Vijfde Hoofdstuk.Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.Vondel, Brief aan den Drost van Muiden.Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan ’t hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheeletrein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.—Schier tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op ’t paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en ’t zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, ’t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf te slaan.“Wie,” vroeg hij, “heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!”“En wie,” vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, “heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?”“Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!” zeide Lopez. “Tracht nooit te vergeten, dat gij onder mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden.”“Niet, zoolang ik hem verdedigen kan,” riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden blinken liet.“Wij zullen zien, wie hier meester is,” riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af.“Toef hier slechts een oogenblik,” zeide Velasco tegen den Graaf: “ik moet het uiterste wagen.” Onder het uiten dezer woorden volgdehij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich bij hem.“Wat moet dit kluchtspel beduiden?” vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden.“Niet anders,” zeide Velasco, “dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden.”“Soldaten!” brulde Lopez: “zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?”De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.“Wakkere spitsbroeders!” riep toen Velasco: “uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! ’t Is niet onder Velasco’s vendel, dat de bloeddorst en ’t verraad hun beulen zoeken moeten!”Juichend riepen de meesten; “Voor Velasco!” en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid.“Men misleidt u, soldaten!”’ zeide Lopez: “en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!”Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in ’t slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. “Welk een schande!” zeide hij: “Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen.”“Doe zooals gij wilt,” antwoordde Velasco: “uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over.”De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek.“Ik heb hoop,” zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: “dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdatde Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen.”Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. “Ik wensch u geluk,” zeide hij: “voor ’t oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken.”“Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!” zeide de Graaf: “doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun lot bewust?”“Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,” zeide Velasco.“En hier is de jongste,” zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den arm. “De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad.”“Edele vrienden!” zeide Falckestein, hun de hand drukkende: “God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts danken.” En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had.Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. “Ik zou moed kunnen vatten,” zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, “ik zou hoop kunnen voeden, indienik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden.”“Ik geloof,” zeide Velasco, “dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in ’t werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?”“Wat is een Godsdienst,” antwoordde Falckestein, “welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet....”“Gij gaatargumenteeren,” hernam Velasco, glimlachende: “ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke.”—Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek ten einde liep.Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo ’t scheen, in hevige ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. “Graaf!” zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, “ik weet niet hoe het met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in ’t hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdriftvan het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude.”“De dood staat reeds lang voor mijn oogen,” zeide Falckestein: “doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, ik smeek u, red zoo ’t u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug.”“Ik hoop ook den vader te redden,” zeide Velasco met waardigheid: “daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien.”“En gij,” hernam de Graaf: “zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan de straf onttrokken hebt?”“Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is.”“Wel!” sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: “ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw beste wenschen!”Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, ’s Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan.“Waar is Ulrich?” vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.“Die is met Beckman naar den tuin gegaan,” antwoordde Magdalena. “Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen.”“Het is wel,” zeide de Graaf: “hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken.”Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.“Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal,” zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had: “Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn.”“Gij?” zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. “Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?”“Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!” zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets.”“Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,” hernam Falckestein, die door de redenen vanMagdalenakwalijk overtuigd werd: “wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen.”“Zooals gij wilt,” zeide Magdalena: “aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent.”“Hoe!” riep Falckestein verbaasd: “en wat kan u zoo zeker doen spreken?”....Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder ’t naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.“Graaf,” zeide hij: “ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken.”“Is dit zoo noodzakelijk?” vroeg Magdalena met drift: “en waarom kunt gij dit hier niet?”“Vrouwe! wat is er tusschen u en mij?Quid inter me et te?” zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: “Heer Graaf! een oogenblik slechts,” vervolgde hij, zich tot dezen wendende.“Ik zal u volgen,” zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezuïet te verwekken.Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen te harken.“Verwijder u, Beckman!” zeide de Graaf: “de Pater heeft mij iets te zeggen.”“Laat den ouden man maar blijven,” zeide Eugenio: “ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de Vulgata?In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum.”1De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voorzijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak den Graaf in dezer voege aan:“Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?”“Afscheid genomen?” zeide Falckestein verrast.“Ongetwijfeld!” hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: “uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?”“Het smart mij, dat hij ons verlaat,” zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio’s vraag wenschte te ontwijken.“Luister!” zeide Eugenio: “hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?”“Inderdaad,” antwoordde de Graaf. “Wat beduidt dit gerucht?”“Het is uw vriend, die wegrijdt,” hernam de Jezuïet met koelheid. “Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; dochHomo proponit et Deus disponit!2gelijk de spreuk zegt.”“Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,” hernam Falckestein: “God vergezelle hem!””Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende.—“Ik twijfel niet, of Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, dat haar en de haren boven ’t hoofd hangt? Ik ben zoo gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden.”“Indien ik van u mijn lot vernemen moet,” zeide Falckestein, “dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken.”“Dat was ook de meening van Velasco,” zeide de Jezuïet: “doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen.”De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over.“Gij ziet dus,” vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschapvonkelden, “gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen.”“En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?....”“Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen.”“Van u?” antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: “liever stierf ik duizend dooden.”“Juist!septuagies septies3; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?”“God in den hemel! Mijn Ulrich!” gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. “Geen stap verder!” riep Eugenio, “of gij zijt de moordenaar van uw kind!”Falckestein bleef doodsbleek staan.“Graaf!” vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: “hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?”“Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder....”“Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig.”“IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij.”“Wien de koe behoort, behoort ook het kalf,” zeide Eugenio grijnzende.“Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!”“Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met het water zien spartelen.”“Onmensch! ik bezweer u.”“Vruchteloos!”“Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in ’t stof, doch spaar mijn kind!”“Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein,de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het zand geknield. Kom! begin uwconfiteor!4wel moogt gij zeggen: “Pater peccavi.5Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel:septuagies septies!6”Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van:o Jezu! ter aarde stortte.Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag geloopen, alwaar, volgens Velasco’s belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de plaats waar het kind gezonken was, ’tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht.Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck.Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zichvan zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal.Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van ’t geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in ’t natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester.Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.1In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.2De mensch wikt en God beschikt.3Zeventigmaal zevenmalen.4Confiteorbeteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.5Ik heb gezondigd, vader.6Zeventigmaal zevenmalen.Zesde Hoofdstuk.Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.Wie zich derf onderwindenEen’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op denWeert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd—vooral dat der Staten—leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als bovenstaande.Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, ’s Vorsten vriend en leermeester, die hem in ’t veld als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden ’s Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan ’t hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune,den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.“De Gravin van Falckestein!” zeide Maurits met aandoening: “zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst.Vetter!” vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. “Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht.”Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van ’s Veldheers legertent eerbiedig staan.Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan.HoratioVere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: “a fine lady, to be sure1, nietwaar?” “Ik heb er niet op gelet,” antwoordde de Ritmeester: “ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert.” Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.”He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation....”2Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet andersuitbrengen dan deze woorden: “Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!”“Sta op, Mevrouw! en neem plaats,” zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: “gij komt hier bij een vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!”Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.”Vetter!” zeide hij: “maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid mag behouden.”—Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van zijn bloedverwant aanbevelende. “Kwijt u wel van uw post,Vetter!” fluisterde hij hem in ’t oor, “en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn.”Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. “De par tous les diables!” riep Bethune uit: “Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken?et sans vengeance? Permetteere ons Son Excellence om te kaanvengerso skendikke skelmstukke?”“Op wie?” vroeg Stevyn glimlachende.“Oppe wie? Parbleu!Monsieur le Quartiermaître! dat isse eene vraak van eenmathématicien.Diable!sur tout le monde, pour l’honneur de l’humanité.””Revenge on die damndvermorderers!” riep Vere.“Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache,” zeide Graaf Ernst.“Hoe nu, Mijne Heeren!” zeide Maurits: “wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone vrouw te gaan wreken?””Pardon, votre Excellence!!” zeide Bethune; “maar ik bekrijp,en vrai chevalier Français, te moeten omhelsla causevan de bedruktebeauté.””A child murdered!” riep Vere: “het roept om wraakto the Lord!”“Ein vertrag zu erbrechen!” hernam Graaf Ernst.“Recht zoo!” zeide Graaf Maurits: “dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regeltand voor tandenoog voor oogis door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.—En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel.” Dit gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.“Wiskunstige toomen!ne sont-ce pas comme qui dirait des brides mathématiques?” vroeg Bethune met een spottenden glimlach.”The same,” antwoordde Vere; “doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons,” (vervolgde hij in gebroken Fransch, hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); “maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, ’t welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja:vlietende topswaerheit: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes zich altijd weder herstelden!””Ah! c’est un grand génie, quo son Excellence,” zeide Bethune: “mais pourtant, des brides mathématiques!c’est plaisant!je doute que cela prenne.””Et cela prendra cependant,” zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik bencertein, dat ge denierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt.””Je n’ en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant....”“Komtmeine Herren!” riep graaf Ernst hun toe: “wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?”—Dit voorstel vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter ’s Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.—“Zijn dat mannen?” mompelde hij onder ’t voortgaan: “in ’t eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!”Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters handschoenen en degenhanger.“Ik hoor,” zeide deze, “dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is.”“Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders.”“Die arme Graaf!” zeide Bouke: “doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? ’t zijn allen fielten en rabauwen: heugt het UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand.”“Nu,” hernam Reede: “ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken.”“Juist,” merkte Bouke aan: “men moet het ijzer smeden als ’t warm is.”De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.“Gij ziet dus, Kessel!” zeide de Graaf, “dat onze leer op goedegronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen.”“Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen,” antwoordde Kessel; “doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid.”“Ten iersten,” zeide Stevyn, “zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven.”“Eilieve zie eens!” zeide Lieven Cys, “hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: ’t is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo kauwt hij op zijn hoed.”“Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest,” merkte Stevyn aan, al lachende: “daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon.”“Gij zult zien,” zeide de Graaf, “dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de verlegenheid helpen.—Kapitein Reede! een woordje met u, als ’t u gelegen komt!”Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan ’s Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in ’t gezicht ziende, hem aldus toesprak: “Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken betreft.”“Uwe Excellentie is al te goed,” was het antwoord des Ritmeesters: “en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden....”“Hoe!” vroeg Maurits: “is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt.””’t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun.”“Welnu?” zeide Maurits: “en gij wilt?....”“Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde,” was het antwoord.“Ik versta u,” hernam de Graaf met veel koelheid,“doch een expeditie ligt niet in mijn plan.”“Uwe Excellentie!....”“Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.“Mag ik,” hernam Reede met aandrang, “mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken zijn moordenaars.”“Doch waar zult gij hen vinden?”“Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik....”“Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!” vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: “gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is.”“Niet? O! in ’s Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?”“Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?”“Als goud, Uwe Excellentie.”“Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur.”“Dan zal ik zorgen mij niet te branden,” zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam: “het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan.”Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen.De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken.”“Zoo!” zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: “ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is ’t zelden te huis, hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels.”Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok,terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak: “Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar.”“Waartoe? waarheen? waarop is ’t gemunt?” vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.“Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,” antwoordde de Luitenant: “UEd weet dat zijn geheimen....”“Genoeg!” hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: “ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij eenautoda-févan mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen.”“Welk paard zal UEd. berijden?” vroeg Bouke.“Om ’t even: neem ’t grauwtje maar!”“Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!” zeide de Luitenant: “de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij duister gezien.”“Bij nacht zijn alle katten grauw,” merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht.“Gekheid, Bouke,” zei deze: “de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... ’t is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?—Niet!.... dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?”Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in ’t open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant een paar malen, en zijn seinwerd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op ’t hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.“Heer Ritmeester!” sprak deze: “de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan honderd ruiters,uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza getrokken moet zijn.—Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!—Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!”“Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen,” zeide Reede vol blijdschap: “dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!”—En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde.1Voorwaar, een fraaie vrouw!2Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem.
Vijfde Hoofdstuk.Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.Vondel, Brief aan den Drost van Muiden.Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan ’t hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheeletrein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.—Schier tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op ’t paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en ’t zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, ’t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf te slaan.“Wie,” vroeg hij, “heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!”“En wie,” vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, “heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?”“Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!” zeide Lopez. “Tracht nooit te vergeten, dat gij onder mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden.”“Niet, zoolang ik hem verdedigen kan,” riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden blinken liet.“Wij zullen zien, wie hier meester is,” riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af.“Toef hier slechts een oogenblik,” zeide Velasco tegen den Graaf: “ik moet het uiterste wagen.” Onder het uiten dezer woorden volgdehij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich bij hem.“Wat moet dit kluchtspel beduiden?” vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden.“Niet anders,” zeide Velasco, “dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden.”“Soldaten!” brulde Lopez: “zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?”De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.“Wakkere spitsbroeders!” riep toen Velasco: “uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! ’t Is niet onder Velasco’s vendel, dat de bloeddorst en ’t verraad hun beulen zoeken moeten!”Juichend riepen de meesten; “Voor Velasco!” en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid.“Men misleidt u, soldaten!”’ zeide Lopez: “en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!”Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in ’t slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. “Welk een schande!” zeide hij: “Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen.”“Doe zooals gij wilt,” antwoordde Velasco: “uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over.”De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek.“Ik heb hoop,” zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: “dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdatde Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen.”Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. “Ik wensch u geluk,” zeide hij: “voor ’t oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken.”“Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!” zeide de Graaf: “doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun lot bewust?”“Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,” zeide Velasco.“En hier is de jongste,” zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den arm. “De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad.”“Edele vrienden!” zeide Falckestein, hun de hand drukkende: “God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts danken.” En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had.Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. “Ik zou moed kunnen vatten,” zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, “ik zou hoop kunnen voeden, indienik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden.”“Ik geloof,” zeide Velasco, “dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in ’t werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?”“Wat is een Godsdienst,” antwoordde Falckestein, “welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet....”“Gij gaatargumenteeren,” hernam Velasco, glimlachende: “ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke.”—Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek ten einde liep.Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo ’t scheen, in hevige ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. “Graaf!” zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, “ik weet niet hoe het met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in ’t hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdriftvan het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude.”“De dood staat reeds lang voor mijn oogen,” zeide Falckestein: “doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, ik smeek u, red zoo ’t u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug.”“Ik hoop ook den vader te redden,” zeide Velasco met waardigheid: “daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien.”“En gij,” hernam de Graaf: “zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan de straf onttrokken hebt?”“Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is.”“Wel!” sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: “ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw beste wenschen!”Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, ’s Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan.“Waar is Ulrich?” vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.“Die is met Beckman naar den tuin gegaan,” antwoordde Magdalena. “Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen.”“Het is wel,” zeide de Graaf: “hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken.”Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.“Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal,” zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had: “Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn.”“Gij?” zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. “Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?”“Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!” zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets.”“Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,” hernam Falckestein, die door de redenen vanMagdalenakwalijk overtuigd werd: “wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen.”“Zooals gij wilt,” zeide Magdalena: “aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent.”“Hoe!” riep Falckestein verbaasd: “en wat kan u zoo zeker doen spreken?”....Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder ’t naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.“Graaf,” zeide hij: “ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken.”“Is dit zoo noodzakelijk?” vroeg Magdalena met drift: “en waarom kunt gij dit hier niet?”“Vrouwe! wat is er tusschen u en mij?Quid inter me et te?” zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: “Heer Graaf! een oogenblik slechts,” vervolgde hij, zich tot dezen wendende.“Ik zal u volgen,” zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezuïet te verwekken.Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen te harken.“Verwijder u, Beckman!” zeide de Graaf: “de Pater heeft mij iets te zeggen.”“Laat den ouden man maar blijven,” zeide Eugenio: “ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de Vulgata?In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum.”1De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voorzijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak den Graaf in dezer voege aan:“Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?”“Afscheid genomen?” zeide Falckestein verrast.“Ongetwijfeld!” hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: “uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?”“Het smart mij, dat hij ons verlaat,” zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio’s vraag wenschte te ontwijken.“Luister!” zeide Eugenio: “hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?”“Inderdaad,” antwoordde de Graaf. “Wat beduidt dit gerucht?”“Het is uw vriend, die wegrijdt,” hernam de Jezuïet met koelheid. “Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; dochHomo proponit et Deus disponit!2gelijk de spreuk zegt.”“Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,” hernam Falckestein: “God vergezelle hem!””Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende.—“Ik twijfel niet, of Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, dat haar en de haren boven ’t hoofd hangt? Ik ben zoo gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden.”“Indien ik van u mijn lot vernemen moet,” zeide Falckestein, “dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken.”“Dat was ook de meening van Velasco,” zeide de Jezuïet: “doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen.”De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over.“Gij ziet dus,” vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschapvonkelden, “gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen.”“En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?....”“Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen.”“Van u?” antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: “liever stierf ik duizend dooden.”“Juist!septuagies septies3; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?”“God in den hemel! Mijn Ulrich!” gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. “Geen stap verder!” riep Eugenio, “of gij zijt de moordenaar van uw kind!”Falckestein bleef doodsbleek staan.“Graaf!” vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: “hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?”“Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder....”“Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig.”“IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij.”“Wien de koe behoort, behoort ook het kalf,” zeide Eugenio grijnzende.“Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!”“Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met het water zien spartelen.”“Onmensch! ik bezweer u.”“Vruchteloos!”“Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in ’t stof, doch spaar mijn kind!”“Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein,de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het zand geknield. Kom! begin uwconfiteor!4wel moogt gij zeggen: “Pater peccavi.5Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel:septuagies septies!6”Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van:o Jezu! ter aarde stortte.Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag geloopen, alwaar, volgens Velasco’s belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de plaats waar het kind gezonken was, ’tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht.Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck.Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zichvan zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal.Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van ’t geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in ’t natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester.Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.1In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.2De mensch wikt en God beschikt.3Zeventigmaal zevenmalen.4Confiteorbeteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.5Ik heb gezondigd, vader.6Zeventigmaal zevenmalen.
Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.Vondel, Brief aan den Drost van Muiden.
Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.
Vondel, Brief aan den Drost van Muiden.
Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan ’t hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheeletrein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.—Schier tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op ’t paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en ’t zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, ’t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.
Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf te slaan.
“Wie,” vroeg hij, “heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!”
“En wie,” vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, “heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?”
“Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!” zeide Lopez. “Tracht nooit te vergeten, dat gij onder mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden.”
“Niet, zoolang ik hem verdedigen kan,” riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden blinken liet.
“Wij zullen zien, wie hier meester is,” riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af.
“Toef hier slechts een oogenblik,” zeide Velasco tegen den Graaf: “ik moet het uiterste wagen.” Onder het uiten dezer woorden volgdehij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich bij hem.
“Wat moet dit kluchtspel beduiden?” vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden.
“Niet anders,” zeide Velasco, “dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden.”
“Soldaten!” brulde Lopez: “zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?”
De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.
“Wakkere spitsbroeders!” riep toen Velasco: “uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! ’t Is niet onder Velasco’s vendel, dat de bloeddorst en ’t verraad hun beulen zoeken moeten!”
Juichend riepen de meesten; “Voor Velasco!” en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid.
“Men misleidt u, soldaten!”’ zeide Lopez: “en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!”
Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in ’t slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. “Welk een schande!” zeide hij: “Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen.”
“Doe zooals gij wilt,” antwoordde Velasco: “uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over.”
De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek.
“Ik heb hoop,” zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: “dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdatde Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen.”
Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.
Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.
Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. “Ik wensch u geluk,” zeide hij: “voor ’t oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken.”
“Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!” zeide de Graaf: “doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun lot bewust?”
“Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,” zeide Velasco.
“En hier is de jongste,” zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den arm. “De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad.”
“Edele vrienden!” zeide Falckestein, hun de hand drukkende: “God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts danken.” En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had.
Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. “Ik zou moed kunnen vatten,” zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, “ik zou hoop kunnen voeden, indienik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden.”
“Ik geloof,” zeide Velasco, “dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in ’t werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?”
“Wat is een Godsdienst,” antwoordde Falckestein, “welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet....”
“Gij gaatargumenteeren,” hernam Velasco, glimlachende: “ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke.”—Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek ten einde liep.
Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo ’t scheen, in hevige ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. “Graaf!” zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, “ik weet niet hoe het met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in ’t hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdriftvan het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude.”
“De dood staat reeds lang voor mijn oogen,” zeide Falckestein: “doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, ik smeek u, red zoo ’t u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug.”
“Ik hoop ook den vader te redden,” zeide Velasco met waardigheid: “daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien.”
“En gij,” hernam de Graaf: “zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan de straf onttrokken hebt?”
“Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is.”
“Wel!” sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: “ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw beste wenschen!”
Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, ’s Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan.
“Waar is Ulrich?” vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.
“Die is met Beckman naar den tuin gegaan,” antwoordde Magdalena. “Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen.”
“Het is wel,” zeide de Graaf: “hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken.”
Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.
“Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal,” zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had: “Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn.”
“Gij?” zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. “Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?”
“Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!” zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets.”
“Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,” hernam Falckestein, die door de redenen vanMagdalenakwalijk overtuigd werd: “wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen.”
“Zooals gij wilt,” zeide Magdalena: “aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent.”
“Hoe!” riep Falckestein verbaasd: “en wat kan u zoo zeker doen spreken?”....
Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder ’t naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.
“Graaf,” zeide hij: “ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken.”
“Is dit zoo noodzakelijk?” vroeg Magdalena met drift: “en waarom kunt gij dit hier niet?”
“Vrouwe! wat is er tusschen u en mij?Quid inter me et te?” zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: “Heer Graaf! een oogenblik slechts,” vervolgde hij, zich tot dezen wendende.
“Ik zal u volgen,” zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezuïet te verwekken.
Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen te harken.
“Verwijder u, Beckman!” zeide de Graaf: “de Pater heeft mij iets te zeggen.”
“Laat den ouden man maar blijven,” zeide Eugenio: “ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de Vulgata?In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum.”1
De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voorzijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak den Graaf in dezer voege aan:
“Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?”
“Afscheid genomen?” zeide Falckestein verrast.
“Ongetwijfeld!” hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: “uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?”
“Het smart mij, dat hij ons verlaat,” zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio’s vraag wenschte te ontwijken.
“Luister!” zeide Eugenio: “hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?”
“Inderdaad,” antwoordde de Graaf. “Wat beduidt dit gerucht?”
“Het is uw vriend, die wegrijdt,” hernam de Jezuïet met koelheid. “Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; dochHomo proponit et Deus disponit!2gelijk de spreuk zegt.”
“Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,” hernam Falckestein: “God vergezelle hem!”
”Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende.—“Ik twijfel niet, of Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, dat haar en de haren boven ’t hoofd hangt? Ik ben zoo gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden.”
“Indien ik van u mijn lot vernemen moet,” zeide Falckestein, “dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken.”
“Dat was ook de meening van Velasco,” zeide de Jezuïet: “doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen.”
De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over.
“Gij ziet dus,” vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschapvonkelden, “gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen.”
“En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?....”
“Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen.”
“Van u?” antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: “liever stierf ik duizend dooden.”
“Juist!septuagies septies3; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?”
“God in den hemel! Mijn Ulrich!” gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. “Geen stap verder!” riep Eugenio, “of gij zijt de moordenaar van uw kind!”
Falckestein bleef doodsbleek staan.
“Graaf!” vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: “hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?”
“Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder....”
“Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig.”
“IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij.”
“Wien de koe behoort, behoort ook het kalf,” zeide Eugenio grijnzende.
“Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!”
“Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met het water zien spartelen.”
“Onmensch! ik bezweer u.”
“Vruchteloos!”
“Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in ’t stof, doch spaar mijn kind!”
“Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein,de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het zand geknield. Kom! begin uwconfiteor!4wel moogt gij zeggen: “Pater peccavi.5Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel:septuagies septies!6”
Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van:o Jezu! ter aarde stortte.
Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag geloopen, alwaar, volgens Velasco’s belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de plaats waar het kind gezonken was, ’tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht.
Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck.
Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zichvan zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal.
Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van ’t geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in ’t natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester.
Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.
1In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.2De mensch wikt en God beschikt.3Zeventigmaal zevenmalen.4Confiteorbeteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.5Ik heb gezondigd, vader.6Zeventigmaal zevenmalen.
1In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
2De mensch wikt en God beschikt.
3Zeventigmaal zevenmalen.
4Confiteorbeteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.
5Ik heb gezondigd, vader.
6Zeventigmaal zevenmalen.
Zesde Hoofdstuk.Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.Wie zich derf onderwindenEen’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op denWeert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd—vooral dat der Staten—leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als bovenstaande.Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, ’s Vorsten vriend en leermeester, die hem in ’t veld als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden ’s Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan ’t hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune,den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.“De Gravin van Falckestein!” zeide Maurits met aandoening: “zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst.Vetter!” vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. “Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht.”Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van ’s Veldheers legertent eerbiedig staan.Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan.HoratioVere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: “a fine lady, to be sure1, nietwaar?” “Ik heb er niet op gelet,” antwoordde de Ritmeester: “ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert.” Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.”He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation....”2Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet andersuitbrengen dan deze woorden: “Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!”“Sta op, Mevrouw! en neem plaats,” zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: “gij komt hier bij een vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!”Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.”Vetter!” zeide hij: “maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid mag behouden.”—Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van zijn bloedverwant aanbevelende. “Kwijt u wel van uw post,Vetter!” fluisterde hij hem in ’t oor, “en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn.”Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. “De par tous les diables!” riep Bethune uit: “Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken?et sans vengeance? Permetteere ons Son Excellence om te kaanvengerso skendikke skelmstukke?”“Op wie?” vroeg Stevyn glimlachende.“Oppe wie? Parbleu!Monsieur le Quartiermaître! dat isse eene vraak van eenmathématicien.Diable!sur tout le monde, pour l’honneur de l’humanité.””Revenge on die damndvermorderers!” riep Vere.“Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache,” zeide Graaf Ernst.“Hoe nu, Mijne Heeren!” zeide Maurits: “wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone vrouw te gaan wreken?””Pardon, votre Excellence!!” zeide Bethune; “maar ik bekrijp,en vrai chevalier Français, te moeten omhelsla causevan de bedruktebeauté.””A child murdered!” riep Vere: “het roept om wraakto the Lord!”“Ein vertrag zu erbrechen!” hernam Graaf Ernst.“Recht zoo!” zeide Graaf Maurits: “dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regeltand voor tandenoog voor oogis door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.—En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel.” Dit gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.“Wiskunstige toomen!ne sont-ce pas comme qui dirait des brides mathématiques?” vroeg Bethune met een spottenden glimlach.”The same,” antwoordde Vere; “doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons,” (vervolgde hij in gebroken Fransch, hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); “maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, ’t welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja:vlietende topswaerheit: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes zich altijd weder herstelden!””Ah! c’est un grand génie, quo son Excellence,” zeide Bethune: “mais pourtant, des brides mathématiques!c’est plaisant!je doute que cela prenne.””Et cela prendra cependant,” zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik bencertein, dat ge denierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt.””Je n’ en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant....”“Komtmeine Herren!” riep graaf Ernst hun toe: “wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?”—Dit voorstel vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter ’s Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.—“Zijn dat mannen?” mompelde hij onder ’t voortgaan: “in ’t eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!”Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters handschoenen en degenhanger.“Ik hoor,” zeide deze, “dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is.”“Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders.”“Die arme Graaf!” zeide Bouke: “doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? ’t zijn allen fielten en rabauwen: heugt het UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand.”“Nu,” hernam Reede: “ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken.”“Juist,” merkte Bouke aan: “men moet het ijzer smeden als ’t warm is.”De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.“Gij ziet dus, Kessel!” zeide de Graaf, “dat onze leer op goedegronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen.”“Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen,” antwoordde Kessel; “doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid.”“Ten iersten,” zeide Stevyn, “zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven.”“Eilieve zie eens!” zeide Lieven Cys, “hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: ’t is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo kauwt hij op zijn hoed.”“Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest,” merkte Stevyn aan, al lachende: “daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon.”“Gij zult zien,” zeide de Graaf, “dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de verlegenheid helpen.—Kapitein Reede! een woordje met u, als ’t u gelegen komt!”Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan ’s Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in ’t gezicht ziende, hem aldus toesprak: “Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken betreft.”“Uwe Excellentie is al te goed,” was het antwoord des Ritmeesters: “en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden....”“Hoe!” vroeg Maurits: “is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt.””’t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun.”“Welnu?” zeide Maurits: “en gij wilt?....”“Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde,” was het antwoord.“Ik versta u,” hernam de Graaf met veel koelheid,“doch een expeditie ligt niet in mijn plan.”“Uwe Excellentie!....”“Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.“Mag ik,” hernam Reede met aandrang, “mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken zijn moordenaars.”“Doch waar zult gij hen vinden?”“Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik....”“Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!” vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: “gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is.”“Niet? O! in ’s Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?”“Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?”“Als goud, Uwe Excellentie.”“Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur.”“Dan zal ik zorgen mij niet te branden,” zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam: “het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan.”Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen.De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken.”“Zoo!” zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: “ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is ’t zelden te huis, hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels.”Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok,terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak: “Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar.”“Waartoe? waarheen? waarop is ’t gemunt?” vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.“Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,” antwoordde de Luitenant: “UEd weet dat zijn geheimen....”“Genoeg!” hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: “ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij eenautoda-févan mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen.”“Welk paard zal UEd. berijden?” vroeg Bouke.“Om ’t even: neem ’t grauwtje maar!”“Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!” zeide de Luitenant: “de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij duister gezien.”“Bij nacht zijn alle katten grauw,” merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht.“Gekheid, Bouke,” zei deze: “de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... ’t is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?—Niet!.... dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?”Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in ’t open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant een paar malen, en zijn seinwerd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op ’t hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.“Heer Ritmeester!” sprak deze: “de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan honderd ruiters,uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza getrokken moet zijn.—Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!—Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!”“Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen,” zeide Reede vol blijdschap: “dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!”—En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde.1Voorwaar, een fraaie vrouw!2Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem.
Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.Wie zich derf onderwindenEen’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.
Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.Wie zich derf onderwindenEen’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.
Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.
Wie zich derf onderwinden
Een’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.
Vondel, Gysbrecht van Aemstel.
Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op denWeert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.
Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd—vooral dat der Staten—leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.
De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als bovenstaande.
Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, ’s Vorsten vriend en leermeester, die hem in ’t veld als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden ’s Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan ’t hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune,den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.
Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.
“De Gravin van Falckestein!” zeide Maurits met aandoening: “zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst.Vetter!” vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. “Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht.”
Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van ’s Veldheers legertent eerbiedig staan.
Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan.HoratioVere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: “a fine lady, to be sure1, nietwaar?” “Ik heb er niet op gelet,” antwoordde de Ritmeester: “ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert.” Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.
”He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation....”2
Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet andersuitbrengen dan deze woorden: “Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!”
“Sta op, Mevrouw! en neem plaats,” zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: “gij komt hier bij een vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!”
Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.
Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.
”Vetter!” zeide hij: “maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid mag behouden.”—Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van zijn bloedverwant aanbevelende. “Kwijt u wel van uw post,Vetter!” fluisterde hij hem in ’t oor, “en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn.”
Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. “De par tous les diables!” riep Bethune uit: “Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken?et sans vengeance? Permetteere ons Son Excellence om te kaanvengerso skendikke skelmstukke?”
“Op wie?” vroeg Stevyn glimlachende.
“Oppe wie? Parbleu!Monsieur le Quartiermaître! dat isse eene vraak van eenmathématicien.Diable!sur tout le monde, pour l’honneur de l’humanité.”
”Revenge on die damndvermorderers!” riep Vere.
“Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache,” zeide Graaf Ernst.
“Hoe nu, Mijne Heeren!” zeide Maurits: “wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone vrouw te gaan wreken?”
”Pardon, votre Excellence!!” zeide Bethune; “maar ik bekrijp,en vrai chevalier Français, te moeten omhelsla causevan de bedruktebeauté.”
”A child murdered!” riep Vere: “het roept om wraakto the Lord!”
“Ein vertrag zu erbrechen!” hernam Graaf Ernst.
“Recht zoo!” zeide Graaf Maurits: “dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regeltand voor tandenoog voor oogis door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.—En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel.” Dit gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.
“Wiskunstige toomen!ne sont-ce pas comme qui dirait des brides mathématiques?” vroeg Bethune met een spottenden glimlach.
”The same,” antwoordde Vere; “doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons,” (vervolgde hij in gebroken Fransch, hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); “maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, ’t welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja:vlietende topswaerheit: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes zich altijd weder herstelden!”
”Ah! c’est un grand génie, quo son Excellence,” zeide Bethune: “mais pourtant, des brides mathématiques!c’est plaisant!je doute que cela prenne.”
”Et cela prendra cependant,” zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik bencertein, dat ge denierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt.”
”Je n’ en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant....”
“Komtmeine Herren!” riep graaf Ernst hun toe: “wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?”—Dit voorstel vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter ’s Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.—“Zijn dat mannen?” mompelde hij onder ’t voortgaan: “in ’t eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!”
Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters handschoenen en degenhanger.
“Ik hoor,” zeide deze, “dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is.”
“Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders.”
“Die arme Graaf!” zeide Bouke: “doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? ’t zijn allen fielten en rabauwen: heugt het UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand.”
“Nu,” hernam Reede: “ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken.”
“Juist,” merkte Bouke aan: “men moet het ijzer smeden als ’t warm is.”
De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.
“Gij ziet dus, Kessel!” zeide de Graaf, “dat onze leer op goedegronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen.”
“Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen,” antwoordde Kessel; “doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid.”
“Ten iersten,” zeide Stevyn, “zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven.”
“Eilieve zie eens!” zeide Lieven Cys, “hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: ’t is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo kauwt hij op zijn hoed.”
“Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest,” merkte Stevyn aan, al lachende: “daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon.”
“Gij zult zien,” zeide de Graaf, “dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de verlegenheid helpen.—Kapitein Reede! een woordje met u, als ’t u gelegen komt!”
Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan ’s Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in ’t gezicht ziende, hem aldus toesprak: “Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken betreft.”
“Uwe Excellentie is al te goed,” was het antwoord des Ritmeesters: “en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden....”
“Hoe!” vroeg Maurits: “is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt.”
”’t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun.”
“Welnu?” zeide Maurits: “en gij wilt?....”
“Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde,” was het antwoord.
“Ik versta u,” hernam de Graaf met veel koelheid,“doch een expeditie ligt niet in mijn plan.”
“Uwe Excellentie!....”
“Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.
“Mag ik,” hernam Reede met aandrang, “mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken zijn moordenaars.”
“Doch waar zult gij hen vinden?”
“Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik....”
“Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!” vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: “gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is.”
“Niet? O! in ’s Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?”
“Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?”
“Als goud, Uwe Excellentie.”
“Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur.”
“Dan zal ik zorgen mij niet te branden,” zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam: “het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan.”
Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen.
De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken.”
“Zoo!” zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: “ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is ’t zelden te huis, hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels.”
Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok,terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak: “Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar.”
“Waartoe? waarheen? waarop is ’t gemunt?” vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.
“Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,” antwoordde de Luitenant: “UEd weet dat zijn geheimen....”
“Genoeg!” hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: “ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij eenautoda-févan mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen.”
“Welk paard zal UEd. berijden?” vroeg Bouke.
“Om ’t even: neem ’t grauwtje maar!”
“Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!” zeide de Luitenant: “de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij duister gezien.”
“Bij nacht zijn alle katten grauw,” merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht.
“Gekheid, Bouke,” zei deze: “de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... ’t is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?—Niet!.... dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?”
Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in ’t open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant een paar malen, en zijn seinwerd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op ’t hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.
“Heer Ritmeester!” sprak deze: “de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan honderd ruiters,uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza getrokken moet zijn.—Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!—Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!”
“Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen,” zeide Reede vol blijdschap: “dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!”—En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde.
1Voorwaar, een fraaie vrouw!2Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem.
1Voorwaar, een fraaie vrouw!
2Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem.