Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.

Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.Dat’s er éen, dat’s er een,Ter waereld schoonder geen,Dat yder moet belijen.Ontgin hem maar eens, heen en weêr,En denk dat uit een anders leêr,Goed riemen is te snijen.Jan de Regt.Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aanden Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister; hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528, door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals detemporaliteitof het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan den Hove van Holland. Hoe ’t zij, zeker is het, dat de Magistraat van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die ’t hoofd kreeg) en zijn Raden verdeeld.Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest: de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon, stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op.Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak kon zien.“Ik hoop,” zeide hij tegen een deftigen, in ’t zwart gekleeden Heer, die naast hem stond, “dat Utrecht van ’t jaar een fatsoenlijker varken sturen zal, dan dat van verleden jaar.”“En wat haperde daaraan?” vroeg de ander.“Weet UEd. dat niet?—Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven.”“Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de straatjongens over,” zeide de deftige man.“Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wildemij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!”“Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet lang meer duren zal,” hervatte de andere spreker.“Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over gewisseld worden,” zeide Bleiswyk: “Ik heb het zelf van den Heer Duyk gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren; maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan ’t hart ligt, dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men heden den ring en ’t ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord.”“Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is.”“Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: ik had een treffelijk plaatsje op ’t schavot, vlak achter den Fiskaal.”“UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan.”“Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten zien wegreizen.”“Gisteren!” zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde stond: “ik dacht dat zij hedenmiddag....”“Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij ’t vertrekken: nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat hij in ’t zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft Z. H. mij dikwijls zelve gezegd.”“Wij zullen dus oorlog hebben,” zeide de zwarte man.“Natuurlijk,” hervatte Bleiswyk: “dat was lang van te vorenbeslist, gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het een andere troep als thans!”“Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd,” zeide de deftige Heer spottende: “want ik twijfel of UEd. het gezien heeft.”“Ik was toen nog een knaap,” hervatte Bleiswyk; “doch ik hield veel van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de schaar heendringt?—Niet?—Dat is de Arminiaansche Predikant Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?”Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.“Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok een Arminiaan of een spion van ’t gerecht is!” vervolgde Bleiswyk, zich tot den jongen onbekende wendende: “UEd. ziet dien Dominee na: ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil ’t niet weten.—Heeft UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?”“Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,” zeide deze.“Dat is te zeggen,” hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: “het is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest.”“Een fijne distinctie!—En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?”“Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden.”“Ik zou het u niet raden, Jonker,” zeide een deftig gekleed Heer, (die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), terwijl hij hem op den schouder tikte.“Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal,” zeide Bleiswyk, zonder van kleur te veranderen: “en waarom zou UEd. mij dat niet raden?”“Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten,” hernam de Fiskaal.“Eilieve, zie eens!” zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; “zou de Justitie mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar het mij belieft?—Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen; maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor ’t halfje met mij accordeeren?”“De Justitie treedt in geen akkoorden,” zeide de Fiskaal op een strengen toon.“Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!” hernam Bleiswyk, lachende:“ik ga naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt, en ’t zal een kerel zijn die het mij belet.”“Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen,” hernam de Fiskaal.“Pas maar zelf op, oude Heer!” zeide Bleiswyk, de deftige houding des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: “of ’t zal u gaan als ’t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies, waar hij doorkeek, vast bleef zitten.”Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet, doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, trad hij eenige stappen terug in ’t gedrang.“Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van ’t Gerecht omspringen,” vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden: “doch waar kijkt UEd. naar?—Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is; doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed, wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan.”“Dat is niet waar,” riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, doch herstelde zich spoedig.“Wat drommel gaat het u aan?” zeide hij: “maak u om die Freule niet dik; zij gaat toch met een ander in ’t schuitje.”“Geen beleedigingen meer!” zeide Joan (want niemand anders was de onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene kreet van:ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!de menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras vertoonde zich nu een vendel schutters, ’twelk de noodige ruimte op het Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend door twee hellebaardiers, die denSchout en Burgemeesteren begeleidden; op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende (zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch dit was slechtspro forma! want degene, die de gangen van het varken werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken, die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen, dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met hevigheid een zijsprong nemende, het touw (’t geen, als Bleiswyk verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren trapten in ’t vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: ’t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren; doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan, die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen, die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.“Ulrica! mijn kind!” schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke dochter toesnellende: “zijt gij gewond?”“Het is niets, mijn vader!” antwoordde zij, met een gebroken stem:“laten wij van hier gaan.”—Deze woorden uitsprekende, zocht zij half buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.“Duizend kanonnen!” riep de Baron; “hij ook hier!”“Had ik geweten, Heer Baron!” zeide Joan, de oogen nederslaande, “dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijntegenwoordigheidgespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb.”“Met uw verlof,” zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: “ik zal wel voor de Freule zorgen.”“UEd. had zulks wat vroeger moeten doen,” zeide Joan eenigszins geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten, toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed.“Verschoon mij,” zeide deze: “Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt,re et verbis, als de geleerden zeggen.”“Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten,” hernam Joan, hem met een toornigen blik aanziende, “om het hedenavond te kunnen rondvertellen, en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt.”“Misschien wel” hernam Bleiswyk lachende: “nieuwsgierigheid is mijn zwak.”“En mijn zwak is,” zeide Joan, “geen onbeschaamdheid te dulden: ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen.”Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. “Zoo ’t UEd. gelieft, uw behendigheid tegen de mijne te meten,” vervolgde hij, “zoo vindt gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis maar verneme.”“Ha! dat is te veel!” riep Joan. “Ik volg u terstond.”“Met verlof!” riep een barsche stem achter hem: “dat zal nu niet gebeuren. Dienaars, treedt voor.”“Houdt! wat!” zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, die degene was, welke gesproken had: “UEd. legt het er vandaag op toe, om mij in mijn vermaken te storen.”“Zwijg Jonker!” hernam de Fiskaal: “uw aardigheden zijn thans hoogst ongepast. Mijnheer!” vervolgde hij, zich tot Joan wendende: “gij zijt mijn gevangene: uw degen, als ’t u gelieft.”“In geenen deele,” zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: “wat is dat voor een malle grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, door diefleiders achteraf gebracht worde.”“Jonker VanBleiswyk!” hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: “gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad schuldig wordt?”“Aan hoogverraad!” zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde:“Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?”1“Aan hoogverraad!” herhaalde Joan, met verbazing: “wat is mijn misdaad?”“Die zal nader onderzocht worden,” antwoordde de Fiskaal: “geef uw degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet.”“Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,” merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. “Mijn goede vriend,” vervolgde hij tegen Joan: “of liever mijn mislukte vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders....”“Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding bezorgen,” zeide de Fiskaal.“Boe! boe! ik ga al heen,” riep de onverbeterlijke snapper uit: “ik ga al heen, wees maar niet boos!”Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: “vaarwel, Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten bij Willem Van Bleiswyk, in ’t Voorhout, die u helpen zal, waar hij kan en mag, ja, al mag hij niet.”Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder die ’t hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens hoogverraad was vastgezet.“Lichtzinnig, maar goedhartig,” zeide Joan, hem naoogende. “Heer Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert lang is mijn verblijf mij onverschillig.”“Wij zullen niet ver gaan,” zeide de Fiskaal: “Mijnheer! hier is uw weg.”Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier, of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier, die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.“Mijne Heeren!” zeide Van Kinschot bij ’t inkomen: “hier is de man, in quaestie.”“Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!” zeide een der Gecommitteerden, een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid en trotschheid glom: “wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan.”De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze, waarop hij antwoorden moest.“Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering bijgewoond te hebben?” vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, den gevangene.“Ik blijf dit ontkennen,” antwoordde deze, met een vaste stem, welke aan Joan niet onbekend voorkwam.“Vriendje! vriendje!” hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: “Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in gezeten hebben, die even koppig waren als gij?”“God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek,” zeide de gevangene.“Wat doet des Heeren naam,” vroeg de Raadsheer, “in den mond van een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al verdoemd is?”“Dat isonsgeloof niet,” antwoordde de gevangene, die een Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: “UEd. Achtbare meent....”“Wil je ’t mij leeren, vlegel?” bromde de gewichtige man: “hebik dengepraedestineerdendief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan als jij geschreven?”“UEd. Achtbare gelieve op te merken,” hernam de Remonstrant, “dat dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins overeenstemme, alleenironicegeschreven is, en er dus....””Erotice!” hernam de Raadsheer: “wat rammel je? ik heb er niets verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik iets in te brengen heb: daar zal jemoresleeren: onze haan kraait koning! wij zijn ’t vet, wij drijven boven.”“Dan zijt gijlieden ’t schuim,” viel de gevangene in, “dat drijft boven ’t vet.”“Onbeschaamde vlegel!” riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: “is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!”“Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, dan passen hem zulke antwoorden,” zeide de Remonstrant.“Mijnheer de Vlaere,” zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: “wij hebben nog veel te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal niet langer op te houden?”“Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!” antwoordde De Vlaere, zeer tevreden van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij de gelukkigste rol niet speelde. “Dienaars! leidt den gevangene weg!”De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, waaraan zij gezeten waren, te naderen.Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.“Uw naam?” vroeg De Vlaere.Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de moeilijkste.“Wees niet beteuterd,” vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees toeschrijvende: “geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?”“Don Diego de Velasco.”“Zijt gij daar zeker van?” vroeg de Fiskaal, Joan scherp in ’t gezicht ziende.“Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men mij Joan Van Craeihorst.”“Zeer wel!” zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette het verhoor intusschen voort.“Waar zijt gij geboren?”“Ik weet het niet.”“Gij weet het niet?—Wat is dat voor een antwoord!” Hier trad de Fiskaal toe en fluisterde hem iets in ’t oor: “aha ja!filius illegitimus!—Waar opgevoed?”“Op den huize Sonheuvel?”Recte. Waar laatst woonachtig?”“Ik heb nu ’t laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het vorige jaar heb ik in ’t leger van Z. M. van Bohemen gediend.”“Dat komt juist uit,” zeide de Fiskaal, een geschreven papier doorloopende, dat hij in de hand hield. “Doch! indien de Heeren mij vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?”“Ten einde mij naar Den Bosch te begeven.”“En met wien hebt ge daar omgang gehad?”“Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen.”“Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen te verrichten?”“Is dat mijn gansche misdrijf?” vroeg Joan verbaasd: “ja, dat heb ik: en hier is het pakket, ’t welk ik op mij had genomen te bezorgen aan....”“Zwijg!” riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit de handen rukkende. “Dit pakket,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor de Raadsheeren nederleide, “zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen hierin gevonden wordt.”“Ik kan niet begrijpen,” zeide Joan, “welk kwaad er in steekt, brieven te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.—Of is dit ook eensuspectepersoon?”De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. “Het zal noodig zijn,” zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, “dat dit verhoor zonder eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met mij gevoelen.”“Ongetwijfeld!” zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles, wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende, voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam, en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.“Zullen wij thans het pakket niet openen?” vroeg eindelijk De Vlaere aan zijn ambtgenoot.“Vooraf,” zeide deze, “wenschte ik den gevangene te vragen of hem de inhoud bekend is.”“Zoover ik weet,” antwoordde Joan, “zijn het brieven, waarin de verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen.”“Het bevreemdt mij,” merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, “dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die brieven staan.”“Dan zou ik bedrogen zijn geweest,” zeide Joan, de schouders ophalende.“Waarlijk!” zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: “wij zullen zien, wie hier de bedrogene is.” Het pakket werd nu geopend en de inhoud onderzocht.“Mijn God!” riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten brief den besten gelezen had: “wie kon dat ooit gelooven?”“Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en huichelarij!” riep De Vlaere.“Laat ons voorzichtig zijn,” zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: “deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket in handen?”“Mijn oom, Louis de Velasco.”“Onbeschaamde!” zeide De Vlaere: “en gij zeidet, dat het brieven van de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?”“Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan.”“Deze brieven,” hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, “zijn van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen.”De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd.“Was het overbrengen van dit pakket,” vroeg toen Van Kinschot aan de gevangene, “de eenige reden van uw reis herwaarts?”“Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog duister voor mij lag.”“Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.—Wie hebt gij sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?”Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne Doorluchtigheid.“Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?”“Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken.”“Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?”“Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand....”“Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, valt niet onder ’s Hofs jurisdictie.—Ik vrees, dat het slecht met u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken schuil te houden.”“Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen mij zien kon,” zeide Joan met drift: “doch, men zal zich nog bedenken, eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco....”“Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs,” viel hem Van Kinschot in: “gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek, en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield.”“Dan is het beter, dat ik zwijge,” zeide Joan: “ik zie dat mijn verderf vastbesloten is!”“Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd,” zeide De Vlaere, oprijzende: “stokbewaarder!”De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.“Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het uiterste gewicht.”“Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan,” antwoordde de stokbewaarder: “doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die zooeven hier geweest is.”“Mijn eenig verzoek is,” zeide Joan, “dat mijn reiszak, die in de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben.”“Die is hier al gekomen,” zeide de cipier; “ik had vergeten zulks aan de Heeren te zeggen.”De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde, was een prachtige gouden keten.“Ei! ei!” zeide De Vlaere: “een kostbaar stuk werks, genoeg om een geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?”“Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd.”“Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.—Maar wat is dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?” vroeg De Vlaere, toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, ’t welk een volkomen, schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.“Een stellig bewijs van hoogverraad,” zeide Joan, met een bitteren glimlach.“Wat doet gij met kindergoed in uw valies?” vroeg De Vlaere.“Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reedemij tot kind aannam. Ik had die met mij naar ’s-Bosch gevoerd, om ze aan mijn oom te vertoonen.”“Voeg die kleertjes bij depreciosa,” zeide De Vlaere tegen den Griffier: “de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van ’t een en ander gaan verzekeren.—Is er niets meer?”“Het komt mij voor,” zeide de Fiskaal, “dat wij het overige veilig aan dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg.”Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen, aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen, en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in ’t gezicht; doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van Joan!—Hendrik—in elkanders armen.1Vondel, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.Acht-en-twintigste Hoofdstuk.Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,’t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.”Dies albo notanda lapillo!”1zeide Hendrik Raesfelt; want deze was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.“Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?” zeide Joan.“Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?” vroeg Hendrik.“Waarlijk, mijn beste vriend!” antwoordde Joan: “ik was dezen morgen even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken.”“Gij komt dan niet vrijwillig?—Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer....”“Uw maat zijn,” zeide de cipier: “juist geraden: en het doet mij genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets te zeggen?—Niet!—Dan wensch ik u een vroolijken dag samen.”—Dit zeggende, vertrok hij.“Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen,” hernam Raesfelt:“wat kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?”“Noem mij met dien naam niet meer,” zeide Joan: “dien heb ik reeds lang verloren.”“Verloren? En door welk toeval?—Doch, ik bid u, neem plaats.”Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken, doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen, ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had.“En,” zeide Joan, “zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis.”“Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben,” antwoordde Raesfelt: “God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten: en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij zond mij een engel.”“Of een engelin?” viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte wezenstrekken vertoonde.“De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een geloofsgenoot vinden.”“Wat nu!” vroeg Joan: “is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo plotseling in den kerker ontstaan?”“Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde: zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en....”“En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en zijn gevangene!”“Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen, om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.—Doch nu gij de deelgenoot mijner ellende geworden zijt,” vervolgde Hendrik, Joan met warmte de hand drukkende, “zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij mij vergezelt.”“Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs,” zeide Joan; “maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet erkend en ik in vrijheid gesteld worden.”“Vlei u daar niet mede,” zeide Hendrik: “vurig zou ik wenschen u eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed: de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: in ’t kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij, noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren voor zich kan doen pleiten.”“Mij dunkt, hier is een groot verschil,” zeide Joan: “de Advocaat had het land verraden, en ik....”“Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!” zeide Hendrik: “wij oordeelen er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden.”“Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?”“Zij zal mij niet bezoeken,” antwoordde Hendrik, “ten einde geen vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is.”Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik een kort gebed uit en zette zich aan ’t eten, niet een gretigheid, die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd was, met verbazing sloeg.“O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt,” zeide Hendrik, “zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen, dan van boven te zien.”“En waarom dat?” vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.“Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvanmijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang voor ons kan zijn.”“Heerlijk bedacht,” zeide Joan, opspringende: “dan zal ik u helpen om het adres van den brief open te maken.” Dit zeggende, begon hij mede te eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters S.12M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.“Een zeer duidelijke missive,” zeide Joan: “de drommel haal mij, zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd.”“Ik begrijp die des te beter,” hernam zijn vriend: S. is Sondag, dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal moeten gereedhouden.”“Waarlijk!” zeide Joan: “indien de middelen ter ontkoming even schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden, dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!”Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap voor den Predikant Raesfelt herkenden.“Gij hier, mijn vader!” riep Hendrik: “o nu is alle hoop nog niet voor mij verloren.”“Ik herleef, nu ik u wederzie,” zeide Joan: “gij althans kunt getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd voorgeschreven.”“Ik dacht niet,” zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen ten hemel hief, “dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke, en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is.”“Onze gevangenneming was u dus bekend?” vroeg Joan.“Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond, haar verhaald moet hebben.”“Hij heeft mij een weldaad bewezen,” zeide Joan, hem de hand drukkende, “door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud niet storen.”—Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen.“Zoover,” zeide Raesfelt tegen Hendrik, “heeft uw kettersche afval u dan gebracht?”“Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?” vroeg deze: “heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?”“Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?—Ach! ik vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb.”“Lieve vader!” zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn beide handen drukte: “lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag.”“Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!” zeide Raesfelt, opstaande en de beide handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: “ach! mocht hij de kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille bewaarheid worden!”“God loone u, mijn vader!” zeide Hendrik, zijn handen met kussen bedekkende: “de God des vredes en der genade bevestige deze uwe woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet uit boozen wil.”Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen kon.Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was, dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou worden. Raesfelt bevestigde zulks.“En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?”“Ongetwijfeld!” antwoordde de Predikant: “niet zoozeer omdat gij den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje, dat gij geschreven hebt.”“Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,” zeide Joan: “aan wien was dat briefje gericht?”“Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker,” zeide Raesfelt.“Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben.”“Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meenik, een kopie van gehouden.”—Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift van het fragment, ’t welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel ontdekt was.“Is dat alles?” vroeg Joan, toen hij het gelezen had: “welk een geluk, dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen, niets misdadigs bevat.”—Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde.“Men passe deze stukken bij het fragment,” zeide hij, “en het zal dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was.”De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.“Vaartwel dan, mijn kinderen!” zeide de vrome man, de beide jongelingen omhelzende.“God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat.” Met deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, bij wien hij gedurende zijn verblijf te ’s-Hage huisvesting genoot.Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken, die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau had genomen.De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron, daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke te praten.“Ziezoo!” zeide deze: “aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf uren in den nacht ware.”“En dat waarom?” vroeg hem de Baron.“Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten, festoenen en loovertakken te plaatsen.”“Ik wou ook dat ik het al zag,” zeide Reede: “Ik weet niet wat er aan hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt mij door ’t hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, en nu begrijp ik er geen stom woord van.”“Welke brief is het, die UEd. kwelt?’”“Weet je dat niet?—Ja, ’t is waar, ik heb je niet verteld, dat ik door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om zijn toestemming tot Ulrica’s huwelijk.”“Welnu?”“Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:”“Mijn waarde neef!Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28stenJuni des jaars 1621.Ambrosius,Gr.-Vicaris.””“Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?” vroeg de Baron, na het ten einde gelezen te hebben.“Had UEd. mij dat eerder laten lezen,” antwoordde Bouke, het hoofd schuddende, “ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk vooreerst niet te laten doorgaan.”“Zoo?”“Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld.”“Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog alzoo onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze.”“Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: ’t beste brood leit men op ’t venster en er vliegen geen uilen bij valken.”“Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwadeconsciëntiehad bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?”“Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper, altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch voor een groote schoelje—en wat betreft, dat Joan weggereisd is, zonder boe en ba te zeggen,—Dominee zegt immers zelf, dat hij niets anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield.”“Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies: ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte, durven verschijnen?”“Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje ging.”“Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft.”“Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen is weg te krijgen.”“Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan een schelm en een lafbek is?”“De gansche wereld is niet overtuigd; wantikgeloof het niet, en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen zij van het Hof terugkwam.”“Zoo! waar heb je dat aan gezien?”“Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?”“Kom! kom! gekheid!”“Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging enzeide: Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en....”“Ik er berouw over hebben?—Ge raast, Bouke!”“En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.—En als hij dan hier kwam....”“Hij zal hier wel vandaan blijven,” zeide de Baron: “zit hij niet in een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?”“En als hij dan hier kwam,” vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns meesters gezegden te storen, “en voor UEd. stond met de tranen in de oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, en tot UEd. zeide....”“Hij zou den bek wel houden!—Is de kerel dol?”“En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en....”“Het zal nimmer zoover komen,” zeide Reede, zich met zijn stoel omdraaiende.“En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat zou UEd. dan doen?”“Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?”“Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als voorheen leven gelijk vader en zoon.”De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.“Maar die satansche brief!” zeide hij eindelijk, stilstaande.“Aha!” zeide Bouke: “die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat kan niemand loochenen!”“Welnu?—En levert die geen genoegzaam bewijs op?”“Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!”“Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?”“Dat kan ik,” zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee stukjes papier voor den dag.“Wat zijn dat?” vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: “is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?”“Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan ’t kuieren was, is Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit.”“Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem.”“Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden brief behooren.”“Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten,” zeide de Baron, en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee hadmedegebracht, werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, van den volgenden inhoud:“Het bewijs uwer        nooit volprezen goedheid, datge mij heden        deedt toekomen,        heeft mij ten minstevan een smart       verlost, door mij        de zekerheid tegeven, dat uw e       dele boezem aan        de zoo ongerijmdeals onverdien       de beschuldiging       en, welke tegen mijworden ingebracht,        alle geloof blijft wei       geren. Neen,mijn Ulrica! hij, die        den naam van uw vriend        verdienenmocht, hij is nog        ten volle uwer waardig.        Misschienzal het mij in het        eerst bezwaarlijk vallen        aan denwaarden Heer Baron        de vermoedens te ont       nemen; dochhoud u des verz       ekerd, de tijd zal mij        rechtvaardigen,en den sluier        doen vallen, die        mijn handelingennog bedekken        moet, en aan de        geheele wereldtoonen, dat de Heer        Van Sonheuvel        in mij geenszinszijn vijand, veelmin        zijn moordenaar        heeft grootgebracht.geheel de uweJ.”“Wat drommel!” riep Reede, na gelezen te hebben, “dat briefje luidt aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?”“Is dat de toon van een schelm?” vroeg Bouke.“Ik weet niet,” zeide de Baron: “doch wat doet hij aan Ulrica te schrijven?”“Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust hebt, een stok te vinden.”“Zwijg Bouke!.... weet je wat,—morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld, dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden.”Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en op ZEd.wachtte.“De Fiskaal!” zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: “wat moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen ondervragen.”Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten.“Mijnheer Van Sonheuvel!” riep deze: “ik ben zoo vrij geweest, mij bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron, op den huize Sonheuvel grootgebracht.”—Dit zeggende leide hij een pak op de tafel en opende het.“Dezen ketting,” vervolgde hij, “beweert gemelde jongeling van Mevrouw de Gravin te hebben ontvangen.”“Ik herken die,” zeide de Gravin: “zij was het loon voor den gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft.”“En deze kinderkleeren,”.... vervolgde Van Kinschot.“O! die herken ik,” zeide Reede: “het is het pakje, dat hij aanhad, toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat wat helpen zou.”“Ik herken het fatsoen,” zeide de Gravin, terwijl een traan in haar oogen blonk. “Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij vergund?” Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk met een scherpe nauwkeurigheid.“Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil,” zeide de Fiskaal, “zoo heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden.”“Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?” riep de Baron eensklaps verschrikt uit.De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos in haar stoel gezegen.Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij haar zelve.“Om Gods wil!” waren haar eerste woorden: “waar is die knaap? hoe komt hij aan dat jurkje?”“Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw,” zeide de Baron.“Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk inspannen, en....”“Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen,” hernam Reede: “zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken, mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging....”“Om ’t even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?”“Ik bid UEd. bedaar!” hernam de Baron: “ik wil gaarne zelf naar den Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap houden. Waar is Ulrica?”“De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn,” zeide de kamenier der Gravin: “Leentje is bij haar.”“Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving,” merkte de Baron aan: “dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?”“Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders,” zeide de Gravin, terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.“Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!”“Maar Mevrouw! om ’s hemels wil,” zeide de Baron: “hoe kan UEd. zoo spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?”“Joan.... Joan!....” herhaalde zij op een verwilderden toon: “wie is Joan?”“Joan, mijn pleegzoon,” antwoordde Reede; “of zoo UEd. liever wil, de zoon van den gesneuvelden Velasco.”“Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje, mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?”“Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van het uwe optooien.””’t Is waar!” zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: “’t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.—Nietwaar, Beckman!” vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks in het vertrek was gekomen: “nietwaar, gij hebt het met eigen oogen gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind....” Hier zweeg zij, als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.“Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen Jezuïet das kleinen kinde in ’s wasser worf,” antwoordde Beckman.“Ik heb mij door een ijdele begoocheling van ’t spoor laten voeren,” hernam de Gravin: “verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke tooneel, waar gij getuige van geweest zijt.”Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet te begeven.1Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!

Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.Dat’s er éen, dat’s er een,Ter waereld schoonder geen,Dat yder moet belijen.Ontgin hem maar eens, heen en weêr,En denk dat uit een anders leêr,Goed riemen is te snijen.Jan de Regt.Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aanden Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister; hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528, door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals detemporaliteitof het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan den Hove van Holland. Hoe ’t zij, zeker is het, dat de Magistraat van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die ’t hoofd kreeg) en zijn Raden verdeeld.Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest: de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon, stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op.Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak kon zien.“Ik hoop,” zeide hij tegen een deftigen, in ’t zwart gekleeden Heer, die naast hem stond, “dat Utrecht van ’t jaar een fatsoenlijker varken sturen zal, dan dat van verleden jaar.”“En wat haperde daaraan?” vroeg de ander.“Weet UEd. dat niet?—Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven.”“Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de straatjongens over,” zeide de deftige man.“Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wildemij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!”“Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet lang meer duren zal,” hervatte de andere spreker.“Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over gewisseld worden,” zeide Bleiswyk: “Ik heb het zelf van den Heer Duyk gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren; maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan ’t hart ligt, dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men heden den ring en ’t ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord.”“Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is.”“Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: ik had een treffelijk plaatsje op ’t schavot, vlak achter den Fiskaal.”“UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan.”“Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten zien wegreizen.”“Gisteren!” zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde stond: “ik dacht dat zij hedenmiddag....”“Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij ’t vertrekken: nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat hij in ’t zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft Z. H. mij dikwijls zelve gezegd.”“Wij zullen dus oorlog hebben,” zeide de zwarte man.“Natuurlijk,” hervatte Bleiswyk: “dat was lang van te vorenbeslist, gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het een andere troep als thans!”“Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd,” zeide de deftige Heer spottende: “want ik twijfel of UEd. het gezien heeft.”“Ik was toen nog een knaap,” hervatte Bleiswyk; “doch ik hield veel van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de schaar heendringt?—Niet?—Dat is de Arminiaansche Predikant Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?”Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.“Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok een Arminiaan of een spion van ’t gerecht is!” vervolgde Bleiswyk, zich tot den jongen onbekende wendende: “UEd. ziet dien Dominee na: ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil ’t niet weten.—Heeft UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?”“Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,” zeide deze.“Dat is te zeggen,” hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: “het is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest.”“Een fijne distinctie!—En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?”“Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden.”“Ik zou het u niet raden, Jonker,” zeide een deftig gekleed Heer, (die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), terwijl hij hem op den schouder tikte.“Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal,” zeide Bleiswyk, zonder van kleur te veranderen: “en waarom zou UEd. mij dat niet raden?”“Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten,” hernam de Fiskaal.“Eilieve, zie eens!” zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; “zou de Justitie mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar het mij belieft?—Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen; maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor ’t halfje met mij accordeeren?”“De Justitie treedt in geen akkoorden,” zeide de Fiskaal op een strengen toon.“Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!” hernam Bleiswyk, lachende:“ik ga naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt, en ’t zal een kerel zijn die het mij belet.”“Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen,” hernam de Fiskaal.“Pas maar zelf op, oude Heer!” zeide Bleiswyk, de deftige houding des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: “of ’t zal u gaan als ’t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies, waar hij doorkeek, vast bleef zitten.”Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet, doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, trad hij eenige stappen terug in ’t gedrang.“Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van ’t Gerecht omspringen,” vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden: “doch waar kijkt UEd. naar?—Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is; doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed, wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan.”“Dat is niet waar,” riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, doch herstelde zich spoedig.“Wat drommel gaat het u aan?” zeide hij: “maak u om die Freule niet dik; zij gaat toch met een ander in ’t schuitje.”“Geen beleedigingen meer!” zeide Joan (want niemand anders was de onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene kreet van:ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!de menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras vertoonde zich nu een vendel schutters, ’twelk de noodige ruimte op het Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend door twee hellebaardiers, die denSchout en Burgemeesteren begeleidden; op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende (zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch dit was slechtspro forma! want degene, die de gangen van het varken werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken, die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen, dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met hevigheid een zijsprong nemende, het touw (’t geen, als Bleiswyk verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren trapten in ’t vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: ’t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren; doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan, die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen, die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.“Ulrica! mijn kind!” schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke dochter toesnellende: “zijt gij gewond?”“Het is niets, mijn vader!” antwoordde zij, met een gebroken stem:“laten wij van hier gaan.”—Deze woorden uitsprekende, zocht zij half buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.“Duizend kanonnen!” riep de Baron; “hij ook hier!”“Had ik geweten, Heer Baron!” zeide Joan, de oogen nederslaande, “dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijntegenwoordigheidgespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb.”“Met uw verlof,” zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: “ik zal wel voor de Freule zorgen.”“UEd. had zulks wat vroeger moeten doen,” zeide Joan eenigszins geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten, toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed.“Verschoon mij,” zeide deze: “Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt,re et verbis, als de geleerden zeggen.”“Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten,” hernam Joan, hem met een toornigen blik aanziende, “om het hedenavond te kunnen rondvertellen, en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt.”“Misschien wel” hernam Bleiswyk lachende: “nieuwsgierigheid is mijn zwak.”“En mijn zwak is,” zeide Joan, “geen onbeschaamdheid te dulden: ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen.”Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. “Zoo ’t UEd. gelieft, uw behendigheid tegen de mijne te meten,” vervolgde hij, “zoo vindt gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis maar verneme.”“Ha! dat is te veel!” riep Joan. “Ik volg u terstond.”“Met verlof!” riep een barsche stem achter hem: “dat zal nu niet gebeuren. Dienaars, treedt voor.”“Houdt! wat!” zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, die degene was, welke gesproken had: “UEd. legt het er vandaag op toe, om mij in mijn vermaken te storen.”“Zwijg Jonker!” hernam de Fiskaal: “uw aardigheden zijn thans hoogst ongepast. Mijnheer!” vervolgde hij, zich tot Joan wendende: “gij zijt mijn gevangene: uw degen, als ’t u gelieft.”“In geenen deele,” zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: “wat is dat voor een malle grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, door diefleiders achteraf gebracht worde.”“Jonker VanBleiswyk!” hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: “gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad schuldig wordt?”“Aan hoogverraad!” zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde:“Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?”1“Aan hoogverraad!” herhaalde Joan, met verbazing: “wat is mijn misdaad?”“Die zal nader onderzocht worden,” antwoordde de Fiskaal: “geef uw degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet.”“Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,” merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. “Mijn goede vriend,” vervolgde hij tegen Joan: “of liever mijn mislukte vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders....”“Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding bezorgen,” zeide de Fiskaal.“Boe! boe! ik ga al heen,” riep de onverbeterlijke snapper uit: “ik ga al heen, wees maar niet boos!”Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: “vaarwel, Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten bij Willem Van Bleiswyk, in ’t Voorhout, die u helpen zal, waar hij kan en mag, ja, al mag hij niet.”Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder die ’t hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens hoogverraad was vastgezet.“Lichtzinnig, maar goedhartig,” zeide Joan, hem naoogende. “Heer Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert lang is mijn verblijf mij onverschillig.”“Wij zullen niet ver gaan,” zeide de Fiskaal: “Mijnheer! hier is uw weg.”Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier, of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier, die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.“Mijne Heeren!” zeide Van Kinschot bij ’t inkomen: “hier is de man, in quaestie.”“Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!” zeide een der Gecommitteerden, een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid en trotschheid glom: “wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan.”De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze, waarop hij antwoorden moest.“Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering bijgewoond te hebben?” vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, den gevangene.“Ik blijf dit ontkennen,” antwoordde deze, met een vaste stem, welke aan Joan niet onbekend voorkwam.“Vriendje! vriendje!” hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: “Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in gezeten hebben, die even koppig waren als gij?”“God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek,” zeide de gevangene.“Wat doet des Heeren naam,” vroeg de Raadsheer, “in den mond van een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al verdoemd is?”“Dat isonsgeloof niet,” antwoordde de gevangene, die een Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: “UEd. Achtbare meent....”“Wil je ’t mij leeren, vlegel?” bromde de gewichtige man: “hebik dengepraedestineerdendief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan als jij geschreven?”“UEd. Achtbare gelieve op te merken,” hernam de Remonstrant, “dat dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins overeenstemme, alleenironicegeschreven is, en er dus....””Erotice!” hernam de Raadsheer: “wat rammel je? ik heb er niets verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik iets in te brengen heb: daar zal jemoresleeren: onze haan kraait koning! wij zijn ’t vet, wij drijven boven.”“Dan zijt gijlieden ’t schuim,” viel de gevangene in, “dat drijft boven ’t vet.”“Onbeschaamde vlegel!” riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: “is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!”“Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, dan passen hem zulke antwoorden,” zeide de Remonstrant.“Mijnheer de Vlaere,” zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: “wij hebben nog veel te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal niet langer op te houden?”“Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!” antwoordde De Vlaere, zeer tevreden van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij de gelukkigste rol niet speelde. “Dienaars! leidt den gevangene weg!”De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, waaraan zij gezeten waren, te naderen.Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.“Uw naam?” vroeg De Vlaere.Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de moeilijkste.“Wees niet beteuterd,” vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees toeschrijvende: “geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?”“Don Diego de Velasco.”“Zijt gij daar zeker van?” vroeg de Fiskaal, Joan scherp in ’t gezicht ziende.“Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men mij Joan Van Craeihorst.”“Zeer wel!” zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette het verhoor intusschen voort.“Waar zijt gij geboren?”“Ik weet het niet.”“Gij weet het niet?—Wat is dat voor een antwoord!” Hier trad de Fiskaal toe en fluisterde hem iets in ’t oor: “aha ja!filius illegitimus!—Waar opgevoed?”“Op den huize Sonheuvel?”Recte. Waar laatst woonachtig?”“Ik heb nu ’t laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het vorige jaar heb ik in ’t leger van Z. M. van Bohemen gediend.”“Dat komt juist uit,” zeide de Fiskaal, een geschreven papier doorloopende, dat hij in de hand hield. “Doch! indien de Heeren mij vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?”“Ten einde mij naar Den Bosch te begeven.”“En met wien hebt ge daar omgang gehad?”“Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen.”“Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen te verrichten?”“Is dat mijn gansche misdrijf?” vroeg Joan verbaasd: “ja, dat heb ik: en hier is het pakket, ’t welk ik op mij had genomen te bezorgen aan....”“Zwijg!” riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit de handen rukkende. “Dit pakket,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor de Raadsheeren nederleide, “zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen hierin gevonden wordt.”“Ik kan niet begrijpen,” zeide Joan, “welk kwaad er in steekt, brieven te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.—Of is dit ook eensuspectepersoon?”De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. “Het zal noodig zijn,” zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, “dat dit verhoor zonder eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met mij gevoelen.”“Ongetwijfeld!” zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles, wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende, voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam, en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.“Zullen wij thans het pakket niet openen?” vroeg eindelijk De Vlaere aan zijn ambtgenoot.“Vooraf,” zeide deze, “wenschte ik den gevangene te vragen of hem de inhoud bekend is.”“Zoover ik weet,” antwoordde Joan, “zijn het brieven, waarin de verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen.”“Het bevreemdt mij,” merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, “dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die brieven staan.”“Dan zou ik bedrogen zijn geweest,” zeide Joan, de schouders ophalende.“Waarlijk!” zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: “wij zullen zien, wie hier de bedrogene is.” Het pakket werd nu geopend en de inhoud onderzocht.“Mijn God!” riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten brief den besten gelezen had: “wie kon dat ooit gelooven?”“Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en huichelarij!” riep De Vlaere.“Laat ons voorzichtig zijn,” zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: “deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket in handen?”“Mijn oom, Louis de Velasco.”“Onbeschaamde!” zeide De Vlaere: “en gij zeidet, dat het brieven van de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?”“Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan.”“Deze brieven,” hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, “zijn van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen.”De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd.“Was het overbrengen van dit pakket,” vroeg toen Van Kinschot aan de gevangene, “de eenige reden van uw reis herwaarts?”“Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog duister voor mij lag.”“Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.—Wie hebt gij sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?”Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne Doorluchtigheid.“Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?”“Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken.”“Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?”“Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand....”“Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, valt niet onder ’s Hofs jurisdictie.—Ik vrees, dat het slecht met u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken schuil te houden.”“Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen mij zien kon,” zeide Joan met drift: “doch, men zal zich nog bedenken, eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco....”“Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs,” viel hem Van Kinschot in: “gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek, en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield.”“Dan is het beter, dat ik zwijge,” zeide Joan: “ik zie dat mijn verderf vastbesloten is!”“Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd,” zeide De Vlaere, oprijzende: “stokbewaarder!”De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.“Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het uiterste gewicht.”“Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan,” antwoordde de stokbewaarder: “doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die zooeven hier geweest is.”“Mijn eenig verzoek is,” zeide Joan, “dat mijn reiszak, die in de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben.”“Die is hier al gekomen,” zeide de cipier; “ik had vergeten zulks aan de Heeren te zeggen.”De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde, was een prachtige gouden keten.“Ei! ei!” zeide De Vlaere: “een kostbaar stuk werks, genoeg om een geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?”“Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd.”“Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.—Maar wat is dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?” vroeg De Vlaere, toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, ’t welk een volkomen, schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.“Een stellig bewijs van hoogverraad,” zeide Joan, met een bitteren glimlach.“Wat doet gij met kindergoed in uw valies?” vroeg De Vlaere.“Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reedemij tot kind aannam. Ik had die met mij naar ’s-Bosch gevoerd, om ze aan mijn oom te vertoonen.”“Voeg die kleertjes bij depreciosa,” zeide De Vlaere tegen den Griffier: “de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van ’t een en ander gaan verzekeren.—Is er niets meer?”“Het komt mij voor,” zeide de Fiskaal, “dat wij het overige veilig aan dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg.”Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen, aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen, en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in ’t gezicht; doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van Joan!—Hendrik—in elkanders armen.1Vondel, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.

