Negentiende Hoofdstuk.Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,En schilderde averechts met een verward penseelGemengde vormen en de deelen voor ’t geheel.Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepenEn in een werktuig, naar den eisch van ’t ligt, begrepen,In eene donkere zaal, op ’t wit paneel der wantOns beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.Antonides.Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekensdubbel om ’t lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf.Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange hanevederuit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip ontwaakte.Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien.Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan.Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat vanhaar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in ’t kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen.Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is.“Zoodat gij u, over ’t geheel, beter bevindt dan laatst,” zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige vrouw.“Ongelijk beter, Freule!” was het antwoord: “en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag mijn iersten kerkgang te doen.”“Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!” zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, “dat wij oe nooit zullen kunnen vergelden.”“Spreek daar niet van,” hernam de Freule, “voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken.”“Neen, Freule!” zeide Gheryt met warmte: “het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: ’t is voor oe vriendelijkheid, om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; ’t is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven enhelpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: ’t is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is.”“Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?” vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: “dat heb ik nooit geweten.”“Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier.”“Feurich!” herhaalde Ulrica: “o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in ’t bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?”“Jaô, lieve Freule!” gaf deze ten antwoord: “en hum heit in zijn leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd, toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten als hun grootvaôder.”Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke veder gedroomd had.“En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?” vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.“Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent,” zeide Gheryt: “toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft.”“Jaô,” zeide de oude vrouw: “Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet ehad als een blok aan ’t been, hum had wel verder voortkomen: maôr hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen alleen laôten zitten.”“Zoo ik moeder had laôten zitten,” hernam Gheryt, “dan ware ik immers geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten, toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets doen, dan ’t geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft.”“Kom! kom!” zeide de oude vrouw: “ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo’n braôven zoon als mijn Gheryt.”“Wel, moeder!” hervatte Gheryt: “oe zoudt mij konfuis maôken. En wat zoude de Freule met zoo’n lomperd van een zoon maôken?”“Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft,” zei de moeder: “wat denkt er de Freule van?”“Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken,” antwoordde de Freule: “maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen.”“Nu, die tijd is misschien zoover niet af,” hernam de oude vrouw: “ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren.”“Amen!” zeide de Freule zuchtende.“Draagt gij die kleeren ’s Zondags, Gheryt?” vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.“Die kleeren daôr?—neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke te snorken.”“Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt,” zeide de Freule: “kom, Magdalena!”“Tot uw dienst, Freule!” zeide deze: “het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die Mijnheer van morgen verwacht.”“Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!” zeide de jonkvrouw: “er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat als gij.”“Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd,” hervatte Magdalena: “maar,” voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag, en zuchtte: “voor wie?”“Gaôt gij al heen, Freule?” vroeg Gheryt: “en dat zonder mijn verken te zien!”“Uw varken!” zeide Ulrica lachende: “mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig ben.”“Jaô maôr, Freule!” hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: “ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen oogen van ewagen kunnen;—want ik had nogal hoop om.... ik zoude gaôrne.... weet oe?....”“Ik begrijp er niets van,” hernam Ulrica: “of gij moest verlangen het mij te verkoopen?”“Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld.”“Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, dochwaarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige.”“O!” vervolgde Gheryt: “ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat.....”“Op een anderen tijd, Gheryt!” zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. “Ja, Freule:” zeide Magdalena, het in de hand nemende: “dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware.”De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.“Mijn hemel, Freule!” zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: “wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?””’t Is niets, Leentje! ’t is niets!” antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena’s arm leunende: “’t gaat alweder over: ’t was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen.....” en zij berstte in tranen uit.“Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt,” merkte de deftige kamenier aan: “maar niet dat men in tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer goed naar boven.”“Ik ben kinderachtig,” zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: “ik ben kinderachtig: doch waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan.”“Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?” vroeg Magdalena.“O neen! voor geen geld van de wereld,” zeide Ulrica haastig: “ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn.”“Was het ook,” zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder scheen: “was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet....”“Ja, Leentje!” antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande:“het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij opgevoed is.... die....”“Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden.”“Dezelfde!—Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren....”“UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen,” zeide Magdalena: “het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is.”“Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?”“Ik weet niet, Freule!” merkte de kamenier met nadruk aan: “of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!”“En ik weet niet,” hervatte Ulrica op een scherpen toon, “met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren.”“Verschoon mij, Freule!” zeide Magdalena: “ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde liefde.”“En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?” vroeg Ulrica.“Wie?—de gansche wereld.”“Zoo!—ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat.”Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij ’t uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen.“Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?” vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengenop het punt waar zij gebleven waren, “is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?”“Men zegt zoo.”“Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen.”—Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen toon:“De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden uit het leger gekomen.”“Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is.”Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken. “Verbeeld u, Freule!” ging zij voort: “dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen.”“Magdalena!” zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: “gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden.”“Verschoon mij, Freule!” hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: “verschoon mijn dwaasheid van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien.”Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, ’t zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, ’t zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of zelfs verlangd had.Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met zijnfidus Achates, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.“Is ’t mogelijk?” riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: “kan ’t zijn, dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?”“Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw ontvangst in gereedheid te brengen.”“Ik voel dien zet,” zeide de Ambtman met een buiging: “Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!”....“In ’s Hemels naam, Heer Ambtman,” zeide Ulrica lachende: “laat ons geeneuphuïsmebeginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten.”“Gewis!” zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog onbekend was: “al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!” riep hij uit, Magdalena herkennend: “Wie is daar?”“Wat rammelt gij toch, Botbergen?” vroeg Mom: “merkt gijnietwie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van ’t Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend.”“Dat is zijn beste aanbeveling,” zeide Ulrica, onder ’t voortgaan een hoofdbuiging makende.“Ik verzoek verschooning in dit geval,” zeide Botbergen, “dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn.”“Zijt gij dol, Elbert?” riepde Ambtman wrevelig uit: “is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil.”“De weg is vrij,” zeide Ulrica: “doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen.”“Is er een genoegen,” zeide Mom, terwijl hij afsteeg, “dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?” Dit zeggende, gaf hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van ’t aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk de hand.“Ik verzoek nogmaals om verschooning,” zeide hij, “indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is.”“Ik wist niet,” zeide Ulrica, “dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel.”“UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig is.”“Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan.”“De Freule heeft wel deugdelijk gelijk,” riep Botbergen uit,“de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.Dus eenighAlleenighTe zijnIs pijn.Dus laat ons beyd.O soete meyd!Versamen eens in vrolickheyd.en ’t geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven.”“Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?” vroeg Mom, “gij, die nooit in kerk of kapel komt!”“Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich,” antwoordde Elbert met inzicht; “ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet.”“Dan begrijp ik,” zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, “dat het met de ware religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen.”“Magdalena!” zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in ’t gesprek mengde: “het wordt u immers niet gevraagd!”“Foei! foei! mijn waarde Freule!” riep Elbert: “frons dat lievevoorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!”“En waarom moet ik zuur aangezien worden?” vroeg Mom, bevreemd opziende: “ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien bevalligen mond zoude geven.”“Wel!” zeide Botbergen, “omdatZiet u een maeghtWat toornig an,Als gij haar vraegt,Denk dan, goê man!Dat g’haar behaegt:Hoe zuurder dat een meisje kijkt,Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt.”“Ik moet bekennen, Mijnheer!” zeide Ulrica, glimlachende, “dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de eene of andere Rederijkerskamer?”“Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in ’t vak van liedekens weet, heb ik in ’t leger geleerd. Doch ik zing nooit recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat....”“Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!” viel de Ambtman in: “daar komt ge nooit tot uw eer af.”“UEd. heeft dan in ’t leger gediend?” vroeg de Freule.“Dat heb ik,” antwoordde Botbergen: “bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof.”“Zijnde zijn grootste lof en glorie,” merkte Mom aan, “dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug heeft gebracht in het vaderland.”“Waarlijk iets ongewoons,” zeide Ulrica: “en wie was die gelukkige?”“Zijn degen, Freule!” antwoordde de Ambtman.“Pots honderd tausent slapferment!” riep Botbergen, de hand aan ’t gevest slaande: “indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en....”“En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?” vroeg Mom lachende.“En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen,” vervolgde Botbergen, “gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in ’t leger....”“Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!” zeide Ulrica.“Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn,” zeide Botbergen,op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.“En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?” vroeg Mom. “Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan ’t spit of hem als een os den hals afgestoken?”“Neen!” antwoordde de snorker: “neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van ’t staal sprak: mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst.”“En hoe heette die windmaker?” vroeg Mom.“Hij droeg een naam,” antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: “waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst.”“Jonker Joan van Craeihorst!” herhaalde Ulrica, verbleekende.“Is hij UEd. bekend?” vroeg Botbergen haastig, “dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben.”“Onvoorzichtige!” riep Mom, een ontevreden houding aannemende: “die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze waardige Freule!”“Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!” zeide Elbert: “had ik dat kunnen denken, ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk, ik was verre van te denken....”“Indien het een onbedachtzaamheid was,” zeide Ulrica, “waarom zou ik die dan niet vergeven?”“UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?” vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld geslagen.Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. “Mijnheer!” zeide zij tot den Gelderschman: “ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit—en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon te wreken.”“Hoe Freule!” riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. “Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren,’t welk bezijden de waarheid was.” Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: “ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen.”Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in ’t werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den schijn van welwillendheid, zou doen hooren.“Kom! kom! Elbert,” zeide hij: “gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt.”“Maar pots tausent!” riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon te raden: “ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde.”“Geen woord meer over de gansche geschiedenis,” zeide Mom, op een gebiedenden toon: “ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht,” vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen toon: “Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;—want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit een oude gewoonte:—ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven kleven.”“Gij zult mij vermaak doen,” zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; “doch wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten.”Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal vanElbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan ’t hoofd, bezig waren aan ’t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde.“O! zijt gij het Bouke!” riep Ulrica: “u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven.”“Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd,” zeide Bouke: “wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en dag heugen zal.”“St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen, zelf gedaan.”“Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? ’t kan niet wezen.”“Ik ken uw jonker niet,” zeide Magdalena: “maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren.”“Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?” vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: “het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.—Wat hamer Sijmen!” riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: “nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je komen, als je ’t niet beter weet!—nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet opdenrug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer.” Met deze woorden keerde hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.Twingtigste Hoofdstuk.Menigh wil by dranck en spijsWesen wijs,Schoon hy is van wijn beschonken,Daar doch yeder kan bespiën,Dat dees liênSijn van sotte grillen droncken.Pers.Inmiddelswaren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in ’t veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen.“Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig,” zeide Reede: “en daarenboven! mag een vriend niet altijd een vriend medebrengen?”“Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen,” zeide Mom tegen zijn gastheer: “want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel, dan op dien van uw vriend.”“Zoo!” zeide Reede: “ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, hê! hê!” en hij begon hartelijk over zijn geestigheid te lachen.“Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!” antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: “en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf.”“En waarom niet, Heer Ambtman?” vroeg de Baron op een gulhartigen toon: “gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag.”“Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar isnog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor ’t minst onverschillig te zijn.”“Mijn dochter meent gij?—Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen.”“Is UEd. wel zeker,” vroeg Mom, zijn woorden wegende, “dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?”“Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan.”“Dat zegt juist niet veel,” merkte Botbergen lachende aan. “In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe.”“Zeer juist! zeer juist!” zeide de Baron, den Gelderschman op den schouder kloppende: “alleen met dit onderscheid, dat het in het hartje van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, Heer Ambtman! de liefde mijner dochter te verkrijgen is uw zaak: zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: wat kan een vader meer doen?—Ulrica moet vrij handelen: het staat dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen.”“Zij is lang in Den Haag geweest,” zeide Mom, het hoofd schuddende.“Daarover kunt gij u toch niet beklagen,” hernam Reede: “daar hebt gij haar het eerst leeren kennen.”“Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker....”“Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd vroolijk en weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel een zwarigheid,” vervolgde de Baron, opeens het voorhoofd fronsende; “doch die is van geheel anderen aard.”“Een zwarigheid!” herhaalde Mom, van kleur veranderende: “ik bid u!....”“Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons zonder getuigen te onderhouden,” zeide Reede op den deftigen toon, dien hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: “ik hoor hoefgetrappel op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe gasten welkom heeten.”“De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen,” zeide Elbert, terwijl hij met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen ging, langzaam volgde: “hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: en haar hart schijnt meer dan wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht.”“Des te beter,” zeide Mom: “des te eer zal zij uit spijt een anderen trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; doch genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan.”De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigdengevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken, welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; zij waren onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen had, kwam de oude Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede zijn gasten verzocht, hem naar de groote ridderzaal te volgen.Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, dien men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. Zij was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een goed onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, van kostbaar Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen (bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen gevuld) en rustten aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst omslingerd. Kostbare basrelieven, uit een andere marmersoort gehouwen, versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van Venus en Adonis waren op de schoorsteenen zelven op witten steen afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, welker kroonlijst, insgelijks op kolommen rustende, zich met de schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, de basementen en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener zijde met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren om en om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch marmer het geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was over haar geheele lengte onafgewisseld met allerlei soorten van jacht- en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het opzicht der bevallige Freule met sparretakken, hulst en bloemfestoenen aaneengestrikt was; ’t geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen aangenaam streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde, was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet uit de thee, de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, die onzen goeden voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren.De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan ’t eten:de hoendersoep, in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, versche kropsalade, in ’t kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden deden eer aan deze spijzen, zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht van Bouke, die als bottelier optrad, werden toegediend. Alleen de Ambtman scheen weinig smaak te vinden in ’t geen hem aangeboden werd: de gewichtige plannen en de daaruit ontsprotene bekommernissen, welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre van in een onmatig gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle gezag over zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, den beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd dadelijk tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want de Gelderschman was aan tafel voor geen klein weinigje vervaard en had een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een spons of van een handschoen kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was die, van hem nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken.“Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!” zeide Reede: “hapert er wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?”“Het gastereeren deugt mij niet,”’ zeide Mom: “ik ben geen man, die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist oog te behouden, om den kegel niet mis te raken,” voegde hij er glimlachend bij.“Ei! ei!” zeide de Jonker van Scherpenzeel: “dat is geen echt spel. Wil UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren blijven? dat zou slecht gelijk staan!—doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, is ’t niet zoo?”“Ik beken,” zeide Mom, “dat het gezelschap van de schoone kunne het genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet.”“En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is,” riep de Heer van Helmenhorst: “lang moge zij leven! lang!” vervolgde hij, oprijzende en een roemer omhoogheffende: “lang leve de schoone Freule Ulrica van Sonheuvel!”“Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!” riep Botbergen, zijn voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige gezelschap deed.Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!” zeide de Baron, op zijn beurt een roemer vullende: “en moge zij nog vaak de eer gemeten, de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren.”“Mits niet in dit vertrek,” zeide Botbergen.“En waarom hier niet?” vroeg Reede met een verwonderd gelaat. “Staat u deze zaal niet aan?”“De zaal is prachtig en geriefelijk,” antwoordde Elbert: “maar, aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze van een waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, wanneer ik Haaredele de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche.”“Wel gevonden!” zeide de Heer van Lievendaal: “Mijnheer van Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch.”“En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen,” hervatte de Gelderschman: “maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het ware een misdaad van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. mij toegedronken heeft.”“Er is toch meer van die soort in mijn kelder,” zeide de Baron: “Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?”“Hij is zooeven uit de kamer geroepen,” antwoordde een der dienaars: “er was iemand beneden om hem te spreken.”“Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook zooveel jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije geoorloogd en meer gezien dan één van ons allen.”“Zoover ben ik niet geweest,” zeide Elbert: “mijn krijgsverrichtingen waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik mij zonder grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen.”“In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?” vroeg Reede.“Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik zeide hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor aan oorblazers, aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde ik de redenen, die ik daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg mijn woorden in den wind; en wat is het gevolg er van geweest? Zooras ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar deed, kon ik met geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, en nu komt hij met de kous op het hoofd terug.”“En hebt gij,” vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: “hebt gij den Jonker van Craeihorst gekend?”“Gekend?” herhaalde Botbergen: “ja, een weinig, schoon het geen eer was hem te kennen!”De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend werd.“Wel!” vervolgde Elbert: “Ik had geen omgang met hem, omdat hij een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een valsche dobbelaar....”“Onmogelijk,” riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen tegen zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, sneller dan hij in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist binnenkwam, bijna omver.“Ja! ja! loop maar, Veltman!” zeide Bouke, met een vroolijke stem, terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd op geschilderd stond. “Mijnheer!” vervolgde hij: “bodenbrood! daar is een oude kennis....”“Zwijg Bouke!” zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat gij van mijn Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst.”“Kende UEd.hem?” vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: “vergeef mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten.”“Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!” zeide met luider stem de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen aangevoerd, opmerkzaam had aangehoord.“Wie spreekt daar?” vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen blik ontmoetten van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, achter de zitplaats des gastheers stond.“Dat ben ik, met uw verlof,” zeide Bouke: “en wat ik niet vol kan houden, zal een ander voor mij doen.”“Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der bestraffing poogde te geven: “denk wie gij zijt en waar gij zijt!”“Zoo doe ik,” antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: “ik denk, dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik over een lasteraar sta, die....”“Vlegel!” riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: “denkt ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij het millioenste part had gezegd van ’t geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!”“Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens afwezigen opneemt?” vroeg Bouke.Botbergen zag beangst in ’t rond; doch zijn gelaat helderde spoedig op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel zelf zijn zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich hiervan overtuigd hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: “hiermede daag ik iederen edelman uit, die, als ik, zestien kwartieren bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen.”“Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal,” zeide Bouke, den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet.“Mijnheer van Botbergen!” zeide Reede, die al dien tijd had zitten stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: “ik kon voor den goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! zoo UEd. elders dan op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer op ’t aangezicht aan stukken geslagen!”“Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!” zeide Mom: “zoo zal ik de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den Heer van Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen.”Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, die zich aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, dat Mom, door dit aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter opdeed.—In dit oogenblik trad Bouke weder binnen en zeide, de deur wijd openzettende: “Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een tegenstander, als ik beloofd heb.”Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. De Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, sloeg klappertandend een bevende hand aan ’t gevest van zijn degen, doch was buiten staat om het lemmer de scheede te doen verlaten. Mom staarde den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen Proponent had aangezien.