Zeventiende Hoofdstuk.Maar gij, die hier het woord voert in ’t gezantschap,Wie zijt ge?Bilderdijk, Floris de Vijfde.De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar dan den zedenpreker. Of de waard in denGouden Ooievaarhem bij deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: zeker is het,dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen kende hij Eugenio) voorstelde: “Eruditissime vir! DominéVan Dyk,vel melius Ab Aggere!Ik ben uw onderdanige Dienaar,humillimus servus!Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden....virum juvenem egregium, magno ingenio vel magni ingenii, want beide zegt men,teste Gerardo Joanne, viro celeberrimo.... een voortreffelijk jong mensch, den Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam,sednominumvana curiositas.—Sufficiat, dat hij de feniks van alle reisgezellen is,nec minus bonus potator.... he! he! kastelein! een glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in.”Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een wijdopgesparden mond aan.“Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?” vroeg Mom halfluid aan Eugenio.“Hem laten slapen tot hij nuchter wordt,” antwoordde deze op denzelfden toon: “hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al verspreekt hij zich.”“Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept geweest?” vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende, die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.“Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en heeft niet losgelaten, of ik moest nog in denGouden Ooievaareen tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben.”“Dat is te zeggen,” zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: “op mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien.”“Met uw verlof,” hernam de jongeling: “hedenavond was het mijn voornemen, om....”“Tot straks,” hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze metde hand groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: “ik ga naar Preys en Leendertz,” zeide hij: “gij zult het noodige met deze Heeren wel afhandelen.”—Dit gezegd hebbende vertrok hij.“Maar!” vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende “ik moet hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben kan, mij hier op te houden.”“Hoe!” vroeg de Jezuïet: “vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde.”“Dat kan hij ook niet,” hernam de reiziger: “dat verbieden de omstandigheden.”“Zeer natuurlijk!” merkte Eugenio aan: “wanneer men geheel andere grondbeginselen heeft:—daarenboven, wat zegt de Schrift:si quis non odit....”1“Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?” vroeg Groenhof uit de sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.“Ik!” antwoordde Eugenio bedaard: “gij weet, ik ben een Bosschenaar, en daar hoort men zelden anders als uit deVulgatapraten:—daar is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie te houden.—Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien....”“Ik?” riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden Bosschenaar met verwondering had aangehoord: “en voor wien ziet UEd. mij aan?”“Zoo!” zeide Groenhof: “is mijn jonge reismakker ook een Nazireër!encollega? waarlijkvaldegaudeo, een geleerde, een broeder, een medeverdrukte, een medearbeider in ’s Heeren wijngaard in hem te ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij eenmiles gloriosus, de quo Plautus, dan eenmiles Christianus, de quo Paulus habet, ware.”“Wat collega! wat verdrukte!” riep de vreemdeling uit, terwijl hij rood werd van drift:“ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.—Hoe is het? een misverstand? of scheren wij elkaar?”“Ik prijs de achterhoudendheid,” zeide Eugenio: “doch hier is zij althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak, de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige geschonken werd.”“Ik u vertrouwen geschonken?” vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer verwonderd: “en door wien dan ben ik hier ontboden?”“Door wien?—Door mij, door Van Dyk,” antwoordde Eugenio: “ik ben degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote en godzalige voornemen, waartoe wij....”“Ik ben te Mulheim niet geweest,” viel hem de jongeling in: “ik heb geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest.”Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan ’t gevest van zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: “zoo, is UEd. dan niet de persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?”“Hendrik Raesfelt?—neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van Hendrik Raesfelt?” vroeg de jongeling met levendige deelneming.“Niets! UEd. schijnt hem te kennen?” hernam Eugenio, volgens zijn gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.“Of ik hem ken?—Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel belang in hem gesteld.”“Zoo!—Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat er maatregelen worden in ’t werk gesteld om de gebannen predikanten, die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen: hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar UEd. die persoon niet zijt....”“Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?” viel de reiziger in: “ik moet u echter bekennen,” vervolgde hij, “dat, bijaldien de tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn.”“Gij ons verlaten!” riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. “Wilt gij mij verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten de groote dingen, die er geschieden zullen.Manendum est et fortiter pugnandum!”2“Stil!” zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den jongeling zou bekend maken: “stil Dominee! het is noodeloos hierover met dien heer te spreken.”“Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot,” zeide Groenhof, die, zonder acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen vreemdeling bij de hand bleef houden: “ja, mijn broeder! hij zal vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten....”“Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?” vroeg Eugenio aan den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.“Het is alles gereed,omnia parata sunt,”3vervolgde de Predikant: “de dwingeland kan den strik niet ontkomen.”“Van welken dwingeland spreekt gij toch?” vroeg de onbekende, haastig.Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.“Het is te laat!” zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe.“Om ’s Hemels naam, wien bedoelt gij?” herhaalde de vreemdeling, zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan.“Wien ik bedoel?” herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had: “ik bedoel den Koning van Spanje,Hispanarum regem, inimicum nostrum communem.”4“Zoo!” zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid schuddende: “doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man noemen, die ons hier ontvangen heeft?—hij zou mij uitbrengen, en hij verlaat ons.”“Hij zal wel zoo terugkomen,” zeide Groenhof, die inmiddels weder was gaan zitten. “Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de poort uit te komen.”“Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, wat hierop volgen zal,” zeide zijn makker, zich verdrietig in een stoel werpende.Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven hem hartelijk te vervelen. “’t Is recht vermakelijk om hier voor gek te blijven zitten,” riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en zijn stoel van zich afstootte: “en wat het fraaist is,” mompelde hij er op zachteren toon bij: “alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn geleide naar Tiel te reizen? mijn oudevriend zou zeggen: met wie je verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!”“Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg,” zeide Groenhof, ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: “en de kastelein of de baas van ’t huis, wie hij wezen moog’, schijnt het zoopje ook te vergeten, dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast.”“Maar ik wel,” viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: “en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien, of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen.”Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte, de deur met geweld open te breken.“Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!” zeide hij: “men zal wel dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote besognes.Paululum exspecta.5”’t Is een verbruid werk,” riep de jongeling, “ik zit hier als een muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien, zoo sprong ik het venster uit.” Dit zeggende keerde hij zich om, met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik open te maken. “Aha!” zeide hij, “die gelegenheid had ik nog niet opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen.”“Ja! naar den een of anderen wijnkelder,” zeide Groenhof.“Zoo dat het geval is,” hernam de vreemdeling, “zult gij er mij zonder weerzin volgen willen.””Bone Deus!wat doet gij!” vroeg de Predikant, ziende dat hij het valluik, ’t welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.“Ik baan mij een doortocht,” antwoordde zijn makker: “ik heb altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u genegen mij te volgen, ’t is mij wel: ik ga u voor.” Dit zeggende, klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.“Ik moet toch zien, waar die vent belandt.” dacht Groenhof: “hij mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte.” Met dit oogmerk volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, ’t welk op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong, veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld.“Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn,” merkte de jongeling aan.“De Hemel zij ons genadig!” zeide Groenhof: “zouden wij dan niet liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang.”“Dat zegt gij,” hervatte de andere gevangene: “doch ik stel vast dat er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten: die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten.” Dit zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening, met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven, zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.“Goddank!” zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het gat kijkende: “hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen wij wel ergens te land komen.””An stultus es?”6vroeg de Predikant, toen ook hij de hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. “Het is mehercule! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen.”“Zooals gij wilt,” hernam zijn reisgezel: “ik waag den sprong!” en meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling, was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te vorenbevondenhad, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en geroep van “waar steekt de guit? waar zit de spion?” ontdekte, dat verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden.“Dominee!” zeide hij met een gesmoorde stem; “maak dat onderste plankje los.”“Ik bedank u,” zeide Groenhof: “hier!” vervolgde hij, zijn stem verheffende tot die, welke boven waren: “hier moet gij wezen.”“Schurk!” riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende terugstoof.De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte, dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die hij in dit oogenblik van benauwdheid in ’t werk stelde, gelukte het den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere de scheede weder vasthechtte.—Aan het einde van de gang gekomen, sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar ’t scheen, tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk, welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, deels inwereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling, werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, op een vriendelijken toon, aansprak:“Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte komst?”“Verschoon mij,” antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen zijn geweer opstekende: “ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op straat bracht.”De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.“Het komt mij vreemd voor,” zeide de voorzitter, “dat gij, alleen omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman hier binnen komt stuiven,”“Ik beken,” was het antwoord, “dat de schijn tegen mij is; doch openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan denGouden Ooievaarstapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie, al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf: laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt.”Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was blijven zitten.“Ik ontken niets,” zeide hij, opstaande: “het geheele voorval berust op een misverstand.”“Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die althans van u niet verwacht, Pater!” bromde een der aanwezigen.“Dwaas!” antwoordde Eugenio halfluid: “is de vogel niet in de knip, en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te korten of den hals om te draaien?”“Stil!” zeide de voorzitter: “wat aanleiding tot de komst van dezen jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken: daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig;dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder te erlangen.”“Ik wist niet, dat ik gevangen ware,” antwoordde de vreemdeling met fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.“Spaar die snorkerijen,” hernam de deftige grijsaard: “ik zie gaarne, dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?”“Sta ik hier voor een rechtbank?” vroeg op zijn beurt de jongeling “Ik ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in ’t gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht onderworpen?”“Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen,” zeide een der aanwezigen, die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden terugkeerde.De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde hij zich in staat van verdediging.“Hoogwaardigste!” zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: “het komt mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al wat hem is overkomen sedert hij de herberg van denGouden Ooievaarverlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make.”De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en zich nu in ’t gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem, of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenwarezijnplicht, of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.“Die uitdrukkingen omvatten wat veel,” merkte de voorzitter aan; “want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware.”“Het doet mij leed,” hernam de reiziger; “doch ik kan geen andere voorwaarden aannemen.”“Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven,”zeide de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in ’t bijzonder aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe, dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote vreugd in de open lucht.1Zoo iemand niet haat.2Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.3Alles is gereed.4Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.5Wacht een weinig.6Zijt gij dwaas?Achttiende Hoofdstuk.Gy meught van nacht by ons wel blyven rustenWy hebben t’huis rype app’len, zoo ze u lusten,De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.Virgilius, Ecl. I. Vert. van Vondel.De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren, hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes in ’t water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te overleggen, wat hem tedoen stond. Dat hij door een misverstand in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal, dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming meerendeels door ’t gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had, gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?—hij was zoolang in vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet: en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in denGouden Ooievaarde noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonigebrekkekekez coax coax, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets harmonisch voor zijn gehoor.Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan eenstok gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:Wy syn in ’t soetste van ons jeught,In ’t allerschoonste van ons tijt,En dat wy die niet sonder vreughtDus klackloos worden quijt.Wanneer den grijsen ouderdomDe groente van ons jeught verdort,Dan komen all’ ons lusten omDe vreught wordt opgeschort.Dus wel an.Laat ons dan,Wijl men maghEn de tijtSullix lijdtMet verdragRecht lustigh wesen,Vreught wort gepresen,En lachen in ’t gelach.“Gij schijnt vroolijk, landman!” zeide de reiziger, nadat de dorpeling zijn liedgeëindigden zijn groet met een wederkeeriggen avondbeantwoord had.“Dat ben ik ook, koopman!” was het antwoord: “en wie zou ook niet vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een goede welkomt’huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is.”“Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt,” merkte de reiziger aan.“Dat raodt ge de koekoek, koopman!” hervatte de dorpsbewoner: “het zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog wezen en dan: hadie vreemde producten.... is ’t nietwaôr, koopman?”“Maar ziet ge dan niet, vriendlief,” zeide zijn reisgenoot, “dat ik geen koopman ben?” Hier wees hij op zijn degen.“Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik: want dan zeg ik:beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!en gaat oe rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe zeit het liedeken?Tire le vin!’t sa spoelt de glazen!Faictes grand chère, laet droefheyt staenEn laet ons roepen, tieren, rasen,Vive la guerre!de krijg gaet aen.’t Sa lustigh! ’t sa, laet het glas omgaen.Ick moet nu pooien, want ick sal weerDe boeren plagen, ’t kan nu niet dragen,Of ick een daeldertje meer verteer.”“Ik ben een afgedankt krijgsman,” zeide de officier, lachende: “ge hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen.”“Warentig! nou, dan is ’t alles zeven,” zeide de boer, zijn reisgenoot op den schouder kloppende: “maôr wat pots honderd tausent slapferment is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het oe in de sloot elegen?”“Zoo half en half,” was het antwoord van zijn reisgenoot.“Wel me dunkt wel hiel ende al,” hernam de landman, hem van top tot teen in oogenschouw nemende: “en mot je nog ver loopen, eer je oe voor een viertje drogen kunt?”“Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel.”“En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zalpardienneniet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!”“Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn dragen om samen uit te drinken,” zeide de officier.“Jij bent een nobele baôs!” hernam de boer: “maôr niemand zal van Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten verwermen.”“Daar zegt ge wel an, landman!—en om u te toonen, dat ik ook liedekens weet, zoowel als gij:Is ’t weer te guur,By KnelisbuurDaar stookt men ’t vuurEn warmt men sich de leden.Vat kou ons bij ’t lijf,Dan stelt zijn wijfTot ons gerijfMet lekkeren wijn ons tevreden.En wie dan met tang en met glazen kan schermen,Die kan zich van buite en van binne verwermen.”“Een klettig lied, en wel ezongen,” zeide de landman: “ik loof warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze dorpszanger, en die is bylo gien prul!”“Wat is uw dorp?” vroeg de reiziger.“Ik woon te Rijming,” antwoordde de boer: “even oet het dorp en krek aan de rivier. ’t Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt, anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap van de hiele waard.”“Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest,” zeide de officier:“doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven.”“Dat ben ik,” hernam Gheryt Maessen: “van te voren woonde ik aan gene zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden.”“Om de religie?” vroeg de officier verbaasd.“Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden as een edelman?” vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: “ik zeg oe man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven al in ’t geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid.”“Teun Wezer!” herhaalde de jongeling: “die placht een groote strooper te zijn, zoo ik mij wel herinner.”“Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr wie kan ’t bewijzen? ’t is maôr, die ’t laôst verteld heit, leeft nog.”“Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas Meinertz is?” vroeg de vreemdeling.“Of ik Klaas Meinertz ken,” antwoordde Gheryt: “pots dit en dat, wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?—Ik kom zoo van den vent vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet negotie in allerlei....”“Zoo! komt ge van hem vandaan?” vroeg de officier, wiens nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: “het was vol tot zijnent, niet?”“Vol! met kisten en kasten, in ’t voorhuis, ja, dat gaôt wel an.”“Maar met menschen?” vervolgde de reiziger.“Met menschen!” herhaalde zijn reismakker: “dat kan ik juist niet zeggen. Ik heb niemand buiten hem in ’t voorhuis ezien.”“Nu ja, in ’t voorhuis; maar zijn woning is groot.”“Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots is nog aôn de overzijde van de straôt.”“Ik meende echter vernomen te hebben,” hervatte de officier, “dat zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van....” Hier poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.“Van Sinte-Cecilja, meent oe?—Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: maôr die is al lang toeëstopt.”“Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;—en woonden naast dat klooster geen Dominicaner monniken?”“Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer van Sonheuvel.”“Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar neen!....” en de reiziger verzonk in diep gepeins.“Jaô,” vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: “hum was ien vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans naar ’t zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes van hum.”“Zoo!” zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde werd opgewekt: “en wat zegt men dan van dien vromen Prior?”“Jaô,” antwoordde Gheryt Maessen: “voor de waôrheid van het geval staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus te Tiel?—”jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an: maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy mijn keerse vast:—en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext, dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers, zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had, kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe.”“Ik heb die klucht meer gehoord,” zeide de vreemdeling: “doch zij is mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest, die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent gij den Heer van Sonheuvel?”“Of ik hum ken?—dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr, dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon: ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post van veerman het afënomen.”“En denkt men,” vroeg de officier op een toon van stem, dien hij luchtig zocht te maken, “dat zij zin in hem heeft?”“Of zij zin in hem heeft?” herhaalde Gheryt Maessen, een stemmiggelaat trekkende: “nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden kan. Wat zegt het lied:Wie weet ooit, wat een meisken wil?Nooit zeit ze, hoe ze ’t mient.Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,Dan heeft ze weer een aôren gril:’t Valt zwaôr, in ’t stuk der min,Te weten wat een vrijster dient,Te kennen heuren zin.En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in.”“Nu ja, dat is zoo,” zeide de reiziger: “doch wat denkt men in ’t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn vrijage?”“Kans?” hernam Maessen, verbaasd opziende: “wel man, hoe kan oe zoo iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is, wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de schaôl wel iens overslaôn.”“En wat is dat eene kleintje?” vroeg de officier, op een toon, die te kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.“Dat is,” zeide de boer, “wanneer een klein, klein kuipedootje zich in de aôre schaôl plaatst.”De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen voor ’t oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd, en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering riep met deze woorden: “hier langs gaôn wij naôr mijn woning.”De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij, een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen, die den rook van zijnschoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!—nauwelijks was de in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden, die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch niet geheel onaanzienlijke hoeve.Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin ontving, toen hij, met een vroolijk: “gen avond samen!” zijn woning binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder hartelijken toon, een: “gen avond vader!” zich liet hooren. Drie kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in ’t gemoet geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder bedaard op de warme plaat ter ruste.“Gen avond, Gheryt!” zeide moeder: “kom, Klaôske! zet een bank voor vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?—Maôr kijk, daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had.”“Gen avond vader! gen avond Gherytman!” herhaalde de vrouwdes huizes, haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: “komt oe mij niet eens een toet geven?”“Hier ben ik al, vrouwke!” zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te hebben: “hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?” En meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.“Dat’s maôr zoo passelijk met onze Els,” zeide moeder: “ze heit weer wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben, nietwaôr ook, Elske?”“Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen,” merkte de luchthartige Gheryt aan: “ik heb teugen dat oe weer trek in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom, Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?” Hier klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder.“En wie heit oe dan met ebracht?” vroeg de moeder, terwijl zij haar bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter te kunnen zien: “wie is dat heerschop?”“Dat heb ik hum nog niet evraôgd,” antwoordde de zoon met een gullen lach: “de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit.”“Ik hoop niet, moeder!” zeide de vreemdeling, toetredende, “dat ik u eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig heb ik zijn aanbod aangenomen.”“Oe is welkom, heerschop!” zeide de oude vrouw: “men zeun doet wel: want wat zeit de schrift:ik was vreemdeling en ghij hebt mij geherbergd.”“Bewaôr ons!” riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: “man! wat is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?””’t Ware best,” zeide de oude vrouw, “dat het heerschop zijn natte kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok, Gheryt! want zoo kan de man niet blijven.”“Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;—ei Klaôske! haôl iens ezwind mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den man goeddoen!”De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid, dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude, zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had, was hij in een staat van overspanning gebleven,die hem nu des te duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en den oudsten zoon den natten overrok van ’t lijf, en de niet minder natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had.“Zal oe nu niet wat met eten?” vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. “Kijk, dat lacht oe toe!” en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, dien de oude vrouw had opgebracht.“Hartelijk dank!” zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand leunende: “gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op ’t oogenblik niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar weer op reis begeef.”—Met deze woorden rees hij op en poogde een paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf, en hij viel weer op zijn bankje neder.“Droomt oe man?” zeide Gheryt: “oe zult van dezen nacht geen stap verder doen, hoor!—Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken, dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg en laôt weder heentrekken als oe wilt.”“Ik hier blijven?” vroeg de reiziger: “dat zal u immers hinderen?”“Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!”“De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het kabinet,” zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek gehoord had.Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht, weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd houdende op den rijstebrijschotel.“Het doet mij van harte leed,” zeide de vreemdeling tegen Gheryt, “dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, dat ik hen in die verrichting storen kom.”“Bekommer oe niet,” riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: “’t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt....”“Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden,” zeide de reiziger, haar volzin voleindigende; “maar daar komt moeder al weder terug; houdt u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder wel alleen klaarkomen.”De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in ordewas; waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename nachtrust alleenliet.“Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!” zeide de moeder, toen het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: “het was toch ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch, dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens willen vertellen!”“Ja moeder!” zeide Grheryt: “dat weet ik niet recht: genoeg was het voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of vagebond. Had de man kwaôd in ’t zin ehad, dan had hum mij immers kunnen doorsteken met ’t braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte schoone goldene ringen hum aan de hand had?”“God geve,” zeide de meer ergdenkende oude vrouw, “dat hum daôr eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen: ik wil gaôrne het beste van hum elooven.”
Zeventiende Hoofdstuk.Maar gij, die hier het woord voert in ’t gezantschap,Wie zijt ge?Bilderdijk, Floris de Vijfde.De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar dan den zedenpreker. Of de waard in denGouden Ooievaarhem bij deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: zeker is het,dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen kende hij Eugenio) voorstelde: “Eruditissime vir! DominéVan Dyk,vel melius Ab Aggere!Ik ben uw onderdanige Dienaar,humillimus servus!Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden....virum juvenem egregium, magno ingenio vel magni ingenii, want beide zegt men,teste Gerardo Joanne, viro celeberrimo.... een voortreffelijk jong mensch, den Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam,sednominumvana curiositas.—Sufficiat, dat hij de feniks van alle reisgezellen is,nec minus bonus potator.... he! he! kastelein! een glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in.”Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een wijdopgesparden mond aan.“Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?” vroeg Mom halfluid aan Eugenio.“Hem laten slapen tot hij nuchter wordt,” antwoordde deze op denzelfden toon: “hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al verspreekt hij zich.”“Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept geweest?” vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende, die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.“Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en heeft niet losgelaten, of ik moest nog in denGouden Ooievaareen tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben.”“Dat is te zeggen,” zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: “op mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien.”“Met uw verlof,” hernam de jongeling: “hedenavond was het mijn voornemen, om....”“Tot straks,” hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze metde hand groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: “ik ga naar Preys en Leendertz,” zeide hij: “gij zult het noodige met deze Heeren wel afhandelen.”—Dit gezegd hebbende vertrok hij.“Maar!” vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende “ik moet hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben kan, mij hier op te houden.”“Hoe!” vroeg de Jezuïet: “vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde.”“Dat kan hij ook niet,” hernam de reiziger: “dat verbieden de omstandigheden.”“Zeer natuurlijk!” merkte Eugenio aan: “wanneer men geheel andere grondbeginselen heeft:—daarenboven, wat zegt de Schrift:si quis non odit....”1“Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?” vroeg Groenhof uit de sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.“Ik!” antwoordde Eugenio bedaard: “gij weet, ik ben een Bosschenaar, en daar hoort men zelden anders als uit deVulgatapraten:—daar is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie te houden.—Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien....”“Ik?” riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden Bosschenaar met verwondering had aangehoord: “en voor wien ziet UEd. mij aan?”“Zoo!” zeide Groenhof: “is mijn jonge reismakker ook een Nazireër!encollega? waarlijkvaldegaudeo, een geleerde, een broeder, een medeverdrukte, een medearbeider in ’s Heeren wijngaard in hem te ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij eenmiles gloriosus, de quo Plautus, dan eenmiles Christianus, de quo Paulus habet, ware.”“Wat collega! wat verdrukte!” riep de vreemdeling uit, terwijl hij rood werd van drift:“ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.—Hoe is het? een misverstand? of scheren wij elkaar?”“Ik prijs de achterhoudendheid,” zeide Eugenio: “doch hier is zij althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak, de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige geschonken werd.”“Ik u vertrouwen geschonken?” vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer verwonderd: “en door wien dan ben ik hier ontboden?”“Door wien?—Door mij, door Van Dyk,” antwoordde Eugenio: “ik ben degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote en godzalige voornemen, waartoe wij....”“Ik ben te Mulheim niet geweest,” viel hem de jongeling in: “ik heb geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest.”Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan ’t gevest van zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: “zoo, is UEd. dan niet de persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?”“Hendrik Raesfelt?—neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van Hendrik Raesfelt?” vroeg de jongeling met levendige deelneming.“Niets! UEd. schijnt hem te kennen?” hernam Eugenio, volgens zijn gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.“Of ik hem ken?—Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel belang in hem gesteld.”“Zoo!—Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat er maatregelen worden in ’t werk gesteld om de gebannen predikanten, die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen: hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar UEd. die persoon niet zijt....”“Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?” viel de reiziger in: “ik moet u echter bekennen,” vervolgde hij, “dat, bijaldien de tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn.”“Gij ons verlaten!” riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. “Wilt gij mij verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten de groote dingen, die er geschieden zullen.Manendum est et fortiter pugnandum!”2“Stil!” zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den jongeling zou bekend maken: “stil Dominee! het is noodeloos hierover met dien heer te spreken.”“Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot,” zeide Groenhof, die, zonder acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen vreemdeling bij de hand bleef houden: “ja, mijn broeder! hij zal vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten....”“Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?” vroeg Eugenio aan den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.“Het is alles gereed,omnia parata sunt,”3vervolgde de Predikant: “de dwingeland kan den strik niet ontkomen.”“Van welken dwingeland spreekt gij toch?” vroeg de onbekende, haastig.Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.“Het is te laat!” zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe.“Om ’s Hemels naam, wien bedoelt gij?” herhaalde de vreemdeling, zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan.“Wien ik bedoel?” herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had: “ik bedoel den Koning van Spanje,Hispanarum regem, inimicum nostrum communem.”4“Zoo!” zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid schuddende: “doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man noemen, die ons hier ontvangen heeft?—hij zou mij uitbrengen, en hij verlaat ons.”“Hij zal wel zoo terugkomen,” zeide Groenhof, die inmiddels weder was gaan zitten. “Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de poort uit te komen.”“Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, wat hierop volgen zal,” zeide zijn makker, zich verdrietig in een stoel werpende.Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven hem hartelijk te vervelen. “’t Is recht vermakelijk om hier voor gek te blijven zitten,” riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en zijn stoel van zich afstootte: “en wat het fraaist is,” mompelde hij er op zachteren toon bij: “alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn geleide naar Tiel te reizen? mijn oudevriend zou zeggen: met wie je verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!”“Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg,” zeide Groenhof, ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: “en de kastelein of de baas van ’t huis, wie hij wezen moog’, schijnt het zoopje ook te vergeten, dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast.”“Maar ik wel,” viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: “en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien, of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen.”Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte, de deur met geweld open te breken.“Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!” zeide hij: “men zal wel dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote besognes.Paululum exspecta.5”’t Is een verbruid werk,” riep de jongeling, “ik zit hier als een muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien, zoo sprong ik het venster uit.” Dit zeggende keerde hij zich om, met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik open te maken. “Aha!” zeide hij, “die gelegenheid had ik nog niet opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen.”“Ja! naar den een of anderen wijnkelder,” zeide Groenhof.“Zoo dat het geval is,” hernam de vreemdeling, “zult gij er mij zonder weerzin volgen willen.””Bone Deus!wat doet gij!” vroeg de Predikant, ziende dat hij het valluik, ’t welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.“Ik baan mij een doortocht,” antwoordde zijn makker: “ik heb altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u genegen mij te volgen, ’t is mij wel: ik ga u voor.” Dit zeggende, klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.“Ik moet toch zien, waar die vent belandt.” dacht Groenhof: “hij mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte.” Met dit oogmerk volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, ’t welk op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong, veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld.“Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn,” merkte de jongeling aan.“De Hemel zij ons genadig!” zeide Groenhof: “zouden wij dan niet liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang.”“Dat zegt gij,” hervatte de andere gevangene: “doch ik stel vast dat er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten: die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten.” Dit zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening, met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven, zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.“Goddank!” zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het gat kijkende: “hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen wij wel ergens te land komen.””An stultus es?”6vroeg de Predikant, toen ook hij de hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. “Het is mehercule! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen.”“Zooals gij wilt,” hernam zijn reisgezel: “ik waag den sprong!” en meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling, was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te vorenbevondenhad, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en geroep van “waar steekt de guit? waar zit de spion?” ontdekte, dat verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden.“Dominee!” zeide hij met een gesmoorde stem; “maak dat onderste plankje los.”“Ik bedank u,” zeide Groenhof: “hier!” vervolgde hij, zijn stem verheffende tot die, welke boven waren: “hier moet gij wezen.”“Schurk!” riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende terugstoof.De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte, dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die hij in dit oogenblik van benauwdheid in ’t werk stelde, gelukte het den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere de scheede weder vasthechtte.—Aan het einde van de gang gekomen, sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar ’t scheen, tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk, welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, deels inwereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling, werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, op een vriendelijken toon, aansprak:“Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte komst?”“Verschoon mij,” antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen zijn geweer opstekende: “ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op straat bracht.”De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.“Het komt mij vreemd voor,” zeide de voorzitter, “dat gij, alleen omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman hier binnen komt stuiven,”“Ik beken,” was het antwoord, “dat de schijn tegen mij is; doch openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan denGouden Ooievaarstapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie, al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf: laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt.”Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was blijven zitten.“Ik ontken niets,” zeide hij, opstaande: “het geheele voorval berust op een misverstand.”“Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die althans van u niet verwacht, Pater!” bromde een der aanwezigen.“Dwaas!” antwoordde Eugenio halfluid: “is de vogel niet in de knip, en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te korten of den hals om te draaien?”“Stil!” zeide de voorzitter: “wat aanleiding tot de komst van dezen jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken: daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig;dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder te erlangen.”“Ik wist niet, dat ik gevangen ware,” antwoordde de vreemdeling met fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.“Spaar die snorkerijen,” hernam de deftige grijsaard: “ik zie gaarne, dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?”“Sta ik hier voor een rechtbank?” vroeg op zijn beurt de jongeling “Ik ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in ’t gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht onderworpen?”“Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen,” zeide een der aanwezigen, die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden terugkeerde.De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde hij zich in staat van verdediging.“Hoogwaardigste!” zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: “het komt mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al wat hem is overkomen sedert hij de herberg van denGouden Ooievaarverlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make.”De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en zich nu in ’t gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem, of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenwarezijnplicht, of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.“Die uitdrukkingen omvatten wat veel,” merkte de voorzitter aan; “want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware.”“Het doet mij leed,” hernam de reiziger; “doch ik kan geen andere voorwaarden aannemen.”“Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven,”zeide de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in ’t bijzonder aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe, dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote vreugd in de open lucht.1Zoo iemand niet haat.2Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.3Alles is gereed.4Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.5Wacht een weinig.6Zijt gij dwaas?
Maar gij, die hier het woord voert in ’t gezantschap,Wie zijt ge?Bilderdijk, Floris de Vijfde.
Maar gij, die hier het woord voert in ’t gezantschap,Wie zijt ge?
Maar gij, die hier het woord voert in ’t gezantschap,
Wie zijt ge?
Bilderdijk, Floris de Vijfde.
De twee nieuwe personages, die nu op vergunning van den Ambtman het vertrek binnenkwamen, leverden in hun uiterlijk voorkomen een paar volkomen tegenbeelden op. De een was een log, dik mensch, met een gemeen, dom en leelijk gelaat, een grooten rooden neus, die, van menigvuldige uitwassen en puisten voorzien, getuigde, dat de brandewijn niet zelden den vromen man te stade kwam, als hij zijn zorgen begeerde te verzetten. Zijn gewaad was versleten en armoedig, en men kon zien, dat het niet voor zijn lijf gemaakt was. Zijn lompe, grove handen en voeten schenen eer geschikt om de zware klei te bewerken of turf te trappen, dan om geschikte gebaarden van den kansel te maken. Zijn heesche, wanluidende stem duidde meer den oproerkraaier dan den leeraar aan, en zijn waggelende gang verraadde eer den Bachusdienaar dan den zedenpreker. Of de waard in denGouden Ooievaarhem bij deze gelegenheid zijn wijn te veel had aangeprezen, is ons onbewust: zeker is het,dat hij het vertrek, waar Meinertz hem binnenleidde, waggelend inschoof en zijn morgengroet stotterende uitbracht.
Zijn metgezel was een schoon rijzig jonkman, met fraaie blonde haren, zwarte sprekende oogen, en mannelijke, door de zon eenigszins verbrande gelaatstrekken. Hij had een geel lederen reiskolder aan, met koperen knoopjes vastgehecht, en een hartsvanger op zijde, in een breeden groenen bandelier hangende. Een hoed zonder pluimage, een paar bestoven halve laarsjes met groote sporen en breede ruitershandschoenen kondigden in hem veeleer een ruiter dan een predikant aan. Met een open gelaat en een ongedwongen houding trad hij binnen, half voortgetrokken door zijn ouderen reismakker, die hem met de volgende bewoordingen aan Van Dyk (want onder dien naam alleen kende hij Eugenio) voorstelde: “Eruditissime vir! DominéVan Dyk,vel melius Ab Aggere!Ik ben uw onderdanige Dienaar,humillimus servus!Groote dingen zullen door UEd. in Israël uitgericht worden. Ik heb de eer UEd. hiernevens aan te bieden....virum juvenem egregium, magno ingenio vel magni ingenii, want beide zegt men,teste Gerardo Joanne, viro celeberrimo.... een voortreffelijk jong mensch, den Heer.... ja hoe heet hij,.... Van der Hummes of zoo een naam,sednominumvana curiositas.—Sufficiat, dat hij de feniks van alle reisgezellen is,nec minus bonus potator.... he! he! kastelein! een glas karnemelk met een scheutje brandewijn er in.”
Na deze fraaie proeve van welsprekendheid liet Groenhovius (zoo heette de leeraar) zijn reisgenoot los, knikte nogmaals Meinertz toe, dat hij hem het gevraagde brengen zou, zette zich in een armstoel neder, vouwde de handen over den buik ineen, en zag het gezelschap met een wijdopgesparden mond aan.
“Wat moeten wij met dien dronken gek beginnen?” vroeg Mom halfluid aan Eugenio.
“Hem laten slapen tot hij nuchter wordt,” antwoordde deze op denzelfden toon: “hier althans kan hij hoegenaamd geen kwaad uitrichten, al verspreekt hij zich.”
“Is U Eerwaarde reeds lang met dien dronkaard opgescheept geweest?” vroeg Mom, zich beleefdelijk tot den jongeling wendende, die met een verlegene houding zijn reisgenoot beschouwde.
“Hedenmorgen ben ik hem, van Nijmegen aankomende, achteropgereden. Hij heeft mij verzocht, onder mijn geleide te mogen voortreizen, en heeft niet losgelaten, of ik moest nog in denGouden Ooievaareen tijdlang vertoeven om een glaasje van afscheid te drinken; UEd. is, naar ik vermoede, de Ambtman Mom, op wiens last ik hier geroepen ben.”
“Dat is te zeggen,” zeide Mom, Eugenio zijdelings aanziende: “op mijn last.... ja, in een zekeren zin. Eigenlijk heeft mijn vriend Van Dijk het een en ander met UEd. te overleggen. Wat mij betreft, ik ben uw dienaar tot hedenavond: dan hoop ik u weder te zien.”
“Met uw verlof,” hernam de jongeling: “hedenavond was het mijn voornemen, om....”
“Tot straks,” hernam de Ambtman, hem beschermenderwijze metde hand groetende en zich vervolgens tot den Jezuïet wendende: “ik ga naar Preys en Leendertz,” zeide hij: “gij zult het noodige met deze Heeren wel afhandelen.”—Dit gezegd hebbende vertrok hij.
“Maar!” vervolgde de vreemdeling, zich naar Eugenio keerende “ik moet hedenavond naar Sonheuvel, en ik zie niet, welke redenen men hebben kan, mij hier op te houden.”
“Hoe!” vroeg de Jezuïet: “vertrekt gij naar uw vader? Ik dacht, dat hij u niet meer voor zijn zoon erkennen wilde.”
“Dat kan hij ook niet,” hernam de reiziger: “dat verbieden de omstandigheden.”
“Zeer natuurlijk!” merkte Eugenio aan: “wanneer men geheel andere grondbeginselen heeft:—daarenboven, wat zegt de Schrift:si quis non odit....”1
“Wie haalt daar de Paapsche overzetting aan?” vroeg Groenhof uit de sluimering opschietende, waarin hij geraakt was.
“Ik!” antwoordde Eugenio bedaard: “gij weet, ik ben een Bosschenaar, en daar hoort men zelden anders als uit deVulgatapraten:—daar is nimmer gelegenheid om een geestelijk woord te hooren, tenzij van papen en paapsgelijken. Hoe velen smachten aldaar met mij naar het waarachtige manna van geestelijk onderricht, met een dauw der geleerdheid doorvoed en gestoofd in de zon der gezonde rede.... daarvan gesproken, Dominee! ik hoop dat UEerwaarde morgen in staat zal zijn, voor de dierbare kudde, welke zich hier verzamelen zal, een predikatie te houden.—Of anders, uw jonge ambtgenoot misschien....”
“Ik?” riep de jongeling, die de vreemde redenen van den gewaanden Bosschenaar met verwondering had aangehoord: “en voor wien ziet UEd. mij aan?”
“Zoo!” zeide Groenhof: “is mijn jonge reismakker ook een Nazireër!encollega? waarlijkvaldegaudeo, een geleerde, een broeder, een medeverdrukte, een medearbeider in ’s Heeren wijngaard in hem te ontmoeten. Ik dacht aan zijn kleeding eerder, dat hij eenmiles gloriosus, de quo Plautus, dan eenmiles Christianus, de quo Paulus habet, ware.”
“Wat collega! wat verdrukte!” riep de vreemdeling uit, terwijl hij rood werd van drift:“ik heb Plautus ook gelezen, en ik ben niet op de malle vergelijking tusschen mij en zijn Thraso gesteld.—Hoe is het? een misverstand? of scheren wij elkaar?”
“Ik prijs de achterhoudendheid,” zeide Eugenio: “doch hier is zij althans overbodig. Bij ons behoeft gij uw naam en bediening niet te verbloemen, daar uw komst te dezer plaats genoegzaam bewijst, welk vertrouwen gij in mij gesteld hebt: en de zegepraal der goede zaak, de val onzer hoogmoedige verdrukkers, de vrijheid der kerk zullen tot zoovele bewijzen strekken, dat dit vertrouwen aan geen onwaardige geschonken werd.”
“Ik u vertrouwen geschonken?” vroeg de onbekende, hoe langer hoe meer verwonderd: “en door wien dan ben ik hier ontboden?”
“Door wien?—Door mij, door Van Dyk,” antwoordde Eugenio: “ik ben degeen, die u te Mulheim schreef en u verzocht, dadelijk herwaarts te spoeden, om de middelen te beramen, ter uitvoering van dat groote en godzalige voornemen, waartoe wij....”
“Ik ben te Mulheim niet geweest,” viel hem de jongeling in: “ik heb geen brief van Van Dyk noch van iemand anders ontvangen: ik weet van uw voornemen niets, en ik zou niet in dit huis gekomen zijn, ware ik niet door den Ambtman ontboden geweest.”
Eugenio zweeg, zijn trekken bleven onbeweeglijk en zijn oog stond strak op den vreemdeling gevestigd; zijn hand alleen scheen, door een werktuiglijke, krampachtige beweging het moordtuig te zoeken, dat onder zijn kleed verborgen en reeds meer zijn antwoord geweest was. De vreemdeling scheen het oogmerk dier beweging te raden: althans, hij zette zich schrap en sloeg de hand aan ’t gevest van zijn hartsvanger. Doch de Jezuïet liet na een oogenblik zwijgen den arm weder zakken en vroeg zeer bedaard: “zoo, is UEd. dan niet de persoon van Hendrik Raesfelt, proponent?”
“Hendrik Raesfelt?—neen;.... doch! wat is er, wat weet gij van Hendrik Raesfelt?” vroeg de jongeling met levendige deelneming.
“Niets! UEd. schijnt hem te kennen?” hernam Eugenio, volgens zijn gewoonte een vraag met een andere beantwoordende.
“Of ik hem ken?—Wij waren speelkameraads, en ik heb altijd veel belang in hem gesteld.”
“Zoo!—Welnu, zoo gij hem nader wilt zien, hij komt eerstdaags hier;.... UEd. is dus vreemdeling hier en weet waarschijnlijk niet, dat er maatregelen worden in ’t werk gesteld om de gebannen predikanten, die onderwerping beloven, weder te herstellen in hun bedieningen: hierover wilde men ook met Raesfelt spreken, wiens dwalingen zijn jeugd en de verleiding van anderen verschoonlijk maakten; doch daar UEd. die persoon niet zijt....”
“Kan ik weder vertrekken, is het niet zoo?” viel de reiziger in: “ik moet u echter bekennen,” vervolgde hij, “dat, bijaldien de tegenwoordigheid van den Heer Ambtman in dit huis, en uw betuiging, dat er een misverstand plaats heeft gehad, mij niet tevreden moesten stellen, ik niet zoo lichtelijk genoegen zou nemen met een oponthoud, dat mij misschien beletten zal, heden nog de stad te verlaten; want naar allen schijn zullen de poorten reeds gesloten zijn.”
“Gij ons verlaten!” riep Groenhof uit, terwijl hij eensklaps weder toetrad en met uitgebreide armen den jongeling omvatte. “Wilt gij mij verlaten, gelijk Demas Paulum verliet? Gij, die een medestrijder zijt voor de goede zaak, gij moet blijven en met ons strijden of afwachten de groote dingen, die er geschieden zullen.Manendum est et fortiter pugnandum!”2
“Stil!” zeide Eugenio, die bevreesd werd, dat de onvoorzichtige toespraak van Groenhof de ware redenen der bijeenkomst aan den jongeling zou bekend maken: “stil Dominee! het is noodeloos hierover met dien heer te spreken.”
“Ja, mijn waarde vriend en reisgenoot,” zeide Groenhof, die, zonder acht te geven op de onverduldige wenken van Eugenio, den jongen vreemdeling bij de hand bleef houden: “ja, mijn broeder! hij zal vallen, die Achab, die vervolger van Gods heilige profeten....”
“Wilt gij zoo goed zijn, mij te volgen?” vroeg Eugenio aan den onbekende, hem haastig uit de omhelzingen van Groenhof losrukkende. Doch de jongeling had te veel gehoord en werd nu door de nieuwsgierigheid aangezet om te blijven waar hij was.
“Het is alles gereed,omnia parata sunt,”3vervolgde de Predikant: “de dwingeland kan den strik niet ontkomen.”
“Van welken dwingeland spreekt gij toch?” vroeg de onbekende, haastig.
Op dit oogenblik sloeg de torenklok acht uren.
“Het is te laat!” zeide Eugenio; en opeens den jongeling loslatende, verliet hij met spoed het vertrek en draaide het slot achter zich toe.
“Om ’s Hemels naam, wien bedoelt gij?” herhaalde de vreemdeling, zonder op het vertrek van den Jezuïet bijzondere aandacht te slaan.
“Wien ik bedoel?” herhaalde Groenhof, die nog even nuchter genoeg was om uit deze vraag te bemerken, dat hij zich deerlijk versproken had: “ik bedoel den Koning van Spanje,Hispanarum regem, inimicum nostrum communem.”4
“Zoo!” zeide zijn metgezel, het hoofd met een schijn van ongeloovigheid schuddende: “doch waar is onze gastheer? of hoe moet ik den man noemen, die ons hier ontvangen heeft?—hij zou mij uitbrengen, en hij verlaat ons.”
“Hij zal wel zoo terugkomen,” zeide Groenhof, die inmiddels weder was gaan zitten. “Wacht maar een oogenblikje; het is toch te laat om de poort uit te komen.”
“Er zal wel niet veel anders opzitten, dan geduldig af te wachten, wat hierop volgen zal,” zeide zijn makker, zich verdrietig in een stoel werpende.
Toen hij echter een groot kwartieruurs gezeten had over den Predikant, die inmiddels weder in een diepen slaap gevallen was, begon het toeven hem hartelijk te vervelen. “’t Is recht vermakelijk om hier voor gek te blijven zitten,” riep hij uit, terwijl hij wrevelig opstond en zijn stoel van zich afstootte: “en wat het fraaist is,” mompelde hij er op zachteren toon bij: “alles is mijn eigen schuld. Wat behoefde ik zulk een dronken Arminiaanschen weetniet te vergunnen, onder mijn geleide naar Tiel te reizen? mijn oudevriend zou zeggen: met wie je verkeert wordje geëerd. Wist ik maar hoe er uit te komen!”
“Mij dunkt, de Heer Van Dyk blijft lang weg,” zeide Groenhof, ontwakende en zich de oogen uitwrijvende: “en de kastelein of de baas van ’t huis, wie hij wezen moog’, schijnt het zoopje ook te vergeten, dat hij mij beloofd had.... juist, ik heb geen haast.”
“Maar ik wel,” viel zijn min geduldige reisgenoot hem in de rede: “en, zoo men mij niet spoedig de deur komt openen, zal ik zien, of ik mij zelven geen uitgang kan verschaffen.”
Deze woorden geuit hebbende, begon hij op de deur te bonzen met al de krachten, die de natuur hem gegeven had; doch de dikke eiken planken stelden zijn pogingen teleur en de Predikant, die, nu redelijk ontnuchterd zijnde, het belang besefte, dat er voor zijn oogmerken in gelegen was, geen noodelooze opschudding te maken, stond op en weerhield hem, toen hij, zijn mes trekkende, zich gereedmaakte, de deur met geweld open te breken.
“Bedaar! bedaar! mijn waarde reismakker!” zeide hij: “men zal wel dadelijk hier komen: de Heer Ambtman zit nog ongetwijfeld in groote besognes.Paululum exspecta.5
”’t Is een verbruid werk,” riep de jongeling, “ik zit hier als een muis in de val. Ware het niet om voor geen dief te worden aangezien, zoo sprong ik het venster uit.” Dit zeggende keerde hij zich om, met oogmerk om het raam, dat vrij hoog was, te openen, toen zijn voet een ijzeren ring ontmoette, welke diende om een valluik open te maken. “Aha!” zeide hij, “die gelegenheid had ik nog niet opgemerkt. Die uitgang zal mij althans ergens heen brengen.”
“Ja! naar den een of anderen wijnkelder,” zeide Groenhof.
“Zoo dat het geval is,” hernam de vreemdeling, “zult gij er mij zonder weerzin volgen willen.”
”Bone Deus!wat doet gij!” vroeg de Predikant, ziende dat hij het valluik, ’t welk van onderen gesloten was, met geweld openrukte.
“Ik baan mij een doortocht,” antwoordde zijn makker: “ik heb altijd geleerd, dat een waarlijk bekwaam krijgsman zich zoowel op het retireeren, als op het attakeeren verstaan moest. Voelt gij u genegen mij te volgen, ’t is mij wel: ik ga u voor.” Dit zeggende, klom hij het trapje af, dat naar beneden geleidde.
“Ik moet toch zien, waar die vent belandt.” dacht Groenhof: “hij mocht ons eens gaan verklikken, zoo hij ontsnapte.” Met dit oogmerk volgde hij zijn reisgenoot in een klein, donker vertrekje, ’t welk op het eerste oog geen anderen toegang scheen te hebben, dan langs de opening, waardoor zij gekomen waren. Het ontving ook van dien kant al zijn licht, en de flauwe schemering, die er in doordrong, veroorloofde nauwelijks aan het meest geoefend oog, eenige kleine vaatjes te zien, welke tegen de naakte wanden waren opgestapeld.
“Het gelijkt hier wel een kruitmagazijn,” merkte de jongeling aan.
“De Hemel zij ons genadig!” zeide Groenhof: “zouden wij dan niet liever terugkeeren en het luik weder in orde brengen zoo goed wij kunnen? Er is hier toch geen andere uitgang.”
“Dat zegt gij,” hervatte de andere gevangene: “doch ik stel vast dat er een andere uitgang wezen moet. Het valluik was van binnen gesloten: die het gesloten heeft, moet dus een ander heenkomen gehad hebben: want hier is hij niet meer: indien het slechts zoo verbruid donker niet ware!.... wacht! ik weet al, welken weg wij uit moeten.” Dit zeggende, wees hij op een reet in een hoek van het kamertje, en zich op zijn knieën latende vallen, beschouwde hij den wand met een opmerkzaam oog. Spoedig ontdekte hij een kleine vierkante opening, met een luikje van buiten gesloten, welke opening waarschijnlijk dienen moest om de vaatjes uit te werken. Door zijn vingers met kracht tusschen het houtwerk en den muur in te brengen, deed hij het luikje wijken en weldra aan stukken splijten. De opening kwam op een gewelfde gang uit en was ruim zes voet boven den grond verheven, zoodat men die niet dan met een ladder of trap beklimmen kon.
“Goddank!” zeide hij, zich bukkende en met gretige oogen door het gat kijkende: “hebt ge nu lust mij te volgen, Dominee? dan zullen wij wel ergens te land komen.”
”An stultus es?”6vroeg de Predikant, toen ook hij de hoogte gezien had, vanwaar zij af moesten glijden. “Het is mehercule! halsbrekens werk, om zich daar af te laten vallen.”
“Zooals gij wilt,” hernam zijn reisgezel: “ik waag den sprong!” en meteen zijn makker van de opening aftrekkende, gespte hij zijn hartsvanger los, stak de beenen door het gat en liet er zich ter halverlijve doorheen zakken. Dan, tot zijn groote teleurstelling, was de opening niet ruim genoeg om het bovenlijf door te laten, zoodat hij steken bleef en er zich weldra door vruchtelooze pogingen zoo vastwerkte, dat hij noch voor- noch achteruit kon. Weldra werd de benauwde toestand, waarin hij zich bevond, nog vergroot, doordien hij de deur van het vertrek, waarin hij zich kort te vorenbevondenhad, boven zijn hoofd hoorde opengaan en aan het verwarde geluid en geroep van “waar steekt de guit? waar zit de spion?” ontdekte, dat verscheidene personen de bovenkamer waren binnengetreden, en althans geen zeer vriendelijke oogmerken jegens hem koesterden.
“Dominee!” zeide hij met een gesmoorde stem; “maak dat onderste plankje los.”
“Ik bedank u,” zeide Groenhof: “hier!” vervolgde hij, zijn stem verheffende tot die, welke boven waren: “hier moet gij wezen.”
“Schurk!” riep de jongeling en gaf met zijn hartsvanger den Predikant een geduchten slag voor de schenen, zoodat de waardige man schreeuwende terugstoof.
De angst verdubbelde nu de krachten van den jongeling, en het geluk diende hem. Het luik, dat de opening gesloten had, bestond uit twee deelen: het bovenste, dat het grootste was, was uitgeweken en aan stukken gesprongen: het onderste, een plankje van twee duim breedte, dat het luik van den vloer scheidde en met twee knippen aan weerszijden gesloten werd, was blijven zitten. Door de geweldige pogingen, die hij in dit oogenblik van benauwdheid in ’t werk stelde, gelukte het den gevangene, dit plankje te doen losbersten, waardoor de opening ruim genoeg werd en hij in de gang viel. Ongedeerd sprong de vlugge jongeling op en snelde, zonder om te zien, de gang af, terwijl hij in de eene hand zijn blooten hartsvanger zwaaide en met de andere de scheede weder vasthechtte.—Aan het einde van de gang gekomen, sloeg hij rechtsaf een andere gaanderij in en stuitte aldaar tegen een ijzeren deur, met de noodige grendels dichtgesloten. Vol spijt deed hij een paar stappen terug en bemerkte toen, dat hij in de verwarring van het oogenblik en ook wegens de duisternis, die in de gang heerschte, een ander deurtje was voorbijgeloopen, hetwelk onder een zwaar gewelfden, met Gothisch snij- en loofwerk voorzienen boog was verborgen. Dit deurtje stond aan, en onze vluchteling aarzelde niet het binnen te treden. Dan, nauwelijks had hij een blik inwaarts geworpen, of hij bleef bewusteloos staan, in de onzekerheid, of hij niet, door Scylla te vermijden, op Charybdis gestrand ware: dermate verbaasde hem de onverwachte vertooning, welke bij het binnentreden zijn oogen trof.
Hij bevond zich namelijk in een vrij ruime zaal, die haar licht ontving uit in de zoldering geplaatste ramen, met geschilderde ruitjes voorzien, en met zware zonder smaak gevormde pilasters omzet was, welke een gewelfd dak onderschraagden. Tusschen de pilasters bevonden zich nissen, die, voormaals, naar ’t scheen, tot plaatsing van beelden der heiligen gediend hadden: althans de uitgerukte stukken kalk en metselwerk, zoowel als de overgebleven ijzeren bouten toonden aan, dat men de oorspronkelijke bewoners dier nissen met geweld had weggenomen. Aan de beide einden der zaal waren twee hooge dubbele deuren, met breede posten en Gothisch snijwerk, welke sedert lang ongebruikt schenen te zijn; want de zware grendels waren geheel verroest en de sloten met spinrag bedekt. Behalve deze hoofduitgangen was het vertrek voorzien van vier zijdeurtjes, door een van welke onze onbekende vriend was binnengekomen. Midden in de zaal, welke overigens geen meubelen bezat, stond een zware, langwerpig vierkante tafel, met een oud, verschoten, doch voorheen kostbaar tapijt overdekt. Aan het einde dier tafel was op een ouderwetschen zetel met hoogen rug en snijwerk, een deftig man gezeten; zijn vierkant mutsje en witte onderkleederen, zijn manteltje en gouden halskruis duidden een Roomsch-Katholieken geestelijke, en wel van geen geringe waardigheid, aan. Voor hem stond een ebbenhouten kruis, waar een zilveren christusbeeld aan vastgehecht was en aan welks voet een doodshoofd lag van hetzelfde metaal. Aan elke zijde van den voorzitter zaten op houten schabellen vier, en over hem twee personen, deels in geestelijk, deels inwereldlijk gewaad. De tafel was overdekt met papier en schrijfgereedschappen, en al de aanwezigen schenen aandachtig te luisteren naar hetgeen een jong geestelijke, die naast den voorzitter stond, hun voorlas uit een brief, op perkament geschreven en met drie zegels van groen was voorzien. Bij het gerucht, dat de deur maakte, toen zij krakende openging voor den binnentredenden vreemdeling, werd de lezing gestaakt, en al de aanwezigen wendden het hoofd naar den onverwachten en onwelkomen stoorder hunner samenkomst. Toen zij den gewapende ontdekten (want de vreemdeling hield den hartsvanger nog stijf in de vuist gekneld) stoven allen gelijkelijk op: sommigen grepen hun schabellen, om zich desnoods daarmede te verdedigen, en anderen zochten onder hun opperkleed naar gevaarlijker wapenen. De voorzitter alleen bleef bedaard; met een majestueuse beweging gebood hij stilte en trad vervolgens den jongeling te gemoet, wien hij aldus, op een vriendelijken toon, aansprak:
“Wie zijt ge, mijn zoon? en wat is de oorzaak van uw onverwachte komst?”
“Verschoon mij,” antwoordde de vreemdeling, eenigszins verlegen zijn geweer opstekende: “ik ben verdwaald in dit gebouw, ik weet zelf niet hoe, en gaarne wenschte ik een deur te vinden, die mij op straat bracht.”
De aanwezigen mompelden onderling, en de meesten schudden het hoofd.
“Het komt mij vreemd voor,” zeide de voorzitter, “dat gij, alleen omdat gij een uitgang zoekt, met het bloot rapier als een dolleman hier binnen komt stuiven,”
“Ik beken,” was het antwoord, “dat de schijn tegen mij is; doch openhartig zal ik u mijn geval verhalen. Ik kom van Nijmegen: een zekere Predikant, die, op een vrij slechten knol gezeten, denzelfden dijk volgde als ik, hield mij gezelschap. Aan denGouden Ooievaarstapten wij af: vandaar liet de heer Ambtman ons ontbieden; men bracht ons in de woning van een schrijnwerker, welke woning, naar ik zie, al vrij ruim is en toen ontdekte zekere Heer Van Dyk, dat ik niet diegene ben, dien hij te wachten was;.... maar daar zit hij zelf: laat hij het ontkennen, zoo hij goedvindt.”
Hier vestigden zich al de oogen op Eugenio, die, in zijn mantel gewikkeld, alleen, met zijn gewone bedaardheid, aan de tafel was blijven zitten.
“Ik ontken niets,” zeide hij, opstaande: “het geheele voorval berust op een misverstand.”
“Zulke misverstanden moesten geen plaats hebben, en wij hadden die althans van u niet verwacht, Pater!” bromde een der aanwezigen.
“Dwaas!” antwoordde Eugenio halfluid: “is de vogel niet in de knip, en staat het niet aan ons, hem naar bevind van zaken de wieken te korten of den hals om te draaien?”
“Stil!” zeide de voorzitter: “wat aanleiding tot de komst van dezen jongeling heeft gegeven, is noodeloos op dit oogenblik te onderzoeken: daartoe is onze tijd te kostbaar. Jonkman! antwoord mij openhartig;dit alleen zal mij doen zien, of gij waardig zijt de vrijheid weder te erlangen.”
“Ik wist niet, dat ik gevangen ware,” antwoordde de vreemdeling met fierheid de hand op het gevest van het geweer slaande.
“Spaar die snorkerijen,” hernam de deftige grijsaard: “ik zie gaarne, dat een jonkman als zoodanig spreekt; doch hij moet het op gepaste tijden doen. Antwoord mij, hoe is uw naam?”
“Sta ik hier voor een rechtbank?” vroeg op zijn beurt de jongeling “Ik ben een Protestant, en erken op dit oogenblik geen heer noch meester op deze aarde. Gij derhalve hebt geen recht hoe ook genaamd, mij in ’t gehoor te nemen.... of sedert wanneer is Tiel aan een papenrecht onderworpen?”
“Wij zullen u ons gezag wel doen erkennen,” zeide een der aanwezigen, die, ongemerkt vertrokken zijnde, nu met twee welgewapende lieden terugkeerde.
De vreemdeling antwoordde niet; maar, zijn degen trekkende, stelde hij zich in staat van verdediging.
“Hoogwaardigste!” zeide nu Eugenio tegen den voorzitter: “het komt mij voor, dat deze dolleman ongenegen is, om eenig verder bescheid te geven. Het ware misschien best, indien hij werkelijk een man van eer is, zooals zijn voorkomen aanduidt, hem vrij en onverhinderd te laten vertrekken, onder beding en belofte, dat hij, niets van al wat hem is overkomen sedert hij de herberg van denGouden Ooievaarverlaten heeft tot zijn terugkomst in die plaats, aan niemand, wie hij ook zijn moge, immer met een woord gewag make.”
De gansche vergadering zweeg op dit voorstel, en de jongeling zag den Jezuïet met scherpe blikken aan, als wilde hij diens geheime oogmerken doorgronden; want hij stelde weinig vertrouwen in den zonderlingen man, die zich eerst bij hem voor een Remonstrant had uitgegeven en zich nu in ’t gezelschap van Roomsche geestelijken bevond.
Nadat de voorzitter een tijdlang het voorstel van Eugenio scheen overwogen te hebben, wendde hij zich tot den reiziger en vroeg hem, of hij in zoodanige voorwaarden, als de geachte spreker had opgenoemd, genoegen zoude nemen, bijaldien zij hem werden opgelegd. De jongeling antwoordde, bereid te zijn zich te verbinden, dat hij niets van al hetgeen hij gezien of gehoord had, zou verhalen, tenwarezijnplicht, of de wettige Landsoverheid hem daartoe last gaven.
“Die uitdrukkingen omvatten wat veel,” merkte de voorzitter aan; “want hoe kunnen wij de grenslijnen kennen, welke uw plichtgevoel beperken? en welke nadeelige gevolgtrekkingen zou niet de overheid uit uw verhaal kunnen trekken? Door u op zulke losse gronden vrij te laten, zouden wij ons geheel aan uw bescheidenheid moeten overgeven, en gij gevoelt wel, dat dit wat veel van ons gevergd ware.”
“Het doet mij leed,” hernam de reiziger; “doch ik kan geen andere voorwaarden aannemen.”
“Dan zult gij u moeten getroosten, onze gevangene te blijven,”zeide de grijsaard, een wenk gevende aan de omstanders en in ’t bijzonder aan de twee gewapende dienaars, om den stoutmoedigen vreemdeling in verzekerde bewaring te nemen. Deze echter was er geenszins op gesteld, om zich te laten knippen: hij had zich steeds in de nabijheid gehouden van de deur, door welke hij was binnengekomen, met oogmerk om zich een vrijen terugtocht voor te behouden. Zooras derhalve de aanwezigen op hem aftraden, deed hij een stap rugwaarts, beschreef een halven cirkel in de lucht met zijn hartsvanger, om zijn vijanden op den noodigen afstand te houden, maakte eensklaps rechts-om-keert, wierp een der gewapenden, die hem den weg wilde afsnijden, met een vuistslag op den grond, stoof de deur uit, trok die zoo geweldig achter zich toe, dat het slot dichtsprong en ijlde vervolgens weder terug langs den weg dien hij gekomen was, de gewelfde gang weder door en het vierkante gat van het kruitkamertje voorbij. Aan het einde van die gang gekomen, stootte hij een ongesloten deur open en bevond zich nu tot zijn groote vreugd in de open lucht.
1Zoo iemand niet haat.2Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.3Alles is gereed.4Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.5Wacht een weinig.6Zijt gij dwaas?
1Zoo iemand niet haat.
2Wij moeten blijven en kloekmoedig strijden.
3Alles is gereed.
4Den koning van Spanje, onzen gemeenen vijand.
5Wacht een weinig.
6Zijt gij dwaas?
Achttiende Hoofdstuk.Gy meught van nacht by ons wel blyven rustenWy hebben t’huis rype app’len, zoo ze u lusten,De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.Virgilius, Ecl. I. Vert. van Vondel.De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren, hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes in ’t water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te overleggen, wat hem tedoen stond. Dat hij door een misverstand in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal, dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming meerendeels door ’t gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had, gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?—hij was zoolang in vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet: en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in denGouden Ooievaarde noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonigebrekkekekez coax coax, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets harmonisch voor zijn gehoor.Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan eenstok gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:Wy syn in ’t soetste van ons jeught,In ’t allerschoonste van ons tijt,En dat wy die niet sonder vreughtDus klackloos worden quijt.Wanneer den grijsen ouderdomDe groente van ons jeught verdort,Dan komen all’ ons lusten omDe vreught wordt opgeschort.Dus wel an.Laat ons dan,Wijl men maghEn de tijtSullix lijdtMet verdragRecht lustigh wesen,Vreught wort gepresen,En lachen in ’t gelach.“Gij schijnt vroolijk, landman!” zeide de reiziger, nadat de dorpeling zijn liedgeëindigden zijn groet met een wederkeeriggen avondbeantwoord had.“Dat ben ik ook, koopman!” was het antwoord: “en wie zou ook niet vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een goede welkomt’huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is.”“Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt,” merkte de reiziger aan.“Dat raodt ge de koekoek, koopman!” hervatte de dorpsbewoner: “het zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog wezen en dan: hadie vreemde producten.... is ’t nietwaôr, koopman?”“Maar ziet ge dan niet, vriendlief,” zeide zijn reisgenoot, “dat ik geen koopman ben?” Hier wees hij op zijn degen.“Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik: want dan zeg ik:beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!en gaat oe rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe zeit het liedeken?Tire le vin!’t sa spoelt de glazen!Faictes grand chère, laet droefheyt staenEn laet ons roepen, tieren, rasen,Vive la guerre!de krijg gaet aen.’t Sa lustigh! ’t sa, laet het glas omgaen.Ick moet nu pooien, want ick sal weerDe boeren plagen, ’t kan nu niet dragen,Of ick een daeldertje meer verteer.”“Ik ben een afgedankt krijgsman,” zeide de officier, lachende: “ge hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen.”“Warentig! nou, dan is ’t alles zeven,” zeide de boer, zijn reisgenoot op den schouder kloppende: “maôr wat pots honderd tausent slapferment is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het oe in de sloot elegen?”“Zoo half en half,” was het antwoord van zijn reisgenoot.“Wel me dunkt wel hiel ende al,” hernam de landman, hem van top tot teen in oogenschouw nemende: “en mot je nog ver loopen, eer je oe voor een viertje drogen kunt?”“Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel.”“En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zalpardienneniet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!”“Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn dragen om samen uit te drinken,” zeide de officier.“Jij bent een nobele baôs!” hernam de boer: “maôr niemand zal van Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten verwermen.”“Daar zegt ge wel an, landman!—en om u te toonen, dat ik ook liedekens weet, zoowel als gij:Is ’t weer te guur,By KnelisbuurDaar stookt men ’t vuurEn warmt men sich de leden.Vat kou ons bij ’t lijf,Dan stelt zijn wijfTot ons gerijfMet lekkeren wijn ons tevreden.En wie dan met tang en met glazen kan schermen,Die kan zich van buite en van binne verwermen.”“Een klettig lied, en wel ezongen,” zeide de landman: “ik loof warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze dorpszanger, en die is bylo gien prul!”“Wat is uw dorp?” vroeg de reiziger.“Ik woon te Rijming,” antwoordde de boer: “even oet het dorp en krek aan de rivier. ’t Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt, anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap van de hiele waard.”“Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest,” zeide de officier:“doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven.”“Dat ben ik,” hernam Gheryt Maessen: “van te voren woonde ik aan gene zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden.”“Om de religie?” vroeg de officier verbaasd.“Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden as een edelman?” vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: “ik zeg oe man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven al in ’t geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid.”“Teun Wezer!” herhaalde de jongeling: “die placht een groote strooper te zijn, zoo ik mij wel herinner.”“Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr wie kan ’t bewijzen? ’t is maôr, die ’t laôst verteld heit, leeft nog.”“Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas Meinertz is?” vroeg de vreemdeling.“Of ik Klaas Meinertz ken,” antwoordde Gheryt: “pots dit en dat, wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?—Ik kom zoo van den vent vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet negotie in allerlei....”“Zoo! komt ge van hem vandaan?” vroeg de officier, wiens nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: “het was vol tot zijnent, niet?”“Vol! met kisten en kasten, in ’t voorhuis, ja, dat gaôt wel an.”“Maar met menschen?” vervolgde de reiziger.“Met menschen!” herhaalde zijn reismakker: “dat kan ik juist niet zeggen. Ik heb niemand buiten hem in ’t voorhuis ezien.”“Nu ja, in ’t voorhuis; maar zijn woning is groot.”“Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots is nog aôn de overzijde van de straôt.”“Ik meende echter vernomen te hebben,” hervatte de officier, “dat zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van....” Hier poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.“Van Sinte-Cecilja, meent oe?—Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: maôr die is al lang toeëstopt.”“Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;—en woonden naast dat klooster geen Dominicaner monniken?”“Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer van Sonheuvel.”“Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar neen!....” en de reiziger verzonk in diep gepeins.“Jaô,” vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: “hum was ien vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans naar ’t zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes van hum.”“Zoo!” zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde werd opgewekt: “en wat zegt men dan van dien vromen Prior?”“Jaô,” antwoordde Gheryt Maessen: “voor de waôrheid van het geval staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus te Tiel?—”jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an: maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy mijn keerse vast:—en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext, dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers, zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had, kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe.”“Ik heb die klucht meer gehoord,” zeide de vreemdeling: “doch zij is mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest, die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent gij den Heer van Sonheuvel?”“Of ik hum ken?—dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr, dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon: ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post van veerman het afënomen.”“En denkt men,” vroeg de officier op een toon van stem, dien hij luchtig zocht te maken, “dat zij zin in hem heeft?”“Of zij zin in hem heeft?” herhaalde Gheryt Maessen, een stemmiggelaat trekkende: “nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden kan. Wat zegt het lied:Wie weet ooit, wat een meisken wil?Nooit zeit ze, hoe ze ’t mient.Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,Dan heeft ze weer een aôren gril:’t Valt zwaôr, in ’t stuk der min,Te weten wat een vrijster dient,Te kennen heuren zin.En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in.”“Nu ja, dat is zoo,” zeide de reiziger: “doch wat denkt men in ’t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn vrijage?”“Kans?” hernam Maessen, verbaasd opziende: “wel man, hoe kan oe zoo iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is, wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de schaôl wel iens overslaôn.”“En wat is dat eene kleintje?” vroeg de officier, op een toon, die te kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.“Dat is,” zeide de boer, “wanneer een klein, klein kuipedootje zich in de aôre schaôl plaatst.”De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen voor ’t oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd, en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering riep met deze woorden: “hier langs gaôn wij naôr mijn woning.”De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij, een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen, die den rook van zijnschoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!—nauwelijks was de in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden, die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch niet geheel onaanzienlijke hoeve.Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin ontving, toen hij, met een vroolijk: “gen avond samen!” zijn woning binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder hartelijken toon, een: “gen avond vader!” zich liet hooren. Drie kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in ’t gemoet geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder bedaard op de warme plaat ter ruste.“Gen avond, Gheryt!” zeide moeder: “kom, Klaôske! zet een bank voor vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?—Maôr kijk, daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had.”“Gen avond vader! gen avond Gherytman!” herhaalde de vrouwdes huizes, haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: “komt oe mij niet eens een toet geven?”“Hier ben ik al, vrouwke!” zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te hebben: “hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?” En meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.“Dat’s maôr zoo passelijk met onze Els,” zeide moeder: “ze heit weer wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben, nietwaôr ook, Elske?”“Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen,” merkte de luchthartige Gheryt aan: “ik heb teugen dat oe weer trek in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom, Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?” Hier klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder.“En wie heit oe dan met ebracht?” vroeg de moeder, terwijl zij haar bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter te kunnen zien: “wie is dat heerschop?”“Dat heb ik hum nog niet evraôgd,” antwoordde de zoon met een gullen lach: “de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit.”“Ik hoop niet, moeder!” zeide de vreemdeling, toetredende, “dat ik u eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig heb ik zijn aanbod aangenomen.”“Oe is welkom, heerschop!” zeide de oude vrouw: “men zeun doet wel: want wat zeit de schrift:ik was vreemdeling en ghij hebt mij geherbergd.”“Bewaôr ons!” riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: “man! wat is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?””’t Ware best,” zeide de oude vrouw, “dat het heerschop zijn natte kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok, Gheryt! want zoo kan de man niet blijven.”“Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;—ei Klaôske! haôl iens ezwind mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den man goeddoen!”De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid, dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude, zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had, was hij in een staat van overspanning gebleven,die hem nu des te duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en den oudsten zoon den natten overrok van ’t lijf, en de niet minder natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had.“Zal oe nu niet wat met eten?” vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. “Kijk, dat lacht oe toe!” en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, dien de oude vrouw had opgebracht.“Hartelijk dank!” zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand leunende: “gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op ’t oogenblik niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar weer op reis begeef.”—Met deze woorden rees hij op en poogde een paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf, en hij viel weer op zijn bankje neder.“Droomt oe man?” zeide Gheryt: “oe zult van dezen nacht geen stap verder doen, hoor!—Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken, dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg en laôt weder heentrekken als oe wilt.”“Ik hier blijven?” vroeg de reiziger: “dat zal u immers hinderen?”“Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!”“De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het kabinet,” zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek gehoord had.Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht, weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd houdende op den rijstebrijschotel.“Het doet mij van harte leed,” zeide de vreemdeling tegen Gheryt, “dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, dat ik hen in die verrichting storen kom.”“Bekommer oe niet,” riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: “’t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt....”“Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden,” zeide de reiziger, haar volzin voleindigende; “maar daar komt moeder al weder terug; houdt u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder wel alleen klaarkomen.”De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in ordewas; waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename nachtrust alleenliet.“Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!” zeide de moeder, toen het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: “het was toch ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch, dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens willen vertellen!”“Ja moeder!” zeide Grheryt: “dat weet ik niet recht: genoeg was het voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of vagebond. Had de man kwaôd in ’t zin ehad, dan had hum mij immers kunnen doorsteken met ’t braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte schoone goldene ringen hum aan de hand had?”“God geve,” zeide de meer ergdenkende oude vrouw, “dat hum daôr eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen: ik wil gaôrne het beste van hum elooven.”
Gy meught van nacht by ons wel blyven rustenWy hebben t’huis rype app’len, zoo ze u lusten,De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.Virgilius, Ecl. I. Vert. van Vondel.
Gy meught van nacht by ons wel blyven rustenWy hebben t’huis rype app’len, zoo ze u lusten,De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.
Gy meught van nacht by ons wel blyven rusten
Wy hebben t’huis rype app’len, zoo ze u lusten,
De nieuwe vrucht, kastanje en stremsel.
Virgilius, Ecl. I. Vert. van Vondel.
De blijdschap van onzen reiziger verminderde spoedig, toen hij bemerkte, dat hij er nog weinig bij gewonnen had, met zich buitenshuis te bevinden, daar de deur, welke hij uitgetreden was en dadelijk achter zich had dichtgetrokken, nergens anders heenbracht dan op een steigertje, dat tusschen hooge muren aan den kant der stadsgracht gebouwd was. Hoewel de vluchteling weinig trek gevoelde om, zoo gekleed als hij was, te water te gaan, begreep hij, na een kort beraad, dat er toch voor hem niets beter opzat dan een spoedige vlucht. Het was reeds donker geworden, en de duisternis belette de schildwachten, die ver van daar op de stadswallen geplaatst waren, hem gewaar te worden bij zijn overtocht. Hij liet zich dus zachtjes in ’t water glijden en zwom, met zoo weinig gerucht mogelijk, naar de overzijde. Daar gekomen, kroop hij op handen en voeten de buitenwerken der stad langs en over, en kwam eindelijk behouden op een voetpad aan, dat hem, achter de voorstad om, op den weg naar den Rijn bracht. Het was omstreeks negen uren en dus zoogoed als duister, toen hij zich, nu buiten het gezicht van iedereen, aan den voet van een wilgeboom nederzette om zich, zoogoed hij kon af te drogen en tevens eens te overleggen, wat hem tedoen stond. Dat hij door een misverstand in het huis van Klaas Meinertz geraakt was, scheen hem duidelijk genoeg toe; doch dat de woning eens eerwaardigen schrijnwerkers vol zou wezen van lieden van dat slag als hij er in gevonden had, dit kwam hem zonderling voor. Spoedig echter hielp hem zijn plaatselijke kennis, om dat raadsel gedeeltelijk op te lossen. Aan den stadswal, dat wist hij, stonden nog onderscheidene gebouwen, welke eertijds tot mannen- en vrouwenkloosters gediend hadden, doch bij de Hervorming meerendeels door ’t gemeen vernield of althans uitgeplunderd waren: en het was wellicht met een van die gestichten, dat het huis van Meinertz gemeenschap had. Doch, dat zulk een gebouw nog bewoond zou wezen, dat er menschen van zoo verschillende geloofsbelijdenis in vergaderden en vooral dat er zich een kruitkamer in bevond, dit kwam hem onverklaarbaar voor en wekte in hem vermoedens op, dat er verraad achter school. De voorzitter vooral dier geheime vergadering herinnerde hem iemand, dien hij in lang verloopen jaren nogmaals ontmoet had, waar en wanneer wist hij niet; doch het kwam hem voor, alsof die man ook toen in een zaak van hoogverraad betrokken ware geweest en zijn hulp had ingeroepen. Doch, aan wien zoude hij al wat hij gezien had, gaan verklaren? De Ambtman zelf scheen dan toch in het geheim te wezen; daarenboven, waren zijn vermoedens wel gegrond?—hij was zoolang in vreemde landen geweest, en in zijn afwezigheid kon er zooveel in zijn vaderland gebeurd zijn. En toch! het geheimzinnige, waarmede zich al de personen, die hij aangetroffen had, omhulden!....
Hij begreep eindelijk, dat het in allen gevalle geen zaak was, terug te keeren, wijl men niemand, na zonsondergang, de poort meer inliet: en daar hij om zijn doornatte kleederen niet langer stil kon blijven, vervolgde hij zijn voetreis, hoewel hij in Tiel paard en mantelzak achterliet; doch daarvoor zou, naar zijn meening, de waard in denGouden Ooievaarde noodige zorg dragen. Zijn besluit dus genomen hebbende, wandelde hij langs den zwaren zandweg noordwaarts op. De lucht was helder en gebalsemd door den geur van duizenden welriekende kruiden, als de kamille, het pijpenkruid en dergelijke, die tusschen het wilgenhout in aan de slootkanten groeiden. Vriendelijk zag de opkomende maan in vollen luister neder over de wijduitgestrekte weilanden, of over de heerlijke boomgaarden, die met millioenen ontlokene bloesems als met een sneeuwwit laken schenen overdekt te wezen. Van verre hoorde men, schoon verflauwd door den afstand, de zuivere tonen der nachtegalen uit de omliggende boschjes weerklinken. Dichterbij werd het oor min aangenaam getroffen door het, ja buitenachtig, doch niet vermakelijk gerikkik der vorschen. Dan ook de muziek van deze poelbewoners, het eentonigebrekkekekez coax coax, was den reiziger welkom; het had iets nationaals, iets harmonisch voor zijn gehoor.
Omtrent een uur had hij met een stevigen tred doorgestapt, toen hij op een kleinen afstand een vroolijk liedje door een heldere stem hoorde opzingen, en kort daarna een landbouwer voor zich gaan zag, onder de vracht van eenige hammen gebukt, welke hij aan eenstok gebonden op den schouder droeg. Het viel onzen reiziger niet moeilijk, den veldeling eerlang op zijde te komen, en de woorden van het liedje van Starter te onderkennen, welke aldus luidden:
Wy syn in ’t soetste van ons jeught,In ’t allerschoonste van ons tijt,En dat wy die niet sonder vreughtDus klackloos worden quijt.Wanneer den grijsen ouderdomDe groente van ons jeught verdort,Dan komen all’ ons lusten omDe vreught wordt opgeschort.
Wy syn in ’t soetste van ons jeught,
In ’t allerschoonste van ons tijt,
En dat wy die niet sonder vreught
Dus klackloos worden quijt.
Wanneer den grijsen ouderdom
De groente van ons jeught verdort,
Dan komen all’ ons lusten om
De vreught wordt opgeschort.
Dus wel an.Laat ons dan,Wijl men maghEn de tijtSullix lijdtMet verdragRecht lustigh wesen,Vreught wort gepresen,En lachen in ’t gelach.
Dus wel an.
Laat ons dan,
Wijl men magh
En de tijt
Sullix lijdt
Met verdrag
Recht lustigh wesen,
Vreught wort gepresen,
En lachen in ’t gelach.
“Gij schijnt vroolijk, landman!” zeide de reiziger, nadat de dorpeling zijn liedgeëindigden zijn groet met een wederkeeriggen avondbeantwoord had.
“Dat ben ik ook, koopman!” was het antwoord: “en wie zou ook niet vroolijk wezen op zoo een schoonen avond? en althans as men zoo een goede welkomt’huis met brengt, alhoewel de vracht zwaôr enoeg is.”
“Het lijken wel hammen, die gij daar in uw mars hebt,” merkte de reiziger aan.
“Dat raodt ge de koekoek, koopman!” hervatte de dorpsbewoner: “het zijn Westfaolingers en dus zullen ze er wel op lijkenen. Ik heb ze bij occasie ekregen, en blij toe! want ze zeggen het zal haast weer oorlog wezen en dan: hadie vreemde producten.... is ’t nietwaôr, koopman?”
“Maar ziet ge dan niet, vriendlief,” zeide zijn reisgenoot, “dat ik geen koopman ben?” Hier wees hij op zijn degen.
“Dat oe de pikken!.... wat zijt ge dan? toch geen soldaôt, hoop ik: want dan zeg ik:beso los manos. Bonsoer mon frinte, adiu!en gaat oe rechts, ik slaô linksom; want de soldaôten zijn maôr boerenplaôgen. Hoe zeit het liedeken?
Tire le vin!’t sa spoelt de glazen!Faictes grand chère, laet droefheyt staenEn laet ons roepen, tieren, rasen,Vive la guerre!de krijg gaet aen.
Tire le vin!’t sa spoelt de glazen!
Faictes grand chère, laet droefheyt staen
En laet ons roepen, tieren, rasen,
Vive la guerre!de krijg gaet aen.
’t Sa lustigh! ’t sa, laet het glas omgaen.Ick moet nu pooien, want ick sal weerDe boeren plagen, ’t kan nu niet dragen,Of ick een daeldertje meer verteer.”
’t Sa lustigh! ’t sa, laet het glas omgaen.
Ick moet nu pooien, want ick sal weer
De boeren plagen, ’t kan nu niet dragen,
Of ick een daeldertje meer verteer.”
“Ik ben een afgedankt krijgsman,” zeide de officier, lachende: “ge hebt dus van mij niets te vreezen, noch voor u noch voor uw hammen.”
“Warentig! nou, dan is ’t alles zeven,” zeide de boer, zijn reisgenoot op den schouder kloppende: “maôr wat pots honderd tausent slapferment is dat? oe kleeren zijn zoo nat as er an toe! waôr het oe gezeten? het oe in de sloot elegen?”
“Zoo half en half,” was het antwoord van zijn reisgenoot.
“Wel me dunkt wel hiel ende al,” hernam de landman, hem van top tot teen in oogenschouw nemende: “en mot je nog ver loopen, eer je oe voor een viertje drogen kunt?”
“Nog een goede stond. Ik ga naar Sonheuvel.”
“En zal oe met dat natte pak den Rijn overvaren? Dat zalpardienneniet beuren. Eerst kan je in onze keuken oe wat wermen, man!”
“Van harte gaarne: en dan wil ik de onkosten van een flesch wijn dragen om samen uit te drinken,” zeide de officier.
“Jij bent een nobele baôs!” hernam de boer: “maôr niemand zal van Gheryt Maessen ooit zeggen, dat ie zich in zijn eigen woning heeft laten trakteeren: wijn zal ik oe geven, zonder dat hij oe een duit kost; want de mensch moet zich zoowel van binnen als van buiten verwermen.”
“Daar zegt ge wel an, landman!—en om u te toonen, dat ik ook liedekens weet, zoowel als gij:
Is ’t weer te guur,By KnelisbuurDaar stookt men ’t vuurEn warmt men sich de leden.Vat kou ons bij ’t lijf,Dan stelt zijn wijfTot ons gerijfMet lekkeren wijn ons tevreden.En wie dan met tang en met glazen kan schermen,Die kan zich van buite en van binne verwermen.”
Is ’t weer te guur,
By Knelisbuur
Daar stookt men ’t vuur
En warmt men sich de leden.
Vat kou ons bij ’t lijf,
Dan stelt zijn wijf
Tot ons gerijf
Met lekkeren wijn ons tevreden.
En wie dan met tang en met glazen kan schermen,
Die kan zich van buite en van binne verwermen.”
“Een klettig lied, en wel ezongen,” zeide de landman: “ik loof warentig, als je niet zoo nat waôrt, oe zoude zingen as onze dorpszanger, en die is bylo gien prul!”
“Wat is uw dorp?” vroeg de reiziger.
“Ik woon te Rijming,” antwoordde de boer: “even oet het dorp en krek aan de rivier. ’t Is wel te zien, dat oe een vreemdeling zijt, anders zoude oe Gheryt Maessen wel kennen, den vroolijksten knaap van de hiele waard.”
“Ik ben verscheidene jaren buitenslands geweest,” zeide de officier:“doch gij moet in dien tusschentijd hier zijn komen wonen; want te voren kende ik al de landluiden uit den omtrek zoogoed als mij zelven.”
“Dat ben ik,” hernam Gheryt Maessen: “van te voren woonde ik aan gene zijde van Tiel en was veerman over de Waal; een goede bediening en een gemakkelijk postje; maôr ik ben om de religie vervolgd eworden.”
“Om de religie?” vroeg de officier verbaasd.
“Jaô! jaô! mag een gemeen niet evengoed om de religie vervolgd worden as een edelman?” vroeg de landbewoner, eenigszins gebelgd: “ik zeg oe man, ik werd van Arminianerij beschuldigd en te gelijk met de schepens Tymen Tymenz en Leendert Leendertz van mijn post afgezet, en die werd aan Teun Wezer egeven, dat een vent is, die boven Arminiaansch boven al in ’t geheel maôr van geen godsdienst afweet. Ja, zoo gaôt het al in de wereld. Wat zal men doen? Patientie is goed kruid.”
“Teun Wezer!” herhaalde de jongeling: “die placht een groote strooper te zijn, zoo ik mij wel herinner.”
“Dat heit oe recht, sinjeur! en dat was zoo wat zijn eenige treftigheid. Maôr wat was het? de vent had veul voorspraak bij de groote lui: men zeit wel, dat hum nou en dan wel ereis boodschappen liep naôr den overkant, die zoo maôr half in den haôk waren; maôr wie kan ’t bewijzen? ’t is maôr, die ’t laôst verteld heit, leeft nog.”
“Zoo gij te Tiel zoo welbekend zijt, weet ge voorzeker ook, wie Klaas Meinertz is?” vroeg de vreemdeling.
“Of ik Klaas Meinertz ken,” antwoordde Gheryt: “pots dit en dat, wie kent hem niet? of liever, wie kent hum?—Ik kom zoo van den vent vandaôn: hum heit mij bij occasie die hammen bezorgd; want hum doet negotie in allerlei....”
“Zoo! komt ge van hem vandaan?” vroeg de officier, wiens nieuwsgierigheid door deze omstandigheid werd gaande gemaakt: “het was vol tot zijnent, niet?”
“Vol! met kisten en kasten, in ’t voorhuis, ja, dat gaôt wel an.”
“Maar met menschen?” vervolgde de reiziger.
“Met menschen!” herhaalde zijn reismakker: “dat kan ik juist niet zeggen. Ik heb niemand buiten hem in ’t voorhuis ezien.”
“Nu ja, in ’t voorhuis; maar zijn woning is groot.”
“Zijn woning groot! dat kan ik ook alweder niet gaôf toestemmen: want behalve den winkel is er niets dan een opkamertje: en zijn werkplaots is nog aôn de overzijde van de straôt.”
“Ik meende echter vernomen te hebben,” hervatte de officier, “dat zijn huis gemeenschap had met het oude konvent van.... van....” Hier poosde hij om zijn reisgenoot het slot van zijn rede te doen aanvullen.
“Van Sinte-Cecilja, meent oe?—Ja, dat was zoo in vroegeren tijd: maôr die is al lang toeëstopt.”
“Van Sinte-Cecilia, juist! zoo ik mij wel herinner was er een vrouwenklooster van dien naam, waarvan de nonnen nog niet uitgestorven zijn zullen, sedert zij her- en derwaarts verhuisd zijn;—en woonden naast dat klooster geen Dominicaner monniken?”
“Dat heit oe recht. De laatste Prior van de Dominicaners was, gelijk men mij wel verteld heit, van de namaôgschap van den Heer van Sonheuvel.”
“Van den heer van Sonheuvel?.... zou het mogelijk wezen, dat.... maar neen!....” en de reiziger verzonk in diep gepeins.
“Jaô,” vervolgde zijn makker, zonder daarop acht te geven: “hum was ien vroom man of is het nog, want ik weet niet of hum nog leeft, althans naar ’t zeggen van de Paôpschen: ze vertellen al raôre historietjes van hum.”
“Zoo!” zeide de officier, wiens nieuwsgierigheid door dit gezegde werd opgewekt: “en wat zegt men dan van dien vromen Prior?”
“Jaô,” antwoordde Gheryt Maessen: “voor de waôrheid van het geval staô ik niet in, dat riekt mij zoo paôpsch; maar mijn grootje heit het mij meermalen verteld. Eens zei een klein onnoozel duvelken tegen ien grooten leepen duvel: kent oe den Prior van Sint-Dominicus te Tiel?—”jaô, zei de groote duvel weer; nou, zei het duvelken, ik verwed er vijfhonderd stokslagen onder, dat ik hum van puren schrik zijn stoedeerkamer oetdrijf. Top! zeide daarop de groote duvel: zoo ezeid zoo edaôn: het duvelken springt in een wip voor den Prior op de tafel, waôrvoor hum bij de keerse te lezen zat, en maôkt honderd kromme sprongen vlak voor zijn neus; maôr het raôkte den Prior niet eenemaôl aan zijn kouwe kleeren: het duvelken weêr van voren of an: maôr wat zeit toen de Prior? Duvelken! zeit hum: ik beveel oe, houdy mijn keerse vast:—en het duvelken was zoo veraltereerd en perflext, dat hum de keerse oet den kandelaôr nam en den Prior lichtte. Nu liep de keerse sterk of en het smeer droop het duvelken op de vingers, zoodat hum wel ebulkt en ekreten zoude hebben, maar hum dorst niet om den Prior. Eindelijk brandde de keerse hiel en al weg, en duvelkenmaôt kreeg van den Prior verlof om heen te gaôn; maôr zijn poot was deerlijk verbrand en daôr hum de weddingschap verloren had, kreeg hum nog vijfhonderd stokslaôgen toe.”
“Ik heb die klucht meer gehoord,” zeide de vreemdeling: “doch zij is mij altijd van een veel ouderen Heer van Sonheuvel verhaald geweest, die lang voor de Reformatie leefde;.... doch dat daargelaten! Kent gij den Heer van Sonheuvel?”
“Of ik hum ken?—dat geloof ik! een nobel heer, bij mijn zolen, en zijn dochter is een pronte meid en een goede buur, dat moet ik zeggen: sinds mijn wijf laôst een kwaôde kraôm ehad heit, komt ze om den aôren dag naar heur kijken en brengt altijd zoo wat een liflafje met, als kostelijken zoeten wijn en aftreksel van lindebloeisels met een mengsel er bij, dat zij zelvers maakt, en zoo voort: ik hoop maôr, dat we heur niet kwijtraôken; want zij zeggen, ze gaôt trouwen met den Ambtman Mom, en misselijken pottentaôt, die heur vaôder wel wezen kon: ik mag hum niet best zetten: misschien wel omdat hum mij mijn post van veerman het afënomen.”
“En denkt men,” vroeg de officier op een toon van stem, dien hij luchtig zocht te maken, “dat zij zin in hem heeft?”
“Of zij zin in hem heeft?” herhaalde Gheryt Maessen, een stemmiggelaat trekkende: “nu vraôgt oe mij ook meer dan ik oe antwoorden kan. Wat zegt het lied:
Wie weet ooit, wat een meisken wil?Nooit zeit ze, hoe ze ’t mient.Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,Dan heeft ze weer een aôren gril:’t Valt zwaôr, in ’t stuk der min,Te weten wat een vrijster dient,Te kennen heuren zin.
Wie weet ooit, wat een meisken wil?
Nooit zeit ze, hoe ze ’t mient.
Dan heeft ze deuzen tot heur vriend,
Dan heeft ze weer een aôren gril:
’t Valt zwaôr, in ’t stuk der min,
Te weten wat een vrijster dient,
Te kennen heuren zin.
En daôr heeft de maôker van dit referijnken wel deugdelijk elijk in.”
“Nu ja, dat is zoo,” zeide de reiziger: “doch wat denkt men in ’t algemeen? Zou de Ambtman nogal kans hebhen om te slagen in zijn vrijage?”
“Kans?” hernam Maessen, verbaasd opziende: “wel man, hoe kan oe zoo iets onnoozels vraôgen? Als men een schoonen naam, een goed fortuin en een hoogen post heeft, en als men daarbij dan niet oetermate leelijk, niet oetermate dom, niet oetermate old, niet oetermate boos is, wel dan heeft men, naôr mijn slechte verstand, alle kansen voor zich en maôr een kleintje tegen: wel is waôr, dat iene kleintje doet de schaôl wel iens overslaôn.”
“En wat is dat eene kleintje?” vroeg de officier, op een toon, die te kennen gaf, dat hij het antwoord op zijn vraag zeer wel voorzag, doch aan Gheryt Maessen het genoegen niet ontnemen wilde van het te geven.
“Dat is,” zeide de boer, “wanneer een klein, klein kuipedootje zich in de aôre schaôl plaatst.”
De vreemdeling antwoordde niet op deze grap. Een gedachte, wij kunnen voor ’t oogenblik niet beslissen welke, had hem geheel vermeesterd, en met een diep stilzwijgen verzelde hij den eerlijken Gheryt, totdat deze, op een linksafslaand paadje wijzende, hem uit zijn mijmering riep met deze woorden: “hier langs gaôn wij naôr mijn woning.”
De reiziger zag op en trad zijn vroolijken makker na langs het zandige voetpad. Slechts eenige minuten gaans hadden zij afgelegd. toen zij, een dijk opkomende, die den vrijen uitkijk belemmerd had. de zilveren stroomen van den Rijn aan hun zijde vloeien zagen: slechts even bewoog een zachte wind het langzaam vlietend water, en niet meer dan genoeg om op elk golfje den zuiveren schijn der maan te doen glinsteren. Aan de overzijde der rivier vertoonde zich de lachende oever, met boomgaarden en boomen en bosschages dicht beplant, welke in de verte zich verbindende en tegen den rijzenden grond oploopende, bij avond de gedaante van een dicht en majestueus bosch opleverden. Prachtig blakend van den helderen glans der maan, rees de kerktoren van Sonheuvel uit het geboomte, en daarnevens blonken de leien daken van het slot tusschen de kruinen der lindeboomen. De goede Maessen, die den rook van zijnschoorsteen voor zich uit zag omhoogstijgen, verwaardigde het hier beschreven schouwspel met geen enkelen blik, en stapte, nu hij, zoo hij meende, de keuken reeds begon te ruiken en den welkomstgroet van zijn hofhond hoorde, met verdubbelden spoed vooruit. Zijn reisgenoot scheen meer gevoel voor de schoone natuur te bezitten; althans hij volgde met trager schreden en hield het oog onafgebroken op de overzijde der rivier gevestigd, zoolang totdat het pad weder nederwaarts afliep en de dijk hem opnieuw belette, zich in de beschouwing van dat prachtig natuurtooneel te verlustigen. En, zonderlinge wisseling der menschelijke gedachten!—nauwelijks was de in hooggestemde mijmeringen verdiepte jongeling verplicht geweest, den dijk voor het lagere pad te verlaten, of de sombere denkbeelden, die zijn ziel vervulden, verlieten hem: het ideale maakte plaats voor het wezenlijke, en, met een genoegen, bijna gelijk aan dat van zijn boerschen reisgenoot, zag hij de woning voor zich staan, welke het doel van hun tocht was: ook hij begon zich in de gedachte te verlustigen, van welhaast bij een warm vuur, onder het gebruik van een goed glas wijn, zijn zorgen te kunnen verzetten, en zoowel den innerlijken als den uiterlijken mensch te verwarmen. Met deze aangename gewaarwordingen doordrongen, stapten beiden lustig verder en bevonden zich weldra aan het hek van des huismans nederige, doch niet geheel onaanzienlijke hoeve.
Hartelijk was de verwelkomst, die Gheryt Maessen van zijn gezin ontving, toen hij, met een vroolijk: “gen avond samen!” zijn woning binnentrad. Zijn bejaarde moeder stond van achter de tafel op, waaraan zij gezeten was, sloeg den huisbijbel, die voor haar lag, toe, na alvorens haar bril te hebben afgezet en bij de plaats gelegd waar zij gebleven was, en maakte zich gereed haar zoon te omhelzen. Een eenigszins vermagerde arm richtte het gordijn op eener in den hoek der kamer aanwezige bedstede, waaruit op een flauwen, doch niet minder hartelijken toon, een: “gen avond vader!” zich liet hooren. Drie kloeke, wel doorvoede kinderen, waren hun vader reeds in ’t gemoet geschoten en de jongste hing hem om den hals; doch de twee anderen, den vreemdeling nu bemerkende, die aan vaders zijde binnenkwam, traden beteuterd achteruit en bleven, den wijsvinger der linkerhand over de benedentanden gekromd houdende, op een afstand staan, van waar zij nu en dan het waagden, de oogen op te slaan, om den vreemdeling van ter zijde te bekijken. Een keffertje, dat eerst met een geweldige drift op den reiziger was aangetogen en vervolgens al grommend en knorrend tusschen diens beenen gesnuffeld had, als wilde hij aan de kuiten de plaats uitzoeken, waar het beste vleesch te happen ware, scheen over zijn onderzoek voldaan: althans het keerde terug en vlijde zich weder bedaard op de warme plaat ter ruste.
“Gen avond, Gheryt!” zeide moeder: “kom, Klaôske! zet een bank voor vaôder als een man. Nu! hoe staôt oe zoo te lanterfanten?—Maôr kijk, daôr het onze Gheryt nog iemand bij hum, dien ik niet eens ezien had.”
“Gen avond vader! gen avond Gherytman!” herhaalde de vrouwdes huizes, haar bedgordijn al verder opschuivende en zich half oprichtende: “komt oe mij niet eens een toet geven?”
“Hier ben ik al, vrouwke!” zeide Gheryt, na zijn moeder gekust te hebben: “hier ben ik: hoe staôt het er met sinds van mergen?” En meteen trad hij toe en drukte zijn vrouw hartelijk in zijn armen.
“Dat’s maôr zoo passelijk met onze Els,” zeide moeder: “ze heit weer wat koorts ehad, maôr het eten lijkt er toch nogal esmaôkt te hebben, nietwaôr ook, Elske?”
“Nu, zoolang de appetijt er maôr is, zal het zoo spaôk niet loopen,” merkte de luchthartige Gheryt aan: “ik heb teugen dat oe weer trek in stevigen kost krijgt, een viertal kostelijke hammen met ebracht: zij zijn puik puik, vrouwke! daar kan oe staôt op maôken. Maôr kom, Klaôske! zet me fluks eens als een man een bankje an den haôrd en leg mij wat takkebossen op het vuur: want hier heb ik een wilden vogel bij mij, die aôrs licht verkouen zou raken, nietwaôr ook, man?” Hier klopte hij zijn gast vriendelijk op den schouder.
“En wie heit oe dan met ebracht?” vroeg de moeder, terwijl zij haar bril weer voor den dag haalde en opzette, om den vreemdeling beter te kunnen zien: “wie is dat heerschop?”
“Dat heb ik hum nog niet evraôgd,” antwoordde de zoon met een gullen lach: “de man is doornat, en ik wil hum niet toelaten, den Rijn over te vaôren eer hum zich eerst wat ewarmd heit.”
“Ik hoop niet, moeder!” zeide de vreemdeling, toetredende, “dat ik u eenig ongerijf zal veroorzaken: ik heb mijn gezelschap uw zoon niet opgedrongen; maar hij heeft mij gulhartig verzocht en even gulhartig heb ik zijn aanbod aangenomen.”
“Oe is welkom, heerschop!” zeide de oude vrouw: “men zeun doet wel: want wat zeit de schrift:ik was vreemdeling en ghij hebt mij geherbergd.”
“Bewaôr ons!” riep Gheryt uit, toen de reiziger zich op een houten drievoet naast het nu helder brandend vuur had nedergezet: “man! wat is oe nat! waôr drommel heit oe ezeten?”
”’t Ware best,” zeide de oude vrouw, “dat het heerschop zijn natte kleeren ging uittrekken en een wammes en broek van oe antrok, Gheryt! want zoo kan de man niet blijven.”
“Jaô waôrlijk moeder, dat eloof ik ook;—ei Klaôske! haôl iens ezwind mijn fluweelen wammes en mijn fulpen broek oet de kleêrkas: en oe Sijmen, krijg eens de brandewijnflesch! een hartversterking zal den man goeddoen!”
De reiziger bracht tegen de vriendelijke en zoo wel gemeende verplegingen van zijn gastheer geen bedenkingen in: alleen zeide hij zoo wat binnensmonds, dat het hem speet, dat men om zijnentwil zooveel omslag maakte; het was echter geen gebrek aan hoffelijkheid, dat hem belette, iets meer tegen die verzorging in te brengen, maar hij gevoelde zich, door de uitgestane vermoeienis, schrik en koude, zoodanig verward en versoezeld, dat het hem moeite kostte menige woorden geregeld uit te brengen. Zoolang hij geloopen en gepraat had, was hij in een staat van overspanning gebleven,die hem nu des te duurder te staan kwam. Trillend en bevend, en als geheel zonder besef van hetgeen er gebeurde, liet hij zich door den braven huisman en den oudsten zoon den natten overrok van ’t lijf, en de niet minder natte laarzen en broek van de beenen halen, welke kleedingstukken vervolgens plaats maakten voor het zondagsgewaad van Gheryt, waarin de vreemdeling een vrij zonderling voorkomen had.
“Zal oe nu niet wat met eten?” vroeg hem zijn gastheer, nadat beiden zich met een goede teug brandewijn verfrischt hadden. “Kijk, dat lacht oe toe!” en hier wees hij op een grooten schotel rijstebrij, dien de oude vrouw had opgebracht.
“Hartelijk dank!” zeide de vreemdeling, met het hoofd op de hand leunende: “gij zijt al te vriendelijk! maar ik zou nu op ’t oogenblik niet in staat zijn, een brok eten door de keel te krijgen. Het best zal wezen, dat ik, zoodra mijn kleeren wat gedroogd zijn, mij maar weer op reis begeef.”—Met deze woorden rees hij op en poogde een paar stappen te doen; doch zijn knieën knikten hem onder het lijf, en hij viel weer op zijn bankje neder.
“Droomt oe man?” zeide Gheryt: “oe zult van dezen nacht geen stap verder doen, hoor!—Ik loof waarachtig, dat oe niet vrij van koorts is: blijf oe van dezen nacht maôr hier: wij zullen het wel schikken, dat oe het warmpjes enoeg zult hebben: en dan kan oe morgen zoo vroeg en laôt weder heentrekken als oe wilt.”
“Ik hier blijven?” vroeg de reiziger: “dat zal u immers hinderen?”
“Niet het minst! niet het minst! breek daôr oe hoofd maôr niet met. Wat zegt oe moeder? er kunnen immers schoone laôkens in de bedstee van het opkaômerke worden ebracht, en dan, klaar is Kees!”
“De sloopen van de kussens liggen op het rechtsche plankje in het kabinet,” zeide de zieke vrouw, welke uit hare bedstede het gesprek gehoord had.
Nu haastte zich de moeder, het noodige bijeen te zoeken en begaf zich vervolgens naar het opkamertje, alwaar zij het nachtverblijf van den vreemdeling gereed maakte. Onderwijl stonden de kinderen, met de vertraging, welke dit oponthoud in hun avondeten bracht, weinig tevreden, om de tafel te nagelbijten, hun oogen strak gevestigd houdende op den rijstebrijschotel.
“Het doet mij van harte leed,” zeide de vreemdeling tegen Gheryt, “dat uw moeder zich om mijnentwille zooveel moeite geeft.... waarom niet gewacht tot na den eten? Uw kinderen zullen kwaad op mij wezen, dat ik hen in die verrichting storen kom.”
“Bekommer oe niet,” riep de vrouw des huizes uit hare bedstede: “’t spijt mij maôr, dat ik oe niet helpen kan en dat ik juist op mijn bed moet liggen: nu, als oe op een aôre keer wederom komt....”
“Dan hoop ik u fiks en gezond te vinden,” zeide de reiziger, haar volzin voleindigende; “maar daar komt moeder al weder terug; houdt u toch niet langer om mijnentwille op, goede vrienden! Ik zal verder wel alleen klaarkomen.”
De oude vrouw meldde nu, dat alles op het bovenkamertje in ordewas; waarop Gheryt, de lamp uit haar hand nemende, zijn gast voorlichtte, en naar het slaapvertrek geleidde, waar hij, na stellig bescheid ontvangen te hebben dat de reiziger niets meer noodig had en het verder wel alleen zou klaren, hem onder het toewenschen eener aangename nachtrust alleenliet.
“Het was toch wat ewaôgd van oe, Gheryt!” zeide de moeder, toen het gansche huisgezin aan den disch was nedergezeten: “het was toch ewaôgd, dien vreemden man zoo maôr bij ons te noodigen. Ik loof toch, dat hum een hupsche borst is; maôr hum kon toch ook wel een dief of een moordenaar zijn: hoe kwam hum zoo nat? dat heit hum niet iens willen vertellen!”
“Ja moeder!” zeide Grheryt: “dat weet ik niet recht: genoeg was het voor mij, dat de man nat was en ook niet sprak als een schelm of vagebond. Had de man kwaôd in ’t zin ehad, dan had hum mij immers kunnen doorsteken met ’t braôdmes, dat hum op zijde heeft, en mij mijn hammen afnemen eer ik er om dacht. En dan, heit oe niet ezien wat een kostelijke goldene keten hum onder zijn wammes droeg en watte schoone goldene ringen hum aan de hand had?”
“God geve,” zeide de meer ergdenkende oude vrouw, “dat hum daôr eerlijk is an ekomen. Doch we meugen onzen naôsten niet oordeelen: ik wil gaôrne het beste van hum elooven.”