Dat’s er éen, dat’s er een,Ter waereld schoonder geen,Dat yder moet belijen.Ontgin hem maar eens, heen en weêr,En denk dat uit een anders leêr,Goed riemen is te snijen.Jan de Regt.

Dat’s er éen, dat’s er een,Ter waereld schoonder geen,Dat yder moet belijen.Ontgin hem maar eens, heen en weêr,En denk dat uit een anders leêr,Goed riemen is te snijen.

Dat’s er éen, dat’s er een,

Ter waereld schoonder geen,

Dat yder moet belijen.

Ontgin hem maar eens, heen en weêr,

En denk dat uit een anders leêr,

Goed riemen is te snijen.

Jan de Regt.

Het was op den volgenden morgen, dat, omstreeks acht uren, de plechtige overdracht van den Hofbeer, door die van Utrecht aanden Hove van Holland geschieden zou. Deze zoogenaamde Hofbeer was niets anders dan een mannetjes-varken, het grootste en vetste dat in de provincie Utrecht te vinden ware en hetwelk jaarlijks op zekeren bepaalden dag als een hulde en tot een teeken van onderdanigheid met de noodige plechtigheden werd aangeboden. De oorsprong van dit gebruik is bij geen schrijver aangeteekend en ligt derhalve in het duister; hoewel sommigen beweren, dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de overrompeling en plundering van Den Haag, in den jare 1528, door de Gelderschen onder Maarten Van Rossem, en dat, vermits die geschied was door toedoen van die van Utrecht, Keizer Karel, wanneer hij in het volgende jaar de stad bij verrassing innam en namaals detemporaliteitof het wereldlijk bestier daarvan bij verdrag bekwam, hun tot straf en eeuwige gedachtenis van een zoo stout bestaan zou opgelegd hebben het leveren van een beer of mannetjes-varken aan den Hove van Holland. Hoe ’t zij, zeker is het, dat de Magistraat van Utrecht verplicht was, alle jaren op zekeren gezetten dag aan den Hove op te brengen zoodanigen beer of zwijn, dat alsdan aan een paal, staande op het Binnenhof, eenige dagen werd tentoongesteld, vervolgens geslacht en onder den Stadhouder (die ’t hoofd kreeg) en zijn Raden verdeeld.

Reeds een uur voor de plechtigheid waren het Binnenhof en de straten, welke het ongure dier moest doortrekken, met toeschouwers gevuld. De schutterij der stad, bij deze gelegenheid in de wapenen gekomen, maakte hier en daar de bezetting uit, welke de orde bewaren moest: de winkels, welke te dien tijde de Groote Zaal op het Binnenhof omringden, en waar men alle voorwerpen van galanterie verkrijgen kon, stalden hun beste waren uit: in één woord, het gansche plein leverde een bijzonder vroolijk en levendig voorkomen op.

Onder de toeschouwers bevond zich, als natuurlijk was, de Jonker van Bleiswyk, dezelfde, van wien Ludwig (in het vorige hoofdstuk) had aangemerkt, dat hij overal met den neus bij was. Hij had zich, ook thans een der beste plaatsen uitgekozen, om alles wel te aanschouwen en op te nemen. Hij stond namelijk tegen een der torens van het groote gebouw geleund, van waar hij èn den weg waar het zwijn langs moest komen, èn de paal, en eindelijk de ramen van het Hof op zijn gemak kon zien.

“Ik hoop,” zeide hij tegen een deftigen, in ’t zwart gekleeden Heer, die naast hem stond, “dat Utrecht van ’t jaar een fatsoenlijker varken sturen zal, dan dat van verleden jaar.”

“En wat haperde daaraan?” vroeg de ander.

“Weet UEd. dat niet?—Wel het beest was zoo slecht onderwezen, dat het, zoodra het aan de paal lag, allerlei onbeleefdheden beging; ik zelf stond er vlak bij: de rozen van mijn schoenen waren glad bedorven.”

“Wat deedt gij er ook zoo dicht bij te staan? laat dat aan de straatjongens over,” zeide de deftige man.

“Met uw verlof! ik had gewed dat het dier niet deugde, en wildemij daarvan verzekeren; ook had ik niet misgeraden; want toen de Rentmeester des Espargne het slachten liet, werd het gortig en vuil bevonden, zoodat de Raden aan den Magistraat van Utrecht om een ander schreven: ik heb den brief zelf gelezen: hij begon met het varken en eindigde met een Christelijk gebed!.... nu, er kwam een ander beest, en toen waren onze lekkerbekken uit den brand, Ik heb zelf bij Zijne Doorluchtigheid van den kop gegeten. Hij was puik puik!”

“Ik denk toch, dat dit zotte gebruik van de min verlichte tijden niet lang meer duren zal,” hervatte de andere spreker.

“Daar zal eens een hartig woordje bij de aanstaande vergadering over gewisseld worden,” zeide Bleiswyk: “Ik heb het zelf van den Heer Duyk gehoord. Nu, die van Utrecht hebben ook heftige klachten ingeleverd, en waarover, denkt gij? Niet over den last van den beer te leveren; maar omdat de eer van het lieve beestje hun zoo nauw aan ’t hart ligt, dat zij niet verduwen kunnen, dat het aan de kaak gelegd wordt en dat er de jongens baldadigheden mede bedrijven, let wel, tot hun schimp en spot: zoo luidt hun missive, die ik zelf gelezen heb. Daarom heeft men heden den ring en ’t ijzer van den paal afgeslagen, opdat het geen kaak zou gelijken. Ten minste zoo heb ik zelf van den griffier gehoord.”

“Het schijnt mij toe, dat UEd. van alles bijzonder wel onderricht is.”

“Dat placht zoo te zijn, mijn waarde Heer! dat placht zoo te zijn; ten tijde van wijlen den Heer Advocaat was ik spoediger achter de zaken dan tegenwoordig. Z.Ed. had veel goedheid voor mij: alles vertelde hij mij eer iemand het wist; ik maakte ook veel werks van den ouden man: nu! ik heb hem ook tot aan zijn dood toe eer bewezen: ik heb zelfs geen vier treden van hem afgestaan, toen hij onthoofd werd: ik had een treffelijk plaatsje op ’t schavot, vlak achter den Fiskaal.”

“UEd. wilde hem zeker in het uiterst bijstaan.”

“Dat juist niet, mijn beste! dat liet ik aan Lamotius over; maar als men zulke goede vrienden geweest is! ... en daarenboven.... ik zie gaarne alles... UEd. heeft zeker gisteren de Spaansche gezanten zien wegreizen.”

“Gisteren!” zeide een welgekleed jongeling die aan zijn andere zijde stond: “ik dacht dat zij hedenmiddag....”

“Abuis, mijn vriend! gisteravond te halfnegen zijn zij de poort uitgereden. Ik heb hen zelf van Z. H. afscheid zien nemen.... Zijne Hoogheid schudde hartelijk de hand van Spinola bij ’t vertrekken: nu Generaal! zeide Z. H., waar zien wij elkander weder? En de Marquis antwoordde: ik hoop Uwe H. bij Bergen-op-Zoom. welgewapend te ontmoeten.... nu denkt Z. H., dat Spinola ons juist van een anderen kant aan zal vallen: maar de Marquis vertelt altijd aan een elk wat hij in ’t zin heeft, opdat men het tegendeel zou gelooven; dat heeft Z. H. mij dikwijls zelve gezegd.”

“Wij zullen dus oorlog hebben,” zeide de zwarte man.

“Natuurlijk,” hervatte Bleiswyk: “dat was lang van te vorenbeslist, gelijk mij al die van de zaak weten gezegd hebben; maar het leger zal er vrij wat minder uitzien dan voor twintig jaren: toen was het een andere troep als thans!”

“Dat heeft men UEd. zeker ook gezegd,” zeide de deftige Heer spottende: “want ik twijfel of UEd. het gezien heeft.”

“Ik was toen nog een knaap,” hervatte Bleiswyk; “doch ik hield veel van alles te zien en te vernemen; maar eilieve zie eens.... kent gij dien man met zijn rooden neus wel, die daar ginds door de schaar heendringt?—Niet?—Dat is de Arminiaansche Predikant Groenhovius;.... maar waar loopt UEd. zoo haastig naar toe?”

Hier verliet de zwarte man zonder te antwoorden zijn plaats en verloor zich weldra in de menigte, gelijk ook de Predikant.

“Ik verwed mijn vederbos tegen een oude beddekwast, dat die zwartrok een Arminiaan of een spion van ’t gerecht is!” vervolgde Bleiswyk, zich tot den jongen onbekende wendende: “UEd. ziet dien Dominee na: ja, die is eigenlijk gebannen, maar hij wil ’t niet weten.—Heeft UEd. wel ooit een Arminiaansche predikatie bijgewoond?”

“Ik dacht dat het verboden was, op die bijeenkomsten te gaan,” zeide deze.

“Dat is te zeggen,” hernam Bleiswyk op een gewichtigen toon: “het is verboden er te gaan uit godsdienstige oogmerken; maar om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, mag men er gerust heen trekken, en met dat oogmerk alleen ben ik er heen geweest.”

