Hoofdstuk XI.De Straat van Magelhaen.—Het klimaat der zuidelijke kusten.Op het einde van Mei 1834 voeren wij de oostelijke monding der Straat van Magelhaen voor de tweede maal binnen. Het land aan weerszijden van dit gedeelte der Straat bestaat uit bijna effen vlakten, evenals die in Patagonië. Kaap Negro, even binnen de tweede Engte gelegen, kan beschouwd worden als het punt waar het land de duidelijke kenmerken van Vuurland begint aan te nemen. Aan de oostkust, zuidelijk van de Straat, verbindt evenzoo een parkachtig landschap deze twee in bijna alle kenmerken lijnrecht van elkaar verschillende landen. Het is werkelijk verrassend binnen eene ruimte van 20 mijlen zulke veranderingen in het landschap te vinden. Nemen wij een wat grooteren afstand, zooals tusschen Port Famine en Kaap Gregory—dat is ongeveer 60 mijlen—dan is het verschil nog verwonderlijker. Op de eerste plaats vinden wij ronde bergen, verborgen achter ondoordringbare wouden, die doorweekt zijn van de door telkens wederkeerende stormen aangebrachte regens. Bij Kaap Gregory, daarentegen, welft zich een heldere en blauwe lucht boven de droge, onvruchtbare vlakten.1Ofschoon de snelle, onstuimige luchtstroomen binnengeen waarneembare grenzen beperkt zijn, schijnen zij toch, evenals eene rivier in hare bedding, een regelmatig bepaalden loop te volgen.Bij ons vorig bezoek (in Januari) hadden wij bij Kaap Gregory eene ontmoeting met de vermaarde en zoogenaamd reusachtige Patagoniërs, die ons eene hartelijke ontvangst bereidden. Hunne lengte schijnt grooter dan zij inderdaad is, ten gevolge van hunne groote guanaco-mantels, hun lang golvend haar, en hun voorkomen in ’t algemeen. Gemiddeld is hunne lengte omstreeks zes voet; sommige mannen zijn grooter, doch maar weinige kleiner.2Ook de vrouwen zijn lang; en over het geheel zijn zij stellig het grootste menschenras, dat wij ooit zagen. In hunne gelaatstrekken gelijken zij treffend op de noordelijker wonende Indianen, die ik bij Rosas zag; alleen hebben zij een woester en vervaarlijker voorkomen; hunne aangezichten waren dik met rood en zwart beschilderd, en één man had witte kringen en vlekken, evenals een Vuurlander. Kapitein Fitz-Roy bood aan om drie hunner aan boord te nemen, en allen schenen gezind om tot dit drietal te behooren. Lang duurde het eer wij de anderen uit de boot hadden; maar eindelijk kwamen wij met onze drie reuzen aan boord, die met den kapitein aten en zich alsgentlemengedroegen, daar zij zich van lepel, mes en vork wisten te bedienen. Niets smaakte hun zoo goed als suiker. Deze stam komt zoo dikwijls met robbenjagers en walvischvaarders in aanraking, dat de meeste mannen wat Engelsch en Spaansch kunnen spreken. Zoodoende zijn zij half beschaafd, en gedeeltelijk van hunne zeden vervreemd.Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo’s, mannen, vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan; want de “Oude Maria,” eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten 750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven, terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In den tijd van Sarmiento3hadden deze Indianen bogen en pijlen, welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet; en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden in het wild.4Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.1 Juni.Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven heet.5Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven, waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal, waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was, en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op te merken hoe de berg in hoogte steeg.Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen, dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het tedicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen, sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen, hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden, met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg, en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.Toen deBeaglehier in de maand Februari was, ging ik op zekeren morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik allehoop den top te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren, als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug, die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie boomsoorten groeien.6Bovende woudstreek zijn vele dwergachtige Alpenplanten,7welke alle uit den veenbodem ontspruiten en dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland, waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier eenDrymis Winterivan vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk, die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker mij, dat onlangs op eene derdesoort beukeboomen in Van-Diemensland eene derde soort ontdekt is geworden.8Hoe zonderling is deze verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen—voornamelijk van den dwergachtigenArbutus—eten de inboorlingen buiten dezen paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden, vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den tucutuco verwante of daarmede gelijkstaandeCtenomys; twee vossen (Canis MagellanicusenCanis Azarae); een zeeotter; het guanaco en een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als detucutucoenreithrodonden overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen, die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die mengelaagd alluviumzou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin geheeten, komen vossen en guanaco’s voor, maar op het andere eiland, Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt, en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte er van gescheiden is.De donkere bosschen worden door enkele vogels bewoond. Nu en dan hoort men den klaagtoon van een wit-gekuifden Tyran (Myiobius albiceps),9die zich in de toppen der hoogste boomen verbergt; en zeldzamer nog den luiden, zonderlingen kreet van een zwarten specht met fraaien scharlaken kam op het hoofd. Een klein donkerkleurig winterkoninkje (Scytalopus Magellanicus) huppelt met loerenden gang door den bajert van omgevallen en rottende stammen. Maar de meest voorkomende vogel in het land is de boomlooper (Oxyurus tupinieri). Overal in de beukenwouden, hoog in ’t gebergte en dicht bij den voet, in de donkerste, vochtigste en ongenaakbaarste ravijnen kan men hem ontmoeten. Deze kleine vogel schijnt ongetwijfeld talrijker dan werkelijk het geval is; men moet dit toeschrijven aan zijne gewoonte om uit blijkbare nieuwsgierigheid den vreemdeling te volgen, die deze stille bosschen betreedt; onder een voortdurend wanluidend getjilp fladderthij van den eenen boom naar den anderen, slechts enkele voeten van het gezicht des indringers. Hij zoekt allerminst die bescheiden afzondering van den waren boomlooper (Certhia familiaris). Ook loopt hij niet, zooals deze vogel, tegen de stammen der boomen op, maar huppelt op de manier van een wilgensijsje rond, en zoekt op elken tak of twijg insecten. In de meer open streken komen voor: drie of vier soorten vinken; een lijster; eene spreeuw (ofIcterus); tweeOpetiorhynchi, benevens verscheidene havikken en uilen.Het ontbreken van alle soorten, die tot de klasse der Kruipende Dieren behooren, is een kenmerkend verschijnsel in de Fauna van dit land, evenals in die der Falklands-Eilanden. Ik grond dit getuigenis niet uitsluitend op eigen waarneming, doch vernam het van de Spaansche bewoners der laatstgenoemde eilanden, en van Jemmy Button, voor zoover Vuurland betrof. Aan de oevers der Santa Cruz op 50° Z.B. zag ik een kikvorsch, en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dieren, alsook hagedissen, zuidelijk tot de breedte der Straat van Magelhaen gevonden worden, waar het land het karakter van Patagonië behoudt; maar binnen de vochtige en koude zone van Vuurland komt geen enkele voor. Dat het klimaat niet geschikt zou zijn voor enkele Orden, zooals de hagedissen, was wel te voorzien; maar wat de kikvorschen betrof, was dit niet zoo duidelijk.Kevers (Coleoptera) vindt men in zeer klein aantal; en lang duurde het eer ik kon gelooven, dat een land bijna zoo groot als Schotland,10bedekt met plantvoortbrengsels en in het bezit van afwisselende verblijfplaatsen, zoo onvruchtbaar kon zijn. De enkelen, die ik vond, waren Alpen-soorten (HarpalidaeenHeteromidae), welke onder steenen leven. De plantenetendeChrysomelidae, waardoor de keerkringen zich zoo bijzonder kenmerken, ontbreken hier bijna geheel.11Ik zag zeer weinig vliegen, kapellen of bijen,en geen krekels (Gryllidae) ofOrthoptera. In de waterpoelen vond ik slechts enkele waterkevers en geen zoetwaterschelpdieren: want hoewelSuccineaop het eerste gezicht eene uitzondering schijnt te maken, moet het hier een landschelpdier zijn, daar het ver van het water in het vochtige gras leeft. Landschelpdieren konden alleen op dezelfde hooggelegen plaatsen worden gevonden, als waar de kevers zijn. Reeds heb ik op de tegenstelling tusschen Vuurland en Patagonië gewezen, zoowel wat klimaat als algemeen voorkomen betreft; en een sprekend voorbeeld van dit verschil levert de insectenkunde. Ik geloof niet dat zij ééne soort gemeen hebben; en het algemeen kenmerk der insecten is zeker geheel verschillend.Gaande van het land naar de zee, zullen wij de laatste even dicht met levende wezens bevolkt vinden, als het eerste arm daaraan is. In alle deelen der wereld herbergt een rotsachtig en gedeeltelijk beschut strand binnen eene gegevene ruimte wellicht een grooter aantal wezens, dan elke andere verblijfplaats. Er bestaat een zeeproduct, dat om zijne belangrijkheid eene bijzondere bespreking verdient. Het is dekelpofMacrocystis pyrifera. Deze plant groeit op elke rots vanaf het laagwatermerk tot op eene groote diepte, zoowel aan de buitenkust als binnen de kanalen.17Ik geloof, dat er op de reizen van deAdventureen deBeaglegeen enkele rots bij het oppervlak der zee werd ontdekt, die niet door dit drijvend wier bespoeld werd. Dat het zoodoende goede diensten bewijst aan schepen, die dicht voorbij dit stormachtige land varen, is duidelijk; en stellig heeft het menig vaartuig van schipbreuk gered. Ik ken weinig verschijnselen, meer verrassend dan het zien groeien en bloeien van deze plant tusschen de groote brekers van den Atlantischen Oceaan, waaraan geen enkele rots, hoe hard ook, lang weerstand kan bieden. De stengel is rond, klevig en zacht, en bereikt zelden een inch in doorsnede. Enkele te zamen genomen zijn sterk genoeg om het gewicht der groote losse steenen te dragen, waaraan zij in de binnenlandsche kanalen vastgroeien; toch waren sommige steenen zoo zwaar, dat, als zij naar de oppervlakte werden getrokken, één man hen met moeite in een boot kon tillen. Kapitein Cook zegt in zijne tweede Reis, dat deze plant bij de Kerguélen-Eilanden uit eene diepte van meer dan 24fathomsomhoog groeit; “en daar die groei niet in verticale richting, maar onder een zeer scherpen hoek met den bodem geschiedt, en een groot deel zich later velefathomsver over het oppervlak der zee uitstrekt, heb ik wel het recht te zeggen, dat sommige eene lengte van 60fathomsen meer bereiken.” Ik geloof niet, dat er een tweede plant is, wier stengel, zooals kapitein Cook verklaart, de verbazende lengte bereikt van 360 voet. Bovendien vond kapiteinFitz-Roy, dat zij zelfs uit nog grootere diepten, namelijk 45fathoms, naar de oppervlakte groeit.19Deze zeewier-velden vormen, zelfs wanneer hunne breedte niet groot is, uitstekende en natuurlijke drijvende golfbrekers. Merkwaardig is het te zien, hoe spoedig de golven uit volle zee, die door de verspreide stengels eene opene haven binnenrollen, in hoogte dalen en overgaan in effen water.Het getal levende wezens van alle Orden, wier bestaan ten nauwste van de kelp afhangt, is verwonderlijk groot. Men zou een lijvig boek kunnen schrijven alléén over de bewoners van een dezer zeewier-velden. Bijna alle bladeren uitgenomen die welke aan de oppervlakte drijven, zijn zoo dik met koraaldieren bedekt, dat zij eene witte kleur hebben. Wij vinden keurig fijne structuur-vormen: sommige bewoond door enkelvoudige hydroidpolypen, andere door meer bewerktuigde soorten, en prachtige samengestelde zeescheeden (Ascidiae compositae). Op de bladeren zijn ook verschillendePatellidae,Trochidae, naakte weekdieren, en eenige tweeschalige schelpdieren vastgehecht. Tallooze schaaldieren bewonen elk deel van de plant. Schudt men de groote dooreengevlochten wortels, dan valt daaruit een menigte kleine visschen, schelpdieren, inktvisschen, kreeften van alle orden, zeeëgels, zeesterren, prachtigeHolothuriae,Planariae, en kruipendeNereïdaein tal van vormen. Dikwijls keerde ik naar een kelptak terug, en ontdekte dan altijd dieren van onbekende en merkwaardige structuur. Op Chiloë, waar de kelp niet bijzonder gedijt, ontbreken de talrijke schelp-, koraal- en schaaldieren; toch blijven nog enkeleFlustraceaeen eenige samengesteldeAscidiaeover, waarvan de laatsten echter totandere soorten behooren dan die in Vuurland. Het zeewier heeft hier dus eene grootere verspreiding dan de dieren, welke het als woonplaats bezigen. Ik kan deze groote waterwouden van het zuidelijk halfrond alleen vergelijken bij de landwouden in de tusschenkeerkringsstreken; maar, zoo te land ergens een woud verwoest werd, geloof ik niet, dat er zooveel soorten dieren zouden omkomen, als hier door het verwoesten van de kelp het geval zou zijn. Tusschen de bladeren dezer plant leven talrijke soorten visschen, die nergens anders voedsel of beschutting konden vinden. Met hunne uitroeiing, zouden ook de vele zeeraven en andere vischetende vogels, de otters, robben en bruinvisschen spoedig verdwijnen. Eindelijk zou de Vuurlandsche wilde, de ellendige heer van dit ellendige land, zijne kannibaalsche feesten verdubbelen, in aantal verminderen, en mogelijk ophouden te bestaan.8 Juni.Vroeg in den morgen lichtten wij het anker en verlieten Port Famine. Kapitein Fitz-Roy besloot de Straat van Magelhaen door het Magdalena-kanaal te verlaten, dat niet lang te voren ontdekt was. Onze koers was vlak zuidwaarts, door het sombere kanaal waarop ik boven zinspeelde, toen ik zeide, dat het naar eene andere en boozere wereld scheen te voeren. Er woei een gunstige wind, maar de lucht was zeer nevelig, zoodat wij vele zeldzame berggezichten misten. De donkere, gescheurde wolken werden snel over de bergen gedreven, van af hunne toppen tot bijna aan den voet. De vluchtige kijkjes, die wij door de schemerige massa namen, waren zeer belangwekkend: getande spitsen, besneeuwde kruinen, blauwe gletschers, scherpe omlijningen die zich op den bleeken hemel afteekenden, lieten zich op verschillende afstanden en hoogten zien. Te midden van zulke tafereelen ankerden wij bij Kaap Turn, dicht bij den berg Sarmiento, die zich toen in de wolken verschool. Aan den voet der hooge en bijna loodrechte oevers van onze kleine kreek stond een verlaten wigwam, die er aan herinnerde dat de mensch nu en dan door deze eenzame streken zwierf. Moeilijk zou men zich een oordkunnen denken, waar hij minder eischen of minder macht scheen te hebben. De onbezielde werken der natuur: gesteente, ijs en sneeuw, en wind en water—alle met elkander, maar vereenigd tegen den mensch in strijd—regeerden hier in onbeperkte heerschappij.9 Juni.Tot onze blijdschap zagen wij des morgens den mistsluier van den Sarmiento optrekken, en hem aan ons oog vertoonen. Deze berg, die een der hoogste in Vuurland is, heeft eene hoogte van 6800 voet. Zijn ondereinde is tot ongeveer een achtste der totale hoogte met donkere bosschen bedekt, en daarboven reikt een sneeuwdek tot aan den top. Deze uitgestrekte sneeuwmassa’s, die nooit smelten en bestemd schijnen om even lang te duren als de wereld zelve, boden een prachtvol en zelfs verheven schouwspel. De omtrek van den berg was bijzonder helder en scherp. Door de groote hoeveelheid licht, die op de witte en glinsterende oppervlakte weerkaatste, vielen geen schaduwen aan den kant waar ik stond; men onderscheidde slechts de randlijnen die de lucht sneden; en zoo stond de kolossus in zijne volle gedaante voor ons. Verscheidene gletschers daalden slingerend van de hooge, wijde sneeuwvlakten naar de zeekust; men kon hen met bevroren Niagara-stroomen vergelijken; en misschien zijn deze blauwe ijsversnellingen ruim zoo schoon als vloeibare watervallen. Des nachts bereikten wij het westeinde van het kanaal; maar het water was hier zoo diep, dat wij geen ankerplek konden vinden. Wij waren dus genoodzaakt om in een stikdonkeren nacht uren lang door dezen smallen zeearm op en neer te varen.10 Juni.Des morgens stevenden wij zoo spoedig mogelijk naar den open Stillen Oceaan. De westkust bestaat in ’t algemeen uit lage, afgeronde, geheel naakte bergen van graniet en groensteen (diabase of dioriet). Sir John Narborough noemde een gedeelteSouth Desolation, omdat het land er zoo naargeestig uitzag; en dit zeggende had hij gelijk. Buiten de hoofdeilanden liggen tallooze verspreide rotsen, waarop de breede golfslag van den StillenOceaan onafgebroken beukt. Wij gingen tusschen de Oostelijke en Westelijke Furies naar buiten; iets verder noordwaarts rollen zooveel brekers, dat de zee hierde Melkweggenoemd wordt. Een blik op zulk eene kust is voldoende om een landrot eene week lang van schipbreuken, gevaren en dood te doen droomen; en met dit woeste, huiveringwekkende schouwspel voor oogen zeiden wij Vuurland voor altijd vaarwel.De volgende beschouwing over het klimaat der zuidelijke deelen van het vasteland in verband met hunne voortbrengselen: over de sneeuwgrens, de buitengewoon lage daling der gletschers, en over de streek van eeuwige vorst op de eilanden in het Zuidpool-gebied, kan door lezers, die in deze merkwaardige onderwerpen geen belang stellen, worden overgeslagen, of zij kunnen alleen de korte herhaling er van aan het einde lezen. Ik zal hier echter slechts een uittreksel geven, en moet voor bijzonderheden naar het Dertiende Hoofdstuk en het Aanhangsel der vorige uitgaaf van dit werk verwijzen.Over het klimaat en de Voortbrengselen van Vuurland en van de Zuidwest-kust.De volgende tabel geeft aan de gemiddelde temperatuur van Vuurland, de Falklands-Eilanden, en die van Dublin ter vergelijking:Breedte.Zomer-Temperat.Winter-Temperat.Gemid. Zomer- en Winter-Temperat.Vuurland53°38′ Z50°33°0841°54Falklands-Eil.51°30′ Z51°——Dublin53°21′ N59°5439°249°37Wij zien hieruit, dat het middengedeelte van Vuurland des winters omstreeks 6° kouder, en des zomers niet minder dan 9½° minder warm is dan Dublin. Volgens Leopold von Buch (1774–1853) is de gemiddelde temperatuur van Juli (niet de heetste maand in het jaar) te Saltenfjord in Noorwegen 57°8, en toch ligt deze plaats 13° dichter bij de pool dan PortFamine.20Hoe ongastvrij dit klimaat ook zij voor ons gevoel, er is overvloed van altijd groenende boomen, die welig bloeien. Op 55° Z.B. kan men kolibries aan de bloemen zien zuigen, en eten papegaaien de zaden van denDrymis Winteri. Reeds heb ik gewezen op den rijkdom der zee aan levensvormen; en volgens G. B. Sowerby zijn deConchyliënof schelpdieren (zooals dePatellidae,Fissurelidae,ChitonidaeenLepadidaeveel grooter en veel sterker gebouwd dan de overeenkomstige species in het noordelijk halfrond. Eene grooteVoluta(rolslak) komt veel voor in Zuid-Vuurland en op de Falklands-Eilanden. Te Bahia Blanca, op 39° Z. B., waren de meest voorkomende schelpdieren: drie species vanOliva(eene van aanzienlijke grootte), eene of tweeVoluta’s, en eeneTerebra(boorschelp). Dezen, nu, behooren tot de best kenmerkende tropische vormen. Het is te betwijfelen of er aan de zuidkusten van Europa zelfs eene kleineOliva-species bestaat, en van de twee andere geslachten zijn er geen soorten. Indien een geoloog op 39° breedte aan de kust van Portugal eene laag ontdekte, waarin talrijke schelpdieren van drieOliva-species, eeneVolutaen eeneTerebra, zou hij waarschijnlijk zeggen, dat het klimaat in den tijd waarin zij leefden, tropisch moet geweest zijn; doch naar Zuid-Amerika te oordeelen, zou zulk eene gevolgtrekking verkeerd zijn.Het gelijkvormige, vochtige en winderige klimaat van Vuurland strekt zich, met slechts eene geringe toename in warmte, vele graden ver langs de westkust van het vasteland uit. Tot 600 mijlen ten noorden van Kaap Hoorn hebbende wouden een zeer evenaardig aanzien. Als een bewijs van het gelijkvormige klimaat zelfs nog tot 300 of 400 mijlen noordelijker, kan dienen, dat op Chiloë (in breedte met de noordelijke gedeelten van Spanje overeenkomende) de perzik zelden vruchten voortbrengt, terwijl aardbeziën en appelen er volkomen gedijen. Zelfs worden de gerste- en tarwearen dikwerf naar huis gebracht, om te drogen en te doen rijpen.21Te Valdivia (op gelijke breedte als Madrid) komen druiven en vijgen tot rijpheid, doch worden niet overal gevonden; olijven rijpen zelden, zelfs niet gedeeltelijk, en oranjeappelen in het geheel niet. Zooals men weet, gedijen deze vruchten voortreffelijk op overeenkomstige breedten in Europa. Maar zelfs in Zuid-Amerika worden, aan de Rio Negro, onder nagenoeg dezelfde parallel als Valdivia, bataten (Convolvulus batatus) gekweekt, terwijl druiven, vijgen, oranjeappelen, watermeloenen en cantaloepen (knobbel-ofwratmeloenen) welig vruchten voortbrengen. Ofschoon het vochtige en gelijkvormige klimaat van Chiloë en van de kust noordelijk en zuidelijk hiervan, voor onze vruchten zoo ongunstig is, wedijveren de wouden aldaar, van 38° tot 45°, in hun kwistigen plantengroei bijna met die der tusschenkeerkringslanden. Statige, veelsoortige boomen met gladde en levendig gekleurde schorsen, zijn beladen met eenlobbige woekerplanten; groote en sierlijke varens tieren er in overvloed, en boomgrassen omwinden de stammen ter hoogte van 30 of 40 voet boven den grond, tot eene dooreengegroeide massa. Palmboomen groeien op 37° breedte; een boomgras, dat veel op bamboes gelijkt, op 40°; en eene andere naverwante soort, die zeer lang maar niet rechtstandig is, bloeit zelfs nog op 45° Z. B.Over het grootste deel van het zuidelijk halfrond schijnt een gelijkvormig klimaat te heerschen, wat blijkbaar is toe te schrijven aan de groote oppervlakte der zee, vergeleken met het land. Dientengevolge draagt de plantenwereld eenhalf tropisch karakter. Boomvarens groeien welig op Van-Diemensland (45° B.), en ik mat een stam van niet minder dan zes voet in omtrek. Foster vond op 46° een boomvaren op Nieuw-Zeeland, waar orchideeën-planten op de boomen woekeren. Op de Aucklands-Eilanden zijn, volgens Dr. Dieffenbach,22varens met zulke dikke en hooge stammen, dat zij bijna boomvarens mogen heeten; en hier, ja zuidelijker nog tot 55° breedte op de Macquarie-Eilanden, leven talrijke papegaaien.Over de Hoogte der Sneeuwgrens, en de Daling der Gletschers in Zuid-Amerika.Voor bijzonderheden in de bronnen, waaruit de volgende tabel ontleend is, moet ik naar de vorige uitgaaf verwijzen.BreedteHoogte (in voeten) van de sneeuwgrensWaarnemer.Aequatoriaal-zone; gemid. result.15.748Humboldt.Bolivia, van 16° tot 18° Z.B.17.000Pentland.Midden-Chili, 33° Z.B.14.500 tot 15.000Gillies en de Schrijver.Chiloë, van 41° tot 43° Z.B.6.000Officieren v. d. Beagle en de Schrijver.Vuurland, 54° Z.B.3.500 tot 4.000King.Daar de hoogte-grens der eeuwige sneeuw in hoofdzaak meer door de grootste zomerhitte, dan door de gemiddelde jaarlijksche temperatuur schijnt bepaald te worden, behoeft het ons niet te verwonderen, dat die grens in de Straat van Magelhaen, waar de zomer zoo koel is, tot 3500 of 4000 voet boven den zeespiegel daalt, ofschoon wij die lage grens van eeuwige sneeuw in Noorwegen eerst op 67° tot 70°—dat is ongeveer 14° dichter bij de pool—ontmoeten. Het hoogteverschil van circa 9000 voet tusschen de sneeuwgrens op de Cordilleras achter Chiloë (waar de hoogste punten van slechts 5600 tot 7500 voet afwisselen) en in Midden-Chili,een afstand van slechts 9 breedte-graden, is inderdaad verwonderlijk.23Ongeveer van af Concepcion (37° Z.B.) tot zuidwaarts van Chiloë verbergt het land zich achter een dicht, onafgebroken woud, dat doorweekt is van vocht. De lucht is bewolkt, en wij hebben gezien hoe slecht de Zuideuropeesche vruchten er gedijen. In Midden-Chili, daarentegen, iets benoorden Concepcion, is de lucht meestal helder; gedurende de zeven zomermaanden valt er geen regen, en de Zuideuropeesche vruchten groeien uitstekend. Zelfs is er suikerriet geweekt.24Zonder twijfel ondergaat de grens van eeuwige sneeuw de bovengenoemde merkwaardige buiging van 9000 voet—welke zonder weerga is in andere deelen der wereld—niet ver van de breedte van Concepcion, waar het land niet langer met woudboomen bedekt is; want in Zuid-Amerika wijzen boomen op een regenachtig klimaat, en is regen het zinnebeeld van een bewolkten hemel en weinig warmte in den zomer.Zooals ik wel begrijp, moet de daling der gletschers naar zee, behalve natuurlijk van een voldoenden voorraad sneeuw in het hooggebergte, hoofdzakelijk afhangen van de meer of minder lage grens van eeuwige sneeuw op steile bergen bij de kust. Daar in Vuurland de sneeuwgrens zoo laag ligt, mochten wij terecht verwachten, dat vele gletschers de zee bereikt hadden. Toch stond ik verbaasd, toen ik op de breedte van Cumberland allereerst eene bergreeks zag van slechts 3000 tot 4000 voet hoogte, waarvan elke vallei totaan de zeekust met ijsstroomen gevuld was. Bijna elke zeearm, die tot de hoogere binnenketen doordringt—niet slechts in Vuurland, maar 650 mijlen ver noordwaarts aan de kust—eindigt in “geweldige en verbazingwekkende gletschers,” volgens de beschrijving van een der officieren van de expeditie. Groote ijsbrokken vallen gestadig van deze ijsklippen in zee, en het gekraak davert, als de geschutdonder van een oorlogsschip dat de volle laag geeft, door de eenzame kanalen. Gelijk in het vorige hoofdstuk is opgemerkt, veroorzaken deze ijsstortingen hooge golven, die op de naburige kusten breken. Het is bekend, dat aardbevingen dikwijls oorzaak zijn van het afbreken van groote stukken aarde van de zeekust; hoe verschrikkelijk moet dan de uitwerking zijn van een hevigen schok (en die komen hier voor)25op zulk een gevaarte als een gletscher, die reeds in beweging en doorploegd is van spleten! Ik kan dan ook licht begrijpen, dat het water in zulke gevallen uit het diepste kanaal wordt weggeslagen, daarna met onweerstaanbare kracht terugkeert, en reusachtige rotsblokken als stroohalmen in het rond draait. In Eyre’s Sound, op de breedte van Parijs, zijn ontzaglijke gletschers, en toch meet de hoogste berg in den omtrek slechts 6200 voet. In deze zeeëngte zag men op zekeren tijd omtrent 50 ijsbergen naar buiten drijven, en een daarvan moet minstens 168 voet hoog zijn geweest. Sommige ijsbergen waren beladen met brokken graniet en andere van het leemschiefer der omringende bergen verschillende gesteenten, van niet onaanzienlijke grootte. De verst van de pool gelegen gletscher, die op de tochten van deAdventureen deBeagleopgemeten werd, bevindt zich op 46°50′ Z.B. in de Golf van Penas. Hij is 15 mijlen lang, heeft opéénpunt eene breedte van 7 mijlen, en daalt tot aan de zeekust. Maar zelfs enkele mijlen benoorden dezen gletscher ontmoetten eenige Spaansche zendelingen26in de Laguna de San Rafael “vele ijsbergen, waaronder groote, kleine en andere van middelbare grootte.” Zij werden gezien in een smallen zeearm, op den 22sten December (die met onze maand Juni overeenstemt), en op eene breedte gelijkstaande met die van het Meer vanGenève!In Europa is de zuidelijkste gletscher die de zee bereikt, volgens Leopold von Buch, op 67° breedte op de Noorweegsche kust gevonden. Dit is dus meer dan 20 graden of 1230 mijlen dichter bij de pool dan de Laguna de San Rafael. Het voorkomen der gletschers op deze plek en in de Golf van Penas is des te merkwaardiger, omdat het punt waar zij de zee bereiken, 7°30′ of 450 mijlen verwijderd is van eene haven, waar drie soorten vanOliva, eeneVolutaen eeneTerebrade meest voorkomende schelpdieren zijn; 9 graden van een gebied, waar palmen groeien; 4°30′ van eene streek, waar jaguar en puma over de vlakte zwerven; nog geen 2°30′ van de boomgrassen; bovendien in westelijke richting minder dan 2 lengtegraden van woekerende orchideeën, en nog geen graad van de boomvarens!Deze feiten zijn van zeer groot geologisch belang voor de studie van het klimaat van het noordelijk halfrond in den tijd der zoogenaamde erratische of zwerfblokken. Ik zal hier niet uiteenzetten hoe eenvoudig de theorie der ijsbergen, welke met rotsklompen beladen zijn, den oorsprong en ligging der geweldige rolsteenen verklaart in Oost-Vuurland, op de hoogvlakte van Santa Cruz, en op het eiland Chiloë. In Vuurland liggen de meeste rolsteenen aan de strandlijnen van oude zeestraten, die nu door landrijzing in droge dalen zijn veranderd. De hun bijgemengde grondstof is eene groote, ongelaagde formatie van modder en zand, welke ontstaan is door herhaalde omploeging van den zeebodem, ten gevolge van het stranden van ijsbergen met hun last van steenen.27Thans zijn er weinige geologen, die twijfelen aan het feit, dat zwerfblokken welke in de nabijheid van hooge bergenliggen, door de gletschers zelven zijn voortgestuwd; en dat die, welke ver van bergen en in lagen onder water bedolven liggen, òf op ijsbergen, òf in kustijs vastgevroren, daarheen zijn gebracht. Het verband tusschen het vervoer van rolsteenen en de aanwezigheid van ijs in den een of anderen vorm, blijkt opvallend uit hunne geographische verspreiding over de aarde. In Zuid-Amerika vindt men hen niet lager dan 48°, van de zuidpool af gerekend (zuidpools-afstand); in Noord-Amerika schijnt de grens van hun vervoer zich tot 53°30′ van de noordpool uit te strekken; in Europa echter niet verder dan 40°, van hetzelfde punt af gerekend. Daarentegen zijn zij niet waargenomen in de tusschenkeerkringsstreken van Amerika, Azië en Afrika; evenmin aan de Kaap de Goede Hoop, noch in Australië.28Over het Klimaat en de Voortbrengselen der Eilanden in het Zuidpoolgebied.De krachtige plantengroei in Vuurland en op de kust ten noorden daarvan in aanmerking genomen, is de gesteldheid op de eilandentenzuiden en zuidwesten van Amerika inderdaad verrassend. Cook vond, dat Sandwich-Land, op eene zuiderbreedte die met het noordelijk deel van Schotland overeenkomt, in de heetste maanden van het jaar “vele vademen diep met eeuwigdurende sneeuw bedekt was.” Planten schijnen er bijna niet te zijn. Zuid-Georgië, een eiland met eene oppervlakte van 2590 □ Kilom., en op de breedte van Yorkshire gelegen, is “midden in den zomer als het ware geheel met bevroren sneeuw bedekt.” Het kan zich slechts beroemen op mos, eenige bosjes gras en wilde pimpernel (Pimpinella saxifraga). Bovendien heeft hetmaar één landvogel (Anthus correndera), terwijl IJsland, dat 10° dichter bij de pool ligt, volgens Mackenzie nog 15 landvogels bezit. De Zuid-Shetlands-Eilanden, op dezelfde breedte als de zuidelijke helft van Noorwegen, bezit slechts eenige korstmossen (Lichen), mos en wat gras. Luitenant Kendall29vond, dat de baai, waarin hij voor anker lag, begon te bevriezen op een tijdstip, dat op ons halfrond met 8 September overeenkomt. De bodem bestaat hier uit afwisselende lagen ijs en vulkanische asch, en moet op geringe diepte onder de oppervlakte voortdurend bevroren zijn. Luitenant Kendall vond namelijk het lichaam van een lang te voren begraven zeeman, wiens vleesch en trekken nog geheel gaaf waren gebleven. Het is een zonderling feit, dat de lage breedte, waartoe in de twee groote vastelanden van het noordelijk halfrond (maar niet in het tusschenliggende gebroken land van Europa) de zone van den altijd bevroren ondergrond zich uitstrekt, nl. 56° in Noord-Amerika ter diepte van 3 voet,30en 62° in Siberië ter diepte van 12 tot 15 voet—het gevolg is van een geheel tegenovergestelden staat van zaken, vergeleken met dien in het zuidelijk halfrond. In de noordelijke vastelanden wordt de winterkoude buitengewoon verscherpt door de uitstraling eener groote landoppervlakte in eene heldere lucht, en niet getemperd door warmte-brengende zeestroomen; aan den anderen kant is de zomer kort en heet. In den zuidelijken Atlantischen Oceaan is de winter niet zoo buitengewoon koud, maar de zomer veel minder heet, doordien de bewolkte lucht zelden toelaat, dat de zon den oceaan verwarmt, die daarbij een slecht warmtegeleider is; vandaar de lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur, die de grens van een altijddurend bevroren ondergrond bepaalt. Het is duidelijk, dat een krachtige plantengroei, welke niet zoozeer warmte als welbescherming tegen hevige koude vereischt, dichter tot deze zone van altijddurende bodemvorst zou naderen onder het gelijkmatige klimaat van het zuidelijk halfrond, dan onder het zeer strenge der noordelijke vastelanden.Het feit, dat het lijk van een zeeman volkomen bewaard is gebleven in den ijzigen bodem der Zuid-Shetlands-Eilanden (62° tot 63° Z.B.), op iets lagere breedte dan waarop Pallas in Siberië het bevroren lichaam van een neushoorn ontdekte (64°), is zeer belangwekkend. Ofschoon het eene dwaling is—zooals ik in een vroeger hoofdstuk heb pogen aan te toonen—te onderstellen, dat de grootere viervoeters een weelderigen plantengroei voor hun onderhoud behoeven, is toch het vinden op de Zuid-Shetlands-Eilanden van een bevroren ondergrond op nog geen 360 mijlen van de met bosschen bedekte eilanden nabij Kaap Hoorn—waar, voor zoover dehoeveelheidplantengroei betreft, zeer vele groote viervoeters zouden kunnen bestaan—voor de wetenschap van gewicht. De volkomen bewaring van de lijken der Siberische olifanten en neushorens31is stellig een der wonderlijkste feiten in de geologie; maar afgezien van de bewering, dat het aangrenzende land hen moeilijk van voedsel kon voorzien, geloof ik, dat de geheele zaak niet zoo ingewikkeld is als men gemeenlijk denkt. Evenals de Pampas, schijnen ook de vlakten van Siberië onder de zee gevormd te zijn, waarin rivieren talrijke lijken van dieren uitstortten. Van de meeste dezer lijken zijn alleen de geraamten bewaard gebleven, maar van anderen het geheele lichaam. Nu is bekend, dat de bodem in de ondiepe zee aan de noordkust van Amerika bevriest,32en in de lente niet zoo spoedig ontdooit als de oppervlakte van het land; bovendien kan op grootere diepten, waar de zeebodemniet bevriest, de modder enkele voeten onder de bovenlaag zelfs in den zomer onder 32° F. blijven, gelijk ook aan land met den grond op enkele voeten diepte het geval is. Op nog grootere diepten zou de temperatuur van modder en water waarschijnlijk niet laag genoeg zijn om het vleesch te bewaren, en zouden dus van lijken, die buiten de ondiepe gedeelten in de nabijheid eener poolkust naar zee drijven, alleen de geraamten bewaard blijven. Nu zijn de beenderen in het hooge noorden van Siberië buitengewoon talrijk,33zoodat zelfs eilandjes, naar men beweert, er bijna geheel uit bestaan;34en deze eilandjes liggen niet minder dan 10 breedtegraden noordelijk van de plek waar Pallas den bevroren neushoren vond. Aan den anderen kant zou een lijk, dat door een vloed naar eene ondiepte der Poolzee gespoeld werd, voor een onbepaalden tijd bewaard blijven, indien het spoedig daarna dik genoeg met modder bedekt was, om het doordringen der warmte van het zomerwater te beletten, en die deklaag ook dik genoeg was om, als de zeebodem door rijzing in land werd veranderd, te verhinderen dat de zomerlucht en zon haar ontdooiden en tot bederf deden overgaan.Recapitulatie.Ik zal in ’t kort de hoofdfeiten herhalen, die op het klimaat, de ijswerking en organische voortbrengselen van het zuidelijk halfrond betrekking hebben, maar in gedachten het gebied van onderzoek naar Europa verplaatsen, waarmee wij zooveel beter bekend zijn. Zoo zouden dan bij Lissabon de meest voorkomende schelpdieren, nl. drie soortenOliva, eeneVolutaen eeneTerebra, een tropisch karakter bezitten. In de zuidelijke provinciën van Frankrijk zouden prachtige wouden, dicht begroeid met boomgrassen en met woekerplanten op deboomen, het land voor het oog verbergen. Puma en jaguar zouden in dePyreneeënzwerven. Op de breedte van den Mont-Blanc, en wel op een eiland ergens in ’t westen van Europa, zouden boomvarens en woekerende orchideeën welig in de dichte bosschen groeien. Zelfs zoover noordelijk als Midden-Denemarken zou men kolibries om de fijne bloemen zien fladderen en papegaaien voedsel zien zoeken in de altijd groene bosschen. Op deze breedte zou de zee ons eeneVolutate zien geven, en krachtig ontwikkelde schelpdieren, alle van aanzienlijke grootte. Maar op eenige eilanden, slechts 360 mijlen van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken verwijderd, zou een lijk, dat in den grond begraven of naar eene ondiepe zee gedreven en met modder bedekt was, in altijddurend bevroren staat bewaard blijven.Indien een koen zeevaarder noordwaarts van deze eilanden poogde door te dringen, zou hij duizendmaal gevaar loopen tusschen reusachtige ijsbergen verzeild te geraken, waarvan hij sommige met groote rotsblokken beladen zou zien, die zij ver van hunne oorspronkelijke ligplaatsen voeren. Een ander groot eiland op de breedte van Zuid-Schotland, maar tweemaal zoo ver naar het westen, zou “bijna geheel met eenige sneeuw bedekt zijn,” en al zijne baaien zouden eindigen in ijsklippen, waarvan jaarlijks groote brokken werden afgeslagen. Dit eiland zou alleen wat mos, gras en wilde pimpernel bezitten, en een veld- of boschleeuwerik zou de eenige landbewoner zijn. Van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken zou een bergketen, nog niet half zoo hoog als de Alpen, in eene rechte lijn zuidwaarts loopen; en aan de westzijde zou elke diepe zee-inham of fjord in steile en indrukwekkende gletschers eindigen. Deze eenzame waters zouden bij herhaling van het nederploffende ijs weergalmen, en telkens zouden hooge golven langs hunne kusten rollen. Talrijke ijsbergen, enkele zoo groot als domkerken en soms met “niet onbeduidende rotsblokken” beladen, zouden op de buiten gelegen eilandjes stranden, en hevige aardbevingen nu en dan geweldige ijsmassa’s in het water daaronder doen storten. Eindelijk zouden eenige zendelingen bij hunne pogingom een langen zeearm door te varen, talrijke groote ijsstroomen van de niet hooge naburige bergen naar de zeekust zien dalen, terwijl hun boottocht door de tallooze groote en kleine drijvende ijsbergen zou worden belemmerd; en dit zou geschied zijn op onzen 22sten Juni op eene breedte waar thans het Meer vanGenèveligt!351De zuidwestelijke briezen zijn, in ’t algemeen, zeer droog. Op 29 Januari lagen wij bij Kaap Gregory voor anker; er woei een zeer harde storm uit het W.Z.W., bij heldere lucht met enkelecumuli. Temperatuur 57°, dauwpunt 36°; verschil 21°. Op 15 Januari te Port St.-Julian: des morgens zwakke winden met veel regen, gevolgd door een zeer hevige windvlaag met regen; deze ging over in een krachtigen storm met grootecumuli; en toen deze opklaarden, woei het zeer krachtig uit het Z.Z.W. Temperatuur 60°, dauwpunt 42°; verschil 18°.2Talrijke metingen hebben bewezen, dat de lengte der Patagoniërs afwisselt tusschen 1.750 Met. en 1.924 Met.(Vert.)3Pedro Sarmiento de Gamboa (1530–1589), Spaansch ontdekker, die de kust van Peru onderzocht.(Vert.)4Rengger, Natur der Säugethiere von Paraguay, blz. 334.5De naam is ontleend aan het feit, dat eene kolonie van 400 menschen, welke zich hier in 1584 gevestigd had, er den hongerdood vond.(Vert.)6Kapitein Fitz-Roy deelt mij mede, dat de bladeren dezer boomen, die dicht bij den voet der bergen groeien, in April (gelijkstaande met onze maand October) van kleur veranderen, maar niet bij die van de hooger gelegen punten. Ik herinner mij eenige waarnemingen te hebben gelezen, blijkens welke in Engeland de bladen vroeger afvallen in een warmen en fraaien herfst, dan in een laten en kouden. Dat hier in de hoogere, en dus koudere streken de kleurverandering later intreedt, moet aan dezelfde algemeene vegetatie-wet worden toegeschreven. De boomen van Vuurland werpen in geen enkel jaargetijde hunne bladeren geheel af.7Aldus noemt men die soorten van planten, welke op meer dan 1700 Met. boven de zee groeien. In ’t hooge Noorden ligt die grens lager.(Vert.)8Rev. I. M. Berkeley heeft hem naar mijne exemplaren in deLinnean Transactions(Deel XIX, blz. 37) onder den naam vanCyttaria Darwiniibeschreven. De Chileensche soort isCyttaria Berteroii. Dit geslacht is aanBulgariaverwant.9Behoorende tot deTyrannidae, eene familie van de Orde der Musschen ofPasseres.(Vert.)10Vuurland heeft eene oppervlakte van 73746 □ Kilom., Schotland van 78777 □ Kilom.(Vert.)11Ik meen hier eene uitzondering te moeten maken met eene Alpen-soortHaltica12, en een enkel exemplaar vanMelasoma. Waterhouse meldt mij, dat deHarpalidaevertegenwoordigd zijn door acht of negen soorten, voor het meerendeel met zeer eigenaardige vormen; deHeteromeradoor vier of vijf, deRhynchophoradoor zes of zeven soorten, en de volgende familiën:Staphylinidae13,Elateridae14,Cebrionidae15,Melolonthidae16, elk door ééne soort. De andere Orden komen met nog minder soorten voor. Bij alle Orden treft ons nog meer de schaarschheid der individuën dan die der soorten. De meesteColeopterazijn door Waterhouse in deAnnals of Natural Historynauwkeurig beschreven.12Halticabehoort tot de Aardvlooien:Halticinae.13Roofkevers.14Springkevers.15Zijdekevers.16Meikevers17Hare geographische verspreiding is bijzonder groot; men vindt ze van af de uiterste zuidelijke eilandjes bij Kaap Hoorn (naar Mr. Stokes mij bericht) tot 43° N.B. aan de oostkust; maar aan de westkust—zegt Dr. Hooker mij—strekt zij zich uit tot de rivier San Francisco in Californië, en mogelijk zelfs tot Kamtsjatka. In breedte is dit gebied dus verbazend groot; bedenkt men echter dat Cook, die met de soort wel bekend moet zijn geweest, haar op de Kerguélen-Eilanden18vond, dan strekt haar gebied zich over niet minder dan 140 Lengtegraden uit.18Deze eilanden (130 in getal) werden in 1772 door den Franschen zeevaarder Yves Joseph de Kerguélen-Trémarec (1734–1797) ontdekt. Zij liggen in het zuid. deel van den Indischen Oceaan.19Voyages of the Adventure and Beagle, Deel I,blz. 363. Het schijnt, dat zeewier uiterst snel groeit. Stephenson vond (Wilson’s Voyage round Scotland, Deel II, blz. 228), dat eene alleen bij springtijden blootkomende rots, die in November nog als gepolijst was, in Mei daaraanvolgende—dus zes maanden later—dicht bedekt was met 2 voet langeFucus digitatus, en 6 voet langeFucus esculentus.20Voor Vuurland zijn de resultaten afgeleid uit de waarnemingen van Kapitein King (Geographical Journal, 1830), en die welke aan boord van deBeaglegenomen zijn. Voor de Falklands-Eilanden heb ik de gemiddelde temperatuur der drie heetste maanden December, Januari en Februari (afgeleid uit nauwkeurige waarnemingen te middernacht, 8 ure des morgens, op den middag, en te 8 ure des avonds) aan Kapitein Sulivan te danken. De temperatuur van Dublin is aan Barton ontleend.21Agüeros, “Discription historique de la Province de Chiloé” 1791, blz. 94.22Zie de Duitsche vertaling van dit Dagboek, en voor de andere feiten hetAppendix to Flinders’ Voyagevan Brown.23Ik geloof, dat de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili in verschillende zomers aanmerkelijk in hoogte verschilt. Men verzekerde mij, dat gedurende een zeer drogen en langen zomer, al de sneeuw van de Aconcagua verdween, ofschoon deze berg de kolossale hoogte van 23090 voet of 7040 Met. bereikt. Het is waarschijnlijk, dat de sneeuw op deze groote hoogten veel meer verdampt dan smelt.24MiersChile, Deel I. blz. 415. Men zegt, dat het suikerriet te Ingenio groeide op 32° tot 33° breedte, maar niet overvloedig genoeg voor winstgevende bewerking. In de Quillota-vallei, ten zuiden van Ingenio, zag ik eenige hooge dadelpalmboomen.25BulkeleyenCummins,Faithful Narrative of the Loss of the Wager. De aardbeving geschiedde op 25 Augustus 1741.26Agüeros,Descr. Hist. de Chiloé, blz. 227.27Geological Transactions, Deel VI, blz. 415.28Bijzonderheden over dit onderwerp (de eerste, naar ik meen, die openbaar gemaakt zijn) heb ik gegeven in de eerste uitgaaf van dit werk, en in het Aanhangsel daartoe. Ik heb daar bewezen, dat de schijnbare uitzonderingen op het ontbreken van zwerfblokken in sommige heete landen, aan fouten in de waarnemingen zijn toe te schrijven. Vele der door mij gegeven verklaringen heb ik later door verscheidene schrijvers bevestigd gezien.29Geographical Journal, 183, blz. 65 en 66.30Richardson,Appendix to Back’s Expedition, en Humboldt,Fragments Asiatiques, deel II, blz. 386.31De eerste neushoren (Rhinoceros tichorhinus) werd in 1770 gevonden aan de Wiljui, een zijtak van de Lena. Hij had eene lengte van 11½ voet, en was behaard. Geographisch was deze soort verspreid van Engeland tot Siberië. (Vert.)32Dease en Simpson inGeographic. Journ., deel VIII, blz. 218 en 220.33In de laatste 200 jaren zijn in Noord-Siberië doorontdooiingvan den diluvialen bodem de skeletdeelen van ongeveer 20,000 mammoethen (Elephas primigenius) voor den dag gekomen. (Vert.)34Cuvier,Ossemensfossiles, deel I, blz. 151, ontleend aanBilling’s Voyage.35In de vorige uitgaaf en het Aanhangsel heb ik eenige feiten genoemd betreffende het vervoer van zwerfblokken en ijsbergen inde Zuidelijke IJszee. Onlangs is dit onderwerp uitstekend behandeld geworden doorHayesinBoston Journal(deel IV, blz. 426). De schrijver schijnt onbekend met een door mij inGeographical Journal(deel IX, blz. 528) vermeld geval van een reusachtigen rolsteen, die in een ijsberg begraven was, welke bijna zeker honderd mijlen en misschien veel verder van land af was. In het Aanhangsel heb ik uitvoerig gesproken over het feit (waaraan destijds bijna niet gedacht werd), dat ijsbergen bij hunne stranding waarschijnlijk de rotsen groeven en polijsten, evenals gletschers. Deze meening wordt nu zeer algemeen gedeeld; en nog altijd kan ik het vermoeden niet ontveinzen, dat zij zelfs op gevallen als dat van het Jura-gebergte toepasselijk is. Dr. Richardson heeft mij verzekerd, dat de ijsbergen in de nabijheid van Noord-Amerika kiezelsteenen en zand voor zich uitdrijven, en de onderzeesche rotsachtige zandbanken geheel kaal achterlaten. Het valt bijna niet te betwijfelen, dat zulke klippen gepolijst en gegroefd moeten worden in de richting van het stelsel der heerschende stroomen. Sedert ik dit Aanhangsel schreef, heb ik in Noord-Wallis (LondonPhil. Mag.deel XXI blz. 180) de nevenwerking van gletschers en drijvende ijsbergen gezien.
Hoofdstuk XI.De Straat van Magelhaen.—Het klimaat der zuidelijke kusten.Op het einde van Mei 1834 voeren wij de oostelijke monding der Straat van Magelhaen voor de tweede maal binnen. Het land aan weerszijden van dit gedeelte der Straat bestaat uit bijna effen vlakten, evenals die in Patagonië. Kaap Negro, even binnen de tweede Engte gelegen, kan beschouwd worden als het punt waar het land de duidelijke kenmerken van Vuurland begint aan te nemen. Aan de oostkust, zuidelijk van de Straat, verbindt evenzoo een parkachtig landschap deze twee in bijna alle kenmerken lijnrecht van elkaar verschillende landen. Het is werkelijk verrassend binnen eene ruimte van 20 mijlen zulke veranderingen in het landschap te vinden. Nemen wij een wat grooteren afstand, zooals tusschen Port Famine en Kaap Gregory—dat is ongeveer 60 mijlen—dan is het verschil nog verwonderlijker. Op de eerste plaats vinden wij ronde bergen, verborgen achter ondoordringbare wouden, die doorweekt zijn van de door telkens wederkeerende stormen aangebrachte regens. Bij Kaap Gregory, daarentegen, welft zich een heldere en blauwe lucht boven de droge, onvruchtbare vlakten.1Ofschoon de snelle, onstuimige luchtstroomen binnengeen waarneembare grenzen beperkt zijn, schijnen zij toch, evenals eene rivier in hare bedding, een regelmatig bepaalden loop te volgen.Bij ons vorig bezoek (in Januari) hadden wij bij Kaap Gregory eene ontmoeting met de vermaarde en zoogenaamd reusachtige Patagoniërs, die ons eene hartelijke ontvangst bereidden. Hunne lengte schijnt grooter dan zij inderdaad is, ten gevolge van hunne groote guanaco-mantels, hun lang golvend haar, en hun voorkomen in ’t algemeen. Gemiddeld is hunne lengte omstreeks zes voet; sommige mannen zijn grooter, doch maar weinige kleiner.2Ook de vrouwen zijn lang; en over het geheel zijn zij stellig het grootste menschenras, dat wij ooit zagen. In hunne gelaatstrekken gelijken zij treffend op de noordelijker wonende Indianen, die ik bij Rosas zag; alleen hebben zij een woester en vervaarlijker voorkomen; hunne aangezichten waren dik met rood en zwart beschilderd, en één man had witte kringen en vlekken, evenals een Vuurlander. Kapitein Fitz-Roy bood aan om drie hunner aan boord te nemen, en allen schenen gezind om tot dit drietal te behooren. Lang duurde het eer wij de anderen uit de boot hadden; maar eindelijk kwamen wij met onze drie reuzen aan boord, die met den kapitein aten en zich alsgentlemengedroegen, daar zij zich van lepel, mes en vork wisten te bedienen. Niets smaakte hun zoo goed als suiker. Deze stam komt zoo dikwijls met robbenjagers en walvischvaarders in aanraking, dat de meeste mannen wat Engelsch en Spaansch kunnen spreken. Zoodoende zijn zij half beschaafd, en gedeeltelijk van hunne zeden vervreemd.Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo’s, mannen, vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan; want de “Oude Maria,” eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten 750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven, terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In den tijd van Sarmiento3hadden deze Indianen bogen en pijlen, welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet; en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden in het wild.4Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.1 Juni.Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven heet.5Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven, waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal, waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was, en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op te merken hoe de berg in hoogte steeg.Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen, dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het tedicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen, sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen, hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden, met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg, en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.Toen deBeaglehier in de maand Februari was, ging ik op zekeren morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik allehoop den top te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren, als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug, die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie boomsoorten groeien.6Bovende woudstreek zijn vele dwergachtige Alpenplanten,7welke alle uit den veenbodem ontspruiten en dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland, waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier eenDrymis Winterivan vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk, die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker mij, dat onlangs op eene derdesoort beukeboomen in Van-Diemensland eene derde soort ontdekt is geworden.8Hoe zonderling is deze verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen—voornamelijk van den dwergachtigenArbutus—eten de inboorlingen buiten dezen paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden, vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den tucutuco verwante of daarmede gelijkstaandeCtenomys; twee vossen (Canis MagellanicusenCanis Azarae); een zeeotter; het guanaco en een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als detucutucoenreithrodonden overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen, die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die mengelaagd alluviumzou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin geheeten, komen vossen en guanaco’s voor, maar op het andere eiland, Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt, en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte er van gescheiden is.De donkere bosschen worden door enkele vogels bewoond. Nu en dan hoort men den klaagtoon van een wit-gekuifden Tyran (Myiobius albiceps),9die zich in de toppen der hoogste boomen verbergt; en zeldzamer nog den luiden, zonderlingen kreet van een zwarten specht met fraaien scharlaken kam op het hoofd. Een klein donkerkleurig winterkoninkje (Scytalopus Magellanicus) huppelt met loerenden gang door den bajert van omgevallen en rottende stammen. Maar de meest voorkomende vogel in het land is de boomlooper (Oxyurus tupinieri). Overal in de beukenwouden, hoog in ’t gebergte en dicht bij den voet, in de donkerste, vochtigste en ongenaakbaarste ravijnen kan men hem ontmoeten. Deze kleine vogel schijnt ongetwijfeld talrijker dan werkelijk het geval is; men moet dit toeschrijven aan zijne gewoonte om uit blijkbare nieuwsgierigheid den vreemdeling te volgen, die deze stille bosschen betreedt; onder een voortdurend wanluidend getjilp fladderthij van den eenen boom naar den anderen, slechts enkele voeten van het gezicht des indringers. Hij zoekt allerminst die bescheiden afzondering van den waren boomlooper (Certhia familiaris). Ook loopt hij niet, zooals deze vogel, tegen de stammen der boomen op, maar huppelt op de manier van een wilgensijsje rond, en zoekt op elken tak of twijg insecten. In de meer open streken komen voor: drie of vier soorten vinken; een lijster; eene spreeuw (ofIcterus); tweeOpetiorhynchi, benevens verscheidene havikken en uilen.Het ontbreken van alle soorten, die tot de klasse der Kruipende Dieren behooren, is een kenmerkend verschijnsel in de Fauna van dit land, evenals in die der Falklands-Eilanden. Ik grond dit getuigenis niet uitsluitend op eigen waarneming, doch vernam het van de Spaansche bewoners der laatstgenoemde eilanden, en van Jemmy Button, voor zoover Vuurland betrof. Aan de oevers der Santa Cruz op 50° Z.B. zag ik een kikvorsch, en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dieren, alsook hagedissen, zuidelijk tot de breedte der Straat van Magelhaen gevonden worden, waar het land het karakter van Patagonië behoudt; maar binnen de vochtige en koude zone van Vuurland komt geen enkele voor. Dat het klimaat niet geschikt zou zijn voor enkele Orden, zooals de hagedissen, was wel te voorzien; maar wat de kikvorschen betrof, was dit niet zoo duidelijk.Kevers (Coleoptera) vindt men in zeer klein aantal; en lang duurde het eer ik kon gelooven, dat een land bijna zoo groot als Schotland,10bedekt met plantvoortbrengsels en in het bezit van afwisselende verblijfplaatsen, zoo onvruchtbaar kon zijn. De enkelen, die ik vond, waren Alpen-soorten (HarpalidaeenHeteromidae), welke onder steenen leven. De plantenetendeChrysomelidae, waardoor de keerkringen zich zoo bijzonder kenmerken, ontbreken hier bijna geheel.11Ik zag zeer weinig vliegen, kapellen of bijen,en geen krekels (Gryllidae) ofOrthoptera. In de waterpoelen vond ik slechts enkele waterkevers en geen zoetwaterschelpdieren: want hoewelSuccineaop het eerste gezicht eene uitzondering schijnt te maken, moet het hier een landschelpdier zijn, daar het ver van het water in het vochtige gras leeft. Landschelpdieren konden alleen op dezelfde hooggelegen plaatsen worden gevonden, als waar de kevers zijn. Reeds heb ik op de tegenstelling tusschen Vuurland en Patagonië gewezen, zoowel wat klimaat als algemeen voorkomen betreft; en een sprekend voorbeeld van dit verschil levert de insectenkunde. Ik geloof niet dat zij ééne soort gemeen hebben; en het algemeen kenmerk der insecten is zeker geheel verschillend.Gaande van het land naar de zee, zullen wij de laatste even dicht met levende wezens bevolkt vinden, als het eerste arm daaraan is. In alle deelen der wereld herbergt een rotsachtig en gedeeltelijk beschut strand binnen eene gegevene ruimte wellicht een grooter aantal wezens, dan elke andere verblijfplaats. Er bestaat een zeeproduct, dat om zijne belangrijkheid eene bijzondere bespreking verdient. Het is dekelpofMacrocystis pyrifera. Deze plant groeit op elke rots vanaf het laagwatermerk tot op eene groote diepte, zoowel aan de buitenkust als binnen de kanalen.17Ik geloof, dat er op de reizen van deAdventureen deBeaglegeen enkele rots bij het oppervlak der zee werd ontdekt, die niet door dit drijvend wier bespoeld werd. Dat het zoodoende goede diensten bewijst aan schepen, die dicht voorbij dit stormachtige land varen, is duidelijk; en stellig heeft het menig vaartuig van schipbreuk gered. Ik ken weinig verschijnselen, meer verrassend dan het zien groeien en bloeien van deze plant tusschen de groote brekers van den Atlantischen Oceaan, waaraan geen enkele rots, hoe hard ook, lang weerstand kan bieden. De stengel is rond, klevig en zacht, en bereikt zelden een inch in doorsnede. Enkele te zamen genomen zijn sterk genoeg om het gewicht der groote losse steenen te dragen, waaraan zij in de binnenlandsche kanalen vastgroeien; toch waren sommige steenen zoo zwaar, dat, als zij naar de oppervlakte werden getrokken, één man hen met moeite in een boot kon tillen. Kapitein Cook zegt in zijne tweede Reis, dat deze plant bij de Kerguélen-Eilanden uit eene diepte van meer dan 24fathomsomhoog groeit; “en daar die groei niet in verticale richting, maar onder een zeer scherpen hoek met den bodem geschiedt, en een groot deel zich later velefathomsver over het oppervlak der zee uitstrekt, heb ik wel het recht te zeggen, dat sommige eene lengte van 60fathomsen meer bereiken.” Ik geloof niet, dat er een tweede plant is, wier stengel, zooals kapitein Cook verklaart, de verbazende lengte bereikt van 360 voet. Bovendien vond kapiteinFitz-Roy, dat zij zelfs uit nog grootere diepten, namelijk 45fathoms, naar de oppervlakte groeit.19Deze zeewier-velden vormen, zelfs wanneer hunne breedte niet groot is, uitstekende en natuurlijke drijvende golfbrekers. Merkwaardig is het te zien, hoe spoedig de golven uit volle zee, die door de verspreide stengels eene opene haven binnenrollen, in hoogte dalen en overgaan in effen water.Het getal levende wezens van alle Orden, wier bestaan ten nauwste van de kelp afhangt, is verwonderlijk groot. Men zou een lijvig boek kunnen schrijven alléén over de bewoners van een dezer zeewier-velden. Bijna alle bladeren uitgenomen die welke aan de oppervlakte drijven, zijn zoo dik met koraaldieren bedekt, dat zij eene witte kleur hebben. Wij vinden keurig fijne structuur-vormen: sommige bewoond door enkelvoudige hydroidpolypen, andere door meer bewerktuigde soorten, en prachtige samengestelde zeescheeden (Ascidiae compositae). Op de bladeren zijn ook verschillendePatellidae,Trochidae, naakte weekdieren, en eenige tweeschalige schelpdieren vastgehecht. Tallooze schaaldieren bewonen elk deel van de plant. Schudt men de groote dooreengevlochten wortels, dan valt daaruit een menigte kleine visschen, schelpdieren, inktvisschen, kreeften van alle orden, zeeëgels, zeesterren, prachtigeHolothuriae,Planariae, en kruipendeNereïdaein tal van vormen. Dikwijls keerde ik naar een kelptak terug, en ontdekte dan altijd dieren van onbekende en merkwaardige structuur. Op Chiloë, waar de kelp niet bijzonder gedijt, ontbreken de talrijke schelp-, koraal- en schaaldieren; toch blijven nog enkeleFlustraceaeen eenige samengesteldeAscidiaeover, waarvan de laatsten echter totandere soorten behooren dan die in Vuurland. Het zeewier heeft hier dus eene grootere verspreiding dan de dieren, welke het als woonplaats bezigen. Ik kan deze groote waterwouden van het zuidelijk halfrond alleen vergelijken bij de landwouden in de tusschenkeerkringsstreken; maar, zoo te land ergens een woud verwoest werd, geloof ik niet, dat er zooveel soorten dieren zouden omkomen, als hier door het verwoesten van de kelp het geval zou zijn. Tusschen de bladeren dezer plant leven talrijke soorten visschen, die nergens anders voedsel of beschutting konden vinden. Met hunne uitroeiing, zouden ook de vele zeeraven en andere vischetende vogels, de otters, robben en bruinvisschen spoedig verdwijnen. Eindelijk zou de Vuurlandsche wilde, de ellendige heer van dit ellendige land, zijne kannibaalsche feesten verdubbelen, in aantal verminderen, en mogelijk ophouden te bestaan.8 Juni.Vroeg in den morgen lichtten wij het anker en verlieten Port Famine. Kapitein Fitz-Roy besloot de Straat van Magelhaen door het Magdalena-kanaal te verlaten, dat niet lang te voren ontdekt was. Onze koers was vlak zuidwaarts, door het sombere kanaal waarop ik boven zinspeelde, toen ik zeide, dat het naar eene andere en boozere wereld scheen te voeren. Er woei een gunstige wind, maar de lucht was zeer nevelig, zoodat wij vele zeldzame berggezichten misten. De donkere, gescheurde wolken werden snel over de bergen gedreven, van af hunne toppen tot bijna aan den voet. De vluchtige kijkjes, die wij door de schemerige massa namen, waren zeer belangwekkend: getande spitsen, besneeuwde kruinen, blauwe gletschers, scherpe omlijningen die zich op den bleeken hemel afteekenden, lieten zich op verschillende afstanden en hoogten zien. Te midden van zulke tafereelen ankerden wij bij Kaap Turn, dicht bij den berg Sarmiento, die zich toen in de wolken verschool. Aan den voet der hooge en bijna loodrechte oevers van onze kleine kreek stond een verlaten wigwam, die er aan herinnerde dat de mensch nu en dan door deze eenzame streken zwierf. Moeilijk zou men zich een oordkunnen denken, waar hij minder eischen of minder macht scheen te hebben. De onbezielde werken der natuur: gesteente, ijs en sneeuw, en wind en water—alle met elkander, maar vereenigd tegen den mensch in strijd—regeerden hier in onbeperkte heerschappij.9 Juni.Tot onze blijdschap zagen wij des morgens den mistsluier van den Sarmiento optrekken, en hem aan ons oog vertoonen. Deze berg, die een der hoogste in Vuurland is, heeft eene hoogte van 6800 voet. Zijn ondereinde is tot ongeveer een achtste der totale hoogte met donkere bosschen bedekt, en daarboven reikt een sneeuwdek tot aan den top. Deze uitgestrekte sneeuwmassa’s, die nooit smelten en bestemd schijnen om even lang te duren als de wereld zelve, boden een prachtvol en zelfs verheven schouwspel. De omtrek van den berg was bijzonder helder en scherp. Door de groote hoeveelheid licht, die op de witte en glinsterende oppervlakte weerkaatste, vielen geen schaduwen aan den kant waar ik stond; men onderscheidde slechts de randlijnen die de lucht sneden; en zoo stond de kolossus in zijne volle gedaante voor ons. Verscheidene gletschers daalden slingerend van de hooge, wijde sneeuwvlakten naar de zeekust; men kon hen met bevroren Niagara-stroomen vergelijken; en misschien zijn deze blauwe ijsversnellingen ruim zoo schoon als vloeibare watervallen. Des nachts bereikten wij het westeinde van het kanaal; maar het water was hier zoo diep, dat wij geen ankerplek konden vinden. Wij waren dus genoodzaakt om in een stikdonkeren nacht uren lang door dezen smallen zeearm op en neer te varen.10 Juni.Des morgens stevenden wij zoo spoedig mogelijk naar den open Stillen Oceaan. De westkust bestaat in ’t algemeen uit lage, afgeronde, geheel naakte bergen van graniet en groensteen (diabase of dioriet). Sir John Narborough noemde een gedeelteSouth Desolation, omdat het land er zoo naargeestig uitzag; en dit zeggende had hij gelijk. Buiten de hoofdeilanden liggen tallooze verspreide rotsen, waarop de breede golfslag van den StillenOceaan onafgebroken beukt. Wij gingen tusschen de Oostelijke en Westelijke Furies naar buiten; iets verder noordwaarts rollen zooveel brekers, dat de zee hierde Melkweggenoemd wordt. Een blik op zulk eene kust is voldoende om een landrot eene week lang van schipbreuken, gevaren en dood te doen droomen; en met dit woeste, huiveringwekkende schouwspel voor oogen zeiden wij Vuurland voor altijd vaarwel.De volgende beschouwing over het klimaat der zuidelijke deelen van het vasteland in verband met hunne voortbrengselen: over de sneeuwgrens, de buitengewoon lage daling der gletschers, en over de streek van eeuwige vorst op de eilanden in het Zuidpool-gebied, kan door lezers, die in deze merkwaardige onderwerpen geen belang stellen, worden overgeslagen, of zij kunnen alleen de korte herhaling er van aan het einde lezen. Ik zal hier echter slechts een uittreksel geven, en moet voor bijzonderheden naar het Dertiende Hoofdstuk en het Aanhangsel der vorige uitgaaf van dit werk verwijzen.Over het klimaat en de Voortbrengselen van Vuurland en van de Zuidwest-kust.De volgende tabel geeft aan de gemiddelde temperatuur van Vuurland, de Falklands-Eilanden, en die van Dublin ter vergelijking:Breedte.Zomer-Temperat.Winter-Temperat.Gemid. Zomer- en Winter-Temperat.Vuurland53°38′ Z50°33°0841°54Falklands-Eil.51°30′ Z51°——Dublin53°21′ N59°5439°249°37Wij zien hieruit, dat het middengedeelte van Vuurland des winters omstreeks 6° kouder, en des zomers niet minder dan 9½° minder warm is dan Dublin. Volgens Leopold von Buch (1774–1853) is de gemiddelde temperatuur van Juli (niet de heetste maand in het jaar) te Saltenfjord in Noorwegen 57°8, en toch ligt deze plaats 13° dichter bij de pool dan PortFamine.20Hoe ongastvrij dit klimaat ook zij voor ons gevoel, er is overvloed van altijd groenende boomen, die welig bloeien. Op 55° Z.B. kan men kolibries aan de bloemen zien zuigen, en eten papegaaien de zaden van denDrymis Winteri. Reeds heb ik gewezen op den rijkdom der zee aan levensvormen; en volgens G. B. Sowerby zijn deConchyliënof schelpdieren (zooals dePatellidae,Fissurelidae,ChitonidaeenLepadidaeveel grooter en veel sterker gebouwd dan de overeenkomstige species in het noordelijk halfrond. Eene grooteVoluta(rolslak) komt veel voor in Zuid-Vuurland en op de Falklands-Eilanden. Te Bahia Blanca, op 39° Z. B., waren de meest voorkomende schelpdieren: drie species vanOliva(eene van aanzienlijke grootte), eene of tweeVoluta’s, en eeneTerebra(boorschelp). Dezen, nu, behooren tot de best kenmerkende tropische vormen. Het is te betwijfelen of er aan de zuidkusten van Europa zelfs eene kleineOliva-species bestaat, en van de twee andere geslachten zijn er geen soorten. Indien een geoloog op 39° breedte aan de kust van Portugal eene laag ontdekte, waarin talrijke schelpdieren van drieOliva-species, eeneVolutaen eeneTerebra, zou hij waarschijnlijk zeggen, dat het klimaat in den tijd waarin zij leefden, tropisch moet geweest zijn; doch naar Zuid-Amerika te oordeelen, zou zulk eene gevolgtrekking verkeerd zijn.Het gelijkvormige, vochtige en winderige klimaat van Vuurland strekt zich, met slechts eene geringe toename in warmte, vele graden ver langs de westkust van het vasteland uit. Tot 600 mijlen ten noorden van Kaap Hoorn hebbende wouden een zeer evenaardig aanzien. Als een bewijs van het gelijkvormige klimaat zelfs nog tot 300 of 400 mijlen noordelijker, kan dienen, dat op Chiloë (in breedte met de noordelijke gedeelten van Spanje overeenkomende) de perzik zelden vruchten voortbrengt, terwijl aardbeziën en appelen er volkomen gedijen. Zelfs worden de gerste- en tarwearen dikwerf naar huis gebracht, om te drogen en te doen rijpen.21Te Valdivia (op gelijke breedte als Madrid) komen druiven en vijgen tot rijpheid, doch worden niet overal gevonden; olijven rijpen zelden, zelfs niet gedeeltelijk, en oranjeappelen in het geheel niet. Zooals men weet, gedijen deze vruchten voortreffelijk op overeenkomstige breedten in Europa. Maar zelfs in Zuid-Amerika worden, aan de Rio Negro, onder nagenoeg dezelfde parallel als Valdivia, bataten (Convolvulus batatus) gekweekt, terwijl druiven, vijgen, oranjeappelen, watermeloenen en cantaloepen (knobbel-ofwratmeloenen) welig vruchten voortbrengen. Ofschoon het vochtige en gelijkvormige klimaat van Chiloë en van de kust noordelijk en zuidelijk hiervan, voor onze vruchten zoo ongunstig is, wedijveren de wouden aldaar, van 38° tot 45°, in hun kwistigen plantengroei bijna met die der tusschenkeerkringslanden. Statige, veelsoortige boomen met gladde en levendig gekleurde schorsen, zijn beladen met eenlobbige woekerplanten; groote en sierlijke varens tieren er in overvloed, en boomgrassen omwinden de stammen ter hoogte van 30 of 40 voet boven den grond, tot eene dooreengegroeide massa. Palmboomen groeien op 37° breedte; een boomgras, dat veel op bamboes gelijkt, op 40°; en eene andere naverwante soort, die zeer lang maar niet rechtstandig is, bloeit zelfs nog op 45° Z. B.Over het grootste deel van het zuidelijk halfrond schijnt een gelijkvormig klimaat te heerschen, wat blijkbaar is toe te schrijven aan de groote oppervlakte der zee, vergeleken met het land. Dientengevolge draagt de plantenwereld eenhalf tropisch karakter. Boomvarens groeien welig op Van-Diemensland (45° B.), en ik mat een stam van niet minder dan zes voet in omtrek. Foster vond op 46° een boomvaren op Nieuw-Zeeland, waar orchideeën-planten op de boomen woekeren. Op de Aucklands-Eilanden zijn, volgens Dr. Dieffenbach,22varens met zulke dikke en hooge stammen, dat zij bijna boomvarens mogen heeten; en hier, ja zuidelijker nog tot 55° breedte op de Macquarie-Eilanden, leven talrijke papegaaien.Over de Hoogte der Sneeuwgrens, en de Daling der Gletschers in Zuid-Amerika.Voor bijzonderheden in de bronnen, waaruit de volgende tabel ontleend is, moet ik naar de vorige uitgaaf verwijzen.BreedteHoogte (in voeten) van de sneeuwgrensWaarnemer.Aequatoriaal-zone; gemid. result.15.748Humboldt.Bolivia, van 16° tot 18° Z.B.17.000Pentland.Midden-Chili, 33° Z.B.14.500 tot 15.000Gillies en de Schrijver.Chiloë, van 41° tot 43° Z.B.6.000Officieren v. d. Beagle en de Schrijver.Vuurland, 54° Z.B.3.500 tot 4.000King.Daar de hoogte-grens der eeuwige sneeuw in hoofdzaak meer door de grootste zomerhitte, dan door de gemiddelde jaarlijksche temperatuur schijnt bepaald te worden, behoeft het ons niet te verwonderen, dat die grens in de Straat van Magelhaen, waar de zomer zoo koel is, tot 3500 of 4000 voet boven den zeespiegel daalt, ofschoon wij die lage grens van eeuwige sneeuw in Noorwegen eerst op 67° tot 70°—dat is ongeveer 14° dichter bij de pool—ontmoeten. Het hoogteverschil van circa 9000 voet tusschen de sneeuwgrens op de Cordilleras achter Chiloë (waar de hoogste punten van slechts 5600 tot 7500 voet afwisselen) en in Midden-Chili,een afstand van slechts 9 breedte-graden, is inderdaad verwonderlijk.23Ongeveer van af Concepcion (37° Z.B.) tot zuidwaarts van Chiloë verbergt het land zich achter een dicht, onafgebroken woud, dat doorweekt is van vocht. De lucht is bewolkt, en wij hebben gezien hoe slecht de Zuideuropeesche vruchten er gedijen. In Midden-Chili, daarentegen, iets benoorden Concepcion, is de lucht meestal helder; gedurende de zeven zomermaanden valt er geen regen, en de Zuideuropeesche vruchten groeien uitstekend. Zelfs is er suikerriet geweekt.24Zonder twijfel ondergaat de grens van eeuwige sneeuw de bovengenoemde merkwaardige buiging van 9000 voet—welke zonder weerga is in andere deelen der wereld—niet ver van de breedte van Concepcion, waar het land niet langer met woudboomen bedekt is; want in Zuid-Amerika wijzen boomen op een regenachtig klimaat, en is regen het zinnebeeld van een bewolkten hemel en weinig warmte in den zomer.Zooals ik wel begrijp, moet de daling der gletschers naar zee, behalve natuurlijk van een voldoenden voorraad sneeuw in het hooggebergte, hoofdzakelijk afhangen van de meer of minder lage grens van eeuwige sneeuw op steile bergen bij de kust. Daar in Vuurland de sneeuwgrens zoo laag ligt, mochten wij terecht verwachten, dat vele gletschers de zee bereikt hadden. Toch stond ik verbaasd, toen ik op de breedte van Cumberland allereerst eene bergreeks zag van slechts 3000 tot 4000 voet hoogte, waarvan elke vallei totaan de zeekust met ijsstroomen gevuld was. Bijna elke zeearm, die tot de hoogere binnenketen doordringt—niet slechts in Vuurland, maar 650 mijlen ver noordwaarts aan de kust—eindigt in “geweldige en verbazingwekkende gletschers,” volgens de beschrijving van een der officieren van de expeditie. Groote ijsbrokken vallen gestadig van deze ijsklippen in zee, en het gekraak davert, als de geschutdonder van een oorlogsschip dat de volle laag geeft, door de eenzame kanalen. Gelijk in het vorige hoofdstuk is opgemerkt, veroorzaken deze ijsstortingen hooge golven, die op de naburige kusten breken. Het is bekend, dat aardbevingen dikwijls oorzaak zijn van het afbreken van groote stukken aarde van de zeekust; hoe verschrikkelijk moet dan de uitwerking zijn van een hevigen schok (en die komen hier voor)25op zulk een gevaarte als een gletscher, die reeds in beweging en doorploegd is van spleten! Ik kan dan ook licht begrijpen, dat het water in zulke gevallen uit het diepste kanaal wordt weggeslagen, daarna met onweerstaanbare kracht terugkeert, en reusachtige rotsblokken als stroohalmen in het rond draait. In Eyre’s Sound, op de breedte van Parijs, zijn ontzaglijke gletschers, en toch meet de hoogste berg in den omtrek slechts 6200 voet. In deze zeeëngte zag men op zekeren tijd omtrent 50 ijsbergen naar buiten drijven, en een daarvan moet minstens 168 voet hoog zijn geweest. Sommige ijsbergen waren beladen met brokken graniet en andere van het leemschiefer der omringende bergen verschillende gesteenten, van niet onaanzienlijke grootte. De verst van de pool gelegen gletscher, die op de tochten van deAdventureen deBeagleopgemeten werd, bevindt zich op 46°50′ Z.B. in de Golf van Penas. Hij is 15 mijlen lang, heeft opéénpunt eene breedte van 7 mijlen, en daalt tot aan de zeekust. Maar zelfs enkele mijlen benoorden dezen gletscher ontmoetten eenige Spaansche zendelingen26in de Laguna de San Rafael “vele ijsbergen, waaronder groote, kleine en andere van middelbare grootte.” Zij werden gezien in een smallen zeearm, op den 22sten December (die met onze maand Juni overeenstemt), en op eene breedte gelijkstaande met die van het Meer vanGenève!In Europa is de zuidelijkste gletscher die de zee bereikt, volgens Leopold von Buch, op 67° breedte op de Noorweegsche kust gevonden. Dit is dus meer dan 20 graden of 1230 mijlen dichter bij de pool dan de Laguna de San Rafael. Het voorkomen der gletschers op deze plek en in de Golf van Penas is des te merkwaardiger, omdat het punt waar zij de zee bereiken, 7°30′ of 450 mijlen verwijderd is van eene haven, waar drie soorten vanOliva, eeneVolutaen eeneTerebrade meest voorkomende schelpdieren zijn; 9 graden van een gebied, waar palmen groeien; 4°30′ van eene streek, waar jaguar en puma over de vlakte zwerven; nog geen 2°30′ van de boomgrassen; bovendien in westelijke richting minder dan 2 lengtegraden van woekerende orchideeën, en nog geen graad van de boomvarens!Deze feiten zijn van zeer groot geologisch belang voor de studie van het klimaat van het noordelijk halfrond in den tijd der zoogenaamde erratische of zwerfblokken. Ik zal hier niet uiteenzetten hoe eenvoudig de theorie der ijsbergen, welke met rotsklompen beladen zijn, den oorsprong en ligging der geweldige rolsteenen verklaart in Oost-Vuurland, op de hoogvlakte van Santa Cruz, en op het eiland Chiloë. In Vuurland liggen de meeste rolsteenen aan de strandlijnen van oude zeestraten, die nu door landrijzing in droge dalen zijn veranderd. De hun bijgemengde grondstof is eene groote, ongelaagde formatie van modder en zand, welke ontstaan is door herhaalde omploeging van den zeebodem, ten gevolge van het stranden van ijsbergen met hun last van steenen.27Thans zijn er weinige geologen, die twijfelen aan het feit, dat zwerfblokken welke in de nabijheid van hooge bergenliggen, door de gletschers zelven zijn voortgestuwd; en dat die, welke ver van bergen en in lagen onder water bedolven liggen, òf op ijsbergen, òf in kustijs vastgevroren, daarheen zijn gebracht. Het verband tusschen het vervoer van rolsteenen en de aanwezigheid van ijs in den een of anderen vorm, blijkt opvallend uit hunne geographische verspreiding over de aarde. In Zuid-Amerika vindt men hen niet lager dan 48°, van de zuidpool af gerekend (zuidpools-afstand); in Noord-Amerika schijnt de grens van hun vervoer zich tot 53°30′ van de noordpool uit te strekken; in Europa echter niet verder dan 40°, van hetzelfde punt af gerekend. Daarentegen zijn zij niet waargenomen in de tusschenkeerkringsstreken van Amerika, Azië en Afrika; evenmin aan de Kaap de Goede Hoop, noch in Australië.28Over het Klimaat en de Voortbrengselen der Eilanden in het Zuidpoolgebied.De krachtige plantengroei in Vuurland en op de kust ten noorden daarvan in aanmerking genomen, is de gesteldheid op de eilandentenzuiden en zuidwesten van Amerika inderdaad verrassend. Cook vond, dat Sandwich-Land, op eene zuiderbreedte die met het noordelijk deel van Schotland overeenkomt, in de heetste maanden van het jaar “vele vademen diep met eeuwigdurende sneeuw bedekt was.” Planten schijnen er bijna niet te zijn. Zuid-Georgië, een eiland met eene oppervlakte van 2590 □ Kilom., en op de breedte van Yorkshire gelegen, is “midden in den zomer als het ware geheel met bevroren sneeuw bedekt.” Het kan zich slechts beroemen op mos, eenige bosjes gras en wilde pimpernel (Pimpinella saxifraga). Bovendien heeft hetmaar één landvogel (Anthus correndera), terwijl IJsland, dat 10° dichter bij de pool ligt, volgens Mackenzie nog 15 landvogels bezit. De Zuid-Shetlands-Eilanden, op dezelfde breedte als de zuidelijke helft van Noorwegen, bezit slechts eenige korstmossen (Lichen), mos en wat gras. Luitenant Kendall29vond, dat de baai, waarin hij voor anker lag, begon te bevriezen op een tijdstip, dat op ons halfrond met 8 September overeenkomt. De bodem bestaat hier uit afwisselende lagen ijs en vulkanische asch, en moet op geringe diepte onder de oppervlakte voortdurend bevroren zijn. Luitenant Kendall vond namelijk het lichaam van een lang te voren begraven zeeman, wiens vleesch en trekken nog geheel gaaf waren gebleven. Het is een zonderling feit, dat de lage breedte, waartoe in de twee groote vastelanden van het noordelijk halfrond (maar niet in het tusschenliggende gebroken land van Europa) de zone van den altijd bevroren ondergrond zich uitstrekt, nl. 56° in Noord-Amerika ter diepte van 3 voet,30en 62° in Siberië ter diepte van 12 tot 15 voet—het gevolg is van een geheel tegenovergestelden staat van zaken, vergeleken met dien in het zuidelijk halfrond. In de noordelijke vastelanden wordt de winterkoude buitengewoon verscherpt door de uitstraling eener groote landoppervlakte in eene heldere lucht, en niet getemperd door warmte-brengende zeestroomen; aan den anderen kant is de zomer kort en heet. In den zuidelijken Atlantischen Oceaan is de winter niet zoo buitengewoon koud, maar de zomer veel minder heet, doordien de bewolkte lucht zelden toelaat, dat de zon den oceaan verwarmt, die daarbij een slecht warmtegeleider is; vandaar de lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur, die de grens van een altijddurend bevroren ondergrond bepaalt. Het is duidelijk, dat een krachtige plantengroei, welke niet zoozeer warmte als welbescherming tegen hevige koude vereischt, dichter tot deze zone van altijddurende bodemvorst zou naderen onder het gelijkmatige klimaat van het zuidelijk halfrond, dan onder het zeer strenge der noordelijke vastelanden.Het feit, dat het lijk van een zeeman volkomen bewaard is gebleven in den ijzigen bodem der Zuid-Shetlands-Eilanden (62° tot 63° Z.B.), op iets lagere breedte dan waarop Pallas in Siberië het bevroren lichaam van een neushoorn ontdekte (64°), is zeer belangwekkend. Ofschoon het eene dwaling is—zooals ik in een vroeger hoofdstuk heb pogen aan te toonen—te onderstellen, dat de grootere viervoeters een weelderigen plantengroei voor hun onderhoud behoeven, is toch het vinden op de Zuid-Shetlands-Eilanden van een bevroren ondergrond op nog geen 360 mijlen van de met bosschen bedekte eilanden nabij Kaap Hoorn—waar, voor zoover dehoeveelheidplantengroei betreft, zeer vele groote viervoeters zouden kunnen bestaan—voor de wetenschap van gewicht. De volkomen bewaring van de lijken der Siberische olifanten en neushorens31is stellig een der wonderlijkste feiten in de geologie; maar afgezien van de bewering, dat het aangrenzende land hen moeilijk van voedsel kon voorzien, geloof ik, dat de geheele zaak niet zoo ingewikkeld is als men gemeenlijk denkt. Evenals de Pampas, schijnen ook de vlakten van Siberië onder de zee gevormd te zijn, waarin rivieren talrijke lijken van dieren uitstortten. Van de meeste dezer lijken zijn alleen de geraamten bewaard gebleven, maar van anderen het geheele lichaam. Nu is bekend, dat de bodem in de ondiepe zee aan de noordkust van Amerika bevriest,32en in de lente niet zoo spoedig ontdooit als de oppervlakte van het land; bovendien kan op grootere diepten, waar de zeebodemniet bevriest, de modder enkele voeten onder de bovenlaag zelfs in den zomer onder 32° F. blijven, gelijk ook aan land met den grond op enkele voeten diepte het geval is. Op nog grootere diepten zou de temperatuur van modder en water waarschijnlijk niet laag genoeg zijn om het vleesch te bewaren, en zouden dus van lijken, die buiten de ondiepe gedeelten in de nabijheid eener poolkust naar zee drijven, alleen de geraamten bewaard blijven. Nu zijn de beenderen in het hooge noorden van Siberië buitengewoon talrijk,33zoodat zelfs eilandjes, naar men beweert, er bijna geheel uit bestaan;34en deze eilandjes liggen niet minder dan 10 breedtegraden noordelijk van de plek waar Pallas den bevroren neushoren vond. Aan den anderen kant zou een lijk, dat door een vloed naar eene ondiepte der Poolzee gespoeld werd, voor een onbepaalden tijd bewaard blijven, indien het spoedig daarna dik genoeg met modder bedekt was, om het doordringen der warmte van het zomerwater te beletten, en die deklaag ook dik genoeg was om, als de zeebodem door rijzing in land werd veranderd, te verhinderen dat de zomerlucht en zon haar ontdooiden en tot bederf deden overgaan.Recapitulatie.Ik zal in ’t kort de hoofdfeiten herhalen, die op het klimaat, de ijswerking en organische voortbrengselen van het zuidelijk halfrond betrekking hebben, maar in gedachten het gebied van onderzoek naar Europa verplaatsen, waarmee wij zooveel beter bekend zijn. Zoo zouden dan bij Lissabon de meest voorkomende schelpdieren, nl. drie soortenOliva, eeneVolutaen eeneTerebra, een tropisch karakter bezitten. In de zuidelijke provinciën van Frankrijk zouden prachtige wouden, dicht begroeid met boomgrassen en met woekerplanten op deboomen, het land voor het oog verbergen. Puma en jaguar zouden in dePyreneeënzwerven. Op de breedte van den Mont-Blanc, en wel op een eiland ergens in ’t westen van Europa, zouden boomvarens en woekerende orchideeën welig in de dichte bosschen groeien. Zelfs zoover noordelijk als Midden-Denemarken zou men kolibries om de fijne bloemen zien fladderen en papegaaien voedsel zien zoeken in de altijd groene bosschen. Op deze breedte zou de zee ons eeneVolutate zien geven, en krachtig ontwikkelde schelpdieren, alle van aanzienlijke grootte. Maar op eenige eilanden, slechts 360 mijlen van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken verwijderd, zou een lijk, dat in den grond begraven of naar eene ondiepe zee gedreven en met modder bedekt was, in altijddurend bevroren staat bewaard blijven.Indien een koen zeevaarder noordwaarts van deze eilanden poogde door te dringen, zou hij duizendmaal gevaar loopen tusschen reusachtige ijsbergen verzeild te geraken, waarvan hij sommige met groote rotsblokken beladen zou zien, die zij ver van hunne oorspronkelijke ligplaatsen voeren. Een ander groot eiland op de breedte van Zuid-Schotland, maar tweemaal zoo ver naar het westen, zou “bijna geheel met eenige sneeuw bedekt zijn,” en al zijne baaien zouden eindigen in ijsklippen, waarvan jaarlijks groote brokken werden afgeslagen. Dit eiland zou alleen wat mos, gras en wilde pimpernel bezitten, en een veld- of boschleeuwerik zou de eenige landbewoner zijn. Van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken zou een bergketen, nog niet half zoo hoog als de Alpen, in eene rechte lijn zuidwaarts loopen; en aan de westzijde zou elke diepe zee-inham of fjord in steile en indrukwekkende gletschers eindigen. Deze eenzame waters zouden bij herhaling van het nederploffende ijs weergalmen, en telkens zouden hooge golven langs hunne kusten rollen. Talrijke ijsbergen, enkele zoo groot als domkerken en soms met “niet onbeduidende rotsblokken” beladen, zouden op de buiten gelegen eilandjes stranden, en hevige aardbevingen nu en dan geweldige ijsmassa’s in het water daaronder doen storten. Eindelijk zouden eenige zendelingen bij hunne pogingom een langen zeearm door te varen, talrijke groote ijsstroomen van de niet hooge naburige bergen naar de zeekust zien dalen, terwijl hun boottocht door de tallooze groote en kleine drijvende ijsbergen zou worden belemmerd; en dit zou geschied zijn op onzen 22sten Juni op eene breedte waar thans het Meer vanGenèveligt!351De zuidwestelijke briezen zijn, in ’t algemeen, zeer droog. Op 29 Januari lagen wij bij Kaap Gregory voor anker; er woei een zeer harde storm uit het W.Z.W., bij heldere lucht met enkelecumuli. Temperatuur 57°, dauwpunt 36°; verschil 21°. Op 15 Januari te Port St.-Julian: des morgens zwakke winden met veel regen, gevolgd door een zeer hevige windvlaag met regen; deze ging over in een krachtigen storm met grootecumuli; en toen deze opklaarden, woei het zeer krachtig uit het Z.Z.W. Temperatuur 60°, dauwpunt 42°; verschil 18°.2Talrijke metingen hebben bewezen, dat de lengte der Patagoniërs afwisselt tusschen 1.750 Met. en 1.924 Met.(Vert.)3Pedro Sarmiento de Gamboa (1530–1589), Spaansch ontdekker, die de kust van Peru onderzocht.(Vert.)4Rengger, Natur der Säugethiere von Paraguay, blz. 334.5De naam is ontleend aan het feit, dat eene kolonie van 400 menschen, welke zich hier in 1584 gevestigd had, er den hongerdood vond.(Vert.)6Kapitein Fitz-Roy deelt mij mede, dat de bladeren dezer boomen, die dicht bij den voet der bergen groeien, in April (gelijkstaande met onze maand October) van kleur veranderen, maar niet bij die van de hooger gelegen punten. Ik herinner mij eenige waarnemingen te hebben gelezen, blijkens welke in Engeland de bladen vroeger afvallen in een warmen en fraaien herfst, dan in een laten en kouden. Dat hier in de hoogere, en dus koudere streken de kleurverandering later intreedt, moet aan dezelfde algemeene vegetatie-wet worden toegeschreven. De boomen van Vuurland werpen in geen enkel jaargetijde hunne bladeren geheel af.7Aldus noemt men die soorten van planten, welke op meer dan 1700 Met. boven de zee groeien. In ’t hooge Noorden ligt die grens lager.(Vert.)8Rev. I. M. Berkeley heeft hem naar mijne exemplaren in deLinnean Transactions(Deel XIX, blz. 37) onder den naam vanCyttaria Darwiniibeschreven. De Chileensche soort isCyttaria Berteroii. Dit geslacht is aanBulgariaverwant.9Behoorende tot deTyrannidae, eene familie van de Orde der Musschen ofPasseres.(Vert.)10Vuurland heeft eene oppervlakte van 73746 □ Kilom., Schotland van 78777 □ Kilom.(Vert.)11Ik meen hier eene uitzondering te moeten maken met eene Alpen-soortHaltica12, en een enkel exemplaar vanMelasoma. Waterhouse meldt mij, dat deHarpalidaevertegenwoordigd zijn door acht of negen soorten, voor het meerendeel met zeer eigenaardige vormen; deHeteromeradoor vier of vijf, deRhynchophoradoor zes of zeven soorten, en de volgende familiën:Staphylinidae13,Elateridae14,Cebrionidae15,Melolonthidae16, elk door ééne soort. De andere Orden komen met nog minder soorten voor. Bij alle Orden treft ons nog meer de schaarschheid der individuën dan die der soorten. De meesteColeopterazijn door Waterhouse in deAnnals of Natural Historynauwkeurig beschreven.12Halticabehoort tot de Aardvlooien:Halticinae.13Roofkevers.14Springkevers.15Zijdekevers.16Meikevers17Hare geographische verspreiding is bijzonder groot; men vindt ze van af de uiterste zuidelijke eilandjes bij Kaap Hoorn (naar Mr. Stokes mij bericht) tot 43° N.B. aan de oostkust; maar aan de westkust—zegt Dr. Hooker mij—strekt zij zich uit tot de rivier San Francisco in Californië, en mogelijk zelfs tot Kamtsjatka. In breedte is dit gebied dus verbazend groot; bedenkt men echter dat Cook, die met de soort wel bekend moet zijn geweest, haar op de Kerguélen-Eilanden18vond, dan strekt haar gebied zich over niet minder dan 140 Lengtegraden uit.18Deze eilanden (130 in getal) werden in 1772 door den Franschen zeevaarder Yves Joseph de Kerguélen-Trémarec (1734–1797) ontdekt. Zij liggen in het zuid. deel van den Indischen Oceaan.19Voyages of the Adventure and Beagle, Deel I,blz. 363. Het schijnt, dat zeewier uiterst snel groeit. Stephenson vond (Wilson’s Voyage round Scotland, Deel II, blz. 228), dat eene alleen bij springtijden blootkomende rots, die in November nog als gepolijst was, in Mei daaraanvolgende—dus zes maanden later—dicht bedekt was met 2 voet langeFucus digitatus, en 6 voet langeFucus esculentus.20Voor Vuurland zijn de resultaten afgeleid uit de waarnemingen van Kapitein King (Geographical Journal, 1830), en die welke aan boord van deBeaglegenomen zijn. Voor de Falklands-Eilanden heb ik de gemiddelde temperatuur der drie heetste maanden December, Januari en Februari (afgeleid uit nauwkeurige waarnemingen te middernacht, 8 ure des morgens, op den middag, en te 8 ure des avonds) aan Kapitein Sulivan te danken. De temperatuur van Dublin is aan Barton ontleend.21Agüeros, “Discription historique de la Province de Chiloé” 1791, blz. 94.22Zie de Duitsche vertaling van dit Dagboek, en voor de andere feiten hetAppendix to Flinders’ Voyagevan Brown.23Ik geloof, dat de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili in verschillende zomers aanmerkelijk in hoogte verschilt. Men verzekerde mij, dat gedurende een zeer drogen en langen zomer, al de sneeuw van de Aconcagua verdween, ofschoon deze berg de kolossale hoogte van 23090 voet of 7040 Met. bereikt. Het is waarschijnlijk, dat de sneeuw op deze groote hoogten veel meer verdampt dan smelt.24MiersChile, Deel I. blz. 415. Men zegt, dat het suikerriet te Ingenio groeide op 32° tot 33° breedte, maar niet overvloedig genoeg voor winstgevende bewerking. In de Quillota-vallei, ten zuiden van Ingenio, zag ik eenige hooge dadelpalmboomen.25BulkeleyenCummins,Faithful Narrative of the Loss of the Wager. De aardbeving geschiedde op 25 Augustus 1741.26Agüeros,Descr. Hist. de Chiloé, blz. 227.27Geological Transactions, Deel VI, blz. 415.28Bijzonderheden over dit onderwerp (de eerste, naar ik meen, die openbaar gemaakt zijn) heb ik gegeven in de eerste uitgaaf van dit werk, en in het Aanhangsel daartoe. Ik heb daar bewezen, dat de schijnbare uitzonderingen op het ontbreken van zwerfblokken in sommige heete landen, aan fouten in de waarnemingen zijn toe te schrijven. Vele der door mij gegeven verklaringen heb ik later door verscheidene schrijvers bevestigd gezien.29Geographical Journal, 183, blz. 65 en 66.30Richardson,Appendix to Back’s Expedition, en Humboldt,Fragments Asiatiques, deel II, blz. 386.31De eerste neushoren (Rhinoceros tichorhinus) werd in 1770 gevonden aan de Wiljui, een zijtak van de Lena. Hij had eene lengte van 11½ voet, en was behaard. Geographisch was deze soort verspreid van Engeland tot Siberië. (Vert.)32Dease en Simpson inGeographic. Journ., deel VIII, blz. 218 en 220.33In de laatste 200 jaren zijn in Noord-Siberië doorontdooiingvan den diluvialen bodem de skeletdeelen van ongeveer 20,000 mammoethen (Elephas primigenius) voor den dag gekomen. (Vert.)34Cuvier,Ossemensfossiles, deel I, blz. 151, ontleend aanBilling’s Voyage.35In de vorige uitgaaf en het Aanhangsel heb ik eenige feiten genoemd betreffende het vervoer van zwerfblokken en ijsbergen inde Zuidelijke IJszee. Onlangs is dit onderwerp uitstekend behandeld geworden doorHayesinBoston Journal(deel IV, blz. 426). De schrijver schijnt onbekend met een door mij inGeographical Journal(deel IX, blz. 528) vermeld geval van een reusachtigen rolsteen, die in een ijsberg begraven was, welke bijna zeker honderd mijlen en misschien veel verder van land af was. In het Aanhangsel heb ik uitvoerig gesproken over het feit (waaraan destijds bijna niet gedacht werd), dat ijsbergen bij hunne stranding waarschijnlijk de rotsen groeven en polijsten, evenals gletschers. Deze meening wordt nu zeer algemeen gedeeld; en nog altijd kan ik het vermoeden niet ontveinzen, dat zij zelfs op gevallen als dat van het Jura-gebergte toepasselijk is. Dr. Richardson heeft mij verzekerd, dat de ijsbergen in de nabijheid van Noord-Amerika kiezelsteenen en zand voor zich uitdrijven, en de onderzeesche rotsachtige zandbanken geheel kaal achterlaten. Het valt bijna niet te betwijfelen, dat zulke klippen gepolijst en gegroefd moeten worden in de richting van het stelsel der heerschende stroomen. Sedert ik dit Aanhangsel schreef, heb ik in Noord-Wallis (LondonPhil. Mag.deel XXI blz. 180) de nevenwerking van gletschers en drijvende ijsbergen gezien.
Op het einde van Mei 1834 voeren wij de oostelijke monding der Straat van Magelhaen voor de tweede maal binnen. Het land aan weerszijden van dit gedeelte der Straat bestaat uit bijna effen vlakten, evenals die in Patagonië. Kaap Negro, even binnen de tweede Engte gelegen, kan beschouwd worden als het punt waar het land de duidelijke kenmerken van Vuurland begint aan te nemen. Aan de oostkust, zuidelijk van de Straat, verbindt evenzoo een parkachtig landschap deze twee in bijna alle kenmerken lijnrecht van elkaar verschillende landen. Het is werkelijk verrassend binnen eene ruimte van 20 mijlen zulke veranderingen in het landschap te vinden. Nemen wij een wat grooteren afstand, zooals tusschen Port Famine en Kaap Gregory—dat is ongeveer 60 mijlen—dan is het verschil nog verwonderlijker. Op de eerste plaats vinden wij ronde bergen, verborgen achter ondoordringbare wouden, die doorweekt zijn van de door telkens wederkeerende stormen aangebrachte regens. Bij Kaap Gregory, daarentegen, welft zich een heldere en blauwe lucht boven de droge, onvruchtbare vlakten.1Ofschoon de snelle, onstuimige luchtstroomen binnengeen waarneembare grenzen beperkt zijn, schijnen zij toch, evenals eene rivier in hare bedding, een regelmatig bepaalden loop te volgen.
Bij ons vorig bezoek (in Januari) hadden wij bij Kaap Gregory eene ontmoeting met de vermaarde en zoogenaamd reusachtige Patagoniërs, die ons eene hartelijke ontvangst bereidden. Hunne lengte schijnt grooter dan zij inderdaad is, ten gevolge van hunne groote guanaco-mantels, hun lang golvend haar, en hun voorkomen in ’t algemeen. Gemiddeld is hunne lengte omstreeks zes voet; sommige mannen zijn grooter, doch maar weinige kleiner.2Ook de vrouwen zijn lang; en over het geheel zijn zij stellig het grootste menschenras, dat wij ooit zagen. In hunne gelaatstrekken gelijken zij treffend op de noordelijker wonende Indianen, die ik bij Rosas zag; alleen hebben zij een woester en vervaarlijker voorkomen; hunne aangezichten waren dik met rood en zwart beschilderd, en één man had witte kringen en vlekken, evenals een Vuurlander. Kapitein Fitz-Roy bood aan om drie hunner aan boord te nemen, en allen schenen gezind om tot dit drietal te behooren. Lang duurde het eer wij de anderen uit de boot hadden; maar eindelijk kwamen wij met onze drie reuzen aan boord, die met den kapitein aten en zich alsgentlemengedroegen, daar zij zich van lepel, mes en vork wisten te bedienen. Niets smaakte hun zoo goed als suiker. Deze stam komt zoo dikwijls met robbenjagers en walvischvaarders in aanraking, dat de meeste mannen wat Engelsch en Spaansch kunnen spreken. Zoodoende zijn zij half beschaafd, en gedeeltelijk van hunne zeden vervreemd.
Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo’s, mannen, vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan; want de “Oude Maria,” eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten 750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven, terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In den tijd van Sarmiento3hadden deze Indianen bogen en pijlen, welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet; en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden in het wild.4Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.
1 Juni.Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven heet.5Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven, waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal, waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was, en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op te merken hoe de berg in hoogte steeg.
Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen, dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het tedicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen, sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.
Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen, hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden, met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg, en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.
Toen deBeaglehier in de maand Februari was, ging ik op zekeren morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik allehoop den top te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren, als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug, die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.
Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie boomsoorten groeien.6Bovende woudstreek zijn vele dwergachtige Alpenplanten,7welke alle uit den veenbodem ontspruiten en dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland, waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier eenDrymis Winterivan vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk, die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.
Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker mij, dat onlangs op eene derdesoort beukeboomen in Van-Diemensland eene derde soort ontdekt is geworden.8Hoe zonderling is deze verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen—voornamelijk van den dwergachtigenArbutus—eten de inboorlingen buiten dezen paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden, vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.
Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den tucutuco verwante of daarmede gelijkstaandeCtenomys; twee vossen (Canis MagellanicusenCanis Azarae); een zeeotter; het guanaco en een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als detucutucoenreithrodonden overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen, die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die mengelaagd alluviumzou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin geheeten, komen vossen en guanaco’s voor, maar op het andere eiland, Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt, en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte er van gescheiden is.
De donkere bosschen worden door enkele vogels bewoond. Nu en dan hoort men den klaagtoon van een wit-gekuifden Tyran (Myiobius albiceps),9die zich in de toppen der hoogste boomen verbergt; en zeldzamer nog den luiden, zonderlingen kreet van een zwarten specht met fraaien scharlaken kam op het hoofd. Een klein donkerkleurig winterkoninkje (Scytalopus Magellanicus) huppelt met loerenden gang door den bajert van omgevallen en rottende stammen. Maar de meest voorkomende vogel in het land is de boomlooper (Oxyurus tupinieri). Overal in de beukenwouden, hoog in ’t gebergte en dicht bij den voet, in de donkerste, vochtigste en ongenaakbaarste ravijnen kan men hem ontmoeten. Deze kleine vogel schijnt ongetwijfeld talrijker dan werkelijk het geval is; men moet dit toeschrijven aan zijne gewoonte om uit blijkbare nieuwsgierigheid den vreemdeling te volgen, die deze stille bosschen betreedt; onder een voortdurend wanluidend getjilp fladderthij van den eenen boom naar den anderen, slechts enkele voeten van het gezicht des indringers. Hij zoekt allerminst die bescheiden afzondering van den waren boomlooper (Certhia familiaris). Ook loopt hij niet, zooals deze vogel, tegen de stammen der boomen op, maar huppelt op de manier van een wilgensijsje rond, en zoekt op elken tak of twijg insecten. In de meer open streken komen voor: drie of vier soorten vinken; een lijster; eene spreeuw (ofIcterus); tweeOpetiorhynchi, benevens verscheidene havikken en uilen.
Het ontbreken van alle soorten, die tot de klasse der Kruipende Dieren behooren, is een kenmerkend verschijnsel in de Fauna van dit land, evenals in die der Falklands-Eilanden. Ik grond dit getuigenis niet uitsluitend op eigen waarneming, doch vernam het van de Spaansche bewoners der laatstgenoemde eilanden, en van Jemmy Button, voor zoover Vuurland betrof. Aan de oevers der Santa Cruz op 50° Z.B. zag ik een kikvorsch, en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dieren, alsook hagedissen, zuidelijk tot de breedte der Straat van Magelhaen gevonden worden, waar het land het karakter van Patagonië behoudt; maar binnen de vochtige en koude zone van Vuurland komt geen enkele voor. Dat het klimaat niet geschikt zou zijn voor enkele Orden, zooals de hagedissen, was wel te voorzien; maar wat de kikvorschen betrof, was dit niet zoo duidelijk.
Kevers (Coleoptera) vindt men in zeer klein aantal; en lang duurde het eer ik kon gelooven, dat een land bijna zoo groot als Schotland,10bedekt met plantvoortbrengsels en in het bezit van afwisselende verblijfplaatsen, zoo onvruchtbaar kon zijn. De enkelen, die ik vond, waren Alpen-soorten (HarpalidaeenHeteromidae), welke onder steenen leven. De plantenetendeChrysomelidae, waardoor de keerkringen zich zoo bijzonder kenmerken, ontbreken hier bijna geheel.11Ik zag zeer weinig vliegen, kapellen of bijen,en geen krekels (Gryllidae) ofOrthoptera. In de waterpoelen vond ik slechts enkele waterkevers en geen zoetwaterschelpdieren: want hoewelSuccineaop het eerste gezicht eene uitzondering schijnt te maken, moet het hier een landschelpdier zijn, daar het ver van het water in het vochtige gras leeft. Landschelpdieren konden alleen op dezelfde hooggelegen plaatsen worden gevonden, als waar de kevers zijn. Reeds heb ik op de tegenstelling tusschen Vuurland en Patagonië gewezen, zoowel wat klimaat als algemeen voorkomen betreft; en een sprekend voorbeeld van dit verschil levert de insectenkunde. Ik geloof niet dat zij ééne soort gemeen hebben; en het algemeen kenmerk der insecten is zeker geheel verschillend.
Gaande van het land naar de zee, zullen wij de laatste even dicht met levende wezens bevolkt vinden, als het eerste arm daaraan is. In alle deelen der wereld herbergt een rotsachtig en gedeeltelijk beschut strand binnen eene gegevene ruimte wellicht een grooter aantal wezens, dan elke andere verblijfplaats. Er bestaat een zeeproduct, dat om zijne belangrijkheid eene bijzondere bespreking verdient. Het is dekelpofMacrocystis pyrifera. Deze plant groeit op elke rots vanaf het laagwatermerk tot op eene groote diepte, zoowel aan de buitenkust als binnen de kanalen.17Ik geloof, dat er op de reizen van deAdventureen deBeaglegeen enkele rots bij het oppervlak der zee werd ontdekt, die niet door dit drijvend wier bespoeld werd. Dat het zoodoende goede diensten bewijst aan schepen, die dicht voorbij dit stormachtige land varen, is duidelijk; en stellig heeft het menig vaartuig van schipbreuk gered. Ik ken weinig verschijnselen, meer verrassend dan het zien groeien en bloeien van deze plant tusschen de groote brekers van den Atlantischen Oceaan, waaraan geen enkele rots, hoe hard ook, lang weerstand kan bieden. De stengel is rond, klevig en zacht, en bereikt zelden een inch in doorsnede. Enkele te zamen genomen zijn sterk genoeg om het gewicht der groote losse steenen te dragen, waaraan zij in de binnenlandsche kanalen vastgroeien; toch waren sommige steenen zoo zwaar, dat, als zij naar de oppervlakte werden getrokken, één man hen met moeite in een boot kon tillen. Kapitein Cook zegt in zijne tweede Reis, dat deze plant bij de Kerguélen-Eilanden uit eene diepte van meer dan 24fathomsomhoog groeit; “en daar die groei niet in verticale richting, maar onder een zeer scherpen hoek met den bodem geschiedt, en een groot deel zich later velefathomsver over het oppervlak der zee uitstrekt, heb ik wel het recht te zeggen, dat sommige eene lengte van 60fathomsen meer bereiken.” Ik geloof niet, dat er een tweede plant is, wier stengel, zooals kapitein Cook verklaart, de verbazende lengte bereikt van 360 voet. Bovendien vond kapiteinFitz-Roy, dat zij zelfs uit nog grootere diepten, namelijk 45fathoms, naar de oppervlakte groeit.19Deze zeewier-velden vormen, zelfs wanneer hunne breedte niet groot is, uitstekende en natuurlijke drijvende golfbrekers. Merkwaardig is het te zien, hoe spoedig de golven uit volle zee, die door de verspreide stengels eene opene haven binnenrollen, in hoogte dalen en overgaan in effen water.
Het getal levende wezens van alle Orden, wier bestaan ten nauwste van de kelp afhangt, is verwonderlijk groot. Men zou een lijvig boek kunnen schrijven alléén over de bewoners van een dezer zeewier-velden. Bijna alle bladeren uitgenomen die welke aan de oppervlakte drijven, zijn zoo dik met koraaldieren bedekt, dat zij eene witte kleur hebben. Wij vinden keurig fijne structuur-vormen: sommige bewoond door enkelvoudige hydroidpolypen, andere door meer bewerktuigde soorten, en prachtige samengestelde zeescheeden (Ascidiae compositae). Op de bladeren zijn ook verschillendePatellidae,Trochidae, naakte weekdieren, en eenige tweeschalige schelpdieren vastgehecht. Tallooze schaaldieren bewonen elk deel van de plant. Schudt men de groote dooreengevlochten wortels, dan valt daaruit een menigte kleine visschen, schelpdieren, inktvisschen, kreeften van alle orden, zeeëgels, zeesterren, prachtigeHolothuriae,Planariae, en kruipendeNereïdaein tal van vormen. Dikwijls keerde ik naar een kelptak terug, en ontdekte dan altijd dieren van onbekende en merkwaardige structuur. Op Chiloë, waar de kelp niet bijzonder gedijt, ontbreken de talrijke schelp-, koraal- en schaaldieren; toch blijven nog enkeleFlustraceaeen eenige samengesteldeAscidiaeover, waarvan de laatsten echter totandere soorten behooren dan die in Vuurland. Het zeewier heeft hier dus eene grootere verspreiding dan de dieren, welke het als woonplaats bezigen. Ik kan deze groote waterwouden van het zuidelijk halfrond alleen vergelijken bij de landwouden in de tusschenkeerkringsstreken; maar, zoo te land ergens een woud verwoest werd, geloof ik niet, dat er zooveel soorten dieren zouden omkomen, als hier door het verwoesten van de kelp het geval zou zijn. Tusschen de bladeren dezer plant leven talrijke soorten visschen, die nergens anders voedsel of beschutting konden vinden. Met hunne uitroeiing, zouden ook de vele zeeraven en andere vischetende vogels, de otters, robben en bruinvisschen spoedig verdwijnen. Eindelijk zou de Vuurlandsche wilde, de ellendige heer van dit ellendige land, zijne kannibaalsche feesten verdubbelen, in aantal verminderen, en mogelijk ophouden te bestaan.
8 Juni.Vroeg in den morgen lichtten wij het anker en verlieten Port Famine. Kapitein Fitz-Roy besloot de Straat van Magelhaen door het Magdalena-kanaal te verlaten, dat niet lang te voren ontdekt was. Onze koers was vlak zuidwaarts, door het sombere kanaal waarop ik boven zinspeelde, toen ik zeide, dat het naar eene andere en boozere wereld scheen te voeren. Er woei een gunstige wind, maar de lucht was zeer nevelig, zoodat wij vele zeldzame berggezichten misten. De donkere, gescheurde wolken werden snel over de bergen gedreven, van af hunne toppen tot bijna aan den voet. De vluchtige kijkjes, die wij door de schemerige massa namen, waren zeer belangwekkend: getande spitsen, besneeuwde kruinen, blauwe gletschers, scherpe omlijningen die zich op den bleeken hemel afteekenden, lieten zich op verschillende afstanden en hoogten zien. Te midden van zulke tafereelen ankerden wij bij Kaap Turn, dicht bij den berg Sarmiento, die zich toen in de wolken verschool. Aan den voet der hooge en bijna loodrechte oevers van onze kleine kreek stond een verlaten wigwam, die er aan herinnerde dat de mensch nu en dan door deze eenzame streken zwierf. Moeilijk zou men zich een oordkunnen denken, waar hij minder eischen of minder macht scheen te hebben. De onbezielde werken der natuur: gesteente, ijs en sneeuw, en wind en water—alle met elkander, maar vereenigd tegen den mensch in strijd—regeerden hier in onbeperkte heerschappij.
9 Juni.Tot onze blijdschap zagen wij des morgens den mistsluier van den Sarmiento optrekken, en hem aan ons oog vertoonen. Deze berg, die een der hoogste in Vuurland is, heeft eene hoogte van 6800 voet. Zijn ondereinde is tot ongeveer een achtste der totale hoogte met donkere bosschen bedekt, en daarboven reikt een sneeuwdek tot aan den top. Deze uitgestrekte sneeuwmassa’s, die nooit smelten en bestemd schijnen om even lang te duren als de wereld zelve, boden een prachtvol en zelfs verheven schouwspel. De omtrek van den berg was bijzonder helder en scherp. Door de groote hoeveelheid licht, die op de witte en glinsterende oppervlakte weerkaatste, vielen geen schaduwen aan den kant waar ik stond; men onderscheidde slechts de randlijnen die de lucht sneden; en zoo stond de kolossus in zijne volle gedaante voor ons. Verscheidene gletschers daalden slingerend van de hooge, wijde sneeuwvlakten naar de zeekust; men kon hen met bevroren Niagara-stroomen vergelijken; en misschien zijn deze blauwe ijsversnellingen ruim zoo schoon als vloeibare watervallen. Des nachts bereikten wij het westeinde van het kanaal; maar het water was hier zoo diep, dat wij geen ankerplek konden vinden. Wij waren dus genoodzaakt om in een stikdonkeren nacht uren lang door dezen smallen zeearm op en neer te varen.
10 Juni.Des morgens stevenden wij zoo spoedig mogelijk naar den open Stillen Oceaan. De westkust bestaat in ’t algemeen uit lage, afgeronde, geheel naakte bergen van graniet en groensteen (diabase of dioriet). Sir John Narborough noemde een gedeelteSouth Desolation, omdat het land er zoo naargeestig uitzag; en dit zeggende had hij gelijk. Buiten de hoofdeilanden liggen tallooze verspreide rotsen, waarop de breede golfslag van den StillenOceaan onafgebroken beukt. Wij gingen tusschen de Oostelijke en Westelijke Furies naar buiten; iets verder noordwaarts rollen zooveel brekers, dat de zee hierde Melkweggenoemd wordt. Een blik op zulk eene kust is voldoende om een landrot eene week lang van schipbreuken, gevaren en dood te doen droomen; en met dit woeste, huiveringwekkende schouwspel voor oogen zeiden wij Vuurland voor altijd vaarwel.
De volgende beschouwing over het klimaat der zuidelijke deelen van het vasteland in verband met hunne voortbrengselen: over de sneeuwgrens, de buitengewoon lage daling der gletschers, en over de streek van eeuwige vorst op de eilanden in het Zuidpool-gebied, kan door lezers, die in deze merkwaardige onderwerpen geen belang stellen, worden overgeslagen, of zij kunnen alleen de korte herhaling er van aan het einde lezen. Ik zal hier echter slechts een uittreksel geven, en moet voor bijzonderheden naar het Dertiende Hoofdstuk en het Aanhangsel der vorige uitgaaf van dit werk verwijzen.
Over het klimaat en de Voortbrengselen van Vuurland en van de Zuidwest-kust.De volgende tabel geeft aan de gemiddelde temperatuur van Vuurland, de Falklands-Eilanden, en die van Dublin ter vergelijking:
Breedte.Zomer-Temperat.Winter-Temperat.Gemid. Zomer- en Winter-Temperat.Vuurland53°38′ Z50°33°0841°54Falklands-Eil.51°30′ Z51°——Dublin53°21′ N59°5439°249°37
Wij zien hieruit, dat het middengedeelte van Vuurland des winters omstreeks 6° kouder, en des zomers niet minder dan 9½° minder warm is dan Dublin. Volgens Leopold von Buch (1774–1853) is de gemiddelde temperatuur van Juli (niet de heetste maand in het jaar) te Saltenfjord in Noorwegen 57°8, en toch ligt deze plaats 13° dichter bij de pool dan PortFamine.20Hoe ongastvrij dit klimaat ook zij voor ons gevoel, er is overvloed van altijd groenende boomen, die welig bloeien. Op 55° Z.B. kan men kolibries aan de bloemen zien zuigen, en eten papegaaien de zaden van denDrymis Winteri. Reeds heb ik gewezen op den rijkdom der zee aan levensvormen; en volgens G. B. Sowerby zijn deConchyliënof schelpdieren (zooals dePatellidae,Fissurelidae,ChitonidaeenLepadidaeveel grooter en veel sterker gebouwd dan de overeenkomstige species in het noordelijk halfrond. Eene grooteVoluta(rolslak) komt veel voor in Zuid-Vuurland en op de Falklands-Eilanden. Te Bahia Blanca, op 39° Z. B., waren de meest voorkomende schelpdieren: drie species vanOliva(eene van aanzienlijke grootte), eene of tweeVoluta’s, en eeneTerebra(boorschelp). Dezen, nu, behooren tot de best kenmerkende tropische vormen. Het is te betwijfelen of er aan de zuidkusten van Europa zelfs eene kleineOliva-species bestaat, en van de twee andere geslachten zijn er geen soorten. Indien een geoloog op 39° breedte aan de kust van Portugal eene laag ontdekte, waarin talrijke schelpdieren van drieOliva-species, eeneVolutaen eeneTerebra, zou hij waarschijnlijk zeggen, dat het klimaat in den tijd waarin zij leefden, tropisch moet geweest zijn; doch naar Zuid-Amerika te oordeelen, zou zulk eene gevolgtrekking verkeerd zijn.
Het gelijkvormige, vochtige en winderige klimaat van Vuurland strekt zich, met slechts eene geringe toename in warmte, vele graden ver langs de westkust van het vasteland uit. Tot 600 mijlen ten noorden van Kaap Hoorn hebbende wouden een zeer evenaardig aanzien. Als een bewijs van het gelijkvormige klimaat zelfs nog tot 300 of 400 mijlen noordelijker, kan dienen, dat op Chiloë (in breedte met de noordelijke gedeelten van Spanje overeenkomende) de perzik zelden vruchten voortbrengt, terwijl aardbeziën en appelen er volkomen gedijen. Zelfs worden de gerste- en tarwearen dikwerf naar huis gebracht, om te drogen en te doen rijpen.21Te Valdivia (op gelijke breedte als Madrid) komen druiven en vijgen tot rijpheid, doch worden niet overal gevonden; olijven rijpen zelden, zelfs niet gedeeltelijk, en oranjeappelen in het geheel niet. Zooals men weet, gedijen deze vruchten voortreffelijk op overeenkomstige breedten in Europa. Maar zelfs in Zuid-Amerika worden, aan de Rio Negro, onder nagenoeg dezelfde parallel als Valdivia, bataten (Convolvulus batatus) gekweekt, terwijl druiven, vijgen, oranjeappelen, watermeloenen en cantaloepen (knobbel-ofwratmeloenen) welig vruchten voortbrengen. Ofschoon het vochtige en gelijkvormige klimaat van Chiloë en van de kust noordelijk en zuidelijk hiervan, voor onze vruchten zoo ongunstig is, wedijveren de wouden aldaar, van 38° tot 45°, in hun kwistigen plantengroei bijna met die der tusschenkeerkringslanden. Statige, veelsoortige boomen met gladde en levendig gekleurde schorsen, zijn beladen met eenlobbige woekerplanten; groote en sierlijke varens tieren er in overvloed, en boomgrassen omwinden de stammen ter hoogte van 30 of 40 voet boven den grond, tot eene dooreengegroeide massa. Palmboomen groeien op 37° breedte; een boomgras, dat veel op bamboes gelijkt, op 40°; en eene andere naverwante soort, die zeer lang maar niet rechtstandig is, bloeit zelfs nog op 45° Z. B.
Over het grootste deel van het zuidelijk halfrond schijnt een gelijkvormig klimaat te heerschen, wat blijkbaar is toe te schrijven aan de groote oppervlakte der zee, vergeleken met het land. Dientengevolge draagt de plantenwereld eenhalf tropisch karakter. Boomvarens groeien welig op Van-Diemensland (45° B.), en ik mat een stam van niet minder dan zes voet in omtrek. Foster vond op 46° een boomvaren op Nieuw-Zeeland, waar orchideeën-planten op de boomen woekeren. Op de Aucklands-Eilanden zijn, volgens Dr. Dieffenbach,22varens met zulke dikke en hooge stammen, dat zij bijna boomvarens mogen heeten; en hier, ja zuidelijker nog tot 55° breedte op de Macquarie-Eilanden, leven talrijke papegaaien.
Over de Hoogte der Sneeuwgrens, en de Daling der Gletschers in Zuid-Amerika.Voor bijzonderheden in de bronnen, waaruit de volgende tabel ontleend is, moet ik naar de vorige uitgaaf verwijzen.
BreedteHoogte (in voeten) van de sneeuwgrensWaarnemer.Aequatoriaal-zone; gemid. result.15.748Humboldt.Bolivia, van 16° tot 18° Z.B.17.000Pentland.Midden-Chili, 33° Z.B.14.500 tot 15.000Gillies en de Schrijver.Chiloë, van 41° tot 43° Z.B.6.000Officieren v. d. Beagle en de Schrijver.Vuurland, 54° Z.B.3.500 tot 4.000King.
Daar de hoogte-grens der eeuwige sneeuw in hoofdzaak meer door de grootste zomerhitte, dan door de gemiddelde jaarlijksche temperatuur schijnt bepaald te worden, behoeft het ons niet te verwonderen, dat die grens in de Straat van Magelhaen, waar de zomer zoo koel is, tot 3500 of 4000 voet boven den zeespiegel daalt, ofschoon wij die lage grens van eeuwige sneeuw in Noorwegen eerst op 67° tot 70°—dat is ongeveer 14° dichter bij de pool—ontmoeten. Het hoogteverschil van circa 9000 voet tusschen de sneeuwgrens op de Cordilleras achter Chiloë (waar de hoogste punten van slechts 5600 tot 7500 voet afwisselen) en in Midden-Chili,een afstand van slechts 9 breedte-graden, is inderdaad verwonderlijk.23Ongeveer van af Concepcion (37° Z.B.) tot zuidwaarts van Chiloë verbergt het land zich achter een dicht, onafgebroken woud, dat doorweekt is van vocht. De lucht is bewolkt, en wij hebben gezien hoe slecht de Zuideuropeesche vruchten er gedijen. In Midden-Chili, daarentegen, iets benoorden Concepcion, is de lucht meestal helder; gedurende de zeven zomermaanden valt er geen regen, en de Zuideuropeesche vruchten groeien uitstekend. Zelfs is er suikerriet geweekt.24Zonder twijfel ondergaat de grens van eeuwige sneeuw de bovengenoemde merkwaardige buiging van 9000 voet—welke zonder weerga is in andere deelen der wereld—niet ver van de breedte van Concepcion, waar het land niet langer met woudboomen bedekt is; want in Zuid-Amerika wijzen boomen op een regenachtig klimaat, en is regen het zinnebeeld van een bewolkten hemel en weinig warmte in den zomer.
Zooals ik wel begrijp, moet de daling der gletschers naar zee, behalve natuurlijk van een voldoenden voorraad sneeuw in het hooggebergte, hoofdzakelijk afhangen van de meer of minder lage grens van eeuwige sneeuw op steile bergen bij de kust. Daar in Vuurland de sneeuwgrens zoo laag ligt, mochten wij terecht verwachten, dat vele gletschers de zee bereikt hadden. Toch stond ik verbaasd, toen ik op de breedte van Cumberland allereerst eene bergreeks zag van slechts 3000 tot 4000 voet hoogte, waarvan elke vallei totaan de zeekust met ijsstroomen gevuld was. Bijna elke zeearm, die tot de hoogere binnenketen doordringt—niet slechts in Vuurland, maar 650 mijlen ver noordwaarts aan de kust—eindigt in “geweldige en verbazingwekkende gletschers,” volgens de beschrijving van een der officieren van de expeditie. Groote ijsbrokken vallen gestadig van deze ijsklippen in zee, en het gekraak davert, als de geschutdonder van een oorlogsschip dat de volle laag geeft, door de eenzame kanalen. Gelijk in het vorige hoofdstuk is opgemerkt, veroorzaken deze ijsstortingen hooge golven, die op de naburige kusten breken. Het is bekend, dat aardbevingen dikwijls oorzaak zijn van het afbreken van groote stukken aarde van de zeekust; hoe verschrikkelijk moet dan de uitwerking zijn van een hevigen schok (en die komen hier voor)25op zulk een gevaarte als een gletscher, die reeds in beweging en doorploegd is van spleten! Ik kan dan ook licht begrijpen, dat het water in zulke gevallen uit het diepste kanaal wordt weggeslagen, daarna met onweerstaanbare kracht terugkeert, en reusachtige rotsblokken als stroohalmen in het rond draait. In Eyre’s Sound, op de breedte van Parijs, zijn ontzaglijke gletschers, en toch meet de hoogste berg in den omtrek slechts 6200 voet. In deze zeeëngte zag men op zekeren tijd omtrent 50 ijsbergen naar buiten drijven, en een daarvan moet minstens 168 voet hoog zijn geweest. Sommige ijsbergen waren beladen met brokken graniet en andere van het leemschiefer der omringende bergen verschillende gesteenten, van niet onaanzienlijke grootte. De verst van de pool gelegen gletscher, die op de tochten van deAdventureen deBeagleopgemeten werd, bevindt zich op 46°50′ Z.B. in de Golf van Penas. Hij is 15 mijlen lang, heeft opéénpunt eene breedte van 7 mijlen, en daalt tot aan de zeekust. Maar zelfs enkele mijlen benoorden dezen gletscher ontmoetten eenige Spaansche zendelingen26in de Laguna de San Rafael “vele ijsbergen, waaronder groote, kleine en andere van middelbare grootte.” Zij werden gezien in een smallen zeearm, op den 22sten December (die met onze maand Juni overeenstemt), en op eene breedte gelijkstaande met die van het Meer vanGenève!
In Europa is de zuidelijkste gletscher die de zee bereikt, volgens Leopold von Buch, op 67° breedte op de Noorweegsche kust gevonden. Dit is dus meer dan 20 graden of 1230 mijlen dichter bij de pool dan de Laguna de San Rafael. Het voorkomen der gletschers op deze plek en in de Golf van Penas is des te merkwaardiger, omdat het punt waar zij de zee bereiken, 7°30′ of 450 mijlen verwijderd is van eene haven, waar drie soorten vanOliva, eeneVolutaen eeneTerebrade meest voorkomende schelpdieren zijn; 9 graden van een gebied, waar palmen groeien; 4°30′ van eene streek, waar jaguar en puma over de vlakte zwerven; nog geen 2°30′ van de boomgrassen; bovendien in westelijke richting minder dan 2 lengtegraden van woekerende orchideeën, en nog geen graad van de boomvarens!
Deze feiten zijn van zeer groot geologisch belang voor de studie van het klimaat van het noordelijk halfrond in den tijd der zoogenaamde erratische of zwerfblokken. Ik zal hier niet uiteenzetten hoe eenvoudig de theorie der ijsbergen, welke met rotsklompen beladen zijn, den oorsprong en ligging der geweldige rolsteenen verklaart in Oost-Vuurland, op de hoogvlakte van Santa Cruz, en op het eiland Chiloë. In Vuurland liggen de meeste rolsteenen aan de strandlijnen van oude zeestraten, die nu door landrijzing in droge dalen zijn veranderd. De hun bijgemengde grondstof is eene groote, ongelaagde formatie van modder en zand, welke ontstaan is door herhaalde omploeging van den zeebodem, ten gevolge van het stranden van ijsbergen met hun last van steenen.27Thans zijn er weinige geologen, die twijfelen aan het feit, dat zwerfblokken welke in de nabijheid van hooge bergenliggen, door de gletschers zelven zijn voortgestuwd; en dat die, welke ver van bergen en in lagen onder water bedolven liggen, òf op ijsbergen, òf in kustijs vastgevroren, daarheen zijn gebracht. Het verband tusschen het vervoer van rolsteenen en de aanwezigheid van ijs in den een of anderen vorm, blijkt opvallend uit hunne geographische verspreiding over de aarde. In Zuid-Amerika vindt men hen niet lager dan 48°, van de zuidpool af gerekend (zuidpools-afstand); in Noord-Amerika schijnt de grens van hun vervoer zich tot 53°30′ van de noordpool uit te strekken; in Europa echter niet verder dan 40°, van hetzelfde punt af gerekend. Daarentegen zijn zij niet waargenomen in de tusschenkeerkringsstreken van Amerika, Azië en Afrika; evenmin aan de Kaap de Goede Hoop, noch in Australië.28
Over het Klimaat en de Voortbrengselen der Eilanden in het Zuidpoolgebied.De krachtige plantengroei in Vuurland en op de kust ten noorden daarvan in aanmerking genomen, is de gesteldheid op de eilandentenzuiden en zuidwesten van Amerika inderdaad verrassend. Cook vond, dat Sandwich-Land, op eene zuiderbreedte die met het noordelijk deel van Schotland overeenkomt, in de heetste maanden van het jaar “vele vademen diep met eeuwigdurende sneeuw bedekt was.” Planten schijnen er bijna niet te zijn. Zuid-Georgië, een eiland met eene oppervlakte van 2590 □ Kilom., en op de breedte van Yorkshire gelegen, is “midden in den zomer als het ware geheel met bevroren sneeuw bedekt.” Het kan zich slechts beroemen op mos, eenige bosjes gras en wilde pimpernel (Pimpinella saxifraga). Bovendien heeft hetmaar één landvogel (Anthus correndera), terwijl IJsland, dat 10° dichter bij de pool ligt, volgens Mackenzie nog 15 landvogels bezit. De Zuid-Shetlands-Eilanden, op dezelfde breedte als de zuidelijke helft van Noorwegen, bezit slechts eenige korstmossen (Lichen), mos en wat gras. Luitenant Kendall29vond, dat de baai, waarin hij voor anker lag, begon te bevriezen op een tijdstip, dat op ons halfrond met 8 September overeenkomt. De bodem bestaat hier uit afwisselende lagen ijs en vulkanische asch, en moet op geringe diepte onder de oppervlakte voortdurend bevroren zijn. Luitenant Kendall vond namelijk het lichaam van een lang te voren begraven zeeman, wiens vleesch en trekken nog geheel gaaf waren gebleven. Het is een zonderling feit, dat de lage breedte, waartoe in de twee groote vastelanden van het noordelijk halfrond (maar niet in het tusschenliggende gebroken land van Europa) de zone van den altijd bevroren ondergrond zich uitstrekt, nl. 56° in Noord-Amerika ter diepte van 3 voet,30en 62° in Siberië ter diepte van 12 tot 15 voet—het gevolg is van een geheel tegenovergestelden staat van zaken, vergeleken met dien in het zuidelijk halfrond. In de noordelijke vastelanden wordt de winterkoude buitengewoon verscherpt door de uitstraling eener groote landoppervlakte in eene heldere lucht, en niet getemperd door warmte-brengende zeestroomen; aan den anderen kant is de zomer kort en heet. In den zuidelijken Atlantischen Oceaan is de winter niet zoo buitengewoon koud, maar de zomer veel minder heet, doordien de bewolkte lucht zelden toelaat, dat de zon den oceaan verwarmt, die daarbij een slecht warmtegeleider is; vandaar de lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur, die de grens van een altijddurend bevroren ondergrond bepaalt. Het is duidelijk, dat een krachtige plantengroei, welke niet zoozeer warmte als welbescherming tegen hevige koude vereischt, dichter tot deze zone van altijddurende bodemvorst zou naderen onder het gelijkmatige klimaat van het zuidelijk halfrond, dan onder het zeer strenge der noordelijke vastelanden.
Het feit, dat het lijk van een zeeman volkomen bewaard is gebleven in den ijzigen bodem der Zuid-Shetlands-Eilanden (62° tot 63° Z.B.), op iets lagere breedte dan waarop Pallas in Siberië het bevroren lichaam van een neushoorn ontdekte (64°), is zeer belangwekkend. Ofschoon het eene dwaling is—zooals ik in een vroeger hoofdstuk heb pogen aan te toonen—te onderstellen, dat de grootere viervoeters een weelderigen plantengroei voor hun onderhoud behoeven, is toch het vinden op de Zuid-Shetlands-Eilanden van een bevroren ondergrond op nog geen 360 mijlen van de met bosschen bedekte eilanden nabij Kaap Hoorn—waar, voor zoover dehoeveelheidplantengroei betreft, zeer vele groote viervoeters zouden kunnen bestaan—voor de wetenschap van gewicht. De volkomen bewaring van de lijken der Siberische olifanten en neushorens31is stellig een der wonderlijkste feiten in de geologie; maar afgezien van de bewering, dat het aangrenzende land hen moeilijk van voedsel kon voorzien, geloof ik, dat de geheele zaak niet zoo ingewikkeld is als men gemeenlijk denkt. Evenals de Pampas, schijnen ook de vlakten van Siberië onder de zee gevormd te zijn, waarin rivieren talrijke lijken van dieren uitstortten. Van de meeste dezer lijken zijn alleen de geraamten bewaard gebleven, maar van anderen het geheele lichaam. Nu is bekend, dat de bodem in de ondiepe zee aan de noordkust van Amerika bevriest,32en in de lente niet zoo spoedig ontdooit als de oppervlakte van het land; bovendien kan op grootere diepten, waar de zeebodemniet bevriest, de modder enkele voeten onder de bovenlaag zelfs in den zomer onder 32° F. blijven, gelijk ook aan land met den grond op enkele voeten diepte het geval is. Op nog grootere diepten zou de temperatuur van modder en water waarschijnlijk niet laag genoeg zijn om het vleesch te bewaren, en zouden dus van lijken, die buiten de ondiepe gedeelten in de nabijheid eener poolkust naar zee drijven, alleen de geraamten bewaard blijven. Nu zijn de beenderen in het hooge noorden van Siberië buitengewoon talrijk,33zoodat zelfs eilandjes, naar men beweert, er bijna geheel uit bestaan;34en deze eilandjes liggen niet minder dan 10 breedtegraden noordelijk van de plek waar Pallas den bevroren neushoren vond. Aan den anderen kant zou een lijk, dat door een vloed naar eene ondiepte der Poolzee gespoeld werd, voor een onbepaalden tijd bewaard blijven, indien het spoedig daarna dik genoeg met modder bedekt was, om het doordringen der warmte van het zomerwater te beletten, en die deklaag ook dik genoeg was om, als de zeebodem door rijzing in land werd veranderd, te verhinderen dat de zomerlucht en zon haar ontdooiden en tot bederf deden overgaan.
Recapitulatie.Ik zal in ’t kort de hoofdfeiten herhalen, die op het klimaat, de ijswerking en organische voortbrengselen van het zuidelijk halfrond betrekking hebben, maar in gedachten het gebied van onderzoek naar Europa verplaatsen, waarmee wij zooveel beter bekend zijn. Zoo zouden dan bij Lissabon de meest voorkomende schelpdieren, nl. drie soortenOliva, eeneVolutaen eeneTerebra, een tropisch karakter bezitten. In de zuidelijke provinciën van Frankrijk zouden prachtige wouden, dicht begroeid met boomgrassen en met woekerplanten op deboomen, het land voor het oog verbergen. Puma en jaguar zouden in dePyreneeënzwerven. Op de breedte van den Mont-Blanc, en wel op een eiland ergens in ’t westen van Europa, zouden boomvarens en woekerende orchideeën welig in de dichte bosschen groeien. Zelfs zoover noordelijk als Midden-Denemarken zou men kolibries om de fijne bloemen zien fladderen en papegaaien voedsel zien zoeken in de altijd groene bosschen. Op deze breedte zou de zee ons eeneVolutate zien geven, en krachtig ontwikkelde schelpdieren, alle van aanzienlijke grootte. Maar op eenige eilanden, slechts 360 mijlen van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken verwijderd, zou een lijk, dat in den grond begraven of naar eene ondiepe zee gedreven en met modder bedekt was, in altijddurend bevroren staat bewaard blijven.
Indien een koen zeevaarder noordwaarts van deze eilanden poogde door te dringen, zou hij duizendmaal gevaar loopen tusschen reusachtige ijsbergen verzeild te geraken, waarvan hij sommige met groote rotsblokken beladen zou zien, die zij ver van hunne oorspronkelijke ligplaatsen voeren. Een ander groot eiland op de breedte van Zuid-Schotland, maar tweemaal zoo ver naar het westen, zou “bijna geheel met eenige sneeuw bedekt zijn,” en al zijne baaien zouden eindigen in ijsklippen, waarvan jaarlijks groote brokken werden afgeslagen. Dit eiland zou alleen wat mos, gras en wilde pimpernel bezitten, en een veld- of boschleeuwerik zou de eenige landbewoner zijn. Van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken zou een bergketen, nog niet half zoo hoog als de Alpen, in eene rechte lijn zuidwaarts loopen; en aan de westzijde zou elke diepe zee-inham of fjord in steile en indrukwekkende gletschers eindigen. Deze eenzame waters zouden bij herhaling van het nederploffende ijs weergalmen, en telkens zouden hooge golven langs hunne kusten rollen. Talrijke ijsbergen, enkele zoo groot als domkerken en soms met “niet onbeduidende rotsblokken” beladen, zouden op de buiten gelegen eilandjes stranden, en hevige aardbevingen nu en dan geweldige ijsmassa’s in het water daaronder doen storten. Eindelijk zouden eenige zendelingen bij hunne pogingom een langen zeearm door te varen, talrijke groote ijsstroomen van de niet hooge naburige bergen naar de zeekust zien dalen, terwijl hun boottocht door de tallooze groote en kleine drijvende ijsbergen zou worden belemmerd; en dit zou geschied zijn op onzen 22sten Juni op eene breedte waar thans het Meer vanGenèveligt!35
1De zuidwestelijke briezen zijn, in ’t algemeen, zeer droog. Op 29 Januari lagen wij bij Kaap Gregory voor anker; er woei een zeer harde storm uit het W.Z.W., bij heldere lucht met enkelecumuli. Temperatuur 57°, dauwpunt 36°; verschil 21°. Op 15 Januari te Port St.-Julian: des morgens zwakke winden met veel regen, gevolgd door een zeer hevige windvlaag met regen; deze ging over in een krachtigen storm met grootecumuli; en toen deze opklaarden, woei het zeer krachtig uit het Z.Z.W. Temperatuur 60°, dauwpunt 42°; verschil 18°.2Talrijke metingen hebben bewezen, dat de lengte der Patagoniërs afwisselt tusschen 1.750 Met. en 1.924 Met.(Vert.)3Pedro Sarmiento de Gamboa (1530–1589), Spaansch ontdekker, die de kust van Peru onderzocht.(Vert.)4Rengger, Natur der Säugethiere von Paraguay, blz. 334.5De naam is ontleend aan het feit, dat eene kolonie van 400 menschen, welke zich hier in 1584 gevestigd had, er den hongerdood vond.(Vert.)6Kapitein Fitz-Roy deelt mij mede, dat de bladeren dezer boomen, die dicht bij den voet der bergen groeien, in April (gelijkstaande met onze maand October) van kleur veranderen, maar niet bij die van de hooger gelegen punten. Ik herinner mij eenige waarnemingen te hebben gelezen, blijkens welke in Engeland de bladen vroeger afvallen in een warmen en fraaien herfst, dan in een laten en kouden. Dat hier in de hoogere, en dus koudere streken de kleurverandering later intreedt, moet aan dezelfde algemeene vegetatie-wet worden toegeschreven. De boomen van Vuurland werpen in geen enkel jaargetijde hunne bladeren geheel af.7Aldus noemt men die soorten van planten, welke op meer dan 1700 Met. boven de zee groeien. In ’t hooge Noorden ligt die grens lager.(Vert.)8Rev. I. M. Berkeley heeft hem naar mijne exemplaren in deLinnean Transactions(Deel XIX, blz. 37) onder den naam vanCyttaria Darwiniibeschreven. De Chileensche soort isCyttaria Berteroii. Dit geslacht is aanBulgariaverwant.9Behoorende tot deTyrannidae, eene familie van de Orde der Musschen ofPasseres.(Vert.)10Vuurland heeft eene oppervlakte van 73746 □ Kilom., Schotland van 78777 □ Kilom.(Vert.)11Ik meen hier eene uitzondering te moeten maken met eene Alpen-soortHaltica12, en een enkel exemplaar vanMelasoma. Waterhouse meldt mij, dat deHarpalidaevertegenwoordigd zijn door acht of negen soorten, voor het meerendeel met zeer eigenaardige vormen; deHeteromeradoor vier of vijf, deRhynchophoradoor zes of zeven soorten, en de volgende familiën:Staphylinidae13,Elateridae14,Cebrionidae15,Melolonthidae16, elk door ééne soort. De andere Orden komen met nog minder soorten voor. Bij alle Orden treft ons nog meer de schaarschheid der individuën dan die der soorten. De meesteColeopterazijn door Waterhouse in deAnnals of Natural Historynauwkeurig beschreven.12Halticabehoort tot de Aardvlooien:Halticinae.13Roofkevers.14Springkevers.15Zijdekevers.16Meikevers17Hare geographische verspreiding is bijzonder groot; men vindt ze van af de uiterste zuidelijke eilandjes bij Kaap Hoorn (naar Mr. Stokes mij bericht) tot 43° N.B. aan de oostkust; maar aan de westkust—zegt Dr. Hooker mij—strekt zij zich uit tot de rivier San Francisco in Californië, en mogelijk zelfs tot Kamtsjatka. In breedte is dit gebied dus verbazend groot; bedenkt men echter dat Cook, die met de soort wel bekend moet zijn geweest, haar op de Kerguélen-Eilanden18vond, dan strekt haar gebied zich over niet minder dan 140 Lengtegraden uit.18Deze eilanden (130 in getal) werden in 1772 door den Franschen zeevaarder Yves Joseph de Kerguélen-Trémarec (1734–1797) ontdekt. Zij liggen in het zuid. deel van den Indischen Oceaan.19Voyages of the Adventure and Beagle, Deel I,blz. 363. Het schijnt, dat zeewier uiterst snel groeit. Stephenson vond (Wilson’s Voyage round Scotland, Deel II, blz. 228), dat eene alleen bij springtijden blootkomende rots, die in November nog als gepolijst was, in Mei daaraanvolgende—dus zes maanden later—dicht bedekt was met 2 voet langeFucus digitatus, en 6 voet langeFucus esculentus.20Voor Vuurland zijn de resultaten afgeleid uit de waarnemingen van Kapitein King (Geographical Journal, 1830), en die welke aan boord van deBeaglegenomen zijn. Voor de Falklands-Eilanden heb ik de gemiddelde temperatuur der drie heetste maanden December, Januari en Februari (afgeleid uit nauwkeurige waarnemingen te middernacht, 8 ure des morgens, op den middag, en te 8 ure des avonds) aan Kapitein Sulivan te danken. De temperatuur van Dublin is aan Barton ontleend.21Agüeros, “Discription historique de la Province de Chiloé” 1791, blz. 94.22Zie de Duitsche vertaling van dit Dagboek, en voor de andere feiten hetAppendix to Flinders’ Voyagevan Brown.23Ik geloof, dat de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili in verschillende zomers aanmerkelijk in hoogte verschilt. Men verzekerde mij, dat gedurende een zeer drogen en langen zomer, al de sneeuw van de Aconcagua verdween, ofschoon deze berg de kolossale hoogte van 23090 voet of 7040 Met. bereikt. Het is waarschijnlijk, dat de sneeuw op deze groote hoogten veel meer verdampt dan smelt.24MiersChile, Deel I. blz. 415. Men zegt, dat het suikerriet te Ingenio groeide op 32° tot 33° breedte, maar niet overvloedig genoeg voor winstgevende bewerking. In de Quillota-vallei, ten zuiden van Ingenio, zag ik eenige hooge dadelpalmboomen.25BulkeleyenCummins,Faithful Narrative of the Loss of the Wager. De aardbeving geschiedde op 25 Augustus 1741.26Agüeros,Descr. Hist. de Chiloé, blz. 227.27Geological Transactions, Deel VI, blz. 415.28Bijzonderheden over dit onderwerp (de eerste, naar ik meen, die openbaar gemaakt zijn) heb ik gegeven in de eerste uitgaaf van dit werk, en in het Aanhangsel daartoe. Ik heb daar bewezen, dat de schijnbare uitzonderingen op het ontbreken van zwerfblokken in sommige heete landen, aan fouten in de waarnemingen zijn toe te schrijven. Vele der door mij gegeven verklaringen heb ik later door verscheidene schrijvers bevestigd gezien.29Geographical Journal, 183, blz. 65 en 66.30Richardson,Appendix to Back’s Expedition, en Humboldt,Fragments Asiatiques, deel II, blz. 386.31De eerste neushoren (Rhinoceros tichorhinus) werd in 1770 gevonden aan de Wiljui, een zijtak van de Lena. Hij had eene lengte van 11½ voet, en was behaard. Geographisch was deze soort verspreid van Engeland tot Siberië. (Vert.)32Dease en Simpson inGeographic. Journ., deel VIII, blz. 218 en 220.33In de laatste 200 jaren zijn in Noord-Siberië doorontdooiingvan den diluvialen bodem de skeletdeelen van ongeveer 20,000 mammoethen (Elephas primigenius) voor den dag gekomen. (Vert.)34Cuvier,Ossemensfossiles, deel I, blz. 151, ontleend aanBilling’s Voyage.35In de vorige uitgaaf en het Aanhangsel heb ik eenige feiten genoemd betreffende het vervoer van zwerfblokken en ijsbergen inde Zuidelijke IJszee. Onlangs is dit onderwerp uitstekend behandeld geworden doorHayesinBoston Journal(deel IV, blz. 426). De schrijver schijnt onbekend met een door mij inGeographical Journal(deel IX, blz. 528) vermeld geval van een reusachtigen rolsteen, die in een ijsberg begraven was, welke bijna zeker honderd mijlen en misschien veel verder van land af was. In het Aanhangsel heb ik uitvoerig gesproken over het feit (waaraan destijds bijna niet gedacht werd), dat ijsbergen bij hunne stranding waarschijnlijk de rotsen groeven en polijsten, evenals gletschers. Deze meening wordt nu zeer algemeen gedeeld; en nog altijd kan ik het vermoeden niet ontveinzen, dat zij zelfs op gevallen als dat van het Jura-gebergte toepasselijk is. Dr. Richardson heeft mij verzekerd, dat de ijsbergen in de nabijheid van Noord-Amerika kiezelsteenen en zand voor zich uitdrijven, en de onderzeesche rotsachtige zandbanken geheel kaal achterlaten. Het valt bijna niet te betwijfelen, dat zulke klippen gepolijst en gegroefd moeten worden in de richting van het stelsel der heerschende stroomen. Sedert ik dit Aanhangsel schreef, heb ik in Noord-Wallis (LondonPhil. Mag.deel XXI blz. 180) de nevenwerking van gletschers en drijvende ijsbergen gezien.
1De zuidwestelijke briezen zijn, in ’t algemeen, zeer droog. Op 29 Januari lagen wij bij Kaap Gregory voor anker; er woei een zeer harde storm uit het W.Z.W., bij heldere lucht met enkelecumuli. Temperatuur 57°, dauwpunt 36°; verschil 21°. Op 15 Januari te Port St.-Julian: des morgens zwakke winden met veel regen, gevolgd door een zeer hevige windvlaag met regen; deze ging over in een krachtigen storm met grootecumuli; en toen deze opklaarden, woei het zeer krachtig uit het Z.Z.W. Temperatuur 60°, dauwpunt 42°; verschil 18°.
2Talrijke metingen hebben bewezen, dat de lengte der Patagoniërs afwisselt tusschen 1.750 Met. en 1.924 Met.
(Vert.)
3Pedro Sarmiento de Gamboa (1530–1589), Spaansch ontdekker, die de kust van Peru onderzocht.
(Vert.)
4Rengger, Natur der Säugethiere von Paraguay, blz. 334.
5De naam is ontleend aan het feit, dat eene kolonie van 400 menschen, welke zich hier in 1584 gevestigd had, er den hongerdood vond.
(Vert.)
6Kapitein Fitz-Roy deelt mij mede, dat de bladeren dezer boomen, die dicht bij den voet der bergen groeien, in April (gelijkstaande met onze maand October) van kleur veranderen, maar niet bij die van de hooger gelegen punten. Ik herinner mij eenige waarnemingen te hebben gelezen, blijkens welke in Engeland de bladen vroeger afvallen in een warmen en fraaien herfst, dan in een laten en kouden. Dat hier in de hoogere, en dus koudere streken de kleurverandering later intreedt, moet aan dezelfde algemeene vegetatie-wet worden toegeschreven. De boomen van Vuurland werpen in geen enkel jaargetijde hunne bladeren geheel af.
7Aldus noemt men die soorten van planten, welke op meer dan 1700 Met. boven de zee groeien. In ’t hooge Noorden ligt die grens lager.
(Vert.)
8Rev. I. M. Berkeley heeft hem naar mijne exemplaren in deLinnean Transactions(Deel XIX, blz. 37) onder den naam vanCyttaria Darwiniibeschreven. De Chileensche soort isCyttaria Berteroii. Dit geslacht is aanBulgariaverwant.
9Behoorende tot deTyrannidae, eene familie van de Orde der Musschen ofPasseres.
(Vert.)
10Vuurland heeft eene oppervlakte van 73746 □ Kilom., Schotland van 78777 □ Kilom.
(Vert.)
11Ik meen hier eene uitzondering te moeten maken met eene Alpen-soortHaltica12, en een enkel exemplaar vanMelasoma. Waterhouse meldt mij, dat deHarpalidaevertegenwoordigd zijn door acht of negen soorten, voor het meerendeel met zeer eigenaardige vormen; deHeteromeradoor vier of vijf, deRhynchophoradoor zes of zeven soorten, en de volgende familiën:Staphylinidae13,Elateridae14,Cebrionidae15,Melolonthidae16, elk door ééne soort. De andere Orden komen met nog minder soorten voor. Bij alle Orden treft ons nog meer de schaarschheid der individuën dan die der soorten. De meesteColeopterazijn door Waterhouse in deAnnals of Natural Historynauwkeurig beschreven.
12Halticabehoort tot de Aardvlooien:Halticinae.
13Roofkevers.
14Springkevers.
15Zijdekevers.
16Meikevers
17Hare geographische verspreiding is bijzonder groot; men vindt ze van af de uiterste zuidelijke eilandjes bij Kaap Hoorn (naar Mr. Stokes mij bericht) tot 43° N.B. aan de oostkust; maar aan de westkust—zegt Dr. Hooker mij—strekt zij zich uit tot de rivier San Francisco in Californië, en mogelijk zelfs tot Kamtsjatka. In breedte is dit gebied dus verbazend groot; bedenkt men echter dat Cook, die met de soort wel bekend moet zijn geweest, haar op de Kerguélen-Eilanden18vond, dan strekt haar gebied zich over niet minder dan 140 Lengtegraden uit.
18Deze eilanden (130 in getal) werden in 1772 door den Franschen zeevaarder Yves Joseph de Kerguélen-Trémarec (1734–1797) ontdekt. Zij liggen in het zuid. deel van den Indischen Oceaan.
19Voyages of the Adventure and Beagle, Deel I,blz. 363. Het schijnt, dat zeewier uiterst snel groeit. Stephenson vond (Wilson’s Voyage round Scotland, Deel II, blz. 228), dat eene alleen bij springtijden blootkomende rots, die in November nog als gepolijst was, in Mei daaraanvolgende—dus zes maanden later—dicht bedekt was met 2 voet langeFucus digitatus, en 6 voet langeFucus esculentus.
20Voor Vuurland zijn de resultaten afgeleid uit de waarnemingen van Kapitein King (Geographical Journal, 1830), en die welke aan boord van deBeaglegenomen zijn. Voor de Falklands-Eilanden heb ik de gemiddelde temperatuur der drie heetste maanden December, Januari en Februari (afgeleid uit nauwkeurige waarnemingen te middernacht, 8 ure des morgens, op den middag, en te 8 ure des avonds) aan Kapitein Sulivan te danken. De temperatuur van Dublin is aan Barton ontleend.
21Agüeros, “Discription historique de la Province de Chiloé” 1791, blz. 94.
22Zie de Duitsche vertaling van dit Dagboek, en voor de andere feiten hetAppendix to Flinders’ Voyagevan Brown.
23Ik geloof, dat de sneeuwgrens op de Cordilleras van Midden-Chili in verschillende zomers aanmerkelijk in hoogte verschilt. Men verzekerde mij, dat gedurende een zeer drogen en langen zomer, al de sneeuw van de Aconcagua verdween, ofschoon deze berg de kolossale hoogte van 23090 voet of 7040 Met. bereikt. Het is waarschijnlijk, dat de sneeuw op deze groote hoogten veel meer verdampt dan smelt.
24MiersChile, Deel I. blz. 415. Men zegt, dat het suikerriet te Ingenio groeide op 32° tot 33° breedte, maar niet overvloedig genoeg voor winstgevende bewerking. In de Quillota-vallei, ten zuiden van Ingenio, zag ik eenige hooge dadelpalmboomen.
25BulkeleyenCummins,Faithful Narrative of the Loss of the Wager. De aardbeving geschiedde op 25 Augustus 1741.
26Agüeros,Descr. Hist. de Chiloé, blz. 227.
27Geological Transactions, Deel VI, blz. 415.
28Bijzonderheden over dit onderwerp (de eerste, naar ik meen, die openbaar gemaakt zijn) heb ik gegeven in de eerste uitgaaf van dit werk, en in het Aanhangsel daartoe. Ik heb daar bewezen, dat de schijnbare uitzonderingen op het ontbreken van zwerfblokken in sommige heete landen, aan fouten in de waarnemingen zijn toe te schrijven. Vele der door mij gegeven verklaringen heb ik later door verscheidene schrijvers bevestigd gezien.
29Geographical Journal, 183, blz. 65 en 66.
30Richardson,Appendix to Back’s Expedition, en Humboldt,Fragments Asiatiques, deel II, blz. 386.
31De eerste neushoren (Rhinoceros tichorhinus) werd in 1770 gevonden aan de Wiljui, een zijtak van de Lena. Hij had eene lengte van 11½ voet, en was behaard. Geographisch was deze soort verspreid van Engeland tot Siberië. (Vert.)
32Dease en Simpson inGeographic. Journ., deel VIII, blz. 218 en 220.
33In de laatste 200 jaren zijn in Noord-Siberië doorontdooiingvan den diluvialen bodem de skeletdeelen van ongeveer 20,000 mammoethen (Elephas primigenius) voor den dag gekomen. (Vert.)
34Cuvier,Ossemensfossiles, deel I, blz. 151, ontleend aanBilling’s Voyage.
35In de vorige uitgaaf en het Aanhangsel heb ik eenige feiten genoemd betreffende het vervoer van zwerfblokken en ijsbergen inde Zuidelijke IJszee. Onlangs is dit onderwerp uitstekend behandeld geworden doorHayesinBoston Journal(deel IV, blz. 426). De schrijver schijnt onbekend met een door mij inGeographical Journal(deel IX, blz. 528) vermeld geval van een reusachtigen rolsteen, die in een ijsberg begraven was, welke bijna zeker honderd mijlen en misschien veel verder van land af was. In het Aanhangsel heb ik uitvoerig gesproken over het feit (waaraan destijds bijna niet gedacht werd), dat ijsbergen bij hunne stranding waarschijnlijk de rotsen groeven en polijsten, evenals gletschers. Deze meening wordt nu zeer algemeen gedeeld; en nog altijd kan ik het vermoeden niet ontveinzen, dat zij zelfs op gevallen als dat van het Jura-gebergte toepasselijk is. Dr. Richardson heeft mij verzekerd, dat de ijsbergen in de nabijheid van Noord-Amerika kiezelsteenen en zand voor zich uitdrijven, en de onderzeesche rotsachtige zandbanken geheel kaal achterlaten. Het valt bijna niet te betwijfelen, dat zulke klippen gepolijst en gegroefd moeten worden in de richting van het stelsel der heerschende stroomen. Sedert ik dit Aanhangsel schreef, heb ik in Noord-Wallis (LondonPhil. Mag.deel XXI blz. 180) de nevenwerking van gletschers en drijvende ijsbergen gezien.