Hoofdstuk XIV.Chiloë en Concepcion. Eene hevige aardbeving.Op 15 Januari zeilden wij uit Low’s Haven, en ankerden drie dagen later voor de tweede maal in de baai van San Carlos op Chiloë. In den nacht van den 19den was de vulkaan Osorno in werking. Te middernacht nam de schildwacht eene groote ster waar, die tot ongeveer drie ure trapswijze in grootte toenam, en toen een prachtig schouwspel aanbood. Met behulp van een verrekijker zag men donkere voorwerpen te midden van een hel rood lichtschijnsel onafgebroken omhoog werpen en weer neervallen. Het licht was sterk genoeg om een lang helder spoor op het water te werpen. In dit gedeelte van de Cordilleras schijnt het zeer vaak voor te komen, dat groote hoeveelheden gesmolten stof uit de kraters worden geworpen. Men verzekerde mij, dat als er eene uitbarsting van den Corcovado plaats heeft, groote wolken stof omhoog worden geslingerd, die men in de lucht ziet barsten, en dan vele grillige vormen, zooals boomen e.a., ziet aannemen. De grootte dezer stofwolken moet geweldig zijn, want zij kunnen worden waargenomen op het tafelland achter San Carlos, dat niet minder dan 93 mijlen van den Corcovado verwijderd is. Des morgens kwam de vulkaan tot rust.Tot mijne verwondering hoorde ik later, dat de Aconcagua in Chili, 480 mijlen noordwaarts, dienzelfden nachtóók in werking was; en die verbazing steeg nog, toen ik vernam, dat de groote uitbarsting van de Coseguina (2700 mijlen ten noorden van de Aconcagua), vergezeld van eene aardbeving die 1000 mijlen ver gevoeld werd, binnen zes uren na ditzelfde tijdstip plaats had. Dit samenvallen is des te merkwaardiger, wijl de Coseguina sedert 26 jaren slapend was geweest,1en de Aconcagua hoogst zelden eenig teeken van leven geeft. Het is moeilijk na te gaan, of dit samentreffen louter toeval was, of dat het op eene onderaardsche gemeenschap wijst. Indien de vulkanen Vesuvius, Etna en Hekla (alle drie betrekkelijk dichter bij elkander dan de bovengenoemde punten in Zuid-Amerika) plotseling in denzelfden nacht in uitbarsting geraakten, zou dit samenvallen als eene merkwaardige gebeurtenis worden beschouwd; maar veel merkwaardiger is het in dit geval, nu de drie openingen in dezelfde groote bergketen liggen, en de uitgestrekte vlakten langs de geheele oostkust alsmede de uit zee geheven jongere schelpen meer dan 2000 mijlen ver op de westkust, getuigen op welke gelijkmatige en samenhangende wijze de opstuwende krachten gewerkt hebben.Daar kapitein Fitz-Roy op de buitenkust van Chiloë eenige opmetingen wenschte te doen, werd besloten, dat Mr. King en ik naar Castro zouden rijden, en vandaar dwars over het eiland naar de op de westkust gelegen Capella de Cucao. Nadat wij paarden en een gids hadden gehuurd, gingen wij op den morgen van den 22sten op weg. Wij hadden nog niet lang gereden, toen eene vrouw en twee knapen, die denzelfden weg volgden, zich bij ons voegden. Op dezen weg wordt men spoedig met iedereen vertrouwelijk, en kan men het in Zuid-Amerika zoo zeldzame voorrecht genieten van zonder vuurwapenen te reizen. Aanvankelijk bestond het landschap uit eene reeks heuvels en dalen; maar dichter bij Castro werd het zeer vlak. De weg zelf is iets zonderlings: hij bestaat over zijne gansche lengte (met uitzondering vanzeer enkele gedeelten) uit groote houten blokken, die nu eens breed en in de lengte zijn gelegd, dan weer smal zijn en overdwars liggen. Des zomers is de weg niet zoo heel slecht; maar in den winter, als het hout glibberig is door den regen, is de tocht uitermate moeilijk. In dat jaargetijde is de grond aan weerszijden een moeras en menigmaal overstroomd; het is dan noodig de overlangsche blokken door dwarsliggers te bevestigen, die aan beide kanten in den grond worden genageld. Deze pinnen maken een val van het paard gevaarlijk, daar de kans om op zulk een pin terecht te komen, niet gering is. Het is echter opmerkelijk, hoe vlug de paarden van Chiloë door de gedurige oefening worden. Ontmoetten zij slechte gedeelten, waar de blokken uit hunnen stand waren geraakt, dan sprongen zij, met de vlugheid en zekerheid van honden, van het eene blok op het andere. Rechts en links wordt de weg begrensd door hooge woudboomen, die aan de ondereinden door riethalmen zijn samengevlochten. Als nu en dan een lang gedeelte dezer laan overzien kon worden, bood dit een zonderling tooneel van gelijkvormigheid. De witte lijn van blokken, die in de verte gezien smaller werd, verloor zich in het donkere woud, of eindigde in eene zigzaglijn die over een steilen heuvel liep.Ofschoon de afstand van San Carlos tot Castro in rechte lijn slechts twaalfleaguesbedraagt, moet het aanleggen van den weg een groot werk zijn geweest. Men verhaalde mij, dat vroeger verscheidene personen het leven hadden verloren, bij eene poging om door het woud heen te dringen. De eerste, dien dit gelukte, was een Indiaan, die zich in acht dagen tijds een weg door het riet baande en San Carlos bereikte. Tot loon daarvoor schonk de Spaansche regeering hem een stuk land. Gedurende den zomer zwerven vele Indianen in de wouden (doch voornamelijk in de hoogere gedeelten waar het hout niet zoo dicht is), om het halfwilde vee op te sporen, dat zich met de bladeren van rietstengels en sommige boomen voedt. Het was een van deze jagers, die enkele jaren geleden toevallig een Engelsch schip ontdekte,dat op de buitenkust gestrand was. Het scheepsvolk begon gebrek aan proviand te krijgen, en zou waarschijnlijk nooit uit deze bijna ondoordringbare bosschen gekomen zijn, zonder de hulp van dezen man. Een der zeelieden stierf onderweg van vermoeienis. De Indianen richten zich op deze tochten naar de zon, zoodat zij bij aanhoudend bewolkte lucht niet kunnen reizen.Het was mooi weder, en de menigte boomen, die in vollen bloei stonden, vervulden de lucht met welriekende geuren. Maar zelfs dit was bijna niet in staat den droefgeestigen aanblik van het vochtige woud op te vroolijken. Hierbij komt nog, dat de vele doode stammen, die als geraamten voor u oprijzen, nooit nalaten op deze ongerepte wouden een stempel van plechtigen ernst te drukken, welke in die van lang beschaafde landen ontbreekt. Kort na zonsondergang sloegen wij ons bivouak op voor den nacht. Onze vrouwelijke metgezel, die er vrij knap uitzag, behoorde tot eene van de meest geachte families in Castro; wat intusschen niet wegnam, dat zij schrijlings en zonder kousen of schoenen te paard zat. Wat mij verwonderde, was het volkomen gemis van trots bij haar en haren broeder. Zij hadden voedsel bij zich, doch zaten Mr. King en mij bij al wat wij aten voortdurend aan te kijken, totdat wij van schaamte er toe gedreven werden het geheele gezelschap te laten meeëten. De nacht was onbewolkt, en terwijl wij op ons leger lagen, genoten wij het alleszins verrukkelijke schouwspel van de menigte sterren, die de duisternis van het woud met haar zwak schijnsel verlichtten.23 Januari.Vroeg in den morgen stonden wij op, en bereikten te ongeveer 2 ure het aardige, rustige stadje Castro. De oude gouverneur was sedert ons vorig bezoek gestorven, en een Chileen had zijne plaats ingenomen. Wij hadden een introductie-brief aan Don Pedro, die ons hoogst gastvrij en vriendelijk ontving, en op meer belangelooze wijze dan aan deze zijde van het vasteland gebruikelijk is. Den volgenden dag bezorgde Don Pedroons versche paarden, en bood aan ons zelf te vergezellen. Wij reden verder naar het zuiden, waarbij wij meest de kust volgden, en gingen door verscheidene gehuchten, elk voorzien van eene groote houten kapel in den vorm van een veestal. Te Vilipilli vroeg Don Pedro den commandant ons een gids mede te geven naar Cucao. De oude edelman bood zelf zijn geleide aan; maar het duurde geruimen tijd eer hij wilde gelooven, dat twee Engelschen in allen ernst naar zulk een afgelegen plaats, als Cucao, wilden gaan. Wij werden dus vergezeld door de twee hoogste autoriteiten in het land; en dit bleek duidelijk uit de houding van al de armere Indianen tegenover hen. Te Chonchi staken wij het eiland dwars over, en volgden een doolhof van slingerpaden, die nu eens door prachtige wouden, dan door vriendelijke open vlakten liepen, waarop overvloed van koren en aardappelspruiten. Dit golvende en gedeeltelijk bebouwde boschland herinnerde mij aan de woestere streken in Engeland, zoodat dit landschap mijn oog bijzonder boeide. Te Vilinco, dat aan de oevers van het Meer van Cucao is gelegen, waren slechts enkele velden ontboscht; en alle bewoners schenen Indianen te zijn. Dit meer is twaalf mijlen lang en strekt zich uit in de richting van oost naar west. Door plaatselijke omstandigheden waait de zeewind zeer geregeld over dag, maar gaat des nachts liggen. Dit verschijnsel heeft