“Een fijne distinctie!—En was UEd. nogal voldaan over de predikatie?”

“Denk je dat ik naar het gerammel van dien kwijlbaard geluisterd heb? om geen geld; maar naast mij zat een zoet zusje, dat de moeite wel waard was, om gezien te worden: ik zeg ook niet, dat ik er een volgende reis niet weer heen trek; ik wil die kennis gaarne aanhouden.”

“Ik zou het u niet raden, Jonker,” zeide een deftig gekleed Heer, (die, kort te voren de trappen van de Groote Zaal afgekomen, zich juist achter Bleiswyk bevond en zijn laatste woorden gehoord had), terwijl hij hem op den schouder tikte.

“Aha! zijt gij het, mijn waarde Heer Fiskaal,” zeide Bleiswyk, zonder van kleur te veranderen: “en waarom zou UEd. mij dat niet raden?”

“Omdat het UEd. een fiksche som gelds zou kunnen kosten,” hernam de Fiskaal.

“Eilieve, zie eens!” zeide Bleiswyk, met een onveranderlijke koelbloedigheid zijn halskraag in orde schikkende; “zou de Justitie mij beletten, mij op een onschuldige wijze te vermaken, hoe en waar het mij belieft?—Ik wil u de boete wel daags te voren te huis sturen; maar er heen gaan zal ik.... of wil UEd. ook voor ’t halfje met mij accordeeren?”

“De Justitie treedt in geen akkoorden,” zeide de Fiskaal op een strengen toon.

“Kom! kom! Mijnheer Van Kinschot!” hernam Bleiswyk, lachende:“ik ga naar de mis, naar de oefeningen, naar de Arminiaansche conventikels, naar de synagoge, naar de moskee desnoods, overal waar het mij bevalt, en ’t zal een kerel zijn die het mij belet.”

“Pas op, dat mijn dienaars er u niet vandaan halen,” hernam de Fiskaal.

“Pas maar zelf op, oude Heer!” zeide Bleiswyk, de deftige houding des Fiskaals op een koddige wijze nabootsende: “of ’t zal u gaan als ’t uwen confrater Van der Duyn ging, toen hij die Rotterdamsche samenkomst bespiedde en met zijn dikken kop tusschen de tralies, waar hij doorkeek, vast bleef zitten.”

Dit antwoord verwekte een luid gelach bij al de omstanders: alleen zij, die het dichtst bij den Fiskaal stonden, en hem niet gaarne tot vijand wilden hebben, stopten de punten hunner mantels in den mond, of hielden er de hand voor om niet uit te bersten. De Fiskaal antwoordde niet, doch, den onbescheiden jongeling met een ontevreden blik aanziende, trad hij eenige stappen terug in ’t gedrang.

“Ziet gij, zoo moet men met die Heeren van ’t Gerecht omspringen,” vervolgde Bleiswyk, zich tot zijn buurman wendende, die sinds eenige minuten, zonder naar het gesprek met den Fiskaal te luisteren, de oogen op een der vensterramen van het Hof gevestigd had gehouden: “doch waar kijkt UEd. naar?—Aha! ik zie het al: het vorstelijk gezin is aan de ramen gekomen: zie eens, die aan dat middelste venster met dien hoed met gele en roode veeren is Zijne Hoogheid: die met dat botte uitzicht, die naast hem staat, is de Koning van Bohemen;.... maar gij kijkt naar een geheel verkeerd raam.... ho ja! daar valt ook wat meer bezienswaardig te aanschouwen, ik geef u geen ongelijk: die jonge Dame, die naast de Gravin Douairière Lodewijk Gunther zit, is gansch niet onooglijk. Het is de Freule Van Sonheuvel, en die deftige Heer, die achter haar staat, is de Ambtman Mom, die eerstdaags met haar trouwen zal. Ik ben zelf op de partijen genoodigd; men zegt: het staat haar maar half aan, een man te trouwen, die zooveel ouder is; doch zijn jaren zijn de ware reden niet van haar tegenzin: ik heb zelf van goederhand gehoord, dat de Baron een knaap had opgevoed, wien zij liefgekregen had en met wien zij had willen doorgaan.”

“Dat is niet waar,” riep de ander uit, terwijl zijn oogen fonkelden en zijn hand het gevest van zijn degen greep. Bleiswyk, die de reden van dit opvliegen niet bevroedde, trad eenigszins verzet achteruit, doch herstelde zich spoedig.

“Wat drommel gaat het u aan?” zeide hij: “maak u om die Freule niet dik; zij gaat toch met een ander in ’t schuitje.”

“Geen beleedigingen meer!” zeide Joan (want niemand anders was de onbekende jongeling) en hief de vuist op om den onbedachtzamen Jonker op eene gevoelige wijze zijn misnoegen te toonen, toen een algemeene kreet van:ruim baan! ruim baan! daar komt hij! daar is hij!de menigte uiteen deed stuiven en hem van zijn tegenpartij afdrong. Alras vertoonde zich nu een vendel schutters, ’twelk de noodige ruimte op het Binnenhof maakte voor den optocht, die volgde. De trein werd geopend door twee hellebaardiers, die denSchout en Burgemeesteren begeleidden; op dezen volgden de Procureur-Generaal, de Raadpensionaris en de Leden van den Provincialen Hove. Na dezen kwamen wederom eenige burgers en vervolgens het voorname doel van het gejuich der menigte, het voorwerp van het luid opstijgend hoezee en verdoovend handgeklap, de Hofbeer, met bloemen opgeschikt als een paaschlam en statig voortkuierende (zoo statig als het een varken mogelijk is) tusschen twee Boden van de Utrechtsche Magistraat, die de twee einden vasthielden van een sierlijk lint, dat aan den hals van het beest vastgestrikt was; doch dit was slechtspro forma! want degene, die de gangen van het varken werkelijk bestuurde, was een kloek landman, zindelijk naar zijn stand gekleed; deze was de voormalige eigenaar van het beest en Joan herkende alras in hem zijn gullen gastheer Gheryt Maessen. Nadat de trein, die door eenige burgers gesloten werd, het Binnenhof was rondgewandeld, geschiedde de overdracht, daarin bestaande, dat de Utrechtsche Boden de einden van het lint, die zij vasthielden, aan de Boden van den Hove overgaven. Nadat dit geschied was, bond men het dier aan den daartoe bestemden paal vast en ging de optocht ter zijde, om plaats te maken voor de doorluchtige toeschouwers, die het vette dier van dichtbij bezien kwamen. De Vorsten vertoonden zich al spoedig op het Binnenhof, van een aanzienlijken stoet hofjonkers en dames vergezeld; dan hun nadering scheen weinig indruk op den onhoffelijken Hofbeer te maken, die tegen den Stadhouder knorde, aan Z. M. van Bohemen de tanden wees, en aan de Gravin van Nassau den rug toedraaide met groote blijken van ongeduld. Dan, toen het trompetgeschal nogmaals herhaald werd, scheen het varken gramstorig te worden en eindelijk te begrijpen, dat het een voor hem zeer vernederende rol speelde, waarop het met hevigheid een zijsprong nemende, het touw (’t geen, als Bleiswyk verhaald had, den ijzeren ketting en ring vervangen had), losrukte en, zonder aanzien des persoons, op de doorluchte toeschouwers aansnelde. Men beseft lichtelijk, welk een verwarring door dien onverwachten misslag van den slecht onderwezen Hofbeer ontstond: de adel vloog op zijde en tusschen het gemeen in: de Raadsheeren trapten in ’t vluchten op hun tabbaarden en rolden onder de schutters: ’t gemeen vluchtte de hoftrappen op: de mannen schreeuwden: de dames gilden: de jongens lachten of raapten steenen op om er het varken mede te smijten: enkele onverschrokken lieden poogden den beer te keeren; doch het varken, door geen tegenstand afgeschrikt, liep twee of drie menschen onder den voet en juist op de Freule Van Sonheuvel aan, die waarschijnlijk mede door het woedende dier ware vertrapt geweest, ware niet haar trouwe minnaar nabij haar geweest. Joan was, toen het dier losbrak, dadelijk tot bescherming zijner geliefde toegesneld: hij wierp zich snel als de wind op het dier en greep het bij de ooren met zooveel kracht, dat het stilstond en weldra door Maessen en anderen, die toegeschoten waren, in bedwang gehouden werd.

“Ulrica! mijn kind!” schreeuwde de Baron, naar zijn doodsbleeke dochter toesnellende: “zijt gij gewond?”

“Het is niets, mijn vader!” antwoordde zij, met een gebroken stem:“laten wij van hier gaan.”—Deze woorden uitsprekende, zocht zij half buiten haar zelve, den arm haars vaders te nemen; doch zij miste haar greep en zou ter aarde gestort zijn, had niet Joan haar opgevangen.

“Duizend kanonnen!” riep de Baron; “hij ook hier!”

“Had ik geweten, Heer Baron!” zeide Joan, de oogen nederslaande, “dat ik UEd. hier ontmoeten zoude, ik had UEd. mijntegenwoordigheidgespaard; schoon ik mij jegens UEd. niets te verwijten heb.”

“Met uw verlof,” zeide Mom, hem naderende en Ulrica den arm biedende: “ik zal wel voor de Freule zorgen.”

“UEd. had zulks wat vroeger moeten doen,” zeide Joan eenigszins geraakt, en, den hoed aflichtende, maakte hij een statige buiging voor den Baron, waarna hij zich buiten den kring begaf en met een haastigen tred het Binnenhof verliet. Nauwelijks was hij echter op het Buitenhof gekomen, met oogmerk om zich naar de huizinge van Brandwijk te begeven en daar de terugkomst van Frederik Hendrik af te wachten, toen hij door iemand achterhaald werd, die hem op den schouder tikte en zich voor den Jonker van Bleiswyk herkennen deed.

“Verschoon mij,” zeide deze: “Ik ben zooeven wat van u afgeraakt; echter niet zoo ver, of ik ben ooggetuige geweest van uw heldendaad. Mag ik nu vernemen, welke betrekking er bestaat tusschen UEd. en de Freule, wier partij UEd. zoo hevig genomen hebt,re et verbis, als de geleerden zeggen.”

“Vermoedelijk wilt gij dit alleen weten,” hernam Joan, hem met een toornigen blik aanziende, “om het hedenavond te kunnen rondvertellen, en er bij te voegen, dat gij het van goederhand vernomen hebt.”

“Misschien wel” hernam Bleiswyk lachende: “nieuwsgierigheid is mijn zwak.”

“En mijn zwak is,” zeide Joan, “geen onbeschaamdheid te dulden: ik zou u dus raden mij alleen te laten, of het kan u slecht bekomen.”

Deze taal geuit hebbende, sloeg hij de hand aan zijn degen: doch Bleiswyk, hem tegenhoudende, nam beleefdelijk den hoed af en verzocht hem, geen rumoer op straat te maken. “Zoo ’t UEd. gelieft, uw behendigheid tegen de mijne te meten,” vervolgde hij, “zoo vindt gij mij tot uw dienst bereid; doch laten wij dan naar het Bosch gaan, daar kunnen wij elkander gevoeglijk een lating geven: ik wil daar met UEd. vechten tot den middag, mits ik naderhand uw geschiedenis maar verneme.”

“Ha! dat is te veel!” riep Joan. “Ik volg u terstond.”

“Met verlof!” riep een barsche stem achter hem: “dat zal nu niet gebeuren. Dienaars, treedt voor.”

“Houdt! wat!” zeide Bleiswyk, zich omkeerende, tegen den Fiskaal, die degene was, welke gesproken had: “UEd. legt het er vandaag op toe, om mij in mijn vermaken te storen.”

“Zwijg Jonker!” hernam de Fiskaal: “uw aardigheden zijn thans hoogst ongepast. Mijnheer!” vervolgde hij, zich tot Joan wendende: “gij zijt mijn gevangene: uw degen, als ’t u gelieft.”

“In geenen deele,” zeide Bleiswyk, terwijl hij Joan, die den Fiskaal verbaasd aanzag, bij de hand nam: “wat is dat voor een malle grap? ik zal niet dulden, dat een wakker gezel als deze edelman, door diefleiders achteraf gebracht worde.”

“Jonker VanBleiswyk!” hernam de Fiskaal met een ontzaggebiedende stem: “gij, die zooveel weet, weet gij niet, dat hij, die schuldigen aan hoogverraad aan de Justitie onttrekken wil, zelf aan hoogverraad schuldig wordt?”

“Aan hoogverraad!” zeide Bleiswyk, de armen latende vallen en de oogen half sluitende, terwijl hij op een theatralen toon declameerde:

“Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?”1

“Waar is zoo verre een plaats, zoo woest een wildernis,

Die voor u, o mijn zoon! een zekere schuilhoek is?”1

“Aan hoogverraad!” herhaalde Joan, met verbazing: “wat is mijn misdaad?”

“Die zal nader onderzocht worden,” antwoordde de Fiskaal: “geef uw degen over en volg mij. Ik zie u niet voor onwillig aan, anders liet ik u knevelen, dat gij niet gaan kondet.”

“Dat zou zeker de beste manier zijn om iemand te doen voortmarcheeren,” merkte Bleiswyk aan, die nooit zijn blijgeestigheid verloor. “Mijn goede vriend,” vervolgde hij tegen Joan: “of liever mijn mislukte vijand! Ik ruilde graag mijn nieuwen hoed tegen de smerige kalot van Ds. Lamotius, dat ik u niet in zulke handen liet. De Gevangenpoort is voorzeker geen vermakelijk verblijf; althans daarin komen al wie er gezeten hebben overeen: ik zelf heb er nooit gelogeerd; anders....”

“Zoo UEd. niet verkiest te zwijgen, zal ik u die ondervinding bezorgen,” zeide de Fiskaal.

“Boe! boe! ik ga al heen,” riep de onverbeterlijke snapper uit: “ik ga al heen, wees maar niet boos!”

Dit zeggende, verwijderde hij zich eenige stappen; doch terstond wederkeerende, greep hij Joan, die tusschen de twee dienaren in stond, bij de hand en zeide hem met drift, ja met gevoel: “vaarwel, Mijnheer! En zoo ge iets behoeft of verlangt, laat het dan maar weten bij Willem Van Bleiswyk, in ’t Voorhout, die u helpen zal, waar hij kan en mag, ja, al mag hij niet.”

Na het uiten dezer woorden draaide hij zich om en snelde als een pijl uit een boog weder naar het Binnenhof om te vertellen aan ieder die ’t hooren wilde, hoe de redder der Freule Van Sonheuvel wegens hoogverraad was vastgezet.

“Lichtzinnig, maar goedhartig,” zeide Joan, hem naoogende. “Heer Fiskaal! ik volg u waar het wezen moet: breng mij waar gij wilt. Sedert lang is mijn verblijf mij onverschillig.”

“Wij zullen niet ver gaan,” zeide de Fiskaal: “Mijnheer! hier is uw weg.”

Dit zeggende, toonde de Fiskaal aan Joan den ingang van den kerker boven de Gevangenpoort, waar zij zich voor bevonden.

De gevangene kon de huivering niet bedwingen, die hem beving, toen hij, ingetreden zijnde, de zware deur achter zich hoorde toesluiten en de ijzeren grendels vastschuiven; daar hij zichzelven echter geen kwaad bewust was en nog altijd hoopte, dat een bloot misverstand tot zijn gevangenneming had aanleiding gegeven, herkreeg hij weldra zijn vorigen moed en volgde onbeschroomd zijn geleider. De cipier, of gelijk men toen nog zeide stokbewaarder, bracht zijn gasten in een vrij ruim vertrek, hetwelk voor het verhooren was ingericht en welks wanden versierd waren met de bevallige stoffage van allerlei soorten van boeien, kettingen, straf- en foltertuigen, blokken, schroeven enz., benevens eenige prenten en een paar oude schilderijen, beruchte strafoefeningen voorstellende, en andere voorwerpen, alle bestemd en geschikt om een akeligen indruk te maken op het gemoed van al wie tegen zijn wil die plaats betrad. Achter een soort van balie waren, gelijk aan Joan naderhand bleek, twee Gecommitteerden van den Hove gezeten, bezig met het verhoor van een gevangene, die met den rug naar de binnenkomenden gewend stond en wiens antwoorden de Griffier, die aan een bijzonder tafeltje gezeten was, vlijtig opteekende.

“Mijne Heeren!” zeide Van Kinschot bij ’t inkomen: “hier is de man, in quaestie.”

“Één oogenblik slechts, Heer Fiskaal!” zeide een der Gecommitteerden, een dik, log mannetje, wiens lomp en opgezet gelaat van verwaandheid en trotschheid glom: “wij hebben met dezen zoo dadelijk afgedaan.”

De Fiskaal zette zich en Joan bleef tusschen twee dienaars staan, niet ontevreden over dit oogenblik respijt, hetwelk hem veroorloofde zijn toestand een wijl te overdenken en zich voor te bereiden, zoo op de vragen, die hem gedaan zouden kunnen worden, als op de wijze, waarop hij antwoorden moest.

“Gij blijft dus bij uw hardnekkige ontkentenis van sedert uw terugkomst hier te lande eenige predikatie gedaan of Arminiaansche vergadering bijgewoond te hebben?” vroeg de Raadsheer, die zooeven gesproken had, den gevangene.

“Ik blijf dit ontkennen,” antwoordde deze, met een vaste stem, welke aan Joan niet onbekend voorkwam.

“Vriendje! vriendje!” hernam de Raadsheer, het hoofd schuddende: “Ik zou u raden, liever te bekennen: het kon anders slecht met u afloopen. Hebt gij het hok gezien, waar Bysterus en Lindenius in gezeten hebben, die even koppig waren als gij?”

“God is mijn getuige, dat ik alleen de waarheid spreek,” zeide de gevangene.

“Wat doet des Heeren naam,” vroeg de Raadsheer, “in den mond van een schelm als gij, die gelooft dat een kind voor zijn geboorte al verdoemd is?”

“Dat isonsgeloof niet,” antwoordde de gevangene, die een Remonstrant was, verbaasd over des Raadheers onkunde: “UEd. Achtbare meent....”

“Wil je ’t mij leeren, vlegel?” bromde de gewichtige man: “hebik dengepraedestineerdendief niet gelezen, en heeft dat geen Arminiaan als jij geschreven?”

“UEd. Achtbare gelieve op te merken,” hernam de Remonstrant, “dat dit werkje Slatii, met wiens gevoelens ik daarenboven geenszins overeenstemme, alleenironicegeschreven is, en er dus....”

”Erotice!” hernam de Raadsheer: “wat rammel je? ik heb er niets verliefds in gezien: kort en goed: dit kan ik je zeggen: overmorgen wordt je sententie gelezen: voor je leven naar Loevestein, zoo ik iets in te brengen heb: daar zal jemoresleeren: onze haan kraait koning! wij zijn ’t vet, wij drijven boven.”

“Dan zijt gijlieden ’t schuim,” viel de gevangene in, “dat drijft boven ’t vet.”

“Onbeschaamde vlegel!” riep de Raadsheer, heftig op de tafel slaande: “is het aan uw Rechter, dat gij zulke antwoorden geven durft!”

“Wanneer de Rechter zich niet schaamt zijn gevangene te beschimpen, dan passen hem zulke antwoorden,” zeide de Remonstrant.

“Mijnheer de Vlaere,” zeide de andere Raadsheer, die een bedaard, ernstig man scheen te zijn, tot zijn ambtgenoot: “wij hebben nog veel te verrichten, en uit dezen gevangene is niets meer te halen. Ware het niet verkieslijker, het verhoor te staken en den Heer Fiskaal niet langer op te houden?”

“Zooals gij wilt, Mijnheer Sartor!” antwoordde De Vlaere, zeer tevreden van een goede aanleiding te hebben om een twist te eindigen, waarin hij de gelukkigste rol niet speelde. “Dienaars! leidt den gevangene weg!”

De dienaars traden toe en geleidden den Remonstrant weg, zonder dat het Joan gelukt was, diens gelaatstrekken te zien. Zoodra hij vertrokken was, gaf de Raadsheer Sartor aan onzen held een wenk, om de tafel, waaraan zij gezeten waren, te naderen.

Terwijl Joan aan dit bevel voldeed, stond ook de Fiskaal op en trad aan de tafel, waarop het ondervragen een begin nam.

“Uw naam?” vroeg De Vlaere.

Joan zweeg en zag voor zich. De eerste vraag was voor hem de moeilijkste.

“Wees niet beteuterd,” vervolgde Sartor, dit stilzwijgen aan vrees toeschrijvende: “geef ons openhartig antwoord. Hoe heet gij?”

“Don Diego de Velasco.”

“Zijt gij daar zeker van?” vroeg de Fiskaal, Joan scherp in ’t gezicht ziende.

“Deze naam is de laatste, die mij gegeven werd. Vroeger noemde men mij Joan Van Craeihorst.”

“Zeer wel!” zeide Van Kinschot, tegen de Raadsheeren langzaam met het hoofd knikkende, ten teeken van tevredenheid. De Vlaere zette het verhoor intusschen voort.

“Waar zijt gij geboren?”

“Ik weet het niet.”

“Gij weet het niet?—Wat is dat voor een antwoord!” Hier trad de Fiskaal toe en fluisterde hem iets in ’t oor: “aha ja!filius illegitimus!—Waar opgevoed?”

“Op den huize Sonheuvel?

”Recte. Waar laatst woonachtig?”

“Ik heb nu ’t laatst eenige dagen in Den Bosch doorgebracht: het vorige jaar heb ik in ’t leger van Z. M. van Bohemen gediend.”

“Dat komt juist uit,” zeide de Fiskaal, een geschreven papier doorloopende, dat hij in de hand hield. “Doch! indien de Heeren mij vergunnen, een vraag te doen: waarom heeft de gevangene voor vier weken het slot te Sonheuvel op een zoo vreemde wijze verlaten?”

“Ten einde mij naar Den Bosch te begeven.”

“En met wien hebt ge daar omgang gehad?”

“Met mijn oom, Don Louis de Velasco, met den Heer Vicaris, met den Heer Van Grobbendonck en met eenige Remonstrantsche uitgewekenen.”

“Zoo! En hebt gij ook voor die Heeren eenige boodschappen opgenomen te verrichten?”

“Is dat mijn gansche misdrijf?” vroeg Joan verbaasd: “ja, dat heb ik: en hier is het pakket, ’t welk ik op mij had genomen te bezorgen aan....”

“Zwijg!” riep de Fiskaal met een donderende stem, hem het pakket uit de handen rukkende. “Dit pakket,” vervolgde hij langzaam, terwijl hij het met somber oog van alle kanten beschouwde en eindelijk voor de Raadsheeren nederleide, “zal meer onheil brouwen, dan ooit eenig ander hier te lande gedaan heeft. Uw leven zal afhangen van hetgeen hierin gevonden wordt.”

“Ik kan niet begrijpen,” zeide Joan, “welk kwaad er in steekt, brieven te bezorgen aan Zijne Doorluchtigheid.—Of is dit ook eensuspectepersoon?”

De Fiskaal wierp hem een vreeselijken blik toe. “Het zal noodig zijn,” zeide hij vervolgens tegen de Raadsheeren, “dat dit verhoor zonder eenige getuige afloope. UEd. Achtbare zult hiervan het belang met mij gevoelen.”

“Ongetwijfeld!” zeide De Vlaere, en gaf last aan de dienaars, buiten te staan, waarna hij aan Joan een nauwkeurig verhaal afvroeg van, alles, wat zijn kennis met de Heeren, die hij in Den Bosch gesproken had, had voorbereid. Het gewicht eener openhartige bekentenis gevoelende, voldeed de gevangene vrij omstandig aan dit verzoek: zijn verhaal duurde des te langer, daar de Griffier, die alles nauwkeurig opteekende, hem zijne gezegden meer dan eens herhalen deed.

Toen hij geëindigd had, deden hem de Gecommitteerden eenige vragen betreffende de Arminiaansche ballingen, als b. v. of Uyttenbogaert ter misse ging, of hij kennis met de Jezuïeten hield, of hij raadsman van Pekkius was, of De Groot dikwijls bij Velasco aan huis kwam, en dergelijke meer: de meeste dezer beantwoordde Joan ontkennend: op sommige verklaarde hij niet te kunnen antwoorden.

“Zullen wij thans het pakket niet openen?” vroeg eindelijk De Vlaere aan zijn ambtgenoot.

“Vooraf,” zeide deze, “wenschte ik den gevangene te vragen of hem de inhoud bekend is.”

“Zoover ik weet,” antwoordde Joan, “zijn het brieven, waarin de verbannen Heeren zich in de bescherming Zijner Doorl. aanbevelen.”

“Het bevreemdt mij,” merkte de Fiskaal aan, op een straffen toon, “dat gij zulke sprookjes vertellen durft op het oogenblik, dat wij de stukken in handen hebben, welke u van logentaal zullen overtuigen, of mijn berichten zijn valsch, of er moet geheel wat anders in die brieven staan.”

“Dan zou ik bedrogen zijn geweest,” zeide Joan, de schouders ophalende.

“Waarlijk!” zeide Van Kinschot, hem verachtelijk aanziende: “wij zullen zien, wie hier de bedrogene is.” Het pakket werd nu geopend en de inhoud onderzocht.

“Mijn God!” riep Sartor met verbaasdheid uit, toen hij den eersten brief den besten gelezen had: “wie kon dat ooit gelooven?”

“Welk een afschuwelijk samenweefsel van verraad en list en huichelarij!” riep De Vlaere.

“Laat ons voorzichtig zijn,” zeide hem zachtjes zijn ambtgenoot: “deze brief is aan geen gemeen persoon gericht, noch tot iemand, die op losse gronden beticht mag worden. De brieven kunnen zeer wel zijn opgesteld uit list, met het oogmerk om kwade vermoedens te werpen op hem aan wien het opschrift luidt. Jongeling, wie stelde u dit pakket in handen?”

“Mijn oom, Louis de Velasco.”

“Onbeschaamde!” zeide De Vlaere: “en gij zeidet, dat het brieven van de Remonstrantsche ballingen waren. Wat had uw oom daarmede te maken?”

“Hij gaf mij die uit hun naam: ik had geen reden, zijn oprechtheid in twijfel te trekken. Heeft hij mij misleid, ik ben er onschuldig aan.”

“Deze brieven,” hernam Sartor, zich tot den Fiskaal wendende, “zijn van zulk een aard, dat wij, naar mijn gedachten, buiten voorkennis Zijner Hoogheid geen stap verder in deze doen kunnen.”

De Fiskaal stemde zulks toe, en nu deed de Griffier de brieven weder in het pakket, hetwelk behoorlijk gesloten en verzegeld werd.

“Was het overbrengen van dit pakket,” vroeg toen Van Kinschot aan de gevangene, “de eenige reden van uw reis herwaarts?”

“Onbewimpeld gesproken, neen: de Vicaris beloofde mij, dat, zoo ik hier eenige dagen bleef, zich veel ontwikkelen zou, dat thans nog duister voor mij lag.”

“Gij erkent dus een zendeling van den Vicaris te zijn.—Wie hebt gij sedert uw komst hier in Den Haag opgezocht?”

Joan verhaalde zijn vruchteloozen gang naar het Paleis van Zijne Doorluchtigheid.

“Waarom hebt gij u niet aangemeld bij Z. M. den Koning van Bohemen, onder wien gij voorgeeft te hebben gediend?”

“Ik vreesde dat mijn nieuwe naam mij minder welkom zou maken.”

“Waarom niet bij den Baron Van Reede, uw pleegvader?”

“Omdat ik onbewust was van zijn verblijf alhier en Zijn Ed. bovendien tegen mij ingenomen is, uithoofde van een ongelukkig misverstand....”

“Een ongelukkig misverstand! En gij hebt tegen zijn leven samengespannen met zekeren booswicht, die.... doch dit misdrijf, als in de provincie Utrecht geschied en van geen staatkundigen aard zijnde, valt niet onder ’s Hofs jurisdictie.—Ik vrees, dat het slecht met u af zal loopen! alles toont duidelijk, dat gij u hier hebt zoeken schuil te houden.”

“Dan ware ik hedenmorgen niet op het Binnenhof gekomen, waar iedereen mij zien kon,” zeide Joan met drift: “doch, men zal zich nog bedenken, eer men mij op losse gronden verwijst. De Spaansche Gezanten zullen niet dulden, dat de neef van Don Louis de Velasco....”

“Ongelukkige logenaar! gij vleit u vergeefs,” viel hem Van Kinschot in: “gisteren sprak mij de Kanselier Pekkius, kort voor zijn vertrek, en stellig betuigde hij mij, dat de Gezanten zich uwer niet zouden aantrekken, vermits men u voor een gelukzoeker hield.”

“Dan is het beter, dat ik zwijge,” zeide Joan: “ik zie dat mijn verderf vastbesloten is!”

“Het verhoor heeft nu lang genoeg geduurd,” zeide De Vlaere, oprijzende: “stokbewaarder!”

De stokbewaarder en de dienaars traden binnen.

“Breng dezen gevangene in goede verzekering. Zijn persoon is van het uiterste gewicht.”

“Ja! om hem alleen te plakken, dat zal bezwaarlijk gaan,” antwoordde de stokbewaarder: “doch ik zal hem bij dien Arminiaan zetten, die zooeven hier geweest is.”

“Mijn eenig verzoek is,” zeide Joan, “dat mijn reiszak, die in de herberg het Zotje ligt, mij hier geleverd worde. Er zit eenige verschooning in, die ik wellicht zal noodig hebben.”

“Die is hier al gekomen,” zeide de cipier; “ik had vergeten zulks aan de Heeren te zeggen.”

De reiszak werd terstond aangebracht, op de tafel gelegd en door den Fiskaal stuk voor stuk geledigd. Het eerste dat zich vertoonde, was een prachtige gouden keten.

“Ei! ei!” zeide De Vlaere: “een kostbaar stuk werks, genoeg om een geheel boevenhuis om te koopen. Hoe komt Mijnheer aan dat pronkstuk?”

“Het werd mij in mijn jeugd door de Gravin van Nassau vereerd.”

“Waarlijk! Nu, dit zal licht te bewaarheden vallen.—Maar wat is dat voor een boeltje? voor wien is dat poppengoed?” vroeg De Vlaere, toen hij zag dat de Fiskaal een pakje uithaalde, ’t welk een volkomen, schoon wat ouderwetsch, kindergewaad behelsde.

“Een stellig bewijs van hoogverraad,” zeide Joan, met een bitteren glimlach.

“Wat doet gij met kindergoed in uw valies?” vroeg De Vlaere.

“Het zijn de kleederen, die ik aanhad, toen de Barones Van Reedemij tot kind aannam. Ik had die met mij naar ’s-Bosch gevoerd, om ze aan mijn oom te vertoonen.”

“Voeg die kleertjes bij depreciosa,” zeide De Vlaere tegen den Griffier: “de Baron Van Sonheuvel is bij Mevrouw van Nassau gehuisvest, en wij zullen ons van de waarheid van ’t een en ander gaan verzekeren.—Is er niets meer?”

“Het komt mij voor,” zeide de Fiskaal, “dat wij het overige veilig aan dien jongeling laten kunnen. Stokbewaarder! breng uwen gevangene weg.”

Joan groette de Raadsheeren en den Fiskaal, en volgde zijn leidsman, die hem langs eenige trappen en gangen naar het kleine vertrekje bracht, dat hem tot kerker bestemd was. Toen de deur openging, zag Joan denzelfden gevangene, wiens stem hem bekend was voorgekomen, aan een tafel zitten, bezig met in een klein bijbeltje te lezen. Hij rees op toen hij een deelgenoot zijner gevangenschap zag binnenkomen, en trad naar Joan toe. Beiden zagen elkander strak in ’t gezicht; doch eer men tien had kunnen tellen, vielen zij met den uitroep van Joan!—Hendrik—in elkanders armen.

1Vondel, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.

1Vondel, de Amsterdamsche Hecuba, bl. 28.

