Des nachts sliep ik in het huis van den eigenaar van een der salpetermijnen. Het land is hier even onvruchtbaar als bij de kust, maar door het graven van putten kan men water krijgen, dat eenigszins brak en bitter van smaak is. Daar er bijna geen regen valt, is het water blijkbaar niet hiervan afkomstig, want in dat geval moest het zoo zout als pekel zijn, omdat de geheele omtrek met eene korst van verschillende zoutachtige stoffen bedekt is. Wij moeten daaruit besluiten, dat, hoewel de Cordilleras vele mijlen verliggen, het water van daar af onder den grond is doorgezijpeld. In die richting liggen enkele dorpjes, waar de inwoners, in ’t bezit van wat meer water, eenig land kunnen besproeien en hooi verbouwen, waarmee zij de ezels en muildieren voeden, die bij het salpetervervoer gebruikt worden. Het natronsalpeter werd nu tot aan het schip verkocht voor veertien shillings de honderd pond; de hoofdonkosten komen op het vervoer er van naar de zeekust. De mijn bestaat uit eene harde, tusschen twee en drie voet dikke laag van het salpeterzure zout, vermengd met wat zwavelzure soda (Na2SO4) en zeer veel steenzout (NaCl). Het ligt dicht bij de oppervlakte, en volgt over eene lengte van honderd vijftig mijlen den rand eener groote dalkom of vlakte, die, naar hare grenzen te oordeelen, blijkbaar eens een meer moet zijn geweest, of, wat waarschijnlijker is, een landwaarts in zich uitstrekkende zeearm, gelijk uit de aanwezigheid van jodiumzouten in de zouthoudende laag zou mogen worden afgeleid.19 Juli.Wij ankerden in de Baai van Callao, de zeehaven van Lima, dat de hoofdstad van Peru is. Hier bleven wij zes weken; maar wegens de troebelen op staatkundig gebied, zag ik zeer weinig van het land. Tijdens den geheelen duur van ons bezoek was het klimaat op verre na zoo aangenaam niet, als meestal wordt voorgesteld. Eene donkere, zware wolkbank hing onafgebroken boven het land, zoodat ik gedurende de eerste zestien dagen slechts eens de Cordilleras achter Lima in ’t oog kreeg. De aanblik dezer bergen, zooals ik hen door openingen in de wolken in verdiepingen boven elkander zag, was zeer grootsch. Het is bijna spreekwoordelijk, dat in het lagere gedeelte van Peru nooit regen valt. Toch kan dit moeilijk juist zijn, want bijna elken dag van ons bezoek hing er een dikke, natte mist, wel in staat om de straten modderig en de kleêren vochtig te maken. Het volk belieft ditPeruaanschen dauwte noemen! Dat er niet heel veel regen valt, is zeer zeker; want de huizen zijn slechts met platte daken van geharde modder gedekt; en op den havendamwaren scheepsladingen tarwe opgestapeld, die zoo weken lang zonder eenige beschutting werden gelaten.Ik kan niet zeggen, dat het zeer weinige wat ik van Peru zag, mij beviel; doch men beweert, dat het klimaat des zomers veel aangenamer is. In alle jaargetijden lijden zoowel inwoners als vreemdelingen aan hevige aanvallen van koorts. Deze ziekte komt voor langs de geheele Peruaansche kust, maar is in het binnenland onbekend. De ziekte-aanvallen, die door smetstof ontstaan, zijn altijd hoogst geheimzinnig van aard. Het is zóó moeilijk uit het voorkomen van een land te beoordeelen of het al dan niet gezond is, dat, zoo men iemand gezegd had binnen de keerkringen een oord te kiezen, hetwelk voor de gezondheid gunstig leek, hij zeer waarschijnlijk deze kust genoemd zou hebben. De vlakte, welke het gebied van Callao omgeeft, is spaarzaam met grof gras bedekt; en op sommige punten zijn enkele, ofschoon zeer kleine plassen stilstaand water. Naar alle waarschijnlijkheid ontstaat daaruit de smetstof; want de stad Arica verkeerde in dezelfde omstandigheden, en door het droogleggen van enkele kleine plassen werd hare gezondheidstoestand zeer verbeterd. Miasma ontstaat niet altijd door den invloed van een heet klimaat op een weligen plantengroei; want vele gedeelten van Brazilië, zelfs die waar een krachtige plantengroei gepaard gaat met moerassen, zijn veel gezonder dan deze onvruchtbare kust van Peru. De dichtste wouden in eene gematigde luchtstreek, zooals op het eiland Chiloë, schijnen op den gezondheidstoestand der lucht niet den minsten invloed te hebben.Het eiland St.-Jago van de Kaap-Verdische Eilanden is een ander sterk sprekend voorbeeld van een land, dat naar ieders verwachting uitermate gezond moest zijn, maar zeer het tegendeel daarvan is. Bij den aanvang van dit boek heb ik gezegd, dat de kale en open vlakten gedurende eenige weken na het regenseizoen een lichten plantengroei bezitten, die onmiddellijk verwelkt en verdroogt; in dezen tijd schijnt de lucht geheel vergiftigd te worden, want dikwijls hebben zoowel inboorlingen als vreemdelingen van hevigekoortsen te lijden. Daarentegen is de Galápagos-Archipel, in den Stillen Oceaan met een dergelijken, periodiek aan hetzelfde plantengroei-proces onderworpen bodem, volmaakt gezond. Humboldt heeft opgemerkt, dat in de heete luchtstreek “de kleinste moerassen het gevaarlijkst zijn, wanneer zij, zooals te Vera Cruz en Carthagena, omringd zijn door een dorren zandgrond, die de temperatuur der omringende lucht doet stijgen.”17Op de kust van Peru is de temperatuur echter niet bijzonder hoog, en zijn misschien daardoor de intermitteerende koortsen niet van de boosaardigste soort. In alle ongezonde landen loopt men het grootste gevaar door op het strand te slapen. Is dit te wijten aan de gesteldheid van het lichaam gedurende den slaap, of aan eene grootere hoeveelheid smetstof op zulke tijden? Het schijnt een feit te wezen, dat zij die aan boord van een schip blijven, ook al ligt dit op slechts korten afstand van de kust voor anker, in ’t algemeen minder lijden, dan zij die op het strand zijn. Daarentegen heb ik een merkwaardig geval gehoord, dat er koorts uitbrak onder de bemanning van eenoorlogsschipop ongeveer honderd mijlen van de Afrikaansche kust, op denzelfden tijd toen te Sierra Leone een van de gevreesde sterfte-perioden begon.18Sedert de onafhankelijkheidsverklaring19heeft geen Staat in Zuid-Amerika meer van anarchie te lijden gehad, dan Peru. Tijdens ons bezoek streden vier aanvoerders gewapenderhand om de oppermacht in de regeering. Kreeg eenhunner voor eenigen tijd veel macht, dan spanden de anderen tegen hem samen; maar nauwelijks behaalden dezen de overwinning, of zij werden elkander weer vijandig. Den volgenden dag, op het Jaarfeest der Onafhankelijkheid, werd eene hoogmis gevierd, waarbij de president het sacrament gebruikte. Nu had onder hetTe Deum laudamushet ongehoorde feit plaats, dat elk regiment in stede van de Peruaansche vlag, eene zwarte vlag waarop een doodshoofd stond, ontplooide. Denk u eene regeering, waaronder bij zulk eene plechtige gelegenheid bevel kan worden gegeven tot eene vertooning, welke op zoo sprekende wijze getuigde van hunne vastbeslotenheid om zich dood te vechten! Deze staat van zaken heerschte op een voor mij zeer ongelukkigen tijd, daar ik verhinderd werd uitstapjes te doen ver buiten de grenzen der stad. Het kale eiland San Lorenzo, dat de haven vormt, was bijna de eenige plek waar men veilig kon rondloopen. Het bovendeel, ter hoogte van ongeveer 1000 voet, ligt gedurende dit jaargetijde (des winters) beneden de onderste wolkengrens; en dientengevolge bedekt een rijkdom van kryptogamen, benevens enkele bloemen den top. Op de heuvels bij Lima, waar de grond slechts weinig hooger is, vindt men dien bedekt met een tapijt van mos en bedden prachtige gele leliën,Amancaesgeheeten. Dit wijst op een veel hoogeren graad van vochtigheid, dan er heerscht op een gelijke hoogte te Iquique. Verder noordwaarts boven Lima wordt het klimaat vochtiger, totdat wij aan de oevers van Guayaquil (Ecuador), bijna onder den evenaar, de weligst begroeide wouden vinden. Volgens de beschrijving, echter, geschiedt deze overgang van de onvruchtbare Peruaansche kust tot dit vruchtbare land eenigszins plotseling op de breedte van Kaap Blanco, twee graden ten zuiden van Guayaquil.Callao is eene morsige, slecht gebouwde, kleine zeehaven. Zoowel hier, als te Lima, vertoonden de inwoners alle denkbare tinten van vermenging tusschen Europeesch, Neger en Indiaansch bloed. Zij schijnen een verbasterd, verloopen slag van menschen. De lucht is vervuld met kwade geuren,en die eigenaardige reuk, welke in bijna iedere stad binnen de keerkringen kan worden waargenomen, was hier zeer sterk. Het fort, dat het langdurige beleg van Lord Cochrane doorstond,20heeft een indrukwekkend voorkomen. Maar tijdens ons verblijf verkocht de president de koperen kanonnen, en begon enkele gedeelten te ontmantelen. Als reden daarvan werd opgegeven, dat hij geen officier had, dien hij het bevel over zulk een gewichtigen post kon toevertrouwen. Persoonlijk had hij alle redenen om zoo te denken, daar hij het presidentschap had verworven door muiterij te plegen terwijl hij commandant was van dezelfde vesting! Na ons vertrek uit Zuid-Amerika kreeg hij zijne straf op de gewone manier: door eerst te worden overwonnen, toen gevangen genomen, en eindelijk onthoofd.Lima ligt op eene vlaktemiddenin eene vallei, die gedurende het langzame wijken der zee gevormd is. Haar afstand tot Callao bedraagt zeven mijlen, en hare hoogte boven deze plaats 500 voet; maar wijl de glooiing zeer geleidelijk is, schijnt de weg volkomen horizontaal. Dit verklaart waarom men, te Lima gekomen, moeilijk zelfs kan gelooven dat men één honderd voet gestegen is. Humboldt heeft op dit eigenaardige, bedriegelijke feit gewezen. Steile, kale heuvels verrijzen als eilanden uit de vlakte, die door rechte modderbanken in groote, groene velden is verdeeld. Met uitzondering van enkele wilgen, en hier en daar eene groep banaan- en oranjeboomen, groeit op deze velden bijna geen enkele boom. De stad Lima verkeert nu in een treurigen staat van verval; de straten zijn bijna ongeplaveid, en in alle richtingen ontwaart men hoopen vuil, waaruit de zwartegallinazos, tam als kippen, stukken aas oppikken. De huizen hebben in ’t algemeen eene bovenverdieping, die om de aardbevingen van gepleisterd houtwerk is gemaakt; maar eenige oude, welke nu door verscheidene familiën bewoond worden, zijn verbazend groot en zouden in hunne rijen van vertrekken met de fraaiste huizen van elderskunnen wedijveren. Lima, de Stad der Koningen, moet weleer eene weelderige stad geweest zijn. Het bijzonder groot aantal kerken geeft haar, zelfs nog heden, een eigenaardig en treffend karakter, vooral wanneer men dit alles van nabij ziet.Op zekeren dag ging ik met eenige kooplieden in de onmiddellijke nabijheid der stad op jacht. Onze vangst was zeer karig; maar ik had gelegenheid de puinhoopen van een oud Indiaansch dorp te zien, met zijn grafheuvel, evenals een natuurlijke heuvel, in het midden. De overblijfsels der huizen, omheiningen, besproeiingskanalen en grafheuvels, welke over deze vlakte verspreid liggen, laten niet na den bezoeker een hoog denkbeeld te geven van de maatschappelijke welvaart en de talrijkheid der oude bevolking. Let men op hun aardewerk, wollen kleederen en sierlijk gevormd keukengereedschap van het hardste gesteente;op hunne koperen werktuigen, versieringen van edelgesteenten, hunne paleizen en waterleidingwerken—dan moet men wel eerbied koesteren voor de verbazende vorderingen, door hen in de beschavingskunsten gemaakt. De grafheuvels, Huacas genaamd, zijn inderdaad verbazingwekkend, al schijnen zij ook op sommige plaatsen natuurlijke heuvels te wezen, die afgestoken en vervormd zijn. Men vindt hier nog eene andere en zeer verschillende soort van ruïnen, welke eenige belangstelling verdienen, namelijk die van oud Callao, dat door eene zeegolf die de groote aardbeving van 28 October 1746 vergezelde, overstroomd werd.21De verwoesting moet toen zelfs nog grooter geweest zijn dan te Talcahuano. Hoopen grof keizand verbergen bijna de fundamenten der muren, en groote stukken metselwerk schijnenals kiezelsteenen door de golven rondgedraaid te zijn. Men heeft beweerd, dat het land tijdens deze gedenkwaardige aardbeving zonk (dat een deel der kust bij Callao in eene baai veranderde, zegt Lyell duidelijk in zijnePrinciples of Geology); maar hiervan kon ik geen bewijs ontdekken. Toch lijkt mij dit verre van onwaarschijnlijk; want sedert de stichting der oude stad moet de kust zeker eenige verandering ondergaan hebben, daar niemand, die bij zijn gezonde verstand is, vrijwillig de smalle strook zand tot woonplaats zou hebben gekozen, waarop nu de puinhoopen staan. Sedert onze reis, is Tschudi door vergelijking van oude en nieuwe kaarten tot de gevolgtrekking gekomen, dat de kust ten noorden en ten zuiden van Lima zonder twijfel gezonken is.Op het eiland San Lorenzo zijn zeer voldoende bewijzen van landrijzing in het hedendaagsche tijdperk—wat natuurlijk niet in strijd is met de meening, dat later eene kleine daling van den grond heeft plaats gehad. De zijde van het eiland tegenover de Baai van Callao is in drie onduidelijke terrassen uitgehold, waarvan het onderste eene mijl ver bedekt is met eene bedding of laag, bijna geheel uit schelpen bestaande, die tot 18 thans in de naburige zee levende soorten behooren. De hoogte dezer bedding bedraagt 85 voet. Vele van deze schelpen zijn ver weggeteerd, en zien er veel ouder en verweerder uit, dan die op 500 of 600 voet hoogte op de kust van Chili. Zij zijn vergezeld van veel steenzout, een weinig zwavelzure kalk (beiden vermoedelijk ontstaan door indroging en verdamping van het zeeschuim, terwijl het land langzaam rees), benevens zwavelzure soda en chloorcalcium (CaCl2). Zij rusten op brokstukken van den onderliggenden zandsteen, en zijn eenige inches dik met rotspuin bedekt. De hooger op dit terras liggende schelpen bleken, bij onderzoek, af te schilferen en vielen tot een fijn poeder uiteen. Eindelijk vond ik op een boventerras, ter hoogte van 170 voet, alsmede op eenige aanmerkelijk hoogere punten, eene laag zoutachtig poeder van volmaakt hetzelfde voorkomen, en betrekkelijk evenzoo gelegen. Ik twijfel nietof deze bovenlaag vormde oorspronkelijk eene bedding schelpen, evenals die op de 85 voet hooge klip; maar thans bezit zij geen spoor meer van organische structuur. De heer Reeks heeft het poeder voor mij onderzocht: het bestond uit sulphaten en chloriden van calcium en natrium, met zeer geringe bijmengsels van koolzure kalk. Het is bekend, dat groote hoeveelheden steenzout en koolzure kalk, eenigen tijd vermengd zijnde, elkander gedeeltelijk ontleden, wat echter met kleine opgeloste hoeveelheden niet gebeurt. Daar de half vergane schelpen in de lagere gedeelten vergezeld zijn van veel steenzout, benevens eenige van de zouthoudende stoffen die de zoutachtige bovenlaag vormen; daar verder deze schelpen op merkwaardige wijze verteerd en vervallen zijn, vermoed ik sterk, dat deze dubbele ontleding hier heeft plaats gehad. In dat geval moeten de resulteerende zouten zijn: koolzure soda en chloorcalcium, waarvan het laatste wèl, het eerste niet aanwezig is. Dit leidt mij tot de onderstelling, dat de koolzure soda door tot nu toe onverklaarbare werkingen in het zwavelzure zout wordt omgezet. Het is duidelijk, dat de zoutlaag niet bewaard had kunnen blijven in een land, waar nu en dan overvloedig regen valt; maar tevens is juist deze omstandigheid—namelijk, dat het steenzout niet is weggespoeld geworden—welke op het eerste gezicht zoo uiterst gunstig lijkt voor het langdurige behoud van onbeschutte schelpen, waarschijnlijk de zijdelingsche oorzaak geweest van hare ontbinding en vroegtijdig verval.Met zeer veel belangstelling vond ik, 85 voet hoog op het terras, eenige stukjes katoendraad, gevlochten bies, en den knop van een Indiaansch-hoornen stok: allesbedolventusschen de schelpen en velerlei afval, dat uit zee was aangespoeld. Ik vergeleek deze overblijfsels met andere van dien aard, welke uit deHuacasof oude Indiaansche grafheuvels waren opgedolven, en vond dat zij er eender uitzagen. Bij Bellavista, op het vasteland tegenover San Lorenzo, ligt eene uitgestrekte, effen en ongeveer honderd voet hooge vlakte, waarvan het benedengedeelte bestaat uitafwisselende lagen zand en onzuivere klei, benevens wat grint; terwijl de oppervlakte drie tot zes voet diep uit een roodachtig leem bestaat, met hier en daar enkele zeeschelpen, en verder talrijke kleine stukken grof rood aardewerk, welke op sommige plaatsen menigvuldiger zijn dan op andere. Eerst was ik geneigd te gelooven, dat deze bovenbedding wegens hare groote uitgestrektheid en effen oppervlakte onder de zee moest afgezet zijn; maar later vond ik eene plek, waar bleek, dat zij op een kunstvloer van ronde steenen lag. Het komt mij daarom hoogst waarschijnlijk voor, dat er in een tijd toen het land op lager peil stond, eene vlakte was, zeer gelijkend op die welke thans Callao omringt en, door een strand van grof grint beschermd, slechts zeer weinig boven den zeespiegel gerezen is. Ik stel mij voor, dat op deze vlakte met hare onderliggende roode-kleibeddingen de Indianen hunne aarden potten maakten; voorts, dat de zee gedurende eene hevige aardbeving over het strand sloeg en de vlakte in een tijdelijk meer veranderde, zooals in 1713 en 1746 rondom Callao gebeurde. Het water zou dan modder hebben afgezet, waarin stukken steengoed uit de pannenbakkerijen, die op sommige plekken talrijker waren dan op andere, vermengd met zeeschelpen. Deze bedding met haar fossiel aardewerk ligt op ongeveer dezelfde hoogte als de schelpen op het benedenterras van San Lorenzo, waarin de katoendraden en andere overblijfselen begraven lagen. Uit dit feit mogen wij met zekerheid besluiten, dat er in het Indiaansche tijdvak der geschiedenis van het menschdom eene rijzing is geweest vanmeerdan 85 voet, zooals wij boven zeiden, want van die rijzing is een klein deel verloren gegaan, omdat de kust sedert de vervaardiging der oude kaarten gedaald is. Ofschoon de rijzing te Valparaiso in de 220 jaren vóór ons bezoek niet meer dan 19 voet kan hebben bedragen, is daar echter na 1817 eene deels onmerkbare, en gedurende de aardbeving van 1822 deels plotselinge rijzing geweest van tien of elf voet. De ouderdom van het Indiaansche ras alhier—te oordeelen naar de 85-voet hooge rijzing van het land sedert deoverblijfsels bedolven werden—is des te merkwaardiger, wijl deMacrauchenia(de uitgestorven dieren, wier geraamten in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden worden) nog leefde op de kust van Patagonië, toen het land daar ongeveer evenveel voeten lager stond; maar wijl de kust van Patagonië op eenigen afstand van de Cordilleras ligt, is de rijzing daar mogelijk langzamer geweest dan hier. Te Bahia Blanca heeft de rijzing slechts één voet bedragen, sedert de talrijke reusachtige viervoetige dieren er begraven werden; en zooals algemeen wordt aangenomen, bestond de mensch nog niet toen deze uitgestorven dieren leefden. Misschien staat echter de rijzing van dat gedeelte der Patagonische kust in geen enkel verband tot de Cordilleras, maar eerder tot eene reeks oude vulkanische gesteenten in Oost Banda, zoodat zij oneindig langzamer geschied kan zijn dan op de kusten van Peru. Het is intusschen wel duidelijk, dat al deze bespiegelingen vaag moeten zijn; want wie zal durven zeggen, dat er niet verscheidene perioden van daling zijn geweest, zich inschakelend tusschen de rijzende bewegingen? Weten wij niet met zekerheid, dat er langs de geheele kust van Patagonië in de rijzende werking der opstuwende krachten vele en langdurige tijdperken van rust geweest moeten zijn?221Arbeiders, die de ertsen of delfstoffen naar buiten brengen.2Zoo noemde men de kolonisten, die in de 16de en 17de eeuw uit Frankrijk naar St.-Domingo gingen, en hier op wilde ossen jacht maakten. Later veranderden zij in stroopers, roofjagers en kapers. De naam stamt af van het Karaïbische woordboucan(een houten rooster waarop vleesch wordt gerookt).(Vert.)3Van deze schelpen heeft Prof. E. Forbes eene lijst gezien.4Tegenwoordig staat het koper, wat zijne productie betreft, bovenaan. Terwijl in 1806 slechts vier kopermijnen bij Copiapó in exploitatie waren, bedroeg dit cijfer in 1842 reeds 40, en in 1853 zelfs 116. Van 1861 tot 1864 produceerde Chili voor eene waarde van 49.102871pesos(1peso= francs 1.91 of ruim 90 cents), of gemiddeld 12.275718 pesos per jaar. In 1881 steeg dit bedrag tot 16.359809 pesos. In 1902 werd geëxporteerd:voor17.123000pesos aan koper.voor2.520000pesos aan zilver.voor1.624000pesos aan goud.(Vert.)5Copiapó werd ook verwoest in 1773, 1796 en 1819. Het grootste deel der zilverertsgangen ligt in de provincie Atacama, waarvan Copiapó de hoofdstad is. Behalve het zilverdistrict Chagnarcillo, zijn ook beroemd die van Tres Puntas en Caracoles. Zij liggen allen in de Jura-formatie, welke in Chili zeer sterk ontwikkeld is, en zich van de vlakte uit tot ver in de dalen der Cordilleras uitstrekt.(Vert.)6Deel II en IV vanRelation historique. Voor de opmerkingen over Guyaquil: zie Silliman’s Journal, deel XXIV, blz. 384. Voor die over Tacna door Hamilton: zieTransact. of British Association 1840. Voor die over Coseguina: zie Caldcleugh in Philos. Transact. 1835. In de eerste uitgaaf verzamelde ik verscheidene berichten over het gelijktijdig optreden van aardbevingen en plotselinge dalingen van den barometer, alsook van aardbevingen en luchtverschijnselen.7G. P. J. Scrope (1797–1876) vermaard Engelsch geoloog, vooral bekend door zijne studiën over vulkanen. Hij schreef o.a.:Considerations on Volcanoes(1825);Volcanoes(2de Ed. 1872);Extinct Volcanoes of Central France(1858), behalve eene menigte verhandelingen.(Vert.)8“Observac. sobre el Clima de Lima,” blz. 67—Azara’s Reizen, deel I, blz. 381—Ulloa’s Reis, deel II, blz. 28—Burchell “Travels,” deel II, blz. 524—Webster “Description of the Azores,” blz. 124—“Voyage à l’Isle de France par un officier du Roi,” deel I, blz. 248—“Description of Sint Helena,” blz. 123.9Carl Ochsenius stelt dien afstand gelijk aan achtDuitscheof geographische mijlen. Zie “Chile, Land und Leute.”(Vert.)10Die geraamten werden daar gevonden met de beenderen van uitgestorven quartaire zoogdieren.(Vert.)11Temple zegt in zijneReizen door Opper-Peru of Bolivia: “Ik zag op mijn tocht van Potosi naar Oruro de puinhoopen van vele Indiaansche dorpen of woningen, zelfs tot aan de toppen der bergen, welke getuigden van eene vroegere bevolking op plaatsen, die nu geheel verlaten zijn.”—Elders doet hij soortgelijke opmerkingen; maar ik kan niet zeggen of deze verlatenheid een gevolg is van gebrek aan bevolking, dan van eene veranderde gesteldheid van het land.12Algarroba is de Spaansche naam van het Johannisbrood (vrucht). De boom zelf heet Algarrobo, Algarrobero of AlgarroberaCeratonia siliquaofProcopis siliquastrum.(Vert.)13Edinburg Phil. Journ., Jan. 1830, blz. 74; en April 1830 blz. 258. Zie ook Daubeny:A description of active and extinct Volcanoes, London 1858; enBengal Journal, deel VII, blz. 324.14Iquique telde omstreeks 1882 nog 9000 en thans circa 40100 inwoners. Zij is de hoofdstad der salpeterrijke provincie Tarapacá, die vroeger tot Peru behoorde, maar na den oorlog tusschen Chili en de geallieerden (Peru en Bolivia) in 1879 in het bezit van Chili kwam.(Vert.)1518 gallons zijn ongeveer gelijk aan 81,78 liter.(Vert.)16In 1881 bedroeg de uitvoer 26.473511 pesos, en in 1902 zelfs 126.407000 pesos, of respect. circa 50.564400 en 241.437300 francs. In 1908 steeg de uitvoer zelfs tot 440 mill. francs. In Europa dient het Chili- of natronsalpeter als meststof en tot bereiding van het voor de kruitfabricatie noodige kalisalpeter.(Vert.)17“Essai politique sur le Royaume de la Nouvelle Espagne.” (Engelsche vertaling:Political Essay on the Kingdom of New Spain, deel IV, blz. 199).18Een dergelijk belangwekkend geval wordt medegedeeld in de “Madras Medical Journal,” 1839 blz. 340. Dr. Ferguson toont in zijn uitnemend opstel (Edinburg Royal Transact.,deel 9) duidelijk aan, dat het gif bij het drogings-proces ontstaat. Vandaar dat droge, heete landen dikwijls het ongezondst zijn.19Peru werd onafhankelijk verklaard (van Spanje) op 28 Juli 1821. Zijne constitutie dateert van 18 Oct. 1856 en 25 Nov. 1860.(Vert.)20In October 1820.21Tijdens deze aardbeving werden in de eerste 24 uren 200 schokken gevoeld. Van de 23 groote en kleine schepen, die in de haven van Callao lagen, zonken er 19, terwijl de 4 andere—waaronder een fregat—door het geweld der golven op het strand werden gezet. Slechts 200 van de 4000 inwoners ontkwamen den dood. Een klein stuk van het fort Vera Cruz was al hetgeen van de stad overbleef.(Vert.)22Enkele tientallen van jaren geleden waren de meeste geleerden—waaronder ook Darwin—van meening, dat de mensch geen tijdgenoot kon geweest zijn van de in het Diluvium uitgestorven zoogdieren. Wel was met voldoende zekerheid aangetoond, dat onze voorouders bij het begin der beschavingsgeschiedenis—minstens 12,000 jaren geleden—op een vrij hoogen trap van cultuur stonden, wat landbouw, veeteelt, metaalbewerking en pottenbakkerskunst betrof. In de laatste jaren zijn echter een aantal skeletten en skeletdeelen van menschen gevonden, die, gevoegd bij eene menigte in holen en rotsnissen verzamelde steenen werktuigen van grover en fijner maaksel, de geleerden in staat hebben gesteld het bestaan van den mensch veel verder in het verleden te vervolgen, en wel door het geheele diluviale tijdvak heen (met inbegrip van den ijstijd), tot ongeveer aan het begin. De duur van hetDiluviumwordt geschat op minstens 150,000 (door Penck zelfs op ± 700,000) jaren. Vooral de karakteristieke ruwe vuursteenen bijl—de zoogenaamdeChelléen-bijl, heeft als wegwijzer gediend. Deze bijl komt algemeen voor in Frankrijk en België, verder ook in Engeland, Duitschland, Italië, Spanje, Noord-Afrika, en in Noord- en Zuid-Amerika. Daaruit blijkt, dat de mensch reeds in het oud-diluvium een groot deel der Oude en Nieuwe Wereld bewoonde, en dus een tijdgenoot was van de meeste groote zoogdieren, als: mammoethen (en nog oudere soorten van olifanten), holenberen, holentijgers (waaronder van 3 met. lengte), reuzenherten, voorwereldlijke paarden en vele andere dieren, waarop hij jacht maakte en die sedert uitgestorven zijn.De wetenschap heeft echter haar onderzoek voortgezet en vrij overtuigende bewijzen gevonden, dat de mensch reeds in deoud-plioceenperiode (nl. de jongste afdeeling van het Tertiaire Tijdvak) steenen werktuigen heeft vervaardigd, die intusschen zeer primitief zijn. Skeletdeelen van menschen uit die overoude periode zijn echter tot heden niet gevonden. Den tijd, die sedert het oud-plioceen verloopen is, schat Penck op 2–4 millioenen jaren; maar ook al schat men dien (om met Prof. Steinmann te spreken) op het minimum van slechts 400,000 jaren, dan wijst dit cijfer toch op dien buitengewoon hoogen ouderdom van het menschengeslacht. De meening van verscheidene geleerden (Haeckel, Credner e. a.), als zou de ontwikkeling van den mensch uit placenta-zoogdieren (nl. uit de meest volkomenmenschapen) in het midden- of laatste gedeelte van het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad, heeft dus door de jongste onderzoekingen nieuw voedsel gekregen.(Noot van den Vert.)
Des nachts sliep ik in het huis van den eigenaar van een der salpetermijnen. Het land is hier even onvruchtbaar als bij de kust, maar door het graven van putten kan men water krijgen, dat eenigszins brak en bitter van smaak is. Daar er bijna geen regen valt, is het water blijkbaar niet hiervan afkomstig, want in dat geval moest het zoo zout als pekel zijn, omdat de geheele omtrek met eene korst van verschillende zoutachtige stoffen bedekt is. Wij moeten daaruit besluiten, dat, hoewel de Cordilleras vele mijlen verliggen, het water van daar af onder den grond is doorgezijpeld. In die richting liggen enkele dorpjes, waar de inwoners, in ’t bezit van wat meer water, eenig land kunnen besproeien en hooi verbouwen, waarmee zij de ezels en muildieren voeden, die bij het salpetervervoer gebruikt worden. Het natronsalpeter werd nu tot aan het schip verkocht voor veertien shillings de honderd pond; de hoofdonkosten komen op het vervoer er van naar de zeekust. De mijn bestaat uit eene harde, tusschen twee en drie voet dikke laag van het salpeterzure zout, vermengd met wat zwavelzure soda (Na2SO4) en zeer veel steenzout (NaCl). Het ligt dicht bij de oppervlakte, en volgt over eene lengte van honderd vijftig mijlen den rand eener groote dalkom of vlakte, die, naar hare grenzen te oordeelen, blijkbaar eens een meer moet zijn geweest, of, wat waarschijnlijker is, een landwaarts in zich uitstrekkende zeearm, gelijk uit de aanwezigheid van jodiumzouten in de zouthoudende laag zou mogen worden afgeleid.19 Juli.Wij ankerden in de Baai van Callao, de zeehaven van Lima, dat de hoofdstad van Peru is. Hier bleven wij zes weken; maar wegens de troebelen op staatkundig gebied, zag ik zeer weinig van het land. Tijdens den geheelen duur van ons bezoek was het klimaat op verre na zoo aangenaam niet, als meestal wordt voorgesteld. Eene donkere, zware wolkbank hing onafgebroken boven het land, zoodat ik gedurende de eerste zestien dagen slechts eens de Cordilleras achter Lima in ’t oog kreeg. De aanblik dezer bergen, zooals ik hen door openingen in de wolken in verdiepingen boven elkander zag, was zeer grootsch. Het is bijna spreekwoordelijk, dat in het lagere gedeelte van Peru nooit regen valt. Toch kan dit moeilijk juist zijn, want bijna elken dag van ons bezoek hing er een dikke, natte mist, wel in staat om de straten modderig en de kleêren vochtig te maken. Het volk belieft ditPeruaanschen dauwte noemen! Dat er niet heel veel regen valt, is zeer zeker; want de huizen zijn slechts met platte daken van geharde modder gedekt; en op den havendamwaren scheepsladingen tarwe opgestapeld, die zoo weken lang zonder eenige beschutting werden gelaten.Ik kan niet zeggen, dat het zeer weinige wat ik van Peru zag, mij beviel; doch men beweert, dat het klimaat des zomers veel aangenamer is. In alle jaargetijden lijden zoowel inwoners als vreemdelingen aan hevige aanvallen van koorts. Deze ziekte komt voor langs de geheele Peruaansche kust, maar is in het binnenland onbekend. De ziekte-aanvallen, die door smetstof ontstaan, zijn altijd hoogst geheimzinnig van aard. Het is zóó moeilijk uit het voorkomen van een land te beoordeelen of het al dan niet gezond is, dat, zoo men iemand gezegd had binnen de keerkringen een oord te kiezen, hetwelk voor de gezondheid gunstig leek, hij zeer waarschijnlijk deze kust genoemd zou hebben. De vlakte, welke het gebied van Callao omgeeft, is spaarzaam met grof gras bedekt; en op sommige punten zijn enkele, ofschoon zeer kleine plassen stilstaand water. Naar alle waarschijnlijkheid ontstaat daaruit de smetstof; want de stad Arica verkeerde in dezelfde omstandigheden, en door het droogleggen van enkele kleine plassen werd hare gezondheidstoestand zeer verbeterd. Miasma ontstaat niet altijd door den invloed van een heet klimaat op een weligen plantengroei; want vele gedeelten van Brazilië, zelfs die waar een krachtige plantengroei gepaard gaat met moerassen, zijn veel gezonder dan deze onvruchtbare kust van Peru. De dichtste wouden in eene gematigde luchtstreek, zooals op het eiland Chiloë, schijnen op den gezondheidstoestand der lucht niet den minsten invloed te hebben.Het eiland St.-Jago van de Kaap-Verdische Eilanden is een ander sterk sprekend voorbeeld van een land, dat naar ieders verwachting uitermate gezond moest zijn, maar zeer het tegendeel daarvan is. Bij den aanvang van dit boek heb ik gezegd, dat de kale en open vlakten gedurende eenige weken na het regenseizoen een lichten plantengroei bezitten, die onmiddellijk verwelkt en verdroogt; in dezen tijd schijnt de lucht geheel vergiftigd te worden, want dikwijls hebben zoowel inboorlingen als vreemdelingen van hevigekoortsen te lijden. Daarentegen is de Galápagos-Archipel, in den Stillen Oceaan met een dergelijken, periodiek aan hetzelfde plantengroei-proces onderworpen bodem, volmaakt gezond. Humboldt heeft opgemerkt, dat in de heete luchtstreek “de kleinste moerassen het gevaarlijkst zijn, wanneer zij, zooals te Vera Cruz en Carthagena, omringd zijn door een dorren zandgrond, die de temperatuur der omringende lucht doet stijgen.”17Op de kust van Peru is de temperatuur echter niet bijzonder hoog, en zijn misschien daardoor de intermitteerende koortsen niet van de boosaardigste soort. In alle ongezonde landen loopt men het grootste gevaar door op het strand te slapen. Is dit te wijten aan de gesteldheid van het lichaam gedurende den slaap, of aan eene grootere hoeveelheid smetstof op zulke tijden? Het schijnt een feit te wezen, dat zij die aan boord van een schip blijven, ook al ligt dit op slechts korten afstand van de kust voor anker, in ’t algemeen minder lijden, dan zij die op het strand zijn. Daarentegen heb ik een merkwaardig geval gehoord, dat er koorts uitbrak onder de bemanning van eenoorlogsschipop ongeveer honderd mijlen van de Afrikaansche kust, op denzelfden tijd toen te Sierra Leone een van de gevreesde sterfte-perioden begon.18Sedert de onafhankelijkheidsverklaring19heeft geen Staat in Zuid-Amerika meer van anarchie te lijden gehad, dan Peru. Tijdens ons bezoek streden vier aanvoerders gewapenderhand om de oppermacht in de regeering. Kreeg eenhunner voor eenigen tijd veel macht, dan spanden de anderen tegen hem samen; maar nauwelijks behaalden dezen de overwinning, of zij werden elkander weer vijandig. Den volgenden dag, op het Jaarfeest der Onafhankelijkheid, werd eene hoogmis gevierd, waarbij de president het sacrament gebruikte. Nu had onder hetTe Deum laudamushet ongehoorde feit plaats, dat elk regiment in stede van de Peruaansche vlag, eene zwarte vlag waarop een doodshoofd stond, ontplooide. Denk u eene regeering, waaronder bij zulk eene plechtige gelegenheid bevel kan worden gegeven tot eene vertooning, welke op zoo sprekende wijze getuigde van hunne vastbeslotenheid om zich dood te vechten! Deze staat van zaken heerschte op een voor mij zeer ongelukkigen tijd, daar ik verhinderd werd uitstapjes te doen ver buiten de grenzen der stad. Het kale eiland San Lorenzo, dat de haven vormt, was bijna de eenige plek waar men veilig kon rondloopen. Het bovendeel, ter hoogte van ongeveer 1000 voet, ligt gedurende dit jaargetijde (des winters) beneden de onderste wolkengrens; en dientengevolge bedekt een rijkdom van kryptogamen, benevens enkele bloemen den top. Op de heuvels bij Lima, waar de grond slechts weinig hooger is, vindt men dien bedekt met een tapijt van mos en bedden prachtige gele leliën,Amancaesgeheeten. Dit wijst op een veel hoogeren graad van vochtigheid, dan er heerscht op een gelijke hoogte te Iquique. Verder noordwaarts boven Lima wordt het klimaat vochtiger, totdat wij aan de oevers van Guayaquil (Ecuador), bijna onder den evenaar, de weligst begroeide wouden vinden. Volgens de beschrijving, echter, geschiedt deze overgang van de onvruchtbare Peruaansche kust tot dit vruchtbare land eenigszins plotseling op de breedte van Kaap Blanco, twee graden ten zuiden van Guayaquil.Callao is eene morsige, slecht gebouwde, kleine zeehaven. Zoowel hier, als te Lima, vertoonden de inwoners alle denkbare tinten van vermenging tusschen Europeesch, Neger en Indiaansch bloed. Zij schijnen een verbasterd, verloopen slag van menschen. De lucht is vervuld met kwade geuren,en die eigenaardige reuk, welke in bijna iedere stad binnen de keerkringen kan worden waargenomen, was hier zeer sterk. Het fort, dat het langdurige beleg van Lord Cochrane doorstond,20heeft een indrukwekkend voorkomen. Maar tijdens ons verblijf verkocht de president de koperen kanonnen, en begon enkele gedeelten te ontmantelen. Als reden daarvan werd opgegeven, dat hij geen officier had, dien hij het bevel over zulk een gewichtigen post kon toevertrouwen. Persoonlijk had hij alle redenen om zoo te denken, daar hij het presidentschap had verworven door muiterij te plegen terwijl hij commandant was van dezelfde vesting! Na ons vertrek uit Zuid-Amerika kreeg hij zijne straf op de gewone manier: door eerst te worden overwonnen, toen gevangen genomen, en eindelijk onthoofd.Lima ligt op eene vlaktemiddenin eene vallei, die gedurende het langzame wijken der zee gevormd is. Haar afstand tot Callao bedraagt zeven mijlen, en hare hoogte boven deze plaats 500 voet; maar wijl de glooiing zeer geleidelijk is, schijnt de weg volkomen horizontaal. Dit verklaart waarom men, te Lima gekomen, moeilijk zelfs kan gelooven dat men één honderd voet gestegen is. Humboldt heeft op dit eigenaardige, bedriegelijke feit gewezen. Steile, kale heuvels verrijzen als eilanden uit de vlakte, die door rechte modderbanken in groote, groene velden is verdeeld. Met uitzondering van enkele wilgen, en hier en daar eene groep banaan- en oranjeboomen, groeit op deze velden bijna geen enkele boom. De stad Lima verkeert nu in een treurigen staat van verval; de straten zijn bijna ongeplaveid, en in alle richtingen ontwaart men hoopen vuil, waaruit de zwartegallinazos, tam als kippen, stukken aas oppikken. De huizen hebben in ’t algemeen eene bovenverdieping, die om de aardbevingen van gepleisterd houtwerk is gemaakt; maar eenige oude, welke nu door verscheidene familiën bewoond worden, zijn verbazend groot en zouden in hunne rijen van vertrekken met de fraaiste huizen van elderskunnen wedijveren. Lima, de Stad der Koningen, moet weleer eene weelderige stad geweest zijn. Het bijzonder groot aantal kerken geeft haar, zelfs nog heden, een eigenaardig en treffend karakter, vooral wanneer men dit alles van nabij ziet.Op zekeren dag ging ik met eenige kooplieden in de onmiddellijke nabijheid der stad op jacht. Onze vangst was zeer karig; maar ik had gelegenheid de puinhoopen van een oud Indiaansch dorp te zien, met zijn grafheuvel, evenals een natuurlijke heuvel, in het midden. De overblijfsels der huizen, omheiningen, besproeiingskanalen en grafheuvels, welke over deze vlakte verspreid liggen, laten niet na den bezoeker een hoog denkbeeld te geven van de maatschappelijke welvaart en de talrijkheid der oude bevolking. Let men op hun aardewerk, wollen kleederen en sierlijk gevormd keukengereedschap van het hardste gesteente;op hunne koperen werktuigen, versieringen van edelgesteenten, hunne paleizen en waterleidingwerken—dan moet men wel eerbied koesteren voor de verbazende vorderingen, door hen in de beschavingskunsten gemaakt. De grafheuvels, Huacas genaamd, zijn inderdaad verbazingwekkend, al schijnen zij ook op sommige plaatsen natuurlijke heuvels te wezen, die afgestoken en vervormd zijn. Men vindt hier nog eene andere en zeer verschillende soort van ruïnen, welke eenige belangstelling verdienen, namelijk die van oud Callao, dat door eene zeegolf die de groote aardbeving van 28 October 1746 vergezelde, overstroomd werd.21De verwoesting moet toen zelfs nog grooter geweest zijn dan te Talcahuano. Hoopen grof keizand verbergen bijna de fundamenten der muren, en groote stukken metselwerk schijnenals kiezelsteenen door de golven rondgedraaid te zijn. Men heeft beweerd, dat het land tijdens deze gedenkwaardige aardbeving zonk (dat een deel der kust bij Callao in eene baai veranderde, zegt Lyell duidelijk in zijnePrinciples of Geology); maar hiervan kon ik geen bewijs ontdekken. Toch lijkt mij dit verre van onwaarschijnlijk; want sedert de stichting der oude stad moet de kust zeker eenige verandering ondergaan hebben, daar niemand, die bij zijn gezonde verstand is, vrijwillig de smalle strook zand tot woonplaats zou hebben gekozen, waarop nu de puinhoopen staan. Sedert onze reis, is Tschudi door vergelijking van oude en nieuwe kaarten tot de gevolgtrekking gekomen, dat de kust ten noorden en ten zuiden van Lima zonder twijfel gezonken is.Op het eiland San Lorenzo zijn zeer voldoende bewijzen van landrijzing in het hedendaagsche tijdperk—wat natuurlijk niet in strijd is met de meening, dat later eene kleine daling van den grond heeft plaats gehad. De zijde van het eiland tegenover de Baai van Callao is in drie onduidelijke terrassen uitgehold, waarvan het onderste eene mijl ver bedekt is met eene bedding of laag, bijna geheel uit schelpen bestaande, die tot 18 thans in de naburige zee levende soorten behooren. De hoogte dezer bedding bedraagt 85 voet. Vele van deze schelpen zijn ver weggeteerd, en zien er veel ouder en verweerder uit, dan die op 500 of 600 voet hoogte op de kust van Chili. Zij zijn vergezeld van veel steenzout, een weinig zwavelzure kalk (beiden vermoedelijk ontstaan door indroging en verdamping van het zeeschuim, terwijl het land langzaam rees), benevens zwavelzure soda en chloorcalcium (CaCl2). Zij rusten op brokstukken van den onderliggenden zandsteen, en zijn eenige inches dik met rotspuin bedekt. De hooger op dit terras liggende schelpen bleken, bij onderzoek, af te schilferen en vielen tot een fijn poeder uiteen. Eindelijk vond ik op een boventerras, ter hoogte van 170 voet, alsmede op eenige aanmerkelijk hoogere punten, eene laag zoutachtig poeder van volmaakt hetzelfde voorkomen, en betrekkelijk evenzoo gelegen. Ik twijfel nietof deze bovenlaag vormde oorspronkelijk eene bedding schelpen, evenals die op de 85 voet hooge klip; maar thans bezit zij geen spoor meer van organische structuur. De heer Reeks heeft het poeder voor mij onderzocht: het bestond uit sulphaten en chloriden van calcium en natrium, met zeer geringe bijmengsels van koolzure kalk. Het is bekend, dat groote hoeveelheden steenzout en koolzure kalk, eenigen tijd vermengd zijnde, elkander gedeeltelijk ontleden, wat echter met kleine opgeloste hoeveelheden niet gebeurt. Daar de half vergane schelpen in de lagere gedeelten vergezeld zijn van veel steenzout, benevens eenige van de zouthoudende stoffen die de zoutachtige bovenlaag vormen; daar verder deze schelpen op merkwaardige wijze verteerd en vervallen zijn, vermoed ik sterk, dat deze dubbele ontleding hier heeft plaats gehad. In dat geval moeten de resulteerende zouten zijn: koolzure soda en chloorcalcium, waarvan het laatste wèl, het eerste niet aanwezig is. Dit leidt mij tot de onderstelling, dat de koolzure soda door tot nu toe onverklaarbare werkingen in het zwavelzure zout wordt omgezet. Het is duidelijk, dat de zoutlaag niet bewaard had kunnen blijven in een land, waar nu en dan overvloedig regen valt; maar tevens is juist deze omstandigheid—namelijk, dat het steenzout niet is weggespoeld geworden—welke op het eerste gezicht zoo uiterst gunstig lijkt voor het langdurige behoud van onbeschutte schelpen, waarschijnlijk de zijdelingsche oorzaak geweest van hare ontbinding en vroegtijdig verval.Met zeer veel belangstelling vond ik, 85 voet hoog op het terras, eenige stukjes katoendraad, gevlochten bies, en den knop van een Indiaansch-hoornen stok: allesbedolventusschen de schelpen en velerlei afval, dat uit zee was aangespoeld. Ik vergeleek deze overblijfsels met andere van dien aard, welke uit deHuacasof oude Indiaansche grafheuvels waren opgedolven, en vond dat zij er eender uitzagen. Bij Bellavista, op het vasteland tegenover San Lorenzo, ligt eene uitgestrekte, effen en ongeveer honderd voet hooge vlakte, waarvan het benedengedeelte bestaat uitafwisselende lagen zand en onzuivere klei, benevens wat grint; terwijl de oppervlakte drie tot zes voet diep uit een roodachtig leem bestaat, met hier en daar enkele zeeschelpen, en verder talrijke kleine stukken grof rood aardewerk, welke op sommige plaatsen menigvuldiger zijn dan op andere. Eerst was ik geneigd te gelooven, dat deze bovenbedding wegens hare groote uitgestrektheid en effen oppervlakte onder de zee moest afgezet zijn; maar later vond ik eene plek, waar bleek, dat zij op een kunstvloer van ronde steenen lag. Het komt mij daarom hoogst waarschijnlijk voor, dat er in een tijd toen het land op lager peil stond, eene vlakte was, zeer gelijkend op die welke thans Callao omringt en, door een strand van grof grint beschermd, slechts zeer weinig boven den zeespiegel gerezen is. Ik stel mij voor, dat op deze vlakte met hare onderliggende roode-kleibeddingen de Indianen hunne aarden potten maakten; voorts, dat de zee gedurende eene hevige aardbeving over het strand sloeg en de vlakte in een tijdelijk meer veranderde, zooals in 1713 en 1746 rondom Callao gebeurde. Het water zou dan modder hebben afgezet, waarin stukken steengoed uit de pannenbakkerijen, die op sommige plekken talrijker waren dan op andere, vermengd met zeeschelpen. Deze bedding met haar fossiel aardewerk ligt op ongeveer dezelfde hoogte als de schelpen op het benedenterras van San Lorenzo, waarin de katoendraden en andere overblijfselen begraven lagen. Uit dit feit mogen wij met zekerheid besluiten, dat er in het Indiaansche tijdvak der geschiedenis van het menschdom eene rijzing is geweest vanmeerdan 85 voet, zooals wij boven zeiden, want van die rijzing is een klein deel verloren gegaan, omdat de kust sedert de vervaardiging der oude kaarten gedaald is. Ofschoon de rijzing te Valparaiso in de 220 jaren vóór ons bezoek niet meer dan 19 voet kan hebben bedragen, is daar echter na 1817 eene deels onmerkbare, en gedurende de aardbeving van 1822 deels plotselinge rijzing geweest van tien of elf voet. De ouderdom van het Indiaansche ras alhier—te oordeelen naar de 85-voet hooge rijzing van het land sedert deoverblijfsels bedolven werden—is des te merkwaardiger, wijl deMacrauchenia(de uitgestorven dieren, wier geraamten in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden worden) nog leefde op de kust van Patagonië, toen het land daar ongeveer evenveel voeten lager stond; maar wijl de kust van Patagonië op eenigen afstand van de Cordilleras ligt, is de rijzing daar mogelijk langzamer geweest dan hier. Te Bahia Blanca heeft de rijzing slechts één voet bedragen, sedert de talrijke reusachtige viervoetige dieren er begraven werden; en zooals algemeen wordt aangenomen, bestond de mensch nog niet toen deze uitgestorven dieren leefden. Misschien staat echter de rijzing van dat gedeelte der Patagonische kust in geen enkel verband tot de Cordilleras, maar eerder tot eene reeks oude vulkanische gesteenten in Oost Banda, zoodat zij oneindig langzamer geschied kan zijn dan op de kusten van Peru. Het is intusschen wel duidelijk, dat al deze bespiegelingen vaag moeten zijn; want wie zal durven zeggen, dat er niet verscheidene perioden van daling zijn geweest, zich inschakelend tusschen de rijzende bewegingen? Weten wij niet met zekerheid, dat er langs de geheele kust van Patagonië in de rijzende werking der opstuwende krachten vele en langdurige tijdperken van rust geweest moeten zijn?221Arbeiders, die de ertsen of delfstoffen naar buiten brengen.2Zoo noemde men de kolonisten, die in de 16de en 17de eeuw uit Frankrijk naar St.-Domingo gingen, en hier op wilde ossen jacht maakten. Later veranderden zij in stroopers, roofjagers en kapers. De naam stamt af van het Karaïbische woordboucan(een houten rooster waarop vleesch wordt gerookt).(Vert.)3Van deze schelpen heeft Prof. E. Forbes eene lijst gezien.4Tegenwoordig staat het koper, wat zijne productie betreft, bovenaan. Terwijl in 1806 slechts vier kopermijnen bij Copiapó in exploitatie waren, bedroeg dit cijfer in 1842 reeds 40, en in 1853 zelfs 116. Van 1861 tot 1864 produceerde Chili voor eene waarde van 49.102871pesos(1peso= francs 1.91 of ruim 90 cents), of gemiddeld 12.275718 pesos per jaar. In 1881 steeg dit bedrag tot 16.359809 pesos. In 1902 werd geëxporteerd:voor17.123000pesos aan koper.voor2.520000pesos aan zilver.voor1.624000pesos aan goud.(Vert.)5Copiapó werd ook verwoest in 1773, 1796 en 1819. Het grootste deel der zilverertsgangen ligt in de provincie Atacama, waarvan Copiapó de hoofdstad is. Behalve het zilverdistrict Chagnarcillo, zijn ook beroemd die van Tres Puntas en Caracoles. Zij liggen allen in de Jura-formatie, welke in Chili zeer sterk ontwikkeld is, en zich van de vlakte uit tot ver in de dalen der Cordilleras uitstrekt.(Vert.)6Deel II en IV vanRelation historique. Voor de opmerkingen over Guyaquil: zie Silliman’s Journal, deel XXIV, blz. 384. Voor die over Tacna door Hamilton: zieTransact. of British Association 1840. Voor die over Coseguina: zie Caldcleugh in Philos. Transact. 1835. In de eerste uitgaaf verzamelde ik verscheidene berichten over het gelijktijdig optreden van aardbevingen en plotselinge dalingen van den barometer, alsook van aardbevingen en luchtverschijnselen.7G. P. J. Scrope (1797–1876) vermaard Engelsch geoloog, vooral bekend door zijne studiën over vulkanen. Hij schreef o.a.:Considerations on Volcanoes(1825);Volcanoes(2de Ed. 1872);Extinct Volcanoes of Central France(1858), behalve eene menigte verhandelingen.(Vert.)8“Observac. sobre el Clima de Lima,” blz. 67—Azara’s Reizen, deel I, blz. 381—Ulloa’s Reis, deel II, blz. 28—Burchell “Travels,” deel II, blz. 524—Webster “Description of the Azores,” blz. 124—“Voyage à l’Isle de France par un officier du Roi,” deel I, blz. 248—“Description of Sint Helena,” blz. 123.9Carl Ochsenius stelt dien afstand gelijk aan achtDuitscheof geographische mijlen. Zie “Chile, Land und Leute.”(Vert.)10Die geraamten werden daar gevonden met de beenderen van uitgestorven quartaire zoogdieren.(Vert.)11Temple zegt in zijneReizen door Opper-Peru of Bolivia: “Ik zag op mijn tocht van Potosi naar Oruro de puinhoopen van vele Indiaansche dorpen of woningen, zelfs tot aan de toppen der bergen, welke getuigden van eene vroegere bevolking op plaatsen, die nu geheel verlaten zijn.”—Elders doet hij soortgelijke opmerkingen; maar ik kan niet zeggen of deze verlatenheid een gevolg is van gebrek aan bevolking, dan van eene veranderde gesteldheid van het land.12Algarroba is de Spaansche naam van het Johannisbrood (vrucht). De boom zelf heet Algarrobo, Algarrobero of AlgarroberaCeratonia siliquaofProcopis siliquastrum.(Vert.)13Edinburg Phil. Journ., Jan. 1830, blz. 74; en April 1830 blz. 258. Zie ook Daubeny:A description of active and extinct Volcanoes, London 1858; enBengal Journal, deel VII, blz. 324.14Iquique telde omstreeks 1882 nog 9000 en thans circa 40100 inwoners. Zij is de hoofdstad der salpeterrijke provincie Tarapacá, die vroeger tot Peru behoorde, maar na den oorlog tusschen Chili en de geallieerden (Peru en Bolivia) in 1879 in het bezit van Chili kwam.(Vert.)1518 gallons zijn ongeveer gelijk aan 81,78 liter.(Vert.)16In 1881 bedroeg de uitvoer 26.473511 pesos, en in 1902 zelfs 126.407000 pesos, of respect. circa 50.564400 en 241.437300 francs. In 1908 steeg de uitvoer zelfs tot 440 mill. francs. In Europa dient het Chili- of natronsalpeter als meststof en tot bereiding van het voor de kruitfabricatie noodige kalisalpeter.(Vert.)17“Essai politique sur le Royaume de la Nouvelle Espagne.” (Engelsche vertaling:Political Essay on the Kingdom of New Spain, deel IV, blz. 199).18Een dergelijk belangwekkend geval wordt medegedeeld in de “Madras Medical Journal,” 1839 blz. 340. Dr. Ferguson toont in zijn uitnemend opstel (Edinburg Royal Transact.,deel 9) duidelijk aan, dat het gif bij het drogings-proces ontstaat. Vandaar dat droge, heete landen dikwijls het ongezondst zijn.19Peru werd onafhankelijk verklaard (van Spanje) op 28 Juli 1821. Zijne constitutie dateert van 18 Oct. 1856 en 25 Nov. 1860.(Vert.)20In October 1820.21Tijdens deze aardbeving werden in de eerste 24 uren 200 schokken gevoeld. Van de 23 groote en kleine schepen, die in de haven van Callao lagen, zonken er 19, terwijl de 4 andere—waaronder een fregat—door het geweld der golven op het strand werden gezet. Slechts 200 van de 4000 inwoners ontkwamen den dood. Een klein stuk van het fort Vera Cruz was al hetgeen van de stad overbleef.(Vert.)22Enkele tientallen van jaren geleden waren de meeste geleerden—waaronder ook Darwin—van meening, dat de mensch geen tijdgenoot kon geweest zijn van de in het Diluvium uitgestorven zoogdieren. Wel was met voldoende zekerheid aangetoond, dat onze voorouders bij het begin der beschavingsgeschiedenis—minstens 12,000 jaren geleden—op een vrij hoogen trap van cultuur stonden, wat landbouw, veeteelt, metaalbewerking en pottenbakkerskunst betrof. In de laatste jaren zijn echter een aantal skeletten en skeletdeelen van menschen gevonden, die, gevoegd bij eene menigte in holen en rotsnissen verzamelde steenen werktuigen van grover en fijner maaksel, de geleerden in staat hebben gesteld het bestaan van den mensch veel verder in het verleden te vervolgen, en wel door het geheele diluviale tijdvak heen (met inbegrip van den ijstijd), tot ongeveer aan het begin. De duur van hetDiluviumwordt geschat op minstens 150,000 (door Penck zelfs op ± 700,000) jaren. Vooral de karakteristieke ruwe vuursteenen bijl—de zoogenaamdeChelléen-bijl, heeft als wegwijzer gediend. Deze bijl komt algemeen voor in Frankrijk en België, verder ook in Engeland, Duitschland, Italië, Spanje, Noord-Afrika, en in Noord- en Zuid-Amerika. Daaruit blijkt, dat de mensch reeds in het oud-diluvium een groot deel der Oude en Nieuwe Wereld bewoonde, en dus een tijdgenoot was van de meeste groote zoogdieren, als: mammoethen (en nog oudere soorten van olifanten), holenberen, holentijgers (waaronder van 3 met. lengte), reuzenherten, voorwereldlijke paarden en vele andere dieren, waarop hij jacht maakte en die sedert uitgestorven zijn.De wetenschap heeft echter haar onderzoek voortgezet en vrij overtuigende bewijzen gevonden, dat de mensch reeds in deoud-plioceenperiode (nl. de jongste afdeeling van het Tertiaire Tijdvak) steenen werktuigen heeft vervaardigd, die intusschen zeer primitief zijn. Skeletdeelen van menschen uit die overoude periode zijn echter tot heden niet gevonden. Den tijd, die sedert het oud-plioceen verloopen is, schat Penck op 2–4 millioenen jaren; maar ook al schat men dien (om met Prof. Steinmann te spreken) op het minimum van slechts 400,000 jaren, dan wijst dit cijfer toch op dien buitengewoon hoogen ouderdom van het menschengeslacht. De meening van verscheidene geleerden (Haeckel, Credner e. a.), als zou de ontwikkeling van den mensch uit placenta-zoogdieren (nl. uit de meest volkomenmenschapen) in het midden- of laatste gedeelte van het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad, heeft dus door de jongste onderzoekingen nieuw voedsel gekregen.(Noot van den Vert.)
Des nachts sliep ik in het huis van den eigenaar van een der salpetermijnen. Het land is hier even onvruchtbaar als bij de kust, maar door het graven van putten kan men water krijgen, dat eenigszins brak en bitter van smaak is. Daar er bijna geen regen valt, is het water blijkbaar niet hiervan afkomstig, want in dat geval moest het zoo zout als pekel zijn, omdat de geheele omtrek met eene korst van verschillende zoutachtige stoffen bedekt is. Wij moeten daaruit besluiten, dat, hoewel de Cordilleras vele mijlen verliggen, het water van daar af onder den grond is doorgezijpeld. In die richting liggen enkele dorpjes, waar de inwoners, in ’t bezit van wat meer water, eenig land kunnen besproeien en hooi verbouwen, waarmee zij de ezels en muildieren voeden, die bij het salpetervervoer gebruikt worden. Het natronsalpeter werd nu tot aan het schip verkocht voor veertien shillings de honderd pond; de hoofdonkosten komen op het vervoer er van naar de zeekust. De mijn bestaat uit eene harde, tusschen twee en drie voet dikke laag van het salpeterzure zout, vermengd met wat zwavelzure soda (Na2SO4) en zeer veel steenzout (NaCl). Het ligt dicht bij de oppervlakte, en volgt over eene lengte van honderd vijftig mijlen den rand eener groote dalkom of vlakte, die, naar hare grenzen te oordeelen, blijkbaar eens een meer moet zijn geweest, of, wat waarschijnlijker is, een landwaarts in zich uitstrekkende zeearm, gelijk uit de aanwezigheid van jodiumzouten in de zouthoudende laag zou mogen worden afgeleid.
19 Juli.Wij ankerden in de Baai van Callao, de zeehaven van Lima, dat de hoofdstad van Peru is. Hier bleven wij zes weken; maar wegens de troebelen op staatkundig gebied, zag ik zeer weinig van het land. Tijdens den geheelen duur van ons bezoek was het klimaat op verre na zoo aangenaam niet, als meestal wordt voorgesteld. Eene donkere, zware wolkbank hing onafgebroken boven het land, zoodat ik gedurende de eerste zestien dagen slechts eens de Cordilleras achter Lima in ’t oog kreeg. De aanblik dezer bergen, zooals ik hen door openingen in de wolken in verdiepingen boven elkander zag, was zeer grootsch. Het is bijna spreekwoordelijk, dat in het lagere gedeelte van Peru nooit regen valt. Toch kan dit moeilijk juist zijn, want bijna elken dag van ons bezoek hing er een dikke, natte mist, wel in staat om de straten modderig en de kleêren vochtig te maken. Het volk belieft ditPeruaanschen dauwte noemen! Dat er niet heel veel regen valt, is zeer zeker; want de huizen zijn slechts met platte daken van geharde modder gedekt; en op den havendamwaren scheepsladingen tarwe opgestapeld, die zoo weken lang zonder eenige beschutting werden gelaten.
Ik kan niet zeggen, dat het zeer weinige wat ik van Peru zag, mij beviel; doch men beweert, dat het klimaat des zomers veel aangenamer is. In alle jaargetijden lijden zoowel inwoners als vreemdelingen aan hevige aanvallen van koorts. Deze ziekte komt voor langs de geheele Peruaansche kust, maar is in het binnenland onbekend. De ziekte-aanvallen, die door smetstof ontstaan, zijn altijd hoogst geheimzinnig van aard. Het is zóó moeilijk uit het voorkomen van een land te beoordeelen of het al dan niet gezond is, dat, zoo men iemand gezegd had binnen de keerkringen een oord te kiezen, hetwelk voor de gezondheid gunstig leek, hij zeer waarschijnlijk deze kust genoemd zou hebben. De vlakte, welke het gebied van Callao omgeeft, is spaarzaam met grof gras bedekt; en op sommige punten zijn enkele, ofschoon zeer kleine plassen stilstaand water. Naar alle waarschijnlijkheid ontstaat daaruit de smetstof; want de stad Arica verkeerde in dezelfde omstandigheden, en door het droogleggen van enkele kleine plassen werd hare gezondheidstoestand zeer verbeterd. Miasma ontstaat niet altijd door den invloed van een heet klimaat op een weligen plantengroei; want vele gedeelten van Brazilië, zelfs die waar een krachtige plantengroei gepaard gaat met moerassen, zijn veel gezonder dan deze onvruchtbare kust van Peru. De dichtste wouden in eene gematigde luchtstreek, zooals op het eiland Chiloë, schijnen op den gezondheidstoestand der lucht niet den minsten invloed te hebben.
Het eiland St.-Jago van de Kaap-Verdische Eilanden is een ander sterk sprekend voorbeeld van een land, dat naar ieders verwachting uitermate gezond moest zijn, maar zeer het tegendeel daarvan is. Bij den aanvang van dit boek heb ik gezegd, dat de kale en open vlakten gedurende eenige weken na het regenseizoen een lichten plantengroei bezitten, die onmiddellijk verwelkt en verdroogt; in dezen tijd schijnt de lucht geheel vergiftigd te worden, want dikwijls hebben zoowel inboorlingen als vreemdelingen van hevigekoortsen te lijden. Daarentegen is de Galápagos-Archipel, in den Stillen Oceaan met een dergelijken, periodiek aan hetzelfde plantengroei-proces onderworpen bodem, volmaakt gezond. Humboldt heeft opgemerkt, dat in de heete luchtstreek “de kleinste moerassen het gevaarlijkst zijn, wanneer zij, zooals te Vera Cruz en Carthagena, omringd zijn door een dorren zandgrond, die de temperatuur der omringende lucht doet stijgen.”17Op de kust van Peru is de temperatuur echter niet bijzonder hoog, en zijn misschien daardoor de intermitteerende koortsen niet van de boosaardigste soort. In alle ongezonde landen loopt men het grootste gevaar door op het strand te slapen. Is dit te wijten aan de gesteldheid van het lichaam gedurende den slaap, of aan eene grootere hoeveelheid smetstof op zulke tijden? Het schijnt een feit te wezen, dat zij die aan boord van een schip blijven, ook al ligt dit op slechts korten afstand van de kust voor anker, in ’t algemeen minder lijden, dan zij die op het strand zijn. Daarentegen heb ik een merkwaardig geval gehoord, dat er koorts uitbrak onder de bemanning van eenoorlogsschipop ongeveer honderd mijlen van de Afrikaansche kust, op denzelfden tijd toen te Sierra Leone een van de gevreesde sterfte-perioden begon.18
Sedert de onafhankelijkheidsverklaring19heeft geen Staat in Zuid-Amerika meer van anarchie te lijden gehad, dan Peru. Tijdens ons bezoek streden vier aanvoerders gewapenderhand om de oppermacht in de regeering. Kreeg eenhunner voor eenigen tijd veel macht, dan spanden de anderen tegen hem samen; maar nauwelijks behaalden dezen de overwinning, of zij werden elkander weer vijandig. Den volgenden dag, op het Jaarfeest der Onafhankelijkheid, werd eene hoogmis gevierd, waarbij de president het sacrament gebruikte. Nu had onder hetTe Deum laudamushet ongehoorde feit plaats, dat elk regiment in stede van de Peruaansche vlag, eene zwarte vlag waarop een doodshoofd stond, ontplooide. Denk u eene regeering, waaronder bij zulk eene plechtige gelegenheid bevel kan worden gegeven tot eene vertooning, welke op zoo sprekende wijze getuigde van hunne vastbeslotenheid om zich dood te vechten! Deze staat van zaken heerschte op een voor mij zeer ongelukkigen tijd, daar ik verhinderd werd uitstapjes te doen ver buiten de grenzen der stad. Het kale eiland San Lorenzo, dat de haven vormt, was bijna de eenige plek waar men veilig kon rondloopen. Het bovendeel, ter hoogte van ongeveer 1000 voet, ligt gedurende dit jaargetijde (des winters) beneden de onderste wolkengrens; en dientengevolge bedekt een rijkdom van kryptogamen, benevens enkele bloemen den top. Op de heuvels bij Lima, waar de grond slechts weinig hooger is, vindt men dien bedekt met een tapijt van mos en bedden prachtige gele leliën,Amancaesgeheeten. Dit wijst op een veel hoogeren graad van vochtigheid, dan er heerscht op een gelijke hoogte te Iquique. Verder noordwaarts boven Lima wordt het klimaat vochtiger, totdat wij aan de oevers van Guayaquil (Ecuador), bijna onder den evenaar, de weligst begroeide wouden vinden. Volgens de beschrijving, echter, geschiedt deze overgang van de onvruchtbare Peruaansche kust tot dit vruchtbare land eenigszins plotseling op de breedte van Kaap Blanco, twee graden ten zuiden van Guayaquil.
Callao is eene morsige, slecht gebouwde, kleine zeehaven. Zoowel hier, als te Lima, vertoonden de inwoners alle denkbare tinten van vermenging tusschen Europeesch, Neger en Indiaansch bloed. Zij schijnen een verbasterd, verloopen slag van menschen. De lucht is vervuld met kwade geuren,en die eigenaardige reuk, welke in bijna iedere stad binnen de keerkringen kan worden waargenomen, was hier zeer sterk. Het fort, dat het langdurige beleg van Lord Cochrane doorstond,20heeft een indrukwekkend voorkomen. Maar tijdens ons verblijf verkocht de president de koperen kanonnen, en begon enkele gedeelten te ontmantelen. Als reden daarvan werd opgegeven, dat hij geen officier had, dien hij het bevel over zulk een gewichtigen post kon toevertrouwen. Persoonlijk had hij alle redenen om zoo te denken, daar hij het presidentschap had verworven door muiterij te plegen terwijl hij commandant was van dezelfde vesting! Na ons vertrek uit Zuid-Amerika kreeg hij zijne straf op de gewone manier: door eerst te worden overwonnen, toen gevangen genomen, en eindelijk onthoofd.
Lima ligt op eene vlaktemiddenin eene vallei, die gedurende het langzame wijken der zee gevormd is. Haar afstand tot Callao bedraagt zeven mijlen, en hare hoogte boven deze plaats 500 voet; maar wijl de glooiing zeer geleidelijk is, schijnt de weg volkomen horizontaal. Dit verklaart waarom men, te Lima gekomen, moeilijk zelfs kan gelooven dat men één honderd voet gestegen is. Humboldt heeft op dit eigenaardige, bedriegelijke feit gewezen. Steile, kale heuvels verrijzen als eilanden uit de vlakte, die door rechte modderbanken in groote, groene velden is verdeeld. Met uitzondering van enkele wilgen, en hier en daar eene groep banaan- en oranjeboomen, groeit op deze velden bijna geen enkele boom. De stad Lima verkeert nu in een treurigen staat van verval; de straten zijn bijna ongeplaveid, en in alle richtingen ontwaart men hoopen vuil, waaruit de zwartegallinazos, tam als kippen, stukken aas oppikken. De huizen hebben in ’t algemeen eene bovenverdieping, die om de aardbevingen van gepleisterd houtwerk is gemaakt; maar eenige oude, welke nu door verscheidene familiën bewoond worden, zijn verbazend groot en zouden in hunne rijen van vertrekken met de fraaiste huizen van elderskunnen wedijveren. Lima, de Stad der Koningen, moet weleer eene weelderige stad geweest zijn. Het bijzonder groot aantal kerken geeft haar, zelfs nog heden, een eigenaardig en treffend karakter, vooral wanneer men dit alles van nabij ziet.
Op zekeren dag ging ik met eenige kooplieden in de onmiddellijke nabijheid der stad op jacht. Onze vangst was zeer karig; maar ik had gelegenheid de puinhoopen van een oud Indiaansch dorp te zien, met zijn grafheuvel, evenals een natuurlijke heuvel, in het midden. De overblijfsels der huizen, omheiningen, besproeiingskanalen en grafheuvels, welke over deze vlakte verspreid liggen, laten niet na den bezoeker een hoog denkbeeld te geven van de maatschappelijke welvaart en de talrijkheid der oude bevolking. Let men op hun aardewerk, wollen kleederen en sierlijk gevormd keukengereedschap van het hardste gesteente;op hunne koperen werktuigen, versieringen van edelgesteenten, hunne paleizen en waterleidingwerken—dan moet men wel eerbied koesteren voor de verbazende vorderingen, door hen in de beschavingskunsten gemaakt. De grafheuvels, Huacas genaamd, zijn inderdaad verbazingwekkend, al schijnen zij ook op sommige plaatsen natuurlijke heuvels te wezen, die afgestoken en vervormd zijn. Men vindt hier nog eene andere en zeer verschillende soort van ruïnen, welke eenige belangstelling verdienen, namelijk die van oud Callao, dat door eene zeegolf die de groote aardbeving van 28 October 1746 vergezelde, overstroomd werd.21De verwoesting moet toen zelfs nog grooter geweest zijn dan te Talcahuano. Hoopen grof keizand verbergen bijna de fundamenten der muren, en groote stukken metselwerk schijnenals kiezelsteenen door de golven rondgedraaid te zijn. Men heeft beweerd, dat het land tijdens deze gedenkwaardige aardbeving zonk (dat een deel der kust bij Callao in eene baai veranderde, zegt Lyell duidelijk in zijnePrinciples of Geology); maar hiervan kon ik geen bewijs ontdekken. Toch lijkt mij dit verre van onwaarschijnlijk; want sedert de stichting der oude stad moet de kust zeker eenige verandering ondergaan hebben, daar niemand, die bij zijn gezonde verstand is, vrijwillig de smalle strook zand tot woonplaats zou hebben gekozen, waarop nu de puinhoopen staan. Sedert onze reis, is Tschudi door vergelijking van oude en nieuwe kaarten tot de gevolgtrekking gekomen, dat de kust ten noorden en ten zuiden van Lima zonder twijfel gezonken is.
Op het eiland San Lorenzo zijn zeer voldoende bewijzen van landrijzing in het hedendaagsche tijdperk—wat natuurlijk niet in strijd is met de meening, dat later eene kleine daling van den grond heeft plaats gehad. De zijde van het eiland tegenover de Baai van Callao is in drie onduidelijke terrassen uitgehold, waarvan het onderste eene mijl ver bedekt is met eene bedding of laag, bijna geheel uit schelpen bestaande, die tot 18 thans in de naburige zee levende soorten behooren. De hoogte dezer bedding bedraagt 85 voet. Vele van deze schelpen zijn ver weggeteerd, en zien er veel ouder en verweerder uit, dan die op 500 of 600 voet hoogte op de kust van Chili. Zij zijn vergezeld van veel steenzout, een weinig zwavelzure kalk (beiden vermoedelijk ontstaan door indroging en verdamping van het zeeschuim, terwijl het land langzaam rees), benevens zwavelzure soda en chloorcalcium (CaCl2). Zij rusten op brokstukken van den onderliggenden zandsteen, en zijn eenige inches dik met rotspuin bedekt. De hooger op dit terras liggende schelpen bleken, bij onderzoek, af te schilferen en vielen tot een fijn poeder uiteen. Eindelijk vond ik op een boventerras, ter hoogte van 170 voet, alsmede op eenige aanmerkelijk hoogere punten, eene laag zoutachtig poeder van volmaakt hetzelfde voorkomen, en betrekkelijk evenzoo gelegen. Ik twijfel nietof deze bovenlaag vormde oorspronkelijk eene bedding schelpen, evenals die op de 85 voet hooge klip; maar thans bezit zij geen spoor meer van organische structuur. De heer Reeks heeft het poeder voor mij onderzocht: het bestond uit sulphaten en chloriden van calcium en natrium, met zeer geringe bijmengsels van koolzure kalk. Het is bekend, dat groote hoeveelheden steenzout en koolzure kalk, eenigen tijd vermengd zijnde, elkander gedeeltelijk ontleden, wat echter met kleine opgeloste hoeveelheden niet gebeurt. Daar de half vergane schelpen in de lagere gedeelten vergezeld zijn van veel steenzout, benevens eenige van de zouthoudende stoffen die de zoutachtige bovenlaag vormen; daar verder deze schelpen op merkwaardige wijze verteerd en vervallen zijn, vermoed ik sterk, dat deze dubbele ontleding hier heeft plaats gehad. In dat geval moeten de resulteerende zouten zijn: koolzure soda en chloorcalcium, waarvan het laatste wèl, het eerste niet aanwezig is. Dit leidt mij tot de onderstelling, dat de koolzure soda door tot nu toe onverklaarbare werkingen in het zwavelzure zout wordt omgezet. Het is duidelijk, dat de zoutlaag niet bewaard had kunnen blijven in een land, waar nu en dan overvloedig regen valt; maar tevens is juist deze omstandigheid—namelijk, dat het steenzout niet is weggespoeld geworden—welke op het eerste gezicht zoo uiterst gunstig lijkt voor het langdurige behoud van onbeschutte schelpen, waarschijnlijk de zijdelingsche oorzaak geweest van hare ontbinding en vroegtijdig verval.
Met zeer veel belangstelling vond ik, 85 voet hoog op het terras, eenige stukjes katoendraad, gevlochten bies, en den knop van een Indiaansch-hoornen stok: allesbedolventusschen de schelpen en velerlei afval, dat uit zee was aangespoeld. Ik vergeleek deze overblijfsels met andere van dien aard, welke uit deHuacasof oude Indiaansche grafheuvels waren opgedolven, en vond dat zij er eender uitzagen. Bij Bellavista, op het vasteland tegenover San Lorenzo, ligt eene uitgestrekte, effen en ongeveer honderd voet hooge vlakte, waarvan het benedengedeelte bestaat uitafwisselende lagen zand en onzuivere klei, benevens wat grint; terwijl de oppervlakte drie tot zes voet diep uit een roodachtig leem bestaat, met hier en daar enkele zeeschelpen, en verder talrijke kleine stukken grof rood aardewerk, welke op sommige plaatsen menigvuldiger zijn dan op andere. Eerst was ik geneigd te gelooven, dat deze bovenbedding wegens hare groote uitgestrektheid en effen oppervlakte onder de zee moest afgezet zijn; maar later vond ik eene plek, waar bleek, dat zij op een kunstvloer van ronde steenen lag. Het komt mij daarom hoogst waarschijnlijk voor, dat er in een tijd toen het land op lager peil stond, eene vlakte was, zeer gelijkend op die welke thans Callao omringt en, door een strand van grof grint beschermd, slechts zeer weinig boven den zeespiegel gerezen is. Ik stel mij voor, dat op deze vlakte met hare onderliggende roode-kleibeddingen de Indianen hunne aarden potten maakten; voorts, dat de zee gedurende eene hevige aardbeving over het strand sloeg en de vlakte in een tijdelijk meer veranderde, zooals in 1713 en 1746 rondom Callao gebeurde. Het water zou dan modder hebben afgezet, waarin stukken steengoed uit de pannenbakkerijen, die op sommige plekken talrijker waren dan op andere, vermengd met zeeschelpen. Deze bedding met haar fossiel aardewerk ligt op ongeveer dezelfde hoogte als de schelpen op het benedenterras van San Lorenzo, waarin de katoendraden en andere overblijfselen begraven lagen. Uit dit feit mogen wij met zekerheid besluiten, dat er in het Indiaansche tijdvak der geschiedenis van het menschdom eene rijzing is geweest vanmeerdan 85 voet, zooals wij boven zeiden, want van die rijzing is een klein deel verloren gegaan, omdat de kust sedert de vervaardiging der oude kaarten gedaald is. Ofschoon de rijzing te Valparaiso in de 220 jaren vóór ons bezoek niet meer dan 19 voet kan hebben bedragen, is daar echter na 1817 eene deels onmerkbare, en gedurende de aardbeving van 1822 deels plotselinge rijzing geweest van tien of elf voet. De ouderdom van het Indiaansche ras alhier—te oordeelen naar de 85-voet hooge rijzing van het land sedert deoverblijfsels bedolven werden—is des te merkwaardiger, wijl deMacrauchenia(de uitgestorven dieren, wier geraamten in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden worden) nog leefde op de kust van Patagonië, toen het land daar ongeveer evenveel voeten lager stond; maar wijl de kust van Patagonië op eenigen afstand van de Cordilleras ligt, is de rijzing daar mogelijk langzamer geweest dan hier. Te Bahia Blanca heeft de rijzing slechts één voet bedragen, sedert de talrijke reusachtige viervoetige dieren er begraven werden; en zooals algemeen wordt aangenomen, bestond de mensch nog niet toen deze uitgestorven dieren leefden. Misschien staat echter de rijzing van dat gedeelte der Patagonische kust in geen enkel verband tot de Cordilleras, maar eerder tot eene reeks oude vulkanische gesteenten in Oost Banda, zoodat zij oneindig langzamer geschied kan zijn dan op de kusten van Peru. Het is intusschen wel duidelijk, dat al deze bespiegelingen vaag moeten zijn; want wie zal durven zeggen, dat er niet verscheidene perioden van daling zijn geweest, zich inschakelend tusschen de rijzende bewegingen? Weten wij niet met zekerheid, dat er langs de geheele kust van Patagonië in de rijzende werking der opstuwende krachten vele en langdurige tijdperken van rust geweest moeten zijn?22
1Arbeiders, die de ertsen of delfstoffen naar buiten brengen.2Zoo noemde men de kolonisten, die in de 16de en 17de eeuw uit Frankrijk naar St.-Domingo gingen, en hier op wilde ossen jacht maakten. Later veranderden zij in stroopers, roofjagers en kapers. De naam stamt af van het Karaïbische woordboucan(een houten rooster waarop vleesch wordt gerookt).(Vert.)3Van deze schelpen heeft Prof. E. Forbes eene lijst gezien.4Tegenwoordig staat het koper, wat zijne productie betreft, bovenaan. Terwijl in 1806 slechts vier kopermijnen bij Copiapó in exploitatie waren, bedroeg dit cijfer in 1842 reeds 40, en in 1853 zelfs 116. Van 1861 tot 1864 produceerde Chili voor eene waarde van 49.102871pesos(1peso= francs 1.91 of ruim 90 cents), of gemiddeld 12.275718 pesos per jaar. In 1881 steeg dit bedrag tot 16.359809 pesos. In 1902 werd geëxporteerd:voor17.123000pesos aan koper.voor2.520000pesos aan zilver.voor1.624000pesos aan goud.(Vert.)5Copiapó werd ook verwoest in 1773, 1796 en 1819. Het grootste deel der zilverertsgangen ligt in de provincie Atacama, waarvan Copiapó de hoofdstad is. Behalve het zilverdistrict Chagnarcillo, zijn ook beroemd die van Tres Puntas en Caracoles. Zij liggen allen in de Jura-formatie, welke in Chili zeer sterk ontwikkeld is, en zich van de vlakte uit tot ver in de dalen der Cordilleras uitstrekt.(Vert.)6Deel II en IV vanRelation historique. Voor de opmerkingen over Guyaquil: zie Silliman’s Journal, deel XXIV, blz. 384. Voor die over Tacna door Hamilton: zieTransact. of British Association 1840. Voor die over Coseguina: zie Caldcleugh in Philos. Transact. 1835. In de eerste uitgaaf verzamelde ik verscheidene berichten over het gelijktijdig optreden van aardbevingen en plotselinge dalingen van den barometer, alsook van aardbevingen en luchtverschijnselen.7G. P. J. Scrope (1797–1876) vermaard Engelsch geoloog, vooral bekend door zijne studiën over vulkanen. Hij schreef o.a.:Considerations on Volcanoes(1825);Volcanoes(2de Ed. 1872);Extinct Volcanoes of Central France(1858), behalve eene menigte verhandelingen.(Vert.)8“Observac. sobre el Clima de Lima,” blz. 67—Azara’s Reizen, deel I, blz. 381—Ulloa’s Reis, deel II, blz. 28—Burchell “Travels,” deel II, blz. 524—Webster “Description of the Azores,” blz. 124—“Voyage à l’Isle de France par un officier du Roi,” deel I, blz. 248—“Description of Sint Helena,” blz. 123.9Carl Ochsenius stelt dien afstand gelijk aan achtDuitscheof geographische mijlen. Zie “Chile, Land und Leute.”(Vert.)10Die geraamten werden daar gevonden met de beenderen van uitgestorven quartaire zoogdieren.(Vert.)11Temple zegt in zijneReizen door Opper-Peru of Bolivia: “Ik zag op mijn tocht van Potosi naar Oruro de puinhoopen van vele Indiaansche dorpen of woningen, zelfs tot aan de toppen der bergen, welke getuigden van eene vroegere bevolking op plaatsen, die nu geheel verlaten zijn.”—Elders doet hij soortgelijke opmerkingen; maar ik kan niet zeggen of deze verlatenheid een gevolg is van gebrek aan bevolking, dan van eene veranderde gesteldheid van het land.12Algarroba is de Spaansche naam van het Johannisbrood (vrucht). De boom zelf heet Algarrobo, Algarrobero of AlgarroberaCeratonia siliquaofProcopis siliquastrum.(Vert.)13Edinburg Phil. Journ., Jan. 1830, blz. 74; en April 1830 blz. 258. Zie ook Daubeny:A description of active and extinct Volcanoes, London 1858; enBengal Journal, deel VII, blz. 324.14Iquique telde omstreeks 1882 nog 9000 en thans circa 40100 inwoners. Zij is de hoofdstad der salpeterrijke provincie Tarapacá, die vroeger tot Peru behoorde, maar na den oorlog tusschen Chili en de geallieerden (Peru en Bolivia) in 1879 in het bezit van Chili kwam.(Vert.)1518 gallons zijn ongeveer gelijk aan 81,78 liter.(Vert.)16In 1881 bedroeg de uitvoer 26.473511 pesos, en in 1902 zelfs 126.407000 pesos, of respect. circa 50.564400 en 241.437300 francs. In 1908 steeg de uitvoer zelfs tot 440 mill. francs. In Europa dient het Chili- of natronsalpeter als meststof en tot bereiding van het voor de kruitfabricatie noodige kalisalpeter.(Vert.)17“Essai politique sur le Royaume de la Nouvelle Espagne.” (Engelsche vertaling:Political Essay on the Kingdom of New Spain, deel IV, blz. 199).18Een dergelijk belangwekkend geval wordt medegedeeld in de “Madras Medical Journal,” 1839 blz. 340. Dr. Ferguson toont in zijn uitnemend opstel (Edinburg Royal Transact.,deel 9) duidelijk aan, dat het gif bij het drogings-proces ontstaat. Vandaar dat droge, heete landen dikwijls het ongezondst zijn.19Peru werd onafhankelijk verklaard (van Spanje) op 28 Juli 1821. Zijne constitutie dateert van 18 Oct. 1856 en 25 Nov. 1860.(Vert.)20In October 1820.21Tijdens deze aardbeving werden in de eerste 24 uren 200 schokken gevoeld. Van de 23 groote en kleine schepen, die in de haven van Callao lagen, zonken er 19, terwijl de 4 andere—waaronder een fregat—door het geweld der golven op het strand werden gezet. Slechts 200 van de 4000 inwoners ontkwamen den dood. Een klein stuk van het fort Vera Cruz was al hetgeen van de stad overbleef.(Vert.)22Enkele tientallen van jaren geleden waren de meeste geleerden—waaronder ook Darwin—van meening, dat de mensch geen tijdgenoot kon geweest zijn van de in het Diluvium uitgestorven zoogdieren. Wel was met voldoende zekerheid aangetoond, dat onze voorouders bij het begin der beschavingsgeschiedenis—minstens 12,000 jaren geleden—op een vrij hoogen trap van cultuur stonden, wat landbouw, veeteelt, metaalbewerking en pottenbakkerskunst betrof. In de laatste jaren zijn echter een aantal skeletten en skeletdeelen van menschen gevonden, die, gevoegd bij eene menigte in holen en rotsnissen verzamelde steenen werktuigen van grover en fijner maaksel, de geleerden in staat hebben gesteld het bestaan van den mensch veel verder in het verleden te vervolgen, en wel door het geheele diluviale tijdvak heen (met inbegrip van den ijstijd), tot ongeveer aan het begin. De duur van hetDiluviumwordt geschat op minstens 150,000 (door Penck zelfs op ± 700,000) jaren. Vooral de karakteristieke ruwe vuursteenen bijl—de zoogenaamdeChelléen-bijl, heeft als wegwijzer gediend. Deze bijl komt algemeen voor in Frankrijk en België, verder ook in Engeland, Duitschland, Italië, Spanje, Noord-Afrika, en in Noord- en Zuid-Amerika. Daaruit blijkt, dat de mensch reeds in het oud-diluvium een groot deel der Oude en Nieuwe Wereld bewoonde, en dus een tijdgenoot was van de meeste groote zoogdieren, als: mammoethen (en nog oudere soorten van olifanten), holenberen, holentijgers (waaronder van 3 met. lengte), reuzenherten, voorwereldlijke paarden en vele andere dieren, waarop hij jacht maakte en die sedert uitgestorven zijn.De wetenschap heeft echter haar onderzoek voortgezet en vrij overtuigende bewijzen gevonden, dat de mensch reeds in deoud-plioceenperiode (nl. de jongste afdeeling van het Tertiaire Tijdvak) steenen werktuigen heeft vervaardigd, die intusschen zeer primitief zijn. Skeletdeelen van menschen uit die overoude periode zijn echter tot heden niet gevonden. Den tijd, die sedert het oud-plioceen verloopen is, schat Penck op 2–4 millioenen jaren; maar ook al schat men dien (om met Prof. Steinmann te spreken) op het minimum van slechts 400,000 jaren, dan wijst dit cijfer toch op dien buitengewoon hoogen ouderdom van het menschengeslacht. De meening van verscheidene geleerden (Haeckel, Credner e. a.), als zou de ontwikkeling van den mensch uit placenta-zoogdieren (nl. uit de meest volkomenmenschapen) in het midden- of laatste gedeelte van het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad, heeft dus door de jongste onderzoekingen nieuw voedsel gekregen.(Noot van den Vert.)
1Arbeiders, die de ertsen of delfstoffen naar buiten brengen.
2Zoo noemde men de kolonisten, die in de 16de en 17de eeuw uit Frankrijk naar St.-Domingo gingen, en hier op wilde ossen jacht maakten. Later veranderden zij in stroopers, roofjagers en kapers. De naam stamt af van het Karaïbische woordboucan(een houten rooster waarop vleesch wordt gerookt).
(Vert.)
3Van deze schelpen heeft Prof. E. Forbes eene lijst gezien.
4Tegenwoordig staat het koper, wat zijne productie betreft, bovenaan. Terwijl in 1806 slechts vier kopermijnen bij Copiapó in exploitatie waren, bedroeg dit cijfer in 1842 reeds 40, en in 1853 zelfs 116. Van 1861 tot 1864 produceerde Chili voor eene waarde van 49.102871pesos(1peso= francs 1.91 of ruim 90 cents), of gemiddeld 12.275718 pesos per jaar. In 1881 steeg dit bedrag tot 16.359809 pesos. In 1902 werd geëxporteerd:
voor17.123000pesos aan koper.voor2.520000pesos aan zilver.voor1.624000pesos aan goud.
(Vert.)
5Copiapó werd ook verwoest in 1773, 1796 en 1819. Het grootste deel der zilverertsgangen ligt in de provincie Atacama, waarvan Copiapó de hoofdstad is. Behalve het zilverdistrict Chagnarcillo, zijn ook beroemd die van Tres Puntas en Caracoles. Zij liggen allen in de Jura-formatie, welke in Chili zeer sterk ontwikkeld is, en zich van de vlakte uit tot ver in de dalen der Cordilleras uitstrekt.
(Vert.)
6Deel II en IV vanRelation historique. Voor de opmerkingen over Guyaquil: zie Silliman’s Journal, deel XXIV, blz. 384. Voor die over Tacna door Hamilton: zieTransact. of British Association 1840. Voor die over Coseguina: zie Caldcleugh in Philos. Transact. 1835. In de eerste uitgaaf verzamelde ik verscheidene berichten over het gelijktijdig optreden van aardbevingen en plotselinge dalingen van den barometer, alsook van aardbevingen en luchtverschijnselen.
7G. P. J. Scrope (1797–1876) vermaard Engelsch geoloog, vooral bekend door zijne studiën over vulkanen. Hij schreef o.a.:Considerations on Volcanoes(1825);Volcanoes(2de Ed. 1872);Extinct Volcanoes of Central France(1858), behalve eene menigte verhandelingen.
(Vert.)
8“Observac. sobre el Clima de Lima,” blz. 67—Azara’s Reizen, deel I, blz. 381—Ulloa’s Reis, deel II, blz. 28—Burchell “Travels,” deel II, blz. 524—Webster “Description of the Azores,” blz. 124—“Voyage à l’Isle de France par un officier du Roi,” deel I, blz. 248—“Description of Sint Helena,” blz. 123.
9Carl Ochsenius stelt dien afstand gelijk aan achtDuitscheof geographische mijlen. Zie “Chile, Land und Leute.”
(Vert.)
10Die geraamten werden daar gevonden met de beenderen van uitgestorven quartaire zoogdieren.
(Vert.)
11Temple zegt in zijneReizen door Opper-Peru of Bolivia: “Ik zag op mijn tocht van Potosi naar Oruro de puinhoopen van vele Indiaansche dorpen of woningen, zelfs tot aan de toppen der bergen, welke getuigden van eene vroegere bevolking op plaatsen, die nu geheel verlaten zijn.”—Elders doet hij soortgelijke opmerkingen; maar ik kan niet zeggen of deze verlatenheid een gevolg is van gebrek aan bevolking, dan van eene veranderde gesteldheid van het land.
12Algarroba is de Spaansche naam van het Johannisbrood (vrucht). De boom zelf heet Algarrobo, Algarrobero of AlgarroberaCeratonia siliquaofProcopis siliquastrum.
(Vert.)
13Edinburg Phil. Journ., Jan. 1830, blz. 74; en April 1830 blz. 258. Zie ook Daubeny:A description of active and extinct Volcanoes, London 1858; enBengal Journal, deel VII, blz. 324.
14Iquique telde omstreeks 1882 nog 9000 en thans circa 40100 inwoners. Zij is de hoofdstad der salpeterrijke provincie Tarapacá, die vroeger tot Peru behoorde, maar na den oorlog tusschen Chili en de geallieerden (Peru en Bolivia) in 1879 in het bezit van Chili kwam.
(Vert.)
1518 gallons zijn ongeveer gelijk aan 81,78 liter.
(Vert.)
16In 1881 bedroeg de uitvoer 26.473511 pesos, en in 1902 zelfs 126.407000 pesos, of respect. circa 50.564400 en 241.437300 francs. In 1908 steeg de uitvoer zelfs tot 440 mill. francs. In Europa dient het Chili- of natronsalpeter als meststof en tot bereiding van het voor de kruitfabricatie noodige kalisalpeter.
(Vert.)
17“Essai politique sur le Royaume de la Nouvelle Espagne.” (Engelsche vertaling:Political Essay on the Kingdom of New Spain, deel IV, blz. 199).
18Een dergelijk belangwekkend geval wordt medegedeeld in de “Madras Medical Journal,” 1839 blz. 340. Dr. Ferguson toont in zijn uitnemend opstel (Edinburg Royal Transact.,deel 9) duidelijk aan, dat het gif bij het drogings-proces ontstaat. Vandaar dat droge, heete landen dikwijls het ongezondst zijn.
19Peru werd onafhankelijk verklaard (van Spanje) op 28 Juli 1821. Zijne constitutie dateert van 18 Oct. 1856 en 25 Nov. 1860.
(Vert.)
20In October 1820.
21Tijdens deze aardbeving werden in de eerste 24 uren 200 schokken gevoeld. Van de 23 groote en kleine schepen, die in de haven van Callao lagen, zonken er 19, terwijl de 4 andere—waaronder een fregat—door het geweld der golven op het strand werden gezet. Slechts 200 van de 4000 inwoners ontkwamen den dood. Een klein stuk van het fort Vera Cruz was al hetgeen van de stad overbleef.
(Vert.)
22Enkele tientallen van jaren geleden waren de meeste geleerden—waaronder ook Darwin—van meening, dat de mensch geen tijdgenoot kon geweest zijn van de in het Diluvium uitgestorven zoogdieren. Wel was met voldoende zekerheid aangetoond, dat onze voorouders bij het begin der beschavingsgeschiedenis—minstens 12,000 jaren geleden—op een vrij hoogen trap van cultuur stonden, wat landbouw, veeteelt, metaalbewerking en pottenbakkerskunst betrof. In de laatste jaren zijn echter een aantal skeletten en skeletdeelen van menschen gevonden, die, gevoegd bij eene menigte in holen en rotsnissen verzamelde steenen werktuigen van grover en fijner maaksel, de geleerden in staat hebben gesteld het bestaan van den mensch veel verder in het verleden te vervolgen, en wel door het geheele diluviale tijdvak heen (met inbegrip van den ijstijd), tot ongeveer aan het begin. De duur van hetDiluviumwordt geschat op minstens 150,000 (door Penck zelfs op ± 700,000) jaren. Vooral de karakteristieke ruwe vuursteenen bijl—de zoogenaamdeChelléen-bijl, heeft als wegwijzer gediend. Deze bijl komt algemeen voor in Frankrijk en België, verder ook in Engeland, Duitschland, Italië, Spanje, Noord-Afrika, en in Noord- en Zuid-Amerika. Daaruit blijkt, dat de mensch reeds in het oud-diluvium een groot deel der Oude en Nieuwe Wereld bewoonde, en dus een tijdgenoot was van de meeste groote zoogdieren, als: mammoethen (en nog oudere soorten van olifanten), holenberen, holentijgers (waaronder van 3 met. lengte), reuzenherten, voorwereldlijke paarden en vele andere dieren, waarop hij jacht maakte en die sedert uitgestorven zijn.
De wetenschap heeft echter haar onderzoek voortgezet en vrij overtuigende bewijzen gevonden, dat de mensch reeds in deoud-plioceenperiode (nl. de jongste afdeeling van het Tertiaire Tijdvak) steenen werktuigen heeft vervaardigd, die intusschen zeer primitief zijn. Skeletdeelen van menschen uit die overoude periode zijn echter tot heden niet gevonden. Den tijd, die sedert het oud-plioceen verloopen is, schat Penck op 2–4 millioenen jaren; maar ook al schat men dien (om met Prof. Steinmann te spreken) op het minimum van slechts 400,000 jaren, dan wijst dit cijfer toch op dien buitengewoon hoogen ouderdom van het menschengeslacht. De meening van verscheidene geleerden (Haeckel, Credner e. a.), als zou de ontwikkeling van den mensch uit placenta-zoogdieren (nl. uit de meest volkomenmenschapen) in het midden- of laatste gedeelte van het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad, heeft dus door de jongste onderzoekingen nieuw voedsel gekregen.
(Noot van den Vert.)