Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.

Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.Mathan! d’un prétre est-ce là le langage?Is dit eens priesters taal, o Mathan?Racine, Athalie.Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco, met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat, zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in ’s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegriptoescheen, dat twee verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene begaafdheid in ’t behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man, en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen, las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris zich bij hem liet aandienen.“De Vicaris!” riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich op zijn gelaat verspreidde: “voorwaar de man kan nooit op gelegener tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde tegen geleerde dat’s kamp.—Maar de duivel!” vervolgde hij, zich achter ’t oor krabbende: “zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht:non tali auxilio, non talibus defensoribus.... of hoe zeide mijn hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?”....1“Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?”.... vroeg de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.“Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!—laat Zijn Hoogwaardigheid boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: ik verlang al hem te spreken.”Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius in. “Salve: celsissime vir!” zeide Velasco, zich nederig buigende en den grijsaard de hand kussende: “nogmaalssalve! en van harte welkom in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid binnen onze muren terug te bezitten?”“Ik ben heden van Tiel teruggekeerd,” antwoordde de Vicaris, na beleefde groete, plaats genomen hebbende: “en hoe gedraagt UEd. zich in de droeve omstandigheden welke wij beleven?”Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen, welke hieruit zouden ontspruiten.“Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen,” zeide Velasco, toen eindelijk het gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?”“Daarover,” zeide Ambrosius, “valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik mij geroepen zie.”“Uw eigen geloofsgenooten,” riep Velasco verbaasd uit: “over wie hebt gij te klagen?”“Mijn klachten,” hernam Ambrosius, “hoop ik eerstdaags bij den Nuntius in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog den banbliksem op ’t hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van de vijanden des geloofs te vreezen.”“En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?”“Wie?—het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen.”“Hoogwaardigste!” zeide Velasco, verbleekende: “gij bedoelt toch de Jezuïeten niet!”“Zie,” hernam de Vicaris: “den indruk, dien het noemen alleen van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even geschikt voorkomen:—en wat is dat doel? Niet de vestiging van de echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren tot het heilig en onvervalscht geloof:—neen, alleen de tijdelijke, geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan ’t welk zij alle belangen, alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen.”“Mijn waarde Heer Vicaris!” zeide Velasco, nadat hij vruchteloos dien stroom van woorden had pogen te stuiten: “laat ons liever van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen, door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is.”De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.“Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te beurt valt,” zeide De Groot tot Velasco, “dat wij van UEds. beleefde uitnoodiging hebben gebruik gemaakt.”“Geen plichtplegingen,” was het antwoord van den gastheer: “het is aan mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten temogen ontvangen: ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman:artium liberalium expertus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.””Expersmeent UEd. voorzeker,” zeide De Groot: “maar zoo heeft elk zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk ik de pen voere.”“Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd is,” hernam Velasco: “het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig en bekwaam....”“Aangenaam is het ook mij,” zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris toetredende, “in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid, welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle menschelijke zaken is.”Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden.“Verschoon mij, Mijnheer!” hernam De Groot: “Ik wijt mijn ongeval geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven te berooven?”“Waren die Heeren ook Remonstranten?” vroeg Velasco, jegens wien De Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.“Gewis, Mijnheer!” antwoordde Uyttenbogaert: “in zooverre als zij remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd.”“UEd.,” zeide De Groot met verbazing, “heeft toch den goddelijken Cicero wel hooren noemen.”“Buiten twijfel,” hernam Velasco: “mijn leermeester te Salamanca, gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken: dat was immers de man, die zeide; “Quousque tandem Catalina....””Catilina,” verbeterde De Groot.“Juist,Catilina.—Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en daarom lag mij die naam in ’t hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te zeggen, ik ben geen geleerde, ennon omnes omnia....””Non omnia possumus, omnes,2als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond, en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht, om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven.”“Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te zeggen,” zeide Grobbendonck: “de meeste der helden, die UEd. ons opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen ulieden in ’t werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft.”“Ja, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “het is niet zoozeer om uwentwil, als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan, dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, het uitzicht en de hoop van alle brave lieden.”“De vrede zou mij dierbaar zijn,” riep De Groot uit: “doch zoo ik daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek harer Doorluchtigheid geschieden.”“Ik eer uw nauwgezetheid,” antwoordde Grobbendonck: “wij begeeren ook, dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk ’s Konings gunsten wilt aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo ’t u goeddunkt, uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw verstandigen en doorluchtigen beschermheer.”“Onzen beschermheer?” vroeg De Groot, verwonderd: “wien kan UEd. bedoelen?”“Graaf Hendrik Frederik,” antwoordde Grobbendonck: “zoo ik wel onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten.”De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van derden daarin verhinderd wordt.—Grobbendonck redde hen echter uit die verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof te beraden.Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier van Brabant, Pieter Pekkius.“Waarlijk,” riep Velasco uit: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de vrienden met zulk een drift?”“Spoorslags van Brussel,” zeide Spinola: “ik heb den Heer Kanselier laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft.”“Noch in mijn leven weder hoop te doen,” zeide Pekkius, Spinola’s gezegde met een knik en een zucht bevestigende.“Zoo gaat het,” merkte Grobbendonck lachende aan: “die met Spinola gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u een roemer wijn vullen, Heer Kanselier.”“Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?” vroeg Velasco: “zijn er slechte tijdingen?”“Van belang,” antwoordde Spinola: “doch vergun mij te vragen, wie zijn die Heeren?”Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken: doch dat hij voor ’t oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te willen verwijderen: ten gevolge van welkeinjunctieDe Groot en zijn medeballingen vertrokken.“Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd,” zeide Spinola, ziende dat Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: “UEd. mag de tijding gerust vernemen, welke wij met ons brengen.”“En welke is die?” vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.“Zijne Majesteit....” antwoordde Spinola, de schouders ophalende.“Is toch niet overleden,” viel Grobbendonck in, met drift.“Is overleden,” antwoordde Pekkius.“Is overleden,” herhaalde de Generaal: “en zonder mij ooit te hebben zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen in den Neder-Paltz heb doen zegepralen.”“Waarlijk, gewichtige en droevige slagen,” hernam Velasco, “en dat juist met het einde van ’t Bestand.”“En wat dient er nu gedaan?” vroeg Grobbendonck.“De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van vrede te doen,” zeide Spinola, somber voor zich ziende.“God geve dat hij gesloten worde!” riep Ambrosius uit.“Daar is geen nood voor,” hervatte de Veldheer: “de voorwaarden zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in den schoot zullen leggen;—doch van wat anders! Hoe is het met de Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?”“Mij onbewust,” antwoordde Grobbendonck: “ik wacht Pater Eugenio dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer licht kunnen geven.”“Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet.”“Gewond!” riepen al de aanwezigen uit: “en hoe is het mogelijk....”“Men had het op mijn leven toegelegd,” antwoordde de Vicaris; “doch de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer Grootmeester komen onderhouden.”“Uw leven was in gevaar!” riepen de aanwezigen uit: “wij bidden u, verhaal ons....”“Het verhaal is kort en eenvoudig,” zeide Ambrosius, en hij gaf in weinige woorden op, wat ’s middags gebeurd was.“En op wie vallen uw vermoedens?” vroeg Pekkius haastig.“Ik heb geen vermoedens,” hernam de Vicaris op een drogen toon.“Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn,” merkte Spinola aan.“Geen wonder,” hervatte Ambrosius; “hij is (of meent zulks althans te zijn) een bloedverwant van Don Louis.”“Van mij?” vroeg Velasco verwonderd.“Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed.”“Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem morgen te tien uren zal afwachten.”De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam afscheid van het gezelschap.Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt, dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem ’s avonds te voren gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte.“De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?” zeide de Grootmeester, zich bezinnende: “ha ja, nu herinner ik mij: eilieve hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, mijn familie dus ongevergd te vergrooten.”Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een weifelenden toon: “mag ik weten wien ik de eer heb...”“Dat is juist, wat ik vernemen kwam,” was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd.“Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?”....“Door Pater Eugenio!” herhaalde Joan, verbleekende. “En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?”....“Van Dyk.... Eugenio....” stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: “nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer Van Sonheuvel is opgevoed....”“En die thans,” vervolgde Joan, “de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw overleden broeder.”“Juist,” hernam Velasco: “dezelfde: doch, neem plaats!”Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:“Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens,” voegde hij er met welwillendheid bij, “dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten.”“Ik was verre,” zeide Joan, zich buigende, “zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks veroorloven.”“En mag ik thans vragen,” zeide Velasco, “waarin ik u van dienst kan zijn!”“Voor ’t oogenblik verlang ik niets,” antwoordde Joan, “dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte.”“Natuurlijk, zeer natuurlijk!” zeide Velasco, zich over de kin strijkende: “ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude ontvangen.”“Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden.”“Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,—Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn!vindice nodus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.”“Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te Sonheuvel gevangen.”“Wat zegt gij?” riep Don Louis verschrikt: “hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren.”Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.“Slechte tijding!” zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: “deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit.”“Gevangen zat,” zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: “Pax Vobiscum!”3“Voor den duivel!” riep Velasco, een stap terugtredende: “de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren.””Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris,”4zeide de Jezuïet: “ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk vermoord werd.”—Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware.“Ik zelf,” antwoordde Eugenio, “heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart gij.”“Zoo heb ik dan geen moeder,” zeide Joan met een zucht: “en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?”“Ik heb u alleen gezegd,” hernam de Jezuïet, “dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden.”“Welaan, mijn waarde neef!” zeide Velasco: “sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil staan.—Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten.”“Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,” zeide Joan: “doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken.”“Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?” vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.“Verwondert u dat?” vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. “Een woord met u, Pater!” en tegelijk, hem om den arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.“Gij weet dus ook niet,” vervolgde de Kanselier, “dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest.”“Ik kom pas in Den Bosch.”“Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.—Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd.”“Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand,” hernam de Jezuïet met trotschheid.“Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.—Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is van Pater Eugenio.”“Heeft de schoft geklapt?” vroeg deze met een woesten blik.“Dat geloof ik niet,” antwoordde de Kanselier, “daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal ’t mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in ’t vervolg behoedzaam te werk te gaan, want anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden.”“Men moest eerst iets kunnen bewijzen,” hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. “Intusschen dank ik UEd. voor ’t bericht.”Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zijvonden Joan reeds vertrokken.—“Mag ik nu weten,” zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, “waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?”“Hoe dan,” vroeg Spinola; “is die jongeling dan uw neef niet?”“Zoomin als UEd.,” antwoordde Velasco: “het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven.”“Mijn doel is niet naar wensch gelukt,” zeide Eugenio: “Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild.”“Santa Maria!” riep Velasco: “dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk de hand bieden?”“Is dit de handelwijze eens geestelijken?” vroeg Spinola met afgrijzen.“Waarom niet?” antwoordde Eugenio met koelheid: “elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen.”“Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed,” zeide Spinola.“Wat hoor ik!” zeide Eugenio: “zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?—en dat in mij, die tegen alle ketters den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is ’t u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?”“Ook de voldoening van personeelen wrok?” vroeg de Generaal.“De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in ’t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn.”“De leer der Kerk luidt:non occides,”5zeide Spinola.“Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!”“Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?” vroeg de verontwaardigde Veldheer.“Een sluikmoordenaar,” antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, “is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd.”“Laat ons,” zeide Pekkius, “een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld.”Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in ’t gesprek.Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen.“Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,” zeide Eugenio: “ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn plan te beoordeelen.”Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet behoeven te vermelden.1Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.2Niet allen kunnen wij alles.3Vrede zij met u.4De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis geopend.5Gij zult niet doodslaan.Zes-en-twintigste Hoofdstuk.Geluckt de voor-genomen daed,’t Loon zal een hand vol wind zijn;Loftuyting en een eeren-praetVan die met u gezint zijn.Maar zoo ghy ’t voornemen sneeft,Ghy blijft en zelfs verlegen;En die ’t geluck maer tegen heeft,Krijght heel de werelt tegen.Den algemeynen haet en spotHebt ge in ellendt te wachten.Of overboos of al te botZal u een yeder achten.Camphuisen.Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsenin het vorstelijk ’s. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze, de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude, had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn geheimschrijver gehouden.“Wel Ludwig!” zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan een tafel vol papieren gezeten was: “wat nieuws is er hedenmorgen?”“De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest,” antwoordde de Secretaris, “om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar vol gemoed en haar erkentenis uit te storten.”“Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest, op een bedekte wijze te doen geworden?”“Gelijk door mij is verricht,” antwoordde Ludwig: “doch zoo bedekte giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst vanzelf verraden.”“Vrij poëtisch,” zeide Frederik Hendrik: “op mijn eer! bij Paai Priaap1af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, vriend! gij hebt gebabbeld.”“Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden kon. DearmeRemonstrantenhebben nietsen derijken geven niets: daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden ingeroepen.”“Al genoeg, al genoeg,” zeide de Graaf, ongeduldig: “wanneer gaat zij op reis?”“Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift inleveren om bij haar man te worden opgesloten.””’t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél ken.—Is er niets meer?”“Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere, om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken.”“Is de bruid bevallig?”“Ik heb haar eens als kind gezien,” antwoordde Ludwig, “en toen beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker: zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de Gravin Douarière.”“Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des Ambtmans uit te trouwen!—Is er nog iets?”“Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der Remonstrantsche Sociëteit,Niellius cum suis.”“Ja waarlijk!” zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig had opengebroken: “onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn ondersteuning en voorspraak te vragen!”—Dit zeggende, smeet hij den brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich.“Wat zal ik zeggen?” hervatte Ludwig: “de Remonstranten zien Uwe Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen.”“Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven,” zeide de Graaf op een gemelijken toon.“Met verlof,” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe Doorl. kennende, die als een milde regen....”“Gij zijt een gek met uw vergelijkingen,” hernam de Graaf: “ik ben niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen te worden.”Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereedom te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen, veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de vraag spoedig deed volgen: “gelooft ge mij niet?”Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die, te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.Hoewel in ’t algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden, vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter uit de hem voorgelegde nota’s bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in ’t eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende, schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel toe en sprak hem aan in dezer voege:“Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan, mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij doorhaar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog in de toekomst, en het verschiet, ’t welk zich voor mij opdeed, was zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht: hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog lang in ’t leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid in ’t Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.“Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen, het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen, streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in ’t openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in ’t geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: degebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in ’t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten.”Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, ’t welk hij zich in de toekomst voorspelde.“Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,” zeide Ludwig: “hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, thans, naar mijn oordeel weinig kans op.”“Hoe dan!” riep de Graaf uit: “wat doet u vreezen?”“Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden,” antwoordde Ludwig: “waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden.”“Wie heeft u die zotheid in ’t hoofd gebracht?” vroeg Frederik Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk verontrustte.“De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn.”“Wat gij zegt!” hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.“Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen gepredikt zijn.”“Praatjes!” riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.“Ik heb iemand gesproken, die ’t zelf gehoord heeft, den jongen Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld.”“Zoo!—Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan.”“Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst te geleiden, waar niemand haar kennen zal.”“Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden,”zeide Frederik Hendrik: “indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te kort te doen, door uw voorstel aan te nemen.”“En ik,” zeide Ludwig, met een buiging, “zou Uwe Doorl. sterk aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle vooringenomenheid met de Arminianen genezen.”“Wij zullen zien,” hervatte de Graaf, lachende: “doch het wordt mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling: met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe decreet. Tot wederziens.”—Dit zeggende, wilde hij vertrekken.“Met verlof!” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar geen kopie van houden?”Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel en vertrok.Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. “Ben ik geen groote gek?” vroeg hij zichzelven: “en den hond gelijk, die zijn prooi voor den schijn in ’t water vallen liet? En echter, een post als die van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver gegaan om kinderachtig te worden.”Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken.“Een onbekende vrouw!” mompelde Ludwig: “hm! hm! zeker weder de eene of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen.”De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt: vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.“Wat is er van uw dienst, vrouwtje?” vroeg Ludwig, haar een teeken gevende om te gaan zitten.“Kent gij mij niet meer, Ludwig?” vroeg de kamenier der Freule Van Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.“Moeder!” riep Ludwig, een stap achteruittredende.“Stil!” hernam Magdalena: “dien naam mag ik niet hooren.... en toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?”“Kunt gij daaraan twijfelen?” vroeg Ludwig, haar de hand kussende:“doch uw plotselinge verschijning verraste mij:—hoe onvoorzichtig! indien iemand u hier zag....”“Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?—Zoek u niet te verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen.”“Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien.”Eene hevige verontwaardiging deed, bij ’t hooren dezer woorden, de kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige blikken op haar ongevoeligen zoon. “Ellendige belangzoeker!” zeide zij: “waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?—of dat gij, nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de vloek mijner moeder drukt mij zwaar op ’t hoofd, nu ik door mijn eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en verstooten worde.”“Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken,” zeide Ludwig, ongeduldig op zijn pen knauwende: “gij hebt u immers over niets te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden.”De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst, na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.“Ween niet, moeder!” zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem terugstootte: “ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog.”Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, sprak zij:“Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zieik dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van ketters, voor ’t ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest verschuldigd zijn!”“Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!” zeide de Secretaris, op den minzaamsten toon; “doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de meeste gunst bewijzen.”“Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht hebben voorgeschreven, en niet aan mij,” antwoordde zijn moeder. “Noodzakelijkheid drijft u en mij.”“Ik stem u dit toe,” zeide Ludwig: “doch,” vervolgde hij met een flauwe stem: “was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf vanFalckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal der moordenaren opofferde?”Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.“Was het ook noodzakelijkheid,”vervolgde hij, “dat ik in dit afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?”“Zwijg stil om Godes wil,” zeide Magdalena, hem snel de hand op den mond leggende: “gij weet niet wien gij vloekt.”“Ik weet zeer wel,” hernam hij, “dat ik van eenen, in uw oogen eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij, wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier,” de hand op het hart leggende, “en vrij twijfelachtige verwachtingen in de toekomst.”“Onrust!” herhaalde Magdalena verbaasd: “wat kan u ontrusten, wanneer gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?”“Ik weet het niet,” antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende de schouders optrok: “Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn.”“O!” zeide Magdalena, “die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet,dan moet gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan.”“Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den naam van verrader verdien.”“Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden beoordeeld worden, dan de denkwijze van ’t algemeen. En acht gij dan het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?—Het hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil, u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten, overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult, die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan.”“Na al hetgeen ik reeds gedaan heb,” zeide de geheimschrijver op den bedaardsten toon der wereld, “verdien ik zooveel gestrengheid niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn dadendoor voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt.”“Dat zal van uw gedragingen afhangen,” zeide Magdalena, en stak hem tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.“Laat hij een oogenblik vertoeven,” zeide Ludwig.—“Welnu, moeder!” vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: “hebt gij nog iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren.”“Dit pakket,” zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te voorschijn halende, “moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken hier te lande.”“Het zal bezorgd worden,” hernam Ludwig, het pakket aannemende: “ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag.”“En deze brief,” vervolgde zij, “is voor den Veldheer Spinola.”“Waarschijnlijk van den Ambtman,” hernam hij: “ja, ik herken die hand. ’t Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is er nog iets?”Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, trok haar falie weder over ’t gezicht en verwijderde zich; waarna Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.“Ik heb daar een zwaren post gehad,” mompelde hij bij zichzelven, terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; “nu, alles zal afhangen van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet zekerheid hebben!—Wat verlangt UEd.!” vervolgde hij overluid, zich tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, binnentrad.“Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,” zeide de vreemdeling, “doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen.”“Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid.”Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer, dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.“Ik ben uit Den Bosch gekomen,” zeide de onbekende, eenige brieven voor den dag halende.“Uit Den Bosch,” zeide Ludwig haastig: “ga zitten: schuif wat naderbij, als ’t u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet wel wien....” Dit zeggende, zag hij hem scherp in ’t gezicht,als wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield.“Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom,” antwoordde de ander, op een toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.“Van den zwarten vos misschien?” zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende.“Ik geloof van ja,” antwoordde de vreemdeling, die in den waan verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten bedoelde.“Ik had mij gevleid,”hernamLudwig, fluisterend, “dat hij zelf hier zou komen snuffelen.”“Hij zou er wel op passen,” zeide de ander: “hij zou hier slecht ontvangen worden.”“Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater niet. Doch, wat mij verwondert,” vervolgde Ludwig, wiens vermoedens op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, “is dat hij den pleegzoon van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt.”“Met uw verlof,” zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver herkende: “ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de eer had, u te ontmoeten.”“Verheugd u weer te zien,” zeide Ludwig, zich buigende: “doch hoe duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van.”“Gij kent Pater Eugenio?” hernam Joan verbaasd: “doch waarover verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander.”“Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt.”“Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?” vroeg Joan: “doch gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid.”“Aha!” zeide Ludwig: “gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt.”“Het was het verlangen van Don Louis,” antwoordde Joan, wiens ronde oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, “het was het verlangen mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten gebruiken. Terwijl de Gezanten des Koningsvan Spanje met Prins Maurits aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren.”“Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?—En hoe komt het dan, dat ik u thans eerst hier zie?”“Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?”“Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?—Ja, heden zal er moeilijk kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?”“Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap.”“Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig, om mij met een dusdanige commissie te belasten.”“Zooals gij verkiest,” hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: “gij zegt dan, morgenochtend....”“Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant.”“Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!” zeide Joan en vertrok.“Morgenochtend te negen uren!” herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen was. “Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar, gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek.”1Cats.

Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.Mathan! d’un prétre est-ce là le langage?Is dit eens priesters taal, o Mathan?Racine, Athalie.Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco, met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat, zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in ’s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegriptoescheen, dat twee verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene begaafdheid in ’t behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man, en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen, las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris zich bij hem liet aandienen.“De Vicaris!” riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich op zijn gelaat verspreidde: “voorwaar de man kan nooit op gelegener tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde tegen geleerde dat’s kamp.—Maar de duivel!” vervolgde hij, zich achter ’t oor krabbende: “zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht:non tali auxilio, non talibus defensoribus.... of hoe zeide mijn hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?”....1“Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?”.... vroeg de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.“Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!—laat Zijn Hoogwaardigheid boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: ik verlang al hem te spreken.”Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius in. “Salve: celsissime vir!” zeide Velasco, zich nederig buigende en den grijsaard de hand kussende: “nogmaalssalve! en van harte welkom in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid binnen onze muren terug te bezitten?”“Ik ben heden van Tiel teruggekeerd,” antwoordde de Vicaris, na beleefde groete, plaats genomen hebbende: “en hoe gedraagt UEd. zich in de droeve omstandigheden welke wij beleven?”Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen, welke hieruit zouden ontspruiten.“Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen,” zeide Velasco, toen eindelijk het gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?”“Daarover,” zeide Ambrosius, “valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik mij geroepen zie.”“Uw eigen geloofsgenooten,” riep Velasco verbaasd uit: “over wie hebt gij te klagen?”“Mijn klachten,” hernam Ambrosius, “hoop ik eerstdaags bij den Nuntius in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog den banbliksem op ’t hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van de vijanden des geloofs te vreezen.”“En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?”“Wie?—het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen.”“Hoogwaardigste!” zeide Velasco, verbleekende: “gij bedoelt toch de Jezuïeten niet!”“Zie,” hernam de Vicaris: “den indruk, dien het noemen alleen van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even geschikt voorkomen:—en wat is dat doel? Niet de vestiging van de echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren tot het heilig en onvervalscht geloof:—neen, alleen de tijdelijke, geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan ’t welk zij alle belangen, alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen.”“Mijn waarde Heer Vicaris!” zeide Velasco, nadat hij vruchteloos dien stroom van woorden had pogen te stuiten: “laat ons liever van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen, door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is.”De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.“Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te beurt valt,” zeide De Groot tot Velasco, “dat wij van UEds. beleefde uitnoodiging hebben gebruik gemaakt.”“Geen plichtplegingen,” was het antwoord van den gastheer: “het is aan mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten temogen ontvangen: ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman:artium liberalium expertus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.””Expersmeent UEd. voorzeker,” zeide De Groot: “maar zoo heeft elk zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk ik de pen voere.”“Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd is,” hernam Velasco: “het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig en bekwaam....”“Aangenaam is het ook mij,” zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris toetredende, “in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid, welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle menschelijke zaken is.”Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden.“Verschoon mij, Mijnheer!” hernam De Groot: “Ik wijt mijn ongeval geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven te berooven?”“Waren die Heeren ook Remonstranten?” vroeg Velasco, jegens wien De Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.“Gewis, Mijnheer!” antwoordde Uyttenbogaert: “in zooverre als zij remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd.”“UEd.,” zeide De Groot met verbazing, “heeft toch den goddelijken Cicero wel hooren noemen.”“Buiten twijfel,” hernam Velasco: “mijn leermeester te Salamanca, gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken: dat was immers de man, die zeide; “Quousque tandem Catalina....””Catilina,” verbeterde De Groot.“Juist,Catilina.—Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en daarom lag mij die naam in ’t hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te zeggen, ik ben geen geleerde, ennon omnes omnia....””Non omnia possumus, omnes,2als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond, en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht, om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven.”“Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te zeggen,” zeide Grobbendonck: “de meeste der helden, die UEd. ons opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen ulieden in ’t werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft.”“Ja, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “het is niet zoozeer om uwentwil, als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan, dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, het uitzicht en de hoop van alle brave lieden.”“De vrede zou mij dierbaar zijn,” riep De Groot uit: “doch zoo ik daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek harer Doorluchtigheid geschieden.”“Ik eer uw nauwgezetheid,” antwoordde Grobbendonck: “wij begeeren ook, dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk ’s Konings gunsten wilt aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo ’t u goeddunkt, uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw verstandigen en doorluchtigen beschermheer.”“Onzen beschermheer?” vroeg De Groot, verwonderd: “wien kan UEd. bedoelen?”“Graaf Hendrik Frederik,” antwoordde Grobbendonck: “zoo ik wel onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten.”De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van derden daarin verhinderd wordt.—Grobbendonck redde hen echter uit die verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof te beraden.Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier van Brabant, Pieter Pekkius.“Waarlijk,” riep Velasco uit: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de vrienden met zulk een drift?”“Spoorslags van Brussel,” zeide Spinola: “ik heb den Heer Kanselier laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft.”“Noch in mijn leven weder hoop te doen,” zeide Pekkius, Spinola’s gezegde met een knik en een zucht bevestigende.“Zoo gaat het,” merkte Grobbendonck lachende aan: “die met Spinola gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u een roemer wijn vullen, Heer Kanselier.”“Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?” vroeg Velasco: “zijn er slechte tijdingen?”“Van belang,” antwoordde Spinola: “doch vergun mij te vragen, wie zijn die Heeren?”Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken: doch dat hij voor ’t oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te willen verwijderen: ten gevolge van welkeinjunctieDe Groot en zijn medeballingen vertrokken.“Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd,” zeide Spinola, ziende dat Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: “UEd. mag de tijding gerust vernemen, welke wij met ons brengen.”“En welke is die?” vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.“Zijne Majesteit....” antwoordde Spinola, de schouders ophalende.“Is toch niet overleden,” viel Grobbendonck in, met drift.“Is overleden,” antwoordde Pekkius.“Is overleden,” herhaalde de Generaal: “en zonder mij ooit te hebben zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen in den Neder-Paltz heb doen zegepralen.”“Waarlijk, gewichtige en droevige slagen,” hernam Velasco, “en dat juist met het einde van ’t Bestand.”“En wat dient er nu gedaan?” vroeg Grobbendonck.“De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van vrede te doen,” zeide Spinola, somber voor zich ziende.“God geve dat hij gesloten worde!” riep Ambrosius uit.“Daar is geen nood voor,” hervatte de Veldheer: “de voorwaarden zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in den schoot zullen leggen;—doch van wat anders! Hoe is het met de Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?”“Mij onbewust,” antwoordde Grobbendonck: “ik wacht Pater Eugenio dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer licht kunnen geven.”“Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet.”“Gewond!” riepen al de aanwezigen uit: “en hoe is het mogelijk....”“Men had het op mijn leven toegelegd,” antwoordde de Vicaris; “doch de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer Grootmeester komen onderhouden.”“Uw leven was in gevaar!” riepen de aanwezigen uit: “wij bidden u, verhaal ons....”“Het verhaal is kort en eenvoudig,” zeide Ambrosius, en hij gaf in weinige woorden op, wat ’s middags gebeurd was.“En op wie vallen uw vermoedens?” vroeg Pekkius haastig.“Ik heb geen vermoedens,” hernam de Vicaris op een drogen toon.“Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn,” merkte Spinola aan.“Geen wonder,” hervatte Ambrosius; “hij is (of meent zulks althans te zijn) een bloedverwant van Don Louis.”“Van mij?” vroeg Velasco verwonderd.“Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed.”“Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem morgen te tien uren zal afwachten.”De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam afscheid van het gezelschap.Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt, dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem ’s avonds te voren gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte.“De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?” zeide de Grootmeester, zich bezinnende: “ha ja, nu herinner ik mij: eilieve hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, mijn familie dus ongevergd te vergrooten.”Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een weifelenden toon: “mag ik weten wien ik de eer heb...”“Dat is juist, wat ik vernemen kwam,” was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd.“Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?”....“Door Pater Eugenio!” herhaalde Joan, verbleekende. “En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?”....“Van Dyk.... Eugenio....” stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: “nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer Van Sonheuvel is opgevoed....”“En die thans,” vervolgde Joan, “de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw overleden broeder.”“Juist,” hernam Velasco: “dezelfde: doch, neem plaats!”Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:“Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens,” voegde hij er met welwillendheid bij, “dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten.”“Ik was verre,” zeide Joan, zich buigende, “zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks veroorloven.”“En mag ik thans vragen,” zeide Velasco, “waarin ik u van dienst kan zijn!”“Voor ’t oogenblik verlang ik niets,” antwoordde Joan, “dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte.”“Natuurlijk, zeer natuurlijk!” zeide Velasco, zich over de kin strijkende: “ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude ontvangen.”“Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden.”“Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,—Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn!vindice nodus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.”“Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te Sonheuvel gevangen.”“Wat zegt gij?” riep Don Louis verschrikt: “hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren.”Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.“Slechte tijding!” zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: “deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit.”“Gevangen zat,” zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: “Pax Vobiscum!”3“Voor den duivel!” riep Velasco, een stap terugtredende: “de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren.””Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris,”4zeide de Jezuïet: “ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk vermoord werd.”—Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware.“Ik zelf,” antwoordde Eugenio, “heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart gij.”“Zoo heb ik dan geen moeder,” zeide Joan met een zucht: “en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?”“Ik heb u alleen gezegd,” hernam de Jezuïet, “dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden.”“Welaan, mijn waarde neef!” zeide Velasco: “sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil staan.—Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten.”“Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,” zeide Joan: “doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken.”“Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?” vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.“Verwondert u dat?” vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. “Een woord met u, Pater!” en tegelijk, hem om den arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.“Gij weet dus ook niet,” vervolgde de Kanselier, “dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest.”“Ik kom pas in Den Bosch.”“Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.—Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd.”“Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand,” hernam de Jezuïet met trotschheid.“Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.—Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is van Pater Eugenio.”“Heeft de schoft geklapt?” vroeg deze met een woesten blik.“Dat geloof ik niet,” antwoordde de Kanselier, “daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal ’t mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in ’t vervolg behoedzaam te werk te gaan, want anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden.”“Men moest eerst iets kunnen bewijzen,” hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. “Intusschen dank ik UEd. voor ’t bericht.”Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zijvonden Joan reeds vertrokken.—“Mag ik nu weten,” zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, “waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?”“Hoe dan,” vroeg Spinola; “is die jongeling dan uw neef niet?”“Zoomin als UEd.,” antwoordde Velasco: “het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven.”“Mijn doel is niet naar wensch gelukt,” zeide Eugenio: “Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild.”“Santa Maria!” riep Velasco: “dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk de hand bieden?”“Is dit de handelwijze eens geestelijken?” vroeg Spinola met afgrijzen.“Waarom niet?” antwoordde Eugenio met koelheid: “elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen.”“Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed,” zeide Spinola.“Wat hoor ik!” zeide Eugenio: “zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?—en dat in mij, die tegen alle ketters den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is ’t u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?”“Ook de voldoening van personeelen wrok?” vroeg de Generaal.“De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in ’t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn.”“De leer der Kerk luidt:non occides,”5zeide Spinola.“Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!”“Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?” vroeg de verontwaardigde Veldheer.“Een sluikmoordenaar,” antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, “is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd.”“Laat ons,” zeide Pekkius, “een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld.”Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in ’t gesprek.Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen.“Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,” zeide Eugenio: “ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn plan te beoordeelen.”Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet behoeven te vermelden.1Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.2Niet allen kunnen wij alles.3Vrede zij met u.4De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis geopend.5Gij zult niet doodslaan.

