Vijftiende Hoofdstuk.Il dit fort posément ce dont on n’a que faireEt court le grand galop quand il est à son fait.Racine, Les plaideurs.De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.—Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden vanéén zonder geluid te geven.De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van zijn smaak in ’t leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in ’t eerst als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het vorderen derjaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand.De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder ’t aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.—Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de jachtsprieten gladgewreven:—thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen.Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: “Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen.” Wanneer echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot gevoerdwerd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker iets, eenick en weet niet wat, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen de welgeborenen welopgevoedevrouw.In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder depretendentennoemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van ’t land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande.Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekendenop ’t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer;sed quantum mutatus ab illo1. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen.De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in ’t vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend, echter minderdan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder alléén. “Bouke!” zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: “de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen.”Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in ’t algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en in de noodige orde te verhalen:—terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand vanhet vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle posten en bedieningen gestooten.Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselengehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden.Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.1Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.Zestiende Hoofdstuk.Der papen kist is leegh.Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.Vondel.Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.“Ik weet niet,” zeide de een, “of het door de spiegeling der zon in ’t water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen.”Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk in ’t zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van ’t Land tusschen Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.“Het is zeker onaangenaam,” zeide hij, “te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt.”“Kom! kom!” hernam degene die eerst gesproken had: “zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe.”“Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!” zeide Mom.“Neen,” hervatte deze, “maar wat helpt deze, wanneer....”“Zoo meen ik het niet,” viel hem de Ambtman in de rede:—“men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft.””Was zum henker!” riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, “indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging zeide.”“Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander,” zeide deze: “nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik.”“Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een “God loone u” zal zien betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt.”“Dwaas!” zeide Mom: “juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel zet;—echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?”“Gij hebt scherper gezicht dan ik,” antwoordde Botbergen: “mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden te onderkennen.””’t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand een vriend te deren.”“Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,” antwoordde Botbergen, de borst opzettende: “doch ik denk er niet op te antwoorden.”“Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?”“Ja!” zeide Botbergen: “hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel.“Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit,” zeide Mom, oprijzende. “Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten.”“Foei!” zeide Botbergen: “zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren.”“Dat ware het minste,” antwoordde Mom: “doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van.”“Dan zult ge u zeker moeten haasten.”“Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt.”“Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?”“Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn” antwoordde Mom: “hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken.”“Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden.”“De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.—Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, ’t welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven te legateeren.”“Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder één vaandel.”“Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?” zeide Mom, spottende.“Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat blijft onder ons.”“Natuurlijk!” zeide Mom: “ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in ’t aangezicht logenstrafte!.... doch dat isom ’t even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?”“Ongetwijfeld,” antwoordde Botbergen: “en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten.”“Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald....”“Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren,” zeide Botbergen: “een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij.”Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had.“Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?”—was de vraag, welke hem de Ambtman deed.De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.“En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?”De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken.“Zou men niet zeggen,” merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: “dat diezelfde Klaas Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt te worden.”“Dat geloof ik wel,” zeide Botbergen: “daar de Ambtman van Maas en Waal in ’t geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden.”“Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja—op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?”“UEd. wordt al te scherp,” zeide Botbergen: “indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen.”Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijkertoon aan. “Nu, Elbert,” zeide hij: “maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen.”Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.“Is hij van die wij verwachten?” vroeg Mom.“Hij weet het wachtwoord,” antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.“Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen.”De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.“Wat dralen zij nu?” riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. “Elbert! ga eens zien waar zij blijven.”—Botbergen opende de deur.”Pax vobiscum!”1zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad.“Wie duivel?” riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande.“Eilaas! Sint-Jan is dood,” zeide de onbekende, zacht.“Maar alle hoop nog niet ontvlood,” antwoordde Mom op denzelfden toon. “Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?”“Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?” vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.“Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,” antwoordde de Ambtman: “kort en goed, wie zijt gij?”“Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn vertrouweling, zijn biechtheer.”“Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan,” hervatte Mom: “neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?—Meinertz!”“Meinertz is uitgegaan,” zeide de biechtvader: “ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer u inmiddels niet over mij.Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit.”2“Ja maar!” zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: “als nu Preys en Leendertz komen....”“Die zullen vooreerst niet komen,” hernam de geestelijke heer: “die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, ’t welk ik met Zijne Edelheid hebben moet.”Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.“Mij dunkt,” zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: “dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans geen geheimen....”“Maar ik wel,” zeide de onbekende, “ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al,” (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) “ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken.”“Nu ga dan, Botbergen!” zeide Mom, “en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen.”Botbergen gehoorzaamde. “Waar blijft nu,” dacht hij bij zich zelven: “onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van ’t gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen.”“Zal ik,” zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: “thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek verschaffen?”“Mij dunkt,” antwoordde de Monnik: “dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen.”“Ik heb u slechts ééne vraag te doen,” zeide Mom, “brengt gij geld mede?”“De kinderen der Heilige Kerk,” antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, “zijn niet gewoon, zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: “nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris.”3“Dan behoef ik u niet langer aan te hooren,” zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende.“UEd. spot er mede,” hervatte de vreemdeling: “maar....”“Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog,” zeide de Ambtman, willende heengaan.“Sta! gij dwaas!” zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: “gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?”“Dreigt gij mij?” vroeg Mom, toornig: “keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag ouder is.”“Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?” vroeg de Monnik, lachende: “dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?” voegde hij er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.“Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens,” zeide Mom, zich wrevelig nederzettende.“Niet?—En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?—Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op ’t hoofd weder huiswaarts te keeren, of—’t geen nog erger zou wezen—om de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken.”Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege:“Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist—of hoe zal ik het noemen, ’t geen tusschen ons voorviel?—vergeten, en woorden van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?”“Ik ben het niet, die haar verlaat,” antwoordde Mom: “het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?”“Het zal hier geld en ambten regenen,” zeide Eugenio, “als maar eerst de zaak haar beslag heeft.”“Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken,” zeide Mom, met bitterheid: “Is het zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig.”“Daar is misschien wat van aan,” antwoordde de Jezuïet, altijd met dezelfde koelbloedigheid; “doch weet ge wat de voornaamste reden is, waarom men u thans geen geld zendt?—Men vertrouwt u maar half.”Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een oog van verbazing aan: “nu geloof ik, Pater!” zeide hij, “dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt.”“Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen heeft.—Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen.”“En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en voorschotten doe ik niet.”“UEd. heeft volmaakt gelijk,” hernam de zoon van Lojola; “doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?”Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.“Welnu!” zeide de Jezuïet, “dit is meer dan een belofte, nietwaar?”“Het is nog veel minder,” antwoordde Mom, droogjes: “de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen.”“Wapens zullen u overvloedig verschaft worden,” hervatte Eugenio: “daarvoor sta ik u borg.”“Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan,” vervolgde Mom: “want alleen....”“Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En,” voegde hij er zacht en langzaam bij, “Graaf Hendrik Frederik....”“Is toch niet op onze zijde?” vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende.“Dat juist niet,” antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: “maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren.”“Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws,” zeide Mom; “doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder....”“Daarom juist kom ik hier,” hervatte Eugenio: “Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,—ik zal ook in dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen mij voor het einde van ’t Bestand in ’s-Bosch en in ’s-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.—Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan ’t hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven.”Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat, dat het voorstel aan te nemen. “In Gods naam,” zeide hij, hem de hand toereikende: “de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw leiding over.”“Gij doet wel,” zeide Eugenio: “en uw keuze zal u niet berouwen;—intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wieik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van ’s-Hertogenbosch, en....”Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.“Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel,” zeide hij, “die den Heer Mom verlangt te spreken.”“De kamenier van de Freule;” riep Mom verwonderd uit; “en hoe wist zij dat ik hier was?”“Zij wist meer dan dat,” antwoordde Botbergen: “want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest.”“Daar schuilt verraad onder,” riep Mom; “doch wij zullen dadelijk....”“Bedaar!” zeide de Jezuïet, hem terughoudende: “Magdalena is van de onzen!”“Zij van de onzen?” herhaalde de Ambtman, verbaasd: “hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft.” Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan.“Nu, als zij van de onzen is,” hervatte Botbergen: “moet zij dan maar hier komen?”“Ongetwijfeld,” zeide Mom: “zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres.”“Die is althans niet van de onzen,” zeide Elbert, meesmuilende: “als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?” Dit zeggende verliet hij het vertrek.Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijnklantentelde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in ’t bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven.“Goeden morgen, Magdalena!” sprak Mom, zoodra zij binnentrad. “Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw Heer?.... en de Freule?”“Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!” antwoordde de kamenier. “De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen.”“Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartijbehoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En,” vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, “vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen.”“Ik dank u,” zeide de kamenier: “de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder loon.” Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.“Wat schort er aan? wat deert u?” riepen Mom en Botbergen, als uit één mond.“Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?” vroeg Eugenio, vooruittredende.“Neen!” antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: “mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar....”“Een wachtwoord!” viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking stond. “En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?”“Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!” antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: “omdat uw bedoelingen en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets,” vervolgde zij, de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: “waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?” vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.“Magdalena!” zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: “moeten wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet....”“Vaarwel, Pater Eugenio!” herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.“Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp,” zeide Elbert, zooras zij weg was.“Ik sta als versteend,” zeide Mom: “zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?”“Ik heet Van Dyk,” zeide Eugenio koeltjes, “en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen.”“Juist,” zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, “dat zijn twee vreemdelingen, die in denGouden Ooievaarzoostraks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren.”“Alles loopt naar wensch,” hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in ’t oor: “De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder.”“Tot uw dienst Pater.... Van Dyk,” zeide Botbergen en vertrok. “En wat moet er nu gedaan worden?” vroeg Mom, die zich, maar half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.“Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.“Ik heb van hem hooren spreken,” zeide Mom; “maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning zou kunnen hebben.”“Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar,” zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.1Vrede zij met u.2Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden heeft.3Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.
Vijftiende Hoofdstuk.Il dit fort posément ce dont on n’a que faireEt court le grand galop quand il est à son fait.Racine, Les plaideurs.De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.—Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden vanéén zonder geluid te geven.De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van zijn smaak in ’t leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in ’t eerst als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het vorderen derjaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand.De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder ’t aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.—Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de jachtsprieten gladgewreven:—thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen.Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: “Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen.” Wanneer echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot gevoerdwerd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker iets, eenick en weet niet wat, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen de welgeborenen welopgevoedevrouw.In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder depretendentennoemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van ’t land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande.Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekendenop ’t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer;sed quantum mutatus ab illo1. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen.De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in ’t vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend, echter minderdan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder alléén. “Bouke!” zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: “de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen.”Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in ’t algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en in de noodige orde te verhalen:—terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand vanhet vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle posten en bedieningen gestooten.Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselengehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden.Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.1Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.
Il dit fort posément ce dont on n’a que faireEt court le grand galop quand il est à son fait.Racine, Les plaideurs.
Il dit fort posément ce dont on n’a que faireEt court le grand galop quand il est à son fait.
Il dit fort posément ce dont on n’a que faire
Et court le grand galop quand il est à son fait.
Racine, Les plaideurs.
De reis naar Den Haag liep ten genoegen van de belanghebbende partijen af. De Baron verkreeg door middel van zijn vrienden, brieven van aanbeveling voor den beroemden Krijgsoverste Bethlem Gabor, den bevrijder van Transilvanië, wiens heldhaftige daden de aandacht van Europa trokken en onderscheidene jongelingen van edelen huize uit de Protestantsche landen uitlokten om onder zulk een wakker Overste de oorlogskunst te leeren.—Raesfelt had het geluk, op den eersten Zondagmorgen na zijn komst in Den Haag, een beurt in de Groote Kerk te mogen waarnemen, welke hem zijn geleerde vriend Ds. Lamotius had afgestaan: en bij die gelegenheid genoot de Leeraar van Sonheuvel de zonderlinge eer, Prins Maurits zelf onder zijn toehoorders te tellen. Van Den Haag keerde de Predikant over Leiden terug, bevond dat zijn zoon Hendrik een onverbeterlijke, verstokte Arminiaan geworden was, nam hem van de Hoogeschool af en bezorgde hem bij een koopman in edelgesteenten te Amsterdam, ten einde aldaar de negotie te leeren.
Zoodra de winter geweken was en de eerste lentedagen het reizen, vooral naar een warmer luchtstreek, niet meer tot een lastige of moeilijke, maar veeleer tot een aangename zaak gemaakt hadden, vertrokken onze twee krijgsmakkers. Het afscheid was aandoenlijk, gelijk de lezer beseffen zal, aan wiens verbeeldingskracht wij overlaten, zich voor te stellen, hoe de Baron en Joan zich vruchteloos poogden goed te houden, hoe Ulrica in tranen wegsmolt en duizend kussen aan haar broeder medegaf, hoe Raesfelt en Geertrui een schat van zedenlessen aan den jongen knaap schonken, hoe Bouke zich maar op een afstand hield en nu en dan met den handschoen een traan uit de oogen wipte, al mompelend in zich zelven: men scheurt geen oud papier en geen oude vrienden vanéén zonder geluid te geven.
De tocht der wapenbroeders was voorspoedig; de onderscheidene brieven, welke Joan, zoo regelmatig als mogelijk was, aan zijn achtergebleven vrienden schreef, en waarvan wij er tot ons leedwezen geen hebben kunnen terugvinden, getuigden van zijn voortdurende gezondheid, van zijn smaak in ’t leven dat hij leidde, van zijn tevredenheid over zijn overste en over zijn waarden krijgsmakker, van zijn gehechtheid vooral en gestadig denken aan de opgezetenen van Sonheuvel. Dezen, van hunnen kant, gevoelden diep het verlies van twee leden van het huisgezin, die zooveel tot het genot der samenleving medegewerkt hadden. Ulrica was in ’t eerst als troosteloos: haar smart werd door den tijd en het ontvangen van goede berichten wel eenigszins gelenigd; doch met het vorderen derjaren groeide ook het besef van het eenige, het ledige van haar toestand.
De Baron verveelde zich doodelijk en wist met de lange dagen hoegenaamd geen weg meer, sedert hij van het gezelschap, waaraan hij zoo gewoon was geworden, verstoken was. Te voren, als de stem van Bouke hem uit den slaap gewekt had, vond hij zijn kleederen, netjes naar zijn zin opgeschuierd, op den armstoel naast zijn bed liggen; tegenwoordig moest hij drie a vier keeren fluiten, eer hem zijn ochtendgewaad was bovengebracht. Bouke wist altijd welken morgenwijn Mijnheer bij het ontbijt nam: zijn nieuwe dienaar bracht hem altijd van het verkeerde merk. Met Bouke praatte hij onder ’t aankleeden en ontbijten over vroegere heldenfeiten: zijn tegenwoordige dienaar wist op zijn best een paar bekkesnijdershistorietjes.—Ging hij te voren wandelen, bezocht hij zijn diergaarde, wilde hij visschen of jagen, altijd vond hij alles naar behooren: de beesten gevoederd, de netten gemaasd, de jachtsprieten gladgewreven:—thans moest hij een paar dagen vooraf bepalen waar hij trek in zou hebben, anders waren de valken onklaar, de netten gescheurd, de wapenen verroest. Bouke en Joan wisten overal waar het wild lag, op welk veld de meeste hoenders gespeurd waren, tegen welke boomen het hert zijn hoornen gewet had; zijn nieuwe jachtgezellen waren der streek onkundig. Aan tafel strekten voorheen de vroolijke scherts en vernuftige invallen van Joan tot een saus bij het maal: thans was ook de geestige kout en het meer en meer belangrijk onderhoud van Ulrica niet in staat den Baron uit zijn gemelijke, verdrietige luim te krijgen.
Het gevolg van dit alles was, dat Reede, om hetgeen hij verloren had te vergoeden, nieuw gezelschap zocht en met verscheidene naburen, meest onbesuisde drinkers en jagers, die hij te voren nauwelijks zou hebben willen aanzien, en althans niet op zijn slot verzocht, betrekkingen aanknoopte. Van toen werd het kasteel van Sonheuvel, waar tot dien tijd altijd geschiktheid en orde hadden plaats gevonden, niet zelden een tooneel van woeste brasserijen, die meermalen tot laat in den nacht werden voortgezet, zoodat Reede veel van de hooge achting verloor, die hij tot dien tijd bij alle fatsoenlijke en beschaafde lieden genoten had. Dit was echter jammer, want, ofschoon hij nu en dan de waarheid ondervond van de spreuk, dat kwaad gezelschap dolen doet, en zich wel eens te verre aan drank te buiten ging, zoo bleef hij echter zijn maatschappelijken zoowel als zijn vaderplicht indachtig, en behield hij oordeel genoeg om de verstrooiingen, die hij zich verschafte, verre beneden de onschuldiger genietingen van vroeger tijden te stellen. Hij luisterde zelfs bereidwillig naar de vermaningen, die de Predikant Raesfelt zich somtijds verplicht vond hem in gemoede te maken, en antwoordde dan maar meteen: “Ja Dominee! maar ik kan mijn leven toch niet moêrziel alleen doorbrengen. Als Bouke en Joan maar weerom zijn, dan zal alles wel weer te recht komen.” Wanneer echter de oude Geert somtijds haar klaagliederen aanhief, en vroeg wat Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben van het leven, dat nu op het slot gevoerdwerd, maakte hij zich driftig, en dreigde haar, dat hij, zoo zij zich niet van aanmerkingen onthield, wel eens een andere huishoudster zou kunnen nemen, die wat minder praats had.
Intusschen zag hij duidelijk in, dat de levenswijze, welke Ulrica thans leidde, weinig geschikt was om een aankomend meisje die genoegens te verschaffen, welke haar leeftijd voegen, noch die kundigheden, welke eener fatsoenlijke jonkvrouw betamen. Hij zelf bedankte er voor, om nog op zijn leeftijd zich in de hofplaats te gaan nederzetten en aldaar zeden en gewoonten aan te nemen, die hij lang verleerd was. Hij zag dus om naar een gelegenheid om haar in staat te stellen meer overeenkomstig haar stand en jaren te leven; en hierover begreep hij niemand beter te kunnen raadplegen dan Mevrouw de Douairière L. G. van Nassau, aan welke hij zich bij zijn reize naar Den Haag weder had doen voorstellen (en bij die gelegenheid zijdelings naar Ludwig, haar page gevraagd, doch vernomen had, dat deze met een gezantschap als klerk of schrijver naar Engeland was vertrokken). De Gravin bood hem haar diensten aan en verzocht Ulrica voorloopig eenigen tijd bij zich te hebben. Gaarne voldeed de Baron aan dit verlangen, en nu verliet het lieve meisje voor de eerste reize, en niet zonder hartkloppingen en angsten, het stille, eenvoudige land voor de deftige, woelige, schitterende hofplaats. Spoedig echter ontving Reede bericht van de Douairière, dat het weinig moeite zou kosten, om aan Ulrica de laatste hand te leggen en haar tot eene in allen deele volmaakte jonkvrouw te maken, daar de natuur haar niet alleen wat vernuft, karakter en schoonheid betrof, moederlijk bedeeld had, maar haar bovendien een zeker iets geschonken had, hetwelk anderen niet dan na jaren oefening verkrijgen kunnen; een zeker aangeboren gevoel, dat op zijn pas zwijgen en spreken doet, dat over alle daden en gezegden een fijn waas van bevalligheid, van smaak, van welvoeglijkheid weet te verspreiden, dat de houding gemakkelijk en los zonder wildheid, zedig en bescheiden zonder stijfheid maakt: een zeker iets, eenick en weet niet wat, hetgeen behaaglijk en beminnelijk maakt en het eenige is dat ook nu nog, in onze eeuw van gelijkheid, een kennelijk en onoverkomelijk onderscheid maakt tusschen de welgeborenen welopgevoedevrouw.
In denzelfden brief meldde de Gravin aan den Heer van Sonheuvel, dat zijn dochter reeds de keuze had, tusschen verscheidene partijen, die zich opdeden, door haar schoonheid, door haar verstand of door haar middelen uitgelokt. Geen echter dier minnaars had zich nog durven verklaren, zoodat de Baron aan Ulrica bij voorraad alleen voorzichtigheid behoefde aan te bevelen, schoon zij (de Gravin) overtuigd was, dat het daaraan bij het jonge meisje niet zou mangelen. Onder depretendentennoemde Mevrouw van Nassau voornamelijk den Heer Mom, Ambtman van ’t land tusschen Maas en Waal, een welgezeten, bemiddeld ridder, van middelbare jaren en in groot aanzien ten hove staande.
Kort na de ontvangst van dezen brief, die den goeden Baron in allerlei verlegenheden stortte, kwam er een onzer oude bekendenop ’t onverwachts op Sonheuvel aan. Deze was niemand anders dan de strooper en kippendief Teun Wezer;sed quantum mutatus ab illo1. Het voorheen nederhangend haar was sierlijk opgekruld en met een vederhoed bedekt: de boerenpij was tegen een fraai groen lakensch buis verwisseld, vol koorden en lussen: hij droeg een degen op zijde, had halve laarsjes aan, en reed op een fraai paard, dat kostelijk was opgetoomd. Alleen het fonkelend oog van Klaartje, Boukes nicht, herkende haar voormaligen vrijer: en het nieuwe gewaad, waarin zij hem weder zag, strekte niet weinig om haar achting voor zijn persoon te vermeerderen: ja zij werd grootsch op haar eigen doorzicht: want reeds lang geleden, toen iedereen zeide, dat Teun Wezer voor de galg opgroeide, had zij alleen staande gehouden, dat men hem onrecht aandeed en dat hij in tegendeel zeer wel zou voortkomen.
Hij werd dan nu ook niet weggejaagd, maar zeer vriendelijk ontvangen, vooral toen men zijn boodschap vernam. Hij kwam dan van den Ambtman Mom (in wiens dienst hij getreden was ten gevolge van, of na de boodschap, die Ludwig hem aan dezen had gegeven) en verzocht voor zijn Heer de eer van een bijzonder onderhoud met den heer Baron.
De Baron haastte zich hiertoe zijn bereidwilligheid te kennen te geven, en weldra verscheen de Ambtman bij hem en vroeg hem zonder veel omwegen om de hand van zijn dochter. Zijn gesprek, zijn toon, zijn ronde en te gelijk hoffelijke manieren behaagden den Heer van Sonheuvel evenzeer als het voorstel dat hij deed, hetwelk ook vele schoone zijden had, en zoover men gissen of nagaan kon, niet ééne slechte. Hij ontweek echter, vooralsnog het geven van een stellig antwoord, zeide dat zijn dochter nog te jong was om aan een huwelijk te denken, dat hij zelf niets tegen den Ambtman had, maar zich integendeel door diens aanbod vereerd vond, doch dat hij haar in geen geval buiten haar volkomene toestemming zou uittrouwen.
De Ambtman nam genoegen in dit antwoord: althans hij betuigde er geen gunstiger te hebben kunnen verwachten; en dit was inderdaad waar. Hij vertrok, verlof vragende om spoedig terug te komen, hetwelk hem beleefdelijk werd toegestaan. Hiervan kwam echter vooreerst niets, omdat hij wegens politieke aangelegenheden genoodzaakt werd een geruimen tijd in Oost-Friesland door te brengen.
Intusschen was de beminnelijke Ulrica bij haar vader teruggekomen; beiden hadden reeds een geruimen tijd sterk naar elkander verlangd en waren recht verheugd en gelukkig van zich weder te zamen te vinden. Hun blijdschap was niet weinig vermeerderd, toen eerlang onze beide reizigers van hunne lange tochten in ’t vaderland terugkwamen. Was het afscheid aandoenlijk geweest, het wederzien was hartelijk en roerend, echter minderdan men, uit hetgeen tot nog toe van de hoofdpersonen dezer geschiedenis verhaald is, zou kunnen opmaken. Er waren jaren verloopen. Joan en Ulrica waren geen kinderen meer: de betrekking, die tusschen hen bestaan had, en die nu ook Ulrica wist dat op een valschen grond gesteund had, was verbroken. Ook de Baron, en dit bemerkte zijn pleegzoon al spoedig, was dezelfde niet meer: hij was nog altijd hartelijk, welmeenend en goed; doch hij had een zekere ongedurigheid, een zekere kregelheid aangenomen, die hem te voren minder eigen was. Hij scheen thans een al te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden te schromen: hij bracht Joan veel op groote partijen, gaf zelf feest op feest en liet Ulrica zoomin mogelijk met haar gewezen broeder alléén. “Bouke!” zeide de jongeling meermalen tegen zijn wapenbroeder: “de oude Heer is niet meer wat hij geweest is. Gij moet hem vooral niet weer verlaten: er zal kunst noodig zijn om hem weer tot de oude bedaardheid en gemakkelijkheid terug te brengen.”
Bouke was ook niet erg tevreden: eensdeels omdat hij zijn Heer zoo veranderd zag sinds hij hem niet meer onder handen gehad had: anderdeels omdat hij zich verveelde, daar de meeste bedieningen, die hij te voren vervulde, op anderen waren overgegaan en ten derde, omdat Teun Wezer, (die nu een post van den Ambtman gekregen had) zijn nicht Klaartje staande zijn afwezigheid getrouwd had. Hij begreep echter, dat Joan gelijk had en, toen deze na verloop van eenigen tijd, weder naar het leger, dat hij slechts als verlofganger verlaten had, terugkeerde, bleef Bouke zijn ouden Heer gezelschap houden.
Wellicht zal de lezer zich te dezer plaatse verwonderen, dat ik, die in de laatste hoofdstukken met een langzamen tred ben voortgegaan, en schijnbaar min belangrijke gebeurtenissen tot in de kleinste bijzonderheden toe verhaald heb, over voorvallen van meer aangelegenheden, als b. v. de vrijage van den Heer Mom en de terugkomst van Joan, zoo los heenloop: ja vreeze ik dat men de woorden, die ik als motto voor dit hoofdstuk gebruikt heb, op mij zal toepassen, en mij teffens de reden van mijn vreemd gedrag te dezen opzichte vragen. Ik zal antwoorden, dat het, in ’t algemeen, niet van een schrijver afhangt lang of kort te zijn naar behooren: dat een schijnbaar min geschikt onderwerp hem een wijdloopige behandeling noodzakelijk maken zal: terwijl hij zich buiten staat zal bevinden, de gewichtigste zaken en de belangrijkste stoffe met gepaste woorden uiteen te zetten en in de noodige orde te verhalen:—terwijl ik tevens zal aanmerken, dat hetgeen ik hier heb overgeslagen, alleen is geschied om niet genoodzaakt te worden van tweemalen hetzelfde te zeggen, vermits het in het vervolg dezer geschiedenis te zijner gelegenheid, nader opgehaald zal worden. Wij zullen dus de jaren, die er verliepen tot aan den tijd, waarop wij den draad van het verhaal weder opvatten, om dien onafgebroken tot aan het slot vast te houden, zonder verdere beschouwing overslaan, alleen verzoekende, dat de lezer, tot beter verstand vanhet vervolg, met ons een oog gelieve te slaan op den staat der Nederlanden, tegen het einde van het twaalfjarig Bestand.
Prins Maurits had, sedert dat de zege der zich rechtzinnig noemende Kerk op de Remonstranten beslist was, het zenith zijner macht en grootheid bereikt. Zijn diepe ervarenis, zijn onverzettelijke vastheid, zijn nooit verkloekt beleid en zijn onvergelijkbare kunde als legerhoofd, hadden hem voorlang de schrik zijner vijanden, de roem der zijnen, het wonder van Europa en de spiegel aller krijgslieden doen worden. Misschien had men hem als staatsman niet minder groot geacht, ware niet Willem de Eerste zijn vader geweest. Dan ondanks de vergelijking, die men zich somtijds gedrongen gevoelde ten voordeele des laatsten te maken, gaf de invloed, welken de aanwassende rijkdom en macht der Vereenigde Gewesten op den politieken toestand van Europa verkregen, aan Maurits eene ruime gelegenheid om te toonen, hoe hoog een rang hij ook ten dezen opzichte bekleedde. En, was tot voor weinige jaren het pad, dat zijn staatkunde hem voorschreef, oneffen gemaakt door de hinderpalen, die hem de bekwame, doch onbuigzame Oldenbarneveldt had in den weg gelegd, de val van dezen en zijn aanhang had den Stadhouder in zijn bestiering over de Zeven Gewesten een bijna onbepaald gezag gelaten. Het behoort niet tot onze taak, over de maatregelen, door hem gebezigd tot bereiking van dat gezag, eenig oordeel te vellen. Wij moeten echter aanmerken, en het zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken, dat de triomfeerende Contra-Remonstranten de terging en onderdrukking, welke zij te voren ondervonden hadden, op een geduchte en zeker weinig Christelijke wijze aan hun tegenpartij betaald zetteden. Door het geheele grondgebied der Nederlanden was al, wat maar Remonstrantsch scheen, aan de hardste en grievendste behandelingen onderworpen. De hoofden der onderliggende partij waren gebannen, gevangengezet of in zware boeten beslagen: de kerkedienaren afgezet en tot armoede gebracht, de leeken uit alle posten en bedieningen gestooten.
Niet vreemd was het dus, dat velen hunner, door deze vervolging verbitterd en in hun begrippen versterkt, zich tegen de in hun oog onrechtmatige overheden niet zelden poogden te verzetten, en alle, ook de minst geoorloofde middelen bij de hand namen om hun verdrukte, doch talrijke medebroeders aan te zetten tot afschudding van het juk der synodale dwingelandij; ja zelfs het goud van Spanje en Frankrijk en de hulp der Roomschgezinden tot schraging hunner oogmerken verzochten.
Het bestand met Spanje stond ondertusschen te eindigen, en, hoe wel die Mogendheid de hoop had verloren, om de Nederlanden te runnen aanvallen op een tijdstip, dat de beide partijen nog even machtig en ongeneigd tot vereeniging waren, bleef zij echter het vuur van tweedracht en muiterij aanstoken en liet zij niet na, al wat bedektelijk Remonstrantschgezind bleef, door beloften en geschenken uit te lokken om zich tegen des Prinsen bestier te verzetten. Gelukkig echter voor Nederland en tot eer der natie waren er slechts weinigen, zelfs onder de verdrukte partij, die aan de uitlokselengehoor verleenden en den naam van landverraders verdienden.
Wij laten na deze korte beschouwing aan den lezer over te beslissen, tot welke klasse de beide nieuwe sprekers behoorden, welke wij met den aanvang van het volgende hoofdstuk ten tooneele voeren.
1Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.
1Doch hoezeer veranderd van hetgeen hij geweest was.
Zestiende Hoofdstuk.Der papen kist is leegh.Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.Vondel.Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.“Ik weet niet,” zeide de een, “of het door de spiegeling der zon in ’t water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen.”Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk in ’t zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van ’t Land tusschen Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.“Het is zeker onaangenaam,” zeide hij, “te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt.”“Kom! kom!” hernam degene die eerst gesproken had: “zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe.”“Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!” zeide Mom.“Neen,” hervatte deze, “maar wat helpt deze, wanneer....”“Zoo meen ik het niet,” viel hem de Ambtman in de rede:—“men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft.””Was zum henker!” riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, “indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging zeide.”“Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander,” zeide deze: “nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik.”“Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een “God loone u” zal zien betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt.”“Dwaas!” zeide Mom: “juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel zet;—echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?”“Gij hebt scherper gezicht dan ik,” antwoordde Botbergen: “mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden te onderkennen.””’t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand een vriend te deren.”“Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,” antwoordde Botbergen, de borst opzettende: “doch ik denk er niet op te antwoorden.”“Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?”“Ja!” zeide Botbergen: “hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel.“Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit,” zeide Mom, oprijzende. “Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten.”“Foei!” zeide Botbergen: “zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren.”“Dat ware het minste,” antwoordde Mom: “doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van.”“Dan zult ge u zeker moeten haasten.”“Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt.”“Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?”“Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn” antwoordde Mom: “hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken.”“Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden.”“De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.—Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, ’t welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven te legateeren.”“Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder één vaandel.”“Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?” zeide Mom, spottende.“Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat blijft onder ons.”“Natuurlijk!” zeide Mom: “ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in ’t aangezicht logenstrafte!.... doch dat isom ’t even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?”“Ongetwijfeld,” antwoordde Botbergen: “en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten.”“Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald....”“Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren,” zeide Botbergen: “een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij.”Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had.“Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?”—was de vraag, welke hem de Ambtman deed.De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.“En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?”De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken.“Zou men niet zeggen,” merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: “dat diezelfde Klaas Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt te worden.”“Dat geloof ik wel,” zeide Botbergen: “daar de Ambtman van Maas en Waal in ’t geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden.”“Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja—op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?”“UEd. wordt al te scherp,” zeide Botbergen: “indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen.”Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijkertoon aan. “Nu, Elbert,” zeide hij: “maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen.”Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.“Is hij van die wij verwachten?” vroeg Mom.“Hij weet het wachtwoord,” antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.“Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen.”De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.“Wat dralen zij nu?” riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. “Elbert! ga eens zien waar zij blijven.”—Botbergen opende de deur.”Pax vobiscum!”1zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad.“Wie duivel?” riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande.“Eilaas! Sint-Jan is dood,” zeide de onbekende, zacht.“Maar alle hoop nog niet ontvlood,” antwoordde Mom op denzelfden toon. “Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?”“Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?” vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.“Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,” antwoordde de Ambtman: “kort en goed, wie zijt gij?”“Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn vertrouweling, zijn biechtheer.”“Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan,” hervatte Mom: “neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?—Meinertz!”“Meinertz is uitgegaan,” zeide de biechtvader: “ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer u inmiddels niet over mij.Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit.”2“Ja maar!” zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: “als nu Preys en Leendertz komen....”“Die zullen vooreerst niet komen,” hernam de geestelijke heer: “die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, ’t welk ik met Zijne Edelheid hebben moet.”Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.“Mij dunkt,” zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: “dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans geen geheimen....”“Maar ik wel,” zeide de onbekende, “ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al,” (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) “ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken.”“Nu ga dan, Botbergen!” zeide Mom, “en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen.”Botbergen gehoorzaamde. “Waar blijft nu,” dacht hij bij zich zelven: “onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van ’t gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen.”“Zal ik,” zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: “thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek verschaffen?”“Mij dunkt,” antwoordde de Monnik: “dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen.”“Ik heb u slechts ééne vraag te doen,” zeide Mom, “brengt gij geld mede?”“De kinderen der Heilige Kerk,” antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, “zijn niet gewoon, zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: “nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris.”3“Dan behoef ik u niet langer aan te hooren,” zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende.“UEd. spot er mede,” hervatte de vreemdeling: “maar....”“Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog,” zeide de Ambtman, willende heengaan.“Sta! gij dwaas!” zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: “gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?”“Dreigt gij mij?” vroeg Mom, toornig: “keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag ouder is.”“Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?” vroeg de Monnik, lachende: “dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?” voegde hij er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.“Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens,” zeide Mom, zich wrevelig nederzettende.“Niet?—En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?—Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op ’t hoofd weder huiswaarts te keeren, of—’t geen nog erger zou wezen—om de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken.”Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege:“Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist—of hoe zal ik het noemen, ’t geen tusschen ons voorviel?—vergeten, en woorden van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?”“Ik ben het niet, die haar verlaat,” antwoordde Mom: “het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?”“Het zal hier geld en ambten regenen,” zeide Eugenio, “als maar eerst de zaak haar beslag heeft.”“Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken,” zeide Mom, met bitterheid: “Is het zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig.”“Daar is misschien wat van aan,” antwoordde de Jezuïet, altijd met dezelfde koelbloedigheid; “doch weet ge wat de voornaamste reden is, waarom men u thans geen geld zendt?—Men vertrouwt u maar half.”Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een oog van verbazing aan: “nu geloof ik, Pater!” zeide hij, “dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt.”“Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen heeft.—Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen.”“En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en voorschotten doe ik niet.”“UEd. heeft volmaakt gelijk,” hernam de zoon van Lojola; “doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?”Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.“Welnu!” zeide de Jezuïet, “dit is meer dan een belofte, nietwaar?”“Het is nog veel minder,” antwoordde Mom, droogjes: “de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen.”“Wapens zullen u overvloedig verschaft worden,” hervatte Eugenio: “daarvoor sta ik u borg.”“Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan,” vervolgde Mom: “want alleen....”“Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En,” voegde hij er zacht en langzaam bij, “Graaf Hendrik Frederik....”“Is toch niet op onze zijde?” vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende.“Dat juist niet,” antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: “maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren.”“Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws,” zeide Mom; “doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder....”“Daarom juist kom ik hier,” hervatte Eugenio: “Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,—ik zal ook in dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen mij voor het einde van ’t Bestand in ’s-Bosch en in ’s-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.—Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan ’t hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven.”Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat, dat het voorstel aan te nemen. “In Gods naam,” zeide hij, hem de hand toereikende: “de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw leiding over.”“Gij doet wel,” zeide Eugenio: “en uw keuze zal u niet berouwen;—intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wieik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van ’s-Hertogenbosch, en....”Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.“Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel,” zeide hij, “die den Heer Mom verlangt te spreken.”“De kamenier van de Freule;” riep Mom verwonderd uit; “en hoe wist zij dat ik hier was?”“Zij wist meer dan dat,” antwoordde Botbergen: “want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest.”“Daar schuilt verraad onder,” riep Mom; “doch wij zullen dadelijk....”“Bedaar!” zeide de Jezuïet, hem terughoudende: “Magdalena is van de onzen!”“Zij van de onzen?” herhaalde de Ambtman, verbaasd: “hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft.” Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan.“Nu, als zij van de onzen is,” hervatte Botbergen: “moet zij dan maar hier komen?”“Ongetwijfeld,” zeide Mom: “zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres.”“Die is althans niet van de onzen,” zeide Elbert, meesmuilende: “als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?” Dit zeggende verliet hij het vertrek.Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijnklantentelde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in ’t bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven.“Goeden morgen, Magdalena!” sprak Mom, zoodra zij binnentrad. “Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw Heer?.... en de Freule?”“Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!” antwoordde de kamenier. “De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen.”“Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartijbehoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En,” vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, “vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen.”“Ik dank u,” zeide de kamenier: “de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder loon.” Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.“Wat schort er aan? wat deert u?” riepen Mom en Botbergen, als uit één mond.“Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?” vroeg Eugenio, vooruittredende.“Neen!” antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: “mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar....”“Een wachtwoord!” viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking stond. “En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?”“Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!” antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: “omdat uw bedoelingen en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets,” vervolgde zij, de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: “waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?” vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.“Magdalena!” zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: “moeten wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet....”“Vaarwel, Pater Eugenio!” herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.“Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp,” zeide Elbert, zooras zij weg was.“Ik sta als versteend,” zeide Mom: “zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?”“Ik heet Van Dyk,” zeide Eugenio koeltjes, “en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen.”“Juist,” zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, “dat zijn twee vreemdelingen, die in denGouden Ooievaarzoostraks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren.”“Alles loopt naar wensch,” hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in ’t oor: “De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder.”“Tot uw dienst Pater.... Van Dyk,” zeide Botbergen en vertrok. “En wat moet er nu gedaan worden?” vroeg Mom, die zich, maar half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.“Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.“Ik heb van hem hooren spreken,” zeide Mom; “maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning zou kunnen hebben.”“Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar,” zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.1Vrede zij met u.2Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden heeft.3Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.
Der papen kist is leegh.Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.Vondel.
Der papen kist is leegh.Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.
Der papen kist is leegh.
Sijn krijgs-volck blijft verswackt: sijn wissel achterweegh.
Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.
Terwijl was Spinola om gelt belaân te hoof:
Hy leende hier op borgh en daar op goet geloof.
Vondel.
Buiten het bevallig gelegen Tiel strekt zich, langs den oever van de sombere Waal, een vroolijk bosschage uit, dat onderscheidene, alle zeer schilderachtige uitzichten oplevert. Het genieten der aangename natuur scheen echter de drijfveer niet te wezen, welke de twee personen, die het bezochten op den fraaien Meiavond, waarmede wij onze geschiedenis hervatten, derwaarts gelokt had. Noch de lentezang van het kwinkeleerend gevogelte, noch het bekoorlijk schouwspel der lieflijk bloeiende boomgaarden, noch zelfs de majestueuze vloed, die zijn wateren voortrolde aan den voet van den zwaren dijk, waarover het boschje zich uitstrekte, schenen hun aandacht bezig te houden. Van de bank, op welke zij onder het lommer eener zware linde gezeten waren, staroogden zij onophoudelijk op een veerschuit, die tegen wind en stroom van de overzijde langzaam aan kwam stevenen.
“Ik weet niet,” zeide de een, “of het door de spiegeling der zon in ’t water komt of door den verren afstand, of dat mijn oogen er schuld aan hebben; maar ik kan nog niemand van de opvarenden herkennen.”
Die deze woorden sprak was een man van middelbare jaren, gezet van gelaat en lichaam, hoog van rug en met grijsachtig haar en baard. Hij droeg een nieuw zijden manteltje over een jachtgewaad, waarvan de oorspronkelijk groene kleur verschoten en de eens gouden passementen zwart geworden waren. Zijn metgezel was kleiner doch netter van postuur en eenvoudig, doch sierlijk in ’t zwart gekleed. Zijn geestige oogopslag, de bevallige en wakkere levendigheid zijner bewegingen, en de zorg, waarmede haar en baard gekamd en gebalsemd waren, gaven hem een nog jeugdig voorkomen; doch eenige rimpels, die zich aan de slapen van het hoofd vertoonden, deden bij den opmerkzamen beschouwer het vermoeden ontstaan, dat de Ambtman van ’t Land tusschen Maas en Waal (deze was het) zijn eerste jeugd had zien voorbijgaan.
“Het is zeker onaangenaam,” zeide hij, “te moeten wachten, wanneer men zooals wij, in pijnlijke onzekerheid den tijd doorbrengt.”
“Kom! kom!” hernam degene die eerst gesproken had: “zoo gij den moed laat zakken, weet ik niet wat UEd. dienstwillige dienaar wel doen zal; want ik ben er toch in allen gevalle de ergste aan toe.”
“Den moed zult gij althans nimmer verliezen, mijn waarde Botbergen!” zeide Mom.
“Neen,” hervatte deze, “maar wat helpt deze, wanneer....”
“Zoo meen ik het niet,” viel hem de Ambtman in de rede:—“men kan niet verliezen wat men nooit gehad heeft.”
”Was zum henker!” riep Botbergen uit, de hand aan het gevest van den degen slaande, “indien een ander dan Jakobus Mom mij zulk een beleediging zeide.”
“Maar gelukkig voor u is het Jakobus Mom en geen ander,” zeide deze: “nu, kijk mij maar zoo grimmig niet aan; gij weet immers, dat uw fratsen bij mij geen opgeld doen. Zeg mij liever eens, waarom gij begrijpt er erger aan toe te zijn dan ik.”
“Ei hoe dom, dat gij dat niet beseft. Jakobus Mom, over Maas en Waal machtig en gezien, en die op trouwen staat met het schoonste en rijkste meisje van den omtrek: die, zoo de aanslag lukt, misschien Stadhouder van de geheele Provincie wordt, en zoo die mislukt, zich wel zal weten te dekken, zou die een ongerustheid kunnen voeden, gelijk aan die van Elbert van Botbergen, die zich in geval van een goeden uitslag, met een schraal ambtje, misschien wel met een “God loone u” zal zien betalen, en zoo de boel in de war loopt, een kop korter gemaakt wordt.”
“Dwaas!” zeide Mom: “juist daarom zou uw lot gunstiger staan dan het mijne, omdat gij niets te verliezen hebt, terwijl ik veel op het spel zet;—echter is het met mijn huwelijk nog lang zoo zeker niet; mijn krediet is sedert eenigen tijd aanmerkelijk gedaald, en zoo er heden geen geld van Grobbendonck komt, laat ik den aanslag varen;.... doch zie eens toe, Elbert! heeft Teun Wezer niet twee vreemde passagiers aan boord?”
“Gij hebt scherper gezicht dan ik,” antwoordde Botbergen: “mijn oog is niet genoeg geoefend om op zulk een afstand inlanders van vreemden te onderkennen.”
”’t Is waar, ik herinner mij gehoord te hebben, dat gij in den krijg nooit een vijand zijt aangevallen, uit vrees van door misverstand een vriend te deren.”
“Gij schijnt er heden smaak in te vinden om mij zotheden te zeggen,” antwoordde Botbergen, de borst opzettende: “doch ik denk er niet op te antwoorden.”
“Niet? Gij waart anders altijd beroemd wegens uw vlugge antwoorden.... met den mond namelijk.... Doch nu herken ik dien éénen passagier: het is Gerard Preys, en die andere is Leendert Leendertz: maar wie is die derde, die naast den veerman zit?”
“Ja!” zeide Botbergen: “hoe wil men een vent herkennen, die een hoed met breede randen draagt en in een mantel gebakerd zit? Kijk, daar staat hij op. Wie duivel mag die lange spergie wezen. Hij lijkt wel den koning uit het kegelspel.
“Wij zullen nu ten minste vernemen hoe de vork in den steel zit,” zeide Mom, oprijzende. “Doch laten wij stadwaarts gaan en de aankomenden verbeiden. Ik weet waarlijk niet, welke tijding ik liever had, dat zij mij aanbrachten.”
“Foei!” zeide Botbergen: “zult ge achteruitkrabben, nu wij zooverre gevorderd zijn? Doch ik gis de reden al: gij zult uw jonge vrouw geen droefheid willen veroorzaken, door den vijand uit te noodigen om uw wittebroodsdagen te helpen vieren.”
“Dat ware het minste,” antwoordde Mom: “doch mijn huwelijk moet voltrokken zijn, eer de vijandelijkheden beginnen; anders komt er, gelijk vanzelf spreekt, niets van.”
“Dan zult ge u zeker moeten haasten.”
“Ja! en het ergste is, dat de Freule, gelijk ik uit alles bespeur, een tegenzin in mij heeft opgevat, waarvan ik de oorzaak niet weet, doch daarin meen te vinden, dat een zekere knaap, een frissche jongen, die met haar is opgevoed, waarschijnlijk het hartje van dat bloemzoete maagdeke met zich genomen heeft naar de Palts, waar hij zich, geloof ik, thans bevindt.”
“Zoo! en hoelang is het wel geleden, dat zij den knaap gezien heeft?”
“Dat zal nu ongeveer twee jaren zijn” antwoordde Mom: “hij is, meen ik, in 19 van hier vertrokken.”
“Zoo! dan vat ik de kneep! en ik geloof inderdaad, dat een vergelijking tusschen een frisschen speelmakker en een deftigen heer als de Ambtman Mom, nooit gunstig uit kan vallen voor den laatste. Doch misschien is het meisje wel van haar liefde te genezen! vooreerst, wij hebben de afwezigheid van den minnaar in ons voordeel, en dat zegt veel: en, dan in de tweede plaats.... hoe heet die knaap? ik zal hem waarschijnlijk wel kennen; want ik heb een blauwen Maandag onder dien Spotkoning Frederik gestreden.”
“De wapens gevoerd, meent gij; want gestreden, dat kan ik van u niet gelooven.—Des jongelings ware naam is mij nog onbekend; want zoo ik wel onderricht ben, is hij van Spaansche afkomst. Doch de Heer van Sonheuvel heeft hem onder den naam van Joan van Craeihorst laten inschrijven op de krijgsrollen, en ik geloof dat zijn oogmerk is, hem dat landgoed, ’t welk onder Sonheuvel ligt, bij zijn afsterven te legateeren.”
“Joan van Craeihorst! o! dien heb ik zeer goed gekend, en waarlijk, dan besef ik uw vrees: want het is een jongen als een kool.... wat opvliegend en driftig; ik heb eens een hevigen twist met hem gehad; want wij dienden onder één vaandel.”
“Zoo! dat zal dan misschien de reden geweest zijn, dat gij zoo spoedig het leger verlaten hebt om uw haardsteden weder op te zoeken?” zeide Mom, spottende.
“Juist! ik had hem gewond, en zoo ik meende doodelijk: en om die reden ontvlood ik de straf, op het tweegevecht gesteld; doch dat blijft onder ons.”
“Natuurlijk!” zeide Mom: “ik zou u zelfs raden het voor u te houden, eer men u in ’t aangezicht logenstrafte!.... doch dat isom ’t even: gij hebt dus nog een oude veete tegen dien Jonker?”
“Ongetwijfeld,” antwoordde Botbergen: “en zoo ik hem kwaad kan doen, zal ik het niet nalaten.”
“Voortreffelijk! dus zoude het voorvalletje, betreffende uw krakeel, behendiglijk en op zijn plaats verhaald....”
“Dat was net wat ik in de tweede plaats wilde aanvoeren,” zeide Botbergen: “een beetje kwaadsprekendheid en de belasterde wijd van hier.... daarmede komen wij ver, geloof dat vrij.”
Onder dit gesprek hadden zij het boschje verlaten en waren, binnen de stad, aan de deur eener burgerwoning gekomen, van welke zij het woonhuis binnentraden. In den winkel bevond zich een bejaard man, met een klein knipbrilletje op de punt van den neus, een grijze kalot op het hoofd, een stemmig gelaat en een bijbeltje naast hem. Deze man was een schrijnwerker, gelijk de meubelen, die hem omringden, aanduidden. Hij was bezig met het afschaven van een kabinet, welke bezigheid hij verlichtte door met een holle stem psalmen te zingen. Toen de beide heeren binnenkwamen, lichtte hij den bril af, zag hen even aan, zonder zijn werk noch zijn gezang te staken, en wendde terstond weder zijn oogen op de nooteboom-houten plank, die hij voor zich had.
“Is de achterkamer ledig, Klaas Meinertz?”—was de vraag, welke hem de Ambtman deed.
De oude man knikte toestemmend, zonder op te zien.
“En heeft men u gewaarschuwd, dat ik eenige kennissen spreken moet? En weet ge het woord?”
De schrijnwerker beantwoordde deze vragen op dezelfde wijze, zonder zijn arbeid te staken.
“Zou men niet zeggen,” merkte Mom aan, zooras hij zich in het achterkamertje met Botbergen alleen bevond: “dat diezelfde Klaas Meinertz de botste, eenvoudigste ezel ware, dien men ooit gezien had? En echter is er misschien niemand, die er zich beter op verstaat een komplot aan den gang te houden. Het is nu zestien jaren dat hij de Spanjaards als spion dient, en altijd ongemoeid en zonder ontdekt te worden.”
“Dat geloof ik wel,” zeide Botbergen: “daar de Ambtman van Maas en Waal in ’t geheim was, die hem ongestoord zijn weggetje gaan liet. Doch men zal op dien Meinertz een wakend oog dienen te houden: hij dient de Spaansche zijde, ja; doch alleen voor geld: en voor geld zou hij die even gereedelijk verraden.”
“Men moet op hem evengoed letten als op Teun Wezer, op Daen Duyfs, op Eyndhouts, ja—op u zelven, Elbert! Is niet die verbetering uwer middelen het eenige doel, waarom gij den Staatschen afbreuk doen wilt?”
“UEd. wordt al te scherp,” zeide Botbergen: “indien, hetgeen gij zegt, waar is, mocht gij wat meer zorg dragen, iemand, die, zooals ik, u om hals kan brengen, door dergelijke aanmerkingen niet te kwetsen.”
Mom gevoelde de kracht van dit argument, en ten einde zijn vorige uitvallen weder goed te maken, nam hij een vriendelijkertoon aan. “Nu, Elbert,” zeide hij: “maak u niet boos. Wij hebben elkaar niet veel te verwijten. Ik zelf, ik wil u gaarne bekennen, dat ik, zoo er kans voor mij overbleef om mijn verwarde fortuin in den dienst mijns vaderlands weder goed te maken, geen Spanjaards zou inroepen.”
Nauwelijks had hij deze woorden geëindigd, of de schrijnwerker trad binnen en gaf op zijn gewone geheimzinnige wijze te kennen, dat er iemand aan de deur was, die Zijn Edelheid wenschte te spreken.
“Is hij van die wij verwachten?” vroeg Mom.
“Hij weet het wachtwoord,” antwoordde Meinertz, de schouders ophalende.
“Dan zal het Preys wezen of Leendertz. Laat maar binnenkomen.”
De grijsaard vertrok: doch scheen niet terug te komen.
“Wat dralen zij nu?” riep Mom, ongeduldig het vertrek op en neder gaande. “Elbert! ga eens zien waar zij blijven.”—Botbergen opende de deur.
”Pax vobiscum!”1zeide een lange zwarte gedaante, die juist binnentrad.
“Wie duivel?” riepen de beide edellieden, verbaasd terugtredende en de hand aan hun degens slaande.
“Eilaas! Sint-Jan is dood,” zeide de onbekende, zacht.
“Maar alle hoop nog niet ontvlood,” antwoordde Mom op denzelfden toon. “Dat is nu volkomen goed en wel; maar met wien spreken wij?”
“Heb ik de eer den aanstaanden Stedehouder van Gelderland voor mij te zien?” vroeg de vreemdeling, met eene nederige buiging.
“Dat zal veel afhangen van de tijdingen, welke ik heden ontvang,” antwoordde de Ambtman: “kort en goed, wie zijt gij?”
“Zijne Hoogheid de Prins Kardinaal zendt mij tot UEdele, om over belangrijke onderwerpen met UEdele te spreken. Ik ben zijn vertrouweling, zijn biechtheer.”
“Zijn Hoogheid doet ons veel eer aan,” hervatte Mom: “neem plaats, eerwaarde Pater, UEd. zal hoogstwaarschijnlijk vermoeid wezen van de reis. Waarmede kan men u gerieven?—Meinertz!”
“Meinertz is uitgegaan,” zeide de biechtvader: “ik heb hem eenige boodschappen gegeven; doch hij zal zoo straks terugkomen. Bekommer u inmiddels niet over mij.Panis meus est ut faciam voluntatem eius qui me misit.”2
“Ja maar!” zeide Mom, zich eenigszins verwonderd tot Botbergen wendende: “als nu Preys en Leendertz komen....”
“Die zullen vooreerst niet komen,” hernam de geestelijke heer: “die heb ik ook van de hand gezonden; Mijnheer van Botbergen zal wel zoo goed zijn, beneden in het voorhuis te gaan zorgen, dat niemand het gesprek kome storen, ’t welk ik met Zijne Edelheid hebben moet.”
Verwonderd over den meesterachtigen toon, dien de vreemdeling zich aanmatigde, zagen Botbergen en de Ambtman elkander besluiteloos aan.
“Mij dunkt,” zeide de laatste, na eenig stilzwijgen: “dat de Heer van Botbergen wel hier zou kunnen blijven. Voor hem heb ik althans geen geheimen....”
“Maar ik wel,” zeide de onbekende, “ik vertrouw nooit iemand, dan dengene, wien ik door de omstandigheden genoodzaakt ben, dat vertrouwen te moeten schenken; en, zoo ik de moeite neem, van Brussel te komen om den Heer Mom alleen te spreken, dan kan deze, dunkt mij, de moeite op zich nemen van te zorgen, dat ons gesprek ongestoord blijve. Met dit al,” (voegde hij er bij, daar Elbert nogal staan bleef) “ik kan den Heer van Botbergen beloven, dat zoo mijn onderhandeling met den Heer Mom naar wensch uitvalt, wij den uitslag onzer beraadslagingen aan hem, zoowel als aan al de vrome dienaars zijner Katholieke Majesteit, die zich hier bevinden, zoo spoedig mogelijk zullen bekend maken.”
“Nu ga dan, Botbergen!” zeide Mom, “en laat mij met den Eerwaarden Pater alleen.”
Botbergen gehoorzaamde. “Waar blijft nu,” dacht hij bij zich zelven: “onze arme Ambtman? Hij dacht eerst de beleider van ’t gansche spel te wezen, en daar komt een Spaansche Monnik aanwaaien, die ons allen naar zijn pijpen zal laten dansen.”
“Zal ik,” zeide Mom, zoodra zijn handlanger het vertrek verlaten had: “thans de redenen vernemen, Pater! welke mij de eer van uw bezoek verschaffen?”
“Mij dunkt,” antwoordde de Monnik: “dat die nogal licht te raden zijn. UEd. zond Preys en Leendertz aan Grobbendonck: deze, geen volmacht hebbende om met hen te handelen, verwees hen tot den Aartshertog: en daar Zijne Hoogheid zich zeer ongesteld gevoelde, werd ik gelast, uw zendelingen te onderhouden. Uit hetgeen ik van hen vernam, begreep ik, dat het voor de belangen van de goede zaak, zoowel als voor de uwe, noodzakelijk was, dat ik zelf mij herwaarts begave: en daarom ziet gij mij hier, gereed al uw bedenkingen of zwarigheden op te lossen.”
“Ik heb u slechts ééne vraag te doen,” zeide Mom, “brengt gij geld mede?”
“De kinderen der Heilige Kerk,” antwoordde de biechtvader, zijn armen deemoedig over de borst kruisende, “zijn niet gewoon, zich met de schatten dezer wereld te beladen, gedachtig aan het voorschrift: “nolite possidere aurum neque argentum neque pecuniam in zonis vestris.”3
“Dan behoef ik u niet langer aan te hooren,” zeide Mom, hem in drift den rug toekeerende.
“UEd. spot er mede,” hervatte de vreemdeling: “maar....”
“Vaarwel Pater! Goede reis naar Brussel! en mijn gebiedenis aan den Aartshertog,” zeide de Ambtman, willende heengaan.
“Sta! gij dwaas!” zeide de Pater, hem met een forsche vuist terughoudende: “gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben. Welke andere keus is u gelaten, dan die tusschen het Stedehouderschap in Gelderland en een schavot in Den Haag?”
“Dreigt gij mij?” vroeg Mom, toornig: “keer tot hem, die u afzond, of ik laat u als een staatsvijand opknoopen, eer het jaar een dag ouder is.”
“Gaat dat hier zoo vlug in zijn werk?” vroeg de Monnik, lachende: “dan beschaamt men waarlijk de vierschaar der Heilige Inquisitie. Kom, kom, Heer Ambtman! tot zulke uitersten zal UEd. niet komen: er wordt immers maar één woord van mij vereischt, en gij komt met mij op de gerichtsplaats: wel is waar, ik word opgehangen, en UEd. onthoofd: dat is niet meer dan billijk en een privilege, dat u rechtmatig toekomt. En wat zal uw aanstaande bruid dan wel zeggen?” voegde hij er bij, hem met een doordringenden, scherpen blik aanziende.
“Er zijn geen bewijzen voorhanden van mijn voornemens,” zeide Mom, zich wrevelig nederzettende.
“Niet?—En uw briefwisseling met Grobbendonck en Ludwig, welke gedurende zoovele jaren volgehouden werd en waarvan ik al de materialen kan aanwijzen. En de bekentenissen, welke de vrome Klaas Meinertz en de eerlijke Teun Wezer en de achtenswaardige Elbert van Botbergen en zooveel anderen meer, wanneer zulks door mij gerequireerd mocht worden, buiten pijn en banden zouden afleggen? Telt gij die voor niets?—Al ware het alleen het onderhoud, dat gij op dit oogenblik met mij voert, en wel in een plaats, waar gij zelfs de gevaren niet van kent. Uw lot is in mijn handen, edele Heer, en Pater Eugenio, van de Orde Jesu, komt niet geheel uit Brussel herwaarts, om met de kous op ’t hoofd weder huiswaarts te keeren, of—’t geen nog erger zou wezen—om de markt van Tiel uit de hoogte te bekijken.”
Deze woorden sprak de Jezuïet, wien mijn lezers reeds voorlang herkend zullen hebben, op een langzamen, vasten toon, van tijd tot tijd ophoudende en den edelman met een snellen blik aanziende, om gade te slaan, welken indruk zijn redeneering op hem teweegbracht. De Ambtman scheen door de meerdere zielskracht van den afgezondene geheel verplet; zonder antwoord te geven bleef hij zitten en keek ontevreden voor zich. De Jezuïet nam plaats aan zijn zijde, greep op een vriendelijke wijze zijn hand, welke Mom noch gaf noch terugtrok, en vervolgde in voege:
“Kom, edele Heer! wees goedsmoeds! ik zie u nog liever verstoord en opvliegend, gelijk zooeven, dan bedrukt en uit het veld geslagen, zooals thans. Laten wij een dwazen twist—of hoe zal ik het noemen, ’t geen tusschen ons voorviel?—vergeten, en woorden van gezonden zin tot elkander spreken. Zoude UEd., na zoolang voor Zijn Hoogloffelijke Katholieke Majesteit geijverd te hebben, de goede zaak, zonder eenige billijke reden, op eenmaal verlaten?”
“Ik ben het niet, die haar verlaat,” antwoordde Mom: “het zijn de Aartshertog en Spinola, die mij laten zitten. Wat kan ik, al wilde ik ook, zonder geld, ten dienste Zijner Majesteit uitrichten?”
“Het zal hier geld en ambten regenen,” zeide Eugenio, “als maar eerst de zaak haar beslag heeft.”
“Ja, als wij het eerst aan Spanje brengen, zal Spanje er ons naderhand mede beschenken,” zeide Mom, met bitterheid: “Is het zoo niet? Ik weet den toestand, waarin gij verkeert: uw krijgskas is uitgeput, Spinola berooid en de geestelijke orden zijn, zooals altijd, niet scheutig.”
“Daar is misschien wat van aan,” antwoordde de Jezuïet, altijd met dezelfde koelbloedigheid; “doch weet ge wat de voornaamste reden is, waarom men u thans geen geld zendt?—Men vertrouwt u maar half.”
Mom schoof zijn stoel een eind achteruit en zag den Jezuïet met een oog van verbazing aan: “nu geloof ik, Pater!” zeide hij, “dat gij voor de eerste maal in uw leven oprecht zijt.”
“Dat ben ik, want, gelijk de waardige Fonseca zeer juist aanmerkt: men moet altijd oprecht zijn wanneer men geen belang bij een logen heeft.—Zooals ik zeide, Don Ambrosio Spinola en Don Louis de Velasco, twee ruwe en ronde krijgslieden, die van al wat de staatkunde betreft hoegenaamd geen verstand hebben, mistrouwen u en denken, dat gij, omdat gij de Staatschen misleidt, ook de Spaanschen zoudt kunnen misleiden. Eenvoudiglijk daarom wil men u geen geld sturen.”
“En daarom eenvoudiglijk wil ik u ook niet helpen! Ik herhaal het: zonder geld kan ik de eedgenooten niet tevreden stellen.... en voorschotten doe ik niet.”
“UEd. heeft volmaakt gelijk,” hernam de zoon van Lojola; “doch van wat anders gesproken: mag ik UEd. dit geschrift ter hand stellen?”
Bij het uiten dezer woorden haalde hij een perkament uit zijn boezem en bood het den Ambtman aan, die het met een koele onverschilligheid opende en doorlas. Het behelsde een aanstelling van Jacobus Mom enz. tot Stedehouder van Gelderland in naam des Aartshertogen, en was door Albertus onderteekend en met diens zegel bekrachtigd.
“Welnu!” zeide de Jezuïet, “dit is meer dan een belofte, nietwaar?”
“Het is nog veel minder,” antwoordde Mom, droogjes: “de Aartshertog verdeelt de berenhuid, voordat de beer dood is; hij wil niet eens geld verschaffen tot den aankoop van wapens om het beest te vellen.”
“Wapens zullen u overvloedig verschaft worden,” hervatte Eugenio: “daarvoor sta ik u borg.”
“Maar bekwame medehelpers, waar ik op rekenen kan,” vervolgde Mom: “want alleen....”
“Preys, Leendertz en Eyndhouts zijn door aanzienlijke toezeggingen van geld en ambten bereid alles voor de goede zaak te wagen. Botbergen hangt slechts van u af. Slatius, Groenhovius en hun Arminianen zijn, uit wraakzucht en haat alleen, volkomen bereid zich bij ons te voegen. De wederdoopers, die niet vechten mogen, hebben ons van geldelijken onderstand verzekerd. De Kornetten van Grobbendonck hebben last gekregen, om, dadelijk bij het einde van het Bestand, vaardig te wezen tot de ondersteuning uwer pogingen. En,” voegde hij er zacht en langzaam bij, “Graaf Hendrik Frederik....”
“Is toch niet op onze zijde?” vroeg de Ambtman, hem haastig in de rede vallende.
“Dat juist niet,” antwoordde Eugenio met een spotachtigen glimlach: “maar hij werkt ons volkomen in de hand. Door de gunst, welke hij tot nog toe aan de verdrukte Remonstranten betoond heeft, door de verkeerde wijze, waarop Ludwig, die hem met open oogen bedriegt, hem de zaken beschouwen laat, door de verwijdering, die tusschen hem en zijn broeder ontstaan is, zijn de oogen van alle misnoegden in Holland op hem gevestigd. Maurits is van dit laatste bewust: en het oogenblik is daar, dat broedertwist en binnenlandsche tweespalt, de ontwerpen van Spanje in de hand werkende, ons in staat zullen stellen over al de nog overig zijnde zwarigheden te zegevieren.”
“Gij leert mij veel en merkwaardig nieuws,” zeide Mom; “doch gij neemt mijn voorname zwarigheid niet volkomen weg. Hoe kan ik hier mijn plannen tot rijpheid brengen, zonder....”
“Daarom juist kom ik hier,” hervatte Eugenio: “Ik, die vijf en twintig jaren lang geen moeite, geen opofferingen heb ontzien, om het heerlijk doel te bevorderen, dat ik eenmaal zwoer te zullen bereiken: ik, die gedurende al dien tijd, met raad en daad, met pen en zwaard, met goud en list, de goede zaak heb gediend: ik, die al de hier ontbrande twisten heb gesticht, onderhouden of aangeblazen: ik, zonder wien geen samenzweringen, aanslagen noch eedverbonden zijn uitgedacht, verlevendigd of voortgezet: ik, die den arm wapende van Panne en Micault, die den Graaf van Falckestein en zijn beide kinderen om hals liet brengen, die Ludwig, ten dienste van Spanje, in alle staatsgeheimen dringen deed, die waardgelders, predikanten en aristocraten tot muiterij en tweedracht aanzette, die, in één woord alles aanwendde, om dit land het onderstboven te keeren,—ik zal ook in dit geval het door u zoo heerlijk aangegeven ontwerp besturen en tot rijpheid brengen. Nog dezen nacht (want andere bezigheden vereischen mij voor het einde van ’t Bestand in ’s-Bosch en in ’s-Hage), nog dezen nacht zal een aanzienlijk getal eedgenooten, door mij intijds verwittigd en bijeengeroepen, in dit huis vergaderen. Hier zult gij Spaanschgezinden, Roomschen, Arminianen, Menisten, ja orthodoxe Protestanten bijeen zien. De middelen zullen hier beraamd worden om tot ons doel te geraken: en van de uitvoering zal ik al de moeite, gij al de eer hebben.—Ik heb gezegd! en thans staat het aan u te beoordeelen, of gij u aan ’t hoofd dier schaar plaatsen wilt, dan of gij hen allen, maar ook u zelven nevens hen, aan het zwaard des beuls ter prooi wilt geven.”
Meer overreed dan overtuigd door de woorden van den Jezuïet, begreep de Ambtman niettemin, dat er wel niets anders voor hem opzat, dat het voorstel aan te nemen. “In Gods naam,” zeide hij, hem de hand toereikende: “de teerling is geworpen, en ik geef mij aan uw leiding over.”
“Gij doet wel,” zeide Eugenio: “en uw keuze zal u niet berouwen;—intusschen, wat ik vooreerst van u te vragen heb, is dat gij ons gesprek geheim houdt: alleen Preys en Leendertz, met wieik herwaarts gekomen ben, benevens Botbergen, kennen mijn betrekkingen: ook Klaas Meinertz: doch die is een oude kennis en het kanaal, waardoor ik altijd kondschap ontving; voor de overigen ben ik Van Dijk, inwoner van ’s-Hertogenbosch, en....”
Op dit oogenblik stoof Botbergen de kamer in.
“Daar is de kamenier van de Freule van Sonheuvel,” zeide hij, “die den Heer Mom verlangt te spreken.”
“De kamenier van de Freule;” riep Mom verwonderd uit; “en hoe wist zij dat ik hier was?”
“Zij wist meer dan dat,” antwoordde Botbergen: “want toen ik haar vroeg, wat zij hier deed, antwoordde zij: de wind loopt zuidwest.”
“Daar schuilt verraad onder,” riep Mom; “doch wij zullen dadelijk....”
“Bedaar!” zeide de Jezuïet, hem terughoudende: “Magdalena is van de onzen!”
“Zij van de onzen?” herhaalde de Ambtman, verbaasd: “hoe langer hoe vreemder! Ik bemerk wel, dat ik, schoon de hoofdaanlegger, niet meer doe dan de kaarten te geven, die een ander geschud heeft.” Hier zag hij Eugenio veelbeduidend aan.
“Nu, als zij van de onzen is,” hervatte Botbergen: “moet zij dan maar hier komen?”
“Ongetwijfeld,” zeide Mom: “zij heeft misschien een boodschap van haar meesteres.”
“Die is althans niet van de onzen,” zeide Elbert, meesmuilende: “als zij maar de uwe wordt, dan zult gij wel tevreden zijn?” Dit zeggende verliet hij het vertrek.
Hij keerde na eenige oogenblikken terug met de kamenier der Freule van Sonheuvel, een rijzige, deftig doch eenvoudig gekleede vrouw, wier gelaat, hoe vervallen ook, bewees, dat zij in haar jeugd ongemeen bevallig geweest moest zijn. Sedert de gebreken van een vergevorderden leeftijd de oude Geertrui beletteden, haar bediening op het slot langer waar te nemen, was Magdalena, door de voorspraak van Klaas Meinertz, die den Baron van Sonheuvel onder zijnklantentelde, haar plaats op het slot komen vervullen en had zij zich, door haar bekwaamheid in ’t bestieren van de huishouding en door haar geschikt en ordelijk gedrag, de achting van den Baron en het vertrouwen zijner dochter weten te verwerven.
“Goeden morgen, Magdalena!” sprak Mom, zoodra zij binnentrad. “Gij brengt, hoop ik, goede tijding. Is alles wel op het slot? uw Heer?.... en de Freule?”
“Beiden zijn in goeden welstand, mijnheer!” antwoordde de kamenier. “De Freule heeft mij verlof gegeven om mijn oom Klaas Meinertz te komen bezoeken, daar de hovenier juist naar Tiel moest om gereedschappen te koopen: en de Heer Baron gelastte mij eens naar den welstand Uwer Edelheid te gaan vernemen en meteen te vragen of UEd. ook genegen zijt, morgen na den middag op het slot te komen. Er zal een groote kegelpartij wezen.”
“Mijn onderdanige groete aan den waarden Heer Baron, en wees zoo goed aan ZEd. te zeggen, dat er op Sonheuvel geen kegelpartijbehoeft te wezen, om mij daarheen te lokken. En,” vervolgde hij, haar een stuk goud aanbiedende, “vergeet ook vooral niet, lieve Magdalena! mij in de gunst uwer engelachtige meesteresse aan te bevelen.”
“Ik dank u,” zeide de kamenier: “de Baron van Sonheuvel alleen heeft het recht, mijn diensten te betalen: aan anderen bewijs ik die zonder loon.” Dit zeggende wees zij het geld met een trotsche wending af, doch op datzelfde oogenblik ontdekte zij den Jezuïet, die zich bij haar komst achterwaarts begeven had, en gaf een gil.
“Wat schort er aan? wat deert u?” riepen Mom en Botbergen, als uit één mond.
“Gij waart misschien niet van mijn tegenwoordigheid in deze woning verwittigd?” vroeg Eugenio, vooruittredende.
“Neen!” antwoordde Magdalena, met een onzekere stem: “mijn oom, wien ik op straat ontmoette, had mij alleen gezegd, dat ik den Heer Mom hier zou vinden en mij het wachtwoord gegeven, maar....”
“Een wachtwoord!” viel de Ambtman in, die toch nieuwsgierig was, in hoeverre de kamenier van Ulrica tot het eedgespan in betrekking stond. “En hoe kondt gij op de gedachte komen, dat er een wachtwoord noodig ware, om mij te spreken?”
“Omdat ik u ken, Stedehouder van Gelderland!” antwoordde Magdalena, het hoofd met fierheid oprichtende: “omdat uw bedoelingen en aanslagen mij bekend zijn, en omdat ik overtuigd ben, dat de eerwaarde Pater Eugenio zich aan geen gevaren zou blootstellen zonder de noodige voorzorgen te hebben genomen. Vrees intusschen van mij niets,” vervolgde zij, de hand aan den van verbazing sprakeloozen Ambtman toereikende: “waar ik kan en vermag, zal ik u tot een vriendin en helpster verstrekken, en u allen, die voor onze Heilige Moederkerk goed en bloed in de waagschaal stellen. Ik groet u, Mijneheeren! en u ook, Pater! gij hebt mij waarschijnlijk geen bevelen te geven?” vroeg zij, dezen laatste met een trotschen, eenigszins verachtelijken blik aanziende.
“Magdalena!” zeide de Jezuïet, terwijl een waas van weemoed of aandoening zijn gestrenge, gele gelaatstrekken overdekte: “moeten wij, na een afwezigheid van vijf en twintig jaren...., doch, gij hebt gelijk, het is hier de geschikte plaats niet....”
“Vaarwel, Pater Eugenio!” herhaalde Magdalena en verliet het vertrek.
“Joost haal mij, zoo ik er iets van begrijp,” zeide Elbert, zooras zij weg was.
“Ik sta als versteend,” zeide Mom: “zult gij ons ook van dit raadsel de oplossing verkiezen te geven, Pater?”
“Ik heet Van Dyk,” zeide Eugenio koeltjes, “en ben een verjaagde Remonstrant, die in Den Bosch woont; want, zoo mijn gezicht mij niet bedriegt, zie ik aan het eind der straat Klaas Meinertz met twee Arminianen komen.”
“Juist,” zeide Botbergen, zich naast hem aan het raam begevende, “dat zijn twee vreemdelingen, die in denGouden Ooievaarzoostraks zijn gekomen, maar ik wist niet, dat het Arminianen waren.”
“Alles loopt naar wensch,” hervatte de Jezuïet, en, Elbert zachtjes naar zich toetrekkende, fluisterde hij hem in ’t oor: “De Aartshertog heeft u een compagnie toegezegd en tweehonderd guldens tot een geschenk;.... maar blijf u thans maar beneden ophouden en zorg dat Preys en Leendertz ons niet komen storen, terwijl wij met dit paar ketters bezig zijn. Klaas Meindertz zal u wel wat Rijnschen wijn schenken. De man heeft een goeden kelder.”
“Tot uw dienst Pater.... Van Dyk,” zeide Botbergen en vertrok. “En wat moet er nu gedaan worden?” vroeg Mom, die zich, maar half tevreden en met blijkbare ongerustheid, in een stoel had nedergeworpen.
“Laat mij maar begaan, Heer Stedehouder! en bevestig mijn gezegden. Wij moeten thans twee hoofden der misnoegden tot onze zijde overhalen. Een hunner zult gij, bij name althans, kennen. Hij is de zoon van den Predikant te Sonheuvel.... Hendrik Raesfelt.
“Ik heb van hem hooren spreken,” zeide Mom; “maar zorg toch, mij niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, welke eene herkenning zou kunnen hebben.”
“Hier zijn de twee heeren uit den Gouden Ooievaar,” zeide Klaas Meinertz, zijn neus door de even geopende deur stekende.
1Vrede zij met u.2Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden heeft.3Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.
1Vrede zij met u.
2Mijn brood is dat ik doe den wille desgenen, die mij gezonden heeft.
3Draagt geen goud, noch zilver, noch geld in uw gordels.