Negende Hoofdstuk.The knowledge of my birth securedFrom all and each, but most from me.Byron, the Bride of Abydos.Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholenDe Abydeensche Verloofde.Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust waarheen,over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat, waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen, zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, dat tot nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar de wederwaardigheden van verschillende personages heeft geschetst, eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter- of ter linkerzijde behoeft af te wenden, maar onafgebroken met de daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des lezers kan bezighouden. Het voegt ons dus, ter dezer plaatse, waar de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt, den Lezer dank te zeggen voor het geduld, betoond in het ten einde brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven reeds zal vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten, alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude prentje, in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen worden en de kinderen veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de Wasscher en dergelijke grollen zouden bezighouden, wellicht niet meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij den Brijberg vergelijkende, de gelijkenis verder zou willen trekken en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben ik, ik zal niet zeggen te nederig (want die verontschuldiging is afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid, nimmer iets beloven, dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven.Indiener nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld, naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn geschiedenis heb ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd vermoeiend en lastig is voorgekomen, wanneer in werken van deze soort de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor de geboorte van den hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van den ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, dadelijk op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen of genen Generaal de mindere steden en vestingen aan hun wapenen te onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens de schansen en vestingen, die zij op hun weg ontmoetten en eerst na de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door.De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed, en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had, endie het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, zoowel als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van kindsbeen af, een vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde en achting voor het huis van Oranje, vooral voor Graaf Maurits, zijn meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de aanwakkerende godsdiensttwisten, tot een ijverigen voorstander der oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant, die hiertoe zijn uiterste best deed.De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid, lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid, voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie, maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen:“wees gegroet,” zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard, van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken raadsman.De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over: hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, ’t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg: dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht.Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende, bijzonder was aangedaan.Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën, toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: “God zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!”—Ook Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de zachtzinnigste vrouw in dewereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor ’t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van ’t geen om hem gebeurde—en in bed, waar het vroege opstaan van den man en de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald, dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig gezag uitoefenen, ’t zij in eigen persoon, ’t zij door middel van meid of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht ’s morgens aan haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte; niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan: eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten, waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.Dezoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn, hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot hetSanctum Sanctorum, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf, met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:Laet over ons’ kinderen schijnen uwe eere,wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen zouden verdedigen.Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de lessen des leeraars te hooren. Viermalen ’s weeks wandelde hij naar de Pastorie, om er in ’t Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst aanhaalde, zonder het voorgesteldebevattelijker te maken, dat Joan al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en nog eenige anderecumuleerde. Van dezen leerde Joan al spoedig de bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan welken kant van ’t water de meeste visch te vinden zou wezen.Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting; en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken, over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke vakken Reede geheel niet onbedreven was:—ook het paardrijden, zoowel in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon spreken en de lengte der stangen naar ’t maaksel van ’t gebit wist te berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, ’t geen iets ongehoords scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien, die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard.Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoogwerd het door haar geprezen, en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, dikwijls aan te merken: “ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude het mensch er wel van zeggen!”—Het was alleen tegen Bouke, dat zij op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven; doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: “Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!”—“Ja! ja:” zuchtte Geert: “ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen ’t zwaarst.”Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal betrokkene personen nader te ontwikkelen.Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds dikwijls, bij ’t voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen; doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, hield Joan stil en riep den snoeper toe: “zoo Koen! als moeder op het mat komt, zal je er slecht afkomen.”“Dat heb ik ook al gezeid,” zeide Koenraads broeder Hendrik, die in een hoek des tuins zat te lezen, “maar hij wil het maar niet laten.”“Wel dan moet jij het hem beletten,” hernam Joan.“Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik.”“Hij moest ereis komen,” zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een abrikoos in den mond stak: “dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat ’s voor jou!” en hij wierp hem den steen toe.Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad af, en greep hem bij het been. “Je meugt niet stelen!” riep hij, “en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen.”Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, vernielers, dieven enz. begroette.Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde reizen: “Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet meegesnoept.”“Wat! ik hem niet straffen!” riep de vertoornde vrouw, den armen knaap des te feller slaande en knijpende: “en zou jij me dat beletten, jou snotneus? Ga maar naar ’t kasteel, ik zal er je vader over spreken, dat zal ik!”Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen, Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel, in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden eneenige schuren of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.“Goeden morgen, lieve Joan!” riep zij, zoo ras zij hem ontwaard had: “zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo rood als vuur.”“Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij braaf zeer: maar ik huilde toch niet.”“Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel.”“Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke reden geweest;” en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten.Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: “daar zal wat voor je opzitten, jongelief!” zeide hij: “ja, kijk maar zoo onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft.”Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende, op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen, terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid kamp voerden.“Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!” zeide de Baron: “het konwel eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en wat hebt ge nu daartegen in te brengen?”Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift wederkeerde. “Zij liegt het allemaal, vader!” antwoordde hij: “behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!”“Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies, en zal zoo’n snotjongen mij dat beletten?” “Een snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!” riep Joan, huilende en met de voeten stampende.“Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt.”“Joan!” zeide Reede op een gestrengen toon: “wilt gij op staanden voet de Juffrouw om vergeving vragen?”“Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk.”“Niet,” riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara op de knieën werpende: “vraag terstond om verschooning of ik zal er op ranselen, dat....” Joan wentelde zich op den grond om en om, al roepende, dat hij het niet deed.“Hei Bouke!” riep de Baron: “breng mij de hondenzweep eens hier.... of neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood: daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt.”“Maar mijnheer,” zeide Bouke: “UEd. weet, dat op den toren....”“Doe wat ik u zeg!” herhaalde de Baron, zonder naar iets te luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging maakte.“Hoe is ’t, stijfkop?” vervolgde de Baron: “zult gij om vergeving bidden?—Niet?—Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd heb.”Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje sluiten, ’t welk zich onder ’t torentje bevond, dat uit het dak oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het gezicht plat op den vloer en snikte luid.Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk brood. Joan lag nog in dezelfde houding.“Jonker! jonker Joan!—Slaap je?”—Geen antwoord.—“Jonker, je vader laat vragen of je gehoorzamen zult.”—Geen antwoord.—“Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: ’t beste berouw is het vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?—Ja, als ’t kalf verdronken is, zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan....” en hij vertrok.De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijneenvoudigmaal te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten meteen grendel gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond, sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op het voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af.“Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?—Zie eens, wat ik u heb meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou ik knorren krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat ik wil.”Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje: eenige trossen bessen en gedroogde confituren.Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige oogenblikken zitten.“Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende: “je moest de juffrouw maar om vergeving vragen.”Joan zweeg en schudde het hoofd.“Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed op u.—Och het is hier zoo akelig om ’s nachts te blijven. Hier vliegen zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille: dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal je zoo liefhebben als je het doet.”“Neen!” zeide Joan: “ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als het Koen nog geweest ware, dan....”“Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben, anders....”Hier stoof de knaap driftig op: “Hein wat verdiend? niets had de arme jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens hoe het gebeurd is. Ik ging....”“Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld; maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd verkeerd van u.”“Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar voor zitten op water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen als ik gedaan heb.”Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen, de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met het hoofd knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid mede te deelen: doch de uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het goedhartige meisje hem zoo vastbesloten zag, op den verkeerden weg, dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek, vouwde de handen stijf tegen haar borst, zag hem een geruimen tijd met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder.Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblikvan toegevendheid en zwakheid: dit althans was ’t geval bij Joan: zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en bedekte haar bleek gelaat met kussen. “Ulrica!” riep hij: “lieve Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat ge wilt: och! kom toch bij u zelve.” Dan zijn roepen was vergeefs en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk kwam hem nu de gedachte voor den geest: “zij leeft niet meer! Ik ben de oorzaak van haren dood.—“Ulrica!” gilde hij angstig uit: “lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar gedood! Komt er dan geen mensch! Bouke! Geert! help! help!”Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek, wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den beangsten knaap niet weinig vermeerderde.Tiende Hoofdstuk.Dat ’s een jonge, om zoo te spreken,Die elk na de kroon zal steken,Dat ’s een knaapje met een bol.Greenwood.De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van weinige grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een grauwen overrok: van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een klein getijboek.De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, ja bijna hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke de beeltenis van den oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan dacht niet anders, dan dat de geest van zijn voorzaat hem over zijn stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn gezicht met beide handen bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar keurslijf losmaakte en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante haar op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven gekomen was.“Goede hemel!” zeide deze: “wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht haar al het heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven koekeloeren. Nu,zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar....” vervolgde hij snel tot den onbekende: “pak u weg; want daar klotst zij de trappen op.”De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui boven kwam.“Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?”“Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw gevallen.”“Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo onhandig. Nu, mijn engeltje!” vervolgde zij, het kind met de vlakke hand op den rug tikkende: “huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....—maar wat is er toch gebeurd, schatje?”“Och Geert!” snikte het kind: “het was Joan, die....”“Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen.”“Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd.”“Wat beduidt dit geweld?” vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen: “wat is hier gebeurd?”“Zij was bij den jonker,” zeide Bouke, “en....”“Bij Joan?—En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet gebracht, Geert?”“Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er nooit geweest; en dan zegt men dat het er spookt.—Het kleine hartje is naar boven geloopen, terwijl ik....”“Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?”“Ja men wordt alle dagen wat ouder maar....”“Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij boven deedt.”Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord had toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij om vergeving vragen zou.“Zoo!” hernam de Baron: “dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht; maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo in ’t geheim naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar bed gaan, ’t geen voor uw gezondheid ook niet anders dan heilzaam wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij uw lief en vriendelijk gezichtje weder.”“En zult gij niet meer boos zijn op Joan?” vroeg het lieve meisje, de wangen haars vaders streelende.“Wij zullen zien, hoe hij is,” zeide de Baron. “Wees gij maar heel zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe paardjes.”Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te halen en ging in een zijvertrek.Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als toen het spook de kamer had verlaten. “Jonker!” zeide hij: “uw vader verlangt u te spreken.”“Zijt gij alleen, Bouke?” vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende.“Wel ja, wie zou er meer wezen?” antwoordde Bouke.“En Ulrica?”“Die is weer beter en al naar bed.”“En het spook?” vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij angstig rondzag.“Het spook! Welk spook?”“Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met een bijbeltje en eenpaternoster, net als in de benedenzaal.”“Zoo!” hervatte Bouke een weinig verlegen: “neen het spook is weg: kom maar met mij en wees wijs.”“Wel Joan!” vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was, “zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult gij Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?”“Ja vader!”“Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld hebt?”“Neen, vader, dat niet.”“Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?”“Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is,” antwoordde Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende.Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven, stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. Hij was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in ’t vak van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke handelwijze hem in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, hoe den knaap te beduiden, dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is, de daad zelve dien naam ook niet verdient. Uit deze verlegenheid werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere ongerustheid verwekte: de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen.“Help! daar is grootoom weer!” riep Joan, zich aan den Baron vastklemmende.“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Reede tegen den onbekende: “hoe waagt gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl....” hier wees hij op Joan.“Juist daarom kom ik binnen,” antwoordde de vreemdeling, “opdat hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter hulp toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet zoo mijn jongen?”Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom aan te staren.“En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, in ’t uiterste gevaar brengt,” zeide Reede.“De knaap zal zwijgen,” hervatte de onbekende, “zoo hij het wil doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor eens, knaap,” vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende: “gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim kan toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen kwaad deed, willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed mij een schuilplaats te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van Bouke: en nu zijt gij de derde in het geheim. Durft gij nu aannemen, mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij mij hier gezien hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten.”“Dat beloof ik u op mijn woord,” zeide Joan, hem de hand gevende.“Dan is ’t genoeg en ik maak er staat op,” hervatte de vreemdeling. “Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij dien misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt kunnen herinneren, schenk ik u deze kleinigheid.”—Dit zeggende, trok hij een kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte dien aan Joan over.“Duizendmaal dank, mijnheer!” zeide Joan, rood van blijdschap wordende. “Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen van Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen verzegelen als ik grooter word, evenals vader.”“Een lieve knaap!” zeide de onbekende, met Joans blonde lokken spelende: “doch hij herinnert mij mijn Maria niet!”“Neen,” zeide Reede met verlegenheid; “doch hierover nader. Ga nu maar heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw Raesfelt te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen.”Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook, en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete rust de bekommernissen van den dag te vergeten.“En gij,” vervolgde de Baron tot den onbekende: “houd u morgen tegen acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen en wij rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, dat u veilig naar de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek; ik durf niet langer hier blijven, men mocht ons komen storen.”“God loone u,” zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers drukkende. “Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat zij u nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge.”“Wel!” zeide Reede: “dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel.”“In mijn eigen kasteel,” zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig om zich heen zag: “helaas! ik mag met onzen Gezegenden Heer zeggen:Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo ubi caput reclinem!”1Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend had.“Dan, om ’t even!” vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging: “wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?—Is er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over den aardbodem,ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, terrestrium et infernorum!”2“Om ’s Hemels wil,” zeide Reede: “matig u en bedenk toch....”“Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen,” vervolgde de vreemdeling: “zij, die de roepstem niet gehoord en aan de zorgende liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen. Dan zullen zij roepen:Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus?3maar de stem van boven zal antwoorden:nunquam novi vos: discedite ame, qui operamini iniquitatem.4Hendrik!—gij zult wellicht dien dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd heeft, dat de poorten der Helle haar niet zouden overweldigen, over het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die schrikkelijke dag, dedies irae,5komen moge! Gij hebt kinderen, lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt is door het koude ongeloof dezer dagen: o! breng hen niet op den weg, die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud geloof, de vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!”“Gij zijt te veel opgewonden,” zeide Reede, “gij vergeet dat uwe, dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde.”“Het is waar,” zeide de onbekende, stilstaande: “ik vergat dat gij onder hen behoort, die zeggen:durus est hic sermo et quis dotest eum audire;6en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet overgeleverd hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.—En nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de gebeden, die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal het licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan onzen voet is.”Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld, twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan gezeten had, en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der kinderen aan te hooren.“Wat is dat voor een gereutel?” mompelde Reede, terwijl hij grommende de trappen weder afging. “Dominus Raesfelt is ook somtijds wat duister en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en dan een Latijnsch of Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk; maar uit die Paapsche aanhalingen mag Joost wijs worden. Nu, ik denk er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; ’t spijt mij maar, dat hij het weder over de geboorte van die kinderen had!”Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de belofte, die hij ’s avonds te voren aan zijn vader had gedaan, van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een lastigen plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn geest de woorden, welke den verzoenenden volzin moesten uitmaken. Met trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica weldra verschenen. Na het ontbijt kwam Bouke den Baron verwittigen, dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na aan Joan last te hebben gegeven van hen niet te volgen. Deze echter, des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een der achterramen liggen en zag van daar, tusschen de boomen door, het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een persoon er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had, herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging zitten met Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar den Rijn opreed.Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche schaamte hoe langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie.Als lood woog hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij aan de deur zoude staan, in welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend en zich zelven vruchteloos moed insprekend, ging hij langzaam voort, bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg groeiden, en wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die op een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die, zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, vervolgens regelrecht op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en even als de anderen, welke acht in getal waren, met vuurroer en degen gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan:“Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?”“Om u te dienen!” antwoordde Joan: “ik ben de Jonker van Sonheuvel.”“Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, die een schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?”“Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: en eergisteren Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij niet werken kan; want hij heeft maar ééne hand.”“Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is een man met een deftig uitzicht, en in ’t zwart gekleed, met een kale kruin en....”“Neen! die is hier in de buurt niet geweest,” antwoordde Joan, die nu begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon wel wezen kon, dien men zocht.“Ja! die is hier wel geweest,” klonk de schrille stem van Mejuffrouw Raesfelt achter hem: “ik heb den man, dien gij beschrijft, met Bouke door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar huis ging over de steenen brug.”“Zoo!” zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde wijze, waarop Joan geantwoord had: “Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan gij zeggen wilt.”Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door de vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele beseffende, dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot hij de ruiters zoolang op te houden, tot de Baron weder terug en de vluchteling in zekerheid ware.“Wacht!” zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij zich: “draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart manteltje, een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een gebedenboek en eenpaternosterbij zich?”“Dat zal wel zoo wezen,” antwoordde de ruiter: “maar waar is hij?”“In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!” vervolgde hij stil en snel, terwijl hij haar ter zijde trok: “ik vraag u om verschooning: mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed aan Dominee te zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen.”—Na deze woorden op éénen toon en in éénen adem achter elkaar te hebben uitgerabbeld, keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: “Komt nu maar mede, Heeren! ik zal u voorgaan.”“Ja, maar!” zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over waren gekomen: “is hij stellig op ’t kasteel?”—Joan knikte met het hoofd.—“Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate en Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!—Gij, Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, aan de slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis Kriegelkop volgen mij naar binnen.”Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met twee ruiters Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden aan de verbaasde dienstboden te bewaren.“Als de Heeren mij maar volgen willen,” zeide Joan, die moeite had een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters vooruitging naar de benedenzaal. Onder ’t voortgaan haalde de wachtmeester een papier uit de borst en las hetsignalementvan den voortvluchtige overluid op: “blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar, zware wenkbrauwen....”“En een paternoster in de hand,” zeide Joan, terwijl hij den ruiter bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over het afbeeldsel van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: “daar is de man dien gij zoekt: of ik heb abuis.”“Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?”“Wel, daar!”“Waar?”“Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik dacht, dat gij het portret zocht.”“Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal je leeren....”Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe buiging en liep de zaal uit.“Dat ’s een satansche gauwdief!” riep de wachtmeester: “naar boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of daar verscholen.” Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen, die Ulrica ’s avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal.“Hier zal hij wezen!” riep de wachtmeester, “binnen mannen! en draagt zorg, dat niemand er uitkome.”“Dat zal ik,” riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de deur achter hen toe. “Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat uit.” Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort, dat allen naar buiten stoven.Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan.“Ik ben de Baron van Sonheuvel,” schreeuwde hij.“Ick kenne kein Baron,” zeide Karl Blutzaufer: “potstauzend, du sollst nicht drinn kommen!”De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend.“Waar ist der Wachtmeister?” vroeg Melis: “ik muss hem sogleich spreken!”“Dat weet ik niet,” antwoordde de Bottelier; “ik heb geen wachtmeester gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht met je zal afloopen.” Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden den ruiter aan en ontwapenden hem.“Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!” riep Melis, zich vruchteloos verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden, kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en het ware tot een algemeen gevecht gekomen,bijaldien niet de Baron op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte een algemeene stilte geboden had.“Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout, in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten.”Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand en sprak:“Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen, die boven ons gesteld zijn.”“Recht zoo,” antwoordde de Baron: “maar wie gaf u dan last?”“De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is.”“Laat hem dan hier komen,” riep Reede, ongeduldig wordende: “waar zit hij?”“Ik heb hem op den toren gevangengezet,” zeide Joan, die met zijn kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: “hem en zijn makkers!”“Geen gekscheren, Joan!” zeide de Baron, gramstorig: “zulke malligheden komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten moeten worden, zal ik u roepen.”“De Jonker heeft gelijk,” zeide de Bottelier: “hij heeft drie ruiters in de steenenkamer opgesloten.”“Ja! hier zitten wij!” riep een stem, die uit de lucht scheen te komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.“Zoo!” zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: “zitten die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen,” vervolgde hij tegen de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen den stoet vergroot had, “zit af en geeft de wapens ordentelijk over, terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, mij te volgen.” Dit geschiedde.De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht.“Wat is uw last, wachtmeester?” vroeg Reede: “en hoe durft gij zoo onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid, of ik laat u ophangen.”“Dat zoude UEd. moeten verantwoorden,” antwoordde de wachtmeester, op vrij hoogen toon: “wat mij betreft, hier is mijne verantwoording” en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding) en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz., alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde plakkaten.“Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken,” zeide de Baron, nadat hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: “gij zijt hier niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier moeten komen.”“De Jonker heeft ons zelf hier gebracht,” antwoordde de wachtmeester.“Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje van den rechten weg te laten afbrengen.—Doch heeft de Jonker die buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?”“Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik UEd. wel een woordje in ’t vertrouwen onder vier oogen mededeelen!””’t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, verlaat de kamer met uw volk.—Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu te zeggen?”“Heer Baron,” zeide de wachtmeester: “wees zoo goed en zie dit papiertje eens in.” Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven:hic liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom.7.“Welnu! wat zal dit?” vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd had.“Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.—Wat dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?”Van Reede zweeg en streek zich over ’t gezicht.“Mij dunkt, Uwe Edelheid!” vervolgde de wachtmeester, ziende dat zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, “mij dunkt, wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden;doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude.”“Gij hebt gelijk, schurk!” zeide de Baron, “gelukkig, dat alles zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen.”De Schout kwam terug met de overigen. “Ik ben over de inlichtingen voldaan, mij door den wachtmeester gegeven,” zeide Reede, “en hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot wederziens, Heer Schout.”—Men gaf den ruiters hun wapenen terug, waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop, en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten hemel werd verheven.1De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.2Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.3Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?4Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid werkt.5De dag der wrake.6Deze rede is hard en wie kan die hooren?7Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.
Negende Hoofdstuk.The knowledge of my birth securedFrom all and each, but most from me.Byron, the Bride of Abydos.Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholenDe Abydeensche Verloofde.Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust waarheen,over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat, waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen, zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, dat tot nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar de wederwaardigheden van verschillende personages heeft geschetst, eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter- of ter linkerzijde behoeft af te wenden, maar onafgebroken met de daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des lezers kan bezighouden. Het voegt ons dus, ter dezer plaatse, waar de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt, den Lezer dank te zeggen voor het geduld, betoond in het ten einde brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven reeds zal vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten, alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude prentje, in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen worden en de kinderen veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de Wasscher en dergelijke grollen zouden bezighouden, wellicht niet meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij den Brijberg vergelijkende, de gelijkenis verder zou willen trekken en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben ik, ik zal niet zeggen te nederig (want die verontschuldiging is afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid, nimmer iets beloven, dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven.Indiener nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld, naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn geschiedenis heb ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd vermoeiend en lastig is voorgekomen, wanneer in werken van deze soort de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor de geboorte van den hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van den ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, dadelijk op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen of genen Generaal de mindere steden en vestingen aan hun wapenen te onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens de schansen en vestingen, die zij op hun weg ontmoetten en eerst na de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door.De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed, en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had, endie het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, zoowel als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van kindsbeen af, een vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde en achting voor het huis van Oranje, vooral voor Graaf Maurits, zijn meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de aanwakkerende godsdiensttwisten, tot een ijverigen voorstander der oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant, die hiertoe zijn uiterste best deed.De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid, lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid, voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie, maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen:“wees gegroet,” zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard, van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken raadsman.De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over: hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, ’t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg: dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht.Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende, bijzonder was aangedaan.Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën, toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: “God zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!”—Ook Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de zachtzinnigste vrouw in dewereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor ’t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van ’t geen om hem gebeurde—en in bed, waar het vroege opstaan van den man en de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald, dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig gezag uitoefenen, ’t zij in eigen persoon, ’t zij door middel van meid of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht ’s morgens aan haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte; niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan: eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten, waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.Dezoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn, hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot hetSanctum Sanctorum, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf, met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:Laet over ons’ kinderen schijnen uwe eere,wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen zouden verdedigen.Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de lessen des leeraars te hooren. Viermalen ’s weeks wandelde hij naar de Pastorie, om er in ’t Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst aanhaalde, zonder het voorgesteldebevattelijker te maken, dat Joan al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en nog eenige anderecumuleerde. Van dezen leerde Joan al spoedig de bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan welken kant van ’t water de meeste visch te vinden zou wezen.Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting; en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken, over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke vakken Reede geheel niet onbedreven was:—ook het paardrijden, zoowel in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon spreken en de lengte der stangen naar ’t maaksel van ’t gebit wist te berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, ’t geen iets ongehoords scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien, die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard.Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoogwerd het door haar geprezen, en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, dikwijls aan te merken: “ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude het mensch er wel van zeggen!”—Het was alleen tegen Bouke, dat zij op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven; doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: “Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!”—“Ja! ja:” zuchtte Geert: “ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen ’t zwaarst.”Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal betrokkene personen nader te ontwikkelen.Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds dikwijls, bij ’t voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen; doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, hield Joan stil en riep den snoeper toe: “zoo Koen! als moeder op het mat komt, zal je er slecht afkomen.”“Dat heb ik ook al gezeid,” zeide Koenraads broeder Hendrik, die in een hoek des tuins zat te lezen, “maar hij wil het maar niet laten.”“Wel dan moet jij het hem beletten,” hernam Joan.“Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik.”“Hij moest ereis komen,” zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een abrikoos in den mond stak: “dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat ’s voor jou!” en hij wierp hem den steen toe.Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad af, en greep hem bij het been. “Je meugt niet stelen!” riep hij, “en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen.”Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, vernielers, dieven enz. begroette.Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde reizen: “Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet meegesnoept.”“Wat! ik hem niet straffen!” riep de vertoornde vrouw, den armen knaap des te feller slaande en knijpende: “en zou jij me dat beletten, jou snotneus? Ga maar naar ’t kasteel, ik zal er je vader over spreken, dat zal ik!”Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen, Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel, in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden eneenige schuren of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.“Goeden morgen, lieve Joan!” riep zij, zoo ras zij hem ontwaard had: “zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo rood als vuur.”“Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij braaf zeer: maar ik huilde toch niet.”“Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel.”“Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke reden geweest;” en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten.Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: “daar zal wat voor je opzitten, jongelief!” zeide hij: “ja, kijk maar zoo onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft.”Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende, op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen, terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid kamp voerden.“Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!” zeide de Baron: “het konwel eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en wat hebt ge nu daartegen in te brengen?”Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift wederkeerde. “Zij liegt het allemaal, vader!” antwoordde hij: “behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!”“Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies, en zal zoo’n snotjongen mij dat beletten?” “Een snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!” riep Joan, huilende en met de voeten stampende.“Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt.”“Joan!” zeide Reede op een gestrengen toon: “wilt gij op staanden voet de Juffrouw om vergeving vragen?”“Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk.”“Niet,” riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara op de knieën werpende: “vraag terstond om verschooning of ik zal er op ranselen, dat....” Joan wentelde zich op den grond om en om, al roepende, dat hij het niet deed.“Hei Bouke!” riep de Baron: “breng mij de hondenzweep eens hier.... of neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood: daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt.”“Maar mijnheer,” zeide Bouke: “UEd. weet, dat op den toren....”“Doe wat ik u zeg!” herhaalde de Baron, zonder naar iets te luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging maakte.“Hoe is ’t, stijfkop?” vervolgde de Baron: “zult gij om vergeving bidden?—Niet?—Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd heb.”Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje sluiten, ’t welk zich onder ’t torentje bevond, dat uit het dak oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het gezicht plat op den vloer en snikte luid.Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk brood. Joan lag nog in dezelfde houding.“Jonker! jonker Joan!—Slaap je?”—Geen antwoord.—“Jonker, je vader laat vragen of je gehoorzamen zult.”—Geen antwoord.—“Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: ’t beste berouw is het vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?—Ja, als ’t kalf verdronken is, zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan....” en hij vertrok.De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijneenvoudigmaal te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten meteen grendel gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond, sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op het voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af.“Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?—Zie eens, wat ik u heb meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou ik knorren krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat ik wil.”Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje: eenige trossen bessen en gedroogde confituren.Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige oogenblikken zitten.“Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende: “je moest de juffrouw maar om vergeving vragen.”Joan zweeg en schudde het hoofd.“Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed op u.—Och het is hier zoo akelig om ’s nachts te blijven. Hier vliegen zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille: dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal je zoo liefhebben als je het doet.”“Neen!” zeide Joan: “ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als het Koen nog geweest ware, dan....”“Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben, anders....”Hier stoof de knaap driftig op: “Hein wat verdiend? niets had de arme jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens hoe het gebeurd is. Ik ging....”“Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld; maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd verkeerd van u.”“Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar voor zitten op water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen als ik gedaan heb.”Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen, de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met het hoofd knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid mede te deelen: doch de uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het goedhartige meisje hem zoo vastbesloten zag, op den verkeerden weg, dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek, vouwde de handen stijf tegen haar borst, zag hem een geruimen tijd met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder.Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblikvan toegevendheid en zwakheid: dit althans was ’t geval bij Joan: zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en bedekte haar bleek gelaat met kussen. “Ulrica!” riep hij: “lieve Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat ge wilt: och! kom toch bij u zelve.” Dan zijn roepen was vergeefs en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk kwam hem nu de gedachte voor den geest: “zij leeft niet meer! Ik ben de oorzaak van haren dood.—“Ulrica!” gilde hij angstig uit: “lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar gedood! Komt er dan geen mensch! Bouke! Geert! help! help!”Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek, wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den beangsten knaap niet weinig vermeerderde.
The knowledge of my birth securedFrom all and each, but most from me.Byron, the Bride of Abydos.Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholenDe Abydeensche Verloofde.
The knowledge of my birth securedFrom all and each, but most from me.
The knowledge of my birth secured
From all and each, but most from me.
Byron, the Bride of Abydos.
Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholen
Mijn afkomst werd voor elk, vooral voor mij, verholen
De Abydeensche Verloofde.
Evenals een beekje, dat, van den top der Alpen ontweld, lange tallooze omwegen voortgevloeid, verscheidene kronkelingen en bochten beschrijvende, een geruimen tijd naamloos en als onbewust waarheen,over rotsen en klippen, door velden en akkers dwaalt, en den wandelaar, die zijn boorden volgen wil, in de onzekerheid laat, waarheen zijn reis zal geleiden, totdat het eindelijk, door den toevloed van andere beken en den aanvoer des bergwaters gezwollen, zijn oevers verbreeden ziet, en over een dieper bedding onder een bepaalden naam zijn weg vervolgt, zoo ook is ons verhaal, dat tot nu toe niet de lotgevallen van een bijzonderen hoofdpersoon, maar de wederwaardigheden van verschillende personages heeft geschetst, eindelijk zooverre gevorderd, dat het zich niet meer ter rechter- of ter linkerzijde behoeft af te wenden, maar onafgebroken met de daden van den wezenlijken held der geschiedenis de aandacht des lezers kan bezighouden. Het voegt ons dus, ter dezer plaatse, waar de geschiedenis, die wij beschrijven, eigenlijk een aanvang neemt, den Lezer dank te zeggen voor het geduld, betoond in het ten einde brengen onzer vrij lange inleiding, die hij misschien bij zich zelven reeds zal vergeleken hebben met den Brijberg, waar men moest dooreten, alvorens men in Luilekkerland aankwam, afgebeeld op het oude prentje, in mijne kindsheid voor de som van een oortje alom verkrijgbaar, en thans, nu er geen oortjes meer afgepast kunnen worden en de kinderen veel te verstandig zijn, dan dat zij zich met Luilekkerland, Jan de Wasscher en dergelijke grollen zouden bezighouden, wellicht niet meer te bekomen. Men wane echter niet, dat ik, mijn inleiding bij den Brijberg vergelijkende, de gelijkenis verder zou willen trekken en het verhaal zelf voor Luilekkerland laten doorgaan. Hiertoe ben ik, ik zal niet zeggen te nederig (want die verontschuldiging is afgezaagd), maar te trotsch; want ik wil, uit loutere trotschheid, nimmer iets beloven, dat ik vooruit zeker weet, niet te kunnen geven.
Indiener nu een Lezer vragen mocht (want het is een vragend geslacht, dat der lezers, en vooral dat der Recensenten), waarom ik niet liever al hetgene ik nu in mijn inleiding heb te boek gesteld, naderhand bijwijze van herinnering of verhaal in mijn geschiedenis heb ingelascht, zoo zou ik hem antwoorden, niet alleen dat het mij altijd vermoeiend en lastig is voorgekomen, wanneer in werken van deze soort de draad der geschiedenis werd afgebroken, om te vertellen hetgeen voor de geboorte van den hoofdpersoon, althans lang voor den tijd van het verhaal, was voorgevallen; maar ook, dat ik in deze geschiedenis van den ouden tijd, het voorbeeld heb willen volgen van de legerhoofden van dien tijd. Dezen trokken niet, zooals thans geschiedt, dadelijk op de hoofdstad aan, om, na deze bemachtigd te hebben, door dezen of genen Generaal de mindere steden en vestingen aan hun wapenen te onderwerpen, maar zij belegerden eerst de grenskasteelen, vervolgens de schansen en vestingen, die zij op hun weg ontmoetten en eerst na de verovering van die alle, drongen zij in het hart van het land door.
De kleine Joan werd dan, gelijk wij in het slot van het vorige Hoofdstuk hebben verhaald, op het kasteel te Sonheuvel opgevoed, en ging er voor den zoon van zijn pleegvader door. Alleen de predikant Raesfelt, wien Reede zijn vertrouwen geschonken had, endie het door zijn braafheid verdiende, de getrouwe Bouke en de oude Geertrui kenden het geheim van zijn geboorte. De Baron, zoowel als Raesfelt, beducht dat het Spaansche bloed eenmaal in de aderen des jongelings mocht spreken, boezemden hem, van kindsbeen af, een vreeselijken haat in tegen zijn landgenooten, en een groote liefde en achting voor het huis van Oranje, vooral voor Graaf Maurits, zijn meest schitterende ster. Zij deden meer: zij zochten hem, onder de aanwakkerende godsdiensttwisten, tot een ijverigen voorstander der oude rechtzinnige leer te maken: en het was vooral de Predikant, die hiertoe zijn uiterste best deed.
De Predikant Raesfelt (want wij moeten den man nader leeren kennen) was, gelijk de meeste godgeleerden van dien tijd, een man vol groote bekwaamheden, en met enkele lichte gebreken, doch die niet zelden beletteden, dat hij op zijn waren prijs geschat werd. Koelheid, lauwheid in de zaak van den godsdienst was toenmaals onbekend: men was gedwongen, zoo niet uit overtuiging, althans uit noodzakelijkheid, voor deze of gene gevoelens partij te trekken, Raesfelt, met hart en ziel gehecht aan de leerwijze, die Bogerman, Gomarus, Lubbertus en hun medestanders predikten, paarde aan de denkbeelden van dezen ook hun staatkundige beginsels. Evenals de genoemde schrijvers was hij een door en door geleerd man, doorvoed met de lezing der oude, vooral der godgeleerde schrijvers. De zucht tot onderzoek en kennis wies gestadig bij hem aan, en het stille studeervertrek was voor hem het meest geliefkoosd verblijf. Aldaar arbeidde hij onvermoeid en onafgebroken aan de voortzetting zijner studiën, terwijl oprechte waarheidsbegeerte en zucht om veel goeds en nuttigs te stichten, niet minder dan een brandende weetgierigheid, de spoorslagen waren, die hem het werken zoo gemakkelijk, ja tot zijn dagelijksch brood maakten. Zijns ondanks echter en niettegenstaande deze drijfveeren leidde de bij den mensch ingeschapen lust om hetgeen hij eens voor goed en waar heeft gehouden te blijven aankleven, hem steeds daartoe, dat al zijn oefeningen de strekking hadden om het godsdienstig stelsel, dat hij zich eenmaal gevormd had, te versterken: al de schriftuurplaatsen, al de bewijzen en verklaringen, die aan zijne denkwijze kracht bijzetteden, verkregen in zijn oog een dubbel gewicht; en al de uitleggingen of vertalingen, die niet met zijne meeningen strookten, werden door hem veel spoediger dan hij zelf dacht, voor valsch, of ten minste voor dom verklaard: zoodat hij, hoe onpartijdig hij meende en wenschte te zijn, dikwijls en zonder het te weten tot sterke partijdigheid verleid werd.
Schoon zijn verstand dus somtijds dwalen mocht, zijn edel en oprecht hart dwaalde niet. Zijn wandel was onergerlijk voor God en voor de menschen: zijn gedrag een voorbeeld van Christelijke liefde en zachtmoedigheid. Liefde tot den naaste was bij hem geen theorie, maar een deugd, die hij, waar en wanneer hij kon, in praktijk bracht, en zoo zijn verstand hem somtijds verleidde om den andersdenkende te beschouwen als iemand, wien men, naar het voorschrift des Apostels, niet in zijn huis mocht ontvangen, noch tot hem zeggen:“wees gegroet,” zijn hart bleef ook voor den in zijn oog verdoolden broeder nimmer gesloten. Zijn huisvrouw had hij, ondanks haar weinig aangenamen aard, van harte lief, en met zijn kinderen was hij recht mal, gelijk men zegt. Ook de inwoners van het slot en het dorp Sonheuvel waren aan hun Herder bij uitstek gehecht, want zij vonden in hem altijd een oprechten, deelnemenden, getrouwen vriend en somtijds voortreffelijken raadsman.
De zorg voor zijn huishouden en voor zijn gezin, dat langzamerhand vrij talrijk was geworden, liet hij geheel aan zijn wederhelft over: hem vonden de eerste ochtendstralen reeds in zijn studeervertrek, ’t welk hij alleen om te middagmalen verliet en waar hij, na een korte wandeling door het dorp, het overige van den dag in doorbracht. De Zondag alleen bracht in deze levenswijze eenige verandering teweeg: dan ontbeet hij met zijn gezin, verruilde den huispels tegen den zwarten rok, ging, na de predikatie, doorgaans op het kasteel het middagmaal gebruiken en deed, als de namiddagdienst was afgeloopen, met Joan en zijn zoons een wandeling in den omtrek: terwijl hij den avond, wel niet met studeeren, doch met het lezen van de nieuw uitgekomen werken over controverse punten, ten einde bracht.
Ondanks zijn zittend leven had hij een zeer rechte gestalte: zijn gelaat had de zoogenaamde kamerkleur verkregen en getuigde van onthouding en inspanning. Zijn neus was ver vooruitgebogen, als ware die bij de wording bestemd geworden tot het snuffelen in boeken en papieren. Van onder zijn zwarte kalot slipten eenige weinige lichtblonde haren uit, terwijl zijn ooren als de vleugels van een Cherubijntje zich van het hoofd verwijderden. Zijn blauwe oogen blikten doorgaans strak en afgetrokken voor zich uit; doch hun gewone dofheid werd verlevendigd, wanneer de aard van het onderhoud de deelneming van den Predikant gaande maakte, of wanneer zijn gemoed door het vernemen van iets belangrijks, zijn geliefde studiën betreffende, bijzonder was aangedaan.
Zijn huisvrouw verschilde aanmerkelijk in verstand en karakter met haar echtgenoot. Deze had haar gehuwd, omdat een Predikant in dien tijd trouwen moest, wilde hij niet voor een Roomschgezinde aangezien worden, en omdat zij een ordentlijken stuiver bezat; doch hij had gewis een betere keuze kunnen doen. Behalve dat zij scheel zag, dat haar gelaat met sproeten en puisten, met een rooden neus, scherpe kin en vale kleur versierd was, bezat zij een inborst, niet ongelijk aan die der beminnelijke echtgenoote van den vlijtigen Trommius, welke, (zoo men verhaalt) het handschrift van het ontzettend werk der Concordantiën, toen het ter helft door haar man voleindigd was, op het vuur smeet, en het zoo bont maakte, dat de arme leeraar, die geduldig zijn arbeid van nieuws af aan weder begonnen was, bij haar overlijden uitriep: “God zij geloofd! nu heb ik rust en kan mijn werk ten einde brengen!”—Ook Mejuffrouw Raesfelt was een soortgelijke heks; doch haar man had minder van haar boozen aard te lijden dan eenig ander, ja zelfs had hij het zoover weten te brengen, dat hij met haar leefde als hij met de zachtzinnigste vrouw in dewereld zou gedaan hebben. Dit geluk was het gevolg zijner levens wijze. Hij zag haar nooit dan aan het middagmaal, waar hij den mond alleen opende tot bidden en eten; zijnde hij voor ’t overige zoozeer in gedachten verdiept, dat hij niets vernam van ’t geen om hem gebeurde—en in bed, waar het vroege opstaan van den man en de drukke vermoeienissen, welke de vrouw zich door loopen en praten, en kijven veroorzaakte, beiden alras deden inslapen. Daarenboven was, bij hun huwelijk, als een plechtige voorwaarde door den Predikant bepaald, dat Barbara nooit in de studeerkamer zou verschijnen, noch er eenig gezag uitoefenen, ’t zij in eigen persoon, ’t zij door middel van meid of kinderen. Alleen de oudste dochter, Kaatje, bracht ’s morgens aan haar vader een kan bier en een snede brood met kaas voor zijn ontbijt boven; doch dit verrichtte zij met inachtneming der uiterste stilte; niet zelden vond zij des avonds, als zij het bord kwam afhalen om er het avondeten op te plaatsen, het ontbijt nog onaangeroerd staan: eens zelfs was het niet te vinden; en geen wonder! Dominee had het in gedachten met papieren en boeken in zijn schrijflade gesloten, waaruit het na verloop van ettelijke dagen weder te voorschijn kwam.
Dezoons van den Predikant, althans toen zij tot die jaren gevorderd waren, waarop de onderwijzing van hun vader hun van dienst kon zijn, hadden, als vanzelf spreekt, hoewel op gezette uren, den toegang tot hetSanctum Sanctorum, alwaar zij in die wetenschappen onderwezen werden, welke hun noodig waren te kennen om de Academische lessen eenmaal te kunnen bijwonen. Koenraad en Hendrik (dus waren de beide oudsten genoemd) beantwoordden de moeite, die hun vader zich gaf, met aanmerkelijke vorderingen in de oude talen, zoowel als in de eerste gronden der theologische studiën, en met vreugde herhaalde de Predikant dikwijls de woorden van den Psalmist, uit Psalm negentig:
Laet over ons’ kinderen schijnen uwe eere,
Laet over ons’ kinderen schijnen uwe eere,
wanneer hij zich voorstelde, dat zij eenmaal tot steunpilaren van de Vaderlandsche Kerk zouden opgroeien en deze tegen de aanvallen van Paapsgezinden, Socinianen, Arrianen, Pelagianen of Arminianen zouden verdedigen.
Behalve deze twee, genoot ook Joan welhaast het voorrecht om de lessen des leeraars te hooren. Viermalen ’s weeks wandelde hij naar de Pastorie, om er in ’t Latijn, het Grieksch en de Godgeleerdheid onderwezen te worden: deze lessen duurden doorgaans drie uren achtereen en verveelden hem veelal doodelijk: dan bestond het eenig genoegen van den knaap, uit het zoldervenster (want het studeervertrek was onder de dakpannen) de kraaien, die om den kerktoren fladderden, met het oog te volgen, of met een snoeimes zijn naam op de tafel te snijden, iets dat Raesfelt òf niet bemerkte, òf door de vingeren zag. Ook gebeurde het wel, wanneer de Predikant in diepe bespiegelingen omtrent het een of ander moeielijk vraagpunt verdiept was, en tekst op tekst aanhaalde, zonder het voorgesteldebevattelijker te maken, dat Joan al een groot uur zat te slapen, eer Dominee, die nog altijd de oogen op zijn bestoven en met geschreven aanteekeningen zwart gekrabbeld Grieksch Testament gevestigd hield, er iets van gewaar was geworden.
Een leermeester, wiens lessen den knaap beter aanstonden, en wien hij meer eer aandeed, was Bouke, die voorheen den Baron als lijfknecht gediend had, en thans, nu de Heer van Sonheuvel sedert het sluiten van het twaalfjarig bestand zijn tijd onafgebroken op zijn kasteel doorbracht, de ambten van kamerdienaar, jager, visscher, valkenier en nog eenige anderecumuleerde. Van dezen leerde Joan al spoedig de bekwaamheden, welke den toenmaligen adel kenschetsten. Weldra overtrof hij hem in al die oefeningen, waartoe lichaamskracht en behendigheid vereischt werden: hij kon lang, zonder vermoeid te worden, tegen den stroom op zwemmen, wipte de breedste slooten vaardig over, bracht zooveel hoenders van de jacht terug als men begeerde, verstond de kunst om valken en honden af te richten en zag met een oogopslag aan welken kant van ’t water de meeste visch te vinden zou wezen.
Men wane echter niet, dat hij van het onderwijs des Predikants niets mededroeg: daartoe was hij te vlug van vernuft en bevatting; en ofschoon hij niet leerde, wat hij bij meerderen ijver en leerlust zich had kunnen eigen maken, zoo onthield hij ten minste zooveel van het geleerde, dat hij op zijn zeventiende jaar in het vak der letterkunde althans zoover gevorderd was als eenig jonker in den omtrek, en dat hij de godsdienststelsels genoegzaam kende, om bij de droevige scheuringen, die toen het vaderland verdeelden, gesprekken, over dat onderwerp gevoerd, met belangstelling te kunnen hooren.
Van zijn pleegvader leerde Joan den wapenhandel en de wiskunst, ja zelfs de voorbereidende kundigheden tot den vestingbouw, in welke vakken Reede geheel niet onbedreven was:—ook het paardrijden, zoowel in theorie als in praktijk, zoodat hij mede over den toomprang kon spreken en de lengte der stangen naar ’t maaksel van ’t gebit wist te berekenen. Hartelijk beminde hem de Baron, die geen onderscheid maakte tusschen hem en de kleine Ulrica. Ook de huisgenooten van Joan zoowel als de dorpsbewoners hadden hem lief: want hij was beleefd, gul en dienstvaardig jegens allen. Ja zelfs had hij, ’t geen iets ongehoords scheen, de gunst der schrikkelijke Predikantsvrouw verworven, door haar nu en dan wildbraad te schenken en een bunsingfamilie uit te roeien, die zich kort achter de Pastorie genesteld had en een vernielingsoorlog aan de kippen van Mejuffrouw Raesfelt had verklaard.
Doch niemand was zoo sterk aan Joan gehecht, als de zachtzinnige en lieftallige Ulrica. Hij had zijn kleine zusje van harte lief; doch zij verafgoodde hem. Zijn karakter, hoe beminnelijk ook, was opvliegend en hooghartig, hetgeen de Baron aan het Spaansche bloed toeschreef; deed hij eens kattekwaad en was hij te trotsch om verschooning te vragen, dan sprak zij hem voor: werd hij gestraft, zij leed er meer onder dan hij. Verrichtte hij iets goeds, hemelhoogwerd het door haar geprezen, en zij vertelde het aan al wie er naar luisteren wilde. Nooit was zij gelukkiger dan in zijn gezelschap, nooit droevig dan wanneer hij wat langer dan naar gewoonte was uitgebleven. In één woord, haar genegenheid te hemwaart had zoo diep wortels gevat en was met de jaren zoo sterk aangegroeid, dat de oude Geertrui niet nalaten kon, dikwijls aan te merken: “ja! zoo Mevrouw zaliger dat moest beleven, dat haar dochter dat Spanjoolsche kind zoo lief zou hebben! wat zoude het mensch er wel van zeggen!”—Het was alleen tegen Bouke, dat zij op deze wijze van tijd tot tijd haar hart lucht durfde te geven; doch dan legde haar deze altijd de breede hand op den mond, zeggende: “Stil Geert! die veel kalt veel ontvalt! beter gezwegen dan van veel spreken hinder gekregen: noem dat woord van Spanjool toch nooit; want men wordt voor mondhouên gevangen, voor praten gehangen!”—“Ja! ja:” zuchtte Geert: “ik zal wel zwijgen, maar, om ook eens spreekwoorden te gebruiken, het einde zal den last dragen en de laatste loodjes wegen ’t zwaarst.”
Een hoofdtrek in Joans karakter was, al van zijn kindsheid af; een hevige afkeer van alle onrechtvaardigheid geweest. Deze was zoo sterk, dat hij zijn toorn of wrevel niet bedwingen kon, ook jegens menschen van meer gevorderden leeftijd, wanneer hun handelingen hem onbillijk toeschenen. Wij zullen hiervan een voorbeeld bijbrengen, hetwelk meteen zal kunnen strekken om de karakters der in dit verhaal betrokkene personen nader te ontwikkelen.
Op een zomerschen morgen (Joan was toen een twaalfjarige knaap) kwam hij van den Predikant, bij wien hij het gewone onderwijs genoten had, en wandelde langs de heining van diens tuin terug. In dien tuin stond een fraaie abrikozeboom op stam, wiens blozende vruchten reeds dikwijls, bij ’t voorbijgaan, zijn lust hadden opgewekt. De kinderen van Raesfelt hadden met niet minder verlangen het ooft zien rijpen; doch vooral had de oudste, Koenraad, er zijn zinnen op gezet, om daarvan eens recht op zijn gemak te snoepen, en hij zat, op het oogenblik dat Joan den tuin langs ging, in den boom, waar hij bezig was, de rijpste vruchten van wespen te zuiveren, zooals hij het noemde, doch eigenlijk, die voor zich zelven te bewaren. Dit bemerkende, hield Joan stil en riep den snoeper toe: “zoo Koen! als moeder op het mat komt, zal je er slecht afkomen.”
“Dat heb ik ook al gezeid,” zeide Koenraads broeder Hendrik, die in een hoek des tuins zat te lezen, “maar hij wil het maar niet laten.”
“Wel dan moet jij het hem beletten,” hernam Joan.
“Jawél! om slaag te krijgen! hij is grooter en sterker dan ik.”
“Hij moest ereis komen,” zeide Koenraad, spottende, terwijl hij een abrikoos in den mond stak: “dat zou hem geraden wezen; daar Hein! dat ’s voor jou!” en hij wierp hem den steen toe.
Hierover verontwaardigd, sprong Joan over de heining, liep op Koenraad af, en greep hem bij het been. “Je meugt niet stelen!” riep hij, “en veel minder Hein uitlachen, die veel beter is dan gij. Kom Hein! help mij eens, dan zullen wij hem daar afhalen.”
Hendrik, toegeschoten zijnde, vereenigde zijn krachten met die van Joan, om Koenraad naar omlaag te trekken: deze begroette hen met eenige schoppen en trappen, en klemde zich zoo vast om den boom, dat, toen het aan de beide kinderen eindelijk gelukte, hem op den grond te krijgen, hij een gansche tak met zich medenam. Aanstonds krabbelde hij op en pakte zich weg, terwijl de beide knapen verbaasd bleven staan en den tak opnamen. Dan, op dit oogenblik was de Pastoorsche den tuin ingekomen. Spoedig zag zij wat er aan de hand was, en als een razende heks liep zij op Hendrik aan, wien zij hare vuisten voelen deed, terwijl zij Joan zoowel als hem met de namen van snoepers, vernielers, dieven enz. begroette.
Huilend zocht Hendrik zich te verontschuldigen en Joan riep. herhaalde reizen: “Juffrouw! je moet Hein niet straffen. Hij heeft niet meegesnoept.”
“Wat! ik hem niet straffen!” riep de vertoornde vrouw, den armen knaap des te feller slaande en knijpende: “en zou jij me dat beletten, jou snotneus? Ga maar naar ’t kasteel, ik zal er je vader over spreken, dat zal ik!”
Woedend over deze, in zijne oogen althans hoogst onrechtvaardige handelwijs, wierp Joan zich tusschen moeder en zoon, zocht dezen laatsten uit hare handen te scheuren en deed zijn pogingen met krabben en beten verzeld gaan; doch Barbara greep hem in den halskraag, gaf hem een duchtige oorvijg, en zette hem vrij onzacht de heining over op den weg, waarna zij, onder vele scheldwoorden tegen de beide knapen, Hendrik met eenige schoppen in huis joeg.
Bleek van toorn bleef Joan eenige minuten voor de heining staan nagelbijten; vervolgens veegde hij zich de tranen van spijt van de wangen en keerde met fonkelende oogen naar het kasteel.
Het slot te Sonheuvel (want wij moeten onzen lezer bij deze gelegenheid en tot beter verstand van hetgeen later volgen zal, met de localiteiten bekend maken) was een eind wegs buiten het dorp van dien naam, niet verre van de grenzen van Gelderland gelegen. Een rijweg, die zich met den gemeenen landweg van Arnhem naar Utrecht in het dorp vereenigde, liep langs den slottuin zuidwaarts af naar het veer, waar men den Rijn overstak. Het kasteel, met den daarbij behoorenden moeshof, pleinen, boomgaarden en wandelperken, had een omtrek van tien of twaalf morgen, door een tamelijk breede sloot omringd. Men genaakte het van den binnenweg door twee ingangen: de eene was de hoofdpoort en bevatte de woning van den portier: de andere was een hek met een smal bruggetje voor voetgangers bestemd, en naar de zuidzijde gelegen. Het slot zelf stond midden op het grondgebied, en was insgelijks door een tweede gracht omringd. Een steenen brug, die naar het voorplein geleidde, vertoonde, aan zijn vier hoeken, de wapenen der Heeren van Sonheuvel, in witten steen uitgehouwen. Het gebouw was ruim en naar den tijd vrij modern, daar het door den grootvader van den tegenwoordigen Heer was gesticht. Het bevatte een fraai heerenhuis, met een prachtige stoep, mede van wapens voorzien: voorts stallen voor paarden en honden, kleinere woningen voor den tuinman en de dienstboden eneenige schuren of bergplaatsen. Het heerenhuis had verscheidene fraaie vertrekken: vooral waren de benedenzaal, waarin de afbeeldsels der Heeren en Vrouwen van Sonheuvel prijkten, en de groote zoogenaamde ridderzaal in een goeden smaak gebouwd en wel bezienswaardig. Een lommerrijke laan, met zware beukeboomen beplant, geleidde van de hoofdpoort naar het slot. In deze ontmoette Joan, toen hij na de slechte ontmoeting, waarvan wij gesproken hebben, van de pastorie terugkeerde, de kleine Ulrica, die hem, met een vischnetje in de hand, vroolijk tegenhuppelde.
“Goeden morgen, lieve Joan!” riep zij, zoo ras zij hem ontwaard had: “zie eens! terwijl gij bij Dominee waart, heb ik uw vischnetje afgemaasd: nu zullen de snoeken er niet meer doorheenspringen, zooals laatst. Maar wat scheelt er aan? heb je gehuild? uw oogen zijn zoo rood als vuur.”
“Huil ik ooit, Ulrica! weet je niet? toen ik laatst uit den boom sloeg, waar ik dat vogelnestje voor u krijgen zou, toen deed ik mij braaf zeer: maar ik huilde toch niet.”
“Neen! lieve Joan! als je je zeer doet, huil je niet: dat mogen alleen de meisjes doen; doch toen vader u laatst beknorde, omdat je het achterhek hadt opengelaten, toen huilde je wel.”
“Ja! dat was ook onbillijk van vader; want het was de schuld van Frans den Portier: en als ik nu gehuild heb, is het om een soortgelijke reden geweest;” en hierop vertelde hij haar wat er had plaats gehad.
Ulrica troostte hem met woorden en kusjes, bracht hem in haar tuintje, achter het slot bij den moeshof gelegen en wees hem hare besseboompjes. Weldra had hij, met haar spelende, de abrikozen, den armen Hendrik, ja den toorn der ruwe Pastoorsche, geheel vergeten.
Dan deze had onze knaap geenszins vergeten. Na verloop van een uur kwam Bouke Joan roepen: de Baron moest hem noodzakelijk spreken: “daar zal wat voor je opzitten, jongelief!” zeide hij: “ja, kijk maar zoo onnoozel niet: borgen is geen kwijtschelden, en wat men dronken doet, moet men nuchteren ontgelden. De Pastoorsche staat al op je te wachten, en die is zoo mak als een bunsing, waar men het hol van uitdelft.”
Nu herinnerde zich Joan de bedreiging van Mejuffrouw Raesfelt, en schoorvoetende begaf hij zich naar het slot. Hij trad de voorzaal in, waar hij den Baron in zijn leunstoel als rechter gezeten vond, met een gerimpeld voorhoofd en strakke oogen, die weinig goeds beloofden. Midden in het vertrek stond de Predikantsvrouw, met de armen in de zijden, terwijl zij, ongeduldig met het bovenlijf waggelende, op de lippen beet en stijf op den grond keek als iemand, die, van den uitslag eener zaak onzeker, zich niet op zijn gemak bevindt. Aan de deur gekomen, bevond zich Joan niet minder dan zij met de houding verlegen, die hij aan moest nemen. Hij meende dat het zaak was, zich zeer opgeruimd en luchthartig te veinzen: hij huppelde dus naar binnen, terwijl hij zich de vuisten tegen elkander wreef en zijn vader aanzag met een gelaat, waarop wezenlijke angst en voorgewende vroolijkheid kamp voerden.
“Wees maar zoo dartel niet, sinjeur!” zeide de Baron: “het konwel eens slecht met u afloopen: nu kijk maar niet naar den zolder: zie mij in de oogen: de Juffer klaagt over u: zij zegt, dat gij haar gebeten en gekrabt hebt: (hier stroopte de Pastoorsche haar mouwen op, ter bevestiging van dit punt der beschuldiging) en dat gij haar vruchten snoept en haar eigen kinderen tegen haar opruit. Fraaie zaken! en wat hebt ge nu daartegen in te brengen?”
Op het hooren dezer aantijgingen voelde Joan, dat zijn drift wederkeerde. “Zij liegt het allemaal, vader!” antwoordde hij: “behalve van het bijten en krabben; maar dat was omdat zij Hein sloeg!”
“Wel heb je van je leven! Mag ik dan mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies, en zal zoo’n snotjongen mij dat beletten?” “Een snotjongen ben ik niet, leelijke feeks!” riep Joan, huilende en met de voeten stampende.
“Nu hoort UEd. het zelf, hoe hij mij behandelt.”
“Joan!” zeide Reede op een gestrengen toon: “wilt gij op staanden voet de Juffrouw om vergeving vragen?”
“Neen, vader! want ik heb gelijk en zij ongelijk.”
“Niet,” riep de Baron, hem in drift aangrijpende en voor Barbara op de knieën werpende: “vraag terstond om verschooning of ik zal er op ranselen, dat....” Joan wentelde zich op den grond om en om, al roepende, dat hij het niet deed.
“Hei Bouke!” riep de Baron: “breng mij de hondenzweep eens hier.... of neen! Neem den knaap op, en sluit hem in den toren op water en brood: daar kan hij blijven totdat hij zijne stijfhoofdigheid aflegt.”
“Maar mijnheer,” zeide Bouke: “UEd. weet, dat op den toren....”
“Doe wat ik u zeg!” herhaalde de Baron, zonder naar iets te luisteren. Bouke nam den knaap op, zonder dat deze eenige beweging maakte.
“Hoe is ’t, stijfkop?” vervolgde de Baron: “zult gij om vergeving bidden?—Niet?—Welnu Bouke, breng hem dan maar weg, waar ik gezegd heb.”
Zonder te kikken liet Joan zich naar boven brengen en in een kamertje sluiten, ’t welk zich onder ’t torentje bevond, dat uit het dak oprees. Eerst toen hij alleen was gelaten, wierp hij zich met het gezicht plat op den vloer en snikte luid.
Een uur daarna keerde Bouke terug met een kom water en een stuk brood. Joan lag nog in dezelfde houding.
“Jonker! jonker Joan!—Slaap je?”—Geen antwoord.—“Jonker, je vader laat vragen of je gehoorzamen zult.”—Geen antwoord.—
“Het spijt me van u, jonker! denk toch dat het plicht is, je vader te gehoorzamen. Wacht niet, tot het te laat is: ’t beste berouw is het vroegste: narouw is wijvenrouw. Wil je niet? nu, dan moèt je hier den nacht doorbrengen. Nog geen antwoord?—Ja, als ’t kalf verdronken is, zal je den put dempen. Zie mij zulk een stijfkop eens aan....” en hij vertrok.
De krachten van Joan waren thans uitgeput; zonder aan de hem gebrachte spijzen geraakt te hebben, viel hij in een diepen slaap: tegen den avond wekte hem de honger, en hij was bezig zijneenvoudigmaal te nuttigen, toen de deur, die slechts van buiten meteen grendel gesloten was, zachtjes openging en Ulrica binnentrad.
Weenende kwam zij naar hem toe, zette zich naast hem op den grond, sloeg het poezelige armpje om zijn hals en kuste hem op het voorhoofd. Beschaamd en wrevelig stootte haar Joan van zich af.
“Foei, Joan! heb ik dat aan u verdiend?—Zie eens, wat ik u heb meegebracht; maar zeg het vooral aan niemand: want dan zou ik knorren krijgen, schoon het mijn eigen eten is en ik er dus mee doen mag wat ik wil.”
Al sprekende haalde zij een hengselmandje van onder haar voorschootje en bood hem haar voorraad aan, bestaande uit een patrijzenboutje: eenige trossen bessen en gedroogde confituren.
Snikkende viel Joan het lieve kind om den hals en verborg toen zijn hoofd in haar schoot. In deze gestalte bleven zij eenige oogenblikken zitten.
“Kom Joan! zeide eindelijk Ulrica, hem met schroomvalligheid aanziende: “je moest de juffrouw maar om vergeving vragen.”
Joan zweeg en schudde het hoofd.
“Och lieve Joan! doe het toch: anders wordt vader zeker nooit weer goed op u.—Och het is hier zoo akelig om ’s nachts te blijven. Hier vliegen zeker vleermuizen en uilen. Och Joan! doe het toch om mijnentwille: dat kan je mij toch niet weigeren; ik zal je zoo liefhebben als je het doet.”
“Neen!” zeide Joan: “ik kan het niet, ik mag het niet doen: het is een heks van een wijf: dien armen Hein zoo te slaan. Als het Koen nog geweest ware, dan....”
“Och, spreek zoo niet, Joan! Hein zal toch wel wat verdiend hebben, anders....”
Hier stoof de knaap driftig op: “Hein wat verdiend? niets had de arme jongen gedaan, zoomin als gij of ik. Hoor maar eens hoe het gebeurd is. Ik ging....”
“Ik geloof u wel, lieve Joan! je hebt het mij van morgen al verteld; maar je had je er niet mee moeten bemoeien: dat was altijd verkeerd van u.”
“Wat! moest ik als een lafbek zijn blijven staan kijken, hoe kwalijk zij haar kind behandelde! neen! al moest ik er een jaar voor zitten op water en brood, en ik zag het haar weer doen, ik zou evenzoo handelen als ik gedaan heb.”
Deze belijdenis legde Joan af met de armen over elkaar geslagen, de tanden stijf gesloten, de onderlip opgetrokken en met het hoofd knikkende. Hij meende gewis, daardoor aan Ulrica een gedeelte van zijn standvastigheid of liever hardnekkigheid mede te deelen: doch de uitwerking was geheel anders dan hij zich had voorgesteld. Toen het goedhartige meisje hem zoo vastbesloten zag, op den verkeerden weg, dien hij had ingeslagen, voort te gaan, werd zij bleek als een doek, vouwde de handen stijf tegen haar borst, zag hem een geruimen tijd met wilde oogen aan, en viel toen eensklaps onmachtig naast hem neder.
Dikwijls is de mensch, op het oogenblik dat hij zich het sterkst bestand waant tegen alle aanvechting, het naast aan het oogenblikvan toegevendheid en zwakheid: dit althans was ’t geval bij Joan: zooras hij Ulrica door zijne schuld in dien toestand gebracht zag, wierp hij zich bij haar neder, klemde haar in de armen en bedekte haar bleek gelaat met kussen. “Ulrica!” riep hij: “lieve Ulrica! huil toch niet: lieve beste zusje! ik zal alles doen wat ge wilt: och! kom toch bij u zelve.” Dan zijn roepen was vergeefs en het meisje bleef stokstijf in zijn armen liggen. Vreeselijk kwam hem nu de gedachte voor den geest: “zij leeft niet meer! Ik ben de oorzaak van haren dood.—“Ulrica!” gilde hij angstig uit: “lieve beste Ulrica! help! help! ik heb haar gedood! Komt er dan geen mensch! Bouke! Geert! help! help!”
Op dat oogenblik ging de muur open en er trad iemand in het vertrek, wiens onverwachte verschijning de ontsteltenis van den beangsten knaap niet weinig vermeerderde.
Tiende Hoofdstuk.Dat ’s een jonge, om zoo te spreken,Die elk na de kroon zal steken,Dat ’s een knaapje met een bol.Greenwood.De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van weinige grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een grauwen overrok: van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een klein getijboek.De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, ja bijna hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke de beeltenis van den oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan dacht niet anders, dan dat de geest van zijn voorzaat hem over zijn stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn gezicht met beide handen bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar keurslijf losmaakte en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante haar op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven gekomen was.“Goede hemel!” zeide deze: “wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht haar al het heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven koekeloeren. Nu,zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar....” vervolgde hij snel tot den onbekende: “pak u weg; want daar klotst zij de trappen op.”De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui boven kwam.“Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?”“Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw gevallen.”“Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo onhandig. Nu, mijn engeltje!” vervolgde zij, het kind met de vlakke hand op den rug tikkende: “huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....—maar wat is er toch gebeurd, schatje?”“Och Geert!” snikte het kind: “het was Joan, die....”“Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen.”“Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd.”“Wat beduidt dit geweld?” vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen: “wat is hier gebeurd?”“Zij was bij den jonker,” zeide Bouke, “en....”“Bij Joan?—En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet gebracht, Geert?”“Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er nooit geweest; en dan zegt men dat het er spookt.—Het kleine hartje is naar boven geloopen, terwijl ik....”“Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?”“Ja men wordt alle dagen wat ouder maar....”“Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij boven deedt.”Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord had toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij om vergeving vragen zou.“Zoo!” hernam de Baron: “dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht; maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo in ’t geheim naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar bed gaan, ’t geen voor uw gezondheid ook niet anders dan heilzaam wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij uw lief en vriendelijk gezichtje weder.”“En zult gij niet meer boos zijn op Joan?” vroeg het lieve meisje, de wangen haars vaders streelende.“Wij zullen zien, hoe hij is,” zeide de Baron. “Wees gij maar heel zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe paardjes.”Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te halen en ging in een zijvertrek.Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als toen het spook de kamer had verlaten. “Jonker!” zeide hij: “uw vader verlangt u te spreken.”“Zijt gij alleen, Bouke?” vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende.“Wel ja, wie zou er meer wezen?” antwoordde Bouke.“En Ulrica?”“Die is weer beter en al naar bed.”“En het spook?” vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij angstig rondzag.“Het spook! Welk spook?”“Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met een bijbeltje en eenpaternoster, net als in de benedenzaal.”“Zoo!” hervatte Bouke een weinig verlegen: “neen het spook is weg: kom maar met mij en wees wijs.”“Wel Joan!” vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was, “zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult gij Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?”“Ja vader!”“Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld hebt?”“Neen, vader, dat niet.”“Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?”“Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is,” antwoordde Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende.Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven, stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. Hij was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in ’t vak van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke handelwijze hem in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, hoe den knaap te beduiden, dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is, de daad zelve dien naam ook niet verdient. Uit deze verlegenheid werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere ongerustheid verwekte: de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen.“Help! daar is grootoom weer!” riep Joan, zich aan den Baron vastklemmende.“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Reede tegen den onbekende: “hoe waagt gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl....” hier wees hij op Joan.“Juist daarom kom ik binnen,” antwoordde de vreemdeling, “opdat hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter hulp toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet zoo mijn jongen?”Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom aan te staren.“En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, in ’t uiterste gevaar brengt,” zeide Reede.“De knaap zal zwijgen,” hervatte de onbekende, “zoo hij het wil doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor eens, knaap,” vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende: “gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim kan toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen kwaad deed, willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed mij een schuilplaats te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van Bouke: en nu zijt gij de derde in het geheim. Durft gij nu aannemen, mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij mij hier gezien hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten.”“Dat beloof ik u op mijn woord,” zeide Joan, hem de hand gevende.“Dan is ’t genoeg en ik maak er staat op,” hervatte de vreemdeling. “Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij dien misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt kunnen herinneren, schenk ik u deze kleinigheid.”—Dit zeggende, trok hij een kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte dien aan Joan over.“Duizendmaal dank, mijnheer!” zeide Joan, rood van blijdschap wordende. “Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen van Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen verzegelen als ik grooter word, evenals vader.”“Een lieve knaap!” zeide de onbekende, met Joans blonde lokken spelende: “doch hij herinnert mij mijn Maria niet!”“Neen,” zeide Reede met verlegenheid; “doch hierover nader. Ga nu maar heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw Raesfelt te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen.”Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook, en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete rust de bekommernissen van den dag te vergeten.“En gij,” vervolgde de Baron tot den onbekende: “houd u morgen tegen acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen en wij rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, dat u veilig naar de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek; ik durf niet langer hier blijven, men mocht ons komen storen.”“God loone u,” zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers drukkende. “Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat zij u nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge.”“Wel!” zeide Reede: “dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel.”“In mijn eigen kasteel,” zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig om zich heen zag: “helaas! ik mag met onzen Gezegenden Heer zeggen:Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo ubi caput reclinem!”1Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend had.“Dan, om ’t even!” vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging: “wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?—Is er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over den aardbodem,ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, terrestrium et infernorum!”2“Om ’s Hemels wil,” zeide Reede: “matig u en bedenk toch....”“Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen,” vervolgde de vreemdeling: “zij, die de roepstem niet gehoord en aan de zorgende liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen. Dan zullen zij roepen:Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus?3maar de stem van boven zal antwoorden:nunquam novi vos: discedite ame, qui operamini iniquitatem.4Hendrik!—gij zult wellicht dien dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd heeft, dat de poorten der Helle haar niet zouden overweldigen, over het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die schrikkelijke dag, dedies irae,5komen moge! Gij hebt kinderen, lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt is door het koude ongeloof dezer dagen: o! breng hen niet op den weg, die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud geloof, de vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!”“Gij zijt te veel opgewonden,” zeide Reede, “gij vergeet dat uwe, dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde.”“Het is waar,” zeide de onbekende, stilstaande: “ik vergat dat gij onder hen behoort, die zeggen:durus est hic sermo et quis dotest eum audire;6en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet overgeleverd hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.—En nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de gebeden, die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal het licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan onzen voet is.”Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld, twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan gezeten had, en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der kinderen aan te hooren.“Wat is dat voor een gereutel?” mompelde Reede, terwijl hij grommende de trappen weder afging. “Dominus Raesfelt is ook somtijds wat duister en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en dan een Latijnsch of Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk; maar uit die Paapsche aanhalingen mag Joost wijs worden. Nu, ik denk er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; ’t spijt mij maar, dat hij het weder over de geboorte van die kinderen had!”Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de belofte, die hij ’s avonds te voren aan zijn vader had gedaan, van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een lastigen plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn geest de woorden, welke den verzoenenden volzin moesten uitmaken. Met trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica weldra verschenen. Na het ontbijt kwam Bouke den Baron verwittigen, dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na aan Joan last te hebben gegeven van hen niet te volgen. Deze echter, des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een der achterramen liggen en zag van daar, tusschen de boomen door, het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een persoon er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had, herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging zitten met Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar den Rijn opreed.Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche schaamte hoe langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie.Als lood woog hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij aan de deur zoude staan, in welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend en zich zelven vruchteloos moed insprekend, ging hij langzaam voort, bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg groeiden, en wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die op een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die, zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, vervolgens regelrecht op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en even als de anderen, welke acht in getal waren, met vuurroer en degen gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan:“Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?”“Om u te dienen!” antwoordde Joan: “ik ben de Jonker van Sonheuvel.”“Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, die een schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?”“Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: en eergisteren Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij niet werken kan; want hij heeft maar ééne hand.”“Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is een man met een deftig uitzicht, en in ’t zwart gekleed, met een kale kruin en....”“Neen! die is hier in de buurt niet geweest,” antwoordde Joan, die nu begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon wel wezen kon, dien men zocht.“Ja! die is hier wel geweest,” klonk de schrille stem van Mejuffrouw Raesfelt achter hem: “ik heb den man, dien gij beschrijft, met Bouke door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar huis ging over de steenen brug.”“Zoo!” zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde wijze, waarop Joan geantwoord had: “Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan gij zeggen wilt.”Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door de vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele beseffende, dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot hij de ruiters zoolang op te houden, tot de Baron weder terug en de vluchteling in zekerheid ware.“Wacht!” zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij zich: “draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart manteltje, een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een gebedenboek en eenpaternosterbij zich?”“Dat zal wel zoo wezen,” antwoordde de ruiter: “maar waar is hij?”“In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!” vervolgde hij stil en snel, terwijl hij haar ter zijde trok: “ik vraag u om verschooning: mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed aan Dominee te zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen.”—Na deze woorden op éénen toon en in éénen adem achter elkaar te hebben uitgerabbeld, keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: “Komt nu maar mede, Heeren! ik zal u voorgaan.”“Ja, maar!” zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over waren gekomen: “is hij stellig op ’t kasteel?”—Joan knikte met het hoofd.—“Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate en Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!—Gij, Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, aan de slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis Kriegelkop volgen mij naar binnen.”Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met twee ruiters Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden aan de verbaasde dienstboden te bewaren.“Als de Heeren mij maar volgen willen,” zeide Joan, die moeite had een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters vooruitging naar de benedenzaal. Onder ’t voortgaan haalde de wachtmeester een papier uit de borst en las hetsignalementvan den voortvluchtige overluid op: “blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar, zware wenkbrauwen....”“En een paternoster in de hand,” zeide Joan, terwijl hij den ruiter bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over het afbeeldsel van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: “daar is de man dien gij zoekt: of ik heb abuis.”“Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?”“Wel, daar!”“Waar?”“Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik dacht, dat gij het portret zocht.”“Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal je leeren....”Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe buiging en liep de zaal uit.“Dat ’s een satansche gauwdief!” riep de wachtmeester: “naar boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of daar verscholen.” Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen, die Ulrica ’s avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal.“Hier zal hij wezen!” riep de wachtmeester, “binnen mannen! en draagt zorg, dat niemand er uitkome.”“Dat zal ik,” riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de deur achter hen toe. “Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat uit.” Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort, dat allen naar buiten stoven.Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan.“Ik ben de Baron van Sonheuvel,” schreeuwde hij.“Ick kenne kein Baron,” zeide Karl Blutzaufer: “potstauzend, du sollst nicht drinn kommen!”De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend.“Waar ist der Wachtmeister?” vroeg Melis: “ik muss hem sogleich spreken!”“Dat weet ik niet,” antwoordde de Bottelier; “ik heb geen wachtmeester gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht met je zal afloopen.” Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden den ruiter aan en ontwapenden hem.“Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!” riep Melis, zich vruchteloos verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden, kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en het ware tot een algemeen gevecht gekomen,bijaldien niet de Baron op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte een algemeene stilte geboden had.“Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout, in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten.”Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand en sprak:“Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen, die boven ons gesteld zijn.”“Recht zoo,” antwoordde de Baron: “maar wie gaf u dan last?”“De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is.”“Laat hem dan hier komen,” riep Reede, ongeduldig wordende: “waar zit hij?”“Ik heb hem op den toren gevangengezet,” zeide Joan, die met zijn kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: “hem en zijn makkers!”“Geen gekscheren, Joan!” zeide de Baron, gramstorig: “zulke malligheden komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten moeten worden, zal ik u roepen.”“De Jonker heeft gelijk,” zeide de Bottelier: “hij heeft drie ruiters in de steenenkamer opgesloten.”“Ja! hier zitten wij!” riep een stem, die uit de lucht scheen te komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.“Zoo!” zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: “zitten die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen,” vervolgde hij tegen de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen den stoet vergroot had, “zit af en geeft de wapens ordentelijk over, terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, mij te volgen.” Dit geschiedde.De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht.“Wat is uw last, wachtmeester?” vroeg Reede: “en hoe durft gij zoo onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid, of ik laat u ophangen.”“Dat zoude UEd. moeten verantwoorden,” antwoordde de wachtmeester, op vrij hoogen toon: “wat mij betreft, hier is mijne verantwoording” en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding) en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz., alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde plakkaten.“Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken,” zeide de Baron, nadat hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: “gij zijt hier niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier moeten komen.”“De Jonker heeft ons zelf hier gebracht,” antwoordde de wachtmeester.“Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje van den rechten weg te laten afbrengen.—Doch heeft de Jonker die buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?”“Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik UEd. wel een woordje in ’t vertrouwen onder vier oogen mededeelen!””’t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, verlaat de kamer met uw volk.—Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu te zeggen?”“Heer Baron,” zeide de wachtmeester: “wees zoo goed en zie dit papiertje eens in.” Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven:hic liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom.7.“Welnu! wat zal dit?” vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd had.“Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.—Wat dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?”Van Reede zweeg en streek zich over ’t gezicht.“Mij dunkt, Uwe Edelheid!” vervolgde de wachtmeester, ziende dat zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, “mij dunkt, wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden;doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude.”“Gij hebt gelijk, schurk!” zeide de Baron, “gelukkig, dat alles zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen.”De Schout kwam terug met de overigen. “Ik ben over de inlichtingen voldaan, mij door den wachtmeester gegeven,” zeide Reede, “en hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot wederziens, Heer Schout.”—Men gaf den ruiters hun wapenen terug, waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop, en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten hemel werd verheven.1De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.2Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.3Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?4Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid werkt.5De dag der wrake.6Deze rede is hard en wie kan die hooren?7Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.
Dat ’s een jonge, om zoo te spreken,Die elk na de kroon zal steken,Dat ’s een knaapje met een bol.Greenwood.
Dat ’s een jonge, om zoo te spreken,Die elk na de kroon zal steken,Dat ’s een knaapje met een bol.
Dat ’s een jonge, om zoo te spreken,
Die elk na de kroon zal steken,
Dat ’s een knaapje met een bol.
Greenwood.
De persoon, die nu binnentrad, was een mager, bleek man, over den middelbaren leeftijd: zijn hoofd was bloot en slechts van weinige grauwe haren voorzien, terwijl de kruin kaal geschoren was: zijn kleeding was allereenvoudigst en bestond uit een grauwen overrok: van zijn linkerarm hing een bedesnoer af en in de hand hield hij een klein getijboek.
De schrik van den knaap groeide meer en meer aan, toen de vreemdeling hem naderde en hem dezelfde gelaatstrekken en houding, ja bijna hetzelfde gewaad deed aanschouwen, door hem dagelijks in de groote benedenzaal opgemerkt op de schilderij, welke de beeltenis van den oudoom des Barons, Frederik van Reede tot Sonheuvel, voorstelde. Joan dacht niet anders, dan dat de geest van zijn voorzaat hem over zijn stoutigheid bestraffen kwam, en gillende viel hij op de knieën, zijn gezicht met beide handen bedekkende. Dit scheen echter het oogmerk van het spook niet te wezen, daar het, naar Ulrica toegaande, haar keurslijf losmaakte en vervolgens haar gelaat met eenige waterdroppelen besprenkelde. Zoodra zij eenig blijk van leven gaf, nam de gedaante haar op, droeg haar buiten het vertrek en stelde haar in de handen van Bouke, die het gegil van Joan gehoord had en daarop boven gekomen was.
“Goede hemel!” zeide deze: “wat is er met het lieve kind gebeurd? Wat zal mijnheer wel zeggen? en de oude Geert? die zocht haar al het heele kasteel door. Ja, omdat zij altijd op haar stoel zit, denkt zij dat die kleine meid ook zoo zal blijven koekeloeren. Nu,zooals de waard is, betrouwt hij zijn gasten. Maar....” vervolgde hij snel tot den onbekende: “pak u weg; want daar klotst zij de trappen op.”
De gestalte verdween.... door een zijdeur, terwijl de oude Geertrui boven kwam.
“Bewaar ons! Bouke! wat is met dat lieve schaap gebeurd?”
“Dat weet ik niet. Zij was boven bij Joan: en daar is zij flauw gevallen.”
“Och dat hartje! toe! geef haar aan mij, je draagt haar zoo onhandig. Nu, mijn engeltje!” vervolgde zij, het kind met de vlakke hand op den rug tikkende: “huil maar, dat zal u goeddoen. Lieve Hemel! dat had Mevrouw zaliger moeten zien....—maar wat is er toch gebeurd, schatje?”
“Och Geert!” snikte het kind: “het was Joan, die....”
“Joan is stout, mijn diefje; daar moet je niet om grienen.”
“Neen Geert! maar hij zal weer zoet zijn: hij heeft het mij beloofd.”
“Wat beduidt dit geweld?” vroeg Reede, die inmiddels was boven gekomen: “wat is hier gebeurd?”
“Zij was bij den jonker,” zeide Bouke, “en....”
“Bij Joan?—En wat deed zij daar? Daar hebt gij haar toch niet gebracht, Geert?”
“Ik? de hemel beware mij, Uw Edelheid! om naar dat kraaiennest te gaan. Sinds Mevrouw zaliger laatst buiten was, ben ik er nooit geweest; en dan zegt men dat het er spookt.—Het kleine hartje is naar boven geloopen, terwijl ik....”
“Terwijl gij in uw stoel laagt te dutten, als naar gewoonte: dat gebeurde ook niet, toen Mevrouw zaliger nog leefde, nietwaar?”
“Ja men wordt alle dagen wat ouder maar....”
“Genoeg. Nu, droog uw traantjes, Ulrica! en vertel mij wat gij boven deedt.”
Met veel tranen en snikken gaf Ulrica het gevraagde verslag, er vooral bijvoegende, dat Joans laatste woorden, die zij gehoord had toen zij haar bewustheid verloor, een verklaring behelsden, dat hij om vergeving vragen zou.
“Zoo!” hernam de Baron: “dan zijt gij minder strafbaar dan ik dacht; maar ongehoorzaam zijt gij toch geweest, dat gij zoo in ’t geheim naar boven zijt geloopen: en daarom zult gij zonder avondeten naar bed gaan, ’t geen voor uw gezondheid ook niet anders dan heilzaam wezen kan. Kom, geef mij een zoen, droog uw traantjes af en toon mij uw lief en vriendelijk gezichtje weder.”
“En zult gij niet meer boos zijn op Joan?” vroeg het lieve meisje, de wangen haars vaders streelende.
“Wij zullen zien, hoe hij is,” zeide de Baron. “Wees gij maar heel zoet, dan gaat gij morgen mede naar Tiel met de nieuwe paardjes.”
Na haar vader omhelsd te hebben, vertrok Ulrica met Geertrui. Vervolgens gaf de Baron aan Bouke het bevel om Joan te halen en ging in een zijvertrek.
Bouke vond Joan nog op zijn knieën liggen, in dezelfde houding als toen het spook de kamer had verlaten. “Jonker!” zeide hij: “uw vader verlangt u te spreken.”
“Zijt gij alleen, Bouke?” vroeg Joan, zich met een sprong oprichtende.
“Wel ja, wie zou er meer wezen?” antwoordde Bouke.
“En Ulrica?”
“Die is weer beter en al naar bed.”
“En het spook?” vervolgde Joan met een zachte stem, terwijl hij angstig rondzag.
“Het spook! Welk spook?”
“Het spook van grootoom: ik heb het spook van grootoom gezien met een bijbeltje en eenpaternoster, net als in de benedenzaal.”
“Zoo!” hervatte Bouke een weinig verlegen: “neen het spook is weg: kom maar met mij en wees wijs.”
“Wel Joan!” vroeg de Baron, zoodra de knaap met hem alleen was, “zijt gij nu eindelijk tot betere gedachten gekomen, en zult gij Mejuffrouw Raesfelt om verschooning vragen?”
“Ja vader!”
“Dus bekent gij, dat gij zeer dwaas of verkeerd tegen haar gehandeld hebt?”
“Neen, vader, dat niet.”
“Hoe! ben je dol, knaap! of spot gij met uw vader?”
“Ik doe het alleen omdat Ulrica anders zoo bedroefd is,” antwoordde Joan, den Baron met een openhartigen blik aanziende.
Hoewel Reede Joans inkeer wel aan deze reden had toegeschreven, stond hij echter een weinig over de gulle bekentenis verslagen. Hij was een trouwhartig en teeder vader, doch geen hoogvlieger in ’t vak van opvoeding, en was nu meer dan ooit verlegen welke handelwijze hem in dit geval betaamde. Joans oprechtheid en gevoel van billijkheid hadden hem behaagd, en thans wist hij niet, hoe den knaap te beduiden, dat, bijaldien de drijfveer onzer handelingen niet plichtmatig is, de daad zelve dien naam ook niet verdient. Uit deze verlegenheid werd hij echter gered, doch door een bezoek, dat bij hem een andere ongerustheid verwekte: de gedaante namelijk, welke aan Joan zooveel schrik had aangejaagd, trad de kamer binnen.
“Help! daar is grootoom weer!” riep Joan, zich aan den Baron vastklemmende.
“Wat onvoorzichtigheid!” zeide Reede tegen den onbekende: “hoe waagt gij het, hier te verschijnen, en wel in dit gewaad, terwijl....” hier wees hij op Joan.
“Juist daarom kom ik binnen,” antwoordde de vreemdeling, “opdat hij zich overtuigen zou, dat ik geen spook ben, maar een schepsel van vleesch en been. Toen ik zooeven uw lief dochtertje hoorde nedervallen, en hem een akelig gegil aanheffen, schoot ik ter hulp toe, en de knaap zag mij waarschijnlijk voor een bietebauw aan, die hem over zijn koppigheid straffen kwam. Is het niet zoo mijn jongen?”
Joan richtte zich half op, knikte hem een toestemmend antwoord toe en vatte moeds genoeg om de gelijkenis van den ouden grootoom aan te staren.
“En gij vergeet, dat de zucht om mijn zoon van een ingebeelden schrik te genezen, u misschien, zoo hij maar iets verhaalt, in ’t uiterste gevaar brengt,” zeide Reede.
“De knaap zal zwijgen,” hervatte de onbekende, “zoo hij het wil doen: hiervoor waarborgt mij zijn vastheid van inborst. Hoor eens, knaap,” vervolgde hij, Joan vriendelijk tot zich trekkende: “gij zijt een verstandige jongen, aan wien men wel een geheim kan toevertrouwen. Ik ben, ik zal niet zeggen een groot vriend, doch zeker in nauwe betrekking met uw vader. Ofschoon ik geen kwaad deed, willen booze menschen mij gevangennemen en leed aandoen, misschien wel om hals brengen. Nu is uw vader zoo goed mij een schuilplaats te leveren in zijn kasteel, buiten weten van iemand, dan alleen van Bouke: en nu zijt gij de derde in het geheim. Durft gij nu aannemen, mij te beloven, aan niemand ook aan Ulrica niet, te vertellen, dat gij mij hier gezien hebt, zoo zult gij mij levenslang aan u verplichten.”
“Dat beloof ik u op mijn woord,” zeide Joan, hem de hand gevende.
“Dan is ’t genoeg en ik maak er staat op,” hervatte de vreemdeling. “Mijn naam noem ik u niet: in lateren tijd zult gij dien misschien vernemen: dan, om uw stilzwijgendheid niet geheel en al onbeloond te laten, en opdat gij u dit voorval altijd zoudt kunnen herinneren, schenk ik u deze kleinigheid.”—Dit zeggende, trok hij een kostbaar gewerkten ring van zijn vinger en reikte dien aan Joan over.
“Duizendmaal dank, mijnheer!” zeide Joan, rood van blijdschap wordende. “Zie eens vader! welk een schoone ring! het wapen van Sonheuvel is er opgesneden. Daar zal ik mijn brieven mede kunnen verzegelen als ik grooter word, evenals vader.”
“Een lieve knaap!” zeide de onbekende, met Joans blonde lokken spelende: “doch hij herinnert mij mijn Maria niet!”
“Neen,” zeide Reede met verlegenheid; “doch hierover nader. Ga nu maar heen, Joan! het is van avond te laat om nog naar juffrouw Raesfelt te gaan; gij zult haar morgenochtend wel om verschooning vragen.”
Op dit bevel vertrok Joan, na een beleefde buiging voor het spook, en begaf zich naar zijn slaapkamer, om aldaar in een zoete rust de bekommernissen van den dag te vergeten.
“En gij,” vervolgde de Baron tot den onbekende: “houd u morgen tegen acht uren gereed, dan zal Bouke u een vermomming bezorgen en wij rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem, om geen argwaan te verwekken, naar Tiel, alwaar een schuitje u wacht, dat u veilig naar de overzijde zal voeren. Begeef u thans weder naar uw schuilhoek; ik durf niet langer hier blijven, men mocht ons komen storen.”
“God loone u,” zeide de vreemdeling de hand zijns beschermers drukkende. “Hij vergelde u uwe grootmoedigheid en geve, dat zij u nimmer berouwe, noch in ongelegenheid brenge.”
“Wel!” zeide Reede: “dat was toch het minste dat ik doen kon dat ik u een schuilplaats gaf in uw eigen kasteel.”
“In mijn eigen kasteel,” zuchtte de vreemdeling, terwijl hij treurig om zich heen zag: “helaas! ik mag met onzen Gezegenden Heer zeggen:Vulpes foveas habent et volucres coeli nidos: ego autem non habeo ubi caput reclinem!”1
Reede haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat de vreemdeling zich zelven dien onaangenamen toestand berokkend had.
“Dan, om ’t even!” vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging: “wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?—Is er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over den aardbodem,ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, terrestrium et infernorum!”2
“Om ’s Hemels wil,” zeide Reede: “matig u en bedenk toch....”
“Dan zullen zij kermen en weeklagen en tandeknersen,” vervolgde de vreemdeling: “zij, die de roepstem niet gehoord en aan de zorgende liefde wederstand geboden hebben, welke hen wilde verzamelen, gelijk de klokhen hare kiekens verzamelt onder hare vleugelen. Dan zullen zij roepen:Domine, Domine, nonne in nomine tuo prophetavimus?3maar de stem van boven zal antwoorden:nunquam novi vos: discedite ame, qui operamini iniquitatem.4Hendrik!—gij zult wellicht dien dag beleven, dat de triomf der ware Kerk, van welke de Heere gezegd heeft, dat de poorten der Helle haar niet zouden overweldigen, over het aardrijk zal gevierd worden. O bekeer u voor dien tijd! voordat die schrikkelijke dag, dedies irae,5komen moge! Gij hebt kinderen, lieve, beminnelijke kinderen, in wie het goede zaad nog niet verstikt is door het koude ongeloof dezer dagen: o! breng hen niet op den weg, die ter verderfenis leidt: laat hen terugkeeren tot het zuiver, oud geloof, de vlek uitwisschen, die op hun geboorte kleeft, evenals de wijsheid van Salomo de smet zijner overspelige afkomst vergeten deed!”
“Gij zijt te veel opgewonden,” zeide Reede, “gij vergeet dat uwe, dat mijne veiligheid er van afhangt, dat u niemand gewaarworde.”
“Het is waar,” zeide de onbekende, stilstaande: “ik vergat dat gij onder hen behoort, die zeggen:durus est hic sermo et quis dotest eum audire;6en echter, God zegene u en opene uwe oogen voor het licht; want gij zijt waardig het te ontvangen, omdat gij mij niet overgeleverd hebt in de handen van hen, die mijn verderf zoeken.—En nu, vaarwel! ik begeef mij naar mijn eenzaam verblijf. Mochten de gebeden, die ik thans en namaals voor u en de uwen zal opzenden tot de moeder Gods, hare voorbidding bewerken, opdat ook gij eenmaal het licht moogt ontvangen, dat in de duisternis schijnt en een lamp aan onzen voet is.”
Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar zijn schuilplaats, zijnde een verborgen kamertje, dat, in de dikte van den muur gemetseld, twee onderscheidene, van buiten bedekte, uitgangen had. Een dier uitgangen had gemeenschap met de gevangenis, waarin Joan gezeten had, en had den onbekende in de gelegenheid gesteld, om het gesprek der kinderen aan te hooren.
“Wat is dat voor een gereutel?” mompelde Reede, terwijl hij grommende de trappen weder afging. “Dominus Raesfelt is ook somtijds wat duister en ingewikkeld in zijn uitdrukkingen, doch hij spreekt ten minste verstaanbaar Neêrduitsch, en zoo hij al nu en dan een Latijnsch of Grieksch woordje bezigt, vertolkt hij het altijd oogenblikkelijk; maar uit die Paapsche aanhalingen mag Joost wijs worden. Nu, ik denk er mijn hoofd ook niet veel mede te breken; ’t spijt mij maar, dat hij het weder over de geboorte van die kinderen had!”
Toen Joan den volgenden morgen vroegtijdig opstond, woog hem de belofte, die hij ’s avonds te voren aan zijn vader had gedaan, van de Pastoorsche om verschooning te gaan vragen, oneindig zwaar op het hart; zooals het gemeenlijk gaat, wanneer men een lastigen plicht heeft uitgesteld. Onder het aankleeden, schikte hij in zijn geest de woorden, welke den verzoenenden volzin moesten uitmaken. Met trage stappen ging hij naar de benedenzaal, waar zijn vader en Ulrica weldra verschenen. Na het ontbijt kwam Bouke den Baron verwittigen, dat het rijtuig gereed stond. Reede vertrok hierop met Ulrica, na aan Joan last te hebben gegeven van hen niet te volgen. Deze echter, des te nieuwsgieriger na zulk een ongewoon verbod, ging uit een der achterramen liggen en zag van daar, tusschen de boomen door, het rijtuig voor het kleine bruggetje op den rijweg staan, met een persoon er in, als een boer gekleed, doch wien Joans scherpziende oogen dadelijk voor den vreemdeling, die hem den ring gegeven had, herkenden. De Baron, bij het wagentje gekomen, plaatste zich naast den vluchteling, terwijl Bouke op de achterste bank ging zitten met Ulrica: waarna Reede de zweep over de paarden legde en den weg naar den Rijn opreed.
Na hen een wijl nagestaard en vervolgens zijn taak voor den Predikant te hebben afgewerkt, begaf zich Joan, wien de valsche schaamte hoe langer hoe meer begon te kwellen, naar de Pastorie.Als lood woog hem nu zijn verplichting op het hart. Dan eens wenschte hij, dat de juffrouw maar uit ware: dan weder dat zij aan de deur zoude staan, in welk geval hij terstond door het ergste heen zou wezen. Aldus peinzend en zich zelven vruchteloos moed insprekend, ging hij langzaam voort, bleef dikwijls staan, plukte nu en dan de bloemen, die langs den weg groeiden, en wierp ze weder weg, keek de koppels vinken na, die over zijn hoofd vlogen, en beschouwde eindelijk een bende ruiters, die op een snellen draf van den kant van Gelderland de hoogte afkwam, en die, zoodra zij bij het dorp was gekomen, halt hield, vervolgens regelrecht op hem aanreed en hem omsingelde. Een hunner, die de hoofdman scheen en even als de anderen, welke acht in getal waren, met vuurroer en degen gewapend was, sprak hem, even den hoed oplichtende, in dier voege aan:
“Zeg eens, knechtske! hoort ge in de buurt te huis?”
“Om u te dienen!” antwoordde Joan: “ik ben de Jonker van Sonheuvel.”
“Zoo! dan zijt ge waarschijnlijk best in staat, ons in te lichten. Hebt ge hier gisteren of vandaag ook een landlooper gezien, die een schuilplaats vroeg of om onderstand verzocht?”
“Jawel! die komen er dagelijks. Laat zien.... Gisteren was het smerige Gijs, en dien gaf ik niets, omdat hij niet werken wil: en eergisteren Kees Keessen met het stompje, en dien gaf ik een oortje, omdat hij niet werken kan; want hij heeft maar ééne hand.”
“Met verlof! Jonker! Dien wij zoeken is geen gewone bedelaar: hij is een man met een deftig uitzicht, en in ’t zwart gekleed, met een kale kruin en....”
“Neen! die is hier in de buurt niet geweest,” antwoordde Joan, die nu begon te begrijpen, dat het spook van grootoom de persoon wel wezen kon, dien men zocht.
“Ja! die is hier wel geweest,” klonk de schrille stem van Mejuffrouw Raesfelt achter hem: “ik heb den man, dien gij beschrijft, met Bouke door het achterhek op Sonheuvel zien komen, toen ik gisteren naar huis ging over de steenen brug.”
“Zoo!” zeide de aanvoerder der bende, terwijl hij den beslissenden toon, dien de juffrouw aannam, vergeleek met de bedremmelde wijze, waarop Joan geantwoord had: “Jonker! mij dunkt, gij weet meer dan gij zeggen wilt.”
Joan beefde als een blad: dan, of zulks veroorzaakt werd door de onverwachte verschijning der Predikantsvrouw, dan wel door de vrees, die de ruiters hem aanjoegen, is ons niet bekend. Spoedig echter vatte hij weder moed; en, het gewicht ten deele beseffende, dat in het bewaren van des vreemdelings geheim was gelegen, besloot hij de ruiters zoolang op te houden, tot de Baron weder terug en de vluchteling in zekerheid ware.
“Wacht!” zeide hij, zich tot den Hoofdman wendende, evenals bezon hij zich: “draagt de persoon, dien gij zoekt, niet een zwart manteltje, een omvallenden kraag en een dichtgeknoopt buis? Heeft hij niet een gebedenboek en eenpaternosterbij zich?”
“Dat zal wel zoo wezen,” antwoordde de ruiter: “maar waar is hij?”
“In het kasteel, en ik zal u terstond wijzen waar; doch eerst moet ik de juffrouw even spreken. Juffrouw!” vervolgde hij stil en snel, terwijl hij haar ter zijde trok: “ik vraag u om verschooning: mijn vergrijp is mij van harte leed: wees zoo goed aan Dominee te zeggen, dat ik vandaag geen les kan komen nemen.”—Na deze woorden op éénen toon en in éénen adem achter elkaar te hebben uitgerabbeld, keerde hij zich weder tot de ruiters en zeide: “Komt nu maar mede, Heeren! ik zal u voorgaan.”
“Ja, maar!” zeide de hoofdman, zooras zij de steenen voorbrug over waren gekomen: “is hij stellig op ’t kasteel?”—Joan knikte met het hoofd.—“Welnu, opdat hij niet ontvluchte, zullen wij eerst de uittochten bezetten. Gij Roelof Sla-der-op, Peter Keinkenate en Hans Knipper, aan het achterhek! niemand uit of in te laten!—Gij, Joost Steek-maar-toe, Karl Blutzaufer en Melis Pif-paf, aan de slotpoort! Niemand er uit! Niemand er in! Frans Smijter en Meeuwis Kriegelkop volgen mij naar binnen.”
Terwijl deze bevelen volvoerd werden en zich de ruiters naar de hun aangewezen posten begaven, volgde de wachtmeester met twee ruiters Joan binnen het slot; op het plein stegen zij af en gaven hun paarden aan de verbaasde dienstboden te bewaren.
“Als de Heeren mij maar volgen willen,” zeide Joan, die moeite had een schalkschen lach te bedwingen, terwijl hij de ruiters vooruitging naar de benedenzaal. Onder ’t voortgaan haalde de wachtmeester een papier uit de borst en las hetsignalementvan den voortvluchtige overluid op: “blauwe oogen, gebogen neus, ronde kin, grijsachtig haar, zware wenkbrauwen....”
“En een paternoster in de hand,” zeide Joan, terwijl hij den ruiter bij den arm nam en hem omdraaide, zoodat hij vlak over het afbeeldsel van den ouden Frederik van Reede tot Sonheuvel stond: “daar is de man dien gij zoekt: of ik heb abuis.”
“Ja! dat lijkt hem op een haar; waar is hij nu?”
“Wel, daar!”
“Waar?”
“Daar op de schilderij. Anders is er geen zoodanige hier te vinden. Ik dacht, dat gij het portret zocht.”
“Wat henker! jou oolijke schalk! houdje ons voor de mallen! Ik zal je leeren....”
Joan, die in het kasteel zijns vaders voor niemand vreesde, daar hij zeer wel wist, dat geen mensch er ongestraft eenig geweld zou mogen uitoefenen, zag den wachtmeester spotachtig aan, maakte een diepe buiging en liep de zaal uit.
“Dat ’s een satansche gauwdief!” riep de wachtmeester: “naar boven mannen! het slot doorzocht! de paap zit zeker hier of daar verscholen.” Dit zeggende, liep hij, gevolgd van zijn twee handlangers, de trappen op, vermoedende, dat de vluchteling in een der bovenvertrekken zoude wezen. In de eerste kamer, die hij opensloot, zag hij een kruik, nog half vol water, een brok brood en de lekkernijen, die Ulrica ’s avonds te voren aan Joan gebracht had, en waar hij niet aan geraakt had, gelijk men zich herinneren zal.
“Hier zal hij wezen!” riep de wachtmeester, “binnen mannen! en draagt zorg, dat niemand er uitkome.”
“Dat zal ik,” riep Joan, die hen stil gevolgd was, en smeet meteen de deur achter hen toe. “Veel pleizier, vriendjes! slaap daar nu maar wat uit.” Dit gezegd hebbende, snelde hij onder een schaterend gelach de trappen af, riep den Bottelier, den Palfrenier, den Tuinier, de oude Geert en al de zoo mannelijke als vrouwelijke dienst- en werkboden bijeen, en vertelde hun, dat hij drie gevangenen gemaakt had, over wier lot de Baron zoude beschikken. Dan, terwijl hij nog sprak, en de oude Geertrui al gedurig uitriep, wat Mevrouw zaliger wel van zulk een geval gezegd zou hebben, hoorde men zulk een geweld aan de voorpoort, dat allen naar buiten stoven.
Dit rumoer had een zeer natuurlijke reden. De Baron kwam met Ulrica en Bouke in het wagentje van zijn reis naar Tiel terug en vond zich nu voor de brug van zijn eigen slot den ingang ontzegd door de drie aldaar geposteerde ruiters, die hem niet verstonden of niet wilden verstaan.
“Ik ben de Baron van Sonheuvel,” schreeuwde hij.
“Ick kenne kein Baron,” zeide Karl Blutzaufer: “potstauzend, du sollst nicht drinn kommen!”
De Baron lichtte de zweep op, om hem een duchtigen slag om de ooren te geven, en er ware veellicht een vechtpartij ontstaan, indien niet Ulrica, vol angst en ontsteltenis, haar vader weerhouden had, door zich zoo vast aan hem te klemmen, dat hij zich bijna niet verroeren kon. Intusschen was Bouke, die meer bedaardheid van geest bezat dan zijn Heer, uit den wagen geklommen en naar de ruiters toegestapt, aan welke hij vroeg, wie en waar hun hoofdman was, daar het toch billijk scheen te zijn, dat men aan den heer des huizes reden gaf, waarom hem de toegang tot zijn eigen slot ontzegd werd, althans in vredestijd en door soldaten in dienst van den lande. Na eenige woordenwisselingen begrepen de schildwachten, dat zij aan het verzoek van Bouke voldoen moesten, en ging Melis Pif-paf naar binnen om den wachtmeester te halen. Op het voorplein ontmoetten hem de bedienden, allen welgewapend.
“Waar ist der Wachtmeister?” vroeg Melis: “ik muss hem sogleich spreken!”
“Dat weet ik niet,” antwoordde de Bottelier; “ik heb geen wachtmeester gezien noch geroken; maar dat weet ik, dat jijlui je biezen moeten pakken en Zijne Edelheid ongemoeid laten oprijden, of dat het slecht met je zal afloopen.” Terwijl hij sprak, grepen eenige tuinlieden den ruiter aan en ontwapenden hem.
“Hilf! Jost! Karl! Hilf! Staôt bi kerlen!” riep Melis, zich vruchteloos verzettende. Dan Jost noch Karl konden hem te hulp komen: want verscheidene dorpelingen, waaraan Juffrouw Raesfelt verhaald had, dat er ruiters op het kasteel gekomen waren, hadden zich inmiddels aan den buitensten ingang vertoond en hielden er de twee ruiters in bedwang; de drie anderen, die aan het achterhek post gevat hadden, kwamen op het gerucht aanrijden, om hun makkers bij te springen; en het ware tot een algemeen gevecht gekomen,bijaldien niet de Baron op de bank van zijn rijtuig geklommen was en van daar uit de hoogte een algemeene stilte geboden had.
“Staat, menschen! ik ben hier op mijn grond alleen heer en meester, en verlang te weten, wat aanleiding tot deze malle historie gegeven heeft. Is er een onder die knapen, die verstaanbaar Neerduitsch spreken kan, zoo ben ik bereid te hooren, op wat grond men zich verstout, in mijn afwezigheid mijn slot te bezetten.”
Roelof Sla-der-op reed tot naast den wagen, nam den hoed in de hand en sprak:
“Wij volgen slechts onzen last, Heer Ritmeester! U WelEd. is zelf soldaat geweest en weet dus, dat wij gehoorzamen moeten aan hen, die boven ons gesteld zijn.”
“Recht zoo,” antwoordde de Baron: “maar wie gaf u dan last?”
“De wachtmeester, heer Ritmeester, die binnen het kasteel is.”
“Laat hem dan hier komen,” riep Reede, ongeduldig wordende: “waar zit hij?”
“Ik heb hem op den toren gevangengezet,” zeide Joan, die met zijn kruisboog op schouder, uit den hoop hervoor stapte: “hem en zijn makkers!”
“Geen gekscheren, Joan!” zeide de Baron, gramstorig: “zulke malligheden komen nu niet te pas. En breng dat geweer weg. Als er uilen geschoten moeten worden, zal ik u roepen.”
“De Jonker heeft gelijk,” zeide de Bottelier: “hij heeft drie ruiters in de steenenkamer opgesloten.”
“Ja! hier zitten wij!” riep een stem, die uit de lucht scheen te komen. Allen keken naar boven en zagen aan een klein venstertje het hoofd van den wachtmeester, die op de schouders zijner twee kameraden geklommen was om het te bereiken en hulp te vragen. Op dit gezicht berstte iedereen uit in een schaterend gelach; zelfs de ruiters, die beneden stonden, moesten glimlachen op het denkbeeld van de poets, door een knaapje als Joan aan hun sluwen hoofdman en zijn makkers gespeeld.
“Zoo!” zeide de Baron, toen het gejuich een weinig bedaard was: “zitten die vogels zoo hoog in de kooi? Hoort eens mannen,” vervolgde hij tegen de ruiters, die beneden waren, en die thans wat minder hoog spraken, sedert dat de Schout met een nieuwen troep gewapende boerenknapen den stoet vergroot had, “zit af en geeft de wapens ordentelijk over, terwijl ik uw wachtmeester ga onderhouden. Heer Schout! wees zoo goed, mij te volgen.” Dit geschiedde.
De Baron reed nu onverlet zijn kasteel in, vertrouwde Ulrica aan de zorgen van Geertrui, en begaf zich met den Schout naar de groote benedenzaal, terwijl Bouke met eenige dienaars de gevangenen ging verlossen en vervolgens den nu ontwapenden wachtmeester binnenbracht.
“Wat is uw last, wachtmeester?” vroeg Reede: “en hoe durft gij zoo onbeschaamd in mijn kasteel den baas komen spelen? Spreek de waarheid, of ik laat u ophangen.”
“Dat zoude UEd. moeten verantwoorden,” antwoordde de wachtmeester, op vrij hoogen toon: “wat mij betreft, hier is mijne verantwoording” en hij reikte den Baron zijn lastbrief over.
Deze was geteekend en uitgevaardigd door de Staten van Gelderland en bevatte een bevel aan Peter Maanvreter, Wachtmeester, om op te sporen en te vatten den persoon van Ambrosio, Priester, zich bevorens genoemd hebbende Godard van Reede tot Sonheuvel (hier volgde de aanduiding) en aan alle overheden, schouten en magistraten om gemelden Peter Maanvreter de noodige hulp en assistentie te verleenen enz. enz., alles ingevolge de in den jare 1598 uitgeschreven en later hernieuwde plakkaten.
“Ik zal hierop slechts ééne aanmerking maken,” zeide de Baron, nadat hij de lezing van het stuk in stilte had volbracht: “gij zijt hier niet in Gelderland, maar op Stichtschen grond: en uw lastbrief heeft hier zijn kracht verloren. Hadt gij onderzoek willen doen, gij hadt u bij den Schout moeten vervoegen, maar geenszins op eigen gezag hier moeten komen.”
“De Jonker heeft ons zelf hier gebracht,” antwoordde de wachtmeester.
“Gij zijt een te oude roofvogel om u door zulk een jong spreeuwtje van den rechten weg te laten afbrengen.—Doch heeft de Jonker die buitenposten uitgezet, die mij den toegang hebben afgesneden?”
“Het spreekt van zelf, dat mijn last UEd. niet gold; en UEd. ware niet opgehouden geweest, indien men mij niet had opgesloten; doch ik had stellig naricht, dat de man, dien wij zochten, zich hier bevond, en nam daarom de noodige voorzorg, dat hij niet ontsnapte. Mag ik UEd. wel een woordje in ’t vertrouwen onder vier oogen mededeelen!”
”’t Is wel: doch maak het kort. Heer Schout, met uw verlof! Bouke, verlaat de kamer met uw volk.—Nu zijn wij alleen: wat hebt gij nu te zeggen?”
“Heer Baron,” zeide de wachtmeester: “wees zoo goed en zie dit papiertje eens in.” Meteen toonde hij het aan Reede, terwijl hij het zorgvuldig met de beide handen onder en boven bleef vasthouden uit vrees dat het hem ontscheurd zoude worden. Het was een blaadje uit een getijboek, en wel het eerste: bovenop stond geschreven:hic liber est Fr. Ambrosii, abb. Dom.7.
“Welnu! wat zal dit?” vroeg Reede, nadat hij het aandachtig beschouwd had.
“Dit blaadje vond ik in mijn gevangenis. Het bewijst ten duidelijkste, dat daar vóór ons nog iemand geweest was, en dat de abt, uw oom, daar òf gescholen heeft òf nog in de een of anderen hoek schuilt.—Wat dunkt UEd.? Zouden de Staten het met welgevallen zien, dat UEd. een man, wien de justitie opspoort, schuilplaats verleent?”
Van Reede zweeg en streek zich over ’t gezicht.
“Mij dunkt, Uwe Edelheid!” vervolgde de wachtmeester, ziende dat zijn gezegden niet geheel zonder uitwerking bleven, “mij dunkt, wij moesten de geheele geschiedenis maar blauw blauw laten. Want, zoo UEd. over mij klaagt, zal ik, ja, misschien gestraft worden;doch ik heb altijd een middel om UEd. een poets te bakken, die UEd. waarschijnlijk hoogst onaangenaam zijn zoude.”
“Gij hebt gelijk, schurk!” zeide de Baron, “gelukkig, dat alles zich nog zoo schikken kan: want de man, dien gij zoekt, is reeds in veiligheid. Inderdaad, het zal best zijn, dat wij de zaak schikken. Heer Schout! gij kunt weer binnenkomen.”
De Schout kwam terug met de overigen. “Ik ben over de inlichtingen voldaan, mij door den wachtmeester gegeven,” zeide Reede, “en hij kan in vrede met zijn volk vertrekken, mits zulks dadelijk geschiede. Bouke! roep Joan! want ik moet eens hooren, hoe hij het toch geklaard heeft, om die knapen boven op dat kamertje te krijgen. Tot wederziens, Heer Schout.”—Men gaf den ruiters hun wapenen terug, waarop zij vertrokken. Ondanks de vermaningen van den Schout konden zij het dorp niet verlaten, zonder een menigte scheldwoorden en uitjouwingen van de goede gemeente, die hen gevolgd was, te moeten verduwen: dit getroostten zij zich totdat zij buiten het dorp gekomen waren: toen gelastte Maanvreter aan zijn onderhoorigen rechts-om-keert te maken, en meteen zwoer hij, dat de eerste, die zich verstouten dorst, hem verder lastig te wezen, kennis zoude maken met zijn ijzeren kling. Deze bedreiging, de vaste toon, waarop zij was uitgesproken, en het barsche uitzicht van den wachtmeester maakten indruk op den hoop, en de ruiters mochten ongestoord hun weg naar Gelderland vervolgen.
Aldus liep deze geschiedenis ten einde, waarvan eigenlijk niemand met eer was afgekomen, dan Joan, wiens verhaal door zijn pleegvader onder een aanhoudend gelach werd aangehoord en wiens gedrag door Bouke ten hemel werd verheven.
1De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.2Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.3Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?4Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid werkt.5De dag der wrake.6Deze rede is hard en wie kan die hooren?7Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.
1De vossen hebben kuilen en de vogelen des hemels nesten: maar ik heb niet waar ik mijn hoofd kan nederleggen.
2Opdat in den naam Jesu zich buige, enz.
3Heere! Heere! hebben wij niet in Uwen name geprofeteerd?
4Ik heb u nooit gekend: gaat weg van mij, die ongerechtigheid werkt.
5De dag der wrake.
6Deze rede is hard en wie kan die hooren?
7Dit boek behoort aan broeder Ambrosius, abt der Dominicanen.