Eerste Hoofdstuk.

Eerste Hoofdstuk.De tienjarige Leidsche Student.Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28stenSeptember 1660, langs hetRapenburgteLeidenwaren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van deLangebrug(toenVoldersgracht); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzienzijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon ’t wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stadLeideneen klooster vond. Ik wil u ’t raadsel oplossen.Het gebouw, voor ’twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der stad1een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor goed van ’t Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die teLeidenvertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I vanEngelanden echtgenoote van Frederik V, keurvorst van dePaltzen naderhand koning vanBohemen, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, datPrincenhof(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welkeen menigte vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op, die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad hebben gezegd—anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken, een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en de eene hand onder ’t hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt, waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerendevlammen aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14denNovember aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch—hoe jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat magere gezicht, dat er, kon ’t zijn, nog magerder door wordt. Geen blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij daarstraks op het plein voor deSint-Pieterskerkmet zijne kameraads zagen knikkeren,—maar zeker zou die voor al het geld der wereld met hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, doen ’t u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap—misschien hebt gij ’t begrepen—is de hoop van het edele stamhuis vanOranjeen van allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: ’t is Willem Hendrik, Prins vanOranje-Nassau, Graaf vanCatzenellebogen,Vianden,Dietz,Lingen,Meurs,BurenenLeerdam, Markiesvan der VeereenVlissingen, Heer en Baron vanBreda, de stadGraveen het land vanKuik,Diest,Grimbergen,Herstal,Kranendonk,Warneston,Arlay,Noseroy, St.-Veit,Daasburg,Polanen,Willemstad,Niervaart,IJselstein,St.-Maartensdijk,Steenbergen,Geertruidenberg, dehoogeenlage Zwaluwe, enNaaldwijk,Erfburggraaf vanAntwerpenenBesançonen Erfmaarschalk vanHolland. ’t Is de achterkleinzoon van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, ’t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning vanEngeland.Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met een rentebrief van achtduizend gulden ’s jaars en legden de Staten vanHollandhem een jaargeld van vijfduizend,Delftvan zeshonderd,Leidenvan twaalfhonderd enAmsterdamvan duizend gulden toe, terwijlZeelander later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig, Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat gelaat,—een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds weinige weken na zijne geboorte, toenZeelandden voorslag deed, hem tot Stadhouder te benoemen, weesHollanddit van de hand. En gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchteacte van seclusiewerd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst vanBrandenburg, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste meende daarop recht te hebben wegenshet testament van haren gemaal; de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst vanBrandenburgieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even groot gedeelte der goederen besturen.Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;—maar die hem later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,—en daardoor had hij, reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen, een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht2.Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral met vreemden en in gezelschappen,waardoor zij, die hem niet kenden, hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;—jegens hen was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien, hoe een geduchte en machtige partij inHolland, bekend onder den naam van “Loevesteinsche factie” of “de staatspartij”, tegen zijne bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden; gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder ’t volk, een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. OokZeelandwas er steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in 1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant, die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; de Staten vanHollandbeweerden daarentegen, dat het geenszins den Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in ’s Prinsen opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee jaren lang genoot hij dat onderwijs.Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had,begreep zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De magistraat vanLeiden, dit vernomen hebbende, bood der Prinses niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook hetPrincenhof, reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij teLeidenstudeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins vanOranje, nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken, dat hij den volgenden dag naarLeidenzou vertrekken. Denzelfden namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad, zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder en grootmoeder, in een karos naarLeiden, waar hem de Hoogleeraar Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus3met een deftige redevoering in ’t Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden hetPrincenhof, waar wij hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.Gedurende zijn verblijf teLeidenwas er veel te zijnen gunste veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel inEngelandteruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in ’s-Gravenhagevan de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem vanOranjezeer in hunne gunst en in die van de Staten vanHollandaanbevolen. Kort daarop herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten vanZeelandop den 1stenAugustus 1660 besloten, hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hungewestte benoemen, op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten vanHollandaandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het verzoek in, datHunneEdel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met ’s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, “opdat de Prins dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door zijne voorzaten bekleed,” doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.“Zijt gij daar, Karel?” zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.“Om u te dienen, Uwe Hoogheid,” antwoordt deze, die met een klein fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand, het vertrek is binnengetreden. “Hier zijn de druppels, die de dokter u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met den post aangenomen.”“Geef hier den brief, Karel,” hervat de Prins, terwijl hij het boek weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelkhij het bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt den inhoud.“Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid,” zegt de kamerdienaar.“Ba! hoe zuur!” zegt de Prins, nadat hij het glas heeft leeggedronken. “De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,” voegt hij er hardop denkend bij. “Die verstaat ook de kunst om wrange druppels toe te dienen.”“Of bittere,” verbetert de kamerdienaar.“Karel,” gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, “zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik moet hem spreken.”Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. ’t Is of de lezing hem vermoeit;—toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn goeverneur stoort hem in zijne overdenking.“Gij liet mij roepen, Willem!” begint deze. “Weder die ongelukkige hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?”“Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren,” geeft de Prins ten antwoord. “Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving.”De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.“Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II vanEngeland, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal afreizen, om haar vaarwel te zeggen.”“Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare KoninklijkeHoogheid, Willem,” antwoordt Zuijlestein. “Zij meldt u dat in den brief.”“Alles goed en wel,” herneemt de Prins. “Maar ik kan vandaag niet gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in ’t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken.”“Er is niets aan te veranderen,” geeft Zuijlestein ten antwoord. “Het vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn, daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad.”De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner moeder twijfelt.“Zeg Karel, dat hij Widerts roepe,” herneemt hij. Zuijlestein schelt en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.“Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven,” herneemt Willem Hendrik eenigszins bitter.“De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat in ’s-Gravenhagegearriveerd,” hervat Zuijlestein verschoonend. “Hare Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren.”Op dit oogenblik komt ’s Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.“Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,” eindigt de Prins, “indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet verhinderde.”Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.“Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein,” gaat de Prins voort. “Ik heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en ’t vooral Professor Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe.”“Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem,” herneemt de goeverneur. “Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, om naar bed te gaan.”“Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur.”“Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren.”“Ik heb er reeds van moeten innemen,” antwoordt de Prins op somberen toon. “Ha, Widerts, reeds gereed!” herneemt hij op minder treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. “Laat hooren, wat gij geschreven hebt.”Widerts voldoet aan ’s Prinsen verlangen en leest den in ’t Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en onze Vorsten vanOranjeschreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar ’s-Gravenhagete vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke hem was opgelegd. Onophoudelijkwoelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.Deze laatste had ’s Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. ’t Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.“Dek mij wat beter toe, Karel,” zeide hij, “en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren.”“Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken,” hernam de kamerdienaar, terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op ’t hoofd legde.“Dat beloof ik u, Karel,” antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon:“Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud was, naarBredawas gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit hetGortstraatje) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in ’sGravenhagedeftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar hetZieken, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op hetBinnenhofte verschijnen.—In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde.”“Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?” vraagde de Prins. “Waar had hij dat geleerd?”“Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon4, die, toen deze garde in “garde van de Staten vanHolland” werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in deBagijnenstraaten was naarAmsterdamvertrokken.”“En wat gebeurde er verder?”“Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van ’tpaleis. Toen was ’t eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met “Leve de Prins!”—Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten vanHolland, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar ’t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen5vanAmsterdamenRotterdamdeed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde, “dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken.” Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.—Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld.”Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.1Zie Adolf en Clara,dertiende Hoofdstuk.2Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. “Kunt gij zwijgen, mijn vriend?” vraagde de Prins.—“Als het graf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de andere.—“Ik ook,” hernam de Prins en vertelde hem niets.3Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector Magnificus.4Zie “Zeeman tegen wil en dank.”5Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op hetPleinte ’s-Gravenhage. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van ’s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.Tweede Hoofdstuk.Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar ’s-Gravenhage begeven, waar wij in deSpuistraatden pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op ’t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze PieterDirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in deZuilingstraatwas geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans den titel vankappermocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen, het door zijne oppassendheid tot ’s Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener reusachtige allongepruik,—want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t’huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan ’t werk; terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz’ zestal, een aardige geestige jongen en vaders naamgenoot enlieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naarDenemarkenvertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning vanZwedenKarel Gustaaf, door het belegeren van de stadDantzig, die wij als de korenschuur vanNederlandaanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar deOostzeete zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op deOostzeebleef vrij. Toen echter in ’t volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning vanDenemarken, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari van ’t jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over de toegevroren zee naarFunen, alwaar hijOdenzeeenNyborgvermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. “Hoe!” zeide de koning. “Kan die bode over denGrooten Belt, dan kunnen wij er ook over.” Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om denvijand in zijn land te bestoken. ’t Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning opLangelandaan en ging van daar opLalandenFalster, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij opSeelandaf, namWarburgin en stond op het punt om opKopenhagenaf te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er teRotschildtusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat “zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door deSontofBeltin deOostzeezou komen.” Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in ’t zelfde jaar viel Karel Gustaaf inSeelanden sloeg het beleg voorKopenhagen. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in ’t Noorden, besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naarKopenhagente zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp1ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het bevel voerden.Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die welaan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.“Goê morgen!” begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. “Hoe maak je ’t, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar ’t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst.”“Wij zijn allen gezond, Klaas,” antwoordt Pieter. “En ’t schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent.”“Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is ’t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij eens, hoe ’t je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. ’k Wist niet of ik wel zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo’n mooien winkel stond.”Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen.“Nu,” hervat deze. “Onder ’t zeil is ’t goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is ’t geen wonder ook. Als je door zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is.”“Dat is goed, Klaas,” herneemt Pieter Dirksz. “Maar zou je eerst niet wat gebruiken?”“Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor; want zoo’n kleintje is maar mondtergen.”“En nu,” hervat oom Klaas, nu hij van ’t noodige voorzienis en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, “nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. ’t Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3denNovember kwamen wij in de nabijheid derSont. Toen ging ’t er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteelHelsingborg, aan onze rechter het slotKronenburg, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel.”“Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?”“Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen—onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: goede moed is het halve teergeld! Met zijn “Brederode”, het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten.”“Hé, oom!” roept Pieter uit. “En werdt u niet bang?”“Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal je er wel goed door komen. En zoo stuurikrecht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.—“Bijdraaien!” roept De With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, “pang, pang, pang!” daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het teKeulenhad hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal,die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onderKronenburgte loopen.”“Nu, dat was ferm, oom!” roept Pieter verheugd uit. “Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons te gebruiken.”“Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en “pang, pang, pang!” sturen wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie.”“Dat is valsch,” valt Pieter zijn oom in de rede. “Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is geen partuur.”“Maar, Piet,” herneemt oom Klaas, “in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag.”“Dat was laf!” roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. “Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen.”“Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter,”herneemt de oom. “En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. “Jongens! houdt moed!” riep hij. En de jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen “Brederode” en springen er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: “de Brederode” valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen.”“Dat was ferm!” vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. “Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen.”“Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal teElseneuraan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen.”“Dat vind ik nu heel mooi,” hernam Pieter. “Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?”“Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijdtegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór de kampanje.”“Was hij dan zoo moe?”“Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bijKronenburgterug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts “de Brederode” en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden2.“Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met “de Brederode” gezonken?”“Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en teElseneurin den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn “kortjan” weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen ’s nachts gebeuren. ’s Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken steenen. ’t Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht lichtten wij de ankers,namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar ’t eerste schip het beste. ’t Was “Het huis te Zwieten”, op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20stenMei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar ’t Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op “Het huis te Zwieten” en bleef verder op dien bodem.”“Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart,” hervatte Pieter Dirksz.“Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. ’t Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eilandFunen, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer van Buat, teKartemundeontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan deandere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren.”“Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?” vraagde Pieter.“Wel neen.—In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: “Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden.”Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het water. “Mannen!” riep hij, “dat gaat u voor! Volgt mij na!” Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnenhen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnenNijborgte vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde inKopenhagen, in welke stad wij den 15denDecember aankwamen. ’t Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers bij den koning vanDenemarkenter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde.”“Die had ik wel eens willen zien,” riep Pieter uit. “Hoe was die keten, oom?””’t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde ’s Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.—Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden uitDenemarkenvertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend gulden bij.”“Dat was heel mooi van dien koning vanDenemarken,” zeide Pieter. “En hoe kwam het, dat de vloot niet langer inDenemarkenbehoefde te blijven?”“Wel, de koning vanZwedenwas in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen deNoordsche mogendheden den 16denJuli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste ZweedDenemarkenverlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September ’tVliebinnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naarAmsterdam. Op deZuiderzeewas De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest.”“Hoe gaat het, vader!—Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!” klonk het eensklaps. Allen keken op, en zagen Karel voor zich staan.“Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?” was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz.“Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid vanLeidengekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naarEngelandgaat.”“En die van morgen vroeg reeds vertrokken is,” zeide Marie, “Je bent dus te laat gekomen, Karel.”“Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed.”“Nog altijd die hoofdpijn,” zeide Marie. “De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn.”“Dat is hij,” antwoordde Karel. “Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar ’s-Gravenhagete aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het paleis op hetBinnenhof.”“En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich teTurnhoutbevond en van daar naarKleefwas gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide,” merkte Marie aan.“Je bent zeer goed onderricht, Marie,” hervatte Karel. “De Prinses-weduwe reisde naarKleefen zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te zijn en is haar te gemoet gereisd naarDen Briel. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naarHellevoetsluisvertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar ’s-Gravenhageis doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar.”Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. TeDelftshavengekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat haar naarBrielleovervoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na het diner naarHellevoetsluis, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens naar hetBinnenhofte ’s-Gravenhage, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6e druk, blz. 177.2Voor De With werd later door de Staten teRotterdamen voor Floriszoon teHoorneen praalgraf opgericht.

Eerste Hoofdstuk.De tienjarige Leidsche Student.Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28stenSeptember 1660, langs hetRapenburgteLeidenwaren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van deLangebrug(toenVoldersgracht); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzienzijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon ’t wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stadLeideneen klooster vond. Ik wil u ’t raadsel oplossen.Het gebouw, voor ’twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der stad1een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor goed van ’t Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die teLeidenvertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I vanEngelanden echtgenoote van Frederik V, keurvorst van dePaltzen naderhand koning vanBohemen, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, datPrincenhof(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welkeen menigte vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op, die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad hebben gezegd—anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken, een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en de eene hand onder ’t hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt, waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerendevlammen aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14denNovember aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch—hoe jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat magere gezicht, dat er, kon ’t zijn, nog magerder door wordt. Geen blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij daarstraks op het plein voor deSint-Pieterskerkmet zijne kameraads zagen knikkeren,—maar zeker zou die voor al het geld der wereld met hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, doen ’t u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap—misschien hebt gij ’t begrepen—is de hoop van het edele stamhuis vanOranjeen van allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: ’t is Willem Hendrik, Prins vanOranje-Nassau, Graaf vanCatzenellebogen,Vianden,Dietz,Lingen,Meurs,BurenenLeerdam, Markiesvan der VeereenVlissingen, Heer en Baron vanBreda, de stadGraveen het land vanKuik,Diest,Grimbergen,Herstal,Kranendonk,Warneston,Arlay,Noseroy, St.-Veit,Daasburg,Polanen,Willemstad,Niervaart,IJselstein,St.-Maartensdijk,Steenbergen,Geertruidenberg, dehoogeenlage Zwaluwe, enNaaldwijk,Erfburggraaf vanAntwerpenenBesançonen Erfmaarschalk vanHolland. ’t Is de achterkleinzoon van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, ’t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning vanEngeland.Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met een rentebrief van achtduizend gulden ’s jaars en legden de Staten vanHollandhem een jaargeld van vijfduizend,Delftvan zeshonderd,Leidenvan twaalfhonderd enAmsterdamvan duizend gulden toe, terwijlZeelander later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig, Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat gelaat,—een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds weinige weken na zijne geboorte, toenZeelandden voorslag deed, hem tot Stadhouder te benoemen, weesHollanddit van de hand. En gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchteacte van seclusiewerd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst vanBrandenburg, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste meende daarop recht te hebben wegenshet testament van haren gemaal; de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst vanBrandenburgieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even groot gedeelte der goederen besturen.Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;—maar die hem later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,—en daardoor had hij, reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen, een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht2.Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral met vreemden en in gezelschappen,waardoor zij, die hem niet kenden, hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;—jegens hen was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien, hoe een geduchte en machtige partij inHolland, bekend onder den naam van “Loevesteinsche factie” of “de staatspartij”, tegen zijne bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden; gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder ’t volk, een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. OokZeelandwas er steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in 1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant, die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; de Staten vanHollandbeweerden daarentegen, dat het geenszins den Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in ’s Prinsen opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee jaren lang genoot hij dat onderwijs.Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had,begreep zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De magistraat vanLeiden, dit vernomen hebbende, bood der Prinses niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook hetPrincenhof, reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij teLeidenstudeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins vanOranje, nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken, dat hij den volgenden dag naarLeidenzou vertrekken. Denzelfden namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad, zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder en grootmoeder, in een karos naarLeiden, waar hem de Hoogleeraar Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus3met een deftige redevoering in ’t Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden hetPrincenhof, waar wij hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.Gedurende zijn verblijf teLeidenwas er veel te zijnen gunste veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel inEngelandteruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in ’s-Gravenhagevan de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem vanOranjezeer in hunne gunst en in die van de Staten vanHollandaanbevolen. Kort daarop herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten vanZeelandop den 1stenAugustus 1660 besloten, hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hungewestte benoemen, op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten vanHollandaandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het verzoek in, datHunneEdel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met ’s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, “opdat de Prins dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door zijne voorzaten bekleed,” doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.“Zijt gij daar, Karel?” zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.“Om u te dienen, Uwe Hoogheid,” antwoordt deze, die met een klein fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand, het vertrek is binnengetreden. “Hier zijn de druppels, die de dokter u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met den post aangenomen.”“Geef hier den brief, Karel,” hervat de Prins, terwijl hij het boek weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelkhij het bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt den inhoud.“Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid,” zegt de kamerdienaar.“Ba! hoe zuur!” zegt de Prins, nadat hij het glas heeft leeggedronken. “De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,” voegt hij er hardop denkend bij. “Die verstaat ook de kunst om wrange druppels toe te dienen.”“Of bittere,” verbetert de kamerdienaar.“Karel,” gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, “zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik moet hem spreken.”Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. ’t Is of de lezing hem vermoeit;—toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn goeverneur stoort hem in zijne overdenking.“Gij liet mij roepen, Willem!” begint deze. “Weder die ongelukkige hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?”“Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren,” geeft de Prins ten antwoord. “Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving.”De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.“Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II vanEngeland, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal afreizen, om haar vaarwel te zeggen.”“Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare KoninklijkeHoogheid, Willem,” antwoordt Zuijlestein. “Zij meldt u dat in den brief.”“Alles goed en wel,” herneemt de Prins. “Maar ik kan vandaag niet gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in ’t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken.”“Er is niets aan te veranderen,” geeft Zuijlestein ten antwoord. “Het vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn, daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad.”De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner moeder twijfelt.“Zeg Karel, dat hij Widerts roepe,” herneemt hij. Zuijlestein schelt en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.“Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven,” herneemt Willem Hendrik eenigszins bitter.“De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat in ’s-Gravenhagegearriveerd,” hervat Zuijlestein verschoonend. “Hare Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren.”Op dit oogenblik komt ’s Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.“Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,” eindigt de Prins, “indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet verhinderde.”Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.“Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein,” gaat de Prins voort. “Ik heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en ’t vooral Professor Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe.”“Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem,” herneemt de goeverneur. “Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, om naar bed te gaan.”“Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur.”“Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren.”“Ik heb er reeds van moeten innemen,” antwoordt de Prins op somberen toon. “Ha, Widerts, reeds gereed!” herneemt hij op minder treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. “Laat hooren, wat gij geschreven hebt.”Widerts voldoet aan ’s Prinsen verlangen en leest den in ’t Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en onze Vorsten vanOranjeschreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar ’s-Gravenhagete vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke hem was opgelegd. Onophoudelijkwoelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.Deze laatste had ’s Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. ’t Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.“Dek mij wat beter toe, Karel,” zeide hij, “en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren.”“Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken,” hernam de kamerdienaar, terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op ’t hoofd legde.“Dat beloof ik u, Karel,” antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon:“Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud was, naarBredawas gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit hetGortstraatje) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in ’sGravenhagedeftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar hetZieken, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op hetBinnenhofte verschijnen.—In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde.”“Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?” vraagde de Prins. “Waar had hij dat geleerd?”“Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon4, die, toen deze garde in “garde van de Staten vanHolland” werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in deBagijnenstraaten was naarAmsterdamvertrokken.”“En wat gebeurde er verder?”“Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van ’tpaleis. Toen was ’t eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met “Leve de Prins!”—Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten vanHolland, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar ’t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen5vanAmsterdamenRotterdamdeed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde, “dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken.” Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.—Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld.”Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.1Zie Adolf en Clara,dertiende Hoofdstuk.2Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. “Kunt gij zwijgen, mijn vriend?” vraagde de Prins.—“Als het graf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de andere.—“Ik ook,” hernam de Prins en vertelde hem niets.3Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector Magnificus.4Zie “Zeeman tegen wil en dank.”5Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op hetPleinte ’s-Gravenhage. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van ’s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.

Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28stenSeptember 1660, langs hetRapenburgteLeidenwaren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van deLangebrug(toenVoldersgracht); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzienzijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon ’t wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stadLeideneen klooster vond. Ik wil u ’t raadsel oplossen.

Het gebouw, voor ’twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der stad1een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor goed van ’t Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die teLeidenvertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I vanEngelanden echtgenoote van Frederik V, keurvorst van dePaltzen naderhand koning vanBohemen, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, datPrincenhof(want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.

Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welkeen menigte vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op, die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.

Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad hebben gezegd—anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken, een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en de eene hand onder ’t hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt, waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerendevlammen aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14denNovember aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch—hoe jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat magere gezicht, dat er, kon ’t zijn, nog magerder door wordt. Geen blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij daarstraks op het plein voor deSint-Pieterskerkmet zijne kameraads zagen knikkeren,—maar zeker zou die voor al het geld der wereld met hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, doen ’t u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap—misschien hebt gij ’t begrepen—is de hoop van het edele stamhuis vanOranjeen van allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: ’t is Willem Hendrik, Prins vanOranje-Nassau, Graaf vanCatzenellebogen,Vianden,Dietz,Lingen,Meurs,BurenenLeerdam, Markiesvan der VeereenVlissingen, Heer en Baron vanBreda, de stadGraveen het land vanKuik,Diest,Grimbergen,Herstal,Kranendonk,Warneston,Arlay,Noseroy, St.-Veit,Daasburg,Polanen,Willemstad,Niervaart,IJselstein,St.-Maartensdijk,Steenbergen,Geertruidenberg, dehoogeenlage Zwaluwe, enNaaldwijk,Erfburggraaf vanAntwerpenenBesançonen Erfmaarschalk vanHolland. ’t Is de achterkleinzoon van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, ’t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning vanEngeland.

Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met een rentebrief van achtduizend gulden ’s jaars en legden de Staten vanHollandhem een jaargeld van vijfduizend,Delftvan zeshonderd,Leidenvan twaalfhonderd enAmsterdamvan duizend gulden toe, terwijlZeelander later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig, Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat gelaat,—een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.

Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds weinige weken na zijne geboorte, toenZeelandden voorslag deed, hem tot Stadhouder te benoemen, weesHollanddit van de hand. En gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchteacte van seclusiewerd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst vanBrandenburg, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste meende daarop recht te hebben wegenshet testament van haren gemaal; de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst vanBrandenburgieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even groot gedeelte der goederen besturen.

Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;—maar die hem later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,—en daardoor had hij, reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen, een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht2.

Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral met vreemden en in gezelschappen,waardoor zij, die hem niet kenden, hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;—jegens hen was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.

Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien, hoe een geduchte en machtige partij inHolland, bekend onder den naam van “Loevesteinsche factie” of “de staatspartij”, tegen zijne bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden; gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder ’t volk, een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. OokZeelandwas er steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in 1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant, die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; de Staten vanHollandbeweerden daarentegen, dat het geenszins den Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in ’s Prinsen opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee jaren lang genoot hij dat onderwijs.

Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had,begreep zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De magistraat vanLeiden, dit vernomen hebbende, bood der Prinses niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook hetPrincenhof, reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij teLeidenstudeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.

Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins vanOranje, nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken, dat hij den volgenden dag naarLeidenzou vertrekken. Denzelfden namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad, zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder en grootmoeder, in een karos naarLeiden, waar hem de Hoogleeraar Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus3met een deftige redevoering in ’t Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden hetPrincenhof, waar wij hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen.

Gedurende zijn verblijf teLeidenwas er veel te zijnen gunste veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel inEngelandteruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in ’s-Gravenhagevan de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem vanOranjezeer in hunne gunst en in die van de Staten vanHollandaanbevolen. Kort daarop herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten vanZeelandop den 1stenAugustus 1660 besloten, hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hungewestte benoemen, op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten vanHollandaandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het verzoek in, datHunneEdel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met ’s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, “opdat de Prins dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door zijne voorzaten bekleed,” doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.

“Zijt gij daar, Karel?” zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.

“Om u te dienen, Uwe Hoogheid,” antwoordt deze, die met een klein fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand, het vertrek is binnengetreden. “Hier zijn de druppels, die de dokter u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met den post aangenomen.”

“Geef hier den brief, Karel,” hervat de Prins, terwijl hij het boek weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.

De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelkhij het bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt den inhoud.

“Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid,” zegt de kamerdienaar.

“Ba! hoe zuur!” zegt de Prins, nadat hij het glas heeft leeggedronken. “De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,” voegt hij er hardop denkend bij. “Die verstaat ook de kunst om wrange druppels toe te dienen.”

“Of bittere,” verbetert de kamerdienaar.

“Karel,” gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, “zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik moet hem spreken.”

Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. ’t Is of de lezing hem vermoeit;—toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn goeverneur stoort hem in zijne overdenking.

“Gij liet mij roepen, Willem!” begint deze. “Weder die ongelukkige hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?”

“Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren,” geeft de Prins ten antwoord. “Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving.”

De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.

“Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II vanEngeland, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal afreizen, om haar vaarwel te zeggen.”

“Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare KoninklijkeHoogheid, Willem,” antwoordt Zuijlestein. “Zij meldt u dat in den brief.”

“Alles goed en wel,” herneemt de Prins. “Maar ik kan vandaag niet gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in ’t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken.”

“Er is niets aan te veranderen,” geeft Zuijlestein ten antwoord. “Het vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn, daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad.”

De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner moeder twijfelt.

“Zeg Karel, dat hij Widerts roepe,” herneemt hij. Zuijlestein schelt en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.

“Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven,” herneemt Willem Hendrik eenigszins bitter.

“De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat in ’s-Gravenhagegearriveerd,” hervat Zuijlestein verschoonend. “Hare Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren.”

Op dit oogenblik komt ’s Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.

“Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,” eindigt de Prins, “indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet verhinderde.”

Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven.

“Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein,” gaat de Prins voort. “Ik heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en ’t vooral Professor Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe.”

“Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem,” herneemt de goeverneur. “Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, om naar bed te gaan.”

“Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur.”

“Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren.”

“Ik heb er reeds van moeten innemen,” antwoordt de Prins op somberen toon. “Ha, Widerts, reeds gereed!” herneemt hij op minder treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. “Laat hooren, wat gij geschreven hebt.”

Widerts voldoet aan ’s Prinsen verlangen en leest den in ’t Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en onze Vorsten vanOranjeschreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.

Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar ’s-Gravenhagete vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke hem was opgelegd. Onophoudelijkwoelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.

Deze laatste had ’s Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. ’t Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.

“Dek mij wat beter toe, Karel,” zeide hij, “en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren.”

“Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken,” hernam de kamerdienaar, terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op ’t hoofd legde.

“Dat beloof ik u, Karel,” antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon:

“Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud was, naarBredawas gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit hetGortstraatje) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in ’sGravenhagedeftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar hetZieken, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op hetBinnenhofte verschijnen.—In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde.”

“Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?” vraagde de Prins. “Waar had hij dat geleerd?”

“Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon4, die, toen deze garde in “garde van de Staten vanHolland” werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in deBagijnenstraaten was naarAmsterdamvertrokken.”

“En wat gebeurde er verder?”

“Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van ’tpaleis. Toen was ’t eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met “Leve de Prins!”—Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten vanHolland, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar ’t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen5vanAmsterdamenRotterdamdeed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde, “dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken.” Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.—Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld.”

Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.

1Zie Adolf en Clara,dertiende Hoofdstuk.2Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. “Kunt gij zwijgen, mijn vriend?” vraagde de Prins.—“Als het graf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de andere.—“Ik ook,” hernam de Prins en vertelde hem niets.3Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector Magnificus.4Zie “Zeeman tegen wil en dank.”5Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op hetPleinte ’s-Gravenhage. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van ’s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.

1Zie Adolf en Clara,dertiende Hoofdstuk.

2Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. “Kunt gij zwijgen, mijn vriend?” vraagde de Prins.—“Als het graf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de andere.—“Ik ook,” hernam de Prins en vertelde hem niets.

3Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector Magnificus.

4Zie “Zeeman tegen wil en dank.”

5Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op hetPleinte ’s-Gravenhage. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van ’s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.

Tweede Hoofdstuk.Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar ’s-Gravenhage begeven, waar wij in deSpuistraatden pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op ’t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze PieterDirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in deZuilingstraatwas geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans den titel vankappermocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen, het door zijne oppassendheid tot ’s Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener reusachtige allongepruik,—want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t’huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan ’t werk; terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz’ zestal, een aardige geestige jongen en vaders naamgenoot enlieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naarDenemarkenvertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning vanZwedenKarel Gustaaf, door het belegeren van de stadDantzig, die wij als de korenschuur vanNederlandaanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar deOostzeete zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op deOostzeebleef vrij. Toen echter in ’t volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning vanDenemarken, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari van ’t jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over de toegevroren zee naarFunen, alwaar hijOdenzeeenNyborgvermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. “Hoe!” zeide de koning. “Kan die bode over denGrooten Belt, dan kunnen wij er ook over.” Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om denvijand in zijn land te bestoken. ’t Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning opLangelandaan en ging van daar opLalandenFalster, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij opSeelandaf, namWarburgin en stond op het punt om opKopenhagenaf te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er teRotschildtusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat “zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door deSontofBeltin deOostzeezou komen.” Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in ’t zelfde jaar viel Karel Gustaaf inSeelanden sloeg het beleg voorKopenhagen. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in ’t Noorden, besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naarKopenhagente zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp1ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het bevel voerden.Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die welaan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.“Goê morgen!” begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. “Hoe maak je ’t, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar ’t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst.”“Wij zijn allen gezond, Klaas,” antwoordt Pieter. “En ’t schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent.”“Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is ’t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij eens, hoe ’t je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. ’k Wist niet of ik wel zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo’n mooien winkel stond.”Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen.“Nu,” hervat deze. “Onder ’t zeil is ’t goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is ’t geen wonder ook. Als je door zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is.”“Dat is goed, Klaas,” herneemt Pieter Dirksz. “Maar zou je eerst niet wat gebruiken?”“Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor; want zoo’n kleintje is maar mondtergen.”“En nu,” hervat oom Klaas, nu hij van ’t noodige voorzienis en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, “nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. ’t Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3denNovember kwamen wij in de nabijheid derSont. Toen ging ’t er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteelHelsingborg, aan onze rechter het slotKronenburg, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel.”“Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?”“Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen—onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: goede moed is het halve teergeld! Met zijn “Brederode”, het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten.”“Hé, oom!” roept Pieter uit. “En werdt u niet bang?”“Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal je er wel goed door komen. En zoo stuurikrecht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.—“Bijdraaien!” roept De With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, “pang, pang, pang!” daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het teKeulenhad hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal,die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onderKronenburgte loopen.”“Nu, dat was ferm, oom!” roept Pieter verheugd uit. “Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons te gebruiken.”“Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en “pang, pang, pang!” sturen wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie.”“Dat is valsch,” valt Pieter zijn oom in de rede. “Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is geen partuur.”“Maar, Piet,” herneemt oom Klaas, “in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag.”“Dat was laf!” roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. “Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen.”“Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter,”herneemt de oom. “En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. “Jongens! houdt moed!” riep hij. En de jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen “Brederode” en springen er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: “de Brederode” valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen.”“Dat was ferm!” vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. “Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen.”“Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal teElseneuraan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen.”“Dat vind ik nu heel mooi,” hernam Pieter. “Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?”“Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijdtegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór de kampanje.”“Was hij dan zoo moe?”“Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bijKronenburgterug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts “de Brederode” en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden2.“Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met “de Brederode” gezonken?”“Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en teElseneurin den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn “kortjan” weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen ’s nachts gebeuren. ’s Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken steenen. ’t Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht lichtten wij de ankers,namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar ’t eerste schip het beste. ’t Was “Het huis te Zwieten”, op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20stenMei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar ’t Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op “Het huis te Zwieten” en bleef verder op dien bodem.”“Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart,” hervatte Pieter Dirksz.“Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. ’t Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eilandFunen, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer van Buat, teKartemundeontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan deandere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren.”“Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?” vraagde Pieter.“Wel neen.—In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: “Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden.”Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het water. “Mannen!” riep hij, “dat gaat u voor! Volgt mij na!” Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnenhen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnenNijborgte vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde inKopenhagen, in welke stad wij den 15denDecember aankwamen. ’t Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers bij den koning vanDenemarkenter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde.”“Die had ik wel eens willen zien,” riep Pieter uit. “Hoe was die keten, oom?””’t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde ’s Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.—Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden uitDenemarkenvertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend gulden bij.”“Dat was heel mooi van dien koning vanDenemarken,” zeide Pieter. “En hoe kwam het, dat de vloot niet langer inDenemarkenbehoefde te blijven?”“Wel, de koning vanZwedenwas in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen deNoordsche mogendheden den 16denJuli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste ZweedDenemarkenverlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September ’tVliebinnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naarAmsterdam. Op deZuiderzeewas De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest.”“Hoe gaat het, vader!—Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!” klonk het eensklaps. Allen keken op, en zagen Karel voor zich staan.“Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?” was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz.“Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid vanLeidengekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naarEngelandgaat.”“En die van morgen vroeg reeds vertrokken is,” zeide Marie, “Je bent dus te laat gekomen, Karel.”“Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed.”“Nog altijd die hoofdpijn,” zeide Marie. “De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn.”“Dat is hij,” antwoordde Karel. “Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar ’s-Gravenhagete aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het paleis op hetBinnenhof.”“En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich teTurnhoutbevond en van daar naarKleefwas gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide,” merkte Marie aan.“Je bent zeer goed onderricht, Marie,” hervatte Karel. “De Prinses-weduwe reisde naarKleefen zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te zijn en is haar te gemoet gereisd naarDen Briel. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naarHellevoetsluisvertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar ’s-Gravenhageis doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar.”Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. TeDelftshavengekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat haar naarBrielleovervoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na het diner naarHellevoetsluis, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens naar hetBinnenhofte ’s-Gravenhage, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6e druk, blz. 177.2Voor De With werd later door de Staten teRotterdamen voor Floriszoon teHoorneen praalgraf opgericht.

Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar ’s-Gravenhage begeven, waar wij in deSpuistraatden pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op ’t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze PieterDirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in deZuilingstraatwas geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans den titel vankappermocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen, het door zijne oppassendheid tot ’s Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.

Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener reusachtige allongepruik,—want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t’huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan ’t werk; terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz’ zestal, een aardige geestige jongen en vaders naamgenoot enlieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naarDenemarkenvertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.

Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning vanZwedenKarel Gustaaf, door het belegeren van de stadDantzig, die wij als de korenschuur vanNederlandaanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar deOostzeete zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op deOostzeebleef vrij. Toen echter in ’t volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning vanDenemarken, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari van ’t jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over de toegevroren zee naarFunen, alwaar hijOdenzeeenNyborgvermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. “Hoe!” zeide de koning. “Kan die bode over denGrooten Belt, dan kunnen wij er ook over.” Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om denvijand in zijn land te bestoken. ’t Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.

Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning opLangelandaan en ging van daar opLalandenFalster, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij opSeelandaf, namWarburgin en stond op het punt om opKopenhagenaf te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er teRotschildtusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat “zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door deSontofBeltin deOostzeezou komen.” Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in ’t zelfde jaar viel Karel Gustaaf inSeelanden sloeg het beleg voorKopenhagen. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in ’t Noorden, besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naarKopenhagente zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp1ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het bevel voerden.

Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die welaan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.

“Goê morgen!” begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. “Hoe maak je ’t, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar ’t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst.”

“Wij zijn allen gezond, Klaas,” antwoordt Pieter. “En ’t schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent.”

“Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is ’t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij eens, hoe ’t je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. ’k Wist niet of ik wel zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo’n mooien winkel stond.”

Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen.

“Nu,” hervat deze. “Onder ’t zeil is ’t goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is ’t geen wonder ook. Als je door zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is.”

“Dat is goed, Klaas,” herneemt Pieter Dirksz. “Maar zou je eerst niet wat gebruiken?”

“Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor; want zoo’n kleintje is maar mondtergen.”

“En nu,” hervat oom Klaas, nu hij van ’t noodige voorzienis en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, “nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. ’t Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3denNovember kwamen wij in de nabijheid derSont. Toen ging ’t er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteelHelsingborg, aan onze rechter het slotKronenburg, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel.”

“Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?”

“Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen—onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: goede moed is het halve teergeld! Met zijn “Brederode”, het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten.”

“Hé, oom!” roept Pieter uit. “En werdt u niet bang?”

“Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal je er wel goed door komen. En zoo stuurikrecht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.—“Bijdraaien!” roept De With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, “pang, pang, pang!” daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het teKeulenhad hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal,die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onderKronenburgte loopen.”

“Nu, dat was ferm, oom!” roept Pieter verheugd uit. “Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons te gebruiken.”

“Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en “pang, pang, pang!” sturen wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie.”

“Dat is valsch,” valt Pieter zijn oom in de rede. “Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is geen partuur.”

“Maar, Piet,” herneemt oom Klaas, “in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag.”

“Dat was laf!” roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. “Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen.”

“Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter,”herneemt de oom. “En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. “Jongens! houdt moed!” riep hij. En de jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen “Brederode” en springen er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: “de Brederode” valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen.”

“Dat was ferm!” vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. “Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen.”

“Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal teElseneuraan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen.”

“Dat vind ik nu heel mooi,” hernam Pieter. “Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?”

“Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijdtegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór de kampanje.”

“Was hij dan zoo moe?”

“Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bijKronenburgterug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts “de Brederode” en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden2.

“Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met “de Brederode” gezonken?”

“Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en teElseneurin den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn “kortjan” weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen ’s nachts gebeuren. ’s Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken steenen. ’t Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht lichtten wij de ankers,namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar ’t eerste schip het beste. ’t Was “Het huis te Zwieten”, op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20stenMei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar ’t Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op “Het huis te Zwieten” en bleef verder op dien bodem.”

“Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart,” hervatte Pieter Dirksz.

“Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. ’t Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eilandFunen, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer van Buat, teKartemundeontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan deandere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren.”

“Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?” vraagde Pieter.

“Wel neen.—In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: “Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden.”

Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het water. “Mannen!” riep hij, “dat gaat u voor! Volgt mij na!” Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnenhen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnenNijborgte vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde inKopenhagen, in welke stad wij den 15denDecember aankwamen. ’t Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers bij den koning vanDenemarkenter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde.”

“Die had ik wel eens willen zien,” riep Pieter uit. “Hoe was die keten, oom?”

”’t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde ’s Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.—Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden uitDenemarkenvertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend gulden bij.”

“Dat was heel mooi van dien koning vanDenemarken,” zeide Pieter. “En hoe kwam het, dat de vloot niet langer inDenemarkenbehoefde te blijven?”

“Wel, de koning vanZwedenwas in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen deNoordsche mogendheden den 16denJuli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste ZweedDenemarkenverlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September ’tVliebinnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naarAmsterdam. Op deZuiderzeewas De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest.”

“Hoe gaat het, vader!—Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!” klonk het eensklaps. Allen keken op, en zagen Karel voor zich staan.

“Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?” was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz.

“Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid vanLeidengekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naarEngelandgaat.”

“En die van morgen vroeg reeds vertrokken is,” zeide Marie, “Je bent dus te laat gekomen, Karel.”

“Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed.”

“Nog altijd die hoofdpijn,” zeide Marie. “De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn.”

“Dat is hij,” antwoordde Karel. “Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar ’s-Gravenhagete aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het paleis op hetBinnenhof.”

“En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich teTurnhoutbevond en van daar naarKleefwas gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide,” merkte Marie aan.

“Je bent zeer goed onderricht, Marie,” hervatte Karel. “De Prinses-weduwe reisde naarKleefen zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te zijn en is haar te gemoet gereisd naarDen Briel. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naarHellevoetsluisvertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar ’s-Gravenhageis doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar.”

Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. TeDelftshavengekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat haar naarBrielleovervoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na het diner naarHellevoetsluis, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens naar hetBinnenhofte ’s-Gravenhage, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.

1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6e druk, blz. 177.2Voor De With werd later door de Staten teRotterdamen voor Floriszoon teHoorneen praalgraf opgericht.

1Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6e druk, blz. 177.

2Voor De With werd later door de Staten teRotterdamen voor Floriszoon teHoorneen praalgraf opgericht.


Back to IndexNext