Een-en-dertigste Hoofdstuk.ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd!Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.Langendyk, de Zwetser.Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, waren ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor ’t meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, dan diegenen,waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed niet gezien, daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, welke de aanstaande bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en looverkransen te versieren. De goede smaak van Magdalena zat bij deze verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun gedane aanwijzingen naar eisch te volgen: allen beminden en eerden Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den omgang telken reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters te doen had) droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, te stram en te zwak om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, welke wij in hem vanouds gekend hebben, rondwandelde om zijn hoogwijs advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven.Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, welke men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat in een stoel wierp.“Wie nun!” zeide Beckman: “bist du nicht froh, kamrad nun deiner fraulein heiratht?”“Vroolijk,” zeide Bouke: “ja men is niet vroolijk of men moet er reden voor hebben; men ziet aan ’t been waar de hoos gescheurd is en het dofferken zingt niet als ’t gaiken gevaên is.... Wie had het ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat gesloten en de kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard had, dat zij eens haar verloving vieren zou, daar Joan in een erger gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen aankomt. Wel zegt het spreekwoord: een bruidskrans, een blinddoek.”“Het verwondert mij, Bouke,” merkte Magdalena met scherpheid aan, dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, dat gij er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, die....”“Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd werd,” zeide Bouke: “wat basterd?—wat liederlijk?—Er leeft geen beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik laat mij villen, als ik niet met den middag naar zijn gevangenis toega en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en pijpen en zingen, zooveel ge wilt.”“Ga in vrede,” zeide Magdalena: “niemand zal uw ijzegrimmen gezicht hier missen.”“Neen!” hernam Bouke: “dat zullen ze net niet, vooral als uw effen tronie hun overblijft.”“Waaraftig!” zeide Feurich: “Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs oder sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän.”“Een beste Jonker!” voegde Gheryt Maessen er bij: “zoo gul en goedhartig! ik ’loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen den Heer Baron in ’t zin had.”“Dat gelooft de Baron ook niet meer,” zeide Bouke, “en Z.Ed. zal er met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie weet of de Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt.”Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de zaal voorstellen, nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn beste staatsiekleederen uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte toebereidselen. “Jammer maar!” zeide hij, terwijl hij zich in de handen wreef, “dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel en aarde bewegen om hem op het trouwfeest te krijgen.”“Daar zal UEd. wel aan doen,” zeide Bouke, die zich op dat oogenblik alleen met zijn meester bevond: “ik ga hem straks opzoeken; heeft UEd. hem ook wat te zeggen?”“Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader vermoord heb!—Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld vrij zal pleiten, en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die ’t wel betalen zal.”“Ik zal ’t alles overbrengen, zooals UEd. ’t zegt,” zeide Bouke.“Maar van wat anders: is de bruid al op?”“Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier noemen,” zeide Bouke: “alweer een nieuwe uitvinding: om de menschen op te bellen of het schapen waren!”“De gasten zullen niet lang meer toeven,” hernam de Baron: “mij dunkt, ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. Hoe zoo bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een bruiloft mede.”“Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes doorgebracht,” antwoordde Raesfelt. “Het was met mij als de Psalmist zegt, Ps. 77:Al hebb’ ik van gantscher hertenGebeden in anghst en smerten,Soo blijft doch mijn hert eenpaerVol benauwtheit en anghst swaer.Ik bid u, Heer Baron!” vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak halende: “zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving gelijk beloofd was en gehoopt werd?”“Ten minste ik weet niet beter dan ja,” antwoordde de Baron “doch waartoe deze vraag?”“Ik had.... ik wilde aan Z. H. overhandigen.... deze.... dit....” mompelde de Predikant, zijn papier openvouwende.“Wat drommel is dat?” vroeg de Baron, lachende: “denkt ge aan Z. H. een geheele preek voor te lezen?”“Het is geen preek, het is....”“Een gedicht misschien op het jonge paar?—Nu, dat verwachtten wij ook.”“Met uw verlof, het is een smeekschrift,” hernam de Predikant, angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand de gewone en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij het ging voordragen.“Zoo! een smeekschrift,” zeide de Baron, hem het woord afnemende: “en wat hamer hebt gij toch te smeeken?”“Mijn zoon,” zuchtte de beklagenswaardige Predikant: “mijn Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen voor den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt in den tweeden Psalm:Laat ons breken met eenZijn banden al, daer med’ sy ons verstricken.”“Uw zoon! mijn goede Hendrik! ’t is waar.... nu, wij willen het beste hopen.”“Ach!” zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem verlossen?”“Mij dunkt,” zeide Reede, “dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... doch ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even zien of de bruid al op is.” Dit zeggende liep hij de zaal uit.“Wat lang?” zeide Dominee: “mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen er in moet staan.—Laat ons zien,” vervolgde hij, bij zich zelven, het stuk nogmaals met luider stemme overlezende: “wat zou daaruit kunnen genomen worden: geen spreuk, geen tekst, geen woord? Heb ik er dan vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?”Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde zich zoo volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, dat hij met de woorden:“handelt sachtkens met den jongelingh, met Absalom,” welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken eener diepe buiging overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het stuk met een verbaasde houding aannam en inzag.“Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige enverraderlijke ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, Dominee! wat meent ge daarmet?” en de Heer Van Botbergen (want deze was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek.“O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!” zeide de Predikant onthutst en verlegen: “ik was verstrooid van gedachten: UEd. is zeker heden of gisteren alhier aangekomen.”“Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren,” hervatte Elbert: “doch wat moet deze schriftuur?”“Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd,” zeide Raesfelt: “doch daar UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk wel met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is.”“Hm! hm!” zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: “wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend: eilieve! waar handelt het eigenlijk over?”“Mij dunkt,” zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder terugnemende, “die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk gelezen heeft.”Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en niet lang daarna ook de Ambtman, op ’t kostelijkst als bruidegom uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks onopgemerkt doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in ’t oor: “welnu?”“Alles is in gereedheid,” antwoordde deze: “Zondag over veertien dagen maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; onze vrienden zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af.”“Uitmuntend!” zeide Mom; “welnu, Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot het gezelschap wendende: “wat nieuws is er vandaag? Mijnheer Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te verhalen.—Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd dan gewoonlijk.”“Ik heb dezen nacht slecht gerust,” antwoordde Bleiswyk.“Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon,” merkte Mom aan met een spotachtigen glimlach; “doch waar of mijn goede aanstaande schoonvader blijven mag?”“ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn,” zeide Bleiswyk: “ik heb zelf, toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in het spreekvertrek gezien met den Fiskaal.”“Den Fiskaal,” herhaalde Botbergen, verschrikt.“Welnu ja, den Fiskaal!” zeide Mom, zich met een hoogmoediger blik naar hem omwendende: “heeft uw heldhaftigheid iets met Z.-Ed.-Gest. uitstaande?”“De Heer Fiskaal,” zeide een der gasten, “is, naar ik hoor, gisteren den geheelen dag in touw geweest.”“Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen,” zeide een ander.“Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen ongenaakbaar,” zeide een der gasten, op den schroomvalligentoon van iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen.“Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt,” mompelde een ander.“Ontsnapt!” herhaalde de Predikant: “UEd. gelieve....”“Ei wat!” zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde met de voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: “wat beduidt al dat gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten haarklein kunnen vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet.”—Dit zeggende, sloeg hij zich de hand voor den mond.“Stilte, Mijne Heeren!” zeide een der gasten: “daar is Hare Genade.”De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan de hand geleidende en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als de aanstaande bruid zagen bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat beiden geweend hadden. De Gravin had den nacht slapeloos doorgebracht en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der kinderkleertjes, welke haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste herinneringen opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij anders zou betoond hebben.Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij vrijwillig en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, noodlottig toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt, verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar liefde volkomen waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw bleef houden;—maar thans, nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche wenken, welke haar voedsterbroeder tegen Mom gedaan had, haar met hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, die haar twee dagen te voren van een dreigend gevaar verlost had, zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te zeer partijdige liefde voor den verwijderden—koele onverschilligheid voor den begunstigden—minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, na een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel uit haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door den Ambtman te huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, ’t welk zij bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was in staat geweest, haar het opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te doen opvatten, zich gedurende de verlovingsdagen zoodanigte gedragen, dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag ontevreden te zijn.“Welkom, mijn beminde bruid!” zeide Mom, tot haar toetredende en haar de hand kussende: “doch hoe! gij schijnt geweend te hebben.”“Daar moet gij zoo nauw niet op zien,” viel de Baron, die met den Fiskaal binnen was getreden, hem in: “dat doen de meisjes altijd den nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te kunnen lachen.”“Juist,” zeide Bleiswyk: “en hoe zouden wij anders bruidstraantjes kunnen schenken?”“De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede,” zeide de Baron, zich tot de Gravin wendende: “de Prinsen komen niet!”“Wat heb ik gezegd?” vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon zij eigenlijk niets gezegd hadden.“Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal bewust?” vroeg Mom, naar hem toetredende.“Die zal zich misschien nader ontwikkelen,” zeide Van Kinschot met een koele buiging: “Heer van Bleiswyk! een woord als ’t u belieft.”“Tot UEd. dienst,” zeide deze, met hem ter zijde gaande.“Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen,” beet hem de Fiskaal in ’t oor: “of het zal u duur te staan komen.”“Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?” zeide de Jonker halfluid, terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: “doch er zijn er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk....”“Zwijg!” viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: “zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of....”—Hier hield hij den vinger dreigend op, en een buiging in ’t rond gemaakt hebbende, wilde hij vertrekken.“Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!” zeide de Gravin, hem terughoudende: “die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron....”“Vergeef mij,” zeide Van Kinschot: “doch ik heb bezigheden, welke mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer hebben,” vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, “mijn gelukwenschingen aan den Heer Baron te komen doen.”—Dit zeggende nam hij zijn afscheid.“Wat heeft dit alles toch te beduiden?” zeide een der aanwezigen: “de Fiskaal is zoo raadselachtig.”“Hij heeft dezen nacht slecht geslapen,” zeide Bleiswyk: “doch mondje dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten.”Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in.“Alweer wat anders!” zeide deze: “ja! ja! groote visschen springen uit den ketel! ’t vogelken is ontsnapt!”“Ontsnapt!” herhaalde de Baron verbaasd. “Is Joan....”“Nergens te vinden!” vervolgde Bouke: “ja! het is tegenwoordig een kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat is nog niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen,die hier ook op ’t feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal gauw genoeg komen.”“Wien bedoelt gij?” vroeg de Baron, rondziende: “al de gasten die wij verwachten, zijn gekomen.”“Nu! nu!” zeide Bouke: “late haver komt ook op: hoe later op den dag, hoe schooner volk: ’t einde zal den last dragen.”“O! het is onze Notaris!” zeide de Gravin, die den Practicus de zaal met een deftigen stap zag binnentreden.“Jawel morgen de Notaris,” zeide Bouke meesmuilende: “doch ik zwijg; maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!” Dit zeggende, verliet hij opnieuw het vertrek.“Kom!” zeide Reede: “laat ons nu aan niets anders denken dan aan de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris niet laten wachten.”“Een aangenaam woord,” zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de tafel geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: “ja waarlijk, thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden.”Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de gewone clausule gekomen: “met wederzijdsche toestemming van ouders en bloedverwanten,” of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een zachte, doch doordringende stem: “ik heb de mijne nog niet gegeven.”“Wie? wat? wat is dat?” riepen al de aanwezigen als uit éénen mond, en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door Bouke binnengeleid.