Twaalfde Hoofdstuk.Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op den 2denApril 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op hetBinnenhof, waar wij hem reeds eenmaal1hebben aangetroffen. Ik behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet, den vader van ’s Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht, zich bij den haard te schikken.“Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen,” begon de grijsaard. “Ik vond het echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had.”“Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, “voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten.”“Men heeft U teAmsterdamluisterrijk ontvangen, naar ik hoor,” hernam Heenvliet.“Ik zalAmsterdamroemen,” gaf de Prins ten antwoord. “De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht.”“En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan,” ging Heenvliet voort.“Zoo, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. “Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel.”“En met de staatkunde,” voegde Heenvliet er stekelig bij. “En hoe heeft Uwe Hoogheid het teRotterdamgehad?”“Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst.”“Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak.”“Dat heb ik gemerkt,” antwoordde de Prins weder heel onnoozel, “want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke oesterpartijen.”“Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet.”“O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier inDen Haagaltijd zooveel volk om mijn karos zien.”“Geen wonder, Uwe Hoogheid,” gaf Heenvliet ten antwoord. “Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minderUwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst vanBrandenburg, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen.”“En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van anderen moest steken.”“En dan,” merkte Zuijlestein aan. “En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins vanTarentetot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt.”“Daar heeftZeelanddan ook dapper tegen geijverd,” hernam Heenvliet.“En wat heeft hetZeelandgeholpen?” vraagde Zuijlestein. “Het antwoord, datHollandgegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil.”“OmdatHollandmij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben,” zeide de Prins op scherpen toon. “Zij hebben gelijk, de Heeren Staten,” vervolgde hij schijnbaar luchthartig. “Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het krijgswezen doen?”“En dan uwe voorouders Prins!” riep Heenvliet uit. “Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet zich laten kennen, en een oproeping....”“Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij doen wat zij willen—ikwilvan hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?”“Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid,”antwoordde Heenvliet. “Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?”“Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.—Gij zijt immers ook een kenner?”De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:“Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof vanBrandwijk2is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?”“Met de Prinses-weduwe!” riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk.“Zooals ik u zeide,” antwoordde de ritmeester. “En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid nogmaals aan het Hof vanBrandwijkaangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht.”“En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!” riep Heenvliet uit. “Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?”“De Heer De Witt zal wel moeten toegeven,” zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. “Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn.”“En dan”—hervatte Heenvliet triomfeerend. “Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan—dan maken wij vrede metEngeland.... en....”“Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien,” hernam de Prins bedaard.“Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur,” antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten bezette horloge uit den zak haalde. “Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen.”“Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet,” zeide de Prins. “Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie.”De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.“Hij moet zeker naar de “Oude Zwaen,” dat hij zoo’n haast maakt,” zeide Boreel glimlachend. “Daar zal hem wel de een of andere vriend met het verkeerbord wachten.”“Zoudt gij het denken?” vraagde de Prins.“Voorzeker, Uwe Hoogheid,” zeide Buat. “De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de “Oude Zwaen.” Men kan hem daar alle dagen vinden.”“Ziedaar het voorrecht van hen, die in hetNoordeindewonen,” zeide de Prins. “Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof vanBrandwijkkomen, maar weten ook, wie de “Oude Zwaen” bezoeken.”“Met uw verlof, Uwe Hoogheid,” hernam Boreel. “Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet.”“En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?” vraagde Zuijlestein.“Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein,” antwoordde de Prins. “Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien.”“De Raadpensionaris is voorzichtig,” merkte Boreel aan. “Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken.”“Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn,” hervatte Buat. “En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder in actieven dienst3te treden.”“Beste Buat,” zeide de Prins. “Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is.”Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?—En toch—wanneer gij in dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,—een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.“Goede tijding, Willem!” fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. “Ik wensch u geluk met uwe benoeming.”“Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem,” zeide Buat.Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.“Ik heb mij gehaast,” begon de Raadpensionaris, “U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe.”’s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht bij den schoorsteen staan.“Een verzoek van mijne geachte grootmoeder,” zeide de Prins. “Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?”De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.“Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten overHollandenWest-Friesland, het verzoek herhaald, reeds in 1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder staatsdirectie en conduite4te mogen verkrijgen die onderwijzing, door welke zij de rechten en de maximen5dezer Republiek grondig zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen.”Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.“En heeft mijne grootmoederdatverzoek herhaald?” vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt.“Wie anders dan zij?” vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide:“Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar hetNoordeindeom Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen.”“Voorzeker,” antwoordde De Witt. “Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen6. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does, uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer vanNaaldwijk, Oud-burgemeester en Raad van de stadDordrecht, Gillis Valkenier, Burgemeester en Raad vanAmsterdam, Nanning Foreest, Raad en Meester van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap teAlkmaaren—mijn persoon....”“Ook Uwe Edelheid?” hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.“Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?”“Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik.”“En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable7middelen onder Gods genadigen zegen voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, privilegiën en maximen van dezen staat.”Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide:“Alzoo hebben de Heeren Staten vanHollandmij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot....”“Tot kind van den Staat,” voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten.“Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, “Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken.”“Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,” zeide De Witt. “Men moet leeren zich in de omstandigheden te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de Heeren Staten.”“Betreffende deze zaak?” vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot “kind van den Staat” een benoeming gevoegd was.“Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan deninvloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden veranderd.”“Hoe, mijnheer De Witt!” riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. “Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!”“Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,” ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, “de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren.”“Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide deze driftig. “De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe.”“En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zultwelvertrekken, mijnheer Van Zuijlestein.”“Maar, mijnheer De Witt!” zeide de Prins smeekend. “De Staten zullen mij toch wel niet vanalmijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat.”“Dat is onmogelijk,” hernam De Witt.—“De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde vanGelderland.”“Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden,” hernam de Prins.”’t Zal Uwe Hoogheid weinig baten,” hervatte De Witt. “Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen.”En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.“Groote God!” riep hij uit. “Ikkind van den Staat!Ikde ondergeschikte van De Witt!—Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mij weg!—Maar!” hernam hij opstaande en met plechtigen ernst de vuist ballende: “wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar zal misschien nog eens een tijd komen, dat hetKind van den Staatu allen totkinderen van den Prince van Oranjemaakt8.”Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen:op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.Wij verlaten nuDen Haag, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bijTexellag. ’t Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. ’t Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas,methunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;—ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men allemogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben.“Ziet gij daar,” zeide Pieter, “dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid.”“Waar?” zeide Engel. “O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?”“Ik ken hem niet,” antwoordde Pieter.“Dan zal het de Heer van Gendt zijn,” zeide Engel, “die eerst sedert kort tot ’s Prinsen goeverneur is benoemd. InAmsterdamheb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen.”“Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,” zeide Klaas Dirkz. “Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten.”En waarlijk praaiden de beide jachten “de Zeven Provinciën,” waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.“Behoedzaam, neefje!” zeide de eerste tot den Prins. “Doebist hier nicht op dasPinnenhofof op das hof vonPrandweich, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe.”“Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd,” antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op het dek zette. “Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!”“Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht,” zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.“Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen,” hernam de Prins. “Zij zijn goed geoefend.”“Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid,” hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen gereed stonden.Zij werden gevolgd door den Keurvorst vanBrandenburg, door de Vorsten vanHolsteinenAnhalt, door den Prins van Nassau, de graven vanSolms,DhonaenHoorne, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:“Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken.”“O, volgaarne! Wij nemen het aan!”Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingennog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk “leve de Prins vanOranje!” en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: “leve de Prins vanOranje!”Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naarDen Helder, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten.Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten vleesch voorhanden was.“Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen,” zeide de Keurvorst vanBrandenburgtegen De Ruyter.“Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben,” antwoordde deze. “Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want ik word zoo kwalijk.”“En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden,” merkte de vorst Van Anhalt aan.“Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir’s nicht vermeugen?” vraagde de Keurvorst.“Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden,” zeide De Ruyter. “Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer.”“Ich denke,” zeide de graaf Van Solms, “dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft.”“En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter zee gefaren heeft,” meende de Vorst Van Holstein. “Gij vergeet, dassDordrecht, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist.”“Uwe Hoogheid vergist zich,” zeide De Witt glimlachend. “De stadDordrechtdrijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op deMoerdijkgeweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!”“Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!” riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden.“Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken,” zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijnerbedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.“Was ist das?” riep de vorst Van Anhalt uit. “Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen zeesjlag bij te wonen.”“Dien zal Uwe Hoogheid zien,” antwoordde De Ruyter. “Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen.”“Bravo! bravo!” juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten “’t Hert” onder kapitein Pieter van Wijnbergen en “Zwolle” onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen.De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.“Mijnheer de Luitenant-admiraal,” begon hij, “Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?”“Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?”“Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?”“Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder zijn matrozenbuis steekt.”“Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt.” En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter opHondsholredijken op het veldijs gebeurd was.“Inderdaad—dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor zeeman in de wieg is gelegd.”“Ik zou hem gaarne eens zien,” hernam de Prins. “Ik heb al naar hem rondgekeken.”De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen.“Je bent groot geworden, Pieter,” zeide de Prins. “Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?”“Achttien jaren, Uwe Hoogheid,” antwoordde Pieter.“Dan ben je mij vooruit,” hervatte de Prins. “En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is.”“Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!” zeide Pieter.“Daarin heb je gelijk,” antwoordde de Prins. “En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?”“Hij is springlevend,” antwoordde Pieter. “Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?”Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep.“Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter,” gaf hij ten antwoord. “Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd.”Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (ƒ 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in.1Zie Bladz.88.2Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in hetNoordeinde.3De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat inBergen op Zoomlag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.4Leiding.5Grondregels of instellingen.6Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2dentot den 15denApril vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.7Krachtige.8Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: “De geachte spreker meent te maken van den Prins eenkind van den Staat. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn eenkind van den Prins.”Dertiende Hoofdstuk.Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden, dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.—Ja, een vierdaagsche zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel duizenden kartouwen1; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen De Ruyters groote stengwas afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden: “zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?”Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter Bldz. 478—494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den vierden dag debloedvlagliet hijschen, tot sein om allen te gelijk op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude kerk teAmsterdamziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naarEngelandgezonden, over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks 800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000, die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4denen 5denAugustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en denzelfden Monk, hertog vanAlbemarle, die de Engelsche vloot in den vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd was bijgewoond door vierFransche edelen, die op ’s Lands vloot waren gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, Prins vanMonaco, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander in volle zee tusschenDuinkerkenenNoordvoorland. De voorhoede begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringevloot niet meer bestand was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht met hem zou vereenigen.Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, maar geen Tromp.“Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord,” zeide hij tot Klaas Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.“Hemelsche Vader!” riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij zijn geliefden oom neerwierp. “Oom! Oom!”“Ik sterf,” zeide de stuurman met een flauwe stem. “De Engelschman heeft mij doodelijk gekwetst.”“Gij zult niet sterven, oom!” zeide Pieter.“Vlei je niet, mijn beste jongen,” hernam Klaas Dirksz gebroken. “Tegen den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De Ruyter...”Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide, te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.“Dood! Arme oom Klaas, dood!” riep Pieter uit, terwijl hij zich als wanhopig op het lijk wierp.“Pieter!” klonk eensklaps een stem naast hem. “Is de stuurman dood?”“Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?”“Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem raadplegen. “Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes,” riep hij uit, toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, “wat zullen wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie, welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren omringt, en wij—wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat zullen wij doen?” “Wat wij moeten doen,” antwoordde Van Nes, “tegen de overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende te verweren.”—“Gij hebt gelijk, Van Nes,” antwoordde vader. “Daar is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, dat ik dood was!”“Zei uw vader dat?” zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. “En wat zeide de Luitenant-admiraal?”“Ik wou het ook wel,” antwoordde Van Nes, “maar men sterft niet, wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven tot mijn laatsten ademtocht.” Dit zeggende, stonden mijn vader en hij op, en—nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, waar zij gezeten hadden!”“Wonderbaar behoud!” riep Pieter uit. “En is Tromp nog niet in het gezicht?”“Nergens te zien,” hernam Jonker Engel. “Maar ik moet weer naar boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman te zien.”“Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippenis gestorven en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden Admiraal heeft gegeven.”“Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg te vinden.”“Dat zou ik meenen,” zeide Pieter. “Maar ik was liever boven, om den dood mijns ooms op die Engelschen te wreken.”“Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!”“God behoede je en je dapperen vader!” zeide Pieter, terwijl hij Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas Dirksz over te brengen.Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende, terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks ’s morgens negen uren kregen zijWestkapellein het gezicht. De Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag zond hij een brander op hem af, die “De zeven Provinciën” zoo na kwam, dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. “Hoe ben ik dan toch zoo ongelukkig?” riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast hem stond. “Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt!”—“Vader!” zeide De Witte, “hoe kunt ge zoo moedeloos zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de vijanden en sterven wij den heldendood!” Deze taal werkte; De Ruyter zag het verkeerde daarvan in. “Witte,” zeide hij, “gij weet niet, wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men het werk hervatten.” Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven vanVlissingenbinnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan; want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, toen De Ruyter hem toevoegde:“Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven ben? Inderdaad—het heeft aan U niet gelegen; integendeel—gij hebt dapper uw best gedaan, om mij met ’s lands vloot in handen der Engelschen te leveren.”“Ik, Admiraal?” vraagde Tromp verbaasd. “Of meent Uwe Edelheid soms, dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?”“Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp,” zeide De Ruyter, “zou ik u gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?”“Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters de Heeren Staten zijn,” zeide Tromp trotsch.“Daar zult gij gelegenheid toe hebben,” hernam De Ruyter. “Ik heb Hunne Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!”“Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet,” antwoordde de laatste. “Wijhebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest.”Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.“Hadt gij U even goed gekweten, als wij,” zeide hij, “dan zouden wij de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu inLondenals krijgsgevangene.”“Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,” hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. “Zooals gij gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over ons oordeelen. Wat mij aangaat,—ik schroom het oordeel van mijne meesters niet.”“Ik ook niet,” hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord verliet. “Ofschoon,” mompelde hij half verstaanbaar, “de lieveling wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis achterstaan!”Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een aan de Staten-Generaal en een aan de Staten vanHolland, waarin hij, op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief zeide, “dat—indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een schelm moest worden uit gekreten—hij zijn ontslag verzocht, daar het thans geen tijd was, om schelmentegebruiken.”Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, vooral bij de Staten vanHolland, verwekte. Daarbij kwam nog, dat de Heer Kievit, gecommitteerde Raad vanRotterdam(uit den mond van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende) een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en verspreiden. Hierover door de Staten vanHollandter verantwoording geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de schuld lagdoch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer gehechte scheepsvolk.Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat hij het aanbod, hem door d’Estrades, den Franschen gezant, gedaan om tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal vanHollandbenoemd Willem Jozef Van Gent.Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk was zijne geheele familie naarVlissingengekomen, om den dierbaren man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den 13denSeptember haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan op den 24stenAugustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige bezigheden te lenigen.Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar ’s-Gravenhage, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd “de kamer van educatie.” Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer, aan beide zijden met ramen voorzien.Naast de deur, die in een hoek is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo’s en octavo’s, lager de kwarto’s en onderaan de folianten. Tegenover dezen muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een atlas vanBlaeuw2, eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker, eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is “de kamer van educatie,” waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens onderzoek te doen naar zijne vorderingen.Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in 1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met geen beter gevolg.Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.“Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim,” begint hij. “Eilacy, is zij boos op die onschuldige boeken?”“Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?” antwoordt de Prins, “Vergeef mij, dat ik U tegenspreek—ik was knorrig op mij zelf.”“Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden,” herneemt De Witt lachend. “In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De onschuldigen moeten het gelag betalen.”“Gelukkig dat die boeken het niet voelen,” zegt de Prins. “Maar ik zou mij wel voor het hoofd willen slaan.”“Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!” vermaant De Witt. “Dan zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.—Doch vertel mij, wat is de oorzaak van uwe ontevredenheid met U zelf?”“Ach mijnheer De Witt!” klaagt de Prins. “Ik ben zoo dom...”“Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?”“In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten denken over deze opgaven. Zie, ikkanze niet vatten.”“Doodeenvoudige voorstellen,” hervat De Witt, nadat hij ze gelezen heeft. “Kom hier,” vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat zitten. “Ik zal ze U eens voorrekenen.” En terwijl hij den Prins de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige minuten opgelost.“Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak der wereld is?”“Voor uwe Edelheid, ja,” antwoordt de Prins. “Maar voor een zwak hoofd als het mijne....”“Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan.”“Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn.”De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.“Komaan,” zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. “Schrijf dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen.”De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem voorzegt3.“Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts 30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen.”De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.“Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt.”“En hoe zult gij dat doen?”De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.“Zeer goed,” zegt De Witt. “En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu zoo vlug in het oplossen is?”“Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo’n vervelend wezen is als de makers van die cijferboekjes,” antwoordt de Prins, “en dus zijn uwe opgaven ook niet zoo droog en zoo saai.”“Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden4begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en vijftig duizendste deelen.”De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)en volgens Franciscus van Schooten (1660):16358 (3)want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de geheelen van de deelen te scheiden.“Zeer goed,” hervat De Witt. “Ik zie tot mijn contentement, dat gij beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?”“Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)1390430 (6)of eenvoudiger:139043 (5)”.“Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft eene “ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen.” Doch nu gaan wij verder.”Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en wilde vertrekken.“Een oogenblik, mijnheer De Witt,” zeide de Prins. “Ik had U nog wat te verzoeken.”“Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij genoegen doen, U uw verzoek toe te staan.”“Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid,” hernam de Prins. “Uwe Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter.”De Witt dacht een oogenblik na.“O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe gunst te deelen.”“Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,” vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, “dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter.”“Wien deze aanbeveelt,” hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen had, “is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar, waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?”“Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas Dirksz, den stuurman van “De zeven Provinciën,” die, op den 5denAugustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben doen opvatten.”“Het getuigt weinig voor zijn moed,” hernam de Raadpensionaris eenigszins schamper.“Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen.”“Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen ontslaan?”“Hij behoorde tot de vrijwilligers vanDelfzijl,” hernam de Prins, “en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen.”“Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,” hernam De Witt. “Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen.”“Zeelandis mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,” hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden werden gesproken, niet opgemerkt. “Ik zal dus volgens uw raad handelen. Doch nog iets. De ridder Buat....”Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.“De ridder Buat,” vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de verandering in De Witts trekken te bemerken, “is door u beschuldigd van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen.”“Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben geen Fiskaal.”“Toch op uw bevel, mijnheer De Witt.”“Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, heer Van Buat, is een landverrader.”“Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, door U met een geheime correspondentie metEngelandbelast, en die misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie bij te voegen.”“Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde,” zeide De Witt scherp. “Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft medegedeeld?”“Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheelDen Haagweet?” hernam de Prins. “Of zou Uwe Edelheid meenen, dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet.”“Voleindig uwen volzin, Prins,” hernam De Witt.“Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, totdat....”De Prins zweeg. De Witt vervolgde:“Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van U te verwijderen, die met den vijand heult.”“Dus geen genade voor den onvoorzichtige.”“Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te verleenen,” hernam De Witt koel. “En wat mijn voorspraak betreft, die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister wel,” hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn doordringende oogen scherp aanzag. “De Heeren Staten zijn voornemens, om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, streng te straffen, en uwe partij wordt stout—te stout, om langer het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven, dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze partijzucht blijve.”Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupilaan zijne overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon, die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien terstond bij hem te brengen.“Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid,” zeide deze.“Breng hem dan onmiddellijk hier,” hernam de Prins.1Kanonnen.2Guillaume Blaeuw, 1571–1638.—J.H.3De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.4Tiendeelige breuken.
Twaalfde Hoofdstuk.Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op den 2denApril 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op hetBinnenhof, waar wij hem reeds eenmaal1hebben aangetroffen. Ik behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet, den vader van ’s Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht, zich bij den haard te schikken.“Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen,” begon de grijsaard. “Ik vond het echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had.”“Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, “voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten.”“Men heeft U teAmsterdamluisterrijk ontvangen, naar ik hoor,” hernam Heenvliet.“Ik zalAmsterdamroemen,” gaf de Prins ten antwoord. “De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht.”“En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan,” ging Heenvliet voort.“Zoo, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. “Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel.”“En met de staatkunde,” voegde Heenvliet er stekelig bij. “En hoe heeft Uwe Hoogheid het teRotterdamgehad?”“Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst.”“Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak.”“Dat heb ik gemerkt,” antwoordde de Prins weder heel onnoozel, “want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke oesterpartijen.”“Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet.”“O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier inDen Haagaltijd zooveel volk om mijn karos zien.”“Geen wonder, Uwe Hoogheid,” gaf Heenvliet ten antwoord. “Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minderUwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst vanBrandenburg, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen.”“En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van anderen moest steken.”“En dan,” merkte Zuijlestein aan. “En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins vanTarentetot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt.”“Daar heeftZeelanddan ook dapper tegen geijverd,” hernam Heenvliet.“En wat heeft hetZeelandgeholpen?” vraagde Zuijlestein. “Het antwoord, datHollandgegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil.”“OmdatHollandmij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben,” zeide de Prins op scherpen toon. “Zij hebben gelijk, de Heeren Staten,” vervolgde hij schijnbaar luchthartig. “Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het krijgswezen doen?”“En dan uwe voorouders Prins!” riep Heenvliet uit. “Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet zich laten kennen, en een oproeping....”“Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij doen wat zij willen—ikwilvan hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?”“Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid,”antwoordde Heenvliet. “Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?”“Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.—Gij zijt immers ook een kenner?”De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:“Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof vanBrandwijk2is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?”“Met de Prinses-weduwe!” riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk.“Zooals ik u zeide,” antwoordde de ritmeester. “En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid nogmaals aan het Hof vanBrandwijkaangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht.”“En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!” riep Heenvliet uit. “Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?”“De Heer De Witt zal wel moeten toegeven,” zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. “Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn.”“En dan”—hervatte Heenvliet triomfeerend. “Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan—dan maken wij vrede metEngeland.... en....”“Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien,” hernam de Prins bedaard.“Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur,” antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten bezette horloge uit den zak haalde. “Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen.”“Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet,” zeide de Prins. “Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie.”De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.“Hij moet zeker naar de “Oude Zwaen,” dat hij zoo’n haast maakt,” zeide Boreel glimlachend. “Daar zal hem wel de een of andere vriend met het verkeerbord wachten.”“Zoudt gij het denken?” vraagde de Prins.“Voorzeker, Uwe Hoogheid,” zeide Buat. “De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de “Oude Zwaen.” Men kan hem daar alle dagen vinden.”“Ziedaar het voorrecht van hen, die in hetNoordeindewonen,” zeide de Prins. “Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof vanBrandwijkkomen, maar weten ook, wie de “Oude Zwaen” bezoeken.”“Met uw verlof, Uwe Hoogheid,” hernam Boreel. “Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet.”“En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?” vraagde Zuijlestein.“Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein,” antwoordde de Prins. “Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien.”“De Raadpensionaris is voorzichtig,” merkte Boreel aan. “Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken.”“Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn,” hervatte Buat. “En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder in actieven dienst3te treden.”“Beste Buat,” zeide de Prins. “Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is.”Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?—En toch—wanneer gij in dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,—een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.“Goede tijding, Willem!” fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. “Ik wensch u geluk met uwe benoeming.”“Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem,” zeide Buat.Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.“Ik heb mij gehaast,” begon de Raadpensionaris, “U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe.”’s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht bij den schoorsteen staan.“Een verzoek van mijne geachte grootmoeder,” zeide de Prins. “Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?”De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.“Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten overHollandenWest-Friesland, het verzoek herhaald, reeds in 1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder staatsdirectie en conduite4te mogen verkrijgen die onderwijzing, door welke zij de rechten en de maximen5dezer Republiek grondig zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen.”Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.“En heeft mijne grootmoederdatverzoek herhaald?” vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt.“Wie anders dan zij?” vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide:“Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar hetNoordeindeom Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen.”“Voorzeker,” antwoordde De Witt. “Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen6. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does, uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer vanNaaldwijk, Oud-burgemeester en Raad van de stadDordrecht, Gillis Valkenier, Burgemeester en Raad vanAmsterdam, Nanning Foreest, Raad en Meester van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap teAlkmaaren—mijn persoon....”“Ook Uwe Edelheid?” hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.“Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?”“Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik.”“En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable7middelen onder Gods genadigen zegen voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, privilegiën en maximen van dezen staat.”Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide:“Alzoo hebben de Heeren Staten vanHollandmij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot....”“Tot kind van den Staat,” voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten.“Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, “Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken.”“Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,” zeide De Witt. “Men moet leeren zich in de omstandigheden te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de Heeren Staten.”“Betreffende deze zaak?” vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot “kind van den Staat” een benoeming gevoegd was.“Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan deninvloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden veranderd.”“Hoe, mijnheer De Witt!” riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. “Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!”“Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,” ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, “de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren.”“Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide deze driftig. “De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe.”“En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zultwelvertrekken, mijnheer Van Zuijlestein.”“Maar, mijnheer De Witt!” zeide de Prins smeekend. “De Staten zullen mij toch wel niet vanalmijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat.”“Dat is onmogelijk,” hernam De Witt.—“De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde vanGelderland.”“Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden,” hernam de Prins.”’t Zal Uwe Hoogheid weinig baten,” hervatte De Witt. “Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen.”En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.“Groote God!” riep hij uit. “Ikkind van den Staat!Ikde ondergeschikte van De Witt!—Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mij weg!—Maar!” hernam hij opstaande en met plechtigen ernst de vuist ballende: “wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar zal misschien nog eens een tijd komen, dat hetKind van den Staatu allen totkinderen van den Prince van Oranjemaakt8.”Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen:op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.Wij verlaten nuDen Haag, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bijTexellag. ’t Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. ’t Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas,methunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;—ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men allemogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben.“Ziet gij daar,” zeide Pieter, “dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid.”“Waar?” zeide Engel. “O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?”“Ik ken hem niet,” antwoordde Pieter.“Dan zal het de Heer van Gendt zijn,” zeide Engel, “die eerst sedert kort tot ’s Prinsen goeverneur is benoemd. InAmsterdamheb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen.”“Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,” zeide Klaas Dirkz. “Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten.”En waarlijk praaiden de beide jachten “de Zeven Provinciën,” waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.“Behoedzaam, neefje!” zeide de eerste tot den Prins. “Doebist hier nicht op dasPinnenhofof op das hof vonPrandweich, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe.”“Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd,” antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op het dek zette. “Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!”“Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht,” zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.“Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen,” hernam de Prins. “Zij zijn goed geoefend.”“Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid,” hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen gereed stonden.Zij werden gevolgd door den Keurvorst vanBrandenburg, door de Vorsten vanHolsteinenAnhalt, door den Prins van Nassau, de graven vanSolms,DhonaenHoorne, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:“Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken.”“O, volgaarne! Wij nemen het aan!”Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingennog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk “leve de Prins vanOranje!” en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: “leve de Prins vanOranje!”Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naarDen Helder, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten.Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten vleesch voorhanden was.“Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen,” zeide de Keurvorst vanBrandenburgtegen De Ruyter.“Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben,” antwoordde deze. “Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want ik word zoo kwalijk.”“En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden,” merkte de vorst Van Anhalt aan.“Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir’s nicht vermeugen?” vraagde de Keurvorst.“Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden,” zeide De Ruyter. “Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer.”“Ich denke,” zeide de graaf Van Solms, “dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft.”“En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter zee gefaren heeft,” meende de Vorst Van Holstein. “Gij vergeet, dassDordrecht, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist.”“Uwe Hoogheid vergist zich,” zeide De Witt glimlachend. “De stadDordrechtdrijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op deMoerdijkgeweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!”“Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!” riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden.“Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken,” zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijnerbedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.“Was ist das?” riep de vorst Van Anhalt uit. “Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen zeesjlag bij te wonen.”“Dien zal Uwe Hoogheid zien,” antwoordde De Ruyter. “Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen.”“Bravo! bravo!” juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten “’t Hert” onder kapitein Pieter van Wijnbergen en “Zwolle” onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen.De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.“Mijnheer de Luitenant-admiraal,” begon hij, “Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?”“Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?”“Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?”“Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder zijn matrozenbuis steekt.”“Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt.” En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter opHondsholredijken op het veldijs gebeurd was.“Inderdaad—dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor zeeman in de wieg is gelegd.”“Ik zou hem gaarne eens zien,” hernam de Prins. “Ik heb al naar hem rondgekeken.”De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen.“Je bent groot geworden, Pieter,” zeide de Prins. “Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?”“Achttien jaren, Uwe Hoogheid,” antwoordde Pieter.“Dan ben je mij vooruit,” hervatte de Prins. “En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is.”“Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!” zeide Pieter.“Daarin heb je gelijk,” antwoordde de Prins. “En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?”“Hij is springlevend,” antwoordde Pieter. “Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?”Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep.“Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter,” gaf hij ten antwoord. “Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd.”Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (ƒ 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in.1Zie Bladz.88.2Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in hetNoordeinde.3De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat inBergen op Zoomlag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.4Leiding.5Grondregels of instellingen.6Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2dentot den 15denApril vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.7Krachtige.8Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: “De geachte spreker meent te maken van den Prins eenkind van den Staat. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn eenkind van den Prins.”
Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op den 2denApril 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op hetBinnenhof, waar wij hem reeds eenmaal1hebben aangetroffen. Ik behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet, den vader van ’s Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht, zich bij den haard te schikken.
“Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen,” begon de grijsaard. “Ik vond het echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had.”
“Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, “voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten.”
“Men heeft U teAmsterdamluisterrijk ontvangen, naar ik hoor,” hernam Heenvliet.
“Ik zalAmsterdamroemen,” gaf de Prins ten antwoord. “De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht.”
“En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan,” ging Heenvliet voort.
“Zoo, mijnheer Van Heenvliet,” antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. “Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel.”
“En met de staatkunde,” voegde Heenvliet er stekelig bij. “En hoe heeft Uwe Hoogheid het teRotterdamgehad?”
“Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst.”
“Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak.”
“Dat heb ik gemerkt,” antwoordde de Prins weder heel onnoozel, “want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke oesterpartijen.”
“Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet.”
“O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier inDen Haagaltijd zooveel volk om mijn karos zien.”
“Geen wonder, Uwe Hoogheid,” gaf Heenvliet ten antwoord. “Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minderUwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst vanBrandenburg, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen.”
“En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van anderen moest steken.”
“En dan,” merkte Zuijlestein aan. “En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins vanTarentetot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt.”
“Daar heeftZeelanddan ook dapper tegen geijverd,” hernam Heenvliet.
“En wat heeft hetZeelandgeholpen?” vraagde Zuijlestein. “Het antwoord, datHollandgegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil.”
“OmdatHollandmij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben,” zeide de Prins op scherpen toon. “Zij hebben gelijk, de Heeren Staten,” vervolgde hij schijnbaar luchthartig. “Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het krijgswezen doen?”
“En dan uwe voorouders Prins!” riep Heenvliet uit. “Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet zich laten kennen, en een oproeping....”
“Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij doen wat zij willen—ikwilvan hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?”
“Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid,”antwoordde Heenvliet. “Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?”
“Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.—Gij zijt immers ook een kenner?”
De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:
“Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof vanBrandwijk2is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?”
“Met de Prinses-weduwe!” riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk.
“Zooals ik u zeide,” antwoordde de ritmeester. “En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid nogmaals aan het Hof vanBrandwijkaangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht.”
“En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!” riep Heenvliet uit. “Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?”
“De Heer De Witt zal wel moeten toegeven,” zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. “Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn.”
“En dan”—hervatte Heenvliet triomfeerend. “Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan—dan maken wij vrede metEngeland.... en....”
“Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien,” hernam de Prins bedaard.
“Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur,” antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten bezette horloge uit den zak haalde. “Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen.”
“Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet,” zeide de Prins. “Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie.”
De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.
“Hij moet zeker naar de “Oude Zwaen,” dat hij zoo’n haast maakt,” zeide Boreel glimlachend. “Daar zal hem wel de een of andere vriend met het verkeerbord wachten.”
“Zoudt gij het denken?” vraagde de Prins.
“Voorzeker, Uwe Hoogheid,” zeide Buat. “De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de “Oude Zwaen.” Men kan hem daar alle dagen vinden.”
“Ziedaar het voorrecht van hen, die in hetNoordeindewonen,” zeide de Prins. “Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof vanBrandwijkkomen, maar weten ook, wie de “Oude Zwaen” bezoeken.”
“Met uw verlof, Uwe Hoogheid,” hernam Boreel. “Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet.”
“En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?” vraagde Zuijlestein.
“Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein,” antwoordde de Prins. “Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien.”
“De Raadpensionaris is voorzichtig,” merkte Boreel aan. “Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken.”
“Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn,” hervatte Buat. “En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder in actieven dienst3te treden.”
“Beste Buat,” zeide de Prins. “Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is.”
Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?—En toch—wanneer gij in dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,—een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.
Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.
“Goede tijding, Willem!” fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. “Ik wensch u geluk met uwe benoeming.”
“Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem,” zeide Buat.
Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.
“Ik heb mij gehaast,” begon de Raadpensionaris, “U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe.”
’s Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht bij den schoorsteen staan.
“Een verzoek van mijne geachte grootmoeder,” zeide de Prins. “Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?”
De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.
“Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten overHollandenWest-Friesland, het verzoek herhaald, reeds in 1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder staatsdirectie en conduite4te mogen verkrijgen die onderwijzing, door welke zij de rechten en de maximen5dezer Republiek grondig zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen.”
Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.
“En heeft mijne grootmoederdatverzoek herhaald?” vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt.
“Wie anders dan zij?” vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide:
“Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar hetNoordeindeom Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen.”
“Voorzeker,” antwoordde De Witt. “Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen6. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does, uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer vanNaaldwijk, Oud-burgemeester en Raad van de stadDordrecht, Gillis Valkenier, Burgemeester en Raad vanAmsterdam, Nanning Foreest, Raad en Meester van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap teAlkmaaren—mijn persoon....”
“Ook Uwe Edelheid?” hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.
“Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?”
“Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik.”
“En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable7middelen onder Gods genadigen zegen voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, privilegiën en maximen van dezen staat.”
Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide:
“Alzoo hebben de Heeren Staten vanHollandmij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot....”
“Tot kind van den Staat,” voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten.
“Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, “Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken.”
“Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,” zeide De Witt. “Men moet leeren zich in de omstandigheden te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de Heeren Staten.”
“Betreffende deze zaak?” vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot “kind van den Staat” een benoeming gevoegd was.
“Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan deninvloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden veranderd.”
“Hoe, mijnheer De Witt!” riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. “Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!”
“Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,” ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, “de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren.”
“Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,” zeide deze driftig. “De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe.”
“En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zultwelvertrekken, mijnheer Van Zuijlestein.”
“Maar, mijnheer De Witt!” zeide de Prins smeekend. “De Staten zullen mij toch wel niet vanalmijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat.”
“Dat is onmogelijk,” hernam De Witt.—“De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde vanGelderland.”
“Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden,” hernam de Prins.
”’t Zal Uwe Hoogheid weinig baten,” hervatte De Witt. “Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen.”
En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.
“Groote God!” riep hij uit. “Ikkind van den Staat!Ikde ondergeschikte van De Witt!—Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mij weg!—Maar!” hernam hij opstaande en met plechtigen ernst de vuist ballende: “wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar zal misschien nog eens een tijd komen, dat hetKind van den Staatu allen totkinderen van den Prince van Oranjemaakt8.”
Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen:op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.
Wij verlaten nuDen Haag, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bijTexellag. ’t Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. ’t Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas,methunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;—ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men allemogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.
Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben.
“Ziet gij daar,” zeide Pieter, “dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid.”
“Waar?” zeide Engel. “O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?”
“Ik ken hem niet,” antwoordde Pieter.
“Dan zal het de Heer van Gendt zijn,” zeide Engel, “die eerst sedert kort tot ’s Prinsen goeverneur is benoemd. InAmsterdamheb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen.”
“Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,” zeide Klaas Dirkz. “Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten.”
En waarlijk praaiden de beide jachten “de Zeven Provinciën,” waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.
“Behoedzaam, neefje!” zeide de eerste tot den Prins. “Doebist hier nicht op dasPinnenhofof op das hof vonPrandweich, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe.”
“Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd,” antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op het dek zette. “Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!”
“Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht,” zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.
“Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen,” hernam de Prins. “Zij zijn goed geoefend.”
“Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid,” hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen gereed stonden.
Zij werden gevolgd door den Keurvorst vanBrandenburg, door de Vorsten vanHolsteinenAnhalt, door den Prins van Nassau, de graven vanSolms,DhonaenHoorne, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:
“Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken.”
“O, volgaarne! Wij nemen het aan!”
Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingennog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk “leve de Prins vanOranje!” en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: “leve de Prins vanOranje!”Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naarDen Helder, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten.
Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten vleesch voorhanden was.
“Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen,” zeide de Keurvorst vanBrandenburgtegen De Ruyter.
“Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben,” antwoordde deze. “Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want ik word zoo kwalijk.”
“En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden,” merkte de vorst Van Anhalt aan.
“Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir’s nicht vermeugen?” vraagde de Keurvorst.
“Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden,” zeide De Ruyter. “Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer.”
“Ich denke,” zeide de graaf Van Solms, “dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft.”
“En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter zee gefaren heeft,” meende de Vorst Van Holstein. “Gij vergeet, dassDordrecht, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist.”
“Uwe Hoogheid vergist zich,” zeide De Witt glimlachend. “De stadDordrechtdrijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op deMoerdijkgeweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!”
“Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!” riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden.
“Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken,” zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijnerbedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.
“Was ist das?” riep de vorst Van Anhalt uit. “Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen zeesjlag bij te wonen.”
“Dien zal Uwe Hoogheid zien,” antwoordde De Ruyter. “Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen.”
“Bravo! bravo!” juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.
Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten “’t Hert” onder kapitein Pieter van Wijnbergen en “Zwolle” onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen.
De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.
“Mijnheer de Luitenant-admiraal,” begon hij, “Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?”
“Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?”
“Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?”
“Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder zijn matrozenbuis steekt.”
“Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt.” En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter opHondsholredijken op het veldijs gebeurd was.
“Inderdaad—dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor zeeman in de wieg is gelegd.”
“Ik zou hem gaarne eens zien,” hernam de Prins. “Ik heb al naar hem rondgekeken.”
De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen.
“Je bent groot geworden, Pieter,” zeide de Prins. “Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?”
“Achttien jaren, Uwe Hoogheid,” antwoordde Pieter.
“Dan ben je mij vooruit,” hervatte de Prins. “En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is.”
“Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!” zeide Pieter.
“Daarin heb je gelijk,” antwoordde de Prins. “En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?”
“Hij is springlevend,” antwoordde Pieter. “Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?”
Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep.
“Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter,” gaf hij ten antwoord. “Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd.”
Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (ƒ 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in.
1Zie Bladz.88.2Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in hetNoordeinde.3De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat inBergen op Zoomlag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.4Leiding.5Grondregels of instellingen.6Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2dentot den 15denApril vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.7Krachtige.8Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: “De geachte spreker meent te maken van den Prins eenkind van den Staat. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn eenkind van den Prins.”
1Zie Bladz.88.
2Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in hetNoordeinde.
3De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat inBergen op Zoomlag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.
4Leiding.
5Grondregels of instellingen.
6Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2dentot den 15denApril vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.
7Krachtige.
8Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: “De geachte spreker meent te maken van den Prins eenkind van den Staat. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn eenkind van den Prins.”
Dertiende Hoofdstuk.Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden, dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.—Ja, een vierdaagsche zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel duizenden kartouwen1; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen De Ruyters groote stengwas afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden: “zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?”Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter Bldz. 478—494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den vierden dag debloedvlagliet hijschen, tot sein om allen te gelijk op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude kerk teAmsterdamziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naarEngelandgezonden, over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks 800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000, die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4denen 5denAugustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en denzelfden Monk, hertog vanAlbemarle, die de Engelsche vloot in den vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd was bijgewoond door vierFransche edelen, die op ’s Lands vloot waren gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, Prins vanMonaco, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander in volle zee tusschenDuinkerkenenNoordvoorland. De voorhoede begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringevloot niet meer bestand was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht met hem zou vereenigen.Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, maar geen Tromp.“Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord,” zeide hij tot Klaas Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.“Hemelsche Vader!” riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij zijn geliefden oom neerwierp. “Oom! Oom!”“Ik sterf,” zeide de stuurman met een flauwe stem. “De Engelschman heeft mij doodelijk gekwetst.”“Gij zult niet sterven, oom!” zeide Pieter.“Vlei je niet, mijn beste jongen,” hernam Klaas Dirksz gebroken. “Tegen den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De Ruyter...”Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide, te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.“Dood! Arme oom Klaas, dood!” riep Pieter uit, terwijl hij zich als wanhopig op het lijk wierp.“Pieter!” klonk eensklaps een stem naast hem. “Is de stuurman dood?”“Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?”“Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem raadplegen. “Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes,” riep hij uit, toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, “wat zullen wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie, welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren omringt, en wij—wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat zullen wij doen?” “Wat wij moeten doen,” antwoordde Van Nes, “tegen de overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende te verweren.”—“Gij hebt gelijk, Van Nes,” antwoordde vader. “Daar is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, dat ik dood was!”“Zei uw vader dat?” zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. “En wat zeide de Luitenant-admiraal?”“Ik wou het ook wel,” antwoordde Van Nes, “maar men sterft niet, wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven tot mijn laatsten ademtocht.” Dit zeggende, stonden mijn vader en hij op, en—nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, waar zij gezeten hadden!”“Wonderbaar behoud!” riep Pieter uit. “En is Tromp nog niet in het gezicht?”“Nergens te zien,” hernam Jonker Engel. “Maar ik moet weer naar boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman te zien.”“Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippenis gestorven en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden Admiraal heeft gegeven.”“Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg te vinden.”“Dat zou ik meenen,” zeide Pieter. “Maar ik was liever boven, om den dood mijns ooms op die Engelschen te wreken.”“Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!”“God behoede je en je dapperen vader!” zeide Pieter, terwijl hij Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas Dirksz over te brengen.Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende, terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks ’s morgens negen uren kregen zijWestkapellein het gezicht. De Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag zond hij een brander op hem af, die “De zeven Provinciën” zoo na kwam, dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. “Hoe ben ik dan toch zoo ongelukkig?” riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast hem stond. “Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt!”—“Vader!” zeide De Witte, “hoe kunt ge zoo moedeloos zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de vijanden en sterven wij den heldendood!” Deze taal werkte; De Ruyter zag het verkeerde daarvan in. “Witte,” zeide hij, “gij weet niet, wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men het werk hervatten.” Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven vanVlissingenbinnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan; want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, toen De Ruyter hem toevoegde:“Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven ben? Inderdaad—het heeft aan U niet gelegen; integendeel—gij hebt dapper uw best gedaan, om mij met ’s lands vloot in handen der Engelschen te leveren.”“Ik, Admiraal?” vraagde Tromp verbaasd. “Of meent Uwe Edelheid soms, dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?”“Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp,” zeide De Ruyter, “zou ik u gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?”“Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters de Heeren Staten zijn,” zeide Tromp trotsch.“Daar zult gij gelegenheid toe hebben,” hernam De Ruyter. “Ik heb Hunne Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!”“Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet,” antwoordde de laatste. “Wijhebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest.”Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.“Hadt gij U even goed gekweten, als wij,” zeide hij, “dan zouden wij de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu inLondenals krijgsgevangene.”“Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,” hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. “Zooals gij gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over ons oordeelen. Wat mij aangaat,—ik schroom het oordeel van mijne meesters niet.”“Ik ook niet,” hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord verliet. “Ofschoon,” mompelde hij half verstaanbaar, “de lieveling wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis achterstaan!”Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een aan de Staten-Generaal en een aan de Staten vanHolland, waarin hij, op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief zeide, “dat—indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een schelm moest worden uit gekreten—hij zijn ontslag verzocht, daar het thans geen tijd was, om schelmentegebruiken.”Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, vooral bij de Staten vanHolland, verwekte. Daarbij kwam nog, dat de Heer Kievit, gecommitteerde Raad vanRotterdam(uit den mond van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende) een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en verspreiden. Hierover door de Staten vanHollandter verantwoording geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de schuld lagdoch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer gehechte scheepsvolk.Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat hij het aanbod, hem door d’Estrades, den Franschen gezant, gedaan om tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal vanHollandbenoemd Willem Jozef Van Gent.Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk was zijne geheele familie naarVlissingengekomen, om den dierbaren man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den 13denSeptember haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan op den 24stenAugustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige bezigheden te lenigen.Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar ’s-Gravenhage, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd “de kamer van educatie.” Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer, aan beide zijden met ramen voorzien.Naast de deur, die in een hoek is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo’s en octavo’s, lager de kwarto’s en onderaan de folianten. Tegenover dezen muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een atlas vanBlaeuw2, eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker, eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is “de kamer van educatie,” waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens onderzoek te doen naar zijne vorderingen.Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in 1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met geen beter gevolg.Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.“Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim,” begint hij. “Eilacy, is zij boos op die onschuldige boeken?”“Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?” antwoordt de Prins, “Vergeef mij, dat ik U tegenspreek—ik was knorrig op mij zelf.”“Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden,” herneemt De Witt lachend. “In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De onschuldigen moeten het gelag betalen.”“Gelukkig dat die boeken het niet voelen,” zegt de Prins. “Maar ik zou mij wel voor het hoofd willen slaan.”“Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!” vermaant De Witt. “Dan zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.—Doch vertel mij, wat is de oorzaak van uwe ontevredenheid met U zelf?”“Ach mijnheer De Witt!” klaagt de Prins. “Ik ben zoo dom...”“Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?”“In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten denken over deze opgaven. Zie, ikkanze niet vatten.”“Doodeenvoudige voorstellen,” hervat De Witt, nadat hij ze gelezen heeft. “Kom hier,” vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat zitten. “Ik zal ze U eens voorrekenen.” En terwijl hij den Prins de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige minuten opgelost.“Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak der wereld is?”“Voor uwe Edelheid, ja,” antwoordt de Prins. “Maar voor een zwak hoofd als het mijne....”“Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan.”“Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn.”De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.“Komaan,” zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. “Schrijf dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen.”De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem voorzegt3.“Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts 30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen.”De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.“Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt.”“En hoe zult gij dat doen?”De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.“Zeer goed,” zegt De Witt. “En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu zoo vlug in het oplossen is?”“Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo’n vervelend wezen is als de makers van die cijferboekjes,” antwoordt de Prins, “en dus zijn uwe opgaven ook niet zoo droog en zoo saai.”“Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden4begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en vijftig duizendste deelen.”De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)en volgens Franciscus van Schooten (1660):16358 (3)want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de geheelen van de deelen te scheiden.“Zeer goed,” hervat De Witt. “Ik zie tot mijn contentement, dat gij beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?”“Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)1390430 (6)of eenvoudiger:139043 (5)”.“Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft eene “ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen.” Doch nu gaan wij verder.”Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en wilde vertrekken.“Een oogenblik, mijnheer De Witt,” zeide de Prins. “Ik had U nog wat te verzoeken.”“Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij genoegen doen, U uw verzoek toe te staan.”“Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid,” hernam de Prins. “Uwe Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter.”De Witt dacht een oogenblik na.“O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe gunst te deelen.”“Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,” vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, “dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter.”“Wien deze aanbeveelt,” hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen had, “is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar, waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?”“Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas Dirksz, den stuurman van “De zeven Provinciën,” die, op den 5denAugustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben doen opvatten.”“Het getuigt weinig voor zijn moed,” hernam de Raadpensionaris eenigszins schamper.“Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen.”“Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen ontslaan?”“Hij behoorde tot de vrijwilligers vanDelfzijl,” hernam de Prins, “en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen.”“Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,” hernam De Witt. “Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen.”“Zeelandis mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,” hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden werden gesproken, niet opgemerkt. “Ik zal dus volgens uw raad handelen. Doch nog iets. De ridder Buat....”Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.“De ridder Buat,” vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de verandering in De Witts trekken te bemerken, “is door u beschuldigd van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen.”“Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben geen Fiskaal.”“Toch op uw bevel, mijnheer De Witt.”“Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, heer Van Buat, is een landverrader.”“Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, door U met een geheime correspondentie metEngelandbelast, en die misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie bij te voegen.”“Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde,” zeide De Witt scherp. “Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft medegedeeld?”“Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheelDen Haagweet?” hernam de Prins. “Of zou Uwe Edelheid meenen, dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet.”“Voleindig uwen volzin, Prins,” hernam De Witt.“Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, totdat....”De Prins zweeg. De Witt vervolgde:“Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van U te verwijderen, die met den vijand heult.”“Dus geen genade voor den onvoorzichtige.”“Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te verleenen,” hernam De Witt koel. “En wat mijn voorspraak betreft, die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister wel,” hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn doordringende oogen scherp aanzag. “De Heeren Staten zijn voornemens, om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, streng te straffen, en uwe partij wordt stout—te stout, om langer het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven, dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze partijzucht blijve.”Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupilaan zijne overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon, die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien terstond bij hem te brengen.“Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid,” zeide deze.“Breng hem dan onmiddellijk hier,” hernam de Prins.1Kanonnen.2Guillaume Blaeuw, 1571–1638.—J.H.3De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.4Tiendeelige breuken.
Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden, dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.—Ja, een vierdaagsche zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel duizenden kartouwen1; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen De Ruyters groote stengwas afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden: “zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?”
Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter Bldz. 478—494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den vierden dag debloedvlagliet hijschen, tot sein om allen te gelijk op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude kerk teAmsterdamziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naarEngelandgezonden, over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks 800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000, die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.
Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4denen 5denAugustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en denzelfden Monk, hertog vanAlbemarle, die de Engelsche vloot in den vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd was bijgewoond door vierFransche edelen, die op ’s Lands vloot waren gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, Prins vanMonaco, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.
Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander in volle zee tusschenDuinkerkenenNoordvoorland. De voorhoede begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringevloot niet meer bestand was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht met hem zou vereenigen.
Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, maar geen Tromp.
“Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord,” zeide hij tot Klaas Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.
“Hemelsche Vader!” riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij zijn geliefden oom neerwierp. “Oom! Oom!”
“Ik sterf,” zeide de stuurman met een flauwe stem. “De Engelschman heeft mij doodelijk gekwetst.”
“Gij zult niet sterven, oom!” zeide Pieter.
“Vlei je niet, mijn beste jongen,” hernam Klaas Dirksz gebroken. “Tegen den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De Ruyter...”
Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide, te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.
“Dood! Arme oom Klaas, dood!” riep Pieter uit, terwijl hij zich als wanhopig op het lijk wierp.
“Pieter!” klonk eensklaps een stem naast hem. “Is de stuurman dood?”
“Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?”
“Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem raadplegen. “Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes,” riep hij uit, toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, “wat zullen wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie, welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren omringt, en wij—wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat zullen wij doen?” “Wat wij moeten doen,” antwoordde Van Nes, “tegen de overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende te verweren.”—“Gij hebt gelijk, Van Nes,” antwoordde vader. “Daar is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, dat ik dood was!”
“Zei uw vader dat?” zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. “En wat zeide de Luitenant-admiraal?”
“Ik wou het ook wel,” antwoordde Van Nes, “maar men sterft niet, wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven tot mijn laatsten ademtocht.” Dit zeggende, stonden mijn vader en hij op, en—nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, waar zij gezeten hadden!”
“Wonderbaar behoud!” riep Pieter uit. “En is Tromp nog niet in het gezicht?”
“Nergens te zien,” hernam Jonker Engel. “Maar ik moet weer naar boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman te zien.”
“Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippenis gestorven en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden Admiraal heeft gegeven.”
“Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg te vinden.”
“Dat zou ik meenen,” zeide Pieter. “Maar ik was liever boven, om den dood mijns ooms op die Engelschen te wreken.”
“Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!”
“God behoede je en je dapperen vader!” zeide Pieter, terwijl hij Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas Dirksz over te brengen.
Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende, terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks ’s morgens negen uren kregen zijWestkapellein het gezicht. De Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag zond hij een brander op hem af, die “De zeven Provinciën” zoo na kwam, dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.
Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. “Hoe ben ik dan toch zoo ongelukkig?” riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast hem stond. “Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt!”—“Vader!” zeide De Witte, “hoe kunt ge zoo moedeloos zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de vijanden en sterven wij den heldendood!” Deze taal werkte; De Ruyter zag het verkeerde daarvan in. “Witte,” zeide hij, “gij weet niet, wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men het werk hervatten.” Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.
Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven vanVlissingenbinnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan; want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, toen De Ruyter hem toevoegde:
“Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven ben? Inderdaad—het heeft aan U niet gelegen; integendeel—gij hebt dapper uw best gedaan, om mij met ’s lands vloot in handen der Engelschen te leveren.”
“Ik, Admiraal?” vraagde Tromp verbaasd. “Of meent Uwe Edelheid soms, dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?”
“Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp,” zeide De Ruyter, “zou ik u gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?”
“Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters de Heeren Staten zijn,” zeide Tromp trotsch.
“Daar zult gij gelegenheid toe hebben,” hernam De Ruyter. “Ik heb Hunne Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!”
“Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet,” antwoordde de laatste. “Wijhebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest.”
Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.
“Hadt gij U even goed gekweten, als wij,” zeide hij, “dan zouden wij de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu inLondenals krijgsgevangene.”
“Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,” hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. “Zooals gij gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over ons oordeelen. Wat mij aangaat,—ik schroom het oordeel van mijne meesters niet.”
“Ik ook niet,” hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord verliet. “Ofschoon,” mompelde hij half verstaanbaar, “de lieveling wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis achterstaan!”
Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een aan de Staten-Generaal en een aan de Staten vanHolland, waarin hij, op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief zeide, “dat—indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een schelm moest worden uit gekreten—hij zijn ontslag verzocht, daar het thans geen tijd was, om schelmentegebruiken.”
Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, vooral bij de Staten vanHolland, verwekte. Daarbij kwam nog, dat de Heer Kievit, gecommitteerde Raad vanRotterdam(uit den mond van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende) een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en verspreiden. Hierover door de Staten vanHollandter verantwoording geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de schuld lagdoch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer gehechte scheepsvolk.
Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat hij het aanbod, hem door d’Estrades, den Franschen gezant, gedaan om tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal vanHollandbenoemd Willem Jozef Van Gent.
Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk was zijne geheele familie naarVlissingengekomen, om den dierbaren man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den 13denSeptember haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan op den 24stenAugustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige bezigheden te lenigen.
Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar ’s-Gravenhage, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd “de kamer van educatie.” Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer, aan beide zijden met ramen voorzien.Naast de deur, die in een hoek is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo’s en octavo’s, lager de kwarto’s en onderaan de folianten. Tegenover dezen muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een atlas vanBlaeuw2, eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker, eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is “de kamer van educatie,” waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens onderzoek te doen naar zijne vorderingen.
Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in 1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met geen beter gevolg.
Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.
“Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim,” begint hij. “Eilacy, is zij boos op die onschuldige boeken?”
“Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?” antwoordt de Prins, “Vergeef mij, dat ik U tegenspreek—ik was knorrig op mij zelf.”
“Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden,” herneemt De Witt lachend. “In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De onschuldigen moeten het gelag betalen.”
“Gelukkig dat die boeken het niet voelen,” zegt de Prins. “Maar ik zou mij wel voor het hoofd willen slaan.”
“Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!” vermaant De Witt. “Dan zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.—Doch vertel mij, wat is de oorzaak van uwe ontevredenheid met U zelf?”
“Ach mijnheer De Witt!” klaagt de Prins. “Ik ben zoo dom...”
“Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?”
“In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten denken over deze opgaven. Zie, ikkanze niet vatten.”
“Doodeenvoudige voorstellen,” hervat De Witt, nadat hij ze gelezen heeft. “Kom hier,” vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat zitten. “Ik zal ze U eens voorrekenen.” En terwijl hij den Prins de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige minuten opgelost.
“Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak der wereld is?”
“Voor uwe Edelheid, ja,” antwoordt de Prins. “Maar voor een zwak hoofd als het mijne....”
“Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan.”
“Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn.”
De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.
“Komaan,” zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. “Schrijf dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen.”
De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem voorzegt3.
“Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts 30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen.”
De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.
“Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt.”
“En hoe zult gij dat doen?”
De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.
“Zeer goed,” zegt De Witt. “En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu zoo vlug in het oplossen is?”
“Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo’n vervelend wezen is als de makers van die cijferboekjes,” antwoordt de Prins, “en dus zijn uwe opgaven ook niet zoo droog en zoo saai.”
“Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden4begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en vijftig duizendste deelen.”
De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;
16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)
en volgens Franciscus van Schooten (1660):
16358 (3)
want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de geheelen van de deelen te scheiden.
“Zeer goed,” hervat De Witt. “Ik zie tot mijn contentement, dat gij beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?”
“Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)
1390430 (6)
of eenvoudiger:
139043 (5)”.
“Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft eene “ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen.” Doch nu gaan wij verder.”
Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.
De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en wilde vertrekken.
“Een oogenblik, mijnheer De Witt,” zeide de Prins. “Ik had U nog wat te verzoeken.”
“Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij genoegen doen, U uw verzoek toe te staan.”
“Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid,” hernam de Prins. “Uwe Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter.”
De Witt dacht een oogenblik na.
“O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe gunst te deelen.”
“Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,” vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, “dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter.”
“Wien deze aanbeveelt,” hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen had, “is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar, waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?”
“Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas Dirksz, den stuurman van “De zeven Provinciën,” die, op den 5denAugustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben doen opvatten.”
“Het getuigt weinig voor zijn moed,” hernam de Raadpensionaris eenigszins schamper.
“Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen.”
“Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen ontslaan?”
“Hij behoorde tot de vrijwilligers vanDelfzijl,” hernam de Prins, “en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen.”
“Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,” hernam De Witt. “Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen.”
“Zeelandis mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,” hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden werden gesproken, niet opgemerkt. “Ik zal dus volgens uw raad handelen. Doch nog iets. De ridder Buat....”
Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.
“De ridder Buat,” vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de verandering in De Witts trekken te bemerken, “is door u beschuldigd van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen.”
“Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben geen Fiskaal.”
“Toch op uw bevel, mijnheer De Witt.”
“Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, heer Van Buat, is een landverrader.”
“Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, door U met een geheime correspondentie metEngelandbelast, en die misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie bij te voegen.”
“Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde,” zeide De Witt scherp. “Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft medegedeeld?”
“Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheelDen Haagweet?” hernam de Prins. “Of zou Uwe Edelheid meenen, dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet.”
“Voleindig uwen volzin, Prins,” hernam De Witt.
“Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, totdat....”
De Prins zweeg. De Witt vervolgde:
“Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van U te verwijderen, die met den vijand heult.”
“Dus geen genade voor den onvoorzichtige.”
“Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te verleenen,” hernam De Witt koel. “En wat mijn voorspraak betreft, die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister wel,” hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn doordringende oogen scherp aanzag. “De Heeren Staten zijn voornemens, om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, streng te straffen, en uwe partij wordt stout—te stout, om langer het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven, dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze partijzucht blijve.”
Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupilaan zijne overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon, die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien terstond bij hem te brengen.
“Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid,” zeide deze.
“Breng hem dan onmiddellijk hier,” hernam de Prins.
1Kanonnen.2Guillaume Blaeuw, 1571–1638.—J.H.3De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.4Tiendeelige breuken.
1Kanonnen.
2Guillaume Blaeuw, 1571–1638.—J.H.
3De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.
4Tiendeelige breuken.