The Project Gutenberg eBook ofDe Pleiters

The Project Gutenberg eBook ofDe PleitersThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De PleitersAuthor: Jean RacineTranslator: Abraham BogaertRelease date: May 18, 2006 [eBook #18412]Language: DutchCredits: Produced by Louise Hope, Frank van Drogen and the OnlineDistributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (Thisfile was produced from images generously made availableby the Bibliothèque nationale de France (BnF/Gallica) athttp://gallica.bnf.fr)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEITERS ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De PleitersAuthor: Jean RacineTranslator: Abraham BogaertRelease date: May 18, 2006 [eBook #18412]Language: DutchCredits: Produced by Louise Hope, Frank van Drogen and the OnlineDistributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (Thisfile was produced from images generously made availableby the Bibliothèque nationale de France (BnF/Gallica) athttp://gallica.bnf.fr)

Title: De Pleiters

Author: Jean RacineTranslator: Abraham Bogaert

Author: Jean Racine

Translator: Abraham Bogaert

Release date: May 18, 2006 [eBook #18412]

Language: Dutch

Credits: Produced by Louise Hope, Frank van Drogen and the OnlineDistributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (Thisfile was produced from images generously made availableby the Bibliothèque nationale de France (BnF/Gallica) athttp://gallica.bnf.fr)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEITERS ***

Een aantal typografische fouten is gecorrigeerd. Ze zijn metpopupsaangegeven.A few typographical errors have been corrected. They are shown in the text withpopups.

Proficit et Recreat

Privilegie.

Vertooners.

Eerste Bedryf.Eerste Tooneel.Twede Tooneel.Derde Tooneel.Vierde Tooneel.Vyfde Tooneel.Zesde Tooneel.Zevende Tooneel.Achtste Tooneel.

Twede Bedryf.Eerste Tooneel.Twede Tooneel.Derde Tooneel.Vierde Tooneel.Vyfde Tooneel.

(Twede Bedryf.)Zesde Tooneel.Zevende Tooneel.Achtste Tooneel.Negende Tooneel.Tiende Tooneel.Elfde Tooneel.Twalefde Tooneel.Dertiende Tooneel.Veertiende Tooneel.

Derde Bedryf.Eerste Tooneel.Twede Tooneel.Derde Tooneel.Laatste Tooneel.

Narede aan den Leezer.

bild

Myn Nimf, die meer als eens gelukkig was,Dat ze u vernoegde als zy haar Dichten las,Verstout zich om, ô waardevander Plass!

U dus te groeten.

’t Mishaage u niet, dat zy, om zulk een eert’Erkennen, u haar Pleiters wyd, myn Heer,En nevens die, haar hart demoedig neêr

Leit aan uw voeten.

De Schilderkonst, die zy waardeert en acht,En nu weêr in haar eerste staat gebracht,Heeft op haar ziel een onbepaalde macht

Door haar vermoogen.

En die, myn Heer, vliegt met de PoëzyHaar Zúster, zelf d’onsterflykheid voorbij,En twisten nooit om d’opperheerschappy

Met brandende oogen.

Te meer als zy, gelyk myn Nimf beschoud,In diamant, en eeuwig duurzaam goudHaar lof graveert, en op de gronden boud

Van groote lichten.

Ja uw penzeel, die zelf d’aloudheid tart,En Aristiid doorluchtig steekt naar ’t hart,Van schaduwen beneepen noch benart,

Weet van geen zwichten.

Zy, eer gewoon de Helden, trots van moed,Te volgen door een zee van dierbaar bloed,Daar d’eene op ’t hart van d’andre stoot en woed

Om d’oorlogszegen:

Of edeler, en van een grootzer aard,Den vyand uit medoogen red en spaard,Het Heldenbloed in d’aderen bewaard,

En haat den degen,

Volgt nu een trant die ’t doffe hart verheugd,De rouw verkeert in uitgelaate vreugd;Doch die niet wykt van ’t waare spoor der deugd,

Noch van de reden.

Zy volgt de pen van Aristophanes,Die ’t bloedig spoor der groote Euripides,Noch die de trant der wyze Sophocles

Niet na wou treeden.

Terentius heeft nooit zo zoet geboertMenander heeft nooit op ’t Tooneel gevoerdEen stuk, dat zo de harten heeft geroert

Om luit te schateren:

Noch Plautus heeft met Warnaar met den Pot,Al lachchende de feilen zo bespotAls hy: geen Spel had zulk een heerlyk lot

Noch deed zo klaateren.

En wy, myn Heer, wy waaren noch berooftVan zulk een schat, indien dat Dichtren hooftRACINE, die gelyk een zon verdooft

Alle andre lichten,

De laafte hand niet had aan ’t werk geleid,De Griekse lof door zyn verstand verbreid,En Dichters naam gewyd d’onsterflykheid

Door zyn gedichten.

Zy volgt van ver die groote baak in zee,En zoekt by u een lieve en stille ree.Dit wenschtze alleen, dit is alleen haar bee

Na zo veel vlagen.

Ontfangt ze dan met die genegentheid,Als zy dit Spel aan uwe voeten leit,En zie of een die zo bekoorlyk pleit

U kan behagen.

Abraham Bógaert.

DeStaten van Holland ende Westvriesland, doen te weten. Also Ons vertoont is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburgh tot Amsterdam. Dat sy Supplianten sedert eenige jaren herwaerts met hunne goede vrinden hadden gemackt en ten Tooneel gevoert verscheiden Wercken, soo van Treurspelen, Blyspelen als Kluchten, welcke sy lieden nu geerne met den druck gemeen wilden maecken, doch gemerkt dat dese wercken door het nadrucken van anderen, veel van haer luyster, soo in Tael als Spelkonst souden komen te verliesen, ende alsoo sy Supplianten hen berooft souden sien van hun bysonder oogwit om de Nederduytsche Tael en de Dichtkonst voort te setten soo vonden sy hen genootsaekt, om daer inne te voorsien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanigh versoeckende, dat wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verlenen Octroy ofte Privilegie, omme alle hunne wercken reets gemaeckt ende noch in ’t licht te brengen, den tyt van vyftien jaren alleen te mogen drucken en verkopen of doen drucken en verkopen, met verbot van alle anderen op seeckere hooge peene daer toe by Ons te stellen ende voor’s in communi forma. Soo is ’t, dat Wy, de Zake en ’t Versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende ter bede van de Supplianten, uyt Onse rechte wetenschap, Souveraine Macht ende authoriteyt deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mits desen, dat sy geduurende den tyt van vyftien eerst achtereenvolgende jaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyt tot tyt door haer gemaect ende in ’t ligt gebragt sullen werden, Binnen den voorsz. Onsen Lande alleen sullen mogen drukken, doen drukken, uytgeven en verkopen. Verbiedende daerom allen ende eenen yegelyken de selve werken naer te drukken ofte elders naer gedruckt binnen de selve Onsen Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte in gebrachte ofte verkogte Exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te appliceren een derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde-part voor den Armen der plaetse daer het casus voorvallen sal, ende het resterende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het nadrucken van de voorsz. werken, daer door in geenige deele verstaan, den Inhoude van dien te Authoriseren, ofte te avouëren, ende veel min de selve onder Onse protectie ende bescherminge eenig meerde credit, aansien ofte reputatie te geven, nemaer de Suppliante, in cas daar in yets onbehoorlijkx soude mogen influëren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselijk begerende, dat by aldien sy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daer van gene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken; nemaer gehouden sullen wesen, het selve Octroy in’t geheelende sonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drucken; ende dat sy gehouden sullen zyn een Exempelaer van alle de voorsz. werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onse Universiteyt tot Leyden, ende daer van behoorlyk te doen blyken. Alles op pœne van het effect van dien te verliesen. Ende ten eynde de Suppliante desen Onsen consente Octroye mogen genieten als naar behooren: Lasten wy allen ende eenen yegelyken die ’t aengaen mach, dat sy de Suppliante van den inhoude van desen doen, laten en gedogen, rustelyk, en volkomentlyk genieten en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaan in den Hage onder Onsen Grooten Zegele hier aan doen hangen, denXIXSeptember in ’t Jaer onses Heeren en Zaligmakers duysent ses hondert vier en tachtig.

G.FAGEL:Ter Ordonnantie van de StatenSIMONvanBEAUMONT

De tegenwoordigeRegentenvan deSchouwburg, hebben het recht der bovenstaandePrivilegie, voor hetBlyspelvan DE PLEITERS, vergund aan de Erfgenaamen vanAlbert Magnus.

Dandyn,een Rechter.

Leander,Zoon van Dandyn, Minnaar van Izabel.

Jeronimo,een oud Burger.

Izabel,Dochter van Jeronimo.

De Gravin van Narrestyn, &c. &c.

Wouter,Secretaris

Oratyn,Portier

Volkert.

’t Tooneel is te Parys, voor en in ’t huis van Dandyn.

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Oratyn, een groote zak met Processen met zich sleepende.

Ja; ’k zeg als noch, het is een zot die hem vertrouwtOp dingen die hy hoopt, en niet met ’t oog beschouwt,En, als een Ezel hem by d’ooren om laat leijen;Want een die heden lacht, zal morgen zeker schreijen.Een jaar geleên, liet van Gaskonje my van daanEen Rechter komen, en nam my voor Switzer aan.De kaale Fransjes, ha! die Jonkers zonder veeren,Die dachten my toen met hun snoeven wat te scheeren;Maar schoon Gaskonjer, ’k ben een krygsman in myn bloed;’k Snoef meê van houwen, en van kerven, als verwoed.Bloed! al die snoeshaans met hun a la mode kleeren,Die kwamen my terstond hun dienst toen offereeren,’t Was al Heer Oratyn uw dienaar. ’k Lach me slap!Maar zonder geld lach ik met zulk een Ridderschap.’k Kon voor een goed portier van d’Opera passeeren.Men had goed kloppen, en my dus te lermoneeren,Doch ’k het geen mensch in, of geld, geld was eerst het woord,Geld moest’er wezen, of ik sloot aanstonds de poort;’t Is waar, ’k moet aan myn Heer daar van een portie dokken;Doch ’k win daar by; want zie, ik hou de grootste plokken.’k Verzorg de kaarszen, ’t hooy, ’t papier, en kleinigheên,En ik versta my op de kunst, van nul ’k hou een.Maar hy is als de droes genegen tot dat zwessen,Ja dag en nacht leit hy en prevelt van Processen,Van Vonnis, van Apel, Sententie, Vierschaar, daarHy wil gaan eeten, en ook slaapen ’t heele jaar.Ik zei wel hondertmaal myn Heer Dandyn, ik zweerjeJe staat te vroeg op alle morgens, hoe begeerjeDan uit te teeren, en te sterven als een beest?Eet, drinkt, en slaapt, want zie de wyn verheugd de geest.Maar ’t was vergeefs. Hy heeft zyn rol zo lang gaan speulen,Zo lang gewaakt, dat hy een slag heeft van de meulen.Dan wil hy een voor een ons vonnissen; enfynHij preuveld dag op dag een duivel van Latyn,Daar ik geen woord van weet; ja, ’k hoor hem dikwils zweeren.Dat hy wil slaapen in de muts en Rechters kleeren.Hy deed zyn haan onlangs uit gramschap ’t hooft afslaan,Omdat hy laater, als wel eer, was opgestaan:Hy zei een Pleiter had, wiens zaak niet wel wou vlooten,Hem listig omgekogt, en ’t beest gevult de pooten.Ja wel, de pikken schen die zotten met elkaar.Zyn zoon verbied my om te spreeken met zyn vaâr,En laat hem dag en nacht van ons op straat bewaaken,Want anders zou hy ’t hier in huis zo lang niet maaken.Myn Heer, denkt list op list, om ons, hem toevertrouwt,’t Ontsnappen, ik voor my, ik slaap niet meer; geen houtIs ook zo mager als ik word, ’k doe niet als gaapen.Maar hy mag waken dien het lust, ik ga wat slaapen:Dit zal myn kussen zyn. Ik meen heel onbevreestVan nacht te slaapen, want myn Heer slaapt als beest.Kom, kom.

TWEDE TOONEEL.

Wouter, Oratyn.

Wouter.

Ho, Oratyn!

Oratyn.

Ja wel... maar’k mag maar zwygen,

’k Vrees dat hy bang is dat ik hier de pip zal krygen.

Wouter.

Wat drommel doe je hier zo vroeg op straat te gaan?

Oratyn.

Hoe, moet men altyd op verloore schiltwacht staan,Een man bewaaren die niet doed als schreeuwen, tieren?’k Loof ’t is een tovenaar, zo duivels kan hy gieren.

Wouter.

Wat zegje!

Oratyn.

Hoor, ik zet hem bevende van kouw,

En geeuwende van vaak, hoe dat ik slaapen wou,Geef een Request in, zei hy weêr, dat jy wilt slaapen.Ja wel, zie daar, ’k begin weêr van ’t verhaal te gaapen;Ik slaap al praatende; goe nacht.

Wouter.

Goenacht, ziedaar

Ik zweer je zo... maar zacht, ik hoor in huis gebaar.

DERDE TOONEEL.

Dandyn, Wouter, Oratyn.

Dandynin ’t venster.

Waar zyt gy Oratyn? Ô Wouter!

Woutertegen Oratyn.

Stil.

Dandyn.

Dat’s wonder,

Ik zie myn wachters noch om hoog in ’t huis, noch onder.Dat ’s goed, ’k zal springen uit het venster op de straat,Want zo ik wachte, en zy hier kwamen, was ’t te laat.

Wouter.

Hoe, springt de gek?

Oratyn.

Ha! ha! dat’s beet, myn Heer.

Dandyn.

Helpt, vrinden!

Helpt, dieven! moord!

Oratyn.

Hou smoel, sta stil, of ’k zal je binden.

Wouter.

Ja, schreeuw maar.

Dandyn.

Helpt, men dood me!

VIERDE TOONEEL.

Dandyn, Leander, Wouter, Oratyn.

Leander.

Och, och! ’k vrees voor verraad;

Ras brengt een kaars hier, ’k hoor myn vader in de straat.Wat doe je hier? wat wil je weêr zo vroeg beslechten?’t Is nacht, waar loop je heên myn vader?

Dandyn.

’k Wil gaan rechten.

Leander.

Wie rechten? ’t slaapt hier al.

Oratyn.

Ik niet, dat schut ik Heer.

Leander.

De zakken hangen hem tot op zyn schoenen neêr!

Dandyn.

’k Wil in drie maanden in myn huis niet weder komen,Des heb ik zakken en Processen meêgenoomen.

Leander.

Wie zal je voeden?

Dandyn.

Wie? ik denk de slager.

Leander.

Maar,

Waar zal je slaapen?

Dandyn.

In de Vierschaar, dat is raar.

Leander.

Neen, eet en slaapt in huis, dat zal u beter voegenAls in de Vierschaar; laat uw hof u vergenoegen.Ei, vader, laat myn raad zo veel op uw gemoedVermogen; denkt om uw gezondheid, die...

Dandyn.

Heel goed,

Ik wil ziek wezen.

Leander.

Gy zyt ziek genoeg; ga heenen,

Leg u te rust, gy hebt geen vlees meêr aan jou beenen.

Dandyn.

Te rust! gelykt ge u zelf by my? meent gy, wat smaat!Als dat een Rechter niet te doen heeft als de straat,Gelyk een schytvalk, met de degen wat te vegen?Met knechts te zwerven, dan door ’t hof, dan langs de wegen?Mooy weer te speelen steeds in kroegen zonder tal?Des daags naar ’t dobbelschool te loopen, ’s nachts naar ’t bal?Ha! geld te winnen is van grooter consequentie.Elk zo een strikje kost uw vader een sententie.Myn rok maakt u beschaamt. Gy, gy een Rechters zoon!Foei, schaam je wat, gy speelt voor edelman, ô hoon!Wel aan Dandyn, wil in uw kamer eens verschynen,Bezie de beelden der doorluchtige Dandynen,Dat waaren mannen, ha! en Rechters van verstand,Zy sliepen in de rok, om vroeg weêr by der handTe wezen. Kom, bezie de giften van een RechterBy die van een Baron, en oordeel dan wie slechter,En kaalder wezen zal in ’t einde van het jaar.Wat is doch een Baron meêr als een kerkpilaar!Hoe veel zaagt gy ’er wel van die gekante baazen,Hier in myn woelig hof, in hunne handen blaazen,En trentelen van kouw, tot dat zy, om by ’t vuurTe komen, moesten ’t spit by na de derd’half uurOmdraijen. Welk een spyt! denkt gy wel om uw Broeder?Zyn dit de lessen van uw afgestorve moeder?Die arme Magdaleen! ach, ’k denk noch, hoe die vrouw,Geen Audientie, hoe gering, verzuimen zouw;Nooit, nooit verliet zy my, en ’t is my niet vergeetenWat zy daar dikwils al van daan bragt; ja de speeren,De slagers doeken had zy meê genoomen, omMet leege handen niet te komen wederom.Zo kan het huis bestaan. Loop zot, gy lykt niet naderAls een kaale edelman.

Leander.

Maar gy verstaft, myn vader.

Kom, Oratyn, gelei uw meester, hy word moe,Leg hem te bed, en sluit de deur en ’t venster toe;Gy zult hem koesteren, en op zyn stuipen letten.

Oratyn.

Wilt dan te minste een zotte oppasser by hem zetten.

Dandyn.

Wat recht hebt gy om my naar bed te brengen? zoet,Verkrygt eerst een Arrest dat ik gaan slaapen moet.

Leander.

Wel, vader, ga maar by provisie naar d’Alkove.

Dandyn.

’k Zal gaan, maar eer ik slaap, wil ik veel eer gelooven,Dat gy zult dol zyn.

Leander.

Wel. Ik zie hem eind’lyk gaan.

Dat men hem niet verlaat. Gy Wouter blyft wat staan.

VYFDE TOONEEL.

Leander, Wouter.

Leander.

’kWil u een groot geheim, dat my beknelt, verklaren.Ach! Wouter, ach!

Wouter.

Hoe, Heer, moet men u ook bewaaren?

Leander.

Dat scheelt niet veel. Helaas! myn zotheid is zo grootAls Vaders zotheid, ja noch grooter, was ik dood!

Wouter.

Hoe, wilt ge ook rechten?

Leander.

Ei zwygt stil, en hoort me aandachtig.

Kent gy dat huis wel?

Wouter.

Ha, nou vat ik je; waarachtig

De liefde Heer zit jou al vroeg om ’t hart, ja wel!Wou jy niet spreeken van Mejuffrouw Izabel?Heb ik jou niet gezeit, dat jou geen schoonheid nader...Maar jy moet weten, dat Jeronimo haar Vader,Zyn goed met pleiten meest heeft door het gat gejaagt.Wie duivel heeft hy in Parys niet al gedaagt?’k Vrees sterft hy niet, hy zal heel Frankryk niet verschoonen;Daarom is hy dicht by zyn Rechter komen woonen.Jou vaar wil rechten, hy wil pleiten, wel zie daarHet zal me nieuw doen by myn zoolen, of haar vaar,Eer gy zyn dochter krygt, niet noch zo ver zal komen,Dat hy stout dagen zal myn Heer de Paus van Romen.

Leander.

’k Weet dat zo als gy; maar spyt zyn pleitzucht, ’k zweer,Ik sterf voor Izabel.

Wouter.

Wel, trouwt haar dan, myn Heer;

Ja toch, spreek maar een woord, het zyn gedaane zaaken.

Leander.

Neen, ’k zie geen kans om daar zo maklyk aan te raaken.Helaas! haar vader is t’ontmenscht, ik ken zyn keur;Het moet te minsten een Deurwaarder, Curateur,Of een van ’t Hof zyn, die haar zien mag, en erlangen.Zy zit onzichtbaar in haar huis als een gevangen;Zy ziet haar jongmeid vaak met traanen overlâan,Myn liefde in rook, haar goed in ’t pleiten heel vergaan.Zo ik hem voort laat gaan, hy zal haar ruineeren.Kent ge een bedrieger, die een man noch heet met eeren,Die trouw zyn vrienden dient, als hy geloont werd?Een ivrig dienaar.

Wouter.

Wel, myn Heer, ’k loof ja, of neen.

Leander.

Maar zouder noch...

Wouter.

Myn Heer, was noch myn vaar in ’t leven,

Dat was een man die jou in ’t minst niet zou begeven.O! ’t was een vent, myn Heer, van d’andre weereld; hyBedroog heel Frankryk met zyn wytze opsneiery.Hy kon, spyt Makelaar, de rechte konst van ’t liegen;Ja zou de Duivel zelf door zyn verstand bedriegen:En praaten, Brugman was een kreng maar by die vent:Zyn daaden stonden op zyn voorhooft vast geprent.Hy zou een Prince koets doen stil staan; ja zou zweerenAls jy maar geld gaf, dat je zelf niet zoud begeeren.Hy was zo gaauw, liet jy hem twintig kroonen zienOm tien valsche eeden, o! hy kreeg ’er negentien.Maar wat ’s de vraag? ben ik geen zoon van zulk een meester?Ik zal jou dienen.

Leander.

gy!

Wouter.

Ja toch, myn Heer, ei, vreest’er

Niet eens voor.

Leander.

Durft ge een valsch Exploot den vader wel

In handen geven?

Wouter.

Ja.

Leander.

Durft gy aan Izabel

Een brief bestellen?

Wouter.

Ja, al was het aan de drommel,

Ik kan twe konsten.

Leander.

Kom, my dunkt ik hoor gestommel,

Het is Jeronimo, ik ken zyn schreuwen; ’k zalU in myn huis, de zaak ontdekken heel en al,

ZESDE TOONEEL.

Jeronimo, Oratyn.

Jeronimo, weggaande en wederkomende.

Bewaar het huis wel, ’k kom straks weêr, laat jou beleezenVan niemand, om om hoog te gaan, of jy meugt vrezen.Bestel de brief terstond aan ’t posthuys van Soutfleur;En brengt de Haas, omtrent half vyf myn Procureur.Indien zyn Klerk hier komt, zo schenkt hem eens Rossolis,Of uit myn fles, die in het hok staat, daar de kool is,En geef hem dan de zak, die aan de trap hangt, meê.Laat zien, ’k vergeet nu niet. Ja; maakt de boonen reêIk ben noch nochteren. Misschien zal naar my vragenEen magerachtig man, die zomtyds heele dagenOp myn Comptoir zit, en geduurig voor my zweert,Wanneer myn weerparty getuigenis begeert;Maar laat hem wachten. ’k Vrees myn Rechter mogt aars uit zyn,’t Is reeds by vieren, en dan zou myn zaak verbruit zyn.

Oratyn, de deur half open doende.

Wie daar?

Jeronimo.

Ei, kan me uw Heer eens spreeken?

Oratyn, de deur toe doende.

Neen.

Jeronimo.

Maar wel

Zyn Secretaris?

Oratyn.

Neen, zeg ik, loop naar de Hel.

Jeronimo.

Noch zyn Portier?

Oratyn.

Ja toch, alree man, wilt maar klinken,

Ik ben de man.

Jeronimo.

Myn Heer, ei, neem, en wilt eens drinken

Op myn gezontheid.

Oratyn.

Ha! uw dienaar, ’k dank je zeer,

Maar kom eens morgen.

Jeronimo.

Wel, geef my myn geld dan weêr.

Och, in Parys begint het alles te verkeeren!My heugt noch dat men kost gemaklyk procedeeren,Ja, gaf me een Rechter maar een gulden vyf of zes,Het was voort fiat, al waart tegen een Princes.Maar nu geloof ik niet, dat ik met al myn zinnen,Noch al myn goed, een blood Portier zou kunnen winnen.Maar, ’k zie daar de Gravin van Narrestyn, veel lichtKomt zy hier ook zo vroeg om zaaken van gewicht.

ZEVENDE TOONEEL.

Jeronimo, de Gravin.

Jeronimo.

Mevrouw, gy komt te laat.

Gravin.

Zei ik het niet! warachtig

Myn knechten maaken my noch dol, niet een is machtigOm’smorgens op te staan, al schreeuw ik al myn best;Wil ik haar hebben, ’k moet haar haalen uyt het nest.

Jeronimo.

Hy doet hem zekerlyk miszaken.

Gravin.

’k Heb myn Rechter

Schier in een heele dag niet spreeken konnen.

Jeronimo.

Echter

Is myn party zeer sterk; ’k moet vreezen.

Gravin.

Wist gy Heer,

Wat my gedaan wierd, gy beklaagde u nimmermeer.

Jeronimo.

Indien ik evenwel goed recht heb...

Gravin.

Van uw leven

Zaagt gy zo geen Arrest.

Jeronimo.

’k Wil my gevangen geven;

Ja, ’k stel de zaak aan u, ei, luister, ’k ben begaan.

Gravin.

Hoor die trouwloosheid, ach, myn Heer, ei, hoord ze eens aan.

Jeronimo.

De zaak liep geen gevaar.

Gravin.

Myn heer, laat ik je eens zeggen...

Jeronimo.

Dit is de zaak; hy is in ’t minst te wederleggen.’t Is achtien jaaren, of de twintig haast geleên,Wanneer een Ezel liep dwars door myn velden heên,Daar hy zich wentelde niet zonder groote schaade;’k Ga met een Rechter van het dorp daar op te raade,’k Doe myn beklag, men vat den Ezel by de kop;Men stelt een middel voor, men acht de schaaden opEen heel voer Hooy: in ’t end, na schier een jaar geleeden,Wordt my de bank ontzeit door ’t Vonnis, buiten reeden;Ik Appelleer; (ei, let wel op de zaak, Mevrouw)Terwyl ik door Arrest myn zaak bevordren wouw,Krygt zekre vriend van my, geacht voor een der beste,Voorzeker zomme gelds, voort Vonnis by Requeste,En ik, ik win myn zaak. Wat doed men? myn partyStelt tegen d’Excuters van ’t Vonnisse van myEen ander Accident. Terwyl dit zo blyft steeken,Laat myn Party, toen een vlucht Hoenders, ’t hok uitbreeken,En vliegen op myn land, daar wierd belooft, (’t is mooyMevrouw) men zou aan ’t Hof Raport doen, hoe veel hooyEen Hoen wel eeten op een dag kon. Dit wierd wonderWel by ’t Proces gevoegt. Dit stond een tyd lang, zonderIk kon verneemen op de zaak wel wierd betracht;Doch my wierd d’uitspraak op de zesde April gebracht,Met veel omstandigheên van woorden die ’k myn levenAan geene zaaken van het Hof had hooren geven.Mevrouw, ik schreef toen weêr op nieuwe kosten; ’k Dien,’k Formeer, ’k Eisch, ’k Antwoord, ’k ga te raa met wyze liên,Door Informatien, Raporten, door Relieven,En door Transporten, en Explooten, en door Grieven,Door nieuwe Fyten, voorts Verbaal, Proces Verbaal.’k Kryg Brieven van Bevel, daar ik schier in verdwaal.’k Bragt vruchtloos voor den dag wel dartig goede Explooten,Tien Apostillen, hegt en vierkant op haar kooten,Verstekken twintig, en Producten zonder tal,Met tien Instantien, ja wel Mevrouw, ’k word mal,Toon ’t Vonnis: en ’k verlies de zaak met al de kosten,Die schier op duizend pond beloopt, met al die posten.Is dat gerechtigheid? och! heet dat recht doen, naarIk heb geprocedeert by na de twintig jaar?Een toevlucht is ’er noch daar ik op heb te hoopen;’t Request Civiel, Mevrouw, dat is noch voor my oopen:’k Geeft noch niet op. Maar gy, komt ge om te pleiten hier?

Gravin.

Och, mogt ik!

Jeronimo.

’k Zal myn boek verbranden in het vier.

Gravin.

Ik...


Back to IndexNext