herkende Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in ’t gewaad zijner orde. De Hopman voerde het woord:“Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren tegen onze troepen in ’t werk te stellen, zal het u bevreemden, dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard heeft een walg van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, en, bedenk u wel! wij eischen het voor ’t laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, een eerlijken uittocht aanbiedende, voor u en voor de uwen.”“Ik dacht, Hopman!” zeide de Graaf, “dat de wijze, waarop ik u gisteren ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een dergelijk aanbod zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u alle verdere moeite omtrent mij te sparen en u naar uw kamp terug te begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken.”“Dat rade ik u sterk aan,” zeide Eugenio: “gij zult op een vermakelijk schouwspel vergast worden.”“Met den sluipmoordenaar spreek ik niet,” zeide Falckestein, den Jezuïet verachtelijk met de oogen metende.“Graaf!” hervatte Velasco: “ik moet u onder ’t oog brengen, welk leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade voor al wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw en kinderen,” voegde hij er langzaam bij.“Met mijn vrouw en kinderen!” herhaalde Falckestein sidderende.“Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, welke hun lot beslissen moet.”“Hoe moet die zijn?” vroeg Eugenio: “septuagies septies...”1“Ziet!” zeide Falckestein, naar het slot wijzende: “op dat voorpleinstaan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren de zege gaf, zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw tijgerwoede te ontscheuren.”Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af moest loopen, hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude maken..... zijn doel was echter gemist.“De Hemel zij dan hun zielen genadig,” zeide Eugenio. Met deze woorden haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht af.“Wat zal dit?” riep Falckestein, de hand aan ’t zwaard slaande.“Het is een sein,” antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier haalde, hij een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer.” En, om aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, haalde hij den haan over.“Om Gods wil!” gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten uitbrak. “Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!”“Beraad u kort,” herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog.“Wel!” zeide Falckestein: “ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen en handel met mijn slot naar uw verkiezing.”“Gij wordt redelijk, Graaf,” hernam Eugenio, en verborg het moordtuig weder in zijn gewaad.“Trompetter, blaas!” riep Velasco: “Graaf! binnen weinige oogenblikken zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen.”“Komt dan in Gods naam binnen,” zeide de Graaf, “opdat wij over de voorwaarden der overgave spreken mogen.”Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen de valbrug over.—Velasco bekleedde ’s Graven rechterhand, doch in zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, bijna even somber als Falckestein deed, naar den grond, want zijn edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk een wijze gekocht was geweest. Eugenio’s gelaat stond strak; doch onder zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer hij ook meester over zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen.Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, terwijl een traan hem in de oogen blonk:“Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige schande.”“Hoe wij hier ook binnenkomen,” antwoordde Velasco met eene buiging: “het kan u nimmer tot schande verstrekken.”“Wat u betreft,” vervolgde de Graaf tot Eugenio: “ik kan u niet ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren.”“Dat verwondert mij,” zeide Eugenio met veel koelheid: “wantgisteren had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw vrouw en kinderen.”“En belaadt mij met dubbele oneer,” zeide Falckestein, “dat ik u gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet.”“Ik bid u, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “laat ons eene reeds uit haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen verbitteren.”Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; het noodige schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men zich en begon men de voorwaarden der overgave onderling te overleggen.Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens hem gehouden gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken van net verdrag de billijkste en ruimste voorwaarden toestonden: de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid een zweem van spotternij, doch de uitslag bleef gunstig voor den Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel op staanden voet zou overgaan aan de Infante, dat de bezetting met krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude uittrekken: dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun bedieningen zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug te keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende partijen geteekend en aan weerskanten overgenomen werden.Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan het hoofd van zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de Gravin van Falckestein gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene vrouwen volgden met het oudste knaapje, te voet: en boven dezen stak de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de hand geleidde. De trein hield op een afstand van het kasteel stil, en, nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen had, trad Falckestein, te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die met een buiging aan Velasco bood. “Ik vervul,” zeide deze, terwijl hij de kenteekenen der overdracht aannam, “de eerste voorwaarde onzer overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, die mede in onze macht gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, die door de slagen mijner wapenbroeders gevallen zijn, u niet terug kan geven.”—Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid de Gravin van het paard en stelde haar aan haren gemaal voor.Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit oogenblik onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had kunnen verdedigen, bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in ’t oog, drukte hij de hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde zijn kinderen en vergezelde met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot.“Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!” zeide hij in ’t gaan tegen Beckman: “tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam te maken.”De grijsaard snikte luid: “Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe Genade elders geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren overgewonnen om zijn weinige levensdagen nog te kunnen doorbrengen zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader stierf, was ik diep bedroefd; maar het denkbeeld troostte mij, dat Uw Genade mijn Heer en Meester werd.Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans”.... hier beletteden de tranen hem te spreken.“Droog uw oogen, mijn vriend!” zeide Falckestein, “niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos van gindschen torentop blijven waaien.—Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe bezitters gedragen.”In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. “Heer Graaf!” zeide deze: “Het zal u wellicht aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken.”—Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco’s beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de bezetting kon worden uitgevoerd.Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: “Ach!” riep zij uit: “datiku onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend.”“En uw kinderen!” zeide Falckestein: “Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?”“Mijn kinderen!” zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: “doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!—Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste wreedheid geworden.”“Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?”“Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch ’t zij dat hij in vijandelijke handen viel, ’t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van ’t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep:“Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?”“Ik ken die stem,” zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena’s welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was intusschen door een der ruiters op ’t paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaarddreigde, hem in ’t water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in ’t gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:—de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: “Bruck! Bruck!”—Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!”Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot was afgebroken. “Er is iets vreemds,” zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, “in het gedrag van die Magdalena! zij heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet.”Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken.1Zeventigmaal zevenmalen.
Zie hier uw gemalin.’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,Bilderdijk, Floris de Vijfde.
Zie hier uw gemalin.’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,
Zie hier uw gemalin.
’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,
Bilderdijk, Floris de Vijfde.
Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het leger: het was acht uren geslagen, en nog deed niets het voornemen tot eenigen aanval vermoeden. “Waarlijk,” zeide Feurich, “ik zou beginnen te gelooven, dat zij van hun onderneming afzien en eieren voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren vergenoegen en willen zeker het middagmaal van heden niet afwachten.”
“Zoo zij wilden vertrekken,” zeide de Graaf, “hadden wij hun daartoe reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten ronken nog onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk wachten zij versterking uit het hoofdleger, of willen zij ons door honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen alleen over mijn lichaam in het slot mijns vaders komen.”
“Heer Graaf!” riep nu Peter de torenwachter: “ziet Uwe Genade die stofwolk van den kant van Duisburg?”
“Ach hemel!” zuchtte Beckman: “dat zijn voorzeker de schapen van Göbel, welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: een kudde van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens zullen braden!”
“Wat schapen!” hernam de torenwachter: “ik zie duidelijk helmen en lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken.”
“Inderdaad,” sprak de Graaf: “doch wat is het? vriend of vijand? Kunt gij het vendel niet onderscheiden?”
“Nog niet, Uwe Genade!” antwoordde Peter, “doch ja.... het zijn Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van aanmarsch.”
“Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet.”
“Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn,” zeide Beckman: “doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?”
“Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!” antwoordde zijn Heer: “wat zegt de spreuk:werktenbidt! ga allen aanzeggen, dat zij zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, doch ik zal zelf het gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is.”
De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan,ja, ook sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem aan, van Wien alleen zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen te strijden en hen niet beschaamd te maken in de groote beproeving, die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland doorstonden. “Of,” zeide hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, “indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele vrome martelaars, die voor de verdediging van hun vaderland, voor de rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting in de ure des lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon vertoonen om rekenschap af te leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden;gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren!”
Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop der plechtigheid niet bemoedigd en als ’t ware meteen nieuw leven bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen bemoedigd had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein gevoelde, niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, zijn boezem beklemd en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken welk lot hij te wachten had, met Beckman en Feurich naar den toren.
“Ik zie hun nog geen toebereidselen maken,” zeide Peter de wachter: “de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, en vermaken zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is nog doodstil...dan ginds komen er soldaten uit het bosch en voeren hout mede dat zij gekapt hebben.”
“Die schurken,” riep Beckman verontwaardigd uit, “het bosch van Uwe Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan timmerhout uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam.”
“En wat moeten zij op die hoogte bouwen,” vervolgde Peter, “daar die twee ezels die stammen naar toe sleepen?”
“Och ja!” viel Beckman weemoedig in: “dat zijn de ezels van Lottchen Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd ooit een ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? En daar, de kleinste van de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk doen! doch dat heidensch volk heeft deernis met mensch noch beest.”
“Gelukkig nog zijn die arme beesten,” zeide Falckestein, wien, bij de sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook de vrij kluchtig uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geenglimlach konden afpersen: “gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling vatbaar zijn.”
“Maar wat gaan zij nu verrichten?” vroeg Feurich, de oogen strak op de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende.
“Zeker,” zeide Beckman, “is het hun voornemen een stormgevaarte te maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis gebruikte om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar voor Paus Julius Cesar het bevel voerde.”
“Ziet!” vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des Rentmeesters te beantwoorden: “Zij zetten twee balken recht overeind!”
“En spijkeren er een derde boven op,” voegde Peter er bij; “dat lijkt als twee droppels water op een galg.”
“Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben,” zeide de Graaf, wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken lach afdwong: “of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede zij de bezetting van Orsoy hebben bang gemaakt? Die vlieger zal bij mij niet opgaan.”
“Ziet!” vervolgde Feurich: “daar komen de Oversten te paard de hoogte oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd.”
“Luistert!” hernam Falckestein, “daar klinkt de trompet, zeker om onze aandacht op dit spel te vestigen.”
“En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht,” zeide Peter, het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren.
“Ik zie vrouwen uit het leger komen,” zeide Feurich schielijk, “vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den heuvel op.”
“Waar? waar?” riep Falckestein.—“Almachtige God! wat zie ik daar?” en zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij over leunde. Het onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna doen herkennen, die met haar twee zoontjes den heuvel werd opgestuwd.
“Mijn vrouw!” gilde hij: “mijn kinderen! Zij moeten gered worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!”
Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over ’t geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, en niet dan zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening overmeesterd worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, aan wie een minder bedaard gestel te beurt viel. Falckestein strekte tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen te berekenen, zonder in te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis verderf zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren om hem in ’t veld te volgen.
Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren liet, en, na een kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten.
Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, hoe was hem nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop herrees in zijn gemoed, en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van geest. Spoedig liet hij de valbrug uitwerpen en reed met Feurich en twee ruiters de afgezondenen te gemoed.
Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een zijden wambuis, rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en een pronkdegen hing van den breeden gordel. In den anderen herkende Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in ’t gewaad zijner orde. De Hopman voerde het woord:
“Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren tegen onze troepen in ’t werk te stellen, zal het u bevreemden, dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard heeft een walg van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, en, bedenk u wel! wij eischen het voor ’t laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, een eerlijken uittocht aanbiedende, voor u en voor de uwen.”
“Ik dacht, Hopman!” zeide de Graaf, “dat de wijze, waarop ik u gisteren ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een dergelijk aanbod zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u alle verdere moeite omtrent mij te sparen en u naar uw kamp terug te begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken.”
“Dat rade ik u sterk aan,” zeide Eugenio: “gij zult op een vermakelijk schouwspel vergast worden.”
“Met den sluipmoordenaar spreek ik niet,” zeide Falckestein, den Jezuïet verachtelijk met de oogen metende.
“Graaf!” hervatte Velasco: “ik moet u onder ’t oog brengen, welk leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade voor al wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw en kinderen,” voegde hij er langzaam bij.
“Met mijn vrouw en kinderen!” herhaalde Falckestein sidderende.
“Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, welke hun lot beslissen moet.”
“Hoe moet die zijn?” vroeg Eugenio: “septuagies septies...”1
“Ziet!” zeide Falckestein, naar het slot wijzende: “op dat voorpleinstaan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren de zege gaf, zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw tijgerwoede te ontscheuren.”
Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af moest loopen, hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude maken..... zijn doel was echter gemist.
“De Hemel zij dan hun zielen genadig,” zeide Eugenio. Met deze woorden haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht af.
“Wat zal dit?” riep Falckestein, de hand aan ’t zwaard slaande.
“Het is een sein,” antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier haalde, hij een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer.” En, om aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, haalde hij den haan over.