Acht-en-twintigste Hoofdstuk.Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,’t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.”Dies albo notanda lapillo!”1zeide Hendrik Raesfelt; want deze was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.“Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?” zeide Joan.“Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?” vroeg Hendrik.“Waarlijk, mijn beste vriend!” antwoordde Joan: “ik was dezen morgen even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken.”“Gij komt dan niet vrijwillig?—Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer....”“Uw maat zijn,” zeide de cipier: “juist geraden: en het doet mij genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets te zeggen?—Niet!—Dan wensch ik u een vroolijken dag samen.”—Dit zeggende, vertrok hij.“Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen,” hernam Raesfelt:“wat kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?”“Noem mij met dien naam niet meer,” zeide Joan: “dien heb ik reeds lang verloren.”“Verloren? En door welk toeval?—Doch, ik bid u, neem plaats.”Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken, doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen, ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had.“En,” zeide Joan, “zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis.”“Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben,” antwoordde Raesfelt: “God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten: en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij zond mij een engel.”“Of een engelin?” viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte wezenstrekken vertoonde.“De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een geloofsgenoot vinden.”“Wat nu!” vroeg Joan: “is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo plotseling in den kerker ontstaan?”“Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde: zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en....”“En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en zijn gevangene!”“Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen, om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.—Doch nu gij de deelgenoot mijner ellende geworden zijt,” vervolgde Hendrik, Joan met warmte de hand drukkende, “zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij mij vergezelt.”“Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs,” zeide Joan; “maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet erkend en ik in vrijheid gesteld worden.”“Vlei u daar niet mede,” zeide Hendrik: “vurig zou ik wenschen u eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed: de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: in ’t kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij, noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren voor zich kan doen pleiten.”“Mij dunkt, hier is een groot verschil,” zeide Joan: “de Advocaat had het land verraden, en ik....”“Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!” zeide Hendrik: “wij oordeelen er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden.”“Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?”“Zij zal mij niet bezoeken,” antwoordde Hendrik, “ten einde geen vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is.”Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik een kort gebed uit en zette zich aan ’t eten, niet een gretigheid, die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd was, met verbazing sloeg.“O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt,” zeide Hendrik, “zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen, dan van boven te zien.”“En waarom dat?” vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.“Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvanmijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang voor ons kan zijn.”“Heerlijk bedacht,” zeide Joan, opspringende: “dan zal ik u helpen om het adres van den brief open te maken.” Dit zeggende, begon hij mede te eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters S.12M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.“Een zeer duidelijke missive,” zeide Joan: “de drommel haal mij, zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd.”“Ik begrijp die des te beter,” hernam zijn vriend: S. is Sondag, dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal moeten gereedhouden.”“Waarlijk!” zeide Joan: “indien de middelen ter ontkoming even schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden, dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!”Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap voor den Predikant Raesfelt herkenden.“Gij hier, mijn vader!” riep Hendrik: “o nu is alle hoop nog niet voor mij verloren.”“Ik herleef, nu ik u wederzie,” zeide Joan: “gij althans kunt getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd voorgeschreven.”“Ik dacht niet,” zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen ten hemel hief, “dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke, en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is.”“Onze gevangenneming was u dus bekend?” vroeg Joan.“Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond, haar verhaald moet hebben.”“Hij heeft mij een weldaad bewezen,” zeide Joan, hem de hand drukkende, “door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud niet storen.”—Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen.“Zoover,” zeide Raesfelt tegen Hendrik, “heeft uw kettersche afval u dan gebracht?”“Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?” vroeg deze: “heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?”“Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?—Ach! ik vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb.”“Lieve vader!” zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn beide handen drukte: “lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag.”“Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!” zeide Raesfelt, opstaande en de beide handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: “ach! mocht hij de kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille bewaarheid worden!”“God loone u, mijn vader!” zeide Hendrik, zijn handen met kussen bedekkende: “de God des vredes en der genade bevestige deze uwe woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet uit boozen wil.”Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen kon.Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was, dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou worden. Raesfelt bevestigde zulks.“En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?”“Ongetwijfeld!” antwoordde de Predikant: “niet zoozeer omdat gij den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje, dat gij geschreven hebt.”“Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,” zeide Joan: “aan wien was dat briefje gericht?”“Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker,” zeide Raesfelt.“Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben.”“Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meenik, een kopie van gehouden.”—Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift van het fragment, ’t welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel ontdekt was.“Is dat alles?” vroeg Joan, toen hij het gelezen had: “welk een geluk, dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen, niets misdadigs bevat.”—Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde.“Men passe deze stukken bij het fragment,” zeide hij, “en het zal dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was.”De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.“Vaartwel dan, mijn kinderen!” zeide de vrome man, de beide jongelingen omhelzende.“God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat.” Met deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, bij wien hij gedurende zijn verblijf te ’s-Hage huisvesting genoot.Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken, die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau had genomen.De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron, daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke te praten.“Ziezoo!” zeide deze: “aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf uren in den nacht ware.”“En dat waarom?” vroeg hem de Baron.“Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten, festoenen en loovertakken te plaatsen.”“Ik wou ook dat ik het al zag,” zeide Reede: “Ik weet niet wat er aan hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt mij door ’t hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, en nu begrijp ik er geen stom woord van.”“Welke brief is het, die UEd. kwelt?’”“Weet je dat niet?—Ja, ’t is waar, ik heb je niet verteld, dat ik door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om zijn toestemming tot Ulrica’s huwelijk.”“Welnu?”“Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:”“Mijn waarde neef!Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28stenJuni des jaars 1621.Ambrosius,Gr.-Vicaris.””“Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?” vroeg de Baron, na het ten einde gelezen te hebben.“Had UEd. mij dat eerder laten lezen,” antwoordde Bouke, het hoofd schuddende, “ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk vooreerst niet te laten doorgaan.”“Zoo?”“Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld.”“Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog alzoo onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze.”“Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: ’t beste brood leit men op ’t venster en er vliegen geen uilen bij valken.”“Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwadeconsciëntiehad bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?”“Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper, altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch voor een groote schoelje—en wat betreft, dat Joan weggereisd is, zonder boe en ba te zeggen,—Dominee zegt immers zelf, dat hij niets anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield.”“Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies: ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte, durven verschijnen?”“Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje ging.”“Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft.”“Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen is weg te krijgen.”“Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan een schelm en een lafbek is?”“De gansche wereld is niet overtuigd; wantikgeloof het niet, en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen zij van het Hof terugkwam.”“Zoo! waar heb je dat aan gezien?”“Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?”“Kom! kom! gekheid!”“Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging enzeide: Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en....”“Ik er berouw over hebben?—Ge raast, Bouke!”“En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.—En als hij dan hier kwam....”“Hij zal hier wel vandaan blijven,” zeide de Baron: “zit hij niet in een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?”“En als hij dan hier kwam,” vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns meesters gezegden te storen, “en voor UEd. stond met de tranen in de oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, en tot UEd. zeide....”“Hij zou den bek wel houden!—Is de kerel dol?”“En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en....”“Het zal nimmer zoover komen,” zeide Reede, zich met zijn stoel omdraaiende.“En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat zou UEd. dan doen?”“Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?”“Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als voorheen leven gelijk vader en zoon.”De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.“Maar die satansche brief!” zeide hij eindelijk, stilstaande.“Aha!” zeide Bouke: “die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat kan niemand loochenen!”“Welnu?—En levert die geen genoegzaam bewijs op?”“Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!”“Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?”“Dat kan ik,” zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee stukjes papier voor den dag.“Wat zijn dat?” vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: “is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?”“Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan ’t kuieren was, is Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit.”“Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem.”“Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden brief behooren.”“Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten,” zeide de Baron, en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee hadmedegebracht, werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, van den volgenden inhoud:“Het bewijs uwer        nooit volprezen goedheid, datge mij heden        deedt toekomen,        heeft mij ten minstevan een smart       verlost, door mij        de zekerheid tegeven, dat uw e       dele boezem aan        de zoo ongerijmdeals onverdien       de beschuldiging       en, welke tegen mijworden ingebracht,        alle geloof blijft wei       geren. Neen,mijn Ulrica! hij, die        den naam van uw vriend        verdienenmocht, hij is nog        ten volle uwer waardig.        Misschienzal het mij in het        eerst bezwaarlijk vallen        aan denwaarden Heer Baron        de vermoedens te ont       nemen; dochhoud u des verz       ekerd, de tijd zal mij        rechtvaardigen,en den sluier        doen vallen, die        mijn handelingennog bedekken        moet, en aan de        geheele wereldtoonen, dat de Heer        Van Sonheuvel        in mij geenszinszijn vijand, veelmin        zijn moordenaar        heeft grootgebracht.geheel de uweJ.”“Wat drommel!” riep Reede, na gelezen te hebben, “dat briefje luidt aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?”“Is dat de toon van een schelm?” vroeg Bouke.“Ik weet niet,” zeide de Baron: “doch wat doet hij aan Ulrica te schrijven?”“Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust hebt, een stok te vinden.”“Zwijg Bouke!.... weet je wat,—morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld, dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden.”Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en op ZEd.wachtte.“De Fiskaal!” zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: “wat moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen ondervragen.”Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten.“Mijnheer Van Sonheuvel!” riep deze: “ik ben zoo vrij geweest, mij bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron, op den huize Sonheuvel grootgebracht.”—Dit zeggende leide hij een pak op de tafel en opende het.“Dezen ketting,” vervolgde hij, “beweert gemelde jongeling van Mevrouw de Gravin te hebben ontvangen.”“Ik herken die,” zeide de Gravin: “zij was het loon voor den gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft.”“En deze kinderkleeren,”.... vervolgde Van Kinschot.“O! die herken ik,” zeide Reede: “het is het pakje, dat hij aanhad, toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat wat helpen zou.”“Ik herken het fatsoen,” zeide de Gravin, terwijl een traan in haar oogen blonk. “Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij vergund?” Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk met een scherpe nauwkeurigheid.“Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil,” zeide de Fiskaal, “zoo heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden.”“Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?” riep de Baron eensklaps verschrikt uit.De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos in haar stoel gezegen.Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij haar zelve.“Om Gods wil!” waren haar eerste woorden: “waar is die knaap? hoe komt hij aan dat jurkje?”“Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw,” zeide de Baron.“Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk inspannen, en....”“Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen,” hernam Reede: “zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken, mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging....”“Om ’t even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?”“Ik bid UEd. bedaar!” hernam de Baron: “ik wil gaarne zelf naar den Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap houden. Waar is Ulrica?”“De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn,” zeide de kamenier der Gravin: “Leentje is bij haar.”“Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving,” merkte de Baron aan: “dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?”“Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders,” zeide de Gravin, terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.“Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!”“Maar Mevrouw! om ’s hemels wil,” zeide de Baron: “hoe kan UEd. zoo spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?”“Joan.... Joan!....” herhaalde zij op een verwilderden toon: “wie is Joan?”“Joan, mijn pleegzoon,” antwoordde Reede; “of zoo UEd. liever wil, de zoon van den gesneuvelden Velasco.”“Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje, mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?”“Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van het uwe optooien.””’t Is waar!” zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: “’t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.—Nietwaar, Beckman!” vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks in het vertrek was gekomen: “nietwaar, gij hebt het met eigen oogen gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind....” Hier zweeg zij, als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.“Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen Jezuïet das kleinen kinde in ’s wasser worf,” antwoordde Beckman.“Ik heb mij door een ijdele begoocheling van ’t spoor laten voeren,” hernam de Gravin: “verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke tooneel, waar gij getuige van geweest zijt.”Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet te begeven.1Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!

Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,’t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,’t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.

Of zoo ick schuldigh ben en heeft het my gemist,

’t Is uit onnozelheit en zonder argh of list.

Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

”Dies albo notanda lapillo!”1zeide Hendrik Raesfelt; want deze was het, welke Joan zoo onverwachts begroette.

“Moet ik mijn ouden speelmakker op zulk een plaats terugvinden?” zeide Joan.

“Maar hoe toch wist gij, dat ik hier gevangen zat?” vroeg Hendrik.

“Waarlijk, mijn beste vriend!” antwoordde Joan: “ik was dezen morgen even weinig voornemens deze plaats als u te bezoeken.”

“Gij komt dan niet vrijwillig?—Neen waarlijk, nu zie ik eerst, dat gij uw degen mist. Hoe, mijn beste stokbewaarder!.... moet deze Heer....”

“Uw maat zijn,” zeide de cipier: “juist geraden: en het doet mij genoegen, dat gij oude kennissen zijt. Hebt gij mij verder niets te zeggen?—Niet!—Dan wensch ik u een vroolijken dag samen.”—Dit zeggende, vertrok hij.

“Ik kan niet van mijn verbazing terugkomen,” hernam Raesfelt:“wat kan den Jonker Van Sonheuvel op de Gevangenpoort brengen?”

“Noem mij met dien naam niet meer,” zeide Joan: “dien heb ik reeds lang verloren.”

“Verloren? En door welk toeval?—Doch, ik bid u, neem plaats.”

Beiden gingen zitten en Joan gaf aan zijn vriend een beknopt verslag van zijn lotgevallen, waarna hij wederkeerig zijn verlangen te kennen gaf, om te weten wat Hendrik op deze plaats gebracht had. Raesfelt voldeed aan dit verzoek en vertelde omstandig wat hem overkomen was. Wij zullen van dit verhaal alleen de hoofdpunten aan onze lezers mededeelen. Hendrik was, gelijk wij vroeger gezien hebben, te Amsterdam bij een juwelier geplaatst geworden om de negotie te leeren. Hij had aldaar zijn betrekkingen met de Remonstranten geenszins afgebroken, doch zijn studiën voortgezet en de geheime samenkomsten bijgewoond. Tot proponent aangesteld en de predikbeurten somtijds waarnemende, was hij gevangengezet, en later, wegens herhaling, gebannen: sinds had hij lang op de grenzen gezworven, tot hij eindelijk te Mulheim een briefje kreeg van zekeren Van Dyk, die hem verzocht te Tiel te komen, ten einde aldaar over de belangen der Remonstranten te handelen. Wij hebben vroeger gezien dat dit briefje door Eugenio geschreven was en aanleiding gaf tot het misverstand, dat Joan te Tiel bijna zoo duur was te staan gekomen. Te Nijmegen echter was Raesfelt reeds gevangengenomen en dadelijk naar Den Haag gezonden, waar hij sedert dien tijd op de Gevangenpoort gezeten had.

“En,” zeide Joan, “zooals ik heden meen gehoord te hebben, zult gij dezen kerker niet verlaten dan voor de Loevesteinsche gevangenis.”

“Ik ben niet gelijk degenen, die geen hoop hebben,” antwoordde Raesfelt: “God heeft de drie mannen in den vurigen oven niet vergeten: en Hij vergat ook mij niet, toen ik uit de diepte tot Hem riep. Hij zond mij een engel.”

“Of een engelin?” viel Joan in, glimlachende om de opgewondenheid, welke zich in de blauwe oogen des proponents en op zijn zachte wezenstrekken vertoonde.

“De zachte Rachel was de dochter des norschen Labans: God vermurwde het hart van des stokbewaarders dochter, en deed mij in haar een geloofsgenoot vinden.”

“Wat nu!” vroeg Joan: “is de dochter van onzen vriendelijken huisbaas een Remonstrantinnetje, en verliefd op een gevangene, die daarenboven een Remonstrantsche proponent is! Nu waarlijk! dan moet ik zeggen, dat de Justitie wel dubbel waakzaam worden mag. En is die liefde zoo plotseling in den kerker ontstaan?”

“Om u de waarheid te zeggen, neen. Ik kende haar reeds in Amsterdam, waar zij bij de zuster van mijn Patroon het mutsenmaken leerde: zij is hier eerst sedert een paar maanden teruggekomen en bezorgt de huishouding van dit gesticht. Somtijds brengt zij den gevangenen hun eten: wij zagen elkander weder: de oude betrekking keerde, en....”

“En binnen weinige dagen verliest de stokbewaarder zijn dochter en zijn gevangene!”