Mathan! d’un prétre est-ce là le langage?Is dit eens priesters taal, o Mathan?Racine, Athalie.

Mathan! d’un prétre est-ce là le langage?

Is dit eens priesters taal, o Mathan?

Racine, Athalie.

Op den avond van denzelfden dag, op welken Joan in Den Bosch was gekomen, zat de Grootmeester der artillerie, Don Louis de Velasco, met een ontrust gemoed een brief te herlezen, welke hij reeds meermalen met gemelijkheid had nedergeworpen. Het overlijden van den Aartshertog, op een zoo ongunstig tijdstip als het einde des Bestands voorgevallen, had onder de Spaansche legerhoofden een niet geringe verlegenheid teweeggebracht, behalve dat het Velasco, als een der vertrouwde vrienden van het doorluchtig vorstenpaar, meer bijzonder getroffen had. Er waren geen nadere tijdingen uit Brussel gekomen, hoe zich in deze omstandigheden te gedragen; het tijdstip naderde met rassche schreden, waarop de twaalf jaren, welke het bestand geduurd had, zouden verloopen wezen, en Velasco was beducht, dat, zoo de bevelen van zijn overheden langer uitbleven, hij niet in staat zoude zijn, bijtijds tot den oorlog gereed te wezen, voor zooverre althans het vak betrof, dat aan zijn kunde en ervarenheid was toevertrouwd. Het laatste bevel, hetwelk hem de Aartshertog had doen toekomen, was van een zoodanigen aard, dat het veeleer staat- dan krijgskundige overpeinzingen van hem vorderde; hem werd namelijk gelast, drie voorname Hollandsche ballingen, te weten Huig De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven, die zich op dat tijdstip in ’s-Hertogenbosch bevonden, door beloften, geschenken of anderszins over te halen om de Spaansche zijde te kiezen en met hun ongemeene begaafdheden te sterken. Hoe weinig deze taak ook naar den smaak van Velasco was, begreep hij echter die niet te mogen verzuimen, ofschoon het hem naar zijn dom krijgsmansbegriptoescheen, dat twee verloopen Dominees en een verwaande papierbekladder juist zulk een groote aanwinst niet zouden zijn voor de Spaansche partij. Zijn eigene begaafdheid in ’t behandelen eener zoo teedere zaak mistrouwende, had hij den Heer Van Grobbendonck, een listigen, behendigen man, en tot dusdanige onderhandelingen bij uitnemendheid geschikt, doen verzoeken, de samenkomst te willen bijwonen. In afwachting van dezen, las hij den brief des Aartshertogs nog eens over, toen de Vicaris zich bij hem liet aandienen.

“De Vicaris!” riep hij uit, terwijl een glans van vergenoegen zich op zijn gelaat verspreidde: “voorwaar de man kan nooit op gelegener tijdstip komen! ik had juist een welbespraakte noodig: geleerde tegen geleerde dat’s kamp.—Maar de duivel!” vervolgde hij, zich achter ’t oor krabbende: “zoo hij eens te nauwgezet ware, en dacht:non tali auxilio, non talibus defensoribus.... of hoe zeide mijn hoogloffelijke leermeester te Salamanca ook?”....1

“Zal ik Zijner Hoogwaardigheid zeggen, dat UEd. belet is?”.... vroeg de ordonnans, zijn overste in onzekerheid ziende.

“Vooral niet, Vlascamp! vooral niet!—laat Zijn Hoogwaardigheid boven komen. Hij komt juist van pas: en laat de kok op een persoon meer rekenen: ik moet zien dat ik hem te gast hou: toe, haast u: ik verlang al hem te spreken.”

Vlascamp vertrok en liet een oogenblik later Pater Ambrosius in. “Salve: celsissime vir!” zeide Velasco, zich nederig buigende en den grijsaard de hand kussende: “nogmaalssalve! en van harte welkom in de stad. Sinds wanneer hebben wij het geluk, Uw Hoogwaardigheid binnen onze muren terug te bezitten?”

“Ik ben heden van Tiel teruggekeerd,” antwoordde de Vicaris, na beleefde groete, plaats genomen hebbende: “en hoe gedraagt UEd. zich in de droeve omstandigheden welke wij beleven?”

Velasco zuchtte en schudde het hoofd, waarna zij eenige woorden wisselden over het afsterven van den Aartshertog en de veranderingen, welke hieruit zouden ontspruiten.

“Mag ik Uw Hoogwaardigheid vragen,” zeide Velasco, toen eindelijk het gesprek een andere wending genomen had, hoe zij het kuddeke gevonden heeft, dat aan haar zorgen is toevertrouwd?”

“Daarover,” zeide Ambrosius, “valt, helaas! weinig te roemen. Wanneer ik door mijn eigen geloofsgenooten, door hen, wier gestadige arbeid het wezen moest, met mij tot hetzelfde einde mede te werken, onophoudelijk word gedwarsboomd, dan valt het zwaar, die plichten jegens mijn kudde te vervullen, welke de hooge bediening, van mij eischt, waartoe ik mij geroepen zie.”

“Uw eigen geloofsgenooten,” riep Velasco verbaasd uit: “over wie hebt gij te klagen?”

“Mijn klachten,” hernam Ambrosius, “hoop ik eerstdaags bij den Nuntius in te leveren; ware ik alleen de vervolgde, het doel, waarop zij hun pijlen spillen, dan zoude ik mij om Christi wille die smaadheid getroosten; doch ik moet mijn schapen voorstaan, en het treft de scheuring in de Kerke meer dan mij. Tenzij de God des vredes, die de goede Herder is, de boozen beteugele en Zijn Heiligheid intijds nog den banbliksem op ’t hoofd der schuldigen nederwerpe, hebben wij in alle dingen verwarring en meer gevaar van de huisgenooten, dan van de vijanden des geloofs te vreezen.”

“En wie zijn zij, die huisgenooten, welke verwarring veroorzaken?”

“Wie?—het zijn die heerschzuchtigen, die onze zuivere leer door Europa doen vloeken en verfoeien: het zijn die onverzoenlijke vijanden van alle oprechte aanbidding in nederigheid, hoop en liefde, die, onwillig onder mijn gezag gesteld, geen andere bevelen volgen, dan die, welke uit den boezem hunner Sociëteit voortkomen.”

“Hoogwaardigste!” zeide Velasco, verbleekende: “gij bedoelt toch de Jezuïeten niet!”

“Zie,” hernam de Vicaris: “den indruk, dien het noemen alleen van hun naam bij u teweegbrengt, bewerken zij overal; met banden van vrees kluisteren zij de wereld, die hen verfoeit: hun macht, bij alle volkeren, aan alle hoven verspreid, is even geducht als ontzettend. Onverzettelijk gaan zij voort ter bereiking van het eenigste doel dat zij bejagen, en waartoe alle middelen hun even geschikt voorkomen:—en wat is dat doel? Niet de vestiging van de echt Katholieke beginselen; niet de toebrenging van alle volkeren tot het heilig en onvervalscht geloof:—neen, alleen de tijdelijke, geheel aardsche heerschappij hunner eigene Sociëteit over de geheele wereld is het wit, dat zij bejagen, en aan ’t welk zij alle belangen, alle plichten, alle menschelijke banden, ja het welzijn van hun onsterfelijke zielen zonder wroeging blijven opofferen.”

“Mijn waarde Heer Vicaris!” zeide Velasco, nadat hij vruchteloos dien stroom van woorden had pogen te stuiten: “laat ons liever van dat onderwerp afstappen: het is teeder, ja in de tegenwoordige omstandigheden te gevaarlijk. Sta mij liever een verzoek toe, dat ik u te doen had, en deel hedenavond mijn eenvoudig maal. Ik verwacht hier, behalve den Heer Van Grobbendonck, nog drie heeren, van welke Uwe H. waarschijnlijk heeft hooren spreken: de Heeren De Groot, Uyttenbogaert en Grevinkhoven. Uwe H. zal mij grooten dienst doen, door te blijven en het gesprek wat levendig te houden: want ik ben geen geleerde, gelijk Uwe H. bekend is.”

De Vicaris nam dit voorstel met welwillendheid aan; en, terwijl Velasco hem de redenen ontwikkelde, waarom juist deze drie heeren bij hem genoodigd waren, verscheen de Heer Van Grobbendonck, en, kort daarna, de drie Hollandsche ballingen.

“Het is met veel erkentenis voor de hooge onderscheiding, welke mij te beurt valt,” zeide De Groot tot Velasco, “dat wij van UEds. beleefde uitnoodiging hebben gebruik gemaakt.”

“Geen plichtplegingen,” was het antwoord van den gastheer: “het is aan mij op de eer te roemen, van zulke vermaarde gasten temogen ontvangen: ik hoop maar, dat de heeren met mij wat toegeeflijkheid gebruiken zullen; want ik ben geen geleerde, maar een krijgsman:artium liberalium expertus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.”

”Expersmeent UEd. voorzeker,” zeide De Groot: “maar zoo heeft elk zijn eigene bediening hier beneden; en UEd. voert den degen, gelijk ik de pen voere.”

“Ik weet niet, dat mij in mijn leven zoo iets vleiends gezegd is,” hernam Velasco: “het verheugt mij intusschen, dat ik u, Mijn Heeren! het bijzijn kan verschaffen van iemand, die meer dan de Heer Van Grobbendonck en ik met de geleerde wereld bekend is, namelijk van den Heer Vicaris Ambrosius, hier tegenwoordig, een doorkundig en bekwaam....”

“Aangenaam is het ook mij,” zeide De Groot, dadelijk naar den Vicaris toetredende, “in de gelegenheid te zijn van in kennis te geraken met een man, in de Nederlanden zoo hoog geacht als de Heer Vicaris. Vergun mij, Heer Vicaris, Uwe H. te mogen omhelzen. Eer hebbe de Geleerdheid, welke ons, die geenszins met oorlogen gediend zijn, het recht geeft, de vriendschap te genieten en te oefenen, welke de heiligste van alle menschelijke zaken is.”

Ambrosius beantwoordde deze beleefde toespraak op de minzaamste wijze en trad nu zoo met hem als met de Predikanten in een zeer onderhoudend gesprek, waarvan echter de beide Bevelhebbers weinig begrepen. Intusschen had Velasco laten opdisschen: de gasten plaatsten zich, en het gesprek werd meer algemeen. De Groot gaf, op het verzoek van Grobbendonck, een omstandig verhaal van zijn zonderlinge ontkoming uit den Loevesteinschen kerker: waaruit, die laatstgenoemde krijgsoverste aanleiding nam, om hevig uit te varen tegen de ondankbaarheid der Staatschen, die hun braafste en verdienstelijkste mannen op zoo onrechtvaardige wijze behandelden.

“Verschoon mij, Mijnheer!” hernam De Groot: “Ik wijt mijn ongeval geenszins aan mijn landgenooten, onder welke ik mij beroeme, hooge achting en deelneming jegens mij te hebben ondervonden. Een vervolging als die, welke ik lijden moet, is alleen het gevolg van den nijd en haat, welke het gemeene lot der ware verdiensten zijn, en waarin ik mij dus verheugen mag. Werd niet Miltiades door zijn medeburgers in den kerker geworpen, Themistocles verbannen, Metellus verjaagd, Cicero onthalsd, de groote Cato genoodzaakt zichzelf van het leven te berooven?”

“Waren die Heeren ook Remonstranten?” vroeg Velasco, jegens wien De Groot nutteloos zijn geleerdheid verspilde.

“Gewis, Mijnheer!” antwoordde Uyttenbogaert: “in zooverre als zij remonstreerden tegen de verkeerdheden van hun tijd.”

“UEd.,” zeide De Groot met verbazing, “heeft toch den goddelijken Cicero wel hooren noemen.”

“Buiten twijfel,” hernam Velasco: “mijn leermeester te Salamanca, gelijk ik mij nu herinner, heeft mij wel eens van hem gesproken: dat was immers de man, die zeide; “Quousque tandem Catalina....”

”Catilina,” verbeterde De Groot.

“Juist,Catilina.—Ik geraakte in de war: Catalina was een meisje, waar onze geëerde Corregidor te Salamanca veel werk van maakte, en daarom lag mij die naam in ’t hoofd. Gelijk ik de eer had UEd. te zeggen, ik ben geen geleerde, ennon omnes omnia....”

”Non omnia possumus, omnes,2als UEd. te recht aanmerkt. Welnu, Mijnheer! de mannen, welke ik zooeven noemde, werden voor hun groote en gewichtige diensten door hun medeburgers met ondank beloond, en echter bleven zij allen hun vaderland teeder beminnen en gaven daar herhaalde bewijzen van: gelijk Camillus, die Rome van het juk der Galliërs verloste, Cicero, die zijn goed en leven veil had voor het gemeenebest, Cato, die den val van Rome niet overleven wilde, Themistocles, die zich, als sommigen willen, met vergif ombracht, om niet tegen zijn vaderland te strijden: en zooveel in mij is, moet ik het voorbeeld volgen, mij door die groote mannen gegeven.”

“Ik heb slechts eene aanmerking te maken op hetgeen UEd. gelieft te zeggen,” zeide Grobbendonck: “de meeste der helden, die UEd. ons opnoemt, leden van persoonlijken haat; doch de vervolging tegen ulieden in ’t werk gesteld, is meer gericht tegen een gevreesde partij, dan tegen uw personen, voor wier geleerdheid en verdiensten elk Nederlander, hoe ook in staatkundige of godsdienstige gevoelens van u verschillend, den hoogsten eerbied voeden blijft.”

“Ja, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “het is niet zoozeer om uwentwil, als om de zaak, welke gij zoo moedig en belangeloos hebt voorgestaan, dat ik UEd. zou aanraden, de aanbiedingen der Aartshertogin te aanvaarden. Men staat UEd. toe om, in een der Brabantsche of Vlaamsche steden, een kerk te stichten, waarom uw verdrukte gemeente zich verzamelen mag: en onder geen andere voorwaarden, dan dat gij uw bekwame pennen zult blijven versnijden ter bevordering van den vrede, het uitzicht en de hoop van alle brave lieden.”

“De vrede zou mij dierbaar zijn,” riep De Groot uit: “doch zoo ik daartoe rade, moet zulks uit eigene overtuiging, geenszins op verzoek harer Doorluchtigheid geschieden.”

“Ik eer uw nauwgezetheid,” antwoordde Grobbendonck: “wij begeeren ook, dat UEd. alleen naar die overtuiging zult handelen: het zal ons zelfs aangenaam zijn, indien UEd. onvoorwaardelijk ’s Konings gunsten wilt aannemen; want daardoor zal de wereld zien, hoe ons Hof, ook zonder hoop op de wedervergelding, deugd en bekwaamheid weet te loonen en voor te staan; doch wij willen UEd. geenszins overrompelen: denkt over ons voorstel na, Mijne Heeren! raadpleegt, zoo ’t u goeddunkt, uw geloofsgenooten, uw Hollandsche vrienden, ja voornamelijk uw verstandigen en doorluchtigen beschermheer.”

“Onzen beschermheer?” vroeg De Groot, verwonderd: “wien kan UEd. bedoelen?”

“Graaf Hendrik Frederik,” antwoordde Grobbendonck: “zoo ik wel onderricht ben, is hij uwer partij geheel toegedaan, en is hij in Nederland de voorname hoop der verdrukte Remonstranten.”

De Remonstrantsche Heeren zagen elkander aan met dien blik van besluiteloosheid, welke natuurlijk is, wanneer men iets gezamenlijk zou moeten beantwoorden en beslissen, maar door het bijzijn van derden daarin verhinderd wordt.—Grobbendonck redde hen echter uit die verlegenheid, door hun nogmaals te verzekeren, dat zij zich vooreerst niet behoefden te verklaren, en dat hun de noodige tijd en vrijheid gegeven werd, om zich over de aanbiedingen van het Spaansche hof te beraden.

Terwijl het gesprek, dank zij den Vicaris, die de gasten over hun werken onderhield, weder een letterkundige wending nam, ontstond er plotseling een onverwacht gerucht en herhaald geklop aan de huisdeur, waarop, na het openen daarvan, een verward geluid van stemmen volgde en voetstappen gehoord werden van nieuwaangekomenen, die de trappen haastig kwamen opgeloopen. En eer nog Velasco was opgestaan om naar de reden van dit gedruisch te vernemen, traden twee heeren in reisgewaad binnen, die, hun mantels aan de dienaars toewerpende, zich dadelijk deden herkennen voor den vermaarden Veldheer Spinola en den Kanselier van Brabant, Pieter Pekkius.

“Waarlijk,” riep Velasco uit: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! Wie had deze verrassing kunnen vermoeden? Vanwaar komen de vrienden met zulk een drift?”

“Spoorslags van Brussel,” zeide Spinola: “ik heb den Heer Kanselier laten draven zooals hij zijn leven niet gedaan heeft.”

“Noch in mijn leven weder hoop te doen,” zeide Pekkius, Spinola’s gezegde met een knik en een zucht bevestigende.

“Zoo gaat het,” merkte Grobbendonck lachende aan: “die met Spinola gaat, moet immer voorwaarts; dat is zijn oude gewoonte. Laat ik u een roemer wijn vullen, Heer Kanselier.”

“Hoe staat het gelaat zoo bedrukt, Generaal?” vroeg Velasco: “zijn er slechte tijdingen?”

“Van belang,” antwoordde Spinola: “doch vergun mij te vragen, wie zijn die Heeren?”

Velasco stelde hem zijn gasten voor, waarop Spinola betuigde, dat het hem bijzonder aangenaam zou wezen, nadere kennis met hen te maken: doch dat hij voor ’t oogenblik zaken van gewicht met den Spaanschen Overste af moest handelen en dienvolgens hun verzocht, zich wel te willen verwijderen: ten gevolge van welkeinjunctieDe Groot en zijn medeballingen vertrokken.

“Voor Uwe H. heb ik dat niet gezegd,” zeide Spinola, ziende dat Ambrosius insgelijks vertrekken wilde: “UEd. mag de tijding gerust vernemen, welke wij met ons brengen.”

“En welke is die?” vroeg Velasco, hoogst nieuwsgierig.

“Zijne Majesteit....” antwoordde Spinola, de schouders ophalende.

“Is toch niet overleden,” viel Grobbendonck in, met drift.

“Is overleden,” antwoordde Pekkius.

“Is overleden,” herhaalde de Generaal: “en zonder mij ooit te hebben zien strijden, zonder zelfs vernomen te hebben, hoe ik zijn wapenen in den Neder-Paltz heb doen zegepralen.”

“Waarlijk, gewichtige en droevige slagen,” hernam Velasco, “en dat juist met het einde van ’t Bestand.”

“En wat dient er nu gedaan?” vroeg Grobbendonck.

“De Heer Kanselier en ik reizen naar Den Haag, om voorstellen van vrede te doen,” zeide Spinola, somber voor zich ziende.

“God geve dat hij gesloten worde!” riep Ambrosius uit.

“Daar is geen nood voor,” hervatte de Veldheer: “de voorwaarden zijn juist niet zeer aannemelijk. Oorlog moet er wezen, en ondanks de zware verliezen, die wij leden, staan onze zaken thans vrij wat voordeeliger dan die der Staatschen. De neerlaag van Frederik zal wat schrik onder den vijand gebracht hebben en daarvan dient een nuttig gebruik te worden gemaakt. Drie dagen geleden kwam ik uit het leger terug in Brussel. Alles was er in verslagenheid: alles had den moed laten zakken: dan, de hemel zij gedankt, ik heb dien flauwhartigen Raden een hart onder den riem gestoken, en ik twijfel niet, of ik zal de beloften vervullen, die ik hun deed, om binnen het jaar den Staatschen zulk een geweldigen knak te geven, dat zij het hoofd in den schoot zullen leggen;—doch van wat anders! Hoe is het met de Tielsche samenzwering gelegen? is er van dien kant wat te verwachten?”

“Mij onbewust,” antwoordde Grobbendonck: “ik wacht Pater Eugenio dagelijks terug om mij kennis van het aldaar verrichte te geven. Doch misschien zal de Heer Vicaris, die heden van Tiel kwam, UEd. meer licht kunnen geven.”

“Ik ben voor de belangen der kerk in Tiel geweest, en geenszins om met landverraders en schelmen te raadplegen; doch zoo de Heeren bericht verlangen, ik heb een vertrouweling van den Jezuïet Eugenio gewond bij mij aan huis: die zal u zeker kunnen vertellen, wat hij er van weet.”

“Gewond!” riepen al de aanwezigen uit: “en hoe is het mogelijk....”

“Men had het op mijn leven toegelegd,” antwoordde de Vicaris; “doch de Heer heeft de plannen van schaamtelooze booswichten verijdeld en schikte mij een helper toe. Over dezen eigenlijk wilde ik den Heer Grootmeester komen onderhouden.”

“Uw leven was in gevaar!” riepen de aanwezigen uit: “wij bidden u, verhaal ons....”

“Het verhaal is kort en eenvoudig,” zeide Ambrosius, en hij gaf in weinige woorden op, wat ’s middags gebeurd was.

“En op wie vallen uw vermoedens?” vroeg Pekkius haastig.

“Ik heb geen vermoedens,” hernam de Vicaris op een drogen toon.

“Uw redder moet een kloek jongeling geweest zijn,” merkte Spinola aan.

“Geen wonder,” hervatte Ambrosius; “hij is (of meent zulks althans te zijn) een bloedverwant van Don Louis.”

“Van mij?” vroeg Velasco verwonderd.

“Hij werd bij den Heer Van Sonheuvel opgevoed.”

“Oho! nu vat ik de geschiedenis: dat zal de knaap wezen, wien men mij met alle geweld tot neef wil opdringen. Nu, ik ben nieuwsgierig hem eens te zien: ik verzoek Uwe H. hem te willen melden, dat ik hem morgen te tien uren zal afwachten.”

De Vicaris beloofde deze boodschap aan den jongeling, die, gelijk hij zeide, ten zijnent gehuisvest was, te zullen overbrengen, en nam afscheid van het gezelschap.

Den dag daarna, toen Velasco van zijn dagelijksch bezoek op de citadel was teruggekeerd en zich aan het ontbijt bevond, werd hem geboodschapt, dat de jongeling, waarover de Heer Vicaris hem ’s avonds te voren gesproken had, in de benedenkamer zijn bevelen afwachtte.

“De jongeling, die van den Heer Vicaris komt, Vlascamp?” zeide de Grootmeester, zich bezinnende: “ha ja, nu herinner ik mij: eilieve hoe ziet hij er uit?.... Een frissche knaap, zoo men zegt.... nu laat hem binnenkomen, en wees beleefd met hem! Ik zit hier in een mal parket. Pater Eugenio had zich de moeite wel kunnen sparen, mijn familie dus ongevergd te vergrooten.”

Terwijl hij deze woorden mompelde, trad Joan binnen en bleef in een eerbiedige doch verlegene houding aan de deur staan. Niet minder bedremmeld stond Velasco op, zag hem zijdelings aan, deed een paar stappen naar hem toe, hield toen weder stand, oneens met zichzelven over de houding, die hij moest aannemen, en zeide eindelijk op een weifelenden toon: “mag ik weten wien ik de eer heb...”

“Dat is juist, wat ik vernemen kwam,” was het antwoord, dat met een gebroken stem gegeven werd.

“Juist zoo!.... dus zijt gij door Pater Eugenio gezonden?”....

“Door Pater Eugenio!” herhaalde Joan, verbleekende. “En was de man, die zich Van Dyk noemde, werkelijk Pater Eugenio?”....

“Van Dyk.... Eugenio....” stamelde Velasco, hoe langer hoe meer in de war: “nu ja, gij zijt dan toch die jongeling, die bij den Heer Van Sonheuvel is opgevoed....”

“En die thans,” vervolgde Joan, “de bevestiging komt vernemen van een verhaal, mij onlangs gedaan, dat ik de zoon zou zijn van uw overleden broeder.”

“Juist,” hernam Velasco: “dezelfde: doch, neem plaats!”

Beiden gingen zitten en zagen een tijdlang als sprakeloos voor zich. Ten laatste hervatte de Grootmeester op deze wijze het gesprek:

“Ik moet bekennen, Mijnheer! dat ik, na al wat ik gehoord heb, na al hetgeen de Heer Baron, uw pleegvader, mij voor vele jaren geschreven heeft, na de berichten, welke ik onlangs heb ingewonnen, geen redenen meer heb om te twijfelen aan den graad van bloedverwantschap, die ons verbindt: en ik beken tevens,” voegde hij er met welwillendheid bij, “dat, indien uw inborst en bekwaamheid slechts gedeeltelijk den gunstigen indruk evenaren, dien uw uiterlijk op mij gemaakt heeft, ik het mij als een bijzonder geluk zal rekenen, een man als neef te omhelzen, die aan ons geslacht allen luister kan bijzetten.”

“Ik was verre,” zeide Joan, zich buigende, “zulk een onthaal van UEd. te verwachten. Wees overtuigd, edele Heer! dat mijn dankbaarheid zich in mijn daden zal vertoonen, en dat mijn gehoorzaamheid aan uw begeerten zoo uitgebreid zal wezen als mijn plichten mij zulks veroorloven.”

“En mag ik thans vragen,” zeide Velasco, “waarin ik u van dienst kan zijn!”

“Voor ’t oogenblik verlang ik niets,” antwoordde Joan, “dan een mij beloofde inlichting omtrent mijn geboorte.”

“Natuurlijk, zeer natuurlijk!” zeide Velasco, zich over de kin strijkende: “ofschoon ik gedacht had, dat ik die van u zoude ontvangen.”

“Men had mij ten halve met de hoop gevleid, dat ik hier mijn moeder zoude vinden.”

“Zoo.... ei! Dat wist ik niet.... dat geloof ik ook niet,—Zoo Pater.... zoo Van Dyk hier ware, hij zou u meer kunnen vertellen.... nu, hij zal spoedig hier zijn!vindice nodus, zooals mijn leermeester te Salamanca zeide.”

“Daar twijfel ik aan: zoo hij den knoop ontwarren moet, vrees ik dat de zaak eeuwig geheimzinnig blijven zal; want hij zit op het slot te Sonheuvel gevangen.”

“Wat zegt gij?” riep Don Louis verschrikt: “hij gevangen! voorwaar, alles loopt samen om onzen neteligen toestand te verergeren.”

Vlascamp trad onder dezen uitroep binnen en meldde den Generaal, den Kanselier en den Overste Grobbendonck aan.

“Slechte tijding!” zeide hun Velasco, toen zij binnentraden: “deze Heer meldt mij, dat Pater Eugenio op Sonheuvel gevangen zit.”

“Gevangen zat,” zeide de man, van wien hij sprak, binnentredende: “Pax Vobiscum!”3

“Voor den duivel!” riep Velasco, een stap terugtredende: “de Staatschen zijn wel ongelukkig met hun gevangenen. Niet één kunnen zij bewaren.”

”Angelus Domini per noctem aperuit ianuas carceris,”4zeide de Jezuïet: “ik kwam u bericht geven van mijn bedrijven binnen Tiel.... maar zie ik ginds mijn goeden vriend niet, die om mijnentwille in ongeval gekomen is? wees hartelijk welkom in Den Bosch, mijn waaide Jonker! Edele Heeren! vergunt mij, dat ik u Don Diego de Velasco voorstelle, den zoon van mijn waardigsten vriend, die voor ongeveer twintig jaren jammerlijk vermoord werd.”—Dit zeggende, nam hij Joan bij de hand en stelde hem aan Spinola en de overige Heeren voor, die hem met vele plichtplegingen gelukwenschten. Toen echter wendde zich Joan tot Eugenio en betuigde, dat hij, ondanks zijn verzekeringen en de vriendschap, welke hem betoond werd, nog aan de echtheid der mededeeling twijfelen moest, zoolang hem niet volkomen gemeld werd, wie zijn moeder geweest ware.

“Ik zelf,” antwoordde Eugenio, “heb in den jare 1597 uw vader in den echt verbonden met Jonkvrouw Charlotte von Helmstadt, een adellijke Duitsche Freule. Dit huwelijk bleef toen geheim, omdat zich de ouders uwer moeder daartegen verzet hadden. Een jaar na de verbintenis beviel de gade mijns edelen vriends van een zoon, wiens geboorte haar het leven kostte. Die zoon waart gij.”

“Zoo heb ik dan geen moeder,” zeide Joan met een zucht: “en waarom mij dan met de ijdele hoop gevleid, dat ik haar in Den Bosch zoude vinden?”

“Ik heb u alleen gezegd,” hernam de Jezuïet, “dat men u hier de noodige inlichtingen geven zou: wat gij verder verkeerd hebt gelieven te verstaan, daarvoor behoef ik mij niet te verantwoorden.”

“Welaan, mijn waarde neef!” zeide Velasco: “sinds alles opgehelderd is, hoop ik, dat voortaan alle stijfheid tusschen ons verbannen zal wezen. Dezen middag verwacht ik u bij mij aan tafel, indien uw waarde gastheer, aan wien ik mijn nederige groete verzoek, u af wil staan.—Thans zult gij mij verschoonen, en mij wel met deze Heeren alleen willen laten.”

“Wat mij betreft, volgaarne zou ik van uw uitnoodiging gebruik maken,” zeide Joan: “doch de Heer Vicaris is, na mij verzocht te hebben van zijn terugkomst af te wachten, heden morgen voor eenige dagen naar Brussel vertrokken.”

“Zijt gij bij den Vicaris gehuisvest?” vroeg Eugenio met eenige drift, terwijl zich een trek van bevreemding over zijn gelaat verspreidde.

“Verwondert u dat?” vroeg Pekkius, hem met een scherpen blik aanziende. “Een woord met u, Pater!” en tegelijk, hem om den arm nemende, trok hij hem met zich in het naaste vertrek.

“Gij weet dus ook niet,” vervolgde de Kanselier, “dat de Vicaris op den weg is aangerand geweest.”

“Ik kom pas in Den Bosch.”

“Dat is geen stellig antwoord op mijn vraag.—Gij zijt geen vriend van den Vicaris. Zijn ambt was u vroeger toegezegd.”

“Men zal mij toch niet betichten, hem te hebben aangerand,” hernam de Jezuïet met trotschheid.

“Wat de Vicaris doen zal is mij onbewust.—Dit alleen weet ik, dat de aanrander, zekere veerman over de Waal, een bekend werktuig is van Pater Eugenio.”

“Heeft de schoft geklapt?” vroeg deze met een woesten blik.

“Dat geloof ik niet,” antwoordde de Kanselier, “daar hij gisteren buiten staat was te spreken en hedenmorgen aan zijn wonden overleden is. Zoo u dit gerust kan stellen, zal ’t mij aangenaam zijn: doch als vriend raad ik u, in ’t vervolg behoedzaam te werk te gaan, want anders zou noch uw Sociëteit, noch uw diensten, den lande bewezen, u voor straf behoeden.”

“Men moest eerst iets kunnen bewijzen,” hernam Eugenio, wiens gelaat weder de gewone kalmte vertoonde. “Intusschen dank ik UEd. voor ’t bericht.”

Na dit gesprek keerden zij naar de kamer van Don Louis. Zijvonden Joan reeds vertrokken.—“Mag ik nu weten,” zeide Velasco, naar Eugenio toetredende, “waar ons de klucht moet brengen, die wij spelen?”

“Hoe dan,” vroeg Spinola; “is die jongeling dan uw neef niet?”

“Zoomin als UEd.,” antwoordde Velasco: “het is een zeer gekke vertooning, welke de Pater mij laat maken: hij kwam juist van pas, om mij uit het vaarwater te helpen: de jonkman deed mij hoogstnatuurlijke vragen over zijn familie, daar ik geen antwoord op wist te geven.”

“Mijn doel is niet naar wensch gelukt,” zeide Eugenio: “Ik had gehoopt, dat die knaap, om zijn gewaanden vader te wreken, zijn pleegvader om den hals zou brengen;.... doch daar heeft hij niet aan gewild.”

“Santa Maria!” riep Velasco: “dus wildet gij dien armen Baron door zijn voedsterzoon laten vermoorden? En ik moest u in zulk een boevenstuk de hand bieden?”

“Is dit de handelwijze eens geestelijken?” vroeg Spinola met afgrijzen.

“Waarom niet?” antwoordde Eugenio met koelheid: “elk heeft het recht, wegens geleden hoon zijn beleediger om te brengen: en het is, gelijk de wijze Tanner zeer juist aanmerkt, ons geestelijken geoorloofd, niet alleen tot lijfsbehoud, maar ook ter bevordering van het nut der gemeente, hem te doen sneven, die daaraan eenig nadeel kan teweegbrengen.”

“Ik herken in deze taal den gewezen beleider der aanslagen tegen het leven van mijn doorluchtigen vijand gesmeed,” zeide Spinola.

“Wat hoor ik!” zeide Eugenio: “zal een voorvechter der ware Kerk die aanslagen misprijzen?—en dat in mij, die tegen alle ketters den eed van vijandschap en verdelging gezworen heeft. Is ’t u bewust, Heer Marquis! dat al wat ik hier verricht, ingevolge de bevelen der Hoven van Rome en Madrid wordt ten uitvoer gebracht?”

“Ook de voldoening van personeelen wrok?” vroeg de Generaal.

“De op mij verstrekte last bevrijd mij van alle verantwoording: wat mij voorkomt tot nadeel der ketters te kunnen geschieden, moet in ’t werk gesteld worden en de dood van een gevaarlijken vijand als Sonheuvel zou een ware dienst aan onze Kerk geweest zijn.”

“De leer der Kerk luidt:non occides,”5zeide Spinola.

“Een leer, die een krijgsman dagelijks overschrijdt!”

“Wilt gij zijn sabelslagen bij den dolksteek des sluikmoordenaars vergelijken?” vroeg de verontwaardigde Veldheer.

“Een sluikmoordenaar,” antwoordde Eugenio, altijd met dezelfde bedaardheid, “is alleen de zoodanige, die voor zijn verraad geld of loon ontvangt; doch zij, die zulks ten dienste der goede zaak verrichten, kunnen dien naam geenszins verdienen; dit leeren onze statuten, met pauselijke en koninklijke goedkeuring bekrachtigd.”

“Laat ons,” zeide Pekkius, “een gesprek staken, dat alleen tot onnutte verbittering aanleiding kan geven. De eerwaarde Pater heeft zooveel diensten aan den Staat bewezen, dat wij hem gerust naar zijn begrip kunnen laten handelen. Elk heeft op deze wereld zijn bijzondere taak te vervullen: de dappere Spinola moet de wapenen Zijner Majesteit wijd en zijd doen zegevieren: mijn ambt is, mijn Vorsten door onderhandelingen te dienen: de verbreiding van het echt geloof en de verdeeling der ketters is aan den eerwaarden Pater toevertrouwd. Elk volge zijn eigen weg en vervulle de hem opgelegde plichten, zonder de bedrijven eens anderen te veroordeelen, omdat zij schijnbaar afwijken van de regelen, die men zichzelven heeft voorgesteld.”

Spinola zweeg; schoon weinig tevreden gesteld met de drogredenen des Kanseliers, begreep hij reeds genoeg te hebben gezegd, en achtte het gevaarlijk, den haat van een zoo machtig lichaam, als dat der Jezuïeten, op zich te laden. Hij schoof dus zijn zetel een weinig terug, speelde met de lissen zijner sjerp en mengde zich verder niet in ’t gesprek.

Velasco opperde nu wederom de vraag, wat er met zijn zoogenaamden neef moest worden aangevangen.

“Hij kan ons op dit oogenblik van onbeschrijfelijk veel nut zijn,” zeide Eugenio: “ik zag naar een geschikt werktuig om, dat de achterdocht, die Maurits tegen zijn broeder heeft opgevat, kon verlevendigen, en daardoor haat en vijandschap tusschen hen beiden en verdeeldheid in den Staat teweegbrengen. Dit werktuig heb ik in hem gevonden. Met weinige woorden zal ik u in staat stellen, mijn plan te beoordeelen.”

Hij legde hun hierop zijn oogmerk voor, waarvan wij den uitslag nader in ons verhaal ontwikkeld zien zullen, en hetwelk wij dus hier niet behoeven te vermelden.

1Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.2Niet allen kunnen wij alles.3Vrede zij met u.4De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis geopend.5Gij zult niet doodslaan.

1Daar de goede Grootmeester de lessen van zijn hoogloffelijken leermeester meestal verminkt en onvatbaar ter vertaling maakt, hebben wij deze ook gemeend te moeten achterwege laten.

2Niet allen kunnen wij alles.

3Vrede zij met u.

4De Engel des Heeren heeft bij nacht de deuren der gevangenis geopend.

5Gij zult niet doodslaan.

Zes-en-twintigste Hoofdstuk.Geluckt de voor-genomen daed,’t Loon zal een hand vol wind zijn;Loftuyting en een eeren-praetVan die met u gezint zijn.Maar zoo ghy ’t voornemen sneeft,Ghy blijft en zelfs verlegen;En die ’t geluck maer tegen heeft,Krijght heel de werelt tegen.Den algemeynen haet en spotHebt ge in ellendt te wachten.Of overboos of al te botZal u een yeder achten.Camphuisen.Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsenin het vorstelijk ’s. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze, de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude, had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn geheimschrijver gehouden.“Wel Ludwig!” zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan een tafel vol papieren gezeten was: “wat nieuws is er hedenmorgen?”“De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest,” antwoordde de Secretaris, “om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar vol gemoed en haar erkentenis uit te storten.”“Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest, op een bedekte wijze te doen geworden?”“Gelijk door mij is verricht,” antwoordde Ludwig: “doch zoo bedekte giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst vanzelf verraden.”“Vrij poëtisch,” zeide Frederik Hendrik: “op mijn eer! bij Paai Priaap1af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, vriend! gij hebt gebabbeld.”“Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden kon. DearmeRemonstrantenhebben nietsen derijken geven niets: daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden ingeroepen.”“Al genoeg, al genoeg,” zeide de Graaf, ongeduldig: “wanneer gaat zij op reis?”“Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift inleveren om bij haar man te worden opgesloten.””’t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél ken.—Is er niets meer?”“Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere, om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken.”“Is de bruid bevallig?”“Ik heb haar eens als kind gezien,” antwoordde Ludwig, “en toen beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker: zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de Gravin Douarière.”“Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des Ambtmans uit te trouwen!—Is er nog iets?”“Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der Remonstrantsche Sociëteit,Niellius cum suis.”“Ja waarlijk!” zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig had opengebroken: “onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn ondersteuning en voorspraak te vragen!”—Dit zeggende, smeet hij den brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich.“Wat zal ik zeggen?” hervatte Ludwig: “de Remonstranten zien Uwe Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen.”“Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven,” zeide de Graaf op een gemelijken toon.“Met verlof,” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe Doorl. kennende, die als een milde regen....”“Gij zijt een gek met uw vergelijkingen,” hernam de Graaf: “ik ben niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen te worden.”Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereedom te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen, veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de vraag spoedig deed volgen: “gelooft ge mij niet?”Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die, te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.Hoewel in ’t algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden, vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter uit de hem voorgelegde nota’s bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in ’t eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende, schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel toe en sprak hem aan in dezer voege:“Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan, mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij doorhaar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog in de toekomst, en het verschiet, ’t welk zich voor mij opdeed, was zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht: hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog lang in ’t leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid in ’t Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.“Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen, het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen, streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in ’t openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in ’t geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: degebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in ’t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten.”Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, ’t welk hij zich in de toekomst voorspelde.“Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,” zeide Ludwig: “hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, thans, naar mijn oordeel weinig kans op.”“Hoe dan!” riep de Graaf uit: “wat doet u vreezen?”“Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden,” antwoordde Ludwig: “waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden.”“Wie heeft u die zotheid in ’t hoofd gebracht?” vroeg Frederik Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk verontrustte.“De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn.”“Wat gij zegt!” hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.“Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen gepredikt zijn.”“Praatjes!” riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.“Ik heb iemand gesproken, die ’t zelf gehoord heeft, den jongen Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld.”“Zoo!—Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan.”“Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst te geleiden, waar niemand haar kennen zal.”“Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden,”zeide Frederik Hendrik: “indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te kort te doen, door uw voorstel aan te nemen.”“En ik,” zeide Ludwig, met een buiging, “zou Uwe Doorl. sterk aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle vooringenomenheid met de Arminianen genezen.”“Wij zullen zien,” hervatte de Graaf, lachende: “doch het wordt mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling: met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe decreet. Tot wederziens.”—Dit zeggende, wilde hij vertrekken.“Met verlof!” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar geen kopie van houden?”Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel en vertrok.Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. “Ben ik geen groote gek?” vroeg hij zichzelven: “en den hond gelijk, die zijn prooi voor den schijn in ’t water vallen liet? En echter, een post als die van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver gegaan om kinderachtig te worden.”Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken.“Een onbekende vrouw!” mompelde Ludwig: “hm! hm! zeker weder de eene of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen.”De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt: vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.“Wat is er van uw dienst, vrouwtje?” vroeg Ludwig, haar een teeken gevende om te gaan zitten.“Kent gij mij niet meer, Ludwig?” vroeg de kamenier der Freule Van Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.“Moeder!” riep Ludwig, een stap achteruittredende.“Stil!” hernam Magdalena: “dien naam mag ik niet hooren.... en toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?”“Kunt gij daaraan twijfelen?” vroeg Ludwig, haar de hand kussende:“doch uw plotselinge verschijning verraste mij:—hoe onvoorzichtig! indien iemand u hier zag....”“Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?—Zoek u niet te verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen.”“Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien.”Eene hevige verontwaardiging deed, bij ’t hooren dezer woorden, de kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige blikken op haar ongevoeligen zoon. “Ellendige belangzoeker!” zeide zij: “waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?—of dat gij, nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de vloek mijner moeder drukt mij zwaar op ’t hoofd, nu ik door mijn eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en verstooten worde.”“Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken,” zeide Ludwig, ongeduldig op zijn pen knauwende: “gij hebt u immers over niets te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden.”De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst, na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.“Ween niet, moeder!” zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem terugstootte: “ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog.”Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, sprak zij:“Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zieik dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van ketters, voor ’t ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest verschuldigd zijn!”“Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!” zeide de Secretaris, op den minzaamsten toon; “doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de meeste gunst bewijzen.”“Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht hebben voorgeschreven, en niet aan mij,” antwoordde zijn moeder. “Noodzakelijkheid drijft u en mij.”“Ik stem u dit toe,” zeide Ludwig: “doch,” vervolgde hij met een flauwe stem: “was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf vanFalckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal der moordenaren opofferde?”Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.“Was het ook noodzakelijkheid,”vervolgde hij, “dat ik in dit afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?”“Zwijg stil om Godes wil,” zeide Magdalena, hem snel de hand op den mond leggende: “gij weet niet wien gij vloekt.”“Ik weet zeer wel,” hernam hij, “dat ik van eenen, in uw oogen eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij, wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier,” de hand op het hart leggende, “en vrij twijfelachtige verwachtingen in de toekomst.”“Onrust!” herhaalde Magdalena verbaasd: “wat kan u ontrusten, wanneer gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?”“Ik weet het niet,” antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende de schouders optrok: “Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn.”“O!” zeide Magdalena, “die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet,dan moet gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan.”“Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den naam van verrader verdien.”“Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden beoordeeld worden, dan de denkwijze van ’t algemeen. En acht gij dan het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?—Het hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil, u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten, overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult, die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan.”“Na al hetgeen ik reeds gedaan heb,” zeide de geheimschrijver op den bedaardsten toon der wereld, “verdien ik zooveel gestrengheid niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn dadendoor voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt.”“Dat zal van uw gedragingen afhangen,” zeide Magdalena, en stak hem tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.“Laat hij een oogenblik vertoeven,” zeide Ludwig.—“Welnu, moeder!” vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: “hebt gij nog iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren.”“Dit pakket,” zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te voorschijn halende, “moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken hier te lande.”“Het zal bezorgd worden,” hernam Ludwig, het pakket aannemende: “ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag.”“En deze brief,” vervolgde zij, “is voor den Veldheer Spinola.”“Waarschijnlijk van den Ambtman,” hernam hij: “ja, ik herken die hand. ’t Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is er nog iets?”Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, trok haar falie weder over ’t gezicht en verwijderde zich; waarna Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.“Ik heb daar een zwaren post gehad,” mompelde hij bij zichzelven, terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; “nu, alles zal afhangen van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet zekerheid hebben!—Wat verlangt UEd.!” vervolgde hij overluid, zich tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, binnentrad.“Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,” zeide de vreemdeling, “doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen.”“Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid.”Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer, dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.“Ik ben uit Den Bosch gekomen,” zeide de onbekende, eenige brieven voor den dag halende.“Uit Den Bosch,” zeide Ludwig haastig: “ga zitten: schuif wat naderbij, als ’t u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet wel wien....” Dit zeggende, zag hij hem scherp in ’t gezicht,als wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield.“Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom,” antwoordde de ander, op een toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.“Van den zwarten vos misschien?” zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende.“Ik geloof van ja,” antwoordde de vreemdeling, die in den waan verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten bedoelde.“Ik had mij gevleid,”hernamLudwig, fluisterend, “dat hij zelf hier zou komen snuffelen.”“Hij zou er wel op passen,” zeide de ander: “hij zou hier slecht ontvangen worden.”“Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater niet. Doch, wat mij verwondert,” vervolgde Ludwig, wiens vermoedens op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, “is dat hij den pleegzoon van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt.”“Met uw verlof,” zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver herkende: “ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de eer had, u te ontmoeten.”“Verheugd u weer te zien,” zeide Ludwig, zich buigende: “doch hoe duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van.”“Gij kent Pater Eugenio?” hernam Joan verbaasd: “doch waarover verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander.”“Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt.”“Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?” vroeg Joan: “doch gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid.”“Aha!” zeide Ludwig: “gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt.”“Het was het verlangen van Don Louis,” antwoordde Joan, wiens ronde oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, “het was het verlangen mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten gebruiken. Terwijl de Gezanten des Koningsvan Spanje met Prins Maurits aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren.”“Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?—En hoe komt het dan, dat ik u thans eerst hier zie?”“Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?”“Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?—Ja, heden zal er moeilijk kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?”“Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap.”“Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig, om mij met een dusdanige commissie te belasten.”“Zooals gij verkiest,” hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: “gij zegt dan, morgenochtend....”“Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant.”“Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!” zeide Joan en vertrok.“Morgenochtend te negen uren!” herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen was. “Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar, gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek.”1Cats.

