Chapter 24

Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)Er zijn ringvormige walriffen in alle grootten, van af 3 tot niet minder dan 44 mijlen in doorsnede; het rif, dat tegenover een der zijden van Nieuw-Caledonië ligt en de beide uiteinden omvat, is zelfs 400 mijlen lang. Elk rif sluit één, twee of meer rotsachtige eilanden in van verschillende hoogten (in één geval zelfs 12 afzonderlijke eilanden), en loopt op ongelijke afstanden om het ingesloten land—bij de Gezelschaps-Eilanden meestal op een afstand van een tot drie of vier mijlen, maar bij Hogoleu16op 20 mijlen van den zuidkant, en 14 mijlen van den tegenovergestelden of noordkant der ingesloten eilanden. Ook is dediepte binnen het lagunenkanaal aan veel verandering onderhevig, en kan gemiddeld op 10 tot 30 vademen worden gesteld; maar op Wanikoro zijn ruimten van niet minder dan 56 vademen of 336 voeten diepte. Aan de binnenzijde loopt het rif zacht glooiend af naar het lagunenkanaal, of eindigt in een loodrechten wal, die onder water somtijds 200 tot 300 voeten hoog is; aan de buitenzijde verrijst het rif, evenals eene atolle, zeer steil uit de groote diepten van den oceaan. Kan men zich iets zonderlingers voorstellen dan dergelijke natuurgewrochten? Wij zien een eiland, dat te vergelijken is met een kasteel op den top van een hoogen onderzeeschen berg, tegen het geweld der zee beschermd door een grooten muur van koraalgesteente, die altijd steil is aan den buiten- en soms ook aan den binnenkant: van boven begrensd door een breed horizontaal vlak, en hier en daar afgebroken door smalle toegangen of invaarten, waardoor de grootste schepen de wijde en diepe singel- of vestinggracht kunnen binnenzeilen.Voor zoover het eigenlijke koraalrif betreft, is er niet het geringste verschil zoowel in algemeene grootte, begrenzing en groepeering als zelfs in zeer onbeduidende structuur-bijzonderheden, tusschen een walrif en eene atolle. De aardrijkskundige Balbi heeft terecht aangemerkt, dat een omwald eiland eene atolle is, waarin zich hoogland uit de lagune verheft; neem het land er binnen weg, en er blijft eene volledige atolle over.Maar wat is nu de oorzaak, dat deze riffen op zulke groote afstanden van de kusten der ingesloten eilanden uit zee verrijzen? De reden kan niet zijn, dat koralen niet in de nabijheid van het land groeien: want dikwijls zijn de kusten van het lagunenkanaal, wanneer zij niet door alluvialen grond zijn omgeven, door een rand van levende riffen begrensd; en aanstonds zullen wij zien, dat er eene geheele klasse van riffen bestaat, welke ik juist om hun nauw verband met de kusten zoowel van vastelanden als van eilanden, met den naam vanRandriffenheb bestempeld. Eene tweede vraag is: waarop hebben de rifvormendekoralen, die niet op groote diepten kunnen leven, hunne ringvormige wallen gegrondvest? Blijkbaar is de oplossing daarvan even moeilijk als in het gelijksoortige geval der atollen, en die meestal over het hoofd is gezien. De zaak zal duidelijker worden begrepen na een blik op de volgende ware doorsneden, die genomen zijn in de richtingen noord en zuid door de eilanden Wanikoro, Gambier (of Mangarewa) en Maurua met hunne walriffen. Zoowel in horizontale als in verticale richting, zijn deze doorsneden herleid tot denzelfden maatstaf van een kwart inch op elke mijl.——1. Het eiland Wanikoro. (Santa-Cruz-Eilanden).2. De Gambier-Eilanden. CD = 200 vademen.3. Het eiland Maurua. (Gezelschaps-Eilanden).De horizontale, donkere schaduw geeft een doorsnede te zien van de walriffen en lagunenkanalen. De schuine, lichtere schaduw boven den zeespiegel AA vertoont eene doorsnede van het land in vorm en hoogte; hare voortzetting onder deze lijn den waarschijnlijken vorm van het land onder zee.Wij moeten hier opmerken, dat in welke richting de doorsneden ook genomen waren hetzij bij deze of vele andere omwalde eilanden, in ’t algemeen dezelfde vormen zouden zijn weergevonden. Zoo men nu bedenkt, dat rifvormend koraal op geen grootere diepte kan leven dan van 20 tot 30 vademen en dat de schaal der teekening zoo klein is, datde peilstreepjes CD aan de rechterhand eene diepte aanduiden van 200 vademen (366 Met.), dan mag men terecht vragen: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Moeten wij aannemen, dat elk eiland omringd is door eene halssnoervormige onderzeesche rotsklip, of door eene groote bank van bezonken stoffen, die plotseling eindigt waar ook het rif eindigt? Indien de zee vroeger diep in de eilanden had geknaagd, voordat deze door de riffen werden beschermd, en aldus eene ondiepe klip rondom hen onder water had gezet, zouden de tegenwoordige kusten steeds door diepe, steile afgronden omringd zijn; maar dit is hoogst zelden het geval. Ook kan men, volgens dit begrip, onmogelijk verklaren, waarom de koralen, evenals een muur, van den uitersten buitenrand der klip zijn opgegroeid, en aan den binnenkant dikwijls eene breedewatervlaktehebben vrijgelaten, te diep voor den groei der koralen zelven. Dat rondom deze eilanden eene uitgestrekte bank van bezonken stoffen opgehoopt zou zijn, welke meestal het breedst was daar waar de ingesloten eilanden het kleinst zijn, is hoogst onwaarschijnlijk, zoo men in aanmerking neemt hoezeer die banken in de centrale en diepste gedeelten van den oceaan aan de werking der golven zijn blootgesteld. In het bijzondere geval van het walrif van Nieuw-Caledonië, dat zich 150 mijlen ver voorbij de noordelijkste punt van het eiland uitstrekt in dezelfde rechte lijn, waarin het langs de westkust loopt, is het haast niet mogelijk aan te nemen, dat aldus eene bank van bezonken stoffen kon worden afgezet lijnrecht tegenover een hoog eiland en zoo ver voorbij zijn eindpunt in volle zee. En ten slotte, zoo wij acht slaan op andere eilanden in den oceaan van ongeveer dezelfde hoogte en gelijke geologische samenstelling, maar niet door koraalriffen omgeven, dan zullen wij vruchteloos zoeken naar zulk eene onbeduidende, zich rondom uitstrekkende diepte van 30 vademen, behalve in de onmiddellijke nabijheid der kusten; want land dat steil uit het water verrijst, gelijk de meeste omwalde en niet omwalde eilanden in den oceaan, duikt er gewoonlijk steil onder. En daarom herhaal ik mijnevraag: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Waarom liggen zij met hunne wijde en diepe grachtvormige kanalen zoo ver van het ingesloten land? Spoedig zullen wij zien hoe gemakkelijk deze moeilijkheden verdwijnen.Thans komen wij aan onze derde klasse van riffen, de zoogenaamdeRand-ofKustriffen, die eene zeer korte beschrijving behoeven. Waar het land steil onder water duikt, zijn deze riffen slechts enkele yards breed, en vormen zij eenvoudig eene strook of rand rondom de kusten; waar het land zacht glooiend onder het water verdwijnt, strekt het rif zich verder uit, soms zelfs eene mijl ver van het land, maar in zulke gevallen bewijzen steeds de peilingen buiten het rif, dat het land zich met eene geringe helling onder water voortzet. Inderdaad strekt het rif zich slechts tot dien afstand van de kust uit, binnen welken de vereischte diepte van 20 tot 30 vademen grond gevonden wordt. Wat nu het eigenlijke rif betreft, is er geen wezenlijk onderscheid tusschen dit en die, welke een walrif of eene atolle vormen; in de meeste gevallen heeft het echter eene mindere breedte, zoodat er zich weinig eilandjes op gevormd hebben. Omdat de koralen sterker aan de buitenzijde groeien, en het bezinksel, dat naar binnen wordt gespoeld, nadeelige werking heeft, is de buitenrand van het rif het hoogste gedeelte; tusschen dit en het land ligt meestal een ondiep zandig kanaal van enkele voeten diepte. Daar, waar zich banken van bezonken stoffen tot dicht bij de oppervlakte hebben opgehoopt (zooals in sommige gedeelten van West-Indië), worden die soms met een rand van koralen omzoomd, en gelijken dus in zekeren zin op laguneneilanden of atollen, op dezelfde manier als randriffen die zacht glooiende eilanden omringen, in zekeren zin op walriffen gelijken.AA. Buitenranden van het kustrif bij den zeespiegel.BB. De kusten van het omzoomde land.A′A′. Buitenranden van het rif, na zijn opwaartschen groei gedurende een tijdperk van daling, thans veranderd in eenwalrifmet eilandjes er op.B′B′. De kusten van het nu door rif en lagunenkanaal CC ingesloten eiland.Opmerking.In deze en de volgende teekening kon de onderzinking van het land alléen worden voorgesteld door eene schijnbare rijzing van den zeespiegel ABBA.Geene enkele theorie over de vorming der koraalriffen kan als voldoende worden beschouwd, welke niet de drie groote klassen omvat. Wij hebben gezien, dat de hypothese der inzinking van den zeebodem de eenig mogelijke is, ter verklaring van die uitgestrekte ruimten met hier en daarverspreide lage eilanden, waarvan geen enkel hooger verrijst, dan tot waar wind en golven stof kunnen opwerpen, ofschoon die eilanden opgebouwd zijn door dieren, welke een bodem behoeven, die op geen groote diepte kan liggen. Laat ons nu, als voorbeeld, een eiland nemen, dat door randriffen is omgeven, welke geene moeilijkheid in hunne samenstelling opleveren, en zien wij wat er gebeurt, als dit eiland met zijn rif (in de teekening door de gebogen lijn ABB′B′BA voorgesteld) langzaam onderzinkt. Uit hetgeen van de voorwaarden, gunstig voor den groei van koraaldieren bekend is, mogen wij veilig besluiten, dat, als het eiland op een tijdstip enkele voeten of geheel onmerkbaar daalt, de levende koraaldieren, die door de branding op den rand van het rif bespoeld worden, spoedig weer de oppervlakte zullen bereiken. Maar langzaam en gestadig zal de zee op de kust winnen; het eiland wordt steeds lager en kleiner, en de ruimte tusschen den binnenrand van het rif en het strand naar evenredigheid breeder. Eene doorsnede van het rif in dezen toestand, na eene onderzinking vanverscheidene honderden voeten, geeft ons de stippellijn AA′A′A te zien; de boompjes bij A′ wijzen aan, dat zich koraaleilanden op het rif gevormd hebben, en het schip bij C de plaats van het lagunenkanaal. Dit kanaal zal meer of minder diep zijn al naar de mate van onderzinking, van de hoeveelheid daarin opgehoopt bezinksel, en den groei der fijn vertakte koralen die er kunnen leven. In dezen toestand gelijkt de doorsnede in alle opzichten op die van een omwald eiland; en inderdaad is zij eene getrouwe doorsnede (naar den maatstaf van 517/1000 van een inch op elke mijl) van het eiland Bolabola (of Borabora) in den Stillen Oceaan. Nu kunnen wij onmiddellijk zien, waarom walriffen zoo ver van de kusten liggen, die zij als met een ring omgeven. Ook kunnen wij zien, dat de lijn die van den buitenrand van het nieuwe rif loodrecht op het vaste steenen grondvlak onder het oude rand- of kustrif wordt neergelaten, evenveel voeten langer is dan de geringe grensdiepte waarop werkelijke koraaldieren kunnen leven, als de maat der inzinking van dat grondvlak zelf: m.a.w., de kleine bouwmeesters hebben, gedurende de inzinking van den zeebodem, hun groot muurvormig bouwwerk opgetrokken op een grondvlak, samengesteld uit andere koralen en hunne vastgeworden brokstukken. De schijnbaar groote moeilijkheid omtrent dit punt verdwijnt derhalve.Hadden wij, in plaats van een eiland, de kust genomen van een met riffen omzoomd vasteland, en dit in gedachten laten zinken, dan zou het resultaat blijkbaar geweest zijn een groote rechte dam of wal, evenals die van Australië of Nieuw-Caledonië, welke door een wijd en diep kanaal van het land gescheiden was.A′A′. Buitenranden van het walrif bij den zeespiegel, met eilanden er op.B′B′. De kusten van het ingesloten land.CC. Het lagunenkanaal.A″A″. Buitenranden van het rif, nu in eene atolle veranderd.—C′. De lagune van de nieuwe atolle.Opmerking.Volgens de ware schaal zijn hier de diepten van het lagunenkanaal en de lagune zeer overdreven.Laat ons nu deze beschouwing uitbreiden op ons nieuw ringvormig walrif, welks doorsnede (zooals gezegd eene ware doorsnede van het eiland Bolabola) in de teekening voorgesteld is door den omtrek DA′A′D der donkergeschaduwde figuren, en onderstellen dat dit rif de dalende beweging van den zeebodem volgt. Terwijl deze langzaam zinkt, zullen de koraaldieren krachtig omhoog groeien, maartegelijk zal het water duim voor duim op de kust van het eiland winnen; de gescheiden bergtoppen, die in ’t eerst afzonderlijke eilanden binnen het groote rif vormen, zinken de een na den anderen weg, en eindelijk verdwijnt ook de laatste en hoogste top. Op het oogenblik dat dit gebeurt, is eene volledige atolle ontstaan. In overeenstemming met hetgeen ik boven zeide, zien wij dus, dat wanneer al het hooge land binnen een ringvormig walrif verwijderd wordt, eindelijk eene atolle overblijft. Ook wordt het nu duidelijk hoe het komt dat atollen, die uit ringvormige walriffen zijn ontstaan, meestal op hen gelijken zoowel in grootte en vorm, als in hare wijze van groepeering en de samenstelling uit enkele of dubbele dammen; want feitelijk kan men ze ruwe schetskaarten noemen van de gezonken eilanden waarop zij staan. Verder kunnen wij zien wat de oorzaak is, dat de atollen in de Stille en Indische Oceanen zich uitstrekken in lijnen, evenwijdig met de meestal scherp uitkomendeasrichting der hooge eilanden en groote kustlijnen van deze oceanen. Daarom waag ik het de bewering te handhaven, dat alle hoofdkenmerken dezer belangrijke vormingen—zoowel van de laguneneilanden of atollen, die zoolang de aandacht der reizigers hebben getrokken, als van de niet minder gewichtige walriffen, hetzij deze kleine eilanden omringen of zich honderde mijlen ver langs de kusten van een vasteland uitstrekken—door de theorie van den opwaartschen groei der koraaldieren gedurende het onderzinken van het land op eenvoudige wijze worden verklaard.17Men zou mij kunnen vragen of ik eenrechtstreekschbewijs van het zinken van walriffen of atollen kan geven; doch men moet hierbij in ’t oog houden, hoe moeilijk het steeds is eene beweging te ontdekken, welke er toe leidt het bewogen land onder water te verbergen. Op Keeling-atolle zag ik echter aan alle zijden van de lagune oude kokosboomen, die ondermijnd en op het punt waren te vallen; en op ééne plaats stond eene hut, waarvan de bewoners verklaarden dat de fundamenten zeven jaren geleden even boven hoogwaterpeil hadden gestaan, terwijl zij nu dagelijks door elken vloed bespoeld werden. Bij onderzoek vernam ik, dat hier gedurende de laatste tien jaren drie aardbevingen waren gevoeld, waaronder ééne hevige. Op Wanikoro is het lagunenkanaal bijzonder diep; aan den voet der hooge ingesloten bergen heeft zich bijna geen alluviale grond opgehoopt, en op het muurvormig walrif zijn door het opwerpenvan brokken en zand zeer weinig eilandjes gevormd. Deze en eenige dergelijke feiten meer, leidden mij tot de meening, dat dit eiland kort geleden moet gezonken en het rif omhoog zijn gegroeid. Hier zijn ook aardbevingen talrijk en zeer ernstig. Op de Gezelschaps-Eilanden, daarentegen, waar de lagunenkanalen bijna zijn verstopt; waar veel lage alluviale grond is opgehoopt, en waar in sommige gevallen lange eilandjes op de walriffen zijn gevormd—feiten, die alle er op wijzen, dat de eilanden niet zeer kort geleden gezonken zijn—worden slechts uiterst zelden zwakke schokken gevoeld. Bij deze koraalvormingen, waar land en water om de oppermacht schijnen te strijden, moet het altijd moeilijk zijn te beslissen of de gevolgen zijn toe te schrijven aan eene verandering in den loop der getijden, of aan eene geringe onderzinking. Dat vele van deze riffen en atollen aan veranderingen van eenigerlei aard onderhevig zijn, staat vast; in sommige atollen schijnen de eilandjes in een niet lang verleden zeer gegroeid, in andere, daarentegen, geheel of gedeeltelijk weggespoeld te zijn. De bewoners van sommige gedeelten der Maldivische Eilanden kennen den datum, waarop sommige eilandjes zich het eerst begonnen te vormen; elders in dien archipel bloeien thans de koralen op riffen, waarover het water spoelt, en waar holten, die voor graven moesten dienen, getuigen van het vroeger bestaan van bewoond land. Dat in de getij-stroomingen eener open zee menigvuldige veranderingen zouden plaats hebben, is moeilijk te gelooven; daarentegen zien wij in de aardbevingen waarvan de bewoners van sommige atollen de overlevering bewaard hebben, en in de groote op andere atollen waargenomen spleten, een klaar bewijs van de veranderingen en storingen welke in de onderaardsche streken in gang zijn.Volgens onze theorie is het duidelijk, dat kusten die alléén doorrandriffenworden omgeven, niet merkbaar diep gezonken kunnen zijn, en dus sedert den groei harer koralen òf op hetzelfde peil gebleven, òf opgeheven moeten zijn. Nu is het opmerkelijk, hoe in ’t algemeen door de aanwezigheidvan uit zee geheven organische overblijfsels kan worden aangetoond, dat de eilanden met randriffengerezenzijn. In zoover is dit een indirect bewijs voor de juistheid onzer theorie. Dit feit trof mij vooral, toen ik tot mijne verwondering ontdekte, dat de door Quoy en Gaimard gegeven beschrijvingen niet toepasselijk waren op riffenin ’t algemeen(gelijk stilzwijgend door hen werd aangenomen), maar alleen op die van de klasse derkust-ofrandriffen. Mijne verwondering week echter, toen ik later bevond, dat volgens de eigen verklaringen dezer bekwame natuuronderzoekers bewezen kon worden, dat, door een spel van het toeval, al de verschillende door hen bezochte eilanden in een jong geologisch tijdperk omhoog waren geheven.18Door de theorie der inzinking van den zeebodem (welke theorie wij, onafhankelijk, voor het gebied in quaestie genoopt zijn aan te nemen, wegens de noodzakelijkheid om voor den groei der koralen bodems op de vereischte diepte te vinden) worden niet alleen verklaard dehoofdtrekkenin den bouw van walriffen en atollen, en van hunne onderlinge gelijkenis in vorm, grootte en andere kenmerken: maar ook velebijzonderhedenin bouw en zelfsuitzonderingsgevallenvinden door haar eene eenvoudige verklaring. Ik zal slechts enkele voorbeelden noemen. Sedert lang is bij walriffen met verwondering waargenomen, dat de doorgangen in het rif nauwkeurig liggen in de asrichting der valleien op het ingesloten land—zelfs dan, als het rif van het land gescheiden is door een lagunenkanaal, zoo wijd en zooveel dieper dan de eigenlijke doorgang zelf, dat het haast niet mogelijk schijnt, dat de zeer geringehoeveelheid van land afgevoerd water of bezinksel de koralen op het rif kon schaden. Om dit te verklaren, wenden wij ons tot de klasse der kustriffen. Hier wordt elk rif doorsneden van eene smalle geul of invaart, recht tegenover het kleinste riviertje van het ingesloten land, zelfs indien dat riviertje het grootste deel van het jaar droog ligt; en wel om deze reden, dat alle weggespoelde modder, zand en kiezel derifkoralen doodt, waarop die stoffen worden afgezet. Bij gevolg, wanneer zulk een eiland met kustrif onderzinkt, zullen, ofschoon waarschijnlijk de meeste smalle invaarten door den buiten- en opwaartschen groei der koralen verstopt zullen worden, enkele niet verstopte (en door het bezinksel of onzuivere water dat uit het lagunenkanaal wegvloeit, moeten er altijdeenigeopen blijven) voortdurend juist tegenover de hoogere gedeelten van die valleien liggen, aan welker vroegere mondingen de bodem van het oorspronkelijke kustrif van geulen werd doorsneden.Wij kunnen nu gemakkelijk inzien, hoe een eiland dat slechts aan ééne zijde, met of zonder insluiting van een of beide uiteinden, door walriffen is omgeven, na langdurige onderzinking veranderd kan worden hetzij in een enkel muurvormig rif, hetzij in eene atolle met een groote recht daaruit stekende klip, of eindelijk in twee of drie door rechte riffen verbonden atollen. Werkelijk komen al deze bijzondere gevallen voor. Daar de rifvormende koralen voedsel noodig hebben, en op hunne beurt weer door andere dieren worden gegeten; daar zij door bezinksel worden gedood, zich niet aan een lossen bodem kunnen hechten, en gemakkelijk op eene diepte kunnen geraken, waaruit zij niet weer kunnen omhoog groeien—behoeven wij ons niet te verwonderen, dat zoowel atollen als walriffen op sommige punten onvolledig worden. Zoo is het groote walrif van Nieuw-Caledonië op vele plaatsen onvolledig en gebroken; en na langdurige onderzinking zou dat rif niet voortbrengen eene enkele groote atolle van 400 mijlen lengte, maar eene reeks of archipel van atollen, van ongeveer dezelfde afmetingen als die der Maldivische Eilanden. Bovendien, zoodraeene atolle eenmaal aan overstaande zijden is doorgebroken, is het, op grond dat de zee- en getijstroomingen vermoedelijk recht door de breuken zullen gaan, hoogst onwaarschijnlijk dat de koralen ooit in staat zullen zijn weer den rand te bereiken, vooral wanneer de inzinking voortduurt. Is dit het geval, dan zal, terwijl de geheele oppervlakte zinkt, ééne atolle in twee of meer kleinere worden verdeeld. In den Maldivischen Archipel is de betrekkelijke ligging van verschillende atollen, die òf door onpeilbare òf zeer diepe kanalen van elkander gescheiden zijn,19zoodanig, dat men bij een blik op de kaart niet anders kan denken, dan dat zij eenmaal tot elkaar in nauwer verband stonden. En in dezen zelfden archipel is de atolle Mahlos-Mahdoo door een tweearmig kanaal van 100 tot 132 vademen zoodanig verdeeld, dat het haast niet mogelijk is te zeggen of hier, strikt genomen, sprake is van drie afzonderlijke atollen, of van ééne groote die nog niet geheel verdeeld is. Ik zal hier niet in veel meer bijzonderheden treden, doch moet opmerken, dat, zoo men let op het feit dat de zee vrijen toegang heeft door de gebroken randen der noordelijke Maldivische atollen, haar eigenaardige bouw eene eenvoudige verklaring vindt in den op- en buitenwaartschen groei der koralen, die oorspronkelijk gegrondvest waren op kleine vrijstaande riffen in hare lagunen (zooals in gewone atollen voorkomen), en op gebroken deelen van het lineaire zoomrif, als waardoor elke atolle van den gewonen vorm begrensd wordt. Ik kan niet nalaten telkens weêr op den zonderlingen bouw dezer samengestelde gewrochten te wijzen, nl. eene groote, zandige en meestal holle schijf, die zich steil uit den onpeilbaren oceaan verheft: die in haar midden bezaaid en aan den rand symmetrisch is omkranst met ovale koraalsteenen holten, welke juist het oppervlak der zee raken, die somtijds met planten zijn bedekt, en alle een meer van helder water bevatten!Ziehier nog eene bijzonderheid: zoo men bedenkt, dat in twee naburige eilanden-groepen koralen bloeien in de eene en niet in de andere groep, en dat zoo vele van de bovengenoemde omstandigheden van invloed moeten zijn op hun bestaan—zou het een onverklaarbaar feit wezen, indien koralen gedurende de veranderingen waaraan lucht, aarde en water onderhevig zijn, eeuwigdurend op een plek of een gebied in ’t leven bleven. En daar volgens onze theorie de oppervlakken, die atollen en walriffen bevatten, in zee zinken, moeten wij nu en dan zoowel doode als verdronken koralen vinden. In alle riffen is de zijde onder den wind voor een krachtigen, langdurigen groei der koralen het minst gunstig, omdat naar dien kant het bezinksel uit het lagunenkanaal wordt weggespoeld. Bij gevolg komen aan lijwaarts niet zelden doode rifstukken voor, die, ofschoon nog hunne eigen muurvormige gedaante behoudende, nu in vele gevallen verscheidene vademen onder de oppervlakte zijn gezonken. De Chagos-Archipel schijnt om de eene of andere reden—misschien omdat de onderzinking te snel is geschied—op ’t oogenblik minder gunstig te zijn voor den groei van riffen dan vroeger: bij ééne atolle is een deel van het zoomrif, negen mijlen lang, dood en verdronken; bij eene tweede verrijzen slechts enkele zeer kleine levende toppen boven de oppervlakte; eene derde en vierde zijn geheel dood en verdronken, terwijl eene vijfde niet meer is dan een wrak, waarvan de oorspronkelijke structuur bijna geheel is uitgewischt. Het verdient opmerking, dat in al deze gevallen de doode riffen en deelen van riffen op bijna dezelfde diepte liggen, nl. van zes tot acht vademen onder de oppervlakte, alsof zij door eene eenparige beweging omlaag waren gevoerd. Een dezer “halfverdronken atollen” (zoo genoemd door kapitein Moresby, aan wien ik vele kostbare inlichtingen te danken heb) is zeer uitgestrekt, nl. 90 zeemijlen (166.9 km.) in de eene richting en 70 mijlen (129.8 km.) in eene andere, en ook in vele opzichten hoogst belangrijk. Aangezien uit onze theorie volgt, dat op elk nieuw zinkingsgebied meestal nieuwe atollen gevormd zullenworden, zou men twee gewichtige bedenkingen kunnen aanvoeren, nl., dat atollen dan in onbeperkt aantal moesten vermeerderen: en ten tweede, dat op oude zinkende terreinen elke atolle in ’t bijzonder onbepaald in dikte moest toenemen, indien geen bewijzen konden worden aangevoerd, dat zij toevallig werden verwoest. Zoo hebben wij dan de geschiedenis dezer groote ringen van koraalgesteente geschetst, van af hun eersten oorsprong, door hunne opvolgende normale veranderingen, en door de toevallige gebeurtenissen in hun leven tot aan hun dood en algeheele vernietiging.In mijn werk over “Koraalvormingen” heb ik eene kaart in ’t licht gegeven, waarop alle atollen donkerblauw, de walriffen lichtblauw en de rand- of kustriffen rood gekleurd zijn. Deze laatste riffen zijn gevormd toen het land in rust, of, zooals uit de menigvuldige aanwezigheid van opgeheven organische overblijfsels blijkt, langzaam rijzend was. Atollen en walriffen, daarentegen, zijn opgegroeid gedurende de lijnrecht tegenovergestelde dalende beweging, die zeer gestadig en, wat de atollen betreft, vertikaal zoo groot geweest moet zijn, dat over uitgestrekte ruimten in zee elke hooge bergtop geheel is ondergezonken. Op deze kaart kunnen wij zien, dat de licht- en donkerblauw getinte riffen, die door dezelfde bewegingsrichting zijn ontstaan,als algemeene regelopvallend dicht bij elkander staan.20Ook zien wij, dat de oppervlakten met de twee blauwe tinten zeer uitgestrekt zijn, en dat zij gescheiden liggen van uitgestrekte roodgekleurde reeksen kustriffen. Deze beide omstandigheden had men terstond kunnen afleiden uit de theorie, dat de aard der riffen bepaald wordt door den zinder beweging van onze aardkorst. Het verdient opmerking, dat ik in meer dan één geval waar enkele roode en blauwe cirkels elkander dicht naderen, kan aantoonen, dat er hoogte-schommelingen geweest zijn; want in zulke gevallen zijn de roode cirkels of randriffen eigenlijk atollen, die volgens onze theorie oorspronkelijk tijdens eene daling gevormd, maar later opgeheven zijn; en omgekeerd bestaan sommige lichtblauwe cirkels of omwalde eilanden uit koraalsteen, die tot zijne tegenwoordige hoogte moet zijn opgeheven, voordat de daling intrad, gedurende welke de bestaande walriffen opgroeiden.Schrijvers hebben met verwondering opgemerkt, dat, hoewel atollen de meest voorkomende koraalvormingen zijn over eenige uitgestrekte ruimten in de groote oceanen, zij in andere zeeën (zooals bij West-Indië) ontbreken. De oorzaak daarvan kunnen wij nu terstond zien: want waar geen daling geweest is, kunnen geen atollen zijn gevormd; en wat West-Indië en sommige gedeelten van Oost-Indië betreft, weet men dat deze streken in het jongste tijdperk gerezen zijn. De grootere, rood en blauw gekleurde oppervlakten zijn alle langwerpig; en tusschen de twee kleuren is eene zekere mate van afwisseling, alsof de rijzing van het eene gebied had opgewogen tegen de daling van het andere. Zoo wij letten op de bewijzen van jongste rijzing zoowel aan de kusten met randriffen, als aan eenige andere waar geen riffen zijn (bijv. in Zuid-Amerika), worden wij tot de gevolgtrekking geleid, dat de groote vastelanden meerendeels rijzende—en uit den aard der koraalriffen, dat de centrale gedeelten der groote oceanen dalende gebieden zijn. De Oostindische Archipel, het meest gebroken land ter wereld, is op de meeste punten een rijzend gebied, doch wordt omringd en waarschijnlijk in meer dan eene richting gesneden door smalle perken van daling.Ik heb door vuurroode punten de plaatsen aangestipt van de talrijke werkzame vulkanen, die binnen de grenzen van dezelfde kaart gelegen zijn. Hoogst verrassend is het feit, dat zij geheel ontbreken in elk van de groote zinkendeoppervlakten, hetzij licht- of donkerblauw gekleurd; en niet minder verrassend is het samenvallen van de hoofdketens der vulkanen met de roodgekleurde gedeelten, welke de feiten ons leeren beschouwen als sedert lang in rust, of meer algemeen, als in jongeren tijd omhoog geheven te zijn. Ofschoon enkele van de vuurroode plekken op geen grooten afstand liggen van alleenstaande blauwgetinte cirkels, is toch geen enkele werkzame vulkaan dichter dan vele honderden mijlen van een archipel of zelfs van eene kleine groep atollen gelegen. Het is daarom een opmerkelijk feit, dat op de Vriendschaps-Eilanden, die uit eene groep opgeheven en sedert gedeeltelijk vervallen atollen bestaan, voor zoover men weet twee, en vermoedelijk meer vulkanen sinds historische tijden in werking zijn geweest.21Daarentegen is op de door walriffen omgeven eilanden in den Stillen Oceaan, voor zoover men weet,geen enkelevulkaan ooit in uitbarsting geweest, ofschoon de meeste dezer eilanden van vulkanischen oorsprong en de overblijfsels van kraters dikwijls nog duidelijk te onderkennen zijn. Uit deze gevallen zou dus blijken, dat vulkanen op dezelfde plaatsen in werking komen en uitgedoofd worden, naar gelang er rijzende of dalende bewegingen heerschen. Tallooze feiten kon men aanvoeren om te bewijzen, dat overal daar waar werkzame vulkanen zijn, opgeheven organische overblijfsels voorkomen; maar niet voordat men kon bewijzen, dat vulkanen op zinkende bodems òf ontbraken òf werkeloos waren, zou het zeer gewaagd geweest zijn de gevolgtrekking af te leiden—hoe waarschijnlijk ook op zich zelve—dat hunne verdeeling van het rijzen of dalen der aardkorst afhing. Maar ik denk, dat wij nu deze belangrijke gevolgtrekking vrijelijk mogen aannemen.Werpen wij een laatsten blik op de kaart, en denken wij aan hetgeen gezegd is omtrent de opgeheven organischeoverblijfsels, dan moeten wij verwonderd zijn over de uitgebreidheid der streken, die in een geologisch niet ver verleden aan op- en nederwaartsche niveau-veranderingen onderhevig zijn geweest. Ook zou het ons toeschijnen, dat de rijzende en dalende bewegingen nagenoeg dezelfde wetten volgen. Over het gansche gebied dat met atollen is bedekt, waar geen enkele rotspunt of stuk hoogland boven den zeespiegel is gebleven, moet de zinking ontzaglijk diep geweest zijn. Bovendien moet zij uiterst langzaam zijn geschied, hetzij die beweging onafgebroken voortduurde, of zich herhaalde na tusschentijden, lang genoeg om den koralen gelegenheid te geven hunne levende gebouwen tot den zeespiegel op te trekken. Waarschijnlijk is deze gevolgtrekking de belangrijkste, die uit de studie der koraalvormingen kan worden afgeleid; en het laat zich moeilijk voorstellen, of men er ooit langs een anderen weg toe gekomen zou zijn. Eindelijk kan ik niet nalaten er op te wijzen, dat de voorheen bestaande groote archipels van hooge eilanden, daar waar nu slechts ringen van koraalgesteente eene zwakke breking vormen in het uitgestrekte zeegebied, waarschijnlijk eenig licht zullen werpen op de verspreiding der bewoners van de andere hooge eilanden, die nu te midden van de groote oceanen op zulke onmetelijke afstanden van elkaar gescheiden liggen. Inderdaad hebben de rifvormende koralen wondervolle gedenkteekenen opgericht en bewaard van de onderaardsche niveau-veranderingen en hare reactie op de korst; in elk walrif zien wij het bewijs dat daar het land is ondergezonken, en in elke atolle een gedenkteeken boven een eiland, dat nu verdwenen is. Zoo zullen wij dan, evenals een geoloog die tienduizend jaren heeft geleefd en aanteekening hield van de opvolgende veranderingen, eenig inzicht kunnen krijgen in het groote stelsel van kern-contractie en korstplooiing, waardoor het oppervlak der aarde werd gebroken, en land en zee van plaats verwisselden.221Deze planten zijn beschreven in deAnnals of Nat. History, 1838, deel I, blz. 337.2Holman’sTravels, deel IV,blz. 378.3Kotzebue “First Voyage”, deel III, blz. 155.(De Radack- of Ratack-Archipel maakt deel uit van de Marshall-Eilanden, waarvan hij de oostelijke groep vormt; de westelijke groep heet de Ralick-Archipel.(Vert.)4Waarschijnlijk is deze vogel eene soort van vijverhoen (Gallinula). Zie Marshall “Zoölogie”.(Vert.)5De dertien species behooren tot de volgende Orden:Coleopterametéénkleinen springkever (Elater);Orthopteramet eenGryllusen eenBlatta;Hemipteramet ééne species;Homopteramet twee;Neuropteramet eenChrysopa;Hymenopteramet twee mieren;Lepidoptera nocturnamet eenDiopaeaen eenPterophorus(?); en eindelijk van deDipteratwee species.6Tridacnidaegeheeten. Zij behooren tot de Orde derChamacea.7Eenige inboorlingen, die door Kotzebue naar Kamtsjatka werden gebracht, verzamelden steenen om mede naar hun land te nemen.8Deze species, ookBirgusgeheeten, behoort tot deDecapoda, eene Onderorde van de Pantserkreeften (Thoracostraca)—eene Orde van de Hoogere Kreeften (Malacostraca).(Vert.)9Door de zoölogen ookThuroideaenHolothuriaegenoemd.(Vert.)10Daaronder reken ik natuurlijk niet eenigen grond, die uit Malakka en Java op schepen hierheen is gevoerd, evenmin als eenige kleine, door de golven aangespoelde stukken puimsteen. Ook moet het eene blok groensteen op het noordelijke eiland worden uitgezonderd.11Deze werden het eerst voorgedragen in de “Geological Society” in Mei 1837, en zijn later breedvoerig beschreven in een afzonderlijk deel, getiteld:The Structure and Distribution of Coral Reefs, 1842.12Behoort tot de Maldivische Eilanden.13Of Heyou genaamd. Zij ligt in den Lagen ofTuamotu-Archipel.(Vert.)14Het verdient opmerking, dat Lyell reeds in de eerste uitgaaf van zijne “Principles of Geology” tot de slotsom kwam, dat de maat van inzinking in den Stillen Oceaan, die der rijzing moet hebben overtroffen, omreden de landoppervlakte zeer klein is in verhouding tot de organische en physische krachten, die daar land helpen vormen, n.l., de groei der koralen en de vulkanische werking.15Ook Borabora geheeten en met 24 □ kilom. oppervlakte, behoort tot de voorheen “onafhankelijke” eilanden onder den wind. Deze vormen de westelijke groep der Gezelschaps-Eilanden en zijn door een breed kanaal gescheiden van de oostelijke groep, waartoe o.a. Tahiti behoort.(Vert.)16Hogoleu (een der Karolinen Eilanden) met eene oppervlakte van 132 □ kilom., draagt ook den naam van Roug.(Vert.)17Tot mijne groote tevredenheid vind ik in een vlugschrift van den heer Couthouy, een der natuuronderzoekers bij de groote zuidpool-expeditie der Vereenigde Staten, de volgende zinsnede:“Na persoonlijk onderzoek van een groot aantal koraaleilanden, en een verblijf van acht maanden op de vulkanische eilanden met strand- en gedeeltelijk met walriffen, veroorloof ik mij de verklaring, dat mijne eigen waarnemingen mij hebben overtuigd van de juistheid van Darwin’s theorie.”De natuuronderzoekers van deze expeditie verschillen echter met mij in enkele punten, de koraalvormingen betreffende.18Op blz. 175 van zijn werkThe structure and Distribution of Coral Reefs, 3e uitgaaf 1889, noemt Darwin de eilanden welke Quoy en Gaimard bezocht en in deAnnales des Sciences Naturelles, deel VI, blz. 279 beschreven hadden. Zij waren Mauritius, Timor, Nieuw-Guinea, de Mariannen of Dieven-Eilanden, en de Sandwich-Eilanden.(Vert.)19Het kanaal tusschen de atollen Ross en Ari (ook in dezen archipel) is 150 vademen diep, en dat tusschen de noordelijke en zuidelijke atollen Nillandoo 200 vademen.(Vert.)20Op deze fraaie kaart ziet men, dat dit vooral het geval is met de Karolinen-, de Marshall- en Gilbert-Eilanden; met de Gezelschaps- en Tuamotu-Eilanden, het groote walrif op Australië’s oostkust en de naburige atollen. De dicht bij elkander liggende Laccadiven, Malediven, Chagos- en Saya de Malha-Eilanden zijn allen donkerblauw gekleurd.(Vert.)21Van de vulkanen dezer eilanden is de Tofua de belangrijkste. Deze wierp in 1792 groote lavastroomen uit. Een andere vulkaan, de Amargura, had eene uitbarsting op 9 Juli 1847.(Vert.)22De dieptegrenzen van ongeveer 37–55 Met., door Darwin als levensvoorwaarde van derif-ofkolonievormendekoralen genoemd, zijn door later onderzoek eenigszins gewijzigd. De meeste koraalgeslachten gedijen tusschen 30 en 40 Met. diepte, maar men heeft een rif gevonden, waarop zeer enkele geslachten leefden op eene diepte van 50–90 Met. Ook hunne geographische verspreiding volgt een bepaalden regel, en de uitzonderingen daarop bevestigen dien slechts. Men vindt koraalriffen alleen in warme zeeën, ongeveer tusschen 25° N. en Z.Br.—daar waar de gemiddelde jaartemperatuur van het water minstens 20° C. is. In de Roode Zee en in den Stillen Oceaan liggen de noordelijke riffen respect. op 30° en 28°30′ breedte, terwijl de koraalriffen der Bermuda-Eilanden in den Atlant. Oceaan, onder invloed van den warmen Golfstroom nog op 32° 15′ N.B. gedijen.Verder heeft de wetenschap geleerd, dat het verschijnsel, of liever, hetprocesder rifvorming veel ingewikkelder is, dan Darwin en na hem de Amerikaansche geoloog Dana (in 1849) onderstelden. Men heeft nl. in den Westindischen Archipel, op de Philippijnsche, de Salomons-, Palau- en Andamans-Eilanden koraalvormingen ontdekt, welke onder andere omstandigheden moeten ontstaan zijn, dan die in het midden van den Stillen Oceaan. Darwin’s theorie, ofschoon langen tijd een onbeperkt gezag uitoefenende, en nog in de jaren 1880–1890 der geologen als Suesz, Neumaijr en Bonney verdedigd, wordt dan ook door verscheidene geologen en zoölogen (Geikie, Murray, Guppy, Semper, Rein, Poutalès, Studer, Agassiz e.a.) niet aangenomen. Toch geeft zij nog de natuurlijkste verklaring van alle koraaleilanden in de Stille en Indische Oceanen, die onder een helling van 60°, of zelfs loodrecht honderden meters hoog boven den zeebodem verrijzen.Zij vond een wezenlijken steun in het geologisch onderzoek van de riffen uit vroegere perioden der aardgeschiedenis. Men heeft nl. zulke riffen ontdekt in alle formaties—van af de Cambrische periode—behalve tot nu toe in die van het Tertiaire Tijdvak. De dikte dier voorwereldlijke riffen is menigmaal ontzaglijk; in het Devoon bedraagt die soms 700, in het Trias zelfs 1500 Met. Doch eerst in 1897/98 werd Darwin’s theorie proefondervindelijk ook voor de tegenwoordige riffen bevestigd. Bij boringen op het eiland Funafuti (een der Ellice-Eilanden in den Stillen Oceaan) stiet men tot op eene diepte van 390 Met. door koraalkalk.De verschillende theorieën over het ontstaan der koraaleilanden en koraalriffen vindt men zeer goed omschreven in R. Langenbeck “Koralleninseln”, Leipzig 1890; en in W. May “Korallen und andere gesteinsbildende Tiere”, Leipzig 1909.(Noot v. d. Vert.)

Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)Er zijn ringvormige walriffen in alle grootten, van af 3 tot niet minder dan 44 mijlen in doorsnede; het rif, dat tegenover een der zijden van Nieuw-Caledonië ligt en de beide uiteinden omvat, is zelfs 400 mijlen lang. Elk rif sluit één, twee of meer rotsachtige eilanden in van verschillende hoogten (in één geval zelfs 12 afzonderlijke eilanden), en loopt op ongelijke afstanden om het ingesloten land—bij de Gezelschaps-Eilanden meestal op een afstand van een tot drie of vier mijlen, maar bij Hogoleu16op 20 mijlen van den zuidkant, en 14 mijlen van den tegenovergestelden of noordkant der ingesloten eilanden. Ook is dediepte binnen het lagunenkanaal aan veel verandering onderhevig, en kan gemiddeld op 10 tot 30 vademen worden gesteld; maar op Wanikoro zijn ruimten van niet minder dan 56 vademen of 336 voeten diepte. Aan de binnenzijde loopt het rif zacht glooiend af naar het lagunenkanaal, of eindigt in een loodrechten wal, die onder water somtijds 200 tot 300 voeten hoog is; aan de buitenzijde verrijst het rif, evenals eene atolle, zeer steil uit de groote diepten van den oceaan. Kan men zich iets zonderlingers voorstellen dan dergelijke natuurgewrochten? Wij zien een eiland, dat te vergelijken is met een kasteel op den top van een hoogen onderzeeschen berg, tegen het geweld der zee beschermd door een grooten muur van koraalgesteente, die altijd steil is aan den buiten- en soms ook aan den binnenkant: van boven begrensd door een breed horizontaal vlak, en hier en daar afgebroken door smalle toegangen of invaarten, waardoor de grootste schepen de wijde en diepe singel- of vestinggracht kunnen binnenzeilen.Voor zoover het eigenlijke koraalrif betreft, is er niet het geringste verschil zoowel in algemeene grootte, begrenzing en groepeering als zelfs in zeer onbeduidende structuur-bijzonderheden, tusschen een walrif en eene atolle. De aardrijkskundige Balbi heeft terecht aangemerkt, dat een omwald eiland eene atolle is, waarin zich hoogland uit de lagune verheft; neem het land er binnen weg, en er blijft eene volledige atolle over.Maar wat is nu de oorzaak, dat deze riffen op zulke groote afstanden van de kusten der ingesloten eilanden uit zee verrijzen? De reden kan niet zijn, dat koralen niet in de nabijheid van het land groeien: want dikwijls zijn de kusten van het lagunenkanaal, wanneer zij niet door alluvialen grond zijn omgeven, door een rand van levende riffen begrensd; en aanstonds zullen wij zien, dat er eene geheele klasse van riffen bestaat, welke ik juist om hun nauw verband met de kusten zoowel van vastelanden als van eilanden, met den naam vanRandriffenheb bestempeld. Eene tweede vraag is: waarop hebben de rifvormendekoralen, die niet op groote diepten kunnen leven, hunne ringvormige wallen gegrondvest? Blijkbaar is de oplossing daarvan even moeilijk als in het gelijksoortige geval der atollen, en die meestal over het hoofd is gezien. De zaak zal duidelijker worden begrepen na een blik op de volgende ware doorsneden, die genomen zijn in de richtingen noord en zuid door de eilanden Wanikoro, Gambier (of Mangarewa) en Maurua met hunne walriffen. Zoowel in horizontale als in verticale richting, zijn deze doorsneden herleid tot denzelfden maatstaf van een kwart inch op elke mijl.——1. Het eiland Wanikoro. (Santa-Cruz-Eilanden).2. De Gambier-Eilanden. CD = 200 vademen.3. Het eiland Maurua. (Gezelschaps-Eilanden).De horizontale, donkere schaduw geeft een doorsnede te zien van de walriffen en lagunenkanalen. De schuine, lichtere schaduw boven den zeespiegel AA vertoont eene doorsnede van het land in vorm en hoogte; hare voortzetting onder deze lijn den waarschijnlijken vorm van het land onder zee.Wij moeten hier opmerken, dat in welke richting de doorsneden ook genomen waren hetzij bij deze of vele andere omwalde eilanden, in ’t algemeen dezelfde vormen zouden zijn weergevonden. Zoo men nu bedenkt, dat rifvormend koraal op geen grootere diepte kan leven dan van 20 tot 30 vademen en dat de schaal der teekening zoo klein is, datde peilstreepjes CD aan de rechterhand eene diepte aanduiden van 200 vademen (366 Met.), dan mag men terecht vragen: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Moeten wij aannemen, dat elk eiland omringd is door eene halssnoervormige onderzeesche rotsklip, of door eene groote bank van bezonken stoffen, die plotseling eindigt waar ook het rif eindigt? Indien de zee vroeger diep in de eilanden had geknaagd, voordat deze door de riffen werden beschermd, en aldus eene ondiepe klip rondom hen onder water had gezet, zouden de tegenwoordige kusten steeds door diepe, steile afgronden omringd zijn; maar dit is hoogst zelden het geval. Ook kan men, volgens dit begrip, onmogelijk verklaren, waarom de koralen, evenals een muur, van den uitersten buitenrand der klip zijn opgegroeid, en aan den binnenkant dikwijls eene breedewatervlaktehebben vrijgelaten, te diep voor den groei der koralen zelven. Dat rondom deze eilanden eene uitgestrekte bank van bezonken stoffen opgehoopt zou zijn, welke meestal het breedst was daar waar de ingesloten eilanden het kleinst zijn, is hoogst onwaarschijnlijk, zoo men in aanmerking neemt hoezeer die banken in de centrale en diepste gedeelten van den oceaan aan de werking der golven zijn blootgesteld. In het bijzondere geval van het walrif van Nieuw-Caledonië, dat zich 150 mijlen ver voorbij de noordelijkste punt van het eiland uitstrekt in dezelfde rechte lijn, waarin het langs de westkust loopt, is het haast niet mogelijk aan te nemen, dat aldus eene bank van bezonken stoffen kon worden afgezet lijnrecht tegenover een hoog eiland en zoo ver voorbij zijn eindpunt in volle zee. En ten slotte, zoo wij acht slaan op andere eilanden in den oceaan van ongeveer dezelfde hoogte en gelijke geologische samenstelling, maar niet door koraalriffen omgeven, dan zullen wij vruchteloos zoeken naar zulk eene onbeduidende, zich rondom uitstrekkende diepte van 30 vademen, behalve in de onmiddellijke nabijheid der kusten; want land dat steil uit het water verrijst, gelijk de meeste omwalde en niet omwalde eilanden in den oceaan, duikt er gewoonlijk steil onder. En daarom herhaal ik mijnevraag: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Waarom liggen zij met hunne wijde en diepe grachtvormige kanalen zoo ver van het ingesloten land? Spoedig zullen wij zien hoe gemakkelijk deze moeilijkheden verdwijnen.Thans komen wij aan onze derde klasse van riffen, de zoogenaamdeRand-ofKustriffen, die eene zeer korte beschrijving behoeven. Waar het land steil onder water duikt, zijn deze riffen slechts enkele yards breed, en vormen zij eenvoudig eene strook of rand rondom de kusten; waar het land zacht glooiend onder het water verdwijnt, strekt het rif zich verder uit, soms zelfs eene mijl ver van het land, maar in zulke gevallen bewijzen steeds de peilingen buiten het rif, dat het land zich met eene geringe helling onder water voortzet. Inderdaad strekt het rif zich slechts tot dien afstand van de kust uit, binnen welken de vereischte diepte van 20 tot 30 vademen grond gevonden wordt. Wat nu het eigenlijke rif betreft, is er geen wezenlijk onderscheid tusschen dit en die, welke een walrif of eene atolle vormen; in de meeste gevallen heeft het echter eene mindere breedte, zoodat er zich weinig eilandjes op gevormd hebben. Omdat de koralen sterker aan de buitenzijde groeien, en het bezinksel, dat naar binnen wordt gespoeld, nadeelige werking heeft, is de buitenrand van het rif het hoogste gedeelte; tusschen dit en het land ligt meestal een ondiep zandig kanaal van enkele voeten diepte. Daar, waar zich banken van bezonken stoffen tot dicht bij de oppervlakte hebben opgehoopt (zooals in sommige gedeelten van West-Indië), worden die soms met een rand van koralen omzoomd, en gelijken dus in zekeren zin op laguneneilanden of atollen, op dezelfde manier als randriffen die zacht glooiende eilanden omringen, in zekeren zin op walriffen gelijken.AA. Buitenranden van het kustrif bij den zeespiegel.BB. De kusten van het omzoomde land.A′A′. Buitenranden van het rif, na zijn opwaartschen groei gedurende een tijdperk van daling, thans veranderd in eenwalrifmet eilandjes er op.B′B′. De kusten van het nu door rif en lagunenkanaal CC ingesloten eiland.Opmerking.In deze en de volgende teekening kon de onderzinking van het land alléen worden voorgesteld door eene schijnbare rijzing van den zeespiegel ABBA.Geene enkele theorie over de vorming der koraalriffen kan als voldoende worden beschouwd, welke niet de drie groote klassen omvat. Wij hebben gezien, dat de hypothese der inzinking van den zeebodem de eenig mogelijke is, ter verklaring van die uitgestrekte ruimten met hier en daarverspreide lage eilanden, waarvan geen enkel hooger verrijst, dan tot waar wind en golven stof kunnen opwerpen, ofschoon die eilanden opgebouwd zijn door dieren, welke een bodem behoeven, die op geen groote diepte kan liggen. Laat ons nu, als voorbeeld, een eiland nemen, dat door randriffen is omgeven, welke geene moeilijkheid in hunne samenstelling opleveren, en zien wij wat er gebeurt, als dit eiland met zijn rif (in de teekening door de gebogen lijn ABB′B′BA voorgesteld) langzaam onderzinkt. Uit hetgeen van de voorwaarden, gunstig voor den groei van koraaldieren bekend is, mogen wij veilig besluiten, dat, als het eiland op een tijdstip enkele voeten of geheel onmerkbaar daalt, de levende koraaldieren, die door de branding op den rand van het rif bespoeld worden, spoedig weer de oppervlakte zullen bereiken. Maar langzaam en gestadig zal de zee op de kust winnen; het eiland wordt steeds lager en kleiner, en de ruimte tusschen den binnenrand van het rif en het strand naar evenredigheid breeder. Eene doorsnede van het rif in dezen toestand, na eene onderzinking vanverscheidene honderden voeten, geeft ons de stippellijn AA′A′A te zien; de boompjes bij A′ wijzen aan, dat zich koraaleilanden op het rif gevormd hebben, en het schip bij C de plaats van het lagunenkanaal. Dit kanaal zal meer of minder diep zijn al naar de mate van onderzinking, van de hoeveelheid daarin opgehoopt bezinksel, en den groei der fijn vertakte koralen die er kunnen leven. In dezen toestand gelijkt de doorsnede in alle opzichten op die van een omwald eiland; en inderdaad is zij eene getrouwe doorsnede (naar den maatstaf van 517/1000 van een inch op elke mijl) van het eiland Bolabola (of Borabora) in den Stillen Oceaan. Nu kunnen wij onmiddellijk zien, waarom walriffen zoo ver van de kusten liggen, die zij als met een ring omgeven. Ook kunnen wij zien, dat de lijn die van den buitenrand van het nieuwe rif loodrecht op het vaste steenen grondvlak onder het oude rand- of kustrif wordt neergelaten, evenveel voeten langer is dan de geringe grensdiepte waarop werkelijke koraaldieren kunnen leven, als de maat der inzinking van dat grondvlak zelf: m.a.w., de kleine bouwmeesters hebben, gedurende de inzinking van den zeebodem, hun groot muurvormig bouwwerk opgetrokken op een grondvlak, samengesteld uit andere koralen en hunne vastgeworden brokstukken. De schijnbaar groote moeilijkheid omtrent dit punt verdwijnt derhalve.Hadden wij, in plaats van een eiland, de kust genomen van een met riffen omzoomd vasteland, en dit in gedachten laten zinken, dan zou het resultaat blijkbaar geweest zijn een groote rechte dam of wal, evenals die van Australië of Nieuw-Caledonië, welke door een wijd en diep kanaal van het land gescheiden was.A′A′. Buitenranden van het walrif bij den zeespiegel, met eilanden er op.B′B′. De kusten van het ingesloten land.CC. Het lagunenkanaal.A″A″. Buitenranden van het rif, nu in eene atolle veranderd.—C′. De lagune van de nieuwe atolle.Opmerking.Volgens de ware schaal zijn hier de diepten van het lagunenkanaal en de lagune zeer overdreven.Laat ons nu deze beschouwing uitbreiden op ons nieuw ringvormig walrif, welks doorsnede (zooals gezegd eene ware doorsnede van het eiland Bolabola) in de teekening voorgesteld is door den omtrek DA′A′D der donkergeschaduwde figuren, en onderstellen dat dit rif de dalende beweging van den zeebodem volgt. Terwijl deze langzaam zinkt, zullen de koraaldieren krachtig omhoog groeien, maartegelijk zal het water duim voor duim op de kust van het eiland winnen; de gescheiden bergtoppen, die in ’t eerst afzonderlijke eilanden binnen het groote rif vormen, zinken de een na den anderen weg, en eindelijk verdwijnt ook de laatste en hoogste top. Op het oogenblik dat dit gebeurt, is eene volledige atolle ontstaan. In overeenstemming met hetgeen ik boven zeide, zien wij dus, dat wanneer al het hooge land binnen een ringvormig walrif verwijderd wordt, eindelijk eene atolle overblijft. Ook wordt het nu duidelijk hoe het komt dat atollen, die uit ringvormige walriffen zijn ontstaan, meestal op hen gelijken zoowel in grootte en vorm, als in hare wijze van groepeering en de samenstelling uit enkele of dubbele dammen; want feitelijk kan men ze ruwe schetskaarten noemen van de gezonken eilanden waarop zij staan. Verder kunnen wij zien wat de oorzaak is, dat de atollen in de Stille en Indische Oceanen zich uitstrekken in lijnen, evenwijdig met de meestal scherp uitkomendeasrichting der hooge eilanden en groote kustlijnen van deze oceanen. Daarom waag ik het de bewering te handhaven, dat alle hoofdkenmerken dezer belangrijke vormingen—zoowel van de laguneneilanden of atollen, die zoolang de aandacht der reizigers hebben getrokken, als van de niet minder gewichtige walriffen, hetzij deze kleine eilanden omringen of zich honderde mijlen ver langs de kusten van een vasteland uitstrekken—door de theorie van den opwaartschen groei der koraaldieren gedurende het onderzinken van het land op eenvoudige wijze worden verklaard.17Men zou mij kunnen vragen of ik eenrechtstreekschbewijs van het zinken van walriffen of atollen kan geven; doch men moet hierbij in ’t oog houden, hoe moeilijk het steeds is eene beweging te ontdekken, welke er toe leidt het bewogen land onder water te verbergen. Op Keeling-atolle zag ik echter aan alle zijden van de lagune oude kokosboomen, die ondermijnd en op het punt waren te vallen; en op ééne plaats stond eene hut, waarvan de bewoners verklaarden dat de fundamenten zeven jaren geleden even boven hoogwaterpeil hadden gestaan, terwijl zij nu dagelijks door elken vloed bespoeld werden. Bij onderzoek vernam ik, dat hier gedurende de laatste tien jaren drie aardbevingen waren gevoeld, waaronder ééne hevige. Op Wanikoro is het lagunenkanaal bijzonder diep; aan den voet der hooge ingesloten bergen heeft zich bijna geen alluviale grond opgehoopt, en op het muurvormig walrif zijn door het opwerpenvan brokken en zand zeer weinig eilandjes gevormd. Deze en eenige dergelijke feiten meer, leidden mij tot de meening, dat dit eiland kort geleden moet gezonken en het rif omhoog zijn gegroeid. Hier zijn ook aardbevingen talrijk en zeer ernstig. Op de Gezelschaps-Eilanden, daarentegen, waar de lagunenkanalen bijna zijn verstopt; waar veel lage alluviale grond is opgehoopt, en waar in sommige gevallen lange eilandjes op de walriffen zijn gevormd—feiten, die alle er op wijzen, dat de eilanden niet zeer kort geleden gezonken zijn—worden slechts uiterst zelden zwakke schokken gevoeld. Bij deze koraalvormingen, waar land en water om de oppermacht schijnen te strijden, moet het altijd moeilijk zijn te beslissen of de gevolgen zijn toe te schrijven aan eene verandering in den loop der getijden, of aan eene geringe onderzinking. Dat vele van deze riffen en atollen aan veranderingen van eenigerlei aard onderhevig zijn, staat vast; in sommige atollen schijnen de eilandjes in een niet lang verleden zeer gegroeid, in andere, daarentegen, geheel of gedeeltelijk weggespoeld te zijn. De bewoners van sommige gedeelten der Maldivische Eilanden kennen den datum, waarop sommige eilandjes zich het eerst begonnen te vormen; elders in dien archipel bloeien thans de koralen op riffen, waarover het water spoelt, en waar holten, die voor graven moesten dienen, getuigen van het vroeger bestaan van bewoond land. Dat in de getij-stroomingen eener open zee menigvuldige veranderingen zouden plaats hebben, is moeilijk te gelooven; daarentegen zien wij in de aardbevingen waarvan de bewoners van sommige atollen de overlevering bewaard hebben, en in de groote op andere atollen waargenomen spleten, een klaar bewijs van de veranderingen en storingen welke in de onderaardsche streken in gang zijn.Volgens onze theorie is het duidelijk, dat kusten die alléén doorrandriffenworden omgeven, niet merkbaar diep gezonken kunnen zijn, en dus sedert den groei harer koralen òf op hetzelfde peil gebleven, òf opgeheven moeten zijn. Nu is het opmerkelijk, hoe in ’t algemeen door de aanwezigheidvan uit zee geheven organische overblijfsels kan worden aangetoond, dat de eilanden met randriffengerezenzijn. In zoover is dit een indirect bewijs voor de juistheid onzer theorie. Dit feit trof mij vooral, toen ik tot mijne verwondering ontdekte, dat de door Quoy en Gaimard gegeven beschrijvingen niet toepasselijk waren op riffenin ’t algemeen(gelijk stilzwijgend door hen werd aangenomen), maar alleen op die van de klasse derkust-ofrandriffen. Mijne verwondering week echter, toen ik later bevond, dat volgens de eigen verklaringen dezer bekwame natuuronderzoekers bewezen kon worden, dat, door een spel van het toeval, al de verschillende door hen bezochte eilanden in een jong geologisch tijdperk omhoog waren geheven.18Door de theorie der inzinking van den zeebodem (welke theorie wij, onafhankelijk, voor het gebied in quaestie genoopt zijn aan te nemen, wegens de noodzakelijkheid om voor den groei der koralen bodems op de vereischte diepte te vinden) worden niet alleen verklaard dehoofdtrekkenin den bouw van walriffen en atollen, en van hunne onderlinge gelijkenis in vorm, grootte en andere kenmerken: maar ook velebijzonderhedenin bouw en zelfsuitzonderingsgevallenvinden door haar eene eenvoudige verklaring. Ik zal slechts enkele voorbeelden noemen. Sedert lang is bij walriffen met verwondering waargenomen, dat de doorgangen in het rif nauwkeurig liggen in de asrichting der valleien op het ingesloten land—zelfs dan, als het rif van het land gescheiden is door een lagunenkanaal, zoo wijd en zooveel dieper dan de eigenlijke doorgang zelf, dat het haast niet mogelijk schijnt, dat de zeer geringehoeveelheid van land afgevoerd water of bezinksel de koralen op het rif kon schaden. Om dit te verklaren, wenden wij ons tot de klasse der kustriffen. Hier wordt elk rif doorsneden van eene smalle geul of invaart, recht tegenover het kleinste riviertje van het ingesloten land, zelfs indien dat riviertje het grootste deel van het jaar droog ligt; en wel om deze reden, dat alle weggespoelde modder, zand en kiezel derifkoralen doodt, waarop die stoffen worden afgezet. Bij gevolg, wanneer zulk een eiland met kustrif onderzinkt, zullen, ofschoon waarschijnlijk de meeste smalle invaarten door den buiten- en opwaartschen groei der koralen verstopt zullen worden, enkele niet verstopte (en door het bezinksel of onzuivere water dat uit het lagunenkanaal wegvloeit, moeten er altijdeenigeopen blijven) voortdurend juist tegenover de hoogere gedeelten van die valleien liggen, aan welker vroegere mondingen de bodem van het oorspronkelijke kustrif van geulen werd doorsneden.Wij kunnen nu gemakkelijk inzien, hoe een eiland dat slechts aan ééne zijde, met of zonder insluiting van een of beide uiteinden, door walriffen is omgeven, na langdurige onderzinking veranderd kan worden hetzij in een enkel muurvormig rif, hetzij in eene atolle met een groote recht daaruit stekende klip, of eindelijk in twee of drie door rechte riffen verbonden atollen. Werkelijk komen al deze bijzondere gevallen voor. Daar de rifvormende koralen voedsel noodig hebben, en op hunne beurt weer door andere dieren worden gegeten; daar zij door bezinksel worden gedood, zich niet aan een lossen bodem kunnen hechten, en gemakkelijk op eene diepte kunnen geraken, waaruit zij niet weer kunnen omhoog groeien—behoeven wij ons niet te verwonderen, dat zoowel atollen als walriffen op sommige punten onvolledig worden. Zoo is het groote walrif van Nieuw-Caledonië op vele plaatsen onvolledig en gebroken; en na langdurige onderzinking zou dat rif niet voortbrengen eene enkele groote atolle van 400 mijlen lengte, maar eene reeks of archipel van atollen, van ongeveer dezelfde afmetingen als die der Maldivische Eilanden. Bovendien, zoodraeene atolle eenmaal aan overstaande zijden is doorgebroken, is het, op grond dat de zee- en getijstroomingen vermoedelijk recht door de breuken zullen gaan, hoogst onwaarschijnlijk dat de koralen ooit in staat zullen zijn weer den rand te bereiken, vooral wanneer de inzinking voortduurt. Is dit het geval, dan zal, terwijl de geheele oppervlakte zinkt, ééne atolle in twee of meer kleinere worden verdeeld. In den Maldivischen Archipel is de betrekkelijke ligging van verschillende atollen, die òf door onpeilbare òf zeer diepe kanalen van elkander gescheiden zijn,19zoodanig, dat men bij een blik op de kaart niet anders kan denken, dan dat zij eenmaal tot elkaar in nauwer verband stonden. En in dezen zelfden archipel is de atolle Mahlos-Mahdoo door een tweearmig kanaal van 100 tot 132 vademen zoodanig verdeeld, dat het haast niet mogelijk is te zeggen of hier, strikt genomen, sprake is van drie afzonderlijke atollen, of van ééne groote die nog niet geheel verdeeld is. Ik zal hier niet in veel meer bijzonderheden treden, doch moet opmerken, dat, zoo men let op het feit dat de zee vrijen toegang heeft door de gebroken randen der noordelijke Maldivische atollen, haar eigenaardige bouw eene eenvoudige verklaring vindt in den op- en buitenwaartschen groei der koralen, die oorspronkelijk gegrondvest waren op kleine vrijstaande riffen in hare lagunen (zooals in gewone atollen voorkomen), en op gebroken deelen van het lineaire zoomrif, als waardoor elke atolle van den gewonen vorm begrensd wordt. Ik kan niet nalaten telkens weêr op den zonderlingen bouw dezer samengestelde gewrochten te wijzen, nl. eene groote, zandige en meestal holle schijf, die zich steil uit den onpeilbaren oceaan verheft: die in haar midden bezaaid en aan den rand symmetrisch is omkranst met ovale koraalsteenen holten, welke juist het oppervlak der zee raken, die somtijds met planten zijn bedekt, en alle een meer van helder water bevatten!Ziehier nog eene bijzonderheid: zoo men bedenkt, dat in twee naburige eilanden-groepen koralen bloeien in de eene en niet in de andere groep, en dat zoo vele van de bovengenoemde omstandigheden van invloed moeten zijn op hun bestaan—zou het een onverklaarbaar feit wezen, indien koralen gedurende de veranderingen waaraan lucht, aarde en water onderhevig zijn, eeuwigdurend op een plek of een gebied in ’t leven bleven. En daar volgens onze theorie de oppervlakken, die atollen en walriffen bevatten, in zee zinken, moeten wij nu en dan zoowel doode als verdronken koralen vinden. In alle riffen is de zijde onder den wind voor een krachtigen, langdurigen groei der koralen het minst gunstig, omdat naar dien kant het bezinksel uit het lagunenkanaal wordt weggespoeld. Bij gevolg komen aan lijwaarts niet zelden doode rifstukken voor, die, ofschoon nog hunne eigen muurvormige gedaante behoudende, nu in vele gevallen verscheidene vademen onder de oppervlakte zijn gezonken. De Chagos-Archipel schijnt om de eene of andere reden—misschien omdat de onderzinking te snel is geschied—op ’t oogenblik minder gunstig te zijn voor den groei van riffen dan vroeger: bij ééne atolle is een deel van het zoomrif, negen mijlen lang, dood en verdronken; bij eene tweede verrijzen slechts enkele zeer kleine levende toppen boven de oppervlakte; eene derde en vierde zijn geheel dood en verdronken, terwijl eene vijfde niet meer is dan een wrak, waarvan de oorspronkelijke structuur bijna geheel is uitgewischt. Het verdient opmerking, dat in al deze gevallen de doode riffen en deelen van riffen op bijna dezelfde diepte liggen, nl. van zes tot acht vademen onder de oppervlakte, alsof zij door eene eenparige beweging omlaag waren gevoerd. Een dezer “halfverdronken atollen” (zoo genoemd door kapitein Moresby, aan wien ik vele kostbare inlichtingen te danken heb) is zeer uitgestrekt, nl. 90 zeemijlen (166.9 km.) in de eene richting en 70 mijlen (129.8 km.) in eene andere, en ook in vele opzichten hoogst belangrijk. Aangezien uit onze theorie volgt, dat op elk nieuw zinkingsgebied meestal nieuwe atollen gevormd zullenworden, zou men twee gewichtige bedenkingen kunnen aanvoeren, nl., dat atollen dan in onbeperkt aantal moesten vermeerderen: en ten tweede, dat op oude zinkende terreinen elke atolle in ’t bijzonder onbepaald in dikte moest toenemen, indien geen bewijzen konden worden aangevoerd, dat zij toevallig werden verwoest. Zoo hebben wij dan de geschiedenis dezer groote ringen van koraalgesteente geschetst, van af hun eersten oorsprong, door hunne opvolgende normale veranderingen, en door de toevallige gebeurtenissen in hun leven tot aan hun dood en algeheele vernietiging.In mijn werk over “Koraalvormingen” heb ik eene kaart in ’t licht gegeven, waarop alle atollen donkerblauw, de walriffen lichtblauw en de rand- of kustriffen rood gekleurd zijn. Deze laatste riffen zijn gevormd toen het land in rust, of, zooals uit de menigvuldige aanwezigheid van opgeheven organische overblijfsels blijkt, langzaam rijzend was. Atollen en walriffen, daarentegen, zijn opgegroeid gedurende de lijnrecht tegenovergestelde dalende beweging, die zeer gestadig en, wat de atollen betreft, vertikaal zoo groot geweest moet zijn, dat over uitgestrekte ruimten in zee elke hooge bergtop geheel is ondergezonken. Op deze kaart kunnen wij zien, dat de licht- en donkerblauw getinte riffen, die door dezelfde bewegingsrichting zijn ontstaan,als algemeene regelopvallend dicht bij elkander staan.20Ook zien wij, dat de oppervlakten met de twee blauwe tinten zeer uitgestrekt zijn, en dat zij gescheiden liggen van uitgestrekte roodgekleurde reeksen kustriffen. Deze beide omstandigheden had men terstond kunnen afleiden uit de theorie, dat de aard der riffen bepaald wordt door den zinder beweging van onze aardkorst. Het verdient opmerking, dat ik in meer dan één geval waar enkele roode en blauwe cirkels elkander dicht naderen, kan aantoonen, dat er hoogte-schommelingen geweest zijn; want in zulke gevallen zijn de roode cirkels of randriffen eigenlijk atollen, die volgens onze theorie oorspronkelijk tijdens eene daling gevormd, maar later opgeheven zijn; en omgekeerd bestaan sommige lichtblauwe cirkels of omwalde eilanden uit koraalsteen, die tot zijne tegenwoordige hoogte moet zijn opgeheven, voordat de daling intrad, gedurende welke de bestaande walriffen opgroeiden.Schrijvers hebben met verwondering opgemerkt, dat, hoewel atollen de meest voorkomende koraalvormingen zijn over eenige uitgestrekte ruimten in de groote oceanen, zij in andere zeeën (zooals bij West-Indië) ontbreken. De oorzaak daarvan kunnen wij nu terstond zien: want waar geen daling geweest is, kunnen geen atollen zijn gevormd; en wat West-Indië en sommige gedeelten van Oost-Indië betreft, weet men dat deze streken in het jongste tijdperk gerezen zijn. De grootere, rood en blauw gekleurde oppervlakten zijn alle langwerpig; en tusschen de twee kleuren is eene zekere mate van afwisseling, alsof de rijzing van het eene gebied had opgewogen tegen de daling van het andere. Zoo wij letten op de bewijzen van jongste rijzing zoowel aan de kusten met randriffen, als aan eenige andere waar geen riffen zijn (bijv. in Zuid-Amerika), worden wij tot de gevolgtrekking geleid, dat de groote vastelanden meerendeels rijzende—en uit den aard der koraalriffen, dat de centrale gedeelten der groote oceanen dalende gebieden zijn. De Oostindische Archipel, het meest gebroken land ter wereld, is op de meeste punten een rijzend gebied, doch wordt omringd en waarschijnlijk in meer dan eene richting gesneden door smalle perken van daling.Ik heb door vuurroode punten de plaatsen aangestipt van de talrijke werkzame vulkanen, die binnen de grenzen van dezelfde kaart gelegen zijn. Hoogst verrassend is het feit, dat zij geheel ontbreken in elk van de groote zinkendeoppervlakten, hetzij licht- of donkerblauw gekleurd; en niet minder verrassend is het samenvallen van de hoofdketens der vulkanen met de roodgekleurde gedeelten, welke de feiten ons leeren beschouwen als sedert lang in rust, of meer algemeen, als in jongeren tijd omhoog geheven te zijn. Ofschoon enkele van de vuurroode plekken op geen grooten afstand liggen van alleenstaande blauwgetinte cirkels, is toch geen enkele werkzame vulkaan dichter dan vele honderden mijlen van een archipel of zelfs van eene kleine groep atollen gelegen. Het is daarom een opmerkelijk feit, dat op de Vriendschaps-Eilanden, die uit eene groep opgeheven en sedert gedeeltelijk vervallen atollen bestaan, voor zoover men weet twee, en vermoedelijk meer vulkanen sinds historische tijden in werking zijn geweest.21Daarentegen is op de door walriffen omgeven eilanden in den Stillen Oceaan, voor zoover men weet,geen enkelevulkaan ooit in uitbarsting geweest, ofschoon de meeste dezer eilanden van vulkanischen oorsprong en de overblijfsels van kraters dikwijls nog duidelijk te onderkennen zijn. Uit deze gevallen zou dus blijken, dat vulkanen op dezelfde plaatsen in werking komen en uitgedoofd worden, naar gelang er rijzende of dalende bewegingen heerschen. Tallooze feiten kon men aanvoeren om te bewijzen, dat overal daar waar werkzame vulkanen zijn, opgeheven organische overblijfsels voorkomen; maar niet voordat men kon bewijzen, dat vulkanen op zinkende bodems òf ontbraken òf werkeloos waren, zou het zeer gewaagd geweest zijn de gevolgtrekking af te leiden—hoe waarschijnlijk ook op zich zelve—dat hunne verdeeling van het rijzen of dalen der aardkorst afhing. Maar ik denk, dat wij nu deze belangrijke gevolgtrekking vrijelijk mogen aannemen.Werpen wij een laatsten blik op de kaart, en denken wij aan hetgeen gezegd is omtrent de opgeheven organischeoverblijfsels, dan moeten wij verwonderd zijn over de uitgebreidheid der streken, die in een geologisch niet ver verleden aan op- en nederwaartsche niveau-veranderingen onderhevig zijn geweest. Ook zou het ons toeschijnen, dat de rijzende en dalende bewegingen nagenoeg dezelfde wetten volgen. Over het gansche gebied dat met atollen is bedekt, waar geen enkele rotspunt of stuk hoogland boven den zeespiegel is gebleven, moet de zinking ontzaglijk diep geweest zijn. Bovendien moet zij uiterst langzaam zijn geschied, hetzij die beweging onafgebroken voortduurde, of zich herhaalde na tusschentijden, lang genoeg om den koralen gelegenheid te geven hunne levende gebouwen tot den zeespiegel op te trekken. Waarschijnlijk is deze gevolgtrekking de belangrijkste, die uit de studie der koraalvormingen kan worden afgeleid; en het laat zich moeilijk voorstellen, of men er ooit langs een anderen weg toe gekomen zou zijn. Eindelijk kan ik niet nalaten er op te wijzen, dat de voorheen bestaande groote archipels van hooge eilanden, daar waar nu slechts ringen van koraalgesteente eene zwakke breking vormen in het uitgestrekte zeegebied, waarschijnlijk eenig licht zullen werpen op de verspreiding der bewoners van de andere hooge eilanden, die nu te midden van de groote oceanen op zulke onmetelijke afstanden van elkaar gescheiden liggen. Inderdaad hebben de rifvormende koralen wondervolle gedenkteekenen opgericht en bewaard van de onderaardsche niveau-veranderingen en hare reactie op de korst; in elk walrif zien wij het bewijs dat daar het land is ondergezonken, en in elke atolle een gedenkteeken boven een eiland, dat nu verdwenen is. Zoo zullen wij dan, evenals een geoloog die tienduizend jaren heeft geleefd en aanteekening hield van de opvolgende veranderingen, eenig inzicht kunnen krijgen in het groote stelsel van kern-contractie en korstplooiing, waardoor het oppervlak der aarde werd gebroken, en land en zee van plaats verwisselden.221Deze planten zijn beschreven in deAnnals of Nat. History, 1838, deel I, blz. 337.2Holman’sTravels, deel IV,blz. 378.3Kotzebue “First Voyage”, deel III, blz. 155.(De Radack- of Ratack-Archipel maakt deel uit van de Marshall-Eilanden, waarvan hij de oostelijke groep vormt; de westelijke groep heet de Ralick-Archipel.(Vert.)4Waarschijnlijk is deze vogel eene soort van vijverhoen (Gallinula). Zie Marshall “Zoölogie”.(Vert.)5De dertien species behooren tot de volgende Orden:Coleopterametéénkleinen springkever (Elater);Orthopteramet eenGryllusen eenBlatta;Hemipteramet ééne species;Homopteramet twee;Neuropteramet eenChrysopa;Hymenopteramet twee mieren;Lepidoptera nocturnamet eenDiopaeaen eenPterophorus(?); en eindelijk van deDipteratwee species.6Tridacnidaegeheeten. Zij behooren tot de Orde derChamacea.7Eenige inboorlingen, die door Kotzebue naar Kamtsjatka werden gebracht, verzamelden steenen om mede naar hun land te nemen.8Deze species, ookBirgusgeheeten, behoort tot deDecapoda, eene Onderorde van de Pantserkreeften (Thoracostraca)—eene Orde van de Hoogere Kreeften (Malacostraca).(Vert.)9Door de zoölogen ookThuroideaenHolothuriaegenoemd.(Vert.)10Daaronder reken ik natuurlijk niet eenigen grond, die uit Malakka en Java op schepen hierheen is gevoerd, evenmin als eenige kleine, door de golven aangespoelde stukken puimsteen. Ook moet het eene blok groensteen op het noordelijke eiland worden uitgezonderd.11Deze werden het eerst voorgedragen in de “Geological Society” in Mei 1837, en zijn later breedvoerig beschreven in een afzonderlijk deel, getiteld:The Structure and Distribution of Coral Reefs, 1842.12Behoort tot de Maldivische Eilanden.13Of Heyou genaamd. Zij ligt in den Lagen ofTuamotu-Archipel.(Vert.)14Het verdient opmerking, dat Lyell reeds in de eerste uitgaaf van zijne “Principles of Geology” tot de slotsom kwam, dat de maat van inzinking in den Stillen Oceaan, die der rijzing moet hebben overtroffen, omreden de landoppervlakte zeer klein is in verhouding tot de organische en physische krachten, die daar land helpen vormen, n.l., de groei der koralen en de vulkanische werking.15Ook Borabora geheeten en met 24 □ kilom. oppervlakte, behoort tot de voorheen “onafhankelijke” eilanden onder den wind. Deze vormen de westelijke groep der Gezelschaps-Eilanden en zijn door een breed kanaal gescheiden van de oostelijke groep, waartoe o.a. Tahiti behoort.(Vert.)16Hogoleu (een der Karolinen Eilanden) met eene oppervlakte van 132 □ kilom., draagt ook den naam van Roug.(Vert.)17Tot mijne groote tevredenheid vind ik in een vlugschrift van den heer Couthouy, een der natuuronderzoekers bij de groote zuidpool-expeditie der Vereenigde Staten, de volgende zinsnede:“Na persoonlijk onderzoek van een groot aantal koraaleilanden, en een verblijf van acht maanden op de vulkanische eilanden met strand- en gedeeltelijk met walriffen, veroorloof ik mij de verklaring, dat mijne eigen waarnemingen mij hebben overtuigd van de juistheid van Darwin’s theorie.”De natuuronderzoekers van deze expeditie verschillen echter met mij in enkele punten, de koraalvormingen betreffende.18Op blz. 175 van zijn werkThe structure and Distribution of Coral Reefs, 3e uitgaaf 1889, noemt Darwin de eilanden welke Quoy en Gaimard bezocht en in deAnnales des Sciences Naturelles, deel VI, blz. 279 beschreven hadden. Zij waren Mauritius, Timor, Nieuw-Guinea, de Mariannen of Dieven-Eilanden, en de Sandwich-Eilanden.(Vert.)19Het kanaal tusschen de atollen Ross en Ari (ook in dezen archipel) is 150 vademen diep, en dat tusschen de noordelijke en zuidelijke atollen Nillandoo 200 vademen.(Vert.)20Op deze fraaie kaart ziet men, dat dit vooral het geval is met de Karolinen-, de Marshall- en Gilbert-Eilanden; met de Gezelschaps- en Tuamotu-Eilanden, het groote walrif op Australië’s oostkust en de naburige atollen. De dicht bij elkander liggende Laccadiven, Malediven, Chagos- en Saya de Malha-Eilanden zijn allen donkerblauw gekleurd.(Vert.)21Van de vulkanen dezer eilanden is de Tofua de belangrijkste. Deze wierp in 1792 groote lavastroomen uit. Een andere vulkaan, de Amargura, had eene uitbarsting op 9 Juli 1847.(Vert.)22De dieptegrenzen van ongeveer 37–55 Met., door Darwin als levensvoorwaarde van derif-ofkolonievormendekoralen genoemd, zijn door later onderzoek eenigszins gewijzigd. De meeste koraalgeslachten gedijen tusschen 30 en 40 Met. diepte, maar men heeft een rif gevonden, waarop zeer enkele geslachten leefden op eene diepte van 50–90 Met. Ook hunne geographische verspreiding volgt een bepaalden regel, en de uitzonderingen daarop bevestigen dien slechts. Men vindt koraalriffen alleen in warme zeeën, ongeveer tusschen 25° N. en Z.Br.—daar waar de gemiddelde jaartemperatuur van het water minstens 20° C. is. In de Roode Zee en in den Stillen Oceaan liggen de noordelijke riffen respect. op 30° en 28°30′ breedte, terwijl de koraalriffen der Bermuda-Eilanden in den Atlant. Oceaan, onder invloed van den warmen Golfstroom nog op 32° 15′ N.B. gedijen.Verder heeft de wetenschap geleerd, dat het verschijnsel, of liever, hetprocesder rifvorming veel ingewikkelder is, dan Darwin en na hem de Amerikaansche geoloog Dana (in 1849) onderstelden. Men heeft nl. in den Westindischen Archipel, op de Philippijnsche, de Salomons-, Palau- en Andamans-Eilanden koraalvormingen ontdekt, welke onder andere omstandigheden moeten ontstaan zijn, dan die in het midden van den Stillen Oceaan. Darwin’s theorie, ofschoon langen tijd een onbeperkt gezag uitoefenende, en nog in de jaren 1880–1890 der geologen als Suesz, Neumaijr en Bonney verdedigd, wordt dan ook door verscheidene geologen en zoölogen (Geikie, Murray, Guppy, Semper, Rein, Poutalès, Studer, Agassiz e.a.) niet aangenomen. Toch geeft zij nog de natuurlijkste verklaring van alle koraaleilanden in de Stille en Indische Oceanen, die onder een helling van 60°, of zelfs loodrecht honderden meters hoog boven den zeebodem verrijzen.Zij vond een wezenlijken steun in het geologisch onderzoek van de riffen uit vroegere perioden der aardgeschiedenis. Men heeft nl. zulke riffen ontdekt in alle formaties—van af de Cambrische periode—behalve tot nu toe in die van het Tertiaire Tijdvak. De dikte dier voorwereldlijke riffen is menigmaal ontzaglijk; in het Devoon bedraagt die soms 700, in het Trias zelfs 1500 Met. Doch eerst in 1897/98 werd Darwin’s theorie proefondervindelijk ook voor de tegenwoordige riffen bevestigd. Bij boringen op het eiland Funafuti (een der Ellice-Eilanden in den Stillen Oceaan) stiet men tot op eene diepte van 390 Met. door koraalkalk.De verschillende theorieën over het ontstaan der koraaleilanden en koraalriffen vindt men zeer goed omschreven in R. Langenbeck “Koralleninseln”, Leipzig 1890; en in W. May “Korallen und andere gesteinsbildende Tiere”, Leipzig 1909.(Noot v. d. Vert.)

Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)

Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)

Er zijn ringvormige walriffen in alle grootten, van af 3 tot niet minder dan 44 mijlen in doorsnede; het rif, dat tegenover een der zijden van Nieuw-Caledonië ligt en de beide uiteinden omvat, is zelfs 400 mijlen lang. Elk rif sluit één, twee of meer rotsachtige eilanden in van verschillende hoogten (in één geval zelfs 12 afzonderlijke eilanden), en loopt op ongelijke afstanden om het ingesloten land—bij de Gezelschaps-Eilanden meestal op een afstand van een tot drie of vier mijlen, maar bij Hogoleu16op 20 mijlen van den zuidkant, en 14 mijlen van den tegenovergestelden of noordkant der ingesloten eilanden. Ook is dediepte binnen het lagunenkanaal aan veel verandering onderhevig, en kan gemiddeld op 10 tot 30 vademen worden gesteld; maar op Wanikoro zijn ruimten van niet minder dan 56 vademen of 336 voeten diepte. Aan de binnenzijde loopt het rif zacht glooiend af naar het lagunenkanaal, of eindigt in een loodrechten wal, die onder water somtijds 200 tot 300 voeten hoog is; aan de buitenzijde verrijst het rif, evenals eene atolle, zeer steil uit de groote diepten van den oceaan. Kan men zich iets zonderlingers voorstellen dan dergelijke natuurgewrochten? Wij zien een eiland, dat te vergelijken is met een kasteel op den top van een hoogen onderzeeschen berg, tegen het geweld der zee beschermd door een grooten muur van koraalgesteente, die altijd steil is aan den buiten- en soms ook aan den binnenkant: van boven begrensd door een breed horizontaal vlak, en hier en daar afgebroken door smalle toegangen of invaarten, waardoor de grootste schepen de wijde en diepe singel- of vestinggracht kunnen binnenzeilen.

Voor zoover het eigenlijke koraalrif betreft, is er niet het geringste verschil zoowel in algemeene grootte, begrenzing en groepeering als zelfs in zeer onbeduidende structuur-bijzonderheden, tusschen een walrif en eene atolle. De aardrijkskundige Balbi heeft terecht aangemerkt, dat een omwald eiland eene atolle is, waarin zich hoogland uit de lagune verheft; neem het land er binnen weg, en er blijft eene volledige atolle over.

Maar wat is nu de oorzaak, dat deze riffen op zulke groote afstanden van de kusten der ingesloten eilanden uit zee verrijzen? De reden kan niet zijn, dat koralen niet in de nabijheid van het land groeien: want dikwijls zijn de kusten van het lagunenkanaal, wanneer zij niet door alluvialen grond zijn omgeven, door een rand van levende riffen begrensd; en aanstonds zullen wij zien, dat er eene geheele klasse van riffen bestaat, welke ik juist om hun nauw verband met de kusten zoowel van vastelanden als van eilanden, met den naam vanRandriffenheb bestempeld. Eene tweede vraag is: waarop hebben de rifvormendekoralen, die niet op groote diepten kunnen leven, hunne ringvormige wallen gegrondvest? Blijkbaar is de oplossing daarvan even moeilijk als in het gelijksoortige geval der atollen, en die meestal over het hoofd is gezien. De zaak zal duidelijker worden begrepen na een blik op de volgende ware doorsneden, die genomen zijn in de richtingen noord en zuid door de eilanden Wanikoro, Gambier (of Mangarewa) en Maurua met hunne walriffen. Zoowel in horizontale als in verticale richting, zijn deze doorsneden herleid tot denzelfden maatstaf van een kwart inch op elke mijl.——

1. Het eiland Wanikoro. (Santa-Cruz-Eilanden).2. De Gambier-Eilanden. CD = 200 vademen.3. Het eiland Maurua. (Gezelschaps-Eilanden).De horizontale, donkere schaduw geeft een doorsnede te zien van de walriffen en lagunenkanalen. De schuine, lichtere schaduw boven den zeespiegel AA vertoont eene doorsnede van het land in vorm en hoogte; hare voortzetting onder deze lijn den waarschijnlijken vorm van het land onder zee.

1. Het eiland Wanikoro. (Santa-Cruz-Eilanden).

2. De Gambier-Eilanden. CD = 200 vademen.

3. Het eiland Maurua. (Gezelschaps-Eilanden).

De horizontale, donkere schaduw geeft een doorsnede te zien van de walriffen en lagunenkanalen. De schuine, lichtere schaduw boven den zeespiegel AA vertoont eene doorsnede van het land in vorm en hoogte; hare voortzetting onder deze lijn den waarschijnlijken vorm van het land onder zee.

Wij moeten hier opmerken, dat in welke richting de doorsneden ook genomen waren hetzij bij deze of vele andere omwalde eilanden, in ’t algemeen dezelfde vormen zouden zijn weergevonden. Zoo men nu bedenkt, dat rifvormend koraal op geen grootere diepte kan leven dan van 20 tot 30 vademen en dat de schaal der teekening zoo klein is, datde peilstreepjes CD aan de rechterhand eene diepte aanduiden van 200 vademen (366 Met.), dan mag men terecht vragen: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Moeten wij aannemen, dat elk eiland omringd is door eene halssnoervormige onderzeesche rotsklip, of door eene groote bank van bezonken stoffen, die plotseling eindigt waar ook het rif eindigt? Indien de zee vroeger diep in de eilanden had geknaagd, voordat deze door de riffen werden beschermd, en aldus eene ondiepe klip rondom hen onder water had gezet, zouden de tegenwoordige kusten steeds door diepe, steile afgronden omringd zijn; maar dit is hoogst zelden het geval. Ook kan men, volgens dit begrip, onmogelijk verklaren, waarom de koralen, evenals een muur, van den uitersten buitenrand der klip zijn opgegroeid, en aan den binnenkant dikwijls eene breedewatervlaktehebben vrijgelaten, te diep voor den groei der koralen zelven. Dat rondom deze eilanden eene uitgestrekte bank van bezonken stoffen opgehoopt zou zijn, welke meestal het breedst was daar waar de ingesloten eilanden het kleinst zijn, is hoogst onwaarschijnlijk, zoo men in aanmerking neemt hoezeer die banken in de centrale en diepste gedeelten van den oceaan aan de werking der golven zijn blootgesteld. In het bijzondere geval van het walrif van Nieuw-Caledonië, dat zich 150 mijlen ver voorbij de noordelijkste punt van het eiland uitstrekt in dezelfde rechte lijn, waarin het langs de westkust loopt, is het haast niet mogelijk aan te nemen, dat aldus eene bank van bezonken stoffen kon worden afgezet lijnrecht tegenover een hoog eiland en zoo ver voorbij zijn eindpunt in volle zee. En ten slotte, zoo wij acht slaan op andere eilanden in den oceaan van ongeveer dezelfde hoogte en gelijke geologische samenstelling, maar niet door koraalriffen omgeven, dan zullen wij vruchteloos zoeken naar zulk eene onbeduidende, zich rondom uitstrekkende diepte van 30 vademen, behalve in de onmiddellijke nabijheid der kusten; want land dat steil uit het water verrijst, gelijk de meeste omwalde en niet omwalde eilanden in den oceaan, duikt er gewoonlijk steil onder. En daarom herhaal ik mijnevraag: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Waarom liggen zij met hunne wijde en diepe grachtvormige kanalen zoo ver van het ingesloten land? Spoedig zullen wij zien hoe gemakkelijk deze moeilijkheden verdwijnen.

Thans komen wij aan onze derde klasse van riffen, de zoogenaamdeRand-ofKustriffen, die eene zeer korte beschrijving behoeven. Waar het land steil onder water duikt, zijn deze riffen slechts enkele yards breed, en vormen zij eenvoudig eene strook of rand rondom de kusten; waar het land zacht glooiend onder het water verdwijnt, strekt het rif zich verder uit, soms zelfs eene mijl ver van het land, maar in zulke gevallen bewijzen steeds de peilingen buiten het rif, dat het land zich met eene geringe helling onder water voortzet. Inderdaad strekt het rif zich slechts tot dien afstand van de kust uit, binnen welken de vereischte diepte van 20 tot 30 vademen grond gevonden wordt. Wat nu het eigenlijke rif betreft, is er geen wezenlijk onderscheid tusschen dit en die, welke een walrif of eene atolle vormen; in de meeste gevallen heeft het echter eene mindere breedte, zoodat er zich weinig eilandjes op gevormd hebben. Omdat de koralen sterker aan de buitenzijde groeien, en het bezinksel, dat naar binnen wordt gespoeld, nadeelige werking heeft, is de buitenrand van het rif het hoogste gedeelte; tusschen dit en het land ligt meestal een ondiep zandig kanaal van enkele voeten diepte. Daar, waar zich banken van bezonken stoffen tot dicht bij de oppervlakte hebben opgehoopt (zooals in sommige gedeelten van West-Indië), worden die soms met een rand van koralen omzoomd, en gelijken dus in zekeren zin op laguneneilanden of atollen, op dezelfde manier als randriffen die zacht glooiende eilanden omringen, in zekeren zin op walriffen gelijken.

AA. Buitenranden van het kustrif bij den zeespiegel.BB. De kusten van het omzoomde land.A′A′. Buitenranden van het rif, na zijn opwaartschen groei gedurende een tijdperk van daling, thans veranderd in eenwalrifmet eilandjes er op.B′B′. De kusten van het nu door rif en lagunenkanaal CC ingesloten eiland.Opmerking.In deze en de volgende teekening kon de onderzinking van het land alléen worden voorgesteld door eene schijnbare rijzing van den zeespiegel ABBA.

AA. Buitenranden van het kustrif bij den zeespiegel.

BB. De kusten van het omzoomde land.

A′A′. Buitenranden van het rif, na zijn opwaartschen groei gedurende een tijdperk van daling, thans veranderd in eenwalrifmet eilandjes er op.

B′B′. De kusten van het nu door rif en lagunenkanaal CC ingesloten eiland.

Opmerking.In deze en de volgende teekening kon de onderzinking van het land alléen worden voorgesteld door eene schijnbare rijzing van den zeespiegel ABBA.

Geene enkele theorie over de vorming der koraalriffen kan als voldoende worden beschouwd, welke niet de drie groote klassen omvat. Wij hebben gezien, dat de hypothese der inzinking van den zeebodem de eenig mogelijke is, ter verklaring van die uitgestrekte ruimten met hier en daarverspreide lage eilanden, waarvan geen enkel hooger verrijst, dan tot waar wind en golven stof kunnen opwerpen, ofschoon die eilanden opgebouwd zijn door dieren, welke een bodem behoeven, die op geen groote diepte kan liggen. Laat ons nu, als voorbeeld, een eiland nemen, dat door randriffen is omgeven, welke geene moeilijkheid in hunne samenstelling opleveren, en zien wij wat er gebeurt, als dit eiland met zijn rif (in de teekening door de gebogen lijn ABB′B′BA voorgesteld) langzaam onderzinkt. Uit hetgeen van de voorwaarden, gunstig voor den groei van koraaldieren bekend is, mogen wij veilig besluiten, dat, als het eiland op een tijdstip enkele voeten of geheel onmerkbaar daalt, de levende koraaldieren, die door de branding op den rand van het rif bespoeld worden, spoedig weer de oppervlakte zullen bereiken. Maar langzaam en gestadig zal de zee op de kust winnen; het eiland wordt steeds lager en kleiner, en de ruimte tusschen den binnenrand van het rif en het strand naar evenredigheid breeder. Eene doorsnede van het rif in dezen toestand, na eene onderzinking vanverscheidene honderden voeten, geeft ons de stippellijn AA′A′A te zien; de boompjes bij A′ wijzen aan, dat zich koraaleilanden op het rif gevormd hebben, en het schip bij C de plaats van het lagunenkanaal. Dit kanaal zal meer of minder diep zijn al naar de mate van onderzinking, van de hoeveelheid daarin opgehoopt bezinksel, en den groei der fijn vertakte koralen die er kunnen leven. In dezen toestand gelijkt de doorsnede in alle opzichten op die van een omwald eiland; en inderdaad is zij eene getrouwe doorsnede (naar den maatstaf van 517/1000 van een inch op elke mijl) van het eiland Bolabola (of Borabora) in den Stillen Oceaan. Nu kunnen wij onmiddellijk zien, waarom walriffen zoo ver van de kusten liggen, die zij als met een ring omgeven. Ook kunnen wij zien, dat de lijn die van den buitenrand van het nieuwe rif loodrecht op het vaste steenen grondvlak onder het oude rand- of kustrif wordt neergelaten, evenveel voeten langer is dan de geringe grensdiepte waarop werkelijke koraaldieren kunnen leven, als de maat der inzinking van dat grondvlak zelf: m.a.w., de kleine bouwmeesters hebben, gedurende de inzinking van den zeebodem, hun groot muurvormig bouwwerk opgetrokken op een grondvlak, samengesteld uit andere koralen en hunne vastgeworden brokstukken. De schijnbaar groote moeilijkheid omtrent dit punt verdwijnt derhalve.

Hadden wij, in plaats van een eiland, de kust genomen van een met riffen omzoomd vasteland, en dit in gedachten laten zinken, dan zou het resultaat blijkbaar geweest zijn een groote rechte dam of wal, evenals die van Australië of Nieuw-Caledonië, welke door een wijd en diep kanaal van het land gescheiden was.

A′A′. Buitenranden van het walrif bij den zeespiegel, met eilanden er op.B′B′. De kusten van het ingesloten land.CC. Het lagunenkanaal.A″A″. Buitenranden van het rif, nu in eene atolle veranderd.—C′. De lagune van de nieuwe atolle.Opmerking.Volgens de ware schaal zijn hier de diepten van het lagunenkanaal en de lagune zeer overdreven.

A′A′. Buitenranden van het walrif bij den zeespiegel, met eilanden er op.

B′B′. De kusten van het ingesloten land.

CC. Het lagunenkanaal.

A″A″. Buitenranden van het rif, nu in eene atolle veranderd.—C′. De lagune van de nieuwe atolle.

Opmerking.Volgens de ware schaal zijn hier de diepten van het lagunenkanaal en de lagune zeer overdreven.

Laat ons nu deze beschouwing uitbreiden op ons nieuw ringvormig walrif, welks doorsnede (zooals gezegd eene ware doorsnede van het eiland Bolabola) in de teekening voorgesteld is door den omtrek DA′A′D der donkergeschaduwde figuren, en onderstellen dat dit rif de dalende beweging van den zeebodem volgt. Terwijl deze langzaam zinkt, zullen de koraaldieren krachtig omhoog groeien, maartegelijk zal het water duim voor duim op de kust van het eiland winnen; de gescheiden bergtoppen, die in ’t eerst afzonderlijke eilanden binnen het groote rif vormen, zinken de een na den anderen weg, en eindelijk verdwijnt ook de laatste en hoogste top. Op het oogenblik dat dit gebeurt, is eene volledige atolle ontstaan. In overeenstemming met hetgeen ik boven zeide, zien wij dus, dat wanneer al het hooge land binnen een ringvormig walrif verwijderd wordt, eindelijk eene atolle overblijft. Ook wordt het nu duidelijk hoe het komt dat atollen, die uit ringvormige walriffen zijn ontstaan, meestal op hen gelijken zoowel in grootte en vorm, als in hare wijze van groepeering en de samenstelling uit enkele of dubbele dammen; want feitelijk kan men ze ruwe schetskaarten noemen van de gezonken eilanden waarop zij staan. Verder kunnen wij zien wat de oorzaak is, dat de atollen in de Stille en Indische Oceanen zich uitstrekken in lijnen, evenwijdig met de meestal scherp uitkomendeasrichting der hooge eilanden en groote kustlijnen van deze oceanen. Daarom waag ik het de bewering te handhaven, dat alle hoofdkenmerken dezer belangrijke vormingen—zoowel van de laguneneilanden of atollen, die zoolang de aandacht der reizigers hebben getrokken, als van de niet minder gewichtige walriffen, hetzij deze kleine eilanden omringen of zich honderde mijlen ver langs de kusten van een vasteland uitstrekken—door de theorie van den opwaartschen groei der koraaldieren gedurende het onderzinken van het land op eenvoudige wijze worden verklaard.17

Men zou mij kunnen vragen of ik eenrechtstreekschbewijs van het zinken van walriffen of atollen kan geven; doch men moet hierbij in ’t oog houden, hoe moeilijk het steeds is eene beweging te ontdekken, welke er toe leidt het bewogen land onder water te verbergen. Op Keeling-atolle zag ik echter aan alle zijden van de lagune oude kokosboomen, die ondermijnd en op het punt waren te vallen; en op ééne plaats stond eene hut, waarvan de bewoners verklaarden dat de fundamenten zeven jaren geleden even boven hoogwaterpeil hadden gestaan, terwijl zij nu dagelijks door elken vloed bespoeld werden. Bij onderzoek vernam ik, dat hier gedurende de laatste tien jaren drie aardbevingen waren gevoeld, waaronder ééne hevige. Op Wanikoro is het lagunenkanaal bijzonder diep; aan den voet der hooge ingesloten bergen heeft zich bijna geen alluviale grond opgehoopt, en op het muurvormig walrif zijn door het opwerpenvan brokken en zand zeer weinig eilandjes gevormd. Deze en eenige dergelijke feiten meer, leidden mij tot de meening, dat dit eiland kort geleden moet gezonken en het rif omhoog zijn gegroeid. Hier zijn ook aardbevingen talrijk en zeer ernstig. Op de Gezelschaps-Eilanden, daarentegen, waar de lagunenkanalen bijna zijn verstopt; waar veel lage alluviale grond is opgehoopt, en waar in sommige gevallen lange eilandjes op de walriffen zijn gevormd—feiten, die alle er op wijzen, dat de eilanden niet zeer kort geleden gezonken zijn—worden slechts uiterst zelden zwakke schokken gevoeld. Bij deze koraalvormingen, waar land en water om de oppermacht schijnen te strijden, moet het altijd moeilijk zijn te beslissen of de gevolgen zijn toe te schrijven aan eene verandering in den loop der getijden, of aan eene geringe onderzinking. Dat vele van deze riffen en atollen aan veranderingen van eenigerlei aard onderhevig zijn, staat vast; in sommige atollen schijnen de eilandjes in een niet lang verleden zeer gegroeid, in andere, daarentegen, geheel of gedeeltelijk weggespoeld te zijn. De bewoners van sommige gedeelten der Maldivische Eilanden kennen den datum, waarop sommige eilandjes zich het eerst begonnen te vormen; elders in dien archipel bloeien thans de koralen op riffen, waarover het water spoelt, en waar holten, die voor graven moesten dienen, getuigen van het vroeger bestaan van bewoond land. Dat in de getij-stroomingen eener open zee menigvuldige veranderingen zouden plaats hebben, is moeilijk te gelooven; daarentegen zien wij in de aardbevingen waarvan de bewoners van sommige atollen de overlevering bewaard hebben, en in de groote op andere atollen waargenomen spleten, een klaar bewijs van de veranderingen en storingen welke in de onderaardsche streken in gang zijn.

Volgens onze theorie is het duidelijk, dat kusten die alléén doorrandriffenworden omgeven, niet merkbaar diep gezonken kunnen zijn, en dus sedert den groei harer koralen òf op hetzelfde peil gebleven, òf opgeheven moeten zijn. Nu is het opmerkelijk, hoe in ’t algemeen door de aanwezigheidvan uit zee geheven organische overblijfsels kan worden aangetoond, dat de eilanden met randriffengerezenzijn. In zoover is dit een indirect bewijs voor de juistheid onzer theorie. Dit feit trof mij vooral, toen ik tot mijne verwondering ontdekte, dat de door Quoy en Gaimard gegeven beschrijvingen niet toepasselijk waren op riffenin ’t algemeen(gelijk stilzwijgend door hen werd aangenomen), maar alleen op die van de klasse derkust-ofrandriffen. Mijne verwondering week echter, toen ik later bevond, dat volgens de eigen verklaringen dezer bekwame natuuronderzoekers bewezen kon worden, dat, door een spel van het toeval, al de verschillende door hen bezochte eilanden in een jong geologisch tijdperk omhoog waren geheven.18

Door de theorie der inzinking van den zeebodem (welke theorie wij, onafhankelijk, voor het gebied in quaestie genoopt zijn aan te nemen, wegens de noodzakelijkheid om voor den groei der koralen bodems op de vereischte diepte te vinden) worden niet alleen verklaard dehoofdtrekkenin den bouw van walriffen en atollen, en van hunne onderlinge gelijkenis in vorm, grootte en andere kenmerken: maar ook velebijzonderhedenin bouw en zelfsuitzonderingsgevallenvinden door haar eene eenvoudige verklaring. Ik zal slechts enkele voorbeelden noemen. Sedert lang is bij walriffen met verwondering waargenomen, dat de doorgangen in het rif nauwkeurig liggen in de asrichting der valleien op het ingesloten land—zelfs dan, als het rif van het land gescheiden is door een lagunenkanaal, zoo wijd en zooveel dieper dan de eigenlijke doorgang zelf, dat het haast niet mogelijk schijnt, dat de zeer geringehoeveelheid van land afgevoerd water of bezinksel de koralen op het rif kon schaden. Om dit te verklaren, wenden wij ons tot de klasse der kustriffen. Hier wordt elk rif doorsneden van eene smalle geul of invaart, recht tegenover het kleinste riviertje van het ingesloten land, zelfs indien dat riviertje het grootste deel van het jaar droog ligt; en wel om deze reden, dat alle weggespoelde modder, zand en kiezel derifkoralen doodt, waarop die stoffen worden afgezet. Bij gevolg, wanneer zulk een eiland met kustrif onderzinkt, zullen, ofschoon waarschijnlijk de meeste smalle invaarten door den buiten- en opwaartschen groei der koralen verstopt zullen worden, enkele niet verstopte (en door het bezinksel of onzuivere water dat uit het lagunenkanaal wegvloeit, moeten er altijdeenigeopen blijven) voortdurend juist tegenover de hoogere gedeelten van die valleien liggen, aan welker vroegere mondingen de bodem van het oorspronkelijke kustrif van geulen werd doorsneden.

Wij kunnen nu gemakkelijk inzien, hoe een eiland dat slechts aan ééne zijde, met of zonder insluiting van een of beide uiteinden, door walriffen is omgeven, na langdurige onderzinking veranderd kan worden hetzij in een enkel muurvormig rif, hetzij in eene atolle met een groote recht daaruit stekende klip, of eindelijk in twee of drie door rechte riffen verbonden atollen. Werkelijk komen al deze bijzondere gevallen voor. Daar de rifvormende koralen voedsel noodig hebben, en op hunne beurt weer door andere dieren worden gegeten; daar zij door bezinksel worden gedood, zich niet aan een lossen bodem kunnen hechten, en gemakkelijk op eene diepte kunnen geraken, waaruit zij niet weer kunnen omhoog groeien—behoeven wij ons niet te verwonderen, dat zoowel atollen als walriffen op sommige punten onvolledig worden. Zoo is het groote walrif van Nieuw-Caledonië op vele plaatsen onvolledig en gebroken; en na langdurige onderzinking zou dat rif niet voortbrengen eene enkele groote atolle van 400 mijlen lengte, maar eene reeks of archipel van atollen, van ongeveer dezelfde afmetingen als die der Maldivische Eilanden. Bovendien, zoodraeene atolle eenmaal aan overstaande zijden is doorgebroken, is het, op grond dat de zee- en getijstroomingen vermoedelijk recht door de breuken zullen gaan, hoogst onwaarschijnlijk dat de koralen ooit in staat zullen zijn weer den rand te bereiken, vooral wanneer de inzinking voortduurt. Is dit het geval, dan zal, terwijl de geheele oppervlakte zinkt, ééne atolle in twee of meer kleinere worden verdeeld. In den Maldivischen Archipel is de betrekkelijke ligging van verschillende atollen, die òf door onpeilbare òf zeer diepe kanalen van elkander gescheiden zijn,19zoodanig, dat men bij een blik op de kaart niet anders kan denken, dan dat zij eenmaal tot elkaar in nauwer verband stonden. En in dezen zelfden archipel is de atolle Mahlos-Mahdoo door een tweearmig kanaal van 100 tot 132 vademen zoodanig verdeeld, dat het haast niet mogelijk is te zeggen of hier, strikt genomen, sprake is van drie afzonderlijke atollen, of van ééne groote die nog niet geheel verdeeld is. Ik zal hier niet in veel meer bijzonderheden treden, doch moet opmerken, dat, zoo men let op het feit dat de zee vrijen toegang heeft door de gebroken randen der noordelijke Maldivische atollen, haar eigenaardige bouw eene eenvoudige verklaring vindt in den op- en buitenwaartschen groei der koralen, die oorspronkelijk gegrondvest waren op kleine vrijstaande riffen in hare lagunen (zooals in gewone atollen voorkomen), en op gebroken deelen van het lineaire zoomrif, als waardoor elke atolle van den gewonen vorm begrensd wordt. Ik kan niet nalaten telkens weêr op den zonderlingen bouw dezer samengestelde gewrochten te wijzen, nl. eene groote, zandige en meestal holle schijf, die zich steil uit den onpeilbaren oceaan verheft: die in haar midden bezaaid en aan den rand symmetrisch is omkranst met ovale koraalsteenen holten, welke juist het oppervlak der zee raken, die somtijds met planten zijn bedekt, en alle een meer van helder water bevatten!

Ziehier nog eene bijzonderheid: zoo men bedenkt, dat in twee naburige eilanden-groepen koralen bloeien in de eene en niet in de andere groep, en dat zoo vele van de bovengenoemde omstandigheden van invloed moeten zijn op hun bestaan—zou het een onverklaarbaar feit wezen, indien koralen gedurende de veranderingen waaraan lucht, aarde en water onderhevig zijn, eeuwigdurend op een plek of een gebied in ’t leven bleven. En daar volgens onze theorie de oppervlakken, die atollen en walriffen bevatten, in zee zinken, moeten wij nu en dan zoowel doode als verdronken koralen vinden. In alle riffen is de zijde onder den wind voor een krachtigen, langdurigen groei der koralen het minst gunstig, omdat naar dien kant het bezinksel uit het lagunenkanaal wordt weggespoeld. Bij gevolg komen aan lijwaarts niet zelden doode rifstukken voor, die, ofschoon nog hunne eigen muurvormige gedaante behoudende, nu in vele gevallen verscheidene vademen onder de oppervlakte zijn gezonken. De Chagos-Archipel schijnt om de eene of andere reden—misschien omdat de onderzinking te snel is geschied—op ’t oogenblik minder gunstig te zijn voor den groei van riffen dan vroeger: bij ééne atolle is een deel van het zoomrif, negen mijlen lang, dood en verdronken; bij eene tweede verrijzen slechts enkele zeer kleine levende toppen boven de oppervlakte; eene derde en vierde zijn geheel dood en verdronken, terwijl eene vijfde niet meer is dan een wrak, waarvan de oorspronkelijke structuur bijna geheel is uitgewischt. Het verdient opmerking, dat in al deze gevallen de doode riffen en deelen van riffen op bijna dezelfde diepte liggen, nl. van zes tot acht vademen onder de oppervlakte, alsof zij door eene eenparige beweging omlaag waren gevoerd. Een dezer “halfverdronken atollen” (zoo genoemd door kapitein Moresby, aan wien ik vele kostbare inlichtingen te danken heb) is zeer uitgestrekt, nl. 90 zeemijlen (166.9 km.) in de eene richting en 70 mijlen (129.8 km.) in eene andere, en ook in vele opzichten hoogst belangrijk. Aangezien uit onze theorie volgt, dat op elk nieuw zinkingsgebied meestal nieuwe atollen gevormd zullenworden, zou men twee gewichtige bedenkingen kunnen aanvoeren, nl., dat atollen dan in onbeperkt aantal moesten vermeerderen: en ten tweede, dat op oude zinkende terreinen elke atolle in ’t bijzonder onbepaald in dikte moest toenemen, indien geen bewijzen konden worden aangevoerd, dat zij toevallig werden verwoest. Zoo hebben wij dan de geschiedenis dezer groote ringen van koraalgesteente geschetst, van af hun eersten oorsprong, door hunne opvolgende normale veranderingen, en door de toevallige gebeurtenissen in hun leven tot aan hun dood en algeheele vernietiging.

In mijn werk over “Koraalvormingen” heb ik eene kaart in ’t licht gegeven, waarop alle atollen donkerblauw, de walriffen lichtblauw en de rand- of kustriffen rood gekleurd zijn. Deze laatste riffen zijn gevormd toen het land in rust, of, zooals uit de menigvuldige aanwezigheid van opgeheven organische overblijfsels blijkt, langzaam rijzend was. Atollen en walriffen, daarentegen, zijn opgegroeid gedurende de lijnrecht tegenovergestelde dalende beweging, die zeer gestadig en, wat de atollen betreft, vertikaal zoo groot geweest moet zijn, dat over uitgestrekte ruimten in zee elke hooge bergtop geheel is ondergezonken. Op deze kaart kunnen wij zien, dat de licht- en donkerblauw getinte riffen, die door dezelfde bewegingsrichting zijn ontstaan,als algemeene regelopvallend dicht bij elkander staan.20Ook zien wij, dat de oppervlakten met de twee blauwe tinten zeer uitgestrekt zijn, en dat zij gescheiden liggen van uitgestrekte roodgekleurde reeksen kustriffen. Deze beide omstandigheden had men terstond kunnen afleiden uit de theorie, dat de aard der riffen bepaald wordt door den zinder beweging van onze aardkorst. Het verdient opmerking, dat ik in meer dan één geval waar enkele roode en blauwe cirkels elkander dicht naderen, kan aantoonen, dat er hoogte-schommelingen geweest zijn; want in zulke gevallen zijn de roode cirkels of randriffen eigenlijk atollen, die volgens onze theorie oorspronkelijk tijdens eene daling gevormd, maar later opgeheven zijn; en omgekeerd bestaan sommige lichtblauwe cirkels of omwalde eilanden uit koraalsteen, die tot zijne tegenwoordige hoogte moet zijn opgeheven, voordat de daling intrad, gedurende welke de bestaande walriffen opgroeiden.

Schrijvers hebben met verwondering opgemerkt, dat, hoewel atollen de meest voorkomende koraalvormingen zijn over eenige uitgestrekte ruimten in de groote oceanen, zij in andere zeeën (zooals bij West-Indië) ontbreken. De oorzaak daarvan kunnen wij nu terstond zien: want waar geen daling geweest is, kunnen geen atollen zijn gevormd; en wat West-Indië en sommige gedeelten van Oost-Indië betreft, weet men dat deze streken in het jongste tijdperk gerezen zijn. De grootere, rood en blauw gekleurde oppervlakten zijn alle langwerpig; en tusschen de twee kleuren is eene zekere mate van afwisseling, alsof de rijzing van het eene gebied had opgewogen tegen de daling van het andere. Zoo wij letten op de bewijzen van jongste rijzing zoowel aan de kusten met randriffen, als aan eenige andere waar geen riffen zijn (bijv. in Zuid-Amerika), worden wij tot de gevolgtrekking geleid, dat de groote vastelanden meerendeels rijzende—en uit den aard der koraalriffen, dat de centrale gedeelten der groote oceanen dalende gebieden zijn. De Oostindische Archipel, het meest gebroken land ter wereld, is op de meeste punten een rijzend gebied, doch wordt omringd en waarschijnlijk in meer dan eene richting gesneden door smalle perken van daling.

Ik heb door vuurroode punten de plaatsen aangestipt van de talrijke werkzame vulkanen, die binnen de grenzen van dezelfde kaart gelegen zijn. Hoogst verrassend is het feit, dat zij geheel ontbreken in elk van de groote zinkendeoppervlakten, hetzij licht- of donkerblauw gekleurd; en niet minder verrassend is het samenvallen van de hoofdketens der vulkanen met de roodgekleurde gedeelten, welke de feiten ons leeren beschouwen als sedert lang in rust, of meer algemeen, als in jongeren tijd omhoog geheven te zijn. Ofschoon enkele van de vuurroode plekken op geen grooten afstand liggen van alleenstaande blauwgetinte cirkels, is toch geen enkele werkzame vulkaan dichter dan vele honderden mijlen van een archipel of zelfs van eene kleine groep atollen gelegen. Het is daarom een opmerkelijk feit, dat op de Vriendschaps-Eilanden, die uit eene groep opgeheven en sedert gedeeltelijk vervallen atollen bestaan, voor zoover men weet twee, en vermoedelijk meer vulkanen sinds historische tijden in werking zijn geweest.21Daarentegen is op de door walriffen omgeven eilanden in den Stillen Oceaan, voor zoover men weet,geen enkelevulkaan ooit in uitbarsting geweest, ofschoon de meeste dezer eilanden van vulkanischen oorsprong en de overblijfsels van kraters dikwijls nog duidelijk te onderkennen zijn. Uit deze gevallen zou dus blijken, dat vulkanen op dezelfde plaatsen in werking komen en uitgedoofd worden, naar gelang er rijzende of dalende bewegingen heerschen. Tallooze feiten kon men aanvoeren om te bewijzen, dat overal daar waar werkzame vulkanen zijn, opgeheven organische overblijfsels voorkomen; maar niet voordat men kon bewijzen, dat vulkanen op zinkende bodems òf ontbraken òf werkeloos waren, zou het zeer gewaagd geweest zijn de gevolgtrekking af te leiden—hoe waarschijnlijk ook op zich zelve—dat hunne verdeeling van het rijzen of dalen der aardkorst afhing. Maar ik denk, dat wij nu deze belangrijke gevolgtrekking vrijelijk mogen aannemen.

Werpen wij een laatsten blik op de kaart, en denken wij aan hetgeen gezegd is omtrent de opgeheven organischeoverblijfsels, dan moeten wij verwonderd zijn over de uitgebreidheid der streken, die in een geologisch niet ver verleden aan op- en nederwaartsche niveau-veranderingen onderhevig zijn geweest. Ook zou het ons toeschijnen, dat de rijzende en dalende bewegingen nagenoeg dezelfde wetten volgen. Over het gansche gebied dat met atollen is bedekt, waar geen enkele rotspunt of stuk hoogland boven den zeespiegel is gebleven, moet de zinking ontzaglijk diep geweest zijn. Bovendien moet zij uiterst langzaam zijn geschied, hetzij die beweging onafgebroken voortduurde, of zich herhaalde na tusschentijden, lang genoeg om den koralen gelegenheid te geven hunne levende gebouwen tot den zeespiegel op te trekken. Waarschijnlijk is deze gevolgtrekking de belangrijkste, die uit de studie der koraalvormingen kan worden afgeleid; en het laat zich moeilijk voorstellen, of men er ooit langs een anderen weg toe gekomen zou zijn. Eindelijk kan ik niet nalaten er op te wijzen, dat de voorheen bestaande groote archipels van hooge eilanden, daar waar nu slechts ringen van koraalgesteente eene zwakke breking vormen in het uitgestrekte zeegebied, waarschijnlijk eenig licht zullen werpen op de verspreiding der bewoners van de andere hooge eilanden, die nu te midden van de groote oceanen op zulke onmetelijke afstanden van elkaar gescheiden liggen. Inderdaad hebben de rifvormende koralen wondervolle gedenkteekenen opgericht en bewaard van de onderaardsche niveau-veranderingen en hare reactie op de korst; in elk walrif zien wij het bewijs dat daar het land is ondergezonken, en in elke atolle een gedenkteeken boven een eiland, dat nu verdwenen is. Zoo zullen wij dan, evenals een geoloog die tienduizend jaren heeft geleefd en aanteekening hield van de opvolgende veranderingen, eenig inzicht kunnen krijgen in het groote stelsel van kern-contractie en korstplooiing, waardoor het oppervlak der aarde werd gebroken, en land en zee van plaats verwisselden.22

1Deze planten zijn beschreven in deAnnals of Nat. History, 1838, deel I, blz. 337.2Holman’sTravels, deel IV,blz. 378.3Kotzebue “First Voyage”, deel III, blz. 155.(De Radack- of Ratack-Archipel maakt deel uit van de Marshall-Eilanden, waarvan hij de oostelijke groep vormt; de westelijke groep heet de Ralick-Archipel.(Vert.)4Waarschijnlijk is deze vogel eene soort van vijverhoen (Gallinula). Zie Marshall “Zoölogie”.(Vert.)5De dertien species behooren tot de volgende Orden:Coleopterametéénkleinen springkever (Elater);Orthopteramet eenGryllusen eenBlatta;Hemipteramet ééne species;Homopteramet twee;Neuropteramet eenChrysopa;Hymenopteramet twee mieren;Lepidoptera nocturnamet eenDiopaeaen eenPterophorus(?); en eindelijk van deDipteratwee species.6Tridacnidaegeheeten. Zij behooren tot de Orde derChamacea.7Eenige inboorlingen, die door Kotzebue naar Kamtsjatka werden gebracht, verzamelden steenen om mede naar hun land te nemen.8Deze species, ookBirgusgeheeten, behoort tot deDecapoda, eene Onderorde van de Pantserkreeften (Thoracostraca)—eene Orde van de Hoogere Kreeften (Malacostraca).(Vert.)9Door de zoölogen ookThuroideaenHolothuriaegenoemd.(Vert.)10Daaronder reken ik natuurlijk niet eenigen grond, die uit Malakka en Java op schepen hierheen is gevoerd, evenmin als eenige kleine, door de golven aangespoelde stukken puimsteen. Ook moet het eene blok groensteen op het noordelijke eiland worden uitgezonderd.11Deze werden het eerst voorgedragen in de “Geological Society” in Mei 1837, en zijn later breedvoerig beschreven in een afzonderlijk deel, getiteld:The Structure and Distribution of Coral Reefs, 1842.12Behoort tot de Maldivische Eilanden.13Of Heyou genaamd. Zij ligt in den Lagen ofTuamotu-Archipel.(Vert.)14Het verdient opmerking, dat Lyell reeds in de eerste uitgaaf van zijne “Principles of Geology” tot de slotsom kwam, dat de maat van inzinking in den Stillen Oceaan, die der rijzing moet hebben overtroffen, omreden de landoppervlakte zeer klein is in verhouding tot de organische en physische krachten, die daar land helpen vormen, n.l., de groei der koralen en de vulkanische werking.15Ook Borabora geheeten en met 24 □ kilom. oppervlakte, behoort tot de voorheen “onafhankelijke” eilanden onder den wind. Deze vormen de westelijke groep der Gezelschaps-Eilanden en zijn door een breed kanaal gescheiden van de oostelijke groep, waartoe o.a. Tahiti behoort.(Vert.)16Hogoleu (een der Karolinen Eilanden) met eene oppervlakte van 132 □ kilom., draagt ook den naam van Roug.(Vert.)17Tot mijne groote tevredenheid vind ik in een vlugschrift van den heer Couthouy, een der natuuronderzoekers bij de groote zuidpool-expeditie der Vereenigde Staten, de volgende zinsnede:“Na persoonlijk onderzoek van een groot aantal koraaleilanden, en een verblijf van acht maanden op de vulkanische eilanden met strand- en gedeeltelijk met walriffen, veroorloof ik mij de verklaring, dat mijne eigen waarnemingen mij hebben overtuigd van de juistheid van Darwin’s theorie.”De natuuronderzoekers van deze expeditie verschillen echter met mij in enkele punten, de koraalvormingen betreffende.18Op blz. 175 van zijn werkThe structure and Distribution of Coral Reefs, 3e uitgaaf 1889, noemt Darwin de eilanden welke Quoy en Gaimard bezocht en in deAnnales des Sciences Naturelles, deel VI, blz. 279 beschreven hadden. Zij waren Mauritius, Timor, Nieuw-Guinea, de Mariannen of Dieven-Eilanden, en de Sandwich-Eilanden.(Vert.)19Het kanaal tusschen de atollen Ross en Ari (ook in dezen archipel) is 150 vademen diep, en dat tusschen de noordelijke en zuidelijke atollen Nillandoo 200 vademen.(Vert.)20Op deze fraaie kaart ziet men, dat dit vooral het geval is met de Karolinen-, de Marshall- en Gilbert-Eilanden; met de Gezelschaps- en Tuamotu-Eilanden, het groote walrif op Australië’s oostkust en de naburige atollen. De dicht bij elkander liggende Laccadiven, Malediven, Chagos- en Saya de Malha-Eilanden zijn allen donkerblauw gekleurd.(Vert.)21Van de vulkanen dezer eilanden is de Tofua de belangrijkste. Deze wierp in 1792 groote lavastroomen uit. Een andere vulkaan, de Amargura, had eene uitbarsting op 9 Juli 1847.(Vert.)22De dieptegrenzen van ongeveer 37–55 Met., door Darwin als levensvoorwaarde van derif-ofkolonievormendekoralen genoemd, zijn door later onderzoek eenigszins gewijzigd. De meeste koraalgeslachten gedijen tusschen 30 en 40 Met. diepte, maar men heeft een rif gevonden, waarop zeer enkele geslachten leefden op eene diepte van 50–90 Met. Ook hunne geographische verspreiding volgt een bepaalden regel, en de uitzonderingen daarop bevestigen dien slechts. Men vindt koraalriffen alleen in warme zeeën, ongeveer tusschen 25° N. en Z.Br.—daar waar de gemiddelde jaartemperatuur van het water minstens 20° C. is. In de Roode Zee en in den Stillen Oceaan liggen de noordelijke riffen respect. op 30° en 28°30′ breedte, terwijl de koraalriffen der Bermuda-Eilanden in den Atlant. Oceaan, onder invloed van den warmen Golfstroom nog op 32° 15′ N.B. gedijen.Verder heeft de wetenschap geleerd, dat het verschijnsel, of liever, hetprocesder rifvorming veel ingewikkelder is, dan Darwin en na hem de Amerikaansche geoloog Dana (in 1849) onderstelden. Men heeft nl. in den Westindischen Archipel, op de Philippijnsche, de Salomons-, Palau- en Andamans-Eilanden koraalvormingen ontdekt, welke onder andere omstandigheden moeten ontstaan zijn, dan die in het midden van den Stillen Oceaan. Darwin’s theorie, ofschoon langen tijd een onbeperkt gezag uitoefenende, en nog in de jaren 1880–1890 der geologen als Suesz, Neumaijr en Bonney verdedigd, wordt dan ook door verscheidene geologen en zoölogen (Geikie, Murray, Guppy, Semper, Rein, Poutalès, Studer, Agassiz e.a.) niet aangenomen. Toch geeft zij nog de natuurlijkste verklaring van alle koraaleilanden in de Stille en Indische Oceanen, die onder een helling van 60°, of zelfs loodrecht honderden meters hoog boven den zeebodem verrijzen.Zij vond een wezenlijken steun in het geologisch onderzoek van de riffen uit vroegere perioden der aardgeschiedenis. Men heeft nl. zulke riffen ontdekt in alle formaties—van af de Cambrische periode—behalve tot nu toe in die van het Tertiaire Tijdvak. De dikte dier voorwereldlijke riffen is menigmaal ontzaglijk; in het Devoon bedraagt die soms 700, in het Trias zelfs 1500 Met. Doch eerst in 1897/98 werd Darwin’s theorie proefondervindelijk ook voor de tegenwoordige riffen bevestigd. Bij boringen op het eiland Funafuti (een der Ellice-Eilanden in den Stillen Oceaan) stiet men tot op eene diepte van 390 Met. door koraalkalk.De verschillende theorieën over het ontstaan der koraaleilanden en koraalriffen vindt men zeer goed omschreven in R. Langenbeck “Koralleninseln”, Leipzig 1890; en in W. May “Korallen und andere gesteinsbildende Tiere”, Leipzig 1909.(Noot v. d. Vert.)

1Deze planten zijn beschreven in deAnnals of Nat. History, 1838, deel I, blz. 337.

2Holman’sTravels, deel IV,blz. 378.

3Kotzebue “First Voyage”, deel III, blz. 155.

(De Radack- of Ratack-Archipel maakt deel uit van de Marshall-Eilanden, waarvan hij de oostelijke groep vormt; de westelijke groep heet de Ralick-Archipel.

(Vert.)

4Waarschijnlijk is deze vogel eene soort van vijverhoen (Gallinula). Zie Marshall “Zoölogie”.

(Vert.)

5De dertien species behooren tot de volgende Orden:Coleopterametéénkleinen springkever (Elater);Orthopteramet eenGryllusen eenBlatta;Hemipteramet ééne species;Homopteramet twee;Neuropteramet eenChrysopa;Hymenopteramet twee mieren;Lepidoptera nocturnamet eenDiopaeaen eenPterophorus(?); en eindelijk van deDipteratwee species.

6Tridacnidaegeheeten. Zij behooren tot de Orde derChamacea.

7Eenige inboorlingen, die door Kotzebue naar Kamtsjatka werden gebracht, verzamelden steenen om mede naar hun land te nemen.

8Deze species, ookBirgusgeheeten, behoort tot deDecapoda, eene Onderorde van de Pantserkreeften (Thoracostraca)—eene Orde van de Hoogere Kreeften (Malacostraca).

(Vert.)

9Door de zoölogen ookThuroideaenHolothuriaegenoemd.

(Vert.)

10Daaronder reken ik natuurlijk niet eenigen grond, die uit Malakka en Java op schepen hierheen is gevoerd, evenmin als eenige kleine, door de golven aangespoelde stukken puimsteen. Ook moet het eene blok groensteen op het noordelijke eiland worden uitgezonderd.

11Deze werden het eerst voorgedragen in de “Geological Society” in Mei 1837, en zijn later breedvoerig beschreven in een afzonderlijk deel, getiteld:The Structure and Distribution of Coral Reefs, 1842.

12Behoort tot de Maldivische Eilanden.

13Of Heyou genaamd. Zij ligt in den Lagen ofTuamotu-Archipel.

(Vert.)

14Het verdient opmerking, dat Lyell reeds in de eerste uitgaaf van zijne “Principles of Geology” tot de slotsom kwam, dat de maat van inzinking in den Stillen Oceaan, die der rijzing moet hebben overtroffen, omreden de landoppervlakte zeer klein is in verhouding tot de organische en physische krachten, die daar land helpen vormen, n.l., de groei der koralen en de vulkanische werking.

15Ook Borabora geheeten en met 24 □ kilom. oppervlakte, behoort tot de voorheen “onafhankelijke” eilanden onder den wind. Deze vormen de westelijke groep der Gezelschaps-Eilanden en zijn door een breed kanaal gescheiden van de oostelijke groep, waartoe o.a. Tahiti behoort.

(Vert.)

16Hogoleu (een der Karolinen Eilanden) met eene oppervlakte van 132 □ kilom., draagt ook den naam van Roug.

(Vert.)

17Tot mijne groote tevredenheid vind ik in een vlugschrift van den heer Couthouy, een der natuuronderzoekers bij de groote zuidpool-expeditie der Vereenigde Staten, de volgende zinsnede:

“Na persoonlijk onderzoek van een groot aantal koraaleilanden, en een verblijf van acht maanden op de vulkanische eilanden met strand- en gedeeltelijk met walriffen, veroorloof ik mij de verklaring, dat mijne eigen waarnemingen mij hebben overtuigd van de juistheid van Darwin’s theorie.”

De natuuronderzoekers van deze expeditie verschillen echter met mij in enkele punten, de koraalvormingen betreffende.

18Op blz. 175 van zijn werkThe structure and Distribution of Coral Reefs, 3e uitgaaf 1889, noemt Darwin de eilanden welke Quoy en Gaimard bezocht en in deAnnales des Sciences Naturelles, deel VI, blz. 279 beschreven hadden. Zij waren Mauritius, Timor, Nieuw-Guinea, de Mariannen of Dieven-Eilanden, en de Sandwich-Eilanden.

(Vert.)

19Het kanaal tusschen de atollen Ross en Ari (ook in dezen archipel) is 150 vademen diep, en dat tusschen de noordelijke en zuidelijke atollen Nillandoo 200 vademen.

(Vert.)

20Op deze fraaie kaart ziet men, dat dit vooral het geval is met de Karolinen-, de Marshall- en Gilbert-Eilanden; met de Gezelschaps- en Tuamotu-Eilanden, het groote walrif op Australië’s oostkust en de naburige atollen. De dicht bij elkander liggende Laccadiven, Malediven, Chagos- en Saya de Malha-Eilanden zijn allen donkerblauw gekleurd.

(Vert.)

21Van de vulkanen dezer eilanden is de Tofua de belangrijkste. Deze wierp in 1792 groote lavastroomen uit. Een andere vulkaan, de Amargura, had eene uitbarsting op 9 Juli 1847.

(Vert.)

22De dieptegrenzen van ongeveer 37–55 Met., door Darwin als levensvoorwaarde van derif-ofkolonievormendekoralen genoemd, zijn door later onderzoek eenigszins gewijzigd. De meeste koraalgeslachten gedijen tusschen 30 en 40 Met. diepte, maar men heeft een rif gevonden, waarop zeer enkele geslachten leefden op eene diepte van 50–90 Met. Ook hunne geographische verspreiding volgt een bepaalden regel, en de uitzonderingen daarop bevestigen dien slechts. Men vindt koraalriffen alleen in warme zeeën, ongeveer tusschen 25° N. en Z.Br.—daar waar de gemiddelde jaartemperatuur van het water minstens 20° C. is. In de Roode Zee en in den Stillen Oceaan liggen de noordelijke riffen respect. op 30° en 28°30′ breedte, terwijl de koraalriffen der Bermuda-Eilanden in den Atlant. Oceaan, onder invloed van den warmen Golfstroom nog op 32° 15′ N.B. gedijen.

Verder heeft de wetenschap geleerd, dat het verschijnsel, of liever, hetprocesder rifvorming veel ingewikkelder is, dan Darwin en na hem de Amerikaansche geoloog Dana (in 1849) onderstelden. Men heeft nl. in den Westindischen Archipel, op de Philippijnsche, de Salomons-, Palau- en Andamans-Eilanden koraalvormingen ontdekt, welke onder andere omstandigheden moeten ontstaan zijn, dan die in het midden van den Stillen Oceaan. Darwin’s theorie, ofschoon langen tijd een onbeperkt gezag uitoefenende, en nog in de jaren 1880–1890 der geologen als Suesz, Neumaijr en Bonney verdedigd, wordt dan ook door verscheidene geologen en zoölogen (Geikie, Murray, Guppy, Semper, Rein, Poutalès, Studer, Agassiz e.a.) niet aangenomen. Toch geeft zij nog de natuurlijkste verklaring van alle koraaleilanden in de Stille en Indische Oceanen, die onder een helling van 60°, of zelfs loodrecht honderden meters hoog boven den zeebodem verrijzen.Zij vond een wezenlijken steun in het geologisch onderzoek van de riffen uit vroegere perioden der aardgeschiedenis. Men heeft nl. zulke riffen ontdekt in alle formaties—van af de Cambrische periode—behalve tot nu toe in die van het Tertiaire Tijdvak. De dikte dier voorwereldlijke riffen is menigmaal ontzaglijk; in het Devoon bedraagt die soms 700, in het Trias zelfs 1500 Met. Doch eerst in 1897/98 werd Darwin’s theorie proefondervindelijk ook voor de tegenwoordige riffen bevestigd. Bij boringen op het eiland Funafuti (een der Ellice-Eilanden in den Stillen Oceaan) stiet men tot op eene diepte van 390 Met. door koraalkalk.

De verschillende theorieën over het ontstaan der koraaleilanden en koraalriffen vindt men zeer goed omschreven in R. Langenbeck “Koralleninseln”, Leipzig 1890; en in W. May “Korallen und andere gesteinsbildende Tiere”, Leipzig 1909.

(Noot v. d. Vert.)


Back to IndexNext