Hoofdstuk XVII.

Hoofdstuk XVII.De Galápagos-Archipel.15 September 1835.Deze archipel bestaat uit tien hoofdeilanden, waarvan vijf de anderen aanmerkelijk in grootte overtreffen, en ligt onder den evenaar, op een afstand van vijf- tot zeshonderd mijlen van de Amerikaansche kust. Zij zijn allen uit vulkanische gesteenten gevormd, want enkele stukken graniet van eene eigenaardige, door de hitte gewijzigde kristallijnen structuur, kunnen nauwelijks als eene uitzondering worden beschouwd. Sommige kegels of kraters, die zich op de grootere eilanden verheffen, zijn verbazend groot en bezitten eene hoogte van 3000 tot 4000 voet. Hunne hellingen zijn bezaaid met tallooze kleinere openingen. Bijna zonder aarzelen durf ik zeggen, dat er in den geheelen archipel minstens 2000 kraters zijn. Deze bestaan òf uit lava en slakken, òf uit fijn gelaagde, zandsteenachtige tuf.1Kraters van laatstgenoemde soort, waarvan de meesten een fraaien symmetrischen vorm bezitten, hebben hun ontstaan te danken aan uitbarstingen van vulkanische modder zonder lava. Het is een opmerkelijk feit, dat bij alle 28 tufsteen-kraters die onderzocht werden, de zuidelijke hellingen òf veel lager dan de andere zijden, òf geheel vernield en gesloopt waren. Daar al deze kraters klaarblijkelijk in zee zijn gevormd, en de door den passaatwindvoortgezweepte golven benevens de deining uit volle zee hare krachten hier op de zuidelijke kusten van al deze eilanden samentrekken, laat die zonderlinge overeenstemming in den gebroken vorm der uit de zachte en buigzame tuf samengestelde kraters, zich gemakkelijk verklaren.Zoo men bedenkt, dat deze eilanden onmiddellijk onder den evenaar liggen, dan is het klimaat verre van buitengewoon heet. Dit schijnt in hoofdzaak een gevolg van de bijzonder lage temperatuur van het omgevende water, hetwelk door den grooten Zuidpool-stroom hierheen wordt gevoerd. Eene korte poos uitgezonderd, regent het hier zeer weinig en dan nog ongeregeld; maar de wolken hangen meestal laag. Dit heeft ten gevolge, dat, terwijl de lagere gedeelten der eilanden zeer dor zijn, de bovengedeelten ter hoogte van een duizend voet, en daarboven, een vochtig klimaat met een rijken en weligen plantengroei bezitten. Vooral is dit het geval aan de windzijden der eilanden, welke de vochtdeelen uit den dampkring het eerst ontvangen en verdichten.Op den morgen van den 17den landden wij op het eiland Chatham,2dat, evenals de andere, een vlakronden omtrek heeft, hier en daar afgebroken door lage, verspreid staande heuvels—de overblijfsels van vroegere kraters. Niets kon minder aantrekkelijk zijn dan de eerste aanblik van dit eiland. Men stelle zich voor eene woest golvende oppervlakte van zwarte basaltlava, die in de wildste stroomen heeft gevloeid, doorsneden van groote scheuren, en overal bedekt met een kwijnend, verschroeid kreupelhout, dat weinig teekenen van leven vertoont. Door de middagzon verwarmd, verwekte die droge, geblakerde oppervlakte een gevoel van drukkende hitte in de lucht, evenals die van een kachel; ik verbeeldde mij zelfs, dat de struiken branderig roken. Ofschoon ik al mijn best deed zooveel planten te verzamelen als mogelijk was, kon ik er maar weinige bijeenbrengen; en die kleine kruiden zagen er zoo armzalig uit,dat zij beter bij eene arctische dan bij eene equatoriale flora gepast zouden hebben. Op eenigen afstand gezien, schijnt het kreupelhout even bladerloos als onze boomen in den winter; en het duurde eenigen tijd voor ik ontdekte, dat niet alleen bijna elke plant nu geheel in blad stond, maar dat de meesten ook in bloei stonden. De meest voorkomende struik behoort tot deEuphorbiaceae,3terwijl eene acacia en een groote, vreemd uitziende cactus de eenige boomen zijn, die eenige schaduw geven. Men zegt, dat na het seizoen der hevige regens de eilanden er korten tijd gedeeltelijk groen uitzien. Het vulkanische eiland Fernando Noronha, dat in vele opzichten in bijna gelijke omstandighedenverkeert, is de eenige andere plek waar ik een plantengroei gezien heb, geheel gelijk aan die der Galápagos-Eilanden.De Galápagos-Eilanden.De Galápagos-Eilanden.DeBeaglezeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort, waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend; gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben; de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti, verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.DeBeaglezeilde verder naar het eiland Charles. De Galápagos-archipel is lang bezocht geworden—eerst door de boekaniers, en later door walvischvaarders; maar pas in de laatste zes jaren heeft zich eene kleine kolonie op dit eiland gevestigd. Het aantal inwoners bedraagt twee tot driehonderd4—zijnde bijna allen kleurlingen, die om politieke misdrijven uit de Republiek Ecuador, waarvan Quito de hoofdstad is, verbannen zijn. De kolonie ligt omstreeks 4½ mijl landwaarts in, op eene hoogte van waarschijnlijk 1000 voet. Op het eerste gedeelte van den weg trokken wij door bladerlooze kreupelbosschen, evenals op het eiland Chatham. Hooger op werden de bosschen gaandeweg groener; en nauwelijks bereikten wij het hoogste punt van het eiland, of eene heerlijke, zuidelijke koelte woei ons tegemoet, terwijl eene groene en welige plantenwereld ons oog verkwikte. In deze bovenstreek is overvloed van grof gras en varens; maar boomvarens ontbreken. Nergens zag ik een vertegenwoordiger van de familie der palmen: wat des te zonderlinger is, omdat het 360 mijlen noordwaarts gelegen Kokos-eiland zijn naam ontleent aan den overvloed van kokosnoten. De huizen zijn ongeregeld over eene vlakke ruimte verspreid, die met Spaansche bataten5en bananen bebouwd is. Men zal zich niet licht kunnen voorstellen, hoe aangenaam het ons was, na zulk een lang verblijf op den verdroogden bodem van Peru en Noord-Chili, eindelijk eens zwarte modder te zien. Hoewel de bewoners over armoede klagen, vinden zij toch zonder veel moeite hun middel van bestaan. In de bosschen zijn tal van wilde zwijnen en geiten; maar het voornaamste dierlijk voedsel leveren hier de schildpadden. Ofschoon het aantal dezer dieren natuurlijk zeerverminderd is, rekenen de bewoners toch, dat twee dagen jagens hun voedsel genoeg verschaft voor de vijf overige dagen der week. Men zegt, dat enkele schepen er vroeger tot 700 hebben medegenomen, en dat de bemanning van een fregat eenige jaren geleden twee honderd schildpadden op één dag naar het strand voerde.29 September.Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte, kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid, evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank’s Cove op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging, om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater waarin deBeaglevoor anker lag, verrees een andere van fraaien, symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500 voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet; en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water—doch vond dit tot mijn groote spijtzoozout als pekel.De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange, zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in hare holen. Strakszal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle is ellendig dor.8 October.Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl deBeaglewater ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden, die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden, terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt; maar de boomen waren hier hooger, en veleervanbereikten twee voet, sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er aan gebraden (zooals de Gauchos huncarne con cuero), smaakt zeer goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren; maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun walvischvaartuig naar eenesalina, of meer waaruit zout gehaald wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief, die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem desalinalag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreefop eene laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten: wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt, bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt; en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn, weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke laarzen aan, hoogst onaangenaam was.De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig, en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden; toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika, niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong verleden de oceaanzich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen tot dat groote feit—het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.Onder de landzoogdieren is er slechts één, dat als inheemsch moet worden beschouwd, namelijk eene soort muis (Mus Galapagoensis), die, voor zoover ik kon nagaan, tot het eiland Chatham (het oostelijkste van den archipel) beperkt is. Naar Waterhouse mij bericht, behoort zij tot eene aan Amerika eigen afdeeling der muizenfamilie. Op het eiland James leeft eene rat, die zoozeer van de gewone soort verschilt, dat Waterhouse haar noemt en beschrijft; maar wijl zij tot de in de Oude Wereld levende afdeeling der familie behoort, en het gemelde eiland in de laatste 150 jaren herhaaldelijk door schepen is bezocht, kan ik er nauwelijks aan twijfelen, dat deze rat slechts eene variëteit is, voortgebracht door een nieuw en eigenaardig klimaat, door voedsel en bodem, aan welker vereenigde invloeden zij heeft blootgestaan. Hoewel niemand het recht heeft zonder stellige feitennatuurphilosophischebespiegelingen te maken, moet men toch—zelfs ten aanzien van de muis op het eiland Chatham—in ’t oog houden, dat zij wellicht eene uit Amerika hier ingevoerde soort is: welk vermoeden iets nader wordt bevestigd door het feit, dat ik in een der minst bezochte gedeelten van de Pampas eene levende inlandsche muis heb gezien onder het dak van eene pas gebouwde hut. Men mag daaruit afleiden, dat deze niet onwaarschijnlijk in een schip is meegekomen. Dergelijke feiten zijn door Dr. Richardson in Noord-Amerika waargenomen.6Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel eigen zijn, en nergens anders gevonden worden—behalve een leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus), die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal moerassen bewoont.7De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetendePolybori, met welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee soortenPyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne)purpureauit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend, dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika eigen is. De overige landvogels—uitmakende dertien soorten, die Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld—bestaan in eene zeereigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilieCactornis, die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is meêgebracht. De twee soortenCactornisof Cactusvogel kan men dikwijls om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de bekken der verschillende soortenGeospiza: te beginnen met een zoo groot als de bek van een kersebijter8tot dien van een beukvink,9en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilieCerthideain de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den grootsten bek bij het geslachtGeospizazien wij in Fig. 1, en den kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie derCerthideazien wij in Fig. 4. Die vanCactornisgelijkt eenigszins op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus) heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen, dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der aasetendePolyborivan het Amerikaansche vasteland te verrichten.1.Geospiza magnirostris.2.Geospiza fortis.3.Geospiza parvula.4.Certhidea olivasea.Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de veel grootere eigenaardigheid der landvogels—namelijk, dat 25 van de 26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn—bij de steltloopers en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen(hetzij zee- of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van dezen archipel.Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species, die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten, waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters, de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage), deTotanusen de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne overeenkomstige species, en—wat in ’t bijzonder de spotlijsters en denTotanusbetreft—donkerder dan elke andere species der beide geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van eene specieskleinermaken, ook de meeste inheemsche soorten van den Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijlsdonkerder van kleurmaken.Alle planten hebben een armzalig, onkruidachtig voorkomen, en ik zag geen enkele schoone bloem. Ook de insecten zijn klein van stuk en donker gekleurd, terwijl, naar Waterhouse mij bericht, hun uiterlijk in ’t algemeen niets bezit, wat hem deed denken dat zij uit de evenaars-zone afkomstig waren.10De vogels, planten en insecten drageneen woestijnachtig karakter, en zijn niet schitterender gekleurd dan die van Zuid-Patagonië. Wij mogen dus daaruit afleiden, dat het gewone bonte koloriet der tusschenkeerkrings-organismen niet in verband staat met de warmte of het licht dezer streken, maar met eene andere oorzaak—wellicht deze, dat in ’t algemeen de levensvoorwaarden gunstig zijn.Wij zullen nu overgaan tot de klasse der kruipende dieren, welke aan de fauna dezer eilanden het treffendste kenmerk verleent. De soorten zijn niet talrijk, maar het getalindividuënvan elke soort is buitengewoon groot. Men vindt er: eene kleine hagedis, die tot eene Zuidamerikaansche familie behoort; twee soorten (en waarschijnlijk meer)Amblyrhynchus—eene familie, die tot de Galápagos-Eilanden beperkt is; en talrijkeindividuënvan eene slang, die, zooals Bibron mij bericht, dezelfde is alsPsammophis Teminckiiuit Chili.11Van zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn er, geloof ik, meer dan ééne soort; en straks zullen wij zien, dat er twee of drie soorten of rassen van landschildpadden (Chersidae) zijn. Dat er geen padden (Bufonidae) en kikvorschen (Ranidae) waren, verwonderde mij, aangezien de gematigde temperatuur en de vochtige bovenbosschen zoozeer voor hen geschikt schenen. Ik herinnerde mij de opmerking, door Bory St.-Vincent gedaan, nl. dat er op geen der vulkanische eilanden in de oceanen een individudezer onderorde (Phaneroglossa) gevonden wordt.12Voor zoover ik in verschillende werken kon nagaan, schijnt dit voor den geheelen Stillen Oceaan te gelden, en zelfs voor de groote eilanden van den Sandwich-Archipel. Mauritius vormt schijnbaar eene uitzondering, want ik vond er deRana Mascariensisin overvloed. Volgens zeggen bewoont deze kikvorsch thans de Sechellen, Madagascar en Bourbon; daarentegen verklaart Du Bois in zijn “Voyage” in het jaar 1669, dat er op Bourbon geen kruipende dieren waren, uitgezonderd schildpadden; en deOfficier du Roiverzekert, dat er vóór 1768 vergeefsche pogingen zijn gedaan, om kikvorschen op Mauritius in te voeren, vermoedelijk om als voedsel te dienen; zoodat wel betwijfeld mag worden of deze kikvorsch een oorspronkelijke bewoner van genoemde eilanden is. Het ontbreken van de kikvorschen-familie op de eilanden der groote oceanen is des te merkwaardiger, om de tegenstelling daarvan met de hagedissen (Lacertidae),13die op de meeste kleinere eilanden wemelen. Zou dit verschil niet hieraan zijn toe te schrijven, dat de door kalkschalen beschermde eieren van hagedissen gemakkelijker door zout water vervoerd konden worden, dan het slijmige broedsel van kikvorschen?Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra, vroeger genoemdIndica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden, of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zijmoeten zijn. Sommige bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen, eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort bes (guayavitagenaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen, ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen, welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt, steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol—ongeveer tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elkdier drie of vier dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit, dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.Naar ik meen, is het eene uitgemaakte zaak, dat de blaas van den kikvorsen als reservoir dient van het vocht, dat het dier voor zijn leven noodig heeft; dit schijnt ook met de schildpad het geval te wezen. Eenigen tijd na een bezoek aan de bronnen is haar pisblaas door vloeistof gezwollen, die, naar men zegt, langzamerhand in volume afneemt, en minder zuiver wordt. Bewoners, die op hunne tochten in de lagere streken door dorst overvallen worden, maken dikwijls van deze omstandigheid gebruik, en drinken den inhoud der blaas, wanneer zij vol is. Ik zag een doode schildpad, bij wie de vloeistof volkomen helder, en alleen wat bitter van smaak was. Maar altijd drinken de bewoners eerst het water uit hetpericardium,14dat als best wordt beschreven.Als de schildpadden zich met opzet naar een zeker punt begeven, trekken zij dag en nacht, en bereiken het doel harer reis veel vroeger, dan men zou verwachten. Door vooraf gemerkte dieren in het oog te houden, zijn de bewoners tot de ontdekking gekomen, dat zij in twee of drie dagen een afstand van omtrent acht mijlen afleggen. Ik sloeg eene groote schildpad gade, die elke tien minuten 60 yards aflegde: dat is 360 yards15in het uur, of vier mijlen daags—na aftrek van een korten poos om onderweg te eten. Gedurende den broeitijd, als het mannetje en wijfje bij elkander zijn, laat het mannetje een schor gebrul of geloei hooren, dat, naar men zegt, meer dan honderd yards vergehoord kan worden. Het wijfje verheft nooit hare stem, en het mannetje alléén in deze tijden; men weet dus, bij het hooren van dit geluid, dat beiden te zamen zijn. Tijdens ons bezoek (October) waren zij aan het eieren leggen. Is de grond zandig, dan legt het wijfje de eieren bij elkander, en bedekt hen met zand; maar is de grond steenachtig, dan laat zij hen zonder onderscheid vallen in elk gat, dat zij ontmoet. Bynoe vond er zeven in eene spleet. Het ei is wit en bolvormig; ik mat er een van 7⅜ inches in omtrek—derhalve grooter dan een kippenei. Nauwelijks zijn de jonge schildpadden uitgebroed, of zij worden in menigte eene prooi van den aasetenden buizerd. De ouden schijnen meestal ten gevolge van ongelukken te sterven, bijv. door het vallen in een afgrond; althans, verscheidene bewoners verzekerden mij, dat zij nooit eene doode schildpad gezien hadden, die niet op noodlottige wijze gestorven was.De bewoners gelooven, dat deze dieren stokdoof zijn; en werkelijk hooren zij niet, dat iemand dicht achter hen loopt. Telkens wanneer ik een van deze groote monsters op hare rustige wandeling inhaalde, vermaakte het mij ze, op het oogenblik dat ik voorbijging, plotseling kop en pooten te zien intrekken, en onder het uiten van een scherp gesis met een zwaren plof als dood op den grond te zien vallen. Dikwijls ging ik op haren rug zitten, en gaf haar dan een paar tikken op het achterdeel van het schild—waarna zij opstonden en voortwandelden. Hetkosttemij echter veel moeite mijn evenwicht te bewaren. Het vleesch van dit dier wordt veel gegeten, zoowel versch als gezouten; en uit het vet wordt eene klare olie bereid. Als eene schildpad gevangen is, geeft men haar eene insnijding in de huid nabij den staart, om zoo in het lichaam te zien, of er eene dikke vetlaag onder het rugschild ligt. Is dit niet het geval, dan laat men het dier los, dat, zoo beweert men, spoedig van deze zonderlinge operatie geneest. Om zich van de schildpadden meester te maken, is het niet genoeg, dat men ze ondersteboven keert, zooals men de zeeschildpadden doet; want dikwijls gelukt het haar weer op de pooten te komen.Er kan weinig twijfel bestaan, of deze schildpad is eene oorspronkelijke bewoonster van de Galápagos-Eilanden, want men vindt haar op alle, of bijna alle eilanden, zelfs op eenige van de kleinere, waar geen water is; en dit had moeilijk het geval kunnen zijn in een zoo weinig bezochten archipel, indien zij eene ingevoerde species was. Bovendien vonden de oude boekaniers deze schildpad zelfs in nog grooter aantal dan nu; terwijl ook Wood en Rogers in 1708vermeldden, dat de Spanjaarden geloofden, dat zij op geen andere plek in dit werelddeel gevonden werd. Tegenwoordig is zij veel verspreid, maar het is de vraag of zij ook op andere plaatsen oorspronkelijk is. De beenderen van eene schildpad, welke op Mauritius nevens die van den uitgestorvenDodogevonden zijn, heeft men algemeen voor overblijfselen van deze schildpad gehouden. Indien dit juist was, zou zij daar stellig van den aanvang af geleefd hebben; maar Bibron meldt mij, dat zij volgens zijne meening eene andere species was, gelijk met de thans op dit eiland levende zeker het geval is.Van denAmblyrhynchus—een merkwaardig geslacht hagedissen, dat zich tot dezen archipel bepaalt—bestaan twee soorten, die, wat den algemeenen vorm betreft, op elkander gelijken: de eene is eene land-, en de andere eene waterspecies. Van laatstgenoemde soort,A. cristatus, zijn de kenmerken het eerst in ’t licht gesteld door Bell, die uit den korten, breeden kop en sterke, even lange klauwen terecht opmaakte, dat hare leefwijze zeer eigenaardig moest zijn, en verschillend van die harer naaste verwante, deIguanaof kamhagedis.16Zij komt op alle eilanden van den archipel bijzonder veel voor, leeft uitsluitend op de rotsachtige zeekusten, en wordt nooit verder op het strand gevonden, dan tien yards: althans ik heb het nooit gezien. Het is een schepsel met een afzichtelijk voorkomen, vuil zwart van kleur, dom, en traag in zijne bewegingen. De gewone lengte van een volwassen individubedraagt één yard; maar sommige zijn zelfs vier voet lang, terwijl opgemerkt zij, dat die op het eiland Albemarle grooter schijnen te worden dan elders. Een grooteAmblyrhynchuswoog twintig pond. Hunne staarten zijn zijdelings afgeplat, en al de vier pooten gedeeltelijk van zwemvliezen voorzien. Soms ziet men hen op honderd yards afstand van het strand rondzwemmen; en kapitein Collnett zegt in zijne reisbeschrijving, dat zij “in scholen naar zee gaan om te visschen, zich op de rotsen in de zon koesteren, en alligators in ’t klein genoemd zouden kunnen worden.” Vermoedelijk leven zij echter niet van visch. In het water zijnde, zwemt deze hagedis zeer gemakkelijk en vlug door eene slangvormige beweging van het lichaam en den afgeplatten staart, terwijl de pooten onbeweeglijk en aan weerszijden dicht naar het lijf zijn opgetrokken. Een matroos aan boord had een zwaar gewicht aan het lichaam van eenAmblyrhynchusbevestigd, en daarna het dier in zee geworpen, denkende het op die wijs te dooden; maar toen hij een uur later het touw ophaalde, roerde het dier zich nog lustig. Zijne ledematen en sterke klauwen zijn voortreffelijk geschikt om over de hobbelige en gespleten lavakorst te klauteren, die overal de kust bedekt. Zoo kan men dikwijls een troep van zes of zeven dezer afzichtelijke kruipende dieren enkele voeten boven de branding op de zwarte rotsen zien liggen, waar zij zich in de zon koesteren.Amblyrhynchus cristatus. a, tand met vergrooting.Amblyrhynchus cristatus.a, tand met vergrooting.Van verscheidenen opende ik de maag, en vond deze sterk gezwollen door inliggende stukjes zeewier (Ulvae)—een dunbladerig wijdvertakt gewas van eene lichtgroene of donkerroode kleur.17Ik herinner mij niet dit zeewier in noemenswaardige hoeveelheid op de vloedrotsen te hebben gezien, en heb reden te gelooven, dat het op den bodem der zee groeit, op eenigen afstand van de kust. Is dit het geval, dan verklaart het zich, waarom deze dieren nu en dan naar zee gaan. De maag bevatte niets dan zeewier. Wel vond Bynoe er een stuk van eene krab in; maar deze kon er toevallig in zijn gekomen, op dezelfde manier als ik in den buik van eene schildpad eene rups tusschen eenig groen heb zien liggen. Evenals bij andere plantenetende dieren, waren de ingewanden ruim. De aard van het voedsel dezer hagedis, zoowel als de bouw van haren staart en voeten, en het feit, dat men haar vrijwillig naar zee heeft zien zwemmen, bewijzen afdoende hare leefwijze van waterdier; toch openbaart zich hier eene zonderlinge tegenstrijdigheid, namelijk, dat zij niet in het water zal gaan, als men haar plaagt of schrik aanjaagt. Zoo kan men ze gemakkelijk naar een punt boven zee drijven, waar zij zich eerder bij den staart zullen laten grijpen, dan in het water springen. Van bijten schijnen zij volstrekt geen begrip te hebben; maar worden zij veel geplaagd, dan spuiten zij uit elk neusgat een druppel vloeistof. Ik wierp er eene verscheidene malen zoover ik kon in een diepen plas, die door het getij was achtergelaten; maar telkens keerde zijlinea rectaterug naar de plek waar ik stond. Zij zwom zeer sierlijk en vlug bij den bodem van den plas, en krabbelde nu en dan met hare voeten over den hobbeligen grond. Als zij bijna den kant bereikt had, maar nog onder water was, poogde zij zich in de boschjes zeewier te verbergen, of liepeene spleet binnen; en nauwelijks achtte zij het gevaar voorbij, of zij kroop over de droge rotsen naar buiten, en maakte zich zoo snel mogelijk uit de voeten. Dikwijls ving ik deze zelfde door haar naar een punt te drijven, waar dan niets haar kon bewegen in het water te gaan, ondanks hare volkomen bedrevenheid in duiken en zwemmen; en telkens als ik haar daarin wierp, keerde zij op de genoemde wijze terug. Wellicht laat dit eigenaardige staaltje van oogenschijnlijke domheid zich verklaren door het feit, dat dit dier geen enkelen vijand op het strand heeft, terwijl het in zee menigmaal een prooi wordt van de talrijke haaien. Gedreven door een diep geworteld en erfelijk instinct, dat het strand zijn veiligheidsoord is bij wat er ook gebeure, zoekt het dan waarschijnlijk hier zijne toevlucht.Tijdens een bezoek (in October) zag ik zeer weinig kleineindividuënvan deze species, en ik geloof geen enkel, dat jonger was dan een jaar. Daar het mij hierom waarschijnlijk voorkwam, dat de broeitijd toen nog niet begonnen was, vroeg ik aan verscheidene bewoners, of zij wisten wanneer de hagedis hare eieren legde, en kreeg ten antwoord dat zij van hare voortplanting niets wisten, ofschoon de eieren van de landspecies hun wel bekend waren. Neemt men in aanmerking, dat deze species zoo algemeen is, dan is dit feit niet weinig merkwaardig.Wij gaan nu over tot de landspecies (Amblyrhynchus Demarlii), met ronden staart en teenen zonder zwemvliezen. In plaats dat deze hagedis, evenals de andere, op alle eilanden gevonden wordt, bepaalt zij zich tot het middengedeelte van den archipel, en wel tot de eilanden Albemarle, James, Barrington en Indefatigable. Zuidelijk, op de eilanden Charles, Hood en Chatham, alsmede noordelijk op Tower, Bindloes en Abingdon zag ik er nooit eene, en hoorde er ook niet van. Het schijnt dat zij in het midden van den archipel ontstaan is, en zich van daar slechts tot op zekeren afstand verspreidde. Eenige dezer hagedissen bewonen de hooge en vochtige gedeelten der eilanden, maar veel talrijker zijn zij in de lagere en dordere districten bijde kust. Ik kan geen overtuigender bewijs van hare talrijkheid geven, dan door te zeggen, dat wij bij onze komst op het eiland James voor het opslaan van onze eenige tent eene poos lang geen plek konden vinden, die niet met hare holen ondermijnd was. Evenals hare zusters, de zeehagedissen, zijn zij leelijke dieren, oranjegeel op de buikzijde en bruinachtig rood op den rug. Door haren stompen gelaatshoek hebben zij een bijzonder dom uiterlijk. Misschien zijn zij in ’t algemeen iets kleiner dan de andere species: toch wogen velen van haar nog tusschen tien en vijftien pond. In hare bewegingen zijn zij traag en half verstijfd. Zoo men ze niet plaagt, kruipen zij langzaam rond, terwijl staart en buik over den grond slepen. Dikwijls staan zij een of twee minuten te sluimeren, met de oogen dicht en de achterpooten op den verschroeiden grond gestrekt.Zij wonen in holen, die zij somtijds tusschen stukken lava graven, doch meer algemeen op vlakke schollen van de zachte, zandsteenachtige tuf. De holen schijnen niet zeer diep te wezen, en dringen onder een kleinen hoek in den grond, zoodat tot groot verdriet van den vermoeiden wandelaar, die over deze hagedissengangen loopt, de grond telkens onder zijne voeten wegzakt. Als het dier zijn hol maakt, werkt het beurtelings met beide kanten van zijn lichaam. De eene voorpoot graaft eene korte poos den grond uit, en werpt het graafsel naar den achterpoot, die gereed staat het buiten de opening van het hol te brengen. Is die kant van het lichaam vermoeid, dan neemt de andere het werk over, en zoo vervolgens. Ik sloeg er langen tijd een gade, totdat haar lichaam half begraven was, trad toen nader en trok haar bij den staart. Dit scheen haar zeer te verwonderen, want spoedig kroop zij naar buiten om te zien wat er aan de hand was, en keek mij strak in het gezicht, als wilde zij zeggen: “Waarom trekt ge aan mijn staart?”Zij zoeken bij dag haar voedsel, en verwijderen zich niet ver van hare holen. Worden zij opgeschrikt, dan snellen zij er in de plompste houding heen. Behalve wanneer zij eene hoogte afloopen, kunnen zij zich niet zeer vlug bewegen,wat een gevolg schijnt van den zijwaartschen stand harer pooten. Vreesachtig zijn zij in ’t geheel niet; als zij iemand opmerkzaam gadeslaan, krullen zij haren staart, richten zich op de voorpooten omhoog, en trachten door eene snelle, verticale, knikkende beweging met het hoofd eene dreigende houding aan te nemen. Maar in werkelijkheid zijn zij niet gevaarlijk; men behoeft slechts even op den grond te stampen, en hare staarten gaan omlaag, terwijl zij zoo snel zij kunnen wegschuifelen. Dikwijls heb ik kleine vliegenetende hagedissen op volkomen dezelfde manier met het hoofd zien knikken, als zij het een of ander gadesloegen; maar om welke reden, weet ik volstrekt niet. Als men dezenAmblyrhynchusmet een stok tegenhoudt en plaagt, zal hij er woedend in bijten; maar ik greep er velen bij den staart, zonder dat zij mij ooit trachten te bijten. Worden er twee op den grond bij elkander gezet, dan zullen zij aan ’t vechten gaan en elkander tot bloedens toe bijten.Deindividuën, die de lagere streken bewonen—en deze zijn het talrijkst—kunnen het geheele jaar door bijna geen druppel water bekomen; zij eten echter veel van de sappige cactus, waarvan de wind nu en dan takken afbreekt. Dikwijls wierp ik een groepje van twee of drie een stuk toe; en het was vermakelijk te zien, hoe gretig zij dit met den bek poogden te grijpen en er mee wegliepen, evenals hongerige honden met een been. Zij eten zeer voorzichtig, maar kauwen haar voedsel niet. Zelfs vogeltjes weten hoe onschadelijk deze schepsels zijn. Eens zag ik een diksnaveligen vink pikken aan het eene einde van een stuk cactus (waarin alle dieren van het laagland veel smaak vinden), terwijl eene hagedis van het andere einde at; en daarna huppelde het vogeltje met de grootste onverschilligheid over den rug van het reptiel.Bij velen opende ik de maag, en vond die gevuld met plantvezels en bladen van verschillende boomen, vooral van eene acacia. In de bovenstreek leven zij hoofdzakelijk van de zure en wrange bessen derguayavita; en onderdezen boom heb ik denAmblyrhynchus Demarliimet de groote schildpadden zien eten. Om de bladeren van de acacia meester te worden, krabbelen zij tegen de lage, weinig ontwikkelde boomen op; en zoo ziet men niet zelden een paar van deze dieren, verscheidene voeten boven den grond op een tak gezeten, rustig knabbelen. Gekookt, geven deze hagedissen een wit vleesch, dat voor lieden wier magen vrij van alle vooroordeelen zijn, een gezocht voedsel is. Humboldt heeft opgemerkt, dat alle hagedissen in het tusschenkeerkringsgebied van Zuid-Amerika, die droge streken bewonen, voor smakelijke gerechten worden gehouden. De inwoners vertellen, dat de in de hoogere, vochtige streken levende hagedissen water drinken, maar dat de anderen daarvoor niet uit het onvruchtbare laagland naar boven trekken, zooals de schildpadden. Tijdens ons bezoek hadden de wijfjes talrijke, groote, langwerpige eieren in het lichaam, die zij in hare holen leggen, en door de inwoners als voedsel worden gezocht.Zooals ik reeds gezegd heb, komen deze twee soortenAmblyrhynchusin algemeenen lichaamsbouw en in vele gewoonten met elkander overeen. Geen van beiden heeft die snelle beweging, zoo kenmerkend voor de geslachtenLacertaenIguana. Beiden zijn plantenetende dieren, hoewel de soorten planten waarvan zij leven zeer verschillen. Bell heeft het geslacht dezen naam gegeven om zijn stompen snuit;18en werkelijk kan de vorm van den bek bijna met dien van de schildpad worden vergeleken. De onderstelling ligt voor de hand, dat dit eene aanpassing is aan hare zucht of drang om planten te eten. Dat men een geslacht met zulke juiste kenmerken, waarvan zoowel eene zee- als eene landspecies bestaat, tot zulk een klein gedeelte der wereld beperkt ziet, is een zeer gewichtig feit. De waterspecies is op verre na de belangrijkste, omdat zij de eenige levende hagedis is, die van plantaardige zeevoortbrengselen leeft.Zooals ik in den beginne opmerkte, zijn deze eilanden niet zoozeer merkwaardig om het aantal soorten van kruipende dieren, als om dat derindividuën. Denken wij aan de goed gebaande, door de groote schildpadden aangelegde paden; aan de menigte zeeschildpadden; aan de onderaardsche gangen van denA. Demarlii, en de op de kustrotsen van elk eiland zich koesterende groepen van denA. cristatus, dan moeten wij erkennen, dat de plantenetende zoogdieren in geen enkel deel der wereld zoo buitengewoon talrijk door de klasse der kruipende dieren vervangen zijn, als in dezen archipel. Bij het hooren van dit feit, zal de geoloog in gedachten waarschijnlijk teruggaan tot het Secundaire ofMesozoïscheTijdvak der Aardgeschiedenis, toen deels plantenetende, deels vleeschetende hagedissen, die in grootte alleen met onze levende walvisschen vergeleken konden worden—krioelden op het land zoowel als in de zee. Het verdient daarom wel zijne aandacht, dat deze archipel, in plaats van een vochtig klimaat en een weligen plantengroei te bezitten, niet anders dan als uiterst dor kan worden beschouwd, en voor een equatoriaal gewest een bijzonder gematigd klimaat bezit.Tot besluit van de zoölogie dezer eilanden, vermeld ik, dat alle vijftien hier door mij verzamelde zeevisschennieuwesoorten zijn, behoorende tot twaalf geslachten, die alle zeer verspreid zijn, met uitzondering vanPrionotus, waarvan de vier voorheen bekende soorten aan den oostkant van Amerika leven. Van landschelpdieren verzamelde ik zestien soorten (en twee bepaalde variëteiten), die, behalve een op Tahiti gevondenHelix, alle aan dezen archipel eigen zijn; een enkel zoetwaterschelpdier (Paludina) dat ik hier vond, komt ook op Tahiti en Van Diemensland voor. Vóór onze reis verzamelde Mr. Cuming hier negentig soorten zeeschelpdieren, onder welk cijfer niet begrepen zijn verscheidene, nog niet nader onderzochte soorten vanTrochus,Turbo,MonodontaenNassa. Hij is zoo vriendelijk geweest mij de volgende gewichtige uitkomsten mede te deelen. Van de negentig schelpdieren zijnniet minder dan zeven en veertig elders onbekend—een verrassend feit, zoo men in aanmerking neemt, hoe ver zeeschelpdieren in den regel verspreid zijn. Van de 43 in andere deelen der wereld gevonden soorten bewonen 25 de westkust van Amerika, en daaronder laten zich acht als variëteiten onderscheiden; de overige 18 (waaronder ééne variëteit) werden door Cuming in den Lagen Archipel, en sommige ook op de Philippijnen gevonden. Dit feit: dat schelpdieren van eilanden midden in den Stillen Oceaanhiervoorkomen, verdient opmerking, aangezien geen enkel zeeschelpdier, naar men weet, gemeen is aan de eilanden van dien Oceaan en de westkust van Amerika. Het zeeoppervlak, dat zich van noord tot zuid langs de westkust uitstrekt, scheidt twee geheel verschillende gebieden van schelpdieren; maar op de Galápagos-Eilanden vinden wij een centrum, waar vele nieuwe vormen geschapen zijn, en waarheen deze twee groote schelpdieren-gebieden vele nederzetters hebben uitgezonden. Ook heeft het Amerikaansche gebiedhiersoortenvertegenwoordigd; want er is eene Galápagische soort van het geslachtMonoceros, dat alleen op de westkust van Amerika wordt gevonden; ook zijn er Galápagische soorten van de geslachtenFissurellaenCancellaria, die op de westkust inheemsch zijn, maar (zooals Cuming mij berichtte) niet op de eilanden midden in den Oceaan gevonden worden. Aan den anderen kant zijn er Galápagische soorten van de geslachtenOnisciaenStylifer, die voorkomen in West-Indië en in de Chineesche en Indische Zeeën, maar noch op de westkust van Amerika, noch midden in den Stillen Oceaan gevonden worden. Ik wil hieraan toevoegen, dat Cuming en Hinds na vergelijking van omstreeks 2000 schelpdieren van de oost- en westkusten van Amerika, slechts één schelpdier vonden, dat aan beide kusten gemeen was, nl.Purpura patula, die zoowel West-Indië, als de kust van Panama en de Galápagos-Eilanden bewoont. Wij hebben dus in dit deel van de wereld drie groote gebieden van zeeschelpdieren, die, ofschoon bijzonder dicht bij elkander gelegen (slechts gescheiden doorlange noord- en zuidwaarts loopende land- of zee-oppervlakken), onderling geheel verschillen.Ik gaf mij veel moeite om de insecten te verzamelen; maar nooit zag ik een land, Vuurland uitgezonderd, zoo arm op dit gebied, als deze archipel. Zelfs in de vochtige bovenstreek vond ik er zeer weinige; en deze waren—met uitzondering van enkele kleineDipteraenHymenoptera19van zeer alledaagsche vormen. Zooals ik reeds opmerkte, zijn de insecten voor een tropisch gewest van te geringe grootte en ook te donker van kleur. Van kevers verzamelde ik 25 soorten (niet medegerekend eenDermestesenCorynetes, die door schepen overal worden ingevoerd); hiervan behooren twee tot deHarpalidae, twee tot deHydrophilidae, negen tot drie families vanHeteromera, terwijl de twaalf overige tot even zooveel verschillende families behooren. Dit verschijnsel, nl., dat insecten (en ik kan er bijvoegen, planten) in streken waar zij schaarsch zijn tot vele verschillende families behooren, is, geloof ik, zeer algemeen. Waterhouse, die eene beschrijving van de insecten in dezen archipel in ’t licht heeft gegeven,20en aan wien ik de bovenstaande bijzonderheden te danken heb, meldt mij, dat er verscheidene nieuwe geslachten zijn, en dat van de niet nieuwe één of twee in Amerika, de overige echter over de geheele wereld verspreid zijn. Met uitzondering van een houtetendenApate, en één of waarschijnlijk twee waterkevers van het Amerikaansche vasteland, schijnen alle soorten nieuw te wezen.De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de “Linnaean Transactions” een volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe bekend is, zijn er 185 soortenphanerogamische, en 40kryptogamischeplanten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was 193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn 100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58 van zijn “Voyage”) dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten (of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht, als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soortenCompositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora eenonmiskenbaarWestamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit: indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-, en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de eene species van de ondergroepCactornis, die van het eiland Bow in den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel uitmaakt van Amerika.Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels, nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe planten—en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw, zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië, of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom—zoo vroeg ik mij af—werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest; die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel dien van Amerika bezitten.Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder individu metzekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring, en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden, omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden,verschillendebewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien, dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers, dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.Zooals ik reeds zeide, verklaren de bewoners, dat zij de schildpadden van de verschillende eilanden kunnen onderscheiden, en dat deze niet alleen in grootte, maar ook in andere kenmerken verschillen. Kapitein Porter heeft die van het eiland Charles, en van het meest naburige eiland Hood, beschreven als bedekt met een schild, dat van voren dik en opwaarts is gebogen evenals een Spaansch zadel, terwijl de schildpadden van het eiland James, ronder, zwarter, en na koking beter van smaak zijn.21Daarenboven meldt Bibron mij, dat hij twee schildpadden van de Galápagos-Eilanden gezien heeft, die hij voor twee verschillende species hield; maar van welke eilanden zij waren, wist hij niet. De door mij van drie eilanden medegebrachte exemplaren waren jong; en dit is waarschijnlijk de reden, waarom Gray noch ik er soortelijke verschillen in konden ontdekken. Ik heb opgemerkt, dat deAmblyrhynchus cristatusop het eiland Albemarle grooter was dan elders; en Bibron deelt mij mede, dat hij twee verschillende landhagedissen van dit geslacht gezien heeft; zoodat de verschillende eilandenwaarschijnlijk hunne plaatsvervangende rassen of soorten hebben, zoowel van denAmblyrhynchusals van de schildpad. Het eerste dat in hooge mate mijne aandacht trok, was, dat ik bij onderlinge vergelijking van de talrijke door mij en vele andere personen aan boord geschoten exemplaren van de spotlijsters, tot mijne verwondering ontdekte, dat alle van het eiland Charles afkomstigen tot ééne species (Mimus trifasciatus)behoorden; die van het eiland Albemarle alle totM. Parvulus; en die van de eilanden James en Chatham (waartusschen twee andere eilanden als verbindingschakels gelegen zijn) alle totM. melanotis. Deze twee laatste soorten zijn naverwant, en zouden door sommige vogelkundigen alleen voor goed gekenmerkte rassen of variëteiten worden gehouden; dochMimus trifasciatusis zeer verschillend. Ongelukkig waren de meeste exemplaren van de familie der vinken dooreengeraakt; maar ik heb gegronde reden om aan te nemen, dat sommige soorten van de ondergroepGeospizazich tot afzonderlijke eilanden bepalen. Indien de verschillende eilanden hunne vertegenwoordigers hebben vanGeospiza, kan dit ter verklaring dienen van het ongewoon groot aantal soorten van deze ondergroep in dezen betrekkelijk kleinen archipel; en de volmaakte geometrische grootte-opvolging hunner bekken zou dan waarschijnlijk een gevolg zijn van hun aantal. In dezen archipel werden gevonden twee soorten van de ondergroepCactornis, en twee vanCamarhynchus; het bleek nu, dat de talrijke, door vier verzamelaars op het eiland James geschoten exemplaren dezer beide ondergroepen, alle behoorden tot ééne soort van elk, terwijl de talrijke op de eilanden Chatham of Charles geschoten exemplaren (want de beide collectiën waren reeds vermengd) alle tot de twee andere species behoorden. Wij kunnen er dus bijna zeker van zijn, dat deze eilanden hunne plaatsvervangende species dezer twee ondergroepen bezitten. Bij landschelpdieren schijnt deze verspreidingswet niet door te gaan. Waterhouse merkt op, dat onder de exemplaren mijner zeer kleine verzameling insecten, welke een etiketvan de plaats van herkomst droegen, zich geen enkel bevond, dat aan twee van de eilanden gemeen was.Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd, dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten ten deele bevestigen. Bovendien zijn deLeguminosaeslechts bij benadering uitgecijferd:Naam van het Eiland.Totaal aantal soorten.Aantal soorten in andere deelen der wereld gevonden.Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn.Aantal soorten tot het eene eiland beperkt.Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn, doch op meer dan één eiland gevonden worden.James713338308Albemarle461826224Chatham321616124Charles6839(of 29, na aftrek van de waarschijnlijk ingevoerde planten).29218Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in geen ander deel der wereld gevonden worden,dertiguitsluitend tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke Galápagische planten op het eiland Albemarle,twee en twintigtot dit eene eiland beperkt zijn, en dus slechtsvier—naar men tot hedenweet—op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit feit wellicht nog meer in ’t oog doen springen. Zoo isScalesia, een merkwaardig, boomwordend geslacht derCompositae, tot dezen archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham, één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een tweede voorbeeld levertEuphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht, dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt.AcalyphaenBorreria—beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven soorten, waarvan, met uitzondering van ééne totBorreriabehoorende, geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species derCompositaezijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken; en bijna zeker van het Galápagische geslachtAmblyrhynchus.De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster, en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in ’t geheel geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende species vandezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel verschillende geslachten—zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben, overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen—deze is het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige plaatsvervangende soorten—althans wat de schildpad en sommige vogels betreft—later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James; maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden, liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham), en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke, in westelijke en west-noordwestelijke richtingloopende zeestroomen de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans wat het vervoer vanindividuënover zee betreft. Inderdaad werd tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere, wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht—indien wij zulk eene uitdrukking mogen bezigen—welke op deze kleine, kale en rotsachtige eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen, die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig, organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote vastland van Amerika.Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid der vogels.Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters, de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts of hoed, wat ikzelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684, “dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten gevolge waarvan zij schuwer werden.” Ook Dampier verhaalt in hetzelfde jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden, als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken, dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een gevaarlijker dier is dan de schildpad of deAmblyrhynchus, geen acht op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters,in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze velden grazen.De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den kleinenOpetiorhynchusis door Pernety, Lesson en andere reizigers opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel: dePolyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster, de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze tamheid der vogels—vooral van het watergevogelte—vormt eene scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen; terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden, als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat deOpetiorhynchusbijna op zijn vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden, waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen; want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het verhaalvan Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren, zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden—een trekvogel, die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen overbracht.Ik wil er bijvoegen, dat, naar hetgeen Du Bois verhaalt, alle vogels op Bourbon met uitzondering van de flamingo’s en de ganzen, in 1571/72 zoo buitengewoon tam waren, dat men hen met de hand kon vangen, of met een stok naar welgevallen dooden. Verder zegt Carmichael,22dat de eenige twee landvogels op Tristan da Cunha in den Atlantischen Oceaan (ten Westen van de Kaap de Goede Hoop), nl. een lijster en een vlasvink, zoo tam waren, dat zij zich met een handnet lieten vangen. Uit deze verschillende feiten meen ik te mogen afleiden: ten eerste, dat de wildheid van vogels ten opzichte van den mensch een bijzonder instinct is, dat tegenhemgericht, en niet afhankelijk is van een algemeenen graad van voorzichtigheid uit vrees voor andere bronnen van gevaar; ten tweede, dat die wildheid door vogels op zichzelven, ook dan als men hen fel vervolgt, niet spoedig wordt verkregen, doch na eene reeks van opvolgende geslachten erfelijk wordt. Bij tamme dieren zijn wij gewoon te zien, dat nieuwe geestelijke eigenschappen of instincten erfelijk worden verkregen of gemaakt; bij dieren in den natuurstaat zal het echter steeds zeer moeilijk zijn, gevallen van erfelijk verkregen kennis te ontdekken. Watde wildheid aangaat van vogels tegenover den mensch, deze laat zich niet anders verklaren dan als erfelijke gewoonte. In Engeland is het aantal jonge vogels, die in een jaar tijds door den mensch worden vervolgd, betrekkelijk klein: toch zijn bijna allen, zelfs nestvogels, bang voor hem; daarentegen zijn op de Galápagos- en de Falklands-Eilanden talrijkeindividuëndoor den mensch vervolgd en gekweld, zonder dat de vogels eene heilzame vrees voor hem hebben geleerd. Uit deze feiten mogen wij afleiden, welke verwoesting het invoeren van een nieuw roofdier in een land moet teweegbrengen, voordat de instincten der inheemsche bewoners zich aan de list of de kracht van den vreemdeling hebben aangepast.1Wanneer vulkanische asch—hetzij onmiddellijk door nedervallen uit de lucht of door stroomend water—in neptunische afzettingen geraakt, ontstaat een middenproduct tusschen eene vulkanische en eene neptunische stof. Dit is devulkanische tuf. Zij kan ontstaan zoowel op het vasteland in vlakten en meren, als in zee.(Vert.)2Op de kaart ook Chatam gespeld.3Waartoe o.a. de Wolfsmelk behoort.4De geheele archipel, met eene landoppervlakte van 7643 □ kilom., telde in 1903 niet meer dan 400 inwoners (Almanach de Gotha, 1904). Hij behoort tot de republiek Ecuador, en ontleent zijn naam aan de schildpadden (galápagowil zeggen “schildpad”), die er vroeger zeer talrijk waren.5Meelachtige wortelknollen vanConvolvulus batatus, welke veel als voedsel worden gebruikt.(Vert.)6Dat de rat, die in de Nieuwe Wereld niet inheemsch was, op schepen uit Europa is overgebracht, is een feit. Evenzoo is de Noorsche rat (Mus decumanus) in Engeland ingevoerd, waar zij in huizen en schepen zulke verwoestingen aanricht. Op gelijke wijze zijn vele andere dieren overgebracht: bijv. de groote adder (Fer de lance), even vergiftig als de ratelslang, kwam door den mensch op Martinique en Santa Lucia. De Europeesche huisvlieg is door schepen naar alle Zuidzee-Eilanden overbracht. Ondanks de koude in Noordwestelijk Europa heeft de kakkerlak (Blatta orientalis) zich hier gevestigd, en maakt zich de warmte in bakkersovens en troggen ten nutte. DeAphis(bladluis) kwam uit Indië; en onze beruchte paalworm (Teredo navalis) was oorspronkelijk een bewoner der equatoriale zeeën.(Vert.)7Dat Darwin er toen niet geheel zeker van was, als zouden van de 26 soorten landvogels 25 aan deze eilanden eigen zijn, blijkt uit den verderen tekst, en uit zijn werk “The Origin of Species”, dat, zooals men weet, eerst in Nov. 1859—dus lang na de uitgave van “Voyage round the World”—verscheen. Op blz. 543 (uitg. 1906) zegt hij: “In the Galapagos Islands there are 26 land-birds; of these 21 (or perhaps 23) are peculiar...”(Vert.)8of kersenvink (Coccothraustes vulg.)9Fringilla coelebs.10Verder onderzoek heeft geleerd, dat sommige dezer vogels, die men toen tot de eilanden beperkt achtte, op het vasteland van Amerika voorkomen. De uitstekendeornitholoogSclater deelt mij mede, dat zulks het geval is metStrix punctatissimaenPyrocephalus nanus, en waarschijnlijk ook metOtis(Trapgans)Galapagoensis; zoodat het getal inlandsche vogels tot 23 of waarschijnlijk tot 22 wordt teruggebracht. Volgens denzelfden geleerde zouden één of twee dezer inlandsche vormen veeleer als variëteiten dan als soorten moeten worden opgevat, hetgeen mij steeds als waarschijnlijk voorkwam.11Dr. Günther verklaart (Zoolog. Soc.24 Jan. 1859), dat deze slang eene bijzondere soort is, die, voor zoover men weet, geen ander land bewoont.12”Voyage aux Quatre Iles d’Afrique.” Zie, wat de Sandwich-Eilanden betreft: “Tyerman and Bennet’s Journal,” deel I, blz. 434; voor Mauritius: “Voyage par un Officier,” enz. deel I, blz. 170. Volgens Webb en Berthelot: “Histoire Naturelle des Iles Canaries,” zijn er geen kikvorschen op de Kanarische Eilanden. Ik zag er geen op Sint Jago van de Kaap-Verdische Eilanden, en op Sint Helena ontbreken zij.13ofLacertiliavolgens Haeckel.(Vert.)14ofperikardion= hartzakje.15ongeveer 329 meter.16Iguanais de Spaansche naam; op Haïti heet zijLeguaan.(Vert.)17DeUlvae(zeelatuwe of watersalade) behooren tot de zoogenaamde Groene Algen (ChlorophyceaeofConiervea); het donkerroode gewas, waarvan Darwin spreekt, tot de Bruine Algen (PhaeophyceaeofFucoideae).(Vert.)18Amblyrhynchuswil zeggen “Stompsnuit,” vanαμβλύς(stomp) enῥύγχος(snuit).(Vert.)19Diptera of Tweevleugelige insecten (zooals vliegen, enz.) Hymenoptera of Vliesvleugelige insecten (zooals bijen, wespen) met vier vleugels.20Ann. and Mag. of Nat. Hist., deel XVI, blz. 19.21“Voyage in the U. S. ship Essex,” deel I, blz. 215.22Linnean Trans., deel XII, blz. 496. Het meest abnormale feit in dit verschijnsel dat ik ontmoet heb, is de wildheid der kleine vogels in de arctische of poolstreken van Noord-Amerika (beschreven door Richardson in zijneFauna Borealis, deel II, blz. 332), waar zij nooit vervolgd worden, naar men zegt. Dit geval is des te vreemder, wijl men beweert, dat sommigen van dezelfde species in hunne winterkwartieren in de Vereenigde Staten tam zijn. Terecht merkt Richardson op, dat er in de verschillende graden van schuwheid en zorg, waarmede vogels hunne nesten bouwen, veel voorkomt, dat in hooge mate onverklaarbaar is. Hoe zonderling is het niet, dat de Engelsche woudduif, een in ’t algemeen zoo wilde vogel, zeer dikwijls zijn jongen opkweekt in heesterboschjes, in de nabijheid van menschelijke woningen!

Hoofdstuk XVII.De Galápagos-Archipel.15 September 1835.Deze archipel bestaat uit tien hoofdeilanden, waarvan vijf de anderen aanmerkelijk in grootte overtreffen, en ligt onder den evenaar, op een afstand van vijf- tot zeshonderd mijlen van de Amerikaansche kust. Zij zijn allen uit vulkanische gesteenten gevormd, want enkele stukken graniet van eene eigenaardige, door de hitte gewijzigde kristallijnen structuur, kunnen nauwelijks als eene uitzondering worden beschouwd. Sommige kegels of kraters, die zich op de grootere eilanden verheffen, zijn verbazend groot en bezitten eene hoogte van 3000 tot 4000 voet. Hunne hellingen zijn bezaaid met tallooze kleinere openingen. Bijna zonder aarzelen durf ik zeggen, dat er in den geheelen archipel minstens 2000 kraters zijn. Deze bestaan òf uit lava en slakken, òf uit fijn gelaagde, zandsteenachtige tuf.1Kraters van laatstgenoemde soort, waarvan de meesten een fraaien symmetrischen vorm bezitten, hebben hun ontstaan te danken aan uitbarstingen van vulkanische modder zonder lava. Het is een opmerkelijk feit, dat bij alle 28 tufsteen-kraters die onderzocht werden, de zuidelijke hellingen òf veel lager dan de andere zijden, òf geheel vernield en gesloopt waren. Daar al deze kraters klaarblijkelijk in zee zijn gevormd, en de door den passaatwindvoortgezweepte golven benevens de deining uit volle zee hare krachten hier op de zuidelijke kusten van al deze eilanden samentrekken, laat die zonderlinge overeenstemming in den gebroken vorm der uit de zachte en buigzame tuf samengestelde kraters, zich gemakkelijk verklaren.Zoo men bedenkt, dat deze eilanden onmiddellijk onder den evenaar liggen, dan is het klimaat verre van buitengewoon heet. Dit schijnt in hoofdzaak een gevolg van de bijzonder lage temperatuur van het omgevende water, hetwelk door den grooten Zuidpool-stroom hierheen wordt gevoerd. Eene korte poos uitgezonderd, regent het hier zeer weinig en dan nog ongeregeld; maar de wolken hangen meestal laag. Dit heeft ten gevolge, dat, terwijl de lagere gedeelten der eilanden zeer dor zijn, de bovengedeelten ter hoogte van een duizend voet, en daarboven, een vochtig klimaat met een rijken en weligen plantengroei bezitten. Vooral is dit het geval aan de windzijden der eilanden, welke de vochtdeelen uit den dampkring het eerst ontvangen en verdichten.Op den morgen van den 17den landden wij op het eiland Chatham,2dat, evenals de andere, een vlakronden omtrek heeft, hier en daar afgebroken door lage, verspreid staande heuvels—de overblijfsels van vroegere kraters. Niets kon minder aantrekkelijk zijn dan de eerste aanblik van dit eiland. Men stelle zich voor eene woest golvende oppervlakte van zwarte basaltlava, die in de wildste stroomen heeft gevloeid, doorsneden van groote scheuren, en overal bedekt met een kwijnend, verschroeid kreupelhout, dat weinig teekenen van leven vertoont. Door de middagzon verwarmd, verwekte die droge, geblakerde oppervlakte een gevoel van drukkende hitte in de lucht, evenals die van een kachel; ik verbeeldde mij zelfs, dat de struiken branderig roken. Ofschoon ik al mijn best deed zooveel planten te verzamelen als mogelijk was, kon ik er maar weinige bijeenbrengen; en die kleine kruiden zagen er zoo armzalig uit,dat zij beter bij eene arctische dan bij eene equatoriale flora gepast zouden hebben. Op eenigen afstand gezien, schijnt het kreupelhout even bladerloos als onze boomen in den winter; en het duurde eenigen tijd voor ik ontdekte, dat niet alleen bijna elke plant nu geheel in blad stond, maar dat de meesten ook in bloei stonden. De meest voorkomende struik behoort tot deEuphorbiaceae,3terwijl eene acacia en een groote, vreemd uitziende cactus de eenige boomen zijn, die eenige schaduw geven. Men zegt, dat na het seizoen der hevige regens de eilanden er korten tijd gedeeltelijk groen uitzien. Het vulkanische eiland Fernando Noronha, dat in vele opzichten in bijna gelijke omstandighedenverkeert, is de eenige andere plek waar ik een plantengroei gezien heb, geheel gelijk aan die der Galápagos-Eilanden.De Galápagos-Eilanden.De Galápagos-Eilanden.DeBeaglezeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort, waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend; gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben; de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti, verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.DeBeaglezeilde verder naar het eiland Charles. De Galápagos-archipel is lang bezocht geworden—eerst door de boekaniers, en later door walvischvaarders; maar pas in de laatste zes jaren heeft zich eene kleine kolonie op dit eiland gevestigd. Het aantal inwoners bedraagt twee tot driehonderd4—zijnde bijna allen kleurlingen, die om politieke misdrijven uit de Republiek Ecuador, waarvan Quito de hoofdstad is, verbannen zijn. De kolonie ligt omstreeks 4½ mijl landwaarts in, op eene hoogte van waarschijnlijk 1000 voet. Op het eerste gedeelte van den weg trokken wij door bladerlooze kreupelbosschen, evenals op het eiland Chatham. Hooger op werden de bosschen gaandeweg groener; en nauwelijks bereikten wij het hoogste punt van het eiland, of eene heerlijke, zuidelijke koelte woei ons tegemoet, terwijl eene groene en welige plantenwereld ons oog verkwikte. In deze bovenstreek is overvloed van grof gras en varens; maar boomvarens ontbreken. Nergens zag ik een vertegenwoordiger van de familie der palmen: wat des te zonderlinger is, omdat het 360 mijlen noordwaarts gelegen Kokos-eiland zijn naam ontleent aan den overvloed van kokosnoten. De huizen zijn ongeregeld over eene vlakke ruimte verspreid, die met Spaansche bataten5en bananen bebouwd is. Men zal zich niet licht kunnen voorstellen, hoe aangenaam het ons was, na zulk een lang verblijf op den verdroogden bodem van Peru en Noord-Chili, eindelijk eens zwarte modder te zien. Hoewel de bewoners over armoede klagen, vinden zij toch zonder veel moeite hun middel van bestaan. In de bosschen zijn tal van wilde zwijnen en geiten; maar het voornaamste dierlijk voedsel leveren hier de schildpadden. Ofschoon het aantal dezer dieren natuurlijk zeerverminderd is, rekenen de bewoners toch, dat twee dagen jagens hun voedsel genoeg verschaft voor de vijf overige dagen der week. Men zegt, dat enkele schepen er vroeger tot 700 hebben medegenomen, en dat de bemanning van een fregat eenige jaren geleden twee honderd schildpadden op één dag naar het strand voerde.29 September.Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte, kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid, evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank’s Cove op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging, om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater waarin deBeaglevoor anker lag, verrees een andere van fraaien, symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500 voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet; en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water—doch vond dit tot mijn groote spijtzoozout als pekel.De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange, zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in hare holen. Strakszal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle is ellendig dor.8 October.Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl deBeaglewater ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden, die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden, terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt; maar de boomen waren hier hooger, en veleervanbereikten twee voet, sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er aan gebraden (zooals de Gauchos huncarne con cuero), smaakt zeer goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren; maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun walvischvaartuig naar eenesalina, of meer waaruit zout gehaald wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief, die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem desalinalag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreefop eene laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten: wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt, bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt; en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn, weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke laarzen aan, hoogst onaangenaam was.De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig, en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden; toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika, niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong verleden de oceaanzich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen tot dat groote feit—het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.Onder de landzoogdieren is er slechts één, dat als inheemsch moet worden beschouwd, namelijk eene soort muis (Mus Galapagoensis), die, voor zoover ik kon nagaan, tot het eiland Chatham (het oostelijkste van den archipel) beperkt is. Naar Waterhouse mij bericht, behoort zij tot eene aan Amerika eigen afdeeling der muizenfamilie. Op het eiland James leeft eene rat, die zoozeer van de gewone soort verschilt, dat Waterhouse haar noemt en beschrijft; maar wijl zij tot de in de Oude Wereld levende afdeeling der familie behoort, en het gemelde eiland in de laatste 150 jaren herhaaldelijk door schepen is bezocht, kan ik er nauwelijks aan twijfelen, dat deze rat slechts eene variëteit is, voortgebracht door een nieuw en eigenaardig klimaat, door voedsel en bodem, aan welker vereenigde invloeden zij heeft blootgestaan. Hoewel niemand het recht heeft zonder stellige feitennatuurphilosophischebespiegelingen te maken, moet men toch—zelfs ten aanzien van de muis op het eiland Chatham—in ’t oog houden, dat zij wellicht eene uit Amerika hier ingevoerde soort is: welk vermoeden iets nader wordt bevestigd door het feit, dat ik in een der minst bezochte gedeelten van de Pampas eene levende inlandsche muis heb gezien onder het dak van eene pas gebouwde hut. Men mag daaruit afleiden, dat deze niet onwaarschijnlijk in een schip is meegekomen. Dergelijke feiten zijn door Dr. Richardson in Noord-Amerika waargenomen.6Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel eigen zijn, en nergens anders gevonden worden—behalve een leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus), die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal moerassen bewoont.7De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetendePolybori, met welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee soortenPyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne)purpureauit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend, dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika eigen is. De overige landvogels—uitmakende dertien soorten, die Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld—bestaan in eene zeereigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilieCactornis, die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is meêgebracht. De twee soortenCactornisof Cactusvogel kan men dikwijls om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de bekken der verschillende soortenGeospiza: te beginnen met een zoo groot als de bek van een kersebijter8tot dien van een beukvink,9en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilieCerthideain de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den grootsten bek bij het geslachtGeospizazien wij in Fig. 1, en den kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie derCerthideazien wij in Fig. 4. Die vanCactornisgelijkt eenigszins op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus) heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen, dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der aasetendePolyborivan het Amerikaansche vasteland te verrichten.1.Geospiza magnirostris.2.Geospiza fortis.3.Geospiza parvula.4.Certhidea olivasea.Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de veel grootere eigenaardigheid der landvogels—namelijk, dat 25 van de 26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn—bij de steltloopers en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen(hetzij zee- of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van dezen archipel.Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species, die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten, waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters, de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage), deTotanusen de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne overeenkomstige species, en—wat in ’t bijzonder de spotlijsters en denTotanusbetreft—donkerder dan elke andere species der beide geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van eene specieskleinermaken, ook de meeste inheemsche soorten van den Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijlsdonkerder van kleurmaken.Alle planten hebben een armzalig, onkruidachtig voorkomen, en ik zag geen enkele schoone bloem. Ook de insecten zijn klein van stuk en donker gekleurd, terwijl, naar Waterhouse mij bericht, hun uiterlijk in ’t algemeen niets bezit, wat hem deed denken dat zij uit de evenaars-zone afkomstig waren.10De vogels, planten en insecten drageneen woestijnachtig karakter, en zijn niet schitterender gekleurd dan die van Zuid-Patagonië. Wij mogen dus daaruit afleiden, dat het gewone bonte koloriet der tusschenkeerkrings-organismen niet in verband staat met de warmte of het licht dezer streken, maar met eene andere oorzaak—wellicht deze, dat in ’t algemeen de levensvoorwaarden gunstig zijn.Wij zullen nu overgaan tot de klasse der kruipende dieren, welke aan de fauna dezer eilanden het treffendste kenmerk verleent. De soorten zijn niet talrijk, maar het getalindividuënvan elke soort is buitengewoon groot. Men vindt er: eene kleine hagedis, die tot eene Zuidamerikaansche familie behoort; twee soorten (en waarschijnlijk meer)Amblyrhynchus—eene familie, die tot de Galápagos-Eilanden beperkt is; en talrijkeindividuënvan eene slang, die, zooals Bibron mij bericht, dezelfde is alsPsammophis Teminckiiuit Chili.11Van zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn er, geloof ik, meer dan ééne soort; en straks zullen wij zien, dat er twee of drie soorten of rassen van landschildpadden (Chersidae) zijn. Dat er geen padden (Bufonidae) en kikvorschen (Ranidae) waren, verwonderde mij, aangezien de gematigde temperatuur en de vochtige bovenbosschen zoozeer voor hen geschikt schenen. Ik herinnerde mij de opmerking, door Bory St.-Vincent gedaan, nl. dat er op geen der vulkanische eilanden in de oceanen een individudezer onderorde (Phaneroglossa) gevonden wordt.12Voor zoover ik in verschillende werken kon nagaan, schijnt dit voor den geheelen Stillen Oceaan te gelden, en zelfs voor de groote eilanden van den Sandwich-Archipel. Mauritius vormt schijnbaar eene uitzondering, want ik vond er deRana Mascariensisin overvloed. Volgens zeggen bewoont deze kikvorsch thans de Sechellen, Madagascar en Bourbon; daarentegen verklaart Du Bois in zijn “Voyage” in het jaar 1669, dat er op Bourbon geen kruipende dieren waren, uitgezonderd schildpadden; en deOfficier du Roiverzekert, dat er vóór 1768 vergeefsche pogingen zijn gedaan, om kikvorschen op Mauritius in te voeren, vermoedelijk om als voedsel te dienen; zoodat wel betwijfeld mag worden of deze kikvorsch een oorspronkelijke bewoner van genoemde eilanden is. Het ontbreken van de kikvorschen-familie op de eilanden der groote oceanen is des te merkwaardiger, om de tegenstelling daarvan met de hagedissen (Lacertidae),13die op de meeste kleinere eilanden wemelen. Zou dit verschil niet hieraan zijn toe te schrijven, dat de door kalkschalen beschermde eieren van hagedissen gemakkelijker door zout water vervoerd konden worden, dan het slijmige broedsel van kikvorschen?Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra, vroeger genoemdIndica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden, of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zijmoeten zijn. Sommige bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen, eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort bes (guayavitagenaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen, ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen, welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt, steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol—ongeveer tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elkdier drie of vier dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit, dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.Naar ik meen, is het eene uitgemaakte zaak, dat de blaas van den kikvorsen als reservoir dient van het vocht, dat het dier voor zijn leven noodig heeft; dit schijnt ook met de schildpad het geval te wezen. Eenigen tijd na een bezoek aan de bronnen is haar pisblaas door vloeistof gezwollen, die, naar men zegt, langzamerhand in volume afneemt, en minder zuiver wordt. Bewoners, die op hunne tochten in de lagere streken door dorst overvallen worden, maken dikwijls van deze omstandigheid gebruik, en drinken den inhoud der blaas, wanneer zij vol is. Ik zag een doode schildpad, bij wie de vloeistof volkomen helder, en alleen wat bitter van smaak was. Maar altijd drinken de bewoners eerst het water uit hetpericardium,14dat als best wordt beschreven.Als de schildpadden zich met opzet naar een zeker punt begeven, trekken zij dag en nacht, en bereiken het doel harer reis veel vroeger, dan men zou verwachten. Door vooraf gemerkte dieren in het oog te houden, zijn de bewoners tot de ontdekking gekomen, dat zij in twee of drie dagen een afstand van omtrent acht mijlen afleggen. Ik sloeg eene groote schildpad gade, die elke tien minuten 60 yards aflegde: dat is 360 yards15in het uur, of vier mijlen daags—na aftrek van een korten poos om onderweg te eten. Gedurende den broeitijd, als het mannetje en wijfje bij elkander zijn, laat het mannetje een schor gebrul of geloei hooren, dat, naar men zegt, meer dan honderd yards vergehoord kan worden. Het wijfje verheft nooit hare stem, en het mannetje alléén in deze tijden; men weet dus, bij het hooren van dit geluid, dat beiden te zamen zijn. Tijdens ons bezoek (October) waren zij aan het eieren leggen. Is de grond zandig, dan legt het wijfje de eieren bij elkander, en bedekt hen met zand; maar is de grond steenachtig, dan laat zij hen zonder onderscheid vallen in elk gat, dat zij ontmoet. Bynoe vond er zeven in eene spleet. Het ei is wit en bolvormig; ik mat er een van 7⅜ inches in omtrek—derhalve grooter dan een kippenei. Nauwelijks zijn de jonge schildpadden uitgebroed, of zij worden in menigte eene prooi van den aasetenden buizerd. De ouden schijnen meestal ten gevolge van ongelukken te sterven, bijv. door het vallen in een afgrond; althans, verscheidene bewoners verzekerden mij, dat zij nooit eene doode schildpad gezien hadden, die niet op noodlottige wijze gestorven was.De bewoners gelooven, dat deze dieren stokdoof zijn; en werkelijk hooren zij niet, dat iemand dicht achter hen loopt. Telkens wanneer ik een van deze groote monsters op hare rustige wandeling inhaalde, vermaakte het mij ze, op het oogenblik dat ik voorbijging, plotseling kop en pooten te zien intrekken, en onder het uiten van een scherp gesis met een zwaren plof als dood op den grond te zien vallen. Dikwijls ging ik op haren rug zitten, en gaf haar dan een paar tikken op het achterdeel van het schild—waarna zij opstonden en voortwandelden. Hetkosttemij echter veel moeite mijn evenwicht te bewaren. Het vleesch van dit dier wordt veel gegeten, zoowel versch als gezouten; en uit het vet wordt eene klare olie bereid. Als eene schildpad gevangen is, geeft men haar eene insnijding in de huid nabij den staart, om zoo in het lichaam te zien, of er eene dikke vetlaag onder het rugschild ligt. Is dit niet het geval, dan laat men het dier los, dat, zoo beweert men, spoedig van deze zonderlinge operatie geneest. Om zich van de schildpadden meester te maken, is het niet genoeg, dat men ze ondersteboven keert, zooals men de zeeschildpadden doet; want dikwijls gelukt het haar weer op de pooten te komen.Er kan weinig twijfel bestaan, of deze schildpad is eene oorspronkelijke bewoonster van de Galápagos-Eilanden, want men vindt haar op alle, of bijna alle eilanden, zelfs op eenige van de kleinere, waar geen water is; en dit had moeilijk het geval kunnen zijn in een zoo weinig bezochten archipel, indien zij eene ingevoerde species was. Bovendien vonden de oude boekaniers deze schildpad zelfs in nog grooter aantal dan nu; terwijl ook Wood en Rogers in 1708vermeldden, dat de Spanjaarden geloofden, dat zij op geen andere plek in dit werelddeel gevonden werd. Tegenwoordig is zij veel verspreid, maar het is de vraag of zij ook op andere plaatsen oorspronkelijk is. De beenderen van eene schildpad, welke op Mauritius nevens die van den uitgestorvenDodogevonden zijn, heeft men algemeen voor overblijfselen van deze schildpad gehouden. Indien dit juist was, zou zij daar stellig van den aanvang af geleefd hebben; maar Bibron meldt mij, dat zij volgens zijne meening eene andere species was, gelijk met de thans op dit eiland levende zeker het geval is.Van denAmblyrhynchus—een merkwaardig geslacht hagedissen, dat zich tot dezen archipel bepaalt—bestaan twee soorten, die, wat den algemeenen vorm betreft, op elkander gelijken: de eene is eene land-, en de andere eene waterspecies. Van laatstgenoemde soort,A. cristatus, zijn de kenmerken het eerst in ’t licht gesteld door Bell, die uit den korten, breeden kop en sterke, even lange klauwen terecht opmaakte, dat hare leefwijze zeer eigenaardig moest zijn, en verschillend van die harer naaste verwante, deIguanaof kamhagedis.16Zij komt op alle eilanden van den archipel bijzonder veel voor, leeft uitsluitend op de rotsachtige zeekusten, en wordt nooit verder op het strand gevonden, dan tien yards: althans ik heb het nooit gezien. Het is een schepsel met een afzichtelijk voorkomen, vuil zwart van kleur, dom, en traag in zijne bewegingen. De gewone lengte van een volwassen individubedraagt één yard; maar sommige zijn zelfs vier voet lang, terwijl opgemerkt zij, dat die op het eiland Albemarle grooter schijnen te worden dan elders. Een grooteAmblyrhynchuswoog twintig pond. Hunne staarten zijn zijdelings afgeplat, en al de vier pooten gedeeltelijk van zwemvliezen voorzien. Soms ziet men hen op honderd yards afstand van het strand rondzwemmen; en kapitein Collnett zegt in zijne reisbeschrijving, dat zij “in scholen naar zee gaan om te visschen, zich op de rotsen in de zon koesteren, en alligators in ’t klein genoemd zouden kunnen worden.” Vermoedelijk leven zij echter niet van visch. In het water zijnde, zwemt deze hagedis zeer gemakkelijk en vlug door eene slangvormige beweging van het lichaam en den afgeplatten staart, terwijl de pooten onbeweeglijk en aan weerszijden dicht naar het lijf zijn opgetrokken. Een matroos aan boord had een zwaar gewicht aan het lichaam van eenAmblyrhynchusbevestigd, en daarna het dier in zee geworpen, denkende het op die wijs te dooden; maar toen hij een uur later het touw ophaalde, roerde het dier zich nog lustig. Zijne ledematen en sterke klauwen zijn voortreffelijk geschikt om over de hobbelige en gespleten lavakorst te klauteren, die overal de kust bedekt. Zoo kan men dikwijls een troep van zes of zeven dezer afzichtelijke kruipende dieren enkele voeten boven de branding op de zwarte rotsen zien liggen, waar zij zich in de zon koesteren.Amblyrhynchus cristatus. a, tand met vergrooting.Amblyrhynchus cristatus.a, tand met vergrooting.Van verscheidenen opende ik de maag, en vond deze sterk gezwollen door inliggende stukjes zeewier (Ulvae)—een dunbladerig wijdvertakt gewas van eene lichtgroene of donkerroode kleur.17Ik herinner mij niet dit zeewier in noemenswaardige hoeveelheid op de vloedrotsen te hebben gezien, en heb reden te gelooven, dat het op den bodem der zee groeit, op eenigen afstand van de kust. Is dit het geval, dan verklaart het zich, waarom deze dieren nu en dan naar zee gaan. De maag bevatte niets dan zeewier. Wel vond Bynoe er een stuk van eene krab in; maar deze kon er toevallig in zijn gekomen, op dezelfde manier als ik in den buik van eene schildpad eene rups tusschen eenig groen heb zien liggen. Evenals bij andere plantenetende dieren, waren de ingewanden ruim. De aard van het voedsel dezer hagedis, zoowel als de bouw van haren staart en voeten, en het feit, dat men haar vrijwillig naar zee heeft zien zwemmen, bewijzen afdoende hare leefwijze van waterdier; toch openbaart zich hier eene zonderlinge tegenstrijdigheid, namelijk, dat zij niet in het water zal gaan, als men haar plaagt of schrik aanjaagt. Zoo kan men ze gemakkelijk naar een punt boven zee drijven, waar zij zich eerder bij den staart zullen laten grijpen, dan in het water springen. Van bijten schijnen zij volstrekt geen begrip te hebben; maar worden zij veel geplaagd, dan spuiten zij uit elk neusgat een druppel vloeistof. Ik wierp er eene verscheidene malen zoover ik kon in een diepen plas, die door het getij was achtergelaten; maar telkens keerde zijlinea rectaterug naar de plek waar ik stond. Zij zwom zeer sierlijk en vlug bij den bodem van den plas, en krabbelde nu en dan met hare voeten over den hobbeligen grond. Als zij bijna den kant bereikt had, maar nog onder water was, poogde zij zich in de boschjes zeewier te verbergen, of liepeene spleet binnen; en nauwelijks achtte zij het gevaar voorbij, of zij kroop over de droge rotsen naar buiten, en maakte zich zoo snel mogelijk uit de voeten. Dikwijls ving ik deze zelfde door haar naar een punt te drijven, waar dan niets haar kon bewegen in het water te gaan, ondanks hare volkomen bedrevenheid in duiken en zwemmen; en telkens als ik haar daarin wierp, keerde zij op de genoemde wijze terug. Wellicht laat dit eigenaardige staaltje van oogenschijnlijke domheid zich verklaren door het feit, dat dit dier geen enkelen vijand op het strand heeft, terwijl het in zee menigmaal een prooi wordt van de talrijke haaien. Gedreven door een diep geworteld en erfelijk instinct, dat het strand zijn veiligheidsoord is bij wat er ook gebeure, zoekt het dan waarschijnlijk hier zijne toevlucht.Tijdens een bezoek (in October) zag ik zeer weinig kleineindividuënvan deze species, en ik geloof geen enkel, dat jonger was dan een jaar. Daar het mij hierom waarschijnlijk voorkwam, dat de broeitijd toen nog niet begonnen was, vroeg ik aan verscheidene bewoners, of zij wisten wanneer de hagedis hare eieren legde, en kreeg ten antwoord dat zij van hare voortplanting niets wisten, ofschoon de eieren van de landspecies hun wel bekend waren. Neemt men in aanmerking, dat deze species zoo algemeen is, dan is dit feit niet weinig merkwaardig.Wij gaan nu over tot de landspecies (Amblyrhynchus Demarlii), met ronden staart en teenen zonder zwemvliezen. In plaats dat deze hagedis, evenals de andere, op alle eilanden gevonden wordt, bepaalt zij zich tot het middengedeelte van den archipel, en wel tot de eilanden Albemarle, James, Barrington en Indefatigable. Zuidelijk, op de eilanden Charles, Hood en Chatham, alsmede noordelijk op Tower, Bindloes en Abingdon zag ik er nooit eene, en hoorde er ook niet van. Het schijnt dat zij in het midden van den archipel ontstaan is, en zich van daar slechts tot op zekeren afstand verspreidde. Eenige dezer hagedissen bewonen de hooge en vochtige gedeelten der eilanden, maar veel talrijker zijn zij in de lagere en dordere districten bijde kust. Ik kan geen overtuigender bewijs van hare talrijkheid geven, dan door te zeggen, dat wij bij onze komst op het eiland James voor het opslaan van onze eenige tent eene poos lang geen plek konden vinden, die niet met hare holen ondermijnd was. Evenals hare zusters, de zeehagedissen, zijn zij leelijke dieren, oranjegeel op de buikzijde en bruinachtig rood op den rug. Door haren stompen gelaatshoek hebben zij een bijzonder dom uiterlijk. Misschien zijn zij in ’t algemeen iets kleiner dan de andere species: toch wogen velen van haar nog tusschen tien en vijftien pond. In hare bewegingen zijn zij traag en half verstijfd. Zoo men ze niet plaagt, kruipen zij langzaam rond, terwijl staart en buik over den grond slepen. Dikwijls staan zij een of twee minuten te sluimeren, met de oogen dicht en de achterpooten op den verschroeiden grond gestrekt.Zij wonen in holen, die zij somtijds tusschen stukken lava graven, doch meer algemeen op vlakke schollen van de zachte, zandsteenachtige tuf. De holen schijnen niet zeer diep te wezen, en dringen onder een kleinen hoek in den grond, zoodat tot groot verdriet van den vermoeiden wandelaar, die over deze hagedissengangen loopt, de grond telkens onder zijne voeten wegzakt. Als het dier zijn hol maakt, werkt het beurtelings met beide kanten van zijn lichaam. De eene voorpoot graaft eene korte poos den grond uit, en werpt het graafsel naar den achterpoot, die gereed staat het buiten de opening van het hol te brengen. Is die kant van het lichaam vermoeid, dan neemt de andere het werk over, en zoo vervolgens. Ik sloeg er langen tijd een gade, totdat haar lichaam half begraven was, trad toen nader en trok haar bij den staart. Dit scheen haar zeer te verwonderen, want spoedig kroop zij naar buiten om te zien wat er aan de hand was, en keek mij strak in het gezicht, als wilde zij zeggen: “Waarom trekt ge aan mijn staart?”Zij zoeken bij dag haar voedsel, en verwijderen zich niet ver van hare holen. Worden zij opgeschrikt, dan snellen zij er in de plompste houding heen. Behalve wanneer zij eene hoogte afloopen, kunnen zij zich niet zeer vlug bewegen,wat een gevolg schijnt van den zijwaartschen stand harer pooten. Vreesachtig zijn zij in ’t geheel niet; als zij iemand opmerkzaam gadeslaan, krullen zij haren staart, richten zich op de voorpooten omhoog, en trachten door eene snelle, verticale, knikkende beweging met het hoofd eene dreigende houding aan te nemen. Maar in werkelijkheid zijn zij niet gevaarlijk; men behoeft slechts even op den grond te stampen, en hare staarten gaan omlaag, terwijl zij zoo snel zij kunnen wegschuifelen. Dikwijls heb ik kleine vliegenetende hagedissen op volkomen dezelfde manier met het hoofd zien knikken, als zij het een of ander gadesloegen; maar om welke reden, weet ik volstrekt niet. Als men dezenAmblyrhynchusmet een stok tegenhoudt en plaagt, zal hij er woedend in bijten; maar ik greep er velen bij den staart, zonder dat zij mij ooit trachten te bijten. Worden er twee op den grond bij elkander gezet, dan zullen zij aan ’t vechten gaan en elkander tot bloedens toe bijten.Deindividuën, die de lagere streken bewonen—en deze zijn het talrijkst—kunnen het geheele jaar door bijna geen druppel water bekomen; zij eten echter veel van de sappige cactus, waarvan de wind nu en dan takken afbreekt. Dikwijls wierp ik een groepje van twee of drie een stuk toe; en het was vermakelijk te zien, hoe gretig zij dit met den bek poogden te grijpen en er mee wegliepen, evenals hongerige honden met een been. Zij eten zeer voorzichtig, maar kauwen haar voedsel niet. Zelfs vogeltjes weten hoe onschadelijk deze schepsels zijn. Eens zag ik een diksnaveligen vink pikken aan het eene einde van een stuk cactus (waarin alle dieren van het laagland veel smaak vinden), terwijl eene hagedis van het andere einde at; en daarna huppelde het vogeltje met de grootste onverschilligheid over den rug van het reptiel.Bij velen opende ik de maag, en vond die gevuld met plantvezels en bladen van verschillende boomen, vooral van eene acacia. In de bovenstreek leven zij hoofdzakelijk van de zure en wrange bessen derguayavita; en onderdezen boom heb ik denAmblyrhynchus Demarliimet de groote schildpadden zien eten. Om de bladeren van de acacia meester te worden, krabbelen zij tegen de lage, weinig ontwikkelde boomen op; en zoo ziet men niet zelden een paar van deze dieren, verscheidene voeten boven den grond op een tak gezeten, rustig knabbelen. Gekookt, geven deze hagedissen een wit vleesch, dat voor lieden wier magen vrij van alle vooroordeelen zijn, een gezocht voedsel is. Humboldt heeft opgemerkt, dat alle hagedissen in het tusschenkeerkringsgebied van Zuid-Amerika, die droge streken bewonen, voor smakelijke gerechten worden gehouden. De inwoners vertellen, dat de in de hoogere, vochtige streken levende hagedissen water drinken, maar dat de anderen daarvoor niet uit het onvruchtbare laagland naar boven trekken, zooals de schildpadden. Tijdens ons bezoek hadden de wijfjes talrijke, groote, langwerpige eieren in het lichaam, die zij in hare holen leggen, en door de inwoners als voedsel worden gezocht.Zooals ik reeds gezegd heb, komen deze twee soortenAmblyrhynchusin algemeenen lichaamsbouw en in vele gewoonten met elkander overeen. Geen van beiden heeft die snelle beweging, zoo kenmerkend voor de geslachtenLacertaenIguana. Beiden zijn plantenetende dieren, hoewel de soorten planten waarvan zij leven zeer verschillen. Bell heeft het geslacht dezen naam gegeven om zijn stompen snuit;18en werkelijk kan de vorm van den bek bijna met dien van de schildpad worden vergeleken. De onderstelling ligt voor de hand, dat dit eene aanpassing is aan hare zucht of drang om planten te eten. Dat men een geslacht met zulke juiste kenmerken, waarvan zoowel eene zee- als eene landspecies bestaat, tot zulk een klein gedeelte der wereld beperkt ziet, is een zeer gewichtig feit. De waterspecies is op verre na de belangrijkste, omdat zij de eenige levende hagedis is, die van plantaardige zeevoortbrengselen leeft.Zooals ik in den beginne opmerkte, zijn deze eilanden niet zoozeer merkwaardig om het aantal soorten van kruipende dieren, als om dat derindividuën. Denken wij aan de goed gebaande, door de groote schildpadden aangelegde paden; aan de menigte zeeschildpadden; aan de onderaardsche gangen van denA. Demarlii, en de op de kustrotsen van elk eiland zich koesterende groepen van denA. cristatus, dan moeten wij erkennen, dat de plantenetende zoogdieren in geen enkel deel der wereld zoo buitengewoon talrijk door de klasse der kruipende dieren vervangen zijn, als in dezen archipel. Bij het hooren van dit feit, zal de geoloog in gedachten waarschijnlijk teruggaan tot het Secundaire ofMesozoïscheTijdvak der Aardgeschiedenis, toen deels plantenetende, deels vleeschetende hagedissen, die in grootte alleen met onze levende walvisschen vergeleken konden worden—krioelden op het land zoowel als in de zee. Het verdient daarom wel zijne aandacht, dat deze archipel, in plaats van een vochtig klimaat en een weligen plantengroei te bezitten, niet anders dan als uiterst dor kan worden beschouwd, en voor een equatoriaal gewest een bijzonder gematigd klimaat bezit.Tot besluit van de zoölogie dezer eilanden, vermeld ik, dat alle vijftien hier door mij verzamelde zeevisschennieuwesoorten zijn, behoorende tot twaalf geslachten, die alle zeer verspreid zijn, met uitzondering vanPrionotus, waarvan de vier voorheen bekende soorten aan den oostkant van Amerika leven. Van landschelpdieren verzamelde ik zestien soorten (en twee bepaalde variëteiten), die, behalve een op Tahiti gevondenHelix, alle aan dezen archipel eigen zijn; een enkel zoetwaterschelpdier (Paludina) dat ik hier vond, komt ook op Tahiti en Van Diemensland voor. Vóór onze reis verzamelde Mr. Cuming hier negentig soorten zeeschelpdieren, onder welk cijfer niet begrepen zijn verscheidene, nog niet nader onderzochte soorten vanTrochus,Turbo,MonodontaenNassa. Hij is zoo vriendelijk geweest mij de volgende gewichtige uitkomsten mede te deelen. Van de negentig schelpdieren zijnniet minder dan zeven en veertig elders onbekend—een verrassend feit, zoo men in aanmerking neemt, hoe ver zeeschelpdieren in den regel verspreid zijn. Van de 43 in andere deelen der wereld gevonden soorten bewonen 25 de westkust van Amerika, en daaronder laten zich acht als variëteiten onderscheiden; de overige 18 (waaronder ééne variëteit) werden door Cuming in den Lagen Archipel, en sommige ook op de Philippijnen gevonden. Dit feit: dat schelpdieren van eilanden midden in den Stillen Oceaanhiervoorkomen, verdient opmerking, aangezien geen enkel zeeschelpdier, naar men weet, gemeen is aan de eilanden van dien Oceaan en de westkust van Amerika. Het zeeoppervlak, dat zich van noord tot zuid langs de westkust uitstrekt, scheidt twee geheel verschillende gebieden van schelpdieren; maar op de Galápagos-Eilanden vinden wij een centrum, waar vele nieuwe vormen geschapen zijn, en waarheen deze twee groote schelpdieren-gebieden vele nederzetters hebben uitgezonden. Ook heeft het Amerikaansche gebiedhiersoortenvertegenwoordigd; want er is eene Galápagische soort van het geslachtMonoceros, dat alleen op de westkust van Amerika wordt gevonden; ook zijn er Galápagische soorten van de geslachtenFissurellaenCancellaria, die op de westkust inheemsch zijn, maar (zooals Cuming mij berichtte) niet op de eilanden midden in den Oceaan gevonden worden. Aan den anderen kant zijn er Galápagische soorten van de geslachtenOnisciaenStylifer, die voorkomen in West-Indië en in de Chineesche en Indische Zeeën, maar noch op de westkust van Amerika, noch midden in den Stillen Oceaan gevonden worden. Ik wil hieraan toevoegen, dat Cuming en Hinds na vergelijking van omstreeks 2000 schelpdieren van de oost- en westkusten van Amerika, slechts één schelpdier vonden, dat aan beide kusten gemeen was, nl.Purpura patula, die zoowel West-Indië, als de kust van Panama en de Galápagos-Eilanden bewoont. Wij hebben dus in dit deel van de wereld drie groote gebieden van zeeschelpdieren, die, ofschoon bijzonder dicht bij elkander gelegen (slechts gescheiden doorlange noord- en zuidwaarts loopende land- of zee-oppervlakken), onderling geheel verschillen.Ik gaf mij veel moeite om de insecten te verzamelen; maar nooit zag ik een land, Vuurland uitgezonderd, zoo arm op dit gebied, als deze archipel. Zelfs in de vochtige bovenstreek vond ik er zeer weinige; en deze waren—met uitzondering van enkele kleineDipteraenHymenoptera19van zeer alledaagsche vormen. Zooals ik reeds opmerkte, zijn de insecten voor een tropisch gewest van te geringe grootte en ook te donker van kleur. Van kevers verzamelde ik 25 soorten (niet medegerekend eenDermestesenCorynetes, die door schepen overal worden ingevoerd); hiervan behooren twee tot deHarpalidae, twee tot deHydrophilidae, negen tot drie families vanHeteromera, terwijl de twaalf overige tot even zooveel verschillende families behooren. Dit verschijnsel, nl., dat insecten (en ik kan er bijvoegen, planten) in streken waar zij schaarsch zijn tot vele verschillende families behooren, is, geloof ik, zeer algemeen. Waterhouse, die eene beschrijving van de insecten in dezen archipel in ’t licht heeft gegeven,20en aan wien ik de bovenstaande bijzonderheden te danken heb, meldt mij, dat er verscheidene nieuwe geslachten zijn, en dat van de niet nieuwe één of twee in Amerika, de overige echter over de geheele wereld verspreid zijn. Met uitzondering van een houtetendenApate, en één of waarschijnlijk twee waterkevers van het Amerikaansche vasteland, schijnen alle soorten nieuw te wezen.De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de “Linnaean Transactions” een volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe bekend is, zijn er 185 soortenphanerogamische, en 40kryptogamischeplanten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was 193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn 100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58 van zijn “Voyage”) dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten (of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht, als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soortenCompositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora eenonmiskenbaarWestamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit: indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-, en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de eene species van de ondergroepCactornis, die van het eiland Bow in den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel uitmaakt van Amerika.Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels, nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe planten—en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw, zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië, of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom—zoo vroeg ik mij af—werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest; die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel dien van Amerika bezitten.Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder individu metzekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring, en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden, omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden,verschillendebewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien, dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers, dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.Zooals ik reeds zeide, verklaren de bewoners, dat zij de schildpadden van de verschillende eilanden kunnen onderscheiden, en dat deze niet alleen in grootte, maar ook in andere kenmerken verschillen. Kapitein Porter heeft die van het eiland Charles, en van het meest naburige eiland Hood, beschreven als bedekt met een schild, dat van voren dik en opwaarts is gebogen evenals een Spaansch zadel, terwijl de schildpadden van het eiland James, ronder, zwarter, en na koking beter van smaak zijn.21Daarenboven meldt Bibron mij, dat hij twee schildpadden van de Galápagos-Eilanden gezien heeft, die hij voor twee verschillende species hield; maar van welke eilanden zij waren, wist hij niet. De door mij van drie eilanden medegebrachte exemplaren waren jong; en dit is waarschijnlijk de reden, waarom Gray noch ik er soortelijke verschillen in konden ontdekken. Ik heb opgemerkt, dat deAmblyrhynchus cristatusop het eiland Albemarle grooter was dan elders; en Bibron deelt mij mede, dat hij twee verschillende landhagedissen van dit geslacht gezien heeft; zoodat de verschillende eilandenwaarschijnlijk hunne plaatsvervangende rassen of soorten hebben, zoowel van denAmblyrhynchusals van de schildpad. Het eerste dat in hooge mate mijne aandacht trok, was, dat ik bij onderlinge vergelijking van de talrijke door mij en vele andere personen aan boord geschoten exemplaren van de spotlijsters, tot mijne verwondering ontdekte, dat alle van het eiland Charles afkomstigen tot ééne species (Mimus trifasciatus)behoorden; die van het eiland Albemarle alle totM. Parvulus; en die van de eilanden James en Chatham (waartusschen twee andere eilanden als verbindingschakels gelegen zijn) alle totM. melanotis. Deze twee laatste soorten zijn naverwant, en zouden door sommige vogelkundigen alleen voor goed gekenmerkte rassen of variëteiten worden gehouden; dochMimus trifasciatusis zeer verschillend. Ongelukkig waren de meeste exemplaren van de familie der vinken dooreengeraakt; maar ik heb gegronde reden om aan te nemen, dat sommige soorten van de ondergroepGeospizazich tot afzonderlijke eilanden bepalen. Indien de verschillende eilanden hunne vertegenwoordigers hebben vanGeospiza, kan dit ter verklaring dienen van het ongewoon groot aantal soorten van deze ondergroep in dezen betrekkelijk kleinen archipel; en de volmaakte geometrische grootte-opvolging hunner bekken zou dan waarschijnlijk een gevolg zijn van hun aantal. In dezen archipel werden gevonden twee soorten van de ondergroepCactornis, en twee vanCamarhynchus; het bleek nu, dat de talrijke, door vier verzamelaars op het eiland James geschoten exemplaren dezer beide ondergroepen, alle behoorden tot ééne soort van elk, terwijl de talrijke op de eilanden Chatham of Charles geschoten exemplaren (want de beide collectiën waren reeds vermengd) alle tot de twee andere species behoorden. Wij kunnen er dus bijna zeker van zijn, dat deze eilanden hunne plaatsvervangende species dezer twee ondergroepen bezitten. Bij landschelpdieren schijnt deze verspreidingswet niet door te gaan. Waterhouse merkt op, dat onder de exemplaren mijner zeer kleine verzameling insecten, welke een etiketvan de plaats van herkomst droegen, zich geen enkel bevond, dat aan twee van de eilanden gemeen was.Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd, dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten ten deele bevestigen. Bovendien zijn deLeguminosaeslechts bij benadering uitgecijferd:Naam van het Eiland.Totaal aantal soorten.Aantal soorten in andere deelen der wereld gevonden.Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn.Aantal soorten tot het eene eiland beperkt.Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn, doch op meer dan één eiland gevonden worden.James713338308Albemarle461826224Chatham321616124Charles6839(of 29, na aftrek van de waarschijnlijk ingevoerde planten).29218Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in geen ander deel der wereld gevonden worden,dertiguitsluitend tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke Galápagische planten op het eiland Albemarle,twee en twintigtot dit eene eiland beperkt zijn, en dus slechtsvier—naar men tot hedenweet—op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit feit wellicht nog meer in ’t oog doen springen. Zoo isScalesia, een merkwaardig, boomwordend geslacht derCompositae, tot dezen archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham, één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een tweede voorbeeld levertEuphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht, dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt.AcalyphaenBorreria—beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven soorten, waarvan, met uitzondering van ééne totBorreriabehoorende, geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species derCompositaezijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken; en bijna zeker van het Galápagische geslachtAmblyrhynchus.De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster, en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in ’t geheel geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende species vandezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel verschillende geslachten—zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben, overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen—deze is het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige plaatsvervangende soorten—althans wat de schildpad en sommige vogels betreft—later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James; maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden, liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham), en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke, in westelijke en west-noordwestelijke richtingloopende zeestroomen de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans wat het vervoer vanindividuënover zee betreft. Inderdaad werd tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere, wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht—indien wij zulk eene uitdrukking mogen bezigen—welke op deze kleine, kale en rotsachtige eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen, die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig, organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote vastland van Amerika.Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid der vogels.Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters, de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts of hoed, wat ikzelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684, “dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten gevolge waarvan zij schuwer werden.” Ook Dampier verhaalt in hetzelfde jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden, als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken, dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een gevaarlijker dier is dan de schildpad of deAmblyrhynchus, geen acht op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters,in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze velden grazen.De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den kleinenOpetiorhynchusis door Pernety, Lesson en andere reizigers opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel: dePolyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster, de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze tamheid der vogels—vooral van het watergevogelte—vormt eene scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen; terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden, als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat deOpetiorhynchusbijna op zijn vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden, waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen; want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het verhaalvan Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren, zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden—een trekvogel, die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen overbracht.Ik wil er bijvoegen, dat, naar hetgeen Du Bois verhaalt, alle vogels op Bourbon met uitzondering van de flamingo’s en de ganzen, in 1571/72 zoo buitengewoon tam waren, dat men hen met de hand kon vangen, of met een stok naar welgevallen dooden. Verder zegt Carmichael,22dat de eenige twee landvogels op Tristan da Cunha in den Atlantischen Oceaan (ten Westen van de Kaap de Goede Hoop), nl. een lijster en een vlasvink, zoo tam waren, dat zij zich met een handnet lieten vangen. Uit deze verschillende feiten meen ik te mogen afleiden: ten eerste, dat de wildheid van vogels ten opzichte van den mensch een bijzonder instinct is, dat tegenhemgericht, en niet afhankelijk is van een algemeenen graad van voorzichtigheid uit vrees voor andere bronnen van gevaar; ten tweede, dat die wildheid door vogels op zichzelven, ook dan als men hen fel vervolgt, niet spoedig wordt verkregen, doch na eene reeks van opvolgende geslachten erfelijk wordt. Bij tamme dieren zijn wij gewoon te zien, dat nieuwe geestelijke eigenschappen of instincten erfelijk worden verkregen of gemaakt; bij dieren in den natuurstaat zal het echter steeds zeer moeilijk zijn, gevallen van erfelijk verkregen kennis te ontdekken. Watde wildheid aangaat van vogels tegenover den mensch, deze laat zich niet anders verklaren dan als erfelijke gewoonte. In Engeland is het aantal jonge vogels, die in een jaar tijds door den mensch worden vervolgd, betrekkelijk klein: toch zijn bijna allen, zelfs nestvogels, bang voor hem; daarentegen zijn op de Galápagos- en de Falklands-Eilanden talrijkeindividuëndoor den mensch vervolgd en gekweld, zonder dat de vogels eene heilzame vrees voor hem hebben geleerd. Uit deze feiten mogen wij afleiden, welke verwoesting het invoeren van een nieuw roofdier in een land moet teweegbrengen, voordat de instincten der inheemsche bewoners zich aan de list of de kracht van den vreemdeling hebben aangepast.1Wanneer vulkanische asch—hetzij onmiddellijk door nedervallen uit de lucht of door stroomend water—in neptunische afzettingen geraakt, ontstaat een middenproduct tusschen eene vulkanische en eene neptunische stof. Dit is devulkanische tuf. Zij kan ontstaan zoowel op het vasteland in vlakten en meren, als in zee.(Vert.)2Op de kaart ook Chatam gespeld.3Waartoe o.a. de Wolfsmelk behoort.4De geheele archipel, met eene landoppervlakte van 7643 □ kilom., telde in 1903 niet meer dan 400 inwoners (Almanach de Gotha, 1904). Hij behoort tot de republiek Ecuador, en ontleent zijn naam aan de schildpadden (galápagowil zeggen “schildpad”), die er vroeger zeer talrijk waren.5Meelachtige wortelknollen vanConvolvulus batatus, welke veel als voedsel worden gebruikt.(Vert.)6Dat de rat, die in de Nieuwe Wereld niet inheemsch was, op schepen uit Europa is overgebracht, is een feit. Evenzoo is de Noorsche rat (Mus decumanus) in Engeland ingevoerd, waar zij in huizen en schepen zulke verwoestingen aanricht. Op gelijke wijze zijn vele andere dieren overgebracht: bijv. de groote adder (Fer de lance), even vergiftig als de ratelslang, kwam door den mensch op Martinique en Santa Lucia. De Europeesche huisvlieg is door schepen naar alle Zuidzee-Eilanden overbracht. Ondanks de koude in Noordwestelijk Europa heeft de kakkerlak (Blatta orientalis) zich hier gevestigd, en maakt zich de warmte in bakkersovens en troggen ten nutte. DeAphis(bladluis) kwam uit Indië; en onze beruchte paalworm (Teredo navalis) was oorspronkelijk een bewoner der equatoriale zeeën.(Vert.)7Dat Darwin er toen niet geheel zeker van was, als zouden van de 26 soorten landvogels 25 aan deze eilanden eigen zijn, blijkt uit den verderen tekst, en uit zijn werk “The Origin of Species”, dat, zooals men weet, eerst in Nov. 1859—dus lang na de uitgave van “Voyage round the World”—verscheen. Op blz. 543 (uitg. 1906) zegt hij: “In the Galapagos Islands there are 26 land-birds; of these 21 (or perhaps 23) are peculiar...”(Vert.)8of kersenvink (Coccothraustes vulg.)9Fringilla coelebs.10Verder onderzoek heeft geleerd, dat sommige dezer vogels, die men toen tot de eilanden beperkt achtte, op het vasteland van Amerika voorkomen. De uitstekendeornitholoogSclater deelt mij mede, dat zulks het geval is metStrix punctatissimaenPyrocephalus nanus, en waarschijnlijk ook metOtis(Trapgans)Galapagoensis; zoodat het getal inlandsche vogels tot 23 of waarschijnlijk tot 22 wordt teruggebracht. Volgens denzelfden geleerde zouden één of twee dezer inlandsche vormen veeleer als variëteiten dan als soorten moeten worden opgevat, hetgeen mij steeds als waarschijnlijk voorkwam.11Dr. Günther verklaart (Zoolog. Soc.24 Jan. 1859), dat deze slang eene bijzondere soort is, die, voor zoover men weet, geen ander land bewoont.12”Voyage aux Quatre Iles d’Afrique.” Zie, wat de Sandwich-Eilanden betreft: “Tyerman and Bennet’s Journal,” deel I, blz. 434; voor Mauritius: “Voyage par un Officier,” enz. deel I, blz. 170. Volgens Webb en Berthelot: “Histoire Naturelle des Iles Canaries,” zijn er geen kikvorschen op de Kanarische Eilanden. Ik zag er geen op Sint Jago van de Kaap-Verdische Eilanden, en op Sint Helena ontbreken zij.13ofLacertiliavolgens Haeckel.(Vert.)14ofperikardion= hartzakje.15ongeveer 329 meter.16Iguanais de Spaansche naam; op Haïti heet zijLeguaan.(Vert.)17DeUlvae(zeelatuwe of watersalade) behooren tot de zoogenaamde Groene Algen (ChlorophyceaeofConiervea); het donkerroode gewas, waarvan Darwin spreekt, tot de Bruine Algen (PhaeophyceaeofFucoideae).(Vert.)18Amblyrhynchuswil zeggen “Stompsnuit,” vanαμβλύς(stomp) enῥύγχος(snuit).(Vert.)19Diptera of Tweevleugelige insecten (zooals vliegen, enz.) Hymenoptera of Vliesvleugelige insecten (zooals bijen, wespen) met vier vleugels.20Ann. and Mag. of Nat. Hist., deel XVI, blz. 19.21“Voyage in the U. S. ship Essex,” deel I, blz. 215.22Linnean Trans., deel XII, blz. 496. Het meest abnormale feit in dit verschijnsel dat ik ontmoet heb, is de wildheid der kleine vogels in de arctische of poolstreken van Noord-Amerika (beschreven door Richardson in zijneFauna Borealis, deel II, blz. 332), waar zij nooit vervolgd worden, naar men zegt. Dit geval is des te vreemder, wijl men beweert, dat sommigen van dezelfde species in hunne winterkwartieren in de Vereenigde Staten tam zijn. Terecht merkt Richardson op, dat er in de verschillende graden van schuwheid en zorg, waarmede vogels hunne nesten bouwen, veel voorkomt, dat in hooge mate onverklaarbaar is. Hoe zonderling is het niet, dat de Engelsche woudduif, een in ’t algemeen zoo wilde vogel, zeer dikwijls zijn jongen opkweekt in heesterboschjes, in de nabijheid van menschelijke woningen!

15 September 1835.Deze archipel bestaat uit tien hoofdeilanden, waarvan vijf de anderen aanmerkelijk in grootte overtreffen, en ligt onder den evenaar, op een afstand van vijf- tot zeshonderd mijlen van de Amerikaansche kust. Zij zijn allen uit vulkanische gesteenten gevormd, want enkele stukken graniet van eene eigenaardige, door de hitte gewijzigde kristallijnen structuur, kunnen nauwelijks als eene uitzondering worden beschouwd. Sommige kegels of kraters, die zich op de grootere eilanden verheffen, zijn verbazend groot en bezitten eene hoogte van 3000 tot 4000 voet. Hunne hellingen zijn bezaaid met tallooze kleinere openingen. Bijna zonder aarzelen durf ik zeggen, dat er in den geheelen archipel minstens 2000 kraters zijn. Deze bestaan òf uit lava en slakken, òf uit fijn gelaagde, zandsteenachtige tuf.1Kraters van laatstgenoemde soort, waarvan de meesten een fraaien symmetrischen vorm bezitten, hebben hun ontstaan te danken aan uitbarstingen van vulkanische modder zonder lava. Het is een opmerkelijk feit, dat bij alle 28 tufsteen-kraters die onderzocht werden, de zuidelijke hellingen òf veel lager dan de andere zijden, òf geheel vernield en gesloopt waren. Daar al deze kraters klaarblijkelijk in zee zijn gevormd, en de door den passaatwindvoortgezweepte golven benevens de deining uit volle zee hare krachten hier op de zuidelijke kusten van al deze eilanden samentrekken, laat die zonderlinge overeenstemming in den gebroken vorm der uit de zachte en buigzame tuf samengestelde kraters, zich gemakkelijk verklaren.

Zoo men bedenkt, dat deze eilanden onmiddellijk onder den evenaar liggen, dan is het klimaat verre van buitengewoon heet. Dit schijnt in hoofdzaak een gevolg van de bijzonder lage temperatuur van het omgevende water, hetwelk door den grooten Zuidpool-stroom hierheen wordt gevoerd. Eene korte poos uitgezonderd, regent het hier zeer weinig en dan nog ongeregeld; maar de wolken hangen meestal laag. Dit heeft ten gevolge, dat, terwijl de lagere gedeelten der eilanden zeer dor zijn, de bovengedeelten ter hoogte van een duizend voet, en daarboven, een vochtig klimaat met een rijken en weligen plantengroei bezitten. Vooral is dit het geval aan de windzijden der eilanden, welke de vochtdeelen uit den dampkring het eerst ontvangen en verdichten.

Op den morgen van den 17den landden wij op het eiland Chatham,2dat, evenals de andere, een vlakronden omtrek heeft, hier en daar afgebroken door lage, verspreid staande heuvels—de overblijfsels van vroegere kraters. Niets kon minder aantrekkelijk zijn dan de eerste aanblik van dit eiland. Men stelle zich voor eene woest golvende oppervlakte van zwarte basaltlava, die in de wildste stroomen heeft gevloeid, doorsneden van groote scheuren, en overal bedekt met een kwijnend, verschroeid kreupelhout, dat weinig teekenen van leven vertoont. Door de middagzon verwarmd, verwekte die droge, geblakerde oppervlakte een gevoel van drukkende hitte in de lucht, evenals die van een kachel; ik verbeeldde mij zelfs, dat de struiken branderig roken. Ofschoon ik al mijn best deed zooveel planten te verzamelen als mogelijk was, kon ik er maar weinige bijeenbrengen; en die kleine kruiden zagen er zoo armzalig uit,dat zij beter bij eene arctische dan bij eene equatoriale flora gepast zouden hebben. Op eenigen afstand gezien, schijnt het kreupelhout even bladerloos als onze boomen in den winter; en het duurde eenigen tijd voor ik ontdekte, dat niet alleen bijna elke plant nu geheel in blad stond, maar dat de meesten ook in bloei stonden. De meest voorkomende struik behoort tot deEuphorbiaceae,3terwijl eene acacia en een groote, vreemd uitziende cactus de eenige boomen zijn, die eenige schaduw geven. Men zegt, dat na het seizoen der hevige regens de eilanden er korten tijd gedeeltelijk groen uitzien. Het vulkanische eiland Fernando Noronha, dat in vele opzichten in bijna gelijke omstandighedenverkeert, is de eenige andere plek waar ik een plantengroei gezien heb, geheel gelijk aan die der Galápagos-Eilanden.

De Galápagos-Eilanden.De Galápagos-Eilanden.

De Galápagos-Eilanden.

DeBeaglezeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort, waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend; gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben; de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti, verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.

DeBeaglezeilde verder naar het eiland Charles. De Galápagos-archipel is lang bezocht geworden—eerst door de boekaniers, en later door walvischvaarders; maar pas in de laatste zes jaren heeft zich eene kleine kolonie op dit eiland gevestigd. Het aantal inwoners bedraagt twee tot driehonderd4—zijnde bijna allen kleurlingen, die om politieke misdrijven uit de Republiek Ecuador, waarvan Quito de hoofdstad is, verbannen zijn. De kolonie ligt omstreeks 4½ mijl landwaarts in, op eene hoogte van waarschijnlijk 1000 voet. Op het eerste gedeelte van den weg trokken wij door bladerlooze kreupelbosschen, evenals op het eiland Chatham. Hooger op werden de bosschen gaandeweg groener; en nauwelijks bereikten wij het hoogste punt van het eiland, of eene heerlijke, zuidelijke koelte woei ons tegemoet, terwijl eene groene en welige plantenwereld ons oog verkwikte. In deze bovenstreek is overvloed van grof gras en varens; maar boomvarens ontbreken. Nergens zag ik een vertegenwoordiger van de familie der palmen: wat des te zonderlinger is, omdat het 360 mijlen noordwaarts gelegen Kokos-eiland zijn naam ontleent aan den overvloed van kokosnoten. De huizen zijn ongeregeld over eene vlakke ruimte verspreid, die met Spaansche bataten5en bananen bebouwd is. Men zal zich niet licht kunnen voorstellen, hoe aangenaam het ons was, na zulk een lang verblijf op den verdroogden bodem van Peru en Noord-Chili, eindelijk eens zwarte modder te zien. Hoewel de bewoners over armoede klagen, vinden zij toch zonder veel moeite hun middel van bestaan. In de bosschen zijn tal van wilde zwijnen en geiten; maar het voornaamste dierlijk voedsel leveren hier de schildpadden. Ofschoon het aantal dezer dieren natuurlijk zeerverminderd is, rekenen de bewoners toch, dat twee dagen jagens hun voedsel genoeg verschaft voor de vijf overige dagen der week. Men zegt, dat enkele schepen er vroeger tot 700 hebben medegenomen, en dat de bemanning van een fregat eenige jaren geleden twee honderd schildpadden op één dag naar het strand voerde.

29 September.Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte, kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid, evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank’s Cove op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging, om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater waarin deBeaglevoor anker lag, verrees een andere van fraaien, symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500 voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet; en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water—doch vond dit tot mijn groote spijtzoozout als pekel.

De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange, zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in hare holen. Strakszal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle is ellendig dor.

8 October.Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl deBeaglewater ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden, die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden, terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt; maar de boomen waren hier hooger, en veleervanbereikten twee voet, sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er aan gebraden (zooals de Gauchos huncarne con cuero), smaakt zeer goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren; maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.

Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun walvischvaartuig naar eenesalina, of meer waaruit zout gehaald wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief, die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem desalinalag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreefop eene laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten: wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt, bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.

In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt; en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn, weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke laarzen aan, hoogst onaangenaam was.

De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig, en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden; toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika, niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong verleden de oceaanzich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen tot dat groote feit—het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.

Onder de landzoogdieren is er slechts één, dat als inheemsch moet worden beschouwd, namelijk eene soort muis (Mus Galapagoensis), die, voor zoover ik kon nagaan, tot het eiland Chatham (het oostelijkste van den archipel) beperkt is. Naar Waterhouse mij bericht, behoort zij tot eene aan Amerika eigen afdeeling der muizenfamilie. Op het eiland James leeft eene rat, die zoozeer van de gewone soort verschilt, dat Waterhouse haar noemt en beschrijft; maar wijl zij tot de in de Oude Wereld levende afdeeling der familie behoort, en het gemelde eiland in de laatste 150 jaren herhaaldelijk door schepen is bezocht, kan ik er nauwelijks aan twijfelen, dat deze rat slechts eene variëteit is, voortgebracht door een nieuw en eigenaardig klimaat, door voedsel en bodem, aan welker vereenigde invloeden zij heeft blootgestaan. Hoewel niemand het recht heeft zonder stellige feitennatuurphilosophischebespiegelingen te maken, moet men toch—zelfs ten aanzien van de muis op het eiland Chatham—in ’t oog houden, dat zij wellicht eene uit Amerika hier ingevoerde soort is: welk vermoeden iets nader wordt bevestigd door het feit, dat ik in een der minst bezochte gedeelten van de Pampas eene levende inlandsche muis heb gezien onder het dak van eene pas gebouwde hut. Men mag daaruit afleiden, dat deze niet onwaarschijnlijk in een schip is meegekomen. Dergelijke feiten zijn door Dr. Richardson in Noord-Amerika waargenomen.6

Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel eigen zijn, en nergens anders gevonden worden—behalve een leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus), die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal moerassen bewoont.7De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetendePolybori, met welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee soortenPyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne)purpureauit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend, dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika eigen is. De overige landvogels—uitmakende dertien soorten, die Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld—bestaan in eene zeereigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilieCactornis, die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is meêgebracht. De twee soortenCactornisof Cactusvogel kan men dikwijls om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de bekken der verschillende soortenGeospiza: te beginnen met een zoo groot als de bek van een kersebijter8tot dien van een beukvink,9en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilieCerthideain de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den grootsten bek bij het geslachtGeospizazien wij in Fig. 1, en den kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie derCerthideazien wij in Fig. 4. Die vanCactornisgelijkt eenigszins op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus) heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen, dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der aasetendePolyborivan het Amerikaansche vasteland te verrichten.

1.Geospiza magnirostris.2.Geospiza fortis.3.Geospiza parvula.4.Certhidea olivasea.

1.Geospiza magnirostris.2.Geospiza fortis.3.Geospiza parvula.4.Certhidea olivasea.

Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de veel grootere eigenaardigheid der landvogels—namelijk, dat 25 van de 26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn—bij de steltloopers en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen(hetzij zee- of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van dezen archipel.

Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species, die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten, waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters, de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage), deTotanusen de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne overeenkomstige species, en—wat in ’t bijzonder de spotlijsters en denTotanusbetreft—donkerder dan elke andere species der beide geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van eene specieskleinermaken, ook de meeste inheemsche soorten van den Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijlsdonkerder van kleurmaken.

Alle planten hebben een armzalig, onkruidachtig voorkomen, en ik zag geen enkele schoone bloem. Ook de insecten zijn klein van stuk en donker gekleurd, terwijl, naar Waterhouse mij bericht, hun uiterlijk in ’t algemeen niets bezit, wat hem deed denken dat zij uit de evenaars-zone afkomstig waren.10De vogels, planten en insecten drageneen woestijnachtig karakter, en zijn niet schitterender gekleurd dan die van Zuid-Patagonië. Wij mogen dus daaruit afleiden, dat het gewone bonte koloriet der tusschenkeerkrings-organismen niet in verband staat met de warmte of het licht dezer streken, maar met eene andere oorzaak—wellicht deze, dat in ’t algemeen de levensvoorwaarden gunstig zijn.

Wij zullen nu overgaan tot de klasse der kruipende dieren, welke aan de fauna dezer eilanden het treffendste kenmerk verleent. De soorten zijn niet talrijk, maar het getalindividuënvan elke soort is buitengewoon groot. Men vindt er: eene kleine hagedis, die tot eene Zuidamerikaansche familie behoort; twee soorten (en waarschijnlijk meer)Amblyrhynchus—eene familie, die tot de Galápagos-Eilanden beperkt is; en talrijkeindividuënvan eene slang, die, zooals Bibron mij bericht, dezelfde is alsPsammophis Teminckiiuit Chili.11Van zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn er, geloof ik, meer dan ééne soort; en straks zullen wij zien, dat er twee of drie soorten of rassen van landschildpadden (Chersidae) zijn. Dat er geen padden (Bufonidae) en kikvorschen (Ranidae) waren, verwonderde mij, aangezien de gematigde temperatuur en de vochtige bovenbosschen zoozeer voor hen geschikt schenen. Ik herinnerde mij de opmerking, door Bory St.-Vincent gedaan, nl. dat er op geen der vulkanische eilanden in de oceanen een individudezer onderorde (Phaneroglossa) gevonden wordt.12Voor zoover ik in verschillende werken kon nagaan, schijnt dit voor den geheelen Stillen Oceaan te gelden, en zelfs voor de groote eilanden van den Sandwich-Archipel. Mauritius vormt schijnbaar eene uitzondering, want ik vond er deRana Mascariensisin overvloed. Volgens zeggen bewoont deze kikvorsch thans de Sechellen, Madagascar en Bourbon; daarentegen verklaart Du Bois in zijn “Voyage” in het jaar 1669, dat er op Bourbon geen kruipende dieren waren, uitgezonderd schildpadden; en deOfficier du Roiverzekert, dat er vóór 1768 vergeefsche pogingen zijn gedaan, om kikvorschen op Mauritius in te voeren, vermoedelijk om als voedsel te dienen; zoodat wel betwijfeld mag worden of deze kikvorsch een oorspronkelijke bewoner van genoemde eilanden is. Het ontbreken van de kikvorschen-familie op de eilanden der groote oceanen is des te merkwaardiger, om de tegenstelling daarvan met de hagedissen (Lacertidae),13die op de meeste kleinere eilanden wemelen. Zou dit verschil niet hieraan zijn toe te schrijven, dat de door kalkschalen beschermde eieren van hagedissen gemakkelijker door zout water vervoerd konden worden, dan het slijmige broedsel van kikvorschen?

Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra, vroeger genoemdIndica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden, of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zijmoeten zijn. Sommige bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen, eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort bes (guayavitagenaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.

De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen, ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen, welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt, steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol—ongeveer tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elkdier drie of vier dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit, dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.

Naar ik meen, is het eene uitgemaakte zaak, dat de blaas van den kikvorsen als reservoir dient van het vocht, dat het dier voor zijn leven noodig heeft; dit schijnt ook met de schildpad het geval te wezen. Eenigen tijd na een bezoek aan de bronnen is haar pisblaas door vloeistof gezwollen, die, naar men zegt, langzamerhand in volume afneemt, en minder zuiver wordt. Bewoners, die op hunne tochten in de lagere streken door dorst overvallen worden, maken dikwijls van deze omstandigheid gebruik, en drinken den inhoud der blaas, wanneer zij vol is. Ik zag een doode schildpad, bij wie de vloeistof volkomen helder, en alleen wat bitter van smaak was. Maar altijd drinken de bewoners eerst het water uit hetpericardium,14dat als best wordt beschreven.

Als de schildpadden zich met opzet naar een zeker punt begeven, trekken zij dag en nacht, en bereiken het doel harer reis veel vroeger, dan men zou verwachten. Door vooraf gemerkte dieren in het oog te houden, zijn de bewoners tot de ontdekking gekomen, dat zij in twee of drie dagen een afstand van omtrent acht mijlen afleggen. Ik sloeg eene groote schildpad gade, die elke tien minuten 60 yards aflegde: dat is 360 yards15in het uur, of vier mijlen daags—na aftrek van een korten poos om onderweg te eten. Gedurende den broeitijd, als het mannetje en wijfje bij elkander zijn, laat het mannetje een schor gebrul of geloei hooren, dat, naar men zegt, meer dan honderd yards vergehoord kan worden. Het wijfje verheft nooit hare stem, en het mannetje alléén in deze tijden; men weet dus, bij het hooren van dit geluid, dat beiden te zamen zijn. Tijdens ons bezoek (October) waren zij aan het eieren leggen. Is de grond zandig, dan legt het wijfje de eieren bij elkander, en bedekt hen met zand; maar is de grond steenachtig, dan laat zij hen zonder onderscheid vallen in elk gat, dat zij ontmoet. Bynoe vond er zeven in eene spleet. Het ei is wit en bolvormig; ik mat er een van 7⅜ inches in omtrek—derhalve grooter dan een kippenei. Nauwelijks zijn de jonge schildpadden uitgebroed, of zij worden in menigte eene prooi van den aasetenden buizerd. De ouden schijnen meestal ten gevolge van ongelukken te sterven, bijv. door het vallen in een afgrond; althans, verscheidene bewoners verzekerden mij, dat zij nooit eene doode schildpad gezien hadden, die niet op noodlottige wijze gestorven was.

De bewoners gelooven, dat deze dieren stokdoof zijn; en werkelijk hooren zij niet, dat iemand dicht achter hen loopt. Telkens wanneer ik een van deze groote monsters op hare rustige wandeling inhaalde, vermaakte het mij ze, op het oogenblik dat ik voorbijging, plotseling kop en pooten te zien intrekken, en onder het uiten van een scherp gesis met een zwaren plof als dood op den grond te zien vallen. Dikwijls ging ik op haren rug zitten, en gaf haar dan een paar tikken op het achterdeel van het schild—waarna zij opstonden en voortwandelden. Hetkosttemij echter veel moeite mijn evenwicht te bewaren. Het vleesch van dit dier wordt veel gegeten, zoowel versch als gezouten; en uit het vet wordt eene klare olie bereid. Als eene schildpad gevangen is, geeft men haar eene insnijding in de huid nabij den staart, om zoo in het lichaam te zien, of er eene dikke vetlaag onder het rugschild ligt. Is dit niet het geval, dan laat men het dier los, dat, zoo beweert men, spoedig van deze zonderlinge operatie geneest. Om zich van de schildpadden meester te maken, is het niet genoeg, dat men ze ondersteboven keert, zooals men de zeeschildpadden doet; want dikwijls gelukt het haar weer op de pooten te komen.

Er kan weinig twijfel bestaan, of deze schildpad is eene oorspronkelijke bewoonster van de Galápagos-Eilanden, want men vindt haar op alle, of bijna alle eilanden, zelfs op eenige van de kleinere, waar geen water is; en dit had moeilijk het geval kunnen zijn in een zoo weinig bezochten archipel, indien zij eene ingevoerde species was. Bovendien vonden de oude boekaniers deze schildpad zelfs in nog grooter aantal dan nu; terwijl ook Wood en Rogers in 1708vermeldden, dat de Spanjaarden geloofden, dat zij op geen andere plek in dit werelddeel gevonden werd. Tegenwoordig is zij veel verspreid, maar het is de vraag of zij ook op andere plaatsen oorspronkelijk is. De beenderen van eene schildpad, welke op Mauritius nevens die van den uitgestorvenDodogevonden zijn, heeft men algemeen voor overblijfselen van deze schildpad gehouden. Indien dit juist was, zou zij daar stellig van den aanvang af geleefd hebben; maar Bibron meldt mij, dat zij volgens zijne meening eene andere species was, gelijk met de thans op dit eiland levende zeker het geval is.

Van denAmblyrhynchus—een merkwaardig geslacht hagedissen, dat zich tot dezen archipel bepaalt—bestaan twee soorten, die, wat den algemeenen vorm betreft, op elkander gelijken: de eene is eene land-, en de andere eene waterspecies. Van laatstgenoemde soort,A. cristatus, zijn de kenmerken het eerst in ’t licht gesteld door Bell, die uit den korten, breeden kop en sterke, even lange klauwen terecht opmaakte, dat hare leefwijze zeer eigenaardig moest zijn, en verschillend van die harer naaste verwante, deIguanaof kamhagedis.16Zij komt op alle eilanden van den archipel bijzonder veel voor, leeft uitsluitend op de rotsachtige zeekusten, en wordt nooit verder op het strand gevonden, dan tien yards: althans ik heb het nooit gezien. Het is een schepsel met een afzichtelijk voorkomen, vuil zwart van kleur, dom, en traag in zijne bewegingen. De gewone lengte van een volwassen individubedraagt één yard; maar sommige zijn zelfs vier voet lang, terwijl opgemerkt zij, dat die op het eiland Albemarle grooter schijnen te worden dan elders. Een grooteAmblyrhynchuswoog twintig pond. Hunne staarten zijn zijdelings afgeplat, en al de vier pooten gedeeltelijk van zwemvliezen voorzien. Soms ziet men hen op honderd yards afstand van het strand rondzwemmen; en kapitein Collnett zegt in zijne reisbeschrijving, dat zij “in scholen naar zee gaan om te visschen, zich op de rotsen in de zon koesteren, en alligators in ’t klein genoemd zouden kunnen worden.” Vermoedelijk leven zij echter niet van visch. In het water zijnde, zwemt deze hagedis zeer gemakkelijk en vlug door eene slangvormige beweging van het lichaam en den afgeplatten staart, terwijl de pooten onbeweeglijk en aan weerszijden dicht naar het lijf zijn opgetrokken. Een matroos aan boord had een zwaar gewicht aan het lichaam van eenAmblyrhynchusbevestigd, en daarna het dier in zee geworpen, denkende het op die wijs te dooden; maar toen hij een uur later het touw ophaalde, roerde het dier zich nog lustig. Zijne ledematen en sterke klauwen zijn voortreffelijk geschikt om over de hobbelige en gespleten lavakorst te klauteren, die overal de kust bedekt. Zoo kan men dikwijls een troep van zes of zeven dezer afzichtelijke kruipende dieren enkele voeten boven de branding op de zwarte rotsen zien liggen, waar zij zich in de zon koesteren.

Amblyrhynchus cristatus. a, tand met vergrooting.Amblyrhynchus cristatus.a, tand met vergrooting.

Amblyrhynchus cristatus.a, tand met vergrooting.

Van verscheidenen opende ik de maag, en vond deze sterk gezwollen door inliggende stukjes zeewier (Ulvae)—een dunbladerig wijdvertakt gewas van eene lichtgroene of donkerroode kleur.17Ik herinner mij niet dit zeewier in noemenswaardige hoeveelheid op de vloedrotsen te hebben gezien, en heb reden te gelooven, dat het op den bodem der zee groeit, op eenigen afstand van de kust. Is dit het geval, dan verklaart het zich, waarom deze dieren nu en dan naar zee gaan. De maag bevatte niets dan zeewier. Wel vond Bynoe er een stuk van eene krab in; maar deze kon er toevallig in zijn gekomen, op dezelfde manier als ik in den buik van eene schildpad eene rups tusschen eenig groen heb zien liggen. Evenals bij andere plantenetende dieren, waren de ingewanden ruim. De aard van het voedsel dezer hagedis, zoowel als de bouw van haren staart en voeten, en het feit, dat men haar vrijwillig naar zee heeft zien zwemmen, bewijzen afdoende hare leefwijze van waterdier; toch openbaart zich hier eene zonderlinge tegenstrijdigheid, namelijk, dat zij niet in het water zal gaan, als men haar plaagt of schrik aanjaagt. Zoo kan men ze gemakkelijk naar een punt boven zee drijven, waar zij zich eerder bij den staart zullen laten grijpen, dan in het water springen. Van bijten schijnen zij volstrekt geen begrip te hebben; maar worden zij veel geplaagd, dan spuiten zij uit elk neusgat een druppel vloeistof. Ik wierp er eene verscheidene malen zoover ik kon in een diepen plas, die door het getij was achtergelaten; maar telkens keerde zijlinea rectaterug naar de plek waar ik stond. Zij zwom zeer sierlijk en vlug bij den bodem van den plas, en krabbelde nu en dan met hare voeten over den hobbeligen grond. Als zij bijna den kant bereikt had, maar nog onder water was, poogde zij zich in de boschjes zeewier te verbergen, of liepeene spleet binnen; en nauwelijks achtte zij het gevaar voorbij, of zij kroop over de droge rotsen naar buiten, en maakte zich zoo snel mogelijk uit de voeten. Dikwijls ving ik deze zelfde door haar naar een punt te drijven, waar dan niets haar kon bewegen in het water te gaan, ondanks hare volkomen bedrevenheid in duiken en zwemmen; en telkens als ik haar daarin wierp, keerde zij op de genoemde wijze terug. Wellicht laat dit eigenaardige staaltje van oogenschijnlijke domheid zich verklaren door het feit, dat dit dier geen enkelen vijand op het strand heeft, terwijl het in zee menigmaal een prooi wordt van de talrijke haaien. Gedreven door een diep geworteld en erfelijk instinct, dat het strand zijn veiligheidsoord is bij wat er ook gebeure, zoekt het dan waarschijnlijk hier zijne toevlucht.

Tijdens een bezoek (in October) zag ik zeer weinig kleineindividuënvan deze species, en ik geloof geen enkel, dat jonger was dan een jaar. Daar het mij hierom waarschijnlijk voorkwam, dat de broeitijd toen nog niet begonnen was, vroeg ik aan verscheidene bewoners, of zij wisten wanneer de hagedis hare eieren legde, en kreeg ten antwoord dat zij van hare voortplanting niets wisten, ofschoon de eieren van de landspecies hun wel bekend waren. Neemt men in aanmerking, dat deze species zoo algemeen is, dan is dit feit niet weinig merkwaardig.

Wij gaan nu over tot de landspecies (Amblyrhynchus Demarlii), met ronden staart en teenen zonder zwemvliezen. In plaats dat deze hagedis, evenals de andere, op alle eilanden gevonden wordt, bepaalt zij zich tot het middengedeelte van den archipel, en wel tot de eilanden Albemarle, James, Barrington en Indefatigable. Zuidelijk, op de eilanden Charles, Hood en Chatham, alsmede noordelijk op Tower, Bindloes en Abingdon zag ik er nooit eene, en hoorde er ook niet van. Het schijnt dat zij in het midden van den archipel ontstaan is, en zich van daar slechts tot op zekeren afstand verspreidde. Eenige dezer hagedissen bewonen de hooge en vochtige gedeelten der eilanden, maar veel talrijker zijn zij in de lagere en dordere districten bijde kust. Ik kan geen overtuigender bewijs van hare talrijkheid geven, dan door te zeggen, dat wij bij onze komst op het eiland James voor het opslaan van onze eenige tent eene poos lang geen plek konden vinden, die niet met hare holen ondermijnd was. Evenals hare zusters, de zeehagedissen, zijn zij leelijke dieren, oranjegeel op de buikzijde en bruinachtig rood op den rug. Door haren stompen gelaatshoek hebben zij een bijzonder dom uiterlijk. Misschien zijn zij in ’t algemeen iets kleiner dan de andere species: toch wogen velen van haar nog tusschen tien en vijftien pond. In hare bewegingen zijn zij traag en half verstijfd. Zoo men ze niet plaagt, kruipen zij langzaam rond, terwijl staart en buik over den grond slepen. Dikwijls staan zij een of twee minuten te sluimeren, met de oogen dicht en de achterpooten op den verschroeiden grond gestrekt.

Zij wonen in holen, die zij somtijds tusschen stukken lava graven, doch meer algemeen op vlakke schollen van de zachte, zandsteenachtige tuf. De holen schijnen niet zeer diep te wezen, en dringen onder een kleinen hoek in den grond, zoodat tot groot verdriet van den vermoeiden wandelaar, die over deze hagedissengangen loopt, de grond telkens onder zijne voeten wegzakt. Als het dier zijn hol maakt, werkt het beurtelings met beide kanten van zijn lichaam. De eene voorpoot graaft eene korte poos den grond uit, en werpt het graafsel naar den achterpoot, die gereed staat het buiten de opening van het hol te brengen. Is die kant van het lichaam vermoeid, dan neemt de andere het werk over, en zoo vervolgens. Ik sloeg er langen tijd een gade, totdat haar lichaam half begraven was, trad toen nader en trok haar bij den staart. Dit scheen haar zeer te verwonderen, want spoedig kroop zij naar buiten om te zien wat er aan de hand was, en keek mij strak in het gezicht, als wilde zij zeggen: “Waarom trekt ge aan mijn staart?”

Zij zoeken bij dag haar voedsel, en verwijderen zich niet ver van hare holen. Worden zij opgeschrikt, dan snellen zij er in de plompste houding heen. Behalve wanneer zij eene hoogte afloopen, kunnen zij zich niet zeer vlug bewegen,wat een gevolg schijnt van den zijwaartschen stand harer pooten. Vreesachtig zijn zij in ’t geheel niet; als zij iemand opmerkzaam gadeslaan, krullen zij haren staart, richten zich op de voorpooten omhoog, en trachten door eene snelle, verticale, knikkende beweging met het hoofd eene dreigende houding aan te nemen. Maar in werkelijkheid zijn zij niet gevaarlijk; men behoeft slechts even op den grond te stampen, en hare staarten gaan omlaag, terwijl zij zoo snel zij kunnen wegschuifelen. Dikwijls heb ik kleine vliegenetende hagedissen op volkomen dezelfde manier met het hoofd zien knikken, als zij het een of ander gadesloegen; maar om welke reden, weet ik volstrekt niet. Als men dezenAmblyrhynchusmet een stok tegenhoudt en plaagt, zal hij er woedend in bijten; maar ik greep er velen bij den staart, zonder dat zij mij ooit trachten te bijten. Worden er twee op den grond bij elkander gezet, dan zullen zij aan ’t vechten gaan en elkander tot bloedens toe bijten.

Deindividuën, die de lagere streken bewonen—en deze zijn het talrijkst—kunnen het geheele jaar door bijna geen druppel water bekomen; zij eten echter veel van de sappige cactus, waarvan de wind nu en dan takken afbreekt. Dikwijls wierp ik een groepje van twee of drie een stuk toe; en het was vermakelijk te zien, hoe gretig zij dit met den bek poogden te grijpen en er mee wegliepen, evenals hongerige honden met een been. Zij eten zeer voorzichtig, maar kauwen haar voedsel niet. Zelfs vogeltjes weten hoe onschadelijk deze schepsels zijn. Eens zag ik een diksnaveligen vink pikken aan het eene einde van een stuk cactus (waarin alle dieren van het laagland veel smaak vinden), terwijl eene hagedis van het andere einde at; en daarna huppelde het vogeltje met de grootste onverschilligheid over den rug van het reptiel.

Bij velen opende ik de maag, en vond die gevuld met plantvezels en bladen van verschillende boomen, vooral van eene acacia. In de bovenstreek leven zij hoofdzakelijk van de zure en wrange bessen derguayavita; en onderdezen boom heb ik denAmblyrhynchus Demarliimet de groote schildpadden zien eten. Om de bladeren van de acacia meester te worden, krabbelen zij tegen de lage, weinig ontwikkelde boomen op; en zoo ziet men niet zelden een paar van deze dieren, verscheidene voeten boven den grond op een tak gezeten, rustig knabbelen. Gekookt, geven deze hagedissen een wit vleesch, dat voor lieden wier magen vrij van alle vooroordeelen zijn, een gezocht voedsel is. Humboldt heeft opgemerkt, dat alle hagedissen in het tusschenkeerkringsgebied van Zuid-Amerika, die droge streken bewonen, voor smakelijke gerechten worden gehouden. De inwoners vertellen, dat de in de hoogere, vochtige streken levende hagedissen water drinken, maar dat de anderen daarvoor niet uit het onvruchtbare laagland naar boven trekken, zooals de schildpadden. Tijdens ons bezoek hadden de wijfjes talrijke, groote, langwerpige eieren in het lichaam, die zij in hare holen leggen, en door de inwoners als voedsel worden gezocht.

Zooals ik reeds gezegd heb, komen deze twee soortenAmblyrhynchusin algemeenen lichaamsbouw en in vele gewoonten met elkander overeen. Geen van beiden heeft die snelle beweging, zoo kenmerkend voor de geslachtenLacertaenIguana. Beiden zijn plantenetende dieren, hoewel de soorten planten waarvan zij leven zeer verschillen. Bell heeft het geslacht dezen naam gegeven om zijn stompen snuit;18en werkelijk kan de vorm van den bek bijna met dien van de schildpad worden vergeleken. De onderstelling ligt voor de hand, dat dit eene aanpassing is aan hare zucht of drang om planten te eten. Dat men een geslacht met zulke juiste kenmerken, waarvan zoowel eene zee- als eene landspecies bestaat, tot zulk een klein gedeelte der wereld beperkt ziet, is een zeer gewichtig feit. De waterspecies is op verre na de belangrijkste, omdat zij de eenige levende hagedis is, die van plantaardige zeevoortbrengselen leeft.Zooals ik in den beginne opmerkte, zijn deze eilanden niet zoozeer merkwaardig om het aantal soorten van kruipende dieren, als om dat derindividuën. Denken wij aan de goed gebaande, door de groote schildpadden aangelegde paden; aan de menigte zeeschildpadden; aan de onderaardsche gangen van denA. Demarlii, en de op de kustrotsen van elk eiland zich koesterende groepen van denA. cristatus, dan moeten wij erkennen, dat de plantenetende zoogdieren in geen enkel deel der wereld zoo buitengewoon talrijk door de klasse der kruipende dieren vervangen zijn, als in dezen archipel. Bij het hooren van dit feit, zal de geoloog in gedachten waarschijnlijk teruggaan tot het Secundaire ofMesozoïscheTijdvak der Aardgeschiedenis, toen deels plantenetende, deels vleeschetende hagedissen, die in grootte alleen met onze levende walvisschen vergeleken konden worden—krioelden op het land zoowel als in de zee. Het verdient daarom wel zijne aandacht, dat deze archipel, in plaats van een vochtig klimaat en een weligen plantengroei te bezitten, niet anders dan als uiterst dor kan worden beschouwd, en voor een equatoriaal gewest een bijzonder gematigd klimaat bezit.

Tot besluit van de zoölogie dezer eilanden, vermeld ik, dat alle vijftien hier door mij verzamelde zeevisschennieuwesoorten zijn, behoorende tot twaalf geslachten, die alle zeer verspreid zijn, met uitzondering vanPrionotus, waarvan de vier voorheen bekende soorten aan den oostkant van Amerika leven. Van landschelpdieren verzamelde ik zestien soorten (en twee bepaalde variëteiten), die, behalve een op Tahiti gevondenHelix, alle aan dezen archipel eigen zijn; een enkel zoetwaterschelpdier (Paludina) dat ik hier vond, komt ook op Tahiti en Van Diemensland voor. Vóór onze reis verzamelde Mr. Cuming hier negentig soorten zeeschelpdieren, onder welk cijfer niet begrepen zijn verscheidene, nog niet nader onderzochte soorten vanTrochus,Turbo,MonodontaenNassa. Hij is zoo vriendelijk geweest mij de volgende gewichtige uitkomsten mede te deelen. Van de negentig schelpdieren zijnniet minder dan zeven en veertig elders onbekend—een verrassend feit, zoo men in aanmerking neemt, hoe ver zeeschelpdieren in den regel verspreid zijn. Van de 43 in andere deelen der wereld gevonden soorten bewonen 25 de westkust van Amerika, en daaronder laten zich acht als variëteiten onderscheiden; de overige 18 (waaronder ééne variëteit) werden door Cuming in den Lagen Archipel, en sommige ook op de Philippijnen gevonden. Dit feit: dat schelpdieren van eilanden midden in den Stillen Oceaanhiervoorkomen, verdient opmerking, aangezien geen enkel zeeschelpdier, naar men weet, gemeen is aan de eilanden van dien Oceaan en de westkust van Amerika. Het zeeoppervlak, dat zich van noord tot zuid langs de westkust uitstrekt, scheidt twee geheel verschillende gebieden van schelpdieren; maar op de Galápagos-Eilanden vinden wij een centrum, waar vele nieuwe vormen geschapen zijn, en waarheen deze twee groote schelpdieren-gebieden vele nederzetters hebben uitgezonden. Ook heeft het Amerikaansche gebiedhiersoortenvertegenwoordigd; want er is eene Galápagische soort van het geslachtMonoceros, dat alleen op de westkust van Amerika wordt gevonden; ook zijn er Galápagische soorten van de geslachtenFissurellaenCancellaria, die op de westkust inheemsch zijn, maar (zooals Cuming mij berichtte) niet op de eilanden midden in den Oceaan gevonden worden. Aan den anderen kant zijn er Galápagische soorten van de geslachtenOnisciaenStylifer, die voorkomen in West-Indië en in de Chineesche en Indische Zeeën, maar noch op de westkust van Amerika, noch midden in den Stillen Oceaan gevonden worden. Ik wil hieraan toevoegen, dat Cuming en Hinds na vergelijking van omstreeks 2000 schelpdieren van de oost- en westkusten van Amerika, slechts één schelpdier vonden, dat aan beide kusten gemeen was, nl.Purpura patula, die zoowel West-Indië, als de kust van Panama en de Galápagos-Eilanden bewoont. Wij hebben dus in dit deel van de wereld drie groote gebieden van zeeschelpdieren, die, ofschoon bijzonder dicht bij elkander gelegen (slechts gescheiden doorlange noord- en zuidwaarts loopende land- of zee-oppervlakken), onderling geheel verschillen.

Ik gaf mij veel moeite om de insecten te verzamelen; maar nooit zag ik een land, Vuurland uitgezonderd, zoo arm op dit gebied, als deze archipel. Zelfs in de vochtige bovenstreek vond ik er zeer weinige; en deze waren—met uitzondering van enkele kleineDipteraenHymenoptera19van zeer alledaagsche vormen. Zooals ik reeds opmerkte, zijn de insecten voor een tropisch gewest van te geringe grootte en ook te donker van kleur. Van kevers verzamelde ik 25 soorten (niet medegerekend eenDermestesenCorynetes, die door schepen overal worden ingevoerd); hiervan behooren twee tot deHarpalidae, twee tot deHydrophilidae, negen tot drie families vanHeteromera, terwijl de twaalf overige tot even zooveel verschillende families behooren. Dit verschijnsel, nl., dat insecten (en ik kan er bijvoegen, planten) in streken waar zij schaarsch zijn tot vele verschillende families behooren, is, geloof ik, zeer algemeen. Waterhouse, die eene beschrijving van de insecten in dezen archipel in ’t licht heeft gegeven,20en aan wien ik de bovenstaande bijzonderheden te danken heb, meldt mij, dat er verscheidene nieuwe geslachten zijn, en dat van de niet nieuwe één of twee in Amerika, de overige echter over de geheele wereld verspreid zijn. Met uitzondering van een houtetendenApate, en één of waarschijnlijk twee waterkevers van het Amerikaansche vasteland, schijnen alle soorten nieuw te wezen.

De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de “Linnaean Transactions” een volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe bekend is, zijn er 185 soortenphanerogamische, en 40kryptogamischeplanten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was 193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn 100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58 van zijn “Voyage”) dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten (of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht, als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soortenCompositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora eenonmiskenbaarWestamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit: indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-, en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de eene species van de ondergroepCactornis, die van het eiland Bow in den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel uitmaakt van Amerika.

Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels, nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe planten—en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw, zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië, of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom—zoo vroeg ik mij af—werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest; die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel dien van Amerika bezitten.

Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder individu metzekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring, en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden, omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden,verschillendebewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien, dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers, dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.

Zooals ik reeds zeide, verklaren de bewoners, dat zij de schildpadden van de verschillende eilanden kunnen onderscheiden, en dat deze niet alleen in grootte, maar ook in andere kenmerken verschillen. Kapitein Porter heeft die van het eiland Charles, en van het meest naburige eiland Hood, beschreven als bedekt met een schild, dat van voren dik en opwaarts is gebogen evenals een Spaansch zadel, terwijl de schildpadden van het eiland James, ronder, zwarter, en na koking beter van smaak zijn.21Daarenboven meldt Bibron mij, dat hij twee schildpadden van de Galápagos-Eilanden gezien heeft, die hij voor twee verschillende species hield; maar van welke eilanden zij waren, wist hij niet. De door mij van drie eilanden medegebrachte exemplaren waren jong; en dit is waarschijnlijk de reden, waarom Gray noch ik er soortelijke verschillen in konden ontdekken. Ik heb opgemerkt, dat deAmblyrhynchus cristatusop het eiland Albemarle grooter was dan elders; en Bibron deelt mij mede, dat hij twee verschillende landhagedissen van dit geslacht gezien heeft; zoodat de verschillende eilandenwaarschijnlijk hunne plaatsvervangende rassen of soorten hebben, zoowel van denAmblyrhynchusals van de schildpad. Het eerste dat in hooge mate mijne aandacht trok, was, dat ik bij onderlinge vergelijking van de talrijke door mij en vele andere personen aan boord geschoten exemplaren van de spotlijsters, tot mijne verwondering ontdekte, dat alle van het eiland Charles afkomstigen tot ééne species (Mimus trifasciatus)behoorden; die van het eiland Albemarle alle totM. Parvulus; en die van de eilanden James en Chatham (waartusschen twee andere eilanden als verbindingschakels gelegen zijn) alle totM. melanotis. Deze twee laatste soorten zijn naverwant, en zouden door sommige vogelkundigen alleen voor goed gekenmerkte rassen of variëteiten worden gehouden; dochMimus trifasciatusis zeer verschillend. Ongelukkig waren de meeste exemplaren van de familie der vinken dooreengeraakt; maar ik heb gegronde reden om aan te nemen, dat sommige soorten van de ondergroepGeospizazich tot afzonderlijke eilanden bepalen. Indien de verschillende eilanden hunne vertegenwoordigers hebben vanGeospiza, kan dit ter verklaring dienen van het ongewoon groot aantal soorten van deze ondergroep in dezen betrekkelijk kleinen archipel; en de volmaakte geometrische grootte-opvolging hunner bekken zou dan waarschijnlijk een gevolg zijn van hun aantal. In dezen archipel werden gevonden twee soorten van de ondergroepCactornis, en twee vanCamarhynchus; het bleek nu, dat de talrijke, door vier verzamelaars op het eiland James geschoten exemplaren dezer beide ondergroepen, alle behoorden tot ééne soort van elk, terwijl de talrijke op de eilanden Chatham of Charles geschoten exemplaren (want de beide collectiën waren reeds vermengd) alle tot de twee andere species behoorden. Wij kunnen er dus bijna zeker van zijn, dat deze eilanden hunne plaatsvervangende species dezer twee ondergroepen bezitten. Bij landschelpdieren schijnt deze verspreidingswet niet door te gaan. Waterhouse merkt op, dat onder de exemplaren mijner zeer kleine verzameling insecten, welke een etiketvan de plaats van herkomst droegen, zich geen enkel bevond, dat aan twee van de eilanden gemeen was.

Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd, dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten ten deele bevestigen. Bovendien zijn deLeguminosaeslechts bij benadering uitgecijferd:

Naam van het Eiland.Totaal aantal soorten.Aantal soorten in andere deelen der wereld gevonden.Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn.Aantal soorten tot het eene eiland beperkt.Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn, doch op meer dan één eiland gevonden worden.James713338308Albemarle461826224Chatham321616124Charles6839(of 29, na aftrek van de waarschijnlijk ingevoerde planten).29218

Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in geen ander deel der wereld gevonden worden,dertiguitsluitend tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke Galápagische planten op het eiland Albemarle,twee en twintigtot dit eene eiland beperkt zijn, en dus slechtsvier—naar men tot hedenweet—op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit feit wellicht nog meer in ’t oog doen springen. Zoo isScalesia, een merkwaardig, boomwordend geslacht derCompositae, tot dezen archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham, één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een tweede voorbeeld levertEuphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht, dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt.AcalyphaenBorreria—beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven soorten, waarvan, met uitzondering van ééne totBorreriabehoorende, geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species derCompositaezijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken; en bijna zeker van het Galápagische geslachtAmblyrhynchus.

De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster, en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in ’t geheel geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende species vandezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel verschillende geslachten—zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben, overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen—deze is het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige plaatsvervangende soorten—althans wat de schildpad en sommige vogels betreft—later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James; maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden, liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham), en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.

Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke, in westelijke en west-noordwestelijke richtingloopende zeestroomen de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans wat het vervoer vanindividuënover zee betreft. Inderdaad werd tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere, wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.

Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht—indien wij zulk eene uitdrukking mogen bezigen—welke op deze kleine, kale en rotsachtige eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen, die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig, organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote vastland van Amerika.

Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid der vogels.

Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters, de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts of hoed, wat ikzelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684, “dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten gevolge waarvan zij schuwer werden.” Ook Dampier verhaalt in hetzelfde jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden, als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.

Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken, dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een gevaarlijker dier is dan de schildpad of deAmblyrhynchus, geen acht op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters,in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze velden grazen.

De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den kleinenOpetiorhynchusis door Pernety, Lesson en andere reizigers opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel: dePolyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster, de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze tamheid der vogels—vooral van het watergevogelte—vormt eene scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen; terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden, als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.

In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat deOpetiorhynchusbijna op zijn vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden, waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen; want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het verhaalvan Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren, zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden—een trekvogel, die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen overbracht.

Ik wil er bijvoegen, dat, naar hetgeen Du Bois verhaalt, alle vogels op Bourbon met uitzondering van de flamingo’s en de ganzen, in 1571/72 zoo buitengewoon tam waren, dat men hen met de hand kon vangen, of met een stok naar welgevallen dooden. Verder zegt Carmichael,22dat de eenige twee landvogels op Tristan da Cunha in den Atlantischen Oceaan (ten Westen van de Kaap de Goede Hoop), nl. een lijster en een vlasvink, zoo tam waren, dat zij zich met een handnet lieten vangen. Uit deze verschillende feiten meen ik te mogen afleiden: ten eerste, dat de wildheid van vogels ten opzichte van den mensch een bijzonder instinct is, dat tegenhemgericht, en niet afhankelijk is van een algemeenen graad van voorzichtigheid uit vrees voor andere bronnen van gevaar; ten tweede, dat die wildheid door vogels op zichzelven, ook dan als men hen fel vervolgt, niet spoedig wordt verkregen, doch na eene reeks van opvolgende geslachten erfelijk wordt. Bij tamme dieren zijn wij gewoon te zien, dat nieuwe geestelijke eigenschappen of instincten erfelijk worden verkregen of gemaakt; bij dieren in den natuurstaat zal het echter steeds zeer moeilijk zijn, gevallen van erfelijk verkregen kennis te ontdekken. Watde wildheid aangaat van vogels tegenover den mensch, deze laat zich niet anders verklaren dan als erfelijke gewoonte. In Engeland is het aantal jonge vogels, die in een jaar tijds door den mensch worden vervolgd, betrekkelijk klein: toch zijn bijna allen, zelfs nestvogels, bang voor hem; daarentegen zijn op de Galápagos- en de Falklands-Eilanden talrijkeindividuëndoor den mensch vervolgd en gekweld, zonder dat de vogels eene heilzame vrees voor hem hebben geleerd. Uit deze feiten mogen wij afleiden, welke verwoesting het invoeren van een nieuw roofdier in een land moet teweegbrengen, voordat de instincten der inheemsche bewoners zich aan de list of de kracht van den vreemdeling hebben aangepast.

1Wanneer vulkanische asch—hetzij onmiddellijk door nedervallen uit de lucht of door stroomend water—in neptunische afzettingen geraakt, ontstaat een middenproduct tusschen eene vulkanische en eene neptunische stof. Dit is devulkanische tuf. Zij kan ontstaan zoowel op het vasteland in vlakten en meren, als in zee.(Vert.)2Op de kaart ook Chatam gespeld.3Waartoe o.a. de Wolfsmelk behoort.4De geheele archipel, met eene landoppervlakte van 7643 □ kilom., telde in 1903 niet meer dan 400 inwoners (Almanach de Gotha, 1904). Hij behoort tot de republiek Ecuador, en ontleent zijn naam aan de schildpadden (galápagowil zeggen “schildpad”), die er vroeger zeer talrijk waren.5Meelachtige wortelknollen vanConvolvulus batatus, welke veel als voedsel worden gebruikt.(Vert.)6Dat de rat, die in de Nieuwe Wereld niet inheemsch was, op schepen uit Europa is overgebracht, is een feit. Evenzoo is de Noorsche rat (Mus decumanus) in Engeland ingevoerd, waar zij in huizen en schepen zulke verwoestingen aanricht. Op gelijke wijze zijn vele andere dieren overgebracht: bijv. de groote adder (Fer de lance), even vergiftig als de ratelslang, kwam door den mensch op Martinique en Santa Lucia. De Europeesche huisvlieg is door schepen naar alle Zuidzee-Eilanden overbracht. Ondanks de koude in Noordwestelijk Europa heeft de kakkerlak (Blatta orientalis) zich hier gevestigd, en maakt zich de warmte in bakkersovens en troggen ten nutte. DeAphis(bladluis) kwam uit Indië; en onze beruchte paalworm (Teredo navalis) was oorspronkelijk een bewoner der equatoriale zeeën.(Vert.)7Dat Darwin er toen niet geheel zeker van was, als zouden van de 26 soorten landvogels 25 aan deze eilanden eigen zijn, blijkt uit den verderen tekst, en uit zijn werk “The Origin of Species”, dat, zooals men weet, eerst in Nov. 1859—dus lang na de uitgave van “Voyage round the World”—verscheen. Op blz. 543 (uitg. 1906) zegt hij: “In the Galapagos Islands there are 26 land-birds; of these 21 (or perhaps 23) are peculiar...”(Vert.)8of kersenvink (Coccothraustes vulg.)9Fringilla coelebs.10Verder onderzoek heeft geleerd, dat sommige dezer vogels, die men toen tot de eilanden beperkt achtte, op het vasteland van Amerika voorkomen. De uitstekendeornitholoogSclater deelt mij mede, dat zulks het geval is metStrix punctatissimaenPyrocephalus nanus, en waarschijnlijk ook metOtis(Trapgans)Galapagoensis; zoodat het getal inlandsche vogels tot 23 of waarschijnlijk tot 22 wordt teruggebracht. Volgens denzelfden geleerde zouden één of twee dezer inlandsche vormen veeleer als variëteiten dan als soorten moeten worden opgevat, hetgeen mij steeds als waarschijnlijk voorkwam.11Dr. Günther verklaart (Zoolog. Soc.24 Jan. 1859), dat deze slang eene bijzondere soort is, die, voor zoover men weet, geen ander land bewoont.12”Voyage aux Quatre Iles d’Afrique.” Zie, wat de Sandwich-Eilanden betreft: “Tyerman and Bennet’s Journal,” deel I, blz. 434; voor Mauritius: “Voyage par un Officier,” enz. deel I, blz. 170. Volgens Webb en Berthelot: “Histoire Naturelle des Iles Canaries,” zijn er geen kikvorschen op de Kanarische Eilanden. Ik zag er geen op Sint Jago van de Kaap-Verdische Eilanden, en op Sint Helena ontbreken zij.13ofLacertiliavolgens Haeckel.(Vert.)14ofperikardion= hartzakje.15ongeveer 329 meter.16Iguanais de Spaansche naam; op Haïti heet zijLeguaan.(Vert.)17DeUlvae(zeelatuwe of watersalade) behooren tot de zoogenaamde Groene Algen (ChlorophyceaeofConiervea); het donkerroode gewas, waarvan Darwin spreekt, tot de Bruine Algen (PhaeophyceaeofFucoideae).(Vert.)18Amblyrhynchuswil zeggen “Stompsnuit,” vanαμβλύς(stomp) enῥύγχος(snuit).(Vert.)19Diptera of Tweevleugelige insecten (zooals vliegen, enz.) Hymenoptera of Vliesvleugelige insecten (zooals bijen, wespen) met vier vleugels.20Ann. and Mag. of Nat. Hist., deel XVI, blz. 19.21“Voyage in the U. S. ship Essex,” deel I, blz. 215.22Linnean Trans., deel XII, blz. 496. Het meest abnormale feit in dit verschijnsel dat ik ontmoet heb, is de wildheid der kleine vogels in de arctische of poolstreken van Noord-Amerika (beschreven door Richardson in zijneFauna Borealis, deel II, blz. 332), waar zij nooit vervolgd worden, naar men zegt. Dit geval is des te vreemder, wijl men beweert, dat sommigen van dezelfde species in hunne winterkwartieren in de Vereenigde Staten tam zijn. Terecht merkt Richardson op, dat er in de verschillende graden van schuwheid en zorg, waarmede vogels hunne nesten bouwen, veel voorkomt, dat in hooge mate onverklaarbaar is. Hoe zonderling is het niet, dat de Engelsche woudduif, een in ’t algemeen zoo wilde vogel, zeer dikwijls zijn jongen opkweekt in heesterboschjes, in de nabijheid van menschelijke woningen!

1Wanneer vulkanische asch—hetzij onmiddellijk door nedervallen uit de lucht of door stroomend water—in neptunische afzettingen geraakt, ontstaat een middenproduct tusschen eene vulkanische en eene neptunische stof. Dit is devulkanische tuf. Zij kan ontstaan zoowel op het vasteland in vlakten en meren, als in zee.

(Vert.)

2Op de kaart ook Chatam gespeld.

3Waartoe o.a. de Wolfsmelk behoort.

4De geheele archipel, met eene landoppervlakte van 7643 □ kilom., telde in 1903 niet meer dan 400 inwoners (Almanach de Gotha, 1904). Hij behoort tot de republiek Ecuador, en ontleent zijn naam aan de schildpadden (galápagowil zeggen “schildpad”), die er vroeger zeer talrijk waren.

5Meelachtige wortelknollen vanConvolvulus batatus, welke veel als voedsel worden gebruikt.

(Vert.)

6Dat de rat, die in de Nieuwe Wereld niet inheemsch was, op schepen uit Europa is overgebracht, is een feit. Evenzoo is de Noorsche rat (Mus decumanus) in Engeland ingevoerd, waar zij in huizen en schepen zulke verwoestingen aanricht. Op gelijke wijze zijn vele andere dieren overgebracht: bijv. de groote adder (Fer de lance), even vergiftig als de ratelslang, kwam door den mensch op Martinique en Santa Lucia. De Europeesche huisvlieg is door schepen naar alle Zuidzee-Eilanden overbracht. Ondanks de koude in Noordwestelijk Europa heeft de kakkerlak (Blatta orientalis) zich hier gevestigd, en maakt zich de warmte in bakkersovens en troggen ten nutte. DeAphis(bladluis) kwam uit Indië; en onze beruchte paalworm (Teredo navalis) was oorspronkelijk een bewoner der equatoriale zeeën.

(Vert.)

7Dat Darwin er toen niet geheel zeker van was, als zouden van de 26 soorten landvogels 25 aan deze eilanden eigen zijn, blijkt uit den verderen tekst, en uit zijn werk “The Origin of Species”, dat, zooals men weet, eerst in Nov. 1859—dus lang na de uitgave van “Voyage round the World”—verscheen. Op blz. 543 (uitg. 1906) zegt hij: “In the Galapagos Islands there are 26 land-birds; of these 21 (or perhaps 23) are peculiar...”

(Vert.)

8of kersenvink (Coccothraustes vulg.)

9Fringilla coelebs.

10Verder onderzoek heeft geleerd, dat sommige dezer vogels, die men toen tot de eilanden beperkt achtte, op het vasteland van Amerika voorkomen. De uitstekendeornitholoogSclater deelt mij mede, dat zulks het geval is metStrix punctatissimaenPyrocephalus nanus, en waarschijnlijk ook metOtis(Trapgans)Galapagoensis; zoodat het getal inlandsche vogels tot 23 of waarschijnlijk tot 22 wordt teruggebracht. Volgens denzelfden geleerde zouden één of twee dezer inlandsche vormen veeleer als variëteiten dan als soorten moeten worden opgevat, hetgeen mij steeds als waarschijnlijk voorkwam.

11Dr. Günther verklaart (Zoolog. Soc.24 Jan. 1859), dat deze slang eene bijzondere soort is, die, voor zoover men weet, geen ander land bewoont.

12”Voyage aux Quatre Iles d’Afrique.” Zie, wat de Sandwich-Eilanden betreft: “Tyerman and Bennet’s Journal,” deel I, blz. 434; voor Mauritius: “Voyage par un Officier,” enz. deel I, blz. 170. Volgens Webb en Berthelot: “Histoire Naturelle des Iles Canaries,” zijn er geen kikvorschen op de Kanarische Eilanden. Ik zag er geen op Sint Jago van de Kaap-Verdische Eilanden, en op Sint Helena ontbreken zij.

13ofLacertiliavolgens Haeckel.

(Vert.)

14ofperikardion= hartzakje.

15ongeveer 329 meter.

16Iguanais de Spaansche naam; op Haïti heet zijLeguaan.

(Vert.)

17DeUlvae(zeelatuwe of watersalade) behooren tot de zoogenaamde Groene Algen (ChlorophyceaeofConiervea); het donkerroode gewas, waarvan Darwin spreekt, tot de Bruine Algen (PhaeophyceaeofFucoideae).

(Vert.)

18Amblyrhynchuswil zeggen “Stompsnuit,” vanαμβλύς(stomp) enῥύγχος(snuit).

(Vert.)

19Diptera of Tweevleugelige insecten (zooals vliegen, enz.) Hymenoptera of Vliesvleugelige insecten (zooals bijen, wespen) met vier vleugels.

20Ann. and Mag. of Nat. Hist., deel XVI, blz. 19.

21“Voyage in the U. S. ship Essex,” deel I, blz. 215.

22Linnean Trans., deel XII, blz. 496. Het meest abnormale feit in dit verschijnsel dat ik ontmoet heb, is de wildheid der kleine vogels in de arctische of poolstreken van Noord-Amerika (beschreven door Richardson in zijneFauna Borealis, deel II, blz. 332), waar zij nooit vervolgd worden, naar men zegt. Dit geval is des te vreemder, wijl men beweert, dat sommigen van dezelfde species in hunne winterkwartieren in de Vereenigde Staten tam zijn. Terecht merkt Richardson op, dat er in de verschillende graden van schuwheid en zorg, waarmede vogels hunne nesten bouwen, veel voorkomt, dat in hooge mate onverklaarbaar is. Hoe zonderling is het niet, dat de Engelsche woudduif, een in ’t algemeen zoo wilde vogel, zeer dikwijls zijn jongen opkweekt in heesterboschjes, in de nabijheid van menschelijke woningen!


Back to IndexNext