Achtste Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.Een dure slaapkameraad.Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen, schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak, dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven, vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfsthad de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en dat de dagen zijns levens geteld waren.Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en afscheid van hen te nemen.Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zijsteeds God den Heer voor oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.“Ik sterf gerust,” ging vader Dirksz voort; “want ik ga naar mijn Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe lieve moeder terugvinden,—ik hoop u allen daar eens te zien.”Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, den 19denuit deMiddellandsche zeeteTexelwas binnengeloopen en zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk een toestand zou terugvinden.“Ach, oom!” riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. “Vader is zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken.”“Wat zeg je, Pieter?” riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare plaats inruimde.“Het is zoo, Klaas,” antwoordde de kranke. “Mijne uren zijn geteld, en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien. Ik durfde het niet hopen.”“Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!” riep oom Klaas uit. “Moest ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.—Maar,” ging hij tot Marie voort, “verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen.”Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.“Wel kind!” zeide hij. “Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak, dan eigen dak.”Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.“Beste Pieter,” zeide hij. “Je zult het wel ondervonden hebben, wat onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je zeker verkwikt hebben op je ziekbed.”“Dat heeft het mij, Klaas,” antwoordde de stervende. “En de Heer heeft mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen zult zijn.”“Dat beloof ik je, Pieter,” antwoordde oom Klaas. “Je kunt daarop je hoofd gerust nederleggen.”“Ik heb nog een bede aan je, Klaas!” vervolgde de stervende. “Je weet, hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan.”“En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried.”“En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten,” hernam de zieke, “en te zien of de jongen bij zijn plan bleef.”“Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven varen?”“Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven.”“Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?”“Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?”“Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je.” En dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met de begrafenis, en wat hun verderte doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie’s man met Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet deSpuistraat,VlamingstraatenSchoolstraatdoor, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten, en destoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het “begrafenismaal” gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer bewees,—een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig dat die “begrafenismalen” in de steden althans1zijn afgeschaft.Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer, daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden van aanstippen.In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30stenJuni daarop naarTexelterug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche schepen begeleid had. Eerst den 17denJuli vertrok hij met zeventien bodems naar deMiddellandsche zee, om de Turken voor het nemen onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en vriendschap bewezen.—Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven vanFarina(eenige mijlen noordwestelijk van het oudeKarthago) lag, in welke hij zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal met den koning vanTunis, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van den schout-bij-nacht vanAlgiers, Suliman Bassa Reys den volgenden bluffenden brief:“Mijnheer!“Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot driemalen vervolgd bijMaltha, bijSicilië, en nu bij de haven vanFarina, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht vanAlgiers, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zalmij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw vanHolland. Mijnheer, zijt gegroet van mijUwen dienaar.”De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden, den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de minste hulp zou toebrengen. Den admiraal vanTunisverzocht hij, kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker, die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen metTunis,AlgiersenTripolite hebben gesloten, na tal van arme Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte van het volgende aan land.Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, dat de Prins vanOranje, die den koenen knaap zeer genegen was, den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering voegende, dat hij Pieter aanden Raadpensionaris had aanbevolen en dit, als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na ’s vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij wist hem teRotterdamop de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen onderscheiden en op bevordering rekenen.Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had, zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld had ontvangen, naar ’s-Gravenhage, waar oom Klaas nog altijd in zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed te maken. Meestal voer hij slechts totDelftmede en wandelde den Delftschen weg op naarDen Haag. Zondagsavonds echter moest hij weder op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert gewoonlijk totRijswijk, soms wel totDelften dan ging Pieter in de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij totRotterdamwant onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te varen. Toen echter het najaar aankwam, moest PieterinRotterdamblijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was, Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog eens langs deMaas, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg “de Trouwe Harder”2door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.Op zekeren avond zat onze Pieter weder in “de Trouwe Harder” zijn glas bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.—Wij hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder iets van den door hem geredde te weten te komen.—Nu moet ik u zeggen, dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar was, zijn levenniet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond geen haat,—hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg: dat van onverzoenlijke vijandschap.Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stilDen Haagverlaten en was naarRotterdamvertrokken: iets wat Pieter, die zich niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde stad terugzag.“Jij hier Jan?” zeide hij verwonderd. “Ik dacht, dat je nog hoog en droog inDen Haagzat.”“Ik wenschte, dat dit zoo ware,” zeide Jan op treurigen toon.“Welnu, wat belet je dan, weder naarDen Haagte gaan?” hernam Pieter koel.Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.“Ik weet wel,” begon hij, “dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet in den nood laten.”“Maar wat moet dit alles beteekenen?” vraagdePieter dieniet begreep waar de knaap heen wilde.“Dat zal ik je zeggen,” antwoordde Jan, “en ik wil je oprecht alles bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen.”“Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!” hervatte Pieter. “En waarom heb je dat gedaan?”“Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik, nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in den zak, stapte ik stilletjes overDelfthier naar toe. Ik dacht gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten.”“Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan,” hervatte Pieter, “met van je vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is, is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je vader terug en hem om vergiffenis vragen.”“Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen.”“Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de gelijkenis, met berouw bij hem komen.”“Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik zoo wanhopig, dat ik in deMaaswilde springen. Maar ik dacht: laat mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebtteruggebracht. Ik zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden.”Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden; maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.“Hoor eens,”’ zeide hij. “Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen naar je vader terugkeert?”“Zoo zeker als ik hier voor je sta,” antwoordde de andere.“Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij.”Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; niet lang daarna stapten zij naar huis.Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.“Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader,” dacht hij, schoof het bed-gordijn wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem op: “Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!” Maarde knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht—en het kamertje was klein, dus behoefde hij niet lang te zoeken—nergens vond hij de vermiste zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar gezegd, dat hij met de eerste schuit naar ’s-Gravenhagewilde en dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen, op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.“Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!” zeide hij, “schandelijk bedrogen en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat meer is, mijn volle weekgeldmeegenomen. O, dat ik ook zoo dom was, aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!”En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in “de Trouwe Harder” ontmoet had.Vrouw Martensz schudde het hoofd.“Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben,” zeide zij op goedigen toon. “Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft kunnen meepakken. ’t Is al heel singulier; anders leg ik het altijd Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, moest ik maar tot van morgen wachten.”“Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz.” hervatte Pieter. “Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een nieuw werkpak moeten besteden.”“Dat is niets, mijn jongen,” antwoordde vrouw Martensz. “Dat zal wel terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij den Schout aan te geven.”“Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,” hernam Pieter. “De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op het schavot en in het rasphuis kwam.”“Jijmoet het weten, Pieter!” hernam de vrouw. “’t Is jouw zaak. Maar als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen.”Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor zijn leven ongelukkig wilde maken.1Op de dorpen, vooral inOverijselenDrente, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken.2Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk, blz. 146.Negende HoofdstukWaarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld.Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?”“Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal,” antwoordde de aangesprokene. “En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling eer moge inleggen.”“Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, Pieter?” vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.“Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, achttien jaar,” antwoordde deze.“En je bent een knap timmerman?” vervolgde de Vice-admiraal. “Welnu, als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan gewonen dienst zult verrichten.”“En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal,” hernam Pieter. “Ik zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten, Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte.”“Dat is braaf gedacht,” vervolgde de Vice-admiraal. “En dan kun je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen.”Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April 1664 plaats had op het schip “de Spiegel” dat met vijf andere schepen en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit vanAmsterdamwas uitgerust tot een nieuwen tocht naar deMiddellandsche zee. De Admiraliteit vanRotterdamhad de “Prinses Louise”, gekommandeerd door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip “het Noorder-quartier” door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart, is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om onder het oog van zijn beroemden vader “het soldaat- en zeemanschap te leeren.” Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveelvan onzen Pieter gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. ’t Zal u dus ook niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar hetVlie, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den 21stendier maand teCadixaankwam, om zich met het smaldeel van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.Den tweeden Juni, terwijl de vloot naarMalagastevende, bevond onze De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij ’s nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat, om toch maar werkzaam te zijn voorde belangen van ’s lands vloot en op alle voorvallende zaken orde te stellen.’t Was dan ook een vreugde op “de Spiegel,” toen de geliefde Admiraal voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor den geliefden vlootvoogd.Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde; te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de Ruyter terug.Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem Frederik, die met Albertina Agnes, ’s Prinsen tante, gehuwd was. Deze Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk1van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24stenOctober 1664, terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de toebereidselen om zich naar de grenzen vanWestphalente begeven, een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfdeoogenblik echter ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten vanFrieslandschriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar2, nog minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet huiswaarts. TeFranekergekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken, snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerktenzij hunne dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde gelukkig binnen korten tijd.Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II vanEngeland, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij inHolland, die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen dan op een vernieuwden oorlog metEngeland. In het voorjaar van 1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eilandGoeree, nabij kaapVerdgelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóórGeorge d’Elminaweggenomen,Cabo-Corsobeschoten en veroverd, en inAmerikaonze volkplantingenNieuw-Nederland,TabagoenSint-Eustatiusbemachtigd.Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover zijn beklag aan het Britsche hof,—doch koning Karel hield zich, alsof hij er niets van wist. Daar intusschen inEngelandgroote krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter wist raad. Toen men de resolutiehad genomen om twaalf schepen uit te rusten en naarGuineate zenden (hetgeen nog al een geruimen tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het stuk werden over de post gezonden en verder door drie “loopboden”3naarCadix,MalagaenAlicantegebracht, op hoop van den Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen, inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was; terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.’t Was op den eersten September, dat De Ruyter voorMalagawas aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.“Stuurman!” zeide hij, “Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene menschen, die ons teekenen schijnen te geven.”“Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal,” antwoordde Klaas, die terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.“Mag ik mee in de boot, vader?” vraagde Engel.“Volgaarne,” antwoordde de Admiraal, “en neem je vriend Pieter ook mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit terstond met de brieven terug.”Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfdeoogenblik voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet wist, dat er een geheime resolutie bij was.Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige kooplieden en schippers.“Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,” zeide een hunner. “Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschenEngelanden deGeüniëerde provinciën.”“Wat meer is,” voegde er een ander bij, “de Engelsche kooplieden hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben.”“Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt,” vervolgde de eerste spreker.“Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?” vraagde de stuurman. “Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze hem gauw bezorgen.”Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag, en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.“Wat is er, Admiraal?” vraagde Meppel. “Wij zijn aan wal geweest en hebben daar onrustbarendetijdingenvernomen.”“Ook mij zijn die verhaald,” antwoordde De Ruyter. “Zij luiden zeer oorlogzuchtig.”“Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!” hervatte Meppel. “Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen.”“Voorzeker,” antwoordde De Ruyter, “de brief is van Hunne Hoogmogenden.”“En meldt die niets van den oorlog?” hernam de Vice-admiraal.“Geen enkel woord,” antwoordde De Ruyter ontwijkend. “Alleen schijnt het, dat er geschillen tusschen de Republiek enEngelandzijn gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men inMalagavol schijnt te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naarAlicante, om het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eilandGoereeaan.Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24stenOctober eenige booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het vasteland bijVerdaan wal gezonden, om versch water te halen. Ook van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. ’t Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.“Zie eens,” zeide Pieter, “daar komt een oude neger aan. Met dien zullen wij een pretje hebben.”“Dat is goed,” antwoordde Engel. “Maar wij zullen zijn negertaal niet verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet.”“Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop,” hernam hij tot den neger, die intusschen naderbij gekomen was. “Wat kom je hier uitrichten?”“Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip,” antwoordde de neger vrij vlot.Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts hunne eigene taal hoorden spreken.“Sakkerloot!” zeide Engel. “Wie heeft jou Hollandsch geleerd, zwarte nikker?”“Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, daarin geweest is, en veel geleerd heeft.”Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:“Wat moet gij van dien neger?”“Die man spreektHollandsch, Schout-bij-nacht,” gaf Engel ten antwoord.“Mijnheer!” zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der Zaan boog. “Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is.”“Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat je daar ziet.”“En hoe zijne naam is?” vervolgde de neger.“Michiel Adriaanszoon de Ruyter,” antwoordde Van der Zaan.De neger begon te dansen.“Michiel, Michiel!” riep hij uit. “Michiel de Ruyter!—Ikke nu vijf- of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat teVlissingenwas. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel maar bootsmansjongen was.”“En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal van de vloot is.”“Uwé den armen neger voor den gek houdt,” zeide de zwarte ongeloovig. “Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,—neen, dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, wat men hem wijs maakt.”“En toch is het waar, Jan Company,” hervatte Van der Zaan. “Zie deze knaap is zijn eenige zoon,” hervatte hij, op Engel wijzende.De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde zijn gelaat op.“Ja,” hervatte hij peinzend—“nu ikke het zie. Hij wel opzijn vader lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien.”“Wel ga dan maar eens mee,” hernam Van der Zaan. “Zijn eigen zoon zal je aan boord brengen.”Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar het schip “de Spiegel”.“Vader,” zeide Engel tot den Admiraal, “wij hebben een neger meegebracht, die u verlangt te spreken.”“Een neger?” vraagde De Ruyter. “En wat moet die van mij hebben?”“Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is,” vervolgde Engel.“Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?”“Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan.”“En hoe heet hij?”“Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en gespeeld.”“Jan Company!” riep De Ruyter verwonderd uit. “Onmogelijk! Maar laat hem hier komen.”Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger aandachtig; eindelijk zeide hij:“En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap inVlissingenheb leeren kennen?”De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem in zijn armen en riep uit:“Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jarenlang gewenscht heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó.”“Mijn goede, goede Jan!” zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte. “Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat doe je tegenwoordig voor den kost?”“Ikke onderkoning is in de land,” antwoordde Jan Company.“Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik,” zeide De Ruyter lachend. “Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien.”“O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent,” hervatte de neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.“Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten,” hervatte hij trouwhartig, “en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn onze lotgevallen vertellen.”Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal geëindigd had, zeide de neger:“Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit hadde gedacht!—Weet je nog wel, je me inVlissingenmet sneeuw heeft gedoopt4?”“Of ik dat nog weet?” hernam Michiel de Ruyter. “Dat zou ik meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart; waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen.”“En toen je geklimd heeft op dien grooten toren,” hernam Jan, terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, “en met steentjes smeet.”“En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!” riepDe Ruyter lachende uit. “Maar zeg mij eens, Jan!” vervolgde hij ernstiger. “Je spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht, dat je ook in de kerk gedoopt zijt?”“Of ikke denk daaraan, Michiel!” hernam Jan Company. “Ikke nog altijd een Christen ben. Ikke nog “’t Onze Vader” en “’k Geloof in God den Vader” op mijn duimpje ken.—Maar,” vervolgde hij min of meer treurig, “mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer naar mijn kennis dien.”“Nu, dat is braaf van je, Jan,” hervatte De Ruyter. “En zou je niet liever mee naarVlissingengaan en daar komen wonen?”“Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug te zien!”De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed, toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige kanonschoten lossen.Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en koopvaardijschepen over.Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz, Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland vanVerd, om te visschen. Men gebruiktedaartoe den zegen (groot vischnet) en had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.”’k Woû, dat we eens naar de negorij gingen,” zeide Engel tot Pieter. “Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag ook eens de woningen der zwarten zien.”“Ik ook,” antwoordde Pieter. “Weet je, wat we moesten doen? We moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien ouden neger wel, die zoo’n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook weer?—Jan.... Jan Kampanje.”“Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets kwaads met ons in den zin hebben.”“Het zijn geen menscheneters, Engel,” hernam Pieter. “Kom, wij moesten het maar wagen.”“Jij bent een waaghals, Pieter,” zeide Engel. “Ik doe het niet. Mijn vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit voortkwam. Maar ga jij alleen.”“Alleen?—Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen toch wel eens genoeg gevischt hebben.”Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval was. Intusschen—aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar het andereof naar een derde wilde komen, men als in een doolhof verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.“Wat zou daar te doen zijn?” zeide Engel, die zich altijd dicht bij Pieter had gehouden.“Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,” gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw bij de hand te zijn.“Dat denk ik niet,” hernam Engel, “want dan zou dat kleine, zwarte mirakel wel schreeuwen.”“Ik zie het al,” riep Pieter uit. “Het is de woning van Jan Kampanje. Kijk, daar staat hij.”“Inderdaad, hij is het,” hernam Engel.En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.“Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?” zeide de neger.“De Admiraal niet, maar wel zijn zoon,” antwoordde Du Bois. “Waar is Jonker Engel?” hernam hij, rondziende. “Ha, daar is hij. Kom eens hier, Jonker,” vervolgde hij tot den knaap. “Uws vaders vriend, Jan Company, wenscht u te zien.”“Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje,” hernam de neger. “Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met mij moeten meegaan.” En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden negerbrood, van zeker gestampt zaadgebakken, palmwijn en zoete melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen, die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van “de Spiegel” terug.VanGoereestevende De Ruyter naar de rivierSierra Leona, alwaar hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar deGoudkust, waar hij het kasteelWitsenofTokkary, door de Engelschen aan de W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naarSt.-George d’Elmina, waar hij de Britsche vestingKormantijnaantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen inAfrikavan den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naarBarbadosinAmerika, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel, om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het bericht gewerd, dat de oorlog tusschenEngelanden de republiek was uitgebarsten, vond hij het ongeraden, hetKanaaldoor te stevenen, zeilde dus achterIerlandom en kreeg teBergeninNoorwegende tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op deonze behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij besloot dus niet inTexelbinnen te loopen, maar naar deEemste zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen, waaronder vijf prijzen, behouden in deEemsen binnen de haven vanDelfzijlaan. “’t Is God alleen,” riep de vrome Vice-admiraal uit, toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. “’t Is God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.1Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan ’s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren.2De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, in hare kindsheid gestorven.3Koeriers.4Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk. Blz. 5.

Achtste Hoofdstuk.Een dure slaapkameraad.Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen, schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak, dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven, vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfsthad de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en dat de dagen zijns levens geteld waren.Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en afscheid van hen te nemen.Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zijsteeds God den Heer voor oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.“Ik sterf gerust,” ging vader Dirksz voort; “want ik ga naar mijn Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe lieve moeder terugvinden,—ik hoop u allen daar eens te zien.”Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, den 19denuit deMiddellandsche zeeteTexelwas binnengeloopen en zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk een toestand zou terugvinden.“Ach, oom!” riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. “Vader is zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken.”“Wat zeg je, Pieter?” riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare plaats inruimde.“Het is zoo, Klaas,” antwoordde de kranke. “Mijne uren zijn geteld, en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien. Ik durfde het niet hopen.”“Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!” riep oom Klaas uit. “Moest ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.—Maar,” ging hij tot Marie voort, “verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen.”Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.“Wel kind!” zeide hij. “Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak, dan eigen dak.”Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.“Beste Pieter,” zeide hij. “Je zult het wel ondervonden hebben, wat onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je zeker verkwikt hebben op je ziekbed.”“Dat heeft het mij, Klaas,” antwoordde de stervende. “En de Heer heeft mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen zult zijn.”“Dat beloof ik je, Pieter,” antwoordde oom Klaas. “Je kunt daarop je hoofd gerust nederleggen.”“Ik heb nog een bede aan je, Klaas!” vervolgde de stervende. “Je weet, hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan.”“En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried.”“En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten,” hernam de zieke, “en te zien of de jongen bij zijn plan bleef.”“Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven varen?”“Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven.”“Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?”“Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?”“Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je.” En dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met de begrafenis, en wat hun verderte doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie’s man met Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet deSpuistraat,VlamingstraatenSchoolstraatdoor, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten, en destoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het “begrafenismaal” gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer bewees,—een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig dat die “begrafenismalen” in de steden althans1zijn afgeschaft.Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer, daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden van aanstippen.In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30stenJuni daarop naarTexelterug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche schepen begeleid had. Eerst den 17denJuli vertrok hij met zeventien bodems naar deMiddellandsche zee, om de Turken voor het nemen onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en vriendschap bewezen.—Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven vanFarina(eenige mijlen noordwestelijk van het oudeKarthago) lag, in welke hij zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal met den koning vanTunis, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van den schout-bij-nacht vanAlgiers, Suliman Bassa Reys den volgenden bluffenden brief:“Mijnheer!“Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot driemalen vervolgd bijMaltha, bijSicilië, en nu bij de haven vanFarina, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht vanAlgiers, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zalmij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw vanHolland. Mijnheer, zijt gegroet van mijUwen dienaar.”De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden, den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de minste hulp zou toebrengen. Den admiraal vanTunisverzocht hij, kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker, die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen metTunis,AlgiersenTripolite hebben gesloten, na tal van arme Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte van het volgende aan land.Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, dat de Prins vanOranje, die den koenen knaap zeer genegen was, den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering voegende, dat hij Pieter aanden Raadpensionaris had aanbevolen en dit, als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na ’s vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij wist hem teRotterdamop de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen onderscheiden en op bevordering rekenen.Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had, zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld had ontvangen, naar ’s-Gravenhage, waar oom Klaas nog altijd in zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed te maken. Meestal voer hij slechts totDelftmede en wandelde den Delftschen weg op naarDen Haag. Zondagsavonds echter moest hij weder op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert gewoonlijk totRijswijk, soms wel totDelften dan ging Pieter in de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij totRotterdamwant onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te varen. Toen echter het najaar aankwam, moest PieterinRotterdamblijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was, Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog eens langs deMaas, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg “de Trouwe Harder”2door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.Op zekeren avond zat onze Pieter weder in “de Trouwe Harder” zijn glas bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.—Wij hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder iets van den door hem geredde te weten te komen.—Nu moet ik u zeggen, dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar was, zijn levenniet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond geen haat,—hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg: dat van onverzoenlijke vijandschap.Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stilDen Haagverlaten en was naarRotterdamvertrokken: iets wat Pieter, die zich niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde stad terugzag.“Jij hier Jan?” zeide hij verwonderd. “Ik dacht, dat je nog hoog en droog inDen Haagzat.”“Ik wenschte, dat dit zoo ware,” zeide Jan op treurigen toon.“Welnu, wat belet je dan, weder naarDen Haagte gaan?” hernam Pieter koel.Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.“Ik weet wel,” begon hij, “dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet in den nood laten.”“Maar wat moet dit alles beteekenen?” vraagdePieter dieniet begreep waar de knaap heen wilde.“Dat zal ik je zeggen,” antwoordde Jan, “en ik wil je oprecht alles bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen.”“Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!” hervatte Pieter. “En waarom heb je dat gedaan?”“Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik, nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in den zak, stapte ik stilletjes overDelfthier naar toe. Ik dacht gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten.”“Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan,” hervatte Pieter, “met van je vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is, is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je vader terug en hem om vergiffenis vragen.”“Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen.”“Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de gelijkenis, met berouw bij hem komen.”“Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik zoo wanhopig, dat ik in deMaaswilde springen. Maar ik dacht: laat mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebtteruggebracht. Ik zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden.”Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden; maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.“Hoor eens,”’ zeide hij. “Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen naar je vader terugkeert?”“Zoo zeker als ik hier voor je sta,” antwoordde de andere.“Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij.”Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; niet lang daarna stapten zij naar huis.Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.“Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader,” dacht hij, schoof het bed-gordijn wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem op: “Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!” Maarde knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht—en het kamertje was klein, dus behoefde hij niet lang te zoeken—nergens vond hij de vermiste zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar gezegd, dat hij met de eerste schuit naar ’s-Gravenhagewilde en dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen, op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.“Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!” zeide hij, “schandelijk bedrogen en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat meer is, mijn volle weekgeldmeegenomen. O, dat ik ook zoo dom was, aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!”En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in “de Trouwe Harder” ontmoet had.Vrouw Martensz schudde het hoofd.“Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben,” zeide zij op goedigen toon. “Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft kunnen meepakken. ’t Is al heel singulier; anders leg ik het altijd Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, moest ik maar tot van morgen wachten.”“Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz.” hervatte Pieter. “Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een nieuw werkpak moeten besteden.”“Dat is niets, mijn jongen,” antwoordde vrouw Martensz. “Dat zal wel terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij den Schout aan te geven.”“Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,” hernam Pieter. “De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op het schavot en in het rasphuis kwam.”“Jijmoet het weten, Pieter!” hernam de vrouw. “’t Is jouw zaak. Maar als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen.”Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor zijn leven ongelukkig wilde maken.1Op de dorpen, vooral inOverijselenDrente, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken.2Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk, blz. 146.

Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen, schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak, dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven, vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfsthad de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en dat de dagen zijns levens geteld waren.

Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en afscheid van hen te nemen.

Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zijsteeds God den Heer voor oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.

“Ik sterf gerust,” ging vader Dirksz voort; “want ik ga naar mijn Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe lieve moeder terugvinden,—ik hoop u allen daar eens te zien.”

Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, den 19denuit deMiddellandsche zeeteTexelwas binnengeloopen en zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk een toestand zou terugvinden.

“Ach, oom!” riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. “Vader is zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken.”

“Wat zeg je, Pieter?” riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare plaats inruimde.

“Het is zoo, Klaas,” antwoordde de kranke. “Mijne uren zijn geteld, en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien. Ik durfde het niet hopen.”

“Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!” riep oom Klaas uit. “Moest ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.—Maar,” ging hij tot Marie voort, “verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen.”

Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.

“Wel kind!” zeide hij. “Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak, dan eigen dak.”

Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.

“Beste Pieter,” zeide hij. “Je zult het wel ondervonden hebben, wat onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je zeker verkwikt hebben op je ziekbed.”

“Dat heeft het mij, Klaas,” antwoordde de stervende. “En de Heer heeft mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen zult zijn.”

“Dat beloof ik je, Pieter,” antwoordde oom Klaas. “Je kunt daarop je hoofd gerust nederleggen.”

“Ik heb nog een bede aan je, Klaas!” vervolgde de stervende. “Je weet, hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan.”

“En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried.”

“En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten,” hernam de zieke, “en te zien of de jongen bij zijn plan bleef.”

“Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven varen?”

“Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven.”

“Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?”

“Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?”

“Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je.” En dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.

De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.

In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met de begrafenis, en wat hun verderte doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie’s man met Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet deSpuistraat,VlamingstraatenSchoolstraatdoor, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten, en destoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het “begrafenismaal” gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer bewees,—een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig dat die “begrafenismalen” in de steden althans1zijn afgeschaft.

Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer, daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden van aanstippen.

In het laatst van de maand Mei 1661 met een vloot van tien schepen in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30stenJuni daarop naarTexelterug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche schepen begeleid had. Eerst den 17denJuli vertrok hij met zeventien bodems naar deMiddellandsche zee, om de Turken voor het nemen onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en vriendschap bewezen.—Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven vanFarina(eenige mijlen noordwestelijk van het oudeKarthago) lag, in welke hij zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal met den koning vanTunis, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van den schout-bij-nacht vanAlgiers, Suliman Bassa Reys den volgenden bluffenden brief:

“Mijnheer!“Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot driemalen vervolgd bijMaltha, bijSicilië, en nu bij de haven vanFarina, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht vanAlgiers, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zalmij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw vanHolland. Mijnheer, zijt gegroet van mijUwen dienaar.”

“Mijnheer!

“Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot driemalen vervolgd bijMaltha, bijSicilië, en nu bij de haven vanFarina, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht vanAlgiers, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven, en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw slaaf zijn. Win ik, het zalmij eere zijn. Geef hiertoe verlof, en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw vanHolland. Mijnheer, zijt gegroet van mij

Uwen dienaar.”

De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden, den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de minste hulp zou toebrengen. Den admiraal vanTunisverzocht hij, kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.

Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker, die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.

Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen metTunis,AlgiersenTripolite hebben gesloten, na tal van arme Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte van het volgende aan land.

Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten, dat de Prins vanOranje, die den koenen knaap zeer genegen was, den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering voegende, dat hij Pieter aanden Raadpensionaris had aanbevolen en dit, als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na ’s vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen, en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij wist hem teRotterdamop de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten, dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen onderscheiden en op bevordering rekenen.

Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had, zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld had ontvangen, naar ’s-Gravenhage, waar oom Klaas nog altijd in zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem, en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed te maken. Meestal voer hij slechts totDelftmede en wandelde den Delftschen weg op naarDen Haag. Zondagsavonds echter moest hij weder op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert gewoonlijk totRijswijk, soms wel totDelften dan ging Pieter in de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij totRotterdamwant onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te varen. Toen echter het najaar aankwam, moest PieterinRotterdamblijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was, Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog eens langs deMaas, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg “de Trouwe Harder”2door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.

Op zekeren avond zat onze Pieter weder in “de Trouwe Harder” zijn glas bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.—Wij hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand, en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder iets van den door hem geredde te weten te komen.—Nu moet ik u zeggen, dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde, om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was, ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar was, zijn levenniet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden; dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond geen haat,—hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg: dat van onverzoenlijke vijandschap.

Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stilDen Haagverlaten en was naarRotterdamvertrokken: iets wat Pieter, die zich niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde stad terugzag.

“Jij hier Jan?” zeide hij verwonderd. “Ik dacht, dat je nog hoog en droog inDen Haagzat.”

“Ik wenschte, dat dit zoo ware,” zeide Jan op treurigen toon.

“Welnu, wat belet je dan, weder naarDen Haagte gaan?” hernam Pieter koel.

Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.

“Ik weet wel,” begon hij, “dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet in den nood laten.”

“Maar wat moet dit alles beteekenen?” vraagdePieter dieniet begreep waar de knaap heen wilde.

“Dat zal ik je zeggen,” antwoordde Jan, “en ik wil je oprecht alles bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen.”

“Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!” hervatte Pieter. “En waarom heb je dat gedaan?”

“Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik, nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in den zak, stapte ik stilletjes overDelfthier naar toe. Ik dacht gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten.”

“Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan,” hervatte Pieter, “met van je vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is, is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je vader terug en hem om vergiffenis vragen.”

“Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen.”

“Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de gelijkenis, met berouw bij hem komen.”

“Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik zoo wanhopig, dat ik in deMaaswilde springen. Maar ik dacht: laat mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen, dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebtteruggebracht. Ik zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden.”

Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden; maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.

“Hoor eens,”’ zeide hij. “Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen naar je vader terugkeert?”

“Zoo zeker als ik hier voor je sta,” antwoordde de andere.

“Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij.”

Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven; niet lang daarna stapten zij naar huis.

Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.

“Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader,” dacht hij, schoof het bed-gordijn wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem op: “Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!” Maarde knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht—en het kamertje was klein, dus behoefde hij niet lang te zoeken—nergens vond hij de vermiste zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar gezegd, dat hij met de eerste schuit naar ’s-Gravenhagewilde en dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen, op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.

Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.

“Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!” zeide hij, “schandelijk bedrogen en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat meer is, mijn volle weekgeldmeegenomen. O, dat ik ook zoo dom was, aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!”

En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in “de Trouwe Harder” ontmoet had.

Vrouw Martensz schudde het hoofd.

“Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben,” zeide zij op goedigen toon. “Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft kunnen meepakken. ’t Is al heel singulier; anders leg ik het altijd Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik, moest ik maar tot van morgen wachten.”

“Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz.” hervatte Pieter. “Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een nieuw werkpak moeten besteden.”

“Dat is niets, mijn jongen,” antwoordde vrouw Martensz. “Dat zal wel terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij den Schout aan te geven.”

“Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,” hernam Pieter. “De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op het schavot en in het rasphuis kwam.”

“Jijmoet het weten, Pieter!” hernam de vrouw. “’t Is jouw zaak. Maar als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen, de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen.”

Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor zijn leven ongelukkig wilde maken.

1Op de dorpen, vooral inOverijselenDrente, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken.2Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk, blz. 146.

1Op de dorpen, vooral inOverijselenDrente, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken.

2Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk, blz. 146.

Negende HoofdstukWaarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld.Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?”“Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal,” antwoordde de aangesprokene. “En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling eer moge inleggen.”“Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, Pieter?” vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.“Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, achttien jaar,” antwoordde deze.“En je bent een knap timmerman?” vervolgde de Vice-admiraal. “Welnu, als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan gewonen dienst zult verrichten.”“En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal,” hernam Pieter. “Ik zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten, Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte.”“Dat is braaf gedacht,” vervolgde de Vice-admiraal. “En dan kun je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen.”Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April 1664 plaats had op het schip “de Spiegel” dat met vijf andere schepen en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit vanAmsterdamwas uitgerust tot een nieuwen tocht naar deMiddellandsche zee. De Admiraliteit vanRotterdamhad de “Prinses Louise”, gekommandeerd door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip “het Noorder-quartier” door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart, is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om onder het oog van zijn beroemden vader “het soldaat- en zeemanschap te leeren.” Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveelvan onzen Pieter gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. ’t Zal u dus ook niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar hetVlie, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den 21stendier maand teCadixaankwam, om zich met het smaldeel van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.Den tweeden Juni, terwijl de vloot naarMalagastevende, bevond onze De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij ’s nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat, om toch maar werkzaam te zijn voorde belangen van ’s lands vloot en op alle voorvallende zaken orde te stellen.’t Was dan ook een vreugde op “de Spiegel,” toen de geliefde Admiraal voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor den geliefden vlootvoogd.Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde; te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de Ruyter terug.Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem Frederik, die met Albertina Agnes, ’s Prinsen tante, gehuwd was. Deze Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk1van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24stenOctober 1664, terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de toebereidselen om zich naar de grenzen vanWestphalente begeven, een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfdeoogenblik echter ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten vanFrieslandschriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar2, nog minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet huiswaarts. TeFranekergekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken, snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerktenzij hunne dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde gelukkig binnen korten tijd.Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II vanEngeland, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij inHolland, die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen dan op een vernieuwden oorlog metEngeland. In het voorjaar van 1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eilandGoeree, nabij kaapVerdgelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóórGeorge d’Elminaweggenomen,Cabo-Corsobeschoten en veroverd, en inAmerikaonze volkplantingenNieuw-Nederland,TabagoenSint-Eustatiusbemachtigd.Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover zijn beklag aan het Britsche hof,—doch koning Karel hield zich, alsof hij er niets van wist. Daar intusschen inEngelandgroote krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter wist raad. Toen men de resolutiehad genomen om twaalf schepen uit te rusten en naarGuineate zenden (hetgeen nog al een geruimen tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het stuk werden over de post gezonden en verder door drie “loopboden”3naarCadix,MalagaenAlicantegebracht, op hoop van den Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen, inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was; terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.’t Was op den eersten September, dat De Ruyter voorMalagawas aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.“Stuurman!” zeide hij, “Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene menschen, die ons teekenen schijnen te geven.”“Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal,” antwoordde Klaas, die terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.“Mag ik mee in de boot, vader?” vraagde Engel.“Volgaarne,” antwoordde de Admiraal, “en neem je vriend Pieter ook mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit terstond met de brieven terug.”Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfdeoogenblik voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet wist, dat er een geheime resolutie bij was.Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige kooplieden en schippers.“Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,” zeide een hunner. “Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschenEngelanden deGeüniëerde provinciën.”“Wat meer is,” voegde er een ander bij, “de Engelsche kooplieden hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben.”“Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt,” vervolgde de eerste spreker.“Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?” vraagde de stuurman. “Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze hem gauw bezorgen.”Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag, en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.“Wat is er, Admiraal?” vraagde Meppel. “Wij zijn aan wal geweest en hebben daar onrustbarendetijdingenvernomen.”“Ook mij zijn die verhaald,” antwoordde De Ruyter. “Zij luiden zeer oorlogzuchtig.”“Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!” hervatte Meppel. “Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen.”“Voorzeker,” antwoordde De Ruyter, “de brief is van Hunne Hoogmogenden.”“En meldt die niets van den oorlog?” hernam de Vice-admiraal.“Geen enkel woord,” antwoordde De Ruyter ontwijkend. “Alleen schijnt het, dat er geschillen tusschen de Republiek enEngelandzijn gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men inMalagavol schijnt te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naarAlicante, om het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eilandGoereeaan.Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24stenOctober eenige booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het vasteland bijVerdaan wal gezonden, om versch water te halen. Ook van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. ’t Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.“Zie eens,” zeide Pieter, “daar komt een oude neger aan. Met dien zullen wij een pretje hebben.”“Dat is goed,” antwoordde Engel. “Maar wij zullen zijn negertaal niet verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet.”“Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop,” hernam hij tot den neger, die intusschen naderbij gekomen was. “Wat kom je hier uitrichten?”“Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip,” antwoordde de neger vrij vlot.Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts hunne eigene taal hoorden spreken.“Sakkerloot!” zeide Engel. “Wie heeft jou Hollandsch geleerd, zwarte nikker?”“Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, daarin geweest is, en veel geleerd heeft.”Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:“Wat moet gij van dien neger?”“Die man spreektHollandsch, Schout-bij-nacht,” gaf Engel ten antwoord.“Mijnheer!” zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der Zaan boog. “Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is.”“Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat je daar ziet.”“En hoe zijne naam is?” vervolgde de neger.“Michiel Adriaanszoon de Ruyter,” antwoordde Van der Zaan.De neger begon te dansen.“Michiel, Michiel!” riep hij uit. “Michiel de Ruyter!—Ikke nu vijf- of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat teVlissingenwas. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel maar bootsmansjongen was.”“En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal van de vloot is.”“Uwé den armen neger voor den gek houdt,” zeide de zwarte ongeloovig. “Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,—neen, dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, wat men hem wijs maakt.”“En toch is het waar, Jan Company,” hervatte Van der Zaan. “Zie deze knaap is zijn eenige zoon,” hervatte hij, op Engel wijzende.De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde zijn gelaat op.“Ja,” hervatte hij peinzend—“nu ikke het zie. Hij wel opzijn vader lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien.”“Wel ga dan maar eens mee,” hernam Van der Zaan. “Zijn eigen zoon zal je aan boord brengen.”Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar het schip “de Spiegel”.“Vader,” zeide Engel tot den Admiraal, “wij hebben een neger meegebracht, die u verlangt te spreken.”“Een neger?” vraagde De Ruyter. “En wat moet die van mij hebben?”“Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is,” vervolgde Engel.“Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?”“Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan.”“En hoe heet hij?”“Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en gespeeld.”“Jan Company!” riep De Ruyter verwonderd uit. “Onmogelijk! Maar laat hem hier komen.”Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger aandachtig; eindelijk zeide hij:“En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap inVlissingenheb leeren kennen?”De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem in zijn armen en riep uit:“Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jarenlang gewenscht heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó.”“Mijn goede, goede Jan!” zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte. “Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat doe je tegenwoordig voor den kost?”“Ikke onderkoning is in de land,” antwoordde Jan Company.“Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik,” zeide De Ruyter lachend. “Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien.”“O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent,” hervatte de neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.“Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten,” hervatte hij trouwhartig, “en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn onze lotgevallen vertellen.”Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal geëindigd had, zeide de neger:“Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit hadde gedacht!—Weet je nog wel, je me inVlissingenmet sneeuw heeft gedoopt4?”“Of ik dat nog weet?” hernam Michiel de Ruyter. “Dat zou ik meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart; waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen.”“En toen je geklimd heeft op dien grooten toren,” hernam Jan, terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, “en met steentjes smeet.”“En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!” riepDe Ruyter lachende uit. “Maar zeg mij eens, Jan!” vervolgde hij ernstiger. “Je spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht, dat je ook in de kerk gedoopt zijt?”“Of ikke denk daaraan, Michiel!” hernam Jan Company. “Ikke nog altijd een Christen ben. Ikke nog “’t Onze Vader” en “’k Geloof in God den Vader” op mijn duimpje ken.—Maar,” vervolgde hij min of meer treurig, “mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer naar mijn kennis dien.”“Nu, dat is braaf van je, Jan,” hervatte De Ruyter. “En zou je niet liever mee naarVlissingengaan en daar komen wonen?”“Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug te zien!”De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed, toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige kanonschoten lossen.Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en koopvaardijschepen over.Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz, Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland vanVerd, om te visschen. Men gebruiktedaartoe den zegen (groot vischnet) en had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.”’k Woû, dat we eens naar de negorij gingen,” zeide Engel tot Pieter. “Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag ook eens de woningen der zwarten zien.”“Ik ook,” antwoordde Pieter. “Weet je, wat we moesten doen? We moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien ouden neger wel, die zoo’n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook weer?—Jan.... Jan Kampanje.”“Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets kwaads met ons in den zin hebben.”“Het zijn geen menscheneters, Engel,” hernam Pieter. “Kom, wij moesten het maar wagen.”“Jij bent een waaghals, Pieter,” zeide Engel. “Ik doe het niet. Mijn vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit voortkwam. Maar ga jij alleen.”“Alleen?—Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen toch wel eens genoeg gevischt hebben.”Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval was. Intusschen—aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar het andereof naar een derde wilde komen, men als in een doolhof verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.“Wat zou daar te doen zijn?” zeide Engel, die zich altijd dicht bij Pieter had gehouden.“Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,” gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw bij de hand te zijn.“Dat denk ik niet,” hernam Engel, “want dan zou dat kleine, zwarte mirakel wel schreeuwen.”“Ik zie het al,” riep Pieter uit. “Het is de woning van Jan Kampanje. Kijk, daar staat hij.”“Inderdaad, hij is het,” hernam Engel.En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.“Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?” zeide de neger.“De Admiraal niet, maar wel zijn zoon,” antwoordde Du Bois. “Waar is Jonker Engel?” hernam hij, rondziende. “Ha, daar is hij. Kom eens hier, Jonker,” vervolgde hij tot den knaap. “Uws vaders vriend, Jan Company, wenscht u te zien.”“Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje,” hernam de neger. “Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met mij moeten meegaan.” En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden negerbrood, van zeker gestampt zaadgebakken, palmwijn en zoete melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen, die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van “de Spiegel” terug.VanGoereestevende De Ruyter naar de rivierSierra Leona, alwaar hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar deGoudkust, waar hij het kasteelWitsenofTokkary, door de Engelschen aan de W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naarSt.-George d’Elmina, waar hij de Britsche vestingKormantijnaantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen inAfrikavan den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naarBarbadosinAmerika, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel, om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het bericht gewerd, dat de oorlog tusschenEngelanden de republiek was uitgebarsten, vond hij het ongeraden, hetKanaaldoor te stevenen, zeilde dus achterIerlandom en kreeg teBergeninNoorwegende tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op deonze behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij besloot dus niet inTexelbinnen te loopen, maar naar deEemste zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen, waaronder vijf prijzen, behouden in deEemsen binnen de haven vanDelfzijlaan. “’t Is God alleen,” riep de vrome Vice-admiraal uit, toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. “’t Is God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.1Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan ’s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren.2De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, in hare kindsheid gestorven.3Koeriers.4Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk. Blz. 5.

Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?”

“Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal,” antwoordde de aangesprokene. “En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling eer moge inleggen.”

“Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je, Pieter?” vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.

“Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft, achttien jaar,” antwoordde deze.

“En je bent een knap timmerman?” vervolgde de Vice-admiraal. “Welnu, als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan gewonen dienst zult verrichten.”

“En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal,” hernam Pieter. “Ik zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten, Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte.”

“Dat is braaf gedacht,” vervolgde de Vice-admiraal. “En dan kun je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm, onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen.”

Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April 1664 plaats had op het schip “de Spiegel” dat met vijf andere schepen en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit vanAmsterdamwas uitgerust tot een nieuwen tocht naar deMiddellandsche zee. De Admiraliteit vanRotterdamhad de “Prinses Louise”, gekommandeerd door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip “het Noorder-quartier” door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.

Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart, is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om onder het oog van zijn beroemden vader “het soldaat- en zeemanschap te leeren.” Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveelvan onzen Pieter gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. ’t Zal u dus ook niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.

Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar hetVlie, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den 21stendier maand teCadixaankwam, om zich met het smaldeel van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.

Den tweeden Juni, terwijl de vloot naarMalagastevende, bevond onze De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij ’s nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat, om toch maar werkzaam te zijn voorde belangen van ’s lands vloot en op alle voorvallende zaken orde te stellen.

’t Was dan ook een vreugde op “de Spiegel,” toen de geliefde Admiraal voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor den geliefden vlootvoogd.

Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde; te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de Ruyter terug.

Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem Frederik, die met Albertina Agnes, ’s Prinsen tante, gehuwd was. Deze Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk1van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24stenOctober 1664, terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de toebereidselen om zich naar de grenzen vanWestphalente begeven, een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfdeoogenblik echter ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten vanFrieslandschriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar2, nog minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.

Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet huiswaarts. TeFranekergekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken, snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerktenzij hunne dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde gelukkig binnen korten tijd.

Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II vanEngeland, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij inHolland, die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen dan op een vernieuwden oorlog metEngeland. In het voorjaar van 1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eilandGoeree, nabij kaapVerdgelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóórGeorge d’Elminaweggenomen,Cabo-Corsobeschoten en veroverd, en inAmerikaonze volkplantingenNieuw-Nederland,TabagoenSint-Eustatiusbemachtigd.

Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover zijn beklag aan het Britsche hof,—doch koning Karel hield zich, alsof hij er niets van wist. Daar intusschen inEngelandgroote krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter wist raad. Toen men de resolutiehad genomen om twaalf schepen uit te rusten en naarGuineate zenden (hetgeen nog al een geruimen tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het stuk werden over de post gezonden en verder door drie “loopboden”3naarCadix,MalagaenAlicantegebracht, op hoop van den Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen, inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was; terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.

’t Was op den eersten September, dat De Ruyter voorMalagawas aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.

“Stuurman!” zeide hij, “Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene menschen, die ons teekenen schijnen te geven.”

“Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal,” antwoordde Klaas, die terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.

“Mag ik mee in de boot, vader?” vraagde Engel.

“Volgaarne,” antwoordde de Admiraal, “en neem je vriend Pieter ook mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit terstond met de brieven terug.”

Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfdeoogenblik voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet wist, dat er een geheime resolutie bij was.

Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige kooplieden en schippers.

“Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,” zeide een hunner. “Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschenEngelanden deGeüniëerde provinciën.”

“Wat meer is,” voegde er een ander bij, “de Engelsche kooplieden hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben.”

“Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt,” vervolgde de eerste spreker.

“Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?” vraagde de stuurman. “Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze hem gauw bezorgen.”

Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag, en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.

“Wat is er, Admiraal?” vraagde Meppel. “Wij zijn aan wal geweest en hebben daar onrustbarendetijdingenvernomen.”

“Ook mij zijn die verhaald,” antwoordde De Ruyter. “Zij luiden zeer oorlogzuchtig.”

“Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!” hervatte Meppel. “Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen.”

“Voorzeker,” antwoordde De Ruyter, “de brief is van Hunne Hoogmogenden.”

“En meldt die niets van den oorlog?” hernam de Vice-admiraal.

“Geen enkel woord,” antwoordde De Ruyter ontwijkend. “Alleen schijnt het, dat er geschillen tusschen de Republiek enEngelandzijn gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men inMalagavol schijnt te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naarAlicante, om het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.

Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eilandGoereeaan.

Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24stenOctober eenige booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het vasteland bijVerdaan wal gezonden, om versch water te halen. Ook van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. ’t Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.

“Zie eens,” zeide Pieter, “daar komt een oude neger aan. Met dien zullen wij een pretje hebben.”

“Dat is goed,” antwoordde Engel. “Maar wij zullen zijn negertaal niet verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet.”

“Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop,” hernam hij tot den neger, die intusschen naderbij gekomen was. “Wat kom je hier uitrichten?”

“Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip,” antwoordde de neger vrij vlot.

Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts hunne eigene taal hoorden spreken.

“Sakkerloot!” zeide Engel. “Wie heeft jou Hollandsch geleerd, zwarte nikker?”

“Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, daarin geweest is, en veel geleerd heeft.”

Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:

“Wat moet gij van dien neger?”

“Die man spreektHollandsch, Schout-bij-nacht,” gaf Engel ten antwoord.

“Mijnheer!” zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der Zaan boog. “Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is.”

“Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat je daar ziet.”

“En hoe zijne naam is?” vervolgde de neger.

“Michiel Adriaanszoon de Ruyter,” antwoordde Van der Zaan.

De neger begon te dansen.

“Michiel, Michiel!” riep hij uit. “Michiel de Ruyter!—Ikke nu vijf- of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat teVlissingenwas. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel maar bootsmansjongen was.”

“En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal van de vloot is.”

“Uwé den armen neger voor den gek houdt,” zeide de zwarte ongeloovig. “Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,—neen, dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, wat men hem wijs maakt.”

“En toch is het waar, Jan Company,” hervatte Van der Zaan. “Zie deze knaap is zijn eenige zoon,” hervatte hij, op Engel wijzende.

De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde zijn gelaat op.

“Ja,” hervatte hij peinzend—“nu ikke het zie. Hij wel opzijn vader lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien.”

“Wel ga dan maar eens mee,” hernam Van der Zaan. “Zijn eigen zoon zal je aan boord brengen.”

Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar het schip “de Spiegel”.

“Vader,” zeide Engel tot den Admiraal, “wij hebben een neger meegebracht, die u verlangt te spreken.”

“Een neger?” vraagde De Ruyter. “En wat moet die van mij hebben?”

“Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is,” vervolgde Engel.

“Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?”

“Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan.”

“En hoe heet hij?”

“Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en gespeeld.”

“Jan Company!” riep De Ruyter verwonderd uit. “Onmogelijk! Maar laat hem hier komen.”

Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger aandachtig; eindelijk zeide hij:

“En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap inVlissingenheb leeren kennen?”

De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem in zijn armen en riep uit:

“Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jarenlang gewenscht heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó.”

“Mijn goede, goede Jan!” zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte. “Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat doe je tegenwoordig voor den kost?”

“Ikke onderkoning is in de land,” antwoordde Jan Company.

“Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik,” zeide De Ruyter lachend. “Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien.”

“O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent,” hervatte de neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.

“Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten,” hervatte hij trouwhartig, “en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn onze lotgevallen vertellen.”

Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal geëindigd had, zeide de neger:

“Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit hadde gedacht!—Weet je nog wel, je me inVlissingenmet sneeuw heeft gedoopt4?”

“Of ik dat nog weet?” hernam Michiel de Ruyter. “Dat zou ik meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart; waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen.”

“En toen je geklimd heeft op dien grooten toren,” hernam Jan, terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, “en met steentjes smeet.”

“En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!” riepDe Ruyter lachende uit. “Maar zeg mij eens, Jan!” vervolgde hij ernstiger. “Je spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht, dat je ook in de kerk gedoopt zijt?”

“Of ikke denk daaraan, Michiel!” hernam Jan Company. “Ikke nog altijd een Christen ben. Ikke nog “’t Onze Vader” en “’k Geloof in God den Vader” op mijn duimpje ken.—Maar,” vervolgde hij min of meer treurig, “mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer naar mijn kennis dien.”

“Nu, dat is braaf van je, Jan,” hervatte De Ruyter. “En zou je niet liever mee naarVlissingengaan en daar komen wonen?”

“Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug te zien!”

De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed, toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige kanonschoten lossen.

Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en koopvaardijschepen over.

Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz, Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland vanVerd, om te visschen. Men gebruiktedaartoe den zegen (groot vischnet) en had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.

”’k Woû, dat we eens naar de negorij gingen,” zeide Engel tot Pieter. “Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag ook eens de woningen der zwarten zien.”

“Ik ook,” antwoordde Pieter. “Weet je, wat we moesten doen? We moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien ouden neger wel, die zoo’n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook weer?—Jan.... Jan Kampanje.”

“Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets kwaads met ons in den zin hebben.”

“Het zijn geen menscheneters, Engel,” hernam Pieter. “Kom, wij moesten het maar wagen.”

“Jij bent een waaghals, Pieter,” zeide Engel. “Ik doe het niet. Mijn vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit voortkwam. Maar ga jij alleen.”

“Alleen?—Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen toch wel eens genoeg gevischt hebben.”

Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval was. Intusschen—aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar het andereof naar een derde wilde komen, men als in een doolhof verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.

“Wat zou daar te doen zijn?” zeide Engel, die zich altijd dicht bij Pieter had gehouden.

“Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,” gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw bij de hand te zijn.

“Dat denk ik niet,” hernam Engel, “want dan zou dat kleine, zwarte mirakel wel schreeuwen.”

“Ik zie het al,” riep Pieter uit. “Het is de woning van Jan Kampanje. Kijk, daar staat hij.”

“Inderdaad, hij is het,” hernam Engel.

En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.

“Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?” zeide de neger.

“De Admiraal niet, maar wel zijn zoon,” antwoordde Du Bois. “Waar is Jonker Engel?” hernam hij, rondziende. “Ha, daar is hij. Kom eens hier, Jonker,” vervolgde hij tot den knaap. “Uws vaders vriend, Jan Company, wenscht u te zien.”

“Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje,” hernam de neger. “Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met mij moeten meegaan.” En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden negerbrood, van zeker gestampt zaadgebakken, palmwijn en zoete melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen, die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van “de Spiegel” terug.

VanGoereestevende De Ruyter naar de rivierSierra Leona, alwaar hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar deGoudkust, waar hij het kasteelWitsenofTokkary, door de Engelschen aan de W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naarSt.-George d’Elmina, waar hij de Britsche vestingKormantijnaantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen inAfrikavan den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naarBarbadosinAmerika, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel, om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het bericht gewerd, dat de oorlog tusschenEngelanden de republiek was uitgebarsten, vond hij het ongeraden, hetKanaaldoor te stevenen, zeilde dus achterIerlandom en kreeg teBergeninNoorwegende tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op deonze behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij besloot dus niet inTexelbinnen te loopen, maar naar deEemste zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen, waaronder vijf prijzen, behouden in deEemsen binnen de haven vanDelfzijlaan. “’t Is God alleen,” riep de vrome Vice-admiraal uit, toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. “’t Is God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.

1Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan ’s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren.2De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, in hare kindsheid gestorven.3Koeriers.4Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk. Blz. 5.

1Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan ’s Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren.

2De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, in hare kindsheid gestorven.

3Koeriers.

4Zie “De weezen vanVlissingen”, 6e druk. Blz. 5.


Back to IndexNext