“Joan!” riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe trad, met hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij zich weder uit zijn omhelzing los. “Joan!” herhaalde hij: “ik moest u niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt schandelijke dingen van u.”“Dat heb ik van Bouke vernomen,” antwoordde Joan: “wie van de Heeren noemt zich de Heer van Botbergen?”“Wat! Kent gij hem niet eens?” vroeg de Baron verbaasd: “hoe hangt dit samen?”“Nu, Mijnheer!” zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld zitten bleef: “wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord een woord?”“Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?” vroeg Joan met bevreemding. “In het leger van den Koning van Bohemen droegt gij een anderen naam.”“Wat zal ik u zeggen, Jonker!” antwoordde Elbert, zich door eengrap zoekende te redden: “Wij droegen geen van beiden onzen waren naam.””’t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet,” hernam Joan met fierheid, “hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na hetgeen er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap....”“Van die rottingslagen, meent gij?” vroeg Botbergen, opstaande: “ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij zijn geen beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot een verklaring komen.”“Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk,” zeide Joan, de hand aam ’t geweer slaande.“De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen,” vervolgde Botbergen, zich tot dezen wendende.Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den persoon, die hem in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht gezicht deed hem, verwonderd, een stap terugtreden, en bracht zijn gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene van den vorigen avond terug. Met niet minder nadruk, schoon met een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan en peinsde hij op de houding, die hij bij deze gelegenheid moest aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch met zijn verwoeden blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch zeer binnensmonds, allerlei dreigementen. De overigen, die een kring om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over Joans plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem de volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was om hem van zijn stuk te brengen: “heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?”Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het scheen hem dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men het noemt, met een Jantje van Leiden af te maken.“Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van onzen besten gastheer?’” vroeg hij, opstaande en Joans beide handen vattende: “wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst hier levendigheid op het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, die u zoo liefheeft!” Hier zag Mom met spijt, hoe een hevige blos het gelaat des jongelings overstroomde. “Nu ik ben recht gelukkig u te zien: gij vindt mij met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord,dat ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze.”Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen en fluisterde hem bij die gelegenheid in ’t oor: “hadt ge u maar genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader gesprek met u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas zijt gekomen.”—En toen, eer Joan van zijn bevreemding kon bekomen, trad hij terug en nam Reede bij de hand. “Mijn vriend!” zeide hij: “wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken dag als deze, de vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met mij, om uw waardigen voedsterling, alsook mijn vriend van Botbergen, die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op elkaar gebeten zijn, tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van den edelen Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt, is waarachtig geen knip voor den neus waard.”—Bij het uitspreken dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken, dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten volgden zijn voorbeeld.“Kom, Elbert!” vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand wringende: “gij moet mededrinken; want de terugkomst des Jonkers kan u nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en wordt het misverstand weggeruimd, des te beter; zoo niet, dan hebt gij t’ avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te leggen. Dus, man! drink uit! en denk vooreerst maar niet meer aan het gekke geval.”“Pots honderd tausent slapferment!” zeide Botbergen, den roemer aannemende: “mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft geen nieuwe gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander over en weder beleedigd;—dus zijn wij kamp; en hapert er nog iets aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de gezondheid van den Jonker van Craeihorst, en dat hij zulk een lang leven moge genieten, als ik hem toewensen.”—Dit zeggende, ledigde hij zijn glas en hernam zijn plaats bij de nu weder aanzittende gasten.“Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen,” zeide Joan, op zijn beurt een roemer vullende: “wat den Heer van Botbergen betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij mij in den loop van dezen dag een oogenblik schenken wil, daar ik het met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans niet storen moeten.”—Dit gezegd hebbende, ledigde hij zijn kelk en nam aan de tafel plaats.Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het te willen doen blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, dat Joan zijn wederpartij de trappen had afgesmeten.Joans hoofd was zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel wenschte. Hij ondervond ten volle de onaangename gewaarwording van iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, en, in plaats van zijn gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten begrijpen. Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, dat hij van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche leger zich juist had toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid echter, dat het Joan geweest was, die den anderen met stokslagen had weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, alleen voor zooverre hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat het vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend eerst zijn nog vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen.De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan ’t praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.“Hoe is ’t Joan?” zeide de Baron: “zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op ’t plein gelegen.”“Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal,” zeide Joan: “ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk.”“Nu, ga maar, ga maar,” zeide de Baron, knorrig: “lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warmbloed meer heeft!”—Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijnpoinctenof verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees.Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug.“Hij was goed gemeend!” zeide een der spelers.“De baan is niet glad genoeg,” antwoordde Lievendaal: “anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen.”Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede spelerden bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.“Dat is ongelukkig!” riep hij uit: “wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest.”Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder ’t werpen, en de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor ’t spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij.“Wat satan is dat!” schreeuwde hij hoogst ontevreden: “Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?”“De baan is al gelijk!” antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: “Ik kan niet helpen, dat UEd. scheef gooit.”“Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen,” zeide de Jonker van Scherpenzeel.“Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds,” zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten ’t spel. Met ongelijk gevolg speelden diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen.Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo ’t heette, ongelukkig speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon deAmbtmanweder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch ’t geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen.“Vriend Mom!” zeide hij: “Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten.”“Heer Baron!” zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraakonder een vriendelijken glimlach verbergende: “uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren.”“Juist! juist, Heer Ambtman!” antwoordde Reede: “gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.—Ik moet, om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.—Mijn overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!”“Zoo vet,” zeide Mom, “dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen.”“Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... ”“Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?”’“Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.—Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel werd opgeleid.—Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af.”“Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben,” merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid nog niet van inzag.“Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer,” vervolgde de Baron, “dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior.”“Zoo” riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens eenbelangrijkergedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd.”“Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven.”“En dat was?” vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte.“Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezuïetschen pater, die hier door ’t land reisde, samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan.”“Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden,” zeide Mom.“Neen, dat niet,” zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: “hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken.”“Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was,” zeide Mom: “noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn.”“Ziet gij dat niet?” vroeg Reede: “hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals ’t hoorde.”“Vindt gij?” vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: “al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen.”“Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is,” zeide Reede: “maar, naar mijn inzien, kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.—Mijn vader stierf—ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom.”“En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?” vroeg Mom.“Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen.”“Die vrek!” zeide Mom: “hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn.”“Geen woord daarvan!” hernam de Baron: “wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.—Dan, nu is er nog iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:—en toch, ik had zoo lichtvaardig niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?”“Hoe laat hij zich noemen?” vroeg Mom.“De Paapschen noemen hem vader Ambrosius,” antwoordde Reede: “doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn zoovelen van dien naam.”“Wij zullen zien,” zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: “misschien is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben in te brengen.”“Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?” vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat verspreidde. “Gij blijft de hand mijner dochter vragen?”“Heer Baron,” zeide Mom: “uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen.”“Bedenk u wel,” zeide de Baron: “Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!....” Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.“Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer,” hernam Mom.“Heel wel! dat zijn jongelui’s betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat.”“Ik ben geen knaap meer,” zeide Mom “die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouwnaar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn hulde brenge.”“Zeer gaarne,” zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: “en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.—Nu! kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in.”Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot.
Negentiende Hoofdstuk.Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,En schilderde averechts met een verward penseelGemengde vormen en de deelen voor ’t geheel.Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepenEn in een werktuig, naar den eisch van ’t ligt, begrepen,In eene donkere zaal, op ’t wit paneel der wantOns beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.Antonides.Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekensdubbel om ’t lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf.Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange hanevederuit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip ontwaakte.Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien.Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan.Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat vanhaar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in ’t kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen.Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is.“Zoodat gij u, over ’t geheel, beter bevindt dan laatst,” zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige vrouw.“Ongelijk beter, Freule!” was het antwoord: “en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag mijn iersten kerkgang te doen.”“Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!” zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, “dat wij oe nooit zullen kunnen vergelden.”“Spreek daar niet van,” hernam de Freule, “voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken.”“Neen, Freule!” zeide Gheryt met warmte: “het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: ’t is voor oe vriendelijkheid, om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; ’t is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven enhelpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: ’t is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is.”“Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?” vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: “dat heb ik nooit geweten.”“Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier.”“Feurich!” herhaalde Ulrica: “o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in ’t bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?”“Jaô, lieve Freule!” gaf deze ten antwoord: “en hum heit in zijn leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd, toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten als hun grootvaôder.”Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke veder gedroomd had.“En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?” vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.“Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent,” zeide Gheryt: “toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft.”“Jaô,” zeide de oude vrouw: “Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet ehad als een blok aan ’t been, hum had wel verder voortkomen: maôr hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen alleen laôten zitten.”“Zoo ik moeder had laôten zitten,” hernam Gheryt, “dan ware ik immers geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten, toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets doen, dan ’t geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft.”“Kom! kom!” zeide de oude vrouw: “ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo’n braôven zoon als mijn Gheryt.”“Wel, moeder!” hervatte Gheryt: “oe zoudt mij konfuis maôken. En wat zoude de Freule met zoo’n lomperd van een zoon maôken?”“Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft,” zei de moeder: “wat denkt er de Freule van?”“Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken,” antwoordde de Freule: “maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen.”“Nu, die tijd is misschien zoover niet af,” hernam de oude vrouw: “ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren.”“Amen!” zeide de Freule zuchtende.“Draagt gij die kleeren ’s Zondags, Gheryt?” vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.“Die kleeren daôr?—neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke te snorken.”“Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt,” zeide de Freule: “kom, Magdalena!”“Tot uw dienst, Freule!” zeide deze: “het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die Mijnheer van morgen verwacht.”“Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!” zeide de jonkvrouw: “er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat als gij.”“Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd,” hervatte Magdalena: “maar,” voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag, en zuchtte: “voor wie?”“Gaôt gij al heen, Freule?” vroeg Gheryt: “en dat zonder mijn verken te zien!”“Uw varken!” zeide Ulrica lachende: “mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig ben.”“Jaô maôr, Freule!” hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: “ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen oogen van ewagen kunnen;—want ik had nogal hoop om.... ik zoude gaôrne.... weet oe?....”“Ik begrijp er niets van,” hernam Ulrica: “of gij moest verlangen het mij te verkoopen?”“Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld.”“Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, dochwaarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige.”“O!” vervolgde Gheryt: “ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat.....”“Op een anderen tijd, Gheryt!” zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. “Ja, Freule:” zeide Magdalena, het in de hand nemende: “dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware.”De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.“Mijn hemel, Freule!” zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: “wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?””’t Is niets, Leentje! ’t is niets!” antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena’s arm leunende: “’t gaat alweder over: ’t was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen.....” en zij berstte in tranen uit.“Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt,” merkte de deftige kamenier aan: “maar niet dat men in tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer goed naar boven.”“Ik ben kinderachtig,” zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: “ik ben kinderachtig: doch waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan.”“Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?” vroeg Magdalena.“O neen! voor geen geld van de wereld,” zeide Ulrica haastig: “ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn.”“Was het ook,” zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder scheen: “was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet....”“Ja, Leentje!” antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande:“het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij opgevoed is.... die....”“Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden.”“Dezelfde!—Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren....”“UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen,” zeide Magdalena: “het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is.”“Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?”“Ik weet niet, Freule!” merkte de kamenier met nadruk aan: “of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!”“En ik weet niet,” hervatte Ulrica op een scherpen toon, “met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren.”“Verschoon mij, Freule!” zeide Magdalena: “ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde liefde.”“En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?” vroeg Ulrica.“Wie?—de gansche wereld.”“Zoo!—ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat.”Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij ’t uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen.“Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?” vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengenop het punt waar zij gebleven waren, “is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?”“Men zegt zoo.”“Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen.”—Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen toon:“De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden uit het leger gekomen.”“Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is.”Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken. “Verbeeld u, Freule!” ging zij voort: “dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen.”“Magdalena!” zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: “gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden.”“Verschoon mij, Freule!” hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: “verschoon mijn dwaasheid van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien.”Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, ’t zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, ’t zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of zelfs verlangd had.Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met zijnfidus Achates, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.“Is ’t mogelijk?” riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: “kan ’t zijn, dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?”“Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw ontvangst in gereedheid te brengen.”“Ik voel dien zet,” zeide de Ambtman met een buiging: “Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!”....“In ’s Hemels naam, Heer Ambtman,” zeide Ulrica lachende: “laat ons geeneuphuïsmebeginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten.”“Gewis!” zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog onbekend was: “al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!” riep hij uit, Magdalena herkennend: “Wie is daar?”“Wat rammelt gij toch, Botbergen?” vroeg Mom: “merkt gijnietwie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van ’t Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend.”“Dat is zijn beste aanbeveling,” zeide Ulrica, onder ’t voortgaan een hoofdbuiging makende.“Ik verzoek verschooning in dit geval,” zeide Botbergen, “dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn.”“Zijt gij dol, Elbert?” riepde Ambtman wrevelig uit: “is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil.”“De weg is vrij,” zeide Ulrica: “doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen.”“Is er een genoegen,” zeide Mom, terwijl hij afsteeg, “dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?” Dit zeggende, gaf hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van ’t aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk de hand.“Ik verzoek nogmaals om verschooning,” zeide hij, “indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is.”“Ik wist niet,” zeide Ulrica, “dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel.”“UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig is.”“Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan.”“De Freule heeft wel deugdelijk gelijk,” riep Botbergen uit,“de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.Dus eenighAlleenighTe zijnIs pijn.Dus laat ons beyd.O soete meyd!Versamen eens in vrolickheyd.en ’t geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven.”“Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?” vroeg Mom, “gij, die nooit in kerk of kapel komt!”“Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich,” antwoordde Elbert met inzicht; “ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet.”“Dan begrijp ik,” zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, “dat het met de ware religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen.”“Magdalena!” zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in ’t gesprek mengde: “het wordt u immers niet gevraagd!”“Foei! foei! mijn waarde Freule!” riep Elbert: “frons dat lievevoorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!”“En waarom moet ik zuur aangezien worden?” vroeg Mom, bevreemd opziende: “ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien bevalligen mond zoude geven.”“Wel!” zeide Botbergen, “omdatZiet u een maeghtWat toornig an,Als gij haar vraegt,Denk dan, goê man!Dat g’haar behaegt:Hoe zuurder dat een meisje kijkt,Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt.”“Ik moet bekennen, Mijnheer!” zeide Ulrica, glimlachende, “dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de eene of andere Rederijkerskamer?”“Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in ’t vak van liedekens weet, heb ik in ’t leger geleerd. Doch ik zing nooit recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat....”“Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!” viel de Ambtman in: “daar komt ge nooit tot uw eer af.”“UEd. heeft dan in ’t leger gediend?” vroeg de Freule.“Dat heb ik,” antwoordde Botbergen: “bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof.”“Zijnde zijn grootste lof en glorie,” merkte Mom aan, “dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug heeft gebracht in het vaderland.”“Waarlijk iets ongewoons,” zeide Ulrica: “en wie was die gelukkige?”“Zijn degen, Freule!” antwoordde de Ambtman.“Pots honderd tausent slapferment!” riep Botbergen, de hand aan ’t gevest slaande: “indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en....”“En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?” vroeg Mom lachende.“En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen,” vervolgde Botbergen, “gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in ’t leger....”“Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!” zeide Ulrica.“Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn,” zeide Botbergen,op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.“En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?” vroeg Mom. “Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan ’t spit of hem als een os den hals afgestoken?”“Neen!” antwoordde de snorker: “neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van ’t staal sprak: mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst.”“En hoe heette die windmaker?” vroeg Mom.“Hij droeg een naam,” antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: “waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst.”“Jonker Joan van Craeihorst!” herhaalde Ulrica, verbleekende.“Is hij UEd. bekend?” vroeg Botbergen haastig, “dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben.”“Onvoorzichtige!” riep Mom, een ontevreden houding aannemende: “die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze waardige Freule!”“Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!” zeide Elbert: “had ik dat kunnen denken, ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk, ik was verre van te denken....”“Indien het een onbedachtzaamheid was,” zeide Ulrica, “waarom zou ik die dan niet vergeven?”“UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?” vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld geslagen.Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. “Mijnheer!” zeide zij tot den Gelderschman: “ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit—en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon te wreken.”“Hoe Freule!” riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. “Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren,’t welk bezijden de waarheid was.” Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: “ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen.”Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in ’t werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den schijn van welwillendheid, zou doen hooren.“Kom! kom! Elbert,” zeide hij: “gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt.”“Maar pots tausent!” riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon te raden: “ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde.”“Geen woord meer over de gansche geschiedenis,” zeide Mom, op een gebiedenden toon: “ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht,” vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen toon: “Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;—want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit een oude gewoonte:—ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven kleven.”“Gij zult mij vermaak doen,” zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; “doch wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten.”Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal vanElbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan ’t hoofd, bezig waren aan ’t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde.“O! zijt gij het Bouke!” riep Ulrica: “u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven.”“Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd,” zeide Bouke: “wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en dag heugen zal.”“St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen, zelf gedaan.”“Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? ’t kan niet wezen.”“Ik ken uw jonker niet,” zeide Magdalena: “maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren.”“Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?” vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: “het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.—Wat hamer Sijmen!” riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: “nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je komen, als je ’t niet beter weet!—nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet opdenrug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer.” Met deze woorden keerde hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.
Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,En schilderde averechts met een verward penseelGemengde vormen en de deelen voor ’t geheel.Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepenEn in een werktuig, naar den eisch van ’t ligt, begrepen,In eene donkere zaal, op ’t wit paneel der wantOns beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.Antonides.
Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,En schilderde averechts met een verward penseelGemengde vormen en de deelen voor ’t geheel.Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepenEn in een werktuig, naar den eisch van ’t ligt, begrepen,In eene donkere zaal, op ’t wit paneel der wantOns beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.
Het zwoegende ingewant, ontstoken als een oven,
Dreef met benaeuden damp de vlammen op naar boven,
En schilderde averechts met een verward penseel
Gemengde vormen en de deelen voor ’t geheel.
Gelijk het kunstglas, naar zijne eigenschap geslepen
En in een werktuig, naar den eisch van ’t ligt, begrepen,
In eene donkere zaal, op ’t wit paneel der want
Ons beelden maelt, maar alle in omgekeerden stant.
Antonides.
Terwijl de gulle en eerlijke landbewoners hun eenvoudig avondmaal nuttigden en Gheryt zijn wedervaren te Tiel aan het naar hem luisterend gezin verhaalde, had zich de vreemdeling in het klein, maar zindelijk opkamertje, dat hem tot nachtverblijf was aangewezen, geheel ontkleed. Het was geen gemakkelijke zaak, de bedstede te genaken, welke hem tot rustplaats verstrekken moest; zij was ruim zes voet boven den grond verheven en kon niet dan door middel van een ladder bereikt worden. Aan onzen reiziger echter, die meermalen welverdedigde vestingen bestormd had, viel deze beklimming niet zwaar, en weldra zag hij zich in de legerstede als een arend in zijn nest verheven. Hij vleide zich nu met het aangename vooruitzicht van een goede nachtrust te genieten, sloeg zich de dekensdubbel om ’t lijf en rolde zich zelven als een kluwen ineen, om des te eerder warm te worden: dan, ondanks zijn vermoeienis, ondanks het hagelwitte beddegoed, ondanks de gemakkelijke ligging, welke hij gekozen had, hij zag zich in zijn hoop teleurgesteld. De overmaat der afgematheid zelve, de koortsachtige aandoening, welke hij gevoelde en de invloed, welken de gebeurtenissen van den dag op zijn hersenen en zenuwgestel maakten, beletteden zulks. Hierbij kwam, dat het opkamertje lang was gesloten gebleven, waardoor de lucht verdikt en bedorven was, vooral in de hooge en bijna aan den zolder reikende bedstede. Uren verliepen er, en het gansche huisgezin des landbewoners was reeds in een diepen slaap gedompeld, toen de vreemdeling nog in zijn lakens lag te woelen. Eerst met het aanbreken van den dag gelukte het hem, in te sluimeren: doch de pijnlijke en benauwde droomen, welke hem overvielen maakten dat de slaap, wel verre van eenige verkwikking aan te brengen, het brandend hoofd en de tintelende leden nog meer vermoeiden dan het waken zelf.
Een droom vooral, welke hem later, in den morgenstond overviel op dat tijdstip, waarin, gelijk men beweert, de droomen een meer stellige beduidenis hebben en meer dadelijke gevolgen zijn van de werking onzer verbeeldingskracht op onze gedachten, verdient om zijn zonderlingen aard een meer bijzondere vermelding. De jongeling verbeeldde zich, dat hij op den Rijndijk was neergezeten, bij het pad, dat hij den avond te voren was langs gekomen om des huismans woning te bereiken. De verbeelding zet bij al wat zij ons schildert nog sterkere kleuren bij dan de waarheid geven kan: zoo was ook het maangezicht, waarop onze reiziger in zijn droom bleef staren, nog heerlijker dan de wezenlijkheid zelve. Terwijl hij nu in gepeins aan den oever der rivier gezeten was, bezag hij zijn gewaad en bevond tot zijn verbazing, dat hij een geestelijk kleed aanhad, en wel dat van den Prior, van wiens wondere heiligheid hem door Gheryt was verhaald geworden. Dan, opziende, zag hij nu met geen mindere bevreemding, het duiveltje met de kaars in de hand naast hem zitten, en wel zoo dicht, dat het schijnsel der vlam hem belette de overzijde te zien. Dat duiveltje had volkomen de gelaatstrekken van den zoo raadselachtigen Van Dyk, of hoe hij heeten mocht. Terwijl hij er over peinsde, hoe zich best van het bijzijn eens zoo zonderlingen lichtblakers te ontslaan, ontdekte hij een jonkvrouw, welke in een fraaie zeeschelp gezeten en omstuwd door een drom van monniken, predikanten en edellieden, waaronder zich Mom en Groenhof bevonden, de rivier kwam afvaren en recht op hem aanhield. Zonder dat hij het gelaat der jonkvrouw onderscheiden kon, herkende hij haar (gelijk zulks in droomen meer geschiedt) aan een zekere ingeving, voor de Freule van Sonheuvel. Dadelijk stond hij op om haar te gemoet te gaan; doch ook het duiveltje stond te gelijk op en bleef hem de kaars voor de oogen zwaaien als met oogmerk om hem het gezicht der aankomenden te ontnemen. Woedend wilde de officier zijn degen trekken om het lastige nikkertje te doorboren; doch in de plaats van een lemmer haalde hij niets dan een lange hanevederuit de scheede en bleef verbijsterd staan. Het satannetje sprong nu, luidkeels lachende, van zijn zijde weg en op de schelp, welke, zich uit het water opheffende, met de jonkvrouw en het duiveltje verdween, terwijl de gansche hoop, die de schoone verzeld had, op den ongewapenden reiziger aanviel. Tegen de menigte niet bestand, vluchtte hij, kwam weder binnen het klooster der heilige Cecilia, doorkruiste het in alle richtingen, altijd op de hielen door de op hem verbitterde vijanden nagezeten, en ontmoette eindelijk een page, die hem beleefdelijk bij de hand nam en in een zijvertrek geleidde, alwaar hij een bejaarde, deftige dame vond, welke hem zoo teeder omarmde, dat hij, van aandoening overstelpt, in tranen uitbarstte en op dat tijdstip ontwaakte.
Spoedig echter sliep hij weder in, en de nachtmerrie, welke hem nu plaagde, was van nog erger natuur dan de vorige. Thans lag hij achterover in de breede gracht der stad Tiel, en op zijn borst zat de eerzame Klaas Meinertz te paard, die hem met de knieën de ademhaling belette, terwijl Teun Wezer, de veerman aan de Waal, den armen lijder met een schuitriem op het hoofd sloeg. Hij wist echter tusschen de beenen van den ouden schrijnwerker door te kruipen en wilde tegen een muur opklauteren, toen de hem onbekende Abdis van Sinte Cecilia toetrad en hem achteroversmeet, zoodat hij tuimelde en van een vrij aanmerkelijke hoogte nederviel; want bij het ontwaken bevond hij zich op den vloer van het vertrek aan den voet der bedstede liggen, en de pijn, welke hij in de lenden gevoelde, belette hem wel, ook dit voor een droom aan te zien.
Hij stond op en wierp het venster open. De zuivere en aangename morgenlucht, die hem tegenkwam en het vertrek vervulde, bracht hem de verfrissching aan, welke hij vruchteloos in den slaap gezocht had. Nadat hij een lange wijl de oogen had doen weiden over het bevallige landtooneel, dat zich voor hem opdeed, en hetwelk reeds gestoffeerd werd door onderscheidene arbeiders, die hun dagwerk verrichten gingen, begon zijn hoofd weder te hangen en zijn oogen sloten zich. Overtuigd, dat vooral de bedomptheid van het vertrek zijn droomen zoo zwaarmoedig gemaakt had, besloot hij het raam open te laten, en zich weder in het bed te begeven. Nu eindelijk genoot hij een rustige, verkwikkende sluimering, en, bij zijn ontwaken, gevoelde hij zich weder een geheel ander mensch, in staat om nieuwe vermoeienissen te doorstaan.
Opgerezen, schoot hij de kleeren van Gheryt Maessen weder aan, daar zijn eigene bij den haard in het benedenvertrek waren gebleven, en maakte hij zich gereed derwaarts te gaan, toen hij uit dat benedenvertrek een vrouwenstem hoorde komen, welke hem bekend voorkwam, ofschoon zij aan geen der inwoners van de boerderij behoorde. Hij plaatste, om zich van de waarheid zijner opmerking te overtuigen, het oog voor het sleutelgat, en werd het volgende tooneel gewaar.
Naast de bedstede, waarin de zieke vrouw gezeten was, bevond zich een jonge, welgekleede juffer, die de eene hand der lijderesse in de hare hield, en, op een deelnemenden toon, naar den staat vanhaar gezondheid vroeg. Bevalliger voorwerp dan deze jeugdige schoonheid was ongetwijfeld zelden in hut of hof gezien geweest. Over haar sprekende, groote blauwe oogen, wier gewone majesteit in dit oogenblik door den zachten invloed van medelijden en deelneming getemperd werd, vertoonden zich twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk afgeteekend op het spierwit, met blauwe adertjes doorkronkeld voorhoofd. Twee golvende haarvlechten vielen naar de toenmaals heerschende manier langs den blanken hals op den zwellenden boezem af, wiens heerlijke vormen zich slechts gissen lieten onder het hooge ochtendkleed en den breeden kraag, welke de jonkvrouw tegen de morgenlucht beveiligden. Het rozerood mondje, ten halve tot een vriendelijk lachje geopend, vertoonde twee rijen van hagelwitte en in grootte volkomen gelijke tandjes: het eirond kinnetje en de anders misschien wat al te bleeke, doch thans door de beweging met een frissche kleur geverfde wangen, waren met kuiltjes voorzien, die de droefgeestige tint, welke op het gelaat verspreid was, op een bevallige wijze afbraken: in ’t kort, het geheel leverde een alleraanminnigst voorkomen op, waarin ernst en minzaamheid, droefheid om eigen leed en belangstelling in den toestand van anderen zoo duidelijk te lezen waren, dat de Freule (want dit was de rang der schoone) ongetwijfeld ware gekozen geweest, indien men een natuurlijk afbeeldsel der Christelijke hoofddeugd, de liefdadigheid, had willen daarstellen.
Naast de Jonkvrouw stond Gheryt Maessen, die reeds zijn vroege ochtendwerk verricht had en voor het ontbijt was teruggekeerd: hij staarde, terwijl hij over een stoel leunde, de weldoenster van zijn huisgezin met een open mond en een gullen blik aan. De oude vrouw was bezig het ochtendeten te bereiden, waar de kinderen reeds naar hunkerden, en inmiddels was zij in een druk gesprek gewikkeld met de kamenier der Jonkvrouw, welke bij haar stond, en waarvan wij onzen lezer niets zullen zeggen, vermits hij reeds lang met haar bekend is.
“Zoodat gij u, over ’t geheel, beter bevindt dan laatst,” zeide de Jonkvrouw met een zachte en vriendelijke stem tegen de bedlegerige vrouw.
“Ongelijk beter, Freule!” was het antwoord: “en ik mag het wel voornamelijk dankweten aan oe vriendelijkheid. Ik hoop morgen op te komen, zoo alles welgaôt: en dan, met Gods hulp, aanstaônden Zundag mijn iersten kerkgang te doen.”
“Wij zijn zooveel in oe schuld, mijn lieve Freule!” zeide Gheryt, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, “dat wij oe nooit zullen kunnen vergelden.”
“Spreek daar niet van,” hernam de Freule, “voor eenige nietige drankjes, die ik u heb laten klaarmaken.”
“Neen, Freule!” zeide Gheryt met warmte: “het is niet alleen voor die drankskes, dat ik oe dankbaôr ben: ’t is voor oe vriendelijkheid, om mijn goede vrouw van het eerste oogenblik van heur ziekte zoo trouw te komen bezoeken, alsof ze oe maôgschap waôre; ’t is voor oe dienstigheid en zorg, om alles wat heur laven enhelpen kost, oet te denken en heur te doen eworden: ’t is voor de eer, die oe aan mijn nederige woning hebt edaôn, dat ik oe dankbaôr ben. Vaôder moge zooveel hum wil, spreken van zijn ongelijkelijke Mevrouw van Nassau, ik zeg maôr, dat onze lieve Freule van Sonheuvel gaôr zoo goed is.”
“Woont uw vader bij de Gravin van Nassau?” vroeg de jonkvrouw met eenige bevreemding: “dat heb ik nooit geweten.”
“Dat is te zeggen, Elskes vaôder, Feurich, die dient er als koetsier.”
“Feurich!” herhaalde Ulrica: “o! dien ken ik zeer goed: hij heeft mij dikwijls in ’t bosch rond laten rijden. Een goede, brave, ronde Bergsman! En is hij uw vader, Elske?”
“Jaô, lieve Freule!” gaf deze ten antwoord: “en hum heit in zijn leven ook ander werk edaôn dan paôrden mennen. Hum was in zijn tijd, toen de olde Graôf van Falckestein nog leefde, de aanvoerder van zijn Haôneveeren en een wakker ruiter, dat beloof ik oe. Daôr op den schoorsteenmantel in die porseleinen pot staôt nog de haôneveer, die hum op zijn helm droeg en die hum mij egeven heit om an de kinderen te wijzen en hun te zeggen, dat zij altijd braôf en trouw zijn moeten als hun grootvaôder.”
Hier wendde de officier het oog, dat tot nog toe op de Freule was gevestigd geweest, naar den schoorsteenmantel, en nu herinnerde hij zich die haneveder ook den vorigen avond opgemerkt te hebben, waaruit hij de omstandigheid verklaarde, dat hij juist van een dergelijke veder gedroomd had.
“En waar hebt gij dan kennis met de dochter van Feurich gemaakt?” vroeg de Freule, zich weder tot Gheryt keerende.
“Jaô, dat is nu tien, twaôlf jaôren eleden, of daaromtrent,” zeide Gheryt: “toen was ik bij Duisburg boerewerk gaôn doen, want mijn vaôder woonde tusschen Maôs en Waôl; Mevrouw van Nassau was ook weer op heur slot te Bruck ekomen en zoo maôkte ik door de nabuurschap kennis met Elske. Na ons trouwen kwam ik, omdat vaôder estorven was en ik moeder niet alleen kon laôten zitten, weer bij haôr en werd al spoedig tot veerman anësteld: maôr oe weet, dat die vreugd kort eduurd heeft.”
“Jaô,” zeide de oude vrouw: “Gheryt heeft al wat ezien in zijn leven, en wat met moeder moeten optrekken en rondzwerven. Had hum mij niet ehad als een blok aan ’t been, hum had wel verder voortkomen: maôr hij is altijd een vrome zoon eweest en heit zijn moeder niet willen alleen laôten zitten.”
“Zoo ik moeder had laôten zitten,” hernam Gheryt, “dan ware ik immers geen knip voor den neus waôrdig eweest. Heit moeder mij laôten zitten, toen ik een klein en hulpeloos knaôpje was? Ik kan heur immers niets doen, dan ’t geen zij mij duizendmaôlen edaôn heeft.”
“Kom! kom!” zeide de oude vrouw: “ik mag oe wel prijzen: er zijn zooveel zoons, die nooit naôr heur moeder omzien; maôr oe zult er oe loon voor hebben: oe zoons zollen oe ook wel behandelen als zij groot zijn, althans ik hoop het: en oe ook, Freule! wensch ik, als oe eens trouwen meugt, zoo’n braôven zoon als mijn Gheryt.”
“Wel, moeder!” hervatte Gheryt: “oe zoudt mij konfuis maôken. En wat zoude de Freule met zoo’n lomperd van een zoon maôken?”
“Nu! ik meen, wat de getrouwigheid en dankbaôrheid betreft,” zei de moeder: “wat denkt er de Freule van?”
“Een brave zoon als de uwe zou alle moeders gelukkig maken,” antwoordde de Freule: “maar daar denken wij nog niet aan: eerst moet ik zoo een braven man hebben zooals hij is, en komen die tijden, dan komen die plagen.”
“Nu, die tijd is misschien zoover niet af,” hernam de oude vrouw: “ik heb al zoo wat hooren mompelen. Kleur maôr niet, Freule! Ik hoop de goede God zal alles ten beste keeren.”
“Amen!” zeide de Freule zuchtende.
“Draagt gij die kleeren ’s Zondags, Gheryt?” vroeg de kamenier, met een schamperen lach op het lederen buis en de hozen des vreemdelings wijzende, die nog voor het vuur te drogen hingen.
“Die kleeren daôr?—neen, die zijn van een reiziger, die den nacht bij mij is over ebleven: hum leit daôr nog op dat bovenkaômerke te snorken.”
“Dan zullen wij maken weg te komen, eer hij wakker wordt en ons hier vindt,” zeide de Freule: “kom, Magdalena!”
“Tot uw dienst, Freule!” zeide deze: “het zal onze tijd ook worden: de bloemvazen moeten nog opgesierd worden eer de gasten komen, die Mijnheer van morgen verwacht.”
“Nu! dat is voor u het werk van een oogenblik, Leentje!” zeide de jonkvrouw: “er is niemand die zich op het bloemenschikken zoo verstaat als gij.”
“Ook heb ik het veel gedaan in mijn jeugd,” hervatte Magdalena: “maar,” voegde zij er zachtkens bij, terwijl zij ten hemel opzag, en zuchtte: “voor wie?”
“Gaôt gij al heen, Freule?” vroeg Gheryt: “en dat zonder mijn verken te zien!”
“Uw varken!” zeide Ulrica lachende: “mijn goede Gheryt, ik heb zooveel varkens in mijn leven gezien, dat ik naar het uwe niet nieuwsgierig ben.”
“Jaô maôr, Freule!” hernam Gheryt, op een toon, die aanwees hoeveel prijs hij er op stelde, dat zijn verzoek hem werd toegestaan: “ons verken is geen verken als een aôr: weet oe wel, dat het 560 pond weegt: en dan.... als oe het gezien had, zoude oe er met eigen oogen van ewagen kunnen;—want ik had nogal hoop om.... ik zoude gaôrne.... weet oe?....”
“Ik begrijp er niets van,” hernam Ulrica: “of gij moest verlangen het mij te verkoopen?”
“Neen, dat is het niet, Freule!.... alleen maôr.... oe weet, dat de Utrechtschen binnenkort een hofbeer naôr Den Haôg sturen: als ik nu zoo gelukkig mocht zijn, dat mijn verken daôrtoe ekozen werd, en oe wolde mijn voorspraôk zijn; want de verkooper van het verken mag het naôr Den Haôg brengen en wordt kost- en schadeloos esteld.”
“Aha! nu begrijp ik, waarom ik het varken moest zien, dochwaarlijk mijn krediet is zeer gering, en althans in zulke omstandigheden ben ik geen zaakkundige.”
“O!” vervolgde Gheryt: “ik heb juist hammen ekocht om niet aan mijn fraaien hof beer te raken: en als oe er maôr een woord met den heer Ambtman van sprak, dan ben ik overtuigd, dat.....”
“Op een anderen tijd, Gheryt!” zeide de Jonkvrouw, zich omdraaiende, om de kleur te verbergen, welke haar gelaat bedekte. Door deze lichaamswending vielen haar oogen op de kleeren des reizigers en voornaamlijk op den groenen bandelier die, van nabij beschouwd, zeer aardig geborduurd bleek te zijn met tien verschillende kleuren van groen. “Ja, Freule:” zeide Magdalena, het in de hand nemende: “dat werk is zoo net en keurig gedaan of het uw eigen ware.”
De Jonkvrouw naderde en beschouwde den bandelier eerst met onverschilligheid, vervolgens met aandacht, eindelijk, als uit haar geheele houding bleek, met ontsteltenis. Haar kleur verschoot, zij kneep Magdalena bevend in de hand, keerde zich om, wenschte den huisgenooten vaarwel en spoedde zich, zonder naar hun herhaalde dankbetuiging en heilwenschen te hooren, de deur uit met een zoo overhaasten stap, dat Magdalena haar nauwelijks volgen kon.
“Mijn hemel, Freule!” zeide deze, terwijl zij zich, den dijk langs, naar het veer begaven: “wat schort u? Gij zijt ontsteld! gij beeft! welke plotselinge schrik heeft u bevangen?”
”’t Is niets, Leentje! ’t is niets!” antwoordde Ulrica, stilstaande en op Magdalena’s arm leunende: “’t gaat alweder over: ’t was de benauwdheid: er was wat rook in mijn keel geslagen.....” en zij berstte in tranen uit.
“Ik heb wel gehoord, dat men schreit, als er rook in de oogen komt,” merkte de deftige kamenier aan: “maar niet dat men in tranen uitberst, althans niet als de rook enkel in den mond komt. Daarenboven brandde, zooveel ik gezien heb, het vuur zeer helder, en steeg de rook zeer goed naar boven.”
“Ik ben kinderachtig,” zeide de Jonkvrouw, haar tranen afwisschende, doch met snikken voortgaande: “ik ben kinderachtig: doch waarlijk, ik kon het niet helpen: ik gevoelde mij opeens zoo zonderling te moede.... misschien heeft het bezoek mijn zenuwen aangedaan.”
“Willen wij niet terugkeeren en u een glas water geven?” vroeg Magdalena.
“O neen! voor geen geld van de wereld,” zeide Ulrica haastig: “ik zou mij dood schamen: het wandelen zal mij goeddoen. Geef mij uwen arm en laat ons wat aanstappen: ik zal spoedig weder beter zijn.”
“Was het ook,” zeide de kamenier, nadat zij een poosje zonder te spreken waren voortgewandeld en de Jonkvrouw eenigszins bedaarder scheen: “was de rook, die u hinderde, ook bijgeval de wasem, die uit den groenen bandelier opsteeg? Gij zucht, Freule! Zou ik het waarlijk geraden hebben? Ik begrijp niet....”
“Ja, Leentje!” antwoordde Ulrica, beschaamd de oogen nederslaande:“het was die groene bandelier: ik moet het u wel bekennen, omdat gij het zoo dadelijk raadt, en omdat ik het voel, dat mijn kleur mij verraden heeft. Ach! die bandelier herinnert mij een soortgelijken, dien ik, toen mijn neef.... weet gij, Leentje! die wees, die met mij opgevoed is.... die....”
“Ik weet al wie UEd. bedoelt: dien Spaanschen voedsterling van Mijnheer, die naar Bohemen vertrokken is, eenige jaren nu geleden.”
“Dezelfde!—Bij dat vertrek vervaardigde ik voor hem een degenhanger, juist gelijk aan dengenen, dien wij daar zagen en ik kon niet nalaten, mij zulks te herinneren, en daarbij al de genoegens, die ik met dien besten jongen gesmaakt heb.... en de hartelijkste vriendschap, die ik hem toedr....oeg.... toen wij kinderen waren....”
“UEd. heeft gelijk er dit laatste bij te voegen,” zeide Magdalena: “het zou thans weinig passen hem genegen te zijn, nadat UEd. de overtuiging heeft, dat hij een Spanjaard, althans van Spaansch ras is.”
“Kan hij het helpen, Magdalena? Heeft hij zich zelven zijn ouders kunnen kiezen? O! zoo gij hem gekend hadt, gij ook hadt hem liefgehad. Iedereen op het slot, in het dorp, in het leger, had hem lief. Zingen onze goede Dominee, de oude Geert en Bouke niet om strijd zijn lof? Bemint mijn vader hem niet alsof hij zijn eigen zoon ware? en kan mij iemand ten kwade duiden, dat ik hem met zuster-teerheid bemin?”
“Ik weet niet, Freule!” merkte de kamenier met nadruk aan: “of die zusterlijke liefde den Heer Ambtman erg aan zou staan!”
“En ik weet niet,” hervatte Ulrica op een scherpen toon, “met welk recht zich de Heer Ambtman over mijn gevoelens zou bekommeren.”
“Verschoon mij, Freule!” zeide Magdalena: “ik beken, dat zijn ambtsgericht zich niet over de neigingen evenals over de bezittingen van anderen uitstrekt; maar ik dacht, dat hij als uw aanstaande echtgenoot ten minste eenige aanspraak mocht hebben op uw onverdeelde liefde.”
“En wie zegt, dat hij mijn aanstaande echtgenoot is?” vroeg Ulrica.
“Wie?—de gansche wereld.”
“Zoo!—ik dacht, dat ik de eenige persoon was, die hieromtrent beslissend spreken kon; doch het is hieromtrent als met meer dingen: elk weet, wat van de zaak is en spreekt er op stelligen toon over, behalve degene, wien zij aangaat.”
Hier werd heur gesprek afgebroken, doordat zij aan het veer gekomen waren, alwaar de oude veerman haar reeds in zijn boot verbeidde, terwijl zijn knecht wat verder aan de groote veerschuit stond te wachten op eenige ruiters, die hij in de verte van de zijde van Tiel zag aankomen. Met kracht van riemen bracht de grijsaard de beide vrouwen naar de overzijde, en dankte zeer beleefdelijk de Freule (toen deze bij ’t uitstappen hem een driedubbel veergeld betaalde) voor de eer, die zij aan zijn bootje had bewezen.
“Is het waar, wat ik gehoord heb, Freule?” vroeg, toen zij verder opwandelden, de kamenier, die het gesprek scheen te willen terugbrengenop het punt waar zij gebleven waren, “is het waar, dat de Koning van Bohemen hals over kop herwaarts komt?”
“Men zegt zoo.”
“Dan zal misschien ook uw.... hoe zal ik hem noemen?.... uw vriend weldra terugkeeren.... maar wat praat ik?.... alsof hij UEd. niet zou geschreven hebben, wanneer hij weder hier dacht te wezen.”—Hier zag zij haar meesteres vragend aan. Deze antwoordde op een onverschilligen toon:
“De laatste brief, dien mijn vader van hem ontvangen heeft, meldde, dat hij gezond en wel was: sedert zijn er, althans hier, geen boden uit het leger gekomen.”
“Dan zal hij UEd. misschien zelf komen verrassen; ware het nu niet beter, Freule (verschoon mijn vrijpostigheid; maar ik heb meer jaren, en helaas! meer ondervinding dan UEd.) dat men hem vooreerst niet te lang op het slot vertoeven liet om de jaloezie van den Heer Ambtman niet op te wekken? want deze is jaloersch, gelijk iedereen die waarlijk verliefd is.”
Ulrica zag, op het hooren van dezen zonderlingen en ongevergden raad, haar kamenier aan met een ontevreden en verwonderden blik, haalde de schouders op en vervolgde haar weg zonder een woord te spreken. Magdalena liet zich echter hierdoor niet afschrikken. “Verbeeld u, Freule!” ging zij voort: “dat die Spanjaard en de Heer Ambtman elkander bij uw vader aantroffen. Het kan niet missen, of de tegenwoordigheid van een jongeling, die vertrouwelijk, ja broederlijk, met u omgaat en aan wien UEd. wederkeerig blijken van genegenheid geeft, zal den naijverigen minnaar, die tot nog toe alleen de begunstigde was, grieven: onrust, nijd, twist en de hemel weet wat meer, kunnen hiervan de gevolgen wezen.”
“Magdalena!” zeide de Freule, het hoofd met waardigheid opheffende: “gij kent mij. Ik ben niet trotsch, niet hoog jegens mijn minderen. Ik schuw geen gesprek ook met de dienstboden, en leg iemand noode het zwijgen op, hoeveel meer aan u, voor wie ik achting heb. Maar thans ben ik verplicht u te verbieden verder een woord te reppen over het onderwerp, dat gij zoo allerongelukkigst tot stof onzer samenspraak gekozen hebt. Het past u niet, zulks te behandelen; niet omdat gij mijn kamenier zijt; maar omdat het niemand, behalve mijn vader, voegt, mij op een dergelijke wijze over een zaak van zoo teederen aard te onderhouden.”
“Verschoon mij, Freule!” hervatte Magdalena op een koelen toon, die van bitsheid niet vrij was: “verschoon mijn dwaasheid van te denken, dat de erfdochter van Sonheuvel boven haar gelijken verheven was, en dat zij somwijlen het oor aan goeden raad wilde leenen. Ik zie, dat ik mij bedrogen heb in deze omstandigheid; maar ik hoop slechts, dat UEd. nimmer mijn vrees bewaarheid moge zien.”
Het verwijt trof Ulrica; doch zij hield zich overtuigd, welgedaan te hebben, en antwoordde dus niet. Ook zweeg Magdalena, ’t zij dat zij geen trek had zich aan een nieuwe bestraffing te wagen, ’t zij dat zij de uitwerking, welke haar gezegde gehad had, wel verwacht of zelfs verlangd had.
Nadat zij eenige schreden waren voortgetreden, deed een gerucht van naderende ruiters beiden omzien, en zij ontdekten den Ambtman met zijnfidus Achates, Elbert van Botbergen, benevens eenige dienaars, die heur op een goeden draf achterop kwamen rijden.
“Is ’t mogelijk?” riep Mom, die, zooras hij Ulrica gewaarwerd, zijn paard intoomde, gelijk de overigen deden: “kan ’t zijn, dat het eerste voorwerp, dat zich aan deze zijde des Rijns aan mijne oogen voordoet, onze bevallige gastvrouw zijn moet? Mag ik reeds zoo vroeg het doel mijner reis, het toppunt mijner wenschen bereiken?”
“Het voegt mij, UEd. om verschooning te vragen, dat UEd. mij hier nog ontmoet, daar ik reeds op het slot moest wezen om alles voor uw ontvangst in gereedheid te brengen.”
“Ik voel dien zet,” zeide de Ambtman met een buiging: “Ik kom te vroeg; doch het verlangen om u te zien, mijn waarde Freule!”....
“In ’s Hemels naam, Heer Ambtman,” zeide Ulrica lachende: “laat ons geeneuphuïsmebeginnen in den smaak van sommige Haagsche hofheeren, die in Engeland fraaie manieren geleerd hebben. Wij zijn hier op het land: wij moesten de plichtplegingen daarlaten.”
“Gewis!” zeide Botbergen, die van de gansche samenspraak niets gehoord had en alleen op de laatste woorden lette van Ulrica, die hem nog onbekend was: “al die snorrepijpen en tilerantijntjes dienen nergens toe: ik zeg daarom eenvoudig: goên dag, meiske! ik had niet gedacht, dat wij nog zoo een knappe deerne zouden zijn tegengekomen, na de varkens, die ons van morgen aan de poort ontmoet hebben, daar zulks anders zelden iets goeds beduidt. Nu, dit geeft weder goeden moed; doch laat ons wat voortjassen, Ambtman! anders komen wij te laat op het slot;.... maar pots honderd tausent slapferment!” riep hij uit, Magdalena herkennend: “Wie is daar?”
“Wat rammelt gij toch, Botbergen?” vroeg Mom: “merkt gijnietwie gij voorhebt? dit is de Freule van Sonheuvel, het pronkjuweel van ’t Sticht. Freule! ik stel u den Heer van Botbergen voor, een Geldersch edelman, mijn bijzonderen vriend.”
“Dat is zijn beste aanbeveling,” zeide Ulrica, onder ’t voortgaan een hoofdbuiging makende.
“Ik verzoek verschooning in dit geval,” zeide Botbergen, “dat ik zoo wat ongepast gesproken heb. Ik kende de Jonkvrouw niet: ook had mijn bijzondere vriend, de Heer Ambtman, mij wel wat vroeger mogen waarschuwen. Geloof, lieve Freule, dat ik, toen ik daareven van varkens sprak, geen gedachten had met wie ik sprak:.... gelieft UEd. ook op te zitten? mijn paard is zeer mak en er is plaats genoeg achter mij! dan kan de Freule gemakkelijker en spoediger te huis zijn.”
“Zijt gij dol, Elbert?” riepde Ambtman wrevelig uit: “is dat nu een voorstel? Wij zullen afstijgen en de Freule naar het slot begeleiden, indien zij ons zulk een groote eer vergunnen wil.”
“De weg is vrij,” zeide Ulrica: “doch het zou mij leed doen, indien de heeren om mijnentwil afstegen. De heeren zullen misschien verlangen spoedig op het slot te zijn en zich wat te ververschen.”
“Is er een genoegen,” zeide Mom, terwijl hij afsteeg, “dat bij het geluk mag halen, van u te vergezellen?” Dit zeggende, gaf hij de teugels van zijn paard aan een bediende over, veegde zich met den handschoen het stof van ’t aangezicht af en kuste Ulrica beleefdelijk de hand.
“Ik verzoek nogmaals om verschooning,” zeide hij, “indien ik zoo vroeg gekomen ben; doch UEd. begrijpt, dat, als men van zoo ver komt, men den tijd wat ruim neemt, vooral als het doel der reis zoo aangenaam is.”
“Ik wist niet,” zeide Ulrica, “dat UEd. zulk een liefhebber was van het kegelspel.”
“UEd. begrijpt mij niet, of liever UEd. verkiest mij niet te begrijpen: het is geenszins het kegelspel, noch zelfs het altijd vleiend en gul onthaal van den Heer Baron, dat mij voor den dag van heden zulk een genoegen belooft. Het geluk dat ik verlangde, ben ik reeds machtig geworden sinds ik UEd. mocht ontmoeten: en het staat aan u, Freule! dat geluk nog boven verwachting en hoop te vermeerderen, door mij op heden de verzekering te schenken, dat mijn vurigste zielswensch u niet geheel ongevallig is.”
“Waarlijk, Heer Ambtman! UEd. spreekt vandaag zoo hoofsch, dat een eenvoudig landmeisje als ik u niet verstaan kan.”
“De Freule heeft wel deugdelijk gelijk,” riep Botbergen uit,“de droes haal mij, als ik iets uit die opgesmukte woorden wijs kan worden. Waarom niet eenvoudig gezegd.
Dus eenighAlleenighTe zijnIs pijn.Dus laat ons beyd.O soete meyd!Versamen eens in vrolickheyd.
Dus eenigh
Alleenigh
Te zijn
Is pijn.
Dus laat ons beyd.
O soete meyd!
Versamen eens in vrolickheyd.
en ’t geen er verder volgt, zooals de Dominees zeggen als zij den Psalm opgeven.”
“Hoe weet gij wat de Dominees zeggen?” vroeg Mom, “gij, die nooit in kerk of kapel komt!”
“Uwe Hoogloffelijke Edelheid bedriegt zich,” antwoordde Elbert met inzicht; “ik ben gisteravond nog in de oefening geweest: daar waren leeraars en geestelijke personen bij de vleet.”
“Dan begrijp ik,” zeide Magdalena, zonder op te zien, doch luid genoeg om van elk gehoord te worden, “dat het met de ware religie zoo slecht gesteld is, als zulk een slag van lieden de oefeningen bijwonen.”
“Magdalena!” zeide op een bestraffenden toon de Jonkvrouw, die hoewel de geestigheden van den Gelderschman zeer ongepast oordeelende, het evenmin goedkeurde, dat haar kamenier zich in ’t gesprek mengde: “het wordt u immers niet gevraagd!”
“Foei! foei! mijn waarde Freule!” riep Elbert: “frons dat lievevoorhoofdje zoo niet en trek die wenkbrauwen wat minder te zamen. Laat dat meiske dat bij u is, zeggen wat zij wil: mij deert het niet. en UEd. moet er niet boos om worden: of zoo UEd. zuur wil kijken, zie dan mijn vriend den Ambtman zuur aan, hê! hê! hê!”
“En waarom moet ik zuur aangezien worden?” vroeg Mom, bevreemd opziende: “ik, die mijn leven voor een vriendelijken lach van dien bevalligen mond zoude geven.”
“Wel!” zeide Botbergen, “omdat
Ziet u een maeghtWat toornig an,Als gij haar vraegt,Denk dan, goê man!Dat g’haar behaegt:Hoe zuurder dat een meisje kijkt,Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt.”
Ziet u een maeght
Wat toornig an,
Als gij haar vraegt,
Denk dan, goê man!
Dat g’haar behaegt:
Hoe zuurder dat een meisje kijkt,
Hoe meer dat uw gevrij haar lijckt.”
“Ik moet bekennen, Mijnheer!” zeide Ulrica, glimlachende, “dat uw brein wel met rijmpjes gestoffeerd is. UEd. is zekerlijk lid van de eene of andere Rederijkerskamer?”
“Ik, Freule? de hemel beware mij! Neen! al wat ik in ’t vak van liedekens weet, heb ik in ’t leger geleerd. Doch ik zing nooit recht zuiver als ik nuchter ben. De stem en de maag staan bij mij in nauw verband, en dit is natuurlijk: de goede dingen, dat is bij voorbeeld de wijn, gaan mijn keelgat in en dan eerst komen de goede dingen, dat zijn de fraaie liedekens, mijn keelgat uit, zoodat....”
“Verwar u toch in geen redeneeringen, Elbert!” viel de Ambtman in: “daar komt ge nooit tot uw eer af.”
“UEd. heeft dan in ’t leger gediend?” vroeg de Freule.
“Dat heb ik,” antwoordde Botbergen: “bij den Koning van Bohemen: en al zeg ik het zelf, niet zonder glorie en lof.”
“Zijnde zijn grootste lof en glorie,” merkte Mom aan, “dat hij een maagd met zich gevoerd heeft, welke hij ongerept en ongedeerd terug heeft gebracht in het vaderland.”
“Waarlijk iets ongewoons,” zeide Ulrica: “en wie was die gelukkige?”
“Zijn degen, Freule!” antwoordde de Ambtman.
“Pots honderd tausent slapferment!” riep Botbergen, de hand aan ’t gevest slaande: “indien ik niet wist, dat UEd. spotswijze sprak en het beter meende, ik zou deze schande al dadelijk uitwisschen en....”
“En mijn bloed zou het eerste zijn, dat uw degen bevlekte, wilt gij zeggen, nietwaar?” vroeg Mom lachende.
“En ik zou u de punt van mijn staal doen voelen,” vervolgde Botbergen, “gelijk ik dien jongen snoeshaan deed, die in ’t leger....”
“Wel foei, Mijneheeren! gaat gij kijven in mijn tegenwoordigheid!” zeide Ulrica.
“Deze alleen ontwapent mijn rechtmatigen toorn,” zeide Botbergen,op een kluchtige wijze zijn lemmer half uithalende en weder in de scheede latende vallen.
“En wat hebt gij dien jongen snoeshaan gedaan, van wien gij spreekt?” vroeg Mom. “Hebt gij hem doorregen als een hoentje aan ’t spit of hem als een os den hals afgestoken?”
“Neen!” antwoordde de snorker: “neen, vriendje! het was maar bij manier van spreken, dat ik van de punt van ’t staal sprak: mijn kling was veel te edel om die anders dan op het slagveld te gebruiken; doch wat den pochenden windbuil betreft, van wien gij gewaagt, zoo heb ik hem, daar hij mij op een onbeschaamde wijze dorst hoonen, het gewicht mijns rottings doen voelen, zoodat hij, gelijk een haan, wien de kam is afgebeten, zich wegpakte en nooit weder in het kamp verschijnen dorst.”
“En hoe heette die windmaker?” vroeg Mom.
“Hij droeg een naam,” antwoordde Elbert, terwijl hij de Jonkvrouw aanzag met denzelfden blik, dien de hardvochtige heelmeester werpt op den ongelukkige, wiens arm hij af komt zetten: “waarop hij waarschijnlijk geen recht had, vermits de heerlijkheid, waarvan hij zich den titel aanmatigde, aan onzen edelen gastheer behoort. Hij stond op de monsterrol ingeschreven als Jonker Joan van Craeihorst.”
“Jonker Joan van Craeihorst!” herhaalde Ulrica, verbleekende.
“Is hij UEd. bekend?” vroeg Botbergen haastig, “dan spijt het mij iets te zijnen nadeele gezegd te hebben.”
“Onvoorzichtige!” riep Mom, een ontevreden houding aannemende: “die heer van wien gij spreekt, is de voedsterbroeder van onze waardige Freule!”
“Och, dat spijt mij.... ik verzoek duizendmalen om verschooning, waarde Freule!” zeide Elbert: “had ik dat kunnen denken, ik had hem in der tijd wel gespaard en er nu althans niet van gesproken. Nogmaals! vergeef mij deze onbedachtzaamheid; maar waarlijk, ik was verre van te denken....”
“Indien het een onbedachtzaamheid was,” zeide Ulrica, “waarom zou ik die dan niet vergeven?”
“UEd. denkt toch niet, dat ik het opzettelijk verhaalde?” vroeg Botbergen, door het gezegde der Jonkvrouw een weinig uit het veld geslagen.
Deze ontijdige en ongepaste verontschuldiging versterkte Ulrica in het vermoeden, dat zij reeds niet alleen omtrent het boosaardig opzet van Botbergen, maar ook omtrent de waarheid van zijn verhaal, had opgevat. “Mijnheer!” zeide zij tot den Gelderschman: “ik wist wel, dat men hem, die uit verre landen kwam, het voorrecht moest gunnen, zijn verhalen naar verkiezing op te sieren; doch die verzinselen moesten nimmer de eer gelden van iemand, die niets anders dan die eer bezit—en die telken dage wederom kan komen, om geleden hoon te wreken.”
“Hoe Freule!” riep Botbergen, de handen als van verbaasdheid ineenslaande. “Ben ik ongelukkig genoeg om voor een logenaar te worden aangezien? Mijn vriend, de Ambtman, kent mij te wel om geen getuigenis voor mij af te leggen, dat ik niets zou aanvoeren,’t welk bezijden de waarheid was.” Dit zeggende, zag hij Mom met een scheeven blik aan, als wilde hij zeggen: “ik ben er om uwentwil in geraakt: het is nu uw zaak, mij er weer uit te helpen.”
Dan Mom had hier vooreerst geen zin in. Hij zag, dat de list, die Botbergen volgens een tusschen hen gemaakte afspraak in ’t werk had gesteld, haar doel bij Ulrica miste, en hij vreesde, dat, indien hij de partij van Botbergen nam, de Jonkvrouw de volle waarheid gissen zou, het gemaakte plan doorzien en hem al haar achting ontnemen, waardoor hij de kans op haar hand verbeuren moest. Hij begreep dus, dat het zaak ware, van batterij geheel te veranderen en de partij van den afwezigen Joan te nemen: dit moest hem, naar zijn oordeel, bij Ulrica den naam van een grootmoedigen medeminnaar doen verwerven, haar vertrouwen in zijn betuigingen inboezemen en haar geloof doen hechten aan de lasteringen, die hij in later tijd tegen Joan, onder den schijn van welwillendheid, zou doen hooren.
“Kom! kom! Elbert,” zeide hij: “gij zult u in den naam vergissen. Ik kan niet denken, dat een jongeling, die door den Heer Baron van Sonheuvel is opgevoed en wien de beminnelijke Freule met haar achting vereert, zulk een lafbek zoude zijn, dat hij zich door u zou laten af kloppen. Ik zou dat sprookje maar niet verder uitkramen; want het mocht u eens kwalijk bekomen, als de Jonker van Craeihorst terugkomt.”
“Maar pots tausent!” riep Botbergen, die den Ambtman in den beginne met een oog vol verbazing had aangekeken, doch thans zijn doel begon te raden: “ik zweer u, dat ik geen woord terugneem van al wat ik gezegd heb: al wat ik tot verschooning van dien Jonker kan bijbrengen, is dat hij dronken was, toen hij mij beleedigde.”
“Geen woord meer over de gansche geschiedenis,” zeide Mom, op een gebiedenden toon: “ik kan niet verdragen dat men kwaad spreekt van een afwezige, die zich niet verdedigen kan. Ik begrijp het geval niet recht,” vervolgde hij zacht tegen Ulrica, op een gullen toon: “Botbergen is een snorder, dat is waar, doch niet van moed ontbloot;—want dat ik hem zooeven wat plaagde, geschiedde slechts uit een oude gewoonte:—ik kan niet denken, dat hij het geheele verhaal opzettelijk verzonnen heeft. Misschien was het zoo erg niet: ik zal het eens trachten uit te vorschen; want op den voedsterbroeder mijner Ulrica mag geen smet blijven kleven.”
“Gij zult mij vermaak doen,” zeide Ulrica, met een minzame hoofdbuiging, terwijl dankbaarheid in haar oogen flonkerde; “doch wij zijn aan het achterhek: hier, Mijneheeren! zullen wij u verlaten.”
Dit zeggende, trad zij, na een beleefde buiging voor den Ambtman, het bruggetje over, dat haar op het grondgebied des Barons bracht, en vervolgde haar weg met Magdalena door de tuinen van het slot, terwijl de edellieden, hun rossen weder bestegen hebbende, langs den zijweg voortstapten, om, verder op, de hoofdpoort in te gaan, inmiddels overleggende, hoe zij hun duistere voornemens tegen den goeden naam van Joan best zouden ten einde brengen.
De Jonkvrouw, op wier teeder gemoed de vergiftigde taal vanElbert meer indruk had gemaakt dan zij zich zelve wilde bekennen, gaf, zoodra een slingerboschje haar aan het gezicht van het waardig vriendenpaar onttrokken had, aan haar boezem lucht en stortte zulke bittere tranen, dat zelfs de arbeiders, die, met Bouke aan ’t hoofd, bezig waren aan ’t versieren der kegelbaan, het opmerkten toen zij er langs ging, en de oude dienaar haar naderde, om te vragen wat haar deerde.
“O! zijt gij het Bouke!” riep Ulrica: “u kan ik het zeggen; want Magdalena heeft het toch ook gehoord; het zal u bedroeven, gelijk het mij bedroeft. Men vertelt mij daar zooeven, dat Joan zich als een lafaard met stokslagen uit het leger had laten drijven.”
“Dat is een verd...de leugen, met verlof gezegd,” zeide Bouke: “wie zegt dat? ik zal hem zelven op zijn rug touwen, dat het hem jaar en dag heugen zal.”
“St! Bouke! niet al te driftig! het is de heer van Botbergen, een edelman, die met hem gediend heeft; die heeft het, naar zijn zeggen, zelf gedaan.”
“Hij liegt het, Freule! bij mijn ziel. Joan zich laten kloppen? ’t kan niet wezen.”
“Ik ken uw jonker niet,” zeide Magdalena: “maar ik kan toch niet inzien welk belang de Heer van Botbergen er in hebben zou, hem te belasteren.”
“Wat weet gij daarvan, Juffer Lena?” vroeg Joans oude krijgsmakker, driftig: “het spreekwoord zegt: alle koopers zijn geen kenners, en die haast koopt is haast bedrogen. Ge meugt dien Sinjeur van Boanberg zoo weinig belang toeschrijven als ge wilt: wanneer hij kwaad van onzen jonker spreekt, dan is hij geen knip voor zijn neus waard.—Wat hamer Sijmen!” riep hij, zich in de rede vallende om een der werklieden te recht te wijzen: “nu zet je de geut immers vlak verkeerd.... wacht ik zal bij je komen, als je ’t niet beter weet!—nu, zooals gezegd is, Freule! stel je hartje maar gerust: ik heb te lang met den Jonker over land en zee gezwalkt en gezworven, om niet te weten, dat hij geen kat is, die men zonder handschoen aan kan vatten: hij zal zich niet opdenrug laten trommelen, en wie daar tegen spreekt, dien draai ik den hals om, al was hij nog zoo een groot heer.” Met deze woorden keerde hij weder naar de werklieden, die, nu geëindigd hebbende met het versieren der kegelbaan, bezig waren om die tot het spel behoorlijk in gereedheid te brengen. Ulrica begaf zich zuchtende naar het slot, alwaar zij, gevolgd door Magdalena, keuken en kelders bezocht, om, tot onthaal van haars vaders gasten de noodige voorzieningen te maken.
Twingtigste Hoofdstuk.Menigh wil by dranck en spijsWesen wijs,Schoon hy is van wijn beschonken,Daar doch yeder kan bespiën,Dat dees liênSijn van sotte grillen droncken.Pers.Inmiddelswaren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in ’t veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen.“Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig,” zeide Reede: “en daarenboven! mag een vriend niet altijd een vriend medebrengen?”“Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen,” zeide Mom tegen zijn gastheer: “want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel, dan op dien van uw vriend.”“Zoo!” zeide Reede: “ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, hê! hê!” en hij begon hartelijk over zijn geestigheid te lachen.“Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!” antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: “en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf.”“En waarom niet, Heer Ambtman?” vroeg de Baron op een gulhartigen toon: “gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag.”“Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar isnog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor ’t minst onverschillig te zijn.”“Mijn dochter meent gij?—Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen.”“Is UEd. wel zeker,” vroeg Mom, zijn woorden wegende, “dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?”“Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan.”“Dat zegt juist niet veel,” merkte Botbergen lachende aan. “In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe.”“Zeer juist! zeer juist!” zeide de Baron, den Gelderschman op den schouder kloppende: “alleen met dit onderscheid, dat het in het hartje van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, Heer Ambtman! de liefde mijner dochter te verkrijgen is uw zaak: zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: wat kan een vader meer doen?—Ulrica moet vrij handelen: het staat dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen.”“Zij is lang in Den Haag geweest,” zeide Mom, het hoofd schuddende.“Daarover kunt gij u toch niet beklagen,” hernam Reede: “daar hebt gij haar het eerst leeren kennen.”“Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker....”“Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd vroolijk en weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel een zwarigheid,” vervolgde de Baron, opeens het voorhoofd fronsende; “doch die is van geheel anderen aard.”“Een zwarigheid!” herhaalde Mom, van kleur veranderende: “ik bid u!....”“Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons zonder getuigen te onderhouden,” zeide Reede op den deftigen toon, dien hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: “ik hoor hoefgetrappel op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe gasten welkom heeten.”“De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen,” zeide Elbert, terwijl hij met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen ging, langzaam volgde: “hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: en haar hart schijnt meer dan wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht.”“Des te beter,” zeide Mom: “des te eer zal zij uit spijt een anderen trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; doch genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan.”De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigdengevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken, welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; zij waren onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen had, kwam de oude Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede zijn gasten verzocht, hem naar de groote ridderzaal te volgen.Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, dien men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. Zij was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een goed onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, van kostbaar Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen (bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen gevuld) en rustten aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst omslingerd. Kostbare basrelieven, uit een andere marmersoort gehouwen, versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van Venus en Adonis waren op de schoorsteenen zelven op witten steen afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, welker kroonlijst, insgelijks op kolommen rustende, zich met de schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, de basementen en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener zijde met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren om en om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch marmer het geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was over haar geheele lengte onafgewisseld met allerlei soorten van jacht- en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het opzicht der bevallige Freule met sparretakken, hulst en bloemfestoenen aaneengestrikt was; ’t geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen aangenaam streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde, was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet uit de thee, de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, die onzen goeden voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren.De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan ’t eten:de hoendersoep, in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, versche kropsalade, in ’t kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden deden eer aan deze spijzen, zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht van Bouke, die als bottelier optrad, werden toegediend. Alleen de Ambtman scheen weinig smaak te vinden in ’t geen hem aangeboden werd: de gewichtige plannen en de daaruit ontsprotene bekommernissen, welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre van in een onmatig gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle gezag over zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, den beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd dadelijk tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want de Gelderschman was aan tafel voor geen klein weinigje vervaard en had een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een spons of van een handschoen kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was die, van hem nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken.“Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!” zeide Reede: “hapert er wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?”“Het gastereeren deugt mij niet,”’ zeide Mom: “ik ben geen man, die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist oog te behouden, om den kegel niet mis te raken,” voegde hij er glimlachend bij.“Ei! ei!” zeide de Jonker van Scherpenzeel: “dat is geen echt spel. Wil UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren blijven? dat zou slecht gelijk staan!—doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, is ’t niet zoo?”“Ik beken,” zeide Mom, “dat het gezelschap van de schoone kunne het genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet.”“En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is,” riep de Heer van Helmenhorst: “lang moge zij leven! lang!” vervolgde hij, oprijzende en een roemer omhoogheffende: “lang leve de schoone Freule Ulrica van Sonheuvel!”“Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!” riep Botbergen, zijn voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige gezelschap deed.Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!” zeide de Baron, op zijn beurt een roemer vullende: “en moge zij nog vaak de eer gemeten, de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren.”“Mits niet in dit vertrek,” zeide Botbergen.“En waarom hier niet?” vroeg Reede met een verwonderd gelaat. “Staat u deze zaal niet aan?”“De zaal is prachtig en geriefelijk,” antwoordde Elbert: “maar, aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze van een waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, wanneer ik Haaredele de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche.”“Wel gevonden!” zeide de Heer van Lievendaal: “Mijnheer van Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch.”“En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen,” hervatte de Gelderschman: “maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het ware een misdaad van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. mij toegedronken heeft.”“Er is toch meer van die soort in mijn kelder,” zeide de Baron: “Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?”“Hij is zooeven uit de kamer geroepen,” antwoordde een der dienaars: “er was iemand beneden om hem te spreken.”“Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook zooveel jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije geoorloogd en meer gezien dan één van ons allen.”“Zoover ben ik niet geweest,” zeide Elbert: “mijn krijgsverrichtingen waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik mij zonder grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen.”“In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?” vroeg Reede.“Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik zeide hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor aan oorblazers, aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde ik de redenen, die ik daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg mijn woorden in den wind; en wat is het gevolg er van geweest? Zooras ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar deed, kon ik met geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, en nu komt hij met de kous op het hoofd terug.”“En hebt gij,” vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: “hebt gij den Jonker van Craeihorst gekend?”“Gekend?” herhaalde Botbergen: “ja, een weinig, schoon het geen eer was hem te kennen!”De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend werd.“Wel!” vervolgde Elbert: “Ik had geen omgang met hem, omdat hij een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een valsche dobbelaar....”“Onmogelijk,” riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen tegen zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, sneller dan hij in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist binnenkwam, bijna omver.“Ja! ja! loop maar, Veltman!” zeide Bouke, met een vroolijke stem, terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd op geschilderd stond. “Mijnheer!” vervolgde hij: “bodenbrood! daar is een oude kennis....”“Zwijg Bouke!” zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat gij van mijn Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst.”“Kende UEd.hem?” vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: “vergeef mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten.”“Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!” zeide met luider stem de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen aangevoerd, opmerkzaam had aangehoord.“Wie spreekt daar?” vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen blik ontmoetten van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, achter de zitplaats des gastheers stond.“Dat ben ik, met uw verlof,” zeide Bouke: “en wat ik niet vol kan houden, zal een ander voor mij doen.”“Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der bestraffing poogde te geven: “denk wie gij zijt en waar gij zijt!”“Zoo doe ik,” antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: “ik denk, dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik over een lasteraar sta, die....”“Vlegel!” riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: “denkt ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij het millioenste part had gezegd van ’t geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!”“Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens afwezigen opneemt?” vroeg Bouke.Botbergen zag beangst in ’t rond; doch zijn gelaat helderde spoedig op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel zelf zijn zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich hiervan overtuigd hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: “hiermede daag ik iederen edelman uit, die, als ik, zestien kwartieren bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen.”“Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal,” zeide Bouke, den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet.“Mijnheer van Botbergen!” zeide Reede, die al dien tijd had zitten stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: “ik kon voor den goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! zoo UEd. elders dan op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer op ’t aangezicht aan stukken geslagen!”“Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!” zeide Mom: “zoo zal ik de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den Heer van Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen.”Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, die zich aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, dat Mom, door dit aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter opdeed.—In dit oogenblik trad Bouke weder binnen en zeide, de deur wijd openzettende: “Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een tegenstander, als ik beloofd heb.”Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. De Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, sloeg klappertandend een bevende hand aan ’t gevest van zijn degen, doch was buiten staat om het lemmer de scheede te doen verlaten. Mom staarde den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen Proponent had aangezien.“Joan!” riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe trad, met hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij zich weder uit zijn omhelzing los. “Joan!” herhaalde hij: “ik moest u niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt schandelijke dingen van u.”“Dat heb ik van Bouke vernomen,” antwoordde Joan: “wie van de Heeren noemt zich de Heer van Botbergen?”“Wat! Kent gij hem niet eens?” vroeg de Baron verbaasd: “hoe hangt dit samen?”“Nu, Mijnheer!” zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld zitten bleef: “wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord een woord?”“Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?” vroeg Joan met bevreemding. “In het leger van den Koning van Bohemen droegt gij een anderen naam.”“Wat zal ik u zeggen, Jonker!” antwoordde Elbert, zich door eengrap zoekende te redden: “Wij droegen geen van beiden onzen waren naam.””’t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet,” hernam Joan met fierheid, “hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na hetgeen er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap....”“Van die rottingslagen, meent gij?” vroeg Botbergen, opstaande: “ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij zijn geen beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot een verklaring komen.”“Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk,” zeide Joan, de hand aam ’t geweer slaande.“De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen,” vervolgde Botbergen, zich tot dezen wendende.Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den persoon, die hem in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht gezicht deed hem, verwonderd, een stap terugtreden, en bracht zijn gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene van den vorigen avond terug. Met niet minder nadruk, schoon met een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan en peinsde hij op de houding, die hij bij deze gelegenheid moest aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch met zijn verwoeden blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch zeer binnensmonds, allerlei dreigementen. De overigen, die een kring om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over Joans plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem de volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was om hem van zijn stuk te brengen: “heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?”Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het scheen hem dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men het noemt, met een Jantje van Leiden af te maken.“Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van onzen besten gastheer?’” vroeg hij, opstaande en Joans beide handen vattende: “wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst hier levendigheid op het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, die u zoo liefheeft!” Hier zag Mom met spijt, hoe een hevige blos het gelaat des jongelings overstroomde. “Nu ik ben recht gelukkig u te zien: gij vindt mij met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord,dat ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze.”Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen en fluisterde hem bij die gelegenheid in ’t oor: “hadt ge u maar genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader gesprek met u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas zijt gekomen.”—En toen, eer Joan van zijn bevreemding kon bekomen, trad hij terug en nam Reede bij de hand. “Mijn vriend!” zeide hij: “wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken dag als deze, de vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met mij, om uw waardigen voedsterling, alsook mijn vriend van Botbergen, die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op elkaar gebeten zijn, tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van den edelen Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt, is waarachtig geen knip voor den neus waard.”—Bij het uitspreken dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken, dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten volgden zijn voorbeeld.“Kom, Elbert!” vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand wringende: “gij moet mededrinken; want de terugkomst des Jonkers kan u nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en wordt het misverstand weggeruimd, des te beter; zoo niet, dan hebt gij t’ avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te leggen. Dus, man! drink uit! en denk vooreerst maar niet meer aan het gekke geval.”“Pots honderd tausent slapferment!” zeide Botbergen, den roemer aannemende: “mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft geen nieuwe gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander over en weder beleedigd;—dus zijn wij kamp; en hapert er nog iets aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de gezondheid van den Jonker van Craeihorst, en dat hij zulk een lang leven moge genieten, als ik hem toewensen.”—Dit zeggende, ledigde hij zijn glas en hernam zijn plaats bij de nu weder aanzittende gasten.“Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen,” zeide Joan, op zijn beurt een roemer vullende: “wat den Heer van Botbergen betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij mij in den loop van dezen dag een oogenblik schenken wil, daar ik het met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans niet storen moeten.”—Dit gezegd hebbende, ledigde hij zijn kelk en nam aan de tafel plaats.Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het te willen doen blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, dat Joan zijn wederpartij de trappen had afgesmeten.Joans hoofd was zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel wenschte. Hij ondervond ten volle de onaangename gewaarwording van iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, en, in plaats van zijn gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten begrijpen. Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, dat hij van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche leger zich juist had toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid echter, dat het Joan geweest was, die den anderen met stokslagen had weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, alleen voor zooverre hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat het vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend eerst zijn nog vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen.De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan ’t praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.“Hoe is ’t Joan?” zeide de Baron: “zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op ’t plein gelegen.”“Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal,” zeide Joan: “ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk.”“Nu, ga maar, ga maar,” zeide de Baron, knorrig: “lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warmbloed meer heeft!”—Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijnpoinctenof verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees.Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug.“Hij was goed gemeend!” zeide een der spelers.“De baan is niet glad genoeg,” antwoordde Lievendaal: “anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen.”Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede spelerden bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.“Dat is ongelukkig!” riep hij uit: “wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest.”Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder ’t werpen, en de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor ’t spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij.“Wat satan is dat!” schreeuwde hij hoogst ontevreden: “Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?”“De baan is al gelijk!” antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: “Ik kan niet helpen, dat UEd. scheef gooit.”“Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen,” zeide de Jonker van Scherpenzeel.“Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds,” zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten ’t spel. Met ongelijk gevolg speelden diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen.Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo ’t heette, ongelukkig speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon deAmbtmanweder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch ’t geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen.“Vriend Mom!” zeide hij: “Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten.”“Heer Baron!” zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraakonder een vriendelijken glimlach verbergende: “uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren.”“Juist! juist, Heer Ambtman!” antwoordde Reede: “gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.—Ik moet, om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.—Mijn overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!”“Zoo vet,” zeide Mom, “dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen.”“Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... ”“Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?”’“Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.—Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel werd opgeleid.—Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af.”“Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben,” merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid nog niet van inzag.“Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer,” vervolgde de Baron, “dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior.”“Zoo” riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens eenbelangrijkergedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd.”“Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven.”“En dat was?” vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte.“Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezuïetschen pater, die hier door ’t land reisde, samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan.”“Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden,” zeide Mom.“Neen, dat niet,” zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: “hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken.”“Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was,” zeide Mom: “noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn.”“Ziet gij dat niet?” vroeg Reede: “hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals ’t hoorde.”“Vindt gij?” vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: “al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen.”“Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is,” zeide Reede: “maar, naar mijn inzien, kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.—Mijn vader stierf—ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom.”“En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?” vroeg Mom.“Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen.”“Die vrek!” zeide Mom: “hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn.”“Geen woord daarvan!” hernam de Baron: “wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.—Dan, nu is er nog iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:—en toch, ik had zoo lichtvaardig niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?”“Hoe laat hij zich noemen?” vroeg Mom.“De Paapschen noemen hem vader Ambrosius,” antwoordde Reede: “doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn zoovelen van dien naam.”“Wij zullen zien,” zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: “misschien is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben in te brengen.”“Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?” vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat verspreidde. “Gij blijft de hand mijner dochter vragen?”“Heer Baron,” zeide Mom: “uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen.”“Bedenk u wel,” zeide de Baron: “Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!....” Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.“Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer,” hernam Mom.“Heel wel! dat zijn jongelui’s betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat.”“Ik ben geen knaap meer,” zeide Mom “die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouwnaar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn hulde brenge.”“Zeer gaarne,” zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: “en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.—Nu! kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in.”Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot.
Menigh wil by dranck en spijsWesen wijs,Schoon hy is van wijn beschonken,Daar doch yeder kan bespiën,Dat dees liênSijn van sotte grillen droncken.Pers.
Menigh wil by dranck en spijsWesen wijs,Schoon hy is van wijn beschonken,Daar doch yeder kan bespiën,Dat dees liênSijn van sotte grillen droncken.
Menigh wil by dranck en spijs
Wesen wijs,
Schoon hy is van wijn beschonken,
Daar doch yeder kan bespiën,
Dat dees liên
Sijn van sotte grillen droncken.
Pers.
Inmiddelswaren Mom en Botbergen op het slotplein verwelkomd geworden door den Baron van Sonheuvel, verzeld van den oude jachthond Veltman, die, nu blind en onbekwaam hem in ’t veld te volgen, den Baron binnenshuis altijd ter zijde bleef. Nadat hij de beide heeren met de hem eigen gulhartigheid goeden morgen had gewenscht en last gegeven, dat de paarden wel verzorgd zouden worden, geleidde hij hen naar de benedenzaal, vermits de groote ridderzaal, waar men spijzen zoude, nog niet geheel in gereedheid was. Binnengekomen, wilde Mom nog eenige verontschuldigingen bijbrengen wegens zijn vroege komst; doch de Baron wilde daarvan geen woord meer hooren reppen, alvorens de heeren zich met een teug goeden wijn, die hun in groene fluiten op een zilveren schenkblad werd toegediend, ververscht hadden. Toen eerst was het, dat Elbert de gelegenheid vond, zich door zijn patroon aan den Baron te laten voorstellen en dezen te verzoeken, hem zijn vrijpostigheid te willen ten goede houden, dat hij, zonder den Heer van Sonheuvel te kennen, niet geaarzeld had zijn vriend Mom, op diens verzoek, bij deze gelegenheid te vergezellen.
“Een hupsch edelman, als UEd. schijnt, heeft op mijn slot geen aanbeveling noodig,” zeide Reede: “en daarenboven! mag een vriend niet altijd een vriend medebrengen?”
“Ik hoop die spreuk dan ook op mij te mogen toepassen,” zeide Mom tegen zijn gastheer: “want er is geen naam, waar ik meer prijs op stel, dan op dien van uw vriend.”
“Zoo!” zeide Reede: “ik dacht dat er een andere titel ware, dien gij mij nog liever geven zoudt, hê! hê!” en hij begon hartelijk over zijn geestigheid te lachen.
“Gij hebt dubbel gelijk, Heer Baron!” antwoordde de Ambtman, met een bevallige buiging: “en hoewel het een het ander niet uitsluit, beken ik, dat ik mij kwalijk heb uitgedrukt, en dat mij in dit oogenblik de naam van uw schoonzoon boven alles dierbaar zou wezen;.... doch ziedaar een geluk, waarop ik niet hopen durf.”
“En waarom niet, Heer Ambtman?” vroeg de Baron op een gulhartigen toon: “gij weet, dat ik u hartelijk genegen ben en u hooge achting toedraag.”
“Ik ben u daarvoor hoogst dankbaar, Heer Baron! maar, daar isnog iemand, die in dit geval geraadpleegd dient te worden, en aan welke ik vrees, voor ’t minst onverschillig te zijn.”
“Mijn dochter meent gij?—Zij draagt u hoogachting toe: zij weet, dat haar huwelijk met u mij hoogst aangenaam zoude wezen; zij heeft nog geen vooringenomenheid voor eenig man: wat wilt gij meer? wat nog ontbreekt moet gij zelf zien te verkrijgen.”
“Is UEd. wel zeker,” vroeg Mom, zijn woorden wegende, “dat zij nog niemand met een meer bijzondere onderscheiding heeft gezien?”
“Wel ja! zoo zeker althans als men van de gevoelens van een twintigjarig meisje wezen kan.”
“Dat zegt juist niet veel,” merkte Botbergen lachende aan. “In een meisjeshart te willen lezen is evengoed, als bij nacht op zee uit het venster te willen kijken of het nog stormt. Men ziet niets en de wind blaast onze muts nog af op den koop toe.”
“Zeer juist! zeer juist!” zeide de Baron, den Gelderschman op den schouder kloppende: “alleen met dit onderscheid, dat het in het hartje van mijn Ulrica geen stormachtige nacht is. Doch, wat er ook van zij, Heer Ambtman! de liefde mijner dochter te verkrijgen is uw zaak: zoo gij eens haar toestemming hebt, zal de mijne niet achterblijven: wat kan een vader meer doen?—Ulrica moet vrij handelen: het staat dus aan u, uw best te doen om haar genegenheid te winnen.”
“Zij is lang in Den Haag geweest,” zeide Mom, het hoofd schuddende.
“Daarover kunt gij u toch niet beklagen,” hernam Reede: “daar hebt gij haar het eerst leeren kennen.”
“Ik vrees maar, dat de een of ander hoofsche Jonker....”
“Gekheid, gekheid, Heer Ambtman! Zij hield veel van de Gravin van Nassau, en huisde er gaarne; maar ik heb haar toch altijd vroolijk en weltevreden gezien, als zij weder bij mij op het slot keerde. Er is wel een zwarigheid,” vervolgde de Baron, opeens het voorhoofd fronsende; “doch die is van geheel anderen aard.”
“Een zwarigheid!” herhaalde Mom, van kleur veranderende: “ik bid u!....”
“Ik zal u die verhalen, zoodra wij een geschikt oogenblik vinden om ons zonder getuigen te onderhouden,” zeide Reede op den deftigen toon, dien hij slechts in zeer bijzondere gevallen aannam: “ik hoor hoefgetrappel op de slotbrug; en ik ga onze nieuwe gasten welkom heeten.”
“De oude Heer schijnt sterk met u ingenomen,” zeide Elbert, terwijl hij met Mom den Baron, die de nieuwaangekomenen ontvangen ging, langzaam volgde: “hoe het met de dochter is, zal nog te bezien staan. Mij dunkt, zij vatte nogal vuur op mijn verhaal: en haar hart schijnt meer dan wel noodig is aan haar ouden schoolkameraad gehecht.”
“Des te beter,” zeide Mom: “des te eer zal zij uit spijt een anderen trouwen, mits het ons maar eens gelukke, haar te overtuigen; doch genoeg hiervan, daar komt de Baron met zijn gasten aan.”
De nieuwaangekomenen werden alras door eenige andere genoodigdengevolgd, zoodat het gezelschap na verloop van een half uur voltallig was en uit een twaalftal edellieden bestond. Van de gesprekken, welke na het afloopen der eerste verwelkoming en daaraan verknochte plichtplegingen volgden, zullen wij geen melding maken; zij waren onbeduidend, gelijk gewoonlijk bij den aanvang van alle feesten en partijen het geval is. Toen de klok elf geslagen had, kwam de oude Bouke den Baron verwittigen, dat het ontbijt gereed was: waarop Reede zijn gasten verzocht, hem naar de groote ridderzaal te volgen.
Deze bood den genoodigden een aangenaam en recht verkwikkelijk schouwspel aan, zoowel wegens haar fraaiheid en den opschik, dien men er bewonderde, als wegens de aantrekkelijkheden van een meer zelfstandigen aard, waarmede zij vermoeide gasten uitlokte. Zij was ruim en langwerpig van gedaante: twee vervaarlijk breede en hooge haardsteden, waarin, ondanks het lenteseizoen een goed onderhouden vuur brandde, stonden aan de beide einden over elkaar te prijken. De vooruitspringende schoorsteenmantels, van kostbaar Egyptisch marmer vervaardigd, schraagden een menigte antieke vazen (bij deze gelegenheid met de eerste voorjaarsbloemen gevuld) en rustten aan elken hoek op twee spierwitte kolommen, sierlijk met groene hulst omslingerd. Kostbare basrelieven, uit een andere marmersoort gehouwen, versierden het lijstwerk en de voetstukken: de liefdesgevallen van Venus en Adonis waren op de schoorsteenen zelven op witten steen afgebeeld. Aan wederzijden der haardsteden bevond zich een deur, welker kroonlijst, insgelijks op kolommen rustende, zich met de schoorsteenmantels vereenigde, zijnde de vakken boven de deuren, de basementen en plinten mede met snijwerk en beelden versierd en opgetooid met bloemen en loof. In de lengte was de zaal ter eener zijde met acht vensters voorzien, wier bovenste afdeelingen met allerlei wapens beschilderd waren; terwijl de benedenste glasruiten een vroolijk uitzicht opleverden over de tuinen van het slot en de omliggende landouwen. De vakken tusschen de glasramen waren om en om met familieportretten en wapenrustingen behangen; het middelste vak alleen was ledig, zijnde daarop in fraai Parisch marmer het geslachtswapen des eigenaars uitgebeeld. De tegenzijde der zaal was over haar geheele lengte onafgewisseld met allerlei soorten van jacht- en wapentuig bekleed, hetwelk op een zeer aardige wijze onder het opzicht der bevallige Freule met sparretakken, hulst en bloemfestoenen aaneengestrikt was; ’t geen een vroolijke vertooning maakte en de oogen aangenaam streelde; doch wat aan de gasten, gelijk ik hierboven met een enkel woord reeds aanmerkte, een nog blijder schouwspel opleverde, was de lange tafel, welke midden in de zaal stond, en waarop een prachtig en voedzaam ontbijt was gereedgemaakt, dat niet uit de thee, de koffie, de vruchtenstroop of al de uitvindingen van latere dagen bestond, maar uit de stevige spijzen en dranken, die onzen goeden voorvaderen op alle uren van den dag welkom waren.
De gasten namen plaats op bankjes of schabellen voor twee personen, met zachte kussens overdekt. Spoedig viel men aan ’t eten:de hoendersoep, in zilveren kommen opgedischt, maakte weldra voor een zwijnskop plaats, verzeld van kippen, kapoenen, duiven, versche kropsalade, in ’t kort van al wat het jaargetijde medebracht en op een kostbaar ontbijt kon gevorderd worden. De edellieden deden eer aan deze spijzen, zoowel als aan de voortreffelijke wijnen, die hun onder het opzicht van Bouke, die als bottelier optrad, werden toegediend. Alleen de Ambtman scheen weinig smaak te vinden in ’t geen hem aangeboden werd: de gewichtige plannen en de daaruit ontsprotene bekommernissen, welke zijn brein vervulden, ontnamen hem allen eetlust: en verre van in een onmatig gebruik van drank eenige verstrooiing te zoeken, trachtte hij zich, zoolang zulks in zijn macht was, van het volle gezag over zijn verstandelijke vermogens te verzekeren door niet, dan bij het instellen van gezondheden of dergelijke gelegenheden, den beker aan den mond te brengen. Hij zag met angstvalligheid, hoe Botbergen de hem aangeboden roemers nooit afsloeg, maar altijd dadelijk tot den bodem ledigdronk. Zijn bezorgdheid was echter overtollig; want de Gelderschman was aan tafel voor geen klein weinigje vervaard en had een maag, die zeer gevoegelijk, naar verkiezing, de eigenschap van een spons of van een handschoen kon aannemen, zonder dat zijn hoofd er iets door leed; de eenige invloed, welken de wijn op hem uitoefende, was die, van hem nog opgeblazener en laatdunkerder dan gewoonlijk te maken.
“Gij zijt bijster stil vandaag, Ambtman!” zeide Reede: “hapert er wat aan? of smaakt u mijn wijn niet?”
“Het gastereeren deugt mij niet,”’ zeide Mom: “ik ben geen man, die voor festijnen geschikt is; en ik wensch gaarne een juist oog te behouden, om den kegel niet mis te raken,” voegde hij er glimlachend bij.
“Ei! ei!” zeide de Jonker van Scherpenzeel: “dat is geen echt spel. Wil UEd. ons een roes laten drinken en zelf nuchteren blijven? dat zou slecht gelijk staan!—doch ik weet wat er aan schort. Een gezelschap van enkel heeren kan UEd. niet meer lijken, is ’t niet zoo?”
“Ik beken,” zeide Mom, “dat het gezelschap van de schoone kunne het genoegen der gezellige kringen altijd bevorderen moet.”
“En vooral dat van onze edele gastvrouw, die, hoewel afwezig, in elke bloem, die het vertrek versiert, te vinden is,” riep de Heer van Helmenhorst: “lang moge zij leven! lang!” vervolgde hij, oprijzende en een roemer omhoogheffende: “lang leve de schoone Freule Ulrica van Sonheuvel!”
“Lang leve de dochter van onzen braven gastheer!” riep Botbergen, zijn voorbeeld dadelijk volgende, gelijk ook het overige gezelschap deed.
Ik dank u voor mijn dochter, Mijne Heeren!” zeide de Baron, op zijn beurt een roemer vullende: “en moge zij nog vaak de eer gemeten, de toebereidselen voor Ulieder onthaal te bestieren.”
“Mits niet in dit vertrek,” zeide Botbergen.
“En waarom hier niet?” vroeg Reede met een verwonderd gelaat. “Staat u deze zaal niet aan?”
“De zaal is prachtig en geriefelijk,” antwoordde Elbert: “maar, aangezien wij allen hopen, dat de Jonkvrouw spoedig de keuze van een waardigen echtgenoot moge doen, en zij dan haars vaders huis verlaten zal, meen ik haar geen kwaden wensch te doen, wanneer ik Haaredele de bezorging van een feest in een ander lokaal toewensche.”
“Wel gevonden!” zeide de Heer van Lievendaal: “Mijnheer van Botbergen! ik heb de eer hem u te brengen voor dien goeden wensch.”
“En ik zou u gaarne in gelijke munt betalen,” hervatte de Gelderschman: “maar ik heb geen wijn van deze soort meer, en het ware een misdaad van gekwetste majesteit, indien ik UEds. beleefdheid met een ander wijntje beantwoordde, dan hetgeen UEd. mij toegedronken heeft.”
“Er is toch meer van die soort in mijn kelder,” zeide de Baron: “Bouke! geef den Heer van Botbergen;.... maar waar is Bouke?”
“Hij is zooeven uit de kamer geroepen,” antwoordde een der dienaars: “er was iemand beneden om hem te spreken.”
“Zoo! een gelegen tijd voorwaar; doch gij kunt het even goed bezorgen als hij: vraag maar aan mijn dochter van dien wijn van Nº. 3. Ja Mijne Heeren! ik moet dien ouden Bouke wat toegeven; er leeft op de wereld geen braver kerel dan hij; wij zijn ook zooveel jaren achtereen samen geweest en hebben zooveel overbracht: en dan, hij heeft wat te vertellen! hij heeft in Turkije geoorloogd en meer gezien dan één van ons allen.”
“Zoover ben ik niet geweest,” zeide Elbert: “mijn krijgsverrichtingen waren alleen in Bohemen; en daar zal men, gelijk ik mij zonder grootspraak vlei, nog wel van mij gewagen.”
“In Bohemen zegt UEd.? En dat onder welke vanen?” vroeg Reede.
“Ik heb onder den Spotkoning Frederik gestreden; maar ik heb hem laten zitten; want er was niets met hem uit te richten. Ik zeide hem dikwijls: (Zijne Majesteit deed mij somtijds de eer aan, mij te raadplegen) Uwe Majesteit, zeide ik geeft gehoor aan oorblazers, aan belangzoekers, aan domkoppen. Zooals Uwe Majesteit het aanvangt, zal het nimmer lukken: en dan ontwikkelde ik de redenen, die ik daartoe vinden kon. Dan, vergeefsche moeite! Zijne Majesteit sloeg mijn woorden in den wind; en wat is het gevolg er van geweest? Zooras ik vertrokken was uit het leger (want zulke dwaasheden als men daar deed, kon ik met geen droge oogen meer aanzien), liep alles in de war, en nu komt hij met de kous op het hoofd terug.”
“En hebt gij,” vroeg Reede, zich bij voorraad de handen wrijvende, als verheugd over het antwoord, dat hij verwachtte: “hebt gij den Jonker van Craeihorst gekend?”
“Gekend?” herhaalde Botbergen: “ja, een weinig, schoon het geen eer was hem te kennen!”
De Baron zag zijn gast verwonderd aan, zette zijn roemer neder en vroeg met bevreemding, wat door deze uitdrukking gemeend werd.
“Wel!” vervolgde Elbert: “Ik had geen omgang met hem, omdat hij een liederlijke knaap was, een dronkaard, een lafbek, een valsche dobbelaar....”
“Onmogelijk,” riep de Baron met hevigheid uit: en op hetzelfde oogenblik sprong de oude Veltman, alsof hij die lasteringen tegen zijn voormaligen meester niet langer wilde aanhooren, met een luid geblaf van onder de zitbank des Barons op, en liep, sneller dan hij in de laatste drie jaren gedaan had, de deur uit, en Bouke, die juist binnenkwam, bijna omver.
“Ja! ja! loop maar, Veltman!” zeide Bouke, met een vroolijke stem, terwijl hij de tafel naderde met een gelaat, waar de vreugd op geschilderd stond. “Mijnheer!” vervolgde hij: “bodenbrood! daar is een oude kennis....”
“Zwijg Bouke!” zeide de Baron, zonder bijna naar hem te luisteren: Mijnheer van Botbergen! ik bid u! verklaar mij eens wat gij van mijn Joan gezegd hebt.... Ik bedoel van dien Jonker van Craeihorst.”
“Kende UEd.hem?” vroeg Elbert, zich verwonderd veinzende: “vergeef mij dan, zoo ik kwalijk van hem sprak: maar ik dacht niet, dat een knaap in UEds. gunst zoude deelen, wien ik, om zijn schandelijk gedrag, met rottingslagen genoodzaakt heb het leger te verlaten.”
“Dat is een leugen, een onbeschaamde leugen!” zeide met luider stem de getrouwe Bouke, die de beschuldiging, door Botbergen aangevoerd, opmerkzaam had aangehoord.
“Wie spreekt daar?” vroeg Elbert, met trotschheid opziende; maar zijn oogen zagen verlegen voor zich, toen zij den vrijen blik ontmoetten van Joans ouden krijgsmakker, die, met de armen over elkaar geslagen, achter de zitplaats des gastheers stond.
“Dat ben ik, met uw verlof,” zeide Bouke: “en wat ik niet vol kan houden, zal een ander voor mij doen.”
“Bouke! riep de Baron, terwijl hij aan zijn gezegde den toon der bestraffing poogde te geven: “denk wie gij zijt en waar gij zijt!”
“Zoo doe ik,” antwoordde Bouke, zonder verlegen te worden: “ik denk, dat ik Jonker Joans oude wapenbroeder ben, en dat ik over een lasteraar sta, die....”
“Vlegel!” riep Botbergen, door het verwijt des Barons bemoedigd: “denkt ge dat ik mij met u zal meten? Zoo een edelman mij het millioenste part had gezegd van ’t geen gij mij durft zeggen, hij leefde niet meer!”
“Is er geen der edellieden, hier tegenwoordig, die de partij eens afwezigen opneemt?” vroeg Bouke.
Botbergen zag beangst in ’t rond; doch zijn gelaat helderde spoedig op, dewijl al de gasten, ziende dat de Heer van Sonheuvel zelf zijn zoon niet verdedigen wilde, geen partij voor hem begrepen te moeten trekken. Zooras de opgeblazen Gelderschman zich hiervan overtuigd hield, smeet hij den handschoen midden in de zaal, en riep tevens uit: “hiermede daag ik iederen edelman uit, die, als ik, zestien kwartieren bewijzen kan, om mijn woorden te komen logenstraffen.”
“Ik neem de uitdaging aan en zal u spoedig een kamper brengen, die je zestien-honderd kwartieren in je tronie snijden zal,” zeide Bouke, den handschoen oprapende, waarna hij de zaal verliet.
“Mijnheer van Botbergen!” zeide Reede, die al dien tijd had zitten stampvoeten en op zijn mouwen bijten van kwaadheid: “ik kon voor den goeden Bouke geen partij kiezen tegen iemand, dien ik op mijn eigen slot als gast ontvang; maar bij mijn zaligheid! zoo UEd. elders dan op het huis te Sonheuvel in mijn bijzijn kwaad had gesproken van mijn goeden Joan, ik had u mijn roemer op ’t aangezicht aan stukken geslagen!”
“Indien UEd. het mij vergunt, Heer Baron!” zeide Mom: “zoo zal ik de eer van den Jonker van Craeihorst handhaven en met den Heer van Botbergen, hoe bevriend wij ook zijn, op dood en leven kampen.”
Elbert zag zijn patroon vragenderwijze aan, als wilde hij op dien aangezicht lezen of het hem ernst ware. Een schampere trek, die zich aan des Ambtmans neusvleugel en aan de hoeken van zijn oog vertoonde, was genoeg om hem de zekerheid te verschaffen, dat Mom, door dit aanbod, het gevaar voorkomen wilde, dat zich een ander kampvechter opdeed.—In dit oogenblik trad Bouke weder binnen en zeide, de deur wijd openzettende: “Mijnheer van Bokkenbergen! hier breng ik u een tegenstander, als ik beloofd heb.”
Aller oogen wendden zich nu naar de deur, waar een jongeling binnentrad, wiens verschijning een algemeene verbazing teweegbracht. De Baron en het meerendeel der gasten sprongen op. Botbergen schoof zijn zitbank wel drie voeten achteruit, werd doodsbleek, sloeg klappertandend een bevende hand aan ’t gevest van zijn degen, doch was buiten staat om het lemmer de scheede te doen verlaten. Mom staarde den onbekende met open mond aan het was de vreemdeling, dien hij bij Klaas Meinertz voor een Remonstrantschen Proponent had aangezien.
“Joan!” riep de Baron met een luiden kreet en sloot zijn pleegzoon, die, van den getrouwen Veltman vergezeld, naar hem toe trad, met hartelijke vreugd in zijn armen: maar bijna dadelijk wikkelde hij zich weder uit zijn omhelzing los. “Joan!” herhaalde hij: “ik moest u niet omarmd hebben, eer ik wist of gij het waardig zijt. Men verhaalt schandelijke dingen van u.”
“Dat heb ik van Bouke vernomen,” antwoordde Joan: “wie van de Heeren noemt zich de Heer van Botbergen?”
“Wat! Kent gij hem niet eens?” vroeg de Baron verbaasd: “hoe hangt dit samen?”
“Nu, Mijnheer!” zeide Bouke tegen den verslagen snoever, die met hangende armen en stijf opeengesloten tanden als vastgenageld zitten bleef: “wat dunkt u? is het niet mij: een man een man, een woord een woord?”
“Zijt gij het, die u de Heer van Botbergen noemt?” vroeg Joan met bevreemding. “In het leger van den Koning van Bohemen droegt gij een anderen naam.”
“Wat zal ik u zeggen, Jonker!” antwoordde Elbert, zich door eengrap zoekende te redden: “Wij droegen geen van beiden onzen waren naam.”
”’t Zij ik recht hebbe op den mijnen of niet,” hernam Joan met fierheid, “hij is te schoon om hem te zien bezwalken: en na hetgeen er tusschen ons is voorgevallen, had ik niet gedacht, dat gij mij, in tegenwoordigheid van dit aanzienlijk gezelschap....”
“Van die rottingslagen, meent gij?” vroeg Botbergen, opstaande: “ja, ik had daarvan misschien niet moeten spreken;.... wij zijn geen beste vrienden gescheiden, dat is waar; maar wij kunnen altijd tot een verklaring komen.”
“Tot uw dienst, al wilt gij dadelijk,” zeide Joan, de hand aam ’t geweer slaande.
“De Heer Ambtman zal mij wel tot getuige willen dienen,” vervolgde Botbergen, zich tot dezen wendende.
Nu volgden de oogen van Joan de richting, welke die van zijn weerpartij genomen hadden, en hij herkende in den Ambtman den persoon, die hem in het opkamertje bij Klaas Meinertz ontvangen had. Dit onverwacht gezicht deed hem, verwonderd, een stap terugtreden, en bracht zijn gedachten opeens van den twist met Botbergen op het voorgevallene van den vorigen avond terug. Met niet minder nadruk, schoon met een kwalijk verborgene verlegenheid, staarde Mom den jongeling aan en peinsde hij op de houding, die hij bij deze gelegenheid moest aannemen. Botbergen, die, zooras Joan hem niet meer toesprak noch met zijn verwoeden blik bedreigde, zijn moed weder voelde herleven, had een fiere en onversaagde houding aangenomen en mompelde, doch zeer binnensmonds, allerlei dreigementen. De overigen, die een kring om de belanghebbende partijen gemaakt hadden, zagen vreemd op over Joans plotseling zwijgen, en nog meer, toen deze naar Mom toestapte en met een eenigszins verzachte stem, doch op vasten toon, hem de volgende vraag deed, welke, schoon op haar zelve zeer eenvoudig, in de omstandigheden van den Ambtman vrij geschikt was om hem van zijn stuk te brengen: “heb ik gisteravond niet de eer gehad UEd. te zien?”
Schoon Mom reeds tijd gehad had om zich op een antwoord voor te bereiden, hetwelk hij al dadelijk had begrepen dat hem afgevorderd zou worden, was hij het nog niet met zichzelven eens, hoe hij dit antwoord op de meest voldoende wijze zou inrichten. Het scheen hem dus best toe, geen antwoord te geven en zich van de zaak, gelijk men het noemt, met een Jantje van Leiden af te maken.
“Is UEd. die langgewenschte en ter goeder uur gekeerde pleegzoon van onzen besten gastheer?’” vroeg hij, opstaande en Joans beide handen vattende: “wel het verheugt mij, als vriend van den huize, recht zeer u te mogen leeren kennen. Wat zal uw komst hier levendigheid op het slot brengen! Wat zal de bevallige Freule verheugd zijn, zij, die u zoo liefheeft!” Hier zag Mom met spijt, hoe een hevige blos het gelaat des jongelings overstroomde. “Nu ik ben recht gelukkig u te zien: gij vindt mij met lijf en ziel tot uw dienst, beschik over mij, zoo dikwijls gij wilt. Ik heb zooveel goeds van u gehoord,dat ik verlang uw vriendschap te verwerven. Sta mij toe, dat ik u omhelze.”
Met deze woorden drukte hij den jongeling, die beteuterd en verbaasd over dien vloed van woorden voor hem stond, in zijn armen en fluisterde hem bij die gelegenheid in ’t oor: “hadt ge u maar genoemd gisteravond! Nu! ik moet over dit alles een nader gesprek met u hebben, ter opheldering. Ik hoor, dat gij daar zonderling te pas zijt gekomen.”—En toen, eer Joan van zijn bevreemding kon bekomen, trad hij terug en nam Reede bij de hand. “Mijn vriend!” zeide hij: “wat zou het jammer zijn, indien op een heuglijken dag als deze, de vreugd door oneenigheid of hooge woorden verstoord werd. Vereenig u met mij, om uw waardigen voedsterling, alsook mijn vriend van Botbergen, die zonder reden en waarschijnlijk ten gevolge van een misverstand op elkaar gebeten zijn, tot bedaren te brengen. Voor Sint-Felten met al die langer twist wil zoeken. Ik drink op de gelukkige toekomst van den edelen Jonker Joan van Craeihorst, Kapitein in dienst van Zijne Majesteit den Koning van Bohemen: en die mijn voorbeeld niet volgt, is waarachtig geen knip voor den neus waard.”—Bij het uitspreken dezer laatste zinsnede had hij zich een vollen roemer geschonken, dien hij nu tot den bodem ledigdronk. Zoowel Reede als de gasten volgden zijn voorbeeld.
“Kom, Elbert!” vervolgde Mom, zijn makker een vollen beker in de hand wringende: “gij moet mededrinken; want de terugkomst des Jonkers kan u nooit anders dan stof tot blijdschap geven. Heldert alles zich op en wordt het misverstand weggeruimd, des te beter; zoo niet, dan hebt gij t’ avond of morgen gelegenheid om uw dapperheid aan den dag te leggen. Dus, man! drink uit! en denk vooreerst maar niet meer aan het gekke geval.”
“Pots honderd tausent slapferment!” zeide Botbergen, den roemer aannemende: “mijn dapperheid is alom genoeg bekend en heeft geen nieuwe gelegenheden noodig om zich te toonen. De Jonker en ik hebben elkander over en weder beleedigd;—dus zijn wij kamp; en hapert er nog iets aan, dan zal dit zich spoedig oplossen. Ik drink dus gaarne op de gezondheid van den Jonker van Craeihorst, en dat hij zulk een lang leven moge genieten, als ik hem toewensen.”—Dit zeggende, ledigde hij zijn glas en hernam zijn plaats bij de nu weder aanzittende gasten.
“Ik dank al de Heeren voor hun vriendelijke toewenschingen,” zeide Joan, op zijn beurt een roemer vullende: “wat den Heer van Botbergen betreft, ik bedank ook hem, en het zal mij aangenaam zijn, indien hij mij in den loop van dezen dag een oogenblik schenken wil, daar ik het met den Heer Ambtman eens ben, dat wij het genoegen der gasten thans niet storen moeten.”—Dit gezegd hebbende, ledigde hij zijn kelk en nam aan de tafel plaats.
Men hervatte den maaltijd: doch vruchteloos zocht de Ambtman het gesprek weder te verlevendigen; de Baron was, zonder het te willen doen blijken, ontevreden dat de twist gesust was, en had liever gezien, dat Joan zijn wederpartij de trappen had afgesmeten.Joans hoofd was zoo vol gedachten, dat hij de aanwezigen vergat, ja, voor den drommel wenschte. Hij ondervond ten volle de onaangename gewaarwording van iemand, die na een lang afwezen versoezeld en verwaaid te huis komt, en, in plaats van zijn gezin alleen, een huis vol gasten vindt, die niets van zijn vermoeidheid, van zijn verstrooidheid van gedachten begrijpen. Nu eens maalden hem de geheimzinnige voorvallen in Tiel door het hoofd; dan weder dacht hij aan de bekoorlijke Ulrica, welke hij zoo vurig verlangde en toch vreesde weder te zien. Zijn twist met Botbergen hield hem het minst bezig; want hij was overtuigd, dat hij van dien snoever, zoodra hij zulks verlangde, de noodige voldoening verkrijgen zou; daar het geval in het Boheemsche leger zich juist had toegedragen als Elbert het verteld had, met dit kleine onderscheid echter, dat het Joan geweest was, die den anderen met stokslagen had weggejaagd. Hij bekommerde zich dus weinig over Botbergens lastertaal, alleen voor zooverre hij zich bij Ulrica nog rechtvaardigen moest: want Bouke had hem (zoodra hij op het slot gekomen was, en vernemende dat het vol gasten was, naar dien ouden vriend gevraagd had) verwittigd, hoe Elbert zijn goeden naam een schandelijke kladde had aangewreven in tegenwoordigheid der Jonkvrouw. Reeds dadelijk zou Joan zich over dezen hoon zijn komen beklagen, had hij niet gemeend eerst zijn nog vochtige kleeren tegen andere te moeten verwisselen.
De overige gasten hadden, evenals de Baron, weinig genoegen genomen met de wijze, waarop de twist gesust was; daar zij, niet zonder grond, oordeelden, dat een van de twee partijen een lafaard wezen moest, die niet in hun gezelschap voegde; het misnoegen bracht dus stilte te weeg: zelfs de Ambtman, hoewel hij de anderen aan ’t praten zocht te krijgen, had het hoofd te vol, dan dat hem zulks wel afging, en het zou een opmerkzamen bijstander niet ontgaan zijn, dat de goede houding, die hij aanwendde, alleszins gedwongen was. De heerschende stilte deed den Baron dus spoedig besluiten om het gezelschap te verzoeken, een einde aan het ontbijt te maken en zich met hem naar de kegelbaan te begeven. Dit voorstel scheen een verlossing toe aan de gansche vergadering: en allen haastten zich daaraan te voldoen, behalve Joan, die, zijn pleegvader ter zijde trekkende, van hem verlof verzocht om zich af te zonderen en Ulrica te gaan groeten.
“Hoe is ’t Joan?” zeide de Baron: “zoekt gij een gelegenheid om van dien Botbergen af te raken? Ik had van u meer vuur verwacht, vriendlief! Ware ik in uw plaats geweest, die verwaande pochhans had al lang op ’t plein gelegen.”
“Ik beloof u, Vader! dat uitstel geen achterstel, worden zal,” zeide Joan: “ik zal met dien knaap nog een appeltje schillen, dat hem slecht zal smaken. Stel u daaromtrent gerust; maar, dunkt mij, mijn verlangen om Ulrica te zien, is nogal natuurlijk.”
“Nu, ga maar, ga maar,” zeide de Baron, knorrig: “lieve deugd! in mijn tijd waren de knapen anders! thans zijn zij zoo koel als winterperen. Wat zullen de oude lui dan zijn als de jeugd geen warmbloed meer heeft!”—Na deze wrevelige aanmerking keerde de Baron zich weder tot zijn gasten en geleidde hen buiten het slot, naar den hof, waar de frissche lucht en de balsemgeuren van het voorjaarsgebloemte de wandelaars op een lieflijke wijze tegenkwamen en de dampen, door den wijn veroorzaakt, vervingen. Langs een lommerrijke lindenlaan begaf men zich naar de kegelbaan, die aan het achtereinde van den hof tusschen hooge hagen gelegen, en met een planken beschot, laag genoeg om er overheen te zien, omzet was. De baan, waaraan Bouke gedurende de vorige dagen al zijn vlijt besteed had, was spiegelglad: op twee derden van hare lengte stonden de prachtige ebbenhouten kegels, met zilveren randen en ringen beslagen en wel drie voet hoog, op daartoe op gelijke afstanden getrokken kringen, te prijken. Langs het schot liep ter linkerzijde van de baan, een houten goot af, waarbij een tuinjongen geplaatst was, om na den worp, den bal weder aan de spelers toe te zenden. Bouke stond aan de rechterzijde, bij de kegels, gereed om de tusschen de spelers gerezene oneenigheden te beslissen, en den uitslag van elken worp met krijt aan te teekenen op een zwart bord, dat aan een paal hing, die boven het beschot uitstak. Aan het begin der baan stonden twee andere dienaars bij een tafel, waarop bier en brandewijn gereedstonden tot lafenis der spelers: en daarover een kastje met laden, waarin de kegelballen lagen, benevens een bord met dobbelsteenen; de nommers, die aan de spelers uitgedeeld moesten worden, de handleien, waarop elk zijnpoinctenof verliezen voor zich kon opteekenen, in één woord, al wat noodig kon geacht worden. Onderscheiden lijnen, evenwijdig over de breedte der baan getrokken, duidden de plaats aan, vanwaar men werpen moest en welke de speler, wien het slotnummer te beurt viel, doorgaans aanwees.
Met veel plechtigheid naderde Bouke het gezelschap, zooras het de kegelbaan nadertrad, haalde de dobbelsteenen voor den dag en reikte ze den Jonker van Scherpenzeel toe, die, na geworpen te hebben, ze aan zijn buurman overgaf en zoo vervolgens. Bouke teekende de geworpen getallen op en liet de gelijkstaande weder overgooien, totdat elk zijn nommer had. Toen begaf hij zich weder naar zijn standplaats bij het groote bord, en Botbergen, wien het laatste nommer te beurt was gevallen, duidde aan, van welke streep men beginnen moest. De heer van Lievendaal, die den eersten worp moest doen, zette den linkervoet op de streep, bracht den rechtervoet een schrede achterwaarts, nam den zwaren bal op en deed hem over de baan vliegen. De bal wierp een kegel om en schudde den tweeden, doch hij had zijn kracht verloren en rolde al draaiende het spel uit zonder iets verder te verrichten, De tuinknaap zette dadelijk den gevallen kegel weder op en zond den bal terug.
“Hij was goed gemeend!” zeide een der spelers.
“De baan is niet glad genoeg,” antwoordde Lievendaal: “anders ware de tweede ook gevallen: zaagt ge wel hoe hij wiggelde? Dan komaan, Helmenhorst! laat eens zien, of gij beter zult slagen.”
Met meer bedaardheid dan zijn voorganger dreef de tweede spelerden bal voort en wierp ook een kegel om, terwijl de bal stil liggen bleef.
“Dat is ongelukkig!” riep hij uit: “wie kan zoo iets helpen? De kegel valt juist voor mijn bal en snijdt hem den weg af: anders waren er nog wel drie of vier omgeworpen geweest.”
Haastig, gelijk hij alles deed, wierp Reede op zijn beurt den bal. Doch door de drift draaide zijn hand onder ’t werpen, en de bal, na eerst rechtuit te zijn gerold, nam, kort voor ’t spel een zijdelingsche wending en liep de kegels voorbij.
“Wat satan is dat!” schreeuwde hij hoogst ontevreden: “Bouke! de baan is niet gelijk! hoe kan een bal zoo mal rollen?”
“De baan is al gelijk!” antwoordde Bouke, terwijl hij met veel bedaardheid den misslag opteekende: “Ik kan niet helpen, dat UEd. scheef gooit.”
“Kom, Heer Ambtman! het is uw beurt! Laat ons eens zien of UEd., die niet gedronken heeft, scherper gooien zult dan een van ons allen,” zeide de Jonker van Scherpenzeel.
“Gij ziet, van dat weinigje beef ik reeds,” zeide Mom, en wierp den bal wel een voet buiten ’t spel. Met ongelijk gevolg speelden diegenen, die na hem kwamen. Toen de beurt aan Botbergen kwam, die reeds luide gesnoefd had over de menigvuldige partijen, door hem bij andere gelegenheden gewonnen, keken de spelers nieuwsgierig toe; maar de Gelderschman voldeed slecht aan hun verwachting en deed den bal midden door de kegels heen vliegen.
Na op deze wijze eenige toeren afgespeeld te hebben, werd Reede, die bij deze gelegenheid slecht, of, zoo ’t heette, ongelukkig speelde, wrevelig, en den Ambtman, wiens kans niet fraai stond, onder den arm nemende, verzocht hij hem, het spel maar te laten varen en met hem plaats te nemen op een bank, buiten den ingang der baan geplaatst, waar men ongestoord zat en echter het spel overzien kon. Na een wijl over onverschillige dingen gesproken te hebben, begon deAmbtmanweder zijn liefde voor Ulrica tot onderwerp van hun gesprek te maken; en toen was het, dat de Baron, wiens oprecht en rondborstig gemoed door den Rijnschen wijn nog openhartiger geworden was, het gepast oordeelde, den Ambtman een geheim te vertrouwen, dat hij voor elk ander zorgvuldig bewaard hield, doch ’t geen hij als eerlijk man zich verplicht achtte, zijn aanstaanden schoonzoon mede te deelen.
“Vriend Mom!” zeide hij: “Ik ben overtuigd, dat het alleen uit genegenheid voor haar persoon is, dat gij mijn dochter gevraagd hebt; dat geen andere drijfveer u handelen deed, en dat gij haar van mijn hand zoudt willen nemen, al ware zij niet machtig u een penning als huwelijksgoed mede te brengen. Doch, daar ik nimmer den schijn van karigheid zou willen toonen, en niet gaarne de beschuldiging verdienen, van u omtrent den waren staat mijner zaken misleid te hebben, daar er bovendien nog een zwarigheid bestaat, als ik van ochtend zeide, acht ik het billijk, u dienaangaande nader in te lichten.”
“Heer Baron!” zeide Mom, zijn verwondering over zulk een voorafspraakonder een vriendelijken glimlach verbergende: “uw beleefdheid is al te groot. Geloof vrij, dat geen inzicht om mij te verrijken mij noopt, uw bevallige dochter ten huwelijk te vragen. Ik ben, Goddank! rijk genoeg, en, zoo ik een gade wensch, zoek ik slechts een lieve gezellin, die den avond van mijn leven verheuge. Echter, zoo UEd. noodig oordeelt, mij, na deze betuiging, nog de eer aan te doen van mij uw familiegeheimen mede te deelen, ben ik bereid naar u te luisteren.”
“Juist! juist, Heer Ambtman!” antwoordde Reede: “gij moet alles weten, want al zijn uw gevoelens omtrent mijn Ulrica nog zoo edel, omtrent mij zoudt gij wellicht van meening veranderen, zoo ik niet met open kaarten speelde. Dan ter zake.—Ik moet, om u mijn omstandigheden te verduidelijken, de geschiedenis wat hooger ophalen.—Mijn overgrootvader Godard van Reede had, gelijk u bekend is, zijn meeste goederen, waaronder deze heerlijkheid, ter leen van het Bisdom van Utrecht, en stond, daar hij een devoot Katholiek was, in hooge gunst bij den Bisschop. Op aanzoek van dezen, en onder belofte van diens protectie, liet hij zijn tweeden zoon Frederik voor den geestelijken stand opvoeden, en wel bij de Dominicanen te Tiel. De jonge geestelijke bracht het ver.... ja, Roomsch of Onroomsch, wij zijn altoos bijbelvast en fiksch in de leer geweest.... nu, dat is tot daaraan toe: hij maakte groote vorderingen, en de oude heer had het genoegen hem voor zijn dood tot Prior van datzelfde convent der Dominicanen te zien verheffen.... dat moet een vet ambtje geweest zijn!”
“Zoo vet,” zeide Mom, “dat ik er mijn ambtsmanschap dadelijk voor geven zou, mits het mij maar niet belette uw schoone dochter te huwen.”
“Ja! men moet kiezen of deelen;.... doch waar waren wij gebleven?.... ”
“Bij uw oudoom den Prior; is hij het niet, die, wanneer hij zat te lezen, een duiveltje de kaars liet houden?”’
“Juist! zijn beeltenis hangt op het slot; doch ter zake.—Borre, Frederiks oudste broeder en mijn grootvader, niet minder goed Roomsch dan zijn broeder, vertrouwde hem de opvoeding van zijn oudsten zoon Godard, terwijl Karel, de jongste, voor de wapenhandel werd opgeleid.—Intusschen had de omwenteling plaats en de oorlog met de Spanjaards. Mijn grootvader, toen Heer van Sonheuvel, zijn broeder de Prior en mijn oom Godard hielden, als men denken kon, ijverig de zijde van den Koning; doch mijn vader, die reeds jong aan hun opzicht onttrokken was, koos des Prinsen zijde, en zwoer, evenals deze den Paapschen Godsdienst af.”
“Dat zal den ouden Heer weinig gesmaakt hebben,” merkte Mom aan, om te toonen dat hij luisterde naar een verhaal, waar hij de belangrijkheid nog niet van inzag.
“Het gedrag van zijn zoon belgde hem zoozeer,” vervolgde de Baron, “dat hij mijn vader onterfde en zijn bezittingen aan mijn oom Godard maakte, die een weinig later de eenige erfgenaam werd der machtige nalatenschap van den Prior.”
“Zoo” riep Mom, voor wien de geschiedenis opeens eenbelangrijkergedaante verkreeg: dan heeft oom Godard alles ingepalmd.”
“Zooals gij wel aanmerkt. Mijn vader had zich wel tegen het een en ander kunnen verzetten; doch dit wilde hij uit kinderlijken eerbied niet doen. Hij had bovendien een vrij gegoed meisje getrouwd. Zoodra mijn grootvader gestorven was, riep mijn oom Godard mijn vader weder tot zich en stelde hem voor, samen als broeders op Sonheuvel te leven. Dit aanbod was met hartelijkheid gedaan: het werd met dankbaarheid aangenomen. Dan, niet lang had die samenwoning geduurd, toen de vrouw van mijn oom stierf. Hij was over dit verlies diep getroffen; de vermaken der wereld werden hem walgelijk, hij liet aan mijn vader het opzicht over al zijn goederen, trok naar Tiel, nam het geestelijk gewaad aan, verkreeg, als zijn oom, de waardigheid van Prior, en zou tot hooger waardigheid gestegen zijn, ware hij niet met een groot gedeelte der Roomsche geestelijkheid van oproerigheid beschuldigd geweest, en ten lande uitgebannen. Nu deed mijn vader iets, dat ik niet weet of ik mij wel zou hebben durven veroorloven.”
“En dat was?” vroeg Mom, bij wien het verhaal hoe langer hoe meer belangstelling wekte.
“Dat zult gij hooren. Mijn oom had zijn eenigste dochter bij de geestelijke zusters van Sinte-Cecilia laten opbrengen. Nu gebeurde er in dat klooster een schandaal: namelijk, dat, een non en een Jezuïetschen pater, die hier door ’t land reisde, samen opdrosten. Het volk, dat al niet zeer op de hand der nonnetjes was, plunderde toen het gansche convent en joeg de nonnen weg. Toen stuurde mijn oom zijn Maria aan mijn vader, met verzoek haar naar Kampen te sturen, waar een vrome zuster voor haar opvoeding zoude zorgen. Dat deed mijn vader niet, en daar deed hij, mijns inziens, verkeerd aan.”
“Hij wilde de rijke erfgename onder zijn bereik houden,” zeide Mom.
“Neen, dat niet,” zeide Reede, terwijl zijn kleine oogen van verontwaardiging fonkelden: “hoe komt ge op die gedachte! Hij handelde misschien verkeerd; maar geenszins uit baatzuchtige oogmerken.”
“Dan kan ik niet inzien, uit welken hoofde zijn gedrag laakbaar was,” zeide Mom: “noch zelfs wat zijn oogmerk geweest kan zijn.”
“Ziet gij dat niet?” vroeg Reede: “hij wilde een zieltje winnen en hield de kleine Maria bij zich, om haar, tegen de begeerte haars vaders aan, in de Hervormde leer te laten opvoeden. Ziet ge! dat was niet zooals ’t hoorde.”
“Vindt gij?” vroeg Mom op zijn beurt, met eenige verbaasdheid: “al onze Dominees zullen u het tegendeel zeggen.”
“Dat is wel mogelijk, ofschoon mijn goede vriend Raesfelt er niet volkomen zeker van is,” zeide Reede: “maar, naar mijn inzien, kunnen de middelen het doel nooit wettigen, zooals de Jezuïeten beweren;.... doch, dat daargelaten: Maria bleef dan bij ons en werd, toen zij huwbaar was, mijn vrouw.—Mijn vader stierf—ik bleef. voor het oog der wereld, de Heer van Sonheuvel: doch inderdaad, niet meer dan de rentmeester van mijn oom.”
“En heeft die oom niets meer van zich laten hooren?” vroeg Mom.
“Slechts eens heb ik hem sedert gezien: en toen had zijn onvoorzichtigheid hem bijna doen vatten: met moeite deed ik hem ontsnappen. Hij verzocht mij toen, het bestuur der bezittingen te blijven behouden en de interessen als een eigendom te beschouwen.”
“Die vrek!” zeide Mom: “hij had u alles even goed kunnen overdoen; want, vooreerst heeft hij aan die rijkdommen niets, en ten tweede zoude er op zijn recht van eigendom vrij wat aan te merken zijn.”
“Geen woord daarvan!” hernam de Baron: “wie hem ooit in zijn recht verkort, ik zal het blijven handhaven.—Dan, nu is er nog iets: mijn oom was ter oorzake der nauwe verwantschap tusschen Maria en mij, tegen ons huwelijk geweest. Leedwezen daarover voerde mijn lieve vrouw ten grave. Zij deed, ik geloof gedreven door een soort van zucht om een zoenoffer aan den toorn haars vaders te brengen, mij op haar sterfbed beloven, dat ik Ulrica, ons eenigst kind, niet zoude uithuwelijken, dan met de toestemming van mijn schoonvader.... Zij was stervende, ik zwoer dit, om haar gerust te stellen:—en toch, ik had zoo lichtvaardig niet moeten zweren: want waar vinde ik nu den ouden Heer?”
“Hoe laat hij zich noemen?” vroeg Mom.
“De Paapschen noemen hem vader Ambrosius,” antwoordde Reede: “doch het zal moeilijk zijn, zijn verblijfplaats uit te vorschen. Er zijn zoovelen van dien naam.”
“Wij zullen zien,” zeide Mom, opstaande en zijn knevel wrijvende om een onwillekeurigen glimlach te verbergen: “misschien is hij wel op te sporen. Ik heb overal nogal betrekkingen: en ik vleie mij, dat zoo hij met mijn wenschen bekend is, hij er niets tegen zal hebben in te brengen.”
“Mijn mededeelingen hebben dus geen invloed op uw voornemens?” vroeg Reede, terwijl een waas van tevredenheid zich over zijn gelaat verspreidde. “Gij blijft de hand mijner dochter vragen?”
“Heer Baron,” zeide Mom: “uw openhartig, ja edelmoedig gedrag te mijwaarts treft mij, vervult mij met bewondering voor u; doch het verbaast mij niet. Gij hebt mij wel beoordeeld, toen gij genoeg vertrouwen in mij steldet, om mij deze gewichtige geheimen mede te deelen. Ik bemin Ulrica: haar vraag ik, en haar alleen.”
“Bedenk u wel,” zeide de Baron: “Ik bezit niets, dat ik mijn eigendom kan noemen, dan mijn moeders erfdeel: op mijn ouden dag bekrimp ik mij niet meer, en van wat ik heb, heb ik vast besloten de helft aan Joan te geven; ik heb dien armen jongen niet opgevoed om hem naderhand armoede te laten lijden. Ulrica weet dit, en zij is tevreden met het weinige dat ik haar medegeef; doch gij!....” Hier schudde hij bedenkelijk het hoofd.
“Ik ben met Ulrica tevreden, en begeer niets meer,” hernam Mom.
“Heel wel! dat zijn jongelui’s betuigingen, als zij vrijen. Doch naderhand komt het berouw, en dan is het te laat.”
“Ik ben geen knaap meer,” zeide Mom “die zijn geluk op een paar schoone oogen verspeelt. Ik ben rijk genoeg om een vrouwnaar mijn zin te huwen, ook zonder bruidsschat. Veroorloof mij, tot nader bewijs van mijn betuiging, dat ik mij naar uw dochter begeve en haar mijn hulde brenge.”
“Zeer gaarne,” zeide de Baron, zich verheugd de handen wrijvende: “en zend mij Joan hier, indien hij zich nog bij haar bevindt.—Nu! kijk maar niet zwart: zij zijn samen opgebracht: daar steekt geen kwaad in.”
Mom glimlachte weder; doch deze reis was zijn lach gemaakt, en zich buigende, begaf hij zich naar het slot.