Negen-en-twintigste Hoofdstuk.

Negen-en-twintigste Hoofdstuk.Het zal den Vorst believen,Te vorschen naer ’t geheim.Vondel, Palamedes.Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek, in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden was, die hem verlangde te spreken.Deze boodschap verwonderde den beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet, dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, en hem met een vreemdeling alleen liet.Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in ’t eerst den man niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat met het eene been over ’t andere en de armen gekruist: te meer daar een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in ’t aangezicht bleef zien.“Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?” vroeg deze eindelijk, eenigszins geraakt: “of heeft hier een misverstand plaats?”“Geen misverstand, volstrekt geen,” antwoordde de ander: “gij schijnt mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger gezien.””’t Is waar,” zeide Joan “uw stem is mij niet onbekend: doch het is hier zoo verbaasd duister, dat....”“Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander voor vier weken te Tiel ontmoet.”“Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?”“Even alsof ik u gisteren niet op ’t Binnenhof gezien had?.... Gij hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat is billijk,—doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten, dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar.”“En UEd. komt mij bezoeken!—Dat is recht hupsch van u.”“Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen kerker te redden.”“Waarlijk!” zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: “geloof, dat mijn dankbaarheid....”“Dankbaarheid!” herhaalde de kapitein: “ja, reken op dankbaarheid: dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!”—Hier begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens in mijmeringen verdiept.“Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben,” zeide Joan, met een eenigzins beschroomde stem.“Wat zegt gij, knaap?” vroeg Holtvast met een bulderende stem, terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: “wie zou dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen geschonken hebben?”Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.“Doch dit alles komt hier niet te pas,” zeide deze, wederom gaande zitten: “ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!” vervolgde hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde “weet gij wel, dat het schavot voor u opgericht wordt?”Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger dier slechte tijding met strakke oogen aan.“Morgen uw laatste verhoor, man!—en dan uw vonnis: de galg kunt gij niet ontgaan,” vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.“Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig te werk zou gaan?”“Spoedig!—Ja! misschien nog te langzaam,” zeide Holtvast, weder in zich zelven sprekende: “Onbarmhartig!—maar wat is grooter barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?”“Indien deze laatste woorden mij gelden,” riep Joan uit, “dan zouden zij u duur te staan kunnen komen.” Bij het uiten dezer woorden sloeg hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen verwachtte. “Ach!” zeide hij: “’t is waar: er is geen degen meer; doch des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen.”“Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging,” zeide Holtvast met koelheid: “ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen.”“Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld....”“Dat doet niets ter zake, vriend!” zeide Holtvast: “ha! ha! als men alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet.”“Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?”“Hoor!” zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: “het is juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt, dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen.”“Wel mogelijk,” antwoordde Joan, met koelheid: “doch buiten mijn weten.”“Wat!” riep de kapitein, opvliegende: “wel mogelijk? houdt gij het voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik....”“Waarom niet?” vroeg Joan: “de rechters, die mij ondervroegen, schenen het wel voor mogelijk te houden.”“Om ’t even,” zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen had: “doch het kan u niet onbewust zijn,” vervolgde hij, fluisterende, “dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan ’t hoofd der zaken te stellen.””’t Is voor ’t eerst dat ik er van hoor,” antwoordde Joan.“Gij behoeft met mij niet te veinzen,” hernam de kapitein: “ik weet alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den Graaf te onderhandelen:—Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet.”“En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?” vroeg Joan, die hem wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.“Of ik gek was?—Ik ben zelf ook in ’t geheim, zeide ik u immers. Volg gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck de laatste brieven des Graven wel ontvangen?”“Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele misdaad.”“Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?” vroeg Holtvast, met overhaasting.“Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand.”“Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis en een wissen dood te ontgaan.”“Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand verleend wordt.”“Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets baten kan; ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent.”“Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen,” zeide Joan, zich omwendende.“Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?” vroeg Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een dolksteek toebrengt.“Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?” vroeg Joan, verontwaardigd.“En waarom niet?” vroeg Holtvast: “men heeft zijn vader wel vermoord.”“En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!—Onder het uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op een onzachte wijze van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de stokbewaarder binnen op het geroep, en eer Joan weder opgestaan was, was de kapitein verdwenen.“Zacht wat!” zeide de cipier; “wat wil dat gedruisch?”“Die schurk wilde den Prins vermoorden,” herhaalde Joan.“Kom! zotteklap!” hernam de cipier: “ga maar weder naar uw kooi en slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden, wanneer gij verhoord wordt.”“Maar ik verzeker u, dat die guit....”“Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien aanzetten?” vroeg de cipier, altijd even koel.“Ik ga al,” zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn aanklacht toch geen geloof zou slaan.Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge gesprek met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die kapitein een spion was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren.“Dat dacht ik ook een oogenblik,” zeide Joan: “doch te Tiel was hij stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, dat ik mij zoo in ’s mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande wij zwaren twist hadden.”“En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,” merkte Hendrik aan.“Gij hebt gelijk,” zeide Joan: “maar met dit al zijn de tijdingen, die hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk te gelooven, dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat mij boven ’t hoofd hangt.”Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om hem in dit voornemen te versterken.“Maar!” zeide Joan eindelijk: “alles is goed en wel: doch is het gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen, evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten ontsnappen?”“Ach!” zeide Hendrik, “zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig lijdt, te helpen?”“Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?” vroeg Joan: “en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld aan?””’t Is waar,” zeide Hendrik: “doch geen zorgen voor den tijd! laat ons alles aan Gods bestuur overlaten.”“Recht zoo!” hernam Joan: “en, ofschoon een Arminiaan,” voegde hij er glimlachend bij: “zult gij toch moeten toestemmen, dat wij ontkomen zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten.”“Ik heb tegen dat argument niets in te brengen,” antwoordde Hendrik: “wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming afsmeeken.”Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten het uur der redding af.De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; en nog hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen er: nog liet zich niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf.“Er is zeker iets in den weg gekomen,” zeide Hendrik al zuchtende.“Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk verstaan,” fluisterde Joan hem in.Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot der gevangenisdeur opensprong.Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde.“Hoe!” zeide Hendrik eindelijk: “ik meende toch gehoord te hebben....”“Stil!” zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat het omdraaien van ’t slot gehoord geweest ware en eenigen tijd wachtte met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken.Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open.Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte, belette hun echter te zien of gezien te worden.“Doe uw schoenen uit!” zeide een zachte stem.“Dit is geschied,” antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk Joan met zijn laarzen, in de hand stond.“Stil!” antwoordde dezelfde stem: “hier.... reik mij uw hand. Neem deze twee pistolen.”Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan Joan toe.“Volg mij nu en spreek geen woord.”Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar zij zich bevonden, de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende: Joan was hen met zachte schreden gevolgd.“Klim hier onbevreesd uit,” zeide zij tegen Hendrik: “het regent buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien.”Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje slaande, haar den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds vroeger gehinderd had, zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug.“Maar Truitje!” zeide hij: “indien uw vader onze.... ik wil zeggen mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u zijn?”“Laat dat aan mij over, en haast u,” fluisterde Truitje: “nu, hoe is ’t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten tot vader ons hoort.... dan, ja dan!....”“Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?”“Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug en breek het slot.”Joan stond op heete kolen.“Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?” vroeg Raesfelt. Op dit oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis.“Voort! voort!” zeide Truitje, “of alle hoop is voor ons verloren.”—Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende, Joan bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond.“Goddank!” zeide Truitje: “hij is gered.”“Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet,” zeide Hendrik.“Hoe!” riep Truitje met een gil van verbazing. “Heb ik u het raam niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?”“De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige jongeling, die....”“Om ’t even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij; want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken.”Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was en stond weldra beneden op straat.Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap, met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. Deze laatste raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg, en gaf, na een kort fluisteren met dezen, zijn eigen mantel aan Joan; vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen, dat zij hem volgen zouden.“Waar brengt gij ons?” vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs waren opgewandeld.“Stil!” gaf hij ten antwoord: “Volg mij slechts: ik breng u bij uw vrienden.—Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: die haar vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen.”—Dit zeggende, plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, sloeg hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte en hem met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: “moeten die Heeren bij ons zijn?”“Ik meen van ja, JanDoodeklok!”1zeide de sjouwerman; (want hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te wezen;) “Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot dezen wendende: “Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet.” Met deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der zoogenaamdeDoodeklok, die, met een beleefde buiging, doch zonder den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had Joan de haan vanzijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, en, deDoodeklokgemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de vromen al vergaderd waren.DeDoodeklokbeantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm nam: “vergun mij, Mijnheer!” zeide hij: “dat ik mij aan u vasthoude; want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd bang, om in dit donkere gat armen of beenen te breken.”Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter hield hij zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht verlichte trap beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur, welke zich op het aankloppen van Bleiswyk opende. Dan welk een schrik beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote schaar van menschen voor zich zagen. Beiden verzetteden en wilde terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich naar binnengetrokken, en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde scheiden, volgde hen.Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen van overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans wel dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig uitstaken, als wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het martelaarschap getroosten zouden. Midden in de zaal was een soort van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in ’t zwart gekleed, en wien Joan al dadelijk voor Groenhovius herkende, met de gebaren eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden, die in deze vergadering den boventoon schenen te houden: onder dezen stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een zwarte fluweelen muts op het hoofd.Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij, die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en wenkten hun beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.—Voordat Bleiswyk aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak hij de handen in de zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk om de schoone te zoeken, die hem derwaarts gelokt had. ’t Zij dat hij haar niet ontdekken kon, ’t zij dat zij er waarlijk niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden bank, snoot zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en liet zijn donkerkleurigen mantelopenvallen, waardoor zijn prachtige onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag, als wilde hij zeggen: ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig, of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon aandachtig naar diens woorden te luisteren.Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap; en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder te kunnen vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende, hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; dan hoe ontstelde Joan, toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij ook vermomd was, bijna terstond door hem voor den Fiskaal Van Kinschot herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan den hoed nog dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus (alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte zijner hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik, die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius had, naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de bekeering van Saulus verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: “zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hij een discipel was.”—Met veel arglistigheid wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie, den tekst in zijn geheel verband toepasselijk te maken op Graaf Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen aan de gemeente zocht diets te maken, dat zij van dien vorst alleen haar hulp en verlossing te wachten had.—“Ja,” riep hij uit met een vervaarlijke stem, terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor hem liggenden Bijbel sloeg: “hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende, niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want weet, uit Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls teweeg zal brengen, en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds uit Nazareth komen? Want hier geschiedt meer, en uit dat geslachte Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan: uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen, en het is wonderlijk in onze oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd: ik ben met u, gij strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet meer, gij huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods, en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal de een tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden: Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan.Doch wie is nu Gideon dezoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken, gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef zijn zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader, Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;—en ook de vader van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden met machtiger dan hij, en overmocht hem:—en de vader van onzen Jozef heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:—en de vader van onzen Jozef niet minder. Jacob heeft vier wijven gehad; doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:—onze Jacob had ook vier wijven; doch zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, die den vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder oprichten en de verdorde takken weder bloeien doen. Dus waakt! want de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het zwaard ten strijde,versterktde lendenen zeer!”Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het thans in vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet, op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een verwonderlijken indruk te maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een anderen spreker vervangen werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige taal des Predikants aangehoord; doch toen deze in het laatste gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk tot burgeroorlog aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte heen tot voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm: “Van hier, gij Beliäls zoon!” riep hij driftig uit: “wie geeft u last en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij, de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot oproer manen?”“Braaf gesproken!” zeide Bleiswyk overluid: “dat is taal, die men verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten kon, die niet gestudeerd had.”“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Joan tot zich zelven: en meteen gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om, ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger had hij misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen gaven, die zich bij de eerste verwarring uit de zaal maakten.“Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft afnemen?” vroeg Groenhovius: “ben ik niet de gezondene en geroepene van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?”“Leugenprofeet!” riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: “isdit het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!”“Afvallige!” brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks naam had in het oor geblazen: “scelerate! nonne Raesfeldii filius?2Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen heeft in onzen dood.”“Jongeling!” zeide nu de man met de fluweelen muts, die naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik terugstootte! “laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche beschuldiging te logenstraffen.”“Ha! wien hebben wij hier!” riep Joan, die deze stem herkende, voor den dag springende en den onbekende zijn valschen witten baard afrukkende: “Pater Eugenio in dezen kring!”Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht wederom afgetrokken en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande, zich voor graaf Frederik Hendrik kennen deed.“Ja, ik ben hier gekomen,” zeide deze: “doch geenszins....”“Wat onvoorzichtigheid! om ’s Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid,” zeide Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best deed om hem zijn mantel weder om te slaan.“Laat af, Ludwig!” riep de Graaf: “ik moet redenen van mijn gedrag geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat....”“Die redenen zult ge mij geven,” zeide, op een half gesmoorden, doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld, achter hem oprees en hem op den schouder tikte.“Maurits!” zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende.“Stil!” beet de Prins hem in ’t oor: “ik wacht u tot mijnent. Kom, Van Kinschot! laat ons gaan.”—Na het uiten dezer woorden drong hij in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend hadden en voor de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze vergadering hebben kon. Frederik Hendrik was als versteend blijven staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind de kamer uitgeleidde. Inmiddels had Eugenio zich door een zijdeur weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich onder de menigte begeven. Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht Joan, doch vruchteloos, onder de nog aanwezige personen, toen een zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met zich nam, met belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen.1Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.2Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?Dertigste Hoofdstuk.De brief was toegezegeltMet ’s Konings eigen ringh, doch ’t wapen is mislucktIn ’t zeeglen, en de hant in ’t schrijven wat gedruckt.Vondel, Palamedes.“O Van Kinschot!” riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende: “en hij, die mij verried, was mijn broeder.”De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te worden geheeld.“Die ondankbare!” vervolgde Maurits: “en op welk een oogenblik verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden, die mij eenmaal naar de hartader steken moest.”“Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?” vroeg Van Kinschot, met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.“Geene!—volstrekt geene!—zoo er nog één vonk gevoel in den verrader is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht te redden.”“Doch zijn aanhangelingen?” hernam de Fiskaal: “doch die schandelijke oproerprediker? moet die niet gevat worden?”“Dat was uw zaak geweest,” antwoordde Maurits: “zoo laag kan mijn toorn nu niet dalen.”“Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het ontkomen zijn.”“En morgen had geheel ’s-Gravenhage geweten,” viel de Prins driftig in, “dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft.”“Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel te versmoren.”“En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?—Neen, Van Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroegik zelf den brenger van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?”“Misschien,” zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, “had de tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene zeer billijke reden, die....”“Paai mij niet met zulke praatjes,” zeide Maurits, hem met drift in de rede vallende; “zou hij zich dan openlijk aan die vergadering vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De Hemel gave, dat ik twijfelen mocht.”In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde: “Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door.”Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en, in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest, was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte ’s Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was, van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst, de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderdwas, bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.—Maurits liet hem eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg hij met een flauwe en toch ernstige stem: “welnu! wat wilt ge?”De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke de onrust zijner ziel aanduidde: “gij hebt mij bescheiden, Maurits!”“En is dat de reden uwer komst?” vroeg Maurits, met hevigheid losberstende: “en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet gekomen zijn?—Dan heb ik u niet noodig.”“Maurits!” zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: “zoo moeten wij niet tot elkander spreken.”“Terug!” zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: “geen stap verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te kunnen begaan.”“Almachtige God!” riep Frederik Hendrik met ijzing uit: “wie kon u zulke denkbeelden van mij inboezemen?”“Wie?—uw gedrag:—hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot een broedermoord in staat.”“Maurits!” zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: “durft gij uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?”“Ik verdenk u niet meer,” antwoordde de Prins met een verachtenden glimlach: “dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat, houden de vermoedens op.”“Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?” vroeg Frederik Hendrik; “gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?—Is dat de rechtvaardigheid, waarop Maurits roem durft dragen?”“Ik luister,” zeide Maurits: “wat hebt gij tot uw verschooning in te brengen?”“Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde,” antwoordde zijn broeder met de fierheid van een rein geweten.“Ellendige!” riep Maurits, vol gramschap opspringende;—dochspoedig de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een zachteren, ofschoon bitteren toon: “doch gij hebt gelijk; men moet u niet van den aard uwer schuld onbewust laten.—Dan, waarmede zullen wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal.”—Hier zweeg hij, bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns broeders grijpen kon.“Ik ben gereed alles op te helderen,” zeide Frederik Hendrik.“Hebt gij,” vroeg eensklaps zijn broeder, “de vrouw van Bysterus niet met geld ondersteund?”“En sedert wanneer,” vroeg de Graaf op zijn beurt, “kan een aalmoes iemand tot misdrijf worden aangerekend?”“Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht,” zeide de Prins: “gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was.”“God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken,” zeide de Graaf, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.“En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een rein oogmerk bestuurd?” vervolgde Maurits, zich op de lippen van gramschap bijtende.“Mijn tegenwoordigheid aldaar,” hernam zijn broeder, “was een dwaasheid en niet meer.—Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had.”“Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!”“Zoo Uwe Hoogheid,” hernam Frederik Hendrik met waardigheid, “vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen, dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij alszoodanigte verhooren, geen verder antwoord behoef te geven.”“Frits!” zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: “de Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder aan het licht te hebben gebracht;—doch antwoord mij, inden naam des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, wat deedt gij in dat Arminianenhol?”“Ik heb u de waarheid gezegd,” antwoordde zijn broeder, “de zuivere, onvervalschte waarheid.”“Frits! Frits!” hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten getuigden: “hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan ’t hoofd van een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen, dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?”“Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn bedoelingen uit den waan te brengen,” antwoordde de Graaf.“Waarachtig,” zeide Maurits met bitterheid: “ik heb u niet laten uitspreken; ’t is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons gehoord.”“Met uw verlof,” zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen terugkaatsen: “waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?”Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten, in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.“Ha, slang!” brulde hij: “is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen: ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had.”“Gij kwaamt dus om mij te bespieden?” vroeg Frederik Hendrik, bedaard achteruittredende: “een ware trek van broederliefde!”“Beleedigt ge mij nog, verrader!” grauwde Maurits, wiens gramschap nu den hoogsten top bereikt had, hem toe: “sidder voor mijn toorn!” Met het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder mede dreigde.“Maurits!” zeide deze, innig geroerd: “keer tot u zelven.”De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had, hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds bij zijn beminde gade en in ’t midden zijner waardste panden gezeten was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande, in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleenAchilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheidten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op ’t zelfde oogenblik een nog grievender verwijt dan ’t geen uit ’s vaders oogen sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen, waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid te brengen,Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de overtuiging van ’s Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.“Gij misduidt mij,” zeide Maurits, “zoo gij denkt, dat mijn ontroering aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelventoornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt.”“Ongelukkige!” hernam de Graaf: “ik beklaag u, zoo gij er berouw over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en menschelijkheid te hebben geluisterd.”“Frits!” riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken stroomden; “denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten, mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:—hoor, Frits! weet gij wat het is, rechtvaardig temoetenwezen? hebt gij, als ik, u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in ’t graf stond, een man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, temoetenovergeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?—Ik heb het vonnis van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht, op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans, oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden zijn nu het mijn broeder gelden moet.”Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.“Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt,” zeide Frederik Hendrik, na eenige oogenblikken zwijgens: “en daarom verwondert het mij, dat gij, alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht.”Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenstekuilen zijns harten doorschouwen wilde. “Frits!” zeide hij ten laatste: “gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste huichelaar die ooit bestaan heeft:—hebt gij u dan niets anders te verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?”“Tegen u en den Staat?—Hoegenaamd niets.”“Niets?” herhaalde Maurits: “welaan, wij zullen zien:—Heer Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen.” Dit zeggende, stond hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de deur staan.“Heer Fiskaal!” vervolgde de Prins: “haal mij eens al die processale stukken hier.—Gij weet immers wat ik bedoel?”Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef.“Ja!” zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo ’t scheen voleindigd had, “gij zoudt ook wel, geloof ik, alsvetterLodewijk, een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; doch dat is niet genoeg,” vervolgde hij, zich op het hart slaande: “men moet Scherpenheuvel hier hebben.”Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet de zaal.“Nu, Frits!” zeide Maurits: “neem plaats: wij zullen dit pakket eens gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen.”De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, evenals Uyttenbogaert, ’s Graven raad vroeg over de aanbiedingen, vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan.“Lees verder, Frits! lees verder!” zeide Maurits, hem een derden brief voorleggende.Frederik Hendrik opende dien;—doch nauwelijks had hij eenige regelen gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging kleurde zijn voorhoofd.“Aha! de brief van Grobbendonck!” zeide Maurits! over zijns broeders schouder heen ziende: “welnu! wat zegt gij?”Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, die aan den vijand mochten overleveren: verdervernam hij, of de Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen, benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.“Ik zeg,” antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog geloof hecht, bevreemdt mij:—let eens op, dat in dit geschrift juist uw getrouwste legerhoofden genoemd worden.”“Denkt gij,” zeide Maurits, hem scherp aanziende, “denkt gij waarlijk, dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?—Doch lees verder.”De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck, en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.“Ik wilde maar,” zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al hetaanmij geschrevene, ietsdoormij geschreven kon voor den dag brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen.”“Het grieft mij,” hernam de Prins, “dat ik aan uw onvoorzichtigen wensch voldoen kan.” Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht.“Ik weet niet wat die teekens beduiden,” zeide de Graaf: “doch dit weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit prulschrift geen kennis.”“Fijn uitgedacht!” zeide Maurits: “het ééne is niet door Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven, om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en gewenscht hadt.”“Ik zie,” zeide Frederik Hendrik, “dat ik het slachtoffer ben van een verfoeilijk bedrog.””’t Is wel,” hernam de Prins: “wij zullen dit nader onderzoeken, Van Kinschot! kom binnen!”De Fiskaal verscheen.“Zijn de wachten aan het Hof afgelost?”“Dat kan niet lang meer duren,” antwoordde Van Kinschot: “het is reeds klaar dag.”“Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt.Zeg aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen worden.—Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder zijn:—uw kerker, de naaste kamer.”Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.“Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?” vervolgde Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.“Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver,” zeide de Graaf: “en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen zou komen.”“Dan is die zwarigheid opgelost,” vervolgde de Prins: “Heer Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, welke tegen den Graaf is ingebracht.”“Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,” antwoordde de Fiskaal: “doch....”“Welnu?”Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op Frederik Hendrik.“Als Uwe Doorl. gereed is,” zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.“Broeder!” zeide de Graaf: “rust wel, en God opene uw oogen voor de kracht der waarheid.”—Met deze woorden begaf hij zich in de kamer, welke Maurits wederom sloot.“Wat wildet gij zeggen,” vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij alleen waren.“Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker ontsnapt is.”“Ontsnapt!.... niet mogelijk.”“Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en wedergeïncarcereerdworden.”“Laat hen naar den duivel loopen,” zeide Maurits: “die Joan, of hoe hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?”“Dezelfde, Uwe Hoogheid!”“Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hemzoeken, zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden.”“Zal ik deze papieren met mij nemen?” vroeg de Fiskaal, ze willende opnemen.“Een oogenblik,” zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: “hadden wij,” vervolgde hij, “slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen spellen.” Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd, zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn ongeduld te verbergen.“Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?” vroeg eindelijk de Prins.“Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester maken, en....”“Hoe!” riep Maurits, opstuivende: “gij zoudt uw rakkers de handen laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen aan mij.”Van Kinschot haalde de schouders op: “qui vult finem, vult media,”1zeide hij: “dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd herinneren.”“Iets anders!” zeide Maurits!—“wacht! daar schiet mij wat te binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?”“Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid zulks verkozen had.”“Laat hem hier komen!”“Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren, en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig.”“Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed,” zeide Maurits wrevelig.De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.1Die het einde wil, wil de middelen.

Negen-en-twintigste Hoofdstuk.Het zal den Vorst believen,Te vorschen naer ’t geheim.Vondel, Palamedes.Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek, in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden was, die hem verlangde te spreken.Deze boodschap verwonderde den beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet, dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, en hem met een vreemdeling alleen liet.Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in ’t eerst den man niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat met het eene been over ’t andere en de armen gekruist: te meer daar een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in ’t aangezicht bleef zien.“Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?” vroeg deze eindelijk, eenigszins geraakt: “of heeft hier een misverstand plaats?”“Geen misverstand, volstrekt geen,” antwoordde de ander: “gij schijnt mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger gezien.””’t Is waar,” zeide Joan “uw stem is mij niet onbekend: doch het is hier zoo verbaasd duister, dat....”“Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander voor vier weken te Tiel ontmoet.”“Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?”“Even alsof ik u gisteren niet op ’t Binnenhof gezien had?.... Gij hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat is billijk,—doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten, dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar.”“En UEd. komt mij bezoeken!—Dat is recht hupsch van u.”“Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen kerker te redden.”“Waarlijk!” zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: “geloof, dat mijn dankbaarheid....”“Dankbaarheid!” herhaalde de kapitein: “ja, reken op dankbaarheid: dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!”—Hier begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens in mijmeringen verdiept.“Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben,” zeide Joan, met een eenigzins beschroomde stem.“Wat zegt gij, knaap?” vroeg Holtvast met een bulderende stem, terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: “wie zou dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen geschonken hebben?”Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.“Doch dit alles komt hier niet te pas,” zeide deze, wederom gaande zitten: “ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!” vervolgde hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde “weet gij wel, dat het schavot voor u opgericht wordt?”Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger dier slechte tijding met strakke oogen aan.“Morgen uw laatste verhoor, man!—en dan uw vonnis: de galg kunt gij niet ontgaan,” vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.“Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig te werk zou gaan?”“Spoedig!—Ja! misschien nog te langzaam,” zeide Holtvast, weder in zich zelven sprekende: “Onbarmhartig!—maar wat is grooter barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?”“Indien deze laatste woorden mij gelden,” riep Joan uit, “dan zouden zij u duur te staan kunnen komen.” Bij het uiten dezer woorden sloeg hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen verwachtte. “Ach!” zeide hij: “’t is waar: er is geen degen meer; doch des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen.”“Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging,” zeide Holtvast met koelheid: “ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen.”“Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld....”“Dat doet niets ter zake, vriend!” zeide Holtvast: “ha! ha! als men alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet.”“Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?”“Hoor!” zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: “het is juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt, dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen.”“Wel mogelijk,” antwoordde Joan, met koelheid: “doch buiten mijn weten.”“Wat!” riep de kapitein, opvliegende: “wel mogelijk? houdt gij het voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik....”“Waarom niet?” vroeg Joan: “de rechters, die mij ondervroegen, schenen het wel voor mogelijk te houden.”“Om ’t even,” zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen had: “doch het kan u niet onbewust zijn,” vervolgde hij, fluisterende, “dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan ’t hoofd der zaken te stellen.””’t Is voor ’t eerst dat ik er van hoor,” antwoordde Joan.“Gij behoeft met mij niet te veinzen,” hernam de kapitein: “ik weet alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den Graaf te onderhandelen:—Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet.”“En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?” vroeg Joan, die hem wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.“Of ik gek was?—Ik ben zelf ook in ’t geheim, zeide ik u immers. Volg gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck de laatste brieven des Graven wel ontvangen?”“Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele misdaad.”“Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?” vroeg Holtvast, met overhaasting.“Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand.”“Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis en een wissen dood te ontgaan.”“Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand verleend wordt.”“Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets baten kan; ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent.”“Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen,” zeide Joan, zich omwendende.“Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?” vroeg Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een dolksteek toebrengt.“Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?” vroeg Joan, verontwaardigd.“En waarom niet?” vroeg Holtvast: “men heeft zijn vader wel vermoord.”“En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!—Onder het uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op een onzachte wijze van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de stokbewaarder binnen op het geroep, en eer Joan weder opgestaan was, was de kapitein verdwenen.“Zacht wat!” zeide de cipier; “wat wil dat gedruisch?”“Die schurk wilde den Prins vermoorden,” herhaalde Joan.“Kom! zotteklap!” hernam de cipier: “ga maar weder naar uw kooi en slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden, wanneer gij verhoord wordt.”“Maar ik verzeker u, dat die guit....”“Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien aanzetten?” vroeg de cipier, altijd even koel.“Ik ga al,” zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn aanklacht toch geen geloof zou slaan.Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge gesprek met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die kapitein een spion was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren.“Dat dacht ik ook een oogenblik,” zeide Joan: “doch te Tiel was hij stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, dat ik mij zoo in ’s mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande wij zwaren twist hadden.”“En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,” merkte Hendrik aan.“Gij hebt gelijk,” zeide Joan: “maar met dit al zijn de tijdingen, die hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk te gelooven, dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat mij boven ’t hoofd hangt.”Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om hem in dit voornemen te versterken.“Maar!” zeide Joan eindelijk: “alles is goed en wel: doch is het gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen, evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten ontsnappen?”“Ach!” zeide Hendrik, “zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig lijdt, te helpen?”“Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?” vroeg Joan: “en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld aan?””’t Is waar,” zeide Hendrik: “doch geen zorgen voor den tijd! laat ons alles aan Gods bestuur overlaten.”“Recht zoo!” hernam Joan: “en, ofschoon een Arminiaan,” voegde hij er glimlachend bij: “zult gij toch moeten toestemmen, dat wij ontkomen zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten.”“Ik heb tegen dat argument niets in te brengen,” antwoordde Hendrik: “wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming afsmeeken.”Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten het uur der redding af.De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; en nog hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen er: nog liet zich niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf.“Er is zeker iets in den weg gekomen,” zeide Hendrik al zuchtende.“Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk verstaan,” fluisterde Joan hem in.Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot der gevangenisdeur opensprong.Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde.“Hoe!” zeide Hendrik eindelijk: “ik meende toch gehoord te hebben....”“Stil!” zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat het omdraaien van ’t slot gehoord geweest ware en eenigen tijd wachtte met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken.Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open.Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte, belette hun echter te zien of gezien te worden.“Doe uw schoenen uit!” zeide een zachte stem.“Dit is geschied,” antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk Joan met zijn laarzen, in de hand stond.“Stil!” antwoordde dezelfde stem: “hier.... reik mij uw hand. Neem deze twee pistolen.”Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan Joan toe.“Volg mij nu en spreek geen woord.”Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar zij zich bevonden, de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende: Joan was hen met zachte schreden gevolgd.“Klim hier onbevreesd uit,” zeide zij tegen Hendrik: “het regent buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien.”Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje slaande, haar den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds vroeger gehinderd had, zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug.“Maar Truitje!” zeide hij: “indien uw vader onze.... ik wil zeggen mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u zijn?”“Laat dat aan mij over, en haast u,” fluisterde Truitje: “nu, hoe is ’t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten tot vader ons hoort.... dan, ja dan!....”“Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?”“Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug en breek het slot.”Joan stond op heete kolen.“Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?” vroeg Raesfelt. Op dit oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis.“Voort! voort!” zeide Truitje, “of alle hoop is voor ons verloren.”—Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende, Joan bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond.“Goddank!” zeide Truitje: “hij is gered.”“Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet,” zeide Hendrik.“Hoe!” riep Truitje met een gil van verbazing. “Heb ik u het raam niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?”“De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige jongeling, die....”“Om ’t even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij; want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken.”Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was en stond weldra beneden op straat.Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap, met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. Deze laatste raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg, en gaf, na een kort fluisteren met dezen, zijn eigen mantel aan Joan; vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen, dat zij hem volgen zouden.“Waar brengt gij ons?” vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs waren opgewandeld.“Stil!” gaf hij ten antwoord: “Volg mij slechts: ik breng u bij uw vrienden.—Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: die haar vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen.”—Dit zeggende, plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, sloeg hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte en hem met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: “moeten die Heeren bij ons zijn?”“Ik meen van ja, JanDoodeklok!”1zeide de sjouwerman; (want hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te wezen;) “Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot dezen wendende: “Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet.” Met deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der zoogenaamdeDoodeklok, die, met een beleefde buiging, doch zonder den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had Joan de haan vanzijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, en, deDoodeklokgemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de vromen al vergaderd waren.DeDoodeklokbeantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm nam: “vergun mij, Mijnheer!” zeide hij: “dat ik mij aan u vasthoude; want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd bang, om in dit donkere gat armen of beenen te breken.”Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter hield hij zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht verlichte trap beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur, welke zich op het aankloppen van Bleiswyk opende. Dan welk een schrik beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote schaar van menschen voor zich zagen. Beiden verzetteden en wilde terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich naar binnengetrokken, en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde scheiden, volgde hen.Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen van overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans wel dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig uitstaken, als wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het martelaarschap getroosten zouden. Midden in de zaal was een soort van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in ’t zwart gekleed, en wien Joan al dadelijk voor Groenhovius herkende, met de gebaren eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden, die in deze vergadering den boventoon schenen te houden: onder dezen stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een zwarte fluweelen muts op het hoofd.Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij, die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en wenkten hun beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.—Voordat Bleiswyk aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak hij de handen in de zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk om de schoone te zoeken, die hem derwaarts gelokt had. ’t Zij dat hij haar niet ontdekken kon, ’t zij dat zij er waarlijk niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden bank, snoot zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en liet zijn donkerkleurigen mantelopenvallen, waardoor zijn prachtige onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag, als wilde hij zeggen: ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig, of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon aandachtig naar diens woorden te luisteren.Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap; en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder te kunnen vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende, hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; dan hoe ontstelde Joan, toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij ook vermomd was, bijna terstond door hem voor den Fiskaal Van Kinschot herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan den hoed nog dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus (alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte zijner hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik, die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius had, naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de bekeering van Saulus verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: “zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hij een discipel was.”—Met veel arglistigheid wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie, den tekst in zijn geheel verband toepasselijk te maken op Graaf Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen aan de gemeente zocht diets te maken, dat zij van dien vorst alleen haar hulp en verlossing te wachten had.—“Ja,” riep hij uit met een vervaarlijke stem, terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor hem liggenden Bijbel sloeg: “hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende, niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want weet, uit Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls teweeg zal brengen, en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds uit Nazareth komen? Want hier geschiedt meer, en uit dat geslachte Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan: uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen, en het is wonderlijk in onze oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd: ik ben met u, gij strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet meer, gij huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods, en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal de een tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden: Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan.Doch wie is nu Gideon dezoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken, gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef zijn zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader, Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;—en ook de vader van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden met machtiger dan hij, en overmocht hem:—en de vader van onzen Jozef heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:—en de vader van onzen Jozef niet minder. Jacob heeft vier wijven gehad; doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:—onze Jacob had ook vier wijven; doch zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, die den vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder oprichten en de verdorde takken weder bloeien doen. Dus waakt! want de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het zwaard ten strijde,versterktde lendenen zeer!”Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het thans in vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet, op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een verwonderlijken indruk te maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een anderen spreker vervangen werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige taal des Predikants aangehoord; doch toen deze in het laatste gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk tot burgeroorlog aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte heen tot voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm: “Van hier, gij Beliäls zoon!” riep hij driftig uit: “wie geeft u last en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij, de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot oproer manen?”“Braaf gesproken!” zeide Bleiswyk overluid: “dat is taal, die men verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten kon, die niet gestudeerd had.”“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Joan tot zich zelven: en meteen gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om, ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger had hij misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen gaven, die zich bij de eerste verwarring uit de zaal maakten.“Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft afnemen?” vroeg Groenhovius: “ben ik niet de gezondene en geroepene van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?”“Leugenprofeet!” riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: “isdit het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!”“Afvallige!” brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks naam had in het oor geblazen: “scelerate! nonne Raesfeldii filius?2Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen heeft in onzen dood.”“Jongeling!” zeide nu de man met de fluweelen muts, die naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik terugstootte! “laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche beschuldiging te logenstraffen.”“Ha! wien hebben wij hier!” riep Joan, die deze stem herkende, voor den dag springende en den onbekende zijn valschen witten baard afrukkende: “Pater Eugenio in dezen kring!”Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht wederom afgetrokken en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande, zich voor graaf Frederik Hendrik kennen deed.“Ja, ik ben hier gekomen,” zeide deze: “doch geenszins....”“Wat onvoorzichtigheid! om ’s Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid,” zeide Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best deed om hem zijn mantel weder om te slaan.“Laat af, Ludwig!” riep de Graaf: “ik moet redenen van mijn gedrag geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat....”“Die redenen zult ge mij geven,” zeide, op een half gesmoorden, doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld, achter hem oprees en hem op den schouder tikte.“Maurits!” zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende.“Stil!” beet de Prins hem in ’t oor: “ik wacht u tot mijnent. Kom, Van Kinschot! laat ons gaan.”—Na het uiten dezer woorden drong hij in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend hadden en voor de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze vergadering hebben kon. Frederik Hendrik was als versteend blijven staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind de kamer uitgeleidde. Inmiddels had Eugenio zich door een zijdeur weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich onder de menigte begeven. Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht Joan, doch vruchteloos, onder de nog aanwezige personen, toen een zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met zich nam, met belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen.1Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.2Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?

