Zevende Hoofdstuk.

Zevende Hoofdstuk.Hij is met krijghsmans eere in ’t harrenas gestorven.Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.Moedig trok Reede, aan ’t hoofd zijner bende, de duistere heide over, terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken welbekend, en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent den weg onderrichtte, welken de vijand volgens de ingekomen berichten en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het hoofdkwartier van den Amirant te trekken. De Ritmeester beraamde dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te onderscheppen, en toen men eenige uren had voortgereden, gebood hij dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te beraadslagen wat hun te doen stond. Men was nu in de nabijheid van een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten doortrekken, en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards gewaarschuwd mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels naar het dorp iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook een Spaansche bezetting bevond, ten einde, voor men een aanval op het naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te doen falen. Het was Bouke,die de eer genoot met deze zending belast te zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich niet licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te verraden.“Wees gerust, Uwe Edelheid!” zeide Bouke, terwijl hij zich van zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich vermomde. “Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel ontvalt: indien ik niet binnen ’t uur weerom ben, en alles haarklein weet te vertellen, hoe het in ’t dorp geschapen staat, dan mag ik gaarne lijden, dat UEd. mij in ’t vervolg voor den grootsten stoffel houde, die ooit een snippennet gebreid heeft.”Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt bleef houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op den gewonen rijweg, die vlak op ’t dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was koud en donker, en de grond hard bevroren: zoodat Bouke, die in den beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees van den grond met zijn geheele lengte te meten, zich genoodzaakt zag een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit liep, maar in menigvuldige bochten en oneffenheden, nu tusschen hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu de afstand, dien hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als het ongeduld van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: en weldra herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, waaruit het dorp was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij nu welhaast aan den grooten weg en dus bij den ingang van het dorp moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën scheidde. Terwijl hij onzeker stond, welke zijde hij volgen zoude, hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel aanheffen. Straks zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het dorp aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, van waar het aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, die hier niet op verdacht was, over een steen struikelde, en vrij onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op een hoeve midden in het dorp, en niet op den rijweg, dat het door hem gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; doch in deze oogenblikken strekte dit abuis hem bijna ten verderve; want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven soldaten zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur gekomen, waar zich een aantal ossen en paardenvonden besloten, toen zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van de hoogte af, midden tusschen hen nedertuimelde. “Santa Maria!” riep de een, “wat is dat?” “San Yago!” riep een tweede. “Ein betrunkener kerl!” riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, als de nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den kraag.“Hei! hei wat!” zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: “voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven buiten deze!”“Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?” vroeg een van de soldaten, met een forsche stem.“Met je verlof,” antwoordde Bouke: “ik heb een boodschap in ’t dorp en ben het verkeerde pad opgegaan.”“Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent,” zeide een uit den troep, hem van zich afstootende.”Nein! nein!” riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: “so leicht kommst du nicht frei!”“Vooral niet,” zeide een Parmezaan:“bisogna vedere, se ha danaro.”1”Danaro! danaro!” mompelde een vierde: “wie zal er bij nacht met geld in de tasch loopen. ’t Is zeker een strooper, die meer nood dan brood heeft.”“Om ’t even” zeide een ander: “ongemoeid moet hij niet vertrekken: zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt hij wel een paar hoentjes of een haas onder ’t wammes.”Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, wel geen wild en ook geen geld, maar ’t geen erger voor hem was, een lang pistool in een zijner broekspijpen verborgen.“Aha!” zeide de vinder in ’t Spaansch, terwijl hij met een zegepralend oog het moordtuig in de hoogte hief: “dragen de boeren hier te lande zulk ontbijt in den zak?”“Men kent den vogel aan zijn veeren,” zeide Bouke, in zich zelven de voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het pistool mede te nemen.“Dat moet de sergeant hooren”, zeide een ander: “hier steekt verraad achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit te plunderen.”“Wat is er gaande, mannen?” vroeg de sergeant, die op hetzelfde oogenblik de schuur naderde: “en waarom zijn de beesten nog niet buitengebracht?””Abbiamo trovato una altra bestia,” riep de Parmezaan: “un traditore!”2”Ein bewaffneter bube!” riep een ander: en terstond werdhet voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld.“Stil wat!” zeide deze: “laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg eens, kerel!” vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij de linkervuist in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: “wat was je oogmerk met dat moordtuig daar?”“Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb,” antwoordde Bouke: “alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben een varken, dan moet ik in ’t hok!”“En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?” hernam de krijgsman: “ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid van anderen gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis en bindt hem op de tafel vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen heeft. En voort allen weer aan ’t werk. Voor zonsopgang moeten wij reisvaardig zijn!”Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot gebouw, ’t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een achterdeur binnengebracht en zag in een vrij ruime schuur, volgepropt met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe schijnsel eener lamp, die van den zolder hing, kon onderscheiden, hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- en mondbehoeften te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal naar de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan Bouke niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde van ’t vertrek. Men dwong hem, plat op den buik neder te gaan liggen: zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, bij de minste poging om los te komen, een kind des doods ware: waarna de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten.“Ik ben de domste ezel, die er leeft,” gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: “mij zoo te laten beknippen! ik ben immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten te tuimelen? Wel is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester wacht, is hier al lang; maar hoe hem dit nu te berichten! dat is het ongemakkelijke van ’t geval.”Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, ’t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, dat hij vrij had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere zijde van het vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige omstandigheden niets beter te doen had, dan te luisteren, rolde zich om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het oor voor de opening van het schot. De eerste dier bewegingen deed hemin een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij bleef echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, en in ’t verschiet lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken moest. Bij de tweede beweging hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren.“Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?” vroeg de monnik.“Het is Velasco’s eigendom,” antwoordde de vrouw: “doch gij weet wat ik u gezworen heb.”“Een fraaie wijze van eeden te bewaren,” mompelde de eerste spreker.“Het ware geen wonder,” antwoordde zij fluisterende, “al had ik van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en breken; doch”.... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan kon.“Trotseer mij niet,” zeide de monnik; “gij weet, dat, indien ik wil....”“Indien gij wilt,” herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: “zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, om u beschaamd te maken voor ’t oog van geheel het leger.”“Magdalena!” riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem.“Ik ken die stem, dunkt mij,” dacht Bouke: en nogmaals toeziende, overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan de Jezuïet, dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en met wien hij slaags geweest was.“Stil!” vervolgde de vrouw: “Velasco ontwaakt!—en zoo hij u hier vond....”“Welnu!” zeide Eugenio met een schamperen lach: “welk kwaad kon hij er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als haring in een ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen in het vertrekje hiernaast, en in een kinderkamer, zooals deze, zijn troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en zal niet wakker worden voordat hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien.”“Hoe!” hernam zij, een vragenden blik op hem werpende.“Gewis,” vervolgde hij, “ik moet met den dag van hier en verlaat het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot hiertoe mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.—Gij hebt zondig en dwaas gehandeld, Magdalena!”“Ik weet het,” zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: “doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?”“Dat benik!” hernam hij, “ik, die u in ellende en jammer gedacht heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt heb, ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft.”“Gij?” zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze schuddende: “Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen eenige macht op mij bezaten.”“En denkt gij dan niet, goede Magdalena!” vervolgde hij, als bemerkte hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, “dat ook mijne ziel door gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke wetten had mijn heiligschennis mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder is lankmoedig en genadig: zij begeerde den dood des zondaars niet: zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u.”—Zonder een woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen er volgen zoude.“U werd echter een boetedoening opgelegd,” ging hij voort: “een boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest namelijk nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte....”“Is dit een boete?” vroeg zij haastig: “ik beschouw dit als een gunstbewijs.”“Val mij niet in de rede,” vervolgde hij; “gij moet, van nu af, uw woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken: gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet dit alleen ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe te groot, geene moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, dien gij te bewandelen hebt, de middelen, die gij aan moet wenden, om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe zonden vergeven, en uw loon zal heerlijk wezen!”“Ik ben bereid,” zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: “tot het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning noodig. Van nu af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, weder zijn liefdearmen openen!”“Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende: “o Magdalena! als het eens door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! Als het ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de verbrokene beelden der heiligen uit het stof te doen herrijzen. Hoe blijde zou dan niet onze mond hetHosannaaanheffen!—Wij zijn arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze taak, werwaarts ons Zijn wil ook heenleide.”“Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!” hernam zij: “ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk mij voorschrijft:—doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?”“Ludwig,” zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. “Ook hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des Meesters, die ons bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand te heerlijker voor uw verhelderde oogen schijnen.”“Ik bewonder u ondanks mij zelve,” hervatte zij: “wanneer ik u de echte taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik danaan de bloeddorst herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen....”“Gij kleingeloovige!” zeide de Jezuïet: “roeit niet de tuinman, als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?—Laat de jager de tijgerwelpen in ’t leven, als hij de ouders in hun nest geveld heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen tegen God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:—en thans vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... doch gij schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak het kort.”“Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?”.... vroeg zij op een zachten toon: “zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor langen tijd, misschien voor eeuwig, van hem scheidt?”De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig om en vertrok zonder een woord te spreken.“Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp,” dacht Bouke, “dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, mag ik lijden, dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan durft nog woorden uit de Schrift aanhalen en van Godsdienst en Kerk spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon kijken; want als zij zulke fielterige voornemens heeft, is ’t niet kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te waarschuwen: men kan aan ’t been best zien, waar de hoos gescheurd is.”—Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan een binnendeur getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier trad in volle wapenrusting binnen.“Maak de kinderen wakker,” zeide hij: “over een kwartieruurs vertrekken wij. Waar is Antonio?”“Hij wacht voor de deur,” antwoordde Magdalena, terwijl zij de kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den vaak uit de oogen wreven.“Ga, roep hem,” zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn liefkoozingen, noemde hemlieve vaderen speelde met zijn halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, die Bouke had laten gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en sprong vroolijk om Velasco en de kinderen heen. De Kapitein wendde zich nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in ’t Spaansch.“Nu zal het mijne beurt worden,” dacht Bouke, en inmiddels overlegde hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor gedragen zoude. Dat zijn leven op ’t spel stond, kwam hem niet eenmaal in de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig over, en hij peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap te bezorgen van hetgeen hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dathet konvooi het dorp zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, in welk geval de beide benden elkander mis zouden loopen en de geheele onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de deur van het hok open en een paar soldaten traden binnen, die hem zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens met zich voerden. Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij volgde zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die hier ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, die zich hier van alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens en voederwagens met zich aanvoerende.—Dezelfde sergeant, die Bouke gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, toen er opeens een boer door de menigte kwam dringen en zich met luider stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, zijn ossen hadden medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat de Overste dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde behoeden niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen boer een slecht bescheid. “Wat bruit mij zoo’n schoft,” zeide hij: “hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik zal het uw huid laten heugen, dat ge de soldaten van de Aartshertogin dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring.” Dit was aan geen dooven gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den jammerenden en vloekenden huisman bij ’t wambuis en slingerden hem buiten den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, en, hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal aan:“Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?”“Of ik ze weerom wou hebben!” antwoordde de boer, “maar die rekels....”“Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de wind naar toe en vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en nog twee goudstukken daarenboven.”De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, draaide zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek het beste voor hem zou wezen.Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime tijd, tot groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, nietsergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw, deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen Bouke niets anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur genaderd was, scheen deze omstandigheid echter van zulk gewicht, dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem bij geschikter gelegenheid een langer verhoor te laten ondergaan. Men bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te binden en zoo bij den aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten ontdeden hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken, toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd van het losbranden van schietgeweer, het getrappel van paarden en het krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. “Verraad! verraad!” klonk het door het dorp, en eer men tijd had om te ontdekken van waar de aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende van twee kanten binnenrijden. De boer, dien Bouke gezonden had, had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die vast vloekte en raasde over het niet verschijnen van zijn dienaar, ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, dat het konvooi in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven.Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij staanden wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede zoo geducht in ’t rond, dat hem in de eerste oogenblikken niemand naderen dorst.“Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!” riep de sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste.“Oranje! oranje!àbasde Spanjolen!” riep Bouke, terwijl hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd verbrijzelde. “Hoezee! hoezee! al gewonnen!”“Op mannen!” klonk nu de stem van Velasco: “hier Pedro! Berti, Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader neder?”De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee tusschen zich besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, was niet voldaan geworden: Bouke was door de menigte heen gebroken, had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining gered, en zich, door een omweg, met zijn bende vereenigd.Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten aanval der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed;doch toen deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders te verflauwen in dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen een goed heenkomen en poogden in de boerenwoningen de vlucht te nemen; doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe gasten geleden hadden, ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met knuppelslagen terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl anderen in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld de vlucht namen.“Waar is de Kapitein der bende?” vroeg de Ritmeester van Reede, zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag.“Ik denk,” zeide Bouke, “dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden.”“Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck,” riepen eenige voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de ruiters, welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer had aangewezen.Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar hem toeloopen. “Heer Baron!” riep hij toornig uit: “zij vermoorden den weerloozen Overste.”“Dat zal hun de duivel!” schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning loopende: “willen zij, spijt mijn last en dien zijner Excellentie, de Spaansche gruwelen nabootsen?”Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de dappere Velasco in ’t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, die hem nog gedurig houwen en steken toebrachten. Om hem lagen verscheidene Spaanschen, die hem in ’t uiterste hadden bijgestaan, nedergesabeld. Een fraaie jachthond stond er nevens en scheen zich alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond lag te jammeren. Wat verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen.“Terug! gij laffe moordenaars!” brulde Reede, met een vervaarlijke stem: “ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat, een weerlooze aan te vallen.”—Op het hooren van deze bedreiging, en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, traden de ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden hem het hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens den blik op Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan de woorden: “dit kind!.... zijn vader.... vermoord.... O Heer! wees mij genadig!”—Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest.“Het is gedaan!” zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: “zijn dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, die het had moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!” vervolgde hij tegen Magdalena: “behooren die twee kinderen aan den verslagen Overste?”“Deze is mijn zoon,” antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende.“En deze kleine?” hernam Reede.“Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet gezegd?” vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende: “het is de zoon van den vermoorden Overste.”“En zijn moeder?” vroeg de Ritmeester.“Ik kan u geen verder bericht doen erlangen,” hervatte Magdalena: “wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij vertrekke?”“Houd dat wijf, Heer Baron!” zeide Bouke: “het is een feeks, die met den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en zooals UEd! weet, gelijke monniken, gelijke kappen!”“Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind,” zeide Reede: “zij mogen in vrede heengaan.”Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk de achterdeur uit en verwijderde zich met haar zoon.“En wat zullen deze?” vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, dat hij geen boos opzet had tegen zijn beschermeling.“Wij zullen daarover nader spreken,” antwoordde de Ritmeester: “thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede.”“Juist,” zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, “wel zegt het spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet.”1Men moet zien of hij geld heeft.2Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.Achtste Hoofdstuk.Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet dan aangenaam zijn, dat ik, bij ’t begin van dit achtste Hoofdstuk, van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel te schilderen en hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de kraamkamer der edele vrouw te geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in ’t gezelschap van den Predikant Raesfelt en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van haar beminden echtgenoot. Deze had, nude legers de winterkwartieren betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns huisgezins door te brengen en zijn wederhelft op zijn aanstaande terugkomst voorbereid.Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren leeftijd, toen zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar echt met den Baron van Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te bekrachtigen, had een diepe smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige ongesteldheid sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die de fijne lucht, welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, had Reede besloten binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan zijn geslacht behoorde. Die verhuizing scheen echter weinig of geen invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, terwijl daarentegen de plotselinge dood van haar zoontje, dat aan hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had toegebracht.Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, dat zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk en ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig van een wel tenger en klein, doch gezond meisje verlost geworden, aan ’t welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar bijwijlen de diepe smart vergeten deed, die haar ziel had ingenomen.Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten en met fluweel gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in onbruik geraakte bakermat, omringd van de benoodigde korfjes en rekken, waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net gevouwen lagen of waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria van Sonheuvel gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, zat echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe bestemde zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant een kan ouden Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten.Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van verdere uitweidingen over ’s mans begaafdheden en karakter, alleen vergundhier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan had, op zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek was komen geven.“Ik hoop,” zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in den hollen voet des roemers lag, “dat mijn gezondheid genoeg in beterschap zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte van den zomertijd te Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis maken met mijn man. Ik ben benieuwd te weten hoe hij u bevallen zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter is hij zijn gezelschap dubbel waardig.”“Ik ben onderricht, Mevrouw!” antwoordde Raesfelt, “dat de Baron van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare Hervormde geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare Vaderland en onze Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming Datheni:Krijgsknechten met hoopenIn stormen en loopen.Konden door haar macht,Koningen noch heldenHelpen in de veldenSonder ’s Heeren krachtMaar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door de vernietiging van hun onverwinnelijkeArmadaof vloot; doch, met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer Baron decontroverseonder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, bij nadere bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren.”“Zeker,” hernam Mevrouw, “voor een soldaat houdt hij veel van een ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden, die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken, dan steekt hij gunstig bij hen af.”“Ja!” voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen: “zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog, hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat versje van buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden, en hoe hij het altijd opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?”“Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen,” hernam Mevrouw, en kent er vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen den Heer van Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen.”“Heeft hij smaak in de Psalmen?” vroeg de Predikant met blijdschap:“o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn werk voor te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae, en Colsonni, die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar bewijze, dat hij door niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig stuk! drie honderd bladzijden folio.”“Heden Dominee!” zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering staan bleef: “ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals er voorstaat.”“Stil Baker!” zeide Mevrouw: “Zijn Weleerwaarde zal het immers beter weten dan gij.”“Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het mij, of ik al hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen van de Schrifture heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft Calvino nog als zijn broertje gekend en is voor den geloove verbrand in ’t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... ’t kan ook wel in 68 geweest zijn.... Neen toch, want het was net in dien kouden winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het zoude den ouden Heer Baron nog wel heugen; maar....”“Baker!” zeide Mevrouw met een treurigen blik: “denk waar gij spreekt en wat gij zegt!”“Maar Baker!” zeide Raesfelt: “hebt gij dan niet gelezen, dat de letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?”“Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van geeste....”“Zwijg, Geertrui!” zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: “en breng mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren, zal ik u altijd uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt.”“Wacht u daarvoor, Mevrouw!” hervatte de Predikant: “zij heeft een ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en UEd. moet haar aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het zal mij altijd aangenaam en goed zijn, dergelijke gesprekken met haar te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen slaan zal, noch zich tegen de leeringe hares leeraars verzetten.”“Leeraar! hm! hm!” mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid van hare meesteres. “Wist men van leeraars in de dagen van den vromen Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farizeën!”“Om weder op den Heer Baron te komen,” zeide de Predikant, die de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of althansveinsde die niet te hooren; “het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk, dat ZEd. in den verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij niet alleen de wapenrusting, die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den Christenstrijder voegt, en de ziel tegen de listen des ronddwalenden Satans beschermt.”“Gewis, Dominee!” antwoordde Mevrouw: “mijn echtgenoot mag in dit opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden. Ja, dachten allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en hoelang hij van mij verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien.”“Ja! die vreemde vrouwen!” zuchtte Raesfelt: “wel zegt Salomo: ““al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen.””Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet zich de stem van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden.“Godlof!” riep Mevrouw: “daar is mijn man! Baker! neem even het kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!” Dit zeggende, rees zij haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker vasthouden, die haar weder naar haar zitplaats terugvoerde.“Wel Engel!” zeide de Baker: “waar waren je gedachten? pas een maand oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen, dat niet, lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw.”“Nu is het als in Psalm negentien,” riep de Predikant:“Daar uyt reyst hy seer claeren wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij: want de Heer Baron komt nietuitmaarinzijn slaapzale.”Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem haar zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind, nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich in den stoel, dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knieën, tot grooten angst der Baker, op en neder en tikte het op de zachte wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen wegwreef, die hem langs den knevel dropen. Met zalig genot zag zijn gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht vertrouwde, bezorgd naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op te vangen, ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar, die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes.“Wie is die zwartrok?” vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw.“St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe afwezendheid te Sonheuvel beroepen is.”“Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld heb u in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang zeer, nadere kennis met u te maken.”“De Heere moge usegenenmetallerlei goet, gelijk Psalm honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik wensch mij geluk en verblijd mij over UEd. terugkomste, gelijk Paulus hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat IICorinthenVII, en wederom in ’t zelfde kapittel:wij zijn vertroost over uwe vertroostinge. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een medearbeider in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt:Binnen uw mueren woonen salLiefde, vrede met eenigheyt;De huysen en paleysen breydtSijn vol van Gods segeningh al.”“Amen!” zeide Reede, den hoed afnemende. “Nu, ik hoop, dat wij van dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens liefste! gij hebt ons kind laten doopen, nietwaar?”“Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak.”“Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt.”“Ulrica?—maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?”“Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik breng u een klein geschenk mede.—Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht, Geert! steek eerst die twee kronen in uw tasch en dat stuk kant, dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht.”“Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.,” zeide de Baker, “en doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine beleven.... een fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het immers bij geen plundering gewonnen?”“Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog even. Wanneer denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?”“In de volgende week gaat een wagen van hier,” zeide de Predikant, “die ons derwaarts zal voeren.”“Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. UwEerwaarde is immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd?“Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen,” antwoordde Raesfelt: “doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw te verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die....”“Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zou Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!—Uw Eerwaarde neemt het immers niet kwalijk?”—Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en met gulheid de hand schuddende.“Zeer natuurlijk,” zeide Raesfelt: “ik groet UEd. vriendelijk in den Heere!”De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke.“Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel mag men zeggen: zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!”“Bouke!” zeide de Baron: “haal den kleine boven!”“Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, ’t wil al muizen, wat van katten komt.”“Doe zooals ik u zeg!” hernam Reede. Bouke vertrok.“Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik,” vroeg Mevrouw.“Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen, al is het een Spanjool!”Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm, dat luid schreeuwde en tegenspartelde.“Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den helm heb afgenomen: ’t was tijd, hij scheurde de veders aan stukken.”“Bewaar ons, Hendrik!” zeide Mevrouw: “wat is dat voor een kind? Ik wil niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid geprezen.”“Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte kijkers, die hij zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!”“Niet lekkers! naar beneden!” riep het kind.“Maar vertel mij dan toch,” herhaalde mevrouw, “wien dat schaap toebehoort.”“Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi opgelicht, dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier van het geleide werd gruwzaam door mijn volk omgebracht, uit wraak voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit moeten voorzien en beletten; doch wat waser aan te doen? het feit was gepleegd.—Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee kinderen, en een fraaie jachthond.... Nietwaar Bouke! een kostelijk schoon dier? Ik heb hem in ’t voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu, die vrouw moet al een rare mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met dezen schreeuwerd zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste is. Hoewel ik weinig lust had om mij met ditSpaanschegewrochtje te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij had aanbevolen en ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te maken, dat ik voor den vader zoo slecht gezorgd had. Ik schreef, bij mijn terugkomst in ’t leger, aan Don Louis de Velasco, die een eigen broeder is van den overledene, hoe het schaap in mijn handen geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat denk je, dat mij die Spanjool ten antwoord gaf?—Dat zijn broeder nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de basterds, die hij bij zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien: dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.—Wat zou ik doen? Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt, schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?”“Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!” zeide Mevrouw, het kind op het voorhoofd kussende: “wij zullen het als ons eigen kind behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons niet gezonden heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij verloren hebben.”“Hm! hm! zoo gauw niet!” zeide Reede: “zoo zijt gij vrouwen altijd! van ’t eene uiterste in ’t andere. Straks schriktet ge er van, toen ik het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!—Doch daarover later! Ik zal er intusschen nog eens over schrijven aan den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie eens! de knaap schijnt zich met de familie bekend te willen maken: hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven.”“Een lief kind waarlijk,” zeide de Barones: “nietwaar, lieve jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen noemen?”“Moeder!” zeide de knaap, haar scherp in ’t gezicht ziende: “Moeder weg!”“Arm kind,” hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende: “gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren hebt;.... indien gij mij maar ook niet verliest!” voegde zij er zuchtend bij.“Foei, lieve engel!” zeide de Baron, haar kussende: “welke treurige gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen.”“Maar toch wel denken,” hernam zij. “Het zal niet lang meer met mij duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker.” En tot bevestiging van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg had gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, enliet zich vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het overleden zoontje des Barons gediend had en nu voor zijn voedsterling in gereedheid gemaakt werd.“Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen,” zei inmiddels de Baron tegen zijn vrouw: “die benauwde stad deugt u niets. Dat geleuter van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u goeddoen. Dat beloof ik u!”Treurig schudde de Barones het hoofd. “Ik wil u niet bedroeven, Hendrik!” zeide zij: “doch het is zooals ik zeg. Mocht ik slechts met mijn vader verzoend zijn vóór mijn dood: dan zou ik meer gerust het hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle van u te scheiden. Dan, Gods wille geschiede.”Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den Baron, ten grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot. Deze haastte zich, het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke herinneringen gaf, te verlaten en zich weder op zijn kasteel van Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het leger doorbracht.Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos waren al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het kind als het zijne op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan; terwijl hij, voor zijn vertrek uit Amsterdam, aan Bouke en Geertrui plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak zouden bekend maken. “Het kind moet, mag nooit weten,” dacht hij, “dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens vloeken in de plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen.”Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk hij bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron begreep terstond, dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toegeëigend, en daar het hem een aangename gedachte was, de Gravin Douairière in het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo haastte hij zich haar, die nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd, een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van zijn ontdekking en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord den volgenden brief, in ’t Hoogduitsch geschreven:“Heer Baron!UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen.Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,Heer Baron!UEd. toegenegen Vriend, enDienstwillige Dienaar,Lodewijk Gunther van Nassau.”“Die vrouwen! die vrouwen!” riep Reede stampvoetend uit, nadat hij den brief tweemalen met verbazing gelezen had: “kan men zich zoo iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en welk een man was hij, dien zij verloor!).... of zij gaat met een ander in ’t huwelijksbootje!.... Haar over ’t bewuste onderwerp te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen taal of teeken zal ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben mij in te houden, als ik dien Graaf van Nassau weder onder de oogen krijg. Foei! foei!”—En hij scheurde in drift den ontvangen epistel in duizend stukjes.

Zevende Hoofdstuk.Hij is met krijghsmans eere in ’t harrenas gestorven.Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.Moedig trok Reede, aan ’t hoofd zijner bende, de duistere heide over, terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken welbekend, en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent den weg onderrichtte, welken de vijand volgens de ingekomen berichten en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het hoofdkwartier van den Amirant te trekken. De Ritmeester beraamde dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te onderscheppen, en toen men eenige uren had voortgereden, gebood hij dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te beraadslagen wat hun te doen stond. Men was nu in de nabijheid van een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten doortrekken, en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards gewaarschuwd mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels naar het dorp iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook een Spaansche bezetting bevond, ten einde, voor men een aanval op het naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te doen falen. Het was Bouke,die de eer genoot met deze zending belast te zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich niet licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te verraden.“Wees gerust, Uwe Edelheid!” zeide Bouke, terwijl hij zich van zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich vermomde. “Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel ontvalt: indien ik niet binnen ’t uur weerom ben, en alles haarklein weet te vertellen, hoe het in ’t dorp geschapen staat, dan mag ik gaarne lijden, dat UEd. mij in ’t vervolg voor den grootsten stoffel houde, die ooit een snippennet gebreid heeft.”Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt bleef houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op den gewonen rijweg, die vlak op ’t dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was koud en donker, en de grond hard bevroren: zoodat Bouke, die in den beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees van den grond met zijn geheele lengte te meten, zich genoodzaakt zag een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit liep, maar in menigvuldige bochten en oneffenheden, nu tusschen hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu de afstand, dien hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als het ongeduld van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: en weldra herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, waaruit het dorp was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij nu welhaast aan den grooten weg en dus bij den ingang van het dorp moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën scheidde. Terwijl hij onzeker stond, welke zijde hij volgen zoude, hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel aanheffen. Straks zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het dorp aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, van waar het aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, die hier niet op verdacht was, over een steen struikelde, en vrij onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op een hoeve midden in het dorp, en niet op den rijweg, dat het door hem gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; doch in deze oogenblikken strekte dit abuis hem bijna ten verderve; want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven soldaten zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur gekomen, waar zich een aantal ossen en paardenvonden besloten, toen zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van de hoogte af, midden tusschen hen nedertuimelde. “Santa Maria!” riep de een, “wat is dat?” “San Yago!” riep een tweede. “Ein betrunkener kerl!” riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, als de nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den kraag.“Hei! hei wat!” zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: “voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven buiten deze!”“Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?” vroeg een van de soldaten, met een forsche stem.“Met je verlof,” antwoordde Bouke: “ik heb een boodschap in ’t dorp en ben het verkeerde pad opgegaan.”“Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent,” zeide een uit den troep, hem van zich afstootende.”Nein! nein!” riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: “so leicht kommst du nicht frei!”“Vooral niet,” zeide een Parmezaan:“bisogna vedere, se ha danaro.”1”Danaro! danaro!” mompelde een vierde: “wie zal er bij nacht met geld in de tasch loopen. ’t Is zeker een strooper, die meer nood dan brood heeft.”“Om ’t even” zeide een ander: “ongemoeid moet hij niet vertrekken: zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt hij wel een paar hoentjes of een haas onder ’t wammes.”Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, wel geen wild en ook geen geld, maar ’t geen erger voor hem was, een lang pistool in een zijner broekspijpen verborgen.“Aha!” zeide de vinder in ’t Spaansch, terwijl hij met een zegepralend oog het moordtuig in de hoogte hief: “dragen de boeren hier te lande zulk ontbijt in den zak?”“Men kent den vogel aan zijn veeren,” zeide Bouke, in zich zelven de voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het pistool mede te nemen.“Dat moet de sergeant hooren”, zeide een ander: “hier steekt verraad achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit te plunderen.”“Wat is er gaande, mannen?” vroeg de sergeant, die op hetzelfde oogenblik de schuur naderde: “en waarom zijn de beesten nog niet buitengebracht?””Abbiamo trovato una altra bestia,” riep de Parmezaan: “un traditore!”2”Ein bewaffneter bube!” riep een ander: en terstond werdhet voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld.“Stil wat!” zeide deze: “laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg eens, kerel!” vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij de linkervuist in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: “wat was je oogmerk met dat moordtuig daar?”“Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb,” antwoordde Bouke: “alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben een varken, dan moet ik in ’t hok!”“En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?” hernam de krijgsman: “ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid van anderen gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis en bindt hem op de tafel vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen heeft. En voort allen weer aan ’t werk. Voor zonsopgang moeten wij reisvaardig zijn!”Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot gebouw, ’t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een achterdeur binnengebracht en zag in een vrij ruime schuur, volgepropt met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe schijnsel eener lamp, die van den zolder hing, kon onderscheiden, hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- en mondbehoeften te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal naar de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan Bouke niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde van ’t vertrek. Men dwong hem, plat op den buik neder te gaan liggen: zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, bij de minste poging om los te komen, een kind des doods ware: waarna de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten.“Ik ben de domste ezel, die er leeft,” gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: “mij zoo te laten beknippen! ik ben immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten te tuimelen? Wel is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester wacht, is hier al lang; maar hoe hem dit nu te berichten! dat is het ongemakkelijke van ’t geval.”Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, ’t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, dat hij vrij had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere zijde van het vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige omstandigheden niets beter te doen had, dan te luisteren, rolde zich om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het oor voor de opening van het schot. De eerste dier bewegingen deed hemin een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij bleef echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, en in ’t verschiet lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken moest. Bij de tweede beweging hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren.“Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?” vroeg de monnik.“Het is Velasco’s eigendom,” antwoordde de vrouw: “doch gij weet wat ik u gezworen heb.”“Een fraaie wijze van eeden te bewaren,” mompelde de eerste spreker.“Het ware geen wonder,” antwoordde zij fluisterende, “al had ik van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en breken; doch”.... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan kon.“Trotseer mij niet,” zeide de monnik; “gij weet, dat, indien ik wil....”“Indien gij wilt,” herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: “zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, om u beschaamd te maken voor ’t oog van geheel het leger.”“Magdalena!” riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem.“Ik ken die stem, dunkt mij,” dacht Bouke: en nogmaals toeziende, overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan de Jezuïet, dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en met wien hij slaags geweest was.“Stil!” vervolgde de vrouw: “Velasco ontwaakt!—en zoo hij u hier vond....”“Welnu!” zeide Eugenio met een schamperen lach: “welk kwaad kon hij er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als haring in een ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen in het vertrekje hiernaast, en in een kinderkamer, zooals deze, zijn troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en zal niet wakker worden voordat hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien.”“Hoe!” hernam zij, een vragenden blik op hem werpende.“Gewis,” vervolgde hij, “ik moet met den dag van hier en verlaat het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot hiertoe mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.—Gij hebt zondig en dwaas gehandeld, Magdalena!”“Ik weet het,” zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: “doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?”“Dat benik!” hernam hij, “ik, die u in ellende en jammer gedacht heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt heb, ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft.”“Gij?” zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze schuddende: “Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen eenige macht op mij bezaten.”“En denkt gij dan niet, goede Magdalena!” vervolgde hij, als bemerkte hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, “dat ook mijne ziel door gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke wetten had mijn heiligschennis mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder is lankmoedig en genadig: zij begeerde den dood des zondaars niet: zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u.”—Zonder een woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen er volgen zoude.“U werd echter een boetedoening opgelegd,” ging hij voort: “een boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest namelijk nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte....”“Is dit een boete?” vroeg zij haastig: “ik beschouw dit als een gunstbewijs.”“Val mij niet in de rede,” vervolgde hij; “gij moet, van nu af, uw woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken: gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet dit alleen ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe te groot, geene moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, dien gij te bewandelen hebt, de middelen, die gij aan moet wenden, om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe zonden vergeven, en uw loon zal heerlijk wezen!”“Ik ben bereid,” zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: “tot het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning noodig. Van nu af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, weder zijn liefdearmen openen!”“Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende: “o Magdalena! als het eens door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! Als het ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de verbrokene beelden der heiligen uit het stof te doen herrijzen. Hoe blijde zou dan niet onze mond hetHosannaaanheffen!—Wij zijn arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze taak, werwaarts ons Zijn wil ook heenleide.”“Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!” hernam zij: “ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk mij voorschrijft:—doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?”“Ludwig,” zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. “Ook hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des Meesters, die ons bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand te heerlijker voor uw verhelderde oogen schijnen.”“Ik bewonder u ondanks mij zelve,” hervatte zij: “wanneer ik u de echte taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik danaan de bloeddorst herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen....”“Gij kleingeloovige!” zeide de Jezuïet: “roeit niet de tuinman, als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?—Laat de jager de tijgerwelpen in ’t leven, als hij de ouders in hun nest geveld heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen tegen God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:—en thans vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... doch gij schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak het kort.”“Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?”.... vroeg zij op een zachten toon: “zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor langen tijd, misschien voor eeuwig, van hem scheidt?”De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig om en vertrok zonder een woord te spreken.“Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp,” dacht Bouke, “dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, mag ik lijden, dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan durft nog woorden uit de Schrift aanhalen en van Godsdienst en Kerk spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon kijken; want als zij zulke fielterige voornemens heeft, is ’t niet kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te waarschuwen: men kan aan ’t been best zien, waar de hoos gescheurd is.”—Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan een binnendeur getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier trad in volle wapenrusting binnen.“Maak de kinderen wakker,” zeide hij: “over een kwartieruurs vertrekken wij. Waar is Antonio?”“Hij wacht voor de deur,” antwoordde Magdalena, terwijl zij de kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den vaak uit de oogen wreven.“Ga, roep hem,” zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn liefkoozingen, noemde hemlieve vaderen speelde met zijn halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, die Bouke had laten gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en sprong vroolijk om Velasco en de kinderen heen. De Kapitein wendde zich nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in ’t Spaansch.“Nu zal het mijne beurt worden,” dacht Bouke, en inmiddels overlegde hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor gedragen zoude. Dat zijn leven op ’t spel stond, kwam hem niet eenmaal in de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig over, en hij peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap te bezorgen van hetgeen hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dathet konvooi het dorp zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, in welk geval de beide benden elkander mis zouden loopen en de geheele onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de deur van het hok open en een paar soldaten traden binnen, die hem zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens met zich voerden. Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij volgde zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die hier ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, die zich hier van alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens en voederwagens met zich aanvoerende.—Dezelfde sergeant, die Bouke gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, toen er opeens een boer door de menigte kwam dringen en zich met luider stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, zijn ossen hadden medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat de Overste dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde behoeden niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen boer een slecht bescheid. “Wat bruit mij zoo’n schoft,” zeide hij: “hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik zal het uw huid laten heugen, dat ge de soldaten van de Aartshertogin dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring.” Dit was aan geen dooven gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den jammerenden en vloekenden huisman bij ’t wambuis en slingerden hem buiten den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, en, hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal aan:“Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?”“Of ik ze weerom wou hebben!” antwoordde de boer, “maar die rekels....”“Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de wind naar toe en vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en nog twee goudstukken daarenboven.”De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, draaide zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek het beste voor hem zou wezen.Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime tijd, tot groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, nietsergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw, deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen Bouke niets anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur genaderd was, scheen deze omstandigheid echter van zulk gewicht, dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem bij geschikter gelegenheid een langer verhoor te laten ondergaan. Men bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te binden en zoo bij den aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten ontdeden hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken, toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd van het losbranden van schietgeweer, het getrappel van paarden en het krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. “Verraad! verraad!” klonk het door het dorp, en eer men tijd had om te ontdekken van waar de aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende van twee kanten binnenrijden. De boer, dien Bouke gezonden had, had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die vast vloekte en raasde over het niet verschijnen van zijn dienaar, ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, dat het konvooi in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven.Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij staanden wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede zoo geducht in ’t rond, dat hem in de eerste oogenblikken niemand naderen dorst.“Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!” riep de sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste.“Oranje! oranje!àbasde Spanjolen!” riep Bouke, terwijl hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd verbrijzelde. “Hoezee! hoezee! al gewonnen!”“Op mannen!” klonk nu de stem van Velasco: “hier Pedro! Berti, Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader neder?”De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee tusschen zich besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, was niet voldaan geworden: Bouke was door de menigte heen gebroken, had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining gered, en zich, door een omweg, met zijn bende vereenigd.Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten aanval der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed;doch toen deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders te verflauwen in dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen een goed heenkomen en poogden in de boerenwoningen de vlucht te nemen; doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe gasten geleden hadden, ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met knuppelslagen terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl anderen in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld de vlucht namen.“Waar is de Kapitein der bende?” vroeg de Ritmeester van Reede, zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag.“Ik denk,” zeide Bouke, “dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden.”“Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck,” riepen eenige voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de ruiters, welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer had aangewezen.Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar hem toeloopen. “Heer Baron!” riep hij toornig uit: “zij vermoorden den weerloozen Overste.”“Dat zal hun de duivel!” schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning loopende: “willen zij, spijt mijn last en dien zijner Excellentie, de Spaansche gruwelen nabootsen?”Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de dappere Velasco in ’t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, die hem nog gedurig houwen en steken toebrachten. Om hem lagen verscheidene Spaanschen, die hem in ’t uiterste hadden bijgestaan, nedergesabeld. Een fraaie jachthond stond er nevens en scheen zich alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond lag te jammeren. Wat verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen.“Terug! gij laffe moordenaars!” brulde Reede, met een vervaarlijke stem: “ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat, een weerlooze aan te vallen.”—Op het hooren van deze bedreiging, en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, traden de ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden hem het hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens den blik op Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan de woorden: “dit kind!.... zijn vader.... vermoord.... O Heer! wees mij genadig!”—Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest.“Het is gedaan!” zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: “zijn dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, die het had moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!” vervolgde hij tegen Magdalena: “behooren die twee kinderen aan den verslagen Overste?”“Deze is mijn zoon,” antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende.“En deze kleine?” hernam Reede.“Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet gezegd?” vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende: “het is de zoon van den vermoorden Overste.”“En zijn moeder?” vroeg de Ritmeester.“Ik kan u geen verder bericht doen erlangen,” hervatte Magdalena: “wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij vertrekke?”“Houd dat wijf, Heer Baron!” zeide Bouke: “het is een feeks, die met den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en zooals UEd! weet, gelijke monniken, gelijke kappen!”“Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind,” zeide Reede: “zij mogen in vrede heengaan.”Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk de achterdeur uit en verwijderde zich met haar zoon.“En wat zullen deze?” vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, dat hij geen boos opzet had tegen zijn beschermeling.“Wij zullen daarover nader spreken,” antwoordde de Ritmeester: “thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede.”“Juist,” zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, “wel zegt het spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet.”1Men moet zien of hij geld heeft.2Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.

Hij is met krijghsmans eere in ’t harrenas gestorven.Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.

Hij is met krijghsmans eere in ’t harrenas gestorven.

Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.

Moedig trok Reede, aan ’t hoofd zijner bende, de duistere heide over, terwijl de gids, een oud onderofficier, in die streken welbekend, en die zich terstond aan zijne zijde gevoegd had, hem nader omtrent den weg onderrichtte, welken de vijand volgens de ingekomen berichten en naar alle waarschijnlijkheid nemen moest, om van Gelder naar het hoofdkwartier van den Amirant te trekken. De Ritmeester beraamde dienvolgens zijn plan om het konvooi zeker te ontmoeten en te onderscheppen, en toen men eenige uren had voortgereden, gebood hij dat men halt zoude maken en steeg hij met de officieren af, om te beraadslagen wat hun te doen stond. Men was nu in de nabijheid van een volkrijk dorp gekomen, hetwelk de Spanjaards ongetwijfeld moesten doortrekken, en de gids begreep, dat het onvoorzichtig ware, verder voort te gaan, uit vreeze van het konvooi mis te loopen, en evenzeer onveilig, het dorp te bezetten, daar men de gezindheid der ingezetenen niet kende en het te vreezen was, dat de Spanjaards gewaarschuwd mochten worden en een anderen weg inslaan, of terugtrekken. Men besloot dus, te blijven waar men was, en inmiddels naar het dorp iemand op kondschap uit te zenden, om te onderzoeken, of er zich ook een Spaansche bezetting bevond, ten einde, voor men een aanval op het naderend konvooi deed, den vijand buiten staat te stellen, het opzet te doen falen. Het was Bouke,die de eer genoot met deze zending belast te zijn: zijn meester kende hem als een sluwe ondernemende kerel, die zich niet licht zou laten beknippen, en wien in dat geval geen bedreiging, geen doodsangst zelfs zou dwingen, iets van het ontwerp te verraden.

“Wees gerust, Uwe Edelheid!” zeide Bouke, terwijl hij zich van zijn krijgstoerusting ontdeed en in een gemeene boerenpij zich vermomde. “Bouke zal zich niet verpraten, want wie veel kalt veel ontvalt: indien ik niet binnen ’t uur weerom ben, en alles haarklein weet te vertellen, hoe het in ’t dorp geschapen staat, dan mag ik gaarne lijden, dat UEd. mij in ’t vervolg voor den grootsten stoffel houde, die ooit een snippennet gebreid heeft.”

Dit zeggende nam hij haastig afscheid en verliet de ruiterbende, welke inmiddels in de vlakte, waar zij zich bevond, halt bleef houden. Onverschrokken en blijmoedig volgde Bouke een klein zijpad, dat hem, volgens de aanduiding van den gids, op den gewonen rijweg, die vlak op ’t dorp aanliep, brengen moest. De Novembernacht was koud en donker, en de grond hard bevroren: zoodat Bouke, die in den beginne met forsche stappen was afgetrokken, al spoedig, uit vrees van den grond met zijn geheele lengte te meten, zich genoodzaakt zag een langzamer tred aan te nemen: te meer, daar het pad niet rechtuit liep, maar in menigvuldige bochten en oneffenheden, nu tusschen hakhout, dan weder over afgemaaide graanvelden slingerde. Hoewel nu de afstand, dien hij af te leggen had, inderdaad langer was dan de gids hem had opgegeven, en de duisternis van den nacht zoowel als het ongeduld van onzen verspieder dien nog langer deden schijnen, bemerkte deze al spoedig, uit het geloei van runderen, het gebriesch van paarden en het geblaf van honden, die zich verward dooreen lieten hooren, dat hij de plaats zijner bestemming naderde: en weldra herkende hij, in menige donkere gedaanten, die tegen de grauwe lucht ongelijkvormig afstaken, de onderscheiden huizen, waaruit het dorp was samengesteld. Reeds verblijdde hij zich in de gedachte, dat hij nu welhaast aan den grooten weg en dus bij den ingang van het dorp moest wezen, toen hij opeens bemerkte, dat het pad zich in tweeën scheidde. Terwijl hij onzeker stond, welke zijde hij volgen zoude, hoorde hij links van zich af een haan zijn morgenlied met luider keel aanheffen. Straks zijn keuze gedaan; hij sloeg linksaf en bespeurde, toen hij de kronkelingen van het pad volgde, dat hij werkelijk op het dorp aanhield. Met dat al was hij den verkeerden weg ingeslagen, gelijk straks blijken zal. Opeens liep het pad eene hoogte op, van waar het aan de andere zijde zoo schielijk en zoo steil afdaalde, dat Bouke, die hier niet op verdacht was, over een steen struikelde, en vrij onzacht nederviel tegen het beschot eener schuur; het was namelijk op een hoeve midden in het dorp, en niet op den rijweg, dat het door hem gekozen pad geleidde. Dit ware hem hetzelfde geweest in gewone tijden; doch in deze oogenblikken strekte dit abuis hem bijna ten verderve; want nauwelijks was hij weder opgestaan, toen hij zich van zes of zeven soldaten zag omringd. Dezen waren namelijk kort te voren aan de schuur gekomen, waar zich een aantal ossen en paardenvonden besloten, toen zij opeens ontzetteden door den val van een zwaar lichaam, dat, van de hoogte af, midden tusschen hen nedertuimelde. “Santa Maria!” riep de een, “wat is dat?” “San Yago!” riep een tweede. “Ein betrunkener kerl!” riep een derde. En toen zij allen, van hun schrik bekomen, ontwaarden, dat deze laatste althans in zooverre gelijk had, als de nedervallende gedaante die van een levend manspersoon was, schoten zij toe en grepen onzen Bouke vrij onzacht in den kraag.

“Hei! hei wat!” zeide Bouke, die zich vruchteloos poogde los te rukken: “voorzichtig wat: ik heb geen kleeren te bederven buiten deze!”

“Wat heb je hier te doen; jou dronken lap?” vroeg een van de soldaten, met een forsche stem.

“Met je verlof,” antwoordde Bouke: “ik heb een boodschap in ’t dorp en ben het verkeerde pad opgegaan.”

“Welnu! keer dan terug van waar je gekomen bent,” zeide een uit den troep, hem van zich afstootende.

”Nein! nein!” riep een Oostenrijker, hem wederhoudende: “so leicht kommst du nicht frei!”

“Vooral niet,” zeide een Parmezaan:“bisogna vedere, se ha danaro.”1

”Danaro! danaro!” mompelde een vierde: “wie zal er bij nacht met geld in de tasch loopen. ’t Is zeker een strooper, die meer nood dan brood heeft.”

“Om ’t even” zeide een ander: “ongemoeid moet hij niet vertrekken: zijn kasak is in allen gevalle nog goed, en misschien draagt hij wel een paar hoentjes of een haas onder ’t wammes.”

Dit zeggende begonnen de soldaten de kleederen van Bouke te betasten, ondanks zijn tegenspartelen; en aldra ontdekten zij, wel geen wild en ook geen geld, maar ’t geen erger voor hem was, een lang pistool in een zijner broekspijpen verborgen.

“Aha!” zeide de vinder in ’t Spaansch, terwijl hij met een zegepralend oog het moordtuig in de hoogte hief: “dragen de boeren hier te lande zulk ontbijt in den zak?”

“Men kent den vogel aan zijn veeren,” zeide Bouke, in zich zelven de voorzorg verwenschende, welke hij gebruikt had door het pistool mede te nemen.

“Dat moet de sergeant hooren”, zeide een ander: “hier steekt verraad achter, en er is reden genoeg om het geheele dorp uit te plunderen.”

“Wat is er gaande, mannen?” vroeg de sergeant, die op hetzelfde oogenblik de schuur naderde: “en waarom zijn de beesten nog niet buitengebracht?”

”Abbiamo trovato una altra bestia,” riep de Parmezaan: “un traditore!”2

”Ein bewaffneter bube!” riep een ander: en terstond werdhet voorgevallene aan den verbaasden onderofficier medegedeeld.

“Stil wat!” zeide deze: “laat ik den spitsboef eens ondervragen. Zeg eens, kerel!” vervolgde hij tegen Bouke, terwijl hij de linkervuist in de zijde zettede en zich met de rechterhand de kin wreef: “wat was je oogmerk met dat moordtuig daar?”

“Zooals ik reeds aan die brave lui gezegd heb,” antwoordde Bouke: “alleen uit veiligheid; maar, als iedereen zeit: ik ben een varken, dan moet ik in ’t hok!”

“En wat heeft zoo een schooier, zoo een landlooper te vreezen?” hernam de krijgsman: “ik geloof eerder dat het tegen de veiligheid van anderen gemunt was; doch we zullen het den kapitein laten onderzoeken. Hier Pedro en Cuno, brengt hem zoolang in huis en bindt hem op de tafel vast, dan kan hem Velasco zelf ondervragen, als hij uitgeslapen heeft. En voort allen weer aan ’t werk. Voor zonsopgang moeten wij reisvaardig zijn!”

Volgens den gegeven last werd Bouke, na eerst welgekneveld te zijn, door de twee daartoe benoemde manschappen weggeleid naar een boerenwoning, die kort daarbij op hetzelfde erf gelegen was: het was, zooverre hij dit bij nacht kon opmerken, een groot gebouw, ’t welk verscheidene vertrekken scheen te bevatten. Hij werd door een achterdeur binnengebracht en zag in een vrij ruime schuur, volgepropt met een menigte karren, welke, voor zooverre hij zulks bij het flauwe schijnsel eener lamp, die van den zolder hing, kon onderscheiden, hem toeschenen kruitvaatjes, voederzakken, brooden en andere krijgs- en mondbehoeften te bevatten, te meer, daar een schildwacht er heen en weder liep, die ook dadelijk den soldaten in de Spaansche taal naar de reden hunner komst vroeg. Na een korte woordenwisseling, in gebroken Spaansch, Duitsch en Italiaansch gehouden, en waarvan Bouke niet één woord verstond, werd deze in een hok gebracht, aan het einde van ’t vertrek. Men dwong hem, plat op den buik neder te gaan liggen: zijn voeten werden gebonden, en hem de verzekering gegeven, dat hij, bij de minste poging om los te komen, een kind des doods ware: waarna de soldaten hem verlieten en de deur achter zich sloten.

“Ik ben de domste ezel, die er leeft,” gromde Bouke bij zich zelven, zoodra hij zich alleen bevond: “mij zoo te laten beknippen! ik ben immers waard, dat men mij een kogel door den kop jaagt! Hoe kon ik ook zoo lomp zijn, om daar midden tusschen die schavuiten te tuimelen? Wel is waar, ik weet nu al wat ik weten wou: het konvooi, dat mijn meester wacht, is hier al lang; maar hoe hem dit nu te berichten! dat is het ongemakkelijke van ’t geval.”

Terwijl hij hierover lag te peinzen, en bedenkelijk het hoofd schudde, ’t geen dan ook het eenige deel van zijn lichaam was, dat hij vrij had, zag hij een flauwen lichtstraal, die door een reet in het hok viel, en hoorde te gelijker tijd aan de andere zijde van het vertrek praten. Hij begreep terstond, dat hij in zijn tegenwoordige omstandigheden niets beter te doen had, dan te luisteren, rolde zich om en bracht, zoo goed hij kon, eerst het oog en vervolgens het oor voor de opening van het schot. De eerste dier bewegingen deed hemin een klein kamertje zien, waarin een fraaie, rijzige vrouw, reeds geheel gekleed, bezig was met eenig goed te pakken; zij bleef echter met den rug naar hem toegekeerd, zoodat hij haar gelaat niet onderscheiden kon. Naast haar stond een monnik, en in ’t verschiet lagen twee kinderen in een bedstede te slapen, waarvoor een groote fraaie hond lag, alsof hij ze bewaken moest. Bij de tweede beweging hoorde Bouke de twee volwassene personen het volgende gesprek voeren.

“Gij wilt het kind mij dan niet teruggeven?” vroeg de monnik.

“Het is Velasco’s eigendom,” antwoordde de vrouw: “doch gij weet wat ik u gezworen heb.”

“Een fraaie wijze van eeden te bewaren,” mompelde de eerste spreker.

“Het ware geen wonder,” antwoordde zij fluisterende, “al had ik van u geleerd, hoe men te gelijk zijn woord moet houden en breken; doch”.... hier sprak zij zoo zachtjes, dat Bouke haar niet verstaan kon.

“Trotseer mij niet,” zeide de monnik; “gij weet, dat, indien ik wil....”

“Indien gij wilt,” herhaalde zij, hem driftig in de rede vallende: “zwijg daarvan, of ik zou u toonen, hoe ik middelen bezit, om u beschaamd te maken voor ’t oog van geheel het leger.”

“Magdalena!” riep de monnik met een van spijt gesmoorde stem.

“Ik ken die stem, dunkt mij,” dacht Bouke: en nogmaals toeziende, overtuigde hij zich, dat de spreker niemand anders was dan de Jezuïet, dien hij met zijn meester op den weg naar Leiden eens had ontmoet en met wien hij slaags geweest was.

“Stil!” vervolgde de vrouw: “Velasco ontwaakt!—en zoo hij u hier vond....”

“Welnu!” zeide Eugenio met een schamperen lach: “welk kwaad kon hij er in vinden, dat, in een huis, als dit, waarin wij als haring in een ton gepakt zijn, de biechtvader vroeg opstaat van de vochtige steenen in het vertrekje hiernaast, en in een kinderkamer, zooals deze, zijn troost zoekt? Doch wees gerust: hij slaapt den krijgsmansslaap, en zal niet wakker worden voordat hij gewekt wordt. Hoor Magdalena! ik heb u nog veel te zeggen, en God weet wanneer wij elkander wederzien.”

“Hoe!” hernam zij, een vragenden blik op hem werpende.

“Gewis,” vervolgde hij, “ik moet met den dag van hier en verlaat het konvooi: alleen om mij met u te onderhouden ging ik tot hiertoe mede. Hoor! ik moet recht ernstig met u spreken.—Gij hebt zondig en dwaas gehandeld, Magdalena!”

“Ik weet het,” zeide zij, de oogen met somberheid nederslaande: “doch zijt gij het, die mij zulks verwijten moet?”

“Dat benik!” hernam hij, “ik, die u in ellende en jammer gedacht heb, ik, die de wroegingen, de kwellingen van uw hart veroorzaakt heb, ik moet ook de medicijnmeester zijn, die u den vrede teruggeeft, die u een betere hoop en betere uitzichten verschaft.”

“Gij?” zeide zij, hem met een scherpen, veelbeteekenenden blik aanziende, en te gelijk het hoofd op een ongeloovige wijze schuddende: “Eugenio! het is acht jaren geleden, dat uwe taal en uwe verzekeringen eenige macht op mij bezaten.”

“En denkt gij dan niet, goede Magdalena!” vervolgde hij, als bemerkte hij haar wantrouw in zijn betuigingen niet, “dat ook mijne ziel door gemoedsangst verscheurd, dat mijn hart door berouw over mijn misdaad gepijnigd werd? Volgens de kerkelijke wetten had mijn heiligschennis mij den ban, ja den dood doen verdienen; doch onze Heilige Moeder is lankmoedig en genadig: zij begeerde den dood des zondaars niet: zij schonk mij vergiffenis: zij verwierf die ook voor u.”—Zonder een woord te uiten, bleef zij hem aanstaren, in afwachting van hetgeen er volgen zoude.

“U werd echter een boetedoening opgelegd,” ging hij voort: “een boetedoening, die gestreng, doch rechtmatig is. Gij moest namelijk nimmer terugkeeren in het oord, waar uw vergrijp ergernis verwekte....”

“Is dit een boete?” vroeg zij haastig: “ik beschouw dit als een gunstbewijs.”

“Val mij niet in de rede,” vervolgde hij; “gij moet, van nu af, uw woonplaats vestigen bij hen, die van den geloove zijn afgeweken: gij moet in schijn uw leer verzaken, en daar, onder ketters, tot opbouwing onzer Kerk werkzaam zijn. Geheel uw leven moet dit alleen ten doel hebben, dat weder de ware leer in de afvallige Nederlanden heersche: geene zelfverloochening moet u daartoe te groot, geene moeite te lastig wezen. Een verhevener dan ik zal u den weg aanwijzen, dien gij te bewandelen hebt, de middelen, die gij aan moet wenden, om dat doel te bereiken. Kunt gij deze boete voldoen, zoo zijn u uwe zonden vergeven, en uw loon zal heerlijk wezen!”

“Ik ben bereid,” zeide Magdalena, haar handen opwaarts heffende: “tot het vervullen dezer plichten had ik bijna geen vermaning noodig. Van nu af behoort mijn leven aan Hem, wien ik eenmaal verlaten heb. Mocht Hij mij, als aan mijn Heilige naamgenoot, weder zijn liefdearmen openen!”

“Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende: “o Magdalena! als het eens door onze vereende krachten gebeuren mocht, dat het kettergeslacht weder van de aarde verdelgd werde gelijk de afgodendienaars, die den lande Kanaäns bewoonden, toen Jozua tegen hen optrok! Als het ons weder gelukte, de neergeplofte kruizen alom te herstellen en de verbrokene beelden der heiligen uit het stof te doen herrijzen. Hoe blijde zou dan niet onze mond hetHosannaaanheffen!—Wij zijn arbeiders in den wijngaard des Heeren! Vervullen wij blijmoedig onze taak, werwaarts ons Zijn wil ook heenleide.”

“Ik herhaal het u, zoo helpe mij de Heilige Maagd!” hernam zij: “ik ben bereid alles te verrichten, wat mijne Moeder de Kerk mij voorschrijft:—doch.... Eugenio! wat zal er van Ludwig worden?”

“Ludwig,” zeide de volgeling van Lojola, snel naar het bed ziende. “Ook hij zal een nuttig werktuig worden in de hand des Meesters, die ons bestiert. Volg slechts blindelings wat men u voor zal schrijven, en al wat eerst duister zijn mag, zal naderhand te heerlijker voor uw verhelderde oogen schijnen.”

“Ik bewonder u ondanks mij zelve,” hervatte zij: “wanneer ik u de echte taal eens Priesters spreken hoor; doch, als ik danaan de bloeddorst herdenk, waarmede gij onnoozele vrouwen en kinderen....”

“Gij kleingeloovige!” zeide de Jezuïet: “roeit niet de tuinman, als hij het onkruid wiedt, ook de wortels uit?—Laat de jager de tijgerwelpen in ’t leven, als hij de ouders in hun nest geveld heeft? Liet Mozes niet de vrouwen en kinderen der oproerigen tegen God met den zwaarde dooden?.... Doch genoeg! ook dat dwaas gevoel van valsche menschlievendheid moet en zult gij overmeesteren:—en thans vaarwel: de haan heeft reeds ten tweedenmale gekraaid: men bereidt alles tot den aftocht; het is tijd dat ik u verlate;.... doch gij schijnt verlegen.... hebt gij mij nog iets te vragen?.... zoo maak het kort.”

“Zult gij van Ludwig geen afscheid nemen?”.... vroeg zij op een zachten toon: “zult gij hem uw zegen niet geven, eer gij voor langen tijd, misschien voor eeuwig, van hem scheidt?”

De Jezuïet zag met een donkeren blik naar de bedstede, waar de knaapjes in sliepen, schudde het hoofd, wendde zich haastig om en vertrok zonder een woord te spreken.

“Als ik nu van dat geheele gesprek iets anders begrijp,” dacht Bouke, “dan dat het een paar is, dat aan mekaar gewaagd is, mag ik lijden, dat ik mijn geheele leven in dit hok slijte. Zulk vee van den Satan durft nog woorden uit de Schrift aanhalen en van Godsdienst en Kerk spreken!.... ik wou, dat ik dat wijf maar eens in haar bakkes kon kijken; want als zij zulke fielterige voornemens heeft, is ’t niet kwaad vooruit te weten hoe zij er uitziet, om iedereen tegen haar te waarschuwen: men kan aan ’t been best zien, waar de hoos gescheurd is.”—Terwijl hij dus lag te peinzen, werd er in de naaste kamer aan een binnendeur getikt. Magdalena opende die, en een Spaansch officier trad in volle wapenrusting binnen.

“Maak de kinderen wakker,” zeide hij: “over een kwartieruurs vertrekken wij. Waar is Antonio?”

“Hij wacht voor de deur,” antwoordde Magdalena, terwijl zij de kinderen uit het bed haalde, die zich, nu wakker gemaakt, den vaak uit de oogen wreven.

“Ga, roep hem,” zeide Velasco (want hij was het), terwijl hij het kleinste kind opnam en kuste: het knaapje beantwoordde zijn liefkoozingen, noemde hemlieve vaderen speelde met zijn halskraag en vederbos. Intusschen had Magdalena de buitendeur geopend en denzelfden sergeant binnengelaten, die Bouke had laten gevangenzetten. Een groote, fraaie hond schoot te gelijk de deur in en sprong vroolijk om Velasco en de kinderen heen. De Kapitein wendde zich nu tot den onderofficier, en sprak met hem een poos in ’t Spaansch.

“Nu zal het mijne beurt worden,” dacht Bouke, en inmiddels overlegde hij, wat hem te doen stond en hoe hij zich bij een verhoor gedragen zoude. Dat zijn leven op ’t spel stond, kwam hem niet eenmaal in de gedachte, of liever, hij bekommerde er zich weinig over, en hij peinsde alleen op een geschikt middel om zijn ambt van verspieder te kunnen vervullen en aan zijn heer kondschap te bezorgen van hetgeen hij ontdekt had. Zijn grootste vrees was, dathet konvooi het dorp zou verlaten, aleer Reede van de nabijheid daarvan verwittigd ware, in welk geval de beide benden elkander mis zouden loopen en de geheele onderneming mislukken. Terwijl hij aan het overwegen was, ging de deur van het hok open en een paar soldaten traden binnen, die hem zijn voeten zooveel losbonden, dat hij gaan kon, en hem vervolgens met zich voerden. Het ruime voorvertrek doorgaande, vond hij het met soldaten gevuld, die bezig waren, de karren buiten te brengen. Hij volgde zijn leidslieden door een andere deur dan die waardoor hij eerst gekomen was, en bevond zich toen op den publieken weg, die hier ter weerszijden met woningen omzoomd was. Het begon reeds te schemeren en hij onderscheidde dus duidelijk de krijgsbenden, die zich hier van alle kanten verzamelden, een aanzienlijk getal ossen, schapen, varkens en voederwagens met zich aanvoerende.—Dezelfde sergeant, die Bouke gevangen had, stond in het midden van den weg en gaf zijn bevelen, toen er opeens een boer door de menigte kwam dringen en zich met luider stem bij hem beklaagde, dat de soldaten, die bij hem gehuisvest hadden, zijn ossen hadden medegevoerd en hem, op zijn beklag hierover, met slagen en scheldwoorden hadden betaald, schoon hij stellig wist, dat de Overste dergelijke plunderingen verboden had. De Sergeant, die dit laatste zeer wel wist, en echter zijn makkers voor straf wilde behoeden niet alleen, maar hun den gemaakten buit laten behouden, gaf den armen boer een slecht bescheid. “Wat bruit mij zoo’n schoft,” zeide hij: “hebt ge bewijzen, kerel? anders kunt ge maken, dat ge wegkomt, of ik zal het uw huid laten heugen, dat ge de soldaten van de Aartshertogin dus belastert. Hier mannen! smijt me dien kinkel uit den kring.” Dit was aan geen dooven gezegd: vrij onzacht grepen eenige soldaten den jammerenden en vloekenden huisman bij ’t wambuis en slingerden hem buiten den kring, zoodat hij vlak tegen Bouke aantuimelde. Deze was terstond bedacht om van deze omstandigheid gebruik te maken, en, hopende dat de omstanders geen Nederduitsch verstaan zouden, trok hij den boer naar zich toe en sprak hem in deze taal aan:

“Wou je graag je beestjes weerom hebben, vrindje?”

“Of ik ze weerom wou hebben!” antwoordde de boer, “maar die rekels....”

“Stil: luister! in het boschje ten westen van het dorp, zijn diegenen bijeen, die u daaraan helpen zullen: loop er als de wind naar toe en vertel al wat hier voorvalt.... gij zult uw ossen weerom hebben en nog twee goudstukken daarenboven.”

De boer zag hem verwonderd aan en wilde nog meer vragen; doch een der leidslieden van Bouke, die het gesprek begon te bemerken, draaide zich om en gaf den huisman een slag met het platte van zijn degen, waarop de sukkel begreep, dat een onverwijld vertrek het beste voor hem zou wezen.

Met het inpakken, het uithalen der karren en het maken der verdere toebereidselen tot het vertrek verliep nog een geruime tijd, tot groote vreugde voor Bouke, die, als wij reeds aanmerkten, nietsergers duchtte, dan dat men te ras vertrekken zoude. Velasco was inmiddels uit zijn nachtverblijf gekomen, nam alles in oogenschouw, deelde zijn bevelen uit, en gelastte ook dat men den gevangene voor hem geleiden zou. Het verhoor was kort. Schoon men tegen Bouke niets anders had in te brengen, dan dat hij met een pistool de schuur genaderd was, scheen deze omstandigheid echter van zulk gewicht, dat Velasco begreep hem gevangen met zich te moeten voeren, om hem bij geschikter gelegenheid een langer verhoor te laten ondergaan. Men bracht hem nu ter zijde, ten einde hem aan den staart van een paard te binden en zoo bij den aftocht mede te voeren. Hiertoe werd de koord, die hem de voeten gebonden hield, geheel losgemaakt, en de soldaten ontdeden hem ook van den strik, die hem de handen bond, met oogmerk om het eene einde van het touw aan den paardenstaart vast te maken, toen zich op eens een schelklinkend trompetgeschal liet hooren, gevolgd van het losbranden van schietgeweer, het getrappel van paarden en het krijgsgeschreeuw eener aanrukkende bende. “Verraad! verraad!” klonk het door het dorp, en eer men tijd had om te ontdekken van waar de aanval komen zoude, zagen de Spanjaards een Staatsche ruiterbende van twee kanten binnenrijden. De boer, dien Bouke gezonden had, had aan zijn wensch voldaan; hij had den Heer van Sonheuvel, die vast vloekte en raasde over het niet verschijnen van zijn dienaar, ter bepaalde plaats gevonden, en deze had, dadelijk na het vernemen, dat het konvooi in het dorp was, bevel tot den aanval gegeven.

Nauwelijks had Bouke het krijgsgeluid gehoord, of hij rukte zich los uit de handen die hem vast hielden, nam van een daarbij staanden wagen, waarop schansgraverstuig lag, een zware spade en sloeg daarmede zoo geducht in ’t rond, dat hem in de eerste oogenblikken niemand naderen dorst.

“Schiet den schelm ter neder, die ons verraden heeft!” riep de sergeant, terwijl hij woedend een pistool op Bouke loste.

“Oranje! oranje!àbasde Spanjolen!” riep Bouke, terwijl hij met een geduchten slag den sergeant helm en hoofd verbrijzelde. “Hoezee! hoezee! al gewonnen!”

“Op mannen!” klonk nu de stem van Velasco: “hier Pedro! Berti, Mülhoff! Verzamelt uw manschappen en verspert de straat aan weerszijden. Blijft slechts als palen staan, totdat wij herkennen, hoe sterk de vijand is. Doch!.... Schiet niemand dien verrader neder?”

De bevelen van Velasco werden opgevolgd en zijn nu vereende bende trachtte de toegangen te bezetten, de wagens en het vee tusschen zich besloten houdende. Doch aan den wensch, dien de hoofdman geuit had, was niet voldaan geworden: Bouke was door de menigte heen gebroken, had zich, te midden der verwarring, die er heerschte, over een heining gered, en zich, door een omweg, met zijn bende vereenigd.

Het gevecht was nu begonnen, en hoe dapper ook de Spanjaards zich verdedigden, waren zij echter te onvoorbereid om den geduchten aanval der Staatschen te kunnen wederstaan. Zoolang echter hun wakkere bevelhebber hun bleef aanvoeren, weken zij geen duimbreed;doch toen deze, zwaar gekwetst door een pistoolschot, van zijn paard stortte en weggevoerd werd, begon de moed der verweerders te verflauwen in dezelfde mate als die der aanvallers wies. Al spoedig zochten sommigen een goed heenkomen en poogden in de boerenwoningen de vlucht te nemen; doch de huislieden, die in den nacht overlast genoeg van die rauwe gasten geleden hadden, ziende dat de kans dezen tegenliep, vatteden post tegen hunne huisdeuren en dreven al wie er schuilen wilde met knuppelslagen terug. Dit vermeerderde den schrik der Spaanschen: verscheidene wierpen de wapenen weg en gaven zich over, terwijl anderen in alle richtingen, tusschen de huizen door, over het veld de vlucht namen.

“Waar is de Kapitein der bende?” vroeg de Ritmeester van Reede, zoodra hij zich van de overwinning verzekerd zag.

“Ik denk,” zeide Bouke, “dat men hem in gindsche woning gebracht heeft; daar heeft hij zijn nachtverblijf gehouden.”

“Naar de hel met hem! Wraak over den moord te Bruck,” riepen eenige voormalige Haneveeren, die zich mede bevonden onder de ruiters, welke Reede verzeld hadden. En ijlings afgestegen zijnde, snelden zij de boerenwoning in, welke Bouke zijnen Heer had aangewezen.

Terwijl de Ritmeester de noodige bevelen gaf om de gewonden te bezorgen en de gevangenen te binden, kwam Bouke op eens naar hem toeloopen. “Heer Baron!” riep hij toornig uit: “zij vermoorden den weerloozen Overste.”

“Dat zal hun de duivel!” schreeuwde Reede, driftig naar de boerenwoning loopende: “willen zij, spijt mijn last en dien zijner Excellentie, de Spaansche gruwelen nabootsen?”

Haastig trad hij de woning binnen, waar zich een vreeselijk schouwspel aan zijn oogen vertoonde. Met wonden overdekt lag de dappere Velasco in ’t midden van de schuur op den vloer uitgestrekt, omringd van ruiters, die hem nog gedurig houwen en steken toebrachten. Om hem lagen verscheidene Spaanschen, die hem in ’t uiterste hadden bijgestaan, nedergesabeld. Een fraaie jachthond stond er nevens en scheen zich alleen te bekommeren over een klein kind, dat nevens hem op den grond lag te jammeren. Wat verder stond Magdalena en hield haar zoontje aan haar borst geklemd, als wilde zij het tegen alle boosheid beveiligen.

“Terug! gij laffe moordenaars!” brulde Reede, met een vervaarlijke stem: “ik houw den eerste ter neder, die zich weder onderstaat, een weerlooze aan te vallen.”—Op het hooren van deze bedreiging, en op het zien van de woede, die in zijn oogen flikkerde, traden de ruiters terug. De Ritmeester naderde Velasco: deze poogde zich op te richten, dan vruchteloos. Reede en Bouke ondersteunden hem het hoofd. Hij sloeg het half gebroken oog op het kleine knaapje, dat angstig schreiend naar hem toe kroop: wendde vervolgens den blik op Reede en poogde te spreken. Hij kon echter niet anders uitbrengen dan de woorden: “dit kind!.... zijn vader.... vermoord.... O Heer! wees mij genadig!”—Met deze woorden zeeg hij achterover en gaf den geest.

“Het is gedaan!” zeide de Ritmeester, een traan wegwisschende: “zijn dood zal mij eeuwig rouwen. Hij werd vermoord, en ik, die het had moeten beletten!.... Doch het kind ... Vrouw!” vervolgde hij tegen Magdalena: “behooren die twee kinderen aan den verslagen Overste?”

“Deze is mijn zoon,” antwoordde Magdalena, op Ludwig wijzende.

“En deze kleine?” hernam Reede.

“Heeft de ongelukkige het u in zijn laatsten levensstond niet gezegd?” vroeg Magdalena, hem met een somberen blik aanziende: “het is de zoon van den vermoorden Overste.”

“En zijn moeder?” vroeg de Ritmeester.

“Ik kan u geen verder bericht doen erlangen,” hervatte Magdalena: “wat beveelt gij? moet ik met mijn zoon mede ten prooi strekken aan den bloeddorst uwer volgelingen? of is het aan een arme weduwe, die met den krijg niets gemeens heeft, vergund, dat zij vertrekke?”

“Houd dat wijf, Heer Baron!” zeide Bouke: “het is een feeks, die met den Jezuïet van de Katholieke Hofstede samenspant, en zooals UEd! weet, gelijke monniken, gelijke kappen!”

“Foei Bouke! een arme vrouw en haar kind,” zeide Reede: “zij mogen in vrede heengaan.”

Magdalena wachtte geen nadere vergunning af; doch, Ludwig aan de hand houdende, trok zij, zonder iemand te groeten, dadelijk de achterdeur uit en verwijderde zich met haar zoon.

“En wat zullen deze?” vroeg Bouke, het kleine kind opnemende en te gelijk den hond streelende, alsof hij hem wilde verzekeren, dat hij geen boos opzet had tegen zijn beschermeling.

“Wij zullen daarover nader spreken,” antwoordde de Ritmeester: “thans moeten wij zorgen, dat de aftocht zoodra mogelijk geschiede.”

“Juist,” zeide Bouke, hem buiten de schuur volgende, “wel zegt het spreekwoord, dat al wat gaat ook terugkeeren moet.”

1Men moet zien of hij geld heeft.2Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.

1Men moet zien of hij geld heeft.

2Wij hebben een ander beest gevonden: eenen verrader.

Achtste Hoofdstuk.Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet dan aangenaam zijn, dat ik, bij ’t begin van dit achtste Hoofdstuk, van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel te schilderen en hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de kraamkamer der edele vrouw te geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in ’t gezelschap van den Predikant Raesfelt en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van haar beminden echtgenoot. Deze had, nude legers de winterkwartieren betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns huisgezins door te brengen en zijn wederhelft op zijn aanstaande terugkomst voorbereid.Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren leeftijd, toen zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar echt met den Baron van Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te bekrachtigen, had een diepe smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige ongesteldheid sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die de fijne lucht, welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, had Reede besloten binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan zijn geslacht behoorde. Die verhuizing scheen echter weinig of geen invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, terwijl daarentegen de plotselinge dood van haar zoontje, dat aan hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had toegebracht.Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, dat zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk en ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig van een wel tenger en klein, doch gezond meisje verlost geworden, aan ’t welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar bijwijlen de diepe smart vergeten deed, die haar ziel had ingenomen.Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten en met fluweel gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in onbruik geraakte bakermat, omringd van de benoodigde korfjes en rekken, waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net gevouwen lagen of waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria van Sonheuvel gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, zat echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe bestemde zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant een kan ouden Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten.Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van verdere uitweidingen over ’s mans begaafdheden en karakter, alleen vergundhier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan had, op zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek was komen geven.“Ik hoop,” zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in den hollen voet des roemers lag, “dat mijn gezondheid genoeg in beterschap zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte van den zomertijd te Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis maken met mijn man. Ik ben benieuwd te weten hoe hij u bevallen zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter is hij zijn gezelschap dubbel waardig.”“Ik ben onderricht, Mevrouw!” antwoordde Raesfelt, “dat de Baron van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare Hervormde geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare Vaderland en onze Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming Datheni:Krijgsknechten met hoopenIn stormen en loopen.Konden door haar macht,Koningen noch heldenHelpen in de veldenSonder ’s Heeren krachtMaar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door de vernietiging van hun onverwinnelijkeArmadaof vloot; doch, met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer Baron decontroverseonder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, bij nadere bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren.”“Zeker,” hernam Mevrouw, “voor een soldaat houdt hij veel van een ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden, die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken, dan steekt hij gunstig bij hen af.”“Ja!” voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen: “zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog, hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat versje van buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden, en hoe hij het altijd opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?”“Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen,” hernam Mevrouw, en kent er vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen den Heer van Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen.”“Heeft hij smaak in de Psalmen?” vroeg de Predikant met blijdschap:“o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn werk voor te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae, en Colsonni, die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar bewijze, dat hij door niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig stuk! drie honderd bladzijden folio.”“Heden Dominee!” zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering staan bleef: “ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals er voorstaat.”“Stil Baker!” zeide Mevrouw: “Zijn Weleerwaarde zal het immers beter weten dan gij.”“Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het mij, of ik al hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen van de Schrifture heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft Calvino nog als zijn broertje gekend en is voor den geloove verbrand in ’t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... ’t kan ook wel in 68 geweest zijn.... Neen toch, want het was net in dien kouden winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het zoude den ouden Heer Baron nog wel heugen; maar....”“Baker!” zeide Mevrouw met een treurigen blik: “denk waar gij spreekt en wat gij zegt!”“Maar Baker!” zeide Raesfelt: “hebt gij dan niet gelezen, dat de letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?”“Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van geeste....”“Zwijg, Geertrui!” zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: “en breng mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren, zal ik u altijd uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt.”“Wacht u daarvoor, Mevrouw!” hervatte de Predikant: “zij heeft een ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en UEd. moet haar aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het zal mij altijd aangenaam en goed zijn, dergelijke gesprekken met haar te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen slaan zal, noch zich tegen de leeringe hares leeraars verzetten.”“Leeraar! hm! hm!” mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid van hare meesteres. “Wist men van leeraars in de dagen van den vromen Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farizeën!”“Om weder op den Heer Baron te komen,” zeide de Predikant, die de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of althansveinsde die niet te hooren; “het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk, dat ZEd. in den verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij niet alleen de wapenrusting, die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den Christenstrijder voegt, en de ziel tegen de listen des ronddwalenden Satans beschermt.”“Gewis, Dominee!” antwoordde Mevrouw: “mijn echtgenoot mag in dit opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden. Ja, dachten allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en hoelang hij van mij verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien.”“Ja! die vreemde vrouwen!” zuchtte Raesfelt: “wel zegt Salomo: ““al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen.””Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet zich de stem van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden.“Godlof!” riep Mevrouw: “daar is mijn man! Baker! neem even het kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!” Dit zeggende, rees zij haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker vasthouden, die haar weder naar haar zitplaats terugvoerde.“Wel Engel!” zeide de Baker: “waar waren je gedachten? pas een maand oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen, dat niet, lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw.”“Nu is het als in Psalm negentien,” riep de Predikant:“Daar uyt reyst hy seer claeren wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij: want de Heer Baron komt nietuitmaarinzijn slaapzale.”Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem haar zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind, nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich in den stoel, dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knieën, tot grooten angst der Baker, op en neder en tikte het op de zachte wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen wegwreef, die hem langs den knevel dropen. Met zalig genot zag zijn gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht vertrouwde, bezorgd naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op te vangen, ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar, die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes.“Wie is die zwartrok?” vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw.“St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe afwezendheid te Sonheuvel beroepen is.”“Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld heb u in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang zeer, nadere kennis met u te maken.”“De Heere moge usegenenmetallerlei goet, gelijk Psalm honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik wensch mij geluk en verblijd mij over UEd. terugkomste, gelijk Paulus hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat IICorinthenVII, en wederom in ’t zelfde kapittel:wij zijn vertroost over uwe vertroostinge. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een medearbeider in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt:Binnen uw mueren woonen salLiefde, vrede met eenigheyt;De huysen en paleysen breydtSijn vol van Gods segeningh al.”“Amen!” zeide Reede, den hoed afnemende. “Nu, ik hoop, dat wij van dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens liefste! gij hebt ons kind laten doopen, nietwaar?”“Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak.”“Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt.”“Ulrica?—maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?”“Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik breng u een klein geschenk mede.—Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht, Geert! steek eerst die twee kronen in uw tasch en dat stuk kant, dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht.”“Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.,” zeide de Baker, “en doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine beleven.... een fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het immers bij geen plundering gewonnen?”“Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog even. Wanneer denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?”“In de volgende week gaat een wagen van hier,” zeide de Predikant, “die ons derwaarts zal voeren.”“Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. UwEerwaarde is immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd?“Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen,” antwoordde Raesfelt: “doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw te verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die....”“Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zou Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!—Uw Eerwaarde neemt het immers niet kwalijk?”—Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en met gulheid de hand schuddende.“Zeer natuurlijk,” zeide Raesfelt: “ik groet UEd. vriendelijk in den Heere!”De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke.“Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel mag men zeggen: zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!”“Bouke!” zeide de Baron: “haal den kleine boven!”“Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, ’t wil al muizen, wat van katten komt.”“Doe zooals ik u zeg!” hernam Reede. Bouke vertrok.“Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik,” vroeg Mevrouw.“Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen, al is het een Spanjool!”Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm, dat luid schreeuwde en tegenspartelde.“Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den helm heb afgenomen: ’t was tijd, hij scheurde de veders aan stukken.”“Bewaar ons, Hendrik!” zeide Mevrouw: “wat is dat voor een kind? Ik wil niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid geprezen.”“Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte kijkers, die hij zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!”“Niet lekkers! naar beneden!” riep het kind.“Maar vertel mij dan toch,” herhaalde mevrouw, “wien dat schaap toebehoort.”“Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi opgelicht, dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier van het geleide werd gruwzaam door mijn volk omgebracht, uit wraak voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit moeten voorzien en beletten; doch wat waser aan te doen? het feit was gepleegd.—Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee kinderen, en een fraaie jachthond.... Nietwaar Bouke! een kostelijk schoon dier? Ik heb hem in ’t voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu, die vrouw moet al een rare mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met dezen schreeuwerd zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste is. Hoewel ik weinig lust had om mij met ditSpaanschegewrochtje te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij had aanbevolen en ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te maken, dat ik voor den vader zoo slecht gezorgd had. Ik schreef, bij mijn terugkomst in ’t leger, aan Don Louis de Velasco, die een eigen broeder is van den overledene, hoe het schaap in mijn handen geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat denk je, dat mij die Spanjool ten antwoord gaf?—Dat zijn broeder nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de basterds, die hij bij zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien: dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.—Wat zou ik doen? Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt, schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?”“Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!” zeide Mevrouw, het kind op het voorhoofd kussende: “wij zullen het als ons eigen kind behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons niet gezonden heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij verloren hebben.”“Hm! hm! zoo gauw niet!” zeide Reede: “zoo zijt gij vrouwen altijd! van ’t eene uiterste in ’t andere. Straks schriktet ge er van, toen ik het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!—Doch daarover later! Ik zal er intusschen nog eens over schrijven aan den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie eens! de knaap schijnt zich met de familie bekend te willen maken: hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven.”“Een lief kind waarlijk,” zeide de Barones: “nietwaar, lieve jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen noemen?”“Moeder!” zeide de knaap, haar scherp in ’t gezicht ziende: “Moeder weg!”“Arm kind,” hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende: “gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren hebt;.... indien gij mij maar ook niet verliest!” voegde zij er zuchtend bij.“Foei, lieve engel!” zeide de Baron, haar kussende: “welke treurige gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen.”“Maar toch wel denken,” hernam zij. “Het zal niet lang meer met mij duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker.” En tot bevestiging van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg had gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, enliet zich vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het overleden zoontje des Barons gediend had en nu voor zijn voedsterling in gereedheid gemaakt werd.“Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen,” zei inmiddels de Baron tegen zijn vrouw: “die benauwde stad deugt u niets. Dat geleuter van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u goeddoen. Dat beloof ik u!”Treurig schudde de Barones het hoofd. “Ik wil u niet bedroeven, Hendrik!” zeide zij: “doch het is zooals ik zeg. Mocht ik slechts met mijn vader verzoend zijn vóór mijn dood: dan zou ik meer gerust het hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle van u te scheiden. Dan, Gods wille geschiede.”Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den Baron, ten grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot. Deze haastte zich, het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke herinneringen gaf, te verlaten en zich weder op zijn kasteel van Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het leger doorbracht.Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos waren al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het kind als het zijne op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan; terwijl hij, voor zijn vertrek uit Amsterdam, aan Bouke en Geertrui plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak zouden bekend maken. “Het kind moet, mag nooit weten,” dacht hij, “dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens vloeken in de plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen.”Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk hij bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron begreep terstond, dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toegeëigend, en daar het hem een aangename gedachte was, de Gravin Douairière in het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo haastte hij zich haar, die nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd, een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van zijn ontdekking en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord den volgenden brief, in ’t Hoogduitsch geschreven:“Heer Baron!UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen.Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,Heer Baron!UEd. toegenegen Vriend, enDienstwillige Dienaar,Lodewijk Gunther van Nassau.”“Die vrouwen! die vrouwen!” riep Reede stampvoetend uit, nadat hij den brief tweemalen met verbazing gelezen had: “kan men zich zoo iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en welk een man was hij, dien zij verloor!).... of zij gaat met een ander in ’t huwelijksbootje!.... Haar over ’t bewuste onderwerp te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen taal of teeken zal ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben mij in te houden, als ik dien Graaf van Nassau weder onder de oogen krijg. Foei! foei!”—En hij scheurde in drift den ontvangen epistel in duizend stukjes.

Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.

Godlof! het is mijn heer! ik heb zijn stem gehoort.

Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.

Het zal mijn Lezers en vooral mijn Lezeressen waarschijnlijk niet dan aangenaam zijn, dat ik, bij ’t begin van dit achtste Hoofdstuk, van krijgsveld, legerplaatsen en wapenfeiten voorgoed afscheid neme, om hun een meer bevallig, meer huiselijk tooneel te schilderen en hen niet alleen in de kleine woning, welke de Heer van Reede binnen Amsterdam bezat, maar zelfs binnen de kraamkamer der edele vrouw te geleiden, welke met haren zuigeling op den schoot, in ’t gezelschap van den Predikant Raesfelt en van haar Baker, de terugkomst verbeidde van haar beminden echtgenoot. Deze had, nude legers de winterkwartieren betrokken, verlof ontvangen om de wintermaanden in den schoot zijns huisgezins door te brengen en zijn wederhelft op zijn aanstaande terugkomst voorbereid.

Mevrouw van Sonheuvel was een kleine, tengere blonde, met zachtblauwe oogen en regelmatige gelaatstrekken, die in vroegeren leeftijd, toen zij nog met den blos der schoonheid overtogen waren, menigen edelen aanbidder bekoord hadden. Doch sedert haar echt met den Baron van Reede, of liever sedert de weigering van haar vader om dat huwelijk te bekrachtigen, had een diepe smart aan haar fijngevoelig hart geknaagd en haar levenskrachten langzamerhand aangetast. Een teringachtige ongesteldheid sloopte haar zwak en aandoenlijk lichaamsgestel: de rozen der wangen verbleekten: de hoogzwellende boezem vermagerde en de eens zoo bevallige schoone was niet meer dan een schaduw van wat zij eenmaal geweest was. Op raad van zijn geneesheer, die de fijne lucht, welke men op het kasteel van Sonheuvel, hetwelk de Barones betrok, inademde, voor haar gestel nadeelig schatte, had Reede besloten binnen Amsterdam een kleine woning te betrekken, die vanouds aan zijn geslacht behoorde. Die verhuizing scheen echter weinig of geen invloed ten goede op de gezondheid zijner beminde gade uit te oefenen, terwijl daarentegen de plotselinge dood van haar zoontje, dat aan hevige stuipen overleed, haar een nieuwen, hoogst nadeeligen schok had toegebracht.Het was niet dan door de uiterste zorgen aan te wenden, en door zich van alles wat eenigszins schaden kon te onthouden, dat zij zoo gelukkig was geweest, de uitzichten te zien vervullen, welke een tweede zwangerschap haar had aangeboden: schoon pijnlijk en ziekelijk, had zij echter dien tijd doorgestaan en was vrij voorspoedig van een wel tenger en klein, doch gezond meisje verlost geworden, aan ’t welk zij nu hare moederteerheid toe mocht wijden, en dat haar bijwijlen de diepe smart vergeten deed, die haar ziel had ingenomen.

Zij was dan op een avond van de maand December, bij het helder lichtend turvenvuur, in een lagen, wel met kussens gedekten en met fluweel gevoerden leunstoel gezeten: tusschen haar en den haard was de thans in onbruik geraakte bakermat, omringd van de benoodigde korfjes en rekken, waarin de onmisbaarste kleedingstukken van het kleine poppetje net gevouwen lagen of waarop die hingen te drogen. De Baker zelve, een vrouw van zekere jaren, die, sedert zij als min bij de kleine Maria van Sonheuvel gekomen was, haar nooit verlaten en dus langzamerhand een vrij groote mate van invloed op het huisbestier bekomen had, zat echter thans niet op haar nederigen troon bij den haard; zij had het kind aan Mevrouw gegeven, liet de pap door het daartoe bestemde zeefje gaan, hield een wakend oog over het kokend kandeeltje, en vond nog tijd genoeg tusschenbeide om voor den predikant een kan ouden Rijnschen wijn en een fraaien roemer neder te zetten.

Den Predikant Raesfelt zullen wij uit het vervolg dezer geschiedenis nader kennen leeren: het zij ons, met besparing van verdere uitweidingen over ’s mans begaafdheden en karakter, alleen vergundhier aan te merken, dat hij, sedert kort op het dorp Sonheuvel beroepen zijnde van Ransdorp, waar hij tot dien tijd gestaan had, op zijn reize door Amsterdam zijner nieuwe Vrouwe een beleefdheidsbezoek was komen geven.

“Ik hoop,” zeide Mevrouw tegen den Predikant, terwijl deze met een zilveren staafje het klontje suiker verbrijzelde, dat in den hollen voet des roemers lag, “dat mijn gezondheid genoeg in beterschap zal toenemen, om mij te vergunnen een gedeelte van den zomertijd te Sonheuvel door te brengen. Dan zult gij, Dominee! ook nadere kennis maken met mijn man. Ik ben benieuwd te weten hoe hij u bevallen zal. Gij begrijpt, hij is geen geleerde, maar een krijgsman: echter is hij zijn gezelschap dubbel waardig.”

“Ik ben onderricht, Mevrouw!” antwoordde Raesfelt, “dat de Baron van Sonheuvel een ijverig voorstander is van onze dierbare Hervormde geloofsbelijdenis: dat hij geen geleerde is, vermindert zijn waardij geenszins in mijne oogen. Wie zoude ons dierbare Vaderland en onze Kerk beschermen, indien wij geen ander wapen voerden, dan de pen? wel is waar, Psalm 33 zegt, naar de berijming Datheni:

Krijgsknechten met hoopenIn stormen en loopen.Konden door haar macht,Koningen noch heldenHelpen in de veldenSonder ’s Heeren kracht

Krijgsknechten met hoopen

In stormen en loopen.

Konden door haar macht,

Koningen noch helden

Helpen in de velden

Sonder ’s Heeren kracht

Maar het spreekt van zelf, dat, daar de Heere voor ons, voor het Hollandsch Israël strijdt, deze regels alleen op de Spanjaards moeten toegepast worden, gelijk zulks ook bewezen is geworden door de vernietiging van hun onverwinnelijkeArmadaof vloot; doch, met dat al, gelijk ik ging aanmerken, ben ik onderricht, dat de Heer Baron decontroverseonder zijn geliefkoosde uitspanningen telt. Ik twijfel dus niet, of wij zullen over deze en gene punten nu en dan, bij nadere bekendheid, belangrijke gesprekken mogen voeren.”

“Zeker,” hernam Mevrouw, “voor een soldaat houdt hij veel van een ernstig gesprek: als men hem vergelijkt bij zoovele oorlogsteden, die niets van de Schrift weten, en nooit om hun zaligheid denken, dan steekt hij gunstig bij hen af.”

“Ja!” voegde de Baker er bij, om het gezegde te bevestigen: “zijn Edelheid is een goed theologant en kent de Schrift op zijn duimpje en alles wat daartoe betrekking heeft. Heugt het UEd. nog, hoe spoedig hij, toen hij nog een kleine jongen was, dat versje van buiten wist, dat ik hem leerde, en waarin al de Boeken van het Oude en Nieuwe Testament naar rang vermeld worden, en hoe hij het altijd opzei in bed, als hij den slaap niet kon vatten?”

“Ook heeft hij veel smaak in de Psalmen,” hernam Mevrouw, en kent er vele van buiten, zoowel volgens de berijming van wijlen den Heer van Sint-Aldegonde, als volgens die van Datheen.”

“Heeft hij smaak in de Psalmen?” vroeg de Predikant met blijdschap:“o dan zullen wij het bijzonder goed samen vinden, als zijnde deze ook mijne geliefkoosde studie. Ik hoop ZijnEd. dan mijn werk voor te lezen over den honderd-zeven-en-veertigsten Psalm, waarin ik wederlegge de dwalingen Ingelhoffii, die hem Esdrae, en Colsonni, die hem den Asaph toeschrijft (zijnde de eerste een Saksische, en de tweede een Schotsche uitlegger), en zonneklaar bewijze, dat hij door niemand anders kan vervaardigd zijn dan door Salomonem. Een bondig stuk! drie honderd bladzijden folio.”

“Heden Dominee!” zeide de Baker, terwijl zij verbaasd het hoofd ophief en met den paplepel in de hand als het beeld der verwondering staan bleef: “ik dacht, dat de Psalmen alle Davids waren, zooals er voorstaat.”

“Stil Baker!” zeide Mevrouw: “Zijn Weleerwaarde zal het immers beter weten dan gij.”

“Ja! dat is wel mogelijk, dat Dominee zich beter op de uitlegkunde verstaat; doch ik houd mij aan den tekst: wat helpt het mij, of ik al hoor wat er zou kunnen of moeten staan? ik vraag wat er staat. Het is de Booze, die al die uitleggingen en verfraaiingen van de Schrifture heeft uitgevonden. Mijn Dominee was de oude Rammelbonzium, die heeft Calvino nog als zijn broertje gekend en is voor den geloove verbrand in ’t jaar van gratie 65 ... of ... laat eens zien!.... ’t kan ook wel in 68 geweest zijn.... Neen toch, want het was net in dien kouden winter.... ei wanneer was het ook weer?... Ja.... Mevrouw!.... het zoude den ouden Heer Baron nog wel heugen; maar....”

“Baker!” zeide Mevrouw met een treurigen blik: “denk waar gij spreekt en wat gij zegt!”

“Maar Baker!” zeide Raesfelt: “hebt gij dan niet gelezen, dat de letter doodt, maar dat de geest levendig maakt?”

“Juist Dominee! en daarom moeten wij niet over de doode letter twisten! want wat zegt de Schrift: zalig zijn de armen van geeste....”

“Zwijg, Geertrui!” zeide Mevrouw op een gebiedenden toon: “en breng mij de kandeel. Zoo gij met Dominee wilt hakketeeren, zal ik u altijd uit de kamer sturen, als Zijn Weleerwaarde ons bezoeken komt.”

“Wacht u daarvoor, Mevrouw!” hervatte de Predikant: “zij heeft een ijver voor de goede zaak, ofschoon niet met verstand, en UEd. moet haar aan de onderwijzinge, die uit de waarheid is, geenszins onttrekken. Het zal mij altijd aangenaam en goed zijn, dergelijke gesprekken met haar te voeren, schoon ik hope, dat zij niet de versenen tegen de prikkelen slaan zal, noch zich tegen de leeringe hares leeraars verzetten.”

“Leeraar! hm! hm!” mompelde de oude Geertrui met al de kwade luim eener bedorven dienstbode, zonder acht te geven op de ontevredenheid van hare meesteres. “Wist men van leeraars in de dagen van den vromen Rammelbonzio! Leeraars! zoo noemt de Schrift de Farizeën!”

“Om weder op den Heer Baron te komen,” zeide de Predikant, die de aanmerkingen van de verstoorde Geertrui niet hoorde, of althansveinsde die niet te hooren; “het moet wel bedroevend zijn voor UEd. hem zoolang te moeten missen; doch tevens troostrijk, dat ZEd. in den verleidingsvollen krijgsmansstand met zulke oprechte vroomheid en godvruchtigheid is toegerecht, zoodat hij niet alleen de wapenrusting, die het vleesch bedekt, heeft aangegord, maar ook die, welke den Christenstrijder voegt, en de ziel tegen de listen des ronddwalenden Satans beschermt.”

“Gewis, Dominee!” antwoordde Mevrouw: “mijn echtgenoot mag in dit opzicht tot een voorbeeld strekken aan alle krijgslieden. Ja, dachten allen als hij, dan zou de hand des Heeren ijveriger zijn voor ons land. Altijd is hij even trouw en kuisch, en hoelang hij van mij verwijderd zij, geen vreemde vrouw zal hij aanzien.”

“Ja! die vreemde vrouwen!” zuchtte Raesfelt: “wel zegt Salomo: ““al wie tot haar ingaan, zullen niet wederkomen.””

Op dit oogenblik hoorde men een verward gedruisch op de straat, door een luid geklop aan de voordeur gevolgd: en weldra liet zich de stem van den Heer des huizes kennelijk onderscheiden.

“Godlof!” riep Mevrouw: “daar is mijn man! Baker! neem even het kind! ik moet hem spoedig te gemoet gaan!” Dit zeggende, rees zij haastig op en wilde de kamer uitsnellen; doch halverwegen verlieten haar hare krachten, en zij moest zich aan de Baker vasthouden, die haar weder naar haar zitplaats terugvoerde.

“Wel Engel!” zeide de Baker: “waar waren je gedachten? pas een maand oudkraams en dan in die tochtige gang loopen. Heden neen, dat niet, lieve kind! Daar zou Mijnheer wat aan hebben, aan een verkouden vrouw.”

“Nu is het als in Psalm negentien,” riep de Predikant:

“Daar uyt reyst hy seer claer

“Daar uyt reyst hy seer claer

en wat er verder volgt; schoon de vergelijking niet volkomen juist zij: want de Heer Baron komt nietuitmaarinzijn slaapzale.”

Terwijl hij deze aanmerking maakte, was Reede binnengetreden. Met aandoening en blijdschap omhelsde hij zijn vrouw, die hem haar zuigeling aanbood. Verrukt op het gezicht van het bevallige kind, nam hij het uit de armen der moeder op, zette zich in den stoel, dien de Baker hem had aangeschoven, wipte het kind over zijn knieën, tot grooten angst der Baker, op en neder en tikte het op de zachte wangetjes met den breeden handschoen, waarmede hij nu en dan de tranen wegwreef, die hem langs den knevel dropen. Met zalig genot zag zijn gade hem aan, terwijl de oude Geertrui, die hem het wichtje slecht vertrouwde, bezorgd naast den stoel stond en zich gedurig voorwaarts boog en de handen uitstak, als hield zij zich gereed, het meisje op te vangen, ingeval hij het mocht laten glippen. Nadat dit zwijgend tooneel eenige oogenblikken geduurd had, werd hij den Predikant gewaar, die aan de overzijde der stond te buigen als een knipmes.

“Wie is die zwartrok?” vroeg hij zachtjes aan zijn vrouw.

“St! Hendrik! dat is de eerwaarde Predikant Raesfeldius, die in uwe afwezendheid te Sonheuvel beroepen is.”

“Ei! zoo! Uw dienaar Dominee! men heeft mij zooveel goeds geschreven van uwe bekwaamheid en vroomheid, dat ik onnoodig geoordeeld heb u in persoon te komen hooren, aleer wij u bij ons beriepen. Ik verlang zeer, nadere kennis met u te maken.”

“De Heere moge usegenenmetallerlei goet, gelijk Psalm honderd-vier-en-dertig het heeft, naar de berijming Datheni. Ik wensch mij geluk en verblijd mij over UEd. terugkomste, gelijk Paulus hem verblijdde over de wederkomste Titi, als er geschreven staat IICorinthenVII, en wederom in ’t zelfde kapittel:wij zijn vertroost over uwe vertroostinge. Ik dank den Heere, dat Hij mij heeft waardig geoordeeld in uw woonstede het Evangelium te verkondigen, en een medearbeider in zijnen wijngaard te worden van UEd., die zoo ijverig de dingen bedenkt, die des Koninkrijks zijn. Wel moge ik met den Psalmist uitroepen, wat hij in den honderd-twee-en-twintigsten Psalm zingt:

Binnen uw mueren woonen salLiefde, vrede met eenigheyt;De huysen en paleysen breydtSijn vol van Gods segeningh al.”

Binnen uw mueren woonen sal

Liefde, vrede met eenigheyt;

De huysen en paleysen breydt

Sijn vol van Gods segeningh al.”

“Amen!” zeide Reede, den hoed afnemende. “Nu, ik hoop, dat wij van dezen zomer nadere kennis zullen maken.... Maar zeg eens liefste! gij hebt ons kind laten doopen, nietwaar?”

“Gewis mijn schat! Het is Maria gedoopt: dat was immers de afspraak.”

“Ja! dat weet ik wel; doch het moet nog een naam hebben. Ulrica moet het heeten. Ulrica Maria, zoo gij wilt.”

“Ulrica?—maar allerliefste! er is niemand in de geheele familie die zoo heet! Ulrica! wat is dat voor een rare naam?”

“Raar zooveel gij wilt; doch ik ben er zeer op gesteld. Ik zal u nader wel eens zeggen waarom; doch, daarvan gesproken, ik breng u een klein geschenk mede.—Heidaar! Bouke! Geert! roep Bouke eens!.... doch wacht, Geert! steek eerst die twee kronen in uw tasch en dat stuk kant, dat ik u voor een welkomthuis heb medegebracht.”

“Duizendmaal dank, Uwe Edelheid! God zegene UEd.,” zeide de Baker, “en doe UEd. en Mevrouw veel vreugde aan de lieve kleine beleven.... een fraaie kant voorwaar.... echt Brusselsch werk.... UEd. heeft het immers bij geen plundering gewonnen?”

“Neen, Geert: het is eerlijk van mijn penningen betaald; doch kom! haal Bouke hier!.... doch daar bedenk ik iets: blijf nog even. Wanneer denkt Uw Eerwaarde naar Sonheuvel te verkassen, Dominee?”

“In de volgende week gaat een wagen van hier,” zeide de Predikant, “die ons derwaarts zal voeren.”

“Welnu! Dominee! Dan zal het mij aangenaam zijn, Uw Eerwaarde morgen op het middagmaal bij mij te zien met de Juffer. UwEerwaarde is immers getrouwd, nietwaar? Alle Dominees zijn getrouwd?

“Ik zal, wat mij betreft, gaarne UEds. vriendelijk aanbod aannemen,” antwoordde Raesfelt: “doch ik verzoek UEd. mijn Huisvrouw te verschoonen, aangezien zij voor de kinderen moet zorgen. die....”

“Wel! dat moet geen hindernis teweegbrengen. Breng de gansche poppenkraam dan maar mede. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zou Bouke zeggen; doch met uw verlof, ik heb thans met mijn vrouw iets gewichtigs af te handelen.... dus tot morgen!—Uw Eerwaarde neemt het immers niet kwalijk?”—Dit zeide Reede, den Predikant vriendelijk en met gulheid de hand schuddende.

“Zeer natuurlijk,” zeide Raesfelt: “ik groet UEd. vriendelijk in den Heere!”

De Predikant vertrok. Kort daarna verscheen Bouke.

“Wat is er van UEds. dienst? Hoe vaart Mevrouw en de kleine? De Heere beware ons wat een schoon kindje: net Mevrouw! ja wel mag men zeggen: zoo de hen zoo de ven, en de ekster kan het hippelen niet laten!”

“Bouke!” zeide de Baron: “haal den kleine boven!”

“Dat zal bezwaarlijk gaan, mijnheer! die heeft UEds. helm beetgekregen en wil hem volstrekt niet laten varen: ja, ’t wil al muizen, wat van katten komt.”

“Doe zooals ik u zeg!” hernam Reede. Bouke vertrok.

“Maar van welken kleine spreekt ge toch, Hendrik,” vroeg Mevrouw.

“Kijk maar zoo verheerd niet: dat zal zich wel ophelderen: daar komt Bouke al met hem aan. Bij mijn degen! een schoone jongen, al is het een Spanjool!”

Bouke kwam binnen met een knaapje van ongeveer twee jaren op den arm, dat luid schreeuwde en tegenspartelde.

“Hier is hij, mijnheer; doch hij blaart als een kalf, omdat ik hem den helm heb afgenomen: ’t was tijd, hij scheurde de veders aan stukken.”

“Bewaar ons, Hendrik!” zeide Mevrouw: “wat is dat voor een kind? Ik wil niet hopen.... zooeven nog heb ik bij Dominee uw vroomheid geprezen.”

“Kom! kom! gekheid, wijfje-lief! is het geen mooi kind? Kijk eens, wat schoone blonde krullen!.... en die schelmsche zwarte kijkers, die hij zeker van zijn vader heeft.... Kom jongen! huil niet: hier is lekkers!”

“Niet lekkers! naar beneden!” riep het kind.

“Maar vertel mij dan toch,” herhaalde mevrouw, “wien dat schaap toebehoort.”

“Wien?.... Aan niemand, of liever, aan dengenen, die zich zijner erbarmen zal. Luister! in de vorige maand heb ik een konvooi opgelicht, dat van Gelder naar Mendoza gestuurd werd. De commanderende officier van het geleide werd gruwzaam door mijn volk omgebracht, uit wraak voor den moord, aan mijn vriend Falckestein gepleegd. Ik had dit moeten voorzien en beletten; doch wat waser aan te doen? het feit was gepleegd.—Nu was er bij het lijk een vreemde vrouw met twee kinderen, en een fraaie jachthond.... Nietwaar Bouke! een kostelijk schoon dier? Ik heb hem in ’t voorbijgaan op Sonheuvel gelaten. Nu, die vrouw moet al een rare mamsel geweest zijn, althans zoo Bouke vertelt. Kort en goed, zij liep met het eene kind weg, en liet mij met dezen schreeuwerd zitten, die een zoontje van den vermoorden Overste is. Hoewel ik weinig lust had om mij met ditSpaanschegewrochtje te belasten, zoo nam ik het echter mede, half uit medelijden, en half omdat zijn vader, eer hij stierf, het mij had aanbevolen en ik toch door de zorg voor het kind het een weinig goed dacht te maken, dat ik voor den vader zoo slecht gezorgd had. Ik schreef, bij mijn terugkomst in ’t leger, aan Don Louis de Velasco, die een eigen broeder is van den overledene, hoe het schaap in mijn handen geraakt was, en vroeg, hoe ik het hem best zou oversturen: en wat denk je, dat mij die Spanjool ten antwoord gaf?—Dat zijn broeder nooit getrouwd geweest was, en dat hij geen lust had, zich met de basterds, die hij bij zijn leven verwekt mocht hebben te bemoeien: dat ik het buit had gemaakt, en er nu zelf voor zorgen kon.—Wat zou ik doen? Ik bewaarde het arme wicht: en thans vraag ik u op uwe beurt, schatlief! wat zullen wij doen met het lieve schaap?”

“Wij zullen het bij ons houden, Hendrik!” zeide Mevrouw, het kind op het voorhoofd kussende: “wij zullen het als ons eigen kind behandelen, tot de moeder zich aanmeldt, of de bloedverwanten zich zijner aantrekken. Wie weet, Hendrik! of God het ons niet gezonden heeft om de plaats te vervullen van het lieve engeltje, dat wij verloren hebben.”

“Hm! hm! zoo gauw niet!” zeide Reede: “zoo zijt gij vrouwen altijd! van ’t eene uiterste in ’t andere. Straks schriktet ge er van, toen ik het binnenbracht, en nu wilt ge het kind als zoon aannemen!—Doch daarover later! Ik zal er intusschen nog eens over schrijven aan den Spaanschen Grootmeester, hoe weinig trek ik er toe gevoele. Zie eens! de knaap schijnt zich met de familie bekend te willen maken: hij poogt al kusjes aan zijn kleine zusje te geven.”

“Een lief kind waarlijk,” zeide de Barones: “nietwaar, lieve jongen! gij zult veel van mij houden en mij wel moeder willen noemen?”

“Moeder!” zeide de knaap, haar scherp in ’t gezicht ziende: “Moeder weg!”

“Arm kind,” hernam de brave vrouw, het kind aan haar hart drukkende: “gij zult in mij haar wederom vinden, die gij verloren hebt;.... indien gij mij maar ook niet verliest!” voegde zij er zuchtend bij.

“Foei, lieve engel!” zeide de Baron, haar kussende: “welke treurige gedachten! zoo iets moogt gij niet zeggen.”

“Maar toch wel denken,” hernam zij. “Het zal niet lang meer met mij duren, Hendrik! ik word alle dagen zwakker.” En tot bevestiging van dit gezegde zette zij den kleine neder, en gaf hem over aan de zorg van Geertrui, die de zuigeling intusschen in de wieg had gelegd. Smakelijk nuttigde het knaapje een boterham, enliet zich vervolgens door Geertrui naar zijn bedje brengen, hetwelk voor het overleden zoontje des Barons gediend had en nu voor zijn voedsterling in gereedheid gemaakt werd.

“Ik hoop u dezen zomer buiten te brengen,” zei inmiddels de Baron tegen zijn vrouw: “die benauwde stad deugt u niets. Dat geleuter van de Dokters beduidt geen zier. De frissche buitenlucht zal u goeddoen. Dat beloof ik u!”

Treurig schudde de Barones het hoofd. “Ik wil u niet bedroeven, Hendrik!” zeide zij: “doch het is zooals ik zeg. Mocht ik slechts met mijn vader verzoend zijn vóór mijn dood: dan zou ik meer gerust het hoofd nederleggen, hoe hard het mij ook valle van u te scheiden. Dan, Gods wille geschiede.”

Dezen troost mocht de ongelukkige lijderes niet bekomen. Hartzeer deed haar, ongeveer twee maanden na de terugkomst van den Baron, ten grave gaan, betreurd door allen, die haar beminnelijke hoedanigheden gekend hadden, maar vooral door haar echtgenoot. Deze haastte zich, het huishouden op te breken, Amsterdam, dat hem niets dan smartelijke herinneringen gaf, te verlaten en zich weder op zijn kasteel van Sonheuvel te vestigen, gedurende den tijd, dien hij niet in het leger doorbracht.

Inmiddels had hij zich met vaderliefde gehecht aan den kleinen vondeling, wien hij den naam van Joan had gegeven. Vruchteloos waren al zijn nasporingen geweest: onbeantwoord waren al zijn nadere brieven aan Velasco gebleven. Hij besloot eindelijk het kind als het zijne op te voeden en bij voorbaat zelfs voor het zijne te laten doorgaan; terwijl hij, voor zijn vertrek uit Amsterdam, aan Bouke en Geertrui plechtig liet zweren, dat zij aan niemand de ware toedracht der zaak zouden bekend maken. “Het kind moet, mag nooit weten,” dacht hij, “dat ik zijn vader heb laten vermoorden: anders zou het mij eens vloeken in de plaats van mij te zegenen. Komt het eens tot rijper jaren, dan zullen wij zien, wat wij er van maken kunnen.”

Eenigen tijd na zijn aankomst op Sonheuvel, vernam de Baron van een reizenden koopman in honden, dat dit fraaie dier, hetwelk hij bij Velasco gevonden had, door hem een paar jaren te voren aan den Grave van Falckestein was verkocht geweest. De Baron begreep terstond, dat Velasco het zich tijdens de plundering van Bruck had toegeëigend, en daar het hem een aangename gedachte was, de Gravin Douairière in het bezit te herstellen van iets, dat haar gemaal had behoord, zoo haastte hij zich haar, die nu in Den Haag haar verblijf had gevestigd, een beleefden brief te schrijven, waarbij hij haar kennis gaf van zijn ontdekking en haar verzocht hem te melden, wanneer zij den hond zou ontvangen. Tot zijn groote verwondering ontving hij in antwoord den volgenden brief, in ’t Hoogduitsch geschreven:

“Heer Baron!UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen.Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,Heer Baron!UEd. toegenegen Vriend, enDienstwillige Dienaar,Lodewijk Gunther van Nassau.”

“Heer Baron!UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen.Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,Heer Baron!UEd. toegenegen Vriend, enDienstwillige Dienaar,Lodewijk Gunther van Nassau.”

“Heer Baron!UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen.Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,Heer Baron!UEd. toegenegen Vriend, enDienstwillige Dienaar,Lodewijk Gunther van Nassau.”

“Heer Baron!

UEds. geëerde Missive is bij groot geluk niet in handen van Mevrouw de Douairière van Falckestein, maar in de mijne gekomen.Het zou mij leed doen, indien Haar Genades gestel, hetwelk door zoovele en zoo zware rampen reeds sterk geleden heeft, een nieuwen schok ontving door de treurige herinneringen, welke het ontvangen van het geschenk, dat UEd. voornemens was Hare Genade te doen, bij Hare Genade zou verwekken. Ik heb de eer UEd. bij dezen kennis te geven, dat het mijn voornemen is, met Hare Genade, dadelijk na het einde van haren rouwtijd, een wettige verbintenis aan te knoopen (waarop God zijnen zegen geve). Ik twijfel niet, of UEd zal wel eenig deel willen nemen in mijn rechtmatige vreugde over dat blijde vooruitzicht.—Intusschen verzoek ik UEd. Mevrouw de Douairière over het bewuste onderwerp niet meer te schrijven, daar UEd. zelf de noodzakelijkheid zal inzien van haar alle dergelijke treurige aandoeningen, opgewekt door het herdenken aan vervlogen genoegens, te sparen.

Ik heb intusschen de eer mij nederig in UEds. vriendschap aan te bevelen, en UEd. te verzekeren, dat ik onveranderlijk ben,

Heer Baron!

UEd. toegenegen Vriend, enDienstwillige Dienaar,

Lodewijk Gunther van Nassau.”

“Die vrouwen! die vrouwen!” riep Reede stampvoetend uit, nadat hij den brief tweemalen met verbazing gelezen had: “kan men zich zoo iets voorstellen? Nauwelijks is de asch van haar man koud.... (en welk een man was hij, dien zij verloor!).... of zij gaat met een ander in ’t huwelijksbootje!.... Haar over ’t bewuste onderwerp te schrijven! ... Neen waarachtig niet. Geen taal of teeken zal ik haar ooit meer sturen, dat beloof ik haar. Ik zal moeite hebben mij in te houden, als ik dien Graaf van Nassau weder onder de oogen krijg. Foei! foei!”—En hij scheurde in drift den ontvangen epistel in duizend stukjes.


Back to IndexNext