Geluckt de voor-genomen daed,’t Loon zal een hand vol wind zijn;Loftuyting en een eeren-praetVan die met u gezint zijn.Maar zoo ghy ’t voornemen sneeft,Ghy blijft en zelfs verlegen;En die ’t geluck maer tegen heeft,Krijght heel de werelt tegen.Den algemeynen haet en spotHebt ge in ellendt te wachten.Of overboos of al te botZal u een yeder achten.Camphuisen.

Geluckt de voor-genomen daed,’t Loon zal een hand vol wind zijn;Loftuyting en een eeren-praetVan die met u gezint zijn.

Geluckt de voor-genomen daed,

’t Loon zal een hand vol wind zijn;

Loftuyting en een eeren-praet

Van die met u gezint zijn.

Maar zoo ghy ’t voornemen sneeft,Ghy blijft en zelfs verlegen;En die ’t geluck maer tegen heeft,Krijght heel de werelt tegen.

Maar zoo ghy ’t voornemen sneeft,

Ghy blijft en zelfs verlegen;

En die ’t geluck maer tegen heeft,

Krijght heel de werelt tegen.

Den algemeynen haet en spotHebt ge in ellendt te wachten.Of overboos of al te botZal u een yeder achten.

Den algemeynen haet en spot

Hebt ge in ellendt te wachten.

Of overboos of al te bot

Zal u een yeder achten.

Camphuisen.

Ten einde ons verhaal regelmatiger te kunnen voortzetten, moeten wij thans onzen lezers verzoeken, zich met ons te willen verplaatsenin het vorstelijk ’s. Gravenhage en aldaar in de zoogenaamde Huizinge van Brandwyk (thans het paleis des Konings), toen algemeen bekend onder den naam van het Oude Hof, en bewoond door Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik. In het tijdvak, hetwelk wij behandelen, begon de edele Vorst, (die tot nu toe slechts een ondergeschikte rol had gespeeld, en wiens verdiensten, hoe heerlijk die in andere landen zouden hebben uitgeblonken, in Nederland verduisterd werden door die van zijn broeder), de aandacht der landzaten op zich te vestigen en de noordstar te worden, waarnaar al wie de binnenlandsche tweespalten moede werd, de oogen richtte. Zijn bekende gematigde denkwijze, de zachtheid en weldadigheid van zijn inborst, zijn geboorte vooral uit een vrouw, die tot aan haar dood toe de verdrukte Remonstranten had beschermd en voorgesproken, en wier handelwijze omtrent hen hij, schoon van haar in godsdienstige en staatkundige beginselen en inzichten verschillend, bedektelijk volgen bleef, dit alles, gevoegd bij de toenemende verzwakking van den Stadhouder en de verwachting, dat het Stadhouderschap weldra in andere handen geraken zoude, had Frederik Hendrik tot het brandpunt gemaakt, waarin zich al de wenschen der gematigden en de uitzichten der Remonstrantschgezinden vereenigden. Op welke wijze hij de op hem gevestigde hoop wist gaande te houden en hoe daaraan door hem beantwoord werd, zal uit het vervolg dezer geschiedenis genoegzaam blijken: terwijl wij zijn bedoelingen zullen moeten opmaken uit het navolgende gesprek tusschen hem en zijn geheimschrijver gehouden.

“Wel Ludwig!” zeide de Graaf, terwijl hij in een eenvoudig huisgewaad het vertrek binnentrad, waarin de persoon, tot wien hij sprak, aan een tafel vol papieren gezeten was: “wat nieuws is er hedenmorgen?”

“De huisvrouw van den Predikant Bysterus is hier geweest,” antwoordde de Secretaris, “om Uwe Doorluchtigheid te bedanken voor de genoten ondersteuning. Ik had werk om haar weg te krijgen. Zij wilde zich met alle geweld voor de knieën van Uwe Doorl. gaan werpen om haar vol gemoed en haar erkentenis uit te storten.”

“Zoo! wat is dat voor zotheid? Mijnheer heeft zeker uit de school geklapt. Had ik u niet gelast, haar de som, die zij hebben moest, op een bedekte wijze te doen geworden?”

“Gelijk door mij is verricht,” antwoordde Ludwig: “doch zoo bedekte giften van ambtelooze burgers gelijk zijn aan de flikkering eener verschietende ster, welker oorsprong niet te raden is, de geheime weldaden der grooten zijn als de zonnestralen, die haar herkomst vanzelf verraden.”

“Vrij poëtisch,” zeide Frederik Hendrik: “op mijn eer! bij Paai Priaap1af; doch de vergelijking verontschuldigt u niet. Gij hebt geklapt, vriend! gij hebt gebabbeld.”

“Uwe Doorl. moest meer op mijn bescheidenheid bouwen; doch zoo zij maar gelieft na te denken, dat de vrouw wel geen anderen gever raden kon. DearmeRemonstrantenhebben nietsen derijken geven niets: daarenboven wist zij, dat haar vrienden de hulp Uwer Doorl. hadden ingeroepen.”

“Al genoeg, al genoeg,” zeide de Graaf, ongeduldig: “wanneer gaat zij op reis?”

“Zij denkt in de volgende week zich naar Gorkum te begeven, waar men voor haar een kamertje aan de haven gehuurd heeft, met het uitzicht op Loevestein. Zooras zij bevallen is, zal zij een verzoekschrift inleveren om bij haar man te worden opgesloten.”

”’t Welk waarschijnlijk zal afgeslagen worden, zoo ik den Raad wél ken.—Is er niets meer?”

“Er zijn twee uitnoodigingen gekomen voor Uwe Doorl.: de eene, om de plechtige hulde van den Hofbeer te komen bijwonen; de andere, om den ondertrouw van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel met uw tegenwoordigheid te vereeren. De Heer Baron zal zijn verzoek in persoon bij Uwe Doorl. komen herhalen, en de Ambtman verzocht ook, zijn opwachting te mogen maken.”

“Is de bruid bevallig?”

“Ik heb haar eens als kind gezien,” antwoordde Ludwig, “en toen beloofde zij zeer schoon te worden; doch Uwe Doorl. kent haar zeker: zij huist altijd, en ook nu, bij mijn voormalige meesteresse, de Gravin Douarière.”

“Aha zoo! dan ken ik haar wel: nu: zij is gansch niet verwerpelijk: hoe komt haar vader er toe, om haar aan een man van de jaren des Ambtmans uit te trouwen!—Is er nog iets?”

“Een brief voor Uwe Doorl. zelve: zoo ik mij niet bedrieg in de hand van het opschrift, is hij van de Inlandsche Directeuren der Remonstrantsche Sociëteit,Niellius cum suis.”

“Ja waarlijk!” zeide Frederik Hendrik, nadat hij den brief haastig had opengebroken: “onderteekend door het machtige Driemanschap. Hoe komen die lieden zoo dwaas! mij openlijk te gaan schrijven en mijn ondersteuning en voorspraak te vragen!”—Dit zeggende, smeet hij den brief gramstorig op tafel; doch, zich bezinnende, nam hij dien als in verstrooiing weder op, vouwde hem zorgvuldig toe en stak hem bij zich.

“Wat zal ik zeggen?” hervatte Ludwig: “de Remonstranten zien Uwe Doorl. aan als een baak in zee, waar zij allen op aanstevenen.”

“Ik weet niet, wat ik gedaan heb om die eer te verwerven,” zeide de Graaf op een gemelijken toon.

“Met verlof,” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. heeft er nogal eenigen geholpen, en het is geen wonder, dat zij, de goedheid van Uwe Doorl. kennende, die als een milde regen....”

“Gij zijt een gek met uw vergelijkingen,” hernam de Graaf: “ik ben niet goed, ik help geen Arminianen, en verlang deswege níet geprezen te worden.”

Deze verklaring geuit hebbende, stond hij op en maakte zich gereedom te vertrekken; doch, zich nogmaals omwendende, viel zijn blik op het gelaat van den schrijver, wiens spotachtige kleine oogen, veelbeteekenend hoofdschudden en kwalijk bedwongen glimlach genoegzaam aanduidden, dat hij aan de betuigingen zijns meesters weinig geloof hechtte. De uitdrukking van Ludwigs gebaren had op dat oogenblik zoo iets grappigs, dat de Graaf niet kon nalaten, nadat hij een wijl op hem gestaard had, in een luid gelach uit te bersten, waarop hij de vraag spoedig deed volgen: “gelooft ge mij niet?”

Ludwig antwoordde niets; maar een kasboek van de tafel nemende, waarin de geheime uitgaven des Graven stonden uitgedrukt, legde hij hem dit open voor, met den vinger die posten aanwijzende, waar de verborgene giften aan verdrukte Remonstranten waren opgeteekend, giften, die, te zamen gerekend, een vrij aanmerkelijke som beliepen.

Hoewel in ’t algemeen weinig dingen onaangenamer zijn, dan, na iets plechtig verzekerd te hebben, van het tegendeel overtuigd te worden, vooral, wanneer zulks door ondergeschikte personen geschiedt, nam Frederik Hendrik niettemin de vrijmoedigheid zijns dienaars niet euvel op. Hoe toch kon hij op dezen toornig zijn? Daar het den Vorst echter uit de hem voorgelegde nota’s bleek, dat zijn gehouden gedrag jegens de Remonstranten tot verkeerde uitleggingen kon aanleiding geven, begreep hij, te dezen opzichte openhartig met Ludwig te moeten omgaan, volgens den regel, dat het beter is, iemand in zijn geheel vertrouwen te doen deelen, dan hem half onderricht te laten, wijl hij in ’t eerste geval (zoo hij geen schurk is) zwijgen zal, en in het laatste uit onwetendheid of verkeerd begrip zondigen kan. Zich wederom bij de tafel nederzettende en het voorhoofd met de hand ondersteunende, schoof hij zijn stoel vertrouwelijk naar des geheimschrijvers zetel toe en sprak hem aan in dezer voege:

“Gij hebt gelijk, Ludwig! en ik zou om geen Konings schepter willen, dat gij ongelijk hadt, wanneer gij mij, door het openslaan van dit boekske, bewijzen wilt, dat ik meer hulp aan de Remonstranten betoond heb, dan ik beken. Ja, ik behandel hen wèl. Zij deelen in mijn gunst en weldaden, en zulks geschiedt op goede gronden; doch ik wil, dat het onbekend blijve: en ook hiervoor heb ik gezonde redenen. Die redenen acht ik het, om niet miskend en veroordeeld te worden, noodig u te ontvouwen. Reeds sinds jaren ondervonden de Remonstrantschgezinden, zoo om hun geloof als om hun staatkundige begrippen en gehechtheid aan wijlen den Heer Advocaat, de ongenade van Zijne Hoogheid, wiens gedrag ten deze ik niet beoordeele ja wiens misprijzing ik als een grove persoonlijke beleediging zou beschouwen. Ik, jonger en minder in staatszaken gemoeid dan mijn broeder, bekreunde mij weinig aan de heerschende geschillen, en gaf er althans luttel om, op wat wijze verschillende sekten hunnen Heer zochten te dienen. Dan, mijn moeder zaliger was, vooral door de vriendschap, welke zij voor haar Franschen Predikant Uyttenbogaert koesterde, de verdrukte partij genegen en bewees haar al die diensten en hulp, waartoe zij doorhaar invloed en vermogen in staat was gesteld. Om haar te believen, zoowel als uit medelijden, en geenszins omdat ik eenige geneigdheid tot hun leer gevoelde, volgde ik haar voorbeeld en ondersteunde nu en dan de Remonstranten, doch bedektelijk, uit vrees voor mijns broeders ongenoegen. Eindelijk, meer deel aan het staatsbestuur verkrijgende, begon ik er mijn hoofdstudie van te maken, om de verschillende drijfveeren na te sporen van de partijen, welke ons Gemeenebest op een zoo geduchte wijze aan binnenlandsche onlusten ter prooi geven, en nu leerde ik oorzaken en uitwerkselen kennen, welke ik te voren nooit vermoed had. Dan, ik ging verder: ik sloeg een oog in de toekomst, en het verschiet, ’t welk zich voor mij opdeed, was zoo duister en vreesverwekkend, dat ik dadelijk inzag, hoe alleen de uiterste voorzichtigheid en nauwlettendheid in mijn handelingen dien zwarten gezichteinder zou kunnen verhelderen. Ik had de krachten der wederzijdsche partijen leeren kennen en op prijs stellen, en ik had met schrik bemerkt, hoeveel het scheelde, dat de in schijn verplette Aristocratie en Remonstrantschgezindheid ten onder was gebracht: hoe die integendeel met een gunstig gevolg het hoofd weer zou kunnen opheffen, wanneer eens het fiksche brein mijns broeders (wien God nog lang in ’t leven spare) den Staat niet meer bestuurde. Ik beefde terug tegen den tijd, waarin ik, de vermoedelijke opvolger van Z. Hoogheid in ’t Stadhouderlijk bewind, het roer zou moeten aanvaarden van een zoo geschokten en verdeelden Staat, en ik achtte mijn krachten niet geëvenredigd aan de taak, die mij zou kunnen worden opgelegd.

“Het was daarom, dat ik besloot, mijn uiterste pogingen daarheen te leiden, om, tegen den tijd, waarin het bestuur mij werd opgedragen, het Gemeenebest, zooveel in mij was, van ontevredene en twistzoekende geesten te zuiveren: en tot bereiking van dit oogmerk schreef ik mij een weg voor, welke ik tot heden toe zonder afwijkingen bewandeld heb. De partij der Remonstranten openlijk te kiezen, streed zoowel tegen mijn gevoelens als tegen mijn inzichten: van een anderen kant wilde ik haar niet tot radeloosheid gebracht zien, uit vrees eener noodlottige uitbarsting: ik begreep dus in ’t openbaar de Contra-Remonstranten te moeten voorstaan, en in ’t geheim hun tegenstanders zooveel ondersteuning te bieden, als noodig is om hen voor volstrekte armoede en daaruit voortkomende wanhoop te bewaren. Zoolang mijn moeder leefde, werden die giften als uit haren naam uitgedeeld; doch na haar dood zag ik mij verplicht andere middelen te kiezen, om mijn oogmerken te bereiken. Ik openbaarde dus mijn geheim aan eenige weinigen, op wier trouw ik mij, als op de uwe, verlaat. Door hunnen invloed en het door mij verstrekte goud is aan menigen Remonstrant de gelegenheid bewaard gebleven, om op gezette tijden onverhinderd zijn godsdienstoefeningen te blijven houden: de verstandigste onder hun tegenstanders beginnen aan die vergadering zich reeds te gewennen en zelfs de heethoofden achten het onnoodig, die met geweld te verstoren: de haat en vervolgingen beginnen te verflauwen: de bezadigdheid en zucht naar rust winnen hoe langer hoe meer veld: degebannen of afgezette Predikanten zien betere tijden te gemoet, leeren geduld oefenen en zich een onderdrukking getroosten, die niet lang meer duren kan: ja, de Regeering zelve vermindert haar gestrengheid, ziet met oogluiking aan wat zij beletten kon, is minder ijverig in het vastzetten en verbannen, laat zorgeloos haar gevangenen ontsnappen en draalt in hen te achterhalen: in één woord, alles bevestigt mij in ’t denkbeeld, dat de tijd niet ver af is, wanneer haat en tweedracht uit dit Gemeenebest verbannen zullen worden en regenten en burgerij zich weder als voorheen zullen beijveren, om, met aflegging van onderlingen wrok, hun pogingen alleen aan te wenden tot verdediging van den lande en tot beschaming der vijandelijke machten.”

Hier zweeg Frederik Hendrik; maar nog een geruimen tijd bleef hij in dezelfde houding zitten, en zijn groote, vriendelijke oogen, waarin zijn menschlievende en waarlijk edele ziel geheel leesbaar was, flikkerden van tevredenheid over het schoon verschiet, ’t welk hij zich in de toekomst voorspelde.

“Ik bewonder de wijsheid, welke uitblinkt in al de daden Uwer Doorl.,” zeide Ludwig: “hoe gaarne zou ik wenschen, dat de hoop, welke Uwe Doorl. streelt, eenmaal vervuld mocht worden; dan, helaas! daar is, thans, naar mijn oordeel weinig kans op.”

“Hoe dan!” riep de Graaf uit: “wat doet u vreezen?”

“Het nieuwe decreet, dat eerlang genomen zal worden,” antwoordde Ludwig: “waarbij de plakkaten tegen de Arminianen versterking ontvangen: men zegt dat zelfs op het herbergen, ja op het ondersteunen alleen van een Remonstrant, eeuwige ballingschap zal gesteld worden.”

“Wie heeft u die zotheid in ’t hoofd gebracht?” vroeg Frederik Hendrik, veinzende een gezegde in den wind te slaan, dat hem innerlijk verontrustte.

“De commies van den Procureur-Generaal. Het is een zaak, naar men zegt, beklonken tusschen den Heer Raadpensionaris, den Heer Procureur-Generaal, den Heer van Sommelsdyk, en een paar razende Predikanten: ook is mij verhaald, dat daartoe aanleiding gegeven hebben de oproerige en woeste conventikelen, welke onlangs, ja zelfs hier ter stede, onder de Arminianen gehouden zijn.”

“Wat gij zegt!” hernam de Graaf op denzelfden toon als te voren.

“Uwe Doorl. zal aan de uitkomst kunnen beoordeelen, of ik al dan niet waarheid heb gesproken. Dit is zeker, dat er ten huize van een kastelein alhier, wien ik niet noemen mag, wat al te grove dingen gepredikt zijn.”

“Praatjes!” riep Frederik Hendrik met een gemaakten glimlach.

“Ik heb iemand gesproken, die ’t zelf gehoord heeft, den jongen Bleiswyk, die overal met den neus bij is; die heeft het mij verteld.”

“Zoo!—Nu, ik wenschte wel zulk een oproerige vergadering eens bij te wonen. Dat moet er al zonderling toegaan.”

“Niets is gemakkelijker: ik neem aan, Uwe Doorl. naar een bijeenkomst te geleiden, waar niemand haar kennen zal.”

“Ik zou bijkans trek gevoelen om u aan uw woord te houden,”zeide Frederik Hendrik: “indien ik niet begreep aan mijn waardigheid te kort te doen, door uw voorstel aan te nemen.”

“En ik,” zeide Ludwig, met een buiging, “zou Uwe Doorl. sterk aanraden zulks te doen. Het zou Uwe Doorl. voor eeuwig van alle vooringenomenheid met de Arminianen genezen.”

“Wij zullen zien,” hervatte de Graaf, lachende: “doch het wordt mijn tijd. Zijne Hoogheid wacht mij voor de laatste onderhandeling: met de Spaansche gezanten: wellicht hoor ik nog iets van dat nieuwe decreet. Tot wederziens.”—Dit zeggende, wilde hij vertrekken.

“Met verlof!” zeide Ludwig: “Uwe Doorl. weet wel, dat zij den brief der Remonstrantsche Directeuren bij zich gestoken heeft. Zal ik daar geen kopie van houden?”

Zonder te antwoorden, trad de Graaf toe, leide den brief op tafel en vertrok.

Alleen gebleven zijnde, haastte zich de Secretaris, van dien brief een dubbele kopie te maken, waarvan hij de eene bij de papieren zijns meesters voegde, en de andere een geruimen tijd in de hand hield, als besluiteloos, wat er mede te verrichten. Eindelijk rukte hij een verborgen lade uit de schrijftafel, schoof de kopie er haastig in en begon eenige andere schriften en papieren, welke in die lade gelegen waren, te lezen, zonder die er uit te nemen, ze met beide handen vasthoudende, ten einde ze bij de minste stoornis te kunnen inschuiven. Na deze verrichting sloot hij de lade weder en wandelde in hevigen gemoedsangst de kamer op en neder, somtijds de zweetdroppelen afvegende, die langs zijn wangen liepen. “Ben ik geen groote gek?” vroeg hij zichzelven: “en den hond gelijk, die zijn prooi voor den schijn in ’t water vallen liet? En echter, een post als die van Pensionaris!.... of een kop korter!.... kom! kom! ik ben te ver gegaan om kinderachtig te worden.”

Een bode kwam zijn verdere overdenking storen, door hem een onbekende vrouw aan te melden, welke den Heer Secretaris verlangde te spreken.

“Een onbekende vrouw!” mompelde Ludwig: “hm! hm! zeker weder de eene of andere onbestorven Arminiaansche weêuw. Laat zij komen.”

De bode verliet het vertrek en leidde, terugkeerende, een vrouw binnen, van een groote en deftige gestalte, doch geheel onder haar huif bedekt: vervolgens, een stoel gezet hebbende, vertrok hij.

“Wat is er van uw dienst, vrouwtje?” vroeg Ludwig, haar een teeken gevende om te gaan zitten.

“Kent gij mij niet meer, Ludwig?” vroeg de kamenier der Freule Van Sonheuvel, haar huif oplichtende en op hem een vriendelijker blik werpende, dan waarmede zij gewoon was iemand te verwaardigen.

“Moeder!” riep Ludwig, een stap achteruittredende.

“Stil!” hernam Magdalena: “dien naam mag ik niet hooren.... en toch! waarom treedt gij terug op mijn gezicht? waarom vind ik u zoo koud na een zoo lange afwezigheid? Bemint mijn zoon mij niet meer?”

“Kunt gij daaraan twijfelen?” vroeg Ludwig, haar de hand kussende:“doch uw plotselinge verschijning verraste mij:—hoe onvoorzichtig! indien iemand u hier zag....”

“Dan zoudt gij u schamen, nietwaar, dat men u in een vertrouwelijk gesprek zag met de kamenier der Freule Van Sonheuvel?—Zoek u niet te verontschuldigen: ik ken sedert lang dat ijskoud hart, hetwelk zich alleen voor het eigenbelang opent: ik weet, dat gij u zelven tot het eenige doel maakt van al uw wenschen, verwachtingen en handelingen.”

“Integendeel, moeder: ik ben verheugd u zoo wel geplaatst te zien.”

Eene hevige verontwaardiging deed, bij ’t hooren dezer woorden, de kaken van Magdalena gloeien, en haar oogen wierpen vlammende, toornige blikken op haar ongevoeligen zoon. “Ellendige belangzoeker!” zeide zij: “waarover verheugt gij u? Dat de dochter des Graven van Wertheim in den lagen en verachtelijken stand van dienstbode verkeert?—of dat gij, nu zij voor haar onderhoud niet meer bekommerd is, ontslagen zijt van den plicht, die op u rustte, en waarvan gij u altijd zoo slecht gekweten hebt, om haar het dagelijksch brood te schenken? Wee mij! de vloek mijner moeder drukt mij zwaar op ’t hoofd, nu ik door mijn eigen zoon, voor wiens welzijn ik zooveel heb uitgestaan, veracht en verstooten worde.”

“Ik zie geen reden om zoo heftig in drift te geraken,” zeide Ludwig, ongeduldig op zijn pen knauwende: “gij hebt u immers over niets te beklagen? dat gij kamenier zijt geworden is uw eigen verkiezing geweest: dat ik u niet meer geld zond, toen gij nooddruft leedt, is mijn schuld niet: men wist nooit waar gij u bevondt, en ik zelf had niet veel te geven, daar ik de grootste helft mijner verdiensten voor de goede zaak heb opgeofferd. En wat de weldaden betreft, die ik van u zou genoten hebben, ik beken dat ik werk heb, die te ontdekken. Ik ben u weinig verschuldigd, die mij als een basterd de wereld hebt ingestuurd, om een leven vol zorg en kommer te leiden.”

De ongelukkige moeder wilde antwoorden; doch de koude, gevoellooze taal haars zoons deed de stem haar in den gorgel stikken, en voor het eerst, na lange jaren, berstte zij, de hooghartige vrouw, in tranen uit.

“Ween niet, moeder!” zeide Ludwig, haar naderende, schoon zij hem terugstootte: “ween niet en vergeef mij mijn harde woorden: ik zou die nooit gebruikt hebben, zoo uw verwijtingen ze niet hadden uitgelokt. Ween niet en vergeef mij wat ik in drift gezegd heb. Ik weet, dat gij mij bemint en uw zorg mij nooit hebt onttrokken, ook toen ik in vreemde handen mijn opvoeding genoot en mijn eigen loopbaan volgen moest. Laat ik die tranen afdrogen en herken uwen Ludwig nog.”

Welke moeder wederstaat de smeekingen van haar zoon, ook op het oogenblik dat hij haar hart verscheurd heeft? Magdalena weerde den boetwaardige af; doch met mindere strengheid: en zich herstellende, sprak zij:

“Ik dacht, Ludwig! dat ik geen tranen meer had, en echter zieik dat gij die nog kunt doen vlieten. Ondankbare! gij zegt, dat gij mij niets verschuldigd zijt? en wie anders, dan ik, heeft u bij de Gravin van Nassau geplaatst, wier voorspraak u naderhand tot hoogere posten heeft doen geraken? wie anders, dan ik, heeft u, te midden van ketters, voor ’t ware geloof doen leven? wie anders deed u de heilige bestemming erlangen om, in dit vijandig land, de eer te genieten van uwen geloofsgenooten ten dienst te staan? wie zal de eerste oorzaak genoemd worden, dat gij eenmaal, wanneer de dierbare Moederkerk hier zegepraalt, tot de hoogste waardigheden geroepen, den dank van allen zult ontvangen, als de man, aan wien Rome en Spanje het meest verschuldigd zijn!”

“Ik wil u niet weder bedroeven, moeder!” zeide de Secretaris, op den minzaamsten toon; “doch waarlijk, ik beschouw het als zulk een groot geluk niet, dat ik, mijn gansche leven door, de weinig geachte rol van verspieder spelen moet, en hen gedurig bedriegen, die mij de meeste gunst bewijzen.”

“Wijt dit aan de omstandigheden, die ons de list tot plicht hebben voorgeschreven, en niet aan mij,” antwoordde zijn moeder. “Noodzakelijkheid drijft u en mij.”

“Ik stem u dit toe,” zeide Ludwig: “doch,” vervolgde hij met een flauwe stem: “was het ook noodzakelijkheid, toen ik, om aan de bijzondere wraak van Pater Eugenio te voldoen, den jeugdigen Graaf vanFalckestein, den oudsten zoon mijner weldoenster, aan het staal der moordenaren opofferde?”

Magdalena zweeg en zag zuchtende voor zich.

“Was het ook noodzakelijkheid,”vervolgde hij, “dat ik in dit afschuwelijk eedverbond tegen uw meester, den Baron Van Sonheuvel, heb moeten treden, ten gevalle van dienzelfden vervloekten Jezuïet?”

“Zwijg stil om Godes wil,” zeide Magdalena, hem snel de hand op den mond leggende: “gij weet niet wien gij vloekt.”

“Ik weet zeer wel,” hernam hij, “dat ik van eenen, in uw oogen eerwaardigen man spreek, aan wiens leiding en bevelen gij mij gelast hebt, onbepaald gehoor te geven, en die mij eens een plaatsje op het rad aan zijn zijde bezorgen zal. Ik weet wat zijne, en, vergeef mij, wat uwe inzichten zijn. Dan reeds al te lang ben ik hem gehoorzaam geweest, zonder andere vrucht voor mijzelven dan onrust hier,” de hand op het hart leggende, “en vrij twijfelachtige verwachtingen in de toekomst.”

“Onrust!” herhaalde Magdalena verbaasd: “wat kan u ontrusten, wanneer gij voor uw Kerk en uw wettige Vorsten uw plicht volbrengt? of zoudt gij thans, om eenig gewin en zekerheid voor u zelven, de partij, waaraan gij zoolang zijt getrouw geweest, verraden, en een plasdank bij uw kettersche meesters af gaan bedelen?”

“Ik weet het niet,” antwoordde haar zoon, terwijl hij zuchtende de schouders optrok: “Ik kan zelf niet beoordeelen, wat in de tegenwoordige omstandigheden voor mij het beste zou zijn.”

“O!” zeide Magdalena, “die beslissing kan u niet zwaar vallen. Wanneer gij alles met den maatstaf uwer baatzuchtige inzichten afmeet,dan moet gij u haasten, al de opofferingen, welke gij tot heden toe gedaan hebt, al de vruchten van uw tot nog toe verrichten arbeid, als nutteloos en nietig te vergeten en uw geloofsgenooten, met al die tot ons verheven doel werkzaam waren, bij uw meesters te gaan verraden. Want, is de hooge belooning, die Spanje en Rome u schenken zouden, nog onzeker, de bloedprijs voor het overleveren onzer bondgenooten kan u niet ontgaan.”

“Overleg eens ernstig, lieve moeder! in welk geval ik het meest den naam van verrader verdien.”

“Kortzichtige! die uw plicht alleen met de oogen des vleesches beschouwt, en die geen andere vierschaar kent, waar onze daden beoordeeld worden, dan de denkwijze van ’t algemeen. En acht gij dan het misnoegen niet van Hem, wiens wijsheid u tot het heerlijk werk der verlossing heeft verkoren? en acht gij den vloek uwer moeder niet, die op uw schedel dalen zoude, indien uw dagen door afval geteekend werden? Zie deze haren, mijn zoon! die vóór den tijd vergrijsd zijn geworden, zult gij ze met schande bedekken of met eere kronen?—Het hangt van u af, van u alleen. O mijn Ludwig! toen ik u, nog een teedere knaap, uit mijn gezicht verwijderde en in vreemde handen overgaf, toen smeekte ik den Hemel, dat hij in u den held zou kiezen, die te midden der ketters zijn geloofsgenooten dienen mocht. Toen waande ik, verblinde, dat gij eenmaal het werktuig wezen zoudt, dat deze heerlijke, maar verdoolde gewesten onder den staf des eenigen Herders terug moest brengen. Toen streelde een, misschien zondige, hoogmoed mijn ziel, dat ik eenmaal uwen naam als dien van Romes getrouwsten en ijverigsten dienaar zou hooren prijzen. Helaas! hoe fel worde ik gestraft voor dien vermetelen waan! Hoe weinig beantwoordt gij aan de heerlijke vooruitzichten, welke mij uw daden in den beginne beloofden ... dan genoeg! ik lees in het ongeduld, dat zich in al uw trekken vertoont, de bekrompenheid uwer ziel. Welaan dan, ik wil, u ten gevalle, alles uit een bloot menschelijk oogpunt beschouwen: dan nog vordert uw eer, ja uw belang, dat gij niet afwijkt van den eenmaal ingeslagen weg. Want, stel eens, dat gij aan den trotschen dwingeland of aan zijn flauwhartigen broeder onze geheimen verraadt: wat zal dan uw volgend lot wezen? waar zult gij het goud, den prijs uwer schande, gaan verteren? In al die landen, waar het zuivere licht der waarheid straalt, zou uw leven niet veilig zijn, en bij hen, wier kettersche gunst u beloonen moest, zult gij, als een verspieder, veracht en geschuwd worden. Waar gij u zult willen nederzetten, overal zullen vloek, haat en verfoeiing uw deel zijn, en met Kaïns merk op het voorhoofd zult gij, ellendig, vervolgd en ontweken, als banneling op aarde moeten rondzwerven, totdat gij eindelijk met den vloek der wereld beladen, in het graf een schuilplaats zoeken zult, die u nog voor den toorn des Eeuwigen niet bevrijden kan.”

“Na al hetgeen ik reeds gedaan heb,” zeide de geheimschrijver op den bedaardsten toon der wereld, “verdien ik zooveel gestrengheid niet. Wees gerust, moeder! ik zal geen besluit nemen dat u bedroeven zou; doch niemand misprijze het, indien ik mijn dadendoor voorzichtigheid besturen laat. Vergeten wij al het over en weder gezegde, en laten wij voortaan in onze gesprekken geen anderen toon voeren, dan dien, welke onze nauwe betrekking voegt.”

“Dat zal van uw gedragingen afhangen,” zeide Magdalena, en stak hem tot verzoeningsteeken haar hand toe, welke hij kuste. Op dit oogenblik trad de bode binnen en meldde een vreemdeling aan.

“Laat hij een oogenblik vertoeven,” zeide Ludwig.—“Welnu, moeder!” vervolgde hij, na het vertrek des bedienden: “hebt gij nog iets te bevelen? Gij ziet, dat mijn oogenblikken mij niet toebehooren.”

“Dit pakket,” zeide Magdalena, een dik pak uit haar boezem te voorschijn halende, “moet aan den Kanselier bezorgd worden. Het bevat rapporten van onderscheidene geloofsgenooten over den staat van zaken hier te lande.”

“Het zal bezorgd worden,” hernam Ludwig, het pakket aannemende: “ik moet de gezanten toch nog spreken vóór hun vertrek uit Den Haag.”

“En deze brief,” vervolgde zij, “is voor den Veldheer Spinola.”

“Waarschijnlijk van den Ambtman,” hernam hij: “ja, ik herken die hand. ’t Is wel: ik hoop slechts, dat ik hem te zien zal krijgen. Is er nog iets?”

Magdalena beantwoordde deze vraag ontkennend, drukte hem de hand, trok haar falie weder over ’t gezicht en verwijderde zich; waarna Ludwig, de brieven zorgvuldig verborgen hebbende, den bode riep en hem gelastte, den vreemdeling binnen te laten.

“Ik heb daar een zwaren post gehad,” mompelde hij bij zichzelven, terwijl hij het nieuwe bezoek verwachtte; “nu, alles zal afhangen van mijn gesprek met de gezanten. Praatjes helpen niet meer. Ik moet zekerheid hebben!—Wat verlangt UEd.!” vervolgde hij overluid, zich tot een jongeling wendende, die, eenvoudig doch smaakvol gekleed, binnentrad.

“Mijn boodschap was eigenlijk aan Zijne Doorl. in persoon gericht,” zeide de vreemdeling, “doch, daar UEd., naar ik verneme, de vertrouwde geheimschrijver Zijner Doorl. zijt, geloof ik, mij van mijn plicht genoegzaam te kwijten door mijn boodschap aan UEd. te doen.”

“Zooals UEd. verkiest; wat ik ontvang, ontvangt Zijne Doorluchtigheid.”

Terwijl de andere zijn buis ontknoopte om de daarin verborgene papieren voor den dag te halen, en de Secretaris opgerezen was om die te ontvangen, zagen beiden elkander gedurig steelswijze aan; want beiden herinnerden zich, elkander meer gezien te hebben; doch waar en wanneer, dit wisten zij zich niet zoo oogenblikkelijk te binnen te brengen.

“Ik ben uit Den Bosch gekomen,” zeide de onbekende, eenige brieven voor den dag halende.

“Uit Den Bosch,” zeide Ludwig haastig: “ga zitten: schuif wat naderbij, als ’t u belieft. Gij komt toch niet van.... van, gij weet wel wien....” Dit zeggende, zag hij hem scherp in ’t gezicht,als wilde hij de aanvulling van den volzin aan den vreemdeling overlaten, wien hij voor een der medegenooten van Pater Eugenio hield.

“Ja, ik weet zeer wel van wien ik kom,” antwoordde de ander, op een toon, die Ludwigs vermoeden versterkte.

“Van den zwarten vos misschien?” zeide Ludwig, den Jezuïet bedoelende.

“Ik geloof van ja,” antwoordde de vreemdeling, die in den waan verkeerde, dat de geheimschrijver een der verbannen Predikanten bedoelde.

“Ik had mij gevleid,”hernamLudwig, fluisterend, “dat hij zelf hier zou komen snuffelen.”

“Hij zou er wel op passen,” zeide de ander: “hij zou hier slecht ontvangen worden.”

“Als gij denkt, dat hem zulks zoude afschrikken, dan kent gij den Pater niet. Doch, wat mij verwondert,” vervolgde Ludwig, wiens vermoedens op dit oogenblik tot zekerheid oversloegen, “is dat hij den pleegzoon van den Baron Van Sonheuvel tot zijn zendeling uitkipt.”

“Met uw verlof,” zeide Joan, die van zijn kant den geheimschrijver herkende: “ik heb wel eens zendelingen zien uitkiezen, waarop men minder reden had van te vertrouwen.... ik geloof, dat ik vroeger de eer had, u te ontmoeten.”

“Verheugd u weer te zien,” zeide Ludwig, zich buigende: “doch hoe duivel komt Pater Eugenio....? ik vat er niets van.”

“Gij kent Pater Eugenio?” hernam Joan verbaasd: “doch waarover verwonder ik mij? Nu ik mij wel herinner, uw brief indertijd aan Klaas Meinertz gezonden.... de kennis, die gij aan mijn geboorte hadt.... ik geloof, dat u meer zaken bekend zijn, dan menig ander.”

“Ik ken Don Diego de Velasco, en dit moet u genoeg zijn om mij al die berichten mede te deelen, welke gij geraden oordeelt.”

“Is mijn nieuwe naam reeds herwaarts overgewaaid?” vroeg Joan: “doch gij kendet dien sedert lang. Welnu, mijn boodschap is zeer eenvoudig en zal geen lang betoog behoeven. Dit pakket vervat ettelijke brieven, alsook een paar handschriften van de Remonstrantsche ballingen, die zich thans in Brabant bevinden, en aan Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik toegezonden, om daarmede naar goedvinden te handelen. Gemelde Heeren waren van oordeel, dat niets de oprechtheid hunner bedoelingen meer zou aantoonen, dan wanneer zij hun zaak in handen stelden van zulk een voornamen en onpartijdigen Vorst als Zijne Doorluchtigheid.”

“Aha!” zeide Ludwig: “gij komt dus van de Remonstrantsche Heeren? dat verandert de zaak; ofschoon het mij verwondert, dat de kweekeling van Ds. Raesfelt zich met Arminianen ophoudt.”

“Het was het verlangen van Don Louis,” antwoordde Joan, wiens ronde oprechtheid geen strikvragen vermoeden kon, “het was het verlangen mijns ooms, aan wiens tafel ik den Heer De Groot en diens vrienden ontmoette, dat ik mij met de waarneming hunner belangen zou ophouden en mij op die wijze tot een mogelijke herstelling der rust laten gebruiken. Terwijl de Gezanten des Koningsvan Spanje met Prins Maurits aan een vredesverdrag werkzaam zijn, zou ik het mij tot een waar genoegen rekenen, hier den binnenlandschen krijg te helpen smoren.”

“Gij zijt dus met de Gezanten gekomen?—En hoe komt het dan, dat ik u thans eerst hier zie?”

“Eerst gisteren kwam ik hier. Ik heb zoolang in Den Bosch gewacht tot deze brieven vaardig waren. Doch ik heb ook een mondelinge boodschap aan Z. D. Wanneer zou ik bij Haar kunnen worden toegelaten?”

“Zoo! hebt gij een mondelinge boodschap?—Ja, heden zal er moeilijk kans voor u zijn, die af te leggen. Wanneer vertrekt gij?”

“Morgenmiddag naar alle gedachten, met de Heeren van het Gezantschap.”

“Welnu! keer dan morgenochtend te negen uren hier terug, en ik zal Z. D. van uw komst verwittigen; maar wees zoo goed, dit papier weder bij u te steken: ik heb liever, dat gij het in eigen persoon aan Z. D. overhandigt. Ik ben om goede reden een weinig huiverig, om mij met een dusdanige commissie te belasten.”

“Zooals gij verkiest,” hernam Joan, het pakket weder bij zich stekende: “gij zegt dan, morgenochtend....”

“Te negen uren. Vaar intusschen wel, Heer Gezant.”

“Ik heb de eer u te groeten, Heer Secretaris!” zeide Joan en vertrok.

“Morgenochtend te negen uren!” herhaalde Ludwig, zoodra hij alleen was. “Tegen dien tijd zit gij, waar men u zoo licht niet vandaan laat vliegen. De haas is in den strik geloopen, waar hem niets uit redden zal. Was nu Eugenio maar hier.... dan kom! heb ik geen eigen genie genoeg om thans den weg te zien, dien ik volgen moet? Spoedig de brieven aan de Gezanten bezorgd en dan.... Doorluchtig Broederpaar, gij zult mij al te slim zijn, indien ik hier niet voor morgen een Thebaïs van tweedracht en vijandschap verwek.”

1Cats.

1Cats.


Back to IndexNext