Derde Hoofdstuk.Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.Wij begeven ons in een der vertrekken op hetBinnenhofaan de rechterzijde derStadhouderspoort, door de Prinsen vanOranjebewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over hetBuitenhof, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op hetBinnenhofuitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op ’t welk in de rondte de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen vanOranjehangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als ’t ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen,terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der Prinsen vanOranjeis gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van hetbinnenhofgewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik vanOranje, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige paarden, die hetbinnenhofoprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent.“Te laat—ook al te laat!” mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.“Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen.”De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken.“Gij komt vanLeiden, Willem?” begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon.“Om u te dienen, grootmoeder,” antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.“Gij komt te laat, mijn jongen!” hernam de Prinses. “Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te trekken. Haar verlangen naarEngelandschijnt te domineeren over hare liefde tot u.”Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,—het volgende stond het rustig, en bedaard antwoordde hij:“Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht.”“En waarom zijt gij dan niet gekomen?”“Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter....”“Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog inDen Brielte zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naarHellevoetsluisvertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen.”“Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten,” antwoordde de Prins. “Maar op welke wijs zal mijne moeder naarEngelandvertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen.”“Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en teGoedereedegearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht.”“Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,” hervatte de Prins.“De hertog vanGlocesterligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,” hernam de Prinses, “en dientengevolge is de hertog vanYorkook inEngelandgebleven. Ik verneem, dat de HeerenMontaigne,OrealenBerklayop de vloot zijn.””’t Zal moeder wel leed doen,” hervatte de Prins. “Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester.””’t Is een Engelschman!” prevelde Amalia. “Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden,” hernam zij luider tot haren kleinzoon. “Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren.”“Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen,” antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, “ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart MijnheerDe Witt?” vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.“De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt.”De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, overDelftnaarMaassluis, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naarDen Brielover te varen en zich van daar terstond naarHellevoetsluiste begeven.De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch enkoud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren.“Reeds zoo vroeg op, Willem!” zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad.“Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein,” gaf de Prins ten antwoord. “Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij ons in ’s-Gravenhageten hoogste een kwartier opgehouden.”“De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!” antwoordde de goeverneur.“Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zalhaarschuld zijn, als ik mijne moeder niet meer teHellevoetsluisvind.”“De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem,” antwoordde Zuijlestein.“Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder.”“Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem,” hervatte Zuijlestein. “Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op deMaaszou u kwaad doen.”“Mochten wij, teHellevoetsluiskomende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee,” hernam de Prins.“Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn.”Nadat de overtocht naarBriellevolbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naarHellevoetsluis, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan de loggeEngelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde.Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag vanEngelandin top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.—koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria vanEngeland, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins (laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.Te midden van al die pracht zat de Prinses vanOranjeen naast haar de gravin vanChesterfield, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone vrouw, die Maria vanEngeland. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen.“Wees welkom, Willem!” zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. “Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?”“Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder,” antwoordde Willem. “Gisteren heb ik ’t niet verder kunnen brengen dan totMaassluis, en toen ik teHellevoetkwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedeniste doen; ook zij hoopte u gisteren teBriellete rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar ’s-Gravenhage, waar ik haar gesproken heb.”Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.“En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uitMaassluisvertrokken.”“Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en terstond op reis gingen.”“Een bode voor mij met een brief?” hernam de Prinses.Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in ’t Engelsch uit:“Mijn broeder, de hertog vanGlocester, is overleden, mijne heeren!”De hertog vanGlocesterwas de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!—Het zou nu een treurige reis zijn naarLonden.Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik vanOranjenam voor altijd afscheid van zijn moeder.De Prins keerde naarDen Haagterug en vertrok weder naarLeiden,—de Prinses kwam den 2denOctober gezond en frisch teLondenaan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog vanYork(later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd.Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,—maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uitEngelandte krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3denvan die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven bij haren “lieven broeder”, den hertog vanGlocester. Aan de gravin vanChesterfielden hare kamervrouw Howard had zij elk £ 400 (ƒ 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt inWhite-hall, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant inEngeland; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige partij (de Loevesteinsche factie).—Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen,groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed vanEngelandte onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naarScheveningenof in hetBosch, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.“Maar, beste Pieter,” zeide oom Klaas. “Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat te kiezen.”“Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien.”“Dat was een geheel ander geval, Pieter,” antwoordde de oom. “Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee.”“Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?”“Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt.”“Ik zal het mijn vader vragen,” hernam Pieter. “En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?”“Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren—welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken.”Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.“Vader,” zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, “ik wenschte u gaarne iets te vragen.”“Welzoo, Pieter,” antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke oogen keek, “wat was er dan van je verlangen?”“Oom gaat morgen weg, vader!”“Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden.”“Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde.”“En wat dan?” vraagde de vader.“Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen....”“Is het dan iets kwaads?” zeide de vader ernstig. “Hou het dan maar liever voor je.”“O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan.”“Er uit mede, Pieter!” hernam baas Dirksz ongeduldig.“Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!”“Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?—Daar kan niets van komen.”“Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman.”“Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willenworden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt.”“Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?” vraagde Marie.“O, daar heb jij geen verstand van, Marie,” zeide Pieter. “Het is zoo’n heerlijk leven, zeeman!”“Ja, zoo schijnt het,” hernam baas Dirksz. “Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd.”“Maar, vader....”“Maar, Pieter!” zeide de vader. “Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op deBierkade1. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!” hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. “Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen “ja” zeide, waar hij eenmaal “neen” gezegd had. Hij wenschte dus vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder.“Wel, Pieter, wel, Pieter!” zeide zij, “zou jij ons zoo willen verlaten?”“Of ik wil, Martha,” antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen langs zijne wangen rolden. “Ja.”“En mij ook?” vraagde Martha.“Welnu, ga dan maar mee naar zee.”“Ik op zee?”“Wel ja, als je niet buiten mij kunt.”“Foei, Pieter!” hernam het lieve meisje. “Jij naar zee gaan! En ben je dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft.”“Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger opklim; ik kan....”“Je kunt je troosten, Pieter,” antwoordde Martha, terwijl zij hem een kus gaf. “Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas.”“Maar ik zou liever Admiraal willen worden!” zeide Pieter.“Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten.”Met deze woorden snelde zij de trap af.“Dat zullen wij zien!” riep Pieter haar na, kleedde zich uit en ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?—Zeker van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,—dat kunt gij begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond: “Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.Vierde Hoofdstuk.Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses Maria vanEngeland, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, deSpuistraatdoorwandelde tot aan deKapelsbrug, en toen, langs hetSpui, de Nieuwe Kerk voorbij, naar deBierkadeging, op welke gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen ontmoetten1: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij begrijptlicht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben, had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje als bewijs bijgebracht:“Maandag kloek,De heele week zoek;”maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns broeders vrees gelachen.“Ik blijf er bij,” had hij gezegd. “De jongen zal op Maandag naar baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat.”En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar Thijs Groote, den ijzerkooper in hetAchterom, gegaan en had hem gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden, dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó had genomen, “want,” zeide hij, “je bent in je groei, Piet, en wordt dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden.” En toen hij te huis kwam en Martha hem het schootsvelvoorbond, toen zei de ondeugende meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid over. En toen hij ’s Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, dan zeide hij bij zich zelf: “het kan geen kwaad als ik wat timmeren leer, dat kan mij op zee best te pas komen.” Met moed stapte hij dus de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.“Baas,” begon de pruikenmaker. “Ik breng u hier mijn Pieter, van wien ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden.”“Dat is een goed plan, knaap!” zeide de timmermansbaas. “Hoe heet je?”“Pieter,” antwoordde de aangesprokene.“Nu, Pieter!” hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat aanteekende. “Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord wordt bij ons in practijk gebracht.”Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch eendoorn in het oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van den oudroest Jan IJzer uit het korteAchteromen heette, evenals zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens waren dikke vrienden.De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen en spaanders in een zak werden gepakt. ’s Maandags en Donderdags waren zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen ’s zomers na de middagkerk gingen de burgerlieden wat in hetBoschwandelen of naarScheveningen; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes even buiten de stad, aan deDelftsche vaart, aan de buitensingels en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendomen wel aan denScheveningschenweg2, die toen nog over de duinen liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in 1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig hetWillemspark), en van achteren in den ruimen tuin, die van voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende weiland gescheiden.Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand Mei naar hetLange Voorhout, waar wij de knechts van baas Balkenende druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst geleerd.—Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat had hijverleden jaar ook gedaan; maar nu—nu staat hij daar in zijn bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten de kramen nog tot de Banus-kermis3staan,—ja als behoefden zij nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.’t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke gesprekken.Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan, dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust hadden kunnen eten. Zijhebben zich dus op een kleinen afstand van de anderen neergezet.“Frans,” begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier naast zich nederzet, “ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis zal zijn.”“Ik heb het ook gehoord,” antwoordt Frans met zijn mond vol brood. “Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij deVoorpoort4doorgaat.”“Nu, dat is vast een leugen,” meent Jan. “Zulke groote reuzen heeft men niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, die uitAmsterdamkomt.”“O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?” vraagt Frans. “Vader heeft mij verteld, dat hij in denVijverzal onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder water twee of drie deuntjes zal blazen.”“Maar dat is immers onmogelijk,” zegt Pieter, terwijl hij een slok neemt uit zijn kruik. “Dan komt het water in zijn instrument.”“Hij moet het toch teAmsterdamgedaan hebben,” herneemt Jan.“En wat hij teAmsterdamkan doen, kan hij hier ook,” meent Frans. “Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter.”“Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk,” roept Pieter uit.“En het moet toch zoo zijn,” hervat Jan. “Mijn vader heeft het zelf verleden jaar teRotterdamgezien.”“Nu ik wensch hem smakelijk eten,” zegt Pieter, “maar ikwil niet bij hem te gast genoodigd worden. Eilacy! ’k geloof, dat ik mijn mond gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat wil ik zien.”Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon Jan eensklaps:“Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd.”“Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe.”“Hoor eens, Frans!” hernam Jan. “Dan moest je zien, dat je den sleutel wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen.”“Maar ik moet naar de kerk,” zeide Frans.“Ik ook,” voegde Pieter er bij.“Wat zou dat?” snoefde Jan. “Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is, wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd weer t’huis zijn.”“En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?” vraagde Pieter.“Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring staat,” hervatte Jan.Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe te brengen. Eindelijk gelukte het hemen werd voorloopig de afspraak vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen, of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich de deur uit.“Wat maak je een haast, Pieter,” zeide Martha in het voorhuis tegen hem. “’t Is of Joost je op de hielen zit.”“Ik wil graag een goede plaats krijgen,” antwoordde Pieter. “Ik houd er niet van, om zoo achteraf te zitten.”“Wacht dan even; dan ga ik mee,” zeide het meisje. “Ik moet nog maar even mijn huik opzetten.”Dat beviel Pieter niet.“Haast je dan wat,” gaf hij ten antwoord. “Ik ga al vast vooruit.”Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste dwarsstraat in, die hem naar hetAchteromvoerde, en rende die straat tot aan hetHofpoortjedoor. Vervolgens begaf hij zich wat bedaarder over hetBuitenhofen door deVoorpoortvan denHove, langs hetTournooiveldnaar hetLange Voorhout, waar hij stellig dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich echter: hij was de eerste.“Zouden zij hun woord niet houden?” mompelde hij. “Dat zou valsch wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd.”Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar noch Frans noch Jan verscheen.“Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk,” pruttelde hij weer. “Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast niet behoeven te maken. Maar wacht,daar komt er al een.—Zoo, Jan!” vervolgde hij tot den aangekomene. “Ben je daar eindelijk, en waar is Frans?”“Eindelijk?” bromde Jan. “Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?—Als hij niet gauw komt, dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met ons beiden.”“Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt.”“O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde man brengt de pret aan. Maar zie—daar komt Frans. Hij houdt toch woord.—Je bent lang weggebleven, Frans!” vervolgde hij tot den aankomende. “Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen gepakt en waren alleen gegaan.”“Ik had het niet kunnen helpen. ’t Heeft mij moeite genoeg gekost, om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu,” terwijl hij dien zegepralend in de hoogte hield, “nu heb ik hem; dus, jongens! op marsch!”Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan hunne ouders brengen.“Dan zou er wat opzitten,” had Pieter gezegd. “Want vader is gansch niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang zeer doet.”“Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk,” hervatte Frans. “Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvanik nog wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten.”“Flauwerd!” zeide Jan. “Bang voor een pak ransel?—of denk je dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er aan! Intusschen—gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom, dan kun jelui me de preek vertellen.”“Hoor eens, Jan?” hervatte Frans. “Een flauwerd moet je me niet noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.“Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan.”“Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?” zeide Pieter, terwijl hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag, als wilde hij zeggen: “Wat verbeeldt gij u wel?”“Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen zoodoende al onzen tijd.”En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.“Daar slaat de “Sint-Jacob” al elf,” riep Pieter eensklaps uit. “Wij moeten weg; anders komen wij telaat thuis.”“Het is zoo zondig waar!” bevestigde Jan, die de slagen geteld had. “Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven wij dien op bij gebrek aan een tekst.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat hettoilet zoo goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,—hun scheen het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).“Nu is goede raad duur.” begon Jan. “Zeg eens, Frans! kunnen wij de schutting niet over?”“Ja,” antwoordde deze. “Maar dan komen wij in de sloot terecht die het weiland omgeeft.”“Nu, dan over een der zijschuttingen.”“Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn.”“Geen nood!” hervatte Jan. “Dan klimmen wij zijne achterschutting er bij over. Als wij maar gered zijn.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot aandenband openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders neer, dan hij gemeendhad, struikelde en viel zoo lang hij was op den grond neder.De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij: “waar blijf jij toch, Piet?”“Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!” kermde deze. “Ik kan geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan.”Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.“Ben je dwaas?” zeide Jan. “Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis.”“Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen,” hervatte Frans. “Wij zijn samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen.”“Alles mooi en wel,” hernam Jan. “Maar ik bedank er voor om ransel te krijgen, als ik te laat thuis kom.”Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter.“Laat mij je helpen om op te staan,” zeide hij tot zijn vriend.“Laat mij maar liggen, Frans!” antwoordde deze. “Misschien bedaart het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn.”“Kom, probeer maar eens, Piet!” hernam de andere. “Als je eens over de schutting bent, zal het wel schikken.”“Maar ik kan wezenlijk niet opstaan,” hervatte Pieter. “Eilacy, ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat thuis komen.”Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn armen vriend in den tuin van den smid liggen.1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.2Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaatsZorgvliet, door hem zelf aangelegd.3Gij herinnert u, dat men vroeger in ’s-Gravenhagetwee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie “De Weezen van Vlissingen.” 6e druk. Blz. 65.4Tegenwoordig deGevangenpoortgeheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken.
Derde Hoofdstuk.Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.Wij begeven ons in een der vertrekken op hetBinnenhofaan de rechterzijde derStadhouderspoort, door de Prinsen vanOranjebewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over hetBuitenhof, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op hetBinnenhofuitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op ’t welk in de rondte de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen vanOranjehangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als ’t ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen,terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der Prinsen vanOranjeis gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van hetbinnenhofgewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik vanOranje, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige paarden, die hetbinnenhofoprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent.“Te laat—ook al te laat!” mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.“Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen.”De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken.“Gij komt vanLeiden, Willem?” begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon.“Om u te dienen, grootmoeder,” antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.“Gij komt te laat, mijn jongen!” hernam de Prinses. “Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te trekken. Haar verlangen naarEngelandschijnt te domineeren over hare liefde tot u.”Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,—het volgende stond het rustig, en bedaard antwoordde hij:“Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht.”“En waarom zijt gij dan niet gekomen?”“Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter....”“Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog inDen Brielte zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naarHellevoetsluisvertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen.”“Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten,” antwoordde de Prins. “Maar op welke wijs zal mijne moeder naarEngelandvertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen.”“Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en teGoedereedegearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht.”“Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,” hervatte de Prins.“De hertog vanGlocesterligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,” hernam de Prinses, “en dientengevolge is de hertog vanYorkook inEngelandgebleven. Ik verneem, dat de HeerenMontaigne,OrealenBerklayop de vloot zijn.””’t Zal moeder wel leed doen,” hervatte de Prins. “Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester.””’t Is een Engelschman!” prevelde Amalia. “Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden,” hernam zij luider tot haren kleinzoon. “Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren.”“Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen,” antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, “ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart MijnheerDe Witt?” vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.“De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt.”De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, overDelftnaarMaassluis, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naarDen Brielover te varen en zich van daar terstond naarHellevoetsluiste begeven.De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch enkoud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren.“Reeds zoo vroeg op, Willem!” zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad.“Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein,” gaf de Prins ten antwoord. “Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij ons in ’s-Gravenhageten hoogste een kwartier opgehouden.”“De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!” antwoordde de goeverneur.“Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zalhaarschuld zijn, als ik mijne moeder niet meer teHellevoetsluisvind.”“De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem,” antwoordde Zuijlestein.“Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder.”“Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem,” hervatte Zuijlestein. “Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op deMaaszou u kwaad doen.”“Mochten wij, teHellevoetsluiskomende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee,” hernam de Prins.“Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn.”Nadat de overtocht naarBriellevolbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naarHellevoetsluis, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan de loggeEngelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde.Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag vanEngelandin top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.—koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria vanEngeland, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins (laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.Te midden van al die pracht zat de Prinses vanOranjeen naast haar de gravin vanChesterfield, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone vrouw, die Maria vanEngeland. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen.“Wees welkom, Willem!” zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. “Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?”“Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder,” antwoordde Willem. “Gisteren heb ik ’t niet verder kunnen brengen dan totMaassluis, en toen ik teHellevoetkwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedeniste doen; ook zij hoopte u gisteren teBriellete rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar ’s-Gravenhage, waar ik haar gesproken heb.”Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.“En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uitMaassluisvertrokken.”“Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en terstond op reis gingen.”“Een bode voor mij met een brief?” hernam de Prinses.Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in ’t Engelsch uit:“Mijn broeder, de hertog vanGlocester, is overleden, mijne heeren!”De hertog vanGlocesterwas de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!—Het zou nu een treurige reis zijn naarLonden.Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik vanOranjenam voor altijd afscheid van zijn moeder.De Prins keerde naarDen Haagterug en vertrok weder naarLeiden,—de Prinses kwam den 2denOctober gezond en frisch teLondenaan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog vanYork(later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd.Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,—maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uitEngelandte krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3denvan die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven bij haren “lieven broeder”, den hertog vanGlocester. Aan de gravin vanChesterfielden hare kamervrouw Howard had zij elk £ 400 (ƒ 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt inWhite-hall, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant inEngeland; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige partij (de Loevesteinsche factie).—Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen,groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed vanEngelandte onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naarScheveningenof in hetBosch, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.“Maar, beste Pieter,” zeide oom Klaas. “Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat te kiezen.”“Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien.”“Dat was een geheel ander geval, Pieter,” antwoordde de oom. “Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee.”“Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?”“Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt.”“Ik zal het mijn vader vragen,” hernam Pieter. “En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?”“Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren—welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken.”Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.“Vader,” zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, “ik wenschte u gaarne iets te vragen.”“Welzoo, Pieter,” antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke oogen keek, “wat was er dan van je verlangen?”“Oom gaat morgen weg, vader!”“Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden.”“Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde.”“En wat dan?” vraagde de vader.“Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen....”“Is het dan iets kwaads?” zeide de vader ernstig. “Hou het dan maar liever voor je.”“O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan.”“Er uit mede, Pieter!” hernam baas Dirksz ongeduldig.“Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!”“Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?—Daar kan niets van komen.”“Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman.”“Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willenworden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt.”“Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?” vraagde Marie.“O, daar heb jij geen verstand van, Marie,” zeide Pieter. “Het is zoo’n heerlijk leven, zeeman!”“Ja, zoo schijnt het,” hernam baas Dirksz. “Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd.”“Maar, vader....”“Maar, Pieter!” zeide de vader. “Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op deBierkade1. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!” hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. “Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen “ja” zeide, waar hij eenmaal “neen” gezegd had. Hij wenschte dus vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder.“Wel, Pieter, wel, Pieter!” zeide zij, “zou jij ons zoo willen verlaten?”“Of ik wil, Martha,” antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen langs zijne wangen rolden. “Ja.”“En mij ook?” vraagde Martha.“Welnu, ga dan maar mee naar zee.”“Ik op zee?”“Wel ja, als je niet buiten mij kunt.”“Foei, Pieter!” hernam het lieve meisje. “Jij naar zee gaan! En ben je dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft.”“Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger opklim; ik kan....”“Je kunt je troosten, Pieter,” antwoordde Martha, terwijl zij hem een kus gaf. “Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas.”“Maar ik zou liever Admiraal willen worden!” zeide Pieter.“Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten.”Met deze woorden snelde zij de trap af.“Dat zullen wij zien!” riep Pieter haar na, kleedde zich uit en ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?—Zeker van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,—dat kunt gij begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond: “Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.
Wij begeven ons in een der vertrekken op hetBinnenhofaan de rechterzijde derStadhouderspoort, door de Prinsen vanOranjebewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over hetBuitenhof, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op hetBinnenhofuitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op ’t welk in de rondte de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen vanOranjehangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als ’t ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen,terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.
Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der Prinsen vanOranjeis gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van hetbinnenhofgewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik vanOranje, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.
Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige paarden, die hetbinnenhofoprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent.
“Te laat—ook al te laat!” mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.
“Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen.”
De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken.
“Gij komt vanLeiden, Willem?” begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon.
“Om u te dienen, grootmoeder,” antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.
“Gij komt te laat, mijn jongen!” hernam de Prinses. “Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te trekken. Haar verlangen naarEngelandschijnt te domineeren over hare liefde tot u.”
Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,—het volgende stond het rustig, en bedaard antwoordde hij:
“Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht.”
“En waarom zijt gij dan niet gekomen?”
“Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter....”
“Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog inDen Brielte zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naarHellevoetsluisvertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen.”
“Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten,” antwoordde de Prins. “Maar op welke wijs zal mijne moeder naarEngelandvertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen.”
“Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en teGoedereedegearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht.”
“Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,” hervatte de Prins.
“De hertog vanGlocesterligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,” hernam de Prinses, “en dientengevolge is de hertog vanYorkook inEngelandgebleven. Ik verneem, dat de HeerenMontaigne,OrealenBerklayop de vloot zijn.”
”’t Zal moeder wel leed doen,” hervatte de Prins. “Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester.”
”’t Is een Engelschman!” prevelde Amalia. “Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden,” hernam zij luider tot haren kleinzoon. “Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren.”
“Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen,” antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, “ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart MijnheerDe Witt?” vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.
“De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt.”
De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, overDelftnaarMaassluis, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naarDen Brielover te varen en zich van daar terstond naarHellevoetsluiste begeven.
De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch enkoud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren.
“Reeds zoo vroeg op, Willem!” zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad.
“Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein,” gaf de Prins ten antwoord. “Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij ons in ’s-Gravenhageten hoogste een kwartier opgehouden.”
“De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!” antwoordde de goeverneur.
“Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zalhaarschuld zijn, als ik mijne moeder niet meer teHellevoetsluisvind.”
“De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem,” antwoordde Zuijlestein.
“Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder.”
“Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem,” hervatte Zuijlestein. “Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op deMaaszou u kwaad doen.”
“Mochten wij, teHellevoetsluiskomende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee,” hernam de Prins.
“Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn.”
Nadat de overtocht naarBriellevolbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naarHellevoetsluis, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan de loggeEngelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde.
Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag vanEngelandin top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.—koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria vanEngeland, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins (laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.
Te midden van al die pracht zat de Prinses vanOranjeen naast haar de gravin vanChesterfield, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone vrouw, die Maria vanEngeland. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen.
“Wees welkom, Willem!” zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. “Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?”
“Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder,” antwoordde Willem. “Gisteren heb ik ’t niet verder kunnen brengen dan totMaassluis, en toen ik teHellevoetkwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedeniste doen; ook zij hoopte u gisteren teBriellete rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar ’s-Gravenhage, waar ik haar gesproken heb.”
Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.
“En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uitMaassluisvertrokken.”
“Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en terstond op reis gingen.”
“Een bode voor mij met een brief?” hernam de Prinses.
Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in ’t Engelsch uit:
“Mijn broeder, de hertog vanGlocester, is overleden, mijne heeren!”
De hertog vanGlocesterwas de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!—Het zou nu een treurige reis zijn naarLonden.
Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik vanOranjenam voor altijd afscheid van zijn moeder.
De Prins keerde naarDen Haagterug en vertrok weder naarLeiden,—de Prinses kwam den 2denOctober gezond en frisch teLondenaan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog vanYork(later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd.
Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,—maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uitEngelandte krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3denvan die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven bij haren “lieven broeder”, den hertog vanGlocester. Aan de gravin vanChesterfielden hare kamervrouw Howard had zij elk £ 400 (ƒ 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt inWhite-hall, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant inEngeland; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.
Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige partij (de Loevesteinsche factie).—Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen,groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed vanEngelandte onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.
Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naarScheveningenof in hetBosch, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.
“Maar, beste Pieter,” zeide oom Klaas. “Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat te kiezen.”
“Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien.”
“Dat was een geheel ander geval, Pieter,” antwoordde de oom. “Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee.”
“Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?”
“Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt.”
“Ik zal het mijn vader vragen,” hernam Pieter. “En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?”
“Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren—welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken.”
Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.
“Vader,” zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, “ik wenschte u gaarne iets te vragen.”
“Welzoo, Pieter,” antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke oogen keek, “wat was er dan van je verlangen?”
“Oom gaat morgen weg, vader!”
“Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden.”
“Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde.”
“En wat dan?” vraagde de vader.
“Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen....”
“Is het dan iets kwaads?” zeide de vader ernstig. “Hou het dan maar liever voor je.”
“O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan.”
“Er uit mede, Pieter!” hernam baas Dirksz ongeduldig.
“Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!”
“Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?—Daar kan niets van komen.”
“Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman.”
“Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willenworden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt.”
“Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?” vraagde Marie.
“O, daar heb jij geen verstand van, Marie,” zeide Pieter. “Het is zoo’n heerlijk leven, zeeman!”
“Ja, zoo schijnt het,” hernam baas Dirksz. “Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd.”
“Maar, vader....”
“Maar, Pieter!” zeide de vader. “Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op deBierkade1. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!” hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. “Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”
Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen “ja” zeide, waar hij eenmaal “neen” gezegd had. Hij wenschte dus vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.
Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder.
“Wel, Pieter, wel, Pieter!” zeide zij, “zou jij ons zoo willen verlaten?”
“Of ik wil, Martha,” antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen langs zijne wangen rolden. “Ja.”
“En mij ook?” vraagde Martha.
“Welnu, ga dan maar mee naar zee.”
“Ik op zee?”
“Wel ja, als je niet buiten mij kunt.”
“Foei, Pieter!” hernam het lieve meisje. “Jij naar zee gaan! En ben je dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft.”
“Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger opklim; ik kan....”
“Je kunt je troosten, Pieter,” antwoordde Martha, terwijl zij hem een kus gaf. “Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas.”
“Maar ik zou liever Admiraal willen worden!” zeide Pieter.
“Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten.”
Met deze woorden snelde zij de trap af.
“Dat zullen wij zien!” riep Pieter haar na, kleedde zich uit en ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?—Zeker van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,—dat kunt gij begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond: “Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”
1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.
1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.
Vierde Hoofdstuk.Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses Maria vanEngeland, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, deSpuistraatdoorwandelde tot aan deKapelsbrug, en toen, langs hetSpui, de Nieuwe Kerk voorbij, naar deBierkadeging, op welke gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen ontmoetten1: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij begrijptlicht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben, had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje als bewijs bijgebracht:“Maandag kloek,De heele week zoek;”maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns broeders vrees gelachen.“Ik blijf er bij,” had hij gezegd. “De jongen zal op Maandag naar baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat.”En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar Thijs Groote, den ijzerkooper in hetAchterom, gegaan en had hem gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden, dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó had genomen, “want,” zeide hij, “je bent in je groei, Piet, en wordt dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden.” En toen hij te huis kwam en Martha hem het schootsvelvoorbond, toen zei de ondeugende meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid over. En toen hij ’s Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, dan zeide hij bij zich zelf: “het kan geen kwaad als ik wat timmeren leer, dat kan mij op zee best te pas komen.” Met moed stapte hij dus de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.“Baas,” begon de pruikenmaker. “Ik breng u hier mijn Pieter, van wien ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden.”“Dat is een goed plan, knaap!” zeide de timmermansbaas. “Hoe heet je?”“Pieter,” antwoordde de aangesprokene.“Nu, Pieter!” hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat aanteekende. “Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord wordt bij ons in practijk gebracht.”Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch eendoorn in het oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van den oudroest Jan IJzer uit het korteAchteromen heette, evenals zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens waren dikke vrienden.De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen en spaanders in een zak werden gepakt. ’s Maandags en Donderdags waren zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen ’s zomers na de middagkerk gingen de burgerlieden wat in hetBoschwandelen of naarScheveningen; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes even buiten de stad, aan deDelftsche vaart, aan de buitensingels en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendomen wel aan denScheveningschenweg2, die toen nog over de duinen liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in 1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig hetWillemspark), en van achteren in den ruimen tuin, die van voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende weiland gescheiden.Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand Mei naar hetLange Voorhout, waar wij de knechts van baas Balkenende druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst geleerd.—Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat had hijverleden jaar ook gedaan; maar nu—nu staat hij daar in zijn bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten de kramen nog tot de Banus-kermis3staan,—ja als behoefden zij nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.’t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke gesprekken.Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan, dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust hadden kunnen eten. Zijhebben zich dus op een kleinen afstand van de anderen neergezet.“Frans,” begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier naast zich nederzet, “ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis zal zijn.”“Ik heb het ook gehoord,” antwoordt Frans met zijn mond vol brood. “Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij deVoorpoort4doorgaat.”“Nu, dat is vast een leugen,” meent Jan. “Zulke groote reuzen heeft men niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, die uitAmsterdamkomt.”“O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?” vraagt Frans. “Vader heeft mij verteld, dat hij in denVijverzal onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder water twee of drie deuntjes zal blazen.”“Maar dat is immers onmogelijk,” zegt Pieter, terwijl hij een slok neemt uit zijn kruik. “Dan komt het water in zijn instrument.”“Hij moet het toch teAmsterdamgedaan hebben,” herneemt Jan.“En wat hij teAmsterdamkan doen, kan hij hier ook,” meent Frans. “Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter.”“Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk,” roept Pieter uit.“En het moet toch zoo zijn,” hervat Jan. “Mijn vader heeft het zelf verleden jaar teRotterdamgezien.”“Nu ik wensch hem smakelijk eten,” zegt Pieter, “maar ikwil niet bij hem te gast genoodigd worden. Eilacy! ’k geloof, dat ik mijn mond gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat wil ik zien.”Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon Jan eensklaps:“Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd.”“Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe.”“Hoor eens, Frans!” hernam Jan. “Dan moest je zien, dat je den sleutel wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen.”“Maar ik moet naar de kerk,” zeide Frans.“Ik ook,” voegde Pieter er bij.“Wat zou dat?” snoefde Jan. “Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is, wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd weer t’huis zijn.”“En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?” vraagde Pieter.“Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring staat,” hervatte Jan.Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe te brengen. Eindelijk gelukte het hemen werd voorloopig de afspraak vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen, of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich de deur uit.“Wat maak je een haast, Pieter,” zeide Martha in het voorhuis tegen hem. “’t Is of Joost je op de hielen zit.”“Ik wil graag een goede plaats krijgen,” antwoordde Pieter. “Ik houd er niet van, om zoo achteraf te zitten.”“Wacht dan even; dan ga ik mee,” zeide het meisje. “Ik moet nog maar even mijn huik opzetten.”Dat beviel Pieter niet.“Haast je dan wat,” gaf hij ten antwoord. “Ik ga al vast vooruit.”Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste dwarsstraat in, die hem naar hetAchteromvoerde, en rende die straat tot aan hetHofpoortjedoor. Vervolgens begaf hij zich wat bedaarder over hetBuitenhofen door deVoorpoortvan denHove, langs hetTournooiveldnaar hetLange Voorhout, waar hij stellig dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich echter: hij was de eerste.“Zouden zij hun woord niet houden?” mompelde hij. “Dat zou valsch wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd.”Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar noch Frans noch Jan verscheen.“Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk,” pruttelde hij weer. “Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast niet behoeven te maken. Maar wacht,daar komt er al een.—Zoo, Jan!” vervolgde hij tot den aangekomene. “Ben je daar eindelijk, en waar is Frans?”“Eindelijk?” bromde Jan. “Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?—Als hij niet gauw komt, dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met ons beiden.”“Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt.”“O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde man brengt de pret aan. Maar zie—daar komt Frans. Hij houdt toch woord.—Je bent lang weggebleven, Frans!” vervolgde hij tot den aankomende. “Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen gepakt en waren alleen gegaan.”“Ik had het niet kunnen helpen. ’t Heeft mij moeite genoeg gekost, om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu,” terwijl hij dien zegepralend in de hoogte hield, “nu heb ik hem; dus, jongens! op marsch!”Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan hunne ouders brengen.“Dan zou er wat opzitten,” had Pieter gezegd. “Want vader is gansch niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang zeer doet.”“Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk,” hervatte Frans. “Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvanik nog wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten.”“Flauwerd!” zeide Jan. “Bang voor een pak ransel?—of denk je dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er aan! Intusschen—gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom, dan kun jelui me de preek vertellen.”“Hoor eens, Jan?” hervatte Frans. “Een flauwerd moet je me niet noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.“Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan.”“Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?” zeide Pieter, terwijl hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag, als wilde hij zeggen: “Wat verbeeldt gij u wel?”“Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen zoodoende al onzen tijd.”En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.“Daar slaat de “Sint-Jacob” al elf,” riep Pieter eensklaps uit. “Wij moeten weg; anders komen wij telaat thuis.”“Het is zoo zondig waar!” bevestigde Jan, die de slagen geteld had. “Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven wij dien op bij gebrek aan een tekst.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat hettoilet zoo goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,—hun scheen het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).“Nu is goede raad duur.” begon Jan. “Zeg eens, Frans! kunnen wij de schutting niet over?”“Ja,” antwoordde deze. “Maar dan komen wij in de sloot terecht die het weiland omgeeft.”“Nu, dan over een der zijschuttingen.”“Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn.”“Geen nood!” hervatte Jan. “Dan klimmen wij zijne achterschutting er bij over. Als wij maar gered zijn.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot aandenband openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders neer, dan hij gemeendhad, struikelde en viel zoo lang hij was op den grond neder.De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij: “waar blijf jij toch, Piet?”“Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!” kermde deze. “Ik kan geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan.”Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.“Ben je dwaas?” zeide Jan. “Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis.”“Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen,” hervatte Frans. “Wij zijn samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen.”“Alles mooi en wel,” hernam Jan. “Maar ik bedank er voor om ransel te krijgen, als ik te laat thuis kom.”Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter.“Laat mij je helpen om op te staan,” zeide hij tot zijn vriend.“Laat mij maar liggen, Frans!” antwoordde deze. “Misschien bedaart het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn.”“Kom, probeer maar eens, Piet!” hernam de andere. “Als je eens over de schutting bent, zal het wel schikken.”“Maar ik kan wezenlijk niet opstaan,” hervatte Pieter. “Eilacy, ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat thuis komen.”Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn armen vriend in den tuin van den smid liggen.1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.2Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaatsZorgvliet, door hem zelf aangelegd.3Gij herinnert u, dat men vroeger in ’s-Gravenhagetwee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie “De Weezen van Vlissingen.” 6e druk. Blz. 65.4Tegenwoordig deGevangenpoortgeheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken.
Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses Maria vanEngeland, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, deSpuistraatdoorwandelde tot aan deKapelsbrug, en toen, langs hetSpui, de Nieuwe Kerk voorbij, naar deBierkadeging, op welke gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen ontmoetten1: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij begrijptlicht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben, had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje als bewijs bijgebracht:
“Maandag kloek,De heele week zoek;”
“Maandag kloek,De heele week zoek;”
“Maandag kloek,
De heele week zoek;”
maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns broeders vrees gelachen.
“Ik blijf er bij,” had hij gezegd. “De jongen zal op Maandag naar baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat.”
En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar Thijs Groote, den ijzerkooper in hetAchterom, gegaan en had hem gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden, dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó had genomen, “want,” zeide hij, “je bent in je groei, Piet, en wordt dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden.” En toen hij te huis kwam en Martha hem het schootsvelvoorbond, toen zei de ondeugende meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid over. En toen hij ’s Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, dan zeide hij bij zich zelf: “het kan geen kwaad als ik wat timmeren leer, dat kan mij op zee best te pas komen.” Met moed stapte hij dus de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.
“Baas,” begon de pruikenmaker. “Ik breng u hier mijn Pieter, van wien ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden.”
“Dat is een goed plan, knaap!” zeide de timmermansbaas. “Hoe heet je?”
“Pieter,” antwoordde de aangesprokene.
“Nu, Pieter!” hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat aanteekende. “Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord wordt bij ons in practijk gebracht.”
Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch eendoorn in het oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van den oudroest Jan IJzer uit het korteAchteromen heette, evenals zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens waren dikke vrienden.
De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen en spaanders in een zak werden gepakt. ’s Maandags en Donderdags waren zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen ’s zomers na de middagkerk gingen de burgerlieden wat in hetBoschwandelen of naarScheveningen; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes even buiten de stad, aan deDelftsche vaart, aan de buitensingels en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.
Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendomen wel aan denScheveningschenweg2, die toen nog over de duinen liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in 1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig hetWillemspark), en van achteren in den ruimen tuin, die van voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende weiland gescheiden.
Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand Mei naar hetLange Voorhout, waar wij de knechts van baas Balkenende druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst geleerd.—Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat had hijverleden jaar ook gedaan; maar nu—nu staat hij daar in zijn bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten de kramen nog tot de Banus-kermis3staan,—ja als behoefden zij nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.
’t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke gesprekken.
Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan, dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust hadden kunnen eten. Zijhebben zich dus op een kleinen afstand van de anderen neergezet.
“Frans,” begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier naast zich nederzet, “ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis zal zijn.”
“Ik heb het ook gehoord,” antwoordt Frans met zijn mond vol brood. “Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij deVoorpoort4doorgaat.”
“Nu, dat is vast een leugen,” meent Jan. “Zulke groote reuzen heeft men niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, die uitAmsterdamkomt.”
“O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?” vraagt Frans. “Vader heeft mij verteld, dat hij in denVijverzal onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder water twee of drie deuntjes zal blazen.”
“Maar dat is immers onmogelijk,” zegt Pieter, terwijl hij een slok neemt uit zijn kruik. “Dan komt het water in zijn instrument.”
“Hij moet het toch teAmsterdamgedaan hebben,” herneemt Jan.
“En wat hij teAmsterdamkan doen, kan hij hier ook,” meent Frans. “Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter.”
“Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk,” roept Pieter uit.
“En het moet toch zoo zijn,” hervat Jan. “Mijn vader heeft het zelf verleden jaar teRotterdamgezien.”
“Nu ik wensch hem smakelijk eten,” zegt Pieter, “maar ikwil niet bij hem te gast genoodigd worden. Eilacy! ’k geloof, dat ik mijn mond gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat wil ik zien.”
Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon Jan eensklaps:
“Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd.”
“Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe.”
“Hoor eens, Frans!” hernam Jan. “Dan moest je zien, dat je den sleutel wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen.”
“Maar ik moet naar de kerk,” zeide Frans.
“Ik ook,” voegde Pieter er bij.
“Wat zou dat?” snoefde Jan. “Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is, wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd weer t’huis zijn.”
“En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?” vraagde Pieter.
“Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring staat,” hervatte Jan.
Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe te brengen. Eindelijk gelukte het hemen werd voorloopig de afspraak vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.
Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen, of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich de deur uit.
“Wat maak je een haast, Pieter,” zeide Martha in het voorhuis tegen hem. “’t Is of Joost je op de hielen zit.”
“Ik wil graag een goede plaats krijgen,” antwoordde Pieter. “Ik houd er niet van, om zoo achteraf te zitten.”
“Wacht dan even; dan ga ik mee,” zeide het meisje. “Ik moet nog maar even mijn huik opzetten.”
Dat beviel Pieter niet.
“Haast je dan wat,” gaf hij ten antwoord. “Ik ga al vast vooruit.”
Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste dwarsstraat in, die hem naar hetAchteromvoerde, en rende die straat tot aan hetHofpoortjedoor. Vervolgens begaf hij zich wat bedaarder over hetBuitenhofen door deVoorpoortvan denHove, langs hetTournooiveldnaar hetLange Voorhout, waar hij stellig dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich echter: hij was de eerste.
“Zouden zij hun woord niet houden?” mompelde hij. “Dat zou valsch wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd.”
Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar noch Frans noch Jan verscheen.
“Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk,” pruttelde hij weer. “Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast niet behoeven te maken. Maar wacht,daar komt er al een.—Zoo, Jan!” vervolgde hij tot den aangekomene. “Ben je daar eindelijk, en waar is Frans?”
“Eindelijk?” bromde Jan. “Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?—Als hij niet gauw komt, dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met ons beiden.”
“Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt.”
“O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde man brengt de pret aan. Maar zie—daar komt Frans. Hij houdt toch woord.—Je bent lang weggebleven, Frans!” vervolgde hij tot den aankomende. “Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen gepakt en waren alleen gegaan.”
“Ik had het niet kunnen helpen. ’t Heeft mij moeite genoeg gekost, om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu,” terwijl hij dien zegepralend in de hoogte hield, “nu heb ik hem; dus, jongens! op marsch!”
Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan hunne ouders brengen.
“Dan zou er wat opzitten,” had Pieter gezegd. “Want vader is gansch niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang zeer doet.”
“Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk,” hervatte Frans. “Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvanik nog wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten.”
“Flauwerd!” zeide Jan. “Bang voor een pak ransel?—of denk je dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er aan! Intusschen—gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom, dan kun jelui me de preek vertellen.”
“Hoor eens, Jan?” hervatte Frans. “Een flauwerd moet je me niet noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.
“Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan.”
“Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?” zeide Pieter, terwijl hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag, als wilde hij zeggen: “Wat verbeeldt gij u wel?”
“Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen zoodoende al onzen tijd.”
En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.
Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.
“Daar slaat de “Sint-Jacob” al elf,” riep Pieter eensklaps uit. “Wij moeten weg; anders komen wij telaat thuis.”
“Het is zoo zondig waar!” bevestigde Jan, die de slagen geteld had. “Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven wij dien op bij gebrek aan een tekst.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat hettoilet zoo goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.
Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,—hun scheen het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).
“Nu is goede raad duur.” begon Jan. “Zeg eens, Frans! kunnen wij de schutting niet over?”
“Ja,” antwoordde deze. “Maar dan komen wij in de sloot terecht die het weiland omgeeft.”
“Nu, dan over een der zijschuttingen.”
“Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn.”
“Geen nood!” hervatte Jan. “Dan klimmen wij zijne achterschutting er bij over. Als wij maar gered zijn.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.
De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot aandenband openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders neer, dan hij gemeendhad, struikelde en viel zoo lang hij was op den grond neder.
De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij: “waar blijf jij toch, Piet?”
“Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!” kermde deze. “Ik kan geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan.”
Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.
“Ben je dwaas?” zeide Jan. “Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis.”
“Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen,” hervatte Frans. “Wij zijn samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen.”
“Alles mooi en wel,” hernam Jan. “Maar ik bedank er voor om ransel te krijgen, als ik te laat thuis kom.”
Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter.
“Laat mij je helpen om op te staan,” zeide hij tot zijn vriend.
“Laat mij maar liggen, Frans!” antwoordde deze. “Misschien bedaart het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn.”
“Kom, probeer maar eens, Piet!” hernam de andere. “Als je eens over de schutting bent, zal het wel schikken.”
“Maar ik kan wezenlijk niet opstaan,” hervatte Pieter. “Eilacy, ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat thuis komen.”
Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn armen vriend in den tuin van den smid liggen.
1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.2Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaatsZorgvliet, door hem zelf aangelegd.3Gij herinnert u, dat men vroeger in ’s-Gravenhagetwee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie “De Weezen van Vlissingen.” 6e druk. Blz. 65.4Tegenwoordig deGevangenpoortgeheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken.
1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Blz. 22.
2Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaatsZorgvliet, door hem zelf aangelegd.
3Gij herinnert u, dat men vroeger in ’s-Gravenhagetwee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie “De Weezen van Vlissingen.” 6e druk. Blz. 65.
4Tegenwoordig deGevangenpoortgeheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken.