Hoofdstuk X.Tierra del Fuego of Vuurland.17 December 1832.Nu ik met Patagonië en de Falklands-Eilanden heb afgehandeld, zal ik onze eerste aankomst in Vuurland beschrijven. Kort na den middag zeilden wij Kaap San Diëgo om, en voeren de vermaarde Straat van Le Maire in. Wij stevenden dicht langs de Vuurlandsche kust; maar de omtrek van het rotsachtige, ongastvrije Staten-Eiland was tusschen de wolken zichtbaar. In den namiddag ankerden wij in de Baai vanGoodSuccess. Bij onze binnenkomst werden wij begroet op eene wijze, zooals den inwoners van dit wildenland betaamde. Een troep Vuurlanders zat gedeeltelijk in het dichte woud verscholen, op een ongenaakbare, boven zee uitspringende rotspunt; en nauwelijks gingen wij voorbij, of zij sprongen op, zwaaiden met hunne gescheurde mantels, en deden een luid, schreeuwend gejuich hooren. De wilden volgden het schip; en even voordat het donker was, zagen wij hunne vuren en hoorden opnieuw hun woest geschreeuw. De haven vormt een fraaien waterplas, half omringd door hooge ronde bergen van leemschiefer, die tot aan den rand van het water met een dicht en donker woud bedekt zijn. Een enkele blik op het landschap was voldoende om mij te toonen hoezeer dit verschilde van al wat ik ooit gezien had. Desnachts woei er een stevige koelte en schoten hevige rukwinden uit het gebergte over ons heen. Het moet dien nacht op zee slecht weêr geweest zijn; en wij zoowel als anderen kunnen deze kaap terechtBay of Good Successnoemen.Des morgens zond de kapitein eene bemande boot, om met de Vuurlanders te onderhandelen. Zoodra wij elkander konden beroepen, trad een der vier aanwezige inlanders naar voren om ons te ontvangen, en begon een geweldig geschreeuw aan te heffen, om ons te beduiden waar wij konden landen. Toen wij aan land waren, schenen de inboorlingen eenigszins verschrikt, maar bleven, onder het maken van snelle gebaren, doorpraten. Het was ongetwijfeld het zeldzaamste en belangwekkendste schouwspel dat ik ooit zag; ik had nooit kunnen gelooven, dat er tusschen wilden en beschaafden zulk een groot verschil was: het is grooter dan tusschen een wild en tam dier, omdat de mensch een grooter vermogen heeft zich te verbeteren. De voornaamste spreker was een oud man, die het hoofd van het gezin scheen te zijn; de drie anderen waren krachtige jonge mannen van ongeveer zes voet lang. De vrouwen en kinderen waren weggestuurd. Deze Vuurlanders behooren tot een geheel ander ras dan de niet wel opgegroeide, ongelukkige stumpers die meer westwaarts wonen, en schijnen na aan de forsche Patagoniërs der Straat van Magelhaen verwant. Hunne geheele kleeding bestaat uit een mantel van guanaco-huid, met de wol naar buiten; zij dragen dien los over de schouders geworpen, zoodat hun lichaam beurtelings bloot en gedekt is. De kleur hunner huid is groezelig koperrood.De oude man had een band van witte veêren om het hoofd gebonden, waarachter zijn zwarte, grove en verwarde haren gedeeltelijk verborgen waren. Twee breededwarsstrepen kruisten zijn gezicht: de eene, lichtrood van kleur, liep van het eene oor naar het andere en omsloot de bovenlip; de andere, wit als kalk, liep boven en evenwijdig aan de eerste, zóó dat zelfs de oogleden wit waren. De drie andere mannen waren versierd met strepen van een zwart poeder, dat uithoutskool bereid was. Het gezelschap had veel weg van de duivels, die in stukken alsDer Freischützop het tooneel komen.Hunne houding zelve was kruipend, en de uitdrukking van hun gezicht wantrouwend, verwonderd en verschrikt. Toen wij hun een scharlakenrooden doek hadden aangeboden, dien zij terstond om hun hals wonden, werden wij goede vrienden. Dit bleek hieruit, dat de oude man ons over de borst streek, en een soort klokkend of liefkoozend geluid maakte, zooals menschen die kuikens voederen. Terwijl ik met den oude voortliep, werd dit bewijs van vriendschap verscheidene keeren herhaald, en eindelijk besloten met drie harde klappen, die mij tegelijk op borst en rug gegeven werden. Daarna ontblootte hij zijne borst, opdat ik het compliment zou beantwoorden; en toen dit gedaan was, scheen hij uitermate verheugd. Voorzoover wij opmerkten, verdient de taal van deze lieden bijna niet den naam van eenegearticuleerde. Kapitein Cook heeft haar vergeleken bij het geluid van iemand, die zijn keel schraapt; maar stellig schraapte nooit een Europeaan zijne keel met zooveel harde, scherpe en korte keelklanken.Zij zijn voortreffelijkemimiciof nabootsers; telkens als wij hoestten of gaapten, of eene zonderlinge beweging maakten, bootsten zij ons onmiddellijk na. Eenigen van ons gezelschap begonnen scheel te kijken en scheeve gezichten te trekken; maar een der jonge Vuurlanders (hij wiens gezicht zwart geschilderd was, behalve een witten band over zijn oogen) maakte veel leelijker grimassen. Zij konden elk woord van een zin dien wij hun voorzeiden, volkomen juist herhalen, en herinnerden zich zulke woorden eenigen tijd. Intusschen weten alle Europeanen hoe moeilijk het is de klanken in eene vreemde taal van elkaar te onderscheiden. Wie onzer, bij voorbeeld, kon een Amerikaanschen Indiaan verder dan een zin van drie woorden lang volgen? Alle wilden schijnen dit nabootsingsvermogen in ongewone mate te bezitten. Bijna in dezelfde bewoordingen vertelde men mij dezelfde belachelijke gewoonte onder de Kaffers; ook de Australiërsstaan lang bekend om hunne bekwaamheid in het nabootsen en beschrijven van den menschelijken gang, zóó dat de persoon herkend kan worden. Hoe kunnen wij dit vermogen verklaren? Is het een gevolg der meerdere geoefendheid van het waarnemingsvermogen en de scherpe zintuigen, die allen wilden stammen gemeen is, vergeleken met de lang beschaafde?Toen ons gezelschap een lied begon te zingen, dacht ik, dat de Vuurlanders van verwondering op den grond zouden vallen. Met evenveel verbazing zagen zij ons dansen; maar op ons verzoek had een der jonge mannen geen bezwaar tegen een walsje. Hoe weinig zij ook aan Europeanen gewoon schenen, toch kenden en vreesden zij onze vuurwapenen; en niets kon hen bewegen een geweer in handen te nemen. Zij verzochten om messen, die zij bij het Spaansche woordcuchillanoemden. Ook verklaarden zij wat zij noodig hadden, door te doen alsof zij een stuk spek in den mond hadden, en dan er schijnbaar in te snijden in plaats van het vaneen te scheuren.Tot nu toe heb ik niet van de Vuurlanders gesproken, die wij aan boord hadden. Op de vorige reis van deAdventureen deBeaglein 1826 en 1830, legde kapitein Fitz-Roy de hand op een troep inboorlingen, als gijzelaars voor het verlies van eene boot, die tot groot gevaar van eenige met de opmeting belaste personen gestolen was; en eenige van deze inboorlingen, benevens een kind, dat hij voor een parelknoop gekocht had, nam hij mee naar Engeland met het plan hen voor zijne kosten op te voeden en in den godsdienst te onderwijzen. Deze inboorlingen weder naar hun land te brengen was voor kapitein Fitz-Roy eene hoofdreden waarom hij deze reis ondernam; en voordat de Admiraliteit besloten had deze expeditie uit te zenden, had de kapitein op edelmoedige wijze een schip bevracht, waarop hij hen zelf zou terugbrengen. De inboorlingen waren vergezeld van een zendeling, R. Matthews, over wien de kapitein een volledig en uitmuntend verhaal in het licht heeft gegeven, waarin ook de inboorlingen uitvoerig worden besproken.Aanvankelijk waren meegenomen twee mannen, van wie er een in Engeland aan de kinderpokken stierf, een jongen en een klein meisje; en nu hadden wij aan boord York Minster, Jemmy Button (wiens naam “Knoop” zijn inkoopsprijs uitdrukt) en Fuegia Basket. York Minster was een volwassen, kort, breed en sterk man; teruggetrokken, stilzwijgend en knorrig van aard, werd bij geweldig driftig als men hem plaagde. Hij had voor enkele personen aan boord eene zeer sterke genegenheid opgevat, en bezat een goed verstand. Jemmy Button was ieders gunsteling, maar óók opvliegend; de uitdrukking van zijn gezicht verried terstond zijn prikkelbare natuur. Hij was vroolijk, lachte dikwijls, en was bijzonder medelijdend jegens elk die pijn had. Bij ruw weder was ik vaak wat zeeziek, en dan placht hij bij mij te komen en op klagenden toon te zeggen: “Arme, arme man!”Maar het denkbeeld, dat bij gedurende zijn leven op zee gekregen had van iemand die zeeziek is, was al te kluchtig; en meestal moest hij het gezicht afwenden om een stil of luid gelach te onderdrukken, en eerst daarna zijn uitroep: “Arme, arme man!” te herhalen. Hij was vaderlandslievend van aard; prees gaarne zijn eigen stam en land, waarvan hij terecht zeide, dat er overvloed van boomen waren; schold op alle andere stammen, en verklaarde stoutweg, dat er in zijn land geen duivel was.Jemmy was klein, dik en gezet, maar ijdel op zijn persoonlijk voorkomen. Altijd droeg hij handschoenen; zijn haar was kort geknipt, en hij was wanhopig als zijne zorgvuldig gepoetste schoenen morsig werden. Hij was er op verzot zich in een spiegel te bewonderen. Een kleine Indiaansche jongen met een jolig gezicht en van de Rio Negro afkomstig, dien wij eenige maanden aan boord hadden, bemerkte dit spoedig en hield hem gewoonlijk voor den gek; maar Jemmy, die anders steeds bereid was den kleinen Indiaan van dienst te zijn, hield daar volstrekt niet van, en zeide met een eenigszins verachtelijk hoofdgebaar: “Je snatert te veel!”En toch, als ik aan al zijn vele goede eigenschappen terugdenk,schijnt het mij verwonderlijk toe, dat hij tot hetzelfde ras behoorde en ongetwijfeld hetzelfde karakter heeft bezeten als die ellendige, achterlijke wilden die wij hier het eerst ontmoetten.Wat eindelijk Fuegia Basket betreft, zij was een aardig, bescheiden, ingetogen jong meisje met een eenigszins innemend, maar somtijds knorrig uiterlijk, en zeer vlug in het leeren, vooral van talen. Dit bewees zij door het opvangen van wat Portugeesch en Spaansch, toen zij slechts korten tijd te Rio de Janeiro en Montevideo was achtergelaten, en door hare kennis van het Engelsch. York Minster was zeer jaloersch op elke attentie, die haar werd bewezen; want blijkbaar had hij plan haar te trouwen, zoodra zij aan land zouden zijn.Ofschoon alle drie vrij goed Engelsch konden spreken en verstaan, was het toch uiterst moeilijk veel inlichting uit hen te krijgen, hetgeen gedeeltelijk was toe te schrijven aan de moeite, die zij schenen te hebben om het eenvoudigste alternatief te begrijpen. Ieder, die gewoon is met zeer jonge kinderen om te gaan, weet hoe zelden men een antwoord kan krijgen zelfs op zulk eene eenvoudige vraag als: of een voorwerp wit of zwart is; het begrip zwart of wit schijnt beurtelings hun geest bezig te houden. Zoo was het ook met deze Vuurlanders; en daardoor was het meestal onmogelijk door over en weer vragen te weten te komen, of men iets, dat zij verteld hadden, goed begrepen had. Hun gezicht was bijzonder scherp. Het is wel bekend, dat zeelieden door langdurige oefening een verafzijnd voorwerp veel beter kunnen onderscheiden, dan iemand die op het land leeft; maar zoowel York als Jemmy stonden daarin ver boven een zeeman aan boord. Verscheidene malen hebben zij verklaard wat een verwijderd voorwerp was; en ofschoon het door elk in twijfel werd getrokken, bleken zij toch gelijk te hebben, als het met een kijker onderzocht werd. Zij waren zich dit vermogen ten volle bewust; en toen Jemmy met den officier van den wacht eens een kleinen twist had, zeide hij:“Wij schip zien, wij niet praat.”Belangwekkend was het de houding der wilden tegenover Jemmy Button gade te slaan, toen wij landden; onmiddellijk bespeurden zij het verschil tusschen hem en ons, en spraken samen druk over dit onderwerp. De oude man hield eene lange toespraak tot Jemmy, waarin hij hem scheen uit te noodigen bij hen te blijven. Maar Jemmy begreep hunne taal zeer weinig, en schaamde zich daarenboven diep over zijne landgenooten. Toen York Minster daarna aan land kwam, herkenden zij ook hem, en beduidden hem dat hij zich moest scheren; toch had de man geen twintig stoppelharen op zijn gezicht, terwijl wij allen ongeschoren baarden droegen. Zij onderzochten de kleur van zijne huid en vergeleken die met de onze. Toen zij een onzer armen bloot zagen, drukten zij hunne levendigste verbazing en bewondering uit over de witheid er van, juist zooals wij in den Dierentuin den orang-oetang hebben zien doen. Uit hunne gebaren maakten wij op, dat zij twee of drie onzer officieren, die, ofschoon met volle baarden prijkende, kleiner en knapper waren dan de anderen, voor de dames van ons gezelschap hielden. De grootste onder de Vuurlanders had er blijkbaar veel schik in, dat zijne lengte de aandacht trok. Toen hij rug aan rug tegen den grootsten van ons scheepsvolk geplaatst werd, deed hij zijn best om naar een hooger stuk grond te schuiven en op de teenen te staan. Hij opende den mond om zijne tanden te laten zien, en draaide het hoofd om zijwaarts te kijken; en dit alles deed hij met zulk eene vroolijkheid, dat ik overtuigd ben, hij zichzelven voor den schoonsten man in Vuurland hield. Nadat ons eerste gevoel van diepe verwondering voorbij was, konden wij ons niets belachelijkere denken dan het zonderlinge mengsel van verbazing en nabootsing, dat deze wilden elk oogenblik te zien gaven.Den volgenden dag poogde ik dieper landwaarts in te dringen. Vuurland kan beschreven worden als een bergachtig land, dat gedeeltelijk onder zee is gezonken, zoodat diepe kreken en baaien liggen op plaatsen waar dalen moestenzijn. Behalve aan de open westkust, zijn de berghellingen van af den rand van het water met een onafgebroken woud bedekt. De boomgordel reikt tot eene hoogte van 1000 tot 1500 voet, en wordt opgevolgd door een veengordel met kleine Alpenplanten; op dezen volgt weer de grens der eeuwige sneeuw, die, volgens kapitein King, in de Straat van Magelhaen eene hoogte bereikt van 3000 tot 4000 voet. Hoogst zelden vindt men ergens in dit land een acre vlakken grond. Ik herinner mij slechts een klein vlak stuk nabijPort Famine, en een tweede iets grooter in oppervlakte bijGoeree Roads. Op beide plaatsen en verder overal is de oppervlakte met eene dikke, moerassige veenlaag bedekt. Zelfs in het woud is de grond onder een hoop langzaam rottende plantenstoffen verborgen, die van water doortrokken, onder den voet wegzinkt.Daar ik het bijna hopeloos achtte door het woud een weg te banen, volgde ik den loop van een bergstroom. Eerst kon ik vanwege de watervallen en de menigte doode boomen slechts met moeite voortkruipen; maar spoedig werd het stroombed iets ruimer, doordien de vloed de kanten had schoongeveegd. Langzaam volgde ik een uur achtereen de gebroken en rotsachtige oevers, en werd door de grootschheid van het landschap ruimschoots voor mijn zwoegen beloond. De donkere diepe rotskloof paste volkomen bij de algemeene sporen van geweld. Aan beide zijden lage vormlooze steenhoopen en afgerukte boomen; andere boomen, hoewel nog staande, waren van binnen geheel vergaan en stonden op het punt te vallen. Het warbosch van groeiende en gevallen stammen deed mij denken aan de wouden in de keerkringen, met dit verschil echter, dat in deze stille eenzaamheden Dood in plaats van Leven de overheerschende natuurkracht scheen te zijn. Ik volgde den waterstroom totdat ik aan eene plek kwam, waar een groote grondverschuiving een rechte strook van de berghelling had blootgelegd. Langs dezen weg klom ik tot eene aanzienlijke hoogte, en kreeg zoodoende een goed uitzicht op de omringende bosschen. De boomen behoorden alle tot ééne soort,Fagusbetuloides; want het aantal andere soortenFagusen dat der Winter’s-basten (Drymis Winteri) is zeer onbeteekenend.1Deze beuk behoudt het geheele jaar door zijne bladeren, die echter eene eigenaardige bruingroene, eenigszins geel getinte kleur bezitten. Daar het geheele landschap zoo gekleurd is, heeft het een somber, eentonig voorkomen, waarbij nog komt, dat het niet vaak door de zonnestralen verlevendigd wordt.20 December.De eene zijde der haven wordt gevormd door een omstreeks 1500 voet hoogen berg, dien kapitein Fitz-Roy naar Sir J. Banks noemde, ter nagedachtenis aan diens rampspoedigen tocht, welke voor twee mannen van zijn gezelschap, en bijna ook voor Dr. Solander een noodlottigen afloop had. De sneeuwstorm, die de oorzaak van zijn ongeluk was, woei in het midden van Januari, overeenkomende met onze maand Juli, en op de breedte vanDurham! Ik was verlangend den top van dezen berg te bereiken, om Alpenplanten te verzamelen; want in de lagere gedeelten is het aantal bloemen gering. Wij volgden denzelfden bergstroom als daags te voren, tot waar hij dood liep, en waren toen genoodzaakt op goed geluk tusschen de boomen door te kruipen. Wegens de hoogte en den invloed der hevige winden, waren deze boomen laag, dik en gebogen. Eindelijk bereikten wij de plek, die van verre een fraai groen grastapijt geleek, maar tot onzen spijt een dicht bosch van beukeboompjes bleek te zijn, van vier tot vijf voet hoogte. Zij stonden even dicht opeen, als taxisboomen (buxus) aan den rand van een tuin, en wij moesten over de effene maar verraderlijke oppervlakte met geweld voortdringen. Na nog eenige inspanning bereikten wij het veen, en toen de naakte schieferrots.Een rotskam verbond dezen berg met een anderen, die eenige mijlen verder lag en, blijkens de daarop liggendevlakjes sneeuw, hooger was. Daar het nog niet laat op den dag was, besloot ik er heen te wandelen en planten langs den weg te zamelen. Dit zou een zeer moeilijk werk geweest zijn, indien er geen goed gebaand en recht pad geweest was, dat deguanaco’sgemaakt hadden, welke dieren, evenals schapen, altijd denzelfden weg volgen. Toen wij den berg bereikten, vonden wij, dat deze de hoogste in den naasten omtrek was. De bergstroomen vloeiden hier in tegengestelde richtingen naar zee. Wij hadden een ruim uitzicht over de naburige streek: in het noorden strekte zich een groot moerasland uit; maar zuidwaarts ontrolde zich een panorama van wild natuurschoon, dat Vuurland ten volle waardig was. Er lag een zweem van geheimzinnige grootschheid in die eindelooze reeks van bergen, met hunne diepe tusschenliggende valleien, allen met een dichte, donkere woudmassa bedekt. In dit klimaat, waar de stormen elkander opvolgen met regen, hagel en ijzel, schijnt ook de dampkring zwarter dan elders. In de Straat van Magelhaen, even zuidelijk onderPort Faminegelegen, schenen de afgelegen kanalen tusschen de bergen naar het einde der wereld te vloeien—zoo somber was hun aanblik.21 December.DeBeaglelichtte het anker; en onder begunstiging van eene bijzonder voorspoedige oostelijke bries, bereikten wij den volgenden dag deBarneveldts-Eilanden, stuurden om KaapDeceitmet hare spitse rotsen, en zeilden te ongeveer drie ure om de door weêr en stormen geteisterde Kaap Hoorn. De avond was kalm en helder, en wij hadden een fraai uitzicht op de omringende eilandjes. Kaap Hoorn eischte echter haar tol, en joeg ons vóór den nacht eene stijve bries in ’t gezicht. Wij bleven dien nacht op zee, en stevenden den volgenden dag opnieuw naar land, toen wij dit vermaarde voorgebergte in zijn waren vorm te loever voor ons zagen: gesluierd in een mist, en de wazige omtrek gehuld in een bui van storm en regen. Groote zwarte wolken gierden langs den hemel, en hevige regenbuien, vergezeld van hagel, joegen met zooveel geweld over ons heen, dat de kapiteinbesloot in Wigwam-Kreek binnen te loopen. Dit is eene kleine beschutte haven niet ver van Kaap Hoorn; en het was hier, dat wij op Kerstavond in kalm water het anker lieten vallen. Het eenige, dat ons aan den storm buiten herinnerde, was nu en dan een rukwind van de bergen, die het schip aan zijne ankers deed stampen.25 December.Dicht bij de kreek verrijst een steile berg, Kater’s Piek genaamd, die eene hoogte heeft van 1700 voet. De omringende eilanden bestaan alle uit kegelvormige bergen vangroensteen,2soms in vereeniging met minder regelmatige heuvels van kristallijn-gemetamorphoseerd leemschiefer. Dit deel van Vuurland kan men als het einde der gezonken bergketen beschouwen, waarop ik reeds doelde. De kreek ontleent haren naam “Wigwam” aan enkele Vuurlandsche woningen; maar met hetzelfde recht zou elke baai in den omtrek zoo genoemd mogen worden. De bewoners, die voornamelijk van schaaldieren leven, zijn verplicht voortdurend van woonplaats te veranderen, doch keeren na verloop van zekeren tijd naar dezelfde plaatsen terug, zooals blijkt uit de stapels oude schelpen, die dikwijls verscheidene tonnen zwaar moeten zijn. Men kan deze hoopen reeds op een afstand onderscheiden aan de heldergroene kleur van sommige planten, die er steeds op groeien. Van deze kunnen genoemd worden de wilde selderij (Apium graveolens) en het lepelblad (Cochlearia): twee zeer nuttige planten, waarvan de inboorlingen het gebruik niet ontdekt hebben.De Vuurlandsche wigwam3gelijkt in grootte en afmetingen op een hooiopper, en bestaat slechts uit enkele afgebroken takken, die in den grond zijn gestoken en aan één kant zeer onvolkomen met eenige bosjes gras en biezen zijn afgedekt. Het geheel is nauwelijks het werk van een uur, en wordt slechts voor een paar dagen gebruikt. TeGoeree-Roadszag ik een plek, waar een dezer naakte mannen geslapen had, en die volstrekt niet meer beschutting bood dan een hazenleger. De man leefde blijkbaar op zichzelf; en York Minster zeide, dat hij een “zeer slecht man” was, die mogelijk iets gestolen had. Aan de westkust echter, zijn de wigwams iets beter, want daar zijn zij met robbevellen gedekt. Wij werden hier verscheidene dagen door het slechte weêr opgehouden. Het klimaat is alleszins ellendig; ofschoon het zomer-solstitium voorbij was, viel er elken dag sneeuw op de bergen, en in de dalen regen vergezeld van ijzel. De thermometer stond meestal op 45° F., maar daalde des nachts tot 38° of 40°. Wegens den vochtigen en onstuimigen toestand van den dampkring, die door geen zonnestraal werd opgehelderd, stelde men zich het klimaat zelfs slechter voor dan het in werkelijkheid was.Toen wij op zekeren dag bij het eiland Wollaston aan land gingen, roeiden wij voorbij een kano4met zes Vuurlanders. Deze waren de ellendigste en meest verworpen schepsels, die ik ooit zag. Aan de oostkust dragen de inboorlingen, zooals wij gezien hebben, guanaco-mantels; maar aan de westkust robbevellen. Onder deze middenstammen hebben de mannen meestal een ottervel, of een klein lapje ongeveer zoo groot als een zakdoek, dat nauwelijks voldoende is om hun rug tot aan de lendenen te bedekken. Met koorden of pezen wordt het over de borst bevestigd, en naar gelangvan den wind verschuift het telkens van plaats. Maar deze Vuurlanders in de kano waren geheel naakt, en zelfs met de vrouwen was dit zoo. Het regende hevig, en het frissche water gutste tegelijk met het zeeschuim over hun lichaam. In eene andere, niet ver van daar gelegen haven kwam eens eene vrouw, die een pasgeboren kind zoogde, op zijde van het schip en bleef daar uit loutere nieuwsgierigheid, terwijl de ijzel op haar blooten boezem viel en dooide, en op de huid van haren naakten zuigeling!Kwijnend en gebrekkig waren deze arme schepsels opgegroeid; hunne afschuwelijke gezichten waren besmeerd met witte verf, hun huid was vuil en vettig, hun haar verward, hunne stem wanluidend, en heftig hunne gebaren. Bij het zien van zulke menschen kan men zich moeilijk wijsmaken, dat zij medeschepselen en bewoners van dezelfde wereld zijn. Een algemeen onderwerp voor gissingen vormt de vraag, welk levensgenot sommige lagere dieren kunnen smaken; doch met hoeveel meer reden kan men dezelfde vraag doen ten opzichte van deze wilden! Des nachts slapen vijf of zes menschelijke wezens, naakt en bijna zonder beschutting tegen den wind en regen van dit stormachtige klimaat, op den natten grond, als dieren in elkaar gerold. Zoodra het laag water is, in winter of zomer, bij nacht of bij dag, moeten zij uit om schaaldieren van de rotsen te plukken; en de vrouwen duiken in ’t water om zeeëgels te garen, of zitten geduldig in hare kano’s vischjes uit het water te slingeren, met een haarlijn zonder haak, waaraan een aas bevestigd is. Wordt een rob gedood of het drijvende lijk van een rottenden walvisch ontdekt, dan is het feest; en dit ellendige voedsel wordt met eenige onsmakelijke bessen en paddenstoelen verorberd!Dikwijls lijden zij honger. Low, een robbenjager, die de inboorlingen van dit land van zeer nabij kent, deed mij een merkwaardig verhaal van den toestand, waarin een troep van 150 inboorlingen aan de westkust leefde, die zeer armoedig waren en in groote ellende verkeerden. Voortdurende stormen beletten de vrouwen schaaldieren op derotsen te plukken; ook konden zij niet in hare kano’s gaan om robben te vangen. Op zekeren morgen ging een troepje van deze mannen op weg; en de andere Vuurlanders vertelden toen, dat zij een vierdaagschen tocht deden om voedsel te zoeken. Bij hunne terugkomst ging Low hun te gemoet en vond hen uiterst afgemat. Elk man droeg een groot vierkant stuk rottend walvischspek met een gat in het midden, waardoor hij het hoofd stak, evenals de Gauchos met hunneponcho’sof mantels doen. Zoodra het spek in een wigwam gebracht was, sneed een oud man er dunne mooten af, roosterde die eenige oogenblikken onder het prevelen van eenige woorden, en verdeelde ze toen onder het hongerige gezelschap, dat al dien tijd een diep stilzwijgen bewaarde. Low denkt, dat als er een walvisch op het strand wordt geworpen, de inboorlingen groote stukken er van in het zand bewaren, als een redmiddel in tijd van hongersnood; en een Vuurlandsche jongen, dien hij aan boord had, vond eens een geheelen voorraad, welke aldus begraven was.De verschillende stammen zijn, als zij oorlog voeren, kannibalen. Volgens de gelijkluidende, doch geheel onafhankelijke verhalen van den jongen van Low en van Jemmy Button, is het eene stellige waarheid, dat, als de honger hen des winters kwelt, zij hunne oude vrouwen dooden en verslinden, voordat zij hunne honden dooden. Toen Low den knaap vroeg, waarom zij dit deden, antwoordde hij:“Hondjes vangen otters, oude vrouwen niet.”Deze jongen beschreef de manier waarop zij gedood worden: men houdt ze namelijk boven den rook, totdat zij stikken; spottend bootste hij haar geschreeuw na, en beschreef de gedeelten van haar lichaam, die als het beste voedsel worden beschouwd. Zulk een dood door de handen van vrienden en verwanten moet afgrijselijk zijn; maar pijnlijker is het, als men denkt aan de vrees der oudjes zelven, wanneer de honger begint te knagen. Men vertelde ons, dat zij dan dikwijls naar de bergen vluchten, maar dat zij door de mannen achtervolgd en naar het slachthuis, bij hare eigen haarden worden teruggebracht!Kapitein Fitz-Roy kon nooit te weten komen of de Vuurlanders een duidelijk besef hebben van een leven hiernamaals. Soms begraven zij hunne dooden in holen, soms in de wouden op het gebergte; wij weten ook niet welke ceremonieën zij verrichten. Jemmy Button wilde geen landvogels eten, omdat zij “doode menschen eten.” Zij willen zelfs hunne dooden vrienden niet herdenken. Wij hebben geen reden te gelooven, dat zij een soort godvruchtigen eeredienst verrichten, ofschoon het prevelen van den ouden man voordat hij het rottende spek onder zijn uitgehongerd gezelschap verdeelde, misschien iets van dien aard was. Elke familie of stam heeft een toovenaar of heksenmeester, wiens taak wij nooit duidelijk konden te weten komen. Jemmy geloofde aan droomen, ofschoon niet aan den duivel, zooals ik gezegd heb. Ik voor mij denk niet, dat onze Vuurlanders veel bijgelooviger waren dan enkele zeelieden; want een oude kwartiermeester geloofde vast, dat de aanhoudende zware stormen, waarmede wij bij Kaap Hoorn moesten kampen, veroorzaakt werden door de wilden die wij aan boord hadden. Het dichtst bij een godsdienstig gevoel kwam, voorzoover ik weet, een trek door York Minster aan den dag gelegd, die, toen Bynoe eenige zeer jonge eenden had geschoten, op den plechtigsten toon zeide:“O, Mr. Bynoe, veel regen, sneeuw, veel windvlagen.”Blijkbaar was dit eene straf ter vergelding voor het vernielen van menschenvoedsel. Op heftige en overspannen wijze vertelde hij ook, dat zijn broeder, toen hij eens naar de kust terugkeerde om eenige doode vogels op te rapen, eenige vederen had zien waaien...“Wat dat?” zeide zijn broeder (York bootste diens manieren na); en voortkruipende, sprong hij over de rots en zag “wilde man,” die zijne vogels opraapte. Hij kroop nog dichter bij, slingerde toen een grooten steen omlaag en doodde hem. “Langen tijd daarna,”verklaarde York,“woedden stormen, en viel er veel sneeuw en regen”...Voorzoover wij konden uitmaken, scheen hij de elementen zelven als de wrekende machten te beschouwen. Het isduidelijk, dat in dit geval bij een eenigszins beschaafder ras de elementen op natuurlijke wijze door personen zouden worden voorgesteld. Wie of wat die “slechte wilde mannen” waren, heeft mij altijd hoogst geheimzinnig toegeschenen. Uit hetgeen York zeide, toen wij het ellendige hazenleger vonden, waar een alleenlevend man den vorigen nacht geslapen had, zou ik hen voor dieven hebben gehouden, die door hunne stammen verdreven waren; maar andere duistere woorden deden mij hieraan twijfelen. Soms heb ik gedacht, dat de waarschijnlijkste verklaring was hen voor krankzinnigen te houden.De verschillende stammen hebben geen regeering of hoofd; toch is elke stam door andere vijandige omringd, die verschillende dialecten spreken en slechts door een verlaten strook onzijdig gebied van elkaar gescheiden zijn. De aanleiding tot hunne oorlogen schijnt het middel van bestaan te wezen. Hun land is eene, hier en daar afgebroken aaneenschakeling van ongenaakbare rotsen, hooge bergen en onnutte wouden, die gehuld zijn in misten en eindelooze stormen. Het bewoonbare land bepaalt zich tot de steenen op het strand; bij het zoeken naar voedsel zijn zij steeds gedwongen van de eene plek naar de andere te trekken; en de kust is zoo steil, dat zij die tochten niet anders dan in hunne ellendige kano’s kunnen doen. Het begrip van een eigen huis, en nog meer dat van huiselijke liefde kunnen zij niet hebben, want de echtgenoot staat tegenover de vrouw als een ruwe meester tegenover eene werkzame slavin. Werd ooit eene afschuwelijker daad bedreven, dan die welke door Byron aan de westkust is bijgewoond, die eene ongelukkige moeder haar bloedend en stervend kind zag opnemen, dat haar echtgenoot meedoogenloos tegen de steenen had verpletterd, omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen? Hoe weinig kunnen hier de hoogere functiën van den geest in ’t spel worden gebracht; wat is er dat de verbeelding kan malen, dat de rede vergelijken, dat het oordeel kan beslissen? Eene zeeslak van de rots te plukken, vereischt zelfs geen list—die laagste functie van den geest.De bekwaamheid dezer schepsels is in sommige opzichten bij het instinct der dieren te vergelijken, want zij wordt door de ervaring niet verbeterd. Door Drake weten wij, dat de kano, trots al hare ellendigheid hun meest vernuftig werk, in de laatste 250 jaren dezelfde is gebleven.Als men deze wilden aanziet, rijst de vraag: van waar zijn zij gekomen? Wat kon een menschenstam bewogen hebben, of welke verandering dwong hem de betere gewesten van het noorden te verlaten; de Cordilleras of ruggegraat van Amerika zuidwaarts af te zwerven; kano’s uit te vinden en te bouwen, die door geen enkelen stam in Chili, Peru en Brazilië gebruikt worden, en eindelijk een der onherbergzaamste oorden binnen te dringen, die op aarde te vinden zijn? Hoewel zulke gedachten terstond bij ons moeten opkomen, kunnen wij toch zeker zijn, dat wij gedeeltelijk dwalen. Er is geen reden om te denken, dat de Vuurlanders in aantal verminderen; wij moeten dus aannemen dat zij een voldoende mate van geluk—hoe dit dan ook zij—smaken, om het leven op prijs te stellen. De natuur, die de gewoonte almachtig en hare werkingen erfelijk maakt, heeft den Vuurlander voor het klimaat en de voortbrengselen van zijn ellendig land geschikt gemaakt.Nadat wij zes dagen door zeer slecht weder in Wigwam-Kreek waren opgehouden, staken wij op 30 December in zee. Kapitein Fitz-Roy wilde westwaarts gaan, om York en Fuegia in hun eigen land aan wal te zetten. Op zee hadden wij voortdurend stormen en tegenstroom, met het gevolg dat wij naar 57° 23′ zuidelijk dreven. Door alle zeilen bij te zetten, kwamen wij op 11 Januari 1833 tot op enkele mijlen afstand van den hoogen rotsachtigen berg York Minster (zoo gedoopt door kapitein Cook, en de oorsprong van den naam van onzen oudsten Vuurlander), toen een geweldige orkaan ons noodzaakte zeil te minderen en op zee te blijven. Vreeselijk woedde de branding op de kust, en het schuim sloeg over rotsen, die naar onze schatting 200 voet hoog waren. Op den 12den was de storm zeer hevig, en wisten wij nietjuist waar wij waren. Het was alleronaangenaamst telkens den kreet te hooren herhalen:“Kijk goed uit aan lij!”Op den 13den woedde de storm in al zijne kracht, en was onze horizon sterk gekrompen door de hoozen schuim, welke de wind voortjoeg. Onheilspellend was de aanblik der zee, gelijk eene woeste golvende vlakte, vol opgewaaide jachtsneeuw. Terwijl het schip hevig werkte, dreef de albatros of stormvogel5met uitgespreide vleugels recht in den wind. Op den middag sloeg eene hooge zee over het schip en vulde een der walvischbooten, die onmiddellijk moest worden gekapt. De armeBeagletrilde onder den schok, en wilde eenige minuten lang niet naar zijn stuur luisteren; maar zooals een goed schip van zijn slag betaamde, richtte hij zich spoedig weder op, en ging andermaal te loever. Ware eene tweede zee de eerste gevolgd, dan zou ons lot weldra en voorgoed beslist zijn geweest. Wij trachtten nu reeds 24 dagen lang te vergeefs naar het westen te stevenen; de mannen waren op van vermoeienis, en hadden gedurende vele dagen en nachten geen droog stuk kleeren aan het lijf gehad. Toen gaf onze kapitein de poging om langs de buitenkust naar het westen te gaan op. Des avonds liepen wij achter Valsche Kaap Hoorn binnen, en lieten 47 vademen diep ons anker vallen, waarbij de ketting met zulk eene snelheid afliep, dat het vuur uit het windas sprong. Hoe heerlijk was die stille nacht, na zulk een lange worsteling onder het geraas der strijdende elementen!15 Januari 1833.DeBeagleankerde inGoeree-Roads. Daar onze kapitein besloten had de beide Vuurlanders, overeenkomstig hunnen wensch, in de Straat van Ponsonby aan land te zetten, werden vier booten uitgerust om hen door het Beagle-kanaal te brengen. Dit kanaal, hetwelk door kapitein Fitz-Roy op de vorige reis ontdekt werd, is een hoogst merkwaardig geographischpunt van dit land of eigenlijk van de geheele wereld. Men kan het vergelijken bij de vallei van Loch Ness in Schotland, met hare aaneenschakeling van meren en zeearmen. Het is ongeveer 120 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van omstreeks twee mijlen, welke niet aan veel verandering onderhevig is, en is voor het grootste gedeelte zoo volkomen recht, dat onze blik, die aan weerszijden door eene reeks van bergen begrensd wordt, zich allengs in de wijde verte verliest. Het doorsnijdt het zuidelijk deel van Vuurland in de richting oost-west, en is in het midden aan de zuidzijde rechthoekig verbonden met een kanaal van onregelmatigen vorm, dat “Ponsonby Sound” genoemd is. Hier is de woonplaats van Jemmy Button’s stam en familie.19 Januari.Drie walvischbooten en de sloep, met eene bemanning van 28 koppen, verlieten onder bevel van kapitein Fitz-Roy het schip. In den namiddag voeren wij de oostelijke monding van het kanaal binnen, en vonden kort daarop eene aardige kleine kreek, die tusschen eenige eilandjes verscholen lag. Hier sloegen wij onze tenten op en staken onze vuren aan. Schilderachtiger tooneel dan dit laat zich niet denken. Het klare water in de kleine haven; de boomen die hunne takken over den rotsachtigen oever lieten hangen; de voor anker liggende booten; de tenten die over de gekruiste riemen waren gespannen, en de dwarrelende rookwolkjes boven het dicht begroeide dal—dit alles vormde een tafereel van stille afzondering. Den volgenden dag (20 Januari) dreven wij in onzen kleinen inham kalm verder, en kwamen in een meer bewoond district. Weinige inboorlingen, misschien geen enkele, konden ooit een blanke gezien hebben; en hunne verbazing over de verschijning der vier booten laat zich dan ook niet beschrijven. Op elk punt werden vuren ontstoken (hieraan is de naam “Vuurland” ontleend), niet alleen om onze aandacht te trekken, maar ook om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Enkele mannen liepen mijlen ver langs het strand mee. Nooit zal ik den woesten en schilderachtigen aanblik vergeten van een groep van vier of vijf mannen,die plotseling aan den rand eener overhangende rots verschenen. Zij waren geheel naakt, en hunne lange haren fladderden wild over hunne aangezichten; met knoestige stokken in de hand sprongen zij van den grond op, zwaaiden hunne armen boven het hoofd en lieten het afschuwelijkste gegil hooren.Op etenstijd landden wij onder een troep Vuurlanders, die eerst niet geneigd waren ons vriendelijk te ontvangen; want zij hielden hunne slingers in de handen, zoolang tot onze kapitein met zijne boot naar voren roeide. Het duurde echter niet lang of wij wisten hen met beuzelachtige geschenken te vermaken, zooals met rood lint, dat wij om hunne hoofden bonden. Ons beschuit smaakte hun; maar toen een der wilden met zijn vinger het in tinnen bussen bewaarde vleesch aanraakte, dat ik bezig was te eten, en voelde dat het zacht en koud was, legde hij evenveel afkeer aan den dag, als ik zou gedaan hebben met verrot spek. Jemmy schaamde zich diep over zijne landgenooten, en verklaarde, dat zijn eigen stam geheel anders was; doch hierin vergiste hij zich deerlijk. Het was even gemakkelijk deze wilden te behagen als moeilijk om hun te voldoen. Jong en oud, kinderen en volwassenen herhaalden steeds het woord:Yammerschooner,6hetgeen zeggen wil: “Geef mij.” Wijzend naar bijna elk voorwerp, het een na het ander, zelfs naar de knoopen op onze jassen, uitten zij hun geliefkoosd woord in alle mogelijke klanken; bezigden het dan in onzijdigen zin, en herhaalden werktuigelijk:Yammerschooner. Hadden zij hoogst verlangend om een of ander voorwerpgeyammerschoonerd, dan wezen zij met een eenvoudig gebaar naar hunne jonge vrouwen of kleine kinderen, als wilden zij daarmee zeggen: “Indien gij het niet aan mij wilt geven, dan geeft gij het toch zeker wel aan deze.”Des nachts poogden wij vruchteloos eene onbewoonde kreek te vinden, en waren eindelijk gedwongen niet ver van een troep wilden te bivouakeeren. Zoolang hun aantal gering was, waren zij zeer onschadelijk; maar toen zich op den morgen van den 21sten anderen bij hen voegden, gaven zij teekenen van vijandigheid, en dachten wij dat het tot eene schermutseling zou komen. Een Europeaan heeft veel in zijn nadeel, als hij te doen heeft met wilden zooals deze, die niet het minste begrip hebben van de kracht van vuurwapenen. In het aanleggen van zijn geweer schijnt hij in het oog van den wilde ver beneden iemand, die gewapend is met boog en pijlen, een speer of zelfs een slinger. Ook is het niet gemakkelijk hun onze meerderheid te toonen, tenzij door een noodlottig salvo. Evenals wilde beesten, schijnen zij niet op getalsterkte te letten; want elk individu zal, zoo hij wordt aangevallen, in stede van te wijken, met een steen u de hersenen trachten in te slaan, evenals een tijger onder zulke omstandigheden u zeker zou verscheuren.Toen kapitein Fitz-Roy eens om goede redenen een troepje van deze lieden vrees wilde aanjagen, zwaaide hij een hartsvanger dicht voor hunne oogen—waarom zij eenvoudig lachten; toen schoot hij vlak bij een inboorling tweemaal zijn pistool af. Beide keeren keek de man verwonderd op, en wreef zorgvuldig maar snel zijn hoofd; toen stond hij een poos besluiteloos en babbelde tot zijne metgezellen, doch scheen volstrekt niet aan wegloopen te denken. Wij kunnen ons moeilijk in de plaats van deze wilden stellen en hunne handelingen begrijpen. Wat dezen Vuurlander betrof, nooit kon hij gedacht hebben aan de mogelijkheid van een geluid zooals het knallen van een geweer vlak bij zijn oor. Misschien wist hij bij het tweede schot letterlijk niet of het een geluid dan wel een slag was, en wreef hij daarom zeer natuurlijk zijn oor. Zoo zal het ook, wanneer een wilde een kogel doel ziet treffen, eenigen tijd kunnen duren, voordat hij ten volle kan begrijpen hoe dit gekomen is; want het feit dat een lichaam ten gevolge van zijne snelheid onzichtbaar is, zou misschien volkomen onbegrijpelijk voor hemzijn. Bovendien zou de verbazende kracht, waarmede een kogel eene harde stof doorboort zonder haar te scheuren, den wilde kunnen overtuigen, dat hij in ’t geheel geen kracht bezit. Ik geloof zeker, dat vele wilden van den laagsten graad, zooals die in Vuurland, voorwerpen met een kogel hebben zien treffen, en zelfs kleine dieren zien dooden, zonder ook maar in het minst te beseffen welk een doodelijk werktuig het geweer is.22 Januari.Nadat wij een ongestoorden nacht hadden doorgebracht op de plek, die onzijdig gebied scheen tusschen Jemmy’s stam en het volk dat wij gisteren zagen, zeilden wij in aangename stemming verder. Ik ken geen duidelijker bewijs voor de vijandige verhouding der verschillende stammen, dan deze breede grensstrooken of onzijdige gronden. Ofschoon Jemmy Button de sterkte van onzen troep wel kende, was hij eerst niet geneigd onder den vijandigen stam die het dichtst bij den zijnen woonde, aan land te gaan. Dikwijls vertelde hij ons hoe de wilde mannen van Oens7“als de bladeren rood werden” van de oostkust van Vuurland over het gebergte trokken, en invallen deden bij de inboorlingen in dit gedeelte des lands. Hoogst belangrijk was het hem gade te slaan als hij zoo sprak: dan glinsterden zijne oogen en kreeg zijn gelaat eene ongewone en wilde uitdrukking. Toen wij verder in het Beagle-kanaal kwamen, vertoonde het landschap een ongewonen en zeer prachtigen aanblik; maar de indruk er van werd zeer verzwakt door ons laag gelegen standpunt in eene boot, en omdat wij langs de vallei keken, waardoor al de schoonheid die eene opvolging van bergtoppen te zien geeft, verloren ging. De bergen waren hier omtrent 3000 voet hoog, en eindigden in scherpe en getande punten. Zij verrezen in eene onafgebroken rij uit den rand van het water, en waren tot op eene hoogte van 1400 of 1500 voet met de somber gekleurde wouden bedekt. Hoogstbelangwekkend was het tezien, hoe zuiver horizontaal de lijn, tot waar de boomen ophielden te groeien, langs de berghellingen liep; zij geleek volmaakt het hoogwatermerk van drijfwier op eene zeekust.Des nachts sliepen wij dicht bij het punt waar de Straat van Ponsonby in het Beagle-kanaal valt. Eene kleine familie Vuurlanders, die in de kreek woonde en uit rustige, vreedzame lieden bestond, schaarde zich spoedig om ons vlammend wachtvuur. Wij waren goed gekleed, zaten dicht bij het vuur en hadden het toch alles behalve warm; maar deze naakte wilden, ofschoon verderaf staande, zagen wij tot onze verwondering baden in hun zweet, toen zij den vuurgloed voelden. Zij schenen echter wel in hun schik, en zongen allen in het koor onzer zeelieden mede; maar de wijze waarop zij steeds daarbij wat achterbleven, was alleszins vermakelijk.Gedurende den nacht had het nieuws zich verspreid, en vroeg in den morgen van den 23sten daagde een nieuwe troep op, behoorende tot de Tekenika, of den stam van Jemmy. Vele van hen hadden zoo hard geloopen, dat hunne neuzen bloedden, en door het snelle spreken het schuim op hun mond kwam. Daarbij gevoegd de zwarte, witte en roode beschilderingen op hunne naakte lichamen, geleken zij inderdaad een troep duivels, die aan het vechten waren geweest.8Door 12 kano’s, in elk waarvan vier of vijfinboorlingen, vergezeld, zakten wij toen de Straat van Ponsonby af, naar de plek waar de arme Jemmy zijne moeder en bloedverwanten dacht te vinden. Reeds had hij gehoord, dat zijn vader dood was; maar wijl hij daarvan reeds “een droom in het hoofd” had gehad, scheen hij zich om dit punt niet te bekommeren, en troostte hij zich telkens met de zeer natuurlijke gedachte: “Wij kunnen er niets aan doen.” Hij kon geen bijzonderheden over zijns vaders dood te weten komen, daar zijne bloedverwanten er niet van wilden spreken.Jemmy was nu in eene hem welbekende streek, en geleidde de booten naar eene stille, schilderachtige kreek, Woollya genaamd, die omringd was van eilandjes, waarvan elk zijn eigen oorspronkelijken naam droeg. Wij vonden hier eene familie van Jemmy’s stam, maar niet zijne bloedverwanten; en nadat wij samen vriendschap hadden gesloten, stuurden zij des avonds eene kano uit, om Jemmy’s moeder en broeders van zijne komst te verwittigen. De kreek werd door eenige acres goed, glooiend terrein begrensd, dat niet zooals elders met veen of woudboomen bedekt was. Zooals wij boven zeiden, had onze kapitein aanvankelijk plan om York en Fuegia naar hun eigen stam aan de westkust te brengen; daar zij echter den wensch uitdrukten hier te blijven en de plek bijzonder gunstig was, besloten wij het geheele gezelschap, waaronder den zendeling Matthews, hier te vestigen. Vijf dagen werden besteed om drie groote wigwams voor hen te bouwen, hun goed aan land te brengen, twee tuinen te spitten, en daarop te zaaien.Den morgen na onze komst (24 Januari) keerden de Vuurlanders terug, en brachten Jemmy’s moeder en broeders mede. Jemmy herkende de stentorstem van eene zijner broeders reeds op zeer grooten afstand. De ontmoeting was minder belangwekkend dan tusschen een paard dat naar het veld gebracht wordt, en een ouden makker dien het weêrziet. Geen enkel vertoon van liefde of genegenheid: zij staarden eenvoudig elkander een korte poos aan, en daarna ging de moeder onmiddellijk naar hare kano kijken. VanYork hoorden wij echter, dat de moeder over het verlies van Jemmy ontroostbaar was geweest, en overal naar hem gezocht had, meenende dat hij misschien was achtergelaten, toen men hem in de boot had genomen. De vrouwen namen Fuegia goed op en waren zeer vriendelijk tegen haar. Wij hadden reeds opgemerkt, dat Jemmy zijn eigen taal bijna vergeten was. Ik geloof, dat er moeilijk iemand te vinden zal zijn zoo weinig bespraakt als hij, want ook zijn Engelsch was zeer onvolkomen. Belachelijk, maar tevens bedroevend was het hem tot zijn wilden broeder in het Engelsch te hooren spreken, en dan in het Spaansch (No sabe?) te vragen of deze hem niet verstond.Gedurende de drie volgende dagen, toen de tuinen gespit en de wigwams gebouwd werden, ging alles vreedzaam zijn gang. Wij schatten het aantal inboorlingen op ongeveer 120. De vrouwen werkten hard, terwijl de mannen den ganschen dag luierden en ons aangaapten. Zij vroegen om al wat zij zagen en stalen wat zij konden. Zij hadden schik in ons dansen en zingen, en keken met bijzondere belangstelling als wij in een naburige beek ons wiesschen. Op andere dingen sloegen zij niet veel acht, zelfs niet op onze booten. Onder al wat York tijdens zijne afwezigheid uit zijn land zag, schijnt niets hem meer verwonderd te hebben dan een struisvogel bij Maldonado. Ademloos van verbazing kwam hij naar Bynoe, met wien hij wandelde, toeloopen onder den uitroep:“O, Mr. Bynoe, o, vogel net een paard!”Hoezeer onze blanke huid de inboorlingen ook verbaasde, was zulks, naar Low verhaalt, veel erger het geval met een neger-kok aan boord van een robbenvaarder; en de arme duivel werd zoo door hen toegetakeld en uitgejouwd, dat hij nooit weer aan land wilde gaan.Alles ging zoo rustig zijn gang, dat enkele officieren en ook ik lange wandelingen deden op de omringende heuvels en in de bosschen. Maar op den 27sten verdwenen plotseling alle vrouwen en kinderen. Wij waren daarover geen van allen op ons gemak, wijl York noch Jemmy de reden er vanbegrepen. Sommigen dachten, dat zij door het schoonmaken en afvuren van onze geweren op den vorigen avond bang waren geworden; anderen, dat het was toe te schrijven aan ergernis van een ouden wilde, die, toen hem door den schildwacht gezegd was zich meer op een afstand te houden, den man brutaal in het gezicht had gespuwd, en toen door het maken van gebaren boven een slapenden Vuurlander duidelijk had laten blijken (naar ons gezegd werd), dat hij onze mannen in stukken wilde snijden en opeten. Om de kans op een treffen te vermijden, dat voor vele Vuurlanders noodlottig zou geweest zijn, achtte kapitein Fitz-Roy het raadzaam voor ons bij eene kreek eenige mijlen verder te gaan slapen. Wat Matthews betrof, deze besloot met de hem eigen kalme vastberadenheid (wel opmerkelijk in een man, die schijnbaar weinig vastheid van karakter bezat) om bij de Vuurlanders te blijven, die hunnerzijds geen onrust aan den dag legden. En zoo lieten wij hem zijn eersten angstvollen nacht doorbrengen.Toen wij den volgenden morgen (28 Januari) terugkeerden, vonden wij tot onze vreugde allen in kalme stemming, en de mannen in hunne kano’s bezig met visch aan hunne speren te rijgen.Kapitein Fitz-Roy besloot nu de sloep en een der walvischbooten naar het schip terug te sturen, en met de twee andere booten—de eene onder zijn eigen commando en waarin hij mij vriendelijk toestond hem te vergezellen, de andere onder Hammond—verder te gaan, om de westelijke gedeelten van het Beagle-kanaal op te meten, en daarna op de terugreis de kolonie te bezoeken. Tot onze verwondering was het dien dag brandend heet, zoodat onze huid er door geschroeid werd. Bij dit schoone weder, was het uitzicht in het midden van het Beagle-kanaal zeer merkwaardig. Waar men ook keek, hetzij rechts of links, geen enkel voorwerp belemmerde het vrije vergezicht op dit lange kanaal tusschen de bergen. Dat het een zeearm was, bleek zeer duidelijk uit het feit, dat verscheidene groote walvisschen in verschillende richtingen hunne waterstralen opspoten.9Eens zag ik twee dezer monsters,waarschijnlijk een mannetje en wijfje, langzaam achter elkander zwemmen, op minder dan een steenworps-afstand van den oever, waarboven de beukeboom zijne takken uitstrekte.Wij zeilden voort totdat het donker was, en sloegen toen in eene stille kreek onze tenten op. Het was een groot buitenkansje, dat wij een oever van kiezelsteenen voor onze legerstede vonden, want deze waren droog en veerden onder het lichaam. Veengrond is vochtig; eene rots is oneffen en hard, en zand dringt in het vleesch als dit op zeemanswijze gekookt en gegeten wordt; maar lagen wij in onze wollen dekenzakken op een goed bed van zachte kiezelsteenen, dan brachten wij alleraangenaamste nachten door.Ik had tot een uur de wacht. Er ligt iets plechtigs in deze woeste, grootsche natuurtafereelen. Nooit beseft de geest zoo diep in welk een afgelegen hoek der wereld ge u bevindt, als in die nachtelijke uren. Alles werkt samen om dien indruk te verhoogen; de stilte om u heen wordt slechts verbroken door de diepe ademhaling der matrozen onder de tenten, en somtijds door het geschreeuw van een eenzamen nachtvogel. Nu en dan herinnert u het geblaf van een hond in de verte, dat dit het land van den wilde is.29 Januari.Vroeg in den morgen kwamen wij aan het punt, waar het Beagle-kanaal zich in twee armen splitst: en wij voeren den noordelijken binnen. Hier wordt het schouwspel zoo mogelijk nog grootscher dan te voren. De hooge bergen aan de noordzijde vormen de graniet-as of ruggegraat van het land, en verheffen zich fier tot eene hoogte van tusschen de 3000 en 4000, één topzelfs tot ruim 6000 voet. Zij zijn met een breeden mantel van eeuwige sneeuw bedekt, en tallooze watervallen storten hunne stroomen door de wouden heen, in het enge kanaal beneden. Op vele plaatsen strekken zich prachtvolle gletschers langs de berghelling uit tot aan den rand van het water. Het is haast niet mogelijk zich iets schooners te denken dan deze zeegroen-blauwe gletschers, vooral in hunne tegenstelling met het doodsche wit der hooger liggende sneeuwvlakte. De brokken, die van de gletschers in het water waren gevallen, dreven weg; en dit kanaal, met zijne ijsbergen, vertoonde eene mijl ver eene miniatuur-gelijkenis met de zeeën van Noord- of Zuidpool. Toen op ons etensuur de booten aan land waren gehaald, aanschouwden wij op eene halve mijl afstand een wondervollen loodrechten ijswand. Verdiept in dit schouwspel, en vervuld van den wensch, dat er eenige brokken zouden afvallen, kwam eindelijk zulk een gevaarte met donderend geweld omlaag, en zagen wij terstond eene hooge golf recht op ons afkomen. De matrozen snelden zoo spoedig zij konden naar de booten aan den waterkant; want de kans, dat deze verbrijzeld konden worden, bleek duidelijk. Een der matrozen greep juist de boegen, toen de golfslag hem bereikte en onderstboven wierp, doch niet bezeerde; en hoewel de booten driemaal op en neder werden geworpen, kregen zij geen schade. Dit was een groot geluk voor ons; want wij waren een honderd mijlen van het schip af en zouden, behalve de booten, ook onze levensmiddelen en vuurwapenen kwijt geweest zijn. Te voren had ik opgemerkt, dat eenige groote rotsblokken op den oever niet lang geleden verplaatst waren geworden, maar begreep er de oorzaak niet van, voordat ik deze golf zag. De eene zijde der kreek werd gevormd door een uitlooper van mica-schiefer, het boveneind door een ijswand van circa 40 voet hoogte, en de andere zijde door een 50 voet hoog voorgebergte, samengesteld uit groote ronde brokken graniet en mica-schiefer, waaruit oude boomen groeiden. Dit voorgebergte was blijkbaar eenemoraine, opgehoopt in een tijd, toen de gletscher grootere afmetingen had.Toen wij de westelijke monding van dezen noordelijken arm van het Beagle-kanaal bereikten, zeilden wij tusschen tal van onbekende en eenzame eilanden, terwijl het weder afschuwelijk slecht was. Inboorlingen ontmoetten wij niet meer. De kust was bijna overal zoo steil, dat wij dikwijls vele mijlen ver moesten zeilen, voordat wij ruimte genoeg konden vinden voor het opslaan van onze tenten. Eén nacht sliepen wij op groote ronde rotsblokken met rottend zeewier er tusschen; en toen de vloed opkwam, moesten wij in aller ijl opstaan en onze dekenzakken verleggen. Het eerste punt, dat wij in westelijke richting bereikten, was Stewart-Eiland, op een afstand van omstreeks 150 mijlen van ons schip. Wij keerden door den zuidelijken arm van het Beagle-kanaal terug, en voeren hierna zonder verder avontuur naar de Straat van Ponsonby.6 Februari.Bij onze aankomst te Woollya, deed Matthews ons zulk een ongunstig verhaal van de houding der inboorlingen, dat kapitein Fitz-Roy besloot hem naar deBeagleterug te brengen. Later werd hij op Nieuw-Zeeland achtergelaten, waar zijn broeder zendeling was. Sedert het oogenblik van ons vertrek, was door de Vuurlanders eene geregelde plundering begonnen; en telkens kwamen nieuwe benden aan. York en Jemmy verloren tal van voorwerpen, en Matthews bijna alles wat niet onder den grond verborgen was. Elk voorwerp scheen door de Vuurlanders gebroken, gescheurd en verdeeld te zijn. Matthews beschreef hoe doodelijk vermoeiend het was voortdurend de wacht te moeten houden; nacht en dag was hij door de inboorlingen omringd, die hem trachtten af te matten, door onophoudelijk geluiden bij zijn oor te maken. Eens toen Matthews een ouden man gevraagd had zijn wigwam te verlaten, keerde deze onmiddellijk met een grooten steen in de hand terug. Op een anderen dag kwam eene geheele bende met steenen en stokken gewapend, zoodat enkele inboorlingen van Jemmy’s stam, en ook zijn broeder het uitschreeuwden van angst. Matthews bewoog hen toen met geschenken tot den aftocht. Eene andere bende wees metteekens, dat zij hem naakt wilden uitkleeden, en dan alle haren uit zijn baard en lichaam plukken. Ik geloof, dat wij juist tijdig genoeg kwamen om zijn leven te redden.Jemmy’s bloedverwanten waren ijdel en dwaas genoeg om hun buit aan de onzen te laten zien, en te wijzen hoe zij die gekregen hadden. Het was een pijnlijke gedachte onze drie Vuurlanders bij hunne wilde landgenooten achter te laten, hoewel het een groote troost was, dat zij persoonlijk geen vrees hadden. York, een krachtig, vastberaden man, was er volkomen zeker van, dat het hem en zijne vrouw Fuegia goed zou gaan. De arme Jemmy keek wel wat moedeloos; en ik twijfel er haast niet aan, of hij zou blijde geweest zijn, indien hij met ons had kunnen terugkeeren. Zijn eigen broeder had hem vele dingen ontstolen; daarom schold hij op zijne landgenooten: “Wat manier is dat? Allemaal slechte menschen; weten niets; verdoemde gekken!”—Als hij zoo boos was, vloekte hij, ofschoon ik hem vroeger nooit had hooren vloeken. Hoewel onze drie Vuurlanders slechts drie jaren onder beschaafde menschen hadden geleefd, weet ik zeker, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij hunne nieuwe leefwijze hadden mogen behouden; maar dit was natuurlijk onmogelijk. Ik vrees, dat het meer dan twijfelachtig is of hun bezoek in den vreemde hun van eenig nut is geweest.Met Matthews aan boord gingen wij des avonds onder zeil, en keerden, niet door het Beagle-kanaal, maar langs de zuidkust naar het schip terug. De booten waren zwaar geladen, en dit gevoegd bij eene onstuimige zee, bezorgde ons een gevaarlijken tocht. Op den avond van den 7den waren wij aan boord van deBeagle, na eene afwezigheid van 20 dagen, gedurende welke wij een afstand van 300 mijlen in de open booten hadden afgelegd. Op den 11den bracht onze kapitein alleen een bezoek aan de Vuurlanders, vond hen welvarend, en hoorde, dat hun sedert zijn vorig bezoek weinig dingen meer ontstolen waren.Op den laatsten dag in Februari van het volgende jaar (1834) ankerde deBeaglein eene schilderachtige kleinekreek aan den oostelijken ingang van het Beagle-kanaal. Hier besloot kapitein Fitz-Roy de stoute en, zooals bleek welgeslaagde poging te doen om tegen de westenwinden in denzelfden koers te nemen, dien wij vroeger in booten naar de kolonie bij Woollya hadden gevolgd. Wij zagen niet veel inboorlingen, totdat wij bij de Straat van Ponsonby waren, waar wij door tien of twaalf kano’s vergezeld werden. De inboorlingen begrepen volstrekt de reden niet van ons laveeren; en in plaats van ons bij elken boegslag te gemoet te gaan, poogden zij vruchteloos ons in onzen zigzag-koers te volgen. Het vermaakte mij toen ik het verschil in belangstelling opmerkte, waarmede men deze wilden ziet, en dat een gevolg is van de omstandigheid, dat men hun volstrekt meerdere is in kracht. Toen ik in de booten was, haatte ik het geluid hunner stemmen, om de onrust die dit bij ons verwekte. Het eerste en laatste woord was:Yammerschooner. Bij het binnenvaren van eene kleine stille kreek, keken wij rond, in de hoop een rustigen nacht door te brengen; maar dan klonk het hatelijke woordYammerschoonerschril uit een donkeren hoek der wildernis, en kronkelden de rookwolkjes omhoog, als seinen om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Bij het verlaten van eene plaats, zeiden wij tot elkander: “Goddank, dat wij eindelijk geheel van die ellendelingen afkomen!” en zie: andermaal trof de zwakke echo van eene daverende stem heel uit de verte onze ooren, en konden wij duidelijk onderscheiden:Yammerschooner! Maar nu: hoe meer Vuurlanders, des te grappiger; en inderdaad, het ging zeer jolig toe. Beide partijen lachten, en gaapten elkander verwonderd aan; wij beklaagden hen, dat zij ons goede visschen en kreeften gaven in ruil voor lappen en dergelijke; zij juichten om het buitenkansje lieden te vinden, dwaas genoeg om zulke prachtige versieringen tegen een hapje eten te ruilen. Hoogst vermakelijk was het den ongekunstelden, vergenoegden glimlach te zien, waarmede eene jonge vrouw met zwart geschilderd gelaat, verscheidene stukken vuurrood doek met biezen om haar hoofd bond. Haar man, die het in dit land zeeralgemeene voorrecht genoot van twee vrouwen te bezitten, was blijkbaar jaloersch op al de attentie die zijne jonge vrouw bewezen werd; en na een lang beraad met zijne naakte schoonheden, werd hij eindelijk door dezen weggepagaaid.Sommige Vuurlanders bewezen duidelijk, dat zij een goed begrip van ruiling hadden. Ik gaf een man een grooten spijker (deze gold voor een kostbaar geschenk), zonder daarbij een teeken te geven, dat ik er iets voor terug wilde hebben; doch onmiddellijk pikte hij twee visschen op en overhandigde mij die op de punt van zijn speer. Was een of ander geschenk voor eene bepaalde kano bestemd, en viel het bij eene andere in het water, dan werd het steeds aan den rechten eigenaar gegeven. De Vuurlandsche jongen, dien Mr. Low aan boord had, bewees door zijn heftige uitbarsting van drift, dat hij het hem gedane verwijt van een leugenaar te zijn (gelijk hij ook inderdaad was), volkomen begreep. Wij waren ditmaal, evenals bij alle vroegere gelegenheden, zeer verwonderd over de weinige, of liever het volslagen gebrek aan aandacht, die voor vele dingen getoond werd, waarvan de inboorlingen het nut toch moeten hebben ingezien. Eenvoudige zaken, zooals helder vuurrood doek of blauwe knoopen, de afwezigheid van vrouwen op ons schip, onze zorg om ons te wasschen, wekten veel meer hunne bewondering dan een groot of samengesteld voorwerp, zooals een schip. Bougainville heeft omtrent deze lieden terecht opgemerkt, dat: “ils traitent les chefs-d’oeuvre de l’industrie humaine, comme ils traitent les loix de la nature et ses phénomènes.”Op den 5den Maart ankerden wij in de kreek bij Woollya, doch zagen hier geen levende ziel. Dit maakte ons ongerust, want de inboorlingen in de Straat van Ponsonby toonden door gebaren dat zij gevochten hadden; en later hoorden wij, dat de geduchte mannen van Oens de bergen waren afgedaald. Weldra zagen wij eene kano met eene kleine wapperende vlag naderen; en een der inzittenden wiesch zich deverf van het gelaat. Deze was de arme Jemmy—thans een magere, woest uitziende wilde, met lange, verwarde haren, en geheel naakt, behalve een lap van een wollen deken om het midden. Wij herkenden hem niet, voordat hij dicht bij ons was, want hij schaamde zich over zichzelf, en keerde zijn rug naar het schip. Welgedaan, dik, zindelijk en goed gekleed hadden wij hem achtergelaten: nooit zag ik zulk een pijnlijke en algeheele verandering. Zoodra hij echter gekleed en de eerste verwarring voorbij was, kreeg alles een beter aanzien. Des middags at hij met kapitein Fitz-Roy, en gebruikte zijn maal even netjes als vroeger. Hij zeide ons, dat hij “te veel” (daarmede bedoelde hij “genoeg”) te eten had; dat hij geen koude leed; dat zijne bloedverwanten zeer goede menschen waren, en dat hij niet naar Engeland wilde terugkeeren. Des avonds ontdekten wij de oorzaak van dien grooten omkeer in Jemmy’s gevoelens, door de komst van zijn jong en aardig uitziend vrouwtje. Met zijne gewone goedhartigheid bracht hij voor twee zijner beste vrienden twee fraaie ottervellen mee, en voor den kapitein eenige eigenhandig gemaakte speerpunten en pijlen. Hij zeide, dat hij eene kano voor eigen gebruik gemaakt had, en pochte er op, dat hij wat van zijne eigene taal kon spreken! Maar hoogst zonderling is het feit, dat hij zijn geheelen stam wat Engelsch schijnt geleerd te hebben, waaronder ook een ouden man, die de komst der jonge vrouw op eigen houtje met: “Jemmy Button’s wife” aankondigde. Jemmy had al wat hij bezat verloren. Hij vertelde ons, dat York Minster eene groote kano had gebouwd, en verscheidene maanden geleden met zijne vrouw Fuegia naar zijn eigen land wasgegaan, en dat zijn afscheid nemen door eene uiterst laaghartige daad gevolgd was.10Hij had Jemmy en zijne moeder overgehaald om hem te vergezellen; had hen onderweg des nachts verlaten, en elk voorwerp, dat hij bezat, ontstolen.Jemmy sliep aan het strand, keerde des morgens terug, en bleef aan boord totdat het schip de ankers lichtte. Dit maakte zijne vrouw zoo beangst, dat zij overluid bleef schreeuwen, tot hij in zijne kano kwam. Hij keerde met verscheidene voorwerpen beladen, terug. Allen aan boord deed het van harte leed hem voor het laatst de hand te moeten drukken. Ik twijfel niet of hij zal nu even gelukkig zijn als, ja wellicht gelukkiger dan wanneer hij nooit zijn land had verlaten. Ieder zal zeker oprecht hopen, dat de edele wensch van kapitein Fitz-Roy vervuld moge worden, en dat, als loon voor de vele edelmoedige offers die hij zich voor deze Vuurlanders getroostte, een in de wilde wateren dezer ruwe gewesten verongelukt zeeman bescherming zal vinden bij het nageslacht van Jemmy Button en zijn stam!... Toen Jemmy den oever bereikte, ontstak hij een seinvuur; en de rook daarvan kronkelde opwaarts om een laatst en lang vaarwel toe te wuiven, toen het schip zijn aangewezen koers door het ruime sop begon.De volkomen gelijkheid onder deindividuën, waaruit de Vuurlandsche stammen bestaan, moet hunne beschaving geruimen tijd in den weg staan. Evenals wij dieren, wier instinct hen tot een maatschappelijk leven en gehoorzaamheid aan een hoofd drijft, het meest voor ontwikkeling vatbaar zien, zoo is het ook met de rassen der menschheid. Hetzij wij het als oorzaak of als gevolg beschouwen—de meer beschaafden hebben altijd de kunstigst samengestelde regeeringen. De bewoners van Otaheite, bijv., die bij de eerste ontdekking door erfkoningen geregeerd werden, warentot een veel hoogeren trap geklommen, dan eene andere tak van hetzelfde volk—de Nieuw-Zeelanders, die, ondanks het voorrecht dat zij hunne aandacht aan den landbouw moesten schenken, republikeinen waren in den meest absoluten zin. Niet voordat in Vuurland een hoofd opstaat, die voldoende macht bezit om eenig verkregen voordeel, zooals de huisdieren, te beschermen, schijnt het haast niet mogelijk, dat de staatkundige toestand van dat land kan worden verbeterd. Thans wordt zelfs een stuk laken, dat men een hunner geeft, in reepjes gescheurd en verdeeld; en geen enkel individu wordt rijker dan de overigen. Aan den anderen kant laat zich moeilijk begrijpen, hoe een hoofd kan opstaan, voordat er eene soort van eigendom is, waardoor hij zijne meerderheid kan toonen en zijne macht uitbreiden.Ik geloof, dat de mensch in dit uiterste gedeelte van Zuid-Amerika op een lageren trap van ontwikkeling staat, dan in een ander deel der wereld. De inboorlingen der beide rassen, die de eilanden in de Stille Zuidzee bevolken, zijn betrekkelijk beschaafd. De Eskimo in zijne ondergrondsche hut, geniet eenige levensgemakken, en legt in zijne goed uitgeruste kano veel vaardigheid aan den dag. Enkele stammen van Zuid-Afrika, die rondzwerven om wortels te zoeken, en verscholen in de woeste en dorre vlakten leven, staan op een vrij lagen trap van ellende. Het dichtst bij den Vuurlander, wat de eenvoudigheid van het kunstleven betreft, staat de Australiër; maar deze kan zich nog verheffen op zijnboemerang,11zijne speer en werpstok; zijne manier om in de boomen te klimmen, de voetsporen van dieren te volgen, en op zijn jagen. Al moge de Australiër echter in vaardigheid en kennis de meerdere zijn, zoo volgt daaruit geenszins, dat hij ook in geestesgaven boven de Vuurlandersstaat; en werkelijk, naar hetgeen ik van onze drie wilde metgezellen aan boord zag, en naar wat ik van de Australiërs gelezen heb, zou ik denken dat juist het omgekeerde het geval was.121Elders vind ik dezen beukFagus antarcticagenoemd. DeWinter’s-bastwerd door kapitein Winter uit de Straat van Magelhaen meegebracht; het is een welriekende bast en bezit geneeskrachtige eigenschappen.(Vert.)2Groensteen is de oude benaming van twee na aan elkander verwante gesteenten,diorietendiabas. Dioriet is een kristallijn korrelig mengsel van triklinisch veldspaath en hoornblende, soms met bijmenging van kwarts en augiet. Het veldspaath is gewoonlijk wit, geel of groenachtig gekleurd; en hoornblende meest zwart-groen. Den naam “diabas” heeft men gegeven aan zekere donkergroene of zwarte vulkanische gesteenten, die in de oudere geologische formaties gevonden zijn; zij bestaan in hoofdzaak uitplagioklas(triklinisch veldspaath), augiet, magneet- of titaanijzer, en apatiet. De structuur is grof- tot fijnkorrelig, soms vast en dicht.(Vert.)3Dit woord is eene verbastering der Noord-Amerikaansch-Indiaansche woordenwekoe-omoet, hetgeen zeggen wil:in zijn huis. Oorspronkelijk is het eene Indiaansche hut van kegelvormige gedaante, meest van boomschors gemaakt en met vellen gedekt.(Vert.)4Deze booten zijn uit boomschors vervaardigd, en worden meest door vrouwen geroeid.(Vert.)5Met den soortnaamDiomedea(Orde:Procellariae).(Vert.)6De spelling van dit woord schijnt eenigszins twijfelachtig, hetgeen wellicht aan dialectische verschillen is toe te schrijven. Ik vind althans ook deze spellingenJammenschkenenJammenschkener.(Vert.)7Ongetwijfeld bedoelt Darwin hiermede den stam derOna’s, die forscher en kloeker gebouwd zijn dan andere Vuurlanders.(Vert.)8De hier genoemde witte stof is in gedroogden toestand vrij vast, en heeft een gering soortelijk gewicht. Prof. Ehrenberg heeft haar onderzocht, en verklaart (zieKönigl. Akademie der Wissensch., Berlin, Feb. 1845), dat zij uit infusoria bestaat, waaronder 14polygastricaen 4phytolitharia, en dat deze allen zoetwater-bewoners zijn. Dit is een schoon voorbeeld van de resultaten, die door Prof.Ehrenberg’s microscopische onderzoekingen verkregen kunnen worden; want Jemmy Button zeide mij, dat de stof altijd op den bodem van bergbeken verzameld wordt. Bovendien is het een opmerkelijk feit in de geographische verspreiding der infusoria—die, gelijk men weet,eenuitgestrekt gebied bewonen—dat alle soorten in deze stof oude bekende vormen zijn, ook al is zij uit de zuidelijkste punt van Vuurland afkomstig.9Op zekeren dag zagen wij niet ver van de Vuurlandsche kust het indrukwekkende schouwspel, dat verscheidene potvisschen (of cachelotten—Physeter macrocephalus, soortnaamCatodon) rechtop en in hunne volle lengte, met uitzondering van de staartvinnen, uit het water sprongen. Telkens als zij dan zijdelings neervielen, plaste het water hoog op, met een geluid als van een volle laag.10Kapitein Sulivan, die gedurende zijne reis op deBeaglemet het opmeten van de Falklands-Eilanden bezig was geweest, hoorde van een robbenvanger (in 1842?), dat, toen deze zich eens in het westelijk gedeelte der Straat van Magelhaen bevond, eene inlandsche vrouw bij hem aan boord was gekomen, die tot zijne verwondering wat Engelsch kon spreken. Deze vrouw was zonder twijfel Fuegia Basket. Zij leefde eenige dagen aan boord (welke uitdrukking, vrees ik, voor eene dubbele uitlegging vatbaar is.)11Een werpwapen, dat uit de hand wordt weggeslingerd, zeer merkwaardige bochten beschrijft, en eindelijk in omgekeerde richting tot den werper terugkeert.(Vert.)12Hier zij nog opgemerkt, dat de lage ontwikkelingstrap, waarop de Vuurlanders staan, blijkens onderzoekingen van den laatsten tijd, geen gevolg is van hun geringeren physieken aanleg. Men heeft nl. gevonden, dat het gemiddelde gewicht hunner hersenen—zoowel bij mannen als bij vrouwen—weinig verschilt van dat der beschaafde volken; wel bleken de afwijkingen van het gemiddelde zeer groot. Dit feit, in verband met de ervaring door Darwin en anderen opgedaan, dat sommige Vuurlanders vatbaar zijn voor beschaving, wettigt het vermoeden, dat zij van een hooger ontwikkeld volk afstammen. Dit vraagstuk is een der vele problemen, die Zuid-Amerika nog aan de wetenschap stelt. Ook weet men niet juist welken godsdienst de Vuurlanders hebben; alleen heeft men waargenomen, dat zij eene zekere vereering voor het uitspansel aan den dag leggen, en somtijds onder het aanheffen van een tamelijk welluidend gezang naar den hemel wijzen.Wat de taal der Vuurlanders betreft, zij hier vermeld, dat in het binnenland de taal der Ona’s—het Onaasch—en hare dialecten gesproken worden. Deze taal is nauw verwant aan die der Patagoniërs. Eene van het Onaasch onafhankelijke taal, hetJaghaansch, wordt gesproken aan het Beagle-kanaal, op de eilanden bij Kaap Hoorn en op Navarin—door die Vuurlanders, derhalve, met wie Darwin het meest in aanraking kwam. Al deze talen behooren tot de taalstammen van het Pampas-gebied.(Noot van den Vert.)
Hoofdstuk X.Tierra del Fuego of Vuurland.17 December 1832.Nu ik met Patagonië en de Falklands-Eilanden heb afgehandeld, zal ik onze eerste aankomst in Vuurland beschrijven. Kort na den middag zeilden wij Kaap San Diëgo om, en voeren de vermaarde Straat van Le Maire in. Wij stevenden dicht langs de Vuurlandsche kust; maar de omtrek van het rotsachtige, ongastvrije Staten-Eiland was tusschen de wolken zichtbaar. In den namiddag ankerden wij in de Baai vanGoodSuccess. Bij onze binnenkomst werden wij begroet op eene wijze, zooals den inwoners van dit wildenland betaamde. Een troep Vuurlanders zat gedeeltelijk in het dichte woud verscholen, op een ongenaakbare, boven zee uitspringende rotspunt; en nauwelijks gingen wij voorbij, of zij sprongen op, zwaaiden met hunne gescheurde mantels, en deden een luid, schreeuwend gejuich hooren. De wilden volgden het schip; en even voordat het donker was, zagen wij hunne vuren en hoorden opnieuw hun woest geschreeuw. De haven vormt een fraaien waterplas, half omringd door hooge ronde bergen van leemschiefer, die tot aan den rand van het water met een dicht en donker woud bedekt zijn. Een enkele blik op het landschap was voldoende om mij te toonen hoezeer dit verschilde van al wat ik ooit gezien had. Desnachts woei er een stevige koelte en schoten hevige rukwinden uit het gebergte over ons heen. Het moet dien nacht op zee slecht weêr geweest zijn; en wij zoowel als anderen kunnen deze kaap terechtBay of Good Successnoemen.Des morgens zond de kapitein eene bemande boot, om met de Vuurlanders te onderhandelen. Zoodra wij elkander konden beroepen, trad een der vier aanwezige inlanders naar voren om ons te ontvangen, en begon een geweldig geschreeuw aan te heffen, om ons te beduiden waar wij konden landen. Toen wij aan land waren, schenen de inboorlingen eenigszins verschrikt, maar bleven, onder het maken van snelle gebaren, doorpraten. Het was ongetwijfeld het zeldzaamste en belangwekkendste schouwspel dat ik ooit zag; ik had nooit kunnen gelooven, dat er tusschen wilden en beschaafden zulk een groot verschil was: het is grooter dan tusschen een wild en tam dier, omdat de mensch een grooter vermogen heeft zich te verbeteren. De voornaamste spreker was een oud man, die het hoofd van het gezin scheen te zijn; de drie anderen waren krachtige jonge mannen van ongeveer zes voet lang. De vrouwen en kinderen waren weggestuurd. Deze Vuurlanders behooren tot een geheel ander ras dan de niet wel opgegroeide, ongelukkige stumpers die meer westwaarts wonen, en schijnen na aan de forsche Patagoniërs der Straat van Magelhaen verwant. Hunne geheele kleeding bestaat uit een mantel van guanaco-huid, met de wol naar buiten; zij dragen dien los over de schouders geworpen, zoodat hun lichaam beurtelings bloot en gedekt is. De kleur hunner huid is groezelig koperrood.De oude man had een band van witte veêren om het hoofd gebonden, waarachter zijn zwarte, grove en verwarde haren gedeeltelijk verborgen waren. Twee breededwarsstrepen kruisten zijn gezicht: de eene, lichtrood van kleur, liep van het eene oor naar het andere en omsloot de bovenlip; de andere, wit als kalk, liep boven en evenwijdig aan de eerste, zóó dat zelfs de oogleden wit waren. De drie andere mannen waren versierd met strepen van een zwart poeder, dat uithoutskool bereid was. Het gezelschap had veel weg van de duivels, die in stukken alsDer Freischützop het tooneel komen.Hunne houding zelve was kruipend, en de uitdrukking van hun gezicht wantrouwend, verwonderd en verschrikt. Toen wij hun een scharlakenrooden doek hadden aangeboden, dien zij terstond om hun hals wonden, werden wij goede vrienden. Dit bleek hieruit, dat de oude man ons over de borst streek, en een soort klokkend of liefkoozend geluid maakte, zooals menschen die kuikens voederen. Terwijl ik met den oude voortliep, werd dit bewijs van vriendschap verscheidene keeren herhaald, en eindelijk besloten met drie harde klappen, die mij tegelijk op borst en rug gegeven werden. Daarna ontblootte hij zijne borst, opdat ik het compliment zou beantwoorden; en toen dit gedaan was, scheen hij uitermate verheugd. Voorzoover wij opmerkten, verdient de taal van deze lieden bijna niet den naam van eenegearticuleerde. Kapitein Cook heeft haar vergeleken bij het geluid van iemand, die zijn keel schraapt; maar stellig schraapte nooit een Europeaan zijne keel met zooveel harde, scherpe en korte keelklanken.Zij zijn voortreffelijkemimiciof nabootsers; telkens als wij hoestten of gaapten, of eene zonderlinge beweging maakten, bootsten zij ons onmiddellijk na. Eenigen van ons gezelschap begonnen scheel te kijken en scheeve gezichten te trekken; maar een der jonge Vuurlanders (hij wiens gezicht zwart geschilderd was, behalve een witten band over zijn oogen) maakte veel leelijker grimassen. Zij konden elk woord van een zin dien wij hun voorzeiden, volkomen juist herhalen, en herinnerden zich zulke woorden eenigen tijd. Intusschen weten alle Europeanen hoe moeilijk het is de klanken in eene vreemde taal van elkaar te onderscheiden. Wie onzer, bij voorbeeld, kon een Amerikaanschen Indiaan verder dan een zin van drie woorden lang volgen? Alle wilden schijnen dit nabootsingsvermogen in ongewone mate te bezitten. Bijna in dezelfde bewoordingen vertelde men mij dezelfde belachelijke gewoonte onder de Kaffers; ook de Australiërsstaan lang bekend om hunne bekwaamheid in het nabootsen en beschrijven van den menschelijken gang, zóó dat de persoon herkend kan worden. Hoe kunnen wij dit vermogen verklaren? Is het een gevolg der meerdere geoefendheid van het waarnemingsvermogen en de scherpe zintuigen, die allen wilden stammen gemeen is, vergeleken met de lang beschaafde?Toen ons gezelschap een lied begon te zingen, dacht ik, dat de Vuurlanders van verwondering op den grond zouden vallen. Met evenveel verbazing zagen zij ons dansen; maar op ons verzoek had een der jonge mannen geen bezwaar tegen een walsje. Hoe weinig zij ook aan Europeanen gewoon schenen, toch kenden en vreesden zij onze vuurwapenen; en niets kon hen bewegen een geweer in handen te nemen. Zij verzochten om messen, die zij bij het Spaansche woordcuchillanoemden. Ook verklaarden zij wat zij noodig hadden, door te doen alsof zij een stuk spek in den mond hadden, en dan er schijnbaar in te snijden in plaats van het vaneen te scheuren.Tot nu toe heb ik niet van de Vuurlanders gesproken, die wij aan boord hadden. Op de vorige reis van deAdventureen deBeaglein 1826 en 1830, legde kapitein Fitz-Roy de hand op een troep inboorlingen, als gijzelaars voor het verlies van eene boot, die tot groot gevaar van eenige met de opmeting belaste personen gestolen was; en eenige van deze inboorlingen, benevens een kind, dat hij voor een parelknoop gekocht had, nam hij mee naar Engeland met het plan hen voor zijne kosten op te voeden en in den godsdienst te onderwijzen. Deze inboorlingen weder naar hun land te brengen was voor kapitein Fitz-Roy eene hoofdreden waarom hij deze reis ondernam; en voordat de Admiraliteit besloten had deze expeditie uit te zenden, had de kapitein op edelmoedige wijze een schip bevracht, waarop hij hen zelf zou terugbrengen. De inboorlingen waren vergezeld van een zendeling, R. Matthews, over wien de kapitein een volledig en uitmuntend verhaal in het licht heeft gegeven, waarin ook de inboorlingen uitvoerig worden besproken.Aanvankelijk waren meegenomen twee mannen, van wie er een in Engeland aan de kinderpokken stierf, een jongen en een klein meisje; en nu hadden wij aan boord York Minster, Jemmy Button (wiens naam “Knoop” zijn inkoopsprijs uitdrukt) en Fuegia Basket. York Minster was een volwassen, kort, breed en sterk man; teruggetrokken, stilzwijgend en knorrig van aard, werd bij geweldig driftig als men hem plaagde. Hij had voor enkele personen aan boord eene zeer sterke genegenheid opgevat, en bezat een goed verstand. Jemmy Button was ieders gunsteling, maar óók opvliegend; de uitdrukking van zijn gezicht verried terstond zijn prikkelbare natuur. Hij was vroolijk, lachte dikwijls, en was bijzonder medelijdend jegens elk die pijn had. Bij ruw weder was ik vaak wat zeeziek, en dan placht hij bij mij te komen en op klagenden toon te zeggen: “Arme, arme man!”Maar het denkbeeld, dat bij gedurende zijn leven op zee gekregen had van iemand die zeeziek is, was al te kluchtig; en meestal moest hij het gezicht afwenden om een stil of luid gelach te onderdrukken, en eerst daarna zijn uitroep: “Arme, arme man!” te herhalen. Hij was vaderlandslievend van aard; prees gaarne zijn eigen stam en land, waarvan hij terecht zeide, dat er overvloed van boomen waren; schold op alle andere stammen, en verklaarde stoutweg, dat er in zijn land geen duivel was.Jemmy was klein, dik en gezet, maar ijdel op zijn persoonlijk voorkomen. Altijd droeg hij handschoenen; zijn haar was kort geknipt, en hij was wanhopig als zijne zorgvuldig gepoetste schoenen morsig werden. Hij was er op verzot zich in een spiegel te bewonderen. Een kleine Indiaansche jongen met een jolig gezicht en van de Rio Negro afkomstig, dien wij eenige maanden aan boord hadden, bemerkte dit spoedig en hield hem gewoonlijk voor den gek; maar Jemmy, die anders steeds bereid was den kleinen Indiaan van dienst te zijn, hield daar volstrekt niet van, en zeide met een eenigszins verachtelijk hoofdgebaar: “Je snatert te veel!”En toch, als ik aan al zijn vele goede eigenschappen terugdenk,schijnt het mij verwonderlijk toe, dat hij tot hetzelfde ras behoorde en ongetwijfeld hetzelfde karakter heeft bezeten als die ellendige, achterlijke wilden die wij hier het eerst ontmoetten.Wat eindelijk Fuegia Basket betreft, zij was een aardig, bescheiden, ingetogen jong meisje met een eenigszins innemend, maar somtijds knorrig uiterlijk, en zeer vlug in het leeren, vooral van talen. Dit bewees zij door het opvangen van wat Portugeesch en Spaansch, toen zij slechts korten tijd te Rio de Janeiro en Montevideo was achtergelaten, en door hare kennis van het Engelsch. York Minster was zeer jaloersch op elke attentie, die haar werd bewezen; want blijkbaar had hij plan haar te trouwen, zoodra zij aan land zouden zijn.Ofschoon alle drie vrij goed Engelsch konden spreken en verstaan, was het toch uiterst moeilijk veel inlichting uit hen te krijgen, hetgeen gedeeltelijk was toe te schrijven aan de moeite, die zij schenen te hebben om het eenvoudigste alternatief te begrijpen. Ieder, die gewoon is met zeer jonge kinderen om te gaan, weet hoe zelden men een antwoord kan krijgen zelfs op zulk eene eenvoudige vraag als: of een voorwerp wit of zwart is; het begrip zwart of wit schijnt beurtelings hun geest bezig te houden. Zoo was het ook met deze Vuurlanders; en daardoor was het meestal onmogelijk door over en weer vragen te weten te komen, of men iets, dat zij verteld hadden, goed begrepen had. Hun gezicht was bijzonder scherp. Het is wel bekend, dat zeelieden door langdurige oefening een verafzijnd voorwerp veel beter kunnen onderscheiden, dan iemand die op het land leeft; maar zoowel York als Jemmy stonden daarin ver boven een zeeman aan boord. Verscheidene malen hebben zij verklaard wat een verwijderd voorwerp was; en ofschoon het door elk in twijfel werd getrokken, bleken zij toch gelijk te hebben, als het met een kijker onderzocht werd. Zij waren zich dit vermogen ten volle bewust; en toen Jemmy met den officier van den wacht eens een kleinen twist had, zeide hij:“Wij schip zien, wij niet praat.”Belangwekkend was het de houding der wilden tegenover Jemmy Button gade te slaan, toen wij landden; onmiddellijk bespeurden zij het verschil tusschen hem en ons, en spraken samen druk over dit onderwerp. De oude man hield eene lange toespraak tot Jemmy, waarin hij hem scheen uit te noodigen bij hen te blijven. Maar Jemmy begreep hunne taal zeer weinig, en schaamde zich daarenboven diep over zijne landgenooten. Toen York Minster daarna aan land kwam, herkenden zij ook hem, en beduidden hem dat hij zich moest scheren; toch had de man geen twintig stoppelharen op zijn gezicht, terwijl wij allen ongeschoren baarden droegen. Zij onderzochten de kleur van zijne huid en vergeleken die met de onze. Toen zij een onzer armen bloot zagen, drukten zij hunne levendigste verbazing en bewondering uit over de witheid er van, juist zooals wij in den Dierentuin den orang-oetang hebben zien doen. Uit hunne gebaren maakten wij op, dat zij twee of drie onzer officieren, die, ofschoon met volle baarden prijkende, kleiner en knapper waren dan de anderen, voor de dames van ons gezelschap hielden. De grootste onder de Vuurlanders had er blijkbaar veel schik in, dat zijne lengte de aandacht trok. Toen hij rug aan rug tegen den grootsten van ons scheepsvolk geplaatst werd, deed hij zijn best om naar een hooger stuk grond te schuiven en op de teenen te staan. Hij opende den mond om zijne tanden te laten zien, en draaide het hoofd om zijwaarts te kijken; en dit alles deed hij met zulk eene vroolijkheid, dat ik overtuigd ben, hij zichzelven voor den schoonsten man in Vuurland hield. Nadat ons eerste gevoel van diepe verwondering voorbij was, konden wij ons niets belachelijkere denken dan het zonderlinge mengsel van verbazing en nabootsing, dat deze wilden elk oogenblik te zien gaven.Den volgenden dag poogde ik dieper landwaarts in te dringen. Vuurland kan beschreven worden als een bergachtig land, dat gedeeltelijk onder zee is gezonken, zoodat diepe kreken en baaien liggen op plaatsen waar dalen moestenzijn. Behalve aan de open westkust, zijn de berghellingen van af den rand van het water met een onafgebroken woud bedekt. De boomgordel reikt tot eene hoogte van 1000 tot 1500 voet, en wordt opgevolgd door een veengordel met kleine Alpenplanten; op dezen volgt weer de grens der eeuwige sneeuw, die, volgens kapitein King, in de Straat van Magelhaen eene hoogte bereikt van 3000 tot 4000 voet. Hoogst zelden vindt men ergens in dit land een acre vlakken grond. Ik herinner mij slechts een klein vlak stuk nabijPort Famine, en een tweede iets grooter in oppervlakte bijGoeree Roads. Op beide plaatsen en verder overal is de oppervlakte met eene dikke, moerassige veenlaag bedekt. Zelfs in het woud is de grond onder een hoop langzaam rottende plantenstoffen verborgen, die van water doortrokken, onder den voet wegzinkt.Daar ik het bijna hopeloos achtte door het woud een weg te banen, volgde ik den loop van een bergstroom. Eerst kon ik vanwege de watervallen en de menigte doode boomen slechts met moeite voortkruipen; maar spoedig werd het stroombed iets ruimer, doordien de vloed de kanten had schoongeveegd. Langzaam volgde ik een uur achtereen de gebroken en rotsachtige oevers, en werd door de grootschheid van het landschap ruimschoots voor mijn zwoegen beloond. De donkere diepe rotskloof paste volkomen bij de algemeene sporen van geweld. Aan beide zijden lage vormlooze steenhoopen en afgerukte boomen; andere boomen, hoewel nog staande, waren van binnen geheel vergaan en stonden op het punt te vallen. Het warbosch van groeiende en gevallen stammen deed mij denken aan de wouden in de keerkringen, met dit verschil echter, dat in deze stille eenzaamheden Dood in plaats van Leven de overheerschende natuurkracht scheen te zijn. Ik volgde den waterstroom totdat ik aan eene plek kwam, waar een groote grondverschuiving een rechte strook van de berghelling had blootgelegd. Langs dezen weg klom ik tot eene aanzienlijke hoogte, en kreeg zoodoende een goed uitzicht op de omringende bosschen. De boomen behoorden alle tot ééne soort,Fagusbetuloides; want het aantal andere soortenFagusen dat der Winter’s-basten (Drymis Winteri) is zeer onbeteekenend.1Deze beuk behoudt het geheele jaar door zijne bladeren, die echter eene eigenaardige bruingroene, eenigszins geel getinte kleur bezitten. Daar het geheele landschap zoo gekleurd is, heeft het een somber, eentonig voorkomen, waarbij nog komt, dat het niet vaak door de zonnestralen verlevendigd wordt.20 December.De eene zijde der haven wordt gevormd door een omstreeks 1500 voet hoogen berg, dien kapitein Fitz-Roy naar Sir J. Banks noemde, ter nagedachtenis aan diens rampspoedigen tocht, welke voor twee mannen van zijn gezelschap, en bijna ook voor Dr. Solander een noodlottigen afloop had. De sneeuwstorm, die de oorzaak van zijn ongeluk was, woei in het midden van Januari, overeenkomende met onze maand Juli, en op de breedte vanDurham! Ik was verlangend den top van dezen berg te bereiken, om Alpenplanten te verzamelen; want in de lagere gedeelten is het aantal bloemen gering. Wij volgden denzelfden bergstroom als daags te voren, tot waar hij dood liep, en waren toen genoodzaakt op goed geluk tusschen de boomen door te kruipen. Wegens de hoogte en den invloed der hevige winden, waren deze boomen laag, dik en gebogen. Eindelijk bereikten wij de plek, die van verre een fraai groen grastapijt geleek, maar tot onzen spijt een dicht bosch van beukeboompjes bleek te zijn, van vier tot vijf voet hoogte. Zij stonden even dicht opeen, als taxisboomen (buxus) aan den rand van een tuin, en wij moesten over de effene maar verraderlijke oppervlakte met geweld voortdringen. Na nog eenige inspanning bereikten wij het veen, en toen de naakte schieferrots.Een rotskam verbond dezen berg met een anderen, die eenige mijlen verder lag en, blijkens de daarop liggendevlakjes sneeuw, hooger was. Daar het nog niet laat op den dag was, besloot ik er heen te wandelen en planten langs den weg te zamelen. Dit zou een zeer moeilijk werk geweest zijn, indien er geen goed gebaand en recht pad geweest was, dat deguanaco’sgemaakt hadden, welke dieren, evenals schapen, altijd denzelfden weg volgen. Toen wij den berg bereikten, vonden wij, dat deze de hoogste in den naasten omtrek was. De bergstroomen vloeiden hier in tegengestelde richtingen naar zee. Wij hadden een ruim uitzicht over de naburige streek: in het noorden strekte zich een groot moerasland uit; maar zuidwaarts ontrolde zich een panorama van wild natuurschoon, dat Vuurland ten volle waardig was. Er lag een zweem van geheimzinnige grootschheid in die eindelooze reeks van bergen, met hunne diepe tusschenliggende valleien, allen met een dichte, donkere woudmassa bedekt. In dit klimaat, waar de stormen elkander opvolgen met regen, hagel en ijzel, schijnt ook de dampkring zwarter dan elders. In de Straat van Magelhaen, even zuidelijk onderPort Faminegelegen, schenen de afgelegen kanalen tusschen de bergen naar het einde der wereld te vloeien—zoo somber was hun aanblik.21 December.DeBeaglelichtte het anker; en onder begunstiging van eene bijzonder voorspoedige oostelijke bries, bereikten wij den volgenden dag deBarneveldts-Eilanden, stuurden om KaapDeceitmet hare spitse rotsen, en zeilden te ongeveer drie ure om de door weêr en stormen geteisterde Kaap Hoorn. De avond was kalm en helder, en wij hadden een fraai uitzicht op de omringende eilandjes. Kaap Hoorn eischte echter haar tol, en joeg ons vóór den nacht eene stijve bries in ’t gezicht. Wij bleven dien nacht op zee, en stevenden den volgenden dag opnieuw naar land, toen wij dit vermaarde voorgebergte in zijn waren vorm te loever voor ons zagen: gesluierd in een mist, en de wazige omtrek gehuld in een bui van storm en regen. Groote zwarte wolken gierden langs den hemel, en hevige regenbuien, vergezeld van hagel, joegen met zooveel geweld over ons heen, dat de kapiteinbesloot in Wigwam-Kreek binnen te loopen. Dit is eene kleine beschutte haven niet ver van Kaap Hoorn; en het was hier, dat wij op Kerstavond in kalm water het anker lieten vallen. Het eenige, dat ons aan den storm buiten herinnerde, was nu en dan een rukwind van de bergen, die het schip aan zijne ankers deed stampen.25 December.Dicht bij de kreek verrijst een steile berg, Kater’s Piek genaamd, die eene hoogte heeft van 1700 voet. De omringende eilanden bestaan alle uit kegelvormige bergen vangroensteen,2soms in vereeniging met minder regelmatige heuvels van kristallijn-gemetamorphoseerd leemschiefer. Dit deel van Vuurland kan men als het einde der gezonken bergketen beschouwen, waarop ik reeds doelde. De kreek ontleent haren naam “Wigwam” aan enkele Vuurlandsche woningen; maar met hetzelfde recht zou elke baai in den omtrek zoo genoemd mogen worden. De bewoners, die voornamelijk van schaaldieren leven, zijn verplicht voortdurend van woonplaats te veranderen, doch keeren na verloop van zekeren tijd naar dezelfde plaatsen terug, zooals blijkt uit de stapels oude schelpen, die dikwijls verscheidene tonnen zwaar moeten zijn. Men kan deze hoopen reeds op een afstand onderscheiden aan de heldergroene kleur van sommige planten, die er steeds op groeien. Van deze kunnen genoemd worden de wilde selderij (Apium graveolens) en het lepelblad (Cochlearia): twee zeer nuttige planten, waarvan de inboorlingen het gebruik niet ontdekt hebben.De Vuurlandsche wigwam3gelijkt in grootte en afmetingen op een hooiopper, en bestaat slechts uit enkele afgebroken takken, die in den grond zijn gestoken en aan één kant zeer onvolkomen met eenige bosjes gras en biezen zijn afgedekt. Het geheel is nauwelijks het werk van een uur, en wordt slechts voor een paar dagen gebruikt. TeGoeree-Roadszag ik een plek, waar een dezer naakte mannen geslapen had, en die volstrekt niet meer beschutting bood dan een hazenleger. De man leefde blijkbaar op zichzelf; en York Minster zeide, dat hij een “zeer slecht man” was, die mogelijk iets gestolen had. Aan de westkust echter, zijn de wigwams iets beter, want daar zijn zij met robbevellen gedekt. Wij werden hier verscheidene dagen door het slechte weêr opgehouden. Het klimaat is alleszins ellendig; ofschoon het zomer-solstitium voorbij was, viel er elken dag sneeuw op de bergen, en in de dalen regen vergezeld van ijzel. De thermometer stond meestal op 45° F., maar daalde des nachts tot 38° of 40°. Wegens den vochtigen en onstuimigen toestand van den dampkring, die door geen zonnestraal werd opgehelderd, stelde men zich het klimaat zelfs slechter voor dan het in werkelijkheid was.Toen wij op zekeren dag bij het eiland Wollaston aan land gingen, roeiden wij voorbij een kano4met zes Vuurlanders. Deze waren de ellendigste en meest verworpen schepsels, die ik ooit zag. Aan de oostkust dragen de inboorlingen, zooals wij gezien hebben, guanaco-mantels; maar aan de westkust robbevellen. Onder deze middenstammen hebben de mannen meestal een ottervel, of een klein lapje ongeveer zoo groot als een zakdoek, dat nauwelijks voldoende is om hun rug tot aan de lendenen te bedekken. Met koorden of pezen wordt het over de borst bevestigd, en naar gelangvan den wind verschuift het telkens van plaats. Maar deze Vuurlanders in de kano waren geheel naakt, en zelfs met de vrouwen was dit zoo. Het regende hevig, en het frissche water gutste tegelijk met het zeeschuim over hun lichaam. In eene andere, niet ver van daar gelegen haven kwam eens eene vrouw, die een pasgeboren kind zoogde, op zijde van het schip en bleef daar uit loutere nieuwsgierigheid, terwijl de ijzel op haar blooten boezem viel en dooide, en op de huid van haren naakten zuigeling!Kwijnend en gebrekkig waren deze arme schepsels opgegroeid; hunne afschuwelijke gezichten waren besmeerd met witte verf, hun huid was vuil en vettig, hun haar verward, hunne stem wanluidend, en heftig hunne gebaren. Bij het zien van zulke menschen kan men zich moeilijk wijsmaken, dat zij medeschepselen en bewoners van dezelfde wereld zijn. Een algemeen onderwerp voor gissingen vormt de vraag, welk levensgenot sommige lagere dieren kunnen smaken; doch met hoeveel meer reden kan men dezelfde vraag doen ten opzichte van deze wilden! Des nachts slapen vijf of zes menschelijke wezens, naakt en bijna zonder beschutting tegen den wind en regen van dit stormachtige klimaat, op den natten grond, als dieren in elkaar gerold. Zoodra het laag water is, in winter of zomer, bij nacht of bij dag, moeten zij uit om schaaldieren van de rotsen te plukken; en de vrouwen duiken in ’t water om zeeëgels te garen, of zitten geduldig in hare kano’s vischjes uit het water te slingeren, met een haarlijn zonder haak, waaraan een aas bevestigd is. Wordt een rob gedood of het drijvende lijk van een rottenden walvisch ontdekt, dan is het feest; en dit ellendige voedsel wordt met eenige onsmakelijke bessen en paddenstoelen verorberd!Dikwijls lijden zij honger. Low, een robbenjager, die de inboorlingen van dit land van zeer nabij kent, deed mij een merkwaardig verhaal van den toestand, waarin een troep van 150 inboorlingen aan de westkust leefde, die zeer armoedig waren en in groote ellende verkeerden. Voortdurende stormen beletten de vrouwen schaaldieren op derotsen te plukken; ook konden zij niet in hare kano’s gaan om robben te vangen. Op zekeren morgen ging een troepje van deze mannen op weg; en de andere Vuurlanders vertelden toen, dat zij een vierdaagschen tocht deden om voedsel te zoeken. Bij hunne terugkomst ging Low hun te gemoet en vond hen uiterst afgemat. Elk man droeg een groot vierkant stuk rottend walvischspek met een gat in het midden, waardoor hij het hoofd stak, evenals de Gauchos met hunneponcho’sof mantels doen. Zoodra het spek in een wigwam gebracht was, sneed een oud man er dunne mooten af, roosterde die eenige oogenblikken onder het prevelen van eenige woorden, en verdeelde ze toen onder het hongerige gezelschap, dat al dien tijd een diep stilzwijgen bewaarde. Low denkt, dat als er een walvisch op het strand wordt geworpen, de inboorlingen groote stukken er van in het zand bewaren, als een redmiddel in tijd van hongersnood; en een Vuurlandsche jongen, dien hij aan boord had, vond eens een geheelen voorraad, welke aldus begraven was.De verschillende stammen zijn, als zij oorlog voeren, kannibalen. Volgens de gelijkluidende, doch geheel onafhankelijke verhalen van den jongen van Low en van Jemmy Button, is het eene stellige waarheid, dat, als de honger hen des winters kwelt, zij hunne oude vrouwen dooden en verslinden, voordat zij hunne honden dooden. Toen Low den knaap vroeg, waarom zij dit deden, antwoordde hij:“Hondjes vangen otters, oude vrouwen niet.”Deze jongen beschreef de manier waarop zij gedood worden: men houdt ze namelijk boven den rook, totdat zij stikken; spottend bootste hij haar geschreeuw na, en beschreef de gedeelten van haar lichaam, die als het beste voedsel worden beschouwd. Zulk een dood door de handen van vrienden en verwanten moet afgrijselijk zijn; maar pijnlijker is het, als men denkt aan de vrees der oudjes zelven, wanneer de honger begint te knagen. Men vertelde ons, dat zij dan dikwijls naar de bergen vluchten, maar dat zij door de mannen achtervolgd en naar het slachthuis, bij hare eigen haarden worden teruggebracht!Kapitein Fitz-Roy kon nooit te weten komen of de Vuurlanders een duidelijk besef hebben van een leven hiernamaals. Soms begraven zij hunne dooden in holen, soms in de wouden op het gebergte; wij weten ook niet welke ceremonieën zij verrichten. Jemmy Button wilde geen landvogels eten, omdat zij “doode menschen eten.” Zij willen zelfs hunne dooden vrienden niet herdenken. Wij hebben geen reden te gelooven, dat zij een soort godvruchtigen eeredienst verrichten, ofschoon het prevelen van den ouden man voordat hij het rottende spek onder zijn uitgehongerd gezelschap verdeelde, misschien iets van dien aard was. Elke familie of stam heeft een toovenaar of heksenmeester, wiens taak wij nooit duidelijk konden te weten komen. Jemmy geloofde aan droomen, ofschoon niet aan den duivel, zooals ik gezegd heb. Ik voor mij denk niet, dat onze Vuurlanders veel bijgelooviger waren dan enkele zeelieden; want een oude kwartiermeester geloofde vast, dat de aanhoudende zware stormen, waarmede wij bij Kaap Hoorn moesten kampen, veroorzaakt werden door de wilden die wij aan boord hadden. Het dichtst bij een godsdienstig gevoel kwam, voorzoover ik weet, een trek door York Minster aan den dag gelegd, die, toen Bynoe eenige zeer jonge eenden had geschoten, op den plechtigsten toon zeide:“O, Mr. Bynoe, veel regen, sneeuw, veel windvlagen.”Blijkbaar was dit eene straf ter vergelding voor het vernielen van menschenvoedsel. Op heftige en overspannen wijze vertelde hij ook, dat zijn broeder, toen hij eens naar de kust terugkeerde om eenige doode vogels op te rapen, eenige vederen had zien waaien...“Wat dat?” zeide zijn broeder (York bootste diens manieren na); en voortkruipende, sprong hij over de rots en zag “wilde man,” die zijne vogels opraapte. Hij kroop nog dichter bij, slingerde toen een grooten steen omlaag en doodde hem. “Langen tijd daarna,”verklaarde York,“woedden stormen, en viel er veel sneeuw en regen”...Voorzoover wij konden uitmaken, scheen hij de elementen zelven als de wrekende machten te beschouwen. Het isduidelijk, dat in dit geval bij een eenigszins beschaafder ras de elementen op natuurlijke wijze door personen zouden worden voorgesteld. Wie of wat die “slechte wilde mannen” waren, heeft mij altijd hoogst geheimzinnig toegeschenen. Uit hetgeen York zeide, toen wij het ellendige hazenleger vonden, waar een alleenlevend man den vorigen nacht geslapen had, zou ik hen voor dieven hebben gehouden, die door hunne stammen verdreven waren; maar andere duistere woorden deden mij hieraan twijfelen. Soms heb ik gedacht, dat de waarschijnlijkste verklaring was hen voor krankzinnigen te houden.De verschillende stammen hebben geen regeering of hoofd; toch is elke stam door andere vijandige omringd, die verschillende dialecten spreken en slechts door een verlaten strook onzijdig gebied van elkaar gescheiden zijn. De aanleiding tot hunne oorlogen schijnt het middel van bestaan te wezen. Hun land is eene, hier en daar afgebroken aaneenschakeling van ongenaakbare rotsen, hooge bergen en onnutte wouden, die gehuld zijn in misten en eindelooze stormen. Het bewoonbare land bepaalt zich tot de steenen op het strand; bij het zoeken naar voedsel zijn zij steeds gedwongen van de eene plek naar de andere te trekken; en de kust is zoo steil, dat zij die tochten niet anders dan in hunne ellendige kano’s kunnen doen. Het begrip van een eigen huis, en nog meer dat van huiselijke liefde kunnen zij niet hebben, want de echtgenoot staat tegenover de vrouw als een ruwe meester tegenover eene werkzame slavin. Werd ooit eene afschuwelijker daad bedreven, dan die welke door Byron aan de westkust is bijgewoond, die eene ongelukkige moeder haar bloedend en stervend kind zag opnemen, dat haar echtgenoot meedoogenloos tegen de steenen had verpletterd, omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen? Hoe weinig kunnen hier de hoogere functiën van den geest in ’t spel worden gebracht; wat is er dat de verbeelding kan malen, dat de rede vergelijken, dat het oordeel kan beslissen? Eene zeeslak van de rots te plukken, vereischt zelfs geen list—die laagste functie van den geest.De bekwaamheid dezer schepsels is in sommige opzichten bij het instinct der dieren te vergelijken, want zij wordt door de ervaring niet verbeterd. Door Drake weten wij, dat de kano, trots al hare ellendigheid hun meest vernuftig werk, in de laatste 250 jaren dezelfde is gebleven.Als men deze wilden aanziet, rijst de vraag: van waar zijn zij gekomen? Wat kon een menschenstam bewogen hebben, of welke verandering dwong hem de betere gewesten van het noorden te verlaten; de Cordilleras of ruggegraat van Amerika zuidwaarts af te zwerven; kano’s uit te vinden en te bouwen, die door geen enkelen stam in Chili, Peru en Brazilië gebruikt worden, en eindelijk een der onherbergzaamste oorden binnen te dringen, die op aarde te vinden zijn? Hoewel zulke gedachten terstond bij ons moeten opkomen, kunnen wij toch zeker zijn, dat wij gedeeltelijk dwalen. Er is geen reden om te denken, dat de Vuurlanders in aantal verminderen; wij moeten dus aannemen dat zij een voldoende mate van geluk—hoe dit dan ook zij—smaken, om het leven op prijs te stellen. De natuur, die de gewoonte almachtig en hare werkingen erfelijk maakt, heeft den Vuurlander voor het klimaat en de voortbrengselen van zijn ellendig land geschikt gemaakt.Nadat wij zes dagen door zeer slecht weder in Wigwam-Kreek waren opgehouden, staken wij op 30 December in zee. Kapitein Fitz-Roy wilde westwaarts gaan, om York en Fuegia in hun eigen land aan wal te zetten. Op zee hadden wij voortdurend stormen en tegenstroom, met het gevolg dat wij naar 57° 23′ zuidelijk dreven. Door alle zeilen bij te zetten, kwamen wij op 11 Januari 1833 tot op enkele mijlen afstand van den hoogen rotsachtigen berg York Minster (zoo gedoopt door kapitein Cook, en de oorsprong van den naam van onzen oudsten Vuurlander), toen een geweldige orkaan ons noodzaakte zeil te minderen en op zee te blijven. Vreeselijk woedde de branding op de kust, en het schuim sloeg over rotsen, die naar onze schatting 200 voet hoog waren. Op den 12den was de storm zeer hevig, en wisten wij nietjuist waar wij waren. Het was alleronaangenaamst telkens den kreet te hooren herhalen:“Kijk goed uit aan lij!”Op den 13den woedde de storm in al zijne kracht, en was onze horizon sterk gekrompen door de hoozen schuim, welke de wind voortjoeg. Onheilspellend was de aanblik der zee, gelijk eene woeste golvende vlakte, vol opgewaaide jachtsneeuw. Terwijl het schip hevig werkte, dreef de albatros of stormvogel5met uitgespreide vleugels recht in den wind. Op den middag sloeg eene hooge zee over het schip en vulde een der walvischbooten, die onmiddellijk moest worden gekapt. De armeBeagletrilde onder den schok, en wilde eenige minuten lang niet naar zijn stuur luisteren; maar zooals een goed schip van zijn slag betaamde, richtte hij zich spoedig weder op, en ging andermaal te loever. Ware eene tweede zee de eerste gevolgd, dan zou ons lot weldra en voorgoed beslist zijn geweest. Wij trachtten nu reeds 24 dagen lang te vergeefs naar het westen te stevenen; de mannen waren op van vermoeienis, en hadden gedurende vele dagen en nachten geen droog stuk kleeren aan het lijf gehad. Toen gaf onze kapitein de poging om langs de buitenkust naar het westen te gaan op. Des avonds liepen wij achter Valsche Kaap Hoorn binnen, en lieten 47 vademen diep ons anker vallen, waarbij de ketting met zulk eene snelheid afliep, dat het vuur uit het windas sprong. Hoe heerlijk was die stille nacht, na zulk een lange worsteling onder het geraas der strijdende elementen!15 Januari 1833.DeBeagleankerde inGoeree-Roads. Daar onze kapitein besloten had de beide Vuurlanders, overeenkomstig hunnen wensch, in de Straat van Ponsonby aan land te zetten, werden vier booten uitgerust om hen door het Beagle-kanaal te brengen. Dit kanaal, hetwelk door kapitein Fitz-Roy op de vorige reis ontdekt werd, is een hoogst merkwaardig geographischpunt van dit land of eigenlijk van de geheele wereld. Men kan het vergelijken bij de vallei van Loch Ness in Schotland, met hare aaneenschakeling van meren en zeearmen. Het is ongeveer 120 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van omstreeks twee mijlen, welke niet aan veel verandering onderhevig is, en is voor het grootste gedeelte zoo volkomen recht, dat onze blik, die aan weerszijden door eene reeks van bergen begrensd wordt, zich allengs in de wijde verte verliest. Het doorsnijdt het zuidelijk deel van Vuurland in de richting oost-west, en is in het midden aan de zuidzijde rechthoekig verbonden met een kanaal van onregelmatigen vorm, dat “Ponsonby Sound” genoemd is. Hier is de woonplaats van Jemmy Button’s stam en familie.19 Januari.Drie walvischbooten en de sloep, met eene bemanning van 28 koppen, verlieten onder bevel van kapitein Fitz-Roy het schip. In den namiddag voeren wij de oostelijke monding van het kanaal binnen, en vonden kort daarop eene aardige kleine kreek, die tusschen eenige eilandjes verscholen lag. Hier sloegen wij onze tenten op en staken onze vuren aan. Schilderachtiger tooneel dan dit laat zich niet denken. Het klare water in de kleine haven; de boomen die hunne takken over den rotsachtigen oever lieten hangen; de voor anker liggende booten; de tenten die over de gekruiste riemen waren gespannen, en de dwarrelende rookwolkjes boven het dicht begroeide dal—dit alles vormde een tafereel van stille afzondering. Den volgenden dag (20 Januari) dreven wij in onzen kleinen inham kalm verder, en kwamen in een meer bewoond district. Weinige inboorlingen, misschien geen enkele, konden ooit een blanke gezien hebben; en hunne verbazing over de verschijning der vier booten laat zich dan ook niet beschrijven. Op elk punt werden vuren ontstoken (hieraan is de naam “Vuurland” ontleend), niet alleen om onze aandacht te trekken, maar ook om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Enkele mannen liepen mijlen ver langs het strand mee. Nooit zal ik den woesten en schilderachtigen aanblik vergeten van een groep van vier of vijf mannen,die plotseling aan den rand eener overhangende rots verschenen. Zij waren geheel naakt, en hunne lange haren fladderden wild over hunne aangezichten; met knoestige stokken in de hand sprongen zij van den grond op, zwaaiden hunne armen boven het hoofd en lieten het afschuwelijkste gegil hooren.Op etenstijd landden wij onder een troep Vuurlanders, die eerst niet geneigd waren ons vriendelijk te ontvangen; want zij hielden hunne slingers in de handen, zoolang tot onze kapitein met zijne boot naar voren roeide. Het duurde echter niet lang of wij wisten hen met beuzelachtige geschenken te vermaken, zooals met rood lint, dat wij om hunne hoofden bonden. Ons beschuit smaakte hun; maar toen een der wilden met zijn vinger het in tinnen bussen bewaarde vleesch aanraakte, dat ik bezig was te eten, en voelde dat het zacht en koud was, legde hij evenveel afkeer aan den dag, als ik zou gedaan hebben met verrot spek. Jemmy schaamde zich diep over zijne landgenooten, en verklaarde, dat zijn eigen stam geheel anders was; doch hierin vergiste hij zich deerlijk. Het was even gemakkelijk deze wilden te behagen als moeilijk om hun te voldoen. Jong en oud, kinderen en volwassenen herhaalden steeds het woord:Yammerschooner,6hetgeen zeggen wil: “Geef mij.” Wijzend naar bijna elk voorwerp, het een na het ander, zelfs naar de knoopen op onze jassen, uitten zij hun geliefkoosd woord in alle mogelijke klanken; bezigden het dan in onzijdigen zin, en herhaalden werktuigelijk:Yammerschooner. Hadden zij hoogst verlangend om een of ander voorwerpgeyammerschoonerd, dan wezen zij met een eenvoudig gebaar naar hunne jonge vrouwen of kleine kinderen, als wilden zij daarmee zeggen: “Indien gij het niet aan mij wilt geven, dan geeft gij het toch zeker wel aan deze.”Des nachts poogden wij vruchteloos eene onbewoonde kreek te vinden, en waren eindelijk gedwongen niet ver van een troep wilden te bivouakeeren. Zoolang hun aantal gering was, waren zij zeer onschadelijk; maar toen zich op den morgen van den 21sten anderen bij hen voegden, gaven zij teekenen van vijandigheid, en dachten wij dat het tot eene schermutseling zou komen. Een Europeaan heeft veel in zijn nadeel, als hij te doen heeft met wilden zooals deze, die niet het minste begrip hebben van de kracht van vuurwapenen. In het aanleggen van zijn geweer schijnt hij in het oog van den wilde ver beneden iemand, die gewapend is met boog en pijlen, een speer of zelfs een slinger. Ook is het niet gemakkelijk hun onze meerderheid te toonen, tenzij door een noodlottig salvo. Evenals wilde beesten, schijnen zij niet op getalsterkte te letten; want elk individu zal, zoo hij wordt aangevallen, in stede van te wijken, met een steen u de hersenen trachten in te slaan, evenals een tijger onder zulke omstandigheden u zeker zou verscheuren.Toen kapitein Fitz-Roy eens om goede redenen een troepje van deze lieden vrees wilde aanjagen, zwaaide hij een hartsvanger dicht voor hunne oogen—waarom zij eenvoudig lachten; toen schoot hij vlak bij een inboorling tweemaal zijn pistool af. Beide keeren keek de man verwonderd op, en wreef zorgvuldig maar snel zijn hoofd; toen stond hij een poos besluiteloos en babbelde tot zijne metgezellen, doch scheen volstrekt niet aan wegloopen te denken. Wij kunnen ons moeilijk in de plaats van deze wilden stellen en hunne handelingen begrijpen. Wat dezen Vuurlander betrof, nooit kon hij gedacht hebben aan de mogelijkheid van een geluid zooals het knallen van een geweer vlak bij zijn oor. Misschien wist hij bij het tweede schot letterlijk niet of het een geluid dan wel een slag was, en wreef hij daarom zeer natuurlijk zijn oor. Zoo zal het ook, wanneer een wilde een kogel doel ziet treffen, eenigen tijd kunnen duren, voordat hij ten volle kan begrijpen hoe dit gekomen is; want het feit dat een lichaam ten gevolge van zijne snelheid onzichtbaar is, zou misschien volkomen onbegrijpelijk voor hemzijn. Bovendien zou de verbazende kracht, waarmede een kogel eene harde stof doorboort zonder haar te scheuren, den wilde kunnen overtuigen, dat hij in ’t geheel geen kracht bezit. Ik geloof zeker, dat vele wilden van den laagsten graad, zooals die in Vuurland, voorwerpen met een kogel hebben zien treffen, en zelfs kleine dieren zien dooden, zonder ook maar in het minst te beseffen welk een doodelijk werktuig het geweer is.22 Januari.Nadat wij een ongestoorden nacht hadden doorgebracht op de plek, die onzijdig gebied scheen tusschen Jemmy’s stam en het volk dat wij gisteren zagen, zeilden wij in aangename stemming verder. Ik ken geen duidelijker bewijs voor de vijandige verhouding der verschillende stammen, dan deze breede grensstrooken of onzijdige gronden. Ofschoon Jemmy Button de sterkte van onzen troep wel kende, was hij eerst niet geneigd onder den vijandigen stam die het dichtst bij den zijnen woonde, aan land te gaan. Dikwijls vertelde hij ons hoe de wilde mannen van Oens7“als de bladeren rood werden” van de oostkust van Vuurland over het gebergte trokken, en invallen deden bij de inboorlingen in dit gedeelte des lands. Hoogst belangrijk was het hem gade te slaan als hij zoo sprak: dan glinsterden zijne oogen en kreeg zijn gelaat eene ongewone en wilde uitdrukking. Toen wij verder in het Beagle-kanaal kwamen, vertoonde het landschap een ongewonen en zeer prachtigen aanblik; maar de indruk er van werd zeer verzwakt door ons laag gelegen standpunt in eene boot, en omdat wij langs de vallei keken, waardoor al de schoonheid die eene opvolging van bergtoppen te zien geeft, verloren ging. De bergen waren hier omtrent 3000 voet hoog, en eindigden in scherpe en getande punten. Zij verrezen in eene onafgebroken rij uit den rand van het water, en waren tot op eene hoogte van 1400 of 1500 voet met de somber gekleurde wouden bedekt. Hoogstbelangwekkend was het tezien, hoe zuiver horizontaal de lijn, tot waar de boomen ophielden te groeien, langs de berghellingen liep; zij geleek volmaakt het hoogwatermerk van drijfwier op eene zeekust.Des nachts sliepen wij dicht bij het punt waar de Straat van Ponsonby in het Beagle-kanaal valt. Eene kleine familie Vuurlanders, die in de kreek woonde en uit rustige, vreedzame lieden bestond, schaarde zich spoedig om ons vlammend wachtvuur. Wij waren goed gekleed, zaten dicht bij het vuur en hadden het toch alles behalve warm; maar deze naakte wilden, ofschoon verderaf staande, zagen wij tot onze verwondering baden in hun zweet, toen zij den vuurgloed voelden. Zij schenen echter wel in hun schik, en zongen allen in het koor onzer zeelieden mede; maar de wijze waarop zij steeds daarbij wat achterbleven, was alleszins vermakelijk.Gedurende den nacht had het nieuws zich verspreid, en vroeg in den morgen van den 23sten daagde een nieuwe troep op, behoorende tot de Tekenika, of den stam van Jemmy. Vele van hen hadden zoo hard geloopen, dat hunne neuzen bloedden, en door het snelle spreken het schuim op hun mond kwam. Daarbij gevoegd de zwarte, witte en roode beschilderingen op hunne naakte lichamen, geleken zij inderdaad een troep duivels, die aan het vechten waren geweest.8Door 12 kano’s, in elk waarvan vier of vijfinboorlingen, vergezeld, zakten wij toen de Straat van Ponsonby af, naar de plek waar de arme Jemmy zijne moeder en bloedverwanten dacht te vinden. Reeds had hij gehoord, dat zijn vader dood was; maar wijl hij daarvan reeds “een droom in het hoofd” had gehad, scheen hij zich om dit punt niet te bekommeren, en troostte hij zich telkens met de zeer natuurlijke gedachte: “Wij kunnen er niets aan doen.” Hij kon geen bijzonderheden over zijns vaders dood te weten komen, daar zijne bloedverwanten er niet van wilden spreken.Jemmy was nu in eene hem welbekende streek, en geleidde de booten naar eene stille, schilderachtige kreek, Woollya genaamd, die omringd was van eilandjes, waarvan elk zijn eigen oorspronkelijken naam droeg. Wij vonden hier eene familie van Jemmy’s stam, maar niet zijne bloedverwanten; en nadat wij samen vriendschap hadden gesloten, stuurden zij des avonds eene kano uit, om Jemmy’s moeder en broeders van zijne komst te verwittigen. De kreek werd door eenige acres goed, glooiend terrein begrensd, dat niet zooals elders met veen of woudboomen bedekt was. Zooals wij boven zeiden, had onze kapitein aanvankelijk plan om York en Fuegia naar hun eigen stam aan de westkust te brengen; daar zij echter den wensch uitdrukten hier te blijven en de plek bijzonder gunstig was, besloten wij het geheele gezelschap, waaronder den zendeling Matthews, hier te vestigen. Vijf dagen werden besteed om drie groote wigwams voor hen te bouwen, hun goed aan land te brengen, twee tuinen te spitten, en daarop te zaaien.Den morgen na onze komst (24 Januari) keerden de Vuurlanders terug, en brachten Jemmy’s moeder en broeders mede. Jemmy herkende de stentorstem van eene zijner broeders reeds op zeer grooten afstand. De ontmoeting was minder belangwekkend dan tusschen een paard dat naar het veld gebracht wordt, en een ouden makker dien het weêrziet. Geen enkel vertoon van liefde of genegenheid: zij staarden eenvoudig elkander een korte poos aan, en daarna ging de moeder onmiddellijk naar hare kano kijken. VanYork hoorden wij echter, dat de moeder over het verlies van Jemmy ontroostbaar was geweest, en overal naar hem gezocht had, meenende dat hij misschien was achtergelaten, toen men hem in de boot had genomen. De vrouwen namen Fuegia goed op en waren zeer vriendelijk tegen haar. Wij hadden reeds opgemerkt, dat Jemmy zijn eigen taal bijna vergeten was. Ik geloof, dat er moeilijk iemand te vinden zal zijn zoo weinig bespraakt als hij, want ook zijn Engelsch was zeer onvolkomen. Belachelijk, maar tevens bedroevend was het hem tot zijn wilden broeder in het Engelsch te hooren spreken, en dan in het Spaansch (No sabe?) te vragen of deze hem niet verstond.Gedurende de drie volgende dagen, toen de tuinen gespit en de wigwams gebouwd werden, ging alles vreedzaam zijn gang. Wij schatten het aantal inboorlingen op ongeveer 120. De vrouwen werkten hard, terwijl de mannen den ganschen dag luierden en ons aangaapten. Zij vroegen om al wat zij zagen en stalen wat zij konden. Zij hadden schik in ons dansen en zingen, en keken met bijzondere belangstelling als wij in een naburige beek ons wiesschen. Op andere dingen sloegen zij niet veel acht, zelfs niet op onze booten. Onder al wat York tijdens zijne afwezigheid uit zijn land zag, schijnt niets hem meer verwonderd te hebben dan een struisvogel bij Maldonado. Ademloos van verbazing kwam hij naar Bynoe, met wien hij wandelde, toeloopen onder den uitroep:“O, Mr. Bynoe, o, vogel net een paard!”Hoezeer onze blanke huid de inboorlingen ook verbaasde, was zulks, naar Low verhaalt, veel erger het geval met een neger-kok aan boord van een robbenvaarder; en de arme duivel werd zoo door hen toegetakeld en uitgejouwd, dat hij nooit weer aan land wilde gaan.Alles ging zoo rustig zijn gang, dat enkele officieren en ook ik lange wandelingen deden op de omringende heuvels en in de bosschen. Maar op den 27sten verdwenen plotseling alle vrouwen en kinderen. Wij waren daarover geen van allen op ons gemak, wijl York noch Jemmy de reden er vanbegrepen. Sommigen dachten, dat zij door het schoonmaken en afvuren van onze geweren op den vorigen avond bang waren geworden; anderen, dat het was toe te schrijven aan ergernis van een ouden wilde, die, toen hem door den schildwacht gezegd was zich meer op een afstand te houden, den man brutaal in het gezicht had gespuwd, en toen door het maken van gebaren boven een slapenden Vuurlander duidelijk had laten blijken (naar ons gezegd werd), dat hij onze mannen in stukken wilde snijden en opeten. Om de kans op een treffen te vermijden, dat voor vele Vuurlanders noodlottig zou geweest zijn, achtte kapitein Fitz-Roy het raadzaam voor ons bij eene kreek eenige mijlen verder te gaan slapen. Wat Matthews betrof, deze besloot met de hem eigen kalme vastberadenheid (wel opmerkelijk in een man, die schijnbaar weinig vastheid van karakter bezat) om bij de Vuurlanders te blijven, die hunnerzijds geen onrust aan den dag legden. En zoo lieten wij hem zijn eersten angstvollen nacht doorbrengen.Toen wij den volgenden morgen (28 Januari) terugkeerden, vonden wij tot onze vreugde allen in kalme stemming, en de mannen in hunne kano’s bezig met visch aan hunne speren te rijgen.Kapitein Fitz-Roy besloot nu de sloep en een der walvischbooten naar het schip terug te sturen, en met de twee andere booten—de eene onder zijn eigen commando en waarin hij mij vriendelijk toestond hem te vergezellen, de andere onder Hammond—verder te gaan, om de westelijke gedeelten van het Beagle-kanaal op te meten, en daarna op de terugreis de kolonie te bezoeken. Tot onze verwondering was het dien dag brandend heet, zoodat onze huid er door geschroeid werd. Bij dit schoone weder, was het uitzicht in het midden van het Beagle-kanaal zeer merkwaardig. Waar men ook keek, hetzij rechts of links, geen enkel voorwerp belemmerde het vrije vergezicht op dit lange kanaal tusschen de bergen. Dat het een zeearm was, bleek zeer duidelijk uit het feit, dat verscheidene groote walvisschen in verschillende richtingen hunne waterstralen opspoten.9Eens zag ik twee dezer monsters,waarschijnlijk een mannetje en wijfje, langzaam achter elkander zwemmen, op minder dan een steenworps-afstand van den oever, waarboven de beukeboom zijne takken uitstrekte.Wij zeilden voort totdat het donker was, en sloegen toen in eene stille kreek onze tenten op. Het was een groot buitenkansje, dat wij een oever van kiezelsteenen voor onze legerstede vonden, want deze waren droog en veerden onder het lichaam. Veengrond is vochtig; eene rots is oneffen en hard, en zand dringt in het vleesch als dit op zeemanswijze gekookt en gegeten wordt; maar lagen wij in onze wollen dekenzakken op een goed bed van zachte kiezelsteenen, dan brachten wij alleraangenaamste nachten door.Ik had tot een uur de wacht. Er ligt iets plechtigs in deze woeste, grootsche natuurtafereelen. Nooit beseft de geest zoo diep in welk een afgelegen hoek der wereld ge u bevindt, als in die nachtelijke uren. Alles werkt samen om dien indruk te verhoogen; de stilte om u heen wordt slechts verbroken door de diepe ademhaling der matrozen onder de tenten, en somtijds door het geschreeuw van een eenzamen nachtvogel. Nu en dan herinnert u het geblaf van een hond in de verte, dat dit het land van den wilde is.29 Januari.Vroeg in den morgen kwamen wij aan het punt, waar het Beagle-kanaal zich in twee armen splitst: en wij voeren den noordelijken binnen. Hier wordt het schouwspel zoo mogelijk nog grootscher dan te voren. De hooge bergen aan de noordzijde vormen de graniet-as of ruggegraat van het land, en verheffen zich fier tot eene hoogte van tusschen de 3000 en 4000, één topzelfs tot ruim 6000 voet. Zij zijn met een breeden mantel van eeuwige sneeuw bedekt, en tallooze watervallen storten hunne stroomen door de wouden heen, in het enge kanaal beneden. Op vele plaatsen strekken zich prachtvolle gletschers langs de berghelling uit tot aan den rand van het water. Het is haast niet mogelijk zich iets schooners te denken dan deze zeegroen-blauwe gletschers, vooral in hunne tegenstelling met het doodsche wit der hooger liggende sneeuwvlakte. De brokken, die van de gletschers in het water waren gevallen, dreven weg; en dit kanaal, met zijne ijsbergen, vertoonde eene mijl ver eene miniatuur-gelijkenis met de zeeën van Noord- of Zuidpool. Toen op ons etensuur de booten aan land waren gehaald, aanschouwden wij op eene halve mijl afstand een wondervollen loodrechten ijswand. Verdiept in dit schouwspel, en vervuld van den wensch, dat er eenige brokken zouden afvallen, kwam eindelijk zulk een gevaarte met donderend geweld omlaag, en zagen wij terstond eene hooge golf recht op ons afkomen. De matrozen snelden zoo spoedig zij konden naar de booten aan den waterkant; want de kans, dat deze verbrijzeld konden worden, bleek duidelijk. Een der matrozen greep juist de boegen, toen de golfslag hem bereikte en onderstboven wierp, doch niet bezeerde; en hoewel de booten driemaal op en neder werden geworpen, kregen zij geen schade. Dit was een groot geluk voor ons; want wij waren een honderd mijlen van het schip af en zouden, behalve de booten, ook onze levensmiddelen en vuurwapenen kwijt geweest zijn. Te voren had ik opgemerkt, dat eenige groote rotsblokken op den oever niet lang geleden verplaatst waren geworden, maar begreep er de oorzaak niet van, voordat ik deze golf zag. De eene zijde der kreek werd gevormd door een uitlooper van mica-schiefer, het boveneind door een ijswand van circa 40 voet hoogte, en de andere zijde door een 50 voet hoog voorgebergte, samengesteld uit groote ronde brokken graniet en mica-schiefer, waaruit oude boomen groeiden. Dit voorgebergte was blijkbaar eenemoraine, opgehoopt in een tijd, toen de gletscher grootere afmetingen had.Toen wij de westelijke monding van dezen noordelijken arm van het Beagle-kanaal bereikten, zeilden wij tusschen tal van onbekende en eenzame eilanden, terwijl het weder afschuwelijk slecht was. Inboorlingen ontmoetten wij niet meer. De kust was bijna overal zoo steil, dat wij dikwijls vele mijlen ver moesten zeilen, voordat wij ruimte genoeg konden vinden voor het opslaan van onze tenten. Eén nacht sliepen wij op groote ronde rotsblokken met rottend zeewier er tusschen; en toen de vloed opkwam, moesten wij in aller ijl opstaan en onze dekenzakken verleggen. Het eerste punt, dat wij in westelijke richting bereikten, was Stewart-Eiland, op een afstand van omstreeks 150 mijlen van ons schip. Wij keerden door den zuidelijken arm van het Beagle-kanaal terug, en voeren hierna zonder verder avontuur naar de Straat van Ponsonby.6 Februari.Bij onze aankomst te Woollya, deed Matthews ons zulk een ongunstig verhaal van de houding der inboorlingen, dat kapitein Fitz-Roy besloot hem naar deBeagleterug te brengen. Later werd hij op Nieuw-Zeeland achtergelaten, waar zijn broeder zendeling was. Sedert het oogenblik van ons vertrek, was door de Vuurlanders eene geregelde plundering begonnen; en telkens kwamen nieuwe benden aan. York en Jemmy verloren tal van voorwerpen, en Matthews bijna alles wat niet onder den grond verborgen was. Elk voorwerp scheen door de Vuurlanders gebroken, gescheurd en verdeeld te zijn. Matthews beschreef hoe doodelijk vermoeiend het was voortdurend de wacht te moeten houden; nacht en dag was hij door de inboorlingen omringd, die hem trachtten af te matten, door onophoudelijk geluiden bij zijn oor te maken. Eens toen Matthews een ouden man gevraagd had zijn wigwam te verlaten, keerde deze onmiddellijk met een grooten steen in de hand terug. Op een anderen dag kwam eene geheele bende met steenen en stokken gewapend, zoodat enkele inboorlingen van Jemmy’s stam, en ook zijn broeder het uitschreeuwden van angst. Matthews bewoog hen toen met geschenken tot den aftocht. Eene andere bende wees metteekens, dat zij hem naakt wilden uitkleeden, en dan alle haren uit zijn baard en lichaam plukken. Ik geloof, dat wij juist tijdig genoeg kwamen om zijn leven te redden.Jemmy’s bloedverwanten waren ijdel en dwaas genoeg om hun buit aan de onzen te laten zien, en te wijzen hoe zij die gekregen hadden. Het was een pijnlijke gedachte onze drie Vuurlanders bij hunne wilde landgenooten achter te laten, hoewel het een groote troost was, dat zij persoonlijk geen vrees hadden. York, een krachtig, vastberaden man, was er volkomen zeker van, dat het hem en zijne vrouw Fuegia goed zou gaan. De arme Jemmy keek wel wat moedeloos; en ik twijfel er haast niet aan, of hij zou blijde geweest zijn, indien hij met ons had kunnen terugkeeren. Zijn eigen broeder had hem vele dingen ontstolen; daarom schold hij op zijne landgenooten: “Wat manier is dat? Allemaal slechte menschen; weten niets; verdoemde gekken!”—Als hij zoo boos was, vloekte hij, ofschoon ik hem vroeger nooit had hooren vloeken. Hoewel onze drie Vuurlanders slechts drie jaren onder beschaafde menschen hadden geleefd, weet ik zeker, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij hunne nieuwe leefwijze hadden mogen behouden; maar dit was natuurlijk onmogelijk. Ik vrees, dat het meer dan twijfelachtig is of hun bezoek in den vreemde hun van eenig nut is geweest.Met Matthews aan boord gingen wij des avonds onder zeil, en keerden, niet door het Beagle-kanaal, maar langs de zuidkust naar het schip terug. De booten waren zwaar geladen, en dit gevoegd bij eene onstuimige zee, bezorgde ons een gevaarlijken tocht. Op den avond van den 7den waren wij aan boord van deBeagle, na eene afwezigheid van 20 dagen, gedurende welke wij een afstand van 300 mijlen in de open booten hadden afgelegd. Op den 11den bracht onze kapitein alleen een bezoek aan de Vuurlanders, vond hen welvarend, en hoorde, dat hun sedert zijn vorig bezoek weinig dingen meer ontstolen waren.Op den laatsten dag in Februari van het volgende jaar (1834) ankerde deBeaglein eene schilderachtige kleinekreek aan den oostelijken ingang van het Beagle-kanaal. Hier besloot kapitein Fitz-Roy de stoute en, zooals bleek welgeslaagde poging te doen om tegen de westenwinden in denzelfden koers te nemen, dien wij vroeger in booten naar de kolonie bij Woollya hadden gevolgd. Wij zagen niet veel inboorlingen, totdat wij bij de Straat van Ponsonby waren, waar wij door tien of twaalf kano’s vergezeld werden. De inboorlingen begrepen volstrekt de reden niet van ons laveeren; en in plaats van ons bij elken boegslag te gemoet te gaan, poogden zij vruchteloos ons in onzen zigzag-koers te volgen. Het vermaakte mij toen ik het verschil in belangstelling opmerkte, waarmede men deze wilden ziet, en dat een gevolg is van de omstandigheid, dat men hun volstrekt meerdere is in kracht. Toen ik in de booten was, haatte ik het geluid hunner stemmen, om de onrust die dit bij ons verwekte. Het eerste en laatste woord was:Yammerschooner. Bij het binnenvaren van eene kleine stille kreek, keken wij rond, in de hoop een rustigen nacht door te brengen; maar dan klonk het hatelijke woordYammerschoonerschril uit een donkeren hoek der wildernis, en kronkelden de rookwolkjes omhoog, als seinen om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Bij het verlaten van eene plaats, zeiden wij tot elkander: “Goddank, dat wij eindelijk geheel van die ellendelingen afkomen!” en zie: andermaal trof de zwakke echo van eene daverende stem heel uit de verte onze ooren, en konden wij duidelijk onderscheiden:Yammerschooner! Maar nu: hoe meer Vuurlanders, des te grappiger; en inderdaad, het ging zeer jolig toe. Beide partijen lachten, en gaapten elkander verwonderd aan; wij beklaagden hen, dat zij ons goede visschen en kreeften gaven in ruil voor lappen en dergelijke; zij juichten om het buitenkansje lieden te vinden, dwaas genoeg om zulke prachtige versieringen tegen een hapje eten te ruilen. Hoogst vermakelijk was het den ongekunstelden, vergenoegden glimlach te zien, waarmede eene jonge vrouw met zwart geschilderd gelaat, verscheidene stukken vuurrood doek met biezen om haar hoofd bond. Haar man, die het in dit land zeeralgemeene voorrecht genoot van twee vrouwen te bezitten, was blijkbaar jaloersch op al de attentie die zijne jonge vrouw bewezen werd; en na een lang beraad met zijne naakte schoonheden, werd hij eindelijk door dezen weggepagaaid.Sommige Vuurlanders bewezen duidelijk, dat zij een goed begrip van ruiling hadden. Ik gaf een man een grooten spijker (deze gold voor een kostbaar geschenk), zonder daarbij een teeken te geven, dat ik er iets voor terug wilde hebben; doch onmiddellijk pikte hij twee visschen op en overhandigde mij die op de punt van zijn speer. Was een of ander geschenk voor eene bepaalde kano bestemd, en viel het bij eene andere in het water, dan werd het steeds aan den rechten eigenaar gegeven. De Vuurlandsche jongen, dien Mr. Low aan boord had, bewees door zijn heftige uitbarsting van drift, dat hij het hem gedane verwijt van een leugenaar te zijn (gelijk hij ook inderdaad was), volkomen begreep. Wij waren ditmaal, evenals bij alle vroegere gelegenheden, zeer verwonderd over de weinige, of liever het volslagen gebrek aan aandacht, die voor vele dingen getoond werd, waarvan de inboorlingen het nut toch moeten hebben ingezien. Eenvoudige zaken, zooals helder vuurrood doek of blauwe knoopen, de afwezigheid van vrouwen op ons schip, onze zorg om ons te wasschen, wekten veel meer hunne bewondering dan een groot of samengesteld voorwerp, zooals een schip. Bougainville heeft omtrent deze lieden terecht opgemerkt, dat: “ils traitent les chefs-d’oeuvre de l’industrie humaine, comme ils traitent les loix de la nature et ses phénomènes.”Op den 5den Maart ankerden wij in de kreek bij Woollya, doch zagen hier geen levende ziel. Dit maakte ons ongerust, want de inboorlingen in de Straat van Ponsonby toonden door gebaren dat zij gevochten hadden; en later hoorden wij, dat de geduchte mannen van Oens de bergen waren afgedaald. Weldra zagen wij eene kano met eene kleine wapperende vlag naderen; en een der inzittenden wiesch zich deverf van het gelaat. Deze was de arme Jemmy—thans een magere, woest uitziende wilde, met lange, verwarde haren, en geheel naakt, behalve een lap van een wollen deken om het midden. Wij herkenden hem niet, voordat hij dicht bij ons was, want hij schaamde zich over zichzelf, en keerde zijn rug naar het schip. Welgedaan, dik, zindelijk en goed gekleed hadden wij hem achtergelaten: nooit zag ik zulk een pijnlijke en algeheele verandering. Zoodra hij echter gekleed en de eerste verwarring voorbij was, kreeg alles een beter aanzien. Des middags at hij met kapitein Fitz-Roy, en gebruikte zijn maal even netjes als vroeger. Hij zeide ons, dat hij “te veel” (daarmede bedoelde hij “genoeg”) te eten had; dat hij geen koude leed; dat zijne bloedverwanten zeer goede menschen waren, en dat hij niet naar Engeland wilde terugkeeren. Des avonds ontdekten wij de oorzaak van dien grooten omkeer in Jemmy’s gevoelens, door de komst van zijn jong en aardig uitziend vrouwtje. Met zijne gewone goedhartigheid bracht hij voor twee zijner beste vrienden twee fraaie ottervellen mee, en voor den kapitein eenige eigenhandig gemaakte speerpunten en pijlen. Hij zeide, dat hij eene kano voor eigen gebruik gemaakt had, en pochte er op, dat hij wat van zijne eigene taal kon spreken! Maar hoogst zonderling is het feit, dat hij zijn geheelen stam wat Engelsch schijnt geleerd te hebben, waaronder ook een ouden man, die de komst der jonge vrouw op eigen houtje met: “Jemmy Button’s wife” aankondigde. Jemmy had al wat hij bezat verloren. Hij vertelde ons, dat York Minster eene groote kano had gebouwd, en verscheidene maanden geleden met zijne vrouw Fuegia naar zijn eigen land wasgegaan, en dat zijn afscheid nemen door eene uiterst laaghartige daad gevolgd was.10Hij had Jemmy en zijne moeder overgehaald om hem te vergezellen; had hen onderweg des nachts verlaten, en elk voorwerp, dat hij bezat, ontstolen.Jemmy sliep aan het strand, keerde des morgens terug, en bleef aan boord totdat het schip de ankers lichtte. Dit maakte zijne vrouw zoo beangst, dat zij overluid bleef schreeuwen, tot hij in zijne kano kwam. Hij keerde met verscheidene voorwerpen beladen, terug. Allen aan boord deed het van harte leed hem voor het laatst de hand te moeten drukken. Ik twijfel niet of hij zal nu even gelukkig zijn als, ja wellicht gelukkiger dan wanneer hij nooit zijn land had verlaten. Ieder zal zeker oprecht hopen, dat de edele wensch van kapitein Fitz-Roy vervuld moge worden, en dat, als loon voor de vele edelmoedige offers die hij zich voor deze Vuurlanders getroostte, een in de wilde wateren dezer ruwe gewesten verongelukt zeeman bescherming zal vinden bij het nageslacht van Jemmy Button en zijn stam!... Toen Jemmy den oever bereikte, ontstak hij een seinvuur; en de rook daarvan kronkelde opwaarts om een laatst en lang vaarwel toe te wuiven, toen het schip zijn aangewezen koers door het ruime sop begon.De volkomen gelijkheid onder deindividuën, waaruit de Vuurlandsche stammen bestaan, moet hunne beschaving geruimen tijd in den weg staan. Evenals wij dieren, wier instinct hen tot een maatschappelijk leven en gehoorzaamheid aan een hoofd drijft, het meest voor ontwikkeling vatbaar zien, zoo is het ook met de rassen der menschheid. Hetzij wij het als oorzaak of als gevolg beschouwen—de meer beschaafden hebben altijd de kunstigst samengestelde regeeringen. De bewoners van Otaheite, bijv., die bij de eerste ontdekking door erfkoningen geregeerd werden, warentot een veel hoogeren trap geklommen, dan eene andere tak van hetzelfde volk—de Nieuw-Zeelanders, die, ondanks het voorrecht dat zij hunne aandacht aan den landbouw moesten schenken, republikeinen waren in den meest absoluten zin. Niet voordat in Vuurland een hoofd opstaat, die voldoende macht bezit om eenig verkregen voordeel, zooals de huisdieren, te beschermen, schijnt het haast niet mogelijk, dat de staatkundige toestand van dat land kan worden verbeterd. Thans wordt zelfs een stuk laken, dat men een hunner geeft, in reepjes gescheurd en verdeeld; en geen enkel individu wordt rijker dan de overigen. Aan den anderen kant laat zich moeilijk begrijpen, hoe een hoofd kan opstaan, voordat er eene soort van eigendom is, waardoor hij zijne meerderheid kan toonen en zijne macht uitbreiden.Ik geloof, dat de mensch in dit uiterste gedeelte van Zuid-Amerika op een lageren trap van ontwikkeling staat, dan in een ander deel der wereld. De inboorlingen der beide rassen, die de eilanden in de Stille Zuidzee bevolken, zijn betrekkelijk beschaafd. De Eskimo in zijne ondergrondsche hut, geniet eenige levensgemakken, en legt in zijne goed uitgeruste kano veel vaardigheid aan den dag. Enkele stammen van Zuid-Afrika, die rondzwerven om wortels te zoeken, en verscholen in de woeste en dorre vlakten leven, staan op een vrij lagen trap van ellende. Het dichtst bij den Vuurlander, wat de eenvoudigheid van het kunstleven betreft, staat de Australiër; maar deze kan zich nog verheffen op zijnboemerang,11zijne speer en werpstok; zijne manier om in de boomen te klimmen, de voetsporen van dieren te volgen, en op zijn jagen. Al moge de Australiër echter in vaardigheid en kennis de meerdere zijn, zoo volgt daaruit geenszins, dat hij ook in geestesgaven boven de Vuurlandersstaat; en werkelijk, naar hetgeen ik van onze drie wilde metgezellen aan boord zag, en naar wat ik van de Australiërs gelezen heb, zou ik denken dat juist het omgekeerde het geval was.121Elders vind ik dezen beukFagus antarcticagenoemd. DeWinter’s-bastwerd door kapitein Winter uit de Straat van Magelhaen meegebracht; het is een welriekende bast en bezit geneeskrachtige eigenschappen.(Vert.)2Groensteen is de oude benaming van twee na aan elkander verwante gesteenten,diorietendiabas. Dioriet is een kristallijn korrelig mengsel van triklinisch veldspaath en hoornblende, soms met bijmenging van kwarts en augiet. Het veldspaath is gewoonlijk wit, geel of groenachtig gekleurd; en hoornblende meest zwart-groen. Den naam “diabas” heeft men gegeven aan zekere donkergroene of zwarte vulkanische gesteenten, die in de oudere geologische formaties gevonden zijn; zij bestaan in hoofdzaak uitplagioklas(triklinisch veldspaath), augiet, magneet- of titaanijzer, en apatiet. De structuur is grof- tot fijnkorrelig, soms vast en dicht.(Vert.)3Dit woord is eene verbastering der Noord-Amerikaansch-Indiaansche woordenwekoe-omoet, hetgeen zeggen wil:in zijn huis. Oorspronkelijk is het eene Indiaansche hut van kegelvormige gedaante, meest van boomschors gemaakt en met vellen gedekt.(Vert.)4Deze booten zijn uit boomschors vervaardigd, en worden meest door vrouwen geroeid.(Vert.)5Met den soortnaamDiomedea(Orde:Procellariae).(Vert.)6De spelling van dit woord schijnt eenigszins twijfelachtig, hetgeen wellicht aan dialectische verschillen is toe te schrijven. Ik vind althans ook deze spellingenJammenschkenenJammenschkener.(Vert.)7Ongetwijfeld bedoelt Darwin hiermede den stam derOna’s, die forscher en kloeker gebouwd zijn dan andere Vuurlanders.(Vert.)8De hier genoemde witte stof is in gedroogden toestand vrij vast, en heeft een gering soortelijk gewicht. Prof. Ehrenberg heeft haar onderzocht, en verklaart (zieKönigl. Akademie der Wissensch., Berlin, Feb. 1845), dat zij uit infusoria bestaat, waaronder 14polygastricaen 4phytolitharia, en dat deze allen zoetwater-bewoners zijn. Dit is een schoon voorbeeld van de resultaten, die door Prof.Ehrenberg’s microscopische onderzoekingen verkregen kunnen worden; want Jemmy Button zeide mij, dat de stof altijd op den bodem van bergbeken verzameld wordt. Bovendien is het een opmerkelijk feit in de geographische verspreiding der infusoria—die, gelijk men weet,eenuitgestrekt gebied bewonen—dat alle soorten in deze stof oude bekende vormen zijn, ook al is zij uit de zuidelijkste punt van Vuurland afkomstig.9Op zekeren dag zagen wij niet ver van de Vuurlandsche kust het indrukwekkende schouwspel, dat verscheidene potvisschen (of cachelotten—Physeter macrocephalus, soortnaamCatodon) rechtop en in hunne volle lengte, met uitzondering van de staartvinnen, uit het water sprongen. Telkens als zij dan zijdelings neervielen, plaste het water hoog op, met een geluid als van een volle laag.10Kapitein Sulivan, die gedurende zijne reis op deBeaglemet het opmeten van de Falklands-Eilanden bezig was geweest, hoorde van een robbenvanger (in 1842?), dat, toen deze zich eens in het westelijk gedeelte der Straat van Magelhaen bevond, eene inlandsche vrouw bij hem aan boord was gekomen, die tot zijne verwondering wat Engelsch kon spreken. Deze vrouw was zonder twijfel Fuegia Basket. Zij leefde eenige dagen aan boord (welke uitdrukking, vrees ik, voor eene dubbele uitlegging vatbaar is.)11Een werpwapen, dat uit de hand wordt weggeslingerd, zeer merkwaardige bochten beschrijft, en eindelijk in omgekeerde richting tot den werper terugkeert.(Vert.)12Hier zij nog opgemerkt, dat de lage ontwikkelingstrap, waarop de Vuurlanders staan, blijkens onderzoekingen van den laatsten tijd, geen gevolg is van hun geringeren physieken aanleg. Men heeft nl. gevonden, dat het gemiddelde gewicht hunner hersenen—zoowel bij mannen als bij vrouwen—weinig verschilt van dat der beschaafde volken; wel bleken de afwijkingen van het gemiddelde zeer groot. Dit feit, in verband met de ervaring door Darwin en anderen opgedaan, dat sommige Vuurlanders vatbaar zijn voor beschaving, wettigt het vermoeden, dat zij van een hooger ontwikkeld volk afstammen. Dit vraagstuk is een der vele problemen, die Zuid-Amerika nog aan de wetenschap stelt. Ook weet men niet juist welken godsdienst de Vuurlanders hebben; alleen heeft men waargenomen, dat zij eene zekere vereering voor het uitspansel aan den dag leggen, en somtijds onder het aanheffen van een tamelijk welluidend gezang naar den hemel wijzen.Wat de taal der Vuurlanders betreft, zij hier vermeld, dat in het binnenland de taal der Ona’s—het Onaasch—en hare dialecten gesproken worden. Deze taal is nauw verwant aan die der Patagoniërs. Eene van het Onaasch onafhankelijke taal, hetJaghaansch, wordt gesproken aan het Beagle-kanaal, op de eilanden bij Kaap Hoorn en op Navarin—door die Vuurlanders, derhalve, met wie Darwin het meest in aanraking kwam. Al deze talen behooren tot de taalstammen van het Pampas-gebied.(Noot van den Vert.)
17 December 1832.Nu ik met Patagonië en de Falklands-Eilanden heb afgehandeld, zal ik onze eerste aankomst in Vuurland beschrijven. Kort na den middag zeilden wij Kaap San Diëgo om, en voeren de vermaarde Straat van Le Maire in. Wij stevenden dicht langs de Vuurlandsche kust; maar de omtrek van het rotsachtige, ongastvrije Staten-Eiland was tusschen de wolken zichtbaar. In den namiddag ankerden wij in de Baai vanGoodSuccess. Bij onze binnenkomst werden wij begroet op eene wijze, zooals den inwoners van dit wildenland betaamde. Een troep Vuurlanders zat gedeeltelijk in het dichte woud verscholen, op een ongenaakbare, boven zee uitspringende rotspunt; en nauwelijks gingen wij voorbij, of zij sprongen op, zwaaiden met hunne gescheurde mantels, en deden een luid, schreeuwend gejuich hooren. De wilden volgden het schip; en even voordat het donker was, zagen wij hunne vuren en hoorden opnieuw hun woest geschreeuw. De haven vormt een fraaien waterplas, half omringd door hooge ronde bergen van leemschiefer, die tot aan den rand van het water met een dicht en donker woud bedekt zijn. Een enkele blik op het landschap was voldoende om mij te toonen hoezeer dit verschilde van al wat ik ooit gezien had. Desnachts woei er een stevige koelte en schoten hevige rukwinden uit het gebergte over ons heen. Het moet dien nacht op zee slecht weêr geweest zijn; en wij zoowel als anderen kunnen deze kaap terechtBay of Good Successnoemen.
Des morgens zond de kapitein eene bemande boot, om met de Vuurlanders te onderhandelen. Zoodra wij elkander konden beroepen, trad een der vier aanwezige inlanders naar voren om ons te ontvangen, en begon een geweldig geschreeuw aan te heffen, om ons te beduiden waar wij konden landen. Toen wij aan land waren, schenen de inboorlingen eenigszins verschrikt, maar bleven, onder het maken van snelle gebaren, doorpraten. Het was ongetwijfeld het zeldzaamste en belangwekkendste schouwspel dat ik ooit zag; ik had nooit kunnen gelooven, dat er tusschen wilden en beschaafden zulk een groot verschil was: het is grooter dan tusschen een wild en tam dier, omdat de mensch een grooter vermogen heeft zich te verbeteren. De voornaamste spreker was een oud man, die het hoofd van het gezin scheen te zijn; de drie anderen waren krachtige jonge mannen van ongeveer zes voet lang. De vrouwen en kinderen waren weggestuurd. Deze Vuurlanders behooren tot een geheel ander ras dan de niet wel opgegroeide, ongelukkige stumpers die meer westwaarts wonen, en schijnen na aan de forsche Patagoniërs der Straat van Magelhaen verwant. Hunne geheele kleeding bestaat uit een mantel van guanaco-huid, met de wol naar buiten; zij dragen dien los over de schouders geworpen, zoodat hun lichaam beurtelings bloot en gedekt is. De kleur hunner huid is groezelig koperrood.
De oude man had een band van witte veêren om het hoofd gebonden, waarachter zijn zwarte, grove en verwarde haren gedeeltelijk verborgen waren. Twee breededwarsstrepen kruisten zijn gezicht: de eene, lichtrood van kleur, liep van het eene oor naar het andere en omsloot de bovenlip; de andere, wit als kalk, liep boven en evenwijdig aan de eerste, zóó dat zelfs de oogleden wit waren. De drie andere mannen waren versierd met strepen van een zwart poeder, dat uithoutskool bereid was. Het gezelschap had veel weg van de duivels, die in stukken alsDer Freischützop het tooneel komen.
Hunne houding zelve was kruipend, en de uitdrukking van hun gezicht wantrouwend, verwonderd en verschrikt. Toen wij hun een scharlakenrooden doek hadden aangeboden, dien zij terstond om hun hals wonden, werden wij goede vrienden. Dit bleek hieruit, dat de oude man ons over de borst streek, en een soort klokkend of liefkoozend geluid maakte, zooals menschen die kuikens voederen. Terwijl ik met den oude voortliep, werd dit bewijs van vriendschap verscheidene keeren herhaald, en eindelijk besloten met drie harde klappen, die mij tegelijk op borst en rug gegeven werden. Daarna ontblootte hij zijne borst, opdat ik het compliment zou beantwoorden; en toen dit gedaan was, scheen hij uitermate verheugd. Voorzoover wij opmerkten, verdient de taal van deze lieden bijna niet den naam van eenegearticuleerde. Kapitein Cook heeft haar vergeleken bij het geluid van iemand, die zijn keel schraapt; maar stellig schraapte nooit een Europeaan zijne keel met zooveel harde, scherpe en korte keelklanken.
Zij zijn voortreffelijkemimiciof nabootsers; telkens als wij hoestten of gaapten, of eene zonderlinge beweging maakten, bootsten zij ons onmiddellijk na. Eenigen van ons gezelschap begonnen scheel te kijken en scheeve gezichten te trekken; maar een der jonge Vuurlanders (hij wiens gezicht zwart geschilderd was, behalve een witten band over zijn oogen) maakte veel leelijker grimassen. Zij konden elk woord van een zin dien wij hun voorzeiden, volkomen juist herhalen, en herinnerden zich zulke woorden eenigen tijd. Intusschen weten alle Europeanen hoe moeilijk het is de klanken in eene vreemde taal van elkaar te onderscheiden. Wie onzer, bij voorbeeld, kon een Amerikaanschen Indiaan verder dan een zin van drie woorden lang volgen? Alle wilden schijnen dit nabootsingsvermogen in ongewone mate te bezitten. Bijna in dezelfde bewoordingen vertelde men mij dezelfde belachelijke gewoonte onder de Kaffers; ook de Australiërsstaan lang bekend om hunne bekwaamheid in het nabootsen en beschrijven van den menschelijken gang, zóó dat de persoon herkend kan worden. Hoe kunnen wij dit vermogen verklaren? Is het een gevolg der meerdere geoefendheid van het waarnemingsvermogen en de scherpe zintuigen, die allen wilden stammen gemeen is, vergeleken met de lang beschaafde?
Toen ons gezelschap een lied begon te zingen, dacht ik, dat de Vuurlanders van verwondering op den grond zouden vallen. Met evenveel verbazing zagen zij ons dansen; maar op ons verzoek had een der jonge mannen geen bezwaar tegen een walsje. Hoe weinig zij ook aan Europeanen gewoon schenen, toch kenden en vreesden zij onze vuurwapenen; en niets kon hen bewegen een geweer in handen te nemen. Zij verzochten om messen, die zij bij het Spaansche woordcuchillanoemden. Ook verklaarden zij wat zij noodig hadden, door te doen alsof zij een stuk spek in den mond hadden, en dan er schijnbaar in te snijden in plaats van het vaneen te scheuren.
Tot nu toe heb ik niet van de Vuurlanders gesproken, die wij aan boord hadden. Op de vorige reis van deAdventureen deBeaglein 1826 en 1830, legde kapitein Fitz-Roy de hand op een troep inboorlingen, als gijzelaars voor het verlies van eene boot, die tot groot gevaar van eenige met de opmeting belaste personen gestolen was; en eenige van deze inboorlingen, benevens een kind, dat hij voor een parelknoop gekocht had, nam hij mee naar Engeland met het plan hen voor zijne kosten op te voeden en in den godsdienst te onderwijzen. Deze inboorlingen weder naar hun land te brengen was voor kapitein Fitz-Roy eene hoofdreden waarom hij deze reis ondernam; en voordat de Admiraliteit besloten had deze expeditie uit te zenden, had de kapitein op edelmoedige wijze een schip bevracht, waarop hij hen zelf zou terugbrengen. De inboorlingen waren vergezeld van een zendeling, R. Matthews, over wien de kapitein een volledig en uitmuntend verhaal in het licht heeft gegeven, waarin ook de inboorlingen uitvoerig worden besproken.
Aanvankelijk waren meegenomen twee mannen, van wie er een in Engeland aan de kinderpokken stierf, een jongen en een klein meisje; en nu hadden wij aan boord York Minster, Jemmy Button (wiens naam “Knoop” zijn inkoopsprijs uitdrukt) en Fuegia Basket. York Minster was een volwassen, kort, breed en sterk man; teruggetrokken, stilzwijgend en knorrig van aard, werd bij geweldig driftig als men hem plaagde. Hij had voor enkele personen aan boord eene zeer sterke genegenheid opgevat, en bezat een goed verstand. Jemmy Button was ieders gunsteling, maar óók opvliegend; de uitdrukking van zijn gezicht verried terstond zijn prikkelbare natuur. Hij was vroolijk, lachte dikwijls, en was bijzonder medelijdend jegens elk die pijn had. Bij ruw weder was ik vaak wat zeeziek, en dan placht hij bij mij te komen en op klagenden toon te zeggen: “Arme, arme man!”
Maar het denkbeeld, dat bij gedurende zijn leven op zee gekregen had van iemand die zeeziek is, was al te kluchtig; en meestal moest hij het gezicht afwenden om een stil of luid gelach te onderdrukken, en eerst daarna zijn uitroep: “Arme, arme man!” te herhalen. Hij was vaderlandslievend van aard; prees gaarne zijn eigen stam en land, waarvan hij terecht zeide, dat er overvloed van boomen waren; schold op alle andere stammen, en verklaarde stoutweg, dat er in zijn land geen duivel was.
Jemmy was klein, dik en gezet, maar ijdel op zijn persoonlijk voorkomen. Altijd droeg hij handschoenen; zijn haar was kort geknipt, en hij was wanhopig als zijne zorgvuldig gepoetste schoenen morsig werden. Hij was er op verzot zich in een spiegel te bewonderen. Een kleine Indiaansche jongen met een jolig gezicht en van de Rio Negro afkomstig, dien wij eenige maanden aan boord hadden, bemerkte dit spoedig en hield hem gewoonlijk voor den gek; maar Jemmy, die anders steeds bereid was den kleinen Indiaan van dienst te zijn, hield daar volstrekt niet van, en zeide met een eenigszins verachtelijk hoofdgebaar: “Je snatert te veel!”
En toch, als ik aan al zijn vele goede eigenschappen terugdenk,schijnt het mij verwonderlijk toe, dat hij tot hetzelfde ras behoorde en ongetwijfeld hetzelfde karakter heeft bezeten als die ellendige, achterlijke wilden die wij hier het eerst ontmoetten.
Wat eindelijk Fuegia Basket betreft, zij was een aardig, bescheiden, ingetogen jong meisje met een eenigszins innemend, maar somtijds knorrig uiterlijk, en zeer vlug in het leeren, vooral van talen. Dit bewees zij door het opvangen van wat Portugeesch en Spaansch, toen zij slechts korten tijd te Rio de Janeiro en Montevideo was achtergelaten, en door hare kennis van het Engelsch. York Minster was zeer jaloersch op elke attentie, die haar werd bewezen; want blijkbaar had hij plan haar te trouwen, zoodra zij aan land zouden zijn.
Ofschoon alle drie vrij goed Engelsch konden spreken en verstaan, was het toch uiterst moeilijk veel inlichting uit hen te krijgen, hetgeen gedeeltelijk was toe te schrijven aan de moeite, die zij schenen te hebben om het eenvoudigste alternatief te begrijpen. Ieder, die gewoon is met zeer jonge kinderen om te gaan, weet hoe zelden men een antwoord kan krijgen zelfs op zulk eene eenvoudige vraag als: of een voorwerp wit of zwart is; het begrip zwart of wit schijnt beurtelings hun geest bezig te houden. Zoo was het ook met deze Vuurlanders; en daardoor was het meestal onmogelijk door over en weer vragen te weten te komen, of men iets, dat zij verteld hadden, goed begrepen had. Hun gezicht was bijzonder scherp. Het is wel bekend, dat zeelieden door langdurige oefening een verafzijnd voorwerp veel beter kunnen onderscheiden, dan iemand die op het land leeft; maar zoowel York als Jemmy stonden daarin ver boven een zeeman aan boord. Verscheidene malen hebben zij verklaard wat een verwijderd voorwerp was; en ofschoon het door elk in twijfel werd getrokken, bleken zij toch gelijk te hebben, als het met een kijker onderzocht werd. Zij waren zich dit vermogen ten volle bewust; en toen Jemmy met den officier van den wacht eens een kleinen twist had, zeide hij:
“Wij schip zien, wij niet praat.”
Belangwekkend was het de houding der wilden tegenover Jemmy Button gade te slaan, toen wij landden; onmiddellijk bespeurden zij het verschil tusschen hem en ons, en spraken samen druk over dit onderwerp. De oude man hield eene lange toespraak tot Jemmy, waarin hij hem scheen uit te noodigen bij hen te blijven. Maar Jemmy begreep hunne taal zeer weinig, en schaamde zich daarenboven diep over zijne landgenooten. Toen York Minster daarna aan land kwam, herkenden zij ook hem, en beduidden hem dat hij zich moest scheren; toch had de man geen twintig stoppelharen op zijn gezicht, terwijl wij allen ongeschoren baarden droegen. Zij onderzochten de kleur van zijne huid en vergeleken die met de onze. Toen zij een onzer armen bloot zagen, drukten zij hunne levendigste verbazing en bewondering uit over de witheid er van, juist zooals wij in den Dierentuin den orang-oetang hebben zien doen. Uit hunne gebaren maakten wij op, dat zij twee of drie onzer officieren, die, ofschoon met volle baarden prijkende, kleiner en knapper waren dan de anderen, voor de dames van ons gezelschap hielden. De grootste onder de Vuurlanders had er blijkbaar veel schik in, dat zijne lengte de aandacht trok. Toen hij rug aan rug tegen den grootsten van ons scheepsvolk geplaatst werd, deed hij zijn best om naar een hooger stuk grond te schuiven en op de teenen te staan. Hij opende den mond om zijne tanden te laten zien, en draaide het hoofd om zijwaarts te kijken; en dit alles deed hij met zulk eene vroolijkheid, dat ik overtuigd ben, hij zichzelven voor den schoonsten man in Vuurland hield. Nadat ons eerste gevoel van diepe verwondering voorbij was, konden wij ons niets belachelijkere denken dan het zonderlinge mengsel van verbazing en nabootsing, dat deze wilden elk oogenblik te zien gaven.
Den volgenden dag poogde ik dieper landwaarts in te dringen. Vuurland kan beschreven worden als een bergachtig land, dat gedeeltelijk onder zee is gezonken, zoodat diepe kreken en baaien liggen op plaatsen waar dalen moestenzijn. Behalve aan de open westkust, zijn de berghellingen van af den rand van het water met een onafgebroken woud bedekt. De boomgordel reikt tot eene hoogte van 1000 tot 1500 voet, en wordt opgevolgd door een veengordel met kleine Alpenplanten; op dezen volgt weer de grens der eeuwige sneeuw, die, volgens kapitein King, in de Straat van Magelhaen eene hoogte bereikt van 3000 tot 4000 voet. Hoogst zelden vindt men ergens in dit land een acre vlakken grond. Ik herinner mij slechts een klein vlak stuk nabijPort Famine, en een tweede iets grooter in oppervlakte bijGoeree Roads. Op beide plaatsen en verder overal is de oppervlakte met eene dikke, moerassige veenlaag bedekt. Zelfs in het woud is de grond onder een hoop langzaam rottende plantenstoffen verborgen, die van water doortrokken, onder den voet wegzinkt.
Daar ik het bijna hopeloos achtte door het woud een weg te banen, volgde ik den loop van een bergstroom. Eerst kon ik vanwege de watervallen en de menigte doode boomen slechts met moeite voortkruipen; maar spoedig werd het stroombed iets ruimer, doordien de vloed de kanten had schoongeveegd. Langzaam volgde ik een uur achtereen de gebroken en rotsachtige oevers, en werd door de grootschheid van het landschap ruimschoots voor mijn zwoegen beloond. De donkere diepe rotskloof paste volkomen bij de algemeene sporen van geweld. Aan beide zijden lage vormlooze steenhoopen en afgerukte boomen; andere boomen, hoewel nog staande, waren van binnen geheel vergaan en stonden op het punt te vallen. Het warbosch van groeiende en gevallen stammen deed mij denken aan de wouden in de keerkringen, met dit verschil echter, dat in deze stille eenzaamheden Dood in plaats van Leven de overheerschende natuurkracht scheen te zijn. Ik volgde den waterstroom totdat ik aan eene plek kwam, waar een groote grondverschuiving een rechte strook van de berghelling had blootgelegd. Langs dezen weg klom ik tot eene aanzienlijke hoogte, en kreeg zoodoende een goed uitzicht op de omringende bosschen. De boomen behoorden alle tot ééne soort,Fagusbetuloides; want het aantal andere soortenFagusen dat der Winter’s-basten (Drymis Winteri) is zeer onbeteekenend.1Deze beuk behoudt het geheele jaar door zijne bladeren, die echter eene eigenaardige bruingroene, eenigszins geel getinte kleur bezitten. Daar het geheele landschap zoo gekleurd is, heeft het een somber, eentonig voorkomen, waarbij nog komt, dat het niet vaak door de zonnestralen verlevendigd wordt.
20 December.De eene zijde der haven wordt gevormd door een omstreeks 1500 voet hoogen berg, dien kapitein Fitz-Roy naar Sir J. Banks noemde, ter nagedachtenis aan diens rampspoedigen tocht, welke voor twee mannen van zijn gezelschap, en bijna ook voor Dr. Solander een noodlottigen afloop had. De sneeuwstorm, die de oorzaak van zijn ongeluk was, woei in het midden van Januari, overeenkomende met onze maand Juli, en op de breedte vanDurham! Ik was verlangend den top van dezen berg te bereiken, om Alpenplanten te verzamelen; want in de lagere gedeelten is het aantal bloemen gering. Wij volgden denzelfden bergstroom als daags te voren, tot waar hij dood liep, en waren toen genoodzaakt op goed geluk tusschen de boomen door te kruipen. Wegens de hoogte en den invloed der hevige winden, waren deze boomen laag, dik en gebogen. Eindelijk bereikten wij de plek, die van verre een fraai groen grastapijt geleek, maar tot onzen spijt een dicht bosch van beukeboompjes bleek te zijn, van vier tot vijf voet hoogte. Zij stonden even dicht opeen, als taxisboomen (buxus) aan den rand van een tuin, en wij moesten over de effene maar verraderlijke oppervlakte met geweld voortdringen. Na nog eenige inspanning bereikten wij het veen, en toen de naakte schieferrots.
Een rotskam verbond dezen berg met een anderen, die eenige mijlen verder lag en, blijkens de daarop liggendevlakjes sneeuw, hooger was. Daar het nog niet laat op den dag was, besloot ik er heen te wandelen en planten langs den weg te zamelen. Dit zou een zeer moeilijk werk geweest zijn, indien er geen goed gebaand en recht pad geweest was, dat deguanaco’sgemaakt hadden, welke dieren, evenals schapen, altijd denzelfden weg volgen. Toen wij den berg bereikten, vonden wij, dat deze de hoogste in den naasten omtrek was. De bergstroomen vloeiden hier in tegengestelde richtingen naar zee. Wij hadden een ruim uitzicht over de naburige streek: in het noorden strekte zich een groot moerasland uit; maar zuidwaarts ontrolde zich een panorama van wild natuurschoon, dat Vuurland ten volle waardig was. Er lag een zweem van geheimzinnige grootschheid in die eindelooze reeks van bergen, met hunne diepe tusschenliggende valleien, allen met een dichte, donkere woudmassa bedekt. In dit klimaat, waar de stormen elkander opvolgen met regen, hagel en ijzel, schijnt ook de dampkring zwarter dan elders. In de Straat van Magelhaen, even zuidelijk onderPort Faminegelegen, schenen de afgelegen kanalen tusschen de bergen naar het einde der wereld te vloeien—zoo somber was hun aanblik.
21 December.DeBeaglelichtte het anker; en onder begunstiging van eene bijzonder voorspoedige oostelijke bries, bereikten wij den volgenden dag deBarneveldts-Eilanden, stuurden om KaapDeceitmet hare spitse rotsen, en zeilden te ongeveer drie ure om de door weêr en stormen geteisterde Kaap Hoorn. De avond was kalm en helder, en wij hadden een fraai uitzicht op de omringende eilandjes. Kaap Hoorn eischte echter haar tol, en joeg ons vóór den nacht eene stijve bries in ’t gezicht. Wij bleven dien nacht op zee, en stevenden den volgenden dag opnieuw naar land, toen wij dit vermaarde voorgebergte in zijn waren vorm te loever voor ons zagen: gesluierd in een mist, en de wazige omtrek gehuld in een bui van storm en regen. Groote zwarte wolken gierden langs den hemel, en hevige regenbuien, vergezeld van hagel, joegen met zooveel geweld over ons heen, dat de kapiteinbesloot in Wigwam-Kreek binnen te loopen. Dit is eene kleine beschutte haven niet ver van Kaap Hoorn; en het was hier, dat wij op Kerstavond in kalm water het anker lieten vallen. Het eenige, dat ons aan den storm buiten herinnerde, was nu en dan een rukwind van de bergen, die het schip aan zijne ankers deed stampen.
25 December.Dicht bij de kreek verrijst een steile berg, Kater’s Piek genaamd, die eene hoogte heeft van 1700 voet. De omringende eilanden bestaan alle uit kegelvormige bergen vangroensteen,2soms in vereeniging met minder regelmatige heuvels van kristallijn-gemetamorphoseerd leemschiefer. Dit deel van Vuurland kan men als het einde der gezonken bergketen beschouwen, waarop ik reeds doelde. De kreek ontleent haren naam “Wigwam” aan enkele Vuurlandsche woningen; maar met hetzelfde recht zou elke baai in den omtrek zoo genoemd mogen worden. De bewoners, die voornamelijk van schaaldieren leven, zijn verplicht voortdurend van woonplaats te veranderen, doch keeren na verloop van zekeren tijd naar dezelfde plaatsen terug, zooals blijkt uit de stapels oude schelpen, die dikwijls verscheidene tonnen zwaar moeten zijn. Men kan deze hoopen reeds op een afstand onderscheiden aan de heldergroene kleur van sommige planten, die er steeds op groeien. Van deze kunnen genoemd worden de wilde selderij (Apium graveolens) en het lepelblad (Cochlearia): twee zeer nuttige planten, waarvan de inboorlingen het gebruik niet ontdekt hebben.
De Vuurlandsche wigwam3gelijkt in grootte en afmetingen op een hooiopper, en bestaat slechts uit enkele afgebroken takken, die in den grond zijn gestoken en aan één kant zeer onvolkomen met eenige bosjes gras en biezen zijn afgedekt. Het geheel is nauwelijks het werk van een uur, en wordt slechts voor een paar dagen gebruikt. TeGoeree-Roadszag ik een plek, waar een dezer naakte mannen geslapen had, en die volstrekt niet meer beschutting bood dan een hazenleger. De man leefde blijkbaar op zichzelf; en York Minster zeide, dat hij een “zeer slecht man” was, die mogelijk iets gestolen had. Aan de westkust echter, zijn de wigwams iets beter, want daar zijn zij met robbevellen gedekt. Wij werden hier verscheidene dagen door het slechte weêr opgehouden. Het klimaat is alleszins ellendig; ofschoon het zomer-solstitium voorbij was, viel er elken dag sneeuw op de bergen, en in de dalen regen vergezeld van ijzel. De thermometer stond meestal op 45° F., maar daalde des nachts tot 38° of 40°. Wegens den vochtigen en onstuimigen toestand van den dampkring, die door geen zonnestraal werd opgehelderd, stelde men zich het klimaat zelfs slechter voor dan het in werkelijkheid was.
Toen wij op zekeren dag bij het eiland Wollaston aan land gingen, roeiden wij voorbij een kano4met zes Vuurlanders. Deze waren de ellendigste en meest verworpen schepsels, die ik ooit zag. Aan de oostkust dragen de inboorlingen, zooals wij gezien hebben, guanaco-mantels; maar aan de westkust robbevellen. Onder deze middenstammen hebben de mannen meestal een ottervel, of een klein lapje ongeveer zoo groot als een zakdoek, dat nauwelijks voldoende is om hun rug tot aan de lendenen te bedekken. Met koorden of pezen wordt het over de borst bevestigd, en naar gelangvan den wind verschuift het telkens van plaats. Maar deze Vuurlanders in de kano waren geheel naakt, en zelfs met de vrouwen was dit zoo. Het regende hevig, en het frissche water gutste tegelijk met het zeeschuim over hun lichaam. In eene andere, niet ver van daar gelegen haven kwam eens eene vrouw, die een pasgeboren kind zoogde, op zijde van het schip en bleef daar uit loutere nieuwsgierigheid, terwijl de ijzel op haar blooten boezem viel en dooide, en op de huid van haren naakten zuigeling!
Kwijnend en gebrekkig waren deze arme schepsels opgegroeid; hunne afschuwelijke gezichten waren besmeerd met witte verf, hun huid was vuil en vettig, hun haar verward, hunne stem wanluidend, en heftig hunne gebaren. Bij het zien van zulke menschen kan men zich moeilijk wijsmaken, dat zij medeschepselen en bewoners van dezelfde wereld zijn. Een algemeen onderwerp voor gissingen vormt de vraag, welk levensgenot sommige lagere dieren kunnen smaken; doch met hoeveel meer reden kan men dezelfde vraag doen ten opzichte van deze wilden! Des nachts slapen vijf of zes menschelijke wezens, naakt en bijna zonder beschutting tegen den wind en regen van dit stormachtige klimaat, op den natten grond, als dieren in elkaar gerold. Zoodra het laag water is, in winter of zomer, bij nacht of bij dag, moeten zij uit om schaaldieren van de rotsen te plukken; en de vrouwen duiken in ’t water om zeeëgels te garen, of zitten geduldig in hare kano’s vischjes uit het water te slingeren, met een haarlijn zonder haak, waaraan een aas bevestigd is. Wordt een rob gedood of het drijvende lijk van een rottenden walvisch ontdekt, dan is het feest; en dit ellendige voedsel wordt met eenige onsmakelijke bessen en paddenstoelen verorberd!
Dikwijls lijden zij honger. Low, een robbenjager, die de inboorlingen van dit land van zeer nabij kent, deed mij een merkwaardig verhaal van den toestand, waarin een troep van 150 inboorlingen aan de westkust leefde, die zeer armoedig waren en in groote ellende verkeerden. Voortdurende stormen beletten de vrouwen schaaldieren op derotsen te plukken; ook konden zij niet in hare kano’s gaan om robben te vangen. Op zekeren morgen ging een troepje van deze mannen op weg; en de andere Vuurlanders vertelden toen, dat zij een vierdaagschen tocht deden om voedsel te zoeken. Bij hunne terugkomst ging Low hun te gemoet en vond hen uiterst afgemat. Elk man droeg een groot vierkant stuk rottend walvischspek met een gat in het midden, waardoor hij het hoofd stak, evenals de Gauchos met hunneponcho’sof mantels doen. Zoodra het spek in een wigwam gebracht was, sneed een oud man er dunne mooten af, roosterde die eenige oogenblikken onder het prevelen van eenige woorden, en verdeelde ze toen onder het hongerige gezelschap, dat al dien tijd een diep stilzwijgen bewaarde. Low denkt, dat als er een walvisch op het strand wordt geworpen, de inboorlingen groote stukken er van in het zand bewaren, als een redmiddel in tijd van hongersnood; en een Vuurlandsche jongen, dien hij aan boord had, vond eens een geheelen voorraad, welke aldus begraven was.
De verschillende stammen zijn, als zij oorlog voeren, kannibalen. Volgens de gelijkluidende, doch geheel onafhankelijke verhalen van den jongen van Low en van Jemmy Button, is het eene stellige waarheid, dat, als de honger hen des winters kwelt, zij hunne oude vrouwen dooden en verslinden, voordat zij hunne honden dooden. Toen Low den knaap vroeg, waarom zij dit deden, antwoordde hij:
“Hondjes vangen otters, oude vrouwen niet.”
Deze jongen beschreef de manier waarop zij gedood worden: men houdt ze namelijk boven den rook, totdat zij stikken; spottend bootste hij haar geschreeuw na, en beschreef de gedeelten van haar lichaam, die als het beste voedsel worden beschouwd. Zulk een dood door de handen van vrienden en verwanten moet afgrijselijk zijn; maar pijnlijker is het, als men denkt aan de vrees der oudjes zelven, wanneer de honger begint te knagen. Men vertelde ons, dat zij dan dikwijls naar de bergen vluchten, maar dat zij door de mannen achtervolgd en naar het slachthuis, bij hare eigen haarden worden teruggebracht!
Kapitein Fitz-Roy kon nooit te weten komen of de Vuurlanders een duidelijk besef hebben van een leven hiernamaals. Soms begraven zij hunne dooden in holen, soms in de wouden op het gebergte; wij weten ook niet welke ceremonieën zij verrichten. Jemmy Button wilde geen landvogels eten, omdat zij “doode menschen eten.” Zij willen zelfs hunne dooden vrienden niet herdenken. Wij hebben geen reden te gelooven, dat zij een soort godvruchtigen eeredienst verrichten, ofschoon het prevelen van den ouden man voordat hij het rottende spek onder zijn uitgehongerd gezelschap verdeelde, misschien iets van dien aard was. Elke familie of stam heeft een toovenaar of heksenmeester, wiens taak wij nooit duidelijk konden te weten komen. Jemmy geloofde aan droomen, ofschoon niet aan den duivel, zooals ik gezegd heb. Ik voor mij denk niet, dat onze Vuurlanders veel bijgelooviger waren dan enkele zeelieden; want een oude kwartiermeester geloofde vast, dat de aanhoudende zware stormen, waarmede wij bij Kaap Hoorn moesten kampen, veroorzaakt werden door de wilden die wij aan boord hadden. Het dichtst bij een godsdienstig gevoel kwam, voorzoover ik weet, een trek door York Minster aan den dag gelegd, die, toen Bynoe eenige zeer jonge eenden had geschoten, op den plechtigsten toon zeide:
“O, Mr. Bynoe, veel regen, sneeuw, veel windvlagen.”
Blijkbaar was dit eene straf ter vergelding voor het vernielen van menschenvoedsel. Op heftige en overspannen wijze vertelde hij ook, dat zijn broeder, toen hij eens naar de kust terugkeerde om eenige doode vogels op te rapen, eenige vederen had zien waaien...
“Wat dat?” zeide zijn broeder (York bootste diens manieren na); en voortkruipende, sprong hij over de rots en zag “wilde man,” die zijne vogels opraapte. Hij kroop nog dichter bij, slingerde toen een grooten steen omlaag en doodde hem. “Langen tijd daarna,”verklaarde York,“woedden stormen, en viel er veel sneeuw en regen”...
Voorzoover wij konden uitmaken, scheen hij de elementen zelven als de wrekende machten te beschouwen. Het isduidelijk, dat in dit geval bij een eenigszins beschaafder ras de elementen op natuurlijke wijze door personen zouden worden voorgesteld. Wie of wat die “slechte wilde mannen” waren, heeft mij altijd hoogst geheimzinnig toegeschenen. Uit hetgeen York zeide, toen wij het ellendige hazenleger vonden, waar een alleenlevend man den vorigen nacht geslapen had, zou ik hen voor dieven hebben gehouden, die door hunne stammen verdreven waren; maar andere duistere woorden deden mij hieraan twijfelen. Soms heb ik gedacht, dat de waarschijnlijkste verklaring was hen voor krankzinnigen te houden.
De verschillende stammen hebben geen regeering of hoofd; toch is elke stam door andere vijandige omringd, die verschillende dialecten spreken en slechts door een verlaten strook onzijdig gebied van elkaar gescheiden zijn. De aanleiding tot hunne oorlogen schijnt het middel van bestaan te wezen. Hun land is eene, hier en daar afgebroken aaneenschakeling van ongenaakbare rotsen, hooge bergen en onnutte wouden, die gehuld zijn in misten en eindelooze stormen. Het bewoonbare land bepaalt zich tot de steenen op het strand; bij het zoeken naar voedsel zijn zij steeds gedwongen van de eene plek naar de andere te trekken; en de kust is zoo steil, dat zij die tochten niet anders dan in hunne ellendige kano’s kunnen doen. Het begrip van een eigen huis, en nog meer dat van huiselijke liefde kunnen zij niet hebben, want de echtgenoot staat tegenover de vrouw als een ruwe meester tegenover eene werkzame slavin. Werd ooit eene afschuwelijker daad bedreven, dan die welke door Byron aan de westkust is bijgewoond, die eene ongelukkige moeder haar bloedend en stervend kind zag opnemen, dat haar echtgenoot meedoogenloos tegen de steenen had verpletterd, omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen? Hoe weinig kunnen hier de hoogere functiën van den geest in ’t spel worden gebracht; wat is er dat de verbeelding kan malen, dat de rede vergelijken, dat het oordeel kan beslissen? Eene zeeslak van de rots te plukken, vereischt zelfs geen list—die laagste functie van den geest.De bekwaamheid dezer schepsels is in sommige opzichten bij het instinct der dieren te vergelijken, want zij wordt door de ervaring niet verbeterd. Door Drake weten wij, dat de kano, trots al hare ellendigheid hun meest vernuftig werk, in de laatste 250 jaren dezelfde is gebleven.
Als men deze wilden aanziet, rijst de vraag: van waar zijn zij gekomen? Wat kon een menschenstam bewogen hebben, of welke verandering dwong hem de betere gewesten van het noorden te verlaten; de Cordilleras of ruggegraat van Amerika zuidwaarts af te zwerven; kano’s uit te vinden en te bouwen, die door geen enkelen stam in Chili, Peru en Brazilië gebruikt worden, en eindelijk een der onherbergzaamste oorden binnen te dringen, die op aarde te vinden zijn? Hoewel zulke gedachten terstond bij ons moeten opkomen, kunnen wij toch zeker zijn, dat wij gedeeltelijk dwalen. Er is geen reden om te denken, dat de Vuurlanders in aantal verminderen; wij moeten dus aannemen dat zij een voldoende mate van geluk—hoe dit dan ook zij—smaken, om het leven op prijs te stellen. De natuur, die de gewoonte almachtig en hare werkingen erfelijk maakt, heeft den Vuurlander voor het klimaat en de voortbrengselen van zijn ellendig land geschikt gemaakt.
Nadat wij zes dagen door zeer slecht weder in Wigwam-Kreek waren opgehouden, staken wij op 30 December in zee. Kapitein Fitz-Roy wilde westwaarts gaan, om York en Fuegia in hun eigen land aan wal te zetten. Op zee hadden wij voortdurend stormen en tegenstroom, met het gevolg dat wij naar 57° 23′ zuidelijk dreven. Door alle zeilen bij te zetten, kwamen wij op 11 Januari 1833 tot op enkele mijlen afstand van den hoogen rotsachtigen berg York Minster (zoo gedoopt door kapitein Cook, en de oorsprong van den naam van onzen oudsten Vuurlander), toen een geweldige orkaan ons noodzaakte zeil te minderen en op zee te blijven. Vreeselijk woedde de branding op de kust, en het schuim sloeg over rotsen, die naar onze schatting 200 voet hoog waren. Op den 12den was de storm zeer hevig, en wisten wij nietjuist waar wij waren. Het was alleronaangenaamst telkens den kreet te hooren herhalen:
“Kijk goed uit aan lij!”
Op den 13den woedde de storm in al zijne kracht, en was onze horizon sterk gekrompen door de hoozen schuim, welke de wind voortjoeg. Onheilspellend was de aanblik der zee, gelijk eene woeste golvende vlakte, vol opgewaaide jachtsneeuw. Terwijl het schip hevig werkte, dreef de albatros of stormvogel5met uitgespreide vleugels recht in den wind. Op den middag sloeg eene hooge zee over het schip en vulde een der walvischbooten, die onmiddellijk moest worden gekapt. De armeBeagletrilde onder den schok, en wilde eenige minuten lang niet naar zijn stuur luisteren; maar zooals een goed schip van zijn slag betaamde, richtte hij zich spoedig weder op, en ging andermaal te loever. Ware eene tweede zee de eerste gevolgd, dan zou ons lot weldra en voorgoed beslist zijn geweest. Wij trachtten nu reeds 24 dagen lang te vergeefs naar het westen te stevenen; de mannen waren op van vermoeienis, en hadden gedurende vele dagen en nachten geen droog stuk kleeren aan het lijf gehad. Toen gaf onze kapitein de poging om langs de buitenkust naar het westen te gaan op. Des avonds liepen wij achter Valsche Kaap Hoorn binnen, en lieten 47 vademen diep ons anker vallen, waarbij de ketting met zulk eene snelheid afliep, dat het vuur uit het windas sprong. Hoe heerlijk was die stille nacht, na zulk een lange worsteling onder het geraas der strijdende elementen!
15 Januari 1833.DeBeagleankerde inGoeree-Roads. Daar onze kapitein besloten had de beide Vuurlanders, overeenkomstig hunnen wensch, in de Straat van Ponsonby aan land te zetten, werden vier booten uitgerust om hen door het Beagle-kanaal te brengen. Dit kanaal, hetwelk door kapitein Fitz-Roy op de vorige reis ontdekt werd, is een hoogst merkwaardig geographischpunt van dit land of eigenlijk van de geheele wereld. Men kan het vergelijken bij de vallei van Loch Ness in Schotland, met hare aaneenschakeling van meren en zeearmen. Het is ongeveer 120 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van omstreeks twee mijlen, welke niet aan veel verandering onderhevig is, en is voor het grootste gedeelte zoo volkomen recht, dat onze blik, die aan weerszijden door eene reeks van bergen begrensd wordt, zich allengs in de wijde verte verliest. Het doorsnijdt het zuidelijk deel van Vuurland in de richting oost-west, en is in het midden aan de zuidzijde rechthoekig verbonden met een kanaal van onregelmatigen vorm, dat “Ponsonby Sound” genoemd is. Hier is de woonplaats van Jemmy Button’s stam en familie.
19 Januari.Drie walvischbooten en de sloep, met eene bemanning van 28 koppen, verlieten onder bevel van kapitein Fitz-Roy het schip. In den namiddag voeren wij de oostelijke monding van het kanaal binnen, en vonden kort daarop eene aardige kleine kreek, die tusschen eenige eilandjes verscholen lag. Hier sloegen wij onze tenten op en staken onze vuren aan. Schilderachtiger tooneel dan dit laat zich niet denken. Het klare water in de kleine haven; de boomen die hunne takken over den rotsachtigen oever lieten hangen; de voor anker liggende booten; de tenten die over de gekruiste riemen waren gespannen, en de dwarrelende rookwolkjes boven het dicht begroeide dal—dit alles vormde een tafereel van stille afzondering. Den volgenden dag (20 Januari) dreven wij in onzen kleinen inham kalm verder, en kwamen in een meer bewoond district. Weinige inboorlingen, misschien geen enkele, konden ooit een blanke gezien hebben; en hunne verbazing over de verschijning der vier booten laat zich dan ook niet beschrijven. Op elk punt werden vuren ontstoken (hieraan is de naam “Vuurland” ontleend), niet alleen om onze aandacht te trekken, maar ook om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Enkele mannen liepen mijlen ver langs het strand mee. Nooit zal ik den woesten en schilderachtigen aanblik vergeten van een groep van vier of vijf mannen,die plotseling aan den rand eener overhangende rots verschenen. Zij waren geheel naakt, en hunne lange haren fladderden wild over hunne aangezichten; met knoestige stokken in de hand sprongen zij van den grond op, zwaaiden hunne armen boven het hoofd en lieten het afschuwelijkste gegil hooren.
Op etenstijd landden wij onder een troep Vuurlanders, die eerst niet geneigd waren ons vriendelijk te ontvangen; want zij hielden hunne slingers in de handen, zoolang tot onze kapitein met zijne boot naar voren roeide. Het duurde echter niet lang of wij wisten hen met beuzelachtige geschenken te vermaken, zooals met rood lint, dat wij om hunne hoofden bonden. Ons beschuit smaakte hun; maar toen een der wilden met zijn vinger het in tinnen bussen bewaarde vleesch aanraakte, dat ik bezig was te eten, en voelde dat het zacht en koud was, legde hij evenveel afkeer aan den dag, als ik zou gedaan hebben met verrot spek. Jemmy schaamde zich diep over zijne landgenooten, en verklaarde, dat zijn eigen stam geheel anders was; doch hierin vergiste hij zich deerlijk. Het was even gemakkelijk deze wilden te behagen als moeilijk om hun te voldoen. Jong en oud, kinderen en volwassenen herhaalden steeds het woord:Yammerschooner,6hetgeen zeggen wil: “Geef mij.” Wijzend naar bijna elk voorwerp, het een na het ander, zelfs naar de knoopen op onze jassen, uitten zij hun geliefkoosd woord in alle mogelijke klanken; bezigden het dan in onzijdigen zin, en herhaalden werktuigelijk:Yammerschooner. Hadden zij hoogst verlangend om een of ander voorwerpgeyammerschoonerd, dan wezen zij met een eenvoudig gebaar naar hunne jonge vrouwen of kleine kinderen, als wilden zij daarmee zeggen: “Indien gij het niet aan mij wilt geven, dan geeft gij het toch zeker wel aan deze.”
Des nachts poogden wij vruchteloos eene onbewoonde kreek te vinden, en waren eindelijk gedwongen niet ver van een troep wilden te bivouakeeren. Zoolang hun aantal gering was, waren zij zeer onschadelijk; maar toen zich op den morgen van den 21sten anderen bij hen voegden, gaven zij teekenen van vijandigheid, en dachten wij dat het tot eene schermutseling zou komen. Een Europeaan heeft veel in zijn nadeel, als hij te doen heeft met wilden zooals deze, die niet het minste begrip hebben van de kracht van vuurwapenen. In het aanleggen van zijn geweer schijnt hij in het oog van den wilde ver beneden iemand, die gewapend is met boog en pijlen, een speer of zelfs een slinger. Ook is het niet gemakkelijk hun onze meerderheid te toonen, tenzij door een noodlottig salvo. Evenals wilde beesten, schijnen zij niet op getalsterkte te letten; want elk individu zal, zoo hij wordt aangevallen, in stede van te wijken, met een steen u de hersenen trachten in te slaan, evenals een tijger onder zulke omstandigheden u zeker zou verscheuren.
Toen kapitein Fitz-Roy eens om goede redenen een troepje van deze lieden vrees wilde aanjagen, zwaaide hij een hartsvanger dicht voor hunne oogen—waarom zij eenvoudig lachten; toen schoot hij vlak bij een inboorling tweemaal zijn pistool af. Beide keeren keek de man verwonderd op, en wreef zorgvuldig maar snel zijn hoofd; toen stond hij een poos besluiteloos en babbelde tot zijne metgezellen, doch scheen volstrekt niet aan wegloopen te denken. Wij kunnen ons moeilijk in de plaats van deze wilden stellen en hunne handelingen begrijpen. Wat dezen Vuurlander betrof, nooit kon hij gedacht hebben aan de mogelijkheid van een geluid zooals het knallen van een geweer vlak bij zijn oor. Misschien wist hij bij het tweede schot letterlijk niet of het een geluid dan wel een slag was, en wreef hij daarom zeer natuurlijk zijn oor. Zoo zal het ook, wanneer een wilde een kogel doel ziet treffen, eenigen tijd kunnen duren, voordat hij ten volle kan begrijpen hoe dit gekomen is; want het feit dat een lichaam ten gevolge van zijne snelheid onzichtbaar is, zou misschien volkomen onbegrijpelijk voor hemzijn. Bovendien zou de verbazende kracht, waarmede een kogel eene harde stof doorboort zonder haar te scheuren, den wilde kunnen overtuigen, dat hij in ’t geheel geen kracht bezit. Ik geloof zeker, dat vele wilden van den laagsten graad, zooals die in Vuurland, voorwerpen met een kogel hebben zien treffen, en zelfs kleine dieren zien dooden, zonder ook maar in het minst te beseffen welk een doodelijk werktuig het geweer is.
22 Januari.Nadat wij een ongestoorden nacht hadden doorgebracht op de plek, die onzijdig gebied scheen tusschen Jemmy’s stam en het volk dat wij gisteren zagen, zeilden wij in aangename stemming verder. Ik ken geen duidelijker bewijs voor de vijandige verhouding der verschillende stammen, dan deze breede grensstrooken of onzijdige gronden. Ofschoon Jemmy Button de sterkte van onzen troep wel kende, was hij eerst niet geneigd onder den vijandigen stam die het dichtst bij den zijnen woonde, aan land te gaan. Dikwijls vertelde hij ons hoe de wilde mannen van Oens7“als de bladeren rood werden” van de oostkust van Vuurland over het gebergte trokken, en invallen deden bij de inboorlingen in dit gedeelte des lands. Hoogst belangrijk was het hem gade te slaan als hij zoo sprak: dan glinsterden zijne oogen en kreeg zijn gelaat eene ongewone en wilde uitdrukking. Toen wij verder in het Beagle-kanaal kwamen, vertoonde het landschap een ongewonen en zeer prachtigen aanblik; maar de indruk er van werd zeer verzwakt door ons laag gelegen standpunt in eene boot, en omdat wij langs de vallei keken, waardoor al de schoonheid die eene opvolging van bergtoppen te zien geeft, verloren ging. De bergen waren hier omtrent 3000 voet hoog, en eindigden in scherpe en getande punten. Zij verrezen in eene onafgebroken rij uit den rand van het water, en waren tot op eene hoogte van 1400 of 1500 voet met de somber gekleurde wouden bedekt. Hoogstbelangwekkend was het tezien, hoe zuiver horizontaal de lijn, tot waar de boomen ophielden te groeien, langs de berghellingen liep; zij geleek volmaakt het hoogwatermerk van drijfwier op eene zeekust.
Des nachts sliepen wij dicht bij het punt waar de Straat van Ponsonby in het Beagle-kanaal valt. Eene kleine familie Vuurlanders, die in de kreek woonde en uit rustige, vreedzame lieden bestond, schaarde zich spoedig om ons vlammend wachtvuur. Wij waren goed gekleed, zaten dicht bij het vuur en hadden het toch alles behalve warm; maar deze naakte wilden, ofschoon verderaf staande, zagen wij tot onze verwondering baden in hun zweet, toen zij den vuurgloed voelden. Zij schenen echter wel in hun schik, en zongen allen in het koor onzer zeelieden mede; maar de wijze waarop zij steeds daarbij wat achterbleven, was alleszins vermakelijk.
Gedurende den nacht had het nieuws zich verspreid, en vroeg in den morgen van den 23sten daagde een nieuwe troep op, behoorende tot de Tekenika, of den stam van Jemmy. Vele van hen hadden zoo hard geloopen, dat hunne neuzen bloedden, en door het snelle spreken het schuim op hun mond kwam. Daarbij gevoegd de zwarte, witte en roode beschilderingen op hunne naakte lichamen, geleken zij inderdaad een troep duivels, die aan het vechten waren geweest.8Door 12 kano’s, in elk waarvan vier of vijfinboorlingen, vergezeld, zakten wij toen de Straat van Ponsonby af, naar de plek waar de arme Jemmy zijne moeder en bloedverwanten dacht te vinden. Reeds had hij gehoord, dat zijn vader dood was; maar wijl hij daarvan reeds “een droom in het hoofd” had gehad, scheen hij zich om dit punt niet te bekommeren, en troostte hij zich telkens met de zeer natuurlijke gedachte: “Wij kunnen er niets aan doen.” Hij kon geen bijzonderheden over zijns vaders dood te weten komen, daar zijne bloedverwanten er niet van wilden spreken.
Jemmy was nu in eene hem welbekende streek, en geleidde de booten naar eene stille, schilderachtige kreek, Woollya genaamd, die omringd was van eilandjes, waarvan elk zijn eigen oorspronkelijken naam droeg. Wij vonden hier eene familie van Jemmy’s stam, maar niet zijne bloedverwanten; en nadat wij samen vriendschap hadden gesloten, stuurden zij des avonds eene kano uit, om Jemmy’s moeder en broeders van zijne komst te verwittigen. De kreek werd door eenige acres goed, glooiend terrein begrensd, dat niet zooals elders met veen of woudboomen bedekt was. Zooals wij boven zeiden, had onze kapitein aanvankelijk plan om York en Fuegia naar hun eigen stam aan de westkust te brengen; daar zij echter den wensch uitdrukten hier te blijven en de plek bijzonder gunstig was, besloten wij het geheele gezelschap, waaronder den zendeling Matthews, hier te vestigen. Vijf dagen werden besteed om drie groote wigwams voor hen te bouwen, hun goed aan land te brengen, twee tuinen te spitten, en daarop te zaaien.
Den morgen na onze komst (24 Januari) keerden de Vuurlanders terug, en brachten Jemmy’s moeder en broeders mede. Jemmy herkende de stentorstem van eene zijner broeders reeds op zeer grooten afstand. De ontmoeting was minder belangwekkend dan tusschen een paard dat naar het veld gebracht wordt, en een ouden makker dien het weêrziet. Geen enkel vertoon van liefde of genegenheid: zij staarden eenvoudig elkander een korte poos aan, en daarna ging de moeder onmiddellijk naar hare kano kijken. VanYork hoorden wij echter, dat de moeder over het verlies van Jemmy ontroostbaar was geweest, en overal naar hem gezocht had, meenende dat hij misschien was achtergelaten, toen men hem in de boot had genomen. De vrouwen namen Fuegia goed op en waren zeer vriendelijk tegen haar. Wij hadden reeds opgemerkt, dat Jemmy zijn eigen taal bijna vergeten was. Ik geloof, dat er moeilijk iemand te vinden zal zijn zoo weinig bespraakt als hij, want ook zijn Engelsch was zeer onvolkomen. Belachelijk, maar tevens bedroevend was het hem tot zijn wilden broeder in het Engelsch te hooren spreken, en dan in het Spaansch (No sabe?) te vragen of deze hem niet verstond.
Gedurende de drie volgende dagen, toen de tuinen gespit en de wigwams gebouwd werden, ging alles vreedzaam zijn gang. Wij schatten het aantal inboorlingen op ongeveer 120. De vrouwen werkten hard, terwijl de mannen den ganschen dag luierden en ons aangaapten. Zij vroegen om al wat zij zagen en stalen wat zij konden. Zij hadden schik in ons dansen en zingen, en keken met bijzondere belangstelling als wij in een naburige beek ons wiesschen. Op andere dingen sloegen zij niet veel acht, zelfs niet op onze booten. Onder al wat York tijdens zijne afwezigheid uit zijn land zag, schijnt niets hem meer verwonderd te hebben dan een struisvogel bij Maldonado. Ademloos van verbazing kwam hij naar Bynoe, met wien hij wandelde, toeloopen onder den uitroep:
“O, Mr. Bynoe, o, vogel net een paard!”
Hoezeer onze blanke huid de inboorlingen ook verbaasde, was zulks, naar Low verhaalt, veel erger het geval met een neger-kok aan boord van een robbenvaarder; en de arme duivel werd zoo door hen toegetakeld en uitgejouwd, dat hij nooit weer aan land wilde gaan.
Alles ging zoo rustig zijn gang, dat enkele officieren en ook ik lange wandelingen deden op de omringende heuvels en in de bosschen. Maar op den 27sten verdwenen plotseling alle vrouwen en kinderen. Wij waren daarover geen van allen op ons gemak, wijl York noch Jemmy de reden er vanbegrepen. Sommigen dachten, dat zij door het schoonmaken en afvuren van onze geweren op den vorigen avond bang waren geworden; anderen, dat het was toe te schrijven aan ergernis van een ouden wilde, die, toen hem door den schildwacht gezegd was zich meer op een afstand te houden, den man brutaal in het gezicht had gespuwd, en toen door het maken van gebaren boven een slapenden Vuurlander duidelijk had laten blijken (naar ons gezegd werd), dat hij onze mannen in stukken wilde snijden en opeten. Om de kans op een treffen te vermijden, dat voor vele Vuurlanders noodlottig zou geweest zijn, achtte kapitein Fitz-Roy het raadzaam voor ons bij eene kreek eenige mijlen verder te gaan slapen. Wat Matthews betrof, deze besloot met de hem eigen kalme vastberadenheid (wel opmerkelijk in een man, die schijnbaar weinig vastheid van karakter bezat) om bij de Vuurlanders te blijven, die hunnerzijds geen onrust aan den dag legden. En zoo lieten wij hem zijn eersten angstvollen nacht doorbrengen.
Toen wij den volgenden morgen (28 Januari) terugkeerden, vonden wij tot onze vreugde allen in kalme stemming, en de mannen in hunne kano’s bezig met visch aan hunne speren te rijgen.
Kapitein Fitz-Roy besloot nu de sloep en een der walvischbooten naar het schip terug te sturen, en met de twee andere booten—de eene onder zijn eigen commando en waarin hij mij vriendelijk toestond hem te vergezellen, de andere onder Hammond—verder te gaan, om de westelijke gedeelten van het Beagle-kanaal op te meten, en daarna op de terugreis de kolonie te bezoeken. Tot onze verwondering was het dien dag brandend heet, zoodat onze huid er door geschroeid werd. Bij dit schoone weder, was het uitzicht in het midden van het Beagle-kanaal zeer merkwaardig. Waar men ook keek, hetzij rechts of links, geen enkel voorwerp belemmerde het vrije vergezicht op dit lange kanaal tusschen de bergen. Dat het een zeearm was, bleek zeer duidelijk uit het feit, dat verscheidene groote walvisschen in verschillende richtingen hunne waterstralen opspoten.9Eens zag ik twee dezer monsters,waarschijnlijk een mannetje en wijfje, langzaam achter elkander zwemmen, op minder dan een steenworps-afstand van den oever, waarboven de beukeboom zijne takken uitstrekte.
Wij zeilden voort totdat het donker was, en sloegen toen in eene stille kreek onze tenten op. Het was een groot buitenkansje, dat wij een oever van kiezelsteenen voor onze legerstede vonden, want deze waren droog en veerden onder het lichaam. Veengrond is vochtig; eene rots is oneffen en hard, en zand dringt in het vleesch als dit op zeemanswijze gekookt en gegeten wordt; maar lagen wij in onze wollen dekenzakken op een goed bed van zachte kiezelsteenen, dan brachten wij alleraangenaamste nachten door.
Ik had tot een uur de wacht. Er ligt iets plechtigs in deze woeste, grootsche natuurtafereelen. Nooit beseft de geest zoo diep in welk een afgelegen hoek der wereld ge u bevindt, als in die nachtelijke uren. Alles werkt samen om dien indruk te verhoogen; de stilte om u heen wordt slechts verbroken door de diepe ademhaling der matrozen onder de tenten, en somtijds door het geschreeuw van een eenzamen nachtvogel. Nu en dan herinnert u het geblaf van een hond in de verte, dat dit het land van den wilde is.
29 Januari.Vroeg in den morgen kwamen wij aan het punt, waar het Beagle-kanaal zich in twee armen splitst: en wij voeren den noordelijken binnen. Hier wordt het schouwspel zoo mogelijk nog grootscher dan te voren. De hooge bergen aan de noordzijde vormen de graniet-as of ruggegraat van het land, en verheffen zich fier tot eene hoogte van tusschen de 3000 en 4000, één topzelfs tot ruim 6000 voet. Zij zijn met een breeden mantel van eeuwige sneeuw bedekt, en tallooze watervallen storten hunne stroomen door de wouden heen, in het enge kanaal beneden. Op vele plaatsen strekken zich prachtvolle gletschers langs de berghelling uit tot aan den rand van het water. Het is haast niet mogelijk zich iets schooners te denken dan deze zeegroen-blauwe gletschers, vooral in hunne tegenstelling met het doodsche wit der hooger liggende sneeuwvlakte. De brokken, die van de gletschers in het water waren gevallen, dreven weg; en dit kanaal, met zijne ijsbergen, vertoonde eene mijl ver eene miniatuur-gelijkenis met de zeeën van Noord- of Zuidpool. Toen op ons etensuur de booten aan land waren gehaald, aanschouwden wij op eene halve mijl afstand een wondervollen loodrechten ijswand. Verdiept in dit schouwspel, en vervuld van den wensch, dat er eenige brokken zouden afvallen, kwam eindelijk zulk een gevaarte met donderend geweld omlaag, en zagen wij terstond eene hooge golf recht op ons afkomen. De matrozen snelden zoo spoedig zij konden naar de booten aan den waterkant; want de kans, dat deze verbrijzeld konden worden, bleek duidelijk. Een der matrozen greep juist de boegen, toen de golfslag hem bereikte en onderstboven wierp, doch niet bezeerde; en hoewel de booten driemaal op en neder werden geworpen, kregen zij geen schade. Dit was een groot geluk voor ons; want wij waren een honderd mijlen van het schip af en zouden, behalve de booten, ook onze levensmiddelen en vuurwapenen kwijt geweest zijn. Te voren had ik opgemerkt, dat eenige groote rotsblokken op den oever niet lang geleden verplaatst waren geworden, maar begreep er de oorzaak niet van, voordat ik deze golf zag. De eene zijde der kreek werd gevormd door een uitlooper van mica-schiefer, het boveneind door een ijswand van circa 40 voet hoogte, en de andere zijde door een 50 voet hoog voorgebergte, samengesteld uit groote ronde brokken graniet en mica-schiefer, waaruit oude boomen groeiden. Dit voorgebergte was blijkbaar eenemoraine, opgehoopt in een tijd, toen de gletscher grootere afmetingen had.
Toen wij de westelijke monding van dezen noordelijken arm van het Beagle-kanaal bereikten, zeilden wij tusschen tal van onbekende en eenzame eilanden, terwijl het weder afschuwelijk slecht was. Inboorlingen ontmoetten wij niet meer. De kust was bijna overal zoo steil, dat wij dikwijls vele mijlen ver moesten zeilen, voordat wij ruimte genoeg konden vinden voor het opslaan van onze tenten. Eén nacht sliepen wij op groote ronde rotsblokken met rottend zeewier er tusschen; en toen de vloed opkwam, moesten wij in aller ijl opstaan en onze dekenzakken verleggen. Het eerste punt, dat wij in westelijke richting bereikten, was Stewart-Eiland, op een afstand van omstreeks 150 mijlen van ons schip. Wij keerden door den zuidelijken arm van het Beagle-kanaal terug, en voeren hierna zonder verder avontuur naar de Straat van Ponsonby.
6 Februari.Bij onze aankomst te Woollya, deed Matthews ons zulk een ongunstig verhaal van de houding der inboorlingen, dat kapitein Fitz-Roy besloot hem naar deBeagleterug te brengen. Later werd hij op Nieuw-Zeeland achtergelaten, waar zijn broeder zendeling was. Sedert het oogenblik van ons vertrek, was door de Vuurlanders eene geregelde plundering begonnen; en telkens kwamen nieuwe benden aan. York en Jemmy verloren tal van voorwerpen, en Matthews bijna alles wat niet onder den grond verborgen was. Elk voorwerp scheen door de Vuurlanders gebroken, gescheurd en verdeeld te zijn. Matthews beschreef hoe doodelijk vermoeiend het was voortdurend de wacht te moeten houden; nacht en dag was hij door de inboorlingen omringd, die hem trachtten af te matten, door onophoudelijk geluiden bij zijn oor te maken. Eens toen Matthews een ouden man gevraagd had zijn wigwam te verlaten, keerde deze onmiddellijk met een grooten steen in de hand terug. Op een anderen dag kwam eene geheele bende met steenen en stokken gewapend, zoodat enkele inboorlingen van Jemmy’s stam, en ook zijn broeder het uitschreeuwden van angst. Matthews bewoog hen toen met geschenken tot den aftocht. Eene andere bende wees metteekens, dat zij hem naakt wilden uitkleeden, en dan alle haren uit zijn baard en lichaam plukken. Ik geloof, dat wij juist tijdig genoeg kwamen om zijn leven te redden.
Jemmy’s bloedverwanten waren ijdel en dwaas genoeg om hun buit aan de onzen te laten zien, en te wijzen hoe zij die gekregen hadden. Het was een pijnlijke gedachte onze drie Vuurlanders bij hunne wilde landgenooten achter te laten, hoewel het een groote troost was, dat zij persoonlijk geen vrees hadden. York, een krachtig, vastberaden man, was er volkomen zeker van, dat het hem en zijne vrouw Fuegia goed zou gaan. De arme Jemmy keek wel wat moedeloos; en ik twijfel er haast niet aan, of hij zou blijde geweest zijn, indien hij met ons had kunnen terugkeeren. Zijn eigen broeder had hem vele dingen ontstolen; daarom schold hij op zijne landgenooten: “Wat manier is dat? Allemaal slechte menschen; weten niets; verdoemde gekken!”—Als hij zoo boos was, vloekte hij, ofschoon ik hem vroeger nooit had hooren vloeken. Hoewel onze drie Vuurlanders slechts drie jaren onder beschaafde menschen hadden geleefd, weet ik zeker, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij hunne nieuwe leefwijze hadden mogen behouden; maar dit was natuurlijk onmogelijk. Ik vrees, dat het meer dan twijfelachtig is of hun bezoek in den vreemde hun van eenig nut is geweest.
Met Matthews aan boord gingen wij des avonds onder zeil, en keerden, niet door het Beagle-kanaal, maar langs de zuidkust naar het schip terug. De booten waren zwaar geladen, en dit gevoegd bij eene onstuimige zee, bezorgde ons een gevaarlijken tocht. Op den avond van den 7den waren wij aan boord van deBeagle, na eene afwezigheid van 20 dagen, gedurende welke wij een afstand van 300 mijlen in de open booten hadden afgelegd. Op den 11den bracht onze kapitein alleen een bezoek aan de Vuurlanders, vond hen welvarend, en hoorde, dat hun sedert zijn vorig bezoek weinig dingen meer ontstolen waren.
Op den laatsten dag in Februari van het volgende jaar (1834) ankerde deBeaglein eene schilderachtige kleinekreek aan den oostelijken ingang van het Beagle-kanaal. Hier besloot kapitein Fitz-Roy de stoute en, zooals bleek welgeslaagde poging te doen om tegen de westenwinden in denzelfden koers te nemen, dien wij vroeger in booten naar de kolonie bij Woollya hadden gevolgd. Wij zagen niet veel inboorlingen, totdat wij bij de Straat van Ponsonby waren, waar wij door tien of twaalf kano’s vergezeld werden. De inboorlingen begrepen volstrekt de reden niet van ons laveeren; en in plaats van ons bij elken boegslag te gemoet te gaan, poogden zij vruchteloos ons in onzen zigzag-koers te volgen. Het vermaakte mij toen ik het verschil in belangstelling opmerkte, waarmede men deze wilden ziet, en dat een gevolg is van de omstandigheid, dat men hun volstrekt meerdere is in kracht. Toen ik in de booten was, haatte ik het geluid hunner stemmen, om de onrust die dit bij ons verwekte. Het eerste en laatste woord was:Yammerschooner. Bij het binnenvaren van eene kleine stille kreek, keken wij rond, in de hoop een rustigen nacht door te brengen; maar dan klonk het hatelijke woordYammerschoonerschril uit een donkeren hoek der wildernis, en kronkelden de rookwolkjes omhoog, als seinen om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Bij het verlaten van eene plaats, zeiden wij tot elkander: “Goddank, dat wij eindelijk geheel van die ellendelingen afkomen!” en zie: andermaal trof de zwakke echo van eene daverende stem heel uit de verte onze ooren, en konden wij duidelijk onderscheiden:Yammerschooner! Maar nu: hoe meer Vuurlanders, des te grappiger; en inderdaad, het ging zeer jolig toe. Beide partijen lachten, en gaapten elkander verwonderd aan; wij beklaagden hen, dat zij ons goede visschen en kreeften gaven in ruil voor lappen en dergelijke; zij juichten om het buitenkansje lieden te vinden, dwaas genoeg om zulke prachtige versieringen tegen een hapje eten te ruilen. Hoogst vermakelijk was het den ongekunstelden, vergenoegden glimlach te zien, waarmede eene jonge vrouw met zwart geschilderd gelaat, verscheidene stukken vuurrood doek met biezen om haar hoofd bond. Haar man, die het in dit land zeeralgemeene voorrecht genoot van twee vrouwen te bezitten, was blijkbaar jaloersch op al de attentie die zijne jonge vrouw bewezen werd; en na een lang beraad met zijne naakte schoonheden, werd hij eindelijk door dezen weggepagaaid.
Sommige Vuurlanders bewezen duidelijk, dat zij een goed begrip van ruiling hadden. Ik gaf een man een grooten spijker (deze gold voor een kostbaar geschenk), zonder daarbij een teeken te geven, dat ik er iets voor terug wilde hebben; doch onmiddellijk pikte hij twee visschen op en overhandigde mij die op de punt van zijn speer. Was een of ander geschenk voor eene bepaalde kano bestemd, en viel het bij eene andere in het water, dan werd het steeds aan den rechten eigenaar gegeven. De Vuurlandsche jongen, dien Mr. Low aan boord had, bewees door zijn heftige uitbarsting van drift, dat hij het hem gedane verwijt van een leugenaar te zijn (gelijk hij ook inderdaad was), volkomen begreep. Wij waren ditmaal, evenals bij alle vroegere gelegenheden, zeer verwonderd over de weinige, of liever het volslagen gebrek aan aandacht, die voor vele dingen getoond werd, waarvan de inboorlingen het nut toch moeten hebben ingezien. Eenvoudige zaken, zooals helder vuurrood doek of blauwe knoopen, de afwezigheid van vrouwen op ons schip, onze zorg om ons te wasschen, wekten veel meer hunne bewondering dan een groot of samengesteld voorwerp, zooals een schip. Bougainville heeft omtrent deze lieden terecht opgemerkt, dat: “ils traitent les chefs-d’oeuvre de l’industrie humaine, comme ils traitent les loix de la nature et ses phénomènes.”
Op den 5den Maart ankerden wij in de kreek bij Woollya, doch zagen hier geen levende ziel. Dit maakte ons ongerust, want de inboorlingen in de Straat van Ponsonby toonden door gebaren dat zij gevochten hadden; en later hoorden wij, dat de geduchte mannen van Oens de bergen waren afgedaald. Weldra zagen wij eene kano met eene kleine wapperende vlag naderen; en een der inzittenden wiesch zich deverf van het gelaat. Deze was de arme Jemmy—thans een magere, woest uitziende wilde, met lange, verwarde haren, en geheel naakt, behalve een lap van een wollen deken om het midden. Wij herkenden hem niet, voordat hij dicht bij ons was, want hij schaamde zich over zichzelf, en keerde zijn rug naar het schip. Welgedaan, dik, zindelijk en goed gekleed hadden wij hem achtergelaten: nooit zag ik zulk een pijnlijke en algeheele verandering. Zoodra hij echter gekleed en de eerste verwarring voorbij was, kreeg alles een beter aanzien. Des middags at hij met kapitein Fitz-Roy, en gebruikte zijn maal even netjes als vroeger. Hij zeide ons, dat hij “te veel” (daarmede bedoelde hij “genoeg”) te eten had; dat hij geen koude leed; dat zijne bloedverwanten zeer goede menschen waren, en dat hij niet naar Engeland wilde terugkeeren. Des avonds ontdekten wij de oorzaak van dien grooten omkeer in Jemmy’s gevoelens, door de komst van zijn jong en aardig uitziend vrouwtje. Met zijne gewone goedhartigheid bracht hij voor twee zijner beste vrienden twee fraaie ottervellen mee, en voor den kapitein eenige eigenhandig gemaakte speerpunten en pijlen. Hij zeide, dat hij eene kano voor eigen gebruik gemaakt had, en pochte er op, dat hij wat van zijne eigene taal kon spreken! Maar hoogst zonderling is het feit, dat hij zijn geheelen stam wat Engelsch schijnt geleerd te hebben, waaronder ook een ouden man, die de komst der jonge vrouw op eigen houtje met: “Jemmy Button’s wife” aankondigde. Jemmy had al wat hij bezat verloren. Hij vertelde ons, dat York Minster eene groote kano had gebouwd, en verscheidene maanden geleden met zijne vrouw Fuegia naar zijn eigen land wasgegaan, en dat zijn afscheid nemen door eene uiterst laaghartige daad gevolgd was.10Hij had Jemmy en zijne moeder overgehaald om hem te vergezellen; had hen onderweg des nachts verlaten, en elk voorwerp, dat hij bezat, ontstolen.
Jemmy sliep aan het strand, keerde des morgens terug, en bleef aan boord totdat het schip de ankers lichtte. Dit maakte zijne vrouw zoo beangst, dat zij overluid bleef schreeuwen, tot hij in zijne kano kwam. Hij keerde met verscheidene voorwerpen beladen, terug. Allen aan boord deed het van harte leed hem voor het laatst de hand te moeten drukken. Ik twijfel niet of hij zal nu even gelukkig zijn als, ja wellicht gelukkiger dan wanneer hij nooit zijn land had verlaten. Ieder zal zeker oprecht hopen, dat de edele wensch van kapitein Fitz-Roy vervuld moge worden, en dat, als loon voor de vele edelmoedige offers die hij zich voor deze Vuurlanders getroostte, een in de wilde wateren dezer ruwe gewesten verongelukt zeeman bescherming zal vinden bij het nageslacht van Jemmy Button en zijn stam!... Toen Jemmy den oever bereikte, ontstak hij een seinvuur; en de rook daarvan kronkelde opwaarts om een laatst en lang vaarwel toe te wuiven, toen het schip zijn aangewezen koers door het ruime sop begon.
De volkomen gelijkheid onder deindividuën, waaruit de Vuurlandsche stammen bestaan, moet hunne beschaving geruimen tijd in den weg staan. Evenals wij dieren, wier instinct hen tot een maatschappelijk leven en gehoorzaamheid aan een hoofd drijft, het meest voor ontwikkeling vatbaar zien, zoo is het ook met de rassen der menschheid. Hetzij wij het als oorzaak of als gevolg beschouwen—de meer beschaafden hebben altijd de kunstigst samengestelde regeeringen. De bewoners van Otaheite, bijv., die bij de eerste ontdekking door erfkoningen geregeerd werden, warentot een veel hoogeren trap geklommen, dan eene andere tak van hetzelfde volk—de Nieuw-Zeelanders, die, ondanks het voorrecht dat zij hunne aandacht aan den landbouw moesten schenken, republikeinen waren in den meest absoluten zin. Niet voordat in Vuurland een hoofd opstaat, die voldoende macht bezit om eenig verkregen voordeel, zooals de huisdieren, te beschermen, schijnt het haast niet mogelijk, dat de staatkundige toestand van dat land kan worden verbeterd. Thans wordt zelfs een stuk laken, dat men een hunner geeft, in reepjes gescheurd en verdeeld; en geen enkel individu wordt rijker dan de overigen. Aan den anderen kant laat zich moeilijk begrijpen, hoe een hoofd kan opstaan, voordat er eene soort van eigendom is, waardoor hij zijne meerderheid kan toonen en zijne macht uitbreiden.
Ik geloof, dat de mensch in dit uiterste gedeelte van Zuid-Amerika op een lageren trap van ontwikkeling staat, dan in een ander deel der wereld. De inboorlingen der beide rassen, die de eilanden in de Stille Zuidzee bevolken, zijn betrekkelijk beschaafd. De Eskimo in zijne ondergrondsche hut, geniet eenige levensgemakken, en legt in zijne goed uitgeruste kano veel vaardigheid aan den dag. Enkele stammen van Zuid-Afrika, die rondzwerven om wortels te zoeken, en verscholen in de woeste en dorre vlakten leven, staan op een vrij lagen trap van ellende. Het dichtst bij den Vuurlander, wat de eenvoudigheid van het kunstleven betreft, staat de Australiër; maar deze kan zich nog verheffen op zijnboemerang,11zijne speer en werpstok; zijne manier om in de boomen te klimmen, de voetsporen van dieren te volgen, en op zijn jagen. Al moge de Australiër echter in vaardigheid en kennis de meerdere zijn, zoo volgt daaruit geenszins, dat hij ook in geestesgaven boven de Vuurlandersstaat; en werkelijk, naar hetgeen ik van onze drie wilde metgezellen aan boord zag, en naar wat ik van de Australiërs gelezen heb, zou ik denken dat juist het omgekeerde het geval was.12
1Elders vind ik dezen beukFagus antarcticagenoemd. DeWinter’s-bastwerd door kapitein Winter uit de Straat van Magelhaen meegebracht; het is een welriekende bast en bezit geneeskrachtige eigenschappen.(Vert.)2Groensteen is de oude benaming van twee na aan elkander verwante gesteenten,diorietendiabas. Dioriet is een kristallijn korrelig mengsel van triklinisch veldspaath en hoornblende, soms met bijmenging van kwarts en augiet. Het veldspaath is gewoonlijk wit, geel of groenachtig gekleurd; en hoornblende meest zwart-groen. Den naam “diabas” heeft men gegeven aan zekere donkergroene of zwarte vulkanische gesteenten, die in de oudere geologische formaties gevonden zijn; zij bestaan in hoofdzaak uitplagioklas(triklinisch veldspaath), augiet, magneet- of titaanijzer, en apatiet. De structuur is grof- tot fijnkorrelig, soms vast en dicht.(Vert.)3Dit woord is eene verbastering der Noord-Amerikaansch-Indiaansche woordenwekoe-omoet, hetgeen zeggen wil:in zijn huis. Oorspronkelijk is het eene Indiaansche hut van kegelvormige gedaante, meest van boomschors gemaakt en met vellen gedekt.(Vert.)4Deze booten zijn uit boomschors vervaardigd, en worden meest door vrouwen geroeid.(Vert.)5Met den soortnaamDiomedea(Orde:Procellariae).(Vert.)6De spelling van dit woord schijnt eenigszins twijfelachtig, hetgeen wellicht aan dialectische verschillen is toe te schrijven. Ik vind althans ook deze spellingenJammenschkenenJammenschkener.(Vert.)7Ongetwijfeld bedoelt Darwin hiermede den stam derOna’s, die forscher en kloeker gebouwd zijn dan andere Vuurlanders.(Vert.)8De hier genoemde witte stof is in gedroogden toestand vrij vast, en heeft een gering soortelijk gewicht. Prof. Ehrenberg heeft haar onderzocht, en verklaart (zieKönigl. Akademie der Wissensch., Berlin, Feb. 1845), dat zij uit infusoria bestaat, waaronder 14polygastricaen 4phytolitharia, en dat deze allen zoetwater-bewoners zijn. Dit is een schoon voorbeeld van de resultaten, die door Prof.Ehrenberg’s microscopische onderzoekingen verkregen kunnen worden; want Jemmy Button zeide mij, dat de stof altijd op den bodem van bergbeken verzameld wordt. Bovendien is het een opmerkelijk feit in de geographische verspreiding der infusoria—die, gelijk men weet,eenuitgestrekt gebied bewonen—dat alle soorten in deze stof oude bekende vormen zijn, ook al is zij uit de zuidelijkste punt van Vuurland afkomstig.9Op zekeren dag zagen wij niet ver van de Vuurlandsche kust het indrukwekkende schouwspel, dat verscheidene potvisschen (of cachelotten—Physeter macrocephalus, soortnaamCatodon) rechtop en in hunne volle lengte, met uitzondering van de staartvinnen, uit het water sprongen. Telkens als zij dan zijdelings neervielen, plaste het water hoog op, met een geluid als van een volle laag.10Kapitein Sulivan, die gedurende zijne reis op deBeaglemet het opmeten van de Falklands-Eilanden bezig was geweest, hoorde van een robbenvanger (in 1842?), dat, toen deze zich eens in het westelijk gedeelte der Straat van Magelhaen bevond, eene inlandsche vrouw bij hem aan boord was gekomen, die tot zijne verwondering wat Engelsch kon spreken. Deze vrouw was zonder twijfel Fuegia Basket. Zij leefde eenige dagen aan boord (welke uitdrukking, vrees ik, voor eene dubbele uitlegging vatbaar is.)11Een werpwapen, dat uit de hand wordt weggeslingerd, zeer merkwaardige bochten beschrijft, en eindelijk in omgekeerde richting tot den werper terugkeert.(Vert.)12Hier zij nog opgemerkt, dat de lage ontwikkelingstrap, waarop de Vuurlanders staan, blijkens onderzoekingen van den laatsten tijd, geen gevolg is van hun geringeren physieken aanleg. Men heeft nl. gevonden, dat het gemiddelde gewicht hunner hersenen—zoowel bij mannen als bij vrouwen—weinig verschilt van dat der beschaafde volken; wel bleken de afwijkingen van het gemiddelde zeer groot. Dit feit, in verband met de ervaring door Darwin en anderen opgedaan, dat sommige Vuurlanders vatbaar zijn voor beschaving, wettigt het vermoeden, dat zij van een hooger ontwikkeld volk afstammen. Dit vraagstuk is een der vele problemen, die Zuid-Amerika nog aan de wetenschap stelt. Ook weet men niet juist welken godsdienst de Vuurlanders hebben; alleen heeft men waargenomen, dat zij eene zekere vereering voor het uitspansel aan den dag leggen, en somtijds onder het aanheffen van een tamelijk welluidend gezang naar den hemel wijzen.Wat de taal der Vuurlanders betreft, zij hier vermeld, dat in het binnenland de taal der Ona’s—het Onaasch—en hare dialecten gesproken worden. Deze taal is nauw verwant aan die der Patagoniërs. Eene van het Onaasch onafhankelijke taal, hetJaghaansch, wordt gesproken aan het Beagle-kanaal, op de eilanden bij Kaap Hoorn en op Navarin—door die Vuurlanders, derhalve, met wie Darwin het meest in aanraking kwam. Al deze talen behooren tot de taalstammen van het Pampas-gebied.(Noot van den Vert.)
1Elders vind ik dezen beukFagus antarcticagenoemd. DeWinter’s-bastwerd door kapitein Winter uit de Straat van Magelhaen meegebracht; het is een welriekende bast en bezit geneeskrachtige eigenschappen.
(Vert.)
2Groensteen is de oude benaming van twee na aan elkander verwante gesteenten,diorietendiabas. Dioriet is een kristallijn korrelig mengsel van triklinisch veldspaath en hoornblende, soms met bijmenging van kwarts en augiet. Het veldspaath is gewoonlijk wit, geel of groenachtig gekleurd; en hoornblende meest zwart-groen. Den naam “diabas” heeft men gegeven aan zekere donkergroene of zwarte vulkanische gesteenten, die in de oudere geologische formaties gevonden zijn; zij bestaan in hoofdzaak uitplagioklas(triklinisch veldspaath), augiet, magneet- of titaanijzer, en apatiet. De structuur is grof- tot fijnkorrelig, soms vast en dicht.
(Vert.)
3Dit woord is eene verbastering der Noord-Amerikaansch-Indiaansche woordenwekoe-omoet, hetgeen zeggen wil:in zijn huis. Oorspronkelijk is het eene Indiaansche hut van kegelvormige gedaante, meest van boomschors gemaakt en met vellen gedekt.
(Vert.)
4Deze booten zijn uit boomschors vervaardigd, en worden meest door vrouwen geroeid.
(Vert.)
5Met den soortnaamDiomedea(Orde:Procellariae).
(Vert.)
6De spelling van dit woord schijnt eenigszins twijfelachtig, hetgeen wellicht aan dialectische verschillen is toe te schrijven. Ik vind althans ook deze spellingenJammenschkenenJammenschkener.
(Vert.)
7Ongetwijfeld bedoelt Darwin hiermede den stam derOna’s, die forscher en kloeker gebouwd zijn dan andere Vuurlanders.
(Vert.)
8De hier genoemde witte stof is in gedroogden toestand vrij vast, en heeft een gering soortelijk gewicht. Prof. Ehrenberg heeft haar onderzocht, en verklaart (zieKönigl. Akademie der Wissensch., Berlin, Feb. 1845), dat zij uit infusoria bestaat, waaronder 14polygastricaen 4phytolitharia, en dat deze allen zoetwater-bewoners zijn. Dit is een schoon voorbeeld van de resultaten, die door Prof.Ehrenberg’s microscopische onderzoekingen verkregen kunnen worden; want Jemmy Button zeide mij, dat de stof altijd op den bodem van bergbeken verzameld wordt. Bovendien is het een opmerkelijk feit in de geographische verspreiding der infusoria—die, gelijk men weet,eenuitgestrekt gebied bewonen—dat alle soorten in deze stof oude bekende vormen zijn, ook al is zij uit de zuidelijkste punt van Vuurland afkomstig.
9Op zekeren dag zagen wij niet ver van de Vuurlandsche kust het indrukwekkende schouwspel, dat verscheidene potvisschen (of cachelotten—Physeter macrocephalus, soortnaamCatodon) rechtop en in hunne volle lengte, met uitzondering van de staartvinnen, uit het water sprongen. Telkens als zij dan zijdelings neervielen, plaste het water hoog op, met een geluid als van een volle laag.
10Kapitein Sulivan, die gedurende zijne reis op deBeaglemet het opmeten van de Falklands-Eilanden bezig was geweest, hoorde van een robbenvanger (in 1842?), dat, toen deze zich eens in het westelijk gedeelte der Straat van Magelhaen bevond, eene inlandsche vrouw bij hem aan boord was gekomen, die tot zijne verwondering wat Engelsch kon spreken. Deze vrouw was zonder twijfel Fuegia Basket. Zij leefde eenige dagen aan boord (welke uitdrukking, vrees ik, voor eene dubbele uitlegging vatbaar is.)
11Een werpwapen, dat uit de hand wordt weggeslingerd, zeer merkwaardige bochten beschrijft, en eindelijk in omgekeerde richting tot den werper terugkeert.
(Vert.)
12Hier zij nog opgemerkt, dat de lage ontwikkelingstrap, waarop de Vuurlanders staan, blijkens onderzoekingen van den laatsten tijd, geen gevolg is van hun geringeren physieken aanleg. Men heeft nl. gevonden, dat het gemiddelde gewicht hunner hersenen—zoowel bij mannen als bij vrouwen—weinig verschilt van dat der beschaafde volken; wel bleken de afwijkingen van het gemiddelde zeer groot. Dit feit, in verband met de ervaring door Darwin en anderen opgedaan, dat sommige Vuurlanders vatbaar zijn voor beschaving, wettigt het vermoeden, dat zij van een hooger ontwikkeld volk afstammen. Dit vraagstuk is een der vele problemen, die Zuid-Amerika nog aan de wetenschap stelt. Ook weet men niet juist welken godsdienst de Vuurlanders hebben; alleen heeft men waargenomen, dat zij eene zekere vereering voor het uitspansel aan den dag leggen, en somtijds onder het aanheffen van een tamelijk welluidend gezang naar den hemel wijzen.
Wat de taal der Vuurlanders betreft, zij hier vermeld, dat in het binnenland de taal der Ona’s—het Onaasch—en hare dialecten gesproken worden. Deze taal is nauw verwant aan die der Patagoniërs. Eene van het Onaasch onafhankelijke taal, hetJaghaansch, wordt gesproken aan het Beagle-kanaal, op de eilanden bij Kaap Hoorn en op Navarin—door die Vuurlanders, derhalve, met wie Darwin het meest in aanraking kwam. Al deze talen behooren tot de taalstammen van het Pampas-gebied.
(Noot van den Vert.)