“Zij heeft mij stellig beloofd, dat, zoo ik veroordeeld werd naar Loevestein te worden overgebracht, zij alles in het werk zou stellen, om mij voor dien tijd te doen ontsnappen.—Doch nu gij de deelgenoot mijner ellende geworden zijt,” vervolgde Hendrik, Joan met warmte de hand drukkende, “zal ik dezen kerker niet verlaten, zonder dat gij mij vergezelt.”

“Ik stel dat blijk van vriendschap op hoogen prijs,” zeide Joan; “maar verlang er geen gebruik van te maken: ik hoop alleen dat mijn zaak onderzocht worde; dan kan het niet missen of mijn onschuld moet erkend en ik in vrijheid gesteld worden.”

“Vlei u daar niet mede,” zeide Hendrik: “vurig zou ik wenschen u eenige de minste hoop op vrijspraak te kunnen geven, doch, naar hetgeen gij mij verhaald hebt, zijn alle bewijzen tegen u: en gij bezit hier geen vriend, geen raadsman, die u den minsten bijstand zou willen verleenen of eenigszins voor u in de bres springen. De Baron beschuldigt u van een aanslag op zijn leven te hebben gesmeed: de Ambtman heeft zich koel en afkeerig tegen u betoond: uw Brabantsche betrekkingen werken in uw nadeel: de stokbewaarder, die getuige was van onze wederzijdsche blijdschap, zal niet nalaten te vertellen, dat gij in mij weder een Arminiaanschen medeplichtige hebt gevonden: in ’t kort, alles loopt tegen u samen. Geloof mij, en vertrouw niet te veel op uw onschuld. Men spot hier te lande niet met de beschuldigingen wegens hoogverraad. Zij, die zich niet ontzagen het eerwaardig hoofd van onzen grootsten staatsman te doen vallen, zullen er waarlijk geen gewetenszaak van maken, iemand te veroordeelen, die, als gij, noch bewezen diensten, noch groote betrekkingen, noch hooge jaren voor zich kan doen pleiten.”

“Mij dunkt, hier is een groot verschil,” zeide Joan: “de Advocaat had het land verraden, en ik....”

“Zoo zegt gij, Contra-Remonstranten!” zeide Hendrik: “wij oordeelen er anders over; doch dat daargelaten. Nog eens, verzuim de gelegenheid ter ontkoming niet, indien zij u eenmaal wordt aangeboden.”

“Wij zullen zien;.... doch zeg mij, zal ik uw schoone niet zien?”

“Zij zal mij niet bezoeken,” antwoordde Hendrik, “ten einde geen vermoedens op te wekken, voordat het uur mijner redding daar is.”

Hier werd het gesprek der beide vrienden gestoord door het binnenkomen van een der suppoosten, die het middageten bracht, uit een schotel brij en een brood bestaande. Dadelijk na zijn vertrek, sprak Hendrik een kort gebed uit en zette zich aan ’t eten, niet een gretigheid, die Joan, wiens eetlust door de omstandigheden merkelijk verminderd was, met verbazing sloeg.

“O, indien gij eenige dagen hier doorgebracht hadt,” zeide Hendrik, “zou het u niet verwonderen, dat men ook op de Gevangenpoort tegen den middag honger kan hebben; maar ik heb nog een andere reden, waarom ik dien schotel ledig wilde hebben. Ik verlang nog meer dien van onderen, dan van boven te zien.”

“En waarom dat?” vroeg Joan, verwonderd over deze verkiezing.

“Raadt gij het niet? Die tinnen schotel is de zwijgende bode, waarvanmijn Truitje en ik ons bedienen, om ons mede te deelen wat van belang voor ons kan zijn.”

“Heerlijk bedacht,” zeide Joan, opspringende: “dan zal ik u helpen om het adres van den brief open te maken.” Dit zeggende, begon hij mede te eten, en binnen weinige oogenblikken was de schotel ledig. Toen draaide Hendrik hem haastig om, en ontcijferde, na een wijl zoekens, de letters S.12M., welke met de punt van een mes daarop gegriffeld waren.

“Een zeer duidelijke missive,” zeide Joan: “de drommel haal mij, zoo ik er iets van begrijp. Het heeft veel van het merk van een hemd.”

“Ik begrijp die des te beter,” hernam zijn vriend: S. is Sondag, dat is morgen: M. beteekent Maandag, en 12 is middernacht: zijnde het uur tusschen die beide dagen, waarop ik mij tot de vlucht zal moeten gereedhouden.”

“Waarlijk!” zeide Joan: “indien de middelen ter ontkoming even schrander zijn uitgedacht als de wijze van briefwisseling te houden, dan durf ik u een goeden uitslag voorspellen!”

Het geschrevene werd wederom zoogoed mogelijk uitgewreven, opdat de bediende des cipiers het niet lezen zoude; en weldra keerde deze terug, om den ledigen schotel te halen, en tevens om een bezoeker bij de gevangenen in te leiden, welken zij met de grootste blijdschap voor den Predikant Raesfelt herkenden.

“Gij hier, mijn vader!” riep Hendrik: “o nu is alle hoop nog niet voor mij verloren.”

“Ik herleef, nu ik u wederzie,” zeide Joan: “gij althans kunt getuigen, dat mijn vertrek van Sonheuvel mij door mijn plicht werd voorgeschreven.”

“Ik dacht niet,” zeide de Predikant, terwijl hij de vochtige oogen ten hemel hief, “dat, toen ik mij bewegen liet om den Heer Baron naar deze plaats te vergezellen, alwaar ik tevens de hoop koesterde van een drukker te vinden voor mijn werk over Psalm CXLVII, mij hier zulk een treurige plicht verbeidde als het vertroosting bieden aan twee deerniswaardige gevangenen, waarvan de een mijn vleeschelijke, en de ander, zijnde mijn leerling, mijn geestelijke zoon is.”

“Onze gevangenneming was u dus bekend?” vroeg Joan.

“Die van mijn zoon vernam ik dezen morgen van mijn godvreezenden ambtgenoot Dm. Lamotium, en de uwe, Joan! van den Heer Baron, aan wien zekere Jonker Van Bleiswyk, die als een Petrus tegen u opstond, haar verhaald moet hebben.”

“Hij heeft mij een weldaad bewezen,” zeide Joan, hem de hand drukkende, “door mij het bezoek te verschaffen van een raadsman als u. Doch Hendrik heeft oudere en nadere rechten, en ik wil, u niet alleen laten, want ik zie geen kans om mij te verwijderen, maar althans uw onderhoud niet storen.”—Dit zeggende, ging hij in een hoek van het vertrek zitten, zonder zich in het gesprek tusschen vader en zoon te mengen.

“Zoover,” zeide Raesfelt tegen Hendrik, “heeft uw kettersche afval u dan gebracht?”

“Strekt mij mijn gevangenis tot schande, lieve vader?” vroeg deze: “heeft niet Daniël, hebben niet de Apostelen op gelijke wijze in den kerker gezeten en om Christi wille smaadheid geleden?”

“Vergelijkt gij, gij afvallige! u bij die heilige mannen Gods?—Ach! ik vleide mij nog, dat aan u, die als een Manasse den Baäl gediend hebt, de kerker, evenals aan hem, tot bekeering en boetedoening zou aanleiding geven; dan ik zie te wel, hoezeer ik mij bedrogen heb.”

“Lieve vader!” zeide Hendrik, met aandoening, terwijl hij den slinkerarm om zijns vaders hals sloeg en met de rechterhand zijn beide handen drukte: “lieve vader, laat ons een onderwerp vermijden, dat niets dan bitterheid in stede van liefde, en verwijdering voor toenadering geven kan. De oogenblikken zijn kostbaar. God weet, of ik u immer wederzie: overmorgen wellicht vertrek ik voor mijn leven naar Loevestein. O! dat wij ons dan de oogenblikken ten nutte maken: misschien is het de laatste reize, dat ik u om uw zegen smeeken mag.”

“Mijn zegen hebt gij, mijn zoon!” zeide Raesfelt, opstaande en de beide handen boven het hoofd zijns zoons uitstrekkende: “ach! mocht hij de kracht bezitten, om u af te leiden van het verderfelijke doolpad, dat gij gekozen hebt. Dan God alleen kent de harten: niemand kan tot Hem komen, dan die door den Geest tot Hem geleid wordt. Hij zal aan duizend geslachten lankmoedigheid betoonen: dit was Zijn belofte aan Zijn bondsvolk: en ook in u, mijn zoon! moge die om mijnentwille bewaarheid worden!”

“God loone u, mijn vader!” zeide Hendrik, zijn handen met kussen bedekkende: “de God des vredes en der genade bevestige deze uwe woorden. Hij moge mij, indien ik feile, genadiglijk vergeven, gelijk gij mij vergeeft; want zoo ik dwale, is het uit onwetendheid en niet uit boozen wil.”

Toen de aandoening, die hen wederzijds beklemde, eenigszins bedaard was, vonden beiden kracht genoeg, om met meer bedaardheid elkanders weetlust te voldoen omtrent de lotgevallen, die hun sedert hun scheiding waren overkomen, in welk gesprek Joan zich spoedig mengen kon.

Nadat deze ook van zijn lotgevallen aan den Predikant een kort bericht gegeven had, verzocht hij van hem te mogen weten, of het waar was, dat, gelijk Bleiswyk verhaald had, Ulrica eerlang verloofd zou worden. Raesfelt bevestigde zulks.

“En is de Baron altijd evenzeer op mij vertoornd?”

“Ongetwijfeld!” antwoordde de Predikant: “niet zoozeer omdat gij den Jezuïet hebt laten ontvluchten, als om dat ongelukkige briefje, dat gij geschreven hebt.”

“Ik heb geen Jezuïet laten ontvluchten en ook geen briefje geschreven,” zeide Joan: “aan wien was dat briefje gericht?”

“Waarschijnlijk aan uw boozen medemakker,” zeide Raesfelt.

“Het was nagemaakt! Ik herinner mij niet, iets geschreven te hebben.”

“Het was duidelijk uw hand: ik heb die te lang gezien om ze niet dadelijk te herkennen. Wat het briefje betreft, ik heb er, meenik, een kopie van gehouden.”—Dit zeggende, haalde hij zijn brieventasch voor den dag, zette zijn bril op en vond, na lang zoeken, een afschrift van het fragment, ’t welk in Joans kamer op het huis te Sonheuvel ontdekt was.

“Is dat alles?” vroeg Joan, toen hij het gelezen had: “welk een geluk, dat ik u kan overtuigen dat dit briefje, in zijn geheel gelezen, niets misdadigs bevat.”—Dit zeggende, opende hij zijn zakboekje en nam er een paar blaadjes uit, welke hij den Predikant overhandigde.

“Men passe deze stukken bij het fragment,” zeide hij, “en het zal dadelijk blijken, of de inhoud van mijn briefje misdadig was.”

De Predikant beloofde, dat hij den volgenden dag reeds zich bij den Baron zou aanmelden, om de vereischte ophelderingen te geven omtrent een punt, dat hem zoo diep getroffen had. Kort daarop kwam de stokbewaarder en gaf hem te kennen, dat zijn bezoek volgens de voorschriften van het gevangenhuis niet langer duren mocht.

“Vaartwel dan, mijn kinderen!” zeide de vrome man, de beide jongelingen omhelzende.

“God schenke u kracht in uw beproevingen: op morgen ziet gij mij niet weder! want er staat mij een gewichtig werk te doen, waar ik u eerst na den uitslag kennis van zal mogen geven. Ik hoop, dat ik den dag des Heeren niet ontwijden zal, door er eenige uren aan te besteden: want daar staat geschreven, dat men wèl moet doen ook op den Sabbat.” Met deze woorden liet hij de beide vrienden, na een herhaald en aandoenlijk afscheid, alleen; terwijl hij zich naar den Predikant Lamotius begaf, bij wien hij gedurende zijn verblijf te ’s-Hage huisvesting genoot.

Na zijn vertrek viel er niets vermeldingswaardig meer in de gevangenis voor: Joan en Hendrik bleven laat zitten praten en gingen eindelijk welgemoed ter ruste. Wij zullen hen voor een wijl in hun kerker laten, om onzen ouden vriend, den Baron Van Sonheuvel, te bezoeken, die met zijn dochter en gevolg zijn intrek bij de Gravin van Nassau had genomen.

De dag, die op Joans gevangenneming volgde, was, gelijk Raesfelt had aangemerkt, een Zondag. Na den afloop der kerktijden, zat de Baron, daar het weder regenachtig was en hem het wandelen door de stad niet behaagde, in de door hem betrokkene kamer met zijn getrouwen Bouke te praten.

“Ziezoo!” zeide deze: “aan alle dingen komt een eind. Morgen zal dan de verlovingsdag zijn. De booien hier wenschen al, dat het twaalf uren in den nacht ware.”

“En dat waarom?” vroeg hem de Baron.

“Wel! dan was de Sabbat om, en zij zouden kunnen beginnen om het huis onderstboven te keeren en overal bloemkransen, eerepoorten, festoenen en loovertakken te plaatsen.”

“Ik wou ook dat ik het al zag,” zeide Reede: “Ik weet niet wat er aan hapert, maar ik ben niet op mijn gemak. Die satansche brief maalt mij door ’t hoofd. Toen ik hem kreeg, vond ik hem zeer duidelijk, en nu begrijp ik er geen stom woord van.”

“Welke brief is het, die UEd. kwelt?’”

“Weet je dat niet?—Ja, ’t is waar, ik heb je niet verteld, dat ik door middel van den Ambtman, die hem bezorgd heeft, een epistel aan wijlen mijn vrouws vader, mijn oom, den Priester geschreven heb om zijn toestemming tot Ulrica’s huwelijk.”

“Welnu?”

“Welnu! daar is antwoord op gekomen, nu ruim veertien dagen geleden: ik heb den brief bij mij: luister eens hoe het klinkt:

”“Mijn waarde neef!Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28stenJuni des jaars 1621.Ambrosius,Gr.-Vicaris.””

”“Mijn waarde neef!Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28stenJuni des jaars 1621.Ambrosius,Gr.-Vicaris.””

”“Mijn waarde neef!Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28stenJuni des jaars 1621.Ambrosius,Gr.-Vicaris.””

”“Mijn waarde neef!

Indien ik, door mijn goed- of afkeuring te schenken aan het huwelijk uwer dochter geacht moest worden een mij van nature toekomend recht te vervullen, zoo zou ik weigeren mijn stem ten deze uit te brengen; want de banden des vleesches, welke mij aan u en de uwen hechtten, zijn verbroken en te niet gegaan, sedert ik den geestelijken staat omhelsd heb. Doch vermits het, gelijk ik het uit uw missive verneme, de uiterste begeerte van Ulrica’s stervende moeder geweest is, dat zij niet dan met mijn toestemming huwen zoude, en ik derhalve niet als bloedverwant, maar krachtens beschikking der overledene mij voor of tegen haar echt verklare, zoo meen ik mij daartoe gerechtigd te kunnen houden.—Ik, Ambrosius, Groot-Vicaris van den Heiligen Stoel in de Nederlanden, verklare bij deze, dat, indien Jonkheer Jacobus Mom, Ambtman in Maas en Waal, zich geschikt acht om Jonkvrouwe Ulrica Van Reede tot Sonheuvel gelukkig te maken, en indien gezegde Jonkvrouwe Ulrica met haar vrijen wil gezegden Jonkheer J. Mom tot man wil aannemen, ik mij geenszins tegen hun huwelijk verzet; maar daaraan mijn volle toestemming verleene, mits de verloving niet vroeger plaats hebbe dan op Maandag den 28stenJuni des jaars 1621.

Ambrosius,Gr.-Vicaris.””

“Welnu! wat zegt ge van dat duidelijke stuk?” vroeg de Baron, na het ten einde gelezen te hebben.

“Had UEd. mij dat eerder laten lezen,” antwoordde Bouke, het hoofd schuddende, “ik zou er nogal reden in gevonden hebben, om dat huwelijk vooreerst niet te laten doorgaan.”

“Zoo?”

“Wel ja! want UEd. kan toch niet ontkennen, dat de Ambtman, al is hij nog zoo een best braaf man, toch niet best geschikt is om een vrouw gelukkig te maken: en ten tweede (behalve dat het Paapsch is om van een vrijen wil te praten) zoo geloof ik, dat, als dat malle stuk schrift van Joan niet gevonden ware, freule Ulrica liever op haar bloote voeten van hier naar Sonheuvel ware geloopen, dan haar hand te geven aan al de ambtlieden van de wereld.”

“Zwijg Bouke! en spreek van dien schavuit niet meer, die nog alzoo onbeschaamd is, zich op licht-klaren dag hier in Den Haag voor onze oogen te vertoonen, op een plaats, die zoo vol menschen is als deze.”

“Neem het mij niet kwalijk, Heer Baron! Ik kan het maar niet verduwen, dat UEd. dien armen jongen zoo hard behandelt! wat weergaas, dat hij zich hier vertoont is een bewijs, dat hij het licht niet schroomt. Als hij zoo groote schuld had, kwam hij niet waar menschen zijn. Steek uw vinger in de aard, zie in wat land ge zijt: ’t beste brood leit men op ’t venster en er vliegen geen uilen bij valken.”

“Zot! zou hij niet op Sonheuvel zijn gebleven, indien hij geen kwadeconsciëntiehad bezeten? Zou hij dien vervloekten Jezuïet wel verlost hebben, indien zij geen maatjes waren geweest?”

“Praatjes! dat hij hem verlost heeft is nog zoo zeker niet. UEd. weet, dat Teun Wezer dien nacht ook op het slot is geweest en sinds nooit weer voor den dag is gekomen: de ekster kan haar hippelen niet laten! lam! lam! is des wolfs vesperklok: eens een strooper, altijd een strooper, en al is hij mijn neef, zoo houd ik hem toch voor een groote schoelje—en wat betreft, dat Joan weggereisd is, zonder boe en ba te zeggen,—Dominee zegt immers zelf, dat hij niets anders doen kon, omdat hij u voor den moordenaar zijns vaders hield.”

“Ei wat! Dominee weet op dat stuk niet wat hij zegt: de schuld van den jongen is zonneklaar: hij zit immers nu alweer achter de tralies: ik denk hem er niet vandaan te halen.... en dan zoo een lafbek! heeft hij wel eens op de plaats, waar hem de Heer Van Botbergen wachtte, durven verschijnen?”

“Dat was wel deugdelijk zijn voornemen, toen hij naar het Lischboschje ging.”

“Dat maakte hij jou en de ganzen wijs; maar hij loog door zijn ziel: want Botbergen had hem op een andere plaats bescheiden, waar hij den ganschen dag vruchteloos op hem gewacht heeft.”

“Een knapuiltje van Botbergen, daar UEd. geen geloof aan slaan moet. Heeft die pochhans zich gisteren wel eens bij den Hofbeer durven vertoonen, omdat hij bang was, dat de Koning van Bohemen. hem zien zou, ofschoon de heele Koning van Bohemen met een blaas met boonen is weg te krijgen.”

“Wat leuter je toch? Is de gansche wereld niet overtuigd, dat Joan een schelm en een lafbek is?”

“De gansche wereld is niet overtuigd; wantikgeloof het niet, en Dominee en de Freule ook niet: dat heb ik gisteren gemerkt, toen zij van het Hof terugkwam.”

“Zoo! waar heb je dat aan gezien?”

“Tut! tut! Heer Baron! men ziet aan ’t been wel, waar de hoos gescheurd is; had ze geen rood bekreten oogen en bleeke wangen toen zij van Joan sprak? en heeft de Ambtman wel een zoet woordje van haar gekregen?”

“Kom! kom! gekheid!”

“Ik wil wedden, Heer Baron! dat als ik naar hem toeging enzeide: Jonker! de oude Heer heeft berouw over zijn drift en....”

“Ik er berouw over hebben?—Ge raast, Bouke!”

“En wil u gaarne eens weder zien: en, zoo hij uw vader heeft doodgeslagen, dat was in een wettigen strijd.—En als hij dan hier kwam....”

“Hij zal hier wel vandaan blijven,” zeide de Baron: “zit hij niet in een kast daar hij niet zoo licht uit kan raken?”

“En als hij dan hier kwam,” vervolgde Bouke, zonder zich aan zijns meesters gezegden te storen, “en voor UEd. stond met de tranen in de oogen en dat vriendelijk, innemend gelaat, dat hij altoos gehad heeft, en tot UEd. zeide....”

“Hij zou den bek wel houden!—Is de kerel dol?”

“En tot UEd. zeide: Mijnheer Van Sonheuvel! ik heb UEd. altijd geëerd en liefgehad en ben uw achting nooit onwaardig geweest: en die anders spreken zijn schelmen: en als hij zich dan voor UEd. nederwierp en....”

“Het zal nimmer zoover komen,” zeide Reede, zich met zijn stoel omdraaiende.

“En UEd. de hand kuste en die met heete tranen bevochtigde.... wat zou UEd. dan doen?”

“Dan zou ik.... dan zou ik.... maar dat zal nimmer gebeuren?”

“Dan zou UEd. de armen om zijn hals slaan, Heer Baron! en tegen hem zeggen: knaap, laten wij alles vergeten en vergeven, en weder als voorheen leven gelijk vader en zoon.”

De Baron rees op zonder een woord te spreken en liep eenige reizen het vertrek op en neder, terwijl zijn gelaat duidelijk blijken droeg van een gemoedsstrijd, die in zijn binnenste kampte.

“Maar die satansche brief!” zeide hij eindelijk, stilstaande.

“Aha!” zeide Bouke: “die brief! ja dien heeft hij geschreven, dat kan niemand loochenen!”

“Welnu?—En levert die geen genoegzaam bewijs op?”

“Als hij in zijn geheel werd gelezen dan misschien!”

“Ja! wie kan hem in zijn geheel doen lezen?”

“Dat kan ik,” zeide Bouke met een zegevierenden blik, en haalde twee stukjes papier voor den dag.

“Wat zijn dat?” vroeg de Baron, een daarvan haastig opnemende: “is dat niet Joans hand en hoe kom je daaraan?”

“Dat zal ik UEd. zeggen; straks, toen UEd. aan ’t kuieren was, is Dominee hier geweest. Die heeft Joan in zijn gevangenis bezocht en zijn zoon ook, die er voor Arminianerij zit.”

“Zijn zoon? Die arme Hendrik! ik beklaag hem.”

“Ik ook; maar dat doet niets ter zake: toen Dominee het hoorde, dat UEd. er niet was, zei hij, dat het hem bijzonder leed deed, omdat hij niet wachten kon; want hij had nog druk werk: en toen vroeg hij mij, om u deze stukjes te geven, die naar zijn zeggen, bij den gevonden brief behooren.”

“Dan kunnen wij terstond den ganschen inhoud weten,” zeide de Baron, en haalde het fragment voor den dag, hetwelk in Joans kamer op Sonheuvel gevonden was. De stukken, welke Dominee hadmedegebracht, werden aan weerskanten gelegd en leverden te zamen een geheel op, van den volgenden inhoud:

“Het bewijs uwer        nooit volprezen goedheid, datge mij heden        deedt toekomen,        heeft mij ten minstevan een smart       verlost, door mij        de zekerheid tegeven, dat uw e       dele boezem aan        de zoo ongerijmdeals onverdien       de beschuldiging       en, welke tegen mijworden ingebracht,        alle geloof blijft wei       geren. Neen,mijn Ulrica! hij, die        den naam van uw vriend        verdienenmocht, hij is nog        ten volle uwer waardig.        Misschienzal het mij in het        eerst bezwaarlijk vallen        aan denwaarden Heer Baron        de vermoedens te ont       nemen; dochhoud u des verz       ekerd, de tijd zal mij        rechtvaardigen,en den sluier        doen vallen, die        mijn handelingennog bedekken        moet, en aan de        geheele wereldtoonen, dat de Heer        Van Sonheuvel        in mij geenszinszijn vijand, veelmin        zijn moordenaar        heeft grootgebracht.geheel de uweJ.”

“Het bewijs uwer        nooit volprezen goedheid, datge mij heden        deedt toekomen,        heeft mij ten minstevan een smart       verlost, door mij        de zekerheid tegeven, dat uw e       dele boezem aan        de zoo ongerijmdeals onverdien       de beschuldiging       en, welke tegen mijworden ingebracht,        alle geloof blijft wei       geren. Neen,mijn Ulrica! hij, die        den naam van uw vriend        verdienenmocht, hij is nog        ten volle uwer waardig.        Misschienzal het mij in het        eerst bezwaarlijk vallen        aan denwaarden Heer Baron        de vermoedens te ont       nemen; dochhoud u des verz       ekerd, de tijd zal mij        rechtvaardigen,en den sluier        doen vallen, die        mijn handelingennog bedekken        moet, en aan de        geheele wereldtoonen, dat de Heer        Van Sonheuvel        in mij geenszinszijn vijand, veelmin        zijn moordenaar        heeft grootgebracht.

geheel de uweJ.”

“Wat drommel!” riep Reede, na gelezen te hebben, “dat briefje luidt aan Ulrica. Wat hebben wij daarmede noodig?”

“Is dat de toon van een schelm?” vroeg Bouke.

“Ik weet niet,” zeide de Baron: “doch wat doet hij aan Ulrica te schrijven?”

“Wel kijk! heeft hij niet honderdmalen aan de Freule geschreven? Is dat zijn eenigste kwaad? Heer Baron! wie een hond wil slaan, vindt licht een stok: maar ik begin waarachtig te gelooven, dat UEd. lust hebt, een stok te vinden.”

“Zwijg Bouke!.... weet je wat,—morgen komt Zijne Hoogheid hier; dan zal ik, dat beloof ik u, over Joan spreken: en heeft hij geen schuld, dan zal hem alles dubbel en dwars vergoed worden.”

Terwijl hij sprak, trad een der dienaars der gravin binnen, en zeide hem dat de Heer Fiskaal Van Kinschot bij Mevrouw Douairière was en op ZEd.wachtte.

“De Fiskaal!” zeide Reede, terwijl hij den bediende volgde: “wat moet die?.... aha! nu begrijp ik het.... hij zal mij over Joan komen ondervragen.”

Op deze wijze bij zichzelf mompelende, trad hij in het zijvertrek, waarin de Douairière met den Fiskaal nederzaten.

“Mijnheer Van Sonheuvel!” riep deze: “ik ben zoo vrij geweest, mij bij Mevrouw de Gravin te laten aanmelden, om haar zoowel als UEd. te vragen, of UEd. ook kennis dragen aan eenige voorwerpen, gevonden bij zekeren jongeling, onder den naam van Joan door UEd., Heer Baron, op den huize Sonheuvel grootgebracht.”—Dit zeggende leide hij een pak op de tafel en opende het.

“Dezen ketting,” vervolgde hij, “beweert gemelde jongeling van Mevrouw de Gravin te hebben ontvangen.”

“Ik herken die,” zeide de Gravin: “zij was het loon voor den gewichtigen dienst, dien hij mij, nog een knaap zijnde, bewezen heeft.”

“En deze kinderkleeren,”.... vervolgde Van Kinschot.

“O! die herken ik,” zeide Reede: “het is het pakje, dat hij aanhad, toen ik hem vond. Hij neemt het altoos met zich, even alsof hem dat wat helpen zou.”

“Ik herken het fatsoen,” zeide de Gravin, terwijl een traan in haar oogen blonk. “Juist zulke kleedertjes droegen de kinderen in dien tijd. Mijn kleine Ulrich had een soortgelijk jurkje.... Is het mij vergund?” Dit zeggende, nam zij het pakje op, ontrolde het, bekeek het eerst met belangstelling, vervolgens met aandacht en eindelijk met een scherpe nauwkeurigheid.

“Indien Mevrouw het pakje nog wat houden wil,” zeide de Fiskaal, “zoo heb ik er niets tegen. De Justitie stelt er geen verder belang in, het kan dus aan den eigenaar worden teruggegeven. UEd. zal mij verschoonen, indien ik thans van hier moet vertrekken. Ik heb hedenavond nog zaken te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden.”

“Mijn God! wat is dat? wat scheelt Mevrouw?” riep de Baron eensklaps verschrikt uit.

De Gravin had het jurkje uit haar handen laten vallen: een doodelijke bleekheid had zich over haar gelaat verspreid en zij was bewusteloos in haar stoel gezegen.

Op het gefluit en geroep van den Baron schoten de ontstelde huisgenooten toe: het duurde niet lang, of de Gravin kwam weder bij haar zelve.

“Om Gods wil!” waren haar eerste woorden: “waar is die knaap? hoe komt hij aan dat jurkje?”

“Die knaap zit in de gevangenis, Mevrouw,” zeide de Baron.

“Dan wil ik terstond naar die gevangenis toe. Laat Feurich dadelijk inspannen, en....”

“Mevrouw! men laat niemand bij de gevangenen,” hernam Reede: “zonder verlof van den Fiskaal, en die is zoo aanstonds vertrokken, mij verzoekende, UEd. zijn verontschuldiging....”

“Om ’t even! dan wil ik naar den Fiskaal. Dien gevangene wil en moet ik spreken. O mijn God! zou het mogelijk zijn?”

“Ik bid UEd. bedaar!” hernam de Baron: “ik wil gaarne zelf naar den Fiskaal gaan en verlof vragen. Ulrica zal UEd. intusschen gezelschap houden. Waar is Ulrica?”

“De Freule is zooeven naar bed gegaan, met zware hoofdpijn,” zeide de kamenier der Gravin: “Leentje is bij haar.”

“Ja, men heeft altijd hoofdpijn den dag voor de verloving,” merkte de Baron aan: “dat weet ik vanouds. Maar ik bid u, Mevrouw de Gravin! zeg ons toch, vanwaar UEd. opeens zoo aangedaan zijt geworden. Zijn het die kleedertjes, wier gezicht alleen u zoo getroffen heeft?”

“Dat jurkje heb ik geborduurd, en niemand anders,” zeide de Gravin, terwijl zij het opnam en met strakke oogen beschouwde.

“Die gele stof, die roode en groene bloemen.... ik zie den kramer nog, van wien ik de wol kocht.... O mijn hoofd! mijn hoofd!”

“Maar Mevrouw! om ’s hemels wil,” zeide de Baron: “hoe kan UEd. zoo spreken? dat Jurkje droeg Joan: hoe kan UEd. het dan gemaakt hebben?”

“Joan.... Joan!....” herhaalde zij op een verwilderden toon: “wie is Joan?”

“Joan, mijn pleegzoon,” antwoordde Reede; “of zoo UEd. liever wil, de zoon van den gesneuvelden Velasco.”

“Velasco!.... Een zoon van Velasco zou een kleedje gedragen hebben, door mijn handen vervaardigd?.... Een kleedje, voor mijn zoontje, mijn lieveling, mijn Ulrich geborduurd?”

“Waarom niet, Mevrouw? evengoed als hij den jachthond van den Graaf van Falckestein zich toeëigende, kon hij zijn kind met den roof van het uwe optooien.”

”’t Is waar!” zeide de Gravin, strak voor zich heen ziende: “’t is waar, wat gij daar zegt: en ik was een zottin, om mij te vleien met een hoop, die nimmer verwezenlijkt kon worden.—Nietwaar, Beckman!” vervolgde zij tegen haar ouden rentmeester, die insgelijks in het vertrek was gekomen: “nietwaar, gij hebt het met eigen oogen gezien, dat een verfoeilijke booswicht het kind....” Hier zweeg zij, als was de volzin te vreeselijk om uitgebracht te worden.

“Mevrouw! ich heb het, eilaas! seyen mussen, dat den teifelschen Jezuïet das kleinen kinde in ’s wasser worf,” antwoordde Beckman.

“Ik heb mij door een ijdele begoocheling van ’t spoor laten voeren,” hernam de Gravin: “verschoon, Mijnheer Van Sonheuvel! het bespottelijke tooneel, waar gij getuige van geweest zijt.”

Dit gezegd hebbende, groette zij den Baron met een buiging vol waardigheid, en verliet het vertrek om zich naar haar slaapsalet te begeven.

1Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!

1Deze dag moet met een witten steen geteekend worden!


Back to IndexNext