Het zal den Vorst believen,Te vorschen naer ’t geheim.Vondel, Palamedes.

Het zal den Vorst believen,Te vorschen naer ’t geheim.

Het zal den Vorst believen,

Te vorschen naer ’t geheim.

Vondel, Palamedes.

Terwijl dit alles voorviel ten huize van de Gravin van Nassau, zaten Joan en Hendrik Raesfelt, die den geheelen dag, zonder eenig bezoek, in groote verveling hadden doorgebracht, op den nacht te wachten, welke verlossing aan moest brengen, toen de knecht des cipiers hun gevangenis binnenkwam en Joan verzocht hem te volgen, vermits er iemand beneden was, die hem verlangde te spreken.Deze boodschap verwonderde den beiden vrienden; want het uur, waarop de poort zich niet meer opende, was reeds voor een geruimen tijd verstreken; dit belette echter niet, dat Joan zijn leidsman volgde, die hem in een spreekvertrek bracht, en hem met een vreemdeling alleen liet.

Het begon reeds duister te worden en de laatste schemering viel slechts even in de kamer waar hij zich bevond, zoodat Joan in ’t eerst den man niet herkende, die in een gemakkelijken leunstoel aan een tafel zat met het eene been over ’t andere en de armen gekruist: te meer daar een hoed met breede randen en donkere veeren hem het hoofd en een groote mantel de leden bedekte. Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin de vreemdeling, zonder een woord te spreken, Joan sterk in ’t aangezicht bleef zien.

“Ben ik het, wien UEd. verlangt te spreken?” vroeg deze eindelijk, eenigszins geraakt: “of heeft hier een misverstand plaats?”

“Geen misverstand, volstrekt geen,” antwoordde de ander: “gij schijnt mij niet te herkennen, jonkman, wij hebben elkander toch vroeger gezien.”

”’t Is waar,” zeide Joan “uw stem is mij niet onbekend: doch het is hier zoo verbaasd duister, dat....”

“Kapitein Holtvast, van de Garde, om u te dienen: wij hebben elkander voor vier weken te Tiel ontmoet.”

“Juist, nu herinner ik mij volkomen.... doch hoe wist UEd. dat ik mij in Den Haag en wel in dezen kerker bevond?”

“Even alsof ik u gisteren niet op ’t Binnenhof gezien had?.... Gij hebt uw oogen op mij niet willen wenden; het scheen dat er een ander voorwerp was, hetwelk beter uw beschouwing verdiende.... nu! dat is billijk,—doch ik zag en herkende u terstond: en om te weten, dat gij hier geplakt werdt, dat was spoedig ruchtbaar.”

“En UEd. komt mij bezoeken!—Dat is recht hupsch van u.”

“Nietwaar? Ja, ik kom meer doen;.... doch kom wat naderbij en zet u!.... ik kom meer doen; ik kom u de middelen bieden om u uit dezen kerker te redden.”

“Waarlijk!” zeide Joan, den kapitein haastig bij de hand nemende: “geloof, dat mijn dankbaarheid....”

“Dankbaarheid!” herhaalde de kapitein: “ja, reken op dankbaarheid: dankbaarheid is klokspijs voor gekken: ik heb nooit meer betalingen ontvangen dan in betuigingen van dankbaarheid:.... dankbaarheid is de schil van den citroen, welke men u toewerpt, nadat men het sap heeft genoten. Dankbaarheid! ja voor den duivel! ha! ha! ha!”—Hier begon Holtvast op een gemaakte wijze te lachen en scheen toen opeens in mijmeringen verdiept.

“Men schijnt uw goed vertrouwen misbruikt te hebben,” zeide Joan, met een eenigzins beschroomde stem.

“Wat zegt gij, knaap?” vroeg Holtvast met een bulderende stem, terwijl hij opstond en zijn mantel over zijn schouder sloeg: “wie zou dat hebben durven doen? of liever: aan wien zou ik mijn vertrouwen geschonken hebben?”

Joan zweeg, en zag den kapitein verwonderd aan.

“Doch dit alles komt hier niet te pas,” zeide deze, wederom gaande zitten: “ik heb u heel wat anders te zeggen: hoor knaap!” vervolgde hij, terwijl hij zijn kin met beide handen ondersteunde “weet gij wel, dat het schavot voor u opgericht wordt?”

Ik geloof, dat er niemand op aarde bestaat, die bij een dergelijke mededeeling zijn gewone kalmte van ziel bewaren zou. Ook onze held voelde een kille huivering door al zijn leden gaan, en zag den brenger dier slechte tijding met strakke oogen aan.

“Morgen uw laatste verhoor, man!—en dan uw vonnis: de galg kunt gij niet ontgaan,” vervolgde Holtvast met de meeste bedaardheid.

“Zou UEd. waarlijk denken, dat men zoo spoedig.... en zoo onbarmhartig te werk zou gaan?”

“Spoedig!—Ja! misschien nog te langzaam,” zeide Holtvast, weder in zich zelven sprekende: “Onbarmhartig!—maar wat is grooter barmhartigheid, schelmen te hangen, of schelmen te laten loopen?”

“Indien deze laatste woorden mij gelden,” riep Joan uit, “dan zouden zij u duur te staan kunnen komen.” Bij het uiten dezer woorden sloeg hij de hand met drift op de plaats, waar hij het gevest van zijn degen verwachtte. “Ach!” zeide hij: “’t is waar: er is geen degen meer; doch des te laffer is het van u gehandeld, een ongewapende te beleedigen.”

“Er bestaat hoegenaamd geen oogmerk tot beleediging,” zeide Holtvast met koelheid: “ik sprak met mij zelven.... ik bevind mij dikwijls in de gelegenheid van alleen mij zelven te kunnen raadplegen;.... doch het is zooals ik zeide: morgen of uiterlijk overmorgen wordt gij gehangen.”

“Onmogelijk! ik heb niets misdreven, en zonder schuld....”

“Dat doet niets ter zake, vriend!” zeide Holtvast: “ha! ha! als men alleen den schuldige hing;.... doch mijn vraag is niet, of gij schuldig of onschuldig zijt, ik wilde u helpen, lieve vriend, anders niet.”

“Gij zult mij toch niet willen helpen, zoo gij mij schuldig acht?”

“Hoor!” zeide Holtvast, lachende, en hem tot zich trekkende: “het is juist, omdat ik u schuldig acht aan hetgeen u ten laste gelegd wordt, dat ik u redden wil. Ik weet zeer wel, dat gij de agent zijt, door wien Graaf Frederik Hendrik en Grobbendonck samenspannen.”

“Wel mogelijk,” antwoordde Joan, met koelheid: “doch buiten mijn weten.”

“Wat!” riep de kapitein, opvliegende: “wel mogelijk? houdt gij het voor mogelijk, dat Graaf Frederik Hendrik....”

“Waarom niet?” vroeg Joan: “de rechters, die mij ondervroegen, schenen het wel voor mogelijk te houden.”

“Om ’t even,” zeide de kapitein, die weder zijn bedaardheid hernomen had: “doch het kan u niet onbewust zijn,” vervolgde hij, fluisterende, “dat er een plan bestaat om Frederik Hendrik hier aan ’t hoofd der zaken te stellen.”

”’t Is voor ’t eerst dat ik er van hoor,” antwoordde Joan.

“Gij behoeft met mij niet te veinzen,” hernam de kapitein: “ik weet alles: ik weet, dat gij van Grobbendonck gezonden zijt om met den Graaf te onderhandelen:—Ik vermoedde reeds, toen ik u te Tiel zag, dat gij mede tot het eedverwantschap behoordet.”

“En waarom hieldt ge mij dan toen niet aan?” vroeg Joan, die hem wilde laten praten, in de hoop van eenige inlichtingen betreffende zijn zoogenaamde medeplichtigheid aan hoogverraad te erlangen.

“Of ik gek was?—Ik ben zelf ook in ’t geheim, zeide ik u immers. Volg gij maar letterlijk mijn voorschriften, en ik help u hier uit, eer het jaar een dag ouder is;.... doch zeg mij vooraf: heeft Grobbendonck de laatste brieven des Graven wel ontvangen?”

“Ik herhaal u, ik weet van Graaf, van Grobbendonck, noch van brieven. Ik heb een pakket vanwege de Remonstrantsche Heeren medegebracht, zonder te weten wat er inzat: ziedaar mijn heele misdaad.”

“Gij houdt dus den Graaf voor onschuldig?” vroeg Holtvast, met overhaasting.

“Ik hou mijzelf voor bedrogen en vel verder geen oordeel over iemand.”

“Gij wilt dus mijn bijstand niet aannemen om deze droevige gevangenis en een wissen dood te ontgaan.”

“Ik heb nog niet gehoord, op welke voorwaarden mij uw bijstand verleend wordt.”

“Vooreerst, dat gij onbewimpeld met mij spreken zult en niet langer een onbekendheid met de zaken voorwenden, welke u niets baten kan; ten tweede, dat gij deel neemt in den aanslag.... welken gij kent.”

“Zoo gij volhoudt, niet dan in raadselen te willen spreken, zal het beter zijn, dat wij ons gesprek eindigen,” zeide Joan, zich omwendende.

“Welnu dan! Ik meen den aanslag.... Begrijpt gij mij nu?” vroeg Holtvast, met de hand de gebaarde makende van iemand die een dolksteek toebrengt.

“Wat! een aanslag om Prins Maurits te vermoorden?” vroeg Joan, verontwaardigd.

“En waarom niet?” vroeg Holtvast: “men heeft zijn vader wel vermoord.”

“En gij, een kapitein bij de Garde! Schurk! dit zult gij boeten! Hier stokbewaarder! dienaars hier! deze wil den Prins vermoorden!—Onder het uiten dezer woorden was Joan den kapitein aangevlogen en had hem in de borst gegrepen; doch Holtvast slingerde hem op een onzachte wijze van zich en wierp hem in den armstoel. Op hetzelfde oogenblik trad de stokbewaarder binnen op het geroep, en eer Joan weder opgestaan was, was de kapitein verdwenen.

“Zacht wat!” zeide de cipier; “wat wil dat gedruisch?”

“Die schurk wilde den Prins vermoorden,” herhaalde Joan.

“Kom! zotteklap!” hernam de cipier: “ga maar weder naar uw kooi en slaap uw roes uit, opdat gij morgen verstandig moogt antwoorden, wanneer gij verhoord wordt.”

“Maar ik verzeker u, dat die guit....”

“Volgt gij gewillig? of moet ik u laten voortslepen en de boeien aanzetten?” vroeg de cipier, altijd even koel.

“Ik ga al,” zeide Joan, oordeelende dat de stokbewaarder aan zijn aanklacht toch geen geloof zou slaan.

Hendrik hoorde met verwondering naar het verhaal, hetwelk zijn vriend hem, na zijn terugkomst in de gevangenis, van het zonderlinge gesprek met den vreemdeling deed. De meest waarschijnlijke veronderstelling kwam den proponent voor, deze te zijn, dat die kapitein een spion was van den Fiskaal, die hem kwam uithooren.

“Dat dacht ik ook een oogenblik,” zeide Joan: “doch te Tiel was hij stellig een kapitein en geen spion.... Het spijt mij, dat ik mij zoo in ’s mans gelaatstrekken en ronde taal vergist heb. Te Tiel beviel hij mij zoo uitnemend wel, niettegenstaande wij zwaren twist hadden.”

“En hier, waar hij u bijstand kwam aanbieden, beviel hij u niemendal,” merkte Hendrik aan.

“Gij hebt gelijk,” zeide Joan: “maar met dit al zijn de tijdingen, die hij mij bracht, niet onbelangrijk: en ik begin waarlijk te gelooven, dat ik wijselijk zal doen, door mij, zoo er eenige mogelijkheid toe bestaat, aan het gevaar te onttrekken, dat mij boven ’t hoofd hangt.”

Raesfelt, die niets liever verlangde, dan Joan tot metgezel in zijn vlucht te hebben, wendde al zijn welsprekendheid aan om hem in dit voornemen te versterken.

“Maar!” zeide Joan eindelijk: “alles is goed en wel: doch is het gezegd, dat uw Dulcinea, die zeer geneigd is om u te verlossen, evenzeer er op gesteld zal wezen, om mij aan mijn kerker te laten ontsnappen?”

“Ach!” zeide Hendrik, “zou zij weigeren, u, die zoo geheel onschuldig lijdt, te helpen?”

“Zal zij aan mijn gezicht zien, dat ik onschuldig ben?” vroeg Joan: “en daarenboven, wat gaat haar mijn schuld of onschuld aan?”

”’t Is waar,” zeide Hendrik: “doch geen zorgen voor den tijd! laat ons alles aan Gods bestuur overlaten.”

“Recht zoo!” hernam Joan: “en, ofschoon een Arminiaan,” voegde hij er glimlachend bij: “zult gij toch moeten toestemmen, dat wij ontkomen zullen, indien het in Gods raad besloten is, dat wij ontkomen moeten.”

“Ik heb tegen dat argument niets in te brengen,” antwoordde Hendrik: “wij zullen intusschen Zijn hulp en zegen bij onze onderneming afsmeeken.”

Dit geschiedde en de beide vrienden wachtten nu getroost en gelaten het uur der redding af.

De klok van den grooten kerktoren had reeds twaalf slagen van zich gegeven: een doodsche stilte heerschte door heel het gesticht; en nog hadden de beide vrienden geen gerucht gehoord, dat hun een schijn van redding aankondigde. Verscheidene minuten verliepen er: nog liet zich niets hooren: een kwartier: alles was stil als in het graf.

“Er is zeker iets in den weg gekomen,” zeide Hendrik al zuchtende.

“Of gij hebt de hiëroglyphen, die op het bord stonden, kwalijk verstaan,” fluisterde Joan hem in.

Op hetzelfde oogenblik hoorden zij opeens een geluid, alsof het slot der gevangenisdeur opensprong.

Noch Joan, noch Hendrik spraken een woord; maar zij drukten elkaar onwillekeurig de hand. Een lang stilzwijgen volgde.

“Hoe!” zeide Hendrik eindelijk: “ik meende toch gehoord te hebben....”

“Stil!” zeide Joan, begrijpende, dat degene die buiten was, vreesde dat het omdraaien van ’t slot gehoord geweest ware en eenigen tijd wachtte met het opendoen der deur, om niet weder opnieuw aandacht te verwekken.

Eindelijk sprong nogmaals het slot om, en de deur ging open.

Hendrik trad dadelijk toe, terwijl Joan achter hem bleef. De duisternis, welke zoowel in de gang als in hun kamer heerschte, belette hun echter te zien of gezien te worden.

“Doe uw schoenen uit!” zeide een zachte stem.

“Dit is geschied,” antwoordde Hendrik, die reeds met de zijne, gelijk Joan met zijn laarzen, in de hand stond.

“Stil!” antwoordde dezelfde stem: “hier.... reik mij uw hand. Neem deze twee pistolen.”

Hendrik aanvaardde de beide pistolen en stak er dadelijk een aan Joan toe.

“Volg mij nu en spreek geen woord.”

Dit zeggende nam de jeugdige geleidster den gevangenen Hendrik bij de hand en voerde hem achter zich uit het vertrek waar zij zich bevonden, de gang door, naar een trap, en voor een venster, hetwelk zij opende: Joan was hen met zachte schreden gevolgd.

“Klim hier onbevreesd uit,” zeide zij tegen Hendrik: “het regent buiten: de lucht is bewolkt: niemand zal u zien.”

Hendrik had den linkervoet reeds buiten het venster gestoken, terwijl hij, den rechterarm om den hals van het lieve meisje slaande, haar den vaarwelkus op den rozenmond drukte. Dan in hetzelfde oogenblik vertoonde een gemoedsbezwaar, dat hem reeds vroeger gehinderd had, zich als een dreigend spook voor zijn geest. Hij trok het been terug.

“Maar Truitje!” zeide hij: “indien uw vader onze.... ik wil zeggen mijn ontkoming bemerkt, zal hij dan niet verstoord op u zijn?”

“Laat dat aan mij over, en haast u,” fluisterde Truitje: “nu, hoe is ’t? vertrekt gij of niet? moet ik hier staan wachten tot vader ons hoort.... dan, ja dan!....”

“Maar op wie anders zoude zijn vermoeden rusten als op u?”

“Gek! op u zelve! Zoodra gij weg zijt, ga ik naar uw gevangenis terug en breek het slot.”

Joan stond op heete kolen.

“Maar mogen wij uw vader aldus bedriegen?” vroeg Raesfelt. Op dit oogenblik hoorde men gerucht in het benedenhuis.

“Voort! voort!” zeide Truitje, “of alle hoop is voor ons verloren.”—Dit zeggende, greep zij, in de duisternis tastende, Joan bij de hand. Deze liet zich geen tweemalen tot de vlucht aanmoedigen. Hij stapte naar buiten, voelde een ladder onder zijn voeten, klom af en stond, weldra op vrijen grond.

“Goddank!” zeide Truitje: “hij is gered.”

“Ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat ik hem volgen moet,” zeide Hendrik.

“Hoe!” riep Truitje met een gil van verbazing. “Heb ik u het raam niet zien uitklimmen? Wie was dan die ander?”

“De deelgenoot mijner gevangenis, mijn vriend, een onschuldige jongeling, die....”

“Om ’t even: hij heeft althans tienmaal meer gezond verstand dan gij; want hij weet van de gelegenheid gebruik te maken.”

Hendrik antwoordde geen syllabe; doch Truitje nog eenmaal vaarwel kussende, nam hij denzelfden weg, dien Joan gevolgd was en stond weldra beneden op straat.

Naast de ladder wachtte hem Joan af, benevens een lange stevige knaap, met een grooten mantel om, die de ladder had vastgehouden. Deze laatste raapte nu een zwarten mantel van den grond, welken hij Hendrik omsloeg, en gaf, na een kort fluisteren met dezen, zijn eigen mantel aan Joan; vervolgens nam hij de ladder onder den arm en wenkte den vluchtelingen, dat zij hem volgen zouden.

“Waar brengt gij ons?” vroeg Hendrik hem, zoodra zij een eindweegs waren opgewandeld.

“Stil!” gaf hij ten antwoord: “Volg mij slechts: ik breng u bij uw vrienden.—Wacht! hier zullen wij de ladder nederzetten: die haar vindt, mag haar aan den eigenaar terugbezorgen.”—Dit zeggende, plaatste hij de ladder tegen een afdak, en voortwandelende, sloeg hij met zijn volgers een steegje in, midden in hetwelk hun een manspersoon tegenkwam, die dadelijk op den leidsman aanstapte en hem met een nauwelijks hoorbare stem toefluisterde: “moeten die Heeren bij ons zijn?”

“Ik meen van ja, JanDoodeklok!”1zeide de sjouwerman; (want hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te wezen;) “Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot dezen wendende: “Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet.” Met deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der zoogenaamdeDoodeklok, die, met een beleefde buiging, doch zonder den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had Joan de haan vanzijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, en, deDoodeklokgemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de vromen al vergaderd waren.

DeDoodeklokbeantwoordde deze vraag toestemmend, waarop de onbekende binnentrad en Joan, die in den donkeren ingang stond, bij den arm nam: “vergun mij, Mijnheer!” zeide hij: “dat ik mij aan u vasthoude; want ofschoon ik hier meer geweest ben, zoo ben ik altijd bang, om in dit donkere gat armen of beenen te breken.”

Joan stond niet weinig ontzet: want hij had de stem van Bleiswyk herkend en was hoogst beducht voor een ontdekking; echter hield hij zich bedaard en trad, evenals Hendrik, met hun nieuwen leidsman de duistere gang ten einde, waarna zij een slecht verlichte trap beklommen, en voorts weder een lange trap afliepen tot aan een deur, welke zich op het aankloppen van Bleiswyk opende. Dan welk een schrik beving de vluchtelingen, toen zij een verlichte zaal en een groote schaar van menschen voor zich zagen. Beiden verzetteden en wilde terugtreden; doch het was te laat. Bleiswyk had Joan reeds met zich naar binnengetrokken, en Hendrik, die niet van zijn vriend wilde scheiden, volgde hen.

Het vertrek, waar zij zich thans in bevonden, was ruim, doch laag en bedompt en met weinige lampen verlicht, welke eene onaangenamen damp en geen minderen stank verspreidden. Op stoelen en banken van verschillende grootten en vormen, en welke kenmerken droegen van overal vandaan geraapt en geleend te zijn, waren onderscheidene lieden van beiderlei kunne gezeten, meest vermomd of althans wel dicht in hun mantels en huiken gewikkeld, hoewel sommigen onder hen hun gewone kleeding droegen en de hoofden vrijmoedig uitstaken, als wilden zij daardoor toonen, dat zij zich des noods voor hun zaak het martelaarschap getroosten zouden. Midden in de zaal was een soort van predikstoel opgericht, waarin een redenaar in ’t zwart gekleed, en wien Joan al dadelijk voor Groenhovius herkende, met de gebaren eens bezetenen stond te galmen: dichter bij hem zaten eenige lieden, die in deze vergadering den boventoon schenen te houden: onder dezen stak uit een lang, deftig gekleed man met spierwitten baard en een zwarte fluweelen muts op het hoofd.

Bij het inkomen van Bleiswyk en zijn twee gezellen, schikten zij, die het naast aan de deur gezeten waren, dadelijk in, en wenkten hun beleefdelijk toe, dat zij plaats hadden te nemen.—Voordat Bleiswyk aan deze uitnoodiging verkoos te voldoen, stak hij de handen in de zijde, wierp den rug achterover en liet in die houding het oog over de gansche vergadering weiden, waarschijnlijk om de schoone te zoeken, die hem derwaarts gelokt had. ’t Zij dat hij haar niet ontdekken kon, ’t zij dat zij er waarlijk niet aanwezig ware, hij nam een ontevreden houding aan, wierp zich meer dan hij zitten ging op de hem aangeboden bank, snoot zich met geweld, stak vervolgens de handen in de zakken en liet zijn donkerkleurigen mantelopenvallen, waardoor zijn prachtige onderkleedij zichtbaar werd, terwijl hij trotsch om zich heen zag, als wilde hij zeggen: ik lach wat om ulieden, en het bruit mij weinig, of gij mij kent of niet. Daarna gaapte hij den redenaar aan en begon aandachtig naar diens woorden te luisteren.

Wat Joan en Hendrik betrof, dezen, althans de laatste, begrepen dat zij, niettegenstaande de kans van ontdekt te worden, hier misschien hulp zouden vinden onder de Remonstrantsche broederschap; en daar zij toch te ver gekomen waren om ongemerkt weder te kunnen vertrekken, plaatsten zij zich naast Bleiswyk, echter zorg dragende, hun gelaat met hoed en mantel te bedekken; dan hoe ontstelde Joan, toen hij niet ver van zich af een heer zag zitten, die, schoon hij ook vermomd was, bijna terstond door hem voor den Fiskaal Van Kinschot herkend werd. Vol angst van door dezen gezien te worden, trok nu Joan den hoed nog dieper in de oogen, en verborg de punt van zijn neus (alles wat er van zijn persoon nog zichtbaar was) achter de holte zijner hand, terwijl hij als een zoutzak in elkander kroop. Hendrik, die den Fiskaal niet herkend had, leende dadelijk zulk een aandacht aan de predikatie, dat hij daardoor al spoedig vergat de noodige voorzorgen te nemen, welke hem konden verbergen. Groenhovius had, naar het bleek, tot tekst zijner redevoering genomen de woorden des heiligen geschiedschrijvers Lucas, wanneer hij de bekeering van Saulus verhaald hebbende, van de Apostelen zegt: “zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hij een discipel was.”—Met veel arglistigheid wist hij, zonder iemand te noemen, in den loop zijner predikatie, den tekst in zijn geheel verband toepasselijk te maken op Graaf Frederik Hendrik, terwijl hij door zijn zijdelingsche aanduidingen aan de gemeente zocht diets te maken, dat zij van dien vorst alleen haar hulp en verlossing te wachten had.—“Ja,” riep hij uit met een vervaarlijke stem, terwijl hij gedurig met de breede vuist op den voor hem liggenden Bijbel sloeg: “hoor mijn stemme, gij kuddeke Israëls, en geloof mijn woorden, niet aan hen gelijk zijnde, die ooren hebbende, niet hooren, en, oogen hebbende, niet zien willen. Want weet, uit Edom, uit Galilea der volkeren, uit de landpale der vijanden is hij voortgekomen, die de groote verlossinge Israëls teweeg zal brengen, en zijn naam is Wonderlijk! Zegt niet in uw harte: kan er iets goeds uit Nazareth komen? Want hier geschiedt meer, en uit dat geslachte Pharaonis, uit den huize Sauls, is deze reize het licht opgegaan: uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen, en het is wonderlijk in onze oogen; en de Heer heeft hem met kracht bekleed en tot hem gezegd: ik ben met u, gij strijdbare held! ga henen in uwe kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: dus wantrouw niet meer, gij huize Davids! en wees niet ongeloovig; want gij zult uwe vijanden zien vertreden in den grooten wijnpersbak des toorns Gods, en daar zal bloed uitkomen tot aan de toornen der peerden, duizend zeshonderd stadiën verre! en als men vraagt en zeggen zal de een tot den anderen: wie heeft dat stuk gedaan? dan zal men antwoorden: Gideon de zoon van Joas, heeft dat stuk gedaan.Doch wie is nu Gideon dezoon van Joas? Vraagt gij het nog? Begeert gij nog een teeken, gij kleingeloovigen? en weet gij nog niet, wie de ware Jozef zijn zal? Ziet, ik zal nog duidelijker spreken. Jacob, de aartsvader, Jozefs vader, was uit een grooten en machtigen stam;—en ook de vader van onzen Jozef was van aanzienlijken huize. Jacob heeft gestreden met machtiger dan hij, en overmocht hem:—en de vader van onzen Jozef heeft van gelijken gedaan. Jacob heeft een zwervend leven geleid:—en de vader van onzen Jozef niet minder. Jacob heeft vier wijven gehad; doch Rachel had hij lief en zij baarde Jozef:—onze Jacob had ook vier wijven; doch zijn Rachel heeft hem onzen beschermer gebaard. Jozefs oudere broeders hebben het bloed der rechtvaardigheid geplengd, hun handelingen zijn werktuigen van geweld geweest; en ook de ouder broeder van onzen Jozef heeft in zijnen toorn de mannen doodgeslagen, die den vaderlande dierbaar waren; doch onze Jozef zal het afgebrokene weder oprichten en de verdorde takken weder bloeien doen. Dus waakt! want de ure is nabij, waarin deze dingen geschieden moeten! Gordt aan het zwaard ten strijde,versterktde lendenen zeer!”

Met een verbazende vlugheid en kracht van stem had Groenhovius tot dusverre een voorstel uitgebracht, hetwelk, ofschoon het thans in vele opzichten wartaal zal schijnen te behelzen, echter niet naliet, op dat tijdstip en bij zulke toehoorders een verwonderlijken indruk te maken, toen hij opeens in het vervolgen zijner rede belet en door een anderen spreker vervangen werd. Hendrik Raesfelt had namelijk niet dan met ongeduld en verontwaardiging de oproerige en doldriftige taal des Predikants aangehoord; doch toen deze in het laatste gedeelte der door ons aangehaalde toespraak de gemeente kennelijk tot burgeroorlog aanspoorde, was hij buiten staat zich langer te bedwingen; driftig opgesprongen zijnde, drong hij door de menigte heen tot voor den kansel, en greep Groenhovius heftig bij den arm: “Van hier, gij Beliäls zoon!” riep hij driftig uit: “wie geeft u last en commissie tot het voeren eener zoo gruwelijke taal? Durft gij, de leeraar des vredes, de ongelukkige gemeente tot oproer manen?”

“Braaf gesproken!” zeide Bleiswyk overluid: “dat is taal, die men verstaat: dat andere was zoo diep, dat niemand het vatten kon, die niet gestudeerd had.”

“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Joan tot zich zelven: en meteen gebruik makende van de algemeene opschudding, welke dit voorval had te weeggebracht, drong hij zich dichter bij den predikstoel, om, ingeval van nood, Hendrik bij te kunnen springen. Voorzichtiger had hij misschien gedaan met het voorbeeld te volgen, dat eenige der aanwezigen gaven, die zich bij de eerste verwarring uit de zaal maakten.

“Jonkman! wie zijt gij, die mij zoo stout het woord durft afnemen?” vroeg Groenhovius: “ben ik niet de gezondene en geroepene van omhoog, die den volke leeren moet, wat het noodig heeft te weten?”

“Leugenprofeet!” riep Hendrik, Groenhovius overschreeuwende: “isdit het Christendom, dat gij leert? al wat gij zegt is uit den Booze!”

“Afvallige!” brulde de Predikant, aan wien een der bijstanders Hendriks naam had in het oor geblazen: “scelerate! nonne Raesfeldii filius?2Gelooft hem niet, broeders! hij is de zoon van den boozen Raesfeldii, en als hij een verdrukker der gemeente, die welbehagen heeft in onzen dood.”

“Jongeling!” zeide nu de man met de fluweelen muts, die naast Groenhovius gezeten had, terwijl hij opstond en Hendrik terugstootte! “laat af van den vromen man; want hij spreekt de woorden der waarheid: zie om u heen: de groote verlosser Israëls, wien hij bedoelde, is onder u, is in deze vergadering gekomen, om uwe valsche beschuldiging te logenstraffen.”

“Ha! wien hebben wij hier!” riep Joan, die deze stem herkende, voor den dag springende en den onbekende zijn valschen witten baard afrukkende: “Pater Eugenio in dezen kring!”

Aller oogen wendden zich op den Jezuïet, die dus ontdekt in hun midden stond; doch op hetzelfde oogenblik werd de aandacht wederom afgetrokken en op een anderen bijstander gevestigd, die, zijn mantel openslaande, zich voor graaf Frederik Hendrik kennen deed.

“Ja, ik ben hier gekomen,” zeide deze: “doch geenszins....”

“Wat onvoorzichtigheid! om ’s Hemels wil! Uwe Doorluchtigheid,” zeide Ludwig, die nevens hem stond, terwijl hij zijn best deed om hem zijn mantel weder om te slaan.

“Laat af, Ludwig!” riep de Graaf: “ik moet redenen van mijn gedrag geven: ik moet aan deze onberaden lieden zeggen, dat....”

“Die redenen zult ge mij geven,” zeide, op een half gesmoorden, doch strengen toon, iemand, die, in een grooten mantel gewikkeld, achter hem oprees en hem op den schouder tikte.

“Maurits!” zeide de Graaf, zich verschrikt omwendende.

“Stil!” beet de Prins hem in ’t oor: “ik wacht u tot mijnent. Kom, Van Kinschot! laat ons gaan.”—Na het uiten dezer woorden drong hij in hevige gemoedsbeweging de kamer uit. De Fiskaal volgde hem: ook verscheidene der aanwezigen, die den Prins herkend hadden en voor de gevolgen begonnen te vreezen, welke hun tegenwoordigheid in deze vergadering hebben kon. Frederik Hendrik was als versteend blijven staan; totdat Ludwig hem zijn mantel omsloeg en hem bijna als een kind de kamer uitgeleidde. Inmiddels had Eugenio zich door een zijdeur weggemaakt. Groenhof had mantel en bef van zich gesmeten en zich onder de menigte begeven. Hendrik Raesfelt, zijn onvoorzichtigheid bespeurende, begon ook naar een goed heenkomen te verlangen en zocht Joan, doch vruchteloos, onder de nog aanwezige personen, toen een zijner geloofsgenooten, wien hij te Amsterdam gekend had, hem met zich nam, met belofte van hem een veilige schuilplaats te bezorgen.

1Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.2Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?

1Zoo noemde men de boden, die de Remonstranten heimelijk waarschuwden wanneer en waar er een bijeenkomst zou plaats hebben.

2Schelm! zijt gij niet de zoon van Raesfelt?

Dertigste Hoofdstuk.De brief was toegezegeltMet ’s Konings eigen ringh, doch ’t wapen is mislucktIn ’t zeeglen, en de hant in ’t schrijven wat gedruckt.Vondel, Palamedes.“O Van Kinschot!” riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende: “en hij, die mij verried, was mijn broeder.”De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te worden geheeld.“Die ondankbare!” vervolgde Maurits: “en op welk een oogenblik verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden, die mij eenmaal naar de hartader steken moest.”“Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?” vroeg Van Kinschot, met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.“Geene!—volstrekt geene!—zoo er nog één vonk gevoel in den verrader is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht te redden.”“Doch zijn aanhangelingen?” hernam de Fiskaal: “doch die schandelijke oproerprediker? moet die niet gevat worden?”“Dat was uw zaak geweest,” antwoordde Maurits: “zoo laag kan mijn toorn nu niet dalen.”“Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het ontkomen zijn.”“En morgen had geheel ’s-Gravenhage geweten,” viel de Prins driftig in, “dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft.”“Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel te versmoren.”“En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?—Neen, Van Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroegik zelf den brenger van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?”“Misschien,” zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, “had de tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene zeer billijke reden, die....”“Paai mij niet met zulke praatjes,” zeide Maurits, hem met drift in de rede vallende; “zou hij zich dan openlijk aan die vergadering vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De Hemel gave, dat ik twijfelen mocht.”In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde: “Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door.”Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en, in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest, was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte ’s Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was, van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst, de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderdwas, bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.—Maurits liet hem eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg hij met een flauwe en toch ernstige stem: “welnu! wat wilt ge?”De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke de onrust zijner ziel aanduidde: “gij hebt mij bescheiden, Maurits!”“En is dat de reden uwer komst?” vroeg Maurits, met hevigheid losberstende: “en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet gekomen zijn?—Dan heb ik u niet noodig.”“Maurits!” zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: “zoo moeten wij niet tot elkander spreken.”“Terug!” zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: “geen stap verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te kunnen begaan.”“Almachtige God!” riep Frederik Hendrik met ijzing uit: “wie kon u zulke denkbeelden van mij inboezemen?”“Wie?—uw gedrag:—hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot een broedermoord in staat.”“Maurits!” zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: “durft gij uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?”“Ik verdenk u niet meer,” antwoordde de Prins met een verachtenden glimlach: “dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat, houden de vermoedens op.”“Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?” vroeg Frederik Hendrik; “gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?—Is dat de rechtvaardigheid, waarop Maurits roem durft dragen?”“Ik luister,” zeide Maurits: “wat hebt gij tot uw verschooning in te brengen?”“Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde,” antwoordde zijn broeder met de fierheid van een rein geweten.“Ellendige!” riep Maurits, vol gramschap opspringende;—dochspoedig de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een zachteren, ofschoon bitteren toon: “doch gij hebt gelijk; men moet u niet van den aard uwer schuld onbewust laten.—Dan, waarmede zullen wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal.”—Hier zweeg hij, bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns broeders grijpen kon.“Ik ben gereed alles op te helderen,” zeide Frederik Hendrik.“Hebt gij,” vroeg eensklaps zijn broeder, “de vrouw van Bysterus niet met geld ondersteund?”“En sedert wanneer,” vroeg de Graaf op zijn beurt, “kan een aalmoes iemand tot misdrijf worden aangerekend?”“Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht,” zeide de Prins: “gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was.”“God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken,” zeide de Graaf, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.“En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een rein oogmerk bestuurd?” vervolgde Maurits, zich op de lippen van gramschap bijtende.“Mijn tegenwoordigheid aldaar,” hernam zijn broeder, “was een dwaasheid en niet meer.—Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had.”“Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!”“Zoo Uwe Hoogheid,” hernam Frederik Hendrik met waardigheid, “vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen, dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij alszoodanigte verhooren, geen verder antwoord behoef te geven.”“Frits!” zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: “de Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder aan het licht te hebben gebracht;—doch antwoord mij, inden naam des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, wat deedt gij in dat Arminianenhol?”“Ik heb u de waarheid gezegd,” antwoordde zijn broeder, “de zuivere, onvervalschte waarheid.”“Frits! Frits!” hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten getuigden: “hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan ’t hoofd van een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen, dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?”“Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn bedoelingen uit den waan te brengen,” antwoordde de Graaf.“Waarachtig,” zeide Maurits met bitterheid: “ik heb u niet laten uitspreken; ’t is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons gehoord.”“Met uw verlof,” zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen terugkaatsen: “waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?”Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten, in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.“Ha, slang!” brulde hij: “is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen: ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had.”“Gij kwaamt dus om mij te bespieden?” vroeg Frederik Hendrik, bedaard achteruittredende: “een ware trek van broederliefde!”“Beleedigt ge mij nog, verrader!” grauwde Maurits, wiens gramschap nu den hoogsten top bereikt had, hem toe: “sidder voor mijn toorn!” Met het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder mede dreigde.“Maurits!” zeide deze, innig geroerd: “keer tot u zelven.”De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had, hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds bij zijn beminde gade en in ’t midden zijner waardste panden gezeten was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande, in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleenAchilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheidten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op ’t zelfde oogenblik een nog grievender verwijt dan ’t geen uit ’s vaders oogen sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen, waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid te brengen,Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de overtuiging van ’s Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.“Gij misduidt mij,” zeide Maurits, “zoo gij denkt, dat mijn ontroering aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelventoornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt.”“Ongelukkige!” hernam de Graaf: “ik beklaag u, zoo gij er berouw over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en menschelijkheid te hebben geluisterd.”“Frits!” riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken stroomden; “denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten, mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:—hoor, Frits! weet gij wat het is, rechtvaardig temoetenwezen? hebt gij, als ik, u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in ’t graf stond, een man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, temoetenovergeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?—Ik heb het vonnis van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht, op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans, oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden zijn nu het mijn broeder gelden moet.”Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.“Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt,” zeide Frederik Hendrik, na eenige oogenblikken zwijgens: “en daarom verwondert het mij, dat gij, alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht.”Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenstekuilen zijns harten doorschouwen wilde. “Frits!” zeide hij ten laatste: “gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste huichelaar die ooit bestaan heeft:—hebt gij u dan niets anders te verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?”“Tegen u en den Staat?—Hoegenaamd niets.”“Niets?” herhaalde Maurits: “welaan, wij zullen zien:—Heer Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen.” Dit zeggende, stond hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de deur staan.“Heer Fiskaal!” vervolgde de Prins: “haal mij eens al die processale stukken hier.—Gij weet immers wat ik bedoel?”Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef.“Ja!” zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo ’t scheen voleindigd had, “gij zoudt ook wel, geloof ik, alsvetterLodewijk, een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; doch dat is niet genoeg,” vervolgde hij, zich op het hart slaande: “men moet Scherpenheuvel hier hebben.”Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet de zaal.“Nu, Frits!” zeide Maurits: “neem plaats: wij zullen dit pakket eens gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen.”De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, evenals Uyttenbogaert, ’s Graven raad vroeg over de aanbiedingen, vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan.“Lees verder, Frits! lees verder!” zeide Maurits, hem een derden brief voorleggende.Frederik Hendrik opende dien;—doch nauwelijks had hij eenige regelen gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging kleurde zijn voorhoofd.“Aha! de brief van Grobbendonck!” zeide Maurits! over zijns broeders schouder heen ziende: “welnu! wat zegt gij?”Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, die aan den vijand mochten overleveren: verdervernam hij, of de Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen, benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.“Ik zeg,” antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog geloof hecht, bevreemdt mij:—let eens op, dat in dit geschrift juist uw getrouwste legerhoofden genoemd worden.”“Denkt gij,” zeide Maurits, hem scherp aanziende, “denkt gij waarlijk, dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?—Doch lees verder.”De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck, en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.“Ik wilde maar,” zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al hetaanmij geschrevene, ietsdoormij geschreven kon voor den dag brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen.”“Het grieft mij,” hernam de Prins, “dat ik aan uw onvoorzichtigen wensch voldoen kan.” Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht.“Ik weet niet wat die teekens beduiden,” zeide de Graaf: “doch dit weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit prulschrift geen kennis.”“Fijn uitgedacht!” zeide Maurits: “het ééne is niet door Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven, om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en gewenscht hadt.”“Ik zie,” zeide Frederik Hendrik, “dat ik het slachtoffer ben van een verfoeilijk bedrog.””’t Is wel,” hernam de Prins: “wij zullen dit nader onderzoeken, Van Kinschot! kom binnen!”De Fiskaal verscheen.“Zijn de wachten aan het Hof afgelost?”“Dat kan niet lang meer duren,” antwoordde Van Kinschot: “het is reeds klaar dag.”“Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt.Zeg aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen worden.—Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder zijn:—uw kerker, de naaste kamer.”Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.“Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?” vervolgde Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.“Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver,” zeide de Graaf: “en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen zou komen.”“Dan is die zwarigheid opgelost,” vervolgde de Prins: “Heer Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, welke tegen den Graaf is ingebracht.”“Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,” antwoordde de Fiskaal: “doch....”“Welnu?”Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op Frederik Hendrik.“Als Uwe Doorl. gereed is,” zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.“Broeder!” zeide de Graaf: “rust wel, en God opene uw oogen voor de kracht der waarheid.”—Met deze woorden begaf hij zich in de kamer, welke Maurits wederom sloot.“Wat wildet gij zeggen,” vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij alleen waren.“Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker ontsnapt is.”“Ontsnapt!.... niet mogelijk.”“Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en wedergeïncarcereerdworden.”“Laat hen naar den duivel loopen,” zeide Maurits: “die Joan, of hoe hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?”“Dezelfde, Uwe Hoogheid!”“Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hemzoeken, zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden.”“Zal ik deze papieren met mij nemen?” vroeg de Fiskaal, ze willende opnemen.“Een oogenblik,” zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: “hadden wij,” vervolgde hij, “slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen spellen.” Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd, zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn ongeduld te verbergen.“Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?” vroeg eindelijk de Prins.“Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester maken, en....”“Hoe!” riep Maurits, opstuivende: “gij zoudt uw rakkers de handen laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen aan mij.”Van Kinschot haalde de schouders op: “qui vult finem, vult media,”1zeide hij: “dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd herinneren.”“Iets anders!” zeide Maurits!—“wacht! daar schiet mij wat te binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?”“Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid zulks verkozen had.”“Laat hem hier komen!”“Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren, en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig.”“Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed,” zeide Maurits wrevelig.De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.1Die het einde wil, wil de middelen.

De brief was toegezegeltMet ’s Konings eigen ringh, doch ’t wapen is mislucktIn ’t zeeglen, en de hant in ’t schrijven wat gedruckt.Vondel, Palamedes.

De brief was toegezegeltMet ’s Konings eigen ringh, doch ’t wapen is mislucktIn ’t zeeglen, en de hant in ’t schrijven wat gedruckt.

De brief was toegezegelt

Met ’s Konings eigen ringh, doch ’t wapen is misluckt

In ’t zeeglen, en de hant in ’t schrijven wat gedruckt.

Vondel, Palamedes.

“O Van Kinschot!” riep de Stadhouder uit, toen hij met den Fiskaal aan het Hof teruggekeerd was, zich weemoedig in een armstoel werpende: “en hij, die mij verried, was mijn broeder.”

De Fiskaal zuchtte en antwoordde niet: hij wist, dat niets ongevalliger en van minder uitwerking is, dan troostwoorden, wanneer de geslagen wonde te diep is om door andere geneesmiddelen dan tijd en geduld te worden geheeld.

“Die ondankbare!” vervolgde Maurits: “en op welk een oogenblik verraadt hij mij? nu ik zijn diensten het meest zoude behoeven! O hemel! zou ik nog eens met een bloedend hart moeten straffen en den arm der gerechtigheid inroepen op hem, die mij dierbaar was. O mijn vader! toen gij uw jongsten zoon aan mijn zorgen zoo teederlijk hebt aanbevolen, dacht gij weinig, dat ik in hem een slang zou opvoeden, die mij eenmaal naar de hartader steken moest.”

“Welke bevelen zal Uwe Hoogheid mij geven?” vroeg Van Kinschot, met een droefgeestig oog den Stadhouder aanstarende.

“Geene!—volstrekt geene!—zoo er nog één vonk gevoel in den verrader is overgebleven, zal hij mij om vergiffenis komen smeeken;.... in het omgekeerd geval wil ik hem den tijd laten, zich door de vlucht te redden.”

“Doch zijn aanhangelingen?” hernam de Fiskaal: “doch die schandelijke oproerprediker? moet die niet gevat worden?”

“Dat was uw zaak geweest,” antwoordde Maurits: “zoo laag kan mijn toorn nu niet dalen.”

“Uwe Hoogheid had mij verboden, eenige bezetting rondom de vergaderplaats te stellen: ware dit gebeurd, geen muis zou het ontkomen zijn.”

“En morgen had geheel ’s-Gravenhage geweten,” viel de Prins driftig in, “dat ik mij vermomd onder die schelmen begeven heb, ten einde een broeder te bespieden;... doch zullen zij dit toch niet vernemen?.... ik ben overtuigd, dat menigeen mij herkend heeft.”

“Daarom juist wilde ik hen allen gevat hebben, om de zaak geheel te versmoren.”

“En mijn schande voor de rechtbanken bekend te maken?—Neen, Van Kinschot! deze zaak is tusschen mijn broeder en mij alleen; daarom wilde ik, slechts van u vergezeld, mij gaan overtuigen van de waarheid der bij u ingekomene berichten; daarom ondervroegik zelf den brenger van het noodlottige pakket; want hoe kon ik hem voor schuldig houden op de enkele bewijzen der aan hem gerichte brieven?”

“Misschien,” zeide Van Kinschot op een weifelenden toon, “had de tegenwoordigheid van Zijne Doorluchtigheid in die vergadering eene zeer billijke reden, die....”

“Paai mij niet met zulke praatjes,” zeide Maurits, hem met drift in de rede vallende; “zou hij zich dan openlijk aan die vergadering vertoond hebben, om de gezegden van dien schurk te bevestigen?.... De Hemel gave, dat ik twijfelen mocht.”

In dit oogenblik trad de kamerdienaar des Prinsen in en meldde Zijne Doorl. Graaf Frederik Hendrik aan. Een kille huivering beving den Prins; doch, zich spoedig herstellende, gaf hij last zijn broeder te laten bovenkomen, verzocht den Fiskaal, zich in een ander vertrek te begeven, en wachtte toen, niet zonder van angst en droefheid te beven, de komst des Graven af, terwijl hij in zichzelven mompelde: “Zijne Doorluchtigheid! ja, wel doorluchtig! ik zie hem door en door.”

Frederik Hendrik trad binnen met dien weifelenden stap, die verbleekte en ontstelde wezenstrekken en die onzekere houding, welke zoowel het kenmerk zijn van den onschuldig betichte, die geen kans ziet om zijn onschuld aan den dag te brengen, als van den overtuigden booswicht: en, in waarheid, nooit had hij zich in zulk een moeilijke, ja gevaarlijke omstandigheid bevonden. De rechter, voor wien hij verschijnen moest, was, wel is waar, zijn broeder, die hem steeds liefde, achting en vertrouwen betoond had; doch die nauwe graad van bloedverwantschap, welke tusschen den klager en den beschuldigde bestond, maakte ’s Graven toestand des te beklagenswaardiger, door zijn droefheid te vermeerderen, dat hij een voorwerp van verachting en afschuw in de oogen zijner nauwste betrekking geworden was. Daarenboven kende hij Maurits, die, hoe oprecht en goedhartig van nature, door de omstandigheden, door het bedrog en de vijandschap van hen, die hij als vrienden had aangemerkt en door de menigvuldige tegen hem gesmede aanslagen, opvliegend en achterdochtig geworden was. Wij hebben uit de mededeeling van de inzichten en voornemens, die Frederik Hendrik aan zijn Secretaris gedaan had, gezien, dat deze Vorst, schoon uit edele en onbelangzuchtige beginselen handelende, niet vrij was, van de Remonstranten meer dan eens ondersteund te hebben, somtijds tegen het uitgedrukt verlangen zijns broeders; en thans zag hij duidelijk in, hoe deze handelwijze, welke niet te ontkennen viel, gevoegd bij zijn tegenwoordigheid op de nachtelijke bijeenkomst, de tegen hem opgevatte vermoedens in kracht moest doen toenemen, en hoe bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk, een verontschuldiging hem zou vallen. Hij mocht, ja, nog op de liefde, op de toegenegenheid zijns broeders rekenen! doch hij wilde zijn onschuld erkend, niet zijn schuld vergeven zien: en, zoo dit laatste al gebeuren mocht, het eerste scheen hem toe bezwaarlijk te kunnen geschieden.

Toen hij de zaal ingetreden en Maurits eenige stappen genaderdwas, bleef hij, ontzet door den strengen en doordringenden blik, welken zijn broeder op hem gevestigd hield, plotseling staan en zag voor zich naar den grond als een arme aangeklaagde, die voor de vierschaar verschijnt, aan welke de uitspraak van zijn lot verbleven is.—Maurits liet hem eenige oogenblikken in die houding staan, alsof hij verwachtte, dat de Graaf het eerst zou spreken: hij hoopte, dat deze, van schuldbesef doordrongen, zich aan zijn voeten werpen en om vergiffenis bidden zou; hiertoe wilde hij hem de gelegenheid laten; doch toen hij zag dat Frederik Hendrik als in den grond genageld staan bleef, vroeg hij met een flauwe en toch ernstige stem: “welnu! wat wilt ge?”

De toon, waarop deze vraag gedaan werd, deed het hart des Graven sidderen als met een electrieken schok. Hij herkende daarin de stem van den gestrengen rechter en tevens die van den diep gewonden broeder. Zich niettemin met moed wapenende, richtte hij het naar den grond gebogen voorhoofd op en zeide met een afgebrokene stem, welke de onrust zijner ziel aanduidde: “gij hebt mij bescheiden, Maurits!”

“En is dat de reden uwer komst?” vroeg Maurits, met hevigheid losberstende: “en zoo ik u niet bescheiden had, zoudt gij dan niet gekomen zijn?—Dan heb ik u niet noodig.”

“Maurits!” zeide de Graaf, naar zijn broeder toetredende en de beweging makende, alsof hij zijn handen wilde vatten: “zoo moeten wij niet tot elkander spreken.”

“Terug!” zeide de Prins, zijn stoel achteruitschuivende: “geen stap verder! Ik wil u niet in de gelegenheid stellen, een broedermoord te kunnen begaan.”

“Almachtige God!” riep Frederik Hendrik met ijzing uit: “wie kon u zulke denkbeelden van mij inboezemen?”

“Wie?—uw gedrag:—hij, die zoo diep ontaard is, dat hij, met den huichelachtigen lach der onschuld op het wezen, zijn broeder, zijn vorst misleiden kan, zijn Godsdienst verloochenen, zijn vaderland verraden en met snoode dienaars en schelmen heulen, is even goed tot een broedermoord in staat.”

“Maurits!” zeide met nadruk de Graaf, in wiens gemoed de verontwaardiging over zulk een opeenstapeling van onverdiende betichtingen de overhand nam boven droefheid en angst: “durft gij uws vaders zoon van zulke boosheden verdenken?”

“Ik verdenk u niet meer,” antwoordde de Prins met een verachtenden glimlach: “dat deed ik dezen morgen: waar de zekerheid bestaat, houden de vermoedens op.”

“Gij zult mij dan onverhoord verwijzen?” vroeg Frederik Hendrik; “gij zult mij, uw broeder, die billijkheid weigeren, die gij den laagsten booswicht niet ontzeggen zoudt?—Is dat de rechtvaardigheid, waarop Maurits roem durft dragen?”

“Ik luister,” zeide Maurits: “wat hebt gij tot uw verschooning in te brengen?”

“Ik dien eerst te weten waarvan ik beticht worde,” antwoordde zijn broeder met de fierheid van een rein geweten.

“Ellendige!” riep Maurits, vol gramschap opspringende;—dochspoedig de verloren zelfbeheersching terugnemende, vervolgde hij op een zachteren, ofschoon bitteren toon: “doch gij hebt gelijk; men moet u niet van den aard uwer schuld onbewust laten.—Dan, waarmede zullen wij beginnen? de bezwaren zijn zoovele in getal.”—Hier zweeg hij, bezig met te overdenken, op welke wijze hij het best in de ziel zijns broeders grijpen kon.

“Ik ben gereed alles op te helderen,” zeide Frederik Hendrik.

“Hebt gij,” vroeg eensklaps zijn broeder, “de vrouw van Bysterus niet met geld ondersteund?”

“En sedert wanneer,” vroeg de Graaf op zijn beurt, “kan een aalmoes iemand tot misdrijf worden aangerekend?”

“Bewimpel uwe gedragingen niet met den mantel van godsvrucht,” zeide de Prins: “gij hebt haar niet alleen, maar honderd anderen van haar sekte, ja zelfs bannelingen en door de wet veroordeelden met raad en daad bijgestaan. De bewijzen hiervan zijn in mijn handen. Had uw medelijdend hart alleen u daartoe vervoerd, ik zou mij wachten u deswege een verwijt te doen hooren: alleen zou ik u in dit geval tegen de gevolgen waarschuwen; doch de wijze, waarop de weldaden, of liever die giften en raadgevingen zijn uitgedeeld, maken uw gedrag strafwaardig en toonen genoegzaam aan, dat zucht om scheuring te verwekken en oproer aan te hitsen uw eenige bedoeling was.”

“God kent mijn hart en de reinheid mijner oogmerken,” zeide de Graaf, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en de hand op zijn hart legde.

“En uw komst op de Arminiaansche vergadering, was die ook door een rein oogmerk bestuurd?” vervolgde Maurits, zich op de lippen van gramschap bijtende.

“Mijn tegenwoordigheid aldaar,” hernam zijn broeder, “was een dwaasheid en niet meer.—Ik was gewaarschuwd, dat op soortgelijke vergaderingen nu en dan door de predikers slechte en oproerige aansporingen tot muiterij aan de broederschap gegeven werden: en ik wilde mij met eigen ooren van de waarheid dier woorden overtuigen en mij verzekeren of ik inderdaad mijn weldaden aan onwaardigen verspild had.”

“Gij weet een schoonen glimp aan uw handelingen te geven. Op de vergaderingen te gaan om te zien hoe het aldaar gesteld is!.... Uit loutere nieuwsgierigheid om met eigen ooren te vernemen of.... geef liever geene, dan zulke antwoorden, Mijnheer!”

“Zoo Uwe Hoogheid,” hernam Frederik Hendrik met waardigheid, “vooraf besloten heeft, mijn verschooningen niet te willen aannemen, dan acht ik het noodeloos, verdere moeite tot mijn verdediging te doen. Ik had gehoopt, gewaand, dat in den boezem van Uwe Hoogheid nog een broederhart voor mij klopte; doch ik vind alleen een koelen, onbarmhartigen rechter, wien ik, vermits hij onbevoegd is mij alszoodanigte verhooren, geen verder antwoord behoef te geven.”

“Frits!” zeide de Prins, zijn stoel haastig naderbij trekkende: “de Hemel weet, dat ik niets liever zou wenschen, dan uw onschuld helder aan het licht te hebben gebracht;—doch antwoord mij, inden naam des Eeuwigen Rechters, voor Wien wij allen eens verschijnen zullen, wat deedt gij in dat Arminianenhol?”

“Ik heb u de waarheid gezegd,” antwoordde zijn broeder, “de zuivere, onvervalschte waarheid.”

“Frits! Frits!” hernam Maurits, het hoofd op de vlakke hand leunende, en eenige tranen stortende, die van oprechtheid zijns harten getuigden: “hoe kunt gij uw broeder, uw liefhebbenden broeder, aldus behandelen! Waarlijk, ik zag u met meer vermaak aan ’t hoofd van een Spaansch leger Den Haag insluiten en mij bevechten, dan dat ik u tot zulke ellendige spreukjes de toevlucht nemen zie. Heb ik niet alles gehoord en gezien? Zijt gij niet midden in de zaal gaan staan om de woorden van een dier schelmen te bevestigen, en aan te toonen, dat gij u werkelijk in die vergadering bevondt?”

“Om den oproerkraaier te logenstraffen en de aanwezigen omtrent mijn bedoelingen uit den waan te brengen,” antwoordde de Graaf.

“Waarachtig,” zeide Maurits met bitterheid: “ik heb u niet laten uitspreken; ’t is waar: men had anders ongetwijfeld wat schoons gehoord.”

“Met uw verlof,” zeide Frederik Hendrik, in de hoop van de kracht der beschuldiging te verminderen, door haar op zijn broeder te doen terugkaatsen: “waarvan beticht ge mij? Hebt gij zelf niet zoowel als ik die bijeenkomst met uw tegenwoordigheid vereerd?”

Hij deed deze vraag op een half schertsenden, althans gemeenzamen toon, terwijl hij, de tafel, waaraan de Prins gezeten was, naderende, met de eene hand daarop leunde en zijn broeder vriendelijk aanzag: doch zijn vraag had een geheel andere uitwerking dan die, waarmede hij zich gevleid had. De Stadhouder, wanende, dat zijn broeder hem een listigen strik wilde spreiden om hem, naar gelang van zijn antwoord, in zijn eigene woorden te vatten, sprong in losgebarsten gramschap op, evenals een lijder, wien de heelmeester bij het verbinden eener pijnlijke wond, onwillekeurig, met de speld, welke de windsels vast moet hechten, in de gevoelige deelen treft. Zijn gelaat werd purperkleurig: zijn handen beefden als popelbladen en zijn stem geleek aan het rauw geluid des tijgers, die zich in de kuil des jagers begraven vindt.

“Ha, slang!” brulde hij: “is dit uw helsche list? mijn oogmerken mij af te vragen om daardoor de uwe te bedekken! Ja, ik ben daar ook gekomen: ik ben daar, evenals gij, gekomen omdat ik gewaarschuwd was, dat er oproer gepredikt werd, en dat mijn.... broeder er mede deel in had.”

“Gij kwaamt dus om mij te bespieden?” vroeg Frederik Hendrik, bedaard achteruittredende: “een ware trek van broederliefde!”

“Beleedigt ge mij nog, verrader!” grauwde Maurits, wiens gramschap nu den hoogsten top bereikt had, hem toe: “sidder voor mijn toorn!” Met het zeggen van deze woorden sloeg hij de rechterhand aan het gevest van zijn degen, terwijl hij de linkervuist ophief en er zijn broeder mede dreigde.

“Maurits!” zeide deze, innig geroerd: “keer tot u zelven.”

De Graaf had nog niet uitgesproken, of de woede des Prinsen was reeds bedaard. In de zaal, en recht over de plaats, waar Maurits gezeten had, hing een volkomen gelijkend afbeeldsel van zijn doorluchten vader, den stichter der Nederlandsche vrijheid. De Prins was op het laatst zijns levens uitgeschilderd, en droeg niet de wapenrusting, waarmede hij zich zoo dikwijls aan het hoofd zijner wakkere scharen vertoond had, maar den eenvoudigen huispels, welken hij aanhad, als hij des avonds bij zijn beminde gade en in ’t midden zijner waardste panden gezeten was. De kunstenaar had meesterlijk die uitdrukking van reine kalmte des harten, van dankbare tevredenheid en van onwrikbare gelatenheid getroffen, welke op het innemend gelaat van vader Willem te lezen was en de strenge diepzinnigheid des ondoordringbaren staatsmans temperde. Op het oogenblik dat Maurits, door de onstuimige opwelling der gemoedsaandoeningen weggesleept, zijn broeder tegentrad, viel zijn verwilderd oog onwillekeurig op dat afbeeldsel, en hij waande, in dien ernstigen en toch liefderijken blik, in de trekken van den mond, waarin weemoed en gulheid uitgedrukt waren, een stil verwijt te lezen. Het was hem, of zijn vader gereed was, de lippen te openen en hem op een hartroerende wijze over een drift te berispen, die hem de hand tegen zijn broeder deed opheffen: tegen een broeder, wien hij zoo plechtig beloofd had, een getrouw en standvastig vriend en beschermer te strekken. Het hart van Maurits, dat niet alleen

Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid

Achilles heldenmoed en kinderlijke oprechtheid

ten toon spreidde, doch ook, als het hart van Achilles, even spoedig tot vergiffenis als tot toorn geneigd was, deed zich op ’t zelfde oogenblik een nog grievender verwijt dan ’t geen uit ’s vaders oogen sprak. Beschaamd trad Maurits terug, bukte het hoofd als een edele windhond doet, wanneer hem zijn meester bestraft heeft, ontgespte zijn degen en liet dien met bandelier en al op den grond vallen, waarna hij zich in zijn stoel wierp en het gelaat in beide handen verborg. Zijn broeder, door dien onverwachten omkeer niet min bewogen dan door de drift waarvan die het gevolg was, trad dadelijk toe en trachtte door vleiende woorden en uitboezemingen vol trouwhartigheid en broederliefde, het ontsteld gemoed des Prinsen weder tot bedaardheid te brengen,

Dan deze, schoon hij op zichzelven ontevreden was, had geenszins de overtuiging van ’s Graven verraderij verloren. Zoodra zijn droefheid over de aan den dag gelegde hevigheid bedaard was, keerden al zijn denkbeelden weder tot het punt, waarvan zij waren uitgegaan, de ontrouw zijns broeders. Het hoofd wederom oprichtende, maakte hij met de rechterhand een afwijzende beweging, en wenkte Frederik Hendrik, dat zijn plaats niet bij hem, maar aan het benedeneinde der tafel was. De schouders zuchtend ophalende, hernam de Graaf zijn vorige plaats.

“Gij misduidt mij,” zeide Maurits, “zoo gij denkt, dat mijn ontroering aanduidde, dat mij uw veinzerij had verblind. Zoo ik op mijzelventoornig ben, het is, omdat ik mij zooverre liet vervoeren, dat ik een ambt ging verrichten, hetwelk alleen den scherprechter toekomt.”

“Ongelukkige!” hernam de Graaf: “ik beklaag u, zoo gij er berouw over kunt gevoelen van een oogenblik naar de stem van natuur en menschelijkheid te hebben geluisterd.”

“Frits!” riep de Prins, terwijl de tranen hem langs de kaken stroomden; “denkt gij dan in ernst, dat het mij niets zou kosten, mijn broeder, wien ik van zijn kindsheid af bemind en verzorgd heb, als een staatsverrader aan de geschonden wetten prijs te geven? Bloed zal ik schreien; doch ik zal rechtvaardig zijn:—hoor, Frits! weet gij wat het is, rechtvaardig temoetenwezen? hebt gij, als ik, u ooit in de omstandigheid bevonden, dat de veiligheid, het belang, ja, het geheele welzijn van dit arme volk het vorderen, een ouden Staatsdienaar, een grijsaard, die met den voet in ’t graf stond, een man, die oneindige diensten aan mij en aan het Gemeenebest bewezen had, en die, ter dood veroordeeld, geen genade vragen wilde, temoetenovergeven aan de wraak dier gehoonde wet? Weet gij, wat het zegt, een wel verdienden en met moeite verkregen roem van rechtvaardigheid te hebben opgeofferd om der rechtvaardigheid wille?—Ik heb het vonnis van Oldenbarneveldt bekrachtigd, omdat hij schuldig was: ik heb het bekrachtigd, omdat ik hem haatte, den ouden heerschzuchtige! ik zou het evenzeer bekrachtigd hebben al had ik hem liefgehad. Nu weet ik dat men binnens- en buitenslands mij van wreedheid, van ondankbaarheid beschuldigt: dat het niet altijd billijk nageslacht, op de daad meer dan op de drijfveeren lettende, mijne vijanden na zal praten, en, zich vermetel als rechter mijner daden opwerpende, in mijn grootste zelfopoffering niets dan zelfbelang en vuige staatzucht zien zal. Ik weet dit: nog meer: ik wist dit alles, toen ik schreiend het doodsbevel onderteekende: en echter, ik heb de zorg voor mijn roem, voor mijn eer bij de nakomelingschap, laten varen, en alleen het belang des lands en de handhaving der wet geraadpleegd. Thans, oordeel over mijn tegenwoordigen toestand! nu ik u, die mij dierbaar zijt, oneindig schuldiger vind, dan de Advocaat geweest is. Overweeg nu, welk een vreeselijke taak uw handelingen mij voorschrijven en of ik gronden heb om mij diep ongelukkig te noemen! Want, zoo ik toen rechtvaardig was, toen het mijn vijand gold, ik zal het ook heden zijn nu het mijn broeder gelden moet.”

Vermoeid van deze rede, welke hij met een krachtige stem had uitgebracht, zweeg de Prins en zag zijn broeder aan, om den indruk gade te slaan, welken zijn taal op hem had teweeggebracht.

“Ik weet, dat gij rechtvaardig zijt,” zeide Frederik Hendrik, na eenige oogenblikken zwijgens: “en daarom verwondert het mij, dat gij, alleen wegens een geldelijken onderstand, aan ongelukkigen uitgereikt, en wegens eene, ik herhaal het, geheel onschuldige bijwoning van een Arminiaansche vergadering, mij van hoogverraad beticht.”

Hier zag de Stadhouder hem eerst met eenige verwondering en vervolgens met zulke scherpe blikken aan, alsof hij de verborgenstekuilen zijns harten doorschouwen wilde. “Frits!” zeide hij ten laatste: “gij zijt òf de miskende onnoozelheid in persoon, òf de grootste huichelaar die ooit bestaan heeft:—hebt gij u dan niets anders te verwijten dan hetgeen gij daar opnoemt? Hoegenaamd niets?”

“Tegen u en den Staat?—Hoegenaamd niets.”

“Niets?” herhaalde Maurits: “welaan, wij zullen zien:—Heer Fiskaal! wees zoo goed eens binnen te komen.” Dit zeggende, stond hij op en sloeg met de gesloten vuist ongeduldig op de tafel. Op het oogenblik trad de Fiskaal binnen; doch bleef eerbiedig in de deur staan.

“Heer Fiskaal!” vervolgde de Prins: “haal mij eens al die processale stukken hier.—Gij weet immers wat ik bedoel?”

Van Kinschot maakte een buiging en vertrok. Gedurende zijn afwezigheid liep Maurits met groote stappen en zichtbare blijken van ongedurigheid de zaal op en neder, terwijl zijn broeder, met gevouwen handen en gesloten oogen, in een biddende houding staan bleef.

“Ja!” zeide Maurits, toen Frederik Hendrik zijn gebed, zoo ’t scheen voleindigd had, “gij zoudt ook wel, geloof ik, alsvetterLodewijk, een bedevaart naar Scherpenheuvel doen, zoo ge uit dit pas gered waart; doch dat is niet genoeg,” vervolgde hij, zich op het hart slaande: “men moet Scherpenheuvel hier hebben.”

Van Kinschot keerde terug, beladen met een pakket brieven; na deze, zonder spreken, op de tafel gelegd te hebben, boog hij zich en verliet de zaal.

“Nu, Frits!” zeide Maurits: “neem plaats: wij zullen dit pakket eens gezamenlijk doorloopen: neem maar den eersten brief den besten en lees hem: gij zult er mij naderhand uw gedachten over zeggen.”

De Graaf nam een der brieven op en leide dien, na gedane lezing, stilzwijgend naast zich neder: hij was van Uyttenbogaert, en de Predikant bedankte hem daarin voor ettelijke diensten, aan de Remonstranten bewezen: een volgende was van De Groot, die zijn huisvrouw aan de bescherming Zijner Doorl. aanbeval, en tevens, evenals Uyttenbogaert, ’s Graven raad vroeg over de aanbiedingen, vanwege den koning van Spanje gedaan: na het lezen van dezen zag Frederik Hendrik den Prins met vragende oogen aan.

“Lees verder, Frits! lees verder!” zeide Maurits, hem een derden brief voorleggende.

Frederik Hendrik opende dien;—doch nauwelijks had hij eenige regelen gelezen, of zijn kleur verschoot en een hevige verontwaardiging kleurde zijn voorhoofd.

“Aha! de brief van Grobbendonck!” zeide Maurits! over zijns broeders schouder heen ziende: “welnu! wat zegt gij?”

Grobbendonck verzocht in dezen brief, die in antwoord op een missive des Graven geschreven scheen, aan Frederik Hendrik, dat deze, ingevolge zijn belofte, zorg zou dragen, dat zekere Staatsche Kapiteins (die hij noemde en welke hij deed voorkomen, als aan Spanje verkocht) in de grenssteden gezet werden, opdat zij, na een schijnbare tegenweer, die aan den vijand mochten overleveren: verdervernam hij, of de Remonstranten, volgens afspraak, gereed waren tot den voorgenomen opstand; hij eindigde, met Z. Doorl. van de toegenegenheid van den Hove van Spanje te verzekeren, hetwelk hem, als de omkeer van zaken gelukkig tot stand gebracht was, het Stadhouderschap zou opdragen, benevens een zwaar pensioen en andere voorrechten.

“Ik zeg,” antwoordde Frederik Hendrik op de vraag zijns broeders, dat die afschuwelijke brief niets tegen mij bewijst: dat de vijand zoo iets uitdenkt om mijn trouw verdacht te maken, laat zich lichtelijk beseffen; dat is meer gebeurd: doch dat mijn broeder aan zulk bedrog geloof hecht, bevreemdt mij:—let eens op, dat in dit geschrift juist uw getrouwste legerhoofden genoemd worden.”

“Denkt gij,” zeide Maurits, hem scherp aanziende, “denkt gij waarlijk, dat dezen mijn getrouwste legerhoofden zijn?—Doch lees verder.”

De volgende brieven, door andere voorname Spaansche oversten onderteekend, luidden in denzelfden toon als die van Grobbendonck, en gaven aanleiding tot soortgelijke aanmerkingen van weerszijden.

“Ik wilde maar,” zeide eindelijk de Graaf, dat men in plaats van al hetaanmij geschrevene, ietsdoormij geschreven kon voor den dag brengen: dat zou een weinig meer afdoen om mijn schuld te bewijzen.”

“Het grieft mij,” hernam de Prins, “dat ik aan uw onvoorzichtigen wensch voldoen kan.” Dit zeggende, reikte hij den Graaf een anderen brief toe, welke niet in het pakket van Joan gevonden, maar den Fiskaal op een andere wijze in de hand gespeeld was. Hij was in cijfers geschreven, door Frederik Hendrik zelven onderteekend, met zijn bijzonder zegel bekrachtigd en aan den Kanselier Pekkius gericht.

“Ik weet niet wat die teekens beduiden,” zeide de Graaf: “doch dit weet ik, dat mijn handteekening is nagemaakt: want ik draag aan dit prulschrift geen kennis.”

“Fijn uitgedacht!” zeide Maurits: “het ééne is niet door Z. D. geschreven en van het andere draagt Z. D. geen kennis. Wij zullen er maar niet verder over spreken. Onverhoord zal ik u niet veroordeelen, wees daar verzekerd van; doch ik wil u tijd geven, om een weinig nader te peinzen over het uitvinden van betere verontschuldigingen dan deze. Gij ziet intusschen, dat mijn argwaan niet zoo geheel op losse gronden steunde, als gij wel gedacht en gewenscht hadt.”

“Ik zie,” zeide Frederik Hendrik, “dat ik het slachtoffer ben van een verfoeilijk bedrog.”

”’t Is wel,” hernam de Prins: “wij zullen dit nader onderzoeken, Van Kinschot! kom binnen!”

De Fiskaal verscheen.

“Zijn de wachten aan het Hof afgelost?”

“Dat kan niet lang meer duren,” antwoordde Van Kinschot: “het is reeds klaar dag.”

“Zeer goed: de nieuwe wacht weet niet, wie zich hier bevindt.Zeg aan den wachthebbenden officier, dat hij een gevangene te bewaken zal hebben, voor wien nauwkeurig zorg zal moeten gedragen worden.—Graaf! geef mij uw degen: ik zal zelf uw stokbewaarder zijn:—uw kerker, de naaste kamer.”

Frederik Hendrik reikte hem, zonder een woord te spreken zijn degen.

“Is het rijtuig van Zijn Doorluchtigheid nog beneden?” vervolgde Maurits, zich tot Van Kinschot wendende.

“Ik ben hier te voet gekomen met mijn geheimschrijver,” zeide de Graaf: “en dien heb ik weggezonden naar het oude Hof, met het bericht dat ik hier den nacht zou doorbrengen, en dat ik wel in een uwer rijtuigen zou komen.”

“Dan is die zwarigheid opgelost,” vervolgde de Prins: “Heer Fiskaal! gij zult zorgen, dat niemand, behalve de Raadsheeren, die den gevangene ondervraagd hebben, iets van de beschuldiging verneme, welke tegen den Graaf is ingebracht.”

“Door middel van onze Heeren zal er niets van de zaak uitlekken,” antwoordde de Fiskaal: “doch....”

“Welnu?”

Van Kinschot antwoordde niets, doch sloeg een zijdelingschen blik op Frederik Hendrik.

“Als Uwe Doorl. gereed is,” zeide Maurits, die dit gebarenspel raadde, terwijl hij de deur van het zijvertrek opende.

“Broeder!” zeide de Graaf: “rust wel, en God opene uw oogen voor de kracht der waarheid.”—Met deze woorden begaf hij zich in de kamer, welke Maurits wederom sloot.

“Wat wildet gij zeggen,” vroeg de Prins aan Van Kinschot, zoodra zij alleen waren.

“Dat, zoo iemand iets verklapt, het geenszins een der Raadsheeren zijn zal; maar veeleer de brenger dezer brieven, die aan zijn kerker ontsnapt is.”

“Ontsnapt!.... niet mogelijk.”

“Ik heb hem duidelijk herkend op de bijeenkomst van dezen nacht, evenals de Remonstrantsche Proponent Raesfelt. Zoo Uwe Hoogheid mij vergunnen wil mij eenige oogenblikken te verwijderen, dan zal ik dadelijk de noodige maatregelen nemen, dat zij opgespoord en wedergeïncarcereerdworden.”

“Laat hen naar den duivel loopen,” zeide Maurits: “die Joan, of hoe hij ook heeten moge, is een goede, eerlijke jongen, die mij bijna doodgeknepen had om een aanslag tegen mijn leven te voorkomen: en de andere.... dat was immers de jongeling die Groenhof tegensprak?”

“Dezelfde, Uwe Hoogheid!”

“Welnu! dien moet vooral geen haar gekrenkt worden. Laat hemzoeken, zooveel gij wilt; maar gevonden moet hij niet worden! Waren al de Arminianen zoo, ik zou zelf lust krijgen, Arminiaan te worden.”

“Zal ik deze papieren met mij nemen?” vroeg de Fiskaal, ze willende opnemen.

“Een oogenblik,” zeide Maurits, weder naar de tafel gaande, en den brief, die in cijfers geschreven was, opnemende: “hadden wij,” vervolgde hij, “slechts een sleutel, om dit geschrift te kunnen spellen.” Dit zeggende, ging hij zitten en bleef een geruimen tijd, zonder te spreken, op den brief turen; terwijl Van Kinschot, die hem niet storen dorst, zwijgend achter hem stond en moeite had zijn ongeduld te verbergen.

“Is er dan geen mogelijkheid, die cijfers te raden?” vroeg eindelijk de Prins.

“Uwe Hoogheid heeft mij verboden, het kabinet van Zijne Doorluchtigheid te doen verzegelen: ik had mij anders van de papieren kunnen meester maken, en....”

“Hoe!” riep Maurits, opstuivende: “gij zoudt uw rakkers de handen laten slaan aan de papieren van een Nassau? Gij zoudt op een bloot vermoeden de geheimen mijns broeders onderzoeken gaan? van een Vorst van Prinselijken bloede? Dat ten eeuwigen dage niet! dat past alleen aan mij.”

Van Kinschot haalde de schouders op: “qui vult finem, vult media,”1zeide hij: “dit zal Uwe Hoogheid zich nog wel van den academietijd herinneren.”

“Iets anders!” zeide Maurits!—“wacht! daar schiet mij wat te binnen. De Secretaris des Graven, was die niet met Z. D.?”

“Hij zou reeds lang in zekerheid gebracht zijn, indien Uwe Hoogheid zulks verkozen had.”

“Laat hem hier komen!”

“Zou het niet beter zijn, daarmede te wachten, totdat het dag ware? Zijn opontbod in het midden van den nacht zou opschudding baren, en ook Uwe Hoogheid heeft rust noodig.”

“Laat hem halen: en zoo gij slaap hebt, ga dan naar bed,” zeide Maurits wrevelig.

De Fiskaal zweeg, boog zich en vertrok.

1Die het einde wil, wil de middelen.

1Die het einde wil, wil de middelen.


Back to IndexNext