“Ik Godard van Reede van Sonheuvel,” hernam de onbekende, “heb mijn toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter.”“Met welk recht....?” riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad hij ontzet achteruit.“Met uw verlof, oom!” zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: “vervat dit stuk papier uw toestemming niet?”“Die was slechts voorwaardelijk,” hernam de Vicaris: “indien de Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig te maken.”“Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd,” zeide Reede.“Beloofd?” herhaalde Vader Ambrosius: “Heer Ambtman! durft gij in mijn tegenwoordigheid die belofte herhalen?—Bedenk u wel! en luister naar hetgeen ik u vraag.—Hebt gij het voornemen, van Ulrica’s geluk door dezen echt, indezeomstandigheden te bevorderen?”“Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken,” zeide Mom, met zichtbare verlegenheid.“Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen.”“Nu.... ja!” antwoordde Mom.“Doch kunt gij dit?”’ hernam de Vicaris: “zijt gij niet overtuigd, dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?”“Voor den duivel!” riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: “wat meent gij daarmede?”“Mijnheer!” zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: “ik moet u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te vermijden. De Heer Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen betrekking van bloedverwantschap, geen gezag u het recht geven tot zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen toegejuichte echtverbintenis op een zoo onhebbelijke wijze te komen storen?”“Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig voorkomen,” zeide Ambrosius.“Ik heb in mijn leven zooveelincidentenniet bijgewoond,” zeide Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende.“Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning,” vervolgde de Vicaris, met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: “doch ik moet hier mijn plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag nog niet beantwoord.”Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en met wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe.“Mag ik u,” vroeg hij met een bevende stem, “om een oogenblik onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk zullen afhandelen.”“Een redelijke vraag sla ik niet af,” antwoordde Ambrosius, zich naar een venster begevende: “welke opheldering verlangt gij?”“Wat is uw doel?” vroeg Mom zacht en schielijk: “waarom mij dus tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten doe?”“Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken,” antwoordde de Vicaris: “doch geen landverrader mag zich met ons geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica afstand gedaan; dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik; doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo maak ik alles bekend.”“En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal opnemen?’”“Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders overlevert.”“Is uw besluit onherroepelijk?”“Onherroepelijk.”“Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen, u....”“Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke openbaringen zou kunnen geven.”“In ’s duivels naam dan,” zeide Mom, zich van hem afwendende. “Heer Baron!” vervolgde hij luid: “het spijt mij; doch ik vind uw schoonvader hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid in een betere luim is. Kom, Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet tot voorwerp van spot aan de Haagsche Jonkers te verstrekken.”Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van te vertrekken; dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun verbaasdheid waren teruggekomen, was de Fiskaal Van Kinschot binnen.“Jonkheer Jacob Mom,” zeide deze, naar hem toetredende: “gij zijt mijn gevangene.”“Bewaar ons!” zeide Bleiswyk: “wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het tegenwoordig volhandig!”“Alle duivels!” mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende, dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een venster uit dat openstond, en nam de vlucht.“Gevangen!” riep Mom, die als versteend bleef staan.“Gevangen!” herhaalden al de aanwezigen: “is het mogelijk!”“Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!” brulde de Ambtman, eensklaps als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten vuist den Vicaris dreigende: “doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan.”“Dat is mijn werk niet,” zeide Pater Ambrosius met koelheid: “had ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid hier ware overbodig geweest.”“Nietwaar?” grauwde hem de Ambtman toe: “Mijnheer Van Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich Vicaris-Generaal in de Nederlanden....”“Zoo noemde hij zich,” hernam de grijsaard: “thans heet hij eenvoudig Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.,” vervolgde hij, zich tot den Fiskaal wendende, “echter begrijpt, dat ik hier in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd, dat ik niet zal trachten te ontsnappen.”“Zeer gelukkig,” zeide Bleiswyk: “er zijn er ook genoeg ontsnapt in de laatste dagen.”“Mag men niet weten,” vroeg de Gravin, “waarvan de Heer Ambtman beschuldigd wordt?”“Van hoogverraad, Mevrouw!” antwoordde Van Kinschot: “Mijn Heeren!” vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: “leidt uwen gevangene weg.”“Arme! lieve Ulrica!” zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel nederzat: “had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten einde zoude loopen? Kom,” vervolgde zij, haar onderden arm nemende: “verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom zijn.”Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde.Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd, nog zichtbaar waren: hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende een opgeruimdheid, welke aan het scherpziend oog van Bleiswyk niet verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand tusschen beide broeders was opgehelderd.“Ik bid u om verschooning,” zeide Prins Maurits, zich tot de huisgenooten wendende, “zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen, nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen, zoo kan ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw dochter van den rand des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar zou gestort hebben. Weet, dat ik zooeven de duidelijkste bewijzen ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde van het Bestand de stad Tiel in de handen des Spanjaards te leveren.”“Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is,” zeide Reede.“Wel is het, als de Psalmist zegt,” zeide Raesfelt, “Ps. 76:Gy sult ombrengen ’t gansche rotDer woedende boosdaders quaet.“Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst,” hernam de Prins. “Er is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende de gevormde samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan, welke hij in dit geëerd gezelschap, en nergens anders, verlangt aan ’t licht te brengen.”“Nog meer ontdekkingen?” zeide Bleiswyk bij zich zelven: “welk een heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud.”Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch, om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren, is het noodig, dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen.Twee-en-dertigste Hoofdstuk.Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikkenWat kan ik, hoe ’t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?Bilderdyk, Floris de Vijfde.Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem, na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren, plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier, ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en eenvulgata. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes, een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man, die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste, om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen, kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven, zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een der binnenhaar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch, zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.“Gij ziet mij reeds terug, Pater!” zeide Ludwig: “alles heeft een spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!”“Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld,” zeide Eugenio, wien onze lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen herkend hebben: “ik ben zeer over u voldaan.”“Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?”“Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?”“Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!” zeide Ludwig, zich op een stoel werpende.“Uw taal bevreemdt mij,” zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende, dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: “doch ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?”—Dit zeggende, plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat het antwoord des jongelings af.“Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?” riep Ludwig uit, weder opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende: “Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?”“Hmm!” bromde de Jezuïet: “uw meester is de Koning van Spanje.”“De Koning van Spanje!” herhaalde Ludwig: “heeft de Koning van Spanje mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?”“Gij zijt een gek,” zeide Eugenio, “na al hetgeen gij verricht hebt, zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken, waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk, kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in de haven overboord zoude werpen.”“Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht,” zeide Ludwig, met een diepen zucht: “dan zou het bloed van den jongen Graaf van Falckestein niet op mijn hoofd wegen.”“Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,” bromde Eugenio.“Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb, mijn boezem niet drukken,” vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld.“Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd,” merkte de Jezuïet, aan.“Dan zou ik,” vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden van den Pater, “mij niet te verwijten hebben, op een lagewijze het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd.”“Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft.”Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den Jezuïet. “Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen, dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw.”“Die slavernij houdt voortaan op,” zeide Eugenio: “eens ons doel bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren vergoeden.”“En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?” vroeg Ludwig.“Ik heb u reeds gezegd,” hernam Eugenio, “dat uw zonden u vergeven zijn. Wat kan u dan nog kwellen?”“Al genoeg,” zeide de geheimschrijver, “al genoeg heb ik de afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend, om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug.”“Er is niets dwazer,” zeide Eugenio, met de uiterste koelheid, “dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen, dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig, uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij, Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn; in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen, tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel beleid en trouw vervuld, ja, ’t welk gij ten einde gebracht hebt. Na gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt, ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen, welke gij verlangen zult.”Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogenhoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele moeite en opofferingen smaken zoude. “En zoudt gij,” vervolgde hij, “dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen, maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits’ hart doorboren zal—en waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich in dit land uitdrukt, uw koetjes op ’t droge, eer de overstrooming hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop gij bij deeling wettige aanspraak hadt.”De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de straffen der hel, welke hij, in weerwil van ’s Paters geruststellende woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd; zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten hebben, toen Eugenio hem, opden welbekenden strengen toon, aan welken bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk der deur niet.“Wat gaat gij doen?” vroeg Eugenio.Ludwig zweeg.“Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan hem verklappen.”Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.“Hoe edel! hoe aandoenlijk!” zeide Eugenio, met een bitteren glimlach: “gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands prijsgeven.—Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal.”Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.“En denkt gij,” vervolgde Eugenio, “dat deze trage bekentenis u baten zal?—Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?—Neen! neen! wij zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen.”De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan, die al zijn leden beven deed.“Doch ik zie al,” zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, “dat gij wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik heb u lief,” vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, “anders ware het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u, eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen, uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een goede nachtrust zult gij geheel anders denken.”“Misschien,” zeide Ludwig, oprijzende: “ik zal ’t beproeven; doch hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; ’t is of ik stikken zal.”—Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.“Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt: doch beloof mij thans te gaan slapen.”“Ik beloof het u,” hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het vertrek op en neder liep: “nog meer, ik beloof u, dat wat er ook geschiede, ik u niet betichten zal.”“Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teugwijns zal u goeddoen”—Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee glazen terug.Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden, door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude, en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank redde de Nederlanden.“Hier,” zeide hij, terwijl hij inschonk: “drink Ludwig!damus vinum his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius,1gelijk devulgatazegt.”Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.“Die wijn is vergiftigd!” riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken blik aanziende.“Zoo! de wijn is bedorven,” zeide Eugenio, en goot haastig het glas ledig.“Dat zal ik gaan onderzoeken,” hernam Ludwig, en, de kan van de tafel nemende, wilde hij vertrekken.“Sta!” riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende: “niet van uw plaats. Hoor mij eerst!”Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in ’t gezicht, dat het bloed hem uit neus en mond sprong.Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover: hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag, de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof.“Wie daar?” vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.“Ik ben de Secretaris van Z. D.”, gaf deze ten antwoord.“Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo dadelijk te spreken.”“Ha! welkom!” riep de jongeling: “ik ook, ik moet Zijn Hoogheid spreken!—Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!”1Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.
Een-en-dertigste Hoofdstuk.ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd!Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.Langendyk, de Zwetser.Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, waren ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor ’t meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, dan diegenen,waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed niet gezien, daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, welke de aanstaande bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en looverkransen te versieren. De goede smaak van Magdalena zat bij deze verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun gedane aanwijzingen naar eisch te volgen: allen beminden en eerden Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den omgang telken reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters te doen had) droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, te stram en te zwak om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, welke wij in hem vanouds gekend hebben, rondwandelde om zijn hoogwijs advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven.Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, welke men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat in een stoel wierp.“Wie nun!” zeide Beckman: “bist du nicht froh, kamrad nun deiner fraulein heiratht?”“Vroolijk,” zeide Bouke: “ja men is niet vroolijk of men moet er reden voor hebben; men ziet aan ’t been waar de hoos gescheurd is en het dofferken zingt niet als ’t gaiken gevaên is.... Wie had het ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat gesloten en de kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard had, dat zij eens haar verloving vieren zou, daar Joan in een erger gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen aankomt. Wel zegt het spreekwoord: een bruidskrans, een blinddoek.”“Het verwondert mij, Bouke,” merkte Magdalena met scherpheid aan, dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, dat gij er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, die....”“Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd werd,” zeide Bouke: “wat basterd?—wat liederlijk?—Er leeft geen beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik laat mij villen, als ik niet met den middag naar zijn gevangenis toega en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en pijpen en zingen, zooveel ge wilt.”“Ga in vrede,” zeide Magdalena: “niemand zal uw ijzegrimmen gezicht hier missen.”“Neen!” hernam Bouke: “dat zullen ze net niet, vooral als uw effen tronie hun overblijft.”“Waaraftig!” zeide Feurich: “Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs oder sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän.”“Een beste Jonker!” voegde Gheryt Maessen er bij: “zoo gul en goedhartig! ik ’loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen den Heer Baron in ’t zin had.”“Dat gelooft de Baron ook niet meer,” zeide Bouke, “en Z.Ed. zal er met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie weet of de Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt.”Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de zaal voorstellen, nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn beste staatsiekleederen uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte toebereidselen. “Jammer maar!” zeide hij, terwijl hij zich in de handen wreef, “dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel en aarde bewegen om hem op het trouwfeest te krijgen.”“Daar zal UEd. wel aan doen,” zeide Bouke, die zich op dat oogenblik alleen met zijn meester bevond: “ik ga hem straks opzoeken; heeft UEd. hem ook wat te zeggen?”“Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader vermoord heb!—Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld vrij zal pleiten, en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die ’t wel betalen zal.”“Ik zal ’t alles overbrengen, zooals UEd. ’t zegt,” zeide Bouke.“Maar van wat anders: is de bruid al op?”“Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier noemen,” zeide Bouke: “alweer een nieuwe uitvinding: om de menschen op te bellen of het schapen waren!”“De gasten zullen niet lang meer toeven,” hernam de Baron: “mij dunkt, ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. Hoe zoo bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een bruiloft mede.”“Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes doorgebracht,” antwoordde Raesfelt. “Het was met mij als de Psalmist zegt, Ps. 77:Al hebb’ ik van gantscher hertenGebeden in anghst en smerten,Soo blijft doch mijn hert eenpaerVol benauwtheit en anghst swaer.Ik bid u, Heer Baron!” vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak halende: “zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving gelijk beloofd was en gehoopt werd?”“Ten minste ik weet niet beter dan ja,” antwoordde de Baron “doch waartoe deze vraag?”“Ik had.... ik wilde aan Z. H. overhandigen.... deze.... dit....” mompelde de Predikant, zijn papier openvouwende.“Wat drommel is dat?” vroeg de Baron, lachende: “denkt ge aan Z. H. een geheele preek voor te lezen?”“Het is geen preek, het is....”“Een gedicht misschien op het jonge paar?—Nu, dat verwachtten wij ook.”“Met uw verlof, het is een smeekschrift,” hernam de Predikant, angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand de gewone en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij het ging voordragen.“Zoo! een smeekschrift,” zeide de Baron, hem het woord afnemende: “en wat hamer hebt gij toch te smeeken?”“Mijn zoon,” zuchtte de beklagenswaardige Predikant: “mijn Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen voor den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt in den tweeden Psalm:Laat ons breken met eenZijn banden al, daer med’ sy ons verstricken.”“Uw zoon! mijn goede Hendrik! ’t is waar.... nu, wij willen het beste hopen.”“Ach!” zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem verlossen?”“Mij dunkt,” zeide Reede, “dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... doch ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even zien of de bruid al op is.” Dit zeggende liep hij de zaal uit.“Wat lang?” zeide Dominee: “mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen er in moet staan.—Laat ons zien,” vervolgde hij, bij zich zelven, het stuk nogmaals met luider stemme overlezende: “wat zou daaruit kunnen genomen worden: geen spreuk, geen tekst, geen woord? Heb ik er dan vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?”Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde zich zoo volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, dat hij met de woorden:“handelt sachtkens met den jongelingh, met Absalom,” welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken eener diepe buiging overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het stuk met een verbaasde houding aannam en inzag.“Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige enverraderlijke ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, Dominee! wat meent ge daarmet?” en de Heer Van Botbergen (want deze was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek.“O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!” zeide de Predikant onthutst en verlegen: “ik was verstrooid van gedachten: UEd. is zeker heden of gisteren alhier aangekomen.”“Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren,” hervatte Elbert: “doch wat moet deze schriftuur?”“Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd,” zeide Raesfelt: “doch daar UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk wel met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is.”“Hm! hm!” zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: “wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend: eilieve! waar handelt het eigenlijk over?”“Mij dunkt,” zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder terugnemende, “die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk gelezen heeft.”Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en niet lang daarna ook de Ambtman, op ’t kostelijkst als bruidegom uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks onopgemerkt doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in ’t oor: “welnu?”“Alles is in gereedheid,” antwoordde deze: “Zondag over veertien dagen maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; onze vrienden zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af.”“Uitmuntend!” zeide Mom; “welnu, Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot het gezelschap wendende: “wat nieuws is er vandaag? Mijnheer Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te verhalen.—Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd dan gewoonlijk.”“Ik heb dezen nacht slecht gerust,” antwoordde Bleiswyk.“Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon,” merkte Mom aan met een spotachtigen glimlach; “doch waar of mijn goede aanstaande schoonvader blijven mag?”“ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn,” zeide Bleiswyk: “ik heb zelf, toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in het spreekvertrek gezien met den Fiskaal.”“Den Fiskaal,” herhaalde Botbergen, verschrikt.“Welnu ja, den Fiskaal!” zeide Mom, zich met een hoogmoediger blik naar hem omwendende: “heeft uw heldhaftigheid iets met Z.-Ed.-Gest. uitstaande?”“De Heer Fiskaal,” zeide een der gasten, “is, naar ik hoor, gisteren den geheelen dag in touw geweest.”“Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen,” zeide een ander.“Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen ongenaakbaar,” zeide een der gasten, op den schroomvalligentoon van iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen.“Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt,” mompelde een ander.“Ontsnapt!” herhaalde de Predikant: “UEd. gelieve....”“Ei wat!” zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde met de voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: “wat beduidt al dat gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten haarklein kunnen vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet.”—Dit zeggende, sloeg hij zich de hand voor den mond.“Stilte, Mijne Heeren!” zeide een der gasten: “daar is Hare Genade.”De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan de hand geleidende en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als de aanstaande bruid zagen bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat beiden geweend hadden. De Gravin had den nacht slapeloos doorgebracht en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der kinderkleertjes, welke haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste herinneringen opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij anders zou betoond hebben.Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij vrijwillig en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, noodlottig toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt, verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar liefde volkomen waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw bleef houden;—maar thans, nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche wenken, welke haar voedsterbroeder tegen Mom gedaan had, haar met hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, die haar twee dagen te voren van een dreigend gevaar verlost had, zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te zeer partijdige liefde voor den verwijderden—koele onverschilligheid voor den begunstigden—minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, na een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel uit haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door den Ambtman te huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, ’t welk zij bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was in staat geweest, haar het opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te doen opvatten, zich gedurende de verlovingsdagen zoodanigte gedragen, dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag ontevreden te zijn.“Welkom, mijn beminde bruid!” zeide Mom, tot haar toetredende en haar de hand kussende: “doch hoe! gij schijnt geweend te hebben.”“Daar moet gij zoo nauw niet op zien,” viel de Baron, die met den Fiskaal binnen was getreden, hem in: “dat doen de meisjes altijd den nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te kunnen lachen.”“Juist,” zeide Bleiswyk: “en hoe zouden wij anders bruidstraantjes kunnen schenken?”“De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede,” zeide de Baron, zich tot de Gravin wendende: “de Prinsen komen niet!”“Wat heb ik gezegd?” vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon zij eigenlijk niets gezegd hadden.“Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal bewust?” vroeg Mom, naar hem toetredende.“Die zal zich misschien nader ontwikkelen,” zeide Van Kinschot met een koele buiging: “Heer van Bleiswyk! een woord als ’t u belieft.”“Tot UEd. dienst,” zeide deze, met hem ter zijde gaande.“Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen,” beet hem de Fiskaal in ’t oor: “of het zal u duur te staan komen.”“Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?” zeide de Jonker halfluid, terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: “doch er zijn er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk....”“Zwijg!” viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: “zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of....”—Hier hield hij den vinger dreigend op, en een buiging in ’t rond gemaakt hebbende, wilde hij vertrekken.“Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!” zeide de Gravin, hem terughoudende: “die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron....”“Vergeef mij,” zeide Van Kinschot: “doch ik heb bezigheden, welke mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer hebben,” vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, “mijn gelukwenschingen aan den Heer Baron te komen doen.”—Dit zeggende nam hij zijn afscheid.“Wat heeft dit alles toch te beduiden?” zeide een der aanwezigen: “de Fiskaal is zoo raadselachtig.”“Hij heeft dezen nacht slecht geslapen,” zeide Bleiswyk: “doch mondje dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten.”Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in.“Alweer wat anders!” zeide deze: “ja! ja! groote visschen springen uit den ketel! ’t vogelken is ontsnapt!”“Ontsnapt!” herhaalde de Baron verbaasd. “Is Joan....”“Nergens te vinden!” vervolgde Bouke: “ja! het is tegenwoordig een kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat is nog niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen,die hier ook op ’t feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal gauw genoeg komen.”“Wien bedoelt gij?” vroeg de Baron, rondziende: “al de gasten die wij verwachten, zijn gekomen.”“Nu! nu!” zeide Bouke: “late haver komt ook op: hoe later op den dag, hoe schooner volk: ’t einde zal den last dragen.”“O! het is onze Notaris!” zeide de Gravin, die den Practicus de zaal met een deftigen stap zag binnentreden.“Jawel morgen de Notaris,” zeide Bouke meesmuilende: “doch ik zwijg; maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!” Dit zeggende, verliet hij opnieuw het vertrek.“Kom!” zeide Reede: “laat ons nu aan niets anders denken dan aan de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris niet laten wachten.”“Een aangenaam woord,” zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de tafel geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: “ja waarlijk, thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden.”Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de gewone clausule gekomen: “met wederzijdsche toestemming van ouders en bloedverwanten,” of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een zachte, doch doordringende stem: “ik heb de mijne nog niet gegeven.”“Wie? wat? wat is dat?” riepen al de aanwezigen als uit éénen mond, en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door Bouke binnengeleid.“Ik Godard van Reede van Sonheuvel,” hernam de onbekende, “heb mijn toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter.”“Met welk recht....?” riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad hij ontzet achteruit.“Met uw verlof, oom!” zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: “vervat dit stuk papier uw toestemming niet?”“Die was slechts voorwaardelijk,” hernam de Vicaris: “indien de Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig te maken.”“Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd,” zeide Reede.“Beloofd?” herhaalde Vader Ambrosius: “Heer Ambtman! durft gij in mijn tegenwoordigheid die belofte herhalen?—Bedenk u wel! en luister naar hetgeen ik u vraag.—Hebt gij het voornemen, van Ulrica’s geluk door dezen echt, indezeomstandigheden te bevorderen?”“Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken,” zeide Mom, met zichtbare verlegenheid.“Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen.”“Nu.... ja!” antwoordde Mom.“Doch kunt gij dit?”’ hernam de Vicaris: “zijt gij niet overtuigd, dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?”“Voor den duivel!” riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: “wat meent gij daarmede?”“Mijnheer!” zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: “ik moet u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te vermijden. De Heer Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen betrekking van bloedverwantschap, geen gezag u het recht geven tot zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen toegejuichte echtverbintenis op een zoo onhebbelijke wijze te komen storen?”“Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig voorkomen,” zeide Ambrosius.“Ik heb in mijn leven zooveelincidentenniet bijgewoond,” zeide Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende.“Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning,” vervolgde de Vicaris, met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: “doch ik moet hier mijn plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag nog niet beantwoord.”Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en met wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe.“Mag ik u,” vroeg hij met een bevende stem, “om een oogenblik onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk zullen afhandelen.”“Een redelijke vraag sla ik niet af,” antwoordde Ambrosius, zich naar een venster begevende: “welke opheldering verlangt gij?”“Wat is uw doel?” vroeg Mom zacht en schielijk: “waarom mij dus tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten doe?”“Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken,” antwoordde de Vicaris: “doch geen landverrader mag zich met ons geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica afstand gedaan; dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik; doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo maak ik alles bekend.”“En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal opnemen?’”“Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders overlevert.”“Is uw besluit onherroepelijk?”“Onherroepelijk.”“Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen, u....”“Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke openbaringen zou kunnen geven.”“In ’s duivels naam dan,” zeide Mom, zich van hem afwendende. “Heer Baron!” vervolgde hij luid: “het spijt mij; doch ik vind uw schoonvader hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid in een betere luim is. Kom, Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet tot voorwerp van spot aan de Haagsche Jonkers te verstrekken.”Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van te vertrekken; dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun verbaasdheid waren teruggekomen, was de Fiskaal Van Kinschot binnen.“Jonkheer Jacob Mom,” zeide deze, naar hem toetredende: “gij zijt mijn gevangene.”“Bewaar ons!” zeide Bleiswyk: “wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het tegenwoordig volhandig!”“Alle duivels!” mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende, dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een venster uit dat openstond, en nam de vlucht.“Gevangen!” riep Mom, die als versteend bleef staan.“Gevangen!” herhaalden al de aanwezigen: “is het mogelijk!”“Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!” brulde de Ambtman, eensklaps als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten vuist den Vicaris dreigende: “doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan.”“Dat is mijn werk niet,” zeide Pater Ambrosius met koelheid: “had ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid hier ware overbodig geweest.”“Nietwaar?” grauwde hem de Ambtman toe: “Mijnheer Van Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich Vicaris-Generaal in de Nederlanden....”“Zoo noemde hij zich,” hernam de grijsaard: “thans heet hij eenvoudig Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.,” vervolgde hij, zich tot den Fiskaal wendende, “echter begrijpt, dat ik hier in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd, dat ik niet zal trachten te ontsnappen.”“Zeer gelukkig,” zeide Bleiswyk: “er zijn er ook genoeg ontsnapt in de laatste dagen.”“Mag men niet weten,” vroeg de Gravin, “waarvan de Heer Ambtman beschuldigd wordt?”“Van hoogverraad, Mevrouw!” antwoordde Van Kinschot: “Mijn Heeren!” vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: “leidt uwen gevangene weg.”“Arme! lieve Ulrica!” zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel nederzat: “had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten einde zoude loopen? Kom,” vervolgde zij, haar onderden arm nemende: “verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom zijn.”Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde.Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd, nog zichtbaar waren: hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende een opgeruimdheid, welke aan het scherpziend oog van Bleiswyk niet verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand tusschen beide broeders was opgehelderd.“Ik bid u om verschooning,” zeide Prins Maurits, zich tot de huisgenooten wendende, “zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen, nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen, zoo kan ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw dochter van den rand des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar zou gestort hebben. Weet, dat ik zooeven de duidelijkste bewijzen ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde van het Bestand de stad Tiel in de handen des Spanjaards te leveren.”“Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is,” zeide Reede.“Wel is het, als de Psalmist zegt,” zeide Raesfelt, “Ps. 76:Gy sult ombrengen ’t gansche rotDer woedende boosdaders quaet.“Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst,” hernam de Prins. “Er is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende de gevormde samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan, welke hij in dit geëerd gezelschap, en nergens anders, verlangt aan ’t licht te brengen.”“Nog meer ontdekkingen?” zeide Bleiswyk bij zich zelven: “welk een heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud.”Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch, om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren, is het noodig, dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen.
ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd!Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.Langendyk, de Zwetser.
ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd!Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.
ô Die bedrieger! ô wat ben ik nu verblijd!
Hadt gy het niet ontdekt, ik was mijn dochter quijt.
Langendyk, de Zwetser.
Gedurende denzelfden nacht, waarin al de door ons in de laatste Hoofdstukken verhaalde omstandigheden hadden plaats gehad, waren ten huize van de Gravin Douairière van Nassau de bewoners voor ’t meerendeel niet minder in onrust en beweging geweest, dan diegenen,waarvan wij gesproken hebben; schoon de oorzaak dier drukte geheel andere beweegredenen had. De dienstboden hadden hun bed niet gezien, daar zij den tijd, waarin hun meesters ter rust lagen, hadden waargenomen, om de zalen, voorportalen en deuren, welke de aanstaande bruid gerekend kon worden door of in te zullen gaan, met bloem- en looverkransen te versieren. De goede smaak van Magdalena zat bij deze verrichtingen voor: de bedienden der Gravin beijverden zich de hun gedane aanwijzingen naar eisch te volgen: allen beminden en eerden Freule Ulrica, wier gulle vriendelijkheid en gemeenzaamheid in den omgang telken reize, dat zij de Gravin bezocht had, aller harten tot zich getrokken had: en zij wisten daarenboven, dat zij hun meesteres beliefden, door de Jonkvrouw Van Sonheuvel te vereeren. Feurich en Gheryt Maessen (welke laatste in Den Haag niet veel beters te doen had) droegen met al hun vermogen bij tot opluistering der toebereidselen: terwijl eindelijk de oude Rentmeester Beckman, te stram en te zwak om mede de hand uit de mouw te steken, niettemin met de deftigheid, welke wij in hem vanouds gekend hebben, rondwandelde om zijn hoogwijs advies over den wel- of misstand van het vervaardigde te geven.
Reeds was de dag al een geruimen tijd doorgebroken, toen Bouke, over wiens afwezigheid men zich verwonderd had, de zaal binnentrad, welke men nu bezig was te versieren, de toebereidselen met een enkelen blik overzag en vervolgens zich met een knorrig gelaat in een stoel wierp.
“Wie nun!” zeide Beckman: “bist du nicht froh, kamrad nun deiner fraulein heiratht?”
“Vroolijk,” zeide Bouke: “ja men is niet vroolijk of men moet er reden voor hebben; men ziet aan ’t been waar de hoos gescheurd is en het dofferken zingt niet als ’t gaiken gevaên is.... Wie had het ooit kunnen denken, toen Joan boven op den toren zat gesloten en de kleine Ulrica hem het eten bracht, dat zij uit haar mondje gespaard had, dat zij eens haar verloving vieren zou, daar Joan in een erger gevangenis zat? Maar zoo zijn de vrouwen altemaal als het op trouwen aankomt. Wel zegt het spreekwoord: een bruidskrans, een blinddoek.”
“Het verwondert mij, Bouke,” merkte Magdalena met scherpheid aan, dat gij zooveel belang stelt in dien liederlijken knaap, dat gij er niet om wilt deelen in de vreugde uwer meesteres. De Freule Van Sonheuvel is u toch nader dan de Spaansche basterd, die....”
“Wees toch niet als de ezel van Bileam, die sprak voordat hem gevraagd werd,” zeide Bouke: “wat basterd?—wat liederlijk?—Er leeft geen beter knaap op de geheele wijde wereld dan die eigenste Joan: en ik laat mij villen, als ik niet met den middag naar zijn gevangenis toega en den achternoen bij hem doorbreng en u allen hier laat fluiten en pijpen en zingen, zooveel ge wilt.”
“Ga in vrede,” zeide Magdalena: “niemand zal uw ijzegrimmen gezicht hier missen.”
“Neen!” hernam Bouke: “dat zullen ze net niet, vooral als uw effen tronie hun overblijft.”
“Waaraftig!” zeide Feurich: “Herr Bouke spriecht wohl! dem Jonker Joan ist ein hupscher bursche: das heb ik gesehen, nun sechs oder sieben jaren geleden, toen er dem kutsche deed stille stän.”
“Een beste Jonker!” voegde Gheryt Maessen er bij: “zoo gul en goedhartig! ik ’loof nooit, dat hij eenig kwaôd opzet teugen den Heer Baron in ’t zin had.”
“Dat gelooft de Baron ook niet meer,” zeide Bouke, “en Z.Ed. zal er met Zijn Hoogheid een ernstig woordeke over spreken. Wie weet of de Jonker nog niet in volle glorie op het trouwfeest komt.”
Wij zullen over het vervolg van dit gesprek, hetwelk den lezer weinig verscheidenheid zou aanbieden, heenstappen en ons de zaal voorstellen, nu evenals de portalen en deuren op het fraaist versierd. Reeds vroeg in den morgen trad de Baron, in zijn beste staatsiekleederen uitgedost, binnen, en bezag met innerlijk genoegen de gemaakte toebereidselen. “Jammer maar!” zeide hij, terwijl hij zich in de handen wreef, “dat onze goede Joan er niet bij is! doch ik zal hemel en aarde bewegen om hem op het trouwfeest te krijgen.”
“Daar zal UEd. wel aan doen,” zeide Bouke, die zich op dat oogenblik alleen met zijn meester bevond: “ik ga hem straks opzoeken; heeft UEd. hem ook wat te zeggen?”
“Ja, zeg hem, dat ik hoop, dat hij op de bruiloft.... maar hij zal toch niet willen!.... hij denkt immers dat ik zijn vader vermoord heb!—Hoor Bouke! bedui hem toch, hoe dat in zijn werk is gegaan: en zeg hem, dat ik hoop, dat hij zich van alle schuld vrij zal pleiten, en als hij een Advocaat noodig heeft, hier staat de man, die ’t wel betalen zal.”
“Ik zal ’t alles overbrengen, zooals UEd. ’t zegt,” zeide Bouke.
“Maar van wat anders: is de bruid al op?”
“Er is zooeven om Magdalena geluid of gebeld, zooals ze dat hier noemen,” zeide Bouke: “alweer een nieuwe uitvinding: om de menschen op te bellen of het schapen waren!”
“De gasten zullen niet lang meer toeven,” hernam de Baron: “mij dunkt, ik hoor reeds iemand komen: ha! het is onze goede Dominee. Hoe zoo bedrukt, Weleerwaarde? Je brengt waarachtig geen gezicht voor een bruiloft mede.”
“Ik heb dezen nacht in ontroering en kwelling des geestes doorgebracht,” antwoordde Raesfelt. “Het was met mij als de Psalmist zegt, Ps. 77:
Al hebb’ ik van gantscher hertenGebeden in anghst en smerten,Soo blijft doch mijn hert eenpaerVol benauwtheit en anghst swaer.
Al hebb’ ik van gantscher herten
Gebeden in anghst en smerten,
Soo blijft doch mijn hert eenpaer
Vol benauwtheit en anghst swaer.
Ik bid u, Heer Baron!” vervolgde hij, een lang geschrift uit der zak halende: “zeg mij, komt Zijne Hoogheid nog op de verloving gelijk beloofd was en gehoopt werd?”
“Ten minste ik weet niet beter dan ja,” antwoordde de Baron “doch waartoe deze vraag?”
“Ik had.... ik wilde aan Z. H. overhandigen.... deze.... dit....” mompelde de Predikant, zijn papier openvouwende.
“Wat drommel is dat?” vroeg de Baron, lachende: “denkt ge aan Z. H. een geheele preek voor te lezen?”
“Het is geen preek, het is....”
“Een gedicht misschien op het jonge paar?—Nu, dat verwachtten wij ook.”
“Met uw verlof, het is een smeekschrift,” hernam de Predikant, angstig het oog op zijn werk slaande en met de rechterhand de gewone en den Baron welbekende beweging makende, welke aanduidde, dat hij het ging voordragen.
“Zoo! een smeekschrift,” zeide de Baron, hem het woord afnemende: “en wat hamer hebt gij toch te smeeken?”
“Mijn zoon,” zuchtte de beklagenswaardige Predikant: “mijn Hendrik, de hoop mijns ouderdoms, is zijn woonstede niet bij de onrechtvaardigen? is hij niet in de tijdelijke Gehenna, waar weeninge is ende knersinge der tanden? en moet ik mij niet nederbuigen voor den machtige, opdat zijn banden verscheurd worden, gelijk David zegt in den tweeden Psalm:
Laat ons breken met eenZijn banden al, daer med’ sy ons verstricken.”
Laat ons breken met een
Zijn banden al, daer med’ sy ons verstricken.”
“Uw zoon! mijn goede Hendrik! ’t is waar.... nu, wij willen het beste hopen.”
“Ach!” zeide Raesfelt; hij is medegerekend onder diegenen, die in den kuil dalen, zooals Psalm 88 het heeft! en wie zal hem verlossen?”
“Mij dunkt,” zeide Reede, “dat uw stuk wat lang is, Dominee! en den Prins wel eens zou kunnen vervelen en in kwade luim brengen;.... doch ik heb geen kennis van zulke zaken. Met uw verlof.... ik ga eens even zien of de bruid al op is.” Dit zeggende liep hij de zaal uit.
“Wat lang?” zeide Dominee: “mij dunkt er staat niets in, dan hetgeen er in moet staan.—Laat ons zien,” vervolgde hij, bij zich zelven, het stuk nogmaals met luider stemme overlezende: “wat zou daaruit kunnen genomen worden: geen spreuk, geen tekst, geen woord? Heb ik er dan vruchteloos een halven Sabbat en dezen geheelen nacht over geblokt?”
Hoe meer zijn Wel-Eerwaarde las, hoe warmer hij werd: eindelijk geraakte hij zoover buiten zijn gewone bedaardheid en stelde zich zoo volkomen voor, in de tegenwoordigheid van Zijne Hoogheid te staan, dat hij met de woorden:“handelt sachtkens met den jongelingh, met Absalom,” welke het geschrift besloten, de rolle onder het maken eener diepe buiging overhandigde aan iemand, die binnentrad, en het stuk met een verbaasde houding aannam en inzag.
“Arminiaansche wanbegrippen.... hm, hm!.... booswichten.... tegen Uwe Hoogheid aangekant.... te duivel!.... moorddadige enverraderlijke ontwerpen.... vergiffenis.... Pots honderd tausent slapverment, Dominee! wat meent ge daarmet?” en de Heer Van Botbergen (want deze was het, die binnen gekomen was) werd bleek als een doek.
“O! ik vraag verschooning, Mijnheer Van Botbergen!” zeide de Predikant onthutst en verlegen: “ik was verstrooid van gedachten: UEd. is zeker heden of gisteren alhier aangekomen.”
“Om de verloving van mijn vriend den Ambtman te vieren,” hervatte Elbert: “doch wat moet deze schriftuur?”
“Die was eigenlijk voor Z. H. bestemd,” zeide Raesfelt: “doch daar UEd. aan de Hoven geweest zijt, zoude UEd. mij waarschijnlijk wel met raad kunnen dienen en mij zeggen, of het zoo goed is.”
“Hm! hm!” zeide Botbergen, het geschrift haastig doorloopende: “wat lang, wat gerekt; doch de stijl is keurig en hoogdravend: eilieve! waar handelt het eigenlijk over?”
“Mij dunkt,” zeide de Predikant gebelgd, het smeekschrift weder terugnemende, “die vraag is vrij onnoodig, als men het stuk gelezen heeft.”
Op dit oogenblik traden sommige andere genoodigden de zaal in, en niet lang daarna ook de Ambtman, op ’t kostelijkst als bruidegom uitgedost. Na de aanwezigen beleefdelijk gegroet te hebben, nam hij, zoodra het gesprek algemeen was geworden en hij zulks onopgemerkt doen kon, Botbergen ter zijde en fluisterde hem in ’t oor: “welnu?”
“Alles is in gereedheid,” antwoordde deze: “Zondag over veertien dagen maken wij ons tusschen kerktijd meester van de stad; onze vrienden zijn vol courage en wachten met ongeduld uw terugkomst af.”
“Uitmuntend!” zeide Mom; “welnu, Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot het gezelschap wendende: “wat nieuws is er vandaag? Mijnheer Van Bleiswyk! is er niets gaande? UEd. heeft anders altijd iets te verhalen.—Mij dunkt, uw gelaat staat minder opgeruimd dan gewoonlijk.”
“Ik heb dezen nacht slecht gerust,” antwoordde Bleiswyk.
“Ik dacht niet dat UEd. immer rusten kon,” merkte Mom aan met een spotachtigen glimlach; “doch waar of mijn goede aanstaande schoonvader blijven mag?”
“ZijnEdele zal zoo aanstonds hier zijn,” zeide Bleiswyk: “ik heb zelf, toen ik het voorportaal doorging, den Heer Baron in het spreekvertrek gezien met den Fiskaal.”
“Den Fiskaal,” herhaalde Botbergen, verschrikt.
“Welnu ja, den Fiskaal!” zeide Mom, zich met een hoogmoediger blik naar hem omwendende: “heeft uw heldhaftigheid iets met Z.-Ed.-Gest. uitstaande?”
“De Heer Fiskaal,” zeide een der gasten, “is, naar ik hoor, gisteren den geheelen dag in touw geweest.”
“Men spreekt van hoogst zonderlinge gebeurtenissen,” zeide een ander.
“Men verhaalt, het Hof van Graaf Frederik Hendrik is hedenmorgen ongenaakbaar,” zeide een der gasten, op den schroomvalligentoon van iemand, die niet weet hoe zijn mededeeling zal worden opgenomen.
“Men zegt, er zijn gevangenen ontsnapt,” mompelde een ander.
“Ontsnapt!” herhaalde de Predikant: “UEd. gelieve....”
“Ei wat!” zeide Bleiswyk, die niet langer zwijgen kon, en op wiens gelaat de lust van zijn nieuws te vertellen strijd voerde met de voorzichtigheid, die hem het zwijgen gebood: “wat beduidt al dat gebabbel? Ik zou u de waarheid van al die geruchten haarklein kunnen vertellen: want ik heb zelf.... doch ik wil niet.”—Dit zeggende, sloeg hij zich de hand voor den mond.
“Stilte, Mijne Heeren!” zeide een der gasten: “daar is Hare Genade.”
De dubbele middeldeur opende zich, en de Gravin Douairière trad binnen in een deftig feestgewaad, haar jonge vriendin aan de hand geleidende en door een vroolijken stoet adellijke en hoffelijke jonkvrouwen gevolgd. Zoowel Mevrouw van Nassau als de aanstaande bruid zagen bleek en betrokken, en haar rood bekreten oogen toonden aan, dat beiden geweend hadden. De Gravin had den nacht slapeloos doorgebracht en onophoudelijk nagedacht over de zonderlinge verschijning der kinderkleertjes, welke haar de Fiskaal had voorgesteld. Het wederzien daarvan had het verledene bij haar teruggeroepen, de treurigste herinneringen opgewekt en haar zelfs bijna geheel ongeschikt gemaakt om aan het feest van den dag die deelneming te schenken, welke zij anders zou betoond hebben.
Wat Ulrica betrof, pijnlijke en kwellende gedachten hadden den slaap van haar sponde doen wijken. Die echt, waartoe zij vrijwillig en ongedwongen haar woord gegeven had, scheen haar, nu het tijdstip der voltrekking er van naderde, verschrikkelijk, ja, noodlottig toe. Zoolang zij nog, door valsche blijken misleid, Joan voor een laaghartigen moordenaar had moeten houden, hadden spijt, verontwaardiging en maagdelijke fierheid haar doen toestemmen in een echtverbintenis met een alom geachten, deftigen en haar liefde volkomen waardigen echtgenoot, gelijk de Baron haar den Ambtman beschreven had, en waarvoor zij dezen ook te goedertrouw bleef houden;—maar thans, nu Joans onschuld bleek, kwamen de waarschuwingen en zijdelingsche wenken, welke haar voedsterbroeder tegen Mom gedaan had, haar met hernieuwd gewicht voor den geest spelen: nu kwam het beeld van hem, die haar twee dagen te voren van een dreigend gevaar verlost had, zich voor haar geest stellen, en het kloppend hart verried maar al te zeer partijdige liefde voor den verwijderden—koele onverschilligheid voor den begunstigden—minnaar. Hevig was Ulrica te moede, toen zij, na een ernstig zelfonderzoek, tot slotsom van haar overdenkingen, inzag, hoe de teederheid voor Joan, wiens beeltenis zij geheel uit haar boezem waande te hebben uitgedelgd, sterker dan ooit te voren was teruggekomen. Alleen de gedachte, dat zij, door den Ambtman te huwen, aan een kinderplicht voldeed, en dat het offer, ’t welk zij bracht, Gode welbehaaglijk wezen zou, was in staat geweest, haar het opgewonden gestel tot bedaren te brengen en haar het vaste voornemen te doen opvatten, zich gedurende de verlovingsdagen zoodanigte gedragen, dat haar aanstaande gemaal geen redenen hebben mocht, over haar gedrag ontevreden te zijn.
“Welkom, mijn beminde bruid!” zeide Mom, tot haar toetredende en haar de hand kussende: “doch hoe! gij schijnt geweend te hebben.”
“Daar moet gij zoo nauw niet op zien,” viel de Baron, die met den Fiskaal binnen was getreden, hem in: “dat doen de meisjes altijd den nacht voor haar verloving, om op den dag zelven des te helderder te kunnen lachen.”
“Juist,” zeide Bleiswyk: “en hoe zouden wij anders bruidstraantjes kunnen schenken?”
“De heer Fiskaal deelt ons een slechte tijding mede,” zeide de Baron, zich tot de Gravin wendende: “de Prinsen komen niet!”
“Wat heb ik gezegd?” vroegen nu de nieuwsvertellers zachtjes: ofschoon zij eigenlijk niets gezegd hadden.
“Is de reden, waarom Hun Hoogheden niet komen, aan den Heer Fiskaal bewust?” vroeg Mom, naar hem toetredende.
“Die zal zich misschien nader ontwikkelen,” zeide Van Kinschot met een koele buiging: “Heer van Bleiswyk! een woord als ’t u belieft.”
“Tot UEd. dienst,” zeide deze, met hem ter zijde gaande.
“Gij spreekt geen woord over al wat er dezen nacht is voorgevallen,” beet hem de Fiskaal in ’t oor: “of het zal u duur te staan komen.”
“Wilt gij het geld voor de verbeurde boete?” zeide de Jonker halfluid, terwijl hij lachende een goudbeurs voor den dag haalde: “doch er zijn er meer, die haar verbeurd hebben, door op de bijeenk....”
“Zwijg!” viel hem de Fiskaal op een strengen toon in de rede: “zwijg ongelukkige spotter! het kon u slechts goud, doch anderen kan het den kop kosten. Wees voorzichtig, of....”—Hier hield hij den vinger dreigend op, en een buiging in ’t rond gemaakt hebbende, wilde hij vertrekken.
“Een oogenblik, Mijnheer Van Kinschot!” zeide de Gravin, hem terughoudende: “die gevangene, waarvan UEd. mij gisteravond gesproken heeft.... de Pleegzoon van den Heer Baron....”
“Vergeef mij,” zeide Van Kinschot: “doch ik heb bezigheden, welke mij een langer vertoeven verbieden. Ik zal nader de eer hebben,” vervolgde hij met een veelbeteekenenden blik, “mijn gelukwenschingen aan den Heer Baron te komen doen.”—Dit zeggende nam hij zijn afscheid.
“Wat heeft dit alles toch te beduiden?” zeide een der aanwezigen: “de Fiskaal is zoo raadselachtig.”
“Hij heeft dezen nacht slecht geslapen,” zeide Bleiswyk: “doch mondje dicht: ik moet zijn bevel niet vergeten.”
Op dit oogenblik trad Bouke de kamer in.
“Alweer wat anders!” zeide deze: “ja! ja! groote visschen springen uit den ketel! ’t vogelken is ontsnapt!”
“Ontsnapt!” herhaalde de Baron verbaasd. “Is Joan....”
“Nergens te vinden!” vervolgde Bouke: “ja! het is tegenwoordig een kunst van belang om een gevangene te houden;.... maar dat is nog niets! er is mij daar op straat nog iemand op zij gekomen,die hier ook op ’t feest moet wezen;.... doch laat ik maar zwijgen; hij zal gauw genoeg komen.”
“Wien bedoelt gij?” vroeg de Baron, rondziende: “al de gasten die wij verwachten, zijn gekomen.”
“Nu! nu!” zeide Bouke: “late haver komt ook op: hoe later op den dag, hoe schooner volk: ’t einde zal den last dragen.”
“O! het is onze Notaris!” zeide de Gravin, die den Practicus de zaal met een deftigen stap zag binnentreden.
“Jawel morgen de Notaris,” zeide Bouke meesmuilende: “doch ik zwijg; maar zij zullen staan te kijken, geloof ik!” Dit zeggende, verliet hij opnieuw het vertrek.
“Kom!” zeide Reede: “laat ons nu aan niets anders denken dan aan de plechtigheid van het oogenblik. Wij moeten den Heer Notaris niet laten wachten.”
“Een aangenaam woord,” zeide Mom, toetredende, en zijn bruid, wier bleekheid in dit oogenblik nog vermeerderd was, naar de tafel geleidende, waaraan zich de Notaris geplaatst had: “ja waarlijk, thans moeten ons alleen gelukkige gedachten bezig houden.”
Nadat de aanstaanden, de Gravin, de Baron en de gasten hadden plaats genomen, begon de Notaris met de noodige deftigheid het huwelijkscontract voor te lezen; doch nauwelijks was hij aan de gewone clausule gekomen: “met wederzijdsche toestemming van ouders en bloedverwanten,” of iemand trad de zaal binnen en zeide, met een zachte, doch doordringende stem: “ik heb de mijne nog niet gegeven.”
“Wie? wat? wat is dat?” riepen al de aanwezigen als uit éénen mond, en zagen naar de deur, waarin een grijsaard stond, door Bouke binnengeleid.
“Ik Godard van Reede van Sonheuvel,” hernam de onbekende, “heb mijn toestemming niet gegeven tot het huwelijk van Jonkheer Jacob Mom met Jonkvrouwe Ulrica van Reede tot Sonheuvel, mijn kleindochter.”
“Met welk recht....?” riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad hij ontzet achteruit.
“Met uw verlof, oom!” zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: “vervat dit stuk papier uw toestemming niet?”
“Die was slechts voorwaardelijk,” hernam de Vicaris: “indien de Ambtman zich geschikt achtte om mijn pleegdochter gelukkig te maken.”
“Welnu? en dit heeft hij plechtig beloofd,” zeide Reede.
“Beloofd?” herhaalde Vader Ambrosius: “Heer Ambtman! durft gij in mijn tegenwoordigheid die belofte herhalen?—Bedenk u wel! en luister naar hetgeen ik u vraag.—Hebt gij het voornemen, van Ulrica’s geluk door dezen echt, indezeomstandigheden te bevorderen?”
“Zeker ben ik niet voornemens haar ongelukkig te maken,” zeide Mom, met zichtbare verlegenheid.
“Geen omwegen! ik vraag eenvoudig, ja of neen.”
“Nu.... ja!” antwoordde Mom.
“Doch kunt gij dit?”’ hernam de Vicaris: “zijt gij niet overtuigd, dat dit huwelijk voor haar een bron van ellende zijn zal?”
“Voor den duivel!” riep Mom, door dit ondervragen van de wijs gebracht: “wat meent gij daarmede?”
“Mijnheer!” zeide nu de Gravin, zich tot den Vicaris wendende: “ik moet u verzoeken, dergelijke tooneelen in mijn huis te vermijden. De Heer Ambtman heeft uw vraag beantwoord, en, naar mijn begrip, kan geen betrekking van bloedverwantschap, geen gezag u het recht geven tot zulke vragen. Wat kan u nopen, onze blijdschap bij een zoo algemeen toegejuichte echtverbintenis op een zoo onhebbelijke wijze te komen storen?”
“Mijn recht noch mijn deel zullen den Heer Ambtman raadselachtig voorkomen,” zeide Ambrosius.
“Ik heb in mijn leven zooveelincidentenniet bijgewoond,” zeide Bleiswyk, zich van vermaak de handen wrijvende.
“Ik verzoek Uwe Genade nederig om verschooning,” vervolgde de Vicaris, met een eerbiedige buiging, tegen de Gravin: “doch ik moet hier mijn plicht vervullen. Jonkheer Jacob Mom! gij hebt mijn laatste vraag nog niet beantwoord.”
Aller oogen vestigden zich weder op den Ambtman, van wien men verwachtte, dat hij eindelijk door een krachtig antwoord den vreemdeling uit het veld zoude slaan; doch hij scheen zijn gewone tegenwoordigheid van geest geheel verloren te hebben, en met wankelenden gang trad hij naar den Vicaris toe.
“Mag ik u,” vroeg hij met een bevende stem, “om een oogenblik onderhoud verzoeken? Ik geloof, dat wij deze zaak best afzonderlijk zullen afhandelen.”
“Een redelijke vraag sla ik niet af,” antwoordde Ambrosius, zich naar een venster begevende: “welke opheldering verlangt gij?”
“Wat is uw doel?” vroeg Mom zacht en schielijk: “waarom mij dus tentoongesteld op een oogenblik, dat ik alles voor uw geloofsgenooten doe?”
“Met uw geheim verdrag met Grobbendonck heb ik niet te maken,” antwoordde de Vicaris: “doch geen landverrader mag zich met ons geslacht vermengen; ik had mij gevleid, dat gij, na het lezen van mijn brief, mij zoudt begrepen hebben en van Ulrica afstand gedaan; dan ware dit tooneel vermeden geweest. Tree nog terug, zoo zwijg ik; doch volhardt gij bij uw voornemen, zoo maak ik alles bekend.”
“En hoe denkt gij, dat men uw gedrag in Spanje en te Rome zal opnemen?’”
“Noch Spanje, noch Rome kunnen van mij vergen, dat ik in een echtverbintenis stem, die mijn kleindochter in handen eens verraders overlevert.”
“Is uw besluit onherroepelijk?”
“Onherroepelijk.”
“Bedenk, dat ik uw rang hier bekend kan maken, u gevangen doen nemen, u....”
“Ik bedenk alles; doch bedenk zelf, wie hier de meest gevaarlijke openbaringen zou kunnen geven.”
“In ’s duivels naam dan,” zeide Mom, zich van hem afwendende. “Heer Baron!” vervolgde hij luid: “het spijt mij; doch ik vind uw schoonvader hardnekkiger dan ik gehoopt had. Wij zullen de voorgenomen verbintenis moeten uitstellen, tot Zijn Hoogwaardigheid in een betere luim is. Kom, Botbergen! laat ons weder naar Tiel vertrekken, ten einde hier niet tot voorwerp van spot aan de Haagsche Jonkers te verstrekken.”
Deze woorden geuit hebbende, maakte hij een deftige buiging voor het geheele gezelschap en keerde zich om met oogmerk van te vertrekken; dan eer hij nog aan de deur gekomen was, eer nog de aanwezigen van hun verbaasdheid waren teruggekomen, was de Fiskaal Van Kinschot binnen.
“Jonkheer Jacob Mom,” zeide deze, naar hem toetredende: “gij zijt mijn gevangene.”
“Bewaar ons!” zeide Bleiswyk: “wat heeft Zijn-Edel-Gestrenge het tegenwoordig volhandig!”
“Alle duivels!” mompelde Botbergen, en, het oogenblik waarnemende, dat alle blikken op Mom gevestigd waren, sprong hij een venster uit dat openstond, en nam de vlucht.
“Gevangen!” riep Mom, die als versteend bleef staan.
“Gevangen!” herhaalden al de aanwezigen: “is het mogelijk!”
“Ha! vervloekte grijskop! dat is uw werk!” brulde de Ambtman, eensklaps als uit een sluimering ontwakende en met de gesloten vuist den Vicaris dreigende: “doch beef! gij zult mijn wraak niet ontgaan.”
“Dat is mijn werk niet,” zeide Pater Ambrosius met koelheid: “had ik deze ontknooping kunnen voorzien, mijn tegenwoordigheid hier ware overbodig geweest.”
“Nietwaar?” grauwde hem de Ambtman toe: “Mijnheer Van Kinschot! verzeker u ook van dezen booswicht. Hij noemt zich Vicaris-Generaal in de Nederlanden....”
“Zoo noemde hij zich,” hernam de grijsaard: “thans heet hij eenvoudig Pater Ambrosius, gelijk voorheen. Indien UEd.-Gestr.,” vervolgde hij, zich tot den Fiskaal wendende, “echter begrijpt, dat ik hier in gevangenschap moet blijven, zoo wees overtuigd, dat ik niet zal trachten te ontsnappen.”
“Zeer gelukkig,” zeide Bleiswyk: “er zijn er ook genoeg ontsnapt in de laatste dagen.”
“Mag men niet weten,” vroeg de Gravin, “waarvan de Heer Ambtman beschuldigd wordt?”
“Van hoogverraad, Mevrouw!” antwoordde Van Kinschot: “Mijn Heeren!” vervolgde hij tot de gerechtsdienaars: “leidt uwen gevangene weg.”
“Arme! lieve Ulrica!” zeide de Gravin tegen Ulrica, die als versteend en van verschillende aandoeningen vervuld aan een tafel nederzat: “had iemand kunnen denken, dat uw verlovingsdag zoo ongelukkig ten einde zoude loopen? Kom,” vervolgde zij, haar onderden arm nemende: “verwijderen wij ons: de eenzaamheid zal u thans het meest welkom zijn.”
Deze woorden zeggende, wilde zij Ulrica de zaal uitgeleiden, toen de deur wijd openvloog en een dienaar de Prinsen aanmeldde.
Prins Maurits trad binnen met een gelaat, waarop de aandoeningen, welke hem gedurende de laatste uren hadden vermeesterd, nog zichtbaar waren: hij hield zijn broeder onder den arm, en de blik van dezen teekende een opgeruimdheid, welke aan het scherpziend oog van Bleiswyk niet verborgen bleef, en waaruit deze laatste ontwaarde, dat het misverstand tusschen beide broeders was opgehelderd.
“Ik bid u om verschooning,” zeide Prins Maurits, zich tot de huisgenooten wendende, “zoo ik mij thans hier nog kom vertoonen, nadat ik mij genoodzaakt heb gezien, uw vreugde in droefheid te doen verkeeren. Doch zoo ik hier in geen blijdschap kan deelen, zoo kan ik ten minste troost aanbrengen. Ik kan meer doen, Heer Baron! ik kan u zelfs gelukwenschen, dat de Almachtige uw dochter van den rand des afgronds heeft gered, waarin een onwaardige echtverbintenis haar zou gestort hebben. Weet, dat ik zooeven de duidelijkste bewijzen ontvangen heb, dat de Ambtman Mom het voornemen had, na het einde van het Bestand de stad Tiel in de handen des Spanjaards te leveren.”
“Jawel mogen wij God danken, indien dit het geval is,” zeide Reede.
“Wel is het, als de Psalmist zegt,” zeide Raesfelt, “Ps. 76:
Gy sult ombrengen ’t gansche rotDer woedende boosdaders quaet.
Gy sult ombrengen ’t gansche rot
Der woedende boosdaders quaet.
“Doch, dit is niet de eenige reden mijner komst,” hernam de Prins. “Er is iemand, die belangrijke mededeelingen betreffende de gevormde samenzwering gedaan heeft, doch die nog meerder ontdekkingen doen kan, welke hij in dit geëerd gezelschap, en nergens anders, verlangt aan ’t licht te brengen.”
“Nog meer ontdekkingen?” zeide Bleiswyk bij zich zelven: “welk een heerlijke dag! die geeft voor een maand stof tot onderhoud.”
Nu plaatsten zich de vorstelijke personages en al de aanwezigen in het rond: de deur werd geopend en met bleek gelaat en wankelende schreden trad Ludwig, van twee wachten gevolgd, de zaal binnen. Doch, om zijn verschijning hier ter plaatse te verklaren, is het noodig, dat wij de geschiedenis weder wat hooger ophalen.
Twee-en-dertigste Hoofdstuk.Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikkenWat kan ik, hoe ’t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?Bilderdyk, Floris de Vijfde.Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem, na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren, plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier, ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en eenvulgata. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes, een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man, die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste, om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen, kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven, zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een der binnenhaar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch, zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.“Gij ziet mij reeds terug, Pater!” zeide Ludwig: “alles heeft een spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!”“Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld,” zeide Eugenio, wien onze lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen herkend hebben: “ik ben zeer over u voldaan.”“Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?”“Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?”“Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!” zeide Ludwig, zich op een stoel werpende.“Uw taal bevreemdt mij,” zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende, dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: “doch ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?”—Dit zeggende, plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat het antwoord des jongelings af.“Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?” riep Ludwig uit, weder opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende: “Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?”“Hmm!” bromde de Jezuïet: “uw meester is de Koning van Spanje.”“De Koning van Spanje!” herhaalde Ludwig: “heeft de Koning van Spanje mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?”“Gij zijt een gek,” zeide Eugenio, “na al hetgeen gij verricht hebt, zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken, waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk, kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in de haven overboord zoude werpen.”“Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht,” zeide Ludwig, met een diepen zucht: “dan zou het bloed van den jongen Graaf van Falckestein niet op mijn hoofd wegen.”“Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,” bromde Eugenio.“Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb, mijn boezem niet drukken,” vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld.“Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd,” merkte de Jezuïet, aan.“Dan zou ik,” vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden van den Pater, “mij niet te verwijten hebben, op een lagewijze het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd.”“Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft.”Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den Jezuïet. “Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen, dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw.”“Die slavernij houdt voortaan op,” zeide Eugenio: “eens ons doel bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren vergoeden.”“En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?” vroeg Ludwig.“Ik heb u reeds gezegd,” hernam Eugenio, “dat uw zonden u vergeven zijn. Wat kan u dan nog kwellen?”“Al genoeg,” zeide de geheimschrijver, “al genoeg heb ik de afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend, om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug.”“Er is niets dwazer,” zeide Eugenio, met de uiterste koelheid, “dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen, dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig, uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij, Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn; in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen, tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel beleid en trouw vervuld, ja, ’t welk gij ten einde gebracht hebt. Na gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt, ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen, welke gij verlangen zult.”Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogenhoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele moeite en opofferingen smaken zoude. “En zoudt gij,” vervolgde hij, “dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen, maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits’ hart doorboren zal—en waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich in dit land uitdrukt, uw koetjes op ’t droge, eer de overstrooming hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop gij bij deeling wettige aanspraak hadt.”De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de straffen der hel, welke hij, in weerwil van ’s Paters geruststellende woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd; zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten hebben, toen Eugenio hem, opden welbekenden strengen toon, aan welken bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk der deur niet.“Wat gaat gij doen?” vroeg Eugenio.Ludwig zweeg.“Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan hem verklappen.”Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.“Hoe edel! hoe aandoenlijk!” zeide Eugenio, met een bitteren glimlach: “gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands prijsgeven.—Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal.”Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.“En denkt gij,” vervolgde Eugenio, “dat deze trage bekentenis u baten zal?—Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?—Neen! neen! wij zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen.”De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan, die al zijn leden beven deed.“Doch ik zie al,” zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, “dat gij wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik heb u lief,” vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, “anders ware het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u, eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen, uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een goede nachtrust zult gij geheel anders denken.”“Misschien,” zeide Ludwig, oprijzende: “ik zal ’t beproeven; doch hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; ’t is of ik stikken zal.”—Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.“Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt: doch beloof mij thans te gaan slapen.”“Ik beloof het u,” hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het vertrek op en neder liep: “nog meer, ik beloof u, dat wat er ook geschiede, ik u niet betichten zal.”“Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teugwijns zal u goeddoen”—Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee glazen terug.Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden, door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude, en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank redde de Nederlanden.“Hier,” zeide hij, terwijl hij inschonk: “drink Ludwig!damus vinum his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius,1gelijk devulgatazegt.”Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.“Die wijn is vergiftigd!” riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken blik aanziende.“Zoo! de wijn is bedorven,” zeide Eugenio, en goot haastig het glas ledig.“Dat zal ik gaan onderzoeken,” hernam Ludwig, en, de kan van de tafel nemende, wilde hij vertrekken.“Sta!” riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende: “niet van uw plaats. Hoor mij eerst!”Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in ’t gezicht, dat het bloed hem uit neus en mond sprong.Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover: hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag, de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof.“Wie daar?” vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.“Ik ben de Secretaris van Z. D.”, gaf deze ten antwoord.“Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo dadelijk te spreken.”“Ha! welkom!” riep de jongeling: “ik ook, ik moet Zijn Hoogheid spreken!—Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!”1Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.
Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikkenWat kan ik, hoe ’t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?Bilderdyk, Floris de Vijfde.
Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikkenWat kan ik, hoe ’t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?
Aan wien behoore ik dan? wien word ik tot verrader?
Wat kan, wat moet ik doen, aan alle zijde omzet?
Wie voert my strafloos, wie onschuldig uit dit net?
ô Zwakke, ô weeke ziel! wat liet ge u dus verwrikken
Wat kan ik, hoe ’t ook ga, dan voor mij-zelven schrikken?
Bilderdyk, Floris de Vijfde.
Ludwig had zijn Doorluchtigen meester verlaten, toen deze het Binnenhof was opgetreden; met driftigen spoed had hij eenige straten en stegen doorkruist en eindelijk geklopt aan een kleine woning, in het minst bezochte gedeelte der stad gelegen. Eene oude vrouw, welke al het uiterlijke eener tooverheks had, opende hem de deur en geleidde hem, na een soort van wachtwoord met hem gewisseld te hebben, in een berookte, en dompige kamer, waar, aan een groote, met papieren, plannen en landkaarten overdekte tafel, een manspersoon bij het flauwe schijnsel eener lamp zat te lezen. Voor de tafel stond een groote opene kist, zoodanig geplaatst, dat men, door de tafel aan de tegenzijde op te lichten, al wat daar op lag in de kist kon werpen en dus aan de oogen van een onverhoopten bezoeker onttrekken. Wat verder stonden twee andere opene koffers, gevuld met rollen papier, ijzeren werktuigen, vermommingen en maskers, valsche baarden en andere dergelijke voorwerpen. Onder het bereik des lezers lagen op een stoel twee zakpistolen, een dolk, een paar gereformeerde bijbels en eenvulgata. Op de tafel stond een waterkruik met een tinnen kroes, een zandlooper en het noodige schrijfgereedschap.
In het midden van al die vreemdslachtige voorwerpen zat, in een grooten leunstoel, met leder voorzien, en die desnoods tot rustbank had kunnen strekken, de persoon, welken Ludwig kwam zoeken, een man, die, zooals hij daar geplaatst was, alleen de tooverroede miste, om voor een wichelaar te worden aangezien; want zijn sterk gerimpeld voorhoofd, waarvan slechts eenige grauwende haren ongekamd afhingen, kenteekende zorgen en vermoeienissen van den geweldigsten aard. Onder de zware grijze wenkbrauwen waren twee gitzwarte oogen zoo diep in de kassen verscholen, dat zij niet oneigenaardig konden vergeleken worden bij fakkels, welke men aan het einde van een donker verwulf ziet glimmen. Op de vale wangen waren de groeven der onthouding met diepe voren ingedrukt; en de dikke onderlip, met een uitdrukking van algemeene verachting en wrevel tot aan den grauwen knevel opgeheven, zette aan de vervallen trekken des gelaats iets Satanachtigs bij. De dorre hand liet, bij de intrede des geheimschrijvers, het geschrift varen, dat zij vasthield, en strekte zich langzaam uit naar een der binnenhaar bereik gelegen pistolen, terwijl al de pezen van het aangezicht zich samentrokken en de oogen blauwe vlammen schoten; doch, zoodra de grijsaard bij de stralen der lamp, die op het aangezicht van Ludwig vielen, ontdekt had, wie de verstoorder zijner overdenkingen was, leide hij het moordtuig weder neder en hernam zijn vorige houding.
“Gij ziet mij reeds terug, Pater!” zeide Ludwig: “alles heeft een spoediger wending genomen dan wij gedacht hadden!”
“Gij hebt uw rol meesterlijk gespeeld,” zeide Eugenio, wien onze lezers ongetwijfeld uit de bovenstaande beschrijving reeds zullen herkend hebben: “ik ben zeer over u voldaan.”
“Doch ik niet over u! wat moet er van dit alles worden?”
“Hoe nu! is alles niet juist afgeloopen gelijk wij gewenscht hadden?”
“Gelijk gij gewenscht hadt, Pater!” zeide Ludwig, zich op een stoel werpende.
“Uw taal bevreemdt mij,” zeide Eugenio, de lamp zoodanig opnemende, dat het licht den Secretaris vlak op het gezicht scheen: “doch ja, uw verwilderd oog, uw meer dan gewone bleekheid, uw bevende lippen.... wat hebt gij toch gezien, dat u de bedaardheid ontnomen heeft, welke ik u tot heden altijd toegekend heb?”—Dit zeggende, plaatste hij de lamp weder voor zich en wachtte met een koel gelaat het antwoord des jongelings af.
“Vraagt gij nog, wat mij ontzet heeft?” riep Ludwig uit, weder opstaande en met groote schreden de kamer op en neder wandelende: “Heb ik niet, als een andere Judas, mijn meester verkocht?”
“Hmm!” bromde de Jezuïet: “uw meester is de Koning van Spanje.”
“De Koning van Spanje!” herhaalde Ludwig: “heeft de Koning van Spanje mij gevoed, gekleed, zijn gunst, ja zijn innig vertrouwen geschonken?”
“Gij zijt een gek,” zeide Eugenio, “na al hetgeen gij verricht hebt, zoudt gij thans, nu wij op het punt zijn van het doel te bereiken, waarvoor wij zooveel jaren gezwoegd hebben, door een bespottelijk, kinderachtig en volkomen onnut berouw gedreven, aan de deur des heils stilstaan, en alsof er niets gedaan ware, op uw voetstappen terugkeeren! Gij zijt als een schipper, die, een rijke lading van verre kusten, spijt storm en zeeroovers aangebracht hebbende, die in de haven overboord zoude werpen.”
“Gave de Hemel, dat ik alles als niet gedaan beschouwen mocht,” zeide Ludwig, met een diepen zucht: “dan zou het bloed van den jongen Graaf van Falckestein niet op mijn hoofd wegen.”
“Laat dat bloed voor rekening van hen, die het vergoten hebben,” bromde Eugenio.
“Dan zou de huichelachtige rol, welke ik twintig jaren gespeeld heb, mijn boezem niet drukken,” vervolgde Ludwig, meer en meer ontsteld.
“Voor al die leugens is u vergiffenis bezorgd,” merkte de Jezuïet, aan.
“Dan zou ik,” vervolgde Ludwig, zonder acht te geven op de woorden van den Pater, “mij niet te verwijten hebben, op een lagewijze het vertrouwen van den goeden, edelen Graaf misbruikt, zijn hand valschelijk nagemaakt, zijn eer vuig beklad en hem zelven met eigen handen aan de wraak eens driftigen broeders te hebben overgeleverd.”
“Gij hebt alleen mijn voorschriften gevolgd, en volgens de getuigenis van kundige godgeleerden, is de dienaar nimmer verantwoordelijk voor de daden, welke hij op last zijns meesters bedrijft.”
Ludwig stond stil en wierp een smadelijken blik op den Jezuïet. “Ziedaar wat mij het meeste hindert, dat ik op mijn jaren nog heb kunnen toestemmen, de houten pop te blijven, die geen andere bewegingen deed, dan die òf gij òf Magdalena mij toelieten te doen, dat ik de slaaf moest wezen van een paap en een geestdrijvende vrouw.”
“Die slavernij houdt voortaan op,” zeide Eugenio: “eens ons doel bereikt hebbende, wordt gij uw eigen meester, en een ouderdom van weelde en onafhankelijkheid zal u de gehoorzaamheid van jaren vergoeden.”
“En wie betaalt mij mijn verloren zielsrust?” vroeg Ludwig.
“Ik heb u reeds gezegd,” hernam Eugenio, “dat uw zonden u vergeven zijn. Wat kan u dan nog kwellen?”
“Al genoeg,” zeide de geheimschrijver, “al genoeg heb ik de afschuwelijke drogredenen, welke uw Sociëteit kenmerken, aangewend, om in mijn benepen hart de kalmte te doen terugkeeren: gisteren nog hadden uw grondbeginselen indruk op mijn geest; doch thans, nu het misdrijf gepleegd is, zie ik met ijzing op mijn gedrag. terug.”
“Er is niets dwazer,” zeide Eugenio, met de uiterste koelheid, “dan zich gepleegde daden te verwijten. Wat onherstelbaar is, kan niet herdaan worden: en evenals men de geheugenis van hetgeen men uit verkeerde beginselen bedreef, uit zijn geest moest wisschen, dient men ook het berouw deswege, als ondienstig en overtollig, uit zijn hart te verbannen: deze leer heb ik geheel mijn leven door in praktijk gebracht en er mij steeds wel bij bevonden. Geloof mij, Ludwig! ik behartig, door zoo te spreken, alleen uw rust en welzijn; in beide stel ik belang, meer dan gij denken of vermoeden kunt. Van uw kindsheid af zijt gij het voorwerp mijner trouwhartigste zorg en genegenheid geweest: en het grootste bewijs hiervan ligt daarin, dat ik u, in wien ik het afdruksel van mij zelven waande te beschouwen, tot het heerlijk werk heb verkozen, hetwelk gij tot nog toe met zooveel beleid en trouw vervuld, ja, ’t welk gij ten einde gebracht hebt. Na gedanen arbeid is de rust dubbel zoet, en, ofschoon ik, wiens leven aan de eer mijns Konings toegewijd geweest is, die rust nooit gesmaakt, ja nooit verlangd heb, wil ik u die laten genieten. De keuze waar, en in welken rang gij die wilt smaken, laat ik aan u over, en ik twijfel niet, of mijn invloed zal u den rang of de bediening doen verkrijgen, welke gij verlangen zult.”
Eugenio hoopte, door deze vooruitzichten aan den geldzuchtigen jongeling voor te stellen, de vlagen van een lastig, en in zijn oogenhoogst ontijdig berouw te verdrijven; doch Ludwig was te sterk ontroerd en buiten zichzelven, om thans gehoor te geven aan de koude drogredenen van den man, wiens hatelijke raadgevingen hem zoover op den weg van het misdrijf gebracht hadden. Ziende, dat de geheimschrijver zich niet langer door schoone beloften paaien liet, en dat zijn ontwaakt geweten door geen hoop op belooning meer tot rust zou kunnen gebracht worden, wendde hij het over een anderen boeg, en trachtte met klem van redeneering te betoogen, dat Ludwig in allen gevalle te ver gegaan was om weder terug te keeren: dat het zaad van tweedracht, door hem in een vruchtbaren akker geworpen, hoog was opgeschoten, diepe wortels gevat had en niet meer kon uitgeroeid worden: dat het Bestand met de week eindigde, waarna het vuur der muiterij alom stond uit te bersten, in één woord, dat het uur gekomen was, waarop men de vrucht van zoovele moeite en opofferingen smaken zoude. “En zoudt gij,” vervolgde hij, “dwaas genoeg zijn, om, in één oogenblik, ter voldoening van eenige belachelijke zwarigheden, den arbeid van jaren, niet voor anderen, maar voor u zelven om te stooten? Hebt gij nooit de fabel gelezen van den hond, die, zijns meesters spijskorf dragende, door andere honden werd overvallen, die hem de spijs trachtten te ontweldigen. Toen hij zag, dat hij tegen de menigte toch niet was opgewassen, maakte hij wijselijk van den nood een deugd, nam het beste deel en liet het overschot van den buit aan de hongerige aanvallers. Ziedaar een navolgenswaardig voorbeeld. Al treedt gij terug, gij kunt ons niet meer beletten, ons doel te bereiken. Het Stadhouderlijk gezag is aan het wankelen. Verraad, omkooping en wantrouwen beheerschen de raadsvergaderingen. Gelderland en het Sticht zijn den dag na het hervatten der vijandelijkheden in de handen der Spanjaards: de zonen van den Advocaat slijpen den dolk, die Maurits’ hart doorboren zal—en waar blijft gij dan met uw ontijdig berouw? Breng, zooals men zich in dit land uitdrukt, uw koetjes op ’t droge, eer de overstrooming hier have en huis komt wegspoelen, en blijf niet als een onberaden zot naakt en berooid op de deerlijke overblijfselen staan, omdat gij geen moeds genoeg bezit om u datgene vooruit te verzekeren, waarop gij bij deeling wettige aanspraak hadt.”
De welbespraaktheid des Paters was dezen keer geheel vruchteloos verspild, ja zelfs deed zij een tegenovergestelde uitwerking dan die, welke Eugenio er van verwachtte. Ludwig, die van nature een vreesachtige en lafhartige geaardheid bezat, en die thans minder door een oprecht berouw gedreven werd dan wel door den angst voor de straffen der hel, welke hij, in weerwil van ’s Paters geruststellende woorden, voor zijn voeten geopend zag, Ludwig voelde zich gedurig meer benauwd door de voorstellingen, die hem Eugenio deed, en welke hem hoe langer hoe meer het onvergoedbare van het door hem verrichte kwaad lieten zien. Zijn gemoedsangst had hem naar Eugenio gejaagd; zijn gemoedsangst deed hem weder verlangen in de opene lucht terug te keeren, en, zonder een woord te spreken, zou hij de kamer verlaten hebben, toen Eugenio hem, opden welbekenden strengen toon, aan welken bij altoos was gewend geweest gehoorzaam te zijn, gelastte te blijven.
Ludwig trad dan ook een stap terug; doch zijn hand verliet de kruk der deur niet.
“Wat gaat gij doen?” vroeg Eugenio.
Ludwig zweeg.
“Beken het veilig: gij gaat den Stadhouder opzoeken en alles aan hem verklappen.”
Ludwig sloeg de oogen neder, doch antwoordde niet.
“Hoe edel! hoe aandoenlijk!” zeide Eugenio, met een bitteren glimlach: “gij zult mij, die u, van kindsbeen af, heb voortgeleid en liefgehad, gij zult uw moeder, uw moeder, die alleen voor u zich zooveel opofferingen getroostte, die alleen voor u leeft, gij zult vrienden, die op uw trouw steunen, aan de beulen eens dwingelands prijsgeven.—Voorwaar, een schitterende heldendaad, en welke uw politieke loopbaan op een prachtige wijze besluiten zal.”
Ludwig wierp zich op een stoel en verborg zijn gezicht in zijn handen.
“En denkt gij,” vervolgde Eugenio, “dat deze trage bekentenis u baten zal?—Dat gij u daardoor voor straf zult vrijwaren?—Neen! neen! wij zullen op het schavot komen, doch gij zult er ons vergezellen. Welk een aandoenlijk familietafereel zal dat geven, als gij tusschen uw moeder en mij op het rad zult uitgestrekt zijn! ha! ha! ha! ik zie reeds, hoe de beul zijn vuurtje stookt en u met gloeiende tangen het vleesch uit het lijf haalt, om u voor uw waarheidspreken te beloonen.”
De akeligheid dezer voorstelling joeg Ludwig een kille huivering aan, die al zijn leden beven deed.
“Doch ik zie al,” zeide Eugenio, zijn stem verzachtende, “dat gij wijzer zijn zult en tot betere gedachten zijt teruggekeerd. Kom! wees een man, Ludwig! en geef u aan geen dwaze wanhoop over. Hoor! ik heb u lief,” vervolgde hij, Ludwig tot zich trekkende, “anders ware het vermoeden alleen, dat gij mij verraden wildet, genoegzaam om mij zonder verdere omwegen van u te ontslaan. Was uw leven niet aan het eind van dit pistool! En had het niet in mijn macht gestaan, u, eer gij een stap verder deedt, buiten de mogelijkheid te stellen, uw oogmerk te volvoeren? Wees bedaard! tracht wat te slapen! Na een goede nachtrust zult gij geheel anders denken.”
“Misschien,” zeide Ludwig, oprijzende: “ik zal ’t beproeven; doch hier in dit benauwde kot kan ik niet langer blijven; ’t is of ik stikken zal.”—Dit zeggende ontknoopte hij zijn buis.
“Ik zal u laten gaan, Ludwig! op één voorwaarde. Beloof mij, dat gij geen onberaden stap zult doen, dat gij nu naar uw nachtverblijf keeren en ter rust zult gaan. Morgenochtend kunt gij doen wat gij wilt: doch beloof mij thans te gaan slapen.”
“Ik beloof het u,” hernam de Secretaris, terwijl hij angstig het vertrek op en neder liep: “nog meer, ik beloof u, dat wat er ook geschiede, ik u niet betichten zal.”
“Gij zult noch mij, noch u zelven betichten, daar ben ik overtuigd van; doch, drink wat: uw zenuwen zijn aangedaan: een teugwijns zal u goeddoen”—Dit zeggende, ging de Pater naar het kabinetje, dat hem tot slaapvertrek diende, en kwam spoedig met een kan wijns en twee glazen terug.
Hoe hangen dikwijls de grootste gebeurtenissen van kleine omstandigheden af! Had Eugenio zich met de beloften van Ludwig tevreden gesteld en daarop vertrouwd, wellicht waren de Vereenigde Nederlanden, door binnenlandschen twist verscheurd, door verraad verkocht, opnieuw een deel van Spanje geworden. Doch de wantrouwende ziel des booswichts deed hem vreezen, dat Ludwig wellicht zijn woord niet houden zoude, en om zeker te zijn, dat deze hem dien nacht althans niet verraden zoude, had hij een slaapdrank onder dien wijn gemengd. Die slaapdrank redde de Nederlanden.
“Hier,” zeide hij, terwijl hij inschonk: “drink Ludwig!damus vinum his qui amaro sunt animo ut doloris sui non recordentur amplius,1gelijk devulgatazegt.”
Doch de geheimschrijver was niet minder wantrouwend dan zijn leermeester in de kunst van veinzerij. Eer hij dronk, hield hij het glas voor het licht en ontdekte dat de wijn bijzonder troebel en schijnbaar met een vreemd vocht vermengd was.
“Die wijn is vergiftigd!” riep hij, den Jezuïet met een vreeselijken blik aanziende.
“Zoo! de wijn is bedorven,” zeide Eugenio, en goot haastig het glas ledig.
“Dat zal ik gaan onderzoeken,” hernam Ludwig, en, de kan van de tafel nemende, wilde hij vertrekken.
“Sta!” riep Eugenio, hem met een ijzersterke vuist aangrijpende: “niet van uw plaats. Hoor mij eerst!”
Doch eer hij nog een woord tot verklaring van zijn gedrag had kunnen bijvoegen, sloeg Ludwig, dien de vreeselijke blik zoowel als de beweging van den Pater voor een moorddadigen aanval op zijn leven deden vreezen, hem met de wijnkan zoo geweldig in ’t gezicht, dat het bloed hem uit neus en mond sprong.
Bedwelmd van pijn tastte de Jezuïet naar zijn pistolen; doch Ludwig voorkwam hem, en, zijn mes uithalende, stootte hij het Eugenio tot het heft toe in de zijde. De gewonde stortte ruglings achterover: hij poogde te spreken; doch alleen door een afschuwelijken lach kon hij zijn zielsgevoelens uitdrukken.
Ter dood toe ontsteld, ijlde Ludwig, zoodra hij hem vallen zag, de deur uit, en nam, schier zonder te weten, den weg naar het oude Hof.
“Wie daar?” vroeg een onderofficier, die juist met eenige soldaten het paleis uitkwam, toen Ludwig het binnen wilde gaan.
“Ik ben de Secretaris van Z. D.”, gaf deze ten antwoord.
“Dan zijt gij juist de man dien wij zoeken: Z. Hoogh. verlangt u zoo dadelijk te spreken.”
“Ha! welkom!” riep de jongeling: “ik ook, ik moet Zijn Hoogheid spreken!—Alles in orde. Ik volg u, Mijn Heeren!”
1Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.
1Wij geven wijn aan hen, wier ziel met bitterheid vervuld is, opdat zij hunner droefheid niet meer indachtig zijn zouden.