Tiende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in dien tusschentijd.Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder vrijgelaten, de tijding inEngelandgebracht van hetgeen er op de kust vanGuineagebeurd was, of de vloot des konings werd in zee gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, zoowel inEngelandals hier te lande, had men zich geducht ten oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had toegebracht. Daartoe gaf hij last aan denEngelschenSchout-bij-nacht Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want weldra, op den 29stenDecember, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te zijn van die vloot. Doch hij hadbuiten den waard gerekend; want niet alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden in de diepte der zee zonk.Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker afwierp en ons den oorlog verklaarde.Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van het gemis van een enkel opperhoofd—een Admiraal-generaal. Wel hadden de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet eens.Zeelandkon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegenZwedenaan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na Wassenaar, het tweede bevel op ’s lands vloot te doen voeren. Daarop benoemde men inHollandtot dezelfde waardigheid Kortenaar, De Ruyter en Meppel, en inFrieslandAuke Stellingwerf. Nog werden inHollandCornelis Tromp, Van Nes en Schram, en inZeelandCoenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands zich bevonden. Waarlijk, mijnejongelezers, het had veel van uw soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.Den 23stenMei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met 5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder ’s konings broeder, Jacobus1, hertog vanYorken Groot-admiraal des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning vanBohemen.Den 13denJuni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld, en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het grootste deel der vloot behouden binnenTexel, waar de afgevaardigden der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was tePettenin eenvisschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden) tot hij het binnenTexelhad gebracht. Jan Evertsen had met een tiental andere vaartuigen behouden deMaasbereikt. Voor Wassenaar werd door de Staten in het koor der Groote kerk te ’s-Gravenhageen voor Kortenaar door de Admiraliteit van deMaasin de Groote kerk teRotterdameen praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met eerloosheid en verbanning gestraft.In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders dan onder ’s Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen geen anker wilden winden dan in ’s Prinsen naam.Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men, na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel, onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens wegensGelderland, Johan de Witt wegensHollanden Boreel wegensZeeland. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren in hun schik en de vloot laggereed om uit te zeilen. Dit was juist op het tijdstip van De Ruyters terugkomst teDelfzijl. Gaan wij nu ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was Donderdag den 6denAugustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na hunne aankomst teDelfzijl. Het was heerlijk weder en de Augustuszon scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker in koesterden.“Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel,” begon Pieter. “Zoo’n akeligen kouden mist, en dan—men kon geen hand voor oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere ondiepte zouden stooten.”“Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er gevaar kunnen zijn,” zeide Engel.“Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man.”“Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij inAfrikaenAmerikaverricht hebben. Verder brieven aan de Heeren Raden der Admiraliteit teAmsterdam, aan de Heeren Staten vanGroningenenOmmelanden, en aan die vanFriesland.”“Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten.”“Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het scheepsjournaal raadplegen,” hernam Jonker Engel. “Kijk eens, Piet,” vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. “Daar komt waarlijk reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap uitzetten.”“Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,” zeide Pieter. “Misschien wel een lid der Staten-Generaal.”“Kan het ook de Raadpensionaris wezen?” vraagde Jonker Engel. “Hij schijnt ten minste de hoogste van den troep.”“De Raadpensionaris?” riep Pieter lachende uit. “Neen, dien ken ik wel. Ik heb hem te ’s-Gravenhagemenigmaal gezien. Die ziet er veel eenvoudiger uit.”“Waarschijnlijk is het dan de kommandant vanDelfzijl,” hervatte Jonker Engel.En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, bevelhebber vanDelfzijl, die met eenig gezelschap aan De Ruyters boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.“Nu komen zij vader nog storen,” hervatte Jonker Engel, toen de heeren de kampanje binnen waren.“Het is toch een teeken van groote belangstelling in den Vice-admiraal,” vond Pieter.“Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het lijken wel kooplieden en gegoede burgers.”“Daar is ook een boer bij,” riep Pieter uit. “Zij komen regelrecht op ons schip af.”En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen, ja “menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den hals en kusten hem naar ’s lands wijze, alsof ze hun vader of broeder, uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden.”Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht vanAmsterdam, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te benoemen tot Luitenant-admiraal vanHollandenWest-Frieslanden hem het opperbevel over de vloot, die teTexelzeilreê lag, op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13denAugustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal teDelfzijl, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen aan, dat zij de schepen naarTexelof hetVliemoesten brengen, met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip “Louise”, die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen naarTexelop de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche krijgsgevangenen inEngelandzeer slecht werden behandeld. Op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een sloep achterhaald, gevangengenomen, en teRotterdamopgehangen.Het was op Vrijdag den 14denAugustus, dat de drie gevolmachtigden bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem geluk te wenschen met die benoeming.“Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?” vraagde Pieter aan Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.“Daar twijfel ik niet aan,” gaf Engel ten antwoord.“Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien maanden.”“Dat kun je denken, Pieter,” hernam Engel. “Maar dat weet je: waar plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen.”“En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal De Ruyter nooit achterlijk gebleven,” voegde oom Klaas er bij. “Een braaf man en een trouwe kerel, uw vader.”“Dat is hij, Klaas Dirksz,” zeide Jonker Engel, “en ik reken mij gelukkig zulk een vader te hebben.””’t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naarTexelgaat,” hernam oom Klaas.“Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman,” hervatte Jonker Engel. “Als de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder, die wil, met vader kunnen meegaan.”“Dan ben ik een der eersten,” riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat verhelderde. “Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of in den dood.”“En ik ga ook mee,” zeide Pieter. “Ten minste als jij niet hier blijft, Engel.”“Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen zal vertrekken en mij achterlaten?”“En zullen wij spoedig gaan?” vraagde Pieter.“Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting van den scheepsraad zal wel niet lang duren.”Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne, Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen saluutschoten; teDelfzijlwaren al de soldaten ter eere van den Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met twee trekschuiten vertrokken zij naarGroningenen van daar overDokkumnaarLeeuwarden,FranekerenHarlingen; terwijl zij den nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren, werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naarTexel, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen teTexelhad laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den ochtendstond van den 18denop de vloot, aan boord van het schip “de Liefde”, waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen, of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over ’s lands vloot opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo wederrechtelijk dat bevel ontnemen?—Terstond diende hij zijn ontslag in, tenminste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren worden. Maar hij antwoordde: “dat de behoudenis van zijn persoon en zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te voortvarenden te matigen.”En dat hij met hart en ziel het heil van ’s Lands vloot zocht, dat had men op den 14denAugustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts met tien streken van het kompas2het gat van Texel kon uitvaren, maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan niet. Hij zelf ging aan het roer staan van “de Delfland”, terwijl de Heer Van Haaren “Het huis te Swieten” voor zijne rekening nam. En zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog dienzelfden dag in zee.De Ruyter bleef niet op het schip “de Liefde”, maar begaf zich nog denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip “de Delfland”, waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders, elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop vanMunster, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en doorEngelandwas opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter werd de vrede met hem den 18denApril van het volgend jaar gesloten.1Later onder den naam van Jacobus II koning vanEngelandgeworden.2Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.Elfde Hoofdstuk.Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide.In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat in een “brief” of “kaart,” werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De stad ’s-Gravenhagewas toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan deHofbuurt(Binnen-,BuitenhofenHofsingel) en deIllustre Parelbuurt(VoorhofenVijverberg) de voornaamste in rang waren.Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten deHofbuurtenParelbuurttwee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers;zoo hadden enkele buurten, b. v. hetVoorhout, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden,Jonkmansbuurtgenaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, “officier en regenten der Buurt” geheeten, hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel “President van de Buyrte” genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van “vredemakers” droegen) en één Secretaris (die in deHofbuurtden titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere deHoogstraat, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten1, ƒ 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw “smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam” verbeurde een vette ham of ten minste ƒ 3 (inandere buurten ƒ 1.50), voor het “kyven met anderen in de buyrt” 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging ƒ 1.50, slaan ƒ 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers ƒ 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd2.Wij willen dan eens denNieuwen Doelenbinnentreden en ons naar dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje3reeds eenmaal zijn ingetreden. Het is de 24steNovember van het jaar 1665, de tweede dag van den ditmaal gevierdwordenden maaltijd. Het is dit jaar een luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats van de ƒ 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder dan 19 Dukatons (ƒ 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft laten gereedmaken, welke hij naar denDoelenheeft gezonden. “Door zijn kok?” hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27stenApril als vendrig in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.Maar keeren wij tot de zaal van denNieuwen Doelenterug, die sedert 1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de Casteleneye vanHolland, welke vóór dien tijd tot dat doel werd ingericht. Ook heeft men in deHofbuurtvoor ditmaal het gebruik afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, die reedsvroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar de mannen onder het “drinken van toeback”, die in looden potten aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje “malvezy ofte spaensen wijn” en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert tien uren den tijd hebben gesleten.De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd met de kleuren van het Huis vanOranje. In het midden staat de tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;—hazen, konijnen en een reebout als wild;—kalkoenen, hoenders, duiven, als gevogelte;—zee- en riviervisch en vooral “oysters”4, zoo versch als gebraden, als waterproduct;—gort, erwten en boonen, op verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, druiven5en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: “Spaens banquet,” “ordinair banquet van appelen” en “taartenbanquet,” “marsepeynen,” “gestoffeerde poddings”, “pasteyen”, “eyerkoeken” en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche wijnen, voor “Spaensen” en “Rhijnschen” wijn, en die kroezen voor “Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs” bier. Om de tafel heen staan stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.“Zijne Hoogheid toeft vandaag lang,” begon de advocaat Moleschot, de aftredende deken van dat jaar. “Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen aan ons festijn.”“Voorzeker,” zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. “Ik weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen.”“Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren,” verzekerde Johan Houttuijn, een ander hoofdman.“Waarom niet?” vraagde Middelgeest.“Hij is geïndisposeerd geworden,” antwoordde Houttuijn.“Geïndisposeerd?” riep Henricus Hondius uit. “Het zal hem gisteren zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd hebben.”“De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent te houden,” bracht Van Limborch in het midden. “Hij weet zeer goed, dat deHofbuurtverscheidene leden telt, die der Staatspartij zijn toegedaan.”“Meer toch nog den Prins,” hernam Hondius. “Bij de meesten is het nog Oranjeboven.”“Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor den Oranjestam,” hervatte Limborch. “Maar niemand, welke partij hij ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite grooter is dan die van eenig man in de Republiek.”“En dan die oorlog met Engeland?” vraagde Hondius.“Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen schuld aan,” antwoordde Limborch.“Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!” maande een ander hoofdman, Lintelo van der Ehse aan. “Gij weet zeer goed, dat die onder goede buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient tot verbroedering.”“Gij hebt volkomen gelijk,” verzekerde de deken. “Doch ik hoor het rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.—Wij zullen komen,” vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij, die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen met groen lakenbekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten, namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene vooraanzitting hoegenaamd.Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten, die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke “sarabandes” of der sierlijke “courantes”, dansen, uit het danslustigeFrankrijkovergebracht en toen algemeen in zwang.Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die uit de looden “toebackspotten”; na 1679 gebruikten de dames dan hare “vrouwtjestoeback, geseyd thee” en na 1693 hare “caffée” of koffie.Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de jachthonden, die hij ophetHuis ten Boschhad en van welke hij een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.“Ik twijfel er geenszins aan,” vervolgde de deken, terwijl hij zich tot den Prins wendde, “of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie derHofbuurttot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de afstammeling is.”“Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot,” antwoordde de Prins, terwijl hij van zijn zetel oprees, “ik ben gevoelig voor de eer, mij door mijne geaffectioneerde vrienden van deHofbuurtbewezen, en ik zie geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan.”Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.“Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede vrienden,” hernam de Prins, “en, daar wij het privilegie hebben, een stadhouder6te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook voor hedenavond mijne plaats te vervullen.”Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.Daarop nam Moleschot het woord.“Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren,” zeide hij,“en begin, met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: de prosperiteit van onzen nieuwen President!”Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den uitroep: “Leve de Prins van Oranje!” Te gelijker tijd hoorde men aan eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:“Al is ons Prinsje nog zoo klein,Alével zal hij stadhouder zijn.”waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, betrokken.De prins intusschen wenkte met de hand.“Goede vrienden,” zeide hij. “Ik dank U voor uwe singuliere affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft, gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt.”“Goed gedaan, Willem,” fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift te beantwoorden.“En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!” riep Van Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel, Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen in andere buurtenreeds in 1658 in rekening gebracht; in deHofbuurtechter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan de Witt geheel gekleed.Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:“Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter7voor te stellen.”“Ha, Mijnheer de Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den ronden Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. “Het is mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde dat niet verwachten.”“Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn persoon heeft,” antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.“Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen,” hervatte de Prins. “Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed dient, dient nooit genoeg.”“Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen,” hernamDe Ruyter, “moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, hoop ik den lande nuttig te zijn.”“Braaf gesproken,” hervatte de Prins. “O, mijnheer De Ruyter,” voegde hij er met een nauw merkbaren zucht bij, “men moet zich wel gelukkig gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar,” vervolgde hij, zich tot den Raadpensionaris wendende, “ik zou zoodoende de oorzake mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel en al geweken.”“Uwe Hoogheid is wel goed,” antwoordde de Raadpensionaris, “zooveel attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan.”“Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins. “Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond werken.”“Geen nood,” hervatte De Witt glimlachend. “Ik heb een ijzersterk gestel.”“Gelukkig, wie dat heeft,” zuchtte de Prins, hoestend. “Ik zou wel wenschen in uwe plaats te zijn.”“Hoe meent Uwe Hoogheid dat?” vraagde De Witt min of meer scherp.“Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet zoo fatigueerde.”“En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?” vraagde de Raadpensionaris.“Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, zich amuseeren kan. Onze vrienden van deHofbuurthebben mij wel tot hunnen President gelieven te benoemen.”“Dat weet ik,” hervatte De Witt. “En ik ben Uwer Hoogheid grooten dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft willen instellen.”“Uwe Edelheid weet dus reeds....”“Ik weet,” hernam De Witt met nadruk, “dat Uwe Hoogheid verstandiger is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet.”“Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden,” zeide de Prins. “Haar tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?”“Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van den Prins vanOranje.—Tot van middag, mijnheer De Ruyter,” vervolgde hij tot den Luitenant-admiraal. “Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren.”“Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid vereischen, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf De Ruyter ten antwoord, “heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag.”“Adieu, mijnheer De Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den Luitenant-admiraal vriendelijk groette. “Ik hoop de eer te genieten, een bezoek van U te ontvangen.”“Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad met den Heer Sickinga,” begon De Witt weder, toen zij in de karos zaten. “Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken inFriesland?”“In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad,” antwoordde de Prins. “De Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit ontmoet.”“En hij vertelde U....?” zeide De Witt, terwijl hij den Prins met zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.“O, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf de Prins op onnoozelen toon ten antwoord, “hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar hetHuis ten Bosch, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de Raadpensionaris!”De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van Zuijlestein, die naar hetHuis ten Boschzou mederijden.“Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!” bromde de Raadpensionaris tusschen de tanden. “Intusschen—hij is nu reeds in zijn zestiende jaar, en ’t zal niet lang meer duren, of hij kan mij gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij moet worden onttrokkenaan de infidentie zijner partij en vooral aan die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken.”Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw aan zijne vele besognes te gaan, en—aan zeven secretarissen tegelijk, zeven verschillende brieven te dicteeren.1In 1665 was die voor deHofbuurt10 Cts. per week.2Nog in mijn tijd—ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden—had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, dat soms wel ƒ 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak.3Zie “De weezen van Vlissingen” 6e druk, blz. 68.4De Prins was een aartsliefhebber van oesters.5Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid gezonden.6Plaatsvervanger.7De Luitenant-Admiraal was den 18denNovember inDen Haaggekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter inDen Haagbleef, logeerde hij bij hem.

Tiende Hoofdstuk.Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in dien tusschentijd.Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder vrijgelaten, de tijding inEngelandgebracht van hetgeen er op de kust vanGuineagebeurd was, of de vloot des konings werd in zee gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, zoowel inEngelandals hier te lande, had men zich geducht ten oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had toegebracht. Daartoe gaf hij last aan denEngelschenSchout-bij-nacht Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want weldra, op den 29stenDecember, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te zijn van die vloot. Doch hij hadbuiten den waard gerekend; want niet alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden in de diepte der zee zonk.Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker afwierp en ons den oorlog verklaarde.Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van het gemis van een enkel opperhoofd—een Admiraal-generaal. Wel hadden de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet eens.Zeelandkon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegenZwedenaan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na Wassenaar, het tweede bevel op ’s lands vloot te doen voeren. Daarop benoemde men inHollandtot dezelfde waardigheid Kortenaar, De Ruyter en Meppel, en inFrieslandAuke Stellingwerf. Nog werden inHollandCornelis Tromp, Van Nes en Schram, en inZeelandCoenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands zich bevonden. Waarlijk, mijnejongelezers, het had veel van uw soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.Den 23stenMei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met 5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder ’s konings broeder, Jacobus1, hertog vanYorken Groot-admiraal des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning vanBohemen.Den 13denJuni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld, en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het grootste deel der vloot behouden binnenTexel, waar de afgevaardigden der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was tePettenin eenvisschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden) tot hij het binnenTexelhad gebracht. Jan Evertsen had met een tiental andere vaartuigen behouden deMaasbereikt. Voor Wassenaar werd door de Staten in het koor der Groote kerk te ’s-Gravenhageen voor Kortenaar door de Admiraliteit van deMaasin de Groote kerk teRotterdameen praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met eerloosheid en verbanning gestraft.In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders dan onder ’s Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen geen anker wilden winden dan in ’s Prinsen naam.Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men, na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel, onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens wegensGelderland, Johan de Witt wegensHollanden Boreel wegensZeeland. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren in hun schik en de vloot laggereed om uit te zeilen. Dit was juist op het tijdstip van De Ruyters terugkomst teDelfzijl. Gaan wij nu ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was Donderdag den 6denAugustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na hunne aankomst teDelfzijl. Het was heerlijk weder en de Augustuszon scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker in koesterden.“Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel,” begon Pieter. “Zoo’n akeligen kouden mist, en dan—men kon geen hand voor oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere ondiepte zouden stooten.”“Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er gevaar kunnen zijn,” zeide Engel.“Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man.”“Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij inAfrikaenAmerikaverricht hebben. Verder brieven aan de Heeren Raden der Admiraliteit teAmsterdam, aan de Heeren Staten vanGroningenenOmmelanden, en aan die vanFriesland.”“Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten.”“Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het scheepsjournaal raadplegen,” hernam Jonker Engel. “Kijk eens, Piet,” vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. “Daar komt waarlijk reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap uitzetten.”“Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,” zeide Pieter. “Misschien wel een lid der Staten-Generaal.”“Kan het ook de Raadpensionaris wezen?” vraagde Jonker Engel. “Hij schijnt ten minste de hoogste van den troep.”“De Raadpensionaris?” riep Pieter lachende uit. “Neen, dien ken ik wel. Ik heb hem te ’s-Gravenhagemenigmaal gezien. Die ziet er veel eenvoudiger uit.”“Waarschijnlijk is het dan de kommandant vanDelfzijl,” hervatte Jonker Engel.En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, bevelhebber vanDelfzijl, die met eenig gezelschap aan De Ruyters boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.“Nu komen zij vader nog storen,” hervatte Jonker Engel, toen de heeren de kampanje binnen waren.“Het is toch een teeken van groote belangstelling in den Vice-admiraal,” vond Pieter.“Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het lijken wel kooplieden en gegoede burgers.”“Daar is ook een boer bij,” riep Pieter uit. “Zij komen regelrecht op ons schip af.”En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen, ja “menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den hals en kusten hem naar ’s lands wijze, alsof ze hun vader of broeder, uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden.”Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht vanAmsterdam, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te benoemen tot Luitenant-admiraal vanHollandenWest-Frieslanden hem het opperbevel over de vloot, die teTexelzeilreê lag, op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13denAugustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal teDelfzijl, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen aan, dat zij de schepen naarTexelof hetVliemoesten brengen, met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip “Louise”, die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen naarTexelop de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche krijgsgevangenen inEngelandzeer slecht werden behandeld. Op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een sloep achterhaald, gevangengenomen, en teRotterdamopgehangen.Het was op Vrijdag den 14denAugustus, dat de drie gevolmachtigden bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem geluk te wenschen met die benoeming.“Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?” vraagde Pieter aan Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.“Daar twijfel ik niet aan,” gaf Engel ten antwoord.“Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien maanden.”“Dat kun je denken, Pieter,” hernam Engel. “Maar dat weet je: waar plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen.”“En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal De Ruyter nooit achterlijk gebleven,” voegde oom Klaas er bij. “Een braaf man en een trouwe kerel, uw vader.”“Dat is hij, Klaas Dirksz,” zeide Jonker Engel, “en ik reken mij gelukkig zulk een vader te hebben.””’t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naarTexelgaat,” hernam oom Klaas.“Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman,” hervatte Jonker Engel. “Als de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder, die wil, met vader kunnen meegaan.”“Dan ben ik een der eersten,” riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat verhelderde. “Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of in den dood.”“En ik ga ook mee,” zeide Pieter. “Ten minste als jij niet hier blijft, Engel.”“Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen zal vertrekken en mij achterlaten?”“En zullen wij spoedig gaan?” vraagde Pieter.“Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting van den scheepsraad zal wel niet lang duren.”Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne, Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen saluutschoten; teDelfzijlwaren al de soldaten ter eere van den Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met twee trekschuiten vertrokken zij naarGroningenen van daar overDokkumnaarLeeuwarden,FranekerenHarlingen; terwijl zij den nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren, werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naarTexel, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen teTexelhad laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den ochtendstond van den 18denop de vloot, aan boord van het schip “de Liefde”, waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen, of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over ’s lands vloot opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo wederrechtelijk dat bevel ontnemen?—Terstond diende hij zijn ontslag in, tenminste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren worden. Maar hij antwoordde: “dat de behoudenis van zijn persoon en zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te voortvarenden te matigen.”En dat hij met hart en ziel het heil van ’s Lands vloot zocht, dat had men op den 14denAugustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts met tien streken van het kompas2het gat van Texel kon uitvaren, maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan niet. Hij zelf ging aan het roer staan van “de Delfland”, terwijl de Heer Van Haaren “Het huis te Swieten” voor zijne rekening nam. En zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog dienzelfden dag in zee.De Ruyter bleef niet op het schip “de Liefde”, maar begaf zich nog denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip “de Delfland”, waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders, elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop vanMunster, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en doorEngelandwas opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter werd de vrede met hem den 18denApril van het volgend jaar gesloten.1Later onder den naam van Jacobus II koning vanEngelandgeworden.2Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.

Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in dien tusschentijd.

Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder vrijgelaten, de tijding inEngelandgebracht van hetgeen er op de kust vanGuineagebeurd was, of de vloot des konings werd in zee gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, zoowel inEngelandals hier te lande, had men zich geducht ten oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had toegebracht. Daartoe gaf hij last aan denEngelschenSchout-bij-nacht Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want weldra, op den 29stenDecember, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te zijn van die vloot. Doch hij hadbuiten den waard gerekend; want niet alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden in de diepte der zee zonk.

Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker afwierp en ons den oorlog verklaarde.

Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van het gemis van een enkel opperhoofd—een Admiraal-generaal. Wel hadden de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet eens.Zeelandkon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegenZwedenaan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na Wassenaar, het tweede bevel op ’s lands vloot te doen voeren. Daarop benoemde men inHollandtot dezelfde waardigheid Kortenaar, De Ruyter en Meppel, en inFrieslandAuke Stellingwerf. Nog werden inHollandCornelis Tromp, Van Nes en Schram, en inZeelandCoenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands zich bevonden. Waarlijk, mijnejongelezers, het had veel van uw soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.

Den 23stenMei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met 5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder ’s konings broeder, Jacobus1, hertog vanYorken Groot-admiraal des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning vanBohemen.

Den 13denJuni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld, en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het grootste deel der vloot behouden binnenTexel, waar de afgevaardigden der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was tePettenin eenvisschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden) tot hij het binnenTexelhad gebracht. Jan Evertsen had met een tiental andere vaartuigen behouden deMaasbereikt. Voor Wassenaar werd door de Staten in het koor der Groote kerk te ’s-Gravenhageen voor Kortenaar door de Admiraliteit van deMaasin de Groote kerk teRotterdameen praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met eerloosheid en verbanning gestraft.

In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders dan onder ’s Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen geen anker wilden winden dan in ’s Prinsen naam.

Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men, na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel, onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens wegensGelderland, Johan de Witt wegensHollanden Boreel wegensZeeland. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren in hun schik en de vloot laggereed om uit te zeilen. Dit was juist op het tijdstip van De Ruyters terugkomst teDelfzijl. Gaan wij nu ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.

Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was Donderdag den 6denAugustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na hunne aankomst teDelfzijl. Het was heerlijk weder en de Augustuszon scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker in koesterden.

“Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel,” begon Pieter. “Zoo’n akeligen kouden mist, en dan—men kon geen hand voor oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere ondiepte zouden stooten.”

“Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er gevaar kunnen zijn,” zeide Engel.

“Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man.”

“Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij inAfrikaenAmerikaverricht hebben. Verder brieven aan de Heeren Raden der Admiraliteit teAmsterdam, aan de Heeren Staten vanGroningenenOmmelanden, en aan die vanFriesland.”

“Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten.”

“Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het scheepsjournaal raadplegen,” hernam Jonker Engel. “Kijk eens, Piet,” vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. “Daar komt waarlijk reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap uitzetten.”

“Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,” zeide Pieter. “Misschien wel een lid der Staten-Generaal.”

“Kan het ook de Raadpensionaris wezen?” vraagde Jonker Engel. “Hij schijnt ten minste de hoogste van den troep.”

“De Raadpensionaris?” riep Pieter lachende uit. “Neen, dien ken ik wel. Ik heb hem te ’s-Gravenhagemenigmaal gezien. Die ziet er veel eenvoudiger uit.”

“Waarschijnlijk is het dan de kommandant vanDelfzijl,” hervatte Jonker Engel.

En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, bevelhebber vanDelfzijl, die met eenig gezelschap aan De Ruyters boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.

“Nu komen zij vader nog storen,” hervatte Jonker Engel, toen de heeren de kampanje binnen waren.

“Het is toch een teeken van groote belangstelling in den Vice-admiraal,” vond Pieter.

“Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het lijken wel kooplieden en gegoede burgers.”

“Daar is ook een boer bij,” riep Pieter uit. “Zij komen regelrecht op ons schip af.”

En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen, ja “menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den hals en kusten hem naar ’s lands wijze, alsof ze hun vader of broeder, uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden.”

Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.

De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht vanAmsterdam, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te benoemen tot Luitenant-admiraal vanHollandenWest-Frieslanden hem het opperbevel over de vloot, die teTexelzeilreê lag, op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13denAugustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal teDelfzijl, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen aan, dat zij de schepen naarTexelof hetVliemoesten brengen, met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip “Louise”, die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen naarTexelop de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche krijgsgevangenen inEngelandzeer slecht werden behandeld. Op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een sloep achterhaald, gevangengenomen, en teRotterdamopgehangen.

Het was op Vrijdag den 14denAugustus, dat de drie gevolmachtigden bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem geluk te wenschen met die benoeming.

“Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?” vraagde Pieter aan Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.

“Daar twijfel ik niet aan,” gaf Engel ten antwoord.

“Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien maanden.”

“Dat kun je denken, Pieter,” hernam Engel. “Maar dat weet je: waar plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen.”

“En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal De Ruyter nooit achterlijk gebleven,” voegde oom Klaas er bij. “Een braaf man en een trouwe kerel, uw vader.”

“Dat is hij, Klaas Dirksz,” zeide Jonker Engel, “en ik reken mij gelukkig zulk een vader te hebben.”

”’t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naarTexelgaat,” hernam oom Klaas.

“Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman,” hervatte Jonker Engel. “Als de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder, die wil, met vader kunnen meegaan.”

“Dan ben ik een der eersten,” riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat verhelderde. “Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of in den dood.”

“En ik ga ook mee,” zeide Pieter. “Ten minste als jij niet hier blijft, Engel.”

“Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen zal vertrekken en mij achterlaten?”

“En zullen wij spoedig gaan?” vraagde Pieter.

“Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting van den scheepsraad zal wel niet lang duren.”

Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne, Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen saluutschoten; teDelfzijlwaren al de soldaten ter eere van den Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met twee trekschuiten vertrokken zij naarGroningenen van daar overDokkumnaarLeeuwarden,FranekerenHarlingen; terwijl zij den nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren, werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naarTexel, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen teTexelhad laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den ochtendstond van den 18denop de vloot, aan boord van het schip “de Liefde”, waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.

Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen, of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over ’s lands vloot opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo wederrechtelijk dat bevel ontnemen?—Terstond diende hij zijn ontslag in, tenminste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.

Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren worden. Maar hij antwoordde: “dat de behoudenis van zijn persoon en zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te voortvarenden te matigen.”

En dat hij met hart en ziel het heil van ’s Lands vloot zocht, dat had men op den 14denAugustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts met tien streken van het kompas2het gat van Texel kon uitvaren, maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan niet. Hij zelf ging aan het roer staan van “de Delfland”, terwijl de Heer Van Haaren “Het huis te Swieten” voor zijne rekening nam. En zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog dienzelfden dag in zee.

De Ruyter bleef niet op het schip “de Liefde”, maar begaf zich nog denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip “de Delfland”, waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders, elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.

Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.

Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop vanMunster, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en doorEngelandwas opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter werd de vrede met hem den 18denApril van het volgend jaar gesloten.

1Later onder den naam van Jacobus II koning vanEngelandgeworden.2Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.

1Later onder den naam van Jacobus II koning vanEngelandgeworden.

2Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.

Elfde Hoofdstuk.Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide.In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat in een “brief” of “kaart,” werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De stad ’s-Gravenhagewas toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan deHofbuurt(Binnen-,BuitenhofenHofsingel) en deIllustre Parelbuurt(VoorhofenVijverberg) de voornaamste in rang waren.Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten deHofbuurtenParelbuurttwee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers;zoo hadden enkele buurten, b. v. hetVoorhout, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden,Jonkmansbuurtgenaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, “officier en regenten der Buurt” geheeten, hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel “President van de Buyrte” genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van “vredemakers” droegen) en één Secretaris (die in deHofbuurtden titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere deHoogstraat, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten1, ƒ 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw “smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam” verbeurde een vette ham of ten minste ƒ 3 (inandere buurten ƒ 1.50), voor het “kyven met anderen in de buyrt” 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging ƒ 1.50, slaan ƒ 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers ƒ 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd2.Wij willen dan eens denNieuwen Doelenbinnentreden en ons naar dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje3reeds eenmaal zijn ingetreden. Het is de 24steNovember van het jaar 1665, de tweede dag van den ditmaal gevierdwordenden maaltijd. Het is dit jaar een luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats van de ƒ 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder dan 19 Dukatons (ƒ 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft laten gereedmaken, welke hij naar denDoelenheeft gezonden. “Door zijn kok?” hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27stenApril als vendrig in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.Maar keeren wij tot de zaal van denNieuwen Doelenterug, die sedert 1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de Casteleneye vanHolland, welke vóór dien tijd tot dat doel werd ingericht. Ook heeft men in deHofbuurtvoor ditmaal het gebruik afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, die reedsvroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar de mannen onder het “drinken van toeback”, die in looden potten aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje “malvezy ofte spaensen wijn” en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert tien uren den tijd hebben gesleten.De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd met de kleuren van het Huis vanOranje. In het midden staat de tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;—hazen, konijnen en een reebout als wild;—kalkoenen, hoenders, duiven, als gevogelte;—zee- en riviervisch en vooral “oysters”4, zoo versch als gebraden, als waterproduct;—gort, erwten en boonen, op verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, druiven5en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: “Spaens banquet,” “ordinair banquet van appelen” en “taartenbanquet,” “marsepeynen,” “gestoffeerde poddings”, “pasteyen”, “eyerkoeken” en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche wijnen, voor “Spaensen” en “Rhijnschen” wijn, en die kroezen voor “Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs” bier. Om de tafel heen staan stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.“Zijne Hoogheid toeft vandaag lang,” begon de advocaat Moleschot, de aftredende deken van dat jaar. “Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen aan ons festijn.”“Voorzeker,” zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. “Ik weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen.”“Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren,” verzekerde Johan Houttuijn, een ander hoofdman.“Waarom niet?” vraagde Middelgeest.“Hij is geïndisposeerd geworden,” antwoordde Houttuijn.“Geïndisposeerd?” riep Henricus Hondius uit. “Het zal hem gisteren zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd hebben.”“De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent te houden,” bracht Van Limborch in het midden. “Hij weet zeer goed, dat deHofbuurtverscheidene leden telt, die der Staatspartij zijn toegedaan.”“Meer toch nog den Prins,” hernam Hondius. “Bij de meesten is het nog Oranjeboven.”“Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor den Oranjestam,” hervatte Limborch. “Maar niemand, welke partij hij ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite grooter is dan die van eenig man in de Republiek.”“En dan die oorlog met Engeland?” vraagde Hondius.“Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen schuld aan,” antwoordde Limborch.“Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!” maande een ander hoofdman, Lintelo van der Ehse aan. “Gij weet zeer goed, dat die onder goede buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient tot verbroedering.”“Gij hebt volkomen gelijk,” verzekerde de deken. “Doch ik hoor het rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.—Wij zullen komen,” vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij, die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen met groen lakenbekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten, namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene vooraanzitting hoegenaamd.Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten, die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke “sarabandes” of der sierlijke “courantes”, dansen, uit het danslustigeFrankrijkovergebracht en toen algemeen in zwang.Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die uit de looden “toebackspotten”; na 1679 gebruikten de dames dan hare “vrouwtjestoeback, geseyd thee” en na 1693 hare “caffée” of koffie.Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de jachthonden, die hij ophetHuis ten Boschhad en van welke hij een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.“Ik twijfel er geenszins aan,” vervolgde de deken, terwijl hij zich tot den Prins wendde, “of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie derHofbuurttot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de afstammeling is.”“Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot,” antwoordde de Prins, terwijl hij van zijn zetel oprees, “ik ben gevoelig voor de eer, mij door mijne geaffectioneerde vrienden van deHofbuurtbewezen, en ik zie geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan.”Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.“Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede vrienden,” hernam de Prins, “en, daar wij het privilegie hebben, een stadhouder6te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook voor hedenavond mijne plaats te vervullen.”Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.Daarop nam Moleschot het woord.“Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren,” zeide hij,“en begin, met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: de prosperiteit van onzen nieuwen President!”Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den uitroep: “Leve de Prins van Oranje!” Te gelijker tijd hoorde men aan eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:“Al is ons Prinsje nog zoo klein,Alével zal hij stadhouder zijn.”waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, betrokken.De prins intusschen wenkte met de hand.“Goede vrienden,” zeide hij. “Ik dank U voor uwe singuliere affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft, gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt.”“Goed gedaan, Willem,” fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift te beantwoorden.“En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!” riep Van Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel, Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen in andere buurtenreeds in 1658 in rekening gebracht; in deHofbuurtechter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan de Witt geheel gekleed.Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:“Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter7voor te stellen.”“Ha, Mijnheer de Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den ronden Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. “Het is mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde dat niet verwachten.”“Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn persoon heeft,” antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.“Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen,” hervatte de Prins. “Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed dient, dient nooit genoeg.”“Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen,” hernamDe Ruyter, “moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, hoop ik den lande nuttig te zijn.”“Braaf gesproken,” hervatte de Prins. “O, mijnheer De Ruyter,” voegde hij er met een nauw merkbaren zucht bij, “men moet zich wel gelukkig gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar,” vervolgde hij, zich tot den Raadpensionaris wendende, “ik zou zoodoende de oorzake mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel en al geweken.”“Uwe Hoogheid is wel goed,” antwoordde de Raadpensionaris, “zooveel attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan.”“Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins. “Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond werken.”“Geen nood,” hervatte De Witt glimlachend. “Ik heb een ijzersterk gestel.”“Gelukkig, wie dat heeft,” zuchtte de Prins, hoestend. “Ik zou wel wenschen in uwe plaats te zijn.”“Hoe meent Uwe Hoogheid dat?” vraagde De Witt min of meer scherp.“Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet zoo fatigueerde.”“En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?” vraagde de Raadpensionaris.“Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, zich amuseeren kan. Onze vrienden van deHofbuurthebben mij wel tot hunnen President gelieven te benoemen.”“Dat weet ik,” hervatte De Witt. “En ik ben Uwer Hoogheid grooten dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft willen instellen.”“Uwe Edelheid weet dus reeds....”“Ik weet,” hernam De Witt met nadruk, “dat Uwe Hoogheid verstandiger is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet.”“Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden,” zeide de Prins. “Haar tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?”“Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van den Prins vanOranje.—Tot van middag, mijnheer De Ruyter,” vervolgde hij tot den Luitenant-admiraal. “Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren.”“Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid vereischen, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf De Ruyter ten antwoord, “heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag.”“Adieu, mijnheer De Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den Luitenant-admiraal vriendelijk groette. “Ik hoop de eer te genieten, een bezoek van U te ontvangen.”“Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad met den Heer Sickinga,” begon De Witt weder, toen zij in de karos zaten. “Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken inFriesland?”“In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad,” antwoordde de Prins. “De Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit ontmoet.”“En hij vertelde U....?” zeide De Witt, terwijl hij den Prins met zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.“O, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf de Prins op onnoozelen toon ten antwoord, “hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar hetHuis ten Bosch, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de Raadpensionaris!”De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van Zuijlestein, die naar hetHuis ten Boschzou mederijden.“Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!” bromde de Raadpensionaris tusschen de tanden. “Intusschen—hij is nu reeds in zijn zestiende jaar, en ’t zal niet lang meer duren, of hij kan mij gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij moet worden onttrokkenaan de infidentie zijner partij en vooral aan die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken.”Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw aan zijne vele besognes te gaan, en—aan zeven secretarissen tegelijk, zeven verschillende brieven te dicteeren.1In 1665 was die voor deHofbuurt10 Cts. per week.2Nog in mijn tijd—ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden—had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, dat soms wel ƒ 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak.3Zie “De weezen van Vlissingen” 6e druk, blz. 68.4De Prins was een aartsliefhebber van oesters.5Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid gezonden.6Plaatsvervanger.7De Luitenant-Admiraal was den 18denNovember inDen Haaggekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter inDen Haagbleef, logeerde hij bij hem.

In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat in een “brief” of “kaart,” werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De stad ’s-Gravenhagewas toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan deHofbuurt(Binnen-,BuitenhofenHofsingel) en deIllustre Parelbuurt(VoorhofenVijverberg) de voornaamste in rang waren.Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten deHofbuurtenParelbuurttwee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers;zoo hadden enkele buurten, b. v. hetVoorhout, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden,Jonkmansbuurtgenaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, “officier en regenten der Buurt” geheeten, hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel “President van de Buyrte” genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van “vredemakers” droegen) en één Secretaris (die in deHofbuurtden titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere deHoogstraat, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten1, ƒ 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw “smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam” verbeurde een vette ham of ten minste ƒ 3 (inandere buurten ƒ 1.50), voor het “kyven met anderen in de buyrt” 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging ƒ 1.50, slaan ƒ 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers ƒ 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd2.

Wij willen dan eens denNieuwen Doelenbinnentreden en ons naar dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje3reeds eenmaal zijn ingetreden. Het is de 24steNovember van het jaar 1665, de tweede dag van den ditmaal gevierdwordenden maaltijd. Het is dit jaar een luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats van de ƒ 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder dan 19 Dukatons (ƒ 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft laten gereedmaken, welke hij naar denDoelenheeft gezonden. “Door zijn kok?” hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27stenApril als vendrig in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.

Maar keeren wij tot de zaal van denNieuwen Doelenterug, die sedert 1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de Casteleneye vanHolland, welke vóór dien tijd tot dat doel werd ingericht. Ook heeft men in deHofbuurtvoor ditmaal het gebruik afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, die reedsvroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar de mannen onder het “drinken van toeback”, die in looden potten aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje “malvezy ofte spaensen wijn” en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert tien uren den tijd hebben gesleten.

De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd met de kleuren van het Huis vanOranje. In het midden staat de tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;—hazen, konijnen en een reebout als wild;—kalkoenen, hoenders, duiven, als gevogelte;—zee- en riviervisch en vooral “oysters”4, zoo versch als gebraden, als waterproduct;—gort, erwten en boonen, op verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, druiven5en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: “Spaens banquet,” “ordinair banquet van appelen” en “taartenbanquet,” “marsepeynen,” “gestoffeerde poddings”, “pasteyen”, “eyerkoeken” en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche wijnen, voor “Spaensen” en “Rhijnschen” wijn, en die kroezen voor “Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs” bier. Om de tafel heen staan stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.

“Zijne Hoogheid toeft vandaag lang,” begon de advocaat Moleschot, de aftredende deken van dat jaar. “Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen aan ons festijn.”

“Voorzeker,” zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. “Ik weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen.”

“Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren,” verzekerde Johan Houttuijn, een ander hoofdman.

“Waarom niet?” vraagde Middelgeest.

“Hij is geïndisposeerd geworden,” antwoordde Houttuijn.

“Geïndisposeerd?” riep Henricus Hondius uit. “Het zal hem gisteren zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd hebben.”

“De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent te houden,” bracht Van Limborch in het midden. “Hij weet zeer goed, dat deHofbuurtverscheidene leden telt, die der Staatspartij zijn toegedaan.”

“Meer toch nog den Prins,” hernam Hondius. “Bij de meesten is het nog Oranjeboven.”

“Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor den Oranjestam,” hervatte Limborch. “Maar niemand, welke partij hij ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite grooter is dan die van eenig man in de Republiek.”

“En dan die oorlog met Engeland?” vraagde Hondius.

“Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen schuld aan,” antwoordde Limborch.

“Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!” maande een ander hoofdman, Lintelo van der Ehse aan. “Gij weet zeer goed, dat die onder goede buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient tot verbroedering.”

“Gij hebt volkomen gelijk,” verzekerde de deken. “Doch ik hoor het rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.—Wij zullen komen,” vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij, die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen met groen lakenbekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten, namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene vooraanzitting hoegenaamd.

Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten, die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke “sarabandes” of der sierlijke “courantes”, dansen, uit het danslustigeFrankrijkovergebracht en toen algemeen in zwang.

Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die uit de looden “toebackspotten”; na 1679 gebruikten de dames dan hare “vrouwtjestoeback, geseyd thee” en na 1693 hare “caffée” of koffie.

Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de jachthonden, die hij ophetHuis ten Boschhad en van welke hij een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.

Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.

“Ik twijfel er geenszins aan,” vervolgde de deken, terwijl hij zich tot den Prins wendde, “of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie derHofbuurttot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de afstammeling is.”

“Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot,” antwoordde de Prins, terwijl hij van zijn zetel oprees, “ik ben gevoelig voor de eer, mij door mijne geaffectioneerde vrienden van deHofbuurtbewezen, en ik zie geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan.”

Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.

“Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede vrienden,” hernam de Prins, “en, daar wij het privilegie hebben, een stadhouder6te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook voor hedenavond mijne plaats te vervullen.”

Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.

Daarop nam Moleschot het woord.

“Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren,” zeide hij,“en begin, met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: de prosperiteit van onzen nieuwen President!”

Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den uitroep: “Leve de Prins van Oranje!” Te gelijker tijd hoorde men aan eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:

“Al is ons Prinsje nog zoo klein,Alével zal hij stadhouder zijn.”

“Al is ons Prinsje nog zoo klein,Alével zal hij stadhouder zijn.”

“Al is ons Prinsje nog zoo klein,

Alével zal hij stadhouder zijn.”

waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, betrokken.

De prins intusschen wenkte met de hand.

“Goede vrienden,” zeide hij. “Ik dank U voor uwe singuliere affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft, gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt.”

“Goed gedaan, Willem,” fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift te beantwoorden.

“En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!” riep Van Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.

Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel, Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen in andere buurtenreeds in 1658 in rekening gebracht; in deHofbuurtechter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.

Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan de Witt geheel gekleed.

Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:

“Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter7voor te stellen.”

“Ha, Mijnheer de Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den ronden Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. “Het is mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde dat niet verwachten.”

“Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn persoon heeft,” antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.

“Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen,” hervatte de Prins. “Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed dient, dient nooit genoeg.”

“Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen,” hernamDe Ruyter, “moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, hoop ik den lande nuttig te zijn.”

“Braaf gesproken,” hervatte de Prins. “O, mijnheer De Ruyter,” voegde hij er met een nauw merkbaren zucht bij, “men moet zich wel gelukkig gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar,” vervolgde hij, zich tot den Raadpensionaris wendende, “ik zou zoodoende de oorzake mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel en al geweken.”

“Uwe Hoogheid is wel goed,” antwoordde de Raadpensionaris, “zooveel attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan.”

“Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins. “Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond werken.”

“Geen nood,” hervatte De Witt glimlachend. “Ik heb een ijzersterk gestel.”

“Gelukkig, wie dat heeft,” zuchtte de Prins, hoestend. “Ik zou wel wenschen in uwe plaats te zijn.”

“Hoe meent Uwe Hoogheid dat?” vraagde De Witt min of meer scherp.

“Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet zoo fatigueerde.”

“En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?” vraagde de Raadpensionaris.

“Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, zich amuseeren kan. Onze vrienden van deHofbuurthebben mij wel tot hunnen President gelieven te benoemen.”

“Dat weet ik,” hervatte De Witt. “En ik ben Uwer Hoogheid grooten dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft willen instellen.”

“Uwe Edelheid weet dus reeds....”

“Ik weet,” hernam De Witt met nadruk, “dat Uwe Hoogheid verstandiger is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet.”

“Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden,” zeide de Prins. “Haar tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?”

“Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van den Prins vanOranje.—Tot van middag, mijnheer De Ruyter,” vervolgde hij tot den Luitenant-admiraal. “Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren.”

“Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid vereischen, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf De Ruyter ten antwoord, “heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag.”

“Adieu, mijnheer De Ruyter,” zeide de Prins, terwijl hij den Luitenant-admiraal vriendelijk groette. “Ik hoop de eer te genieten, een bezoek van U te ontvangen.”

“Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad met den Heer Sickinga,” begon De Witt weder, toen zij in de karos zaten. “Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken inFriesland?”

“In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad,” antwoordde de Prins. “De Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit ontmoet.”

“En hij vertelde U....?” zeide De Witt, terwijl hij den Prins met zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.

“O, mijnheer de Raadpensionaris,” gaf de Prins op onnoozelen toon ten antwoord, “hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar hetHuis ten Bosch, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de Raadpensionaris!”

De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van Zuijlestein, die naar hetHuis ten Boschzou mederijden.

“Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!” bromde de Raadpensionaris tusschen de tanden. “Intusschen—hij is nu reeds in zijn zestiende jaar, en ’t zal niet lang meer duren, of hij kan mij gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij moet worden onttrokkenaan de infidentie zijner partij en vooral aan die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken.”

Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw aan zijne vele besognes te gaan, en—aan zeven secretarissen tegelijk, zeven verschillende brieven te dicteeren.

1In 1665 was die voor deHofbuurt10 Cts. per week.2Nog in mijn tijd—ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden—had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, dat soms wel ƒ 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak.3Zie “De weezen van Vlissingen” 6e druk, blz. 68.4De Prins was een aartsliefhebber van oesters.5Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid gezonden.6Plaatsvervanger.7De Luitenant-Admiraal was den 18denNovember inDen Haaggekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter inDen Haagbleef, logeerde hij bij hem.

1In 1665 was die voor deHofbuurt10 Cts. per week.

2Nog in mijn tijd—ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden—had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, dat soms wel ƒ 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak.

3Zie “De weezen van Vlissingen” 6e druk, blz. 68.

4De Prins was een aartsliefhebber van oesters.

5Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid gezonden.

6Plaatsvervanger.

7De Luitenant-Admiraal was den 18denNovember inDen Haaggekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter inDen Haagbleef, logeerde hij bij hem.


Back to IndexNext