Drie-en-twintigste Hoofdstuk.

Drie-en-twintigste Hoofdstuk.Om in dien schijn te gaenZijn vyanden bespiên, en letten hoe men ’t maakte.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde, zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voorte lezen, een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet het vertrek.“Kijk mij zoo een malle prinses eens aan,” zeide Geertrui: “knikt ze je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was.”“Zij is niet voor dienstbaarheid geboren,” antwoordde Ulrica: “en mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over haar behoeft te beklagen.”“Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel,” zeide Geert: “maar UEd. moet denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam, die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken, tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt.”“Nu, nu Geert!” viel haar Ulrica in de rede: “gij zijt ook niet altijd even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u, als thans voor haar.”“Dat’s waar,” zeide Geert: “ik hield mijn fatsoen onder ’t volk; maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in de wandeling....”“Geert!” zeide Ulrica: “ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen, zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar.”“Dan moest zij er zich in schikken,” hernam Geertrui, zich ontevreden op haar stoel nederzettende: “maar als UEd.per forsgelijk wil hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar, dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar bed verborgen heeft.”Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui, of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.“Onzen besten Jonker Joan!” herhaalde Geertrui, terwijl zich over haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: “och neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude Geert te denken.”“Dit heeft hij toch gedaan,” hernam Ulrica: “hij heeft naar u gevraagd; doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet hebben u te gaan omhelzen.”“Die goede jongen!” zeide Geert: “heeft hij waarlijk naar mij gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook, Freule Ulrica!—Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.—Wat verlang ik hem weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje lang uitblijft!”“Mij dunkt, ik hoor haar komen,” zeide Ulrica: “mijn hemel! wat is er gebeurd?”Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte.“Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?” vervolgde Ulrica.“Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag,” mompelde Geertrui.“Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!” zeide Magdalena: “doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij gevangen medebrengen.”“Een schermutseling!” riep Ulrica: “er is toch niemand gewond?”“Daar heb ik niets van gehoord,” antwoordde Magdalena.“Mij dunkt,” merkte Geert aan, “dat je ook het fijne van de mis niet weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegtmiaauwals ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen ophangen.”“Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien,” hernam de kamenier met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui, welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar vereering. “Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde spreken?”“Heer Godard!” riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.“Kent gij mijn oom?” vroeg Ulrica verwonderd.”’t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde,” zeide Geert: “lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger....” hier werd het geluid van haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.“Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats gehad,” vervolgde Magdalena: “men zegt dat de Jonker van Craeihorst de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron.”“Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!” riep Ulrica, met een ontroerde stem.“Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?” vroeg Geert, terwijl zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: “wat durf je van Jonker Joan vertellen?”“Ik herhaal wat ik gehoord heb,” antwoordde Magdalena, de schouders ophalende: “ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden.”“Ja, je zijt maar al te wijs,” zeide Geert; “maar zulke praatjes!”“Geert heeft gelijk,” zeide Ulrica: “men moet zonder goede waarborgen geen uitstrooisels van dien aard vertellen.”“UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!” hernam de kamenier.“Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk,” riep Ulrica, en snelde naar beneden.“En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit,” zeide Geert, terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde; “lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw zaliger nog zoo iets beleven zoude?”Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die den Jezuïet bij den arm vasthield. “Zoo gaôt het, Freule!” zeide hij: “ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de kat opvretten.”Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschenblik op Eugenio; deze groette haar beleefd: “het spijt mij, schoone Freule!”’ zeide hij: “dat de Jonker van Craeihorst om mijnentwille misschien in ongelegenheid zal komen.”“Om uwentwille?” herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, met het hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen houdende, en bleek als een doode.“Joan!” riep zij, angstig naar hem toesnellende: “Joan! wat hebt gij gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?”“Wat doet gij hier?” zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar eenigszins onzacht terugtrekkende: “ga naar uw kamer: hier althans hebt ge niets noodig.”“O God! het is dan waar?” zeide Ulrica, sidderend: en haar aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde te komen mededeelen.“En gij,” vervolgde de Baron tegen Joan: “begeef u naar uw vertrek, en wacht daar, tot ik u laat roepen.”—Joan gehoorzaamde. “Welnu, Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?”“Ik ben er zelf geweest,” zeide Bouke: “Zijn edele zal dadelijk hier zijn.”“Goed,” hernam Reede: “er moet terstond iemand te paard naar Tiel gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:—breng den Jezuïet in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de benedenzaal komen: laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen.”De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren af, die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl hij een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen goede diensten.Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron slechts bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt had, bewees hem de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen.“Gij hebt u als een kerel geweerd,” zeide Reede, “en als de schelm hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben.”“Dat hoeft niet,” zeide Gheryt; “maôr als oe Genade mij een dienst wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn den Heer Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken.”“Wij zullen zien,” zeide de Baron: “de Heer Ambtman komt hier, dan kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te zien?”“Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein.”Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde zijn wezen nog meer op: “Wij zullen zien,” herhaalde hij, zich de handen wrijvende: “en als gij bij uw schoonvader komt, kunt gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen hebben, die zijn vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.—Nu, goeden morgen! gij kunt gaan; maar hou u in de buurt, hoor! Is er nog iemand?”“Ja,” antwoordde Bouke: “daar is nog een stuk van een neef van mij: maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen: ’t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan ’t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had Klaartje-nicht nooit getrouwd.”“Om ’t even, ” zeide de Baron: “laat hem binnenkomen.”Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in.“Aha!” zeide Reede, zoodra zij alleen waren: “gij hebt u best gekweten, kameraad!”“Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft,” antwoordde Teun, met een grappige buiging: “voor tien a twaalf jaren zoude UEd. zoo iets niet gezegd hebben.”“Wel mogelijk,” hernam de Baron: “nu, een goed man, die zich betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw naam en woonplaats opschrijven.”“Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik,” zeide Teun: “die Van Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem den weg gewezen.”“Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam meer of minder niet te doen zijn—En hebt gij hem den weg gewezen? Dan zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien beter dat gij hier bleeft, tot de Schout kwam.”“Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!”“Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar hij verder naar toe zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.—Bouke!”Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te laten houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde hij zich op den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan zij terstond de deur met behoedzaamheid achter zich sloot.“Vlegel!” zeide zij, hem verstoord aanziende: “waarom hebt ge niet beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters bijgestaan?”“Gehoorzame dienaar, Mevrouw!” zeide Teun: “ik dank oe hartelijk. De Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij zoo gek geweest, den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren, om door dien weg een oog in ’t zeil te houden,’t gunt mij zoo wel elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven.””’t Is wel,” hernam Magdalena, “en oordeelt gij u zelven behendig genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, waar hij in gebleven is?”“Hm! hm!” zeide Wezer, “met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld te verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om voorlezum majestatumop’eknoopt te worden.”“Gek!” zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: “alsof er iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;—doch, om ’t even! hier!” vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende: “hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik wat gij wilt: doch wees spaarzaam en voorzichtig.”“Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!” zeide Teun, het geld op de vlakke hand wegende: “oe is bylo milder dan de Ambtman zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?”“Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. Tegen twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. Doch!... wee u, zoo gij ons verraadt!”“Papperlepap!” zeide Teun: “zoo eindigen zij allemaôl, en het zou eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn leven slijt met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe weet, voor geld en kwaie woorden ben ik altijd te vinden. Hadie dan mevrouw! tot van nacht.—Dat jaloersche vel, mijn wijf,” vervolgde hij bij zichzelven onder ’t weggaan, “zou juist van deuze afspraak niet geërgerd worden.”Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze tijdsomstandigheid meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in de eenzaamheid over het gebeurde van den dag en den weg, dien hij moest inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de onderscheidene overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke daarvan de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid heeft nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen en mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan, was er toch een, dat hem welkom en streelend was als de zonnegloed, die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in ’t midden van zijn lijden een flauwe verkwikking komt aanbieden. De onbekende, die zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige, maar toch ook geen geheel verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden: en het hart des jongelings, hoe gefolterd ook enbenepen, ontsloot zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand van een reiziger, die, bij nacht op een eenzame heide verdwaald, zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken weg hij zal kiezen, daar alle paden hem even moeilijk en gevaarlijk voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat hij in de verte ziet gloren, en waarheen hij, onbewust nog of die flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn, de schreden eindelijk wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij zijn deur opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar krukje voortwerkende, trad de kamer in.“Wel mijn beste Geertrui!” zeide Joan, terwijl hij zich haastte haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden, waarna hij haar met hartelijkheid kuste: “dat is recht hupsch van u, dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den ouden dag?”“Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!—’t Is nu met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus ’t is geen wonder, dat de gebreken komen!—Maar Jonker! Jonker! wat ben je een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al dat trappen klimmen lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf.” Hier zweeg zij en zat eenige oogenblikken te hijgen, terwijl zij Joan van top tot teen beschouwde.“Waarlijk, beste, Geert!” zeide Joan, haar vriendelijk de hand drukkende, “ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit oogenblik aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe.”De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde een min vroolijke uitdrukking aan. “Ja!” zeide zij: “dat geloof ik wel, want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken, dan ik gedaan heb: hij is danmiserabelboos op je, en Bouke ook, dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar, Jonker! waar waren toch je zinnen, om dien stinkenden monnik tegen je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?”“Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen.”“Noodlottig!” herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: “wat kon u toch dien leelijken Jezuïet schelen?”Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder; vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: “die Jezuïet was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder misschien terugvinden.”“Je vader! je moeder!—Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders, die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet altijd meer dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet een trouwe moeder voor u?”Joan streek zich de hand over ’t voorhoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn, haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de liefde, die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: “Denkt gij dan niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien, van wien zij zoolang gescheiden is?”“Dat geloof ik,” zeide Geert: “en zoo een knappen zoon! Maar wie weet, wat voor een vrouwmensch het is,” voegde zij er bij met een gelaat, dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had.“Geert!” zeide Joan, wrevelig: “gij komt mij uit vriendschap bezoeken!”....“Dat doe ik,” hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare overijlde woorden: “en ik meende het ook zoo kwaad niet. Maar nu, die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, het loopt anders slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan, en Freule Ulrica ook niet, meen ik....”“Ulrica’s hart rechtvaardigt mij,” zeide Joan, terwijl zijn oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. “Dan ach!” vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen toon: “wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?”“Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw blauw laat.”Joan zweeg eenige oogenblikken. “Geert!” zeide hij eindelijk: “gij kunt mij misschien een dienst bewijzen.—Waar zit de gevangene?”“In het oude turfhok, beneden, weet gij?”“En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?”“Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou je zien komen....”“Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene spreke!”“Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, hoor ik, last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten, ’t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde hij, want Mijnheer heeft den sleutel in den zak.”“In ’s Hemels naam,” zeide Joan, met een diepen zucht: “dan zal ik moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron zelf spreke.”“Nu!” zeide Geert: “ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!” vervolgde zij, terwijl zij opstond en zich langzaam naar de deur begaf: “als ik in den tijdvan Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets: onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje medegegeven, om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!”“Ulrica!” riep Joan verrast, de hand uitstekende. “Geef toch Geert! geef toch!”“Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder mijn boodschap gedaan te hebben!”“Geef!” herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij het geschrift, ’t welk luidde als volgt:“Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben gesmeed. Wat mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende vermoedens op u rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift: want denk dat indien mijnbroeder(dit woord was tweewerf onderhaald) door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem van zijn onschuld te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken aan zijn zuster en vriendin.U.”Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans, op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening der gansche wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn ongeluk haar teedere belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen zijn hart drukte: “goede, edele ziel! dit is de tweede reis, dat ik op last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn droeve omstandigheden zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij toe, en thans.... o! ’t ware beter dat ik nooit geboren geweest ware.”“Foei!” zeide Geert: “dat zeide onze Heer van den boozen Judas; maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden zijt!”“Dat hoop ik ook niet,” riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand met eten de kamer binnenkwam; “maar wat doe jij hier, Geert? Als Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op marsch.” Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd de deur uit, terwijl zij al zuchtend onder ’t weggaan zich beklaagde, dat haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets dergelijks gebeurd was.“Hoe!” zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken en het middagmaal op tafel te zetten: “zijn de bevelen zoo streng? zit ik hier buiten toegang?”Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke hij binnensmonds bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend geen antwoord geven kon.“Bouke!” hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde: “is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?”“Voor den duivel!” zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen; “dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!”“Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: “wiewas de vriend mijns vaders, en....”“De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken; mijn gemoed is vol.” Dit zeggende, keerde Bouke zich om en liep de kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg.Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan, en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt lichtelijk, dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige mondvollen door te krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en ging als te voren de kamer in haar geheele lengte op en neder wandelen; vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan op en dronk of liever zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van Ulrica, dat hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag, las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en iemand binnenliet, die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk den Predikant Raesfelt. Deze was in het geval en te zijnen opzichte geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen ontvangen: en met hem alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en openhartig te kunnen spreken.De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, zich naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, waarop hij omtrent Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig, en besloot zijn aanmerkingen op het gebeurde met den raad, toch vooral behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet mocht berouwen, dat hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld.“Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt,” zeide hij: “en schort uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog toe alleen stof van blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij, die zoo dikwijls met warmte en gevoel over de groote weldaden sprak, welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid, alle beginselen van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om, gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader baldadig aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen, gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!”De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig en bedrukt gelaat trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op, toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, hem dubbel welkom heette, de hand drukte en een zetel aanbood.“Kom, Joan!” zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien, hadden betoond: “Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs des lands onttrokken.—Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog niet verloren.”Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, ’t geen hem tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig moest beschouwen.“Geheel ongelukkig!” herhaalde Raesfelt: “en wie leeft er op aarde, die zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk de Psalmist zegt:De stricken des Doods hadden mij omvaên.Ick was beladen met anghsten der hellen,Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,Seer vriendelijck en oock seere genadigh,Die wel behoedt d’eenvoudige seer bloot;Want als ick ter neder lagh onder voet,Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,Dies weest te vreden o mijn siele klachtigNadien dat de Heer u dees weldaet doet.En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden en over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging onzes Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval te verkeeren. Hij, die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te begaan is: want hij wantrouwt de goedheid van Hem, die gezegd heeft: al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden.”“God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele,” zeide Joan, de oogen eerbiedig opheffende: “tot Hem alleen kan ik mij keeren: van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;—doch hier op aard is de poort des heils voor mij gesloten.”“En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland verwacht?” zeide Raesfelt: “alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig is het leven?het is een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.—Is niet eens ieders leven een samenweefsel van korten voorspoed en duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt, wederwaardigheden te lijden, welke alleen door een vast geloof kunnen worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu, de zonen Aärons, vreemd vuur op het altaar gebracht? en mijn haren van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi, de zonen Jacobs, huns vaders haren grijzen deden?”“Uw zoon!” riep Joan haastig uit: “hij wil uw gunst weder verwerven: hij....”“Hoe nu!” zeide de Predikant: “wat weet ge van hem? hebt ge hem gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met....”“Neen,” zeide Joan, eenigszins verlegen: “maar eergisteren zag men mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... die weet meer van hem.... hij scheen hem te kennen.”“Die Jezuïet?” vroeg Raesfelt: “zijn de zoodanigen de bekenden mijns zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg dat gij uwen God verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob zeggen: het is mijns zoons rok: een wild dier heeft hem verslonden!”“Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, dat kan toch niet....”“Hoe!” zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: “weet gij niet, wie en wat die gevangene is?”“Ik zag hem eergisteren voor ’t eerst en toen onder een anderen schijn dan heden? maar wie hij is?....” Hier schudde hij het hoofd, zag voor zich en haalde de schouders op.“Joan!” zeide de Predikant: “de Paapschen hebben een instelling, welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht aangematigd, ’t geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht, de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse, dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:—zoodat het in de meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen met de onderwijzing, die ik vermag te geven.Doch verberg mij niets; want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete.”“Reeds voor uw verzoek,” zeide Joan, “had ik besloten u mede te deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga.”“Een oogenblik,” zeide Raesfelt: “geheimhouding te beloven!.... dat zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover moet ik even nadenken!”Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. “In allen gevalle,” zeide hij, “kan ik de biecht wel hooren, als er toch geenabsolutieop volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van gezondheid des lichaams.”En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in ’t aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug, vouwde die samen voor ’t gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen,òfzich iets, dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij de handen weder vallen, zakte als ’t ware ineen, sloeg de oogen op den grond en zweeg.Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde.Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had,stond Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe en zeide: “Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot zaligheid voor hem die gelooft.”Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.“Over ’t geheel genomen, ja!” antwoordde Raesfelt: “en gij kunt het ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist, in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene, om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om....”“Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten.”De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco’s dood te binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen in ’t werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren, waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, ten einde alles op te helderen wat nog duister was.Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen dagelijks verwacht werd; ’t geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en door den Heervan Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men, om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den volgenden morgen terug bescheidende.Vier-en-twintigste Hoofdstuk.Daar’s niets dan ’t zwoord en ’t been: al ’t spek is geëclipseerd.Langendyk, de Wiskunstenaars.Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in ’t Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, ’t welk bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. “Hij zal wat zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten,” zeide Reede: “welnu! men spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt hem binnen!”De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio’s kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen worden. “Klink! klank!” zeide de Baron tegen den Schout, toen hij het hoorde: “die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest kunnen vliegen.”“Dat moet hij dan kunnen,” zeide Bouke, stampvoetende en vloekende binnenkomende: “want weg is hij!”“Wie? wat? wie is weg?” zeide de Baron.“De gevangene.”“Ben je dol, kerel?” en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat deeer hun ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.“Maar voor Sint-Felten, Bouke!” riep Reede, toen hij met hem voor den ledigen kerker stond: “hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?”“Gesloten?—Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel; maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet.”“De vent is wis een toovenaar,” zeide een der dienaars. “Zou de Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op het gemeentehuis.”“Dat mag ik wel lijden,” zeide de Baron: “maar wij moeten hem eerst hebben.”“Met uw verlof, Heer Baron!” zeide de Schout, de gevangenis binnentredende: “is hier geen andere uitgang dan door de deur?”“Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn,” zeide de Baron, op een rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: “en bij het luik, dat de pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken.”“Dat zal het toch wezen,” zeide de Schout, naar boven ziende en het luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende: “door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, die bovenstaat.”De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; doch zooals Geert aan Magdalena ’s daags te voren verhaald had, “nog bij ’t leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven en stroopers of voor groote schelmen,zooals deze paap was.”—De pijp was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg een uitkomst verkregen.“Joost haal me!” zeide de Baron, na gedaan onderzoek: “ik dacht ik had hem zoo wis.”“Ja!” zeide Bouke: “gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat.”“Men moet het gaan onderzoeken,” zeide de Schout.“Eerst den schelm weerom gekregen!” riep de Baron: “zit op mannen! en jaag hem achterna, tot gij hem vindt.”“Dat is gemakkelijk gezeid,” merkte Bouke aan: “maar waar vinden wij hem? want alle muiske heeft zijn kluiske.”“Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan kwam.”“Naar het veer dan,” zeide Bouke: “daar hooren wij zeker wat van hem: want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over een veer, men laat er nog meer.”“Met verlof!” hernam de Schout: “zoude UEd. niet eerst het kasteel laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen.”Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt; doch Geert verhaalde, hoe de Jonker ’s daags te voren bij haar had aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet ontsnapt was.“Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!” zeide de Schout: “ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer Secretaris verzoeken, die te nummeren.”—Dit zeggende, beschouwde hij nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: “dat is de hand van Joan!” ontrukte.Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:“Het bewijs uwer . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .J.”“Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?” riep de Baron uit, zoodra hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: “blijkt het niet uit dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden:deed toekomen,verlost door mij,Van Sonheuvel,zijn moordenaar.... O! het is niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij de Judas worden, die mij verraadde!” Hier bedekte de brave man zijn gelaat met beide handen en snikte luid.“Wat beveelt UEd.?” zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, ’t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na te lezen. “Zal men den Jonker nazitten?”“Neen!” zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: “Laat den ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede, indien zijn geweten het hem toelaat.”“Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,” zeide de Schout. “Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg.”Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal te Tiel was overgevaren.Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:“Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet: ik wil u daarvoor thans niet beknorren: ’t was ook eenigszins mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen.”“Was hij een verrader,” zeide Ulrica met kracht, “dan is hij de grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis, mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden.”“Welnu dan,” hernam de Baron: “wat dunkt u van zijn ontsnapping, te gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?”Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend staan en berstte toen uit in tranen.“Welnu!” zeide de Baron: “en aan dien slechthoofd wilde de brave Ambtman u afstaan. Hoe zult gij ’s mans edelheid beloonen?”“Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt,” zeide Ulrica, opstaande en haar tranen wegvegende: “ik ben bereid, zijn gade te worden.”“God zegene u, beste meid!” zeide de Baron, haar omhelzende. “Gij verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!”“De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten,” zeide zijn dochter: “maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult thans mijn boezem voor den booswicht!”Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen, was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar denGouden Ooievaarbegeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten, te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte, eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren, terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest, eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar in gezelschap van Groenhovius vertoond had.“Wat is er van je dienst, heerschop?” vroeg hij, zijn breeden vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. “Ai mij! wat zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier ekomen zijt?”“Ik zelf!” zeide Joan: “geef mij een snede brood en een kan bier, en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder.”“Wel is ’t mij bijzonder aangenaam, oe te zien,” hervatte de waard. “Ai mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, die leit nog boven achter ’t slot, wel bewaôrd; ai mij! ’t zou mij pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd, man! dat is marsch!”“Hoe!” riep Joan, opvliegende: “wat heeft dat te beduiden?”“Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! ’t Is dat....”“Ik wil mij driftig maken,” hernam Joan: “wat is er met mijn paard gebeurd?”“Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest voor de lichting, en deur dien weg is het marsch.” En hij vergezelde deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.“Larie!” zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: “mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht.”“Ai mij!” hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.“Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!”“Wel daôr speult Sint-Felten mee,” riep de waard, half boos, half bevreesd, “kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren, dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt, die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen.”De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en den angst des kasteleins vermakende.“Honderd daalders!” riep Joan verontwaardigd: “die Jood! die Griek! een paard, dat de helft meer waard is.”“Weeg uw woorden wat, vriendje!”’ voegde hem een officier toe (die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: “die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs hebben vastgesteld voor officiers-paarden.”“De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard iets te beschikken,” hernam Joan op een zachteren toon: “beiden zijn wij in dienst van den Koning van Bohemen.”“De Koning van Bohemen” zeide de officier met een spotachtigen lach: “pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook, de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan,” vervolgde hij, ziende dat Joan de hand aan ’t rapier sloeg: “ge schijnt mij een goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, de knol bevalt mij.”“Verplicht!” zeide Joan: “ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen, die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik moet nog heden verder.”Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude;want zij beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen, wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: “welnu! wat hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn Engelsch, een hanengevecht gaan houden?”Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud gadeslaan.“Hoor eens, kameraad!” vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder den arm nemende: “antwoord mij eens oprecht: wie heeft hetmodelopgegeven, volgens ’t welk uw paard getoomd en geteugeld is?”“Wel ik zelf!—Maar wat zal deze vraag?”“Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet,” hernam de ritmeester, altijd bedaard en vriendelijk, “dat meester Symen, die een bol in de toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model.”“Verplicht voor de eer,” hernam Joan; “maar dat helpt mij weinig.”“Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan,” zeide de officier, zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: “ik sta u borg, dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein Schwanck?” vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende.“Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!” antwoordde deze.“Uw naam,” vervolgde de andere tot Joan, “uw naam is, zoo ik mij niet bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk, volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb.”Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men die bij een ander heeft doen opstijgen.“Ja!” hernam hij: “nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u daarvoor niet te schamen, jongeling!—ik voorspel u, gij zult een naam verwerven, zoo gij er nog geen hebt;—althans het zal uw schuld niet zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst bij ons?”“Ik kan noch mag daarop antwoorden”, zeide Joan, “voor ’t oogenblik moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke uitnoodiging gebruik kunnen maken.”“Hm! hm!” zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd schudde: “die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik er ook eens hoop te komen.—Wat drommel moet ge in dat Paapsche land uitrichten?”“Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben,” zeide Joan.“Misschien!” antwoordde Schwanck: “het moet ons vreemd voorkomen, dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt.”“Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!” zeide zijn krijgsmakker. “De Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet, Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?”Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein Schwanck. “Bij mijn degen,” zeide hij tegen dezen in ’t uitgaan: “die knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!”Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van zijn gezelschap wilde verschaffen.Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, wanneer hij dacht te vertrekken.“Zoo op het oogenblik,” antwoordde de Jood: “indien UEd. uw pakkage gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten.”Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezeldeden waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was, daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de Waal en in de veerschuit gestapt.De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak hem met de volgende woorden aan:“Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend liet ik u immers nog op Sonheuvel.”“Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!” hernam Joan: “en moet gij er niet weder naar toe?”“Vandaôg en morgen niet,” antwoordde Teun: “ik moet eerst dien Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je ’t vat.”“Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen.”“Zoo!” hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; “nu ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij zullen zien.—Haalt aan, jongens! haalt aan!”Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.“Ziedaôr uw rijtuig,” zeide Teun, hem op de kar wijzende: “wil ik er de bagage maar inbrengen?” Dit zeggende, nam hij de valiezen der beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de paarden averechts gespannen had.“Maar zij staan immers altijd zoo,” zeide de jonge vrouw.“Houd den bek, wijf!” grauwde Teun haar halfluid toe, “of ik zaloe een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!”Tegen ditmartiaal argumentwas niets in te brengen: de goede vrouw haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, verwonderd uit: “Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?”“Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier meer in dan uit den weg,” antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken toon. “Heerschoppen!” vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel wendende: “blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat kapelleke, terwijl ik de paarden verspan.”De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.“Wel Klaartje!” vroeg hij haar na de eerste groete, “hoe maakt gij het al in den echten staat?”“Ja,” antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen liepen: “als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk, dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen,” zeide zij, terugkeerende: “hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij altijd wel.... daar is hij!”Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in ’t voorbijgaan een vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich tot de reizigers wendde met een: “’t is klaôr, heerschoppen!”In ’t uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had: bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren, keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik waar om hem schielijk in te fluisteren: “uw pistolen!” waarna zij zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep.De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende: en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden in zijn mantelzak gestoken.Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden, in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoopdes veldmans verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien, ’t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, ’t zij uit voorzorg tegen den wind, ’t zij omdat hij van tandpijn gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, hem reeds van verre had staan toereiken.Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een sober ontbijt te gebruiken.Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende verschrikken, en onbewustof deze geen medeplichtige aan een tegen zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar, slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, tot de helft der wielen in het moeras zaten.Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijkscheen: doch met teleurstelling ontwaarde hij bij ’t naderen, dat het alleen uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien, en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins, dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; doch nauwelijks was men een twintig roeden verdergekomenof Teun Wezer liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. “Met uw verlof!” zeide Joan, die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, “dat zal ik wel voor u doen;” en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-, mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag, en snelden op de kar aan.“Staat!” riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: “of ik brand los.”“Loop maar toe!” riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van achteren aangreep: “zij zijn niet eladen.”“Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geenpoging te doen om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn verbazing, toen hij bij ’t naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.“Wat zie ik?” riep Joan, verbaasd achteruittredende.“Stil!” zeide de geestelijke: “die ongelukkige leeft nog: hij is misschien nog te helpen.”“Gij wilt dien ellendige bijstaan?” hernam Joan, een vertoornden blik op Teun Wezer werpende.“Hij heeft mijn bijstand ingeroepen,” antwoordde de grijsaard: “en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan.”Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.“Wacht!” zeide Joan: “laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten grond brengen!” En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een schorre en gebroken stem: “o wee! het is met mij gedaan.... laat de Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!” Deze woorden met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat verspreidde.“Hier is geen hulp in den omtrek,” zeide de geestelijke: “laten wij hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield.”“Hoe!” riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: “gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?”“Ik ben een ongelukkige zwerver,” antwoordde Ambrosius: “die nergens veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk ontsnapt ben, die mij dreigde.”“Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?”“Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben.”“En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?”“Leert men in uwe Kerk,” vroeg de geestelijke, den jongeling met ernst en waardigheid aanziende, “dan het heilige voorschrift niet: ““doe wel aan die u haten?””“Voorzeker,” zeide Joan blozende: “doch, verschoon mij, ik had het voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde verwacht.”“Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons van verhaalt, en die was een Samaritaan,” zeide Ambrosius met nadruk.Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden hun weg vervolgen.“Zou het niet te vrijpostig wezen,” vroeg Ambrosius, na eenige oogenblikken zwijgens, “om te vragen, welke zaken den Jonker van Craeihorst in Den Bosch roepen?”“Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen.”“Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie.”“Welnu, zoo UEd. mij kent,” zeide Joan: “zal uw verwondering over mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, ik moet dit veronderstellen, na u in ’t gezelschap van Van Dyk te hebben ontmoet.”“Van Van Dyk?” hernam Ambrosius: “was hij de man die u derwaarts zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?”Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf.“Ik weet niet,” antwoordde hij, “of ik vooralsnog vrijheid heb, UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem te verkrijgen.”“Jongeling!” hervatte Ambrosius: “versta ik u wel? Zijt gij niet in dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?”Joan zweeg.“En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?”Joan schudde het hoofd en zuchtte.“Jongeling!” zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig gelaat: “ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer zag teruggebracht;maar verachting en smaad is in mijn oogen de Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed, verlaten en verraden zou.”“Die smet mag mij niet aangewreven worden,” riep Joan uit, terwijl een hoogrood zijn wangen overdekte: “God weet hoe zuiver mijn bedoelingen zijn!”“En toch!” hernam Ambrosius: “het is Van Dyk, die u naar Den Bosch zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag hebben: dat gij namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê gaat zoeken, waar gij u aan den dienst Godes wijden moogt;.... doch het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal.”“Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag onberispelijk.”“Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil, maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte aanbiedt; doch, nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;—en, geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid drijft mij aan; maar de zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder.”“Ik heb geen recht op uw dankbaarheid,” hernam Joan: “gaarne had ik voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts op mij gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde.”“Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak, moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. Het is, helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch nooit had ik gedacht, dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren.”Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, waarin Joan, die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, gedurende eenigen tijd door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg, die hen in korten tijd tot bij een wetering bracht, bij welke zich voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien uitgedost en allen te paard gezeten, welke, zoo ’t scheen, dit of dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in ’t oog kregen, reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet, sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde eerbiedig de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles in orde was, ’t geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde.“Welnu!” hernam de grijsaard: “laat dan mijn muilezel oprijden; want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te zijn: laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt gezien, voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien gewondenman medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te klimmen en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten.”Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden man uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht, waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard bekwam. Twee dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met een langzamer tred den trein, welke zich nu verder, op een vlugger draf, naar Den Bosch begaf.