tot zonderlinge overdrijvingen aanleiding gegeven, want volgens de beschrijving, die men ons te San Carlos er van gaf, geleek het bijna een wonder.De weg naar Cucao was zoo bijster slecht, dat wij besloten ons op eeneperiaguain te schepen. Op den meest gezagvollen toon gaf de commandant aan zes Indianen last ons over te zetten, zonder zich te verwaardigen hun te zeggen of zij betaald zouden worden. Deperiaguais eene zonderlinge, ruw afgewerkte boot, maar de bemanning was nog zonderlinger; en ik betwijfel of er wel ooit leelijker mannetjes in eene boot bijeen zijn geweest, dan deze zes. Zij roeiden echter zeer goed en met lust. De roeier, die den slag aangaf, babbelde Indiaansch en uitte zonderlinge kreten,zoo ongeveer op de manier van een varkenshoeder, die zijne beesten voortdrijft. Wij vertrokken met een zwakken tegenwind, maar bereikten toch de Capella de Cucao vóór het donker was. Het land rondom het geheele meer was een en al woud. In dezelfde periagua, waarin wij zaten, werd eene koe vervoerd. Oppervlakkig schijnt het moeilijk zulk een groot dier in eene kleine boot te krijgen; maar de Indianen verrichtten het in eene minuut. Zij brachten de koe op zijde van de boot, die tot haar werd overgeheld; plaatsten twee riemen, waarvan de einden op het dolboord rustten, onder haren buik; deden fluks met behulp van deze hefboomen het arme dier hals over kop op den bodem der boot tuimelen, en bonden het toen met twee touwen vast. Te Cucao vonden wij eene onbewoonde hut (die tot woning van den geestelijke dient, als hij deze Capella bezoekt), maakten hier een vuur aan, kookten ons avondeten, en waren recht op ons gemak.Het district Cucao is het eenige bewoonde gedeelte op de geheele westkust van Chiloë, en bevat omstreeks dertig of veertig Indiaansche gezinnen, die vier of vijf mijlen ver langs het strand verspreid zijn. Dezen leven zeer afgezonderd van de rest van het eiland, en drijven bijna geen handel, behalve somtijds in wat olie, dat zij uit zeehondenvet bereiden. Hunne kleederen, die van eigen maaksel zijn, voldoen redelijk wel; en eten hebben zij in overvloed. Niettemin schenen zij ontevreden, en toch zoo onderdanig, dat het pijnlijk was om aan te zien. Ik geloof, dat deze stemming voornamelijk is toe te schrijven aan de ruwe en gezaghebbende wijs, waarop zij door hunne regeerders behandeld worden. Ofschoon onze metgezellen tegen ons zoo uiterst beleefd waren, gedroegen zij zich tegen de arme Indianen, alsof dezen slaven in plaats van vrije mannen waren. Zij bestelden proviand en paarden, doch verwaardigden zich nooit te zeggen met hoeveel en of de eigenaars betaald zouden worden. Toen wij des morgens met deze arme lieden alleen waren, maakten wij ons spoedig door geschenken in sigaren en maté bemind. Een klont witte suiker werd onder alle aanwezigen verdeeld en met de grootste nieuwsgierigheid geproefd.De Indianen besloten al hunne klachten met de woorden:“En dat is nu alléén, omdat wij arme Indianen zijn en niets weten; maar zóó was het niet toen wij een koning hadden.”Den volgenden dag reden wij, na het ontbijt, enkele mijlen noordwaarts naar Punta Huantamó. De weg liep langs een zeer breed strand, waarop, zelfs na vele mooie dagen, eene geduchte branding stond. Men verzekerde mij, dat na een hevigen storm het geraas der branding des nachts zelfs in Castro kan worden gehoord—een afstand van niet minder dan 21 zeemijlen (ongeveer 39 kilom.) door een heuvelachtig en met bosschen bedekt land. Wegens de ondraaglijk slechte paden, kostte het ons eenige moeite het punt te bereiken; want overal waar schaduw is, wordt de grond spoedig een volslagen modderpoel. Het punt zelf is een steile, rotsachtige heuvel, bedekt met eene, naar ik meen aanBromeliaverwante plant, die door de bewonersCheponeswordt genoemd. Bij het klauteren door de plantenbedden, werden onze handen deerlijk geschramd. Ik had er schik in, toen ik onzen Indiaanschen gids uit voorzorg zijn broek zag opslaan, wijl hij dacht dat zijn broek teerder was dan zijn harde huid. Genoemde plant bezit eene vrucht in den vorm van eene artisjok, waarin een aantal zaadhuisjes zijn opgehoopt; dezen bevatten een aangenaam zoet merg, dat hier zeer gezocht is. Te Low’s Haven zag ik de Chilotenchichiof appeldrank uit deze vruchten maken. Humboldt’s opmerking, dat bijna ieder mensch middelen vindt om uit het plantenrijk den eenen of anderen drank te bereiden, is dus volkomen waar. Intusschen hebben de wilden van Vuurland en, naar ik geloof, ook die van Australië het in deze kunst zoover niet gebracht.De kust ten noorden van Punta Huantamó is uiterst oneffen en gebroken, en wordt omringd door talrijke klippen, waarop de zee zonder ophouden beukt. King en ik hadden, zoo mogelijk, te voet langs deze kust willen terugkeeren; maar zelfs de Indianen zeiden, dat dit geheel ondoenlijk was.Zij vertelden ons, dat er wel personen rechtstreeks door de bosschen van Cucao naar San Carlos waren gegaan, doch nooit langs de kust. Op deze tochten nemen de Indianen alleen geroosterd koren mede, waarvan zij slechts tweemaal daags eten.26 Januari.Wij stapten opnieuw in de periagua, keerden over het meer terug, en bestegen toen onze paarden. Alle bewoners van Chiloë maakten van deze week van ongewoon fraai weder gebruik, om het bosch door vuur uit te roeien. Ondanks hun ijver om overal het bosch in brand te steken, zag ik toch geen enkel vuur in omvang toenemen. Wij aten bij onzen vriend, den commandant, en bereikten Castro niet voordat het donker was. Den volgenden morgen gingen wij zeer vroeg op weg. Nadat wij eenigen tijd gereden hadden, bereikten wij den top van een steilen heuvel, en hadden hier (wat eene zeldzaamheid is op dezen weg) een ruim vergezicht over het groote woud. Boven den horizon van boomen, staken de vulkanen Corcovado en, ten noorden daarvan, de groote met den vlakken top,2trotsch en oppermachtig hunne kraters omhoog. Bijna geen enkele andere berg in de lange keten vertoonde zijn besneeuwden top. Ik hoop, dat ik den afscheidsblik, dien ik van Chiloë op de prachtige Cordilleras wierp, lang in mijn geheugen mag bewaren!... Des nachts kampeerden wij onder een wolkloozen hemel, en bereikten den volgenden morgen San Carlos. Wij kwamen op den rechten dag, want nog vóór den avond begon het hevig te regenen.4 Februari.Wij zeilden van Chiloë weg. Gedurende de laatste week deed ik verscheidene kleinere uitstapjes. Een daarvan had ten doel eene groote laag schelpdieren van nog levende soorten te onderzoeken, 350 voet boven den spiegel der zee gelegen. Door deze laag van schelpdieren groeiden hooge boomen op! Een andere rit was naar Port Huechucucuy. Ik had een gids bij mijdie het land wat al te goed kende, want hij noemde mij eene eindelooze reeks Indiaansche namen op voor elke kreek, voor elk plekje en riviertje. Evenals in Vuurland, schijnt de Indiaansche taal bijzonder goed geschikt te zijn voor het geven van namen aan de meest onbeduidende vormen van het land. Ik geloof, dat ieder blijde was Chiloë vaarwel te kunnen zeggen; en toch zou dit eiland verrukkelijk mogen heeten, zoo wij den eindeloozen en naargeestigen winterregen konden wegdenken. Ook ligt er iets zeer aantrekkelijks in den eenvoud en de onderdanige beleefdheid der arme bewoners!Wij stuurden noordwaarts langs het strand; maar wegens het mistige weder bereikten wij Valdivia niet voor den nacht van den achtsten. Den volgenden morgen voer de boot naar de omstreeks tien mijlen ver gelegen stad. Toen wij den loop der rivier volgden, voeren wij nu en dan voorbij eene hut, een plekje grond dat in het overigens ongerepte woud gebaand was, en ontmoetten soms eene kano met eene Indiaansche familie. De stad ligt aan de lage oevers van den stroom, en zoo geheel in een bosch van appelboomen begraven, dat de straten letterlijk paden zijn te midden van een boomgaard. Nooit heb ik eene streek gezien, waar appelboomen zoo goed schenen te tieren als in dit vochtige gedeelte van Zuid-Amerika. Aan de kanten der wegen stonden vele, blijkbaar zelfgezaaide jonge boomen. Op Chiloë bezitten de bewoners eene verwonderlijk korte methode om een boomgaard te maken. Uit het ondereinde van bijna elken tak steken kleine, bruine, kegelvormige, schrompelige punten, die altijd gereed staan om in wortels te veranderen, zooals nu en dan te zien is waar toevallig wat modder tegen den boom is gespat. Vroeg in de lente wordt een tak ter dikte van een menschenvinger uitgekozen, en vlak onder eene groep van zulke punten afgekapt; alle kleinere takken worden gesnoeid, en de tak zelf omstreeks twee voet diep in den grond gestoken. In den daarop volgenden zomer schiet de stomp lange spruiten uit, en draagt nu en dan zelfs vruchten. Men wees mij er een, die 23 appelen had voortgebracht;maar dit werd als een zeer ongewoon iets beschouwd. In het derde seizoen verandert de stomp (gelijk ik zelf heb gezien) in een flinken houten, met vruchten beladen boom. Een oud man bij Valdivia lichtte zijn motto:Necesidad es la madre del invencion(Noodzakelijkheid is de moeder der vindingrijkheid) toe, door een verhaal te doen van de vele nuttige dingen, die hij uit deze appelen bereid had. Na het maken van appeldrank en wijn, trok hij uit het overschot een witten en fijn riekenden ether; door eene andere methode verschafte hij zich eene zoete stroop, of, zooals hij zeide, honig. In dit jaargetijde schenen zijne kinderen en varkens bijna in zijn boomgaard te wonen.11 Februari.Vergezeld van mijn gids deed ik een korten rit, maar zag op dit uitstapje bijzonder weinig, zoowel van de geologie van het land als van zijne bewoners. Bij Valdivia is niet veel land ontboscht. Nadat wij enkele mijlen ver eene rivier waren overgestoken, gingen wij het woud in, en kwamen toen voorbij slechts ééne armzalige hut, voordat wij onze nachtelijke slaapplaats bereikten. Het geringe breedte-verschil van 150 mijlen heeft aan het woud een nieuw aanzien gegeven, vergeleken bij dat van Chiloë. Dit is toe te schrijven aan eene eenigszins verschillende verhouding in de boomsoorten. De altijd groene boomen schijnen hier niet even talrijk; en dientengevolge heeft het woud eene lichtere tint. Evenals op Chiloë, zijn de lage gedeelten door riethalmen omvlochten; maar tevens groeit hier eene andere soort (die op de bamboes van Brazilië gelijkt en ongeveer 20 voet hoog is) in bossen, en versiert de oevers van sommige stroomen op zeer aangename wijs. Het is van deze plant, dat de Indianen hunnechuzo’sof lange puntige speren maken. Onze rustplaats was zoo vuil, dat ik liever buiten ging slapen. Op deze tochten is de eerste nacht meestal zeer onaangenaam, omdat men niet gewoon is aan het kriebelen en bijten der vlooien. Ik weet zeker, dat er des morgens geen plekje ter grootte van een shilling op mijne beenen was, dat niet een rood litteeken vertoonde waar de vlooien hadden gebeten.12 Februari.Wij vervolgden onzen rit door het ongebaande woud. Slechts nu en dan ontmoetten wij een Indiaan te paard, of een troep fraaie muildieren, die lorkeboomenhout en koren van de zuidelijke vlakten vervoerden. In den namiddag was een der paarden uitgeput; wij bevonden ons toen op den top van een heuvel, die een fraai uitzicht op de Llanos verschafte. Als men zoo lang in eene wildernis van boomen heeft rondgezworven, is het gezicht van deze open vlakten zeer frisch en opwekkend. Deze westkust doet mij met genoegen terugdenken aan de vrije, onbegrensde vlakten van Patagonië: en toch kan ik, om de scherpe tegenstelling, niet vergeten hoe verheven de stilte van het woud is. De Llanos zijn de vruchtbaarste en dichtst bevolkte gedeelten van het land, daar zij het onschatbare voorrecht genieten van bijna geheel vrij te zijn van boomen. Voordat wij het woud verlieten, reden wij door eenige kleine, effen grasvlakten, met enkele rondom staande boomen, evenals in een Engelsch park. In boschrijke, heuvelachtige streken heb ik dikwijls met verwondering opgemerkt, dat de volkomen vlakke gedeelten verstoken zijn van boomen. De vermoeienis van het eene paard deed mij besluiten aan de Missie van Cudico halt te houden, te meer omdat ik aan den monnik er van een introductie-brief had. Cudico is een district, tusschen het woud en de Llanos gelegen. Het bevat een vrij groot aantal hutten, met koren- en aardappelveldjes, die bijna alle aan Indianen toebehooren. De aan Valdivia onderhoorige stammen zijnreducidos y cristianos(bekeerden en christenen). Verder noordwaarts, bij Arauco en Imperial, zijn de Indianen nog zeer wild en onbekeerd; maar zij staan allen in druk verkeer met de Spanjaarden. Depadrevertelde, dat de Christen-Indianen niet zeer gezind waren om naar de mis te gaan, doch overigens veel eerbied voor den godsdienst toonden. De grootste moeilijkheid is, hen de huwelijksceremoniën in acht te doen nemen. De wilde Indianen nemen zoo vele vrouwen als zij kunnen onderhouden, en eencaciqueheeft er somtijds meer dan tien. Komt men bij laatstgenoemdenin huis, dan kan men uit het getal vuren aldaar opmaken hoeveel vrouwen hij heeft. Elke vrouw woont beurtelings eene week bij den cacique in, maar weeft gedurende dien tijd zijne poncho’s en wat hij verder noodig heeft. De vrouw van een cacique te zijn, is eene eer waarop de Indiaansche vrouwen zeer gesteld zijn.Bij al deze stammen dragen de mannen een grof wollen poncho; die ten zuiden van Valdivia dragen een korte broek, en ten noorden daarvan een rok evenals de chilipa der Gauchos. Allen binden hunne lange haren met een scharlaken-rooden band samen, maar dragen geen andere bedekking op het hoofd. Deze Indianen hebben een flinken lichaamsbouw, en gelijken zoowel door de vooruitstekende wangbeenderen, als hun voorkomen in ’t algemeen, op de groote Amerikaansche familie waartoe zij behooren. Het scheen mij echter toe, dat hun uiterlijk eenigszins afweek van dat der andere stammen, die ik vroeger gezien had. Hunne uitdrukking is in het algemeen ernstig, zelfs streng, en bezit veel karakter, dat òf voor eerlijke botheid òf trotsche vastberadenheid kan doorgaan. Het lange zwarte haar, de ernstige, scherpgeteekende trekken en de donkere gelaatskleur herinnerden mij aan oude portretten van Koning Jacobus I.3Onderweg ontmoetten wij nergens die onderdanige beleefdheid, welke op Chiloë zoo algemeen is. Sommigen uitten hunmari-mari(goeden morgen) vlug en bondig; doch het meerendeel scheen niet gezind te groeten. Deze onafhankelijkheid in manieren is waarschijnlijk een gevolg van hunne langdurige oorlogen, en van de herhaalde overwinningen, door hen alléén (van al de stammen in Amerika) op de Spanjaarden behaald.Ik bracht den avond zeer genoeglijk door in gesprek met den padre. Hij was uiterst vriendelijk en gastvrij; en daar hij uit Santiago kwam, had hij middelen weten te vinden om zich hier eenig comfort te verschaffen. Als iemand vaneenige, hetzij dan geringe opvoeding, klaagde hij bitter over het totale gemis van gezelligheid. Hoe kwijnend moet voor dezen man, die geen bijzonderen godsdienstijver, geen bezigheid of doel had, het leven voorbijgaan!Den volgenden dag ontmoetten wij op onzen terugkeer zeven Indianen met een zeer woest voorkomen, onder wien zich enkele caciquen bevonden, die van de Chileensche regeering juist hunne kleine jaarlijksche toelaag voor langdurigen trouw hadden ontvangen. Het waren mannen met een knap uiterlijk; maar toen zij achter elkander ons voorbijreden, stonden hunne aangezichten zeer betrokken. Een oude cacique, die aan het hoofd van den troep reed, had waarschijnlijk nog gulziger gedronken dan de anderen, want behalve uitermate ernstig, scheen hij ook zeer knorrig. Kort te voren hadden zich twee Indianen bij ons gevoegd, die van eene afgelegen missie naar Valdivia reisden wegens een rechtsgeding. De een was een opgewekt oud man; maar zijn baardeloos en gerimpeld gezicht geleek meer op dat van eene oude vrouw, dan van een man. Ik bood beiden meer dan eens sigaren aan; en hoewel zij die gewillig—ik durf zeggen dankbaar—aannamen, verwaardigden zij zich bijna niet mij te bedanken. Een Indiaan op Chiloë zou zijn hoed hebben afgenomen, onder het uitspreken van de woorden:Dios le page!(God loone u!).Onze tocht was zeer vermoeiend, zoowel wegens den slechten staat der wegen, als wegens de talrijke gevallen boomen, die wij moesten overspringen, of door lange omwegentrachttente vermijden. Wij sliepen onder den blooten hemel, en bereikten den volgenden morgen Valdivia, vanwaar ik mij aan boord begaf.Enkele dagen later stak ik met eenige officieren de baai over, en landde nabij het fort, Niebla genaamd. De gebouwen alhier verkeerden in zeer bouwvalligen staat, en de affuiten der kanonnen waren geheel verrot. Wickham deed den bevelvoerenden officier de opmerking, dat deze kanonnen stellig bij het eerste schot in stukken zouden vliegen. De oude krijgsman trachtte zich goed te houden, en gaf ernstigten antwoord: “Neen, segnor, ik ben er zeker van, dat zij er wel twee zouden doorstaan!” De Spanjaarden moeten voornemens zijn geweest dit fort onneembaar te maken. Midden op het binnenplein ligt thans een bergje mortel, welke in hardheid niet onderdoet voor de rots waarop hij ligt. Hij werd uit Chili hierheen gebracht, en kostte 7000 dollars. Het uitbreken van de omwenteling belette, dat hij voor het doel gebruikt werd; en nu ligt die kalk daar als een gedenkteeken aan Spanje’s vroegere grootheid.Ik wilde naar eene omstreeks anderhalve mijl ver gelegen woning gaan, maar mijn gids zeide, dat het volstrekt onmogelijk was in eene rechte lijn door het woud te dringen. Wel bood hij aan mijn gids te wezen, en langs donkere paden, die voor het vee bestemd zijn, den kortsten weg er heen te volgen. Er waren intusschen nog drie uren voor deze wandeling noodig. Het werk van dezen man bestond in het opdrijven van verdwaald vee. Ofschoon hij zoodoende de bosschen goed moest kennen, was hij niet lang geleden twee dagen zoek geweest, en had niets te eten gehad. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de onbegaanbaarheid der wouden in deze streken. Dikwijls stelde ik mij de vraag, hoe lang het spoor van een gevallen boom wel zichtbaar zou zijn. Deze man wees mij er een, die veertien jaren geleden door een troep vluchtende royalisten geveld was; en dezen als maatstaf nemende, denk ik dat een stam van anderhalven voet in middellijn na 30 jaren tijds in een hoop mestaarde veranderd zou zijn.20 Februari.Deze dag is in de jaarboeken van Valdivia gedenkwaardig geworden door de hevigste aardbeving, welke de oudste inwoner zich herinneren kan. Ik bevond mij op het strand en lag in het bosch uit te rusten. Plotseling kwam de aardbeving op, en duurde twee minuten; maar de tijd scheen veel langer. Het schudden van den grond was zeer merkbaar. Mijn metgezel en ook mij scheen het toe, dat de golvingen uit het oosten kwamen, terwijl anderen dachten, dat zij uit het zuidwestenstraalden; dit bewijst hoe lastig het soms is de richting der trillingen waar te nemen. Het kostte geen moeite om staande te blijven, maar de beweging maakte mij duizelig. Soms geleek deze op het deinen van een schip in eene zwakke kruiskabbeling, of meer nog op die, welke men voeltbijhet schaatsenrijden op dun ijs, dat onder het gewicht van het lichaam buigt.Eene hevige aardbeving vernietigt op eens onze oudste zintuigelijke gewaarwordingen. De aarde, het ware symbool van hechtheid, heeft zich onder onze voeten bewogen, evenals een dunne korst boven eene vloeistof, en ééne secunde tijds heeft in onze ziel een vreemd idee van onveiligheid gewekt, waartoe uren van overpeinzing niet in staat zouden geweest zijn. In het woud deed eene koelte de boomen trillen; maar ofschoon ik de aarde voelde bewegen, zag ik geen ander effect. Tijdens den schok was kapitein Fitz-Roy met eenige officieren in de stad, en daar was het schouwspel aangrijpender; want ofschoon de huizen wel niet omvielen, doordien zij van hout waren gebouwd, werden zij toch hevig geschud, en kraakten en rammelden de planken. In de grootste onrust snelden de menschen de deur uit. Het zijn deze bijkomende gebeurtenissen, welke dien grooten afschrik voor aardbevingen wekken in het gemoed van allen, die zulke gevolgen er van gezien en gevoeld hebben. In het woud was het een zeer belangwekkend, doch volstrekt niet angstwekkend verschijnsel. De invloed op de getijen was verrassend. De groote schok had plaats op het uur van laag water. Eene oude vrouw, die juist op het strand was, zeide mij later dat het water zeer snel, maar niet in vloedgolven tot hoogpeil steeg, en daarna even snel tot zijn natuurlijk peil terugkeerde. De juistheid daarvan bleek uit de lijn van nat zand. Eene dergelijke snelle, maar kalme beweging in het getij had enkele jaren geleden tijdens eene zwakke aardbeving op Chiloë plaats, en wekte veel noodelooze vrees. In den loop van den avond waren er vele zwakkere schokken, die in de haven de meest samengestelde stroomingen schenen voort te brengen—en eenige zeer sterke.4 Maart.Wij liepen de baai van Concepcion binnen. Terwijl het schip naar de ankerplaats stevende, landde ik op het eiland Quiriquina. Hier kwam demayordomoder plantage snel naar mij toe rijden, om het vreeselijke nieuws der groote aardbeving van den 20sten te vertellen: “dat er in Concepcion of Talcahuano (de haven) geen huis meer overeind stond; dat zeventig dorpen waren verwoest, en dat een vloedgolf de puinhoopen van Talcahuano bijna geheel had weggespoeld.” Van deze laatste verklaring zag ik weldra bewijzen in overvloed: de geheele kust was bezaaid met stukken hout en huisraad, alsof er een duizend schepen waren vergaan. Behalve stoelen, tafels, plankenkasten, enz. in grooten getale, lagen er verscheidene daken van hutten, die bijna in hun geheel waren meegevoerd. De pakhuizen te Talcahuano waren gebarsten, en groote balen katoen, Paraguay-thee en andere kostbare koopmansgoederen lagen over het strand verspreid. Terwijl ik het eiland rondwandelde, merkte ik op, dat talrijke rotsblokken, die blijkens de daaraan hechtende zeevoortbrengselen kort geleden in diep water moesten gelegen hebben, hoog op het strand waren geworpen. Een dezer blokken was zes voet lang, drie voet breed, en twee dik.Het eiland zelf vertoonde even duidelijk de overweldigende kracht der aardbeving, als het strand dit deed van de vernielende werking der daarop gevolgde vloedgolf. Op vele plaatsen was de grond in noord- en zuidlijnen gespleten—wellicht veroorzaakt door het wijken der evenwijdige en steile zijwanden van dit smalle eiland. Sommige spleten in de nabijheid der klippen waren een yard wijd. Reeds waren vele reusachtige rotsblokken op het strand gevallen; en de inwoners dachten, dat, als de regens begonnen, er nog veel grootere verschuivingen zouden plaats hebben. De uitwerking van de trilling op den harden primairen leisteen was nog merkwaardiger: de bovengedeelten van eenige smalle riffen waren zoo volkomen gesplinterd, alsof men ze door kruit had laten springen. Deze uitwerking, die duidelijk kenbaar was aan de versche breuken en den verplaatstengrond, moet zich tot de oppervlakte hebben bepaald, daar anders in geheel Chili geen stuk vaste rots meer zou bestaan; ook is die meening niet onwaarschijnlijk, omdat de oppervlakte van een trillend lichaam (naar men weet) anders wordt bewogen dan het middengedeelte. Wellicht moet aan dezelfde oorzaak worden toegeschreven, dat aardbevingen in diepe mijnen niet zulke geduchte verwoestingen aanrichten, als men zou verwachten. Ik geloof, dat deze stuiptrekking der aardkorst meer tot de grootte-vermindering van het eiland Quiriquina heeft bijgedragen, dan de gewone knagende en sloopende werking van zee en dampkring in den loop eener eeuw.Den volgenden dag landde ik te Talcahuano, en reed daarop naar Concepcion. Beide steden boden het vreeselijkste, maar tevens belangwekkendste schouwspel, dat ik ooit zag. Op iemand, die ze vroeger gekend had, zouden zij mogelijk een nog sterkeren indruk hebben gemaakt; want de puinhoopen waren zoo dooreengemengd, en het geheele schouwspel bezat zoo weinig het voorkomen van eene bewoonde plaats, dat het bijna niet meer mogelijk was zich den vroegeren toestand er van voor te stellen. De aardbeving begon te half twaalf des voormiddags. Zoo zij in het midden van den nacht gebeurd was, zouden de meeste bewoners (die in deze provincie alléén vele duizenden bedragen) zijn omgekomen, terwijl het er nu geen honderd waren. Thans was hun eenig redmiddel de onveranderlijke gewoonte om, bij de eerste schudding van den grond, de deur uit te loopen. In Concepcion was elk huis op zichzelf, of elke rij huizen, een puinhoop of eene rij van puinhoopen; maar in Talcahuano, waar de vloedgolf gewoed had, kon men weinig meer onderscheiden dan eene laag steenen, dakpannen en stukken hout, met hier en daar een brok muur dat was blijven staan. Om die reden bood Concepcion, ofschoon niet zoo geheel verwoest, een vreeselijker, en als ik het zoo noemen mag, ook schilderachtiger schouwspel. De eerste schok was zeer onverwacht. De mayordomoopQuiriquina vertelde mij, dat de eerste kennisgeving, die hijer van ontving, was, dat hijzelf met het paard waarop hij reed op den grond rolde. Opgestaan, werd hij opnieuw omvergeworpen. Ook vertelde hij mij, dat eenige koeien, die op den steilen rand van het eiland stonden, in zee tuimelden. Door de vloedgolf kwam veel vee om het leven: opeen laageiland, nabij het hoofd der baai, werden zeventig dieren weggespoeld, die verdronken. In ’t algemeen houdt men deze aardbeving voor de vreeselijkste, die Chili ooit beleefd heeft; maar wijl de hevigsten eerst na lange tusschentijden plaats hebben, kan men dit niet licht te weten komen; ook zou een veel heviger schok in zijne gevolgen niet veel verschil hebben opgeleverd, want de verwoesting was volkomen. Tallooze kleine schokken volgden op de groote aardbeving, en binnen de eerste twaalf dagen (20 Februari-4 Maart) werden er niet minder dan 300 geteld.Nadat ik Concepcion gezien had, kon ik niet begrijpen hoe het meerendeel der inwoners er ongedeerd was afgekomen. Op vele plaatsen vielen de huizen naar buiten, en vormden aldus in het midden der straten kleine heuvels van puin en metselwerk. Rouse, de Engelsche consul, vertelde ons, dat hij aan het ontbijt zat, toen de eerste trilling hem waarschuwde om naar buiten te snellen. Nauwelijks had hij het midden van de binnenplaats bereikt, toen een vleugel van zijn huis met donderend geraas naar omlaag kwam. Hij behield tegenwoordigheid van geest genoeg om zich te herinneren, dat, zoo hij eenmaal op den top van het reeds omlaag gestorte gedeelte zat, hij in veiligheid zou zijn. Door de beweging van den grond niet kunnende blijven staan, kroop hij op handen en voeten vooruit; en nauwelijks had hij deze kleine verhevenheid bereikt, toen de andere vleugel van zijn huis inviel, waarbij de groote balken rakelings langs zijn hoofd gingen. Met oogen verblind door de wolk van stof, die het daglicht verduisterde en hem dreigde te verstikken, bereikte hij eindelijk de straat. Daar de schokken elkander met eene tusschenruimte van enkele minuten opvolgden, durfde niemand de verspreidepuinhoopennaderen; en zoo wist niemand of zijne dierbaarste vrienden enverwanten door gebrek aan hulp stierven. Zij, die wat van hun goed gered hadden, waren genoodzaakt voortdurend daarbij de wacht te houden; want er zwierven dieven rond, en bij elke beving van den grond, sloegen dezen zich met de eene hand op de borst, onder den uitroep: “Misericordia!”, en stalen met de andere uit de puinhoopen wat zij konden. De rieten daken stortten op de vuren, en aan alle kanten sloegen de vlammen uit. Honderden zagen zich van alles beroofd, en slechts weinigen hadden de middelen om zich het dagelijksch voedsel te verschaffen.Aardbevingen alléén zijn voldoende om de welvaart van een land te verwoesten. Indien in Engeland de thans sluimerende krachtenlosbarsten, waarmede zij zeer zeker in vroegere geologische tijdperken hebben gewoed4, hoe volkomenzou dan de geheele toestand van dat land veranderen! Wat zou er worden van die hooge huizen, die dichtbevolkte handelswijken, die groote fabrieken, die prachtige openbare en particuliere gebouwen? Hoe vreeselijk zou het bloedbad zijn, indien het nieuwe tijdperk van onderaardsche storingen begon in de doodsche stilte van den nacht! Engeland zou op eens bankroet gaan; alle waarde-papieren, alle registers, archieven en verslagen zouden van dat oogenblik af verloren zijn! En de regeering, niet in staat om de belastingen te innen en haar gezag te handhaven, zou machteloos moeten aanzien, dat rooverij, geweld en bandeloosheid voortduurden. In alle groote steden zou hongersnood ontstaan, door pest en dood gevolgd!Kort na den schok, zag men uit het midden van de baai eene hooge golf naderen. Zij bevond zich op een afstand van drie tot vier mijlen, en vertoonde eene effen oppervlakte. Maar nauwelijks bereikte zij het strand, of zij rukte boomen en hutten weg, en rolde voort met onweerstaanbare kracht. Aan het hoofd der baai spatte zij uiteen in eene ontzagwekkende lijn van witte brekers, die tot eene hoogte van 23 voet boven het hoogste springtij stegen. Hare kracht moet ontzettend zijn geweest, want bij het Fort werd een kanon met zijn affuit, dat op een gewicht van 4tons(4064 kilo) werd geschat, 15 voet binnenwaarts verschoven. Een schoener werd opgelicht, en 200 yards van het strand tusschen de puinhoopen geworpen. De eerste golf werd door twee andere gevolgd, die bij haren terugkeer eene menigte overblijfsels van drijvende voorwerpen medevoerden. In een deel der baai werd een schip hoog en droog op het strand gezet, toen afgebracht, weêr op het strand gezet, en nogmaals afgebracht. In een ander gedeelte werden twee groote schepen,die dicht bij elkander voor anker lagen, rondgedraaid, en werden hunne kabels driemaal om elkaar gewonden. Niettegenstaande hun ankergrond hier 36 voet diep was, zaten zij eenige minuten lang aan den grond. De vloedgolf moet zich overigens langzaam bewogen hebben, want de inwoners van Talcahuano hadden den tijd om de heuvels achter de stad op te loopen, terwijl eenige zeelieden het ruime sop kozen, vertrouwende dat hunne boot veilig over de deining heen zou komen, zoo zij deze vóór hare breking in stortzeeën konden bereiken. Eene oude vrouw klom ijlings met een knaapje van vier of vijf jaren in eene boot; doch er was niemand om hen weg te roeien. Dientengevolge werd de boot tegen een anker geslingerd en in tweeën geslagen; de oude vrouw verdronk, maar het kind werd eenige uren later, hangend aan het wrak der boot, opgevischt. Groote plassen zout water stonden nog tusschen het puin der huizen, en te midden daarvan zag men kinderen, bezig booten te maken van oude tafels en stoelen, even gelukkig spelen als hunne ouders ongelukkig waren. Het trof mij echter in hooge mate, alle lieden veel vroolijker en bedrijviger te zien, dan men verwacht zou hebben. Zeer terecht werd opgemerkt, dat, nu de verwoesting algemeen was, geen enkel individu lager stond dan een ander, of zijne vrienden van koudegoïsme—dat grievendste gevolg van het verlies van rijkdom—kon beschuldigen. Rouse woonde met een groot aantal dakloozen, die hij welwillend onder zijne bescherming nam, gedurende de eerste week in een tuin onder eenige appelboomen. Eerst waren deze menschen even vroolijk, alsof zij aan eenpicniczaten; doch later veroorzaakte de hevige regen veel neerslachtigheid, want zij waren geheel zonder beschutting.In het uitnemende verslag van kapitein Fitz-Roy over de aardbeving wordt gezegd, dat er in de baai twee uitbarstingen werden gezien: eene in den vorm van eene rookkolom, en eene tweede, die op het waterspuiten van een grooten walvisch geleek. Ook scheen het water overal in beroering, alsof het kookte, werd “zwart, en dampte eenhoogst onaangenamen zwavelreuk uit.” Deze laatste verschijnselen werden ook waargenomen in de Baai van Valparaiso gedurende de aardbeving in 1822.5Ik onderstel, dat deze uitdampingen hare verklaring vinden in het loswerken van de modder op den bodem der zee, welke veel rottende organische stoffen bevat. In de Baai van Callao bespeurde ik op zekeren dag bij stil weder, dat, toen het schip zijn kabel over den bodem sleepte, eene rij bellen den koers van het vaartuig aanwees. De lagere klassen in Talcahuano dachten, dat de aardbeving veroorzaakt werd door eene oude Indiaansche vrouw, die twee jaren geleden uit wraak voor eene beleediging den vulkaan Antuco verstopt had. Dit onnoozele geloof is hierom eigenaardig, wijl het aantoont, dat de ervaring het volk had leeren opmerken, dat er verband bestaat tusschen de onderdrukte werking der vulkanen en het beven van den grond. Op het punt waar hun begrip omtrent oorzaak en gevolg faalde, moest de tooverij worden toegepast: en dit was het afsluiten van de vulkaanopening. In het bijzondere geval van deze aardbeving was zoodanig bijgeloof des te merkwaardiger, omdat, volgens kapitein Fitz-Roy, de onderstelling gegrond is, dat de Antuco in ’t geheel niet bij het verschijnsel betrokken was.6De stad Concepcion was in den gewonen Spaanschen trant gebouwd, d.w.z. alle straten kruisten elkander rechthoekig: de eene groep liep in de richting zuidwest ten westen, en de andere groep noordwest ten noorden. In de eerste richting stonden de muren ongetwijfeld beter dan inde tweede, want verreweg het meeste metselwerk werd naar het noordoosten geworpen. Beide omstandigheden stemmen volkomen overeen met het algemeen gevoelen, dat de golvingen uit het zuidwesten zijn gekomen—uit welke streek van den horizon ook de onderaardsche geluiden werden gehoord; want het is duidelijk, dat de muren, loopend in de richting zuidwest-noordoost en dus met hunne kanten gekeerd naar het punt van waar de golvingen kwamen, veel minder kans zouden hebben te vallen dan die muren, loopende in de richting noordwest-zuidoost, die op hetzelfde oogenblik over hunne gansche lengte uit de verticaal werden geworpen, omdat de golvingen die uit het zuidwesten kwamen, bij het doorgaan onder de fundeeringen, in noordwest en zuidoost golven moesten worden ontbonden. Men kan dit toelichten, wanneer men boeken op hun kant op een karpet plaatst, en dan op de manier, door Mitchell7aangegeven, de golvingen van eene aardbeving nabootst. Men zal dan zien, dat die boeken meer of minder schielijk vallen, naar gelang hunne richting meer of minder samenvalt met die welke loodrecht staat op de richting der golven. Ofschoon niet alle, strekten de spleten in den grond zich over ’t geheel uit in eene richting noordwest-zuidoost, en kwamen dus overeen met de golflijnen of lijnen van grootste buiging. Gelet op al deze omstandigheden, die duidelijk op het zuidwesten wijzen als de streek waarin het hoofdbrandpunt van storing gelegen was, is het een feit van veel belang, dat het eiland Santa Maria, hetwelk in dien hoek lag, gedurendede algemeene landrijzing tot eene hoogte steeg bijna driemaal zoo groot als die van eenig ander deel der kust.Van den ongelijken weerstand, dien de muren naar gelang van hunne richting boden, gaf de kathedraal een sprekend voorbeeld. De zijde, die naar het noordoosten was gekeerd, vertoonde eene grooten puinhoop, en te midden daarvan staken deurkozijnen en stapels timmerhout omhoog, als wrakhout in een stroom. Sommige brokken metselwerk bezaten groote afmetingen, en waren tot ver op het vlakke kerkplein gerold, evenals stukken rots aan den voet van een hoogen berg. De zijmuren (loopende in eene richting zuidwest-noordoost) waren, hoewel deerlijk gescheurd, blijven staan; maar de groote stutten, welke er loodrecht tegen stonden (en dus evenwijdig aan het frontvlak der gevallen muren), waren in vele gevallen, als met een beitel, glad afgestoken en op den grond geslingerd. Eenige vierkante ornamenten op den top van dezelfde muren waren door de aardbeving in een diagonalen stand geplaatst. Een dergelijk feit werd waargenomen na eene aardbeving te Valparaiso, in Calabrië en op andere plaatsen, waaronder ook eenige Grieksche tempels.8Oppervlakkig beschouwd schijnt deze draaiende verplaatsing te wijzen op eene wervelende beweging onder elk punt dat dezen stand aanneemt; maar dit is in hooge mate onwaarschijnlijk. Zou zij niet een gevolg hiervan zijn, dat elke steen neiging heeft zich in een bijzonderen stand met betrekking tot de trillingslijn te plaatsen—ongeveer op de manier van spelden op een vel papier, dat geschud wordt? In ’t algemeen gesproken, stonden deuringangen of vensters veel beter dan andere deelen der gebouwen. Niettemin werd een arm oud man, die lam was en de gewoonte had om bij kleine schokken naar een deuringang te kruipen, bij deze gelegenheden verpletterd.Ik heb niet getracht eene uitvoerige beschrijving te gevenvan het voorkomen van Concepcion zelf, want ik gevoel, dat het volstrekt onmogelijk is de gemengde gewaarwordingen te schetsen, die ik daar ondervond. Verscheidene officieren bezochten de stad vóór mij; maar hunne sterkst gekleurde woorden waren onmachtig om een juist denkbeeld te geven van dat tooneel van verwoesting. Het is bitter en ontmoedigend in eene enkele minuut het werk te zien vernietigen, dat den mensch zooveel tijd en arbeid heeft gekost! Toch verdween het medelijden met de inwoners bijna terstond, om plaats te maken voor de verwondering, dat men in een oogenblik tijds een toestand zag geboren worden, dien men alléén aan een langdurig tijdperk van verval meende te kunnen toeschrijven. Naar mijne overtuiging, hebben wij sedert ons vertrek uit Engeland geen schouwspel gezien, dat zulk een diepen indruk maakte.Men beweert, dat bij bijna elke groote aardbeving het naburige water der zee in hevige beroering geraakt. Zooals in het geval van Concepcion, schijnt de storing in ’t algemeen van tweederlei aard te zijn geweest: ten eerste vloeit het water, op het oogenblik van den schok, gestadig en in een hooge golf tegen het strand op, en gaat dan kalm terug; ten tweede vloeit al het zeewater, eenigen tijd daarna, van de kust weg, en keert dan in golven van onweerstaanbare kracht terug. De eerste beweging schijnt een rechtstreeksch gevolg te zijn van de ongelijke werkingen, die de aardbeving op een vast en vloeibaar lichaam uitoefent, zoodat hunne betrekkelijke hoogten zwak gestoord worden; maar het tweede geval is een veel gewichtiger verschijnsel. Het staat vast, dat bij de meeste aardbevingen, en in ’t bijzonder bij die op de westkust van Amerika, de eerste groote beweging van het water eene teruggaande is. Eenige schrijvers hebben dit trachten te verklaren door aan te nemen, dat het water zijn peil behoudt, terwijl het land omhoog golft; maar dicht bij het land—zelfs bij eene eenigszins steile kust—zou het water stellig aan de beweging van den bodem deelnemen. Daarenboven betoogt Ch. Lyell, dat dergelijke bewegingen der zee hebben plaats gehad op eilanden, ver vande hoofdlijn van storing gelegen—zooals gedurende deze aardbeving het geval was met Juan Fernandez, en met het eiland Madeira tijdens de vreeselijke ramp te Lissabon in 1755. Ofschoon het vraagstuk zeer ingewikkeld is, onderstel ik, dat iedere golf, hoe ook ontstaan, eerst het water van het strand aftrekt, waarop zij bij hare nadering breekt. Hetzelfde heb ik ook waargenomen bij de golfjes, die de schepraderen van eene stoomboot voortbrengen. Het is opmerkelijk, dat, terwijl Talcahuano en Callao (bij Lima), die beiden gelegen zijn aan het hoofd van groote ondiepe baaien, bij elke hevige aardbeving van vloedgolven hebben te lijden gehad—Valparaiso, dat dicht bij den kant van zeer diep water ligt, nooit overstroomd is geworden, ofschoon het zoo dikwijls door de geweldigste schokken geteisterd werd. Uit het feit, dat de vloedgolf niet onmiddellijk op de aardbeving volgt, maar somtijds eerst na eene tusschenruimte van een half uur: en ook omdat veraf gelegen eilanden op gelijke wijze worden getroffen als de kusten nabij het brandpunt van storing—schijnt het, dat de golf zich het eerst in volle zee verheft; en daar die verschijnselen algemeen voorkomen, moet er ook eene algemeene oorzaak voor bestaan. Ik vermoed, dat wij de lijn, waar de minder gestoorde waters van den diepen oceaan samentreffen met het water dichter bij de kust, hetwelk aan de bewegingen van het land heeft deelgenomen—moeten beschouwen als de plaats, waar de vloedgolf het eerst is ontstaan. Ook schijnt de golf grooter of kleiner zijn, naar gelang van de uitgestrektheid van het ondiepe water, dat met den bodem waarop het stond, in beroering geraakte.Het merkwaardigste gevolg van deze aardbeving was de bestendige rijzing van het land. Misschien zou het veel juister zijn deze rijzing als deoorzaaker van te noemen. Ofschoon er geen twijfel kan zijn, dat het land om de Baai van Concepcion twee of drie voet omhoog werd geheven, dient toch te worden opgemerkt, dat ik, wegens de omstandigheid dat de golf de oude lijnen van eb- en vloedwerkingop de glooiende zandige kusten had uitgewischt, geen bewijs voor dit feit kon ontdekken, behalve in het eenstemmige getuigenis der bewoners, dat eene kleine rotsachtige diepte, welke nu blootligt, vroeger met water bedekt was. Op het eiland Santa Maria (dat ongeveer 30 mijlen ver ligt) was de rijzing grooter; op één gedeelte vond kapitein Fitz-Roy, tien voet boven hoogwaterpeil, banken met verrotte mosselschelpdieren,welke nog aan de rotsen vastzaten, terwijl de bewoners vroeger bij doodtij naar deze schelpdieren gedoken hadden. De rijzing van deze landstreek is van bijzonder belang, wijl zij het tooneel is geweest van verscheidene andere hevige aardbevingen, en wegens het groote aantal zeeschelpen, die op eene hoogte van stellig 600 en, naar ik meen, zelfs 1000 voet over het land verspreid liggen. Zooals ik heb opgemerkt, zijn dergelijke schelpen te Valparaiso gevonden op eene hoogte van 1300 voet. Er valt bijna niet aan te twijfelen, dat deze groote rijzing een gevolg is geweest van achtereenvolgende kleine (periodieke) rijzingen, zooals die, welke de aardbeving van dit jaar vergezelde of veroorzaakte, alsmede van eene onmerkbare langzame (seculaire) rijzing, die stellig op sommige gedeelten dezer kust in gang is.Het eiland Juan Fernandez, 360 mijlen ten noordwesten van Concepcion, werd op het tijdstip van den grooten schok op 20 Februari hevig geschud, zoodat de boomen tegen elkander sloegen, en dicht bij het strand een onderzeesche vulkaan in werking kwam. Deze feiten zijn merkwaardig, omdat dit eiland ook tijdens de aardbeving op 24 Mei 1751 heviger werd geteisterd, dan andere plaatsen op gelijken afstand van Concepcion,9zoodat zij op eene onderaardscheverbinding tusschen deze twee punten schijnen te wijzen. Chiloë, ongeveer 340 mijlen ten zuiden van dezelfde stad, schijnt aan sterkere schokken blootgesteld te zijn geweest, dan het tusschenliggende district Valdivia, waar de vulkaan Villarica in ’t geheel niet in werking kwam, terwijl in de Cordilleras tegenover Chiloë twee vulkanen op hetzelfde oogenblik een hevige uitbarsting hadden. Deze twee vulkanen, en enkele naburige andere, bleven langen tijd werkzaam, en kwamen tien maanden later door eene aardbeving te Concepcion opnieuw tot uitbarsting.10Eenige mannen, die bij den voet van een dezer vulkanen bezig waren hout te hakken, bespeurden den schok van den 20sten Februari niet, ofschoon het geheele omliggende district toen in trilling was. Hier zien wij dus een geval, dat eene uitbarsting eene aardbeving verzwakt en daarvoor in de plaats treedt, zooals volgens het bijgeloof der lagere klassen ook te Concepcion geschied zou zijn, indien de vulkaan Antuco niet door tooverij verstopt was geworden. Twee jaren en negen maanden later (7 November 1837) werden Valdivia en Chiloë nogmaals en heviger geteisterd dan op 20 Februari 1835, waarbij een eiland in den Chonos-archipel (het eiland Lemus) eene blijvende rijzing van meer dan acht voet onderging. Het zal den lezer een beter begrip geven van het uitgestrekte gebied dezer verschijnselen, zoo wij aannemen (evenals in het geval van de gletschers), dat zij op overeenkomstige afstanden in Europa hebben plaats gehad. In dat geval zou het land vanaf de Noordzee tot de Middellandsche Zee hevig geschokt zijn geworden, en zouden op hetzelfde tijdstip een groot deel van Engelands oostkust, benevens eenige afgelegen eilanden blijvend zijn omhoog geheven. Op de kustvan Holland zou eene reeks vulkanen in werking zijn gekomen, en bij de noordpunt van Ierland zou eene uitbarsting op den bodem der zee hebben plaats gehad. Eindelijk zouden de oude kraters van Auvergne (Chaîne des Puys of des Monts Dômes, Le Plomp du Cantal en Les Monts-Dore) donkere rookkolommen hebben omhoog geworpen, en langen tijd in hevige werking zijn gebleven. Drie en dertig maanden later zou Frankrijk vanaf zijne centrale hoogvlakte tot aan het Engelsche Kanaal opnieuw door eene aardbeving verwoest zijn geworden, en zou een eiland in de Middellandsche Zee blijvend gerezen zijn.Het gebied, waarover op den 20sten Februari de vulkanische stof werd uitgeworpen, besloeg eene ruimte van 720 bij 400 Engelsche mijlen, zoodat zich hier naar alle waarschijnlijkheid een onderaardsch lavameer uitstrekte, aanmerkelijk grooter dan de oppervlakte der Zwarte Zee.11Uit het nauwe en samengestelde verband, dat er gedurende deze reeks van verschijnselen tusschen de opheffende en eruptieve krachten bleek te bestaan, mogen wij met zekerheid besluiten, dat de krachten welke langzaam en met kleine rukken vastelandsdeelen opheffen, en die welke periodiek vulkanische stof uit open kraters werpen, eene-en-dezelfde zijn. Om vele redenen geloof ik, dat de menigvuldige aardbevingen op deze kustlijn worden teweeggebracht door het scheuren der lagen, als een noodzakelijk gevolg van de spanning van het land bij opheffing, en door het met geweld binnendringen12van gloeiendmagmaof vloeibaar gesteente. Dit scheuren en binnendringen zouden bij genoegzame herhaling (en wij weten, dat aardbevingen herhaaldelijk dezelfde streken op dezelfde wijze teisteren) eindelijk eene lage bergketen vormen. Een dergelijk proces schijnt met het rechtlijnige eiland Santa Maria in gang tezijn. Ik geloof, dat het centrale of as-gedeelte van een berg in zijne ontstaanswijze alleen hierin van een lagen vulkaankegel verschilt, dat het gesmolten gesteente bij herhaling naar binnen is geperst, in plaats van herhaaldelijk naar buiten geworpen. Bovendien geloof ik, dat de structuur van groote bergketenen—zooals die van de Cordilleras, waar de lagen die de ingeperste kern van plutonische gesteenten bedekken, langs verschillende evenwijdige en naburige heflijnen op haren kant zijn gezet—onmogelijk kan worden verklaard, behalve in de onderstelling, dat het kerngesteente herhaaldelijk werd ingespoten na tijdruimten, lang genoeg om aan de bovengedeelten of vulspleten gelegenheid te geven tot afkoeling en verharding. Want indien de lagen door één enkelen schok in hare tegenwoordige, zeer steile, loodrechte en stomphoekige standen waren geworpen, zouden de ingewanden der aarde naar buiten zijn gestroomd; en in plaats dat men, zooals nu, de steile centrale bergdeelen zou gevormd zien uit gesteente, dat onder hooge drukking is vastgeworden, zouden op tallooze punten van elke heflijn stroomen lava naar buiten zijn gevloeid.13Dat groote bergketens, en bergen in ’t algemeen, op de door Darwin omschrevene wijze ontstaan zouden zijn, vindt heden geen geloof meer. Ook niet de vroeger zoozeer bekende theorie vanHutton,Playfair,A. von Humboldt,E. de BeaumontenL. von Buch, volgens welke de bergen waren ontstaan door drukkrachten, die in radiale richtingvan onderen naar bovenwerkten, en die de uitbarsting vaneruptievegesteenten voor de oorzaak hield van de opheffing en plooiïng der aardlagen tot bergen. Aan de nieuwere onderzoekingen vanFavre,Dana,Baltzer,maar vooral vanE. SuessenA. Heim14is het te danken, dat men eene juistere en meer natuurlijke voorstelling van het proces der bergvorming bezit. Volgens die theorie verdeelt men de bergen in: 1o.Erosie-gebergten, die door de knagende of wegvretende werking van stroomend water op een oorspronkelijk tafelland gevormd werden; 2o.Vulkanische gebergten, ontstaan door gloeiend vloeibaar gesteente, dat door eene spleet of opening (in ruimeren zin: eene reeks van zulke openingen) uit het binnenste der aarde drong, zich aan de randen der spleet ophoopte en afkoelde; 3o.Tektonische gebergten, waartoe de meest voorkomende en reusachtigste bergen en bergreeksen behooren. Daaronder verstaat men zulke, die gevormd werdendoor bewegingen der aardkorst zelve(benedenwaartsche en samenschuivende), ten gevolge van de afkoeling en daarmede in verband staande contractie en verkleining onzer planeet.(Noot v. d. Vert.)1Deze, in Nicaragua gelegen en slechts 500 voet hooge vulkaan, had uitbarstingen in 1709, 1809 en 1835.(Vert.)2Darwin bedoelt hier zeer waarschijnlijk de Minchimavida, ook wel Minchimadom geheeten. (2450 M.)(Vert.)3Geb. 1394, vermoord te Perth in 1437. Hij was van 1423–1437 Koning van Schotland.(Vert.)4In de Archaeïsche of Prae-Cambrische perioden der aardgeschiedenis hadden vulkanische uitbarstingen plaats in Noord- en Zuid-Wallis, in Shropshire en in sommige gedeelten van Schotland en Ierland. Gedurende het daaropvolgende Palaeozoïsche of Primaire Tijdvak, toen ook nog eenzeer kleingedeelte der Britsche Eilanden boven zee lag, herhaalden zich de vulkanische uitbarstingen (vooral in het Cambro- of Onder-Siluur) op zeer groote schaal; en hiervan zijn talrijke bewijzen gevonden in Noord-Wallis en in het zoogenaamdeLake DistrictofMerengebiedvan Cumberland en Westmoreland. Nog zeer hevig waren de uitbarstingen gedurende de Devonische perioden van hetzelfde Tijdvak, doch verminderden langzamerhand in die der Steenkoolvorming, welke op het Devoon volgde. In het lange Mesozoïsche of Secondaire Tijdvak, dat nu aanbrak en waarin de Britsche Eilanden meer en meer boven het zeeoppervlak verrezen, hadden in dien hoek van Europa geen uitbarstingen plaats. Wel geschiedden die toen met meer of mindere hevigheid in Tyrol, het Zuidoosten van Europa, Britsch-Indië en in West-Amerika. Maar in het Tertiaire Tijdvak, en vooral in de Mioceen periode, openbaarden zij zich weer met groote hevigheid in het Britsche Rijk, dat toen in bijna zijn tegenwoordigen vorm en grootte boven den zeespiegel lag. Engeland en Ierland werden toen vreeselijk geteisterd, doordien zich een nieuwe reeks vanduizendenvulkanische spleten had gevormd, die van IJsland af over de Färöer van Noord naar Zuid liep en een groot aantal vulkaankegels telde. Enorme hoeveelheden eruptie-stoffen, uit dat Tijdvak afkomstig, zijn gevonden op de Hebriden, in het noordoosten van Ierland, over het vasteland van Engeland en in de zee tusschen Gr. Brittannië en Ierland—over eene totale oppervlakte, welke op minstens 100,000 □ Eng. mijlen wordt geschat. Volgens een Engelsch geoloog, was Groot-Brittannië toen een “Reign of Fire”(Rijk van Vuur).(Vert.)5Deze had plaats op 19 November en was zeer hevig. De schok werd gevoeld over een afstand van 1200 mijlen of ruim 1900 Kilom. langs de kust, naar noord en zuid. Santiago, Valparaiso en andere steden werden deerlijk geteisterd. Bij Valparaiso rees de kust 3 voet, en bij Quintero omstreeks 4 voet.(Vert.)6De Antuco, op 37° 20′ Z.B. in Chili gelegen, is een 2800 Met. hooge kegelvormige vulkaan, die om de 10 minuten rookwolken uitstoot. In 1845, 1851 en 1863 waren zijne uitbarstingen nogal hevig. Van de 33 vulkanen, die Chili minstens bezit, ligt de Antuco het verst van de kust.(Vert.)7John Mitchell,Woodwardianprofessor in de Mineralogie te Cambridge, leefde omstreeks het midden der 18de eeuw. Hij bekleedde dit professoraat slechts acht jaren, om zich daarna geheel aan de theologische bezigheden te wijden. In 1760 publiceerde hij in de Philos. Transact. eene verhandeling over “The Cause and Phenomena of Earthquakes.” De groote aardbeving van Lissabon in 1755 had zijne belangstelling in dit onderwerp gewekt. Sommige van zijn ideeën over de onderaardsche bewegingen zijn zeer scherpzinnig en juist.(Vert.)8Arago inL’Institut, 1839, blz 337. Zie ook Mier,Chile, deel I, blz. 392, en Lyell,Principles of Geology, deel II, blz. 119 (10e uitgaaf).9De oude stad Concepcion, ook Penco geheeten, werd toen geheel verwoest en door eene vloedgolf verzwolgen. De inwoners bouwden toen ongeveer 10 mijlen van de kust eene nieuwe stad, om van zulke overstroomingen verschoond te blijven. Tegelijk werd eene nederzetting op de kust van Juan Fernandez bijna geheel door eene dergelijke golf vernietigd. In 1730 en verder terug tot 1590 hebben dergelijke rampen deze streek bezocht. Verder reikt de overlevering niet.(Vert.)10Reeds lang bestaat op bovengenoemde gronden de meening, dat de geheele reeks van rotsachtige eilanden, die zuidelijk van Valdivia tot aan den ingang der Straat van Magelhaen (van 39° 53′-52° 16′ Z.B.) tegenover de fjorden van het vasteland liggen, een afgebroken of verzwolgen kam van de Cordilleras is, waarvan alléen de toppen boven zee uitsteken. Vooral de onderzeesche uitbarstingen wijzen hierop.(Vert.)11De oppervlakte van dit lavameer zou dan ongeveer 745,900 □ Kilom. geweest zijn, terwijl die van de Zwarte Zee 423,990 □ Kilom. bedraagt.(Vert.)12Deze indringende beweging heet met een wetenschappelijk woord:intrusie.(Vert.)13Voor eene volledige beschrijving van de vulkanische verschijnselen, die de aardbeving van 20 Februari 1835 vergezelden, en voor de gevolgtrekkingen, welke daaruit zijn af te leiden, moet ik verwijzen naar deel V der Geological Transactions.14E. Suess “Die Entstehung der Alpen,” en “Antlitz der Erde;” A. Heim “Untersuchungen über den Mechanismus der Gebirgsbildung.”
Hoofdstuk XIV.Chiloë en Concepcion. Eene hevige aardbeving.Op 15 Januari zeilden wij uit Low’s Haven, en ankerden drie dagen later voor de tweede maal in de baai van San Carlos op Chiloë. In den nacht van den 19den was de vulkaan Osorno in werking. Te middernacht nam de schildwacht eene groote ster waar, die tot ongeveer drie ure trapswijze in grootte toenam, en toen een prachtig schouwspel aanbood. Met behulp van een verrekijker zag men donkere voorwerpen te midden van een hel rood lichtschijnsel onafgebroken omhoog werpen en weer neervallen. Het licht was sterk genoeg om een lang helder spoor op het water te werpen. In dit gedeelte van de Cordilleras schijnt het zeer vaak voor te komen, dat groote hoeveelheden gesmolten stof uit de kraters worden geworpen. Men verzekerde mij, dat als er eene uitbarsting van den Corcovado plaats heeft, groote wolken stof omhoog worden geslingerd, die men in de lucht ziet barsten, en dan vele grillige vormen, zooals boomen e.a., ziet aannemen. De grootte dezer stofwolken moet geweldig zijn, want zij kunnen worden waargenomen op het tafelland achter San Carlos, dat niet minder dan 93 mijlen van den Corcovado verwijderd is. Des morgens kwam de vulkaan tot rust.Tot mijne verwondering hoorde ik later, dat de Aconcagua in Chili, 480 mijlen noordwaarts, dienzelfden nachtóók in werking was; en die verbazing steeg nog, toen ik vernam, dat de groote uitbarsting van de Coseguina (2700 mijlen ten noorden van de Aconcagua), vergezeld van eene aardbeving die 1000 mijlen ver gevoeld werd, binnen zes uren na ditzelfde tijdstip plaats had. Dit samenvallen is des te merkwaardiger, wijl de Coseguina sedert 26 jaren slapend was geweest,1en de Aconcagua hoogst zelden eenig teeken van leven geeft. Het is moeilijk na te gaan, of dit samentreffen louter toeval was, of dat het op eene onderaardsche gemeenschap wijst. Indien de vulkanen Vesuvius, Etna en Hekla (alle drie betrekkelijk dichter bij elkander dan de bovengenoemde punten in Zuid-Amerika) plotseling in denzelfden nacht in uitbarsting geraakten, zou dit samenvallen als eene merkwaardige gebeurtenis worden beschouwd; maar veel merkwaardiger is het in dit geval, nu de drie openingen in dezelfde groote bergketen liggen, en de uitgestrekte vlakten langs de geheele oostkust alsmede de uit zee geheven jongere schelpen meer dan 2000 mijlen ver op de westkust, getuigen op welke gelijkmatige en samenhangende wijze de opstuwende krachten gewerkt hebben.Daar kapitein Fitz-Roy op de buitenkust van Chiloë eenige opmetingen wenschte te doen, werd besloten, dat Mr. King en ik naar Castro zouden rijden, en vandaar dwars over het eiland naar de op de westkust gelegen Capella de Cucao. Nadat wij paarden en een gids hadden gehuurd, gingen wij op den morgen van den 22sten op weg. Wij hadden nog niet lang gereden, toen eene vrouw en twee knapen, die denzelfden weg volgden, zich bij ons voegden. Op dezen weg wordt men spoedig met iedereen vertrouwelijk, en kan men het in Zuid-Amerika zoo zeldzame voorrecht genieten van zonder vuurwapenen te reizen. Aanvankelijk bestond het landschap uit eene reeks heuvels en dalen; maar dichter bij Castro werd het zeer vlak. De weg zelf is iets zonderlings: hij bestaat over zijne gansche lengte (met uitzondering vanzeer enkele gedeelten) uit groote houten blokken, die nu eens breed en in de lengte zijn gelegd, dan weer smal zijn en overdwars liggen. Des zomers is de weg niet zoo heel slecht; maar in den winter, als het hout glibberig is door den regen, is de tocht uitermate moeilijk. In dat jaargetijde is de grond aan weerszijden een moeras en menigmaal overstroomd; het is dan noodig de overlangsche blokken door dwarsliggers te bevestigen, die aan beide kanten in den grond worden genageld. Deze pinnen maken een val van het paard gevaarlijk, daar de kans om op zulk een pin terecht te komen, niet gering is. Het is echter opmerkelijk, hoe vlug de paarden van Chiloë door de gedurige oefening worden. Ontmoetten zij slechte gedeelten, waar de blokken uit hunnen stand waren geraakt, dan sprongen zij, met de vlugheid en zekerheid van honden, van het eene blok op het andere. Rechts en links wordt de weg begrensd door hooge woudboomen, die aan de ondereinden door riethalmen zijn samengevlochten. Als nu en dan een lang gedeelte dezer laan overzien kon worden, bood dit een zonderling tooneel van gelijkvormigheid. De witte lijn van blokken, die in de verte gezien smaller werd, verloor zich in het donkere woud, of eindigde in eene zigzaglijn die over een steilen heuvel liep.Ofschoon de afstand van San Carlos tot Castro in rechte lijn slechts twaalfleaguesbedraagt, moet het aanleggen van den weg een groot werk zijn geweest. Men verhaalde mij, dat vroeger verscheidene personen het leven hadden verloren, bij eene poging om door het woud heen te dringen. De eerste, dien dit gelukte, was een Indiaan, die zich in acht dagen tijds een weg door het riet baande en San Carlos bereikte. Tot loon daarvoor schonk de Spaansche regeering hem een stuk land. Gedurende den zomer zwerven vele Indianen in de wouden (doch voornamelijk in de hoogere gedeelten waar het hout niet zoo dicht is), om het halfwilde vee op te sporen, dat zich met de bladeren van rietstengels en sommige boomen voedt. Het was een van deze jagers, die enkele jaren geleden toevallig een Engelsch schip ontdekte,dat op de buitenkust gestrand was. Het scheepsvolk begon gebrek aan proviand te krijgen, en zou waarschijnlijk nooit uit deze bijna ondoordringbare bosschen gekomen zijn, zonder de hulp van dezen man. Een der zeelieden stierf onderweg van vermoeienis. De Indianen richten zich op deze tochten naar de zon, zoodat zij bij aanhoudend bewolkte lucht niet kunnen reizen.Het was mooi weder, en de menigte boomen, die in vollen bloei stonden, vervulden de lucht met welriekende geuren. Maar zelfs dit was bijna niet in staat den droefgeestigen aanblik van het vochtige woud op te vroolijken. Hierbij komt nog, dat de vele doode stammen, die als geraamten voor u oprijzen, nooit nalaten op deze ongerepte wouden een stempel van plechtigen ernst te drukken, welke in die van lang beschaafde landen ontbreekt. Kort na zonsondergang sloegen wij ons bivouak op voor den nacht. Onze vrouwelijke metgezel, die er vrij knap uitzag, behoorde tot eene van de meest geachte families in Castro; wat intusschen niet wegnam, dat zij schrijlings en zonder kousen of schoenen te paard zat. Wat mij verwonderde, was het volkomen gemis van trots bij haar en haren broeder. Zij hadden voedsel bij zich, doch zaten Mr. King en mij bij al wat wij aten voortdurend aan te kijken, totdat wij van schaamte er toe gedreven werden het geheele gezelschap te laten meeëten. De nacht was onbewolkt, en terwijl wij op ons leger lagen, genoten wij het alleszins verrukkelijke schouwspel van de menigte sterren, die de duisternis van het woud met haar zwak schijnsel verlichtten.23 Januari.Vroeg in den morgen stonden wij op, en bereikten te ongeveer 2 ure het aardige, rustige stadje Castro. De oude gouverneur was sedert ons vorig bezoek gestorven, en een Chileen had zijne plaats ingenomen. Wij hadden een introductie-brief aan Don Pedro, die ons hoogst gastvrij en vriendelijk ontving, en op meer belangelooze wijze dan aan deze zijde van het vasteland gebruikelijk is. Den volgenden dag bezorgde Don Pedroons versche paarden, en bood aan ons zelf te vergezellen. Wij reden verