Een-en-twintigste Hoofdstuk.

Een-en-twintigste Hoofdstuk.Ulrica, de eer en ’t leven van deez’ boorden.Juffr.Koolaert.Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring, waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging, bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen afstand bij een ander venster.De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.“Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!” zeide hij eindelijk, “sedert ik laatst vertrokken ben.”“Ik begrijp u niet,” antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij hem zeer wel begreep.Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: “zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?”“Daar is nog niets over bepaald,” antwoordde zij, opnieuw van kleur veranderende: “ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren.”“Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?” vroeg Joan, op een toon, die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit het eerst.“Wanneer zijt ge hier in ’t land teruggekomen?”“Gistermorgen van Nijmegen.”“Waar hebt gij dan vannacht geslapen?”“Bij Gheryt Maessen zekerlijk,” antwoordde Magdalena; “althans daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans aanheeft.”Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.“Heden, Joan!” zeide Ulrica: “waarom zijt gij gisteravond niet hier gekomen?”“Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen.” zeide Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, dat aan den wand hing.“Nu weet ik het!” riep hij uit, sprong op en ging de schilderij aandachtig beschouwen.“Wat weet gij?” vroeg Ulrica verwonderd.“Ja, hij is het!” vervolgde Joan: “het is dezelfde, die.... ja hij is het wel!”“Joan! zijt gij mal geworden?” vroeg Ulrica, angstig opstaande en zich aan zijn zijde voegende.“Gij hebt gelijk,” hernam hij: “Ik moet den schijn hebben van ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders spreken, lieve Ulrica!” vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats geleidende: “zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe maakt Geert het toch?”Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, in de zaal had plaats gehad.Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.“Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?” vroeg zij.Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.“Lieve Ulrica!” zeide hij: “ik zal doen wat ik als man van eer verplicht ben.”Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, op, en verliet het vertrek.“Ulrica!” riep Joan, zoodra zij vertrokken was: “is het in ernst waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?”“Mijn vader verlangt dat huwelijk,” antwoordde zij bevende.“Uw vader;.... maar gij?”“Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandighedendoen kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en....”“En gij bemint hem?”“Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man.”“En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!”“Joan!” hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: “ik had u bij uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?”“Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,” zeide Joan: “ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad, dat ik u nog heden met diezelfde....”“Stil!” viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: “gij zijt weder opweg om dat woord te breken.”“Welnu!” hervatte hij: “die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven.”“Onbarmhartige!” zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te bedwingen: “ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid, terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou.”Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en neder. “Ulrica!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: “die Ambtman is u niet waardig!”“Joan! Joan!” herhaalde zij met aandoening: “eerst gisteren zijt gij hier in ’t land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor ’t eerst, zoo gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten opzichte van hem—en van mij?”“Ik ben misschien te ver gegaan,” zeide hij. “Geloof mij, ik gevoel uw toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stapdien men u wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want,” vervolgde hij met nadruk, terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag: “ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om....”Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.“Laat ik u niet storen,” zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot een spotachtig lachje samentrekkende: “ik ga terstond weder heen en laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, elkaar veel te vertellen heeft.” Hier hield hij zich, als wilde hij weder vertrekken.“Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!” zeide Ulrica hem een zetel aanwijzende: “mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, dat geen derde hooren mag.”“Al te beleefd, al te vriendelijk,” hernam Mom, altijd met een glimlach op de lippen: “wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag.”“Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan,” zeide Joan.“De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan de kegelbaan zou zien,” hervatte de Ambtman.“Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen,” zeide Joan, zich verwijderende: “doch,” vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman bij de hand nemende: “vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele.”“Tot uw dienst,” zeide Mom.“Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?” vroeg Joan, hem op de schilderij wijzende.De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:“Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede.”“Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer beeltenis zou hebben kunnen dienen?”“Neen,” antwoordde Mom, droogjes: “en UEd.?”“Ik wel,” zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, wasde toer juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn bal uit de handen van Bouke aan.“Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!” zeide deze tegen de spelers. “Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren spoedig de baas zijn.”“Ik twijfel er aan,” zeide Joan: “ik heb in lang niet gespeeld en ben heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen.” Dit zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het spel begeven had en wachtte zijn beurt af.Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed, de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe, omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde, zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.“De koning! de koning!” riepen de spelers.“Dat telt negen punten,” zeide Bouke: “nu, Mijneheeren! wat heb ik u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met mij gekegeld had.””’t Is meer geluk dan wijsheid,” zeide de Baron. “Kom, Jonker!” vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: “gij zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is.”Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van ’t spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.“Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!” riep de Jonker van Scherpenzeel uit: “hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om te zien.”Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer het eerst spelen.“Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst,” zeide hij, “om te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen, welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders dit spel.”“Dat heb ik nooit gehoord,” zeide Scherpenzeel; “doch ik wilgaarne gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt.”“Welnu,” vervolgde Joan: “dan moet de voorste middelkegel er aan, met den koning: daar gaan zij!” En, met meer oplettendheid dan te voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder hen, wien het gelukte.“Pots tausent!” riep Botbergen: “zoude ik dat ook niet kunnen doen?” en deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen werkelijk om.”Dat is gewonnen!” riep hij.“Neen!” zeide Bouke: “dat is verloren. Gij hebt den koning niet met den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er tegen aan geworpen werd.”“Dat is onwaar,” hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: “de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid.”“En ik zeg van neen,” zei Bouke.“Pots dit en dat!” vloekte Elbert: “zult gij het mij heeten liegen?”“Dat zal ik,” hernam Bouke: “als de maan vol is schijnt zij overal.”“Houdaar!” zeide de vergramde speler, die door den drank was opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden dienaar zoo geweldig mede op ’t hoofd, dat hij wankelde.Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan, onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.“Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,” brulde Elbert.“Zeer gaarne,” antwoordde Joan; “doch thans niet. Wanneer gij morgen nuchter zijt,” fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor, “en u te zeven uren in ’t Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met pistool of degen af te wachten.”“Ik zal er wezen,” antwoordde Elbert, op denzelfden toon: “Heer Baron!” zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de andere Heeren stond uit te lachen: “wanneer ik hier voor spot en mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun mij, dat ik mijn afscheid neme.”Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven Ulrica verlaten had.“Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?” vroeg Mom met bevreemding.“Ik moet wel,” zeide Elbert: “ik gevoel weinig lust om door dat bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het eeuwig verd....”“Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen,” viel hem de Ambtman met een schamperen lach in de rede: “gij hebt mij fraaie angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij.”“Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo gelogenstraft ware geworden.”“Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge zijt misschien bang alleen op den weg.”“Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,” zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde hij weg.“Ga maar!” zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. “Had ik ooit zulk een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des wouds wil achterlaten.”Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena.“Welnu?” vroeg zij.“Welnu!” herhaalde Mom: “ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen.”“Ik begeer geen loon,” zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: “denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs, verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, door de goede zaak te doen zegevieren.”“Daaraan zijn wij bezig,” hervatte Mom, “gij kunt aan Pater Eugenio, die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die....”“Die niets zullen uitrichten,” viel Magdalena hem in de rede: “omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen, maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronkenGroenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en, tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken.”“Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren,” hernam de Ambtman: “en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken.”“Niet?” zeide Magdalena, op een gestrengen toon: “en den eed, dien gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw naderhand aan den Aartshertog verpanddet?”“Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden,” antwoordde Mom.“En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord even gaarne ontslaan willen.—Doch gij spreekt wel;gij zijt te ver gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen Vicaris aan te bevelen.” Met deze woorden verliet zij hem.“Den Vicaris!” mompelde de Ambtman: “dat satansche wijf weet alles! ’t is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt.”Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica’s kamenier tevreden moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geventot het huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen, en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en tabakrooken vermaakten.“Heer Baron!” ving hij aan: “Ik heb zooeven een gesprek met uw bekoorlijke dochter gevoerd.” Hier stond Joan op en wilde zich verwijderen.—“Verschoon mij, Jonker!” vervolgde de Ambtman: “uw bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was.”Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: “Wat! haar hart niet meer vrij?” riep hij met verbazing en ergernis uit: “waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten.”“Verschoon mij, Heer Baron!” hernam Mom met veel bedaardheid: “een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat meer zegt,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, “het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij dienietgedaan had.”“Wat!” herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans gevolgd waren: “versta ik u wel? en is....”—Hier zweeg hij, als wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.“Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!” antwoordde de Ambtman.De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij brak het stilzwijgen.“Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!”“Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht,” zeide Mom: “doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?”“Joan!” riep Reede in gramschap uit: “is het waarheid wat de Ambtman zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?”Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw bedekte.“Is het mogelijk! Joan!” herhaalde de Baron: “Joan! ik verheugde mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij op het slagveld.... of ten minste,” zeide hij, zich hervattende, “dat gij hier ver vandaan gebleven waart.”“Bedaar, edele vriend!” zeide Mom: “hoe kan een zoo natuurlijke genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren.”“Die ik opgewekt heb?” herhaalde Reede, met drift: “nu ja, misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?—Wilt gij, dat ik mijn dochter geve aan.... aan....” Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij te ver ging.“Aan den Jonker van Craeihorst,” hernam de Ambtman, altijd even bedaard blijvende: “is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is zijn adel niet zuiver?”“Wat geslacht? wat adel?” zeide de Baron: “ja! als dat bewezen ware.”“Hoe!” zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: “is de Jonker niet uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt, omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?”“Een fraaie neef!” bromde de Heer van Sonheuvel: “een Spanjoolsch kind!”“Wat hoor ik?” riep Mom: “is de Jonker een Spanjaard?”“Wie ik ook wezen moge,” riep Joan, zich een traan uitwisschende, “een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem vervullen. Neen!” vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den beginne zwak en stamelend was, onder ’t spreken vaster en fierder werd: “neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan ’t geen ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen door die achting nog draaglijk bleef.”Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid, schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekendegeboorte haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.“Nu, nu!” zeide hij, “jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan dit alles gekomen zijt?”.... Hier zag hij dezen vragende aan.“En ik,” zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, “ben u, Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige vergetelheid hadden gewenscht te begraven.”“Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien,” zeide Mom, zich buigende op een vriendelijken toon: “doch ik wist niet, dat er redenen bestonden, welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog,” vervolgde hij met ernst,”ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben.”“In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld,” zeide Joan, “en verzoek u om verschooning.”“Nu!” zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid redde, waar hij zich in bevond, “wij zullen over dit gansche geval wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen, en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens over zeggen. Intusschen,” voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: “hetgeen ik u eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten, zoo ze er al ooit in gezeten hebben, ’t geen ik niet gelooven kan; want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd.”Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, ’t welk hij zoo hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons, en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering de drukten van den dag te vergeten.Twee-en-twintigste Hoofdstuk.Ons afscheit was, hy zouVerzeker op dees uur alhier zich laten vinden.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad,voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad.“Ik verlangde reeds u te zien, Pater!” zeide Mom: “om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen.”“En ik,” zeide Eugenio, “ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten komen.”“Hoe! gij wist dan reeds?....”“Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen.”“Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene.”“En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?” vroeg Eugenio: “betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend en voedsterbroeder?”“Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan.” antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden.“Alzoo een medevrijer!”“Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de zaak verkorven.”“Laat die zorg aan mij over,” hernam de Jezuïet: “eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen.”“Ja, doch er is nog eenmaar....”“Wat de bezittingen des Barons betreft?—nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader inquaestie, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman.”“Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te laten besturen.”“Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste,” zeide Eugenio, zich buigende.“Ik erken die goedheid dankbaar,” herman de Ambtman: “gij kent dan dien schoonvader?”“Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem inconferentiegeweest.”“Hij is hier!” riep de Ambtman: “en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen.”“Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheidkennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië: hij bemint noch het verraad, noch de verraders.”“Hoe!” riep Mom, opvliegende: “wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit.”“Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen,” zeide Eugenio met veel koelheid: “ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt.”“Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?”“Hij heeft hun gisteren zijnCredentialengetoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken.”“Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren.”“Zijn invloed!” herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: “die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken.”“En,” vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: “hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?”“Groenhof?—O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek, ’t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken.”“Waarlijk,” zeide Mom met een schamperen lach: “ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt.”“Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard,” vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: “waarlijk, ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware.”“Nu genoeg van hem.—En Stoutenburg?”“Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo ’t echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op ’t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden.”“Een stout voornemen!—En de Wederdoopers?”“Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.—Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, Leendertz en Groenhof te laten opwinden.”“En gij zelf?”“Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding, dat de Aartshertog overleden is.”“Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?”“Ik,” antwoordde de Jezuïet: “ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.—Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder ’t een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat.”“Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken.”“Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?—Vrees niets, eer ’t jaar een dag ouder is, zal deze u een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen vijandschap geraken moeten.”“Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert:divide et impera1. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?”“Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!—Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak,” voegde hij er grijnzend bij.“Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan,” zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke uitdrukking bespeurende, welke Eugenio’s trekken aannamen: “doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan,” voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken.Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, ’t welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, ’t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden blik in ’t rond.“Wel kijk!” zeide Bouke: “geen jager zoo vroeg in ’t veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?”“Laat mij gaan,” zeide Joan: “laat mij gaan Bouke! ik heb haast.”“Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt,” hernam de oude dienaar:“’t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden.”“Ik moet alleen uit, beste vriend,” zeide Joan, zich los willende maken.“Kom!” zeide Bouke: “met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag.”“En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken.”“Dat weet ik,” zeide Bouke: “denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in ’t schild voert? Men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is.”“Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen.”“Dat begrijp ik heel wel,” hernam de onverzettelijke Bouke: “maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij ’t laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan.”“Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken.”“Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak.”“Als het dan zoo wezen moet, ga dan in ’s Hemels naam met mij: doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je terstond weder terug.”“Dat ’s afgesproken!” riep Bouke verheugd: “en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar moet er een achter de deur staan.”Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant, en die, ’s winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest gekomen zijn.“Hij moet reeds binnen zijn,” zeide Joan tot zijn metgezel: “en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken.”“Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben,” antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen.“Niet alzoo, Bouke!” zeide Joan: “wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb.”“Daar staat die lange slungel al aan ’t einde van de laan,” zeide Bouke zachtjes: “ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier.” Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken, toen deze hem, bij ’t afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den Arminiaan Van Dyk deed herkennen.“Wat heeft dit te beduiden?” vroeg Joan, verbaasd terugtredende: “ik dacht hier....”’“Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden,” zeide de Jezuïet: “en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt, het bloed van uwen naaste te plengen.”“Ik had zeker moeten begrijpen,” hervatte Joan: “dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.—Doch, waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst.” Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag.“Gij misduidt mij, jongeling!” zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, “als geestelijke kom ik hier, om woorden van vrede tot u te spreken.”“Woorden van vrede!” herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: “gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn welverdiende straf zal laten ontgaan.”“Ik vrees,” hernam de zoon van Lojola, “dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen.”“Waarom dan is hij zelf niet gekomen” vroeg Joan: “hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen,dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten.” Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.“Een oogenblik, jongeling!” zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: “ons gesprek is nog niet afgeloopen.”“Hebt gij mij niet verstaan?” vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.“Zeer wel,” hernam de Pater: “maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een ellendige dronkenmanskibbelarij.”“Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen,” zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, “of gij hadt er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?”“Ik weet dit alles,” zeide Eugenio: “doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort.”“Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze,” hernam de jongeling: “maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde.”“Ik ben geencasuïst,” zeide Eugenio: “en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste te ontblooten.”“Gij zijt dus een geestelijke?” hernam Joan: “doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen heb gezien.”“Ik behoor tot de eenige ware Kerk,” zeide de Jezuïet.“Dat zeggen alle geestelijken,” hernam Joan: “doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag.”“Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan,” zeide Eugenio, met een ernstigen blik.“Mijn vader!” riep Joan: “Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?”“Wie spreekt van dien moordenaar?” vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken zouden: “ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?”“Mijn God! kent gij hem?” vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte.“Hij was mijn vriend,” zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende.“Hij was!.... hij is dan niet meer?” vroeg Joan, de armen latende vallen.“In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord.”“Velasco mijn vader!” riep Joan: “en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet.”“De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht,” hernam de Jezuïet, “laat somtijds den leeuwenwelp in ’t leven en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal.”“O God!” riep Joan, de handen wringende; “zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel....”“Uws vaders moordenaar.—Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen.”“Neen!” zeide Joan: “de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk.”“Lees de geschiedenissen van zijn tijd,” zeide Eugenio met koelheid: “daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht,” voegde hij er bij, met een verachtelijken blik, “dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt.”“Mensch!” riep Joan radeloos uit: “martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze.”“Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd,” hernam Eugenio: “even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen.”“Ik weet niet,” zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: “ik weet niet wat gij bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen.”“Ik leg u geen plicht op,” zeide de Jezuïet: “ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprakuw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan ’s vaders laatsten wensch niet wil voldoen.”“Kan ik,” vroeg Joan, “mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?”“Gij stelt het vraagpunt verkeerd,” zeide Eugenio: “vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?—dan zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen.”“Een oogenblik!” riep Joan, hem met drift terughoudende: “tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?”“Welke waarborgen?” herhaalde de Jezuïet: “dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden.”“Zóó laat ik u niet gaan,” zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet tegenhield, die zich zocht te verwijderen: “gij zijt mij meerdere opheldering schuldig.”“Tot uw dienst,” hervatte Eugenio: “doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker.”“Ik sta voor uw leven in,” zeide Joan haastig: “doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd te erkennen?”“Vraag hem dit zelf,” antwoordde de Jezuïet: “hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen.”“Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?”“Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik vervullen moest.”“En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?”“Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd,”antwoordde Eugenio met hoogheid: “en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe.”“Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?”“In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht.”Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit:“En mijn moeder?”“In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden,” antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard aantuimelen.Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het onderhoud voorviel, in ’t boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld hebben, met kracht aan te grijpen. “Ja,” riep hij, “loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!” Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om ’t lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl hijhem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.—Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden.“Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?” vroeg de jongeling, “wat is dit voor een razende dolheid?”“Laat mij begaan, Jonker!” brulde Bouke: “dood bloed geen nood doet!”“Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt,” zeide de Jezuïet tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: “deze man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars.”“Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!” galmde Bouke: “Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood.”“Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan,” zeide Eugenio, Joan scherp aanziende.“Dat heb ik,” zeide Joan: “doch maak u weg, eer ’t te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden.”“Ha! daar komt versterking,” riep Bouke: “Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!—Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!”“Wat is hier te doen?” vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had.“Wat gebeurt er?” riep hij, met spoed aan komende loopen.“Een zonderling geval, Mijnheer!” antwoordde Eugenio: “die kerel valt mij op ’t onverwachtst met een mes op ’t lijf, zonder dat ik hem in ’t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is.”“Kent UEd. hem niet?” riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: “het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!”“Wat Jezuïet? wat Panne?” vroeg Eugenio, met eenglimlach: “de vent is razend.”“Waarlijk!” zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: “ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!”“Ben ik het?” hernam de Jezuïet: “weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend baldadig hadt vermoord.”Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord van Velasco sloeg.Waarschijnlijk had zich de Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar was.“Welnu schelm!” zeide de Baron: “zoo gij het zelf bekent, geef u dan over.”“Dat niet,” hernam Eugenio, “zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!” Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden blik op Joan.“Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!” riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: “hij was de vriend mijns vaders.”“Joan, ga ter zijde!” riep de Baron: “zult gij met dien moordenaar één lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat.”“Wie hij zijn moge,” zeide Joan: “ik heb voor zijn veiligheid ingestaan.”“Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?” vroeg Reede met verwoedheid: “om ’t even! geef u over schurk van een Jezuïet!”Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover en van ’t paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: “want,” zeide de Baron: “de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven.”—Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.—Op het zien dier menigte staakteEugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht.En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen.“Welnu, Joan!” zeide Reede: “uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?”“Heer Baron!....” zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio, in ’t heengaan, een doordringenden blik op hem. “Denk aan uw eed,” zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem.De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen.1Verdeel en heersch.

Een-en-twintigste Hoofdstuk.Ulrica, de eer en ’t leven van deez’ boorden.Juffr.Koolaert.Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring, waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging, bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen afstand bij een ander venster.De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.“Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!” zeide hij eindelijk, “sedert ik laatst vertrokken ben.”“Ik begrijp u niet,” antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij hem zeer wel begreep.Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: “zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?”“Daar is nog niets over bepaald,” antwoordde zij, opnieuw van kleur veranderende: “ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren.”“Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?” vroeg Joan, op een toon, die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit het eerst.“Wanneer zijt ge hier in ’t land teruggekomen?”“Gistermorgen van Nijmegen.”“Waar hebt gij dan vannacht geslapen?”“Bij Gheryt Maessen zekerlijk,” antwoordde Magdalena; “althans daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans aanheeft.”Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.“Heden, Joan!” zeide Ulrica: “waarom zijt gij gisteravond niet hier gekomen?”“Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen.” zeide Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, dat aan den wand hing.“Nu weet ik het!” riep hij uit, sprong op en ging de schilderij aandachtig beschouwen.“Wat weet gij?” vroeg Ulrica verwonderd.“Ja, hij is het!” vervolgde Joan: “het is dezelfde, die.... ja hij is het wel!”“Joan! zijt gij mal geworden?” vroeg Ulrica, angstig opstaande en zich aan zijn zijde voegende.“Gij hebt gelijk,” hernam hij: “Ik moet den schijn hebben van ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders spreken, lieve Ulrica!” vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats geleidende: “zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe maakt Geert het toch?”Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, in de zaal had plaats gehad.Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.“Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?” vroeg zij.Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.“Lieve Ulrica!” zeide hij: “ik zal doen wat ik als man van eer verplicht ben.”Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, op, en verliet het vertrek.“Ulrica!” riep Joan, zoodra zij vertrokken was: “is het in ernst waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?”“Mijn vader verlangt dat huwelijk,” antwoordde zij bevende.“Uw vader;.... maar gij?”“Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandighedendoen kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en....”“En gij bemint hem?”“Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man.”“En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!”“Joan!” hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: “ik had u bij uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?”“Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,” zeide Joan: “ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad, dat ik u nog heden met diezelfde....”“Stil!” viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: “gij zijt weder opweg om dat woord te breken.”“Welnu!” hervatte hij: “die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven.”“Onbarmhartige!” zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te bedwingen: “ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid, terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou.”Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en neder. “Ulrica!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: “die Ambtman is u niet waardig!”“Joan! Joan!” herhaalde zij met aandoening: “eerst gisteren zijt gij hier in ’t land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor ’t eerst, zoo gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten opzichte van hem—en van mij?”“Ik ben misschien te ver gegaan,” zeide hij. “Geloof mij, ik gevoel uw toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stapdien men u wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want,” vervolgde hij met nadruk, terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag: “ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om....”Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.“Laat ik u niet storen,” zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot een spotachtig lachje samentrekkende: “ik ga terstond weder heen en laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, elkaar veel te vertellen heeft.” Hier hield hij zich, als wilde hij weder vertrekken.“Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!” zeide Ulrica hem een zetel aanwijzende: “mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, dat geen derde hooren mag.”“Al te beleefd, al te vriendelijk,” hernam Mom, altijd met een glimlach op de lippen: “wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag.”“Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan,” zeide Joan.“De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan de kegelbaan zou zien,” hervatte de Ambtman.“Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen,” zeide Joan, zich verwijderende: “doch,” vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman bij de hand nemende: “vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele.”“Tot uw dienst,” zeide Mom.“Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?” vroeg Joan, hem op de schilderij wijzende.De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:“Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede.”“Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer beeltenis zou hebben kunnen dienen?”“Neen,” antwoordde Mom, droogjes: “en UEd.?”“Ik wel,” zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, wasde toer juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn bal uit de handen van Bouke aan.“Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!” zeide deze tegen de spelers. “Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren spoedig de baas zijn.”“Ik twijfel er aan,” zeide Joan: “ik heb in lang niet gespeeld en ben heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen.” Dit zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het spel begeven had en wachtte zijn beurt af.Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed, de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe, omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde, zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.“De koning! de koning!” riepen de spelers.“Dat telt negen punten,” zeide Bouke: “nu, Mijneheeren! wat heb ik u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met mij gekegeld had.””’t Is meer geluk dan wijsheid,” zeide de Baron. “Kom, Jonker!” vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: “gij zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is.”Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van ’t spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.“Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!” riep de Jonker van Scherpenzeel uit: “hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om te zien.”Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer het eerst spelen.“Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst,” zeide hij, “om te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen, welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders dit spel.”“Dat heb ik nooit gehoord,” zeide Scherpenzeel; “doch ik wilgaarne gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt.”“Welnu,” vervolgde Joan: “dan moet de voorste middelkegel er aan, met den koning: daar gaan zij!” En, met meer oplettendheid dan te voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder hen, wien het gelukte.“Pots tausent!” riep Botbergen: “zoude ik dat ook niet kunnen doen?” en deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen werkelijk om.”Dat is gewonnen!” riep hij.“Neen!” zeide Bouke: “dat is verloren. Gij hebt den koning niet met den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er tegen aan geworpen werd.”“Dat is onwaar,” hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: “de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid.”“En ik zeg van neen,” zei Bouke.“Pots dit en dat!” vloekte Elbert: “zult gij het mij heeten liegen?”“Dat zal ik,” hernam Bouke: “als de maan vol is schijnt zij overal.”“Houdaar!” zeide de vergramde speler, die door den drank was opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden dienaar zoo geweldig mede op ’t hoofd, dat hij wankelde.Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan, onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.“Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,” brulde Elbert.“Zeer gaarne,” antwoordde Joan; “doch thans niet. Wanneer gij morgen nuchter zijt,” fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor, “en u te zeven uren in ’t Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met pistool of degen af te wachten.”“Ik zal er wezen,” antwoordde Elbert, op denzelfden toon: “Heer Baron!” zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de andere Heeren stond uit te lachen: “wanneer ik hier voor spot en mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun mij, dat ik mijn afscheid neme.”Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven Ulrica verlaten had.“Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?” vroeg Mom met bevreemding.“Ik moet wel,” zeide Elbert: “ik gevoel weinig lust om door dat bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het eeuwig verd....”“Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen,” viel hem de Ambtman met een schamperen lach in de rede: “gij hebt mij fraaie angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij.”“Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo gelogenstraft ware geworden.”“Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge zijt misschien bang alleen op den weg.”“Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,” zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde hij weg.“Ga maar!” zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. “Had ik ooit zulk een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des wouds wil achterlaten.”Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena.“Welnu?” vroeg zij.“Welnu!” herhaalde Mom: “ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen.”“Ik begeer geen loon,” zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: “denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs, verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, door de goede zaak te doen zegevieren.”“Daaraan zijn wij bezig,” hervatte Mom, “gij kunt aan Pater Eugenio, die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die....”“Die niets zullen uitrichten,” viel Magdalena hem in de rede: “omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen, maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronkenGroenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en, tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken.”“Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren,” hernam de Ambtman: “en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken.”“Niet?” zeide Magdalena, op een gestrengen toon: “en den eed, dien gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw naderhand aan den Aartshertog verpanddet?”“Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden,” antwoordde Mom.“En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord even gaarne ontslaan willen.—Doch gij spreekt wel;gij zijt te ver gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen Vicaris aan te bevelen.” Met deze woorden verliet zij hem.“Den Vicaris!” mompelde de Ambtman: “dat satansche wijf weet alles! ’t is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt.”Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica’s kamenier tevreden moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geventot het huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen, en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en tabakrooken vermaakten.“Heer Baron!” ving hij aan: “Ik heb zooeven een gesprek met uw bekoorlijke dochter gevoerd.” Hier stond Joan op en wilde zich verwijderen.—“Verschoon mij, Jonker!” vervolgde de Ambtman: “uw bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was.”Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: “Wat! haar hart niet meer vrij?” riep hij met verbazing en ergernis uit: “waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten.”“Verschoon mij, Heer Baron!” hernam Mom met veel bedaardheid: “een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat meer zegt,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, “het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij dienietgedaan had.”“Wat!” herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans gevolgd waren: “versta ik u wel? en is....”—Hier zweeg hij, als wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.“Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!” antwoordde de Ambtman.De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij brak het stilzwijgen.“Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!”“Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht,” zeide Mom: “doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?”“Joan!” riep Reede in gramschap uit: “is het waarheid wat de Ambtman zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?”Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw bedekte.“Is het mogelijk! Joan!” herhaalde de Baron: “Joan! ik verheugde mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij op het slagveld.... of ten minste,” zeide hij, zich hervattende, “dat gij hier ver vandaan gebleven waart.”“Bedaar, edele vriend!” zeide Mom: “hoe kan een zoo natuurlijke genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren.”“Die ik opgewekt heb?” herhaalde Reede, met drift: “nu ja, misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?—Wilt gij, dat ik mijn dochter geve aan.... aan....” Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij te ver ging.“Aan den Jonker van Craeihorst,” hernam de Ambtman, altijd even bedaard blijvende: “is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is zijn adel niet zuiver?”“Wat geslacht? wat adel?” zeide de Baron: “ja! als dat bewezen ware.”“Hoe!” zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: “is de Jonker niet uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt, omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?”“Een fraaie neef!” bromde de Heer van Sonheuvel: “een Spanjoolsch kind!”“Wat hoor ik?” riep Mom: “is de Jonker een Spanjaard?”“Wie ik ook wezen moge,” riep Joan, zich een traan uitwisschende, “een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem vervullen. Neen!” vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den beginne zwak en stamelend was, onder ’t spreken vaster en fierder werd: “neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan ’t geen ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen door die achting nog draaglijk bleef.”Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid, schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekendegeboorte haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.“Nu, nu!” zeide hij, “jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan dit alles gekomen zijt?”.... Hier zag hij dezen vragende aan.“En ik,” zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, “ben u, Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige vergetelheid hadden gewenscht te begraven.”“Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien,” zeide Mom, zich buigende op een vriendelijken toon: “doch ik wist niet, dat er redenen bestonden, welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog,” vervolgde hij met ernst,”ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben.”“In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld,” zeide Joan, “en verzoek u om verschooning.”“Nu!” zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid redde, waar hij zich in bevond, “wij zullen over dit gansche geval wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen, en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens over zeggen. Intusschen,” voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: “hetgeen ik u eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten, zoo ze er al ooit in gezeten hebben, ’t geen ik niet gelooven kan; want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd.”Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, ’t welk hij zoo hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons, en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering de drukten van den dag te vergeten.

Ulrica, de eer en ’t leven van deez’ boorden.Juffr.Koolaert.

Ulrica, de eer en ’t leven van deez’ boorden.

Juffr.Koolaert.

Ulrica was in de benedenzaal met Magdalena bezig met borduren, toen Joan binnentrad, toesnelde en haar met al de onstuimige driften eens jongelings in de armen drukte. Schoon zij reeds door een der dienaars van zijn terugkomst verwittigd was geweest, en door de verwarring, waarin die tijding haar gebracht had, niets meer deed dan broddelen, was zij nog niet genoeg voorbereid om hem te zien en deed zijn plotselinge verschijning haar ontstellen. Magdalena rees met hare gewone deftigheid op, groette den Jonker met eene diepe neiging, bood hem haar zetel naast Ulrica aan en plaatste zich op eenigen afstand bij een ander venster.

De jonge lieden bleven eenigen tijd als sprakeloos naast elkander zitten: Joan hield de eene hand zijner pleegzuster in de zijne geklemd en zag haar aan met een gloeiend gelaat en fonkelende oogen, terwijl de Jonkvrouw verward en blozend voor zich keek. Dan, toen de eerste zielsbedwelming voorbij was, scheen een denkbeeld beiden op eens te treffen: Ulrica trok met schrik haar hand terug en schoof haar stoel achteruit, en Joan liet de armen vallen, zuchtte diep en zag voor zich.

“Alles is hier zeer veranderd, Ulrica!” zeide hij eindelijk, “sedert ik laatst vertrokken ben.”

“Ik begrijp u niet,” antwoordde zij met een flauwe stem, schoon zij hem zeer wel begreep.

Joan zuchtte, zweeg wederom en streelde de grauwe haren van Veltman, die hem gevolgd was en voor zijn voeten lag. Na eenige oogenblikken poogde hij het gesprek te hervatten, en vroeg met schroomvalligheid: “zullen wij u welhaast Mevrouw Mom kunnen heeten?”

“Daar is nog niets over bepaald,” antwoordde zij, opnieuw van kleur veranderende: “ik weet niet, of dat wel ooit zal gebeuren.”

“Nu! wij willen hopen.... van ja, nietwaar?” vroeg Joan, op een toon, die het tegendeel zeide. Hij ontving geen antwoord, en beiden bewaarden gedurende eenige oogenblikken een diep stilzwijgen. Ulrica brak dit het eerst.

“Wanneer zijt ge hier in ’t land teruggekomen?”

“Gistermorgen van Nijmegen.”

“Waar hebt gij dan vannacht geslapen?”

“Bij Gheryt Maessen zekerlijk,” antwoordde Magdalena; “althans daar hing diezelfde degenhanger in den schoorsteen welke UEd. thans aanheeft.”

Ulrica bloosde opnieuw zeer sterk, en Joan keek weder voor zich.

“Heden, Joan!” zeide Ulrica: “waarom zijt gij gisteravond niet hier gekomen?”

“Ik was.... ik had.... ik zal dat wel eens nader vertellen.” zeide Joan, een zijdelingschen blik op Magdalena werpende. In deze beweging viel zijn oog op het afbeeldsel van den Prior Frederik van Sonheuvel, dat aan den wand hing.

“Nu weet ik het!” riep hij uit, sprong op en ging de schilderij aandachtig beschouwen.

“Wat weet gij?” vroeg Ulrica verwonderd.

“Ja, hij is het!” vervolgde Joan: “het is dezelfde, die.... ja hij is het wel!”

“Joan! zijt gij mal geworden?” vroeg Ulrica, angstig opstaande en zich aan zijn zijde voegende.

“Gij hebt gelijk,” hernam hij: “Ik moet den schijn hebben van ijlhoofdig te zijn: nu, dat zal zich wel oplossen: ik moet uws vaders oordeel hierover eens weten; doch laten wij van iets anders spreken, lieve Ulrica!” vervolgde hij, haar weder naar haar zitplaats geleidende: “zeg mij toch: hoe varen Dominee en zijn vrouw? en hoe maakt Geert het toch?”

Ulrica voldeed aan zijn vragen: haar antwoorden lokten wederom nieuwe vragen uit, en het onderhoud verlevendigde zich, totdat Ulrica eindelijk vroeg, wat er toch, een oogenblik na Joans terugkomst, in de zaal had plaats gehad.

Joan voldeed aan hare nieuwsgierigheid.

“Gij zult u toch aan geen gevaren blootstellen?” vroeg zij.

Deze woorden werden door een zoo beminnelijk lachje vergezeld en de oogen der bevallige schoone vestigden een zoo deelnemenden blik op den jongeling, dat hij, innig geroerd, haar hand weder in de zijne sloot.

“Lieve Ulrica!” zeide hij: “ik zal doen wat ik als man van eer verplicht ben.”

Hier stond Magdalena, die uit het venster in den tuin had gezien, op, en verliet het vertrek.

“Ulrica!” riep Joan, zoodra zij vertrokken was: “is het in ernst waar? Zal de Ambtman Mom uw man worden?”

“Mijn vader verlangt dat huwelijk,” antwoordde zij bevende.

“Uw vader;.... maar gij?”

“Het is misschien de beste keus, die ik in mijn omstandighedendoen kan. Mijn vader is er op gesteld, dat ik een goed huwelijk doe: en....”

“En gij bemint hem?”

“Ik houd hem voer een eerlijk, achtenswaardig man.”

“En daarom alleen zult gij hem huwen? Ulrica! speel niet met uw geluk!”

“Joan!” hernam zij op een zachten, weemoedigen toon: “ik had u bij uw terugkomst geheel anders verwacht. Zijn dit de beloften, die gij mij bij uw vertrek van hier hebt gedaan?”

“Ik herinner mij die belofte te wel, om die ooit te verbreken,” zeide Joan: “ja, ik heb u beloofd, dat ik een dwaze en hopelooze liefde zou pogen te onderdrukken, dat ik u voortaan, gelijk in onze kindsche dagen, alleen als zuster zou beschouwen: aan dat gegeven woord zal ik gestand blijven, en niemand dan gij zal immer weten, dat ik u eenmaal met een andere dan broederlijke teerheid liefhad, dat ik u nog heden met diezelfde....”

“Stil!” viel hem Ulrica met een gestrengen blik in de rede: “gij zijt weder opweg om dat woord te breken.”

“Welnu!” hervatte hij: “die dwaze liefde daargelaten, geeft mij de naam van broeder, dien gij mij vergunt te behouden, dan geen recht om in het geluk mijner zuster het teederst belang te stellen? Gij bemint den Ambtman niet, gij koestert alleen achting voor zijn karakter: gij neemt hem, ik moet u openhartig mijn gedachte zeggen, alleen om mij alle hoop voor de toekomst af te snijden, om u zelve te behoeden tegen een genegenheid, die u schuldig voorkomt. Doch ik ben verplicht, als broeder verplicht, u te waarschuwen, dat uw huwelijk nimmer gelukkig kan uitvallen, wanneer het alleen gesloten wordt, om een ander dieper ingeworteld gevoel uit te roeien of te verdooven.”

“Onbarmhartige!” zeide Ulrica, terwijl zij haar tranen poogde te bedwingen: “ga voort, het staat u schoon, mijn droefheid te vergrooten door zulke onwaardige veronderstellingen. Ik had niet verwacht Joan, dat gij het eerste uur, dat wij ons na zoo een lange afwezigheid, terugzien, zoudt besteden, met mij een beschuldiging te doen hooren, die mij, zoo zij gegrond ware, in mijn eigen oogen vernederen zou.”

Joan gevoelde dit verwijt, stond op en wandelde de zaal op en neder. “Ulrica!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens: “die Ambtman is u niet waardig!”

“Joan! Joan!” herhaalde zij met aandoening: “eerst gisteren zijt gij hier in ’t land gekomen. Heden ziet gij den Ambtman voor ’t eerst, zoo gij hem al met kennis gezien hebt. Hoe kunt gij dus zoo lichtvaardig oordeel vellen over iemand, die misschien eenmaal recht zal hebben op mijn eerbied, op mijn gehoorzaamheid, op mijn liefde. Is deze handelwijze billijk, is zij grootmoedig, is zij vriendelijk ten opzichte van hem—en van mij?”

“Ik ben misschien te ver gegaan,” zeide hij. “Geloof mij, ik gevoel uw toestand, ik schat de opoffering, die gij wellicht zult doen, op haar waarde; doch ik bezweer u, bij uw geluk, overdenk den stapdien men u wil laten doen, nog eenmaal ernstig en bedaard: en vooral.... tracht berichten in te winnen omtrent den Ambtman, nauwkeuriger dan gij tot nu toe hebt kunnen bekomen. Want,” vervolgde hij met nadruk, terwijl hij haar hand vatte en haar recht broederlijk in de oogen zag: “ik zou ongaarne zien, dat gij uw lot verbondt aan iemand, wiens inborst en gedrag mij althans nog te geheimzinnig voorkomen, om....”

Op dit oogenblik trad de man, van wien hij sprak, de kamer in.

Als een schuldige liet Joan de hand der Jonkvrouw varen, en trad achteruit, terwijl zijn gelaat zich met een hoogrood overdekte. Ulrica werd bleek, schoof haar zetel terug en wischte haastig haar tranen weg.

“Laat ik u niet storen,” zeide Mom, zich buigende en zijn mond tot een spotachtig lachje samentrekkende: “ik ga terstond weder heen en laat u samen. Ik begrijp, dat men, na zulk een lange afwezigheid, elkaar veel te vertellen heeft.” Hier hield hij zich, als wilde hij weder vertrekken.

“Wees zoo goed en blijf, Heer Ambtman!” zeide Ulrica hem een zetel aanwijzende: “mijn broeder en ik zullen nog genoeg gelegenheid hebben elkander te spreken: daarenboven hebben wij thans niets te zeggen, dat geen derde hooren mag.”

“Al te beleefd, al te vriendelijk,” hernam Mom, altijd met een glimlach op de lippen: “wijl UEd. het verkiest zal ik blijven; doch ik zou misschien vrijpostiger zijn dan de Jonker: want ik (hier boog hij zich diep) heb UEd. veel te zeggen, dat een derde niet hooren mag.”

“Ik zal u van mijn tegenwoordigheid ontslaan,” zeide Joan.

“De Heer Baron heeft mij gelast, UEd. te vragen, of hij u niet aan de kegelbaan zou zien,” hervatte de Ambtman.

“Ik ga mij bij het gezelschap vervoegen,” zeide Joan, zich verwijderende: “doch,” vervolgde hij, terugkomende en den Ambtman bij de hand nemende: “vergun mij UEd. een vraag te doen, een enkele.”

“Tot uw dienst,” zeide Mom.

“Kent UEd. den man, die hier afgebeeld is?” vroeg Joan, hem op de schilderij wijzende.

De Ambtman vertrok geen gelaat, maar zeide zeer bedaard:

“Dat verbeeldt, zoo ik wel heb, den Prior Frederik van Reede.”

“Gewis; doch heeft UEd. nooit iemand gezien, die tot model dezer beeltenis zou hebben kunnen dienen?”

“Neen,” antwoordde Mom, droogjes: “en UEd.?”

“Ik wel,” zeide Joan: en met een diepe buiging verliet hij de zaal, terwijl hem Ulrica, met bevreemding, ja met een soort van angst, of het hem ook in het hoofd schortte, en de Ambtman, met den spotachtigen blik, die hem sedert zijn komst niet verlaten had, en met een innerlijk genoegen van den jongeling verschalkt te hebben, naoogden.

Joan verliet het kasteel en begaf zich naar de kegelbaan, waar de gasten nog altijd met spelen bezig waren. Toen hij kwam, wasde toer juist uit, en werd hij verzocht, het getal der spelers te vermeerderen en zijn geluk te beproeven. Hij voldeed aan het voorstel en nam zijn bal uit de handen van Bouke aan.

“Dat zal wezen: oppassen is de boodschap!” zeide deze tegen de spelers. “Zoo onze Jonker het nog niet verleerd is, zal hij de Heeren spoedig de baas zijn.”

“Ik twijfel er aan,” zeide Joan: “ik heb in lang niet gespeeld en ben heden nog te verweerd van de reis, om naar behooren te spelen.” Dit zeggende, plaatste hij zich naast den Baron, die zich weder aan het spel begeven had en wachtte zijn beurt af.

Van de aanwezige gasten hadden de Jonker van Scherpenzeel en Botbergen tot nog toe het meeste voordeel behaald: de eerste omdat hij goed, de laatste omdat hij buiten zijn eersten misworp, gelukkig gespeeld had. Toen nu Joan zou spelen, zagen al de omstanders scherp toe, omdat zij, na Boukes gezegde, een meesterlijken worp verwachtten. Joan zette den voet op de streep, keek even naar de kegels en wierp toen den bal over de baan op een zoo onverschillige wijze en met zooveel onoplettendheid, dat geen der aanwezenden dacht dat hij een kegel raken zoude. De bal rolde langzaam voort: doch toen hij bij het spel kwam, was het, of hij opeens een andere richting verkreeg: hij draaide zich tusschen de voorkegels door, wierp den koning omver en wentelde, zonder een anderen kegel te raken, weder buiten het spel.

“De koning! de koning!” riepen de spelers.

“Dat telt negen punten,” zeide Bouke: “nu, Mijneheeren! wat heb ik u gezegd? Ja, ik wist wel, dat de Jonker niet zoolang voor niet met mij gekegeld had.”

”’t Is meer geluk dan wijsheid,” zeide de Baron. “Kom, Jonker!” vervolgde hij, zich tot Scherpenzeel wendende, lachende: “gij zijt tot nog toe de bol. Toon uw kunst nog eens, opdat de knaap niet denke, dat hij, omdat hij uit verre landen komt, ons allen de baas is.”

Scherpenzeel stelde zich in postuur, keek en mikte lang, en was even gelukkig als Joan: en Botbergen, die het laatste nommer had, wierp insgelijks den koning om. Nu moesten zij drieën, volgens de wet van ’t spel, weder overspelen, om te zien wie den algemeenen inleg en de boeten, bij dezen toer betaald, zou ontvangen.

Even achteloos als de vorige reis, deed Joan den bal over de baan rollen, en wierp, evenals de vorige reis, den koning om.

“Zie mij zulk een geluksvogel eens aan!” riep de Jonker van Scherpenzeel uit: “hij raakt slag op slag, zonder er eens naar om te zien.”

Hij speelde; maar zoowel hij als Botbergen misten hun worp en Joan werd als overwinnaar begroet. Nu moest hij bij den volgenden toer het eerst spelen.

“Het is waarlijk voor goede spelers geen kunst,” zeide hij, “om te werpen wie de meeste kegels omwerpt. Men moet te voren bepalen, welke kegels men om moet werpen. Zoo spelen de Franschen en Brabanders dit spel.”

“Dat heb ik nooit gehoord,” zeide Scherpenzeel; “doch ik wilgaarne gelooven, dat het daardoor nog belangwekkender wordt.”

“Welnu,” vervolgde Joan: “dan moet de voorste middelkegel er aan, met den koning: daar gaan zij!” En, met meer oplettendheid dan te voren zijn worp verrichtende, volbracht hij zijn opgave volkomen. De overige spelers poogden hem dit na te doen; doch er was er geen onder hen, wien het gelukte.

“Pots tausent!” riep Botbergen: “zoude ik dat ook niet kunnen doen?” en deed den bal over de baan rollen. De beide opgegeven kegels vielen werkelijk om.

”Dat is gewonnen!” riep hij.

“Neen!” zeide Bouke: “dat is verloren. Gij hebt den koning niet met den bal geraakt: hij is alleen gevallen, omdat de voorste kegel er tegen aan geworpen werd.”

“Dat is onwaar,” hernam Botbergen, zich bij de kegels begevende: “de bal heeft wel degelijk allebei de kegels aangeraakt en omgegooid.”

“En ik zeg van neen,” zei Bouke.

“Pots dit en dat!” vloekte Elbert: “zult gij het mij heeten liegen?”

“Dat zal ik,” hernam Bouke: “als de maan vol is schijnt zij overal.”

“Houdaar!” zeide de vergramde speler, die door den drank was opgewonden; en, een der kegels opnemende, sloeg hij er den ouden dienaar zoo geweldig mede op ’t hoofd, dat hij wankelde.

Joan kon zijn getrouwen vriend Bouke niet straffeloos zien mishandelen; als een pijl van den boog schoot hij op Botbergen toe, greep hem met de eene hand bij den kraag en met de andere in den gordel, lichtte hem als een kind op en smeet hem over het houten schot buiten de baan, onder toejuiching der aanschouwers. Woedend stond Botbergen weder op, trok zijn degen, kwam de baan weder inloopen en snelde regelrecht op Joan aan; doch deze sloeg hem met een kegel het lemmer uit de hand.

“Gij zult mij voldoening geven voor zoo groot een beleediging,” brulde Elbert.

“Zeer gaarne,” antwoordde Joan; “doch thans niet. Wanneer gij morgen nuchter zijt,” fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor, “en u te zeven uren in ’t Lischboschje hierover bevinden wilt, ben ik bereid, u met pistool of degen af te wachten.”

“Ik zal er wezen,” antwoordde Elbert, op denzelfden toon: “Heer Baron!” zeide hij hardop, zich tot Reede wendende, die hem met de andere Heeren stond uit te lachen: “wanneer ik hier voor spot en mishandeling niet vrij ben, kan ik niet langer uw gast wezen. Vergun mij, dat ik mijn afscheid neme.”

Dit gezegd hebbende, raapte hij, zonder antwoord te wachten, zijn degen op, en begaf zich met zoo fieren tred als zijn wankelende beenen het hem vergunden, naar het slot, waar hij zijn paard liet zadelen om weder naar Tiel te rijden. Opgestegen zijnde en den stal uitrijdende, ontmoette hij op het voorplein den Ambtman, die zooeven Ulrica verlaten had.

“Wat is dat, Elbert? verlaat gij ons weer?” vroeg Mom met bevreemding.

“Ik moet wel,” zeide Elbert: “ik gevoel weinig lust om door dat bezopen gespuis van ginder overhoop gestoken of in de gracht gesmeten te worden. Ik heb het ook fiks gezeid aan den Baron, dat ik het eeuwig verd....”

“Ja! gij zijt de ware held om iets fiks te zeggen,” viel hem de Ambtman met een schamperen lach in de rede: “gij hebt mij fraaie angsten op mijn dak gejaagd met uw zot gezwets. Ik was maar bang, dat het een of ander uit zou lekken van.... gij verstaat mij.”

“Pots honderd tausent slapferment! Kon ik het gebeteren, dat die weerlichtsche knaap juist vandaag weerom zou komen. Ik had hem liever onderweg afgewacht en aan honderd piesjes gehakt, dan dat ik zoo gelogenstraft ware geworden.”

“Ja! gij hadt wat: nu! wilt ge een van mijn dienaars met u hebben? Ge zijt misschien bang alleen op den weg.”

“Ik ben heden niet geschikt om uw zotte schimpscheuten aan te hooren,” zeide Botbergen, gemelijk: en zijn paard de sporen gevende, draafde hij weg.

“Ga maar!” zeide Mom, terwijl hij hem naoogde. “Had ik ooit zulk een uiterste van bloohartigheid bij u vermoed, nooit waart gij mijn vertrouweling geworden. Gij zijt alleen geschikt, om, evenals de laffe jakhals, den leeuw op zijn tocht te vergezellen, hem zijn vijand aan te wijzen, en de brokken na te kauwen, die de koning des wouds wil achterlaten.”

Terwijl hij aldus den teugel vierde aan zijn ontevredenheid, was hij de brug overgegaan en trad den hof in. Hier ontmoette hem Magdalena.

“Welnu?” vroeg zij.

“Welnu!” herhaalde Mom: “ik heb uw raad gevolgd en geen verwondering laten blijken, toen hij mij de schilderij vertoonde. Ik heb zelfs jegens Ulrica de edelmoedige gespeeld en haar gezegd, dat ik mijn aanzoeken terug zou nemen, bijaldien een ander de voorkeur in haar hart bezat. Zij weigerde met aandoening het door mij gedane voorstel, om haar vader te bewegen, haar hand aan Joan te schenken: het zoude mij verwonderen, indien ik door deze handelwijze geen groote vorderingen in haar achting gedaan had. Tracht dit wat aan te wakkeren, en ik zal mij niet ondankbaar jegens u betoonen.”

“Ik begeer geen loon,” zeide Magdalena, op een verachtelijken toon: “denk slechts op de voorwaarden, waaraan de hulp, welke ik u bewijs, verknocht is. Ulrica zal de uwe zijn; doch gij moet haar verdienen, door de goede zaak te doen zegevieren.”

“Daaraan zijn wij bezig,” hervatte Mom, “gij kunt aan Pater Eugenio, die toch een kennis van u schijnt, bij gelegenheid wel eens vragen, wat ik al gedaan heb om die zaak bevorderlijk te zijn. Hij zal u zeggen, dat er in Tiel reeds meer dan honderd lieden bijeen zijn, die....”

“Die niets zullen uitrichten,” viel Magdalena hem in de rede: “omdat hun oogmerken en wenschen geheel uiteenloopen niet alleen, maar ook tegen de onze aandruischen. Wat zal de hulp van een dronkenGroenhof met zijn oproerkraaiende Arminianen, van een Essius met zijn lafhartige Wederdoopers, van een wraakzuchtigen Stoutenburg, die van God noch zijn gebod weet, en van zoovele anderen doen, om het zuiver oud geloof weder op te richten? Hun doel is, herstel hunner eigene grieven of wraak over geleden hoon te erlangen: en, daar dit werk niet van God is, zal het verbroken worden! In u stelt de verdrukte gemeente een andere hoop. Dan, wat waarborgt mij, dat gij zelf, wanneer Ulrica de uwe wezen zal, uw woord niet verbreken zult en, tevreden met den verkregenen bruidsschat uw dagen onbekommerd zult gaan doorbrengen en u onzer niet langer aantrekken.”

“Ik ben reeds te ver gegaan om weder terug te keeren,” hernam de Ambtman: “en wat mijn woord betreft, dat heb ik nooit gebroken.”

“Niet?” zeide Magdalena, op een gestrengen toon: “en den eed, dien gij aan den lande deedt, hebt gij dien behouden, toen gij uw trouw naderhand aan den Aartshertog verpanddet?”

“Ik ben van dien eed door een Priester ontslagen geworden,” antwoordde Mom.

“En een kettersche Predikant zal u van het aan Spanje gegeven woord even gaarne ontslaan willen.—Doch gij spreekt wel;gij zijt te ver gegaan om terug te keeren, en de overtuiging daarvan stelt mij meer gerust dan al uw eeden. Dan laat ons scheiden eer iemand ons samen vindt, en wees zoo goed, mij aan de gebeden van den eerwaardigen Vicaris aan te bevelen.” Met deze woorden verliet zij hem.

“Den Vicaris!” mompelde de Ambtman: “dat satansche wijf weet alles! ’t is en blijft, zooals ik gisteren zeide: ik heet de leider van het eedgespan, en ik ben alleen de houten pop, die, met onzichtbare koorden, ten dienste van anderen her- en derwaarts getrokken wordt.”

Aldus peinzende, vervolgde hij zijn weg. Hij was het met zichzelven nog niet eens, of hij over de bescherming van Ulrica’s kamenier tevreden moest zijn of niet. Zij toonde zich bereid, zijn inzichten omtrent haar meesteres te bevorderen; doch van een anderen kant had zij in zijn hart gelezen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, hoe zij inzag, dat, zoo hij met de hand van Ulrica rijke bezittingen kon machtig worden, hij om de ijdele belofte van den Aartshertog weinig meer zou geven en sterk overhellen om een aanslag te laten varen, die hem toch nimmer eer kon aanbrengen. Dan, de bezittingen, waarop hij vlamde, kon hij door de nauwgezette braafheid des Barons niet verkrijgen, tenware een derde zulks goedkeurde; en om dezen derde, dezen noodlottigen oom in zijn belang te winnen, begreep hij de Spaansche zijde te moeten blijven houden. Het voornaamste van alles scheen hem echter toe, Joan te verwijderen. De wederzijdsche genegenheid, die tusschen dezen en Ulrica bestond, was hem te duidelijk gebleken, dan dat hij zulk een medeminnaar niet gevaarlijk zoude achten. Hij voedde echter de bijna zekere hoop, dat de Baron nimmer zijn toestemming zou geventot het huwelijk zijner dochter met iemand van een ongewisse geboorte, al ware het ook zijn geliefde pleegzoon: dit was hem uit de kennis, welke hij van de inborst des Heeren van Sonheuvel had, genoegzaam gebleken.

Hij vond den Baron en zijn gasten in goede harmonie bijeen, sinds de twiststoker verdwenen was. Nadat hij zich jegens het gezelschap verontschuldigd had, van een gast te hebben ingeleid, die zich zoo onwelvoeglijk had gedragen, en Botbergen had zoeken te verschoonen door zijn buitensporigheden aan den drank toe te schrijven, verzocht hij Reede en diens pleegzoon, hem een oogenblik gehoor te willen verleenen, en plaatste zich met hen op een tuinbank, terwijl de overige gasten, wien het kegelspel begon te vervelen, zich met wandelen, praten en tabakrooken vermaakten.

“Heer Baron!” ving hij aan: “Ik heb zooeven een gesprek met uw bekoorlijke dochter gevoerd.” Hier stond Joan op en wilde zich verwijderen.—“Verschoon mij, Jonker!” vervolgde de Ambtman: “uw bijzijn is hier noodzakelijk: ik zeg, ik heb aan de beminnelijke Ulrica mijn hoop, mijn inzichten te kennen gegeven. Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was.”

Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: “Wat! haar hart niet meer vrij?” riep hij met verbazing en ergernis uit: “waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten.”

“Verschoon mij, Heer Baron!” hernam Mom met veel bedaardheid: “een vader is doorgaans de laatste, die zoo iets verneemt. Doch ik kan licht bevroeden, dat een zoo beminnenswaardige Jonkvrouw als uw dochter, op haar jaren reeds een keuze gedaan heeft: en, wat meer zegt,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij Joan scherp aanzag, “het zou mij zeer verwonderd hebben, indien zij dienietgedaan had.”

“Wat!” herhaalde de Baron, wiens oogen de beweging van die des Ambtmans gevolgd waren: “versta ik u wel? en is....”—Hier zweeg hij, als wilde hij de invulling van den volzin aan Mom overlaten: doch zijn vinger wees zijn pleegzoon aan, die bleek en stijf als een steenen beeld voor de bank bleef staan en de oogen nauwelijks durfde opheffen.

“Zoo ik mij niet bedrogen heb, ja!” antwoordde de Ambtman.

De Baron zag Mom en den jongeling eenige oogenblikken beurtelings aan, terwijl eerst verbazing en vervolgens ongeloovigheid op zijn gelaat geschilderd waren. Eindelijk kreeg deze laatste de overhand en hij brak het stilzwijgen.

“Maar zij hebben elkaar in geen drie jaren en langer gezien!”

“Ik begeer niet, dat gij aan mijn betuiging geloof hecht,” zeide Mom: “doch vraag aan hemzelven af, welke gevoelens ook thans nog ten opzichte uwer dochter zijn hart beheerschen?”

“Joan!” riep Reede in gramschap uit: “is het waarheid wat de Ambtman zegt? hebt gij mijn weldaden beloond, door mijn dochter te verleiden?”

Joan zag den Baron een oogenblik met teederheid aan, sloeg de ogen weder neder en zweeg, terwijl een gloeiend rood zijn wangen opnieuw bedekte.

“Is het mogelijk! Joan!” herhaalde de Baron: “Joan! ik verheugde mij zoo u terug te zien: maar nu.... ja! nu had ik liever, dat gij op het slagveld.... of ten minste,” zeide hij, zich hervattende, “dat gij hier ver vandaan gebleven waart.”

“Bedaar, edele vriend!” zeide Mom: “hoe kan een zoo natuurlijke genegenheid, welke UEd. zelf heeft opgewekt, u verstoren.”

“Die ik opgewekt heb?” herhaalde Reede, met drift: “nu ja, misschien! maar kan een valkenier het helpen, dat de valk, dien hij van jong opvoedde, hem de oogen uitsteekt?—Wilt gij, dat ik mijn dochter geve aan.... aan....” Hier zweeg hij opeens, ziende dat hij te ver ging.

“Aan den Jonker van Craeihorst,” hernam de Ambtman, altijd even bedaard blijvende: “is daar wat op te zeggen? Is zijn geslacht niet edel? is zijn adel niet zuiver?”

“Wat geslacht? wat adel?” zeide de Baron: “ja! als dat bewezen ware.”

“Hoe!” zeide Mom, zich hoogst verbaasd veinzende: “is de Jonker niet uw neef? hebt gij zelf niet verhaald, dat gij hem tot u genomen hadt, omdat hij als hulpelooze wees overgebleven was?”

“Een fraaie neef!” bromde de Heer van Sonheuvel: “een Spanjoolsch kind!”

“Wat hoor ik?” riep Mom: “is de Jonker een Spanjaard?”

“Wie ik ook wezen moge,” riep Joan, zich een traan uitwisschende, “een ondankbare zal ik nimmer zijn; en zoolang ik leve, heer Baron! zal erkentenis voor uw vaderlijke weldaden mijn boezem vervullen. Neen!” vervolgde hij, terwijl zijn stem, die in den beginne zwak en stamelend was, onder ’t spreken vaster en fierder werd: “neen, mijn vader! gij hebt uw mildheid aan geen ondankbare verspild. Verre is het van mij geweest, dat ik ooit voedsel zou gegeven hebben aan de dwaze hoop, die gij, Mijneheeren! in mij veronderstelt. Neen! eenmaal, ik beken het, heeft een ongelukkig toeval mij een geheim doen openbaren, dat voor eeuwig in dit hart had verborgen moeten blijven; doch de eenvoudige gedachte aan ’t geen ik u, Heer Baron! verschuldigd was, heeft mij belet van het spoor te wijken, dat plicht en dankbaarheid en eer mij voorschreven. Onttrek mij dus uw achting niet: want het gemis daarvan zou den laatsten slag toebrengen aan een bestaan, dat, reeds van mijn geboorte af, bestemd om zonder doel of uitzicht voortgesleept te worden, alleen door die achting nog draaglijk bleef.”

Joan had deze woorden met vuur gesproken, en bij het eindigen der laatste zinsnede de handen des Barons gegrepen en daarop een teederen kus gedrukt. Reede voelde de hand des jongelings niet zonder aandoening in de zijne geklemd, en kon niet nalaten, die met hartelijkheid, schoon onder het mompelen van eenige onverstaanbare woorden, die ontevredenheid moesten aanduiden, te drukken. Schoon het denkbeeld hem stuitte, dat zijn dochter aan iemand van een onbekendegeboorte haar hart zou geschonken hebben, had hij echter Joan van harte lief en begeerde althans op den dag zijner terugkomst niet met hem in onmin te geraken wegens een onvoorzichtigheid, die jaren geleden bedreven was.

“Nu, nu!” zeide hij, “jongelief! wat gedaan is, is gedaan, en gij kunt het ook niet helpen, dat wij uw familie nooit hebben kunnen opschommelen. Gij weet immers, mijn beste jongen! dat ik altoos veel van u gehouden heb! maar om u Ulrica te geven, dat zou wat kras geweest zijn, en gij deedt wel, dat gij u die geschiedenis uit het hoofd hebt gezet. Ook begrijp ik nog niet, vriend Mom! hoe gij aan dit alles gekomen zijt?”.... Hier zag hij dezen vragende aan.

“En ik,” zeide Joan, den Ambtman ernstig aanziende, “ben u, Ambtman! kleinen dank verschuldigd, dat gij, dus ongevergd, hartsgeheimen niet alleen hebt uitgelokt, maar zelfs aan den dag hebt gebracht, welke èn de Freule van Sonheuvel èn ik in de eeuwige vergetelheid hadden gewenscht te begraven.”

“Ik gevoel dat ik dit verwijt verdien,” zeide Mom, zich buigende op een vriendelijken toon: “doch ik wist niet, dat er redenen bestonden, welke den Baron beletten konden, zijn goedkeuring te weigeren aan een echt tusschen de Freule en u! Ik werd toevallig gewaar, dat gij misschien de bevoorrechte, geliefde minnaar wezen kondt, en in dit geval wilde ik geen hinderpaal voor uw wenschen zijn. Ook thans nog,” vervolgde hij met ernst,”ook thans nog ben ik bereid, zoo de Heer van Sonheuvel omtrent dien echt van gedachten veranderen mocht, mij te verwijderen, ja, met een bloedend hart, doch tevens met de overtuiging van mijn plicht gedaan te hebben.”

“In dat geval heb ik u verkeerd beoordeeld,” zeide Joan, “en verzoek u om verschooning.”

“Nu!” zeide de Baron, die vol blijdschap een dienaar zag naderen, welke de gasten aan den disch kwam roepen en hem uit de verlegenheid redde, waar hij zich in bevond, “wij zullen over dit gansche geval wel eens nader spreken. Mijn lieve Hemel! Pas is Joan teruggekomen, en hij heeft mijn huis op stelten gebracht! Eerst valt hij als een bom uit de lucht en krijgt hij ruzie met den vriend van u, Ambtman! (die waarlijk ook geen lievert is) en vervolgens hoor ik, dat hij sinds jaar en dag naar mijn dochter zou vrijen. Kom! kom! laten wij van middag om niets anders denken, dan om ons wel te vermaken. Ik heb nog anderen wijn van onze Duitsche buren gekregen, dan dien gij van dezen middag gezien hebt, en gij zult er mij uw gedachten eens over zeggen. Intusschen,” voegde hij er zachtjes bij, terwijl hij den Ambtman onder den arm nam en met hem slotwaarts wandelde: “hetgeen ik u eens gezegd heb, blijft gezegd: Joan is een beste jongen, dat is waar; doch mijn dochter hem te geven ware al te belachelijk! ik heb haar aan u beloofd, en zoo gij het met haar eens kunt worden, dan is alles in orde. Gij zult haar die liefdegrillen ook wel uit den kop praten, zoo ze er al ooit in gezeten hebben, ’t geen ik niet gelooven kan; want zij heeft er mij nooit een woord van gezegd.”

Joan oogde beide Heeren zuchtend na. Nog wist hij niet recht, hoe hij over den Ambtman moest denken, noch aan welke beweegredenen hij diens vreemde handelwijze moest toeschrijven. Zij had den schijn van grootmoedigheid voor zich; dit kon hij niet ontkennen; en toch lag er iets spotachtigs in het gelaat des Ambtmans, dat hem kwalijk beviel en hem, vooral als hij nadacht over het gebeurde te Tiel, met wantrouwen omtrent zijn bedoelingen vervulde. Wel is waar, de proef, die hij met Mom had genomen, toen hij hem voor het afbeeldsel des Priors bracht, was met glans doorgestaan: doch het was mogelijk, dat de Ambtman minder dan Joan door de gelijkenis getroffen was geweest, of dat hij de schilderij meer gezien had en dus op de vraag voorbereid ware. Joan besloot eindelijk met den gevreesden man zoo spoedig mogelijk een onderhoud te hebben, ten einde al hetgeen hem nog duister voorkwam tot helderheid te brengen, en inmiddels niets onbeproefd te laten om zijn gedragingen en gezegden met de meeste oplettendheid na te gaan. Hij gevoelde, dat dit hem eenige moeite zou kosten en dat hij met voorzichtigheid zou moeten te werk gaan, daar de Ambtman hem slim genoeg voorkwam om zich niet licht te ontmaskeren; doch het geluk van Ulrica hing er van af, en de gedachte, dat het meisje, ’t welk hij zoo hartstochtelijk beminde, en dat zoozeer verdiende bemind te worden, zou kunnen worden opgeofferd aan iemand, die haar liefde onwaardig was, trof hem te zeer, dan dat hij niet al zijn krachten zou inspannen om zijn onderzoek te bewerkstellingen. Dit besluit gevormd hebbende, begaf hij zich naar het slot en voegde zich bij de gasten.

Van het maal, dat vervolgens plaats had, zullen wij niets melden. dan alleen, dat de aanwezigen eer deden aan den lekkeren wijn des Barons, en proefondervindelijk bewezen, dat hij dien niet ten onrechte geprezen had, daar zij, de een vroeger de ander later, wel beschonken huiswaarts keerden. Slechts de Ambtman en Joan waren nuchter gebleven; de eerste was onder voorwendsel van gewichtige bezigheden, vroegtijdig vertrokken, en Joan, die geen voorwendsel behoefde, daar hij zich werkelijk nog ongesteld bevond, kort daarna naar zijn kamer gegaan, terwijl de Baron, die mede wat diep in de flesch gekeken had, niet lang vertoefde, na het vertrek der gasten, om in een aangename sluimering de drukten van den dag te vergeten.

Twee-en-twintigste Hoofdstuk.Ons afscheit was, hy zouVerzeker op dees uur alhier zich laten vinden.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad,voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad.“Ik verlangde reeds u te zien, Pater!” zeide Mom: “om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen.”“En ik,” zeide Eugenio, “ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten komen.”“Hoe! gij wist dan reeds?....”“Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen.”“Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene.”“En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?” vroeg Eugenio: “betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend en voedsterbroeder?”“Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan.” antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden.“Alzoo een medevrijer!”“Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de zaak verkorven.”“Laat die zorg aan mij over,” hernam de Jezuïet: “eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen.”“Ja, doch er is nog eenmaar....”“Wat de bezittingen des Barons betreft?—nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader inquaestie, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman.”“Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te laten besturen.”“Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste,” zeide Eugenio, zich buigende.“Ik erken die goedheid dankbaar,” herman de Ambtman: “gij kent dan dien schoonvader?”“Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem inconferentiegeweest.”“Hij is hier!” riep de Ambtman: “en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen.”“Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheidkennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië: hij bemint noch het verraad, noch de verraders.”“Hoe!” riep Mom, opvliegende: “wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit.”“Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen,” zeide Eugenio met veel koelheid: “ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt.”“Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?”“Hij heeft hun gisteren zijnCredentialengetoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken.”“Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren.”“Zijn invloed!” herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: “die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken.”“En,” vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: “hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?”“Groenhof?—O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek, ’t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken.”“Waarlijk,” zeide Mom met een schamperen lach: “ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt.”“Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard,” vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: “waarlijk, ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware.”“Nu genoeg van hem.—En Stoutenburg?”“Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo ’t echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op ’t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden.”“Een stout voornemen!—En de Wederdoopers?”“Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.—Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, Leendertz en Groenhof te laten opwinden.”“En gij zelf?”“Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding, dat de Aartshertog overleden is.”“Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?”“Ik,” antwoordde de Jezuïet: “ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.—Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder ’t een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat.”“Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken.”“Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?—Vrees niets, eer ’t jaar een dag ouder is, zal deze u een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen vijandschap geraken moeten.”“Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert:divide et impera1. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?”“Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!—Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak,” voegde hij er grijnzend bij.“Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan,” zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke uitdrukking bespeurende, welke Eugenio’s trekken aannamen: “doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan,” voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken.Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, ’t welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, ’t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden blik in ’t rond.“Wel kijk!” zeide Bouke: “geen jager zoo vroeg in ’t veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?”“Laat mij gaan,” zeide Joan: “laat mij gaan Bouke! ik heb haast.”“Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt,” hernam de oude dienaar:“’t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden.”“Ik moet alleen uit, beste vriend,” zeide Joan, zich los willende maken.“Kom!” zeide Bouke: “met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag.”“En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken.”“Dat weet ik,” zeide Bouke: “denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in ’t schild voert? Men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is.”“Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen.”“Dat begrijp ik heel wel,” hernam de onverzettelijke Bouke: “maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij ’t laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan.”“Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken.”“Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak.”“Als het dan zoo wezen moet, ga dan in ’s Hemels naam met mij: doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je terstond weder terug.”“Dat ’s afgesproken!” riep Bouke verheugd: “en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar moet er een achter de deur staan.”Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant, en die, ’s winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest gekomen zijn.“Hij moet reeds binnen zijn,” zeide Joan tot zijn metgezel: “en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken.”“Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben,” antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen.“Niet alzoo, Bouke!” zeide Joan: “wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb.”“Daar staat die lange slungel al aan ’t einde van de laan,” zeide Bouke zachtjes: “ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier.” Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken, toen deze hem, bij ’t afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den Arminiaan Van Dyk deed herkennen.“Wat heeft dit te beduiden?” vroeg Joan, verbaasd terugtredende: “ik dacht hier....”’“Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden,” zeide de Jezuïet: “en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt, het bloed van uwen naaste te plengen.”“Ik had zeker moeten begrijpen,” hervatte Joan: “dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.—Doch, waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst.” Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag.“Gij misduidt mij, jongeling!” zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, “als geestelijke kom ik hier, om woorden van vrede tot u te spreken.”“Woorden van vrede!” herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: “gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn welverdiende straf zal laten ontgaan.”“Ik vrees,” hernam de zoon van Lojola, “dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen.”“Waarom dan is hij zelf niet gekomen” vroeg Joan: “hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen,dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten.” Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.“Een oogenblik, jongeling!” zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: “ons gesprek is nog niet afgeloopen.”“Hebt gij mij niet verstaan?” vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.“Zeer wel,” hernam de Pater: “maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een ellendige dronkenmanskibbelarij.”“Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen,” zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, “of gij hadt er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?”“Ik weet dit alles,” zeide Eugenio: “doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort.”“Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze,” hernam de jongeling: “maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde.”“Ik ben geencasuïst,” zeide Eugenio: “en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste te ontblooten.”“Gij zijt dus een geestelijke?” hernam Joan: “doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen heb gezien.”“Ik behoor tot de eenige ware Kerk,” zeide de Jezuïet.“Dat zeggen alle geestelijken,” hernam Joan: “doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag.”“Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan,” zeide Eugenio, met een ernstigen blik.“Mijn vader!” riep Joan: “Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?”“Wie spreekt van dien moordenaar?” vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken zouden: “ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?”“Mijn God! kent gij hem?” vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte.“Hij was mijn vriend,” zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende.“Hij was!.... hij is dan niet meer?” vroeg Joan, de armen latende vallen.“In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord.”“Velasco mijn vader!” riep Joan: “en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet.”“De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht,” hernam de Jezuïet, “laat somtijds den leeuwenwelp in ’t leven en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal.”“O God!” riep Joan, de handen wringende; “zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel....”“Uws vaders moordenaar.—Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen.”“Neen!” zeide Joan: “de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk.”“Lees de geschiedenissen van zijn tijd,” zeide Eugenio met koelheid: “daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht,” voegde hij er bij, met een verachtelijken blik, “dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt.”“Mensch!” riep Joan radeloos uit: “martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze.”“Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd,” hernam Eugenio: “even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen.”“Ik weet niet,” zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: “ik weet niet wat gij bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen.”“Ik leg u geen plicht op,” zeide de Jezuïet: “ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprakuw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan ’s vaders laatsten wensch niet wil voldoen.”“Kan ik,” vroeg Joan, “mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?”“Gij stelt het vraagpunt verkeerd,” zeide Eugenio: “vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?—dan zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen.”“Een oogenblik!” riep Joan, hem met drift terughoudende: “tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?”“Welke waarborgen?” herhaalde de Jezuïet: “dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden.”“Zóó laat ik u niet gaan,” zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet tegenhield, die zich zocht te verwijderen: “gij zijt mij meerdere opheldering schuldig.”“Tot uw dienst,” hervatte Eugenio: “doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker.”“Ik sta voor uw leven in,” zeide Joan haastig: “doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd te erkennen?”“Vraag hem dit zelf,” antwoordde de Jezuïet: “hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen.”“Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?”“Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik vervullen moest.”“En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?”“Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd,”antwoordde Eugenio met hoogheid: “en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe.”“Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?”“In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht.”Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit:“En mijn moeder?”“In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden,” antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard aantuimelen.Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het onderhoud voorviel, in ’t boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld hebben, met kracht aan te grijpen. “Ja,” riep hij, “loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!” Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om ’t lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl hijhem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.—Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden.“Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?” vroeg de jongeling, “wat is dit voor een razende dolheid?”“Laat mij begaan, Jonker!” brulde Bouke: “dood bloed geen nood doet!”“Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt,” zeide de Jezuïet tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: “deze man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars.”“Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!” galmde Bouke: “Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood.”“Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan,” zeide Eugenio, Joan scherp aanziende.“Dat heb ik,” zeide Joan: “doch maak u weg, eer ’t te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden.”“Ha! daar komt versterking,” riep Bouke: “Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!—Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!”“Wat is hier te doen?” vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had.“Wat gebeurt er?” riep hij, met spoed aan komende loopen.“Een zonderling geval, Mijnheer!” antwoordde Eugenio: “die kerel valt mij op ’t onverwachtst met een mes op ’t lijf, zonder dat ik hem in ’t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is.”“Kent UEd. hem niet?” riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: “het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!”“Wat Jezuïet? wat Panne?” vroeg Eugenio, met eenglimlach: “de vent is razend.”“Waarlijk!” zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: “ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!”“Ben ik het?” hernam de Jezuïet: “weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend baldadig hadt vermoord.”Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord van Velasco sloeg.Waarschijnlijk had zich de Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar was.“Welnu schelm!” zeide de Baron: “zoo gij het zelf bekent, geef u dan over.”“Dat niet,” hernam Eugenio, “zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!” Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden blik op Joan.“Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!” riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: “hij was de vriend mijns vaders.”“Joan, ga ter zijde!” riep de Baron: “zult gij met dien moordenaar één lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat.”“Wie hij zijn moge,” zeide Joan: “ik heb voor zijn veiligheid ingestaan.”“Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?” vroeg Reede met verwoedheid: “om ’t even! geef u over schurk van een Jezuïet!”Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover en van ’t paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: “want,” zeide de Baron: “de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven.”—Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.—Op het zien dier menigte staakteEugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht.En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen.“Welnu, Joan!” zeide Reede: “uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?”“Heer Baron!....” zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio, in ’t heengaan, een doordringenden blik op hem. “Denk aan uw eed,” zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem.De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen.1Verdeel en heersch.

Ons afscheit was, hy zouVerzeker op dees uur alhier zich laten vinden.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Ons afscheit was, hy zouVerzeker op dees uur alhier zich laten vinden.

Ons afscheit was, hy zou

Verzeker op dees uur alhier zich laten vinden.

Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Het was reeds schemeravond, eer de Ambtman, van zijn tocht naar Sonheuvel te Tiel terugkwam. Nauwelijks had hij den feestelijken dos, dien hij ter eere des Barons en de schoone Freule had aangehad,voor den huispels verwisseld, toen Pater Eugenio, na zich onder den naam van Van Dyk te hebben doen aanmelden, het vertrek, waarin hij bij den haard gezeten was, binnentrad.

“Ik verlangde reeds u te zien, Pater!” zeide Mom: “om van u te vernemen, wat hier sedert mijn afwezigheid al is voorgevallen.”

“En ik,” zeide Eugenio, “ben begeerig om te hooren, of UEd. met den zoogenaamden Jonker van Craeihorst tot een verklaring hebt moeten komen.”

“Hoe! gij wist dan reeds?....”

“Dat de man, dien wij gisteren voor een Remonstrantschen Proponent hielden, de pleegzoon van uw aanstaanden schoonvader was? Ja, dat wist ik reeds, voordat uw heldhaftige vriend Elbert van Botbergen mij zulks kwam vertellen.”

“Alles is wel afgeloopen, zonder verdere opheldering van het voorgevallene.”

“En hoe was de schoone Jonkvrouw te moede?” vroeg Eugenio: “betoonde zij geen blijdschap over de terugkomst van haar vriend en voedsterbroeder?”

“Meer dan mij lief was, heeft haar die terugkomst aangedaan.” antwoordde Mom, verwonderd opziende, dat Eugenio ook de betrekkingen scheen te kennen, die er tusschen Joan en Ulrica bestonden.

“Alzoo een medevrijer!”

“Ja, en die vrij ontijdig opkomt. Ik vlei mij echter dat ik bij den vader een witten voet heb en dat de dochter achting voor mij heeft. Niettemin ware het mij aangenaam, zoo die knaap van hier was. Botbergen heeft zich met het geval bemoeid, en bijna had hij de zaak verkorven.”

“Laat die zorg aan mij over,” hernam de Jezuïet: “eer vier weken ten einde zijn, moet gij de echtgenoot der Freule van Sonheuvel wezen.”

“Ja, doch er is nog eenmaar....”

“Wat de bezittingen des Barons betreft?—nu ja, die zwarigheid zal ook wel opgeheven worden: de oom, of liever de schoonvader inquaestie, zal gaarne zijn schriftelijke toestemming geven tot een huwelijk met den Heer Ambtman.”

“Gij zijt, dunkt mij, van alles onderricht, en ik zie hoe langer hoe meer in, dat ik best zal doen, u blindelings al mijn zaken te laten besturen.”

“Met raad en daad sta ik mijn vrienden altijd ten dienste,” zeide Eugenio, zich buigende.

“Ik erken die goedheid dankbaar,” herman de Ambtman: “gij kent dan dien schoonvader?”

“Of ik hem ken? ik ben gisteren en heden met hem inconferentiegeweest.”

“Hij is hier!” riep de Ambtman: “en waar vinde ik hem? Zoo haast ik mij, hem op te zoeken en mij in zijn bescherming aan te bevelen.”

“Dan ware alles verkorven. De Vicaris weet niet, dat gij aan het hoofd van het eedverbond staat: en indien hij van deze omstandigheidkennis droeg, ware die genoegzaam om hem zijn toestemming te doen weigeren. De goede Vicaris gaat nog verder dan Filippus van Macedonië: hij bemint noch het verraad, noch de verraders.”

“Hoe!” riep Mom, opvliegende: “wat bedoelt gij? Zoo het niet uit eerbied voor uw stand ware, Pater! ik wierp u het venster uit.”

“Dat zou een slechte belooning zijn voor de getrouwe diensten, die ik u bewezen heb en nog denk te bewijzen,” zeide Eugenio met veel koelheid: “ik had ook geen voornemen om u te beleedigen; ik wilde u alleen den Vicaris beter leeren kennen. Laat alles gerust aan mij over, en, ik herhaal het: binnen vier weken is alles naar uw wensch geschikt.”

“Was die Vicaris, wien ik oogluikend zijn broederen heb laten vergaderen in het klooster, de grootvader van Ulrica? Hoe vreemd loopt alles samen! En wat heeft de vrome man aan de broederen verhaald?”

“Hij heeft hun gisteren zijnCredentialengetoond en heden heeft hij hun een predikatie voorgedragen om hen tot lijdzaamheid en onderwerping aan te manen. Gelukkig had hij weinig toehoorders en luisterde niemand naar zijn ontijdige zedenlessen, Zijn doel was, geloof ik, den indruk van mijn aansporingen tot afschudding van het juk krachteloos te maken.”

“Was het? ik meende, dat hij juist afgevaardigd ware, om door zijn invloed al de Roomschgezinden te nopen, het hunne bij te dragen om de bestaande orde van zaken om te keeren.”

“Zijn invloed!” herhaalde Eugenio met een verachtelijken glimlach: “die heeft nooit iets te beduiden gehad. Pater Ambrosio is een van die kleingeestige dwazen, die, hoezeer zij hetzelfde doel wenschen te bereiken, dat wij ons voorstellen, tegen de middelen schrikken, wanneer zij niet volkomen strooken met hun nauwgezette denkbeelden van rechtvaardigheid en eerlijkheid. Zij laten hun handelwijze van hun zedenkunde afhangen, in de plaats van deze aan hun oogmerken ondergeschikt te maken.”

“En,” vroeg Mom, na eenige oogenblikken zwijgens: “hoe heeft die bezopen Predikant het gemaakt?”

“Groenhof?—O! die heeft voor zijn toehoorders een uitmuntend sermoen gehouden, doorspekt met bijbelsche aanhalingen, zoo fijn bijeengehaald, dat ik bij mij zelven dacht, hoe het toch mogelijk was, dat men zoovele aanmaningen tot moord, roof en muiterij kon halen uit een boek, ’t welk liefde prediken moet. Onze kerk heeft wijselijk gehandeld, dacht ik, toen zij verbood dat de bijbel in alle handen kwame; want men kan met de letter van de Schrift toch alles goedmaken.”

“Waarlijk,” zeide Mom met een schamperen lach: “ik dacht niet, dat gij bijwijlen zulke goede gedachten hebben kondt.”

“Zulke mannen als Groenhof zijn goud waard,” vervolgde Eugenio, veinzende de aanmerking van den Ambtman niet te hooren: “waarlijk, ik zou gaarne zulk een medelid in onze Sociëteit hebben, mits hij wat minder aan den drank verslaafd ware.”

“Nu genoeg van hem.—En Stoutenburg?”

“Daar heb ik een taai gesprek mede gehad. Hij heeft in Den Haag, Rotterdam en Leiden aanhangers genoeg, meest warme vrienden van den Advocaat, en mannen, waar men in tijd van nood op rekenen kan. Doch hij wil, alvorens iets te beginnen, zijn broeder Groenevelt en zijn zwager Van der Myle tot zijn zijde overhalen. Zoo ’t echter wezen moet, maakte hij, ook zonder hun hulp, zich sterk, om de goede zaak op ’t krachtigst voor te staan, door den vijand in folio te vermoorden.”

“Een stout voornemen!—En de Wederdoopers?”

“Dat zijn zotten, die geen knip voor den neus waard zijn. Zij willen geen zwaard opnemen en zouden zich, als de Joden onder Antiochus op den sabbat, zonder zich te verdedigen, laten vermoorden. Hier kunnen zij ons geen dienst doen; doch ik heb hen het land rondgestuurd om door ingevingen en boetpreeken het gemeene volk tegen het bestuur op te ruien. Op zulk een wijze doen zij ons hetzelfde nut als de ballingen, die inmiddels uit Antwerpen en Brussel het land met blauwboekjes beschieten.—Ondertusschen heb ik al de eedgenooten, waar ik zeker van ben, naar huis gestuurd: zij kunnen ons daar veel meer nut doen, door nieuwe hulp aan te werven, dan hier, waar zij slechts vermoedens opwekken. Wat de zwakken betreft, die houde ik hier om hen door Preys, Leendertz en Groenhof te laten opwinden.”

“En gij zelf?”

“Ik moet morgen weder van hier. Mijn tegenwoordigheid in Den Bosch zal weldra noodzakelijk zijn: want zooeven ontvang ik de tijding, dat de Aartshertog overleden is.”

“Overleden! En zijn beloften? Wie waarborgt mij, dat zij zullen worden nagekomen?”

“Ik,” antwoordde de Jezuïet: “ik, die niet gewoon ben, mijn plannen te laten varen; doch daarom juist worde ik in Den Bosch vereischt.—Dan, van wat anders: mij is bericht, dat de Spotkoning van Bohemen herwaarts komt: Graaf Hendrik Frederik moet hem halverwegen gaan ontvangen. Tracht dezen onder ’t een of ander voorwendsel hier ter stede te lokken, of maak, dat ge in allen gevalle een geheim mondgesprek met hem houdt: dat zal genoeg zijn om aan onze Remonstrantsche medeverbondenen de vaste overtuiging te geven, dat hij, gelijk ik hun verhaald heb, aan het hoofd van den aanslag staat.”

“Uitmuntend gedacht! doch hoe dit best overlegd? Gij weet, dat de Nassausche Vorsten altijd bij verrassing reizen, en dat men zelden hoort, dat zij er geweest zijn, voordat zij weder zijn vertrokken.”

“Vergeet gij dan mijn kwaden Engel, die ons van alles onderricht?—Vrees niets, eer ’t jaar een dag ouder is, zal deze u een middel aan de hand doen, of zelf misschien den Graaf herwaarts leiden. Is hij eens hier, dan wordt hij zoodanig met Arminiaansche smeekschriften bestormd, ja zoowel in den schuurzak gebracht, dat, al mislukte onze geheele onderneming, de beide broeders in gezworen vijandschap geraken moeten.”

“Gij blijft de spreuk getrouw, Pater, die men zegt dat uw genootschap voert:divide et impera1. Maar, is er van dezen nacht nog iets voor mij te verrichten?”

“Niets anders dan gerust naar bed te gaan, Heer Ambtman!—Morgen te elf uren spreken wij elkander nader bij Klaas Meinertz. Thans hebben wij beiden rust noodig. UEd. is vermoeid, en ik moet morgen nog uit op een geheimen tocht voor uw belang.... en voor mijn wraak,” voegde hij er grijnzend bij.

“Ik begrijp niet, hoe die samengepaard kunnen gaan,” zeide Mom, met verwondering, ja met een soort van angst de afzichtelijke uitdrukking bespeurende, welke Eugenio’s trekken aannamen: “doch ik twijfel niet of beide zijn u wel aanbetrouwd. Tot wederziens dan,” voegde hij er bij, den Pater naar de deur geleidende. Deze verliet hem en Mom begaf zich naar bed, met een mengeling van gevoelens, die, zoo zij hem al niet uit den slaap hielden, hem zeker beletteden, de rust des rechtvaardigen te smaken.

Sliep Joan geruster op het slot te Sonheuvel? Wij mogen, na al het gebeurde van den dag, daaraan twijfelen. Hoe het zij, te zes uren had hij zijn legerstede reeds verlaten en zich, geheel gekleed, naar de wapenkamer begeven. Na te dier plaatse eenige oogenblikken vertoefd te hebben, wikkelde hij zich in een grooten mantel, trok ongemerkt het kasteel uit, en ging den tuin door, met oogmerk om zich door het achterpoortje naar het Lischbosch te begeven.

In het derwaarts gaan moest hij de kegelbaan voorbij, en een niet onnatuurlijke zielsopwelling deed hem het oog wenden naar de plaats, waar hij zijn vijand had uitgedaagd: dan op datzelfde oogenblik voelde hij zich bij zijn mantel trekken, en zich omkeerende, zag hij Bouke voor zich staan. Deze was reeds vroeger uitgegaan om de kegels weg te gaan sluiten, ’t welk den vorigen avond vergeten was. In alle andere oogenblikken zou Joan door zijn ouden vriend met genoegen aldus zijn verrast geweest; doch thans veroorzaakte de ontmoeting van Bouke bij Joan eenige verlegenheid. Hij gevoelde dat het scherpziend oog van den ouden dienaar het oogmerk van zijn geheimzinnigen uittocht licht doorgronden zoude, en gaarne had hij een onderhoud vermeden, ’t welk hij nu voorzag, dat noodzakelijk plaats moest hebben. Hij beantwoordde dus Boukes morgengroet kortaf en zag met een verstrooiden blik in ’t rond.

“Wel kijk!” zeide Bouke: “geen jager zoo vroeg in ’t veld, of de strooper was er nog vroeger. Moet je al zoo vroeg er op uit, Jonker?”

“Laat mij gaan,” zeide Joan: “laat mij gaan Bouke! ik heb haast.”

“Hei! hei! die haast wordt, haast ontwordt,” hernam de oude dienaar:“’t zijn goê spillekens, die zacht draaien en lang loopen. Weet je wat, Jonker? Je meugt zooveel haast hebben als je wilt, je zult toch moeten lijden, dat mijn olde beenen met je jonge beenen pas houden.”

“Ik moet alleen uit, beste vriend,” zeide Joan, zich los willende maken.

“Kom!” zeide Bouke: “met goê gemak raakt men ook voort: ijlen maakt uilen, en men zal zoo haast gaan als loopen. Alleen laat ik je niet gaan; dat is eens vooral bij mij bepaald; want je hebt nu zoo lang op je eigen beenen rondgezwalkt, Jonker! dat ik voor den tijd, dat je hier zijt, je kameraad wel weder wezen mag.”

“En ik herhaal nogmaals ernstig, Bouke! dat ik u verzoeken moet, mij te verlaten, ik moet iemand alleen gaan spreken.”

“Dat weet ik,” zeide Bouke: “denk je, dat ik die degens en pistolen onder je mantel niet voel? Dat ik niet weten zou wat je in ’t schild voert? Men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is.”

“Zoo gij mijn voornemen raadt, zult gij ook best begrijpen, waarom ik niemand kan medenemen.”

“Dat begrijp ik heel wel,” hernam de onverzettelijke Bouke: “maar ik begrijp ook heel wel, waarom ik meê wil gaan. Je wilt met Botbergen gaan vechten, en daar heb ik niet tegen; dat schoelje verdient wel een por in de huid; maar denk je, dat zoo een bloode schelm alleen zal komen? Jawel, of hij ’t laten zal. Hij zal ook denken: beter blood Jan als dood Jan: en opdat je niet in ongelegenheid raakt, zal en wil ik met je gaan.”

“Bouke! voor de eerste reis van mijn leven zult gij mij toornig op u maken.”

“Praat maar, praat maar en ga uw weg! ik ga met: goed voorgaan doet goed volgen. Je zult mij hier op de plaats moeten doodschieten eer ik je verlaat. Die schelm mocht je verlakken: en een blindeman schiet ook wel eens raak.”

“Als het dan zoo wezen moet, ga dan in ’s Hemels naam met mij: doch onder één voorwaarde: vinden wij mijn partij alleen, dan ga je terstond weder terug.”

“Dat ’s afgesproken!” riep Bouke verheugd: “en nu er maar op los gegaan. Ik zal mij wel luikes houden: die een schurk wil vaên, daar moet er een achter de deur staan.”

Stilzwijgend trad nu onze held, gevolgd van zijn ouden en getrouwen vriend, het achterpoortje uit en begaf hij zich den weg op naar den Rijnkant. Na verloop van eenige minuten waren zij aan het Lischboschje gekomen, zijnde de plaats, waar onze lezers zich herinneren, dat Joan zijn partij bescheiden had. Dit boschje bestond uit een paar morgen gronds met elzen en wilgen beplant, en die, ’s winters meestal onder water staande, met lisch en biezen waren opgevuld en hierdoor tot een geliefkoosd verblijf aan de eenden en watersnippen verstrekten; waarom de plek ook in den jachttijd alleen bezocht werd en men er in het voorjaar zonder vrees van gestoord te worden een samenkomst kon houden. Een laan deelde het boschje in twee gelijke deelen, terwijl andere smalle paadjes het in verschillende richtingen doorslingerden. Men kwam er langs een pad, breed genoeg om aan een ruiter den vrijen toegang te vergunnen. Op dit pad ontdekte Joan de nog versche sporen van een paard, hetwelk van den Rijnkant moest gekomen zijn.

“Hij moet reeds binnen zijn,” zeide Joan tot zijn metgezel: “en klaarblijkelijk is hij alleen. Gij kunt dus weder vertrekken.”

“Niet voordat ik overtuigd ben, dat er geen twee op het paard gezeten hebben,” antwoordde Bouke, en het pad opgaande wilde hij in zijn drift den Jonker vooruitsnellen.

“Niet alzoo, Bouke!” zeide Joan: “wilt gij volstrekt zien, hoe het er mede staat, verberg u dan hier of daar; doch draag zorg, dat men u niet zie. Ik wil geen vermoeden bij mijn vijand doen ontstaan, dat ik een helper met mij genomen heb.”

“Daar staat die lange slungel al aan ’t einde van de laan,” zeide Bouke zachtjes: “ga hem maar te gemoet: ik verschuil mij hier.” Dit gezegd hebbende, sloop hij tusschen het hakhout, en, een der hem bekende slingerpaadjes ingaande, kwam hij weldra niet verre van de plaats, waar Joans wederpartij, in een grooten mantel gewikkeld, tegen zijn paard stond te leunen. Joan, de rechte laan, welke hij ingeslagen was, volgende, naderde den ruiter, groette hem beleefdelijk en wilde hem aanspreken, toen deze hem, bij ’t afnemen van zijn hoed niet de gevulde trekken van Elbert van Botbergen, maar het mager gelaat van den Arminiaan Van Dyk deed herkennen.

“Wat heeft dit te beduiden?” vroeg Joan, verbaasd terugtredende: “ik dacht hier....”’

“Gij dacht hier den Heer van Botbergen te vinden,” zeide de Jezuïet: “en het is u leed, dat gij buiten de mogelijkheid gesteld wordt, het bloed van uwen naaste te plengen.”

“Ik had zeker moeten begrijpen,” hervatte Joan: “dat de laffe schurk geen moeds genoeg zou bezitten om zijn logens hier met het zwaard te komen staande houden; maar ik dacht weinig dat hij een zetsman in zijn plaats zou sturen: en althans u niet, die, gelijk ik eergisteren meen ontdekt te hebben, tot den geestelijken stand behoort.—Doch, waarom u niet? Eerst noemdet gij u een Remonstrant: toen vond ik u in gezelschap van Roomsche priesters: nu treedt gij misschien als spadassijn op en komt u met mij meten. Is dit laatste het geval, zoo ben ik tot uw dienst.” Hier opende Joan zijn mantel en haalde twee gelijke degens en een koppel pistolen voor den dag.

“Gij misduidt mij, jongeling!” zeide Eugenio, de wapens afwijzende, welke hem werden aangeboden, “als geestelijke kom ik hier, om woorden van vrede tot u te spreken.”

“Woorden van vrede!” herhaalde Joan, met een verachtelijker glimlach: “gevoelt de Heer van Botbergen berouw over de mij aangedane beleedigingen, zoo laat hij op het slot des Barons komen, en aldaar, in tegenwoordigheid van al de edele Heeren, die er gisteren te gast waren, zijn logens intrekken en mij verschooning vragen. Ziedaar de eenige voorwaarden, waarop ik den ellendigen bloodaard zijn welverdiende straf zal laten ontgaan.”

“Ik vrees,” hernam de zoon van Lojola, “dat de Heer van Botbergen moeilijk aan zulke voorstellen zal gehoor verleenen.”

“Waarom dan is hij zelf niet gekomen” vroeg Joan: “hij heeft mij nu het recht gegeven, door de gansche wereld te gaan verbreiden, dat hij een laffe logenaar is, die noch moeds genoeg heeft om zijn woorden staande te houden, noch eerlijkheids genoeg, om te bekennen,dat hij schuld gehad heeft. Gij hebt nu mijn voorwaarden gehoord. Mijnheer! en wij hebben verder niets af te handelen. Ik heb de eer u te groeten.” Dit zeggende, lichtte hij den hoed af en wilde zich verwijderen.

“Een oogenblik, jongeling!” zeide Eugenio, hem den weg afsnijdende: “ons gesprek is nog niet afgeloopen.”

“Hebt gij mij niet verstaan?” vroeg Joan, hem met fierheid aanziende.

“Zeer wel,” hernam de Pater: “maar gij hebt mij nog niet verstaan. Ik heb over zaken van meer gewicht met u te spreken, dan over een ellendige dronkenmanskibbelarij.”

“Gij schijnt den oorsprong van den twist niet te kennen,” zeide Joan, terwijl zijn oogen van drift fonkelden, “of gij hadt er een anderen naam aan gegeven. Weet gij de schandelijke praatjes, welke die lafbek omtrent mij heeft durven houden in tegenwoordigheid van menschen, op wier achting ik prijs stel? Weet gij, dat hij met boosaardigen laster mijn goeden naam, het eenigst dat ik op aarde het mijne kan noemen, heeft aangerand?”

“Ik weet dit alles,” zeide Eugenio: “doch ik weet ook, dat de wijze zich aan geen zotteklap stoort.”

“Ik maak geen aanspraak op den naam van wijze,” hernam de jongeling: “maar ik ben een man van eer en draag een degen op zijde: dit had die lage knaap moeten bedenken, eer hij mij hoonen durfde.”

“Ik ben geencasuïst,” zeide Eugenio: “en verlang dus in geen redetwist met u te komen over een punt, dat mij tamelijk onverschillig is. Iemand van mijn stand kan moeilijk bepalen, in welke gevallen het plichtmatig of slechts geoorloofd is, het staal tegen zijn naaste te ontblooten.”

“Gij zijt dus een geestelijke?” hernam Joan: “doch tot welke Kerk gij behoort is mij nog duister, daar ik u in verschillende betrekkingen heb gezien.”

“Ik behoor tot de eenige ware Kerk,” zeide de Jezuïet.

“Dat zeggen alle geestelijken,” hernam Joan: “doch wat u betreft, gij komt in tweeledige opzichten voor den dag.”

“Gij spot met mij, jongeling! dit heb ik aan u niet verdiend. Dit hadde uw vader niet gedaan,” zeide Eugenio, met een ernstigen blik.

“Mijn vader!” riep Joan: “Kent gij den Baron van Sonheuvel dan?”

“Wie spreekt van dien moordenaar?” vroeg de Jezuïet, terwijl hij zijn stem op eens tot haar vollen omvang verhief, als een woedende stier door de neusgaten blies en de groote oogen strak op den jongeling gevestigd hield, om den indruk te ontdekken, dien zijn woorden maken zouden: “ik spreek van uw vader, uw wezenlijken, natuurlijken vader?”

“Mijn God! kent gij hem?” vroeg Joan, terwijl hij met siddering den Jezuïet naderde en diens handen in de zijne drukte.

“Hij was mijn vriend,” zeide Eugenio, den jongeling aan zijn boezem sluitende.

“Hij was!.... hij is dan niet meer?” vroeg Joan, de armen latende vallen.

“In den bloei van zijn roemvol leven, na de edelste en heldhaftigste bedrijven verricht te hebben, werd de brave Velasco als een weerloos lam op de schendigste wijze vermoord.”

“Velasco mijn vader!” riep Joan: “en op een schendige wijze vermoord? O! noem mij den moordenaar, en deze hand zal in zijn bloed de schande uitwisschen, die mij drukt, dat ik hem zoolang ongestraft liet.”

“De jager, die den ouden leeuw in zijn kuil heeft omgebracht,” hernam de Jezuïet, “laat somtijds den leeuwenwelp in ’t leven en voedt hem op uit zucht naar gewin. De booswicht, die Velasco bij zijn leven niet in de oogen durfde zien en hem na zijn dood bespotte, bracht den zoon op, die eenmaal des vaders moord hem vergelden zal.”

“O God!” riep Joan, de handen wringende; “zegt gij waar? was de Baron van Sonheuvel....”

“Uws vaders moordenaar.—Twijfelt gij aan de waarheid mijner woorden, er bestaan levende getuigen, die haar kunnen bevestigen.”

“Neen!” zeide Joan: “de edele, deugdvolle man, die mij nooit anders dan goede lessen gaf, die mij altijd als kind beminde, kan geen moord hebben gepleegd! De oorlog maakte hem en mijn vader tot vijanden: en de dood van dezen zou door een ongelukkig samentreffen kunnen zijn veroorzaakt: doch een moord!.... onmogelijk.”

“Lees de geschiedenissen van zijn tijd,” zeide Eugenio met koelheid: “daar staat het gedrukt, hoe het lijk van Velasco door een bloeddorstigen en wraakgierigen overwinnaar mishandeld werd. Doch, ik begrijp licht,” voegde hij er bij, met een verachtelijken blik, “dat de oogen van den minnaar der schoone Ulrica de bloedvlek niet kunnen zien, die haars vaders handen bezoedelt.”

“Mensch!” riep Joan radeloos uit: “martel mij niet op een zoo verschrikkelijke wijze.”

“Zoo zijn de dwaze stervelingen altijd,” hernam Eugenio: “even onmachtig om de tegenheden als om de vreugde te dragen: eerst waart gij opgetogen en verrukt van blijdschap, omdat gij het geheim uwer geboorte hooptet te leeren kennen; ongelukkig legt de kennis van dit geheim u een lastigen plicht op, en dadelijk verwenscht gij hem, die de moeite nam, het u te ontvouwen.”

“Ik weet niet,” zeide Joan, terwijl hij de hevige gemoedsbewegingen, welke bij hem oprezen, poogde te onderdrukken, om in een zoo verscheurend oogenblik den vreeselijken onbekende met eenige bedaardheid te kunnen aanhooren: “ik weet niet wat gij bedoelt, noch welken plicht gij mij wilt opleggen.”

“Ik leg u geen plicht op,” zeide de Jezuïet: “ik heb u reeds gezegd, dat ik slecht kan beoordeelen wat uw eer en uw naam, waarvan gij den mond zoo vol hebt, van u vorderen: wel is waar, een ander, die minder met woorden schermde en wat meer innerlijk gevoel bezat, zou de vraag, welke gij mij doet, niet behoeven op te werpen. Gij zelf hebt die reeds beantwoord, toen gij een oogenblik geleden den dood zwoert aan uws vaders moordenaar. Toen sprakuw hart: toen hoorde ik de taal, welke den zoon, den man van eer betaamde. Die kreet was in overeenstemming met de laatste woorden uws vaders, wanneer hij, op last van den laaghartigen Reede vermoord, in mijn armen nederzeeg, het brekend oog op u sloeg en mij met stervende lippen toevoegde: voed hem op tot mijn wreker. Het eerste gedeelte van dat bevel kon ik verrichten: het laatste: die uiterste wensch van een stervenden vader, staat aan u te vervullen: en wee den zoon die aan ’s vaders laatsten wensch niet wil voldoen.”

“Kan ik,” vroeg Joan, “mijn zwaard opheffen tegen den man, die mij met zijn brood heeft gevoed?”

“Gij stelt het vraagpunt verkeerd,” zeide Eugenio: “vraag liever: kan ik den man als vijand behandelen, wiens dochter ik liefheb?—dan zult gij beter uw wezenlijke meening uitdrukken. Doch ik heb u geheel verkeerd beoordeeld, en tot mijn leedwezen; want de bijdragen tot menschenkennis, die men op dusdanige wijze vergadert, zijn niet van de aangenaamste. Mijn boodschap aan u is verricht, en ik moet u verlaten met den wensch, dat gij met een gerust geweten de weldaden van uws vaders moordenaar moogt blijven aannemen.”

“Een oogenblik!” riep Joan, hem met drift terughoudende: “tegen hem, die mij van mijn kindsheid af heeft welgedaan en als vader behandeld, mag ik geen onbewezene beschuldigingen aannemen. Welke waarborgen geeft gij mij voor de echtheid van uw verhaal?”

“Welke waarborgen?” herhaalde de Jezuïet: “dan, gij hebt gelijk: het is in den tegenwoordigen tijd voorzichtig, niemand op zijn woord te gelooven, althans geen vreemdeling. Doch, vraag het aan den moordenaar zelven, vraag het aan zijn bloeddorstige medehelpers, vraag het aan uw oom, den ook in Nederland hooggeachten Don Louis; lees het in uw historieschrijvers, die op dit punt ten minste der waarheid zijn getrouw gebleven;.... doch ik spreek in den wind: voor hem, die liefst niet overtuigd wil wezen, helpen geen bewijsgronden.”

“Zóó laat ik u niet gaan,” zeide Joan, terwijl hij den Jezuïet tegenhield, die zich zocht te verwijderen: “gij zijt mij meerdere opheldering schuldig.”

“Tot uw dienst,” hervatte Eugenio: “doch maak het kort. Mijn tijd is kostbaar, en mijn leven is hier niet zeker.”

“Ik sta voor uw leven in,” zeide Joan haastig: “doch antwoord mij. Gij noemdet zooeven mijn oom? Waarom heeft hij mij tot heden geweigerd te erkennen?”

“Vraag hem dit zelf,” antwoordde de Jezuïet: “hij is in Den Bosch, en zal u geenszins weigeren, u zijn gedrag op te helderen.”

“Het is dan Don Louis, die u tot mij gezonden heeft?”

“Don Louis weet dat ik u zou opzoeken: doch herinner u hetgeen ik u gezegd heb: ik had van uw vader zelven een last bekomen, dien ik vervullen moest.”

“En waarom draaldet gij hiermede dan zoo lang?”

“Ik ben u omtrent mijn gedrag geen rekenschap verschuldigd,”antwoordde Eugenio met hoogheid: “en al wilde ik dit, de tijd laat mij zulks niet toe.”

“Waar kan ik u dan nader spreken? Waar vind ik u weder?”

“In Den Bosch, bij uw oom: vraag hem daar slechts naar Pater Eugenio. Vroeger ziet gij mij niet terug. Denk intusschen eens na over hetgeen ik u zeide, onderzoek alles en overweeg uw plicht.”

Dit zeggende, sloeg de Jezuïet, zijn paard bij den toom leidende, de laan in, die hem buiten het boschje voeren moest. Joan bleef, als door den donder getroffen, eenige oogenblikken staan. Dan opeens rees in zijn ziel een gedachte op, welke hij zelf niet besefte dat nu eerst bij hem opkwam. Hij snelde den Jezuïet achterna, en, hem bij den arm grijpende, riep hij uit:

“En mijn moeder?”

“In Den Bosch zal aan uw nieuwsgierigheid voldaan worden,” antwoordde Eugenio, terwijl hij zich losrukte en verder voortstapte. Dan nauwelijks was hij buiten het boschje en op den weg gekomen, of een stevige vuist greep hem in den nek en deed hem tegen zijn paard aantuimelen.

Het was Bouke, die hem op een zoo onvriendelijke wijs begroette. Deze had zich, gelijk boven verhaald is, niet ver van de plaats, waar het onderhoud voorviel, in ’t boschje verscholen. De wind had hem wel belet om juist te verstaan alles wat er gezegd werd; doch eenige weinige woorden, luider dan de overige gesproken, hadden hem doen beseffen, dat er een kwaad opzet tegen zijn Heer gebrouwen werd. En dit vermoeden sloeg tot overtuiging over, toen hij, na lang op het gelaat van den vreemdeling getuurd, en op het einde der samenspraak zich een weinig naderbij begeven te hebben, den Jezuïet van de Katholieke Hofstede herkende; want schoon er sinds dien tijd twintig en meer jaren verloopen waren, behoorden de gelaatstrekken van Eugenio onder diegene, welke men niet licht vergeet, na ze eens aanschouwd te hebben. Met ijzing en afschuw zag hij den gevreesden booswicht aan; dan nog bleef hij twijfelen; want hij had gezien, hoe zijn Joan, zijn vriend en leerling, op den toon der vertrouwelijkheid met den onbekende gesproken, ja, hem zelfs de handen gedrukt had. Eindelijk werd zijn onzekerheid weggenomen, toen de Pater, bij het afscheid nemen, zijn naam noemde, dien naam, welke den braven Bouke zoo verfoeilijk was. Hij nam nu het vast besluit, deze reis den booswicht niet, gelijk de vorige keeren, te laten ontkomen. Zorgvuldig gleed hij door het kreupelhout terug en nam juist het oogenblik waar, dat Eugenio zijn paard wilde beklimmen, om voor den dag te springen en hem, gelijk wij gemeld hebben, met kracht aan te grijpen. “Ja,” riep hij, “loontje komt om zijn boontje! Deze reis zult gij mij niet ontsnappen!” Eugenio, schoon doorgaans op zijn hoede, en altijd tegen een aanval gewapend, was niettemin op zulk een plotselijke aanranding niet bedacht. Hij herstelde zich echter spoedig, en daar Bouke, die de armen hem om ’t lijf hield, hem belette, de hand bij zijn pistolen te brengen, greep hij dezen onder de okselen en trachtte hem op te tillen om hem van zich af te werpen, terwijl hijhem terzelfder tijd voor struikroover uitschold.—Joan, zelf onthutst over hetgeen hij geschieden zag, wierp zich tusschen de beide strijders, die met dezelfde woede en met schier gelijke krachten worstelden: en het gelukte hem, Bouke van zijn weerpartij af te scheuren. Doch de oude dienaar des Barons, door deze tusschenkomst nog feller verbitterd, trok zijn mes en zou Eugenio een steek hebben toegebracht, had Joan zijn arm niet met geweld teruggehouden.

“Zijt ge ijlhoofdig, Bouke?” vroeg de jongeling, “wat is dit voor een razende dolheid?”

“Laat mij begaan, Jonker!” brulde Bouke: “dood bloed geen nood doet!”

“Gij ziet, hoe een ontrust geweten ontwaakt,” zeide de Jezuïet tegen Joan, meteen een pistool voor den dag halende: “deze man heeft mij herkend: hij behoorde ook onder de moordenaars.”

“Dat mag ik van jou wel zeggen, schurk!” galmde Bouke: “Jonker laat mij los: want zoo die schelm los komt, is het land in nood.”

“Gij hebt voor mijn veiligheid ingestaan,” zeide Eugenio, Joan scherp aanziende.

“Dat heb ik,” zeide Joan: “doch maak u weg, eer ’t te laat is; want, bij den hemel! ik zie iemand naderen, die u niet hier moet vinden.”

“Ha! daar komt versterking,” riep Bouke: “Jonker! bij je ziel! laat den schelm niet ontsnappen!—Mijnheer! Mijnheer! kom toch hier!”

“Wat is hier te doen?” vroeg de Baron van Sonheuvel, die, om de dampen van den wijn te doen vervliegen, een ochtendwandeling deed en toevallig den weg naar het boschje genomen had.

“Wat gebeurt er?” riep hij, met spoed aan komende loopen.

“Een zonderling geval, Mijnheer!” antwoordde Eugenio: “die kerel valt mij op ’t onverwachtst met een mes op ’t lijf, zonder dat ik hem in ’t minst beleedigd heb: ik geloof dat de vent dronken is.”

“Kent UEd. hem niet?” riep Bouke, zich aan Joans handen ontworstelende: “het is de Jezuïet van Panne, die toen met UEds. paarden wegliep!”

“Wat Jezuïet? wat Panne?” vroeg Eugenio, met eenglimlach: “de vent is razend.”

“Waarlijk!” zeide de Baron, terwijl hij Eugenio met een scherpen blik aanzag en langzamerhand zijn hartsvanger uithaalde: “ik heb dat gezicht meer gezien: ja hij is het!”

“Ben ik het?” hernam de Jezuïet: “weg dan met alle vermomming! Ja, gij hebt mij nog eenmaal gezien, nadat gij mijn trouwsten vriend baldadig hadt vermoord.”

Deze woorden overtuigden den Baron, dat de vreemdeling werkelijk de medeplichtige van Panne was geweest, daar hij, gelijk onze lezers zich misschien zullen herinneren, werkelijk op dien avond een Jezuïet had neergeschoten; doch Joan bracht het gezegde van Eugenio in verband met hetgeen deze hem het oogenblik te voren had verhaald, en begreep, dat het op den moord van Velasco sloeg.Waarschijnlijk had zich de Jezuïet ook met dit inzicht van een uitdrukking bediend, die voor onderscheiden uitleggingen vatbaar was.

“Welnu schelm!” zeide de Baron: “zoo gij het zelf bekent, geef u dan over.”

“Dat niet,” hernam Eugenio, “zoolang ik hier nog een vriend heb, die mij beschermen zal!” Dit zeggende wierp hij een veelbeteekenenden blik op Joan.

“Laat hem gaan! laat hem gaan! Heer Baron!” riep Joan, in een hevige gemoedsbeweging: “hij was de vriend mijns vaders.”

“Joan, ga ter zijde!” riep de Baron: “zult gij met dien moordenaar één lijn trekken? Gij weet niet welk een vervloekte booswicht daar staat.”

“Wie hij zijn moge,” zeide Joan: “ik heb voor zijn veiligheid ingestaan.”

“Ha! worde ik van mijn voedsterling verraden?” vroeg Reede met verwoedheid: “om ’t even! geef u over schurk van een Jezuïet!”

Bij het uiten dezer woorden liep hij met drift op Eugenio aan, die, achteruittredende, hem de tromp van zijn pistool voorhield. Bouke poogde terzelfder tijd den Jezuïet van achteren aan te vatten; doch deze had zich reeds achter zijn paard om begeven, was behendig opgestegen en poogde nu, den teugel wendende, zijn aanvallers te ontrijden, toen hij door een nieuw aangekomen vijand wederhouden werd. Deze was niemand anders dan Gheryt Maessen, die met een mandje vol kostelijke eieren, door hem tot een dankbaar geschenk voor Freule Ulrica bestemd, van den Rijnkant afkwam. Zoodra hij het gevecht van verre aanschouwde, zette hij zijn mandje neder, nam, bij gebrek van ander wapentuig, een ei in de linkerhand en kwam Eugenio achterop, wien hij met de rechtervuist aangreep en van het paard zocht te trekken. Deze poging ware hem bijna duur te staan gekomen; want de Jezuïet legde reeds het geladen pistool op Maessen aan, toen deze hem het ei vlak tegen het voorhoofd wierp, zoodat de struif hem over de oogen stroomde. Eugenio, die geen doodwond zou ontzien hebben, was door deze zonderlinge ontmoeting een oogenblik onthutst. Hij brandde los; doch in den blinde en zonder iemand te deren; terwijl Gheryt, van zijn verbaasdheid gebruik makende, hem met een ruk achterover en van ’t paard haalde, waarop de Baron en Bouke, genaderd zijnde, zich van hem trachtten meester te maken, en hem te binden: “want,” zeide de Baron: “de schelm moet aan mijn galg en niet door mijn degen sterven.”—Eugenio was echter even spoedig weder opgestaan als hij gevallen was en sloeg zoo geweldig van zich af, dat het aan de drie aanvallers onmogelijk ware geweest, zich levend van hem te verzekeren, zoo niet eenige boeren, van den Rijnkant komende, den Baron de behulpzame hand waren komen bieden. De eerste en wel de ijverigste onder deze nieuwe medehelpers was de bij den lezer welbekende Teun Wezer, die zich (wij zullen nader zien om welke reden) op dat tijdstip in de kroeg aan den overhaal bevond en met de overigen op het vallen van het schot en op het hooren van het geschreeuw was toegesneld.—Op het zien dier menigte staakteEugenio allen wederstand en gaf zich vrijwillig gevangen, alleen verzoekende, zoodra mogelijk op het slot te worden gebracht.

En Joan, hoe had hij gedurende den strijd zich gedragen? Bleek als een doode, met de armen los bij het lijf nederhangende, zonder een voet te verzetten, had hij het schouwspel aangestaard. Strak en akelig stonden zijn oogen; maar duizend ontzettende gedachten bestormden zijn ziel. Het was hem nu duidelijk gebleken uit de woorden van den Baron, van Bouke, van Eugenio, dat de beide eersten de moordenaars, de laatste de vriend van zijn vader geweest waren. Doch aan genen was hij tot nog toe alles, aan den laatste niets verschuldigd geweest. Wien moest, wien mocht hij bestand bieden, nu zij elkander als woedende tijgers aanvielen? Besluiteloos was hij blijven staan, en het was hem een gerustheid, toen hij bij den uitslag zag, dat de strijd aan niemand het leven gekost had. Toen eerst deed hij een stap voorwaarts, doch hernam terstond zijn vorige houding, zoodra hij zag, dat de Baron, na aan de zijnen gelast te hebben. Eugenio naar het kasteel te brengen, naar hem toetrad met een gelaat, waarop verbazing, gramschap en droefheid onderling in strijd schenen.

“Welnu, Joan!” zeide Reede: “uw vriend is geknipt, en niemand heeft eenig letsel bekomen. Zult ge mij nu ook gelieven te zeggen, waarom gij de partij van dien bloedhond getrokken hebt en ons in den pekel hebt laten zitten?”

“Heer Baron!....” zeide Joan sidderende en naar woorden zoekende om zijn aandoening uit te drukken; doch in dit oogenblik wierp Eugenio, in ’t heengaan, een doordringenden blik op hem. “Denk aan uw eed,” zeide de Jezuïet, met een helderklinkende stem.

De Baron zag Eugenio en Joan beurtelings aan met oogen, die van gramschap fonkelden, en vond in beider houding een nieuw bewijs hunner verstandhouding. Hij was naar Joan toegetreden met het oogmerk om vertrouwelijk met hem te spreken en de oorzaak zijner vreemde handelwijze op te sporen. Thans echter nam de toorn in zijn ziel de overhand boven de vriendschap, die hij voor zijn pleegzoon gevoelde, en met den gestrengen toon eens rechters gelastte hij dezen, hem op het kasteel te volgen.

1Verdeel en heersch.

1Verdeel en heersch.


Back to IndexNext