Drie-en-twintigste Hoofdstuk.Om in dien schijn te gaenZijn vyanden bespiên, en letten hoe men ’t maakte.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde, zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voorte lezen, een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet het vertrek.“Kijk mij zoo een malle prinses eens aan,” zeide Geertrui: “knikt ze je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was.”“Zij is niet voor dienstbaarheid geboren,” antwoordde Ulrica: “en mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over haar behoeft te beklagen.”“Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel,” zeide Geert: “maar UEd. moet denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam, die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken, tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt.”“Nu, nu Geert!” viel haar Ulrica in de rede: “gij zijt ook niet altijd even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u, als thans voor haar.”“Dat’s waar,” zeide Geert: “ik hield mijn fatsoen onder ’t volk; maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in de wandeling....”“Geert!” zeide Ulrica: “ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen, zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar.”“Dan moest zij er zich in schikken,” hernam Geertrui, zich ontevreden op haar stoel nederzettende: “maar als UEd.per forsgelijk wil hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar, dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar bed verborgen heeft.”Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui, of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.“Onzen besten Jonker Joan!” herhaalde Geertrui, terwijl zich over haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: “och neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude Geert te denken.”“Dit heeft hij toch gedaan,” hernam Ulrica: “hij heeft naar u gevraagd; doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet hebben u te gaan omhelzen.”“Die goede jongen!” zeide Geert: “heeft hij waarlijk naar mij gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook, Freule Ulrica!—Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.—Wat verlang ik hem weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje lang uitblijft!”“Mij dunkt, ik hoor haar komen,” zeide Ulrica: “mijn hemel! wat is er gebeurd?”Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte.“Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?” vervolgde Ulrica.“Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag,” mompelde Geertrui.“Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!” zeide Magdalena: “doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij gevangen medebrengen.”“Een schermutseling!” riep Ulrica: “er is toch niemand gewond?”“Daar heb ik niets van gehoord,” antwoordde Magdalena.“Mij dunkt,” merkte Geert aan, “dat je ook het fijne van de mis niet weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegtmiaauwals ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen ophangen.”“Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien,” hernam de kamenier met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui, welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar vereering. “Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde spreken?”“Heer Godard!” riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.“Kent gij mijn oom?” vroeg Ulrica verwonderd.”’t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde,” zeide Geert: “lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger....” hier werd het geluid van haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.“Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats gehad,” vervolgde Magdalena: “men zegt dat de Jonker van Craeihorst de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron.”“Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!” riep Ulrica, met een ontroerde stem.“Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?” vroeg Geert, terwijl zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: “wat durf je van Jonker Joan vertellen?”“Ik herhaal wat ik gehoord heb,” antwoordde Magdalena, de schouders ophalende: “ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden.”“Ja, je zijt maar al te wijs,” zeide Geert; “maar zulke praatjes!”“Geert heeft gelijk,” zeide Ulrica: “men moet zonder goede waarborgen geen uitstrooisels van dien aard vertellen.”“UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!” hernam de kamenier.“Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk,” riep Ulrica, en snelde naar beneden.“En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit,” zeide Geert, terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde; “lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw zaliger nog zoo iets beleven zoude?”Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die den Jezuïet bij den arm vasthield. “Zoo gaôt het, Freule!” zeide hij: “ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de kat opvretten.”Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschenblik op Eugenio; deze groette haar beleefd: “het spijt mij, schoone Freule!”’ zeide hij: “dat de Jonker van Craeihorst om mijnentwille misschien in ongelegenheid zal komen.”“Om uwentwille?” herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, met het hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen houdende, en bleek als een doode.“Joan!” riep zij, angstig naar hem toesnellende: “Joan! wat hebt gij gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?”“Wat doet gij hier?” zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar eenigszins onzacht terugtrekkende: “ga naar uw kamer: hier althans hebt ge niets noodig.”“O God! het is dan waar?” zeide Ulrica, sidderend: en haar aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde te komen mededeelen.“En gij,” vervolgde de Baron tegen Joan: “begeef u naar uw vertrek, en wacht daar, tot ik u laat roepen.”—Joan gehoorzaamde. “Welnu, Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?”“Ik ben er zelf geweest,” zeide Bouke: “Zijn edele zal dadelijk hier zijn.”“Goed,” hernam Reede: “er moet terstond iemand te paard naar Tiel gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:—breng den Jezuïet in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de benedenzaal komen: laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen.”De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren af, die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl hij een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen goede diensten.Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron slechts bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt had, bewees hem de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen.“Gij hebt u als een kerel geweerd,” zeide Reede, “en als de schelm hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben.”“Dat hoeft niet,” zeide Gheryt; “maôr als oe Genade mij een dienst wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn den Heer Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken.”“Wij zullen zien,” zeide de Baron: “de Heer Ambtman komt hier, dan kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te zien?”“Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein.”Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde zijn wezen nog meer op: “Wij zullen zien,” herhaalde hij, zich de handen wrijvende: “en als gij bij uw schoonvader komt, kunt gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen hebben, die zijn vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.—Nu, goeden morgen! gij kunt gaan; maar hou u in de buurt, hoor! Is er nog iemand?”“Ja,” antwoordde Bouke: “daar is nog een stuk van een neef van mij: maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen: ’t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan ’t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had Klaartje-nicht nooit getrouwd.”“Om ’t even, ” zeide de Baron: “laat hem binnenkomen.”Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in.“Aha!” zeide Reede, zoodra zij alleen waren: “gij hebt u best gekweten, kameraad!”“Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft,” antwoordde Teun, met een grappige buiging: “voor tien a twaalf jaren zoude UEd. zoo iets niet gezegd hebben.”“Wel mogelijk,” hernam de Baron: “nu, een goed man, die zich betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw naam en woonplaats opschrijven.”“Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik,” zeide Teun: “die Van Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem den weg gewezen.”“Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam meer of minder niet te doen zijn—En hebt gij hem den weg gewezen? Dan zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien beter dat gij hier bleeft, tot de Schout kwam.”“Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!”“Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar hij verder naar toe zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.—Bouke!”Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te laten houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde hij zich op den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan zij terstond de deur met behoedzaamheid achter zich sloot.“Vlegel!” zeide zij, hem verstoord aanziende: “waarom hebt ge niet beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters bijgestaan?”“Gehoorzame dienaar, Mevrouw!” zeide Teun: “ik dank oe hartelijk. De Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij zoo gek geweest, den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren, om door dien weg een oog in ’t zeil te houden,’t gunt mij zoo wel elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven.””’t Is wel,” hernam Magdalena, “en oordeelt gij u zelven behendig genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, waar hij in gebleven is?”“Hm! hm!” zeide Wezer, “met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld te verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om voorlezum majestatumop’eknoopt te worden.”“Gek!” zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: “alsof er iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;—doch, om ’t even! hier!” vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende: “hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik wat gij wilt: doch wees spaarzaam en voorzichtig.”“Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!” zeide Teun, het geld op de vlakke hand wegende: “oe is bylo milder dan de Ambtman zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?”“Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. Tegen twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. Doch!... wee u, zoo gij ons verraadt!”“Papperlepap!” zeide Teun: “zoo eindigen zij allemaôl, en het zou eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn leven slijt met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe weet, voor geld en kwaie woorden ben ik altijd te vinden. Hadie dan mevrouw! tot van nacht.—Dat jaloersche vel, mijn wijf,” vervolgde hij bij zichzelven onder ’t weggaan, “zou juist van deuze afspraak niet geërgerd worden.”Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze tijdsomstandigheid meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in de eenzaamheid over het gebeurde van den dag en den weg, dien hij moest inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de onderscheidene overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke daarvan de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid heeft nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen en mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan, was er toch een, dat hem welkom en streelend was als de zonnegloed, die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in ’t midden van zijn lijden een flauwe verkwikking komt aanbieden. De onbekende, die zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige, maar toch ook geen geheel verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden: en het hart des jongelings, hoe gefolterd ook enbenepen, ontsloot zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand van een reiziger, die, bij nacht op een eenzame heide verdwaald, zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken weg hij zal kiezen, daar alle paden hem even moeilijk en gevaarlijk voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat hij in de verte ziet gloren, en waarheen hij, onbewust nog of die flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn, de schreden eindelijk wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij zijn deur opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar krukje voortwerkende, trad de kamer in.“Wel mijn beste Geertrui!” zeide Joan, terwijl hij zich haastte haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden, waarna hij haar met hartelijkheid kuste: “dat is recht hupsch van u, dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den ouden dag?”“Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!—’t Is nu met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus ’t is geen wonder, dat de gebreken komen!—Maar Jonker! Jonker! wat ben je een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al dat trappen klimmen lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf.” Hier zweeg zij en zat eenige oogenblikken te hijgen, terwijl zij Joan van top tot teen beschouwde.“Waarlijk, beste, Geert!” zeide Joan, haar vriendelijk de hand drukkende, “ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit oogenblik aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe.”De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde een min vroolijke uitdrukking aan. “Ja!” zeide zij: “dat geloof ik wel, want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken, dan ik gedaan heb: hij is danmiserabelboos op je, en Bouke ook, dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar, Jonker! waar waren toch je zinnen, om dien stinkenden monnik tegen je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?”“Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen.”“Noodlottig!” herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: “wat kon u toch dien leelijken Jezuïet schelen?”Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder; vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: “die Jezuïet was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder misschien terugvinden.”“Je vader! je moeder!—Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders, die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet altijd meer dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet een trouwe moeder voor u?”Joan streek zich de hand over ’t voorhoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn, haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de liefde, die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: “Denkt gij dan niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien, van wien zij zoolang gescheiden is?”“Dat geloof ik,” zeide Geert: “en zoo een knappen zoon! Maar wie weet, wat voor een vrouwmensch het is,” voegde zij er bij met een gelaat, dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had.“Geert!” zeide Joan, wrevelig: “gij komt mij uit vriendschap bezoeken!”....“Dat doe ik,” hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare overijlde woorden: “en ik meende het ook zoo kwaad niet. Maar nu, die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, het loopt anders slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan, en Freule Ulrica ook niet, meen ik....”“Ulrica’s hart rechtvaardigt mij,” zeide Joan, terwijl zijn oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. “Dan ach!” vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen toon: “wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?”“Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw blauw laat.”Joan zweeg eenige oogenblikken. “Geert!” zeide hij eindelijk: “gij kunt mij misschien een dienst bewijzen.—Waar zit de gevangene?”“In het oude turfhok, beneden, weet gij?”“En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?”“Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou je zien komen....”“Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene spreke!”“Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, hoor ik, last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten, ’t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde hij, want Mijnheer heeft den sleutel in den zak.”“In ’s Hemels naam,” zeide Joan, met een diepen zucht: “dan zal ik moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron zelf spreke.”“Nu!” zeide Geert: “ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!” vervolgde zij, terwijl zij opstond en zich langzaam naar de deur begaf: “als ik in den tijdvan Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets: onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje medegegeven, om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!”“Ulrica!” riep Joan verrast, de hand uitstekende. “Geef toch Geert! geef toch!”“Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder mijn boodschap gedaan te hebben!”“Geef!” herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij het geschrift, ’t welk luidde als volgt:“Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben gesmeed. Wat mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende vermoedens op u rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift: want denk dat indien mijnbroeder(dit woord was tweewerf onderhaald) door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem van zijn onschuld te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken aan zijn zuster en vriendin.U.”Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans, op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening der gansche wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn ongeluk haar teedere belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen zijn hart drukte: “goede, edele ziel! dit is de tweede reis, dat ik op last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn droeve omstandigheden zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij toe, en thans.... o! ’t ware beter dat ik nooit geboren geweest ware.”“Foei!” zeide Geert: “dat zeide onze Heer van den boozen Judas; maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden zijt!”“Dat hoop ik ook niet,” riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand met eten de kamer binnenkwam; “maar wat doe jij hier, Geert? Als Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op marsch.” Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd de deur uit, terwijl zij al zuchtend onder ’t weggaan zich beklaagde, dat haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets dergelijks gebeurd was.“Hoe!” zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken en het middagmaal op tafel te zetten: “zijn de bevelen zoo streng? zit ik hier buiten toegang?”Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke hij binnensmonds bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend geen antwoord geven kon.“Bouke!” hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde: “is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?”“Voor den duivel!” zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen; “dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!”“Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: “wiewas de vriend mijns vaders, en....”“De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken; mijn gemoed is vol.” Dit zeggende, keerde Bouke zich om en liep de kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg.Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan, en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt lichtelijk, dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige mondvollen door te krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en ging als te voren de kamer in haar geheele lengte op en neder wandelen; vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan op en dronk of liever zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van Ulrica, dat hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag, las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en iemand binnenliet, die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk den Predikant Raesfelt. Deze was in het geval en te zijnen opzichte geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen ontvangen: en met hem alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en openhartig te kunnen spreken.De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, zich naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, waarop hij omtrent Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig, en besloot zijn aanmerkingen op het gebeurde met den raad, toch vooral behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet mocht berouwen, dat hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld.“Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt,” zeide hij: “en schort uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog toe alleen stof van blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij, die zoo dikwijls met warmte en gevoel over de groote weldaden sprak, welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid, alle beginselen van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om, gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader baldadig aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen, gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!”De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig en bedrukt gelaat trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op, toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, hem dubbel welkom heette, de hand drukte en een zetel aanbood.“Kom, Joan!” zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien, hadden betoond: “Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs des lands onttrokken.—Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog niet verloren.”Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, ’t geen hem tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig moest beschouwen.“Geheel ongelukkig!” herhaalde Raesfelt: “en wie leeft er op aarde, die zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk de Psalmist zegt:De stricken des Doods hadden mij omvaên.Ick was beladen met anghsten der hellen,Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,Seer vriendelijck en oock seere genadigh,Die wel behoedt d’eenvoudige seer bloot;Want als ick ter neder lagh onder voet,Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,Dies weest te vreden o mijn siele klachtigNadien dat de Heer u dees weldaet doet.En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden en over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging onzes Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval te verkeeren. Hij, die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te begaan is: want hij wantrouwt de goedheid van Hem, die gezegd heeft: al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden.”“God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele,” zeide Joan, de oogen eerbiedig opheffende: “tot Hem alleen kan ik mij keeren: van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;—doch hier op aard is de poort des heils voor mij gesloten.”“En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland verwacht?” zeide Raesfelt: “alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig is het leven?het is een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.—Is niet eens ieders leven een samenweefsel van korten voorspoed en duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt, wederwaardigheden te lijden, welke alleen door een vast geloof kunnen worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu, de zonen Aärons, vreemd vuur op het altaar gebracht? en mijn haren van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi, de zonen Jacobs, huns vaders haren grijzen deden?”“Uw zoon!” riep Joan haastig uit: “hij wil uw gunst weder verwerven: hij....”“Hoe nu!” zeide de Predikant: “wat weet ge van hem? hebt ge hem gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met....”“Neen,” zeide Joan, eenigszins verlegen: “maar eergisteren zag men mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... die weet meer van hem.... hij scheen hem te kennen.”“Die Jezuïet?” vroeg Raesfelt: “zijn de zoodanigen de bekenden mijns zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg dat gij uwen God verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob zeggen: het is mijns zoons rok: een wild dier heeft hem verslonden!”“Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, dat kan toch niet....”“Hoe!” zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: “weet gij niet, wie en wat die gevangene is?”“Ik zag hem eergisteren voor ’t eerst en toen onder een anderen schijn dan heden? maar wie hij is?....” Hier schudde hij het hoofd, zag voor zich en haalde de schouders op.“Joan!” zeide de Predikant: “de Paapschen hebben een instelling, welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht aangematigd, ’t geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht, de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse, dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:—zoodat het in de meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen met de onderwijzing, die ik vermag te geven.Doch verberg mij niets; want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete.”“Reeds voor uw verzoek,” zeide Joan, “had ik besloten u mede te deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga.”“Een oogenblik,” zeide Raesfelt: “geheimhouding te beloven!.... dat zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover moet ik even nadenken!”Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. “In allen gevalle,” zeide hij, “kan ik de biecht wel hooren, als er toch geenabsolutieop volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van gezondheid des lichaams.”En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in ’t aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug, vouwde die samen voor ’t gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen,òfzich iets, dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij de handen weder vallen, zakte als ’t ware ineen, sloeg de oogen op den grond en zweeg.Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde.Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had,stond Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe en zeide: “Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot zaligheid voor hem die gelooft.”Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.“Over ’t geheel genomen, ja!” antwoordde Raesfelt: “en gij kunt het ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist, in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene, om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om....”“Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten.”De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco’s dood te binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen in ’t werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren, waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, ten einde alles op te helderen wat nog duister was.Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen dagelijks verwacht werd; ’t geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en door den Heervan Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men, om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den volgenden morgen terug bescheidende.

Om in dien schijn te gaenZijn vyanden bespiên, en letten hoe men ’t maakte.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Om in dien schijn te gaenZijn vyanden bespiên, en letten hoe men ’t maakte.

Om in dien schijn te gaen

Zijn vyanden bespiên, en letten hoe men ’t maakte.

Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Ulrica zat in een der bovenkamers van het slot, en was bezig om aan de oude Geertrui, die, half blind en half lam geworden zijnde, zelden de trappen afkwam, een hoofdstuk uit den Bijbel voorte lezen, een taak, welke die goede vrouw in vroeger dagen voor haar Freule verricht had en welke deze thans met evenveel bereidwilligheid voor haar vervulde. Achter Ulrica was Magdalena gezeten, en hield, schijnbaar aandachtig, de handen onder het voorschoot te zamen gevouwen; doch haar vingeren doorliepen ongemerkt de korrelen van een bedesnoer en haar lippen prevelden onhoorbare gebeden. Geertrui zat met gevouwen handen over haar meesteres, met het hoofd een weinig op zijde gedraaid, om beter te kunnen hooren: nu en dan toonde zij, bij dezen of genen tekst, dien zij op het huisgezin toepasselijk oordeelde, haar welgevallen door een hoofdknik, en somtijds zelfs maakte zij binnensmonds een noot of aanmerking op het gelezene.

Dan, eer de morgenoefening was afgeloopen, werd de aandacht der Jonkvrouw van haar lezing afgetrokken door een ongewoon en verward gedruisch, dat zich van den grooten weg liet hooren. Ulrica sloeg haar oogen naar het venster, en zag een menigte lieden in een dichten drom van den Rijnkant komen, waaronder zij al spoedig haar vader herkende. Verwonderd over dezen ongewonen toeloop, zoo vroeg in den morgen, gelastte zij Magdalena, naar de oorzaak te vernemen, en deze, haar bereidwilligheid met een stijven knik te kennen gevende, verliet het vertrek.

“Kijk mij zoo een malle prinses eens aan,” zeide Geertrui: “knikt ze je niet toe, alsof zij de Freule en UEd. de kamenier was. Die madam heeft ook vast reis gedroomd, dat zij heel wat was.”

“Zij is niet voor dienstbaarheid geboren,” antwoordde Ulrica: “en mij dunkt Geert! dat, als ik geduld met haar heb, gij u niet over haar behoeft te beklagen.”

“Geduld! geduld! ja, dat is goed en wel,” zeide Geert: “maar UEd. moet denken, tegen UEd. toont zij haar heerschzuchtigen aard maar half. Je moest eens zien hoe zij met de booien spreekt: altijd uit de hoogte: als UEd. dat nog deedt, UEd. is de meesteres; maar zoo een madam, die hier zoo kaal als een neet gekomen is en die nu de bazin wil spelen en met elk den spot drijven en voor elk den neus opsteken, tot voor Dominee toe, wanneer hij hier komt.”

“Nu, nu Geert!” viel haar Ulrica in de rede: “gij zijt ook niet altijd even goede vrienden met Dominee. Ik heb u ook wel eens met hem hooren twisten; en, wat betreft den toon, dien zij aanneemt, het heugt mij wel, dat in vroegere dagen de dienstboden even bang waren voor u, als thans voor haar.”

“Dat’s waar,” zeide Geert: “ik hield mijn fatsoen onder ’t volk; maar hoe lang had ik ook het huis gekend en bestierd; en dan Mevrouw zaliger, die vertrouwde mij alles, en die wist ook wel, wat zij deed, maar zoo een malle Leen: want zoo heeten haar de booien in de wandeling....”

“Geert!” zeide Ulrica: “ik hou niet van die bijnamen. Ik weet, zoogoed als iemand, dat Magdalena, voor een dienstmaagd, wel eens wat veel spreekt; maar ik herhaal het, zij is niet voor dien staat opgeleid, en haar opvoeding maakt het gezelschap van boerenknapen, zooals hier op het slot komen, ongeschikt voor haar.”

“Dan moest zij er zich in schikken,” hernam Geertrui, zich ontevreden op haar stoel nederzettende: “maar als UEd.per forsgelijk wil hebben, dan zal ik zwijgen, gelijk mij betaamt: schoon ik geloof, dat Mevrouw zaliger er anders over zou gedacht hebben. Nu! ik hoop maar, dat zij nooit erger kwaad zal doen: indien het slechts niet waar is, hetgeen Roelof Teeuwiszoon vertelt, dat hij haar laatst een kruis op de knie heeft zien maken, en dat zij een ivoren afgoodje onder haar bed verborgen heeft.”

Ulrica was op het punt van een heftig antwoord op deze beschuldiging te geven; doch zij bedwong zich, daar zij de koppigheid van haar oude Baker kende, en begreep, aan haar hooge jaren inschikkelijkheid te moeten betoonen. Zij wendde dus het gesprek af en vroeg aan Geertrui, of zij den Jonker al sedert zijn terugkomst gezien had.

“Onzen besten Jonker Joan!” herhaalde Geertrui, terwijl zich over haar gelaat eensklaps een ongewone opgeruimdheid verspreidde: “och neen! gisteren had hij het zeker te druk met u allen, om aan de oude Geert te denken.”

“Dit heeft hij toch gedaan,” hernam Ulrica: “hij heeft naar u gevraagd; doch, zooals gij wel zegt, de drukten van het huis zullen hem belet hebben u te gaan omhelzen.”

“Die goede jongen!” zeide Geert: “heeft hij waarlijk naar mij gevraagd? nu, ik hoop straks mijn schade in te halen. Hij was een knappe Jonker, toen hij nu voor drie jaren.... laat eens zien, was het drie jaren.... ja, met Pinkster is het drie jaren geweest.... toen hij naar het veld trok, meen ik. En hij zal er nu wel op gebeterd zijn; kijk! dat Mevrouw zaliger hem nog eens zien kon!.... en u ook, Freule Ulrica!—Als ik nog denk, toen ik met u in de bakermat zat en toen Mijnheer met hem binnenkwam; of neen.... Bouke kwam met hem binnen.... ja wat ik toen niet al dacht!.... niet veel goeds, Freule! God vergeve het mij! maar ik bezondigde mij en beoordeelde Mijnheer al vrij lichtvaardig.... nu, het verheugt mij toch, dat de Jonker de oude Geert nog niet vergeten heeft.—Wat verlang ik hem weder te zien!.... Doch vindt gij niet, Freule! dat Magdaleentje lang uitblijft!”

“Mij dunkt, ik hoor haar komen,” zeide Ulrica: “mijn hemel! wat is er gebeurd?”

Deze laatste vraag was tot Magdalena gericht, die juist binnentrad, met een gezicht, nog strakker en zwaarmoediger dan naar gewoonte.

“Is er een ongeluk voorgevallen, dat gij zoo donker kijkt?” vervolgde Ulrica.

“Alsof zij ooit vriendelijk uit haar oogen zag,” mompelde Geertrui.

“Er is geen ongeluk voorgevallen, Freule!” zeide Magdalena: “doch er heeft een soort van schermutseling plaats gehad bij het Lischboschje, met een verkleeden monnik, of zoo iemand, dien zij gevangen medebrengen.”

“Een schermutseling!” riep Ulrica: “er is toch niemand gewond?”

“Daar heb ik niets van gehoord,” antwoordde Magdalena.

“Mij dunkt,” merkte Geert aan, “dat je ook het fijne van de mis niet weet. Bouke zou zeggen: zend de poes naar Rome, zij zegtmiaauwals ze weeromkomt.... nu, ik hoop, dat zij dien monnik gauw zullen ophangen.”

“Ja, als uw oude oogen nog zoo iets mochten zien,” hernam de kamenier met bitterheid, hoogst ontsticht over de spreekwijze van Geertrui, welke een vernis van spotternij spreidde over voorwerpen van haar vereering. “Wat zou Heer Godard van Reede zeggen, indien hij u hoorde spreken?”

“Heer Godard!” riep Geert, van verbazing de handen ineenslaande.

“Kent gij mijn oom?” vroeg Ulrica verwonderd.

”’t Is al één rommelzoo, net zooals ik wel vermoedde,” zeide Geert: “lieve Hemel! wat zou Mevrouw zaliger....” hier werd het geluid van haar stem onverstaanbaar, doch zij bleef in haar zelve voortpraten.

“Er heeft nog een zonderlinge omstandigheid bij dat gevecht plaats gehad,” vervolgde Magdalena: “men zegt dat de Jonker van Craeihorst de partij van dien Monnik genomen heeft tegen den Heer Baron.”

“Magdalena! deze aardigheden gaan te ver!” riep Ulrica, met een ontroerde stem.

“Wat zeg je? Ben ik doof of versta ik verkeerd?” vroeg Geert, terwijl zij met moeite opstond en naar de kamenier toeschoof: “wat durf je van Jonker Joan vertellen?”

“Ik herhaal wat ik gehoord heb,” antwoordde Magdalena, de schouders ophalende: “ik kan het niet helpen, indien de berichten. welke ik breng, u niet bevallen. Misschien ook is er geen woord waar aan: ik heb uit het gereutel dier domme boeren niet half wijs kunnen worden.”

“Ja, je zijt maar al te wijs,” zeide Geert; “maar zulke praatjes!”

“Geert heeft gelijk,” zeide Ulrica: “men moet zonder goede waarborgen geen uitstrooisels van dien aard vertellen.”

“UEd. zal spoedig de gansche toedracht der zaak vernemen!” hernam de kamenier.

“Ja, ik wil haar vernemen en dadelijk,” riep Ulrica, en snelde naar beneden.

“En ik ook, ik wil weten hoe de vork in den steel zit,” zeide Geert, terwijl zij strompelende den vluggen tred van haar meesteres navolgde; “lieve Hemel! had ik ooit gedacht, dat ik na den dood van Mevrouw zaliger nog zoo iets beleven zoude?”

Op het binnenplein gekomen, vond Ulrica alles in opschudding. De eerste, dien zij onder de aanwezigen herkende, was Gheryt Maessen, die den Jezuïet bij den arm vasthield. “Zoo gaôt het, Freule!” zeide hij: “ik dacht oe een ben goede eieren met te brengen, en daôr breng ik oe een gevangen man met. De eieren staôn nog op den weg: die zol de kat opvretten.”

Huiverend wendde Ulrica bij deze toespraak een zijdelingschenblik op Eugenio; deze groette haar beleefd: “het spijt mij, schoone Freule!”’ zeide hij: “dat de Jonker van Craeihorst om mijnentwille misschien in ongelegenheid zal komen.”

“Om uwentwille?” herhaalde Ulrica, verbleekende: zij zag rond, en nu eerst ontdekte zij Joan, die, van de menigte afgezonderd, met het hoofd in de hand, tegen een staldeur leunde, de oogen nedergeslagen houdende, en bleek als een doode.

“Joan!” riep zij, angstig naar hem toesnellende: “Joan! wat hebt gij gedaan? wat verhaalt men van u? Is het waar, dat....?”

“Wat doet gij hier?” zeide de Baron, naar haar toetredende, en haar eenigszins onzacht terugtrekkende: “ga naar uw kamer: hier althans hebt ge niets noodig.”

“O God! het is dan waar?” zeide Ulrica, sidderend: en haar aangezicht met de handen bedekkende, trad zij snikkend terug. Aan de trap ontmoette zij Geertrui, welke zij dringend verzocht, naar de ware toedracht der zaak te vernemen en haar het gehoorde te komen mededeelen.

“En gij,” vervolgde de Baron tegen Joan: “begeef u naar uw vertrek, en wacht daar, tot ik u laat roepen.”—Joan gehoorzaamde. “Welnu, Bouke, hebt gij den Schout laten ontbieden?”

“Ik ben er zelf geweest,” zeide Bouke: “Zijn edele zal dadelijk hier zijn.”

“Goed,” hernam Reede: “er moet terstond iemand te paard naar Tiel gaan om den Ambtman van alles bericht te geven:—breng den Jezuïet in den kelder rechts af, en laten al de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om hem te krijgen, bij mij in de benedenzaal komen: laat Roelof mij daar wat papier en pennen brengen.”

De bevelen van den Baron werden opgevolgd. Hij plaatste zich in de benedenzaal en wachtte in zijn groote leunstoel de boeren af, die één voor één verschenen, en wier namen hij opschreef, opdat zij als getuigen in rechten zouden kunnen strekken, terwijl hij een goede belooning aan elk hunner beloofde voor de aan hem bewezen goede diensten.

Eindelijk kwam de beurt aan Gheryt Maessen, die, ofschoon hij van Ulrica verscheidene gunstbewijzen ontvangen had, den Baron slechts bij name bekend was. Daar hij de eerste was geweest, die door zijn tijdige komst, de gevangenneming van Eugenio bewerkt had, bewees hem de Baron nog meer vriendelijkheid dan aan de anderen.

“Gij hebt u als een kerel geweerd,” zeide Reede, “en als de schelm hangt, zult ge een mooien kermisduit van mij hebben.”

“Dat hoeft niet,” zeide Gheryt; “maôr als oe Genade mij een dienst wilde bewijzen, dan had ik gaôrne dat oe een woordeke aôn den Heer Ambtman zeide, dat ik den hofbeer bezorgen mocht, die naôr Den Haôg moet gaôn. Ik heb er aôn de Freule al van esproken.”

“Wij zullen zien,” zeide de Baron: “de Heer Ambtman komt hier, dan kunt gij zelf uw verzoek doen. Verlangt gij Den Haag te zien?”

“Mijn vrouws vaôder woont er, bij de Gravin van Falckestein.”

Deze naam deed een tooverachtige uitwerking op den Baron en helderde zijn wezen nog meer op: “Wij zullen zien,” herhaalde hij, zich de handen wrijvende: “en als gij bij uw schoonvader komt, kunt gij hem vertellen, dat wij den schoelje gehangen hebben, die zijn vorigen meester eens zoo leelijk de kool gestoofd heeft.—Nu, goeden morgen! gij kunt gaan; maar hou u in de buurt, hoor! Is er nog iemand?”

“Ja,” antwoordde Bouke: “daar is nog een stuk van een neef van mij: maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen: ’t is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan ’t vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had Klaartje-nicht nooit getrouwd.”

“Om ’t even, ” zeide de Baron: “laat hem binnenkomen.”

Bouke opende deur, en liet, half tegen zijn zin, Teun Wezer in.

“Aha!” zeide Reede, zoodra zij alleen waren: “gij hebt u best gekweten, kameraad!”

“Dat verheugt mij, dat UEd. die getuigenis van mij geeft,” antwoordde Teun, met een grappige buiging: “voor tien a twaalf jaren zoude UEd. zoo iets niet gezegd hebben.”

“Wel mogelijk,” hernam de Baron: “nu, een goed man, die zich betert. Gij zult getuigenis moeten afleggen: daarom moet ik uw naam en woonplaats opschrijven.”

“Niemand zal beter daartoe in staat zijn, dan ik,” zeide Teun: “die Van Dyk is met mij tot aan den Rijn gekomen. Ik heb hem den weg gewezen.”

“Van Dyk? zoo! heet de schurk Van Dyk? Nu, het zal hem om een naam meer of minder niet te doen zijn—En hebt gij hem den weg gewezen? Dan zal uw getuigenis zeker nogal belangrijk zijn. Dan ware het misschien beter dat gij hier bleeft, tot de Schout kwam.”

“Ik ben veerman te Tiel, Heer baron!”

“Ja, dat is wel mogelijk; maar als gij dien vent den weg gewezen hebt hier naar toe, kunt gij ook blijven om te zien waar hij verder naar toe zal gaan. Wacht dus maar in de keuken, tot ik u roepen laat.—Bouke!”

Bouke verscheen en de Baron gelastte hem, al de boeren wel te onthalen en goede wacht voor de gevangenis van den Jezuïet te laten houden. Inmiddels maakte Teun Wezer een buiging, nam zijn afscheid en vertrok. Aan het einde van het voorportaal voelde hij zich op den schouder tikken, en zich omkeerende, zag hij Magdalena voor zich staan, die hem in een zijvertrek riep, waarvan zij terstond de deur met behoedzaamheid achter zich sloot.

“Vlegel!” zeide zij, hem verstoord aanziende: “waarom hebt ge niet beter opgepast en den eerwaarden Pater tegen die ketters bijgestaan?”

“Gehoorzame dienaar, Mevrouw!” zeide Teun: “ik dank oe hartelijk. De Pater was al geknipt, eer ik er bijkwam: waarom is hij zoo gek geweest, den wolf in den bek te loopen. Ik heb hem helpen binden en met voeren, om door dien weg een oog in ’t zeil te houden,’t gunt mij zoo wel elukt is, dat de Baron mij elast heeft, hier te blijven.”

”’t Is wel,” hernam Magdalena, “en oordeelt gij u zelven behendig genoeg, om den Pater uit den benauwden toestand te redden, waar hij in gebleven is?”

“Hm! hm!” zeide Wezer, “met oe hulp en die van een paôr knaôpen hier dicht bij, die niets beters verlangen, dan een goed handgeld te verdienen.... maôr er moet niets van kunnen oetlekken, dat ik met eholpen heb. Ik ben landsambtenaar en heb geen zin om voorlezum majestatumop’eknoopt te worden.”

“Gek!” zeide Magdalena, hem verachtelijk aanziende: “alsof er iets aan een ellendig leven, als het uwe, verbeurd ware;—doch, om ’t even! hier!” vervolgde zij, hem een beursje ter hand stellende: “hier is de zenuw van den aanslag: deel uit en beschik wat gij wilt: doch wees spaarzaam en voorzichtig.”

“Ze zullen de helft er niet van hebben, dat beloof ik oe!” zeide Teun, het geld op de vlakke hand wegende: “oe is bylo milder dan de Ambtman zelf. Doch wat moet verder edaôn worden?”

“Laten uw makkers dezen nacht te een uur een wagen of een paard aan de achtertuinpoort klaarhouden. Ik zal voor de rest zorgen. Tegen twaalf uren wacht ik u boven aan de zoldertrap. Maak nu zooveel haast als ge kunt, en zorg dat ge uw kameraden opschommelt. Doch!... wee u, zoo gij ons verraadt!”

“Papperlepap!” zeide Teun: “zoo eindigen zij allemaôl, en het zou eigenlijk niet meer dan billijk wezen, dat hij, die zijn leven slijt met anderen te bedriegen, ook eens zijn loon wegkreeg. Doch, zooals oe weet, voor geld en kwaie woorden ben ik altijd te vinden. Hadie dan mevrouw! tot van nacht.—Dat jaloersche vel, mijn wijf,” vervolgde hij bij zichzelven onder ’t weggaan, “zou juist van deuze afspraak niet geërgerd worden.”

Laat ons nu terugkeeren tot Joan, die, op last van den Baron, zich naar zijn kamer begeven had. Geen bevel had hem in deze tijdsomstandigheid meer welkom kunnen zijn; want niets scheen hem noodzakelijker, dan in de eenzaamheid over het gebeurde van den dag en den weg, dien hij moest inslaan, na te denken. Wij zullen echter geen poging aanwenden, om de onderscheidene overdenkingen na te gaan, die zijn geest beurtelings vermoeiden, noch de verschillende besluiten op te noemen, welke daarvan de gevolgen waren, en bijna even spoedig verworpen als gevormd werden. Hij, die het voorgaande met eenige oplettendheid heeft nagegaan, zal klaar kunnen beseffen, hoe zonderling hij te moede was. Dan, bij al de akelige denkbeelden, welke de voorvallen en mededeelingen van deze en de vorige dagen in hem hadden doen ontstaan, was er toch een, dat hem welkom en streelend was als de zonnegloed, die in den kerker des gevangenen nederdaalt en hem in ’t midden van zijn lijden een flauwe verkwikking komt aanbieden. De onbekende, die zich de vriend zijns vaders genoemd had, had hem wel geen stellige, maar toch ook geen geheel verwerpelijke hoop gegeven, dat zijn moeder nog leefde, en dat hij die wellicht in Den Bosch zou kunnen vinden: en het hart des jongelings, hoe gefolterd ook enbenepen, ontsloot zich voor deze zoete verwachting. Hij bevond zich in den toestand van een reiziger, die, bij nacht op een eenzame heide verdwaald, zich van moerassen en kloven omringd vindt en onbewust is, welken weg hij zal kiezen, daar alle paden hem even moeilijk en gevaarlijk voorkomen, totdat hij de oogen slaat op het schemerend lichtje, dat hij in de verte ziet gloren, en waarheen hij, onbewust nog of die flauwe glans een waarheid, dan een ijdele luchtverheveling zal zijn, de schreden eindelijk wendt. Nadat hij gedurende een paar uren in gedurige gemoedsbeweging de kamer had op en neder geloopen, zag hij zijn deur opengaan, en de oude Geertrui, zich met moeite op haar krukje voortwerkende, trad de kamer in.

“Wel mijn beste Geertrui!” zeide Joan, terwijl hij zich haastte haar zijn arm aan te bieden, en haar naar een stoel te geleiden, waarna hij haar met hartelijkheid kuste: “dat is recht hupsch van u, dat gij mij thans komt bezoeken. Hoe gaat het u op den ouden dag?”

“Op mijn ouden dag, ja dat moogt gij wel zeggen Jonker!—’t Is nu met Pinkster vijf en twintig jaren geweest, dat Mevrouw zaliger overleden is, en toen was ik twee en vijftig jaren: dus ’t is geen wonder, dat de gebreken komen!—Maar Jonker! Jonker! wat ben je een kerel geworden! Zoo waar ik leef, ik zou je bijna niet herkend hebben;.... maar laat ik eens uitblazen; want al dat trappen klimmen lijkt mij niet meer, en ik ben doodaf.” Hier zweeg zij en zat eenige oogenblikken te hijgen, terwijl zij Joan van top tot teen beschouwde.

“Waarlijk, beste, Geert!” zeide Joan, haar vriendelijk de hand drukkende, “ik weet bijna niemand, wiens bezoek mij op dit oogenblik aangenamer zou kunnen zijn dan het uwe.”

De trekken der oude dienstmaagd namen op het hooren van dit gezegde een min vroolijke uitdrukking aan. “Ja!” zeide zij: “dat geloof ik wel, want als de Baron hier kwam, die zou je minder vriendelijk aankijken, dan ik gedaan heb: hij is danmiserabelboos op je, en Bouke ook, dat beloof ik je. Je hebt het dan leelijk bij hen verkorven. Maar, Jonker! waar waren toch je zinnen, om dien stinkenden monnik tegen je pleegvader, die je van kind af heeft opgebracht, te gaan bijstaan?”

“Ik heb hem niet bijgestaan: ik heb slechts een gevecht willen voorkomen, dat voor mij niet dan noodlottig kon uitvallen.”

“Noodlottig!” herhaalde Geert, hem verbaasd aanziende: “wat kon u toch dien leelijken Jezuïet schelen?”

Joan zweeg eenige oogenblikken, en liep de kamer op en neder; vervolgens kwam hij weder bij Geertrui terug en zeide: “die Jezuïet was de vriend mijns vaders, en door zijn hulp kan ik mijn moeder misschien terugvinden.”

“Je vader! je moeder!—Och, denk je nog om die Spanjoolsche ouders, die je verzaakt en vergeten hebben. Is de Baron u niet altijd meer dan een vader geweest, en was Mevrouw zaliger, in den korten tijd dat het mensch u nog bij haar heeft gehad, niet een trouwe moeder voor u?”

Joan streek zich de hand over ’t voorhoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven, welke de aanmerking der oude dienstmaagd bij hem deed ontstaan. Hij begreep, dat het moeilijk zoude zijn, haar te doen gevoelen, dat dankbaarheid aan den Baron de liefde, die hij zijn wezenlijken ouders verschuldigd was, niet behoefde uit te sluiten. Hij vergenoegde zich dus met te zeggen: “Denkt gij dan niet goede Geert! dat die moeder verlangt haar zoon terug te zien, van wien zij zoolang gescheiden is?”

“Dat geloof ik,” zeide Geert: “en zoo een knappen zoon! Maar wie weet, wat voor een vrouwmensch het is,” voegde zij er bij met een gelaat, dat haren afkeer toonde van al wat tot de Spaanschen betrekking had.

“Geert!” zeide Joan, wrevelig: “gij komt mij uit vriendschap bezoeken!”....

“Dat doe ik,” hernam zij, eenigszins berouw gevoelende over hare overijlde woorden: “en ik meende het ook zoo kwaad niet. Maar nu, die Spanjoolsche daargelaten, ik bid je, maak toch, dat je weer bij Mijnheer in genade wordt aangenomen; want waarlijk, het loopt anders slecht met je af. Ik geloof niet aan al die praatjes, die over u gaan, en Freule Ulrica ook niet, meen ik....”

“Ulrica’s hart rechtvaardigt mij,” zeide Joan, terwijl zijn oogen fonkelden en hij met drift de hand van Geertrui greep. “Dan ach!” vervolgde hij, de armen weder latende vallen, op een somberen toon: “wat is de meening van Ulrica voortaan voor mij?”

“Zeg dat niet, Jonker! Wij zullen, Ulrica en ik, den Baron zoo lang bidden en smeeken, dat hij de geheele zaak maar blauw blauw laat.”

Joan zweeg eenige oogenblikken. “Geert!” zeide hij eindelijk: “gij kunt mij misschien een dienst bewijzen.—Waar zit de gevangene?”

“In het oude turfhok, beneden, weet gij?”

“En zoude er geen mogelijkheid wezen, dat ik hem een oogenblik sprak?”

“Heer beware ons! wel Jonker! Jonker! hoe kunt ge zulke dingen in je hoofd halen? Den gevangene spreken? Ja! de Baron zou je zien komen....”

“Geert! ik bid u, en smeek u! doe uw best en maak dat ik den gevangene spreke!”

“Zet dat uit het hoofd, Jonker! Er staan schildwachten voor de deur van het hok met vuurroers op schouder, en Bouke heeft, hoor ik, last gekregen van Mijnheer, om niemand bij den schelm toe te laten, ’t geen ook niet gemakkelijk gaan zou, al wilde hij, want Mijnheer heeft den sleutel in den zak.”

“In ’s Hemels naam,” zeide Joan, met een diepen zucht: “dan zal ik moeten wachten tot ik mijn vad.... tot ik den Heer Baron zelf spreke.”

“Nu!” zeide Geert: “ik durf niet langer hier blijven: ik heb hier al lang genoeg mijn tijd verpraat. Kijk!” vervolgde zij, terwijl zij opstond en zich langzaam naar de deur begaf: “als ik in den tijdvan Mevrouw zaliger zoo lang.... maar wacht, daar vergeet ik nog iets: onze Freule, dat lieve kind! heeft mij dit kleine briefje medegegeven, om u ter hand te stellen: ei zie! daar had ik haast niet om gedacht!”

“Ulrica!” riep Joan verrast, de hand uitstekende. “Geef toch Geert! geef toch!”

“Ja! ja! mijn memorie wordt ook slecht! dat zou er mooi uitgezien hebben, als ik bij de Freule weerom gekomen was, zonder mijn boodschap gedaan te hebben!”

“Geef!” herhaalde Joan, haastig haar het briefje uit de hand trekkende en het openbrekende. Met gretige oogen verslond hij het geschrift, ’t welk luidde als volgt:

“Het is mij verboden een woord met u te wisselen. Men beschuldigt u een aanslag tegen het leven van uw weldoener te hebben gesmeed. Wat mij betreft, ik kan noch wil dit gelooven; doch verdedig u, leg uw onschuld aan den dag en laten geen onteerende vermoedens op u rusten. Wees bedaard en kalm, geef geen gehoor aan ontijdige drift: want denk dat indien mijnbroeder(dit woord was tweewerf onderhaald) door den toorn mijns vaders op te wekken, zich buiten staat stelde hem van zijn onschuld te overtuigen, hij de innigste smart zou veroorzaken aan zijn zuster en vriendin.

U.”

Tot in de ziel getroffen over dit sprekend bewijs, dat zij althans, op wier achting hij meer prijs stelde dan op de meening der gansche wereld, hem niet alleen voor onschuldig hield aan het misdrijf dat hem te laste gelegd werd, maar hem ook in zijn ongeluk haar teedere belangstelling betoonde, riep hij uit, terwijl hij het briefje tegen zijn hart drukte: “goede, edele ziel! dit is de tweede reis, dat ik op last van uw vader gevangen zit, en de tweede reis, dat gij mij in mijn droeve omstandigheden zoekt op te beuren. Dan, toen lachte alles mij toe, en thans.... o! ’t ware beter dat ik nooit geboren geweest ware.”

“Foei!” zeide Geert: “dat zeide onze Heer van den boozen Judas; maar zulk een aarstverrader hoop ik, dat gij niet geworden zijt!”

“Dat hoop ik ook niet,” riep Bouke, die op dit oogenblik met een mand met eten de kamer binnenkwam; “maar wat doe jij hier, Geert? Als Mijnheer het hoort, dan stuurt hij je nog op je ouwen dag op marsch.” Dit zeggende, schoof hij de goede oude dienstmaagd de deur uit, terwijl zij al zuchtend onder ’t weggaan zich beklaagde, dat haar in den tijd van Mevrouw zaliger nooit iets dergelijks gebeurd was.

“Hoe!” zeide Joan met sombere blikken tegen Bouke, die zich, zoodra Geertrui vertrokken was, haastte zijn mand uit te pakken en het middagmaal op tafel te zetten: “zijn de bevelen zoo streng? zit ik hier buiten toegang?”

Bouke zette zwijgend zijn bezigheid voort: doch de zware zuchten, welke zijn borst slaakte, en de krachtige vloeken, welke hij binnensmonds bromde, toonden hoeveel het hem kostte, dat hij aan zijn ouden vriend geen antwoord geven kon.

“Bouke!” hernam Joan, terwijl een traan langs zijn wangen rolde: “is uw oude vriend u geen antwoord meer waardig?”

“Voor den duivel!” zeide Bouke, zich niet langer kunnende bedwingen; “dat je ook met dien satanschen Jezuïet moest komplotteeren!”

“Ik heb niet met hem gekomplotteerd! zeide Joan: “wiewas de vriend mijns vaders, en....”

“De vriend des duivels, en.... doch ik kan nu niet met je spreken; mijn gemoed is vol.” Dit zeggende, keerde Bouke zich om en liep de kamer uit, terwijl hij de deur met drift achter zich toesloeg.

Joan bleef lang met donkere blikken als op den grond genageld staan, en wierp zich eindelijk zuchtend op een stoel. Men begrijpt lichtelijk, dat hij in de tegenwoordige oogenblikken weinig eetlust had; echter plaatste hij zich aan tafel en poogde eenige mondvollen door te krijgen; dan ras wierp hij mes en lepel weder van zich, stond op en ging als te voren de kamer in haar geheele lengte op en neder wandelen; vervolgens bleef hij weder bij den etensbak staan, nam de bierkan op en dronk of liever zwolg die in eenige teugen geheel uit, waarna hij zijn marsch weder aannam. Eindelijk haalde hij het briefje van Ulrica, dat hij bij Boukes komst verborgen had, weder voor den dag, las en herlas het, scheurde bij mangel aan schrijfgereedschappen een blaadje uit zijn zakboek en wilde met potlood een antwoord aan Ulrica gaan schrijven, toen de deur zich opnieuw opende en iemand binnenliet, die hem in deze oogenblikken boven allen welkom wezen moest, namelijk den Predikant Raesfelt. Deze was in het geval en te zijnen opzichte geheel onpartijdig: van hem had hij nooit anders dan goede lessen ontvangen: en met hem alleen begreep hij thans geheel vrijmoedig en openhartig te kunnen spreken.

De Predikant had, zoodra het gerucht van het spiegelgevecht aan het Lischboschje in zijn eenzaam studeervertrek was doorgedrongen, zich naar het kasteel begeven, alwaar hem de Baron met al het voorgevallene bekend gemaakt had en geraadpleegd over de wijze, waarop hij omtrent Joan zou handelen. Raesfelt vond het geval duister en geheimzinnig, en besloot zijn aanmerkingen op het gebeurde met den raad, toch vooral behoedzaam en niet overijld te werk te gaan, opdat het den Baron niet mocht berouwen, dat hij Joan zijn gunst onttrokken had, gelijk het David berouwde, dat hij Mephiboseth onschuldig had veroordeeld.

“Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt,” zeide hij: “en schort uw meening op omtrent een jongeling, die u tot nog toe alleen stof van blijdschap en verheuging gegeven heeft. Ik kan niet gelooven, dat hij, die zoo dikwijls met warmte en gevoel over de groote weldaden sprak, welke hij van UEd. ontvangen heeft, op eenmaal alle erkentelijkheid, alle beginselen van plicht en godsdienst met voeten zou treden, om, gelijk een tweede Absalom, met Achitophels te heulen en zijn vader baldadig aan te randen. Vergun mij, heer Baron! dat ik zelf hem ga spreken; en ik twijfel niet, of hij zal zijn hart voor mij blootleggen, gelijk Koning David deed voor Nathan den Profeet!”

De Baron keurde dezen raad volkomen goed, en Raesfelt begaf zich naar de kamer van zijn gewezen leerling. Met een ernstig en bedrukt gelaat trad hij binnen; doch de tevredenheid klaarde zijn wezen weder op, toen Joan hem verheugd te gemoet snelde, hem dubbel welkom heette, de hand drukte en een zetel aanbood.

“Kom, Joan!” zeide de Predikant, nadat zij zich kortelijk hun wederzijdsche vreugde, van elkander in gezondheid weder te zien, hadden betoond: “Laat ik u eens scherp in de oogen zien, gelijk Petrus Ananiam en Saphiram aanzag, toen zij zich van den prijs des lands onttrokken.—Gij blikt mij openhartig tegen en slaat uw oogen niet neder: dan heb ik mijn vriend, mijn Joan, nog niet verloren.”

Joan drukte hem met warmte nogmaals de hand en verzekerde hem van zijn blijdschap, dat Dominee althans hem niet vergat, ’t geen hem tot een blijk strekte, dat hij zich nog niet als geheel ongelukkig moest beschouwen.

“Geheel ongelukkig!” herhaalde Raesfelt: “en wie leeft er op aarde, die zich alzoo durft noemen? Het zal met u zijn, gelijk de Psalmist zegt:

De stricken des Doods hadden mij omvaên.Ick was beladen met anghsten der hellen,Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,Seer vriendelijck en oock seere genadigh,Die wel behoedt d’eenvoudige seer bloot;Want als ick ter neder lagh onder voet,Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,Dies weest te vreden o mijn siele klachtigNadien dat de Heer u dees weldaet doet.

De stricken des Doods hadden mij omvaên.

Ick was beladen met anghsten der hellen,

Ick was in noodt, in zuchten en in quellen.

Doch ik riep des Heeren naem alsoe aan:

O Heer verlost mijn siel uyt desen noodt!

En ick bevondt dat hy was seer weldadigh,

Seer vriendelijck en oock seere genadigh,

Die wel behoedt d’eenvoudige seer bloot;

Want als ick ter neder lagh onder voet,

Geholpen heeft my onsen Godt almachtigh,

Dies weest te vreden o mijn siele klachtig

Nadien dat de Heer u dees weldaet doet.

En strekt deze liefderijke hand zich niet uit over allen, wie zij wezen mogen? Laat niet God zijn zon opgaan over de goeden en over de goddeloozen? en valt er een haar van uw hoofd buiten Zijn beschikking? Alleen hij, die van de liefde en verzorging onzes Hemelschen Vaders verstoken ware, zou zich geheel ongelukkig mogen noemen: en niemand kan zich beschouwen in dat geval te verkeeren. Hij, die derhalve tot wanhoop vervalt, begaat de grootste zonde, die te begaan is: want hij wantrouwt de goedheid van Hem, die gezegd heeft: al wie tot mij komen, zullen niet beschaamd worden.”

“God verhoede, dat ik Zijn goedheid ooit betwijfele,” zeide Joan, de oogen eerbiedig opheffende: “tot Hem alleen kan ik mij keeren: van Hem alleen troost in mijn lijden verwachten;—doch hier op aard is de poort des heils voor mij gesloten.”

“En wat zegt het aardsche heil voor hem, die een beter vaderland verwacht?” zeide Raesfelt: “alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds: het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen: want hoedanig is het leven?het is een damp, die voor weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.—Is niet eens ieders leven een samenweefsel van korten voorspoed en duurzame ellende? weet ik zelf niet bij ondervinding, wat het zegt, wederwaardigheden te lijden, welke alleen door een vast geloof kunnen worden doorstaan? Heeft niet mijn eigen zoon, gelijk Nadab en Abihu, de zonen Aärons, vreemd vuur op het altaar gebracht? en mijn haren van hartzeer doen grijs worden voor den tijd, gelijk Simeon en Levi, de zonen Jacobs, huns vaders haren grijzen deden?”

“Uw zoon!” riep Joan haastig uit: “hij wil uw gunst weder verwerven: hij....”

“Hoe nu!” zeide de Predikant: “wat weet ge van hem? hebt ge hem gezien? Ach! hoe is het met den jongeling, met....”

“Neen,” zeide Joan, eenigszins verlegen: “maar eergisteren zag men mij voor hem aan.... de man, die hier gevangen zit.... die weet meer van hem.... hij scheen hem te kennen.”

“Die Jezuïet?” vroeg Raesfelt: “zijn de zoodanigen de bekenden mijns zoons? O mijn ongelukkige Hendrik! is het niet genoeg dat gij uwen God verliet? moet gij ook den Baäl nahoereeren? Ach! wel mag ik met Jacob zeggen: het is mijns zoons rok: een wild dier heeft hem verslonden!”

“Dat niet: die gevangene is een Remonstrant, een.... maar neen, dat kan toch niet....”

“Hoe!” zeide Raesfelt, een gestrengen blik op Joan werpende: “weet gij niet, wie en wat die gevangene is?”

“Ik zag hem eergisteren voor ’t eerst en toen onder een anderen schijn dan heden? maar wie hij is?....” Hier schudde hij het hoofd, zag voor zich en haalde de schouders op.

“Joan!” zeide de Predikant: “de Paapschen hebben een instelling, welke zij een sacrament achten te zijn, door een verkeerde toepassing namelijk van Jacobi V vs. 16. Hun priesters hebben zich het recht aangematigd, ’t geen Gode alleen behoort, om, na gedane biecht, de zonden aan den boeteling kwijt te schelden. Dit zeide ik is een valsche verklaring, want de Apostel leert niet ter aangehaalde plaatse, dat men zijn zonden aan een kerkelijk persoon moet belijden ten einde daarvan vergeving te ontvangen; maar hij spreekt uitdrukkelijk van een belijdenis, die men elkander moet doen, dat is de eene geloovige aan den ander, en vooral van die zaken, waardoor de liefde des naasten verbroken en twist zou ontstaan zijn:—zoodat het in de meeste gevallen niet alleen geoorloofd, maar zelfs noodzakelijk en plichtmatig is, in het hart van een getrouwen vriend, van een man van ondervinding, vooral van een evangeliedienaar, zijn geheime gedachten en verrichtingen uit te storten, ten einde raad, hulp of vertroosting te ontvangen. In zulk een geval bevindt gij u thans, en de vriend, de leeraar, die uw vertrouwen genieten en u met raad, hulp en vertroosting dienen wil, ben ik. Spreek vrijelijk tot mij, Joan! gelijk Paulus tot den wijzen Ananiam sprak, nadat hij hiertoe door een gezichte was vermaand, en ik zal u hooren en u onderwijzen met de onderwijzing, die ik vermag te geven.Doch verberg mij niets; want om uw toestand wel te beseffen, is het noodig dat ik alles wete.”

“Reeds voor uw verzoek,” zeide Joan, “had ik besloten u mede te deelen wat de reden is van het zonderling gedrag, dat ik heden heb moeten houden. Doch eer ik begin, moet ik u de stipste geheimhouding verzoeken omtrent al wat ik u zeggen ga.”

“Een oogenblik,” zeide Raesfelt: “geheimhouding te beloven!.... dat zou mij onder de verplichting leggen, die een priester heeft aangegaan bij zijn ordening, en van ons gesprek een biecht te maken.... daarover moet ik even nadenken!”

Nadat de brave man eenige oogenblikken gepeinsd had, zegevierde zijn zucht om nuttig te wezen aan de belanghebbende partijen over zijn te ver getrokkene nauwgezetheid, en hij beloofde Joan, dat niets van hun gesprek buiten zijn toestemming zou uitlekken. “In allen gevalle,” zeide hij, “kan ik de biecht wel hooren, als er toch geenabsolutieop volgt; want daar staat geschreven: belijdt malkanderen de misdaden en bidt voor malkanderen, opdat gij gezond wordet: sprekende de Apostel hier van gezondheid der ziel, gelijk in de vorige verzen van gezondheid des lichaams.”

En hierop begon Joan, zonder te spreken van hetgeen hem te Tiel met Van Dyk overkomen was, de oorzaak, welke hem naar het Lischboschje gevoerd had en zijn ontmoeting van den morgen te verhalen. Toen de Predikant van het voorgenomen tweegevecht hoorde gewagen, schudde hij het hoofd en had moeite om den spreker niet in de rede te vallen; doch zooras Joan hem begon te vertellen, dat Van Dyk hem van zijn vader had gesproken, lieten zijn gedachten elk ander onderwerp varen om zich hierbij te bepalen, en bleef hij met gespannen aandacht luisteren naar het vervolg. Joan ging voort en zag den Predikant vlak in ’t aangezicht, om den indruk gade te slaan, dien zijn woorden op hem zouden maken. Met open mond en strak gevestigde oogen zat Raesfelt over hem, zijn adem inhoudende uit vrees van een woord te verliezen, en zijn knieën stijf met de handen vastknijpende als beducht, een beweging te maken. Doch toen Joan eindelijk Velasco zijn vader en den Baron zijns vaders moordenaar noemde, trok de Predikant haastig de handen terug, vouwde die samen voor ’t gezicht, hief het hoofd naar boven en sloot de oogen stijf toe, als wilde hij òf een gebed doen,òfzich iets, dat lang geleden en het geheugen reeds ontgaan was, herinneren. Na eenige oogenblikken in die houding te hebben doorgebracht, liet hij de handen weder vallen, zakte als ’t ware ineen, sloeg de oogen op den grond en zweeg.

Dat zwijgen scheen Joan toe, wat het werkelijk was: een bevestiging van het verhaal van Van Dyk: nog altijd had hij de hoop blijven voeden, dat deze een logenaar geweest ware: thans echter bleek hem het tegendeel, en zoo diep werkte die overtuiging op zijn gemoed, dat hij niet met spreken voort kon gaan, maar op zijn beurt den Predikant zwijgend aanzag, met oogen, waaruit vertwijfeling straalde.

Nadat die wederzijdsche stilte een geruimen tijd geduurd had,stond Raesfelt op, schudde het hoofd, stak de beide handen naar Joan toe en zeide: “Gij bevindt u waarlijk in een toestand zoo rampzalig als weinig menschen ondervinden; doch alle dingen moeten medewerken tot zaligheid voor hem die gelooft.”

Dit gesproken hebbende, ging hij weder zitten en peinsde weder eenige oogenblikken over hetgeen hij gehoord had. Nu brak Joan op zijn beurt het stilzwijgen en vroeg op een angstvalligen toon, of Dominee werkelijk met het geheim zijner geboorte bekend was, en of dit strookte met het verhaal van den vreemdeling.

“Over ’t geheel genomen, ja!” antwoordde Raesfelt: “en gij kunt het ook leeren kennen: want het staat, ofschoon niet volkomen juist, in de geschiedenissen te lezen, welke in de afgeloopen jaren gedrukt zijn. Doch dat de Heer Baron uw vader zou vermoord hebben, of zelfs den moord gelast, daarvan is mij nooit iets gebleken, en ik geloof het ook niet:.... waarschijnlijk is dat een bijvoegsel van den gevangene, om u haat tegen Zijn Edelheid in te boezemen: een schelm als hij, een sluikmoordenaar, kan lichtelijk zoo iets verzinnen, om....”

“Waarlijk! zoudt gij reden hebben om dit punt in twijfel te trekken? Het zou mijn hart van een geweldig pak ontlasten.”

De Predikant herhaalde zijn verzekeringen en bracht alles te berde, wat zijn geheugen hem omtrent de omstandigheden van Velasco’s dood te binnen bracht, om klem daaraan bij te zetten. Hij besefte nu, waarom en hoe innig zijn gewezen leerling lijden moest, en poogde hem dus ook met godsdienstige troostgronden op te beuren, doch om goeden raad te verschaffen, daarmede vond hij zich meer verlegen. Eindelijk kwamen zij overeen, dat Raesfelt den Baron zou verzekeren, dat Joan geen boos opzet hoegenaamd tegen hem had gevormd, en alle mogelijke middelen in ’t werk stellen, om een onderhoud met den Jezuïet te hebben, ten einde van dezen de waarheid betreffende Joans afkomst te verstaan; en dat Joan zich hoe eer hoe beter naar Den Bosch zoude begeven, om zijn oom Don Louis te bezoeken, en met dezen te overleggen, wat hem te doen stond. Aan het eerste gedeelte dezer afspraak werd dadelijk door den Predikant voldaan, nadat hij afscheid van Joan genomen had. In korte bewoordingen verklaarde Raesfelt aan den Baron, dat Joan zijn vriendschap altijd waardig gebleven was, doch dat hij de redenen van zijn geheimzinnig gedrag nog niet vermocht te openbaren, waarop Reede, tevreden over de voorloopige verzekering van de onschuld van zijn pleegzoon, besloot hem den volgenden morgen te gaan spreken, ten einde alles op te helderen wat nog duister was.

Intusschen was er een boodschap van den Ambtman Mom aan den Heer van Sonheuvel gekomen, waarin eerstgemelde zich verschoonde, om bij deze gelegenheid op het slot te komen, vermits de Koning van Bohemen dagelijks verwacht werd; ’t geen de tegenwoordigheid aller ambtenaren in de plaats hunner residentie noodzakelijk maakte. De Baron had gaarne zijne tegenwoordigheid genoten, vermits Eugenio, die eindelijk mede een verhoor had ondergaan, voorgewend had een Bosschenaar te zijn en door den Heervan Botbergen gezonden, om zijn verschil met Joan bij te leggen. De Schout, die het verhoor deed, was van oordeel, dat men, om de waarheid van dit voorgeven te kennen, zoowel het bijzijn van den Heer van Botbergen als dat van den Ambtman Mom vereischte. Men besloot dus, daar de avond reeds gedaald was, den gevangene wederom weg te voeren en de getuigen naar huis te laten gaan, hen tegen den volgenden morgen terug bescheidende.

Vier-en-twintigste Hoofdstuk.Daar’s niets dan ’t zwoord en ’t been: al ’t spek is geëclipseerd.Langendyk, de Wiskunstenaars.Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in ’t Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, ’t welk bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. “Hij zal wat zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten,” zeide Reede: “welnu! men spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt hem binnen!”De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio’s kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen worden. “Klink! klank!” zeide de Baron tegen den Schout, toen hij het hoorde: “die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest kunnen vliegen.”“Dat moet hij dan kunnen,” zeide Bouke, stampvoetende en vloekende binnenkomende: “want weg is hij!”“Wie? wat? wie is weg?” zeide de Baron.“De gevangene.”“Ben je dol, kerel?” en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat deeer hun ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.“Maar voor Sint-Felten, Bouke!” riep Reede, toen hij met hem voor den ledigen kerker stond: “hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?”“Gesloten?—Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel; maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet.”“De vent is wis een toovenaar,” zeide een der dienaars. “Zou de Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op het gemeentehuis.”“Dat mag ik wel lijden,” zeide de Baron: “maar wij moeten hem eerst hebben.”“Met uw verlof, Heer Baron!” zeide de Schout, de gevangenis binnentredende: “is hier geen andere uitgang dan door de deur?”“Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn,” zeide de Baron, op een rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: “en bij het luik, dat de pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken.”“Dat zal het toch wezen,” zeide de Schout, naar boven ziende en het luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende: “door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, die bovenstaat.”De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; doch zooals Geert aan Magdalena ’s daags te voren verhaald had, “nog bij ’t leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven en stroopers of voor groote schelmen,zooals deze paap was.”—De pijp was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg een uitkomst verkregen.“Joost haal me!” zeide de Baron, na gedaan onderzoek: “ik dacht ik had hem zoo wis.”“Ja!” zeide Bouke: “gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat.”“Men moet het gaan onderzoeken,” zeide de Schout.“Eerst den schelm weerom gekregen!” riep de Baron: “zit op mannen! en jaag hem achterna, tot gij hem vindt.”“Dat is gemakkelijk gezeid,” merkte Bouke aan: “maar waar vinden wij hem? want alle muiske heeft zijn kluiske.”“Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan kwam.”“Naar het veer dan,” zeide Bouke: “daar hooren wij zeker wat van hem: want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over een veer, men laat er nog meer.”“Met verlof!” hernam de Schout: “zoude UEd. niet eerst het kasteel laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen.”Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt; doch Geert verhaalde, hoe de Jonker ’s daags te voren bij haar had aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet ontsnapt was.“Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!” zeide de Schout: “ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer Secretaris verzoeken, die te nummeren.”—Dit zeggende, beschouwde hij nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: “dat is de hand van Joan!” ontrukte.Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:“Het bewijs uwer . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .J.”“Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?” riep de Baron uit, zoodra hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: “blijkt het niet uit dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden:deed toekomen,verlost door mij,Van Sonheuvel,zijn moordenaar.... O! het is niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij de Judas worden, die mij verraadde!” Hier bedekte de brave man zijn gelaat met beide handen en snikte luid.“Wat beveelt UEd.?” zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, ’t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na te lezen. “Zal men den Jonker nazitten?”“Neen!” zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: “Laat den ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede, indien zijn geweten het hem toelaat.”“Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,” zeide de Schout. “Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg.”Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal te Tiel was overgevaren.Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:“Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet: ik wil u daarvoor thans niet beknorren: ’t was ook eenigszins mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen.”“Was hij een verrader,” zeide Ulrica met kracht, “dan is hij de grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis, mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden.”“Welnu dan,” hernam de Baron: “wat dunkt u van zijn ontsnapping, te gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?”Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend staan en berstte toen uit in tranen.“Welnu!” zeide de Baron: “en aan dien slechthoofd wilde de brave Ambtman u afstaan. Hoe zult gij ’s mans edelheid beloonen?”“Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt,” zeide Ulrica, opstaande en haar tranen wegvegende: “ik ben bereid, zijn gade te worden.”“God zegene u, beste meid!” zeide de Baron, haar omhelzende. “Gij verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!”“De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten,” zeide zijn dochter: “maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult thans mijn boezem voor den booswicht!”Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen, was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar denGouden Ooievaarbegeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten, te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte, eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren, terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest, eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar in gezelschap van Groenhovius vertoond had.“Wat is er van je dienst, heerschop?” vroeg hij, zijn breeden vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. “Ai mij! wat zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier ekomen zijt?”“Ik zelf!” zeide Joan: “geef mij een snede brood en een kan bier, en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder.”“Wel is ’t mij bijzonder aangenaam, oe te zien,” hervatte de waard. “Ai mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, die leit nog boven achter ’t slot, wel bewaôrd; ai mij! ’t zou mij pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd, man! dat is marsch!”“Hoe!” riep Joan, opvliegende: “wat heeft dat te beduiden?”“Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! ’t Is dat....”“Ik wil mij driftig maken,” hernam Joan: “wat is er met mijn paard gebeurd?”“Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest voor de lichting, en deur dien weg is het marsch.” En hij vergezelde deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.“Larie!” zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: “mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht.”“Ai mij!” hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.“Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!”“Wel daôr speult Sint-Felten mee,” riep de waard, half boos, half bevreesd, “kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren, dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt, die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen.”De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en den angst des kasteleins vermakende.“Honderd daalders!” riep Joan verontwaardigd: “die Jood! die Griek! een paard, dat de helft meer waard is.”“Weeg uw woorden wat, vriendje!”’ voegde hem een officier toe (die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: “die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs hebben vastgesteld voor officiers-paarden.”“De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard iets te beschikken,” hernam Joan op een zachteren toon: “beiden zijn wij in dienst van den Koning van Bohemen.”“De Koning van Bohemen” zeide de officier met een spotachtigen lach: “pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook, de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan,” vervolgde hij, ziende dat Joan de hand aan ’t rapier sloeg: “ge schijnt mij een goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, de knol bevalt mij.”“Verplicht!” zeide Joan: “ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen, die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik moet nog heden verder.”Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude;want zij beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen, wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: “welnu! wat hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn Engelsch, een hanengevecht gaan houden?”Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud gadeslaan.“Hoor eens, kameraad!” vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder den arm nemende: “antwoord mij eens oprecht: wie heeft hetmodelopgegeven, volgens ’t welk uw paard getoomd en geteugeld is?”“Wel ik zelf!—Maar wat zal deze vraag?”“Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet,” hernam de ritmeester, altijd bedaard en vriendelijk, “dat meester Symen, die een bol in de toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model.”“Verplicht voor de eer,” hernam Joan; “maar dat helpt mij weinig.”“Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan,” zeide de officier, zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: “ik sta u borg, dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein Schwanck?” vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende.“Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!” antwoordde deze.“Uw naam,” vervolgde de andere tot Joan, “uw naam is, zoo ik mij niet bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk, volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb.”Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men die bij een ander heeft doen opstijgen.“Ja!” hernam hij: “nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u daarvoor niet te schamen, jongeling!—ik voorspel u, gij zult een naam verwerven, zoo gij er nog geen hebt;—althans het zal uw schuld niet zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst bij ons?”“Ik kan noch mag daarop antwoorden”, zeide Joan, “voor ’t oogenblik moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke uitnoodiging gebruik kunnen maken.”“Hm! hm!” zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd schudde: “die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik er ook eens hoop te komen.—Wat drommel moet ge in dat Paapsche land uitrichten?”“Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben,” zeide Joan.“Misschien!” antwoordde Schwanck: “het moet ons vreemd voorkomen, dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt.”“Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!” zeide zijn krijgsmakker. “De Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet, Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?”Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein Schwanck. “Bij mijn degen,” zeide hij tegen dezen in ’t uitgaan: “die knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!”Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van zijn gezelschap wilde verschaffen.Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, wanneer hij dacht te vertrekken.“Zoo op het oogenblik,” antwoordde de Jood: “indien UEd. uw pakkage gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten.”Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezeldeden waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was, daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de Waal en in de veerschuit gestapt.De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak hem met de volgende woorden aan:“Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend liet ik u immers nog op Sonheuvel.”“Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!” hernam Joan: “en moet gij er niet weder naar toe?”“Vandaôg en morgen niet,” antwoordde Teun: “ik moet eerst dien Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je ’t vat.”“Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen.”“Zoo!” hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; “nu ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij zullen zien.—Haalt aan, jongens! haalt aan!”Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.“Ziedaôr uw rijtuig,” zeide Teun, hem op de kar wijzende: “wil ik er de bagage maar inbrengen?” Dit zeggende, nam hij de valiezen der beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de paarden averechts gespannen had.“Maar zij staan immers altijd zoo,” zeide de jonge vrouw.“Houd den bek, wijf!” grauwde Teun haar halfluid toe, “of ik zaloe een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!”Tegen ditmartiaal argumentwas niets in te brengen: de goede vrouw haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, verwonderd uit: “Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?”“Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier meer in dan uit den weg,” antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken toon. “Heerschoppen!” vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel wendende: “blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat kapelleke, terwijl ik de paarden verspan.”De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.“Wel Klaartje!” vroeg hij haar na de eerste groete, “hoe maakt gij het al in den echten staat?”“Ja,” antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen liepen: “als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk, dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen,” zeide zij, terugkeerende: “hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij altijd wel.... daar is hij!”Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in ’t voorbijgaan een vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich tot de reizigers wendde met een: “’t is klaôr, heerschoppen!”In ’t uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had: bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren, keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik waar om hem schielijk in te fluisteren: “uw pistolen!” waarna zij zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep.De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende: en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden in zijn mantelzak gestoken.Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden, in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoopdes veldmans verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien, ’t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, ’t zij uit voorzorg tegen den wind, ’t zij omdat hij van tandpijn gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, hem reeds van verre had staan toereiken.Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een sober ontbijt te gebruiken.Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende verschrikken, en onbewustof deze geen medeplichtige aan een tegen zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar, slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, tot de helft der wielen in het moeras zaten.Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijkscheen: doch met teleurstelling ontwaarde hij bij ’t naderen, dat het alleen uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien, en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins, dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; doch nauwelijks was men een twintig roeden verdergekomenof Teun Wezer liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. “Met uw verlof!” zeide Joan, die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, “dat zal ik wel voor u doen;” en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-, mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag, en snelden op de kar aan.“Staat!” riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: “of ik brand los.”“Loop maar toe!” riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van achteren aangreep: “zij zijn niet eladen.”“Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geenpoging te doen om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn verbazing, toen hij bij ’t naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.“Wat zie ik?” riep Joan, verbaasd achteruittredende.“Stil!” zeide de geestelijke: “die ongelukkige leeft nog: hij is misschien nog te helpen.”“Gij wilt dien ellendige bijstaan?” hernam Joan, een vertoornden blik op Teun Wezer werpende.“Hij heeft mijn bijstand ingeroepen,” antwoordde de grijsaard: “en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan.”Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.“Wacht!” zeide Joan: “laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten grond brengen!” En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een schorre en gebroken stem: “o wee! het is met mij gedaan.... laat de Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!” Deze woorden met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat verspreidde.“Hier is geen hulp in den omtrek,” zeide de geestelijke: “laten wij hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield.”“Hoe!” riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: “gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?”“Ik ben een ongelukkige zwerver,” antwoordde Ambrosius: “die nergens veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk ontsnapt ben, die mij dreigde.”“Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?”“Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben.”“En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?”“Leert men in uwe Kerk,” vroeg de geestelijke, den jongeling met ernst en waardigheid aanziende, “dan het heilige voorschrift niet: ““doe wel aan die u haten?””“Voorzeker,” zeide Joan blozende: “doch, verschoon mij, ik had het voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde verwacht.”“Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons van verhaalt, en die was een Samaritaan,” zeide Ambrosius met nadruk.Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden hun weg vervolgen.“Zou het niet te vrijpostig wezen,” vroeg Ambrosius, na eenige oogenblikken zwijgens, “om te vragen, welke zaken den Jonker van Craeihorst in Den Bosch roepen?”“Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen.”“Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie.”“Welnu, zoo UEd. mij kent,” zeide Joan: “zal uw verwondering over mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, ik moet dit veronderstellen, na u in ’t gezelschap van Van Dyk te hebben ontmoet.”“Van Van Dyk?” hernam Ambrosius: “was hij de man die u derwaarts zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?”Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf.“Ik weet niet,” antwoordde hij, “of ik vooralsnog vrijheid heb, UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem te verkrijgen.”“Jongeling!” hervatte Ambrosius: “versta ik u wel? Zijt gij niet in dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?”Joan zweeg.“En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?”Joan schudde het hoofd en zuchtte.“Jongeling!” zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig gelaat: “ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer zag teruggebracht;maar verachting en smaad is in mijn oogen de Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed, verlaten en verraden zou.”“Die smet mag mij niet aangewreven worden,” riep Joan uit, terwijl een hoogrood zijn wangen overdekte: “God weet hoe zuiver mijn bedoelingen zijn!”“En toch!” hernam Ambrosius: “het is Van Dyk, die u naar Den Bosch zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag hebben: dat gij namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê gaat zoeken, waar gij u aan den dienst Godes wijden moogt;.... doch het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal.”“Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag onberispelijk.”“Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil, maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte aanbiedt; doch, nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;—en, geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid drijft mij aan; maar de zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder.”“Ik heb geen recht op uw dankbaarheid,” hernam Joan: “gaarne had ik voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts op mij gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde.”“Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak, moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. Het is, helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch nooit had ik gedacht, dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren.”Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, waarin Joan, die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, gedurende eenigen tijd door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg, die hen in korten tijd tot bij een wetering bracht, bij welke zich voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien uitgedost en allen te paard gezeten, welke, zoo ’t scheen, dit of dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in ’t oog kregen, reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet, sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde eerbiedig de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles in orde was, ’t geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde.“Welnu!” hernam de grijsaard: “laat dan mijn muilezel oprijden; want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te zijn: laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt gezien, voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien gewondenman medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te klimmen en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten.”Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden man uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht, waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard bekwam. Twee dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met een langzamer tred den trein, welke zich nu verder, op een vlugger draf, naar Den Bosch begaf.

Daar’s niets dan ’t zwoord en ’t been: al ’t spek is geëclipseerd.Langendyk, de Wiskunstenaars.

Daar’s niets dan ’t zwoord en ’t been: al ’t spek is geëclipseerd.

Langendyk, de Wiskunstenaars.

Den volgenden morgen was de Schout reeds vroegtijdig aan het kasteel terug en stelde hij den Heer van Sonheuvel voor, Joan te laten voor hem komen, om de aanleiding van zijn gesprek, met den gevangene in ’t Lischboschje gehouden, op te geven. De Baron, zulks goedgekeurd hebbende, zond Roelof naar het vertrek van den Jonker, om diens tegenwoordigheid te verzoeken; dan al spoedig kwam deze terug met het bericht, dat de Jonker niet in zijn kamer te vinden was, ’t welk bevestigd werd, toen de Baron, na gevraagde inlichting, vernam, dat Joan reeds vroeg in den morgen den hof was ingewandeld. “Hij zal wat zijn gaan kuieren om zijn leed te verzetten,” zeide Reede: “welnu! men spore hem op en verzoeke hem, terstond hier te komen: wij zullen dan beginnen, met den gevangene nog eens te ondervragen. Dienaars! brengt hem binnen!”

De gerechtsdienaars, door Bouke geleid, begaven zich naar Eugenio’s kerker, die wel met grendels, bouten en kettingen voorzien en gesloten was. Het was Bouke zelf, die nu de zwaar beslagene deur opende met een gedruisch, dat geheel het kasteel door kon vernomen worden. “Klink! klank!” zeide de Baron tegen den Schout, toen hij het hoorde: “die bewaarplaats is een weinig zekerder dan de kamer te Loevestein, waaruit de Heer De Groot voor veertien dagen ontsnapt is: van hier zal die vermaledijde Jezuïet niet wegkomen, of hij moest kunnen vliegen.”

“Dat moet hij dan kunnen,” zeide Bouke, stampvoetende en vloekende binnenkomende: “want weg is hij!”

“Wie? wat? wie is weg?” zeide de Baron.

“De gevangene.”

“Ben je dol, kerel?” en de Baron stoof met hem de trappen af, terwijl de Schout en de Secretaris, na elkander aangegaapt te hebben, de schouders ophaalden en volgden, vrij ontevreden, dat deeer hun ontgaan zoude, zulk een belangrijken misdadiger te hebben ingeleverd.

“Maar voor Sint-Felten, Bouke!” riep Reede, toen hij met hem voor den ledigen kerker stond: “hebt ge den boel dan niet dichtgesloten?”

“Gesloten?—Dat kunnen deze lieden getuigen, die er bij stonden; het spreekwoord zegt wel: groote visschen springen uit den ketel; maar hoe deze er uitgesprongen is, vat ik bij mijn ziel niet.”

“De vent is wis een toovenaar,” zeide een der dienaars. “Zou de Heer Baron niet goedvinden, dat wij hem wogen: de schaal is nog op het gemeentehuis.”

“Dat mag ik wel lijden,” zeide de Baron: “maar wij moeten hem eerst hebben.”

“Met uw verlof, Heer Baron!” zeide de Schout, de gevangenis binnentredende: “is hier geen andere uitgang dan door de deur?”

“Door dat gat kan hij niet weggegaan zijn,” zeide de Baron, op een rond luchtgaatje wijzende, waar geen mensch door kon kruipen, en dat bovendien met ijzeren traliewerk voorzien was: “en bij het luik, dat de pijp sluit, die op den zolder uitkomt, kan men van hier niet reiken.”

“Dat zal het toch wezen,” zeide de Schout, naar boven ziende en het luik met de punt der hellebaard van een der dienaars opstootende: “door die opening kan iemand wegkomen, met behulp van een ander, die bovenstaat.”

De pijp namelijk geleidde naar den zolder, en had te voren gediend om de turf, welke eertijds boven bewaard werd, naar gelang men die noodig had, naar beneden te werpen; toen diende de kerker voor een turfhok; doch zooals Geert aan Magdalena ’s daags te voren verhaald had, “nog bij ’t leven van Mevrouw zaliger had men een turfloods naast de keuken gebouwd, en dit hok tot een gevangenis ingericht voor dieven en stroopers of voor groote schelmen,zooals deze paap was.”—De pijp was sedert dien tijd van boven en van onderen met een luik gesloten geweest, en dit nog wel behoorlijk toegegrendeld. Bij nauwkeurige beschouwing bleek het echter, dat men die grendels had doen springen: en er bleef dus geen twijfel over of de gevangene had langs dien weg een uitkomst verkregen.

“Joost haal me!” zeide de Baron, na gedaan onderzoek: “ik dacht ik had hem zoo wis.”

“Ja!” zeide Bouke: “gissen is missen en gehad is een arm man; maar hoe kwam hij weg? alleen zeker niet: want de duivel heeft altoos een maat.”

“Men moet het gaan onderzoeken,” zeide de Schout.

“Eerst den schelm weerom gekregen!” riep de Baron: “zit op mannen! en jaag hem achterna, tot gij hem vindt.”

“Dat is gemakkelijk gezeid,” merkte Bouke aan: “maar waar vinden wij hem? want alle muiske heeft zijn kluiske.”

“Waar? wel wis is hij naar Tiel toe, den weg op, waar hij vandaan kwam.”

“Naar het veer dan,” zeide Bouke: “daar hooren wij zeker wat van hem: want vaart men over een sloot, men laat er een brood; vaart men over een veer, men laat er nog meer.”

“Met verlof!” hernam de Schout: “zoude UEd. niet eerst het kasteel laten doorzoeken? wellicht zit hij nog hier of daar verscholen.”

Deze raad werd gevolgd; men trok het kasteel in alle richtingen door en ondervroeg alle bedienden. Niemand had iets van den Jezuïet gemerkt; doch Geert verhaalde, hoe de Jonker ’s daags te voren bij haar had aangedrongen, om den gevangene te spreken. Dit deed het vermoeden ontstaan, dat Joan de hand had gehad in zijn ontsnapping. Zooras de Baron dit denkbeeld opvatte, begaf hij zich met al de overigen naar het vertrek van den jongeling; het werd nauwkeurig omgehaald, en men vond eindelijk in het ledikant, tusschen de lakens, een wigge en een eind touw verborgen, die aan den Baron werden voorgesteld. Bij onderzoek bleek het, dat die wigge gediend moest hebben om de grendels op te lichten van de luiken, die de pijp sloten, door welke de Jezuïet ontsnapt was.

“Die wigge en dat touw hebben tot de vlucht gediend, Heer Baron!” zeide de Schout: “ik zal ze dus als bewijsstukken medenemen, en de Heer Secretaris verzoeken, die te nummeren.”—Dit zeggende, beschouwde hij nogmaals de wigge, om den naam van den fabrikant te lezen, welke daarop gegrift stond, doch door roest en ouderdom uitgesleten was. Ten einde den roest eenigszins weg te wrijven, raapte hij een papiertje op, dat voor hem lag, toen de Baron, die naast hem stond, hem met den uitroep: “dat is de hand van Joan!” ontrukte.

Het bleek een gedeelte van een briefje te zijn, waaraan twee hoeken ontbraken, en liet de volgende afgebroken woorden lezen:

“Het bewijs uwer . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .J.”

“Het bewijs uwer . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . deed toekomen . . . . . . .. . . . . . . . . . . verlost door mij . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . den boezem aan . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . de beschuldiging . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . alle geloof blijft wei . . . .. . . . . . . . . . den naam van uw vriend . . . . . . .. . . . . . . . . . vollen uwer waardig . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . eerst bezwaarlijk vallen. . . . .. . . . . . . . . . de vermoedens te ont . . . . . . . .. . . . . . . . . . ekerd, de tijd zal mij. . . . . . . .. . . . . . . . . . . doen vallen, die . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . moet, en aan de . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . van Sonheuvel . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . zijn moordenaar. . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . geheel de uwe . . . . . . .

J.”

“Welk verder bewijs hebben wij nog noodig?” riep de Baron uit, zoodra hij deze onzamenhangende woorden gelezen had: “blijkt het niet uit dit geschrijf volledig, dat Joan, en niemand anders, den Jezuïet heeft verlost? Let eens, Heer Schout! op de woorden:deed toekomen,verlost door mij,Van Sonheuvel,zijn moordenaar.... O! het is niet moeilijk, de tusschenruimten in te vullen. Joan! Joan! had ik dat aan u verdiend? aan u, wien ik zoo hartelijk liefhad? Moest gij de Judas worden, die mij verraadde!” Hier bedekte de brave man zijn gelaat met beide handen en snikte luid.

“Wat beveelt UEd.?” zeide de Schout, na een oogenblik zwijgens, ’t welke hij zich ten nutte gemaakt had, om het briefje nogmaals na te lezen. “Zal men den Jonker nazitten?”

“Neen!” zeide Reede, terwijl hij zijn oogen afwischte: “Laat den ongelukkige gaan, waar hem zijn gesternte brengen wil. In den oorlog werd zijn vader door mijn soldaten vermoord: en ik wil het bloed zijns zoons niet op mijn gemoed hebben. Hij ga en leve in vrede, indien zijn geweten het hem toelaat.”

“Wat den Jezuïet betreft dien moeten wij echter niet laten wegkuieren,” zeide de Schout. “Hij is aan hoogverraad schuldig, en het zou mij spijten, indien ik dien vogel niet weder in de kooi kreeg.”

Dit gezegd hebbende, gaf hij de noodige bevelen om Eugenio na te sporen. Alle vervolging was vruchteloos; echter ontdekte men, na een nauwkeurig onderzoek, dat iemand, wiens beschrijving zeer wel met die van den Pater overeenkwam, den weg op naar Wijk te Duurstede was ingeslagen en aldaar de rivier was overgestoken; terwijl andere berichten vermeldden, dat Joan, met een vermomden grijsaard, de Waal te Tiel was overgevaren.

Inmiddels had Reede zijn dochter doen ontbieden. Zij kwam met rood bekreten oogen en een bleek gelaat de kamer in. Zwijgend wees de Baron haar een zitplaats aan, keek een poos voor zich en begon toen aldus:

“Lieve meid! ik weet, gij hebt altijd Joan als een broeder liefgehad; ja zelfs meer dan eigenlijk behoorde.... ja, schrei maar niet: ik wil u daarvoor thans niet beknorren: ’t was ook eenigszins mijn schuld.... maar ik zelf had den knaap lief, en zoo hij geen Spaansche basterd geweest ware.... doch dat daargelaten! over het verledene zullen wij zwijgen: ik wilde alleen u waarschuwen, dat ge voor de toekomst hem geheel uit uw gedachten bannen moet. Hij is een onwaardig, een slecht voorwerp, ja slechter dan ik u zeggen kan: mij, zijn weldoener, wilde hij om hals brengen, met behulp van een schoft, dien hij nu heeft doen ontsnappen. Zie mij niet zoo ongeloovig aan. Ik zelf zou het niet hebben geloofd, had ik de bewijzen niet in handen.”

“Was hij een verrader,” zeide Ulrica met kracht, “dan is hij de grootste huichelaar, die ooit bestaan heeft; doch ook op uw getuigenis, mijn vader! kan ik hem daar niet voor houden.”

“Welnu dan,” hernam de Baron: “wat dunkt u van zijn ontsnapping, te gelijk met den Jezuïet? van deze wigge en dat touw? van dit briefje?”

Ulrica nam het papier met een sidderende hand op en las het, terwijl haar vader voortging met de bezwaren, op te sommen, die tegen Joan konden worden aangevoerd. Een wijl bleef het meisje als versteend staan en berstte toen uit in tranen.

“Welnu!” zeide de Baron: “en aan dien slechthoofd wilde de brave Ambtman u afstaan. Hoe zult gij ’s mans edelheid beloonen?”

“Laat hij komen, wanneer het hem goeddunkt,” zeide Ulrica, opstaande en haar tranen wegvegende: “ik ben bereid, zijn gade te worden.”

“God zegene u, beste meid!” zeide de Baron, haar omhelzende. “Gij verheugt mij onbeschrijfelijk, door zulk een kloek besluit te nemen. De liefde van mijn waardigen vriend Mom zal best geschikt zijn om de tranen te drogen, die gij over den onwaardigen Joan nog storten mocht!”

“De smart was in staat er nog eenige te doen vlieten,” zeide zijn dochter: “maar de verachting heeft er geene: en die alleen vervult thans mijn boezem voor den booswicht!”

Terwijl deze gebeurtenissen op het slot te Sonheuvel voorvielen, was Joan, die vroeg in den morgen van daar vertrokken was, de poort van Tiel reeds binnengetreden en had zich naar denGouden Ooievaarbegeven, om zijn paard en mantelzak, welke hij aldaar bij zijn vertrek had achtergelaten, terug te eischen. Verscheidene personen van allerlei stand en rang zaten in het voorhuis te praten, te rooken of te drinken: soldaten doorkruisten het in onderscheidene richtingen: werklieden waren bezig een opkamertje aan te bouwen: in één woord, het huis was met drukte, verwarring en gewoel vervuld. Dit liet niet na bij Joan, die hiervan de reden niet besefte, eenige verwondering te baren: doch deze hield op, toen men hem verhaalde, dat de meeste der aanwezigen dien dag te Tiel gekomen waren om den Koning van Bohemen de stad te zien voorbijvaren, terwijl die krijgslieden zich aldaar bevonden om Z. M. een eerewacht te vormen. Intusschen veroorzaakte het plaatshebbend rumoer, dat Joan onderscheidene reizen zijn stem verheffen moest, eer hij van den waard gehoor kon verkrijgen. Deze was eerst sinds weinige jaren bij aankoop eigenaar van dien stand geworden en had onzen held nooit gezien dan drie dagen te voren, toen hij zich aldaar in gezelschap van Groenhovius vertoond had.

“Wat is er van je dienst, heerschop?” vroeg hij, zijn breeden vooruitpuilenden buik naar den kant van Joan wendende. “Ai mij! wat zie ik? is oe niet dat heerschop, die laatst met dien zwartrok hier ekomen zijt?”

“Ik zelf!” zeide Joan: “geef mij een snede brood en een kan bier, en laat mijn paard opgezadeld worden: ik moet spoedig verder.”

“Wel is ’t mij bijzonder aangenaam, oe te zien,” hervatte de waard. “Ai mij! de luiden zeiden al, je waart verzopen: jaô, een snee brood en een kan bier, daôr kan ik oe an helpen, en aan oe mantelzak ook, die leit nog boven achter ’t slot, wel bewaôrd; ai mij! ’t zou mij pijn doen, als iemand iets bij mij te kort kwam; maôr oe paôrd, man! dat is marsch!”

“Hoe!” riep Joan, opvliegende: “wat heeft dat te beduiden?”

“Ai mij! maôk u niet driftig, heerschop! ’t Is dat....”

“Ik wil mij driftig maken,” hernam Joan: “wat is er met mijn paard gebeurd?”

“Oe paôrd, heerschop! jaô! oe paôrd! Ai mij dat.... het is geprest voor de lichting, en deur dien weg is het marsch.” En hij vergezelde deze woorden met een zeer beduidende gebaarde.

“Larie!” zeide Joan, den herbergier vrij onzacht bij den arm grijpende: “mijn paard weerom, òf ik klaag u zoo dadelijk aan bij het gerecht.”

“Ai mij!” hernam de waard, terwijl hij zich uit de handen van een zoo geweldige weerpartij zocht los te maken.

“Geen aimijen meer! mijn paard weerom, en terstond!”

“Wel daôr speult Sint-Felten mee,” riep de waard, half boos, half bevreesd, “kijk mij zoo een vent het eens roeren! Kan ik het ebeteren, dat je zonder betaôlen aftrekt en oe verzuipt, zoodat elk oe veur dood houdt en dat oe paôrd geprest wordt en dat je nou weer levend veur mij staôt? Zie dat jij oe paôrd van den ritmeester weer krijgt, die het met enomen heeft: aôrs, honderd daôlders heeft hij er veur elaôten, die zijn tot oe dienst: ze liggen boven, en zooals ik oe zeide, niemand moet iets bij mij te kort komen.”

De soldaten hadden gedurende dit gesprek de herberg langzamerhand verlaten; doch de overige klanten, nieuwsgierig naar den uitslag van dezen twist, waren opgestaan en hadden zich om de beide sprekers in een engen kring verzameld, zich met de gramschap des jongelings en den angst des kasteleins vermakende.

“Honderd daalders!” riep Joan verontwaardigd: “die Jood! die Griek! een paard, dat de helft meer waard is.”

“Weeg uw woorden wat, vriendje!”’ voegde hem een officier toe (die met een anderen krijgsman het voorhuis ingetreden was, en de laatste woorden gehoord had), terwijl hij Joan op den schouder klopte: “die Griek ben ik, en ik heb er voor gegeven wat de Staten als prijs hebben vastgesteld voor officiers-paarden.”

“De Staten hebben, met verlof gezegd, over mij noch over mijn paard iets te beschikken,” hernam Joan op een zachteren toon: “beiden zijn wij in dienst van den Koning van Bohemen.”

“De Koning van Bohemen” zeide de officier met een spotachtigen lach: “pshaw! brrr! als hij hier komt, wordt hij er nog bij geprest ook, de arme man! Nu, trek u zijn zaak maar niet te veel aan,” vervolgde hij, ziende dat Joan de hand aan ’t rapier sloeg: “ge schijnt mij een goed kalf van een jongen! en zijt ge om vijftig daalders verlegen, ik zal ze er wel bijleggen: dan hou ik het paard voor mij; want zuiver, de knol bevalt mij.”

“Verplicht!” zeide Joan: “ik begeer noch uw geld te ontvangen, noch uw jokkernij aan te hooren: en verzoek u zelfs aardigheden te sparen, die ik niet dulden mag. Ik verlang alleen mijn paard terug: want ik moet nog heden verder.”

Al de omstanders zagen den officier aan, nieuwsgierig om te hooren, hoe hij de fiere taal van den jongeling beantwoorden zoude;want zij beschouwden den krijgsman als iemand, die, voor zooverre men het uit zijn kloek en mannelijk voorkomen, uit zijn valkenblik en uit zijn door lange diensten sterk geteekend gelaat zou opmaken, zich niet gemakkelijk op de teenen zou laten trappen; doch hun verwachtingen, wellicht de heimelijke hoop van sommigen, dat er een krakeel zoude ontstaan, werd niet vervuld. De officier beschouwde Joan een wijl met heldere, vriendelijke oogen, draaide zich toen een weinig om, zag de omstanders aan en vroeg op een vrij forschen toon: “welnu! wat hebt gijlieden daarmede te maken? Denkt gijlieden dat wij, op zijn Engelsch, een hanengevecht gaan houden?”

Deze onverwachte toespraak, de toon, waarop zij werd uitgesproken, en vooral de barsche houding van den krijgsman deed de omstanders beteuterd ter zijde treden: en als kinderen, die eene bestraffing ontvangen hebben, bleven zij op een afstand het verder onderhoud gadeslaan.

“Hoor eens, kameraad!” vervolgde de officier, Joan vriendelijk onder den arm nemende: “antwoord mij eens oprecht: wie heeft hetmodelopgegeven, volgens ’t welk uw paard getoomd en geteugeld is?”

“Wel ik zelf!—Maar wat zal deze vraag?”

“Omdat ik dan bij waarheid getuigen moet,” hernam de ritmeester, altijd bedaard en vriendelijk, “dat meester Symen, die een bol in de toomprangkunst was, de goede man, het u niet verbeteren zou. En daarom juist, lieve vriend! kunt ge uw paard niet weerom krijgen; want ik heb het met toom en al naar Graaf Hendrik Frederik gestuurd tot model.”

“Verplicht voor de eer,” hernam Joan; “maar dat helpt mij weinig.”

“Gij moest met mij naar Zijn Hoogheid gaan,” zeide de officier, zonder zich aan den driftigen toon van Joan te storen: “ik sta u borg, dat gij spoedig vooruit zoudt komen. Wat dunkt u daarvan, Kapitein Schwanck?” vervolgde hij, zich tot den anderen officier wendende.

“Dat zult gij best weten, Kapitein Holtvast!” antwoordde deze.

“Uw naam,” vervolgde de andere tot Joan, “uw naam is, zoo ik mij niet bedrieg.... Ulrich.... neen.... Joan van.... van....! Ja waarlijk, volkomen herinner ik mij uw naam niet, schoon ik u meer gezien heb.”

Bij deze woorden werd Joan beurtelings rood van verlegenheid en bleek van gramschap; doch de gulle lach, waarmede Kapitein Holtvast ze vergezelde, ontwapende zijn drift, vooral toen hij bemerkte, dat Holtvast zelf een kleur kreeg, gelijk meermalen gebeurt, wanneer men die bij een ander heeft doen opstijgen.

“Ja!” hernam hij: “nu herinner ik mij!.... doch gij behoeft u daarvoor niet te schamen, jongeling!—ik voorspel u, gij zult een naam verwerven, zoo gij er nog geen hebt;—althans het zal uw schuld niet zijn, indien gij een brekebeen blijft. Wat zegt ge? neemt ge dienst bij ons?”

“Ik kan noch mag daarop antwoorden”, zeide Joan, “voor ’t oogenblik moet ik naar Den Bosch; misschien zal ik naderhand van uw vriendelijke uitnoodiging gebruik kunnen maken.”

“Hm! hm!” zeide Holtvast, terwijl hij eenigszins misnoegd het hoofd schudde: “die reis naar Den Bosch bevalt mij maar half: schoon ik er ook eens hoop te komen.—Wat drommel moet ge in dat Paapsche land uitrichten?”

“Ik weet niet dat ik u eenige rekenschap verschuldigd ben,” zeide Joan.

“Misschien!” antwoordde Schwanck: “het moet ons vreemd voorkomen, dat iemand, die voorgeeft Koning Frederik te dienen, naar Den Bosch reist op het oogenblik, dat Zijn Majesteit hier verwacht wordt.”

“Bedaar, kapitein Schwanck, bedaar!” zeide zijn krijgsmakker. “De Jonker heeft vast wijze redenen, die het ons niet past te onderzoeken. Ook zal Koning Frederik hier dienaars genoeg hebben, en misschien meer, dan wij in den kost kunnen houden; doch het is onze tijd, verder te gaan: nu, Jonker! zoo gij iets naders van ons begeert, verneem dan maar naar mijn makker, dien gij hier ziet, Kapitein Schwanck, van de garde. En ik noem mij Holtvast, om u te dienen. Zoo ge bij ons wilt komen dienen, beloof ik u, dat ik u aan een paard zal helpen, ruim zoogoed als hetgeen wij u ontnomen hebben;.... doch waarom hieldt gij u ook dood?”

Deze toespraak geëindigd hebbende, draaide hij zich om, zonder verder antwoord af te wachten, en ging naar den stal, vergezeld van Kapitein Schwanck. “Bij mijn degen,” zeide hij tegen dezen in ’t uitgaan: “die knaap herinnert mij volkomen een dapperen Kleefschen Graaf.... doch dien hebt gij nooit gekend, Schwanck!”

Joan staarde den ritmeester met verbaasdheid na en bleef een wijl wrevelig en ontevreden staan, knorrig op den waard, die zijn paard verkocht had, op Holtvast, die hem had doen zwichten voor een invloed, waaraan hij geen verklaring geven kon, en op zich zelven, daar hij begreep een gekke rol gespeeld te hebben. Terwijl hij besluiteloos voor zich keek, rees een der aanwezigen, die zich met den ganschen twist niet bemoeid had, maar stil in een hoekje was blijven zitten, van zijn bank op, naderde hem, en zeide in een vreemden tongval, dat hij een wagentje gehuurd had, om hem naar Den Bosch te laten brengen, en dat het hem aangenaam zou wezen, indien de Jonker hem de eer van zijn gezelschap wilde verschaffen.

Joan wierp een vluchtigen blik op den man, die hem dezen voorslag deed. Hij had het uiterlijk van een Duitschen of Poolschen Jood, droeg een lange blauwe samaar met een hoogen kraag, die hem over de ooren stak, een diep ingedrukte bonten muts en een bruinen baard. Schoon onze held zich van zulk een reisgezel weinig vermaak kon beloven, begreep hij echter, de gelegenheid niet te moeten versmaden, weshalve hij den vreemdeling een toestemmend antwoord gaf, hem tevens vragende, wanneer hij dacht te vertrekken.

“Zoo op het oogenblik,” antwoordde de Jood: “indien UEd. uw pakkage gelieft te halen: ik zal UEd. hier blijven wachten.”

Beseffende, dat hij toch vergeefsche moeite zou doen om zijn paard terug te krijgen, voldeed Joan aan het verzoek en vergezeldeden waard naar een achterkamer, waar deze hem zijn valies ter hand stelde en hem het geld toetelde, dat voor zijn paard betaald was, daarvan, als vanzelf spreekt, de som afhoudende, welke Joan hem voor zijn vertering schuldig was: waarna onze held terugkeerde naar het voorhuis, en met den Jood de stad verliet. Weldra waren zij aan de Waal en in de veerschuit gestapt.

De rivier leverde op dit oogenblik een belangwekkend schouwspel op: zij was gevuld met groote en kleine vaartuigen, van wier stengen en achtersteven vlaggen wapperden, en welke passagiers inhielden, die op den stroom de aankomst van Koning Frederik verbeidden. De beide oevers waren met scharen toeschouwers bedekt, en voor de stad lag een prachtig versierd jacht, dat zoowel de Prinsenvlag als het wapen van Oranje-Nassau voerde, en waarop zich Prins Maurits met zijn gevolg, waaronder de Ambtman Mom en meer hoofdbeambten van het gewest, bevonden. Onder de muren van Tiel stond krijgsvolk onder de wapenen, om den doorluchtigen gast van Nederland bij zijn doortocht verschuldigde krijgseer te bewijzen: en twee schuiten, met soldaten bemand, gingen den Koning te gemoet, wiens vaartuig, rijk met vlaggen versierd, men van verre onder het schaterend gejuich der menigte den vloed zag afkomen. Joan kon, ondanks de bekommering, die zijn ziel vervulde, niet nalaten zijn oog over dit prachtig schouwspel te doen weiden, waarvan de beschouwing hem gedurende den tijd der overvaart geheel vervulde. Eerst toen hij aan de andere zijde gekomen was en toevallig opzag, herkende hij in een der veerlieden zijn oude kennis, Teun Wezer. Niet verlangende, met dezen in gesprek te treden, wendde hij het gelaat om; doch de veerman, een halven cirkel om hem heen beschrijvende, stond dadelijk weder vlak voor zijn gezicht, en sprak hem met de volgende woorden aan:

“Goemorgen, Jonker! wie deksel dacht u hier te zien? gisteraôvend liet ik u immers nog op Sonheuvel.”

“Gij moet van daar nog vroeger zijn vertrokken dan ik, Teun!” hernam Joan: “en moet gij er niet weder naar toe?”

“Vandaôg en morgen niet,” antwoordde Teun: “ik moet eerst dien Poolschen Jood naar Den Bosch brengen, dat je ’t vat.”

“Ei! en mij bijgevolg ook; want wij reizen samen.”

“Zoo!” hervatte de veerman, wiens gelaat op dit bericht betrok; “nu ja! maôr ik weet niet of het zich wel schikken zal.... Patientie! wij zullen zien.—Haalt aan, jongens! haalt aan!”

Aan de overzijde aan wal gestapt en den dijk opgewandeld zijnde, zag Joan in de laagte een soort van huifkar staan, met twee kloeke paarden bespannen, welke een jonge vrouw vasthield.

“Ziedaôr uw rijtuig,” zeide Teun, hem op de kar wijzende: “wil ik er de bagage maar inbrengen?” Dit zeggende, nam hij de valiezen der beide reizigers en smeet die in de kar, waarna hij zich vloekende en tierende bij de jonge vrouw begaf, haar verwijtende, dat zij de paarden averechts gespannen had.

“Maar zij staan immers altijd zoo,” zeide de jonge vrouw.

“Houd den bek, wijf!” grauwde Teun haar halfluid toe, “of ik zaloe een muilpeer geven, die oe de lust tot snaôteren wel benemen zal. Ik zeg, ze staôn verkeerd om, en dan is het zoo!”

Tegen ditmartiaal argumentwas niets in te brengen: de goede vrouw haalde met een zucht de schouders op, en riep toen, Joan ziende, verwonderd uit: “Lieve deugd! is dat onze Jonker niet?”

“Ja! dat is onze Jonker: ga je maôr naôr hem toe, je staôt mij hier meer in dan uit den weg,” antwoordde Teun op denzelfden vriendelijken toon. “Heerschoppen!” vervolgde hij, zich tot Joan en diens reisgezel wendende: “blijf daôr zoolang niet in den wind staôn. Gaôt in dat kapelleke, terwijl ik de paarden verspan.”

De reizigers volgden dien raad en gingen in een kroegje dat vlak aan den weg stond, gevolgd door de vrouw van Teun Wezer, in dewelke Joan nu zijn speelkarnuit Klaartje, Boukes nicht, herkende.

“Wel Klaartje!” vroeg hij haar na de eerste groete, “hoe maakt gij het al in den echten staat?”

“Ja,” antwoordde zij, terwijl twee dikke tranen haar langs de wangen liepen: “als men alles van te voren wist!.... doch ik geloof waarlijk, dat mijn man mij roept om hem te komen helpen;.... maar neen,” zeide zij, terugkeerende: “hij kan mij wel missen: trouwens, dat kan hij altijd wel.... daar is hij!”

Teun Wezer trad het kroegje binnen, en in ’t voorbijgaan een vreeselijken blik op zijn vrouw werpende, begaf hij zich naar de toonbank en zwolg een kelk brandewijn in, welken een oude Megeer, die aldaar voor tapster speelde, hem toegereikt had; waarna hij zich tot de reizigers wendde met een: “’t is klaôr, heerschoppen!”

In ’t uitgaan der kroeg bemerkte Teun, dat zijn vrouw Joan, die reeds buiten was, toewenkte, dat zij hem nog iets te zeggen had: bij het zien dezer beweging stootte hij haar ruwelijk achter zich weg; dan Joan, wien de gebaarden van Klaartje niet ontsnapt waren, keerde terug, draaide om den voerman heen en stak aan diens vrouw de hand ten afscheid toe. Veinzende te struikelen, nam zij dit oogenblik waar om hem schielijk in te fluisteren: “uw pistolen!” waarna zij zich haastig omwendde en een luid vaarwel toeriep.

De Jood had intusschen plaats op de kar genomen: Joan volgde hem, over de geheimzinnige waarschuwing, welke hij ontvangen had, nadenkende: en op de bank gezeten, was zijn eerste werk om naar zijn pistolen om te zien; doch hij vond die, zooals hij ze gelaten had, aan weerszijden in zijn mantelzak gestoken.

Teun Wezer, zich op een soort van bok of vooropbank gesteld hebbende, greep nu de teugels, of liever de touwen, welke dien rang bekleedden, in de hand en deed zijn zweep driewerf de lucht doorklieven; waarop de paarden op een redelijken draf vertrokken en het rijtuig door een aangename landouw, met boomgaarden en koornvelden bedekt, voorttrokken. Met weemoedige deelneming staarde onze held op die welvarende en vruchtbare streken: en diep trof hem de gedachte, hoe weldra, na het eindigen van het Bestand, de oorlogsfakkel opnieuw in dit gedeelte van Nederland zoude blaken, de hoopdes veldmans verteren en wellicht vele dier thans zoo fraaie en rijke woningen in asch leggen: hoe de zwaarden der krijgsliên het graan zouden maaien, ’t welk de hand des nijveren landmans hier gezaaid had. De sombere stemming, waarin hem deze overdenkingen brachten en de nog dieper zwaarmoedigheid, waarin hij verviel, als hij soms weder over zijn eigen toestand nadacht en zich de ontdekkingen en gebeurtenissen der vorige dagen voor den geest bracht, en eindelijk het gering genoegen, dat hij uit een gesprek met zijn vreemden reismakker verwachten kon, deden hem over den weg een diep en onafgebroken stilzwijgen bewaren. Wat den Jood betrof, ook deze scheen geen onderhoud te verlangen: hij had zich, ’t zij uit voorzorg tegen den wind, ’t zij omdat hij van tandpijn gekweld was, een zijden doek om de kin gebonden, welke het gedeelte van zijn gelaat, dat nog zichtbaar gebleven was, ten volle bedekte. De voerman was insgelijks stil en afgetrokkener van gedachten, dan men van iemand uit zijn stand verwachten zoude: somtijds poogde hij een liedje te neuriën, doch al spoedig verzwakte zijn stem, hij zweeg, zakte ineen en verviel weder als in een dommeling, en als dit een korte poos geduurd had, richtte hij zich wederom op, begon opnieuw te fluiten en te zingen, liet de zweep aan de paarden voelen en hen draven tot aan de naastbij gelegene kroeg, waar bij nooit naliet het zoopje te aanvaarden, dat de maagd, die voor den deurpost wachtte, hem reeds van verre had staan toereiken.

Over Drummel naar de Maas gereden, staken onze reizigers die rivier over, en kwamen weldra te Kessel, alwaar Teun Wezer begreep zijn paarden eenige rust en voeder te mogen doen genieten; welke gelegenheid zoowel Joan als de Jood zich ten nutte maakten om in de herberg een sober ontbijt te gebruiken.

Terwijl Joan hiermede bezig was, zag hij uit het raam, waaraan hij gezeten was, dat zijn voerman op de binnenplaats in gesprek stond met twee kerels van een alleronaangenaamst voorkomen, die na eenige woordenwisseling de herberg verlieten. Deze omstandigheid wekte opnieuw eenig kwaad vermoeden op bij onzen held, zoodat hij het raadzaam oordeelde, zich nogmaals van den toestand, waarin zijn wapenen zich bevonden, te gaan verzekeren. Hij begaf zich met dat oogmerk naar den stal, alwaar hij op dat oogenblik niemand vond, vermits Teun Wezer zich naar de keuken had begeven om te ontbijten, en de staljongen voeder was gaan halen. Onverhinderd en onopgemerkt kon hij dus de beide pistolen uit den mantelzak halen en onderzoeken; waarop hij tot zijn verbazing ontdekte, dat men de kogels uit de loopen had gehaald. Hij zelf had de pistolen des morgens op Sonheuvel geladen en te Tiel gestoken in zijn mantelzak, welke hij sedert niet uit het oog had verloren, dan alleen gedurende den korten tijd, toen hij op verzoek van Teun Wezer het kroegje aan het veer was ingegaan. Hij begreep nu, dat die schelm zich deze gelegenheid had ten nutte gemaakt om, onder voorwendsel van de paarden te verspannen, de geweren buiten staat te stellen eenig letsel te doen, welk bedrijf Klaartje ongetwijfeld had opgemerkt. Zijn reisgenoot niet buiten noodzakelijkheid willende verschrikken, en onbewustof deze geen medeplichtige aan een tegen zijn leven of vrijheid gesmeden aanslag ware, hield hij dezen onkundig van de gedane ontdekking, laadde de pistolen opnieuw, bracht die op hun plaats terug en verliet wederom even ongemerkt het wagenhuis.

Kort daarna kwam Teun Wezer de reisgenooten waarschuwen, dat het tijd was weder op reis te gaan: zij vervolgden dan hun weg door een zwaar, slijkerig spoor, hetgeen de paarden noodzaakte stapvoets voort te gaan. Hoe meer zij vorderden, hoe vetter en hinderlijker de modder werd, zoodat zij, eer zij Kessel nog uit het oog verloren hadden, tot de helft der wielen in het moeras zaten.

Het oord was hier eenzaam en verlaten: nergens vertoonde zich eenig levend wezen, en de rook alleen, die hier en daar in de verte uit het kreupelhout opging, verraadde de nabijheid van dorpen en gehuchten. Eindelijk ontdekte Joan verre voor zich uit, doch aan den rijweg, met welgevallen een gebouw, dat vrij aanzienlijkscheen: doch met teleurstelling ontwaarde hij bij ’t naderen, dat het alleen uit de vier muren bestond, zijnde het droevig overblijfsel eener nog vóór den aanvang van het Bestand uitgebrande huizinge, welke thans uitmuntend geschikt was tot een verblijfplaats van uilen en kraaien, en misschien van nog gevaarlijker roofgedierte. Ook ontging het Joan, die oplettend was op al wat zijn vermoedens op kon wekken, geenszins, dat zich tusschen die vervallen muren een paar menschen bevonden, die even uitkwamen, doch bij het zien van het rijtuig dadelijk terugtraden. Zooras onze held dit bemerkte, haalde hij in stilte zijn pistolen uit den mantelzak en stak zijn handen onder de bank, eer zijn reisgenoot of de voerman deze beweging bespeurd hadden. Zij reden echter de bouwvallen voorbij, zonder dat er iemand te voorschijn kwam; doch nauwelijks was men een twintig roeden verdergekomenof Teun Wezer liet, als bij toeval, zijn zweep vallen, hield de paarden staande en sprong af, als wilde hij die gaan oprapen. “Met uw verlof!” zeide Joan, die al zijn bewegingen aandachtig gade had geslagen, “dat zal ik wel voor u doen;” en, meteen sprong hij op het voetpad, dat, veel hooger dan de weg, niet zoo zwaar bemodderd en bewandelbaar was. Dan terstond haalde Teun Wezer, zonder een woord te spreken, de houten pen uit, welke het karretje (hetwelk in den smaak der hedendaagsche asch-, mest- of vuilniskarren gemaakt was), tegenhield, waardoor het met Jood en al achterover en in de modder sloeg. Op datzelfde tijdstip sprongen de twee personen uit het vervallen gebouw, dezelfden, die Joan in de herberg gezien had, met het mes in de vuist, voor den dag, en snelden op de kar aan.

“Staat!” riep Joan, hun de pistolen voorhoudende: “of ik brand los.”

“Loop maar toe!” riep Teun, terwijl hij zijn mes trok en Joan van achteren aangreep: “zij zijn niet eladen.”

“Dat zult gij anders ondervinden! zeide Joan, en zich omkeerende, schoot hij den booswicht neder, die vloekende tusschen de paarden rolde. Vervolgens zijn degen trekkende, stelde de moedige jongeling zich in postuur om de beide anderen af te wachten: dezen, door het gezicht van den gewonden voerman ontzet, verkozen geenpoging te doen om met levensgevaar te naderen en bliezen den aftocht, met den meesten spoed hun weg weer naar den kant van Kessel nemende. Joan volgde hen een klein eind weegs, doch slechts langzaam, daar hij zich niet te ver van de kar verwijderen wilde; doch hij verloor hen weldra uit het oog. Toen keerde hij terug om te onderzoeken, in welken toestand zich de arme Jood en de gekwetste bevonden. Dan, wie schildert zijn verbazing, toen hij bij ’t naderen geen Jood noch Joodsgelijke meer zag, maar, naast den onder zijn eigene paarden in de modder geraakten voerman, de edele, eerwaardige gestalte van Godard van Reede, zooals hij zich in het klooster te Tiel aan hem vertoond had, herkende.

“Wat zie ik?” riep Joan, verbaasd achteruittredende.

“Stil!” zeide de geestelijke: “die ongelukkige leeft nog: hij is misschien nog te helpen.”

“Gij wilt dien ellendige bijstaan?” hernam Joan, een vertoornden blik op Teun Wezer werpende.

“Hij heeft mijn bijstand ingeroepen,” antwoordde de grijsaard: “en dit heeft nooit een sterveling te vergeefs gedaan.”

Dit zeggende, trachtte Pater Ambrosius, gelijk de geestelijke, als men weet, genoemd werd, den gekwetste op te helpen; doch het machteloos lichaam gaf niets mede en zat diep in het slijk.

“Wacht!” zeide Joan: “laat mij die taak over: ik zal hem wel op vasten grond brengen!” En meteen zette hij de voeten vast aaneengesloten in het slijk, greep Teun Wezer met beide handen om het lijf en tilde hem op het voetpad. De gewonde opende nu de oogen en zeide met een schorre en gebroken stem: “o wee! het is met mij gedaan.... laat de Vicaris.... een gebed.... voor mijn ziel.... o wee!” Deze woorden met moeite hebbende geuit, liet hij het hoofd op den schouder vallen en sloot de oogen, terwijl de doodskleur zich weder over zijn gelaat verspreidde.

“Hier is geen hulp in den omtrek,” zeide de geestelijke: “laten wij hem in de kar leggen en met ons voeren: indien ik slechts iets had om het bloed te stelpen, dat uit zijn wond stroomt.... wacht! in de kar ligt de doek, waarmede ik mijn gezicht verborgen hield.”

“Hoe!” riep Joan, terwijl hij snel den doek uit de kar haalde: “gij waart dan werkelijk die Jood, mijn reisgenoot?”

“Ik ben een ongelukkige zwerver,” antwoordde Ambrosius: “die nergens veilig, door allen vervolgd, bij allen gehaat, niet dan door Gods vaderlijke hulp, die u tot mijn redder beschikte, aan den moorddolk ontsnapt ben, die mij dreigde.”

“Het was dan tegen u, dat de aanslag gesmeed was?”

“Gewis! en ik ken hen, die dezen arm tegen mij gewapend hebben.”

“En gij bewijst uw menschlievende hulp aan den booswicht?”

“Leert men in uwe Kerk,” vroeg de geestelijke, den jongeling met ernst en waardigheid aanziende, “dan het heilige voorschrift niet: ““doe wel aan die u haten?””

“Voorzeker,” zeide Joan blozende: “doch, verschoon mij, ik had het voorbeeld, dat mij door u gegeven wordt, niet van een Roomschgezinde verwacht.”

“Slechts één hielp den gekwetsten koopman, waar de schriftuur ons van verhaalt, en die was een Samaritaan,” zeide Ambrosius met nadruk.

Onder dit gesprek hadden zij den gekwetste verbonden zoogoed hun mogelijk was: vervolgens plaatste Joan hem in de kar: de grijsaard ging naast hem zitten en hield hem vast, om het zwakke lichaam tegen de al te sterke schokken van het rijtuig te bewaren. Joan nam de teugels in de hand, zette zich op het vooropje en liet de paarden hun weg vervolgen.

“Zou het niet te vrijpostig wezen,” vroeg Ambrosius, na eenige oogenblikken zwijgens, “om te vragen, welke zaken den Jonker van Craeihorst in Den Bosch roepen?”

“Gij kent mij!.... Doch waarom zou mij dit bevreemden? Ik heb in de laatste dagen het recht verloren om mij ergens over te verwonderen.”

“Ja! ik ken u. Reeds toen ik u voor eenige dagen te Tiel zag, trof mij uw gelaat; sedert vernam ik, wie gij waart, en ik herinnerde mij, u als knaap bij uw pleegvader te hebben ontmoet, en u den ring geschonken te hebben, welken ik aan uw vinger zie.”

“Welnu, zoo UEd. mij kent,” zeide Joan: “zal uw verwondering over mijn reis naar Den Bosch niet zoo groot wezen; want dan zult ge ook de betrekkingen kennen, welke ik aldaar ga opzoeken: ten minste, ik moet dit veronderstellen, na u in ’t gezelschap van Van Dyk te hebben ontmoet.”

“Van Van Dyk?” hernam Ambrosius: “was hij de man die u derwaarts zond? En welke redenen heeft hij u gegeven, sterk genoeg, om u een huisgezin, dat u liefheeft, te doen verlaten?”

Joan was op het punt zijn vertrouwen te schenken aan zijn reisgenoot, wiens achtbaar en tevens vriendelijk voorkomen hem bereids had ingenomen; doch hij weerhield zich, indachtig aan de nauwe betrekking, die tusschen Vader Ambrosius en den Baron bestond. Daarenboven was hem de gedachte niet vreemd, dat de grijsaard, van hetgeen hij hem zou kunnen verhalen, beter en vollediger onderricht ware, dan hij zelf.

“Ik weet niet,” antwoordde hij, “of ik vooralsnog vrijheid heb, UEd. die redenen mede te deelen. Wat echter den persoon betreft, dien ik zoek, het is Don Louis de Velasco, en het zou mij aangenaam zijn, indien UEd. mij behulpzaam wilde wezen om een mond gesprek met hem te verkrijgen.”

“Jongeling!” hervatte Ambrosius: “versta ik u wel? Zijt gij niet in dienst van den verjaagden Paltsgraaf, die zich koning van Bohemen noemt? Wat hebt ge dan met zijn vijand uit te richten?”

Joan zweeg.

“En draagt de Baron van Sonheuvel kennis van deze reis?”

Joan schudde het hoofd en zuchtte.

“Jongeling!” zeide de grijsaard met een ernstig en weemoedig gelaat: “ik ben een ijverig en getrouw, schoon onwaardig dienaar der Moederkerk, en zou mijn leven gewillig prijsgeven, zoo ik de Nederlanden van ketterij verlost en tot de zuivere leer zag teruggebracht;maar verachting en smaad is in mijn oogen de Nederlander waardig, die de zijnen, lafhartig, om wereldsch goed, verlaten en verraden zou.”

“Die smet mag mij niet aangewreven worden,” riep Joan uit, terwijl een hoogrood zijn wangen overdekte: “God weet hoe zuiver mijn bedoelingen zijn!”

“En toch!” hernam Ambrosius: “het is Van Dyk, die u naar Den Bosch zendt!.... slechts één verontschuldiging kan uw gedrag hebben: dat gij namelijk uw kettersche gevoelens af wilt zweren en een heilige steê gaat zoeken, waar gij u aan den dienst Godes wijden moogt;.... doch het is niet Don Louis, welke u die verschaffen zal.”

“Ook dit is mijn bedoeling niet: en echter is in deze mijn gedrag onberispelijk.”

“Zoo dit waar is, gelijk ik op uw herhaalde verzekering gelooven wil, maak dan staat op mijn diensten, die ik u van harte aanbiedt; doch, nogmaals, weiger mij uw vertrouwen niet: ik ben het waardig;—en, geloof mij, geen laakbare nieuwsgierigheid drijft mij aan; maar de zucht om u nuttig te zijn, u, mijnen redder.”

“Ik heb geen recht op uw dankbaarheid,” hernam Joan: “gaarne had ik voor u in de bres gesprongen; doch ik dacht, dat het slechts op mij gemunt was, en dat het alleen mijn eigen leven was, dat ik verdedigde.”

“Geenszins! Teun Wezer kende mij, en de vermomming, waarin ik stak, moest mij alleen dienen, om bij anderen onbekend te blijven. Het is, helaas! niet de eerste reis, dat ik ondervinden moet, hoe verre de haat en nijd mijner vijanden gaan kunnen; doch nooit had ik gedacht, dat men die tot zulk een uiterste zou durven voeren.”

Na deze aanmerking, welke tot pijnlijke herinneringen aanleiding scheen te geven, verviel de geestelijke in een diepe mijmering, waarin Joan, die aan zijn eigene bekommernissen daarenboven genoeg had, hem niet wenschte te storen. Nadat zij, op deze wijze, gedurende eenigen tijd door de modder hadden voortgesukkeld, kwamen zij op een gullen zandweg, die hen in korten tijd tot bij een wetering bracht, bij welke zich voor een boerenherberg eenige lakeien bevonden, in deftige livreien uitgedost en allen te paard gezeten, welke, zoo ’t scheen, dit of dat voornaam personage stonden af te wachten. Zoodra zij de kar in ’t oog kregen, reed een van hen haar op een goeden draf te gemoet, sprong af toen hij haar genaderd was, en bleef met ongedekten hoofde eerbiedig de bevelen afwachten, die men hem geven zoude; toen stak tot Joans verwondering, Ambrosius het hoofd buiten en vroeg of alles in orde was, ’t geen de lakei met een diepe buiging beantwoordde.

“Welnu!” hernam de grijsaard: “laat dan mijn muilezel oprijden; want ik verlang hartelijk uit dit ongemakkelijke rijtuig te zijn: laat een uwer, die het beste paard berijdt, afstijgen en het aan dezen edelman geven, die zich te onpas heeft genoodzaakt gezien, voor koetsier te spelen. Wat die kar betreft, die moet, met dien gewondenman medegevoerd worden, en ik beveel, dat er nauwe zorg voor den ongelukkige gedragen worde. Jonker! wees zoo goed, af te klimmen en een voegzamer gelegenheid aan te nemen om uw reis voort te zetten.”

Joan maakte met blijdschap van deze aanbieding gebruik, en klom af, terwijl de overige lakeien, inmiddels genaderd, den ouden man uit de kar hielpen. Een fraai getoomd muildier werd voorgebracht, waar Ambrosius opsteeg, terwijl Joan een kloek rijpaard bekwam. Twee dienaars plaatsten zich in de kar bij den gekwetste, en volgden, met een langzamer tred den trein, welke zich nu verder, op een vlugger draf, naar Den Bosch begaf.


Back to IndexNext