“Om Gods wil!” gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten uitbrak. “Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!”
“Beraad u kort,” herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog.
“Wel!” zeide Falckestein: “ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen en handel met mijn slot naar uw verkiezing.”
“Gij wordt redelijk, Graaf,” hernam Eugenio, en verborg het moordtuig weder in zijn gewaad.
“Trompetter, blaas!” riep Velasco: “Graaf! binnen weinige oogenblikken zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen.”
“Komt dan in Gods naam binnen,” zeide de Graaf, “opdat wij over de voorwaarden der overgave spreken mogen.”
Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen de valbrug over.—Velasco bekleedde ’s Graven rechterhand, doch in zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, bijna even somber als Falckestein deed, naar den grond, want zijn edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk een wijze gekocht was geweest. Eugenio’s gelaat stond strak; doch onder zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer hij ook meester over zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen.
Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, terwijl een traan hem in de oogen blonk:
“Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige schande.”
“Hoe wij hier ook binnenkomen,” antwoordde Velasco met eene buiging: “het kan u nimmer tot schande verstrekken.”
“Wat u betreft,” vervolgde de Graaf tot Eugenio: “ik kan u niet ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren.”
“Dat verwondert mij,” zeide Eugenio met veel koelheid: “wantgisteren had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw vrouw en kinderen.”
“En belaadt mij met dubbele oneer,” zeide Falckestein, “dat ik u gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet.”
“Ik bid u, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “laat ons eene reeds uit haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen verbitteren.”
Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; het noodige schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men zich en begon men de voorwaarden der overgave onderling te overleggen.
Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens hem gehouden gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken van net verdrag de billijkste en ruimste voorwaarden toestonden: de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid een zweem van spotternij, doch de uitslag bleef gunstig voor den Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel op staanden voet zou overgaan aan de Infante, dat de bezetting met krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude uittrekken: dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun bedieningen zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug te keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende partijen geteekend en aan weerskanten overgenomen werden.
Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan het hoofd van zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de Gravin van Falckestein gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene vrouwen volgden met het oudste knaapje, te voet: en boven dezen stak de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de hand geleidde. De trein hield op een afstand van het kasteel stil, en, nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen had, trad Falckestein, te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die met een buiging aan Velasco bood. “Ik vervul,” zeide deze, terwijl hij de kenteekenen der overdracht aannam, “de eerste voorwaarde onzer overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, die mede in onze macht gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, die door de slagen mijner wapenbroeders gevallen zijn, u niet terug kan geven.”—Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid de Gravin van het paard en stelde haar aan haren gemaal voor.
Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit oogenblik onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had kunnen verdedigen, bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in ’t oog, drukte hij de hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde zijn kinderen en vergezelde met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot.
“Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!” zeide hij in ’t gaan tegen Beckman: “tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam te maken.”
De grijsaard snikte luid: “Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe Genade elders geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren overgewonnen om zijn weinige levensdagen nog te kunnen doorbrengen zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader stierf, was ik diep bedroefd; maar het denkbeeld troostte mij, dat Uw Genade mijn Heer en Meester werd.
Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans”.... hier beletteden de tranen hem te spreken.
“Droog uw oogen, mijn vriend!” zeide Falckestein, “niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos van gindschen torentop blijven waaien.—Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe bezitters gedragen.”
In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. “Heer Graaf!” zeide deze: “Het zal u wellicht aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken.”—Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco’s beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de bezetting kon worden uitgevoerd.
Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: “Ach!” riep zij uit: “datiku onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend.”
“En uw kinderen!” zeide Falckestein: “Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?”
“Mijn kinderen!” zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: “doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!—Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste wreedheid geworden.”
“Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?”
“Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch ’t zij dat hij in vijandelijke handen viel, ’t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van ’t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep:
“Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?”
“Ik ken die stem,” zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena’s welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was intusschen door een der ruiters op ’t paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaarddreigde, hem in ’t water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in ’t gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:—de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: “Bruck! Bruck!”—Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!”
Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot was afgebroken. “Er is iets vreemds,” zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, “in het gedrag van die Magdalena! zij heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet.”
Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken.
1Zeventigmaal zevenmalen.
1Zeventigmaal zevenmalen.