Vijfde Hoofdstuk.

Vijfde Hoofdstuk.Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem, toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden.“Als ik maar kon opstaan,” sprak hij bij zich zelf, en stelde alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het uitschreeuwen van de pijn. “Ik zal mijn schoen uitdoen,” vervolgde hij; “mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, zal het wel beter worden.” Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem werkelijk verlichting teschenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.“Had ik mij maar niet laten bepraten!” zeide hij, terwijl hij daar mistroostig nederzat. “Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik nu thuis en zat al haast aan het eten.”Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst van de zaak. ’t Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één, twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde, begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan, thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn vader naarHondsholredijkwas gewandeld om eenige reparatiën op te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep de tijd, en—al duurde die onzen Pieter eerst heel lang—naarmate het later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin, in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem overleveren in handen van hetgerecht. Welk een schande! Als hij eens door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan inDen Haagzijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.“Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben,” zeide Marie, “en met hen wat aan het omloopen zijn.” Maar toen hij tegen etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: “Is Pieter al te recht?” ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.“Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!” zeide de pruikenmaker tot zijn tweeden zoon. “’t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders kon die naar Jan IJzer gaan.”“O, daar zal ik wel heenloopen,” zeide Martha.“Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet mee noodig,” zeide Marie.Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. “De baas is met Frans naarHondsholredijk,” had de meid gezegd, “en de vrouw is met de kinderen naar denScheveningschenweg.” Wat echter Pieter aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis was geweest. Martha’s nasporingen hadden geen beter gevolg gehad, en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van den vermiste.“Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!” zeide de pruikenmaker. “Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! ’t is schande!”“Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!” meende Martha. “Pieter past anders trouw op zijn tijd.”“Dat is wel waar, Martha,” antwoordde vader Dirksz. “Maar dan moest hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga naar den schout.”“Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!” zeide Marie. “Misschien komt hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?”De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.Keeren wij tot onzen gevangene terug.Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn, die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis kunnen terugkeeren.Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken,hoe, indien de smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.“Och!” zeide hij in zich zelf, “de smid zou mij wel niet doodslaan en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want ik lijd verschrikkelijk pijn.”Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich te ontdekken gunstig was.Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was, straf had. Doch hoe kon dan defamilie zoo geschrikt zijn van het afschuiven der grendels? ’t Was hem onmogelijk, deze twee zaken in behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking was nabij.De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.“Evert!” riep de arme Pieter, “kom mij te hulp.”Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden zij zich.“Jij hier, Pieter?” riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. “Je hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta op,” vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, “en maak, dat je naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn.”“Ik kan niet opstaan, Evert!” antwoordde Pieter. “Ik heb mijn voet verstuikt, misschien wel gebroken.”“Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!” zeide baas Gerritsz hoofdschuddend. “Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?”“Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen,” zeide Pieter, en hij gaf een trouw verslag van het gebeurde.“Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad, dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!”“Om den drommel niet, baas!” bevestigde deze. “Maar wat zullen we met den ondeugenden knaap doen?”“Ja,” hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik aan te jagen. “Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen.”“Ach, baas Gerritsz!” smeekte Pieter. “Dat zult gij toch niet doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!”“Schande!” riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos hield. “Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen.”“Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!” bracht thans vrouw Gerritsz in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. “Gij moest het dus nu maar eens door de vingers zien.”“Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen,” hernam baas Gerritsz. “Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit te stelen?”“Hij heeft een goede les gehad,” gaf de vrouw ten antwoord, “die hij zijn leven lang niet zal vergeten.”“Nooit—zoo oud als ik word,” kermde Pieter. “Gij kunt er van verzekerd zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over schuttingen.”“Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,” zeide de baas. “Kom, Evert, wij zullen den knaapopnemen en in huis dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!”Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk was; terwijl Evert naar deSpuistraatging en zijne familie uit de ongerustheid over het lot van den knaap verloste.Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dienmen haalde, onderzocht den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was, dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld; hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, den “vuurvreter” zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep, dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne nieuwsgierigheid bevredigen.Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn zoon vanHondsholredijkthuis gekomen en, toen de pruikenmaker geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokkenwas, kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen—de baas wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.“Die lage, gemeene klikkert!” had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk had afgeranseld. “Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het hem betaald zetten.”Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op deVogelenmarkt.Zesde Hoofdstuk.Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan doorgronden.Wanneer gij ooit den weg van het dorpWateringennaarNaaldwijkhebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het bevalligeHondsholredijk(gewoonlijkHonselaarsdijkgenoemd) eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort, die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te sluiten.—Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van de graven vanHollandverbleekte; het geslacht der Naaldwijken stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel teHondsholredijkaan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den tachtigjarigen oorlog de zijde vanSpanjehield; het gevolg daarvan was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel teHondsholredijk. Den 13denJuli 1589 gaven de Staten vanHolland, nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude huis teHondsholredijkte herleven. Laatstgenoemde toch liet het vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort, die daar zoo eenzaam en verlaten staat.Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan, links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen, hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van maken—wij mochten er te lang zitten droomen.Hoor! wat was dat?—Zijn wij hier inNatura Artis MagistrateAmsterdamof in de Diergaarde derRottestad?—Ho, wat, mijne lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want herinnert u, dat onze wandeling in de 17deen niet in de 20steeeuw plaats heeft. “Maar,” zegt gij “Ik hoorde toch duidelijk het brullen van een leeuw!”—Gij hebtgoed gehoord; wij zijn hier dicht bij de diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,—zoo, daar zijn wij er.Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena’s, kortom, al wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende den vacantietijd inLeidenbij zijne grootmoeder Amalia van Solms logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zijHondsholredijkals haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft, het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat gelaat iets van datbijzondere, dat men alleen bij groote vernuften aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange, blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man, die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man, die aan de vorsten vanEuropazijn wil en zijne wetten voorschrijft, een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje1gesproken heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man, die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn geest wijdde aan het heil van den Staat.Altoos jammer is het van den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: “Geene verheffing van het huis vanOranje, nooit zal Prins Willem Hendrik de waardigheden zijner voorouderen bekleeden.”In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren—de andere een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis teHondsholredijkschijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te hooren over brieven, door hem uitEngelandontvangen, en wier inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen, dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.“Zooals ik uwer Hoogheid zeide,” ging De Witt voort; want gij herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, “zooals ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn hooggeleerde is zeer content over uwe progressen.”“Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn als hij het is.”“Uwe Hoogheid is zeer nederig,” hernam de Raadpensionaris glimlachend.“Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, in allen deele te beantwoorden.”“Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?” hernam De Witt. “Begint Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?”“Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men toch niet rekenen.”“In trouwe niet,” antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft, dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. “De wiskunst eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De arithmetica is tot alle dingen noodwendig.”“Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te brengen,” hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.“Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg,” hernam de Raadpensionaris, en van batterij veranderende, ging hij voort:“Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te ’s-Gravenhagebracht.”“Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,” antwoordde de Prins. “Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had, zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte mij met den maaltijd.”“Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisitete brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware.”“Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt.”“Zij is in haar recht, als uwe voogdes,” gaf De Witt ten antwoord. “Uwe Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?”“Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?” vraagde de Prins schier verwonderd. “Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij.”“Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?”“Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter Cornelisz. Hooft....”“Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?” viel De Witt hem in de rede. “Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl.”“En merkwaardige gebeurtenissen,” hernam de prins. “Overigens houden wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger geleerde.”“En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand gesteld?” vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen (want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de Prins ongekunsteld:“Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.—Ik durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was.”De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel, wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:“En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche taal toch ook wel eigen zijn.”“Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, maar moeilijk te schrijven is,” antwoordde de Prins ontwijkend.“En is uw koninklijke oom gezond?” hernam De Witt. “Schreef hij u niets ten aanzien van mij?”“Maar, mijnheer de Raadpensionaris!” hernam de Prins glimlachend. “Uwe Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven.”Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging vanKoning der drie Brittannische rijken, met zooveel kracht uitgesproken?—Nog meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de grootste onnoozelheid bijvoegde:“Mijn nicht Marie2, de dochter van den hertog vanYork, heeft mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthondengejongd hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,—ik houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris.”“Zoo,” antwoordde De Witt droogjes.“En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht teDieren.”“Dat weet ik,” hervatte De Witt even droog.“En hier teHondsholredijkis ook een schoone jacht, mijnheer de Raadpensionaris.—Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf te jagen....”“En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uitEngelandontvangen?” hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.“Voorzeker. Ook nog eene van Marie’s zuster, mijn nichtje Anna. Maar zij schrijft nog niet correct.—Doch, om tot de jacht terug te keeren (en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?”De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.“Maar Uwe Hoogheid!” antwoordde De Witt. “Er zijn immers geen leeuwen in de Geüniëerde Provinciën.”“Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naarAfrika,” hernam de Prins.“Ik naarAfrika? Uwe Hoogheid railleert.”“Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid,” hernam de Prins. “Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een leeuwenjager te spreken. Het moeteen fier en koninklijk dier zijn, zoo’n dier in zijn natuurstaat.”“Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de koning der dieren, de vorst van het woud.”“Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een ander af te hangen,” hernam de Prins. “Als deze leeuw eens werd losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan de nooit gekerkerde?”“Ik denk het niet,” hervatte De Witt. “Zulke leeuwen worden jong gevangen.”“En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris,” vervolgde de Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, “dat een leeuw geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, als ik mij eens in de plaats van zoo’n leeuw stelde en dan aan mijne afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen.”Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:”’t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond,dan zou ik Uwe Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten te doen.”“En welk?” vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven uitEngelandwas ingegeven.“Om voor mij een tam leeuwtje uitAfrikate laten overkomen en mij verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen.”Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden, of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht hij meer in ’s Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem uit die verlegenheid redde.Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren; want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maarmet eene tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, waar hijdoodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats van de uitgeschotene te leggen.“Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn leven niet gezien,” zeide De Witt.“Daar steekt iets groots in dien knaap,” meende Zuijlestein.De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar de steiger stond, en riep den knaap.“Heb je je niet bezeerd?” was zijn eerste vraag.De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:“Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken.”“En was je niet verschrikt?” vraagde de Prins.“Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk: “Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt—anders is het met je gedaan.” En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben.”“Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe heet je?”“Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz uit deSpuistraatte’s-Gravenhage”.“Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je een broeder van mijn kamerdienaar Karel.”“Van Uwen kamerdienaar....” riep Pieter uit, terwijl hij een lang gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. “Dus dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken.”“Het is zoo,” antwoordde de Prins vriendelijk. “Maar laat dat je niet verschrikken. Ik ben immers geen wild beest.”“De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Maar—maar....”“Hoor eens, Pieter,” hervatte de Prins. “Zeg mij, kan ik iets voor je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.“Ach, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Wat ik zoo gaarne wilde, staat toch niet in Uwe macht.”“En wat is dat?” vroeg de Prins.“Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; maar vader wil het niet toestaan.”“Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer Karel over spreken.”“O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst,” riep Pieter uit.“Vaarwel, Pieter,” zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen verliet, die ’s avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.1Zie “De zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Bl. 91.2Later met den Prins gehuwd.Zevende Hoofdstuk.Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er gebeurd was vergat. Maar neen—niet lang nadat Pieters voet hersteld was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor “klikspaan” en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op denwinkel kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben, indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, die hem uit hunne handen had gered.“Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!” zeide de voorbijganger; “anders had men je braaf toegetakeld.”“Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp,” antwoordde Pieter. “Drie tegen een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat hen een voor een komen, dan sta ik ze.” En dit zeggende, balde hij de vuisten.“Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?” vraagde de onbekende.“Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in deSpuistraat.”“Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize teHondsholredijkbijna van den stijger viel.”“Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?”“Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins getuige van je val en je koenheid.”“Zijne Hoogheid de Prins!” hernam Pieter. “O, ik had het geluk, dien te spreken.“Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden,” verzekerde de Heer Van Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het niemand anders wasdandeze, “en sprak met veel ingenomenheid over je.”“Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein maakt, “en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, Haar mijne gebiedenis te maken.”“Met genoegen, Pieter.—Vaarwel!” hervatte Zuijlestein, terwijl hij zijn weg vervolgde.Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al het water in en omDen Haagmet een dikke ijskorst bevloerd was. Nu werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in ’s-Gravenhage, ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat men zou meenen een uitgestrekt meer voorzich te zien1. Wanneer dit water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men—als de molens gemalen hebben—dikwijls bomijs aantreft of—als het sterk gewaaid heeft—zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den Vijver voor hetBinnenhofmet die kunst vermaakte, had zich met zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs nog niet sterk genoeg rekende, om zich op denVijverte wagen, die, meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, Stadhouder overFrieslanden sedert 1650 ook overGroningenenDrente, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf vanNassauen de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, was sedert ruim vier jaren gehuwd met ’s Prinsen tante Albertina Agnes, zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.“Freisheim!” zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. “Wij moesten eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?”“Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De molenslooten zijn dikwijls met wakken.”“Wij kunnen er over het veldijs naar toe,” antwoordde de Prins. “Zie maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt.”“Dan is het mij goed,” hervatte de page.“Willem, wees toch voorzichtig!” vermaande Zuijlestein, die juist bij hen kwam.“Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?” vraagde Karel.“Doe dat, Karel!” antwoordde de Prins. “Maar wat snel.”“Een goede, trouwe kerel, niet waar?” hervatte hij tot Freisheim, terwijl hij den kamerdienaar naoogde. “Hij zou zijn leven voor mij laten.”“Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir,” antwoordde de page. “Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was.”“Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,”antwoordde de Prins. “Het zou mij weinig streelen, als iemand voor mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds half weg. Een—twee—drie.”En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.“Wat is daar te doen?” vraagde hij aan een der omstanders.“Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak gekomen en er ingeschoten.”“En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?” vraagde de Prins.“Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid.”Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden, en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen, niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was, voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:“Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald.”“Stil, Freisheim!” antwoordde de Prins stroef. “Het geldt hier twee menschenlevens.”De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweesten bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken later aanrijden.“Uwe Hoogheid moet niet stilstaan,” zeide hij. “Zij is te bezweet—de koude zou haar een ziekte op den hals halen.”“Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein,” hervatte de Prins. “Er is hier een ongeluk gebeurd.”Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl hij met den anderen zwom.“Help mij!” riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen, en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, of hij riep uit:“Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?”“Is het je broer, Karel,” zeide de Prins; maar deze vergat Zijne Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.“Het is niets, Karel,” antwoordde de knaap met zijne gewone onverschrokkenheid. “Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat.”“Pieter Pietersz,” zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, “kom hedenmiddag om zes uur bij mij op hetBinnenhof.”“Gij hier, Uwe Hoogheid!” riep Pieter en trad verschrikt een paar stappen achteruit. “Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde voorbijstuiven.”“Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb,” hernam de Prins. “Van middag om zes uur.”“Ik zal tegenwoordig zijn,” antwoordde Pieter en stapte met groote schreden naar den wal.“Ga met hem mede, Karel,” gebood de Prins, “en zeg aan je vader, dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond warme en droge kleeren aantrekt.”Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het lichaam.—Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend hebben.Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel en las den Prins iets voor.“Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien,” zeide deze. “Laat den knaap morgen of overmorgen terugkomen.”“Het zal mij niet vermoeien, Freisheim,” gaf de Prins ten antwoord. “Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen.”“Een mooi compliment voor mij,” gaf de baron eenigszins scherp ten antwoord, “die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus wel heengaan.”“Blijf, Freisheim,” zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord, voegde hij er bij: “Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch eens leeren uwe drift te betoomen!”“Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger,” antwoordde deze. “Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet.”“Mijimiteeren?” zeide de Prins met een treurigen glimlach. “Doch daar is de knaap. Kom nader, Pieter!”Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.“Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je gered hebt.”“Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij jongens hebben geen vijanden.”“Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost.”Pieter werd rood als vuur. “Uit zijne handen verlost,” dat was eene beleediging voor denHollandschenknaap. Hij vergat, voor wien hij stond, en zeide op driftigen toon:“Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!” Doch zich bedenkende, voegde hij er kalmer bij: “Men heeft u verkeerd onderricht, Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de overmacht kan de beste het niet uithouden.”Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den Prins op satirieken toon toe:“Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!”De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich toen tot Pieter wendende, ging hij voort:“Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien knaap. Wat is daar de oorzaak van?”Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:“Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen moest ik mij verdedigen.”“Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?”“Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren kan ik niet velen.”“Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls om mijne drift beknort,” fluisterde Freisheim weder.“Foei, Pieter,” zeide de Prins, “het is zeer zondig, om zoo aan zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben kunnen worden.”“Ik weet het, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter beschaamd. “Maar wat deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig te worden.”“Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort.”“Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem niet zou volgen. Want wie—hoe driftig hij ook is—waagt zich op dit oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. ’t Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit—en Uwe Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden.”“En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet totdat de geredde was bijgekomen?”“Omdat,” stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, “omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken.”“En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven was gekomen?” vraagde de Prins.“Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking glimlachen). Daarenboven—ik had hem er uitgehaald en dat was mijn plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen.”“En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?”“Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, die hij gevat heeft, uit te jagen.”“En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?”“Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;—Jan daarentegen is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven.”“Verhoef?” zeide de Prins. “Die naam komt mij bekend voor.”“Hij heet Hendrik Verhoef en woont op deVogelenmarkt.”“Maar Jan zal je toch wel komen bedanken.”“Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank van hem, vooral niet voor die beuzeling. ’t Is de moeite niet waard om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat gedaan hebben.”De jonge Prins glimlachte om deze taal.“Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter,” zeide hij. “Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch je daarvoor te beloonen.”“Beloonen?—Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,” voegde hij er wel ietwat trotsch bij, “ik begeer geen loon.”“Laat mij je dan een gedachtenis geven,” zeide de Prins,terwijl hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen, dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp.”De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:“Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid...”Op dit oogenblik kwam Karel binnen.“Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil,” zeide hij.“Je kunt thans heengaan, Pieter,” hervatte de Prins met ongeduld; hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart, heel eenvoudig gekleed.“Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken,” begon hij.De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins bleef zwijgend in den zijnen zitten.“Uwe Hoogheid schijnt afgemat,” begon de Raadpensionaris terwijl hij zijn doordringend oog op Willem Hendrik vanOranjevestigde.“Vindt Uwe Edelheid dat?” vraagde de Prins ontwijkend.“Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel.”“Dunkt Uwe Edelheid dat?” hernam de Prins onderworpen.“Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders deHofvijveralleen voor U en Uw gevolg?”“Maar het ijs op denHofvijveris nog te zwak.”“Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, vanhare reis terugkomt, zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan heeft.”“Dunkt Uwe Edelheid dat?” vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen toon.“Ik kom U slechts waarschuwen,” hernam De Witt. “Men heeft aan Uwe komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen.”“Die goede Heeren Staten!” hervatte de Prins schijnbaar onnoozel. “En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor belang zij er bij kunnen hebben, of ik op denHofvijverof op het veldijs mij met schaatsenrijden vermaak.”“Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht.”De Prins kleurde even, doch hernam: “Uwe berichtgevers hebben Uwe Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt.”“Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?”“Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe Edelheid goed onderricht.”“De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,” hernam De Witt streng. “Geeft dat pas?”“Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed,” antwoordde de Prins nog steeds op ootmoedigen toon. “Uwe Edelheid herinnert mij daardoor aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie noodig hebben, zoo zij hij in dewelwillendheid van Uwe Edelheid aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden.”“Hoe is zijn naam?”“Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in deSpuistraat.”“Wij zullen zien,” antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij echter den naam schreef, mompeldehij: “Dat is een vuile aanhanger van de Oranjepartij.”“En nu,” vervolgde hij luide tot den Prins, “raad ik Uwer Hoogheid, in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen verantwoorden.”Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef stilstaan; riep hij uit:“Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O, indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons huis vergeten2. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui, je maintiendrai!”Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris nakijken.“Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis van hedenmorgen genezen heeft,” zeide de binnenkomende page min of meer spottend.“Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed met ons meenen,” antwoordde de Prins bedaard.“Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?” hernam de page met een ongeloovig schouderophalen.“Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte.”“Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen,” hervatte de page, die met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn lectuur voort.1Zeker Fransch reiziger, die des winters ’s-Gravenhagebezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: “La Hayeest située sur un grand lac.” De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen.2Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).

Vijfde Hoofdstuk.Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem, toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden.“Als ik maar kon opstaan,” sprak hij bij zich zelf, en stelde alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het uitschreeuwen van de pijn. “Ik zal mijn schoen uitdoen,” vervolgde hij; “mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, zal het wel beter worden.” Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem werkelijk verlichting teschenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.“Had ik mij maar niet laten bepraten!” zeide hij, terwijl hij daar mistroostig nederzat. “Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik nu thuis en zat al haast aan het eten.”Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst van de zaak. ’t Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één, twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde, begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan, thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn vader naarHondsholredijkwas gewandeld om eenige reparatiën op te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep de tijd, en—al duurde die onzen Pieter eerst heel lang—naarmate het later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin, in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem overleveren in handen van hetgerecht. Welk een schande! Als hij eens door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan inDen Haagzijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.“Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben,” zeide Marie, “en met hen wat aan het omloopen zijn.” Maar toen hij tegen etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: “Is Pieter al te recht?” ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.“Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!” zeide de pruikenmaker tot zijn tweeden zoon. “’t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders kon die naar Jan IJzer gaan.”“O, daar zal ik wel heenloopen,” zeide Martha.“Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet mee noodig,” zeide Marie.Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. “De baas is met Frans naarHondsholredijk,” had de meid gezegd, “en de vrouw is met de kinderen naar denScheveningschenweg.” Wat echter Pieter aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis was geweest. Martha’s nasporingen hadden geen beter gevolg gehad, en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van den vermiste.“Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!” zeide de pruikenmaker. “Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! ’t is schande!”“Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!” meende Martha. “Pieter past anders trouw op zijn tijd.”“Dat is wel waar, Martha,” antwoordde vader Dirksz. “Maar dan moest hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga naar den schout.”“Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!” zeide Marie. “Misschien komt hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?”De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.Keeren wij tot onzen gevangene terug.Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn, die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis kunnen terugkeeren.Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken,hoe, indien de smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.“Och!” zeide hij in zich zelf, “de smid zou mij wel niet doodslaan en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want ik lijd verschrikkelijk pijn.”Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich te ontdekken gunstig was.Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was, straf had. Doch hoe kon dan defamilie zoo geschrikt zijn van het afschuiven der grendels? ’t Was hem onmogelijk, deze twee zaken in behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking was nabij.De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.“Evert!” riep de arme Pieter, “kom mij te hulp.”Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden zij zich.“Jij hier, Pieter?” riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. “Je hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta op,” vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, “en maak, dat je naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn.”“Ik kan niet opstaan, Evert!” antwoordde Pieter. “Ik heb mijn voet verstuikt, misschien wel gebroken.”“Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!” zeide baas Gerritsz hoofdschuddend. “Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?”“Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen,” zeide Pieter, en hij gaf een trouw verslag van het gebeurde.“Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad, dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!”“Om den drommel niet, baas!” bevestigde deze. “Maar wat zullen we met den ondeugenden knaap doen?”“Ja,” hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik aan te jagen. “Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen.”“Ach, baas Gerritsz!” smeekte Pieter. “Dat zult gij toch niet doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!”“Schande!” riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos hield. “Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen.”“Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!” bracht thans vrouw Gerritsz in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. “Gij moest het dus nu maar eens door de vingers zien.”“Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen,” hernam baas Gerritsz. “Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit te stelen?”“Hij heeft een goede les gehad,” gaf de vrouw ten antwoord, “die hij zijn leven lang niet zal vergeten.”“Nooit—zoo oud als ik word,” kermde Pieter. “Gij kunt er van verzekerd zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over schuttingen.”“Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,” zeide de baas. “Kom, Evert, wij zullen den knaapopnemen en in huis dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!”Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk was; terwijl Evert naar deSpuistraatging en zijne familie uit de ongerustheid over het lot van den knaap verloste.Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dienmen haalde, onderzocht den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was, dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld; hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, den “vuurvreter” zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep, dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne nieuwsgierigheid bevredigen.Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn zoon vanHondsholredijkthuis gekomen en, toen de pruikenmaker geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokkenwas, kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen—de baas wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.“Die lage, gemeene klikkert!” had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk had afgeranseld. “Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het hem betaald zetten.”Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op deVogelenmarkt.

Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem, toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden.

“Als ik maar kon opstaan,” sprak hij bij zich zelf, en stelde alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het uitschreeuwen van de pijn. “Ik zal mijn schoen uitdoen,” vervolgde hij; “mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, zal het wel beter worden.” Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem werkelijk verlichting teschenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.

“Had ik mij maar niet laten bepraten!” zeide hij, terwijl hij daar mistroostig nederzat. “Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik nu thuis en zat al haast aan het eten.”

Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst van de zaak. ’t Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één, twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde, begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan, thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn vader naarHondsholredijkwas gewandeld om eenige reparatiën op te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep de tijd, en—al duurde die onzen Pieter eerst heel lang—naarmate het later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin, in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem overleveren in handen van hetgerecht. Welk een schande! Als hij eens door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan inDen Haagzijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.

Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.

“Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben,” zeide Marie, “en met hen wat aan het omloopen zijn.” Maar toen hij tegen etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: “Is Pieter al te recht?” ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.

“Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!” zeide de pruikenmaker tot zijn tweeden zoon. “’t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders kon die naar Jan IJzer gaan.”

“O, daar zal ik wel heenloopen,” zeide Martha.

“Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet mee noodig,” zeide Marie.

Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. “De baas is met Frans naarHondsholredijk,” had de meid gezegd, “en de vrouw is met de kinderen naar denScheveningschenweg.” Wat echter Pieter aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis was geweest. Martha’s nasporingen hadden geen beter gevolg gehad, en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van den vermiste.

“Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!” zeide de pruikenmaker. “Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! ’t is schande!”

“Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!” meende Martha. “Pieter past anders trouw op zijn tijd.”

“Dat is wel waar, Martha,” antwoordde vader Dirksz. “Maar dan moest hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga naar den schout.”

“Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!” zeide Marie. “Misschien komt hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?”

De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.

Keeren wij tot onzen gevangene terug.

Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn, die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis kunnen terugkeeren.

Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken,hoe, indien de smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.

“Och!” zeide hij in zich zelf, “de smid zou mij wel niet doodslaan en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want ik lijd verschrikkelijk pijn.”

Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich te ontdekken gunstig was.

Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.

Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was, straf had. Doch hoe kon dan defamilie zoo geschrikt zijn van het afschuiven der grendels? ’t Was hem onmogelijk, deze twee zaken in behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking was nabij.

De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.

“Evert!” riep de arme Pieter, “kom mij te hulp.”

Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden zij zich.

“Jij hier, Pieter?” riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. “Je hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta op,” vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, “en maak, dat je naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn.”

“Ik kan niet opstaan, Evert!” antwoordde Pieter. “Ik heb mijn voet verstuikt, misschien wel gebroken.”

“Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!” zeide baas Gerritsz hoofdschuddend. “Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?”

“Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen,” zeide Pieter, en hij gaf een trouw verslag van het gebeurde.

“Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad, dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!”

“Om den drommel niet, baas!” bevestigde deze. “Maar wat zullen we met den ondeugenden knaap doen?”

“Ja,” hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik aan te jagen. “Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen.”

“Ach, baas Gerritsz!” smeekte Pieter. “Dat zult gij toch niet doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!”

“Schande!” riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos hield. “Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen.”

“Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!” bracht thans vrouw Gerritsz in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. “Gij moest het dus nu maar eens door de vingers zien.”

“Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen,” hernam baas Gerritsz. “Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit te stelen?”

“Hij heeft een goede les gehad,” gaf de vrouw ten antwoord, “die hij zijn leven lang niet zal vergeten.”

“Nooit—zoo oud als ik word,” kermde Pieter. “Gij kunt er van verzekerd zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over schuttingen.”

“Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,” zeide de baas. “Kom, Evert, wij zullen den knaapopnemen en in huis dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!”

Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk was; terwijl Evert naar deSpuistraatging en zijne familie uit de ongerustheid over het lot van den knaap verloste.

Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dienmen haalde, onderzocht den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was, dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld; hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, den “vuurvreter” zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep, dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.

Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne nieuwsgierigheid bevredigen.

Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn zoon vanHondsholredijkthuis gekomen en, toen de pruikenmaker geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokkenwas, kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen—de baas wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.

“Die lage, gemeene klikkert!” had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk had afgeranseld. “Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het hem betaald zetten.”

Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op deVogelenmarkt.

Zesde Hoofdstuk.Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan doorgronden.Wanneer gij ooit den weg van het dorpWateringennaarNaaldwijkhebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het bevalligeHondsholredijk(gewoonlijkHonselaarsdijkgenoemd) eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort, die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te sluiten.—Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van de graven vanHollandverbleekte; het geslacht der Naaldwijken stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel teHondsholredijkaan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den tachtigjarigen oorlog de zijde vanSpanjehield; het gevolg daarvan was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel teHondsholredijk. Den 13denJuli 1589 gaven de Staten vanHolland, nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude huis teHondsholredijkte herleven. Laatstgenoemde toch liet het vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort, die daar zoo eenzaam en verlaten staat.Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan, links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen, hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van maken—wij mochten er te lang zitten droomen.Hoor! wat was dat?—Zijn wij hier inNatura Artis MagistrateAmsterdamof in de Diergaarde derRottestad?—Ho, wat, mijne lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want herinnert u, dat onze wandeling in de 17deen niet in de 20steeeuw plaats heeft. “Maar,” zegt gij “Ik hoorde toch duidelijk het brullen van een leeuw!”—Gij hebtgoed gehoord; wij zijn hier dicht bij de diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,—zoo, daar zijn wij er.Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena’s, kortom, al wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende den vacantietijd inLeidenbij zijne grootmoeder Amalia van Solms logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zijHondsholredijkals haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft, het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat gelaat iets van datbijzondere, dat men alleen bij groote vernuften aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange, blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man, die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man, die aan de vorsten vanEuropazijn wil en zijne wetten voorschrijft, een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje1gesproken heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man, die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn geest wijdde aan het heil van den Staat.Altoos jammer is het van den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: “Geene verheffing van het huis vanOranje, nooit zal Prins Willem Hendrik de waardigheden zijner voorouderen bekleeden.”In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren—de andere een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis teHondsholredijkschijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te hooren over brieven, door hem uitEngelandontvangen, en wier inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen, dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.“Zooals ik uwer Hoogheid zeide,” ging De Witt voort; want gij herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, “zooals ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn hooggeleerde is zeer content over uwe progressen.”“Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn als hij het is.”“Uwe Hoogheid is zeer nederig,” hernam de Raadpensionaris glimlachend.“Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, in allen deele te beantwoorden.”“Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?” hernam De Witt. “Begint Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?”“Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men toch niet rekenen.”“In trouwe niet,” antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft, dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. “De wiskunst eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De arithmetica is tot alle dingen noodwendig.”“Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te brengen,” hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.“Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg,” hernam de Raadpensionaris, en van batterij veranderende, ging hij voort:“Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te ’s-Gravenhagebracht.”“Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,” antwoordde de Prins. “Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had, zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte mij met den maaltijd.”“Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisitete brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware.”“Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt.”“Zij is in haar recht, als uwe voogdes,” gaf De Witt ten antwoord. “Uwe Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?”“Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?” vraagde de Prins schier verwonderd. “Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij.”“Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?”“Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter Cornelisz. Hooft....”“Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?” viel De Witt hem in de rede. “Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl.”“En merkwaardige gebeurtenissen,” hernam de prins. “Overigens houden wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger geleerde.”“En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand gesteld?” vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen (want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de Prins ongekunsteld:“Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.—Ik durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was.”De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel, wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:“En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche taal toch ook wel eigen zijn.”“Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, maar moeilijk te schrijven is,” antwoordde de Prins ontwijkend.“En is uw koninklijke oom gezond?” hernam De Witt. “Schreef hij u niets ten aanzien van mij?”“Maar, mijnheer de Raadpensionaris!” hernam de Prins glimlachend. “Uwe Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven.”Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging vanKoning der drie Brittannische rijken, met zooveel kracht uitgesproken?—Nog meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de grootste onnoozelheid bijvoegde:“Mijn nicht Marie2, de dochter van den hertog vanYork, heeft mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthondengejongd hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,—ik houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris.”“Zoo,” antwoordde De Witt droogjes.“En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht teDieren.”“Dat weet ik,” hervatte De Witt even droog.“En hier teHondsholredijkis ook een schoone jacht, mijnheer de Raadpensionaris.—Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf te jagen....”“En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uitEngelandontvangen?” hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.“Voorzeker. Ook nog eene van Marie’s zuster, mijn nichtje Anna. Maar zij schrijft nog niet correct.—Doch, om tot de jacht terug te keeren (en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?”De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.“Maar Uwe Hoogheid!” antwoordde De Witt. “Er zijn immers geen leeuwen in de Geüniëerde Provinciën.”“Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naarAfrika,” hernam de Prins.“Ik naarAfrika? Uwe Hoogheid railleert.”“Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid,” hernam de Prins. “Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een leeuwenjager te spreken. Het moeteen fier en koninklijk dier zijn, zoo’n dier in zijn natuurstaat.”“Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de koning der dieren, de vorst van het woud.”“Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een ander af te hangen,” hernam de Prins. “Als deze leeuw eens werd losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan de nooit gekerkerde?”“Ik denk het niet,” hervatte De Witt. “Zulke leeuwen worden jong gevangen.”“En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris,” vervolgde de Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, “dat een leeuw geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, als ik mij eens in de plaats van zoo’n leeuw stelde en dan aan mijne afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen.”Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:”’t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond,dan zou ik Uwe Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten te doen.”“En welk?” vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven uitEngelandwas ingegeven.“Om voor mij een tam leeuwtje uitAfrikate laten overkomen en mij verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen.”Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden, of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht hij meer in ’s Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem uit die verlegenheid redde.Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren; want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maarmet eene tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, waar hijdoodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats van de uitgeschotene te leggen.“Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn leven niet gezien,” zeide De Witt.“Daar steekt iets groots in dien knaap,” meende Zuijlestein.De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar de steiger stond, en riep den knaap.“Heb je je niet bezeerd?” was zijn eerste vraag.De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:“Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken.”“En was je niet verschrikt?” vraagde de Prins.“Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk: “Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt—anders is het met je gedaan.” En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben.”“Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe heet je?”“Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz uit deSpuistraatte’s-Gravenhage”.“Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je een broeder van mijn kamerdienaar Karel.”“Van Uwen kamerdienaar....” riep Pieter uit, terwijl hij een lang gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. “Dus dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken.”“Het is zoo,” antwoordde de Prins vriendelijk. “Maar laat dat je niet verschrikken. Ik ben immers geen wild beest.”“De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Maar—maar....”“Hoor eens, Pieter,” hervatte de Prins. “Zeg mij, kan ik iets voor je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.“Ach, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Wat ik zoo gaarne wilde, staat toch niet in Uwe macht.”“En wat is dat?” vroeg de Prins.“Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; maar vader wil het niet toestaan.”“Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer Karel over spreken.”“O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst,” riep Pieter uit.“Vaarwel, Pieter,” zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen verliet, die ’s avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.1Zie “De zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Bl. 91.2Later met den Prins gehuwd.

Wanneer gij ooit den weg van het dorpWateringennaarNaaldwijkhebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het bevalligeHondsholredijk(gewoonlijkHonselaarsdijkgenoemd) eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort, die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.

En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te sluiten.—Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van de graven vanHollandverbleekte; het geslacht der Naaldwijken stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel teHondsholredijkaan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den tachtigjarigen oorlog de zijde vanSpanjehield; het gevolg daarvan was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel teHondsholredijk. Den 13denJuli 1589 gaven de Staten vanHolland, nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude huis teHondsholredijkte herleven. Laatstgenoemde toch liet het vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort, die daar zoo eenzaam en verlaten staat.

Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan, links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen, hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van maken—wij mochten er te lang zitten droomen.

Hoor! wat was dat?—Zijn wij hier inNatura Artis MagistrateAmsterdamof in de Diergaarde derRottestad?—Ho, wat, mijne lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want herinnert u, dat onze wandeling in de 17deen niet in de 20steeeuw plaats heeft. “Maar,” zegt gij “Ik hoorde toch duidelijk het brullen van een leeuw!”—Gij hebtgoed gehoord; wij zijn hier dicht bij de diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,—zoo, daar zijn wij er.

Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena’s, kortom, al wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.

Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.

De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende den vacantietijd inLeidenbij zijne grootmoeder Amalia van Solms logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zijHondsholredijkals haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft, het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.

De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat gelaat iets van datbijzondere, dat men alleen bij groote vernuften aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange, blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man, die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man, die aan de vorsten vanEuropazijn wil en zijne wetten voorschrijft, een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje1gesproken heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man, die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn geest wijdde aan het heil van den Staat.Altoos jammer is het van den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: “Geene verheffing van het huis vanOranje, nooit zal Prins Willem Hendrik de waardigheden zijner voorouderen bekleeden.”

In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren—de andere een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis teHondsholredijkschijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te hooren over brieven, door hem uitEngelandontvangen, en wier inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen, dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.

“Zooals ik uwer Hoogheid zeide,” ging De Witt voort; want gij herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, “zooals ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn hooggeleerde is zeer content over uwe progressen.”

“Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn als hij het is.”

“Uwe Hoogheid is zeer nederig,” hernam de Raadpensionaris glimlachend.

“Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, in allen deele te beantwoorden.”

“Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?” hernam De Witt. “Begint Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?”

“Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men toch niet rekenen.”

“In trouwe niet,” antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft, dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. “De wiskunst eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De arithmetica is tot alle dingen noodwendig.”

“Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te brengen,” hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.

“Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg,” hernam de Raadpensionaris, en van batterij veranderende, ging hij voort:

“Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te ’s-Gravenhagebracht.”

“Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,” antwoordde de Prins. “Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had, zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte mij met den maaltijd.”

“Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisitete brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware.”

“Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt.”

“Zij is in haar recht, als uwe voogdes,” gaf De Witt ten antwoord. “Uwe Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?”

“Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?” vraagde de Prins schier verwonderd. “Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij.”

“Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?”

“Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter Cornelisz. Hooft....”

“Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?” viel De Witt hem in de rede. “Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl.”

“En merkwaardige gebeurtenissen,” hernam de prins. “Overigens houden wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger geleerde.”

“En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand gesteld?” vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen (want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de Prins ongekunsteld:

“Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.—Ik durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was.”

De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel, wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:

“En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche taal toch ook wel eigen zijn.”

“Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, maar moeilijk te schrijven is,” antwoordde de Prins ontwijkend.

“En is uw koninklijke oom gezond?” hernam De Witt. “Schreef hij u niets ten aanzien van mij?”

“Maar, mijnheer de Raadpensionaris!” hernam de Prins glimlachend. “Uwe Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven.”

Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging vanKoning der drie Brittannische rijken, met zooveel kracht uitgesproken?—Nog meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de grootste onnoozelheid bijvoegde:

“Mijn nicht Marie2, de dochter van den hertog vanYork, heeft mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthondengejongd hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,—ik houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris.”

“Zoo,” antwoordde De Witt droogjes.

“En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht teDieren.”

“Dat weet ik,” hervatte De Witt even droog.

“En hier teHondsholredijkis ook een schoone jacht, mijnheer de Raadpensionaris.—Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf te jagen....”

“En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uitEngelandontvangen?” hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.

“Voorzeker. Ook nog eene van Marie’s zuster, mijn nichtje Anna. Maar zij schrijft nog niet correct.—Doch, om tot de jacht terug te keeren (en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?”

De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.

“Maar Uwe Hoogheid!” antwoordde De Witt. “Er zijn immers geen leeuwen in de Geüniëerde Provinciën.”

“Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naarAfrika,” hernam de Prins.

“Ik naarAfrika? Uwe Hoogheid railleert.”

“Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid,” hernam de Prins. “Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een leeuwenjager te spreken. Het moeteen fier en koninklijk dier zijn, zoo’n dier in zijn natuurstaat.”

“Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de koning der dieren, de vorst van het woud.”

“Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een ander af te hangen,” hernam de Prins. “Als deze leeuw eens werd losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan de nooit gekerkerde?”

“Ik denk het niet,” hervatte De Witt. “Zulke leeuwen worden jong gevangen.”

“En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris,” vervolgde de Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, “dat een leeuw geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, als ik mij eens in de plaats van zoo’n leeuw stelde en dan aan mijne afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen.”

Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:

”’t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond,dan zou ik Uwe Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten te doen.”

“En welk?” vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven uitEngelandwas ingegeven.

“Om voor mij een tam leeuwtje uitAfrikate laten overkomen en mij verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen.”

Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden, of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht hij meer in ’s Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem uit die verlegenheid redde.

Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.

Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren; want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maarmet eene tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, waar hijdoodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats van de uitgeschotene te leggen.

“Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn leven niet gezien,” zeide De Witt.

“Daar steekt iets groots in dien knaap,” meende Zuijlestein.

De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar de steiger stond, en riep den knaap.

“Heb je je niet bezeerd?” was zijn eerste vraag.

De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:

“Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken.”

“En was je niet verschrikt?” vraagde de Prins.

“Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk: “Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt—anders is het met je gedaan.” En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben.”

“Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe heet je?”

“Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz uit deSpuistraatte’s-Gravenhage”.

“Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je een broeder van mijn kamerdienaar Karel.”

“Van Uwen kamerdienaar....” riep Pieter uit, terwijl hij een lang gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. “Dus dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken.”

“Het is zoo,” antwoordde de Prins vriendelijk. “Maar laat dat je niet verschrikken. Ik ben immers geen wild beest.”

“De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Maar—maar....”

“Hoor eens, Pieter,” hervatte de Prins. “Zeg mij, kan ik iets voor je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.

“Ach, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter. “Wat ik zoo gaarne wilde, staat toch niet in Uwe macht.”

“En wat is dat?” vroeg de Prins.

“Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; maar vader wil het niet toestaan.”

“Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer Karel over spreken.”

“O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst,” riep Pieter uit.

“Vaarwel, Pieter,” zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen verliet, die ’s avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.

1Zie “De zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Bl. 91.2Later met den Prins gehuwd.

1Zie “De zeeman tegen wil en dank.” 6edruk. Bl. 91.

2Later met den Prins gehuwd.

Zevende Hoofdstuk.Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er gebeurd was vergat. Maar neen—niet lang nadat Pieters voet hersteld was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor “klikspaan” en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op denwinkel kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben, indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, die hem uit hunne handen had gered.“Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!” zeide de voorbijganger; “anders had men je braaf toegetakeld.”“Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp,” antwoordde Pieter. “Drie tegen een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat hen een voor een komen, dan sta ik ze.” En dit zeggende, balde hij de vuisten.“Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?” vraagde de onbekende.“Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in deSpuistraat.”“Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize teHondsholredijkbijna van den stijger viel.”“Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?”“Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins getuige van je val en je koenheid.”“Zijne Hoogheid de Prins!” hernam Pieter. “O, ik had het geluk, dien te spreken.“Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden,” verzekerde de Heer Van Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het niemand anders wasdandeze, “en sprak met veel ingenomenheid over je.”“Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein maakt, “en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, Haar mijne gebiedenis te maken.”“Met genoegen, Pieter.—Vaarwel!” hervatte Zuijlestein, terwijl hij zijn weg vervolgde.Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al het water in en omDen Haagmet een dikke ijskorst bevloerd was. Nu werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in ’s-Gravenhage, ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat men zou meenen een uitgestrekt meer voorzich te zien1. Wanneer dit water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men—als de molens gemalen hebben—dikwijls bomijs aantreft of—als het sterk gewaaid heeft—zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den Vijver voor hetBinnenhofmet die kunst vermaakte, had zich met zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs nog niet sterk genoeg rekende, om zich op denVijverte wagen, die, meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, Stadhouder overFrieslanden sedert 1650 ook overGroningenenDrente, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf vanNassauen de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, was sedert ruim vier jaren gehuwd met ’s Prinsen tante Albertina Agnes, zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.“Freisheim!” zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. “Wij moesten eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?”“Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De molenslooten zijn dikwijls met wakken.”“Wij kunnen er over het veldijs naar toe,” antwoordde de Prins. “Zie maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt.”“Dan is het mij goed,” hervatte de page.“Willem, wees toch voorzichtig!” vermaande Zuijlestein, die juist bij hen kwam.“Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?” vraagde Karel.“Doe dat, Karel!” antwoordde de Prins. “Maar wat snel.”“Een goede, trouwe kerel, niet waar?” hervatte hij tot Freisheim, terwijl hij den kamerdienaar naoogde. “Hij zou zijn leven voor mij laten.”“Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir,” antwoordde de page. “Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was.”“Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,”antwoordde de Prins. “Het zou mij weinig streelen, als iemand voor mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds half weg. Een—twee—drie.”En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.“Wat is daar te doen?” vraagde hij aan een der omstanders.“Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak gekomen en er ingeschoten.”“En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?” vraagde de Prins.“Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid.”Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden, en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen, niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was, voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:“Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald.”“Stil, Freisheim!” antwoordde de Prins stroef. “Het geldt hier twee menschenlevens.”De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweesten bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken later aanrijden.“Uwe Hoogheid moet niet stilstaan,” zeide hij. “Zij is te bezweet—de koude zou haar een ziekte op den hals halen.”“Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein,” hervatte de Prins. “Er is hier een ongeluk gebeurd.”Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl hij met den anderen zwom.“Help mij!” riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen, en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, of hij riep uit:“Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?”“Is het je broer, Karel,” zeide de Prins; maar deze vergat Zijne Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.“Het is niets, Karel,” antwoordde de knaap met zijne gewone onverschrokkenheid. “Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat.”“Pieter Pietersz,” zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, “kom hedenmiddag om zes uur bij mij op hetBinnenhof.”“Gij hier, Uwe Hoogheid!” riep Pieter en trad verschrikt een paar stappen achteruit. “Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde voorbijstuiven.”“Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb,” hernam de Prins. “Van middag om zes uur.”“Ik zal tegenwoordig zijn,” antwoordde Pieter en stapte met groote schreden naar den wal.“Ga met hem mede, Karel,” gebood de Prins, “en zeg aan je vader, dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond warme en droge kleeren aantrekt.”Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het lichaam.—Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend hebben.Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel en las den Prins iets voor.“Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien,” zeide deze. “Laat den knaap morgen of overmorgen terugkomen.”“Het zal mij niet vermoeien, Freisheim,” gaf de Prins ten antwoord. “Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen.”“Een mooi compliment voor mij,” gaf de baron eenigszins scherp ten antwoord, “die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus wel heengaan.”“Blijf, Freisheim,” zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord, voegde hij er bij: “Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch eens leeren uwe drift te betoomen!”“Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger,” antwoordde deze. “Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet.”“Mijimiteeren?” zeide de Prins met een treurigen glimlach. “Doch daar is de knaap. Kom nader, Pieter!”Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.“Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je gered hebt.”“Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij jongens hebben geen vijanden.”“Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost.”Pieter werd rood als vuur. “Uit zijne handen verlost,” dat was eene beleediging voor denHollandschenknaap. Hij vergat, voor wien hij stond, en zeide op driftigen toon:“Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!” Doch zich bedenkende, voegde hij er kalmer bij: “Men heeft u verkeerd onderricht, Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de overmacht kan de beste het niet uithouden.”Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den Prins op satirieken toon toe:“Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!”De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich toen tot Pieter wendende, ging hij voort:“Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien knaap. Wat is daar de oorzaak van?”Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:“Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen moest ik mij verdedigen.”“Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?”“Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren kan ik niet velen.”“Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls om mijne drift beknort,” fluisterde Freisheim weder.“Foei, Pieter,” zeide de Prins, “het is zeer zondig, om zoo aan zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben kunnen worden.”“Ik weet het, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter beschaamd. “Maar wat deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig te worden.”“Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort.”“Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem niet zou volgen. Want wie—hoe driftig hij ook is—waagt zich op dit oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. ’t Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit—en Uwe Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden.”“En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet totdat de geredde was bijgekomen?”“Omdat,” stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, “omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken.”“En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven was gekomen?” vraagde de Prins.“Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking glimlachen). Daarenboven—ik had hem er uitgehaald en dat was mijn plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen.”“En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?”“Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, die hij gevat heeft, uit te jagen.”“En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?”“Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;—Jan daarentegen is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven.”“Verhoef?” zeide de Prins. “Die naam komt mij bekend voor.”“Hij heet Hendrik Verhoef en woont op deVogelenmarkt.”“Maar Jan zal je toch wel komen bedanken.”“Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank van hem, vooral niet voor die beuzeling. ’t Is de moeite niet waard om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat gedaan hebben.”De jonge Prins glimlachte om deze taal.“Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter,” zeide hij. “Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch je daarvoor te beloonen.”“Beloonen?—Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,” voegde hij er wel ietwat trotsch bij, “ik begeer geen loon.”“Laat mij je dan een gedachtenis geven,” zeide de Prins,terwijl hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen, dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp.”De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:“Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid...”Op dit oogenblik kwam Karel binnen.“Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil,” zeide hij.“Je kunt thans heengaan, Pieter,” hervatte de Prins met ongeduld; hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart, heel eenvoudig gekleed.“Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken,” begon hij.De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins bleef zwijgend in den zijnen zitten.“Uwe Hoogheid schijnt afgemat,” begon de Raadpensionaris terwijl hij zijn doordringend oog op Willem Hendrik vanOranjevestigde.“Vindt Uwe Edelheid dat?” vraagde de Prins ontwijkend.“Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel.”“Dunkt Uwe Edelheid dat?” hernam de Prins onderworpen.“Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders deHofvijveralleen voor U en Uw gevolg?”“Maar het ijs op denHofvijveris nog te zwak.”“Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, vanhare reis terugkomt, zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan heeft.”“Dunkt Uwe Edelheid dat?” vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen toon.“Ik kom U slechts waarschuwen,” hernam De Witt. “Men heeft aan Uwe komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen.”“Die goede Heeren Staten!” hervatte de Prins schijnbaar onnoozel. “En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor belang zij er bij kunnen hebben, of ik op denHofvijverof op het veldijs mij met schaatsenrijden vermaak.”“Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht.”De Prins kleurde even, doch hernam: “Uwe berichtgevers hebben Uwe Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt.”“Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?”“Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe Edelheid goed onderricht.”“De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,” hernam De Witt streng. “Geeft dat pas?”“Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed,” antwoordde de Prins nog steeds op ootmoedigen toon. “Uwe Edelheid herinnert mij daardoor aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie noodig hebben, zoo zij hij in dewelwillendheid van Uwe Edelheid aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden.”“Hoe is zijn naam?”“Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in deSpuistraat.”“Wij zullen zien,” antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij echter den naam schreef, mompeldehij: “Dat is een vuile aanhanger van de Oranjepartij.”“En nu,” vervolgde hij luide tot den Prins, “raad ik Uwer Hoogheid, in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen verantwoorden.”Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef stilstaan; riep hij uit:“Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O, indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons huis vergeten2. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui, je maintiendrai!”Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris nakijken.“Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis van hedenmorgen genezen heeft,” zeide de binnenkomende page min of meer spottend.“Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed met ons meenen,” antwoordde de Prins bedaard.“Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?” hernam de page met een ongeloovig schouderophalen.“Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte.”“Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen,” hervatte de page, die met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn lectuur voort.1Zeker Fransch reiziger, die des winters ’s-Gravenhagebezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: “La Hayeest située sur un grand lac.” De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen.2Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).

Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er gebeurd was vergat. Maar neen—niet lang nadat Pieters voet hersteld was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor “klikspaan” en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op denwinkel kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben, indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, die hem uit hunne handen had gered.

“Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!” zeide de voorbijganger; “anders had men je braaf toegetakeld.”

“Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp,” antwoordde Pieter. “Drie tegen een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat hen een voor een komen, dan sta ik ze.” En dit zeggende, balde hij de vuisten.

“Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?” vraagde de onbekende.

“Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in deSpuistraat.”

“Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize teHondsholredijkbijna van den stijger viel.”

“Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?”

“Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins getuige van je val en je koenheid.”

“Zijne Hoogheid de Prins!” hernam Pieter. “O, ik had het geluk, dien te spreken.

“Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden,” verzekerde de Heer Van Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het niemand anders wasdandeze, “en sprak met veel ingenomenheid over je.”

“Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein maakt, “en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, Haar mijne gebiedenis te maken.”

“Met genoegen, Pieter.—Vaarwel!” hervatte Zuijlestein, terwijl hij zijn weg vervolgde.

Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al het water in en omDen Haagmet een dikke ijskorst bevloerd was. Nu werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in ’s-Gravenhage, ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat men zou meenen een uitgestrekt meer voorzich te zien1. Wanneer dit water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men—als de molens gemalen hebben—dikwijls bomijs aantreft of—als het sterk gewaaid heeft—zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.

Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den Vijver voor hetBinnenhofmet die kunst vermaakte, had zich met zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs nog niet sterk genoeg rekende, om zich op denVijverte wagen, die, meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, Stadhouder overFrieslanden sedert 1650 ook overGroningenenDrente, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf vanNassauen de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, was sedert ruim vier jaren gehuwd met ’s Prinsen tante Albertina Agnes, zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.

Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.

“Freisheim!” zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. “Wij moesten eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?”

“Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De molenslooten zijn dikwijls met wakken.”

“Wij kunnen er over het veldijs naar toe,” antwoordde de Prins. “Zie maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt.”

“Dan is het mij goed,” hervatte de page.

“Willem, wees toch voorzichtig!” vermaande Zuijlestein, die juist bij hen kwam.

“Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?” vraagde Karel.

“Doe dat, Karel!” antwoordde de Prins. “Maar wat snel.”

“Een goede, trouwe kerel, niet waar?” hervatte hij tot Freisheim, terwijl hij den kamerdienaar naoogde. “Hij zou zijn leven voor mij laten.”

“Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir,” antwoordde de page. “Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was.”

“Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,”antwoordde de Prins. “Het zou mij weinig streelen, als iemand voor mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds half weg. Een—twee—drie.”

En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.

Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.

“Wat is daar te doen?” vraagde hij aan een der omstanders.

“Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak gekomen en er ingeschoten.”

“En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?” vraagde de Prins.

“Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid.”

Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden, en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen, niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was, voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:

“Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald.”

“Stil, Freisheim!” antwoordde de Prins stroef. “Het geldt hier twee menschenlevens.”

De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweesten bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken later aanrijden.

“Uwe Hoogheid moet niet stilstaan,” zeide hij. “Zij is te bezweet—de koude zou haar een ziekte op den hals halen.”

“Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein,” hervatte de Prins. “Er is hier een ongeluk gebeurd.”

Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl hij met den anderen zwom.

“Help mij!” riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen, en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, of hij riep uit:

“Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?”

“Is het je broer, Karel,” zeide de Prins; maar deze vergat Zijne Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.

“Het is niets, Karel,” antwoordde de knaap met zijne gewone onverschrokkenheid. “Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat.”

“Pieter Pietersz,” zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, “kom hedenmiddag om zes uur bij mij op hetBinnenhof.”

“Gij hier, Uwe Hoogheid!” riep Pieter en trad verschrikt een paar stappen achteruit. “Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde voorbijstuiven.”

“Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb,” hernam de Prins. “Van middag om zes uur.”

“Ik zal tegenwoordig zijn,” antwoordde Pieter en stapte met groote schreden naar den wal.

“Ga met hem mede, Karel,” gebood de Prins, “en zeg aan je vader, dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond warme en droge kleeren aantrekt.”

Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het lichaam.—Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend hebben.

Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel en las den Prins iets voor.

“Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien,” zeide deze. “Laat den knaap morgen of overmorgen terugkomen.”

“Het zal mij niet vermoeien, Freisheim,” gaf de Prins ten antwoord. “Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen.”

“Een mooi compliment voor mij,” gaf de baron eenigszins scherp ten antwoord, “die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus wel heengaan.”

“Blijf, Freisheim,” zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord, voegde hij er bij: “Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch eens leeren uwe drift te betoomen!”

“Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger,” antwoordde deze. “Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet.”

“Mijimiteeren?” zeide de Prins met een treurigen glimlach. “Doch daar is de knaap. Kom nader, Pieter!”

Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.

“Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je gered hebt.”

“Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij jongens hebben geen vijanden.”

“Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost.”

Pieter werd rood als vuur. “Uit zijne handen verlost,” dat was eene beleediging voor denHollandschenknaap. Hij vergat, voor wien hij stond, en zeide op driftigen toon:

“Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!” Doch zich bedenkende, voegde hij er kalmer bij: “Men heeft u verkeerd onderricht, Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de overmacht kan de beste het niet uithouden.”

Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den Prins op satirieken toon toe:

“Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!”

De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich toen tot Pieter wendende, ging hij voort:

“Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien knaap. Wat is daar de oorzaak van?”

Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:

“Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen moest ik mij verdedigen.”

“Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?”

“Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren kan ik niet velen.”

“Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls om mijne drift beknort,” fluisterde Freisheim weder.

“Foei, Pieter,” zeide de Prins, “het is zeer zondig, om zoo aan zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben kunnen worden.”

“Ik weet het, Uwe Hoogheid!” antwoordde Pieter beschaamd. “Maar wat deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig te worden.”

“Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort.”

“Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem niet zou volgen. Want wie—hoe driftig hij ook is—waagt zich op dit oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. ’t Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit—en Uwe Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden.”

“En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet totdat de geredde was bijgekomen?”

“Omdat,” stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, “omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken.”

“En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven was gekomen?” vraagde de Prins.

“Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking glimlachen). Daarenboven—ik had hem er uitgehaald en dat was mijn plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen.”

“En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?”

“Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, die hij gevat heeft, uit te jagen.”

“En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?”

“Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;—Jan daarentegen is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven.”

“Verhoef?” zeide de Prins. “Die naam komt mij bekend voor.”

“Hij heet Hendrik Verhoef en woont op deVogelenmarkt.”

“Maar Jan zal je toch wel komen bedanken.”

“Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank van hem, vooral niet voor die beuzeling. ’t Is de moeite niet waard om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat gedaan hebben.”

De jonge Prins glimlachte om deze taal.

“Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter,” zeide hij. “Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch je daarvoor te beloonen.”

“Beloonen?—Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,” voegde hij er wel ietwat trotsch bij, “ik begeer geen loon.”

“Laat mij je dan een gedachtenis geven,” zeide de Prins,terwijl hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen, dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp.”

De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:

“Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid...”

Op dit oogenblik kwam Karel binnen.

“Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil,” zeide hij.

“Je kunt thans heengaan, Pieter,” hervatte de Prins met ongeduld; hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.

Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart, heel eenvoudig gekleed.

“Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken,” begon hij.

De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins bleef zwijgend in den zijnen zitten.

“Uwe Hoogheid schijnt afgemat,” begon de Raadpensionaris terwijl hij zijn doordringend oog op Willem Hendrik vanOranjevestigde.

“Vindt Uwe Edelheid dat?” vraagde de Prins ontwijkend.

“Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel.”

“Dunkt Uwe Edelheid dat?” hernam de Prins onderworpen.

“Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders deHofvijveralleen voor U en Uw gevolg?”

“Maar het ijs op denHofvijveris nog te zwak.”

“Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, vanhare reis terugkomt, zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan heeft.”

“Dunkt Uwe Edelheid dat?” vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen toon.

“Ik kom U slechts waarschuwen,” hernam De Witt. “Men heeft aan Uwe komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen.”

“Die goede Heeren Staten!” hervatte de Prins schijnbaar onnoozel. “En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor belang zij er bij kunnen hebben, of ik op denHofvijverof op het veldijs mij met schaatsenrijden vermaak.”

“Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht.”

De Prins kleurde even, doch hernam: “Uwe berichtgevers hebben Uwe Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt.”

“Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?”

“Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe Edelheid goed onderricht.”

“De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,” hernam De Witt streng. “Geeft dat pas?”

“Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed,” antwoordde de Prins nog steeds op ootmoedigen toon. “Uwe Edelheid herinnert mij daardoor aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie noodig hebben, zoo zij hij in dewelwillendheid van Uwe Edelheid aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden.”

“Hoe is zijn naam?”

“Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in deSpuistraat.”

“Wij zullen zien,” antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij echter den naam schreef, mompeldehij: “Dat is een vuile aanhanger van de Oranjepartij.”

“En nu,” vervolgde hij luide tot den Prins, “raad ik Uwer Hoogheid, in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen verantwoorden.”

Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.

Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef stilstaan; riep hij uit:

“Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O, indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons huis vergeten2. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui, je maintiendrai!”

Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris nakijken.

“Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis van hedenmorgen genezen heeft,” zeide de binnenkomende page min of meer spottend.

“Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed met ons meenen,” antwoordde de Prins bedaard.

“Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?” hernam de page met een ongeloovig schouderophalen.

“Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte.”

“Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen,” hervatte de page, die met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn lectuur voort.

1Zeker Fransch reiziger, die des winters ’s-Gravenhagebezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: “La Hayeest située sur un grand lac.” De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen.2Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).

1Zeker Fransch reiziger, die des winters ’s-Gravenhagebezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: “La Hayeest située sur un grand lac.” De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen.

2Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).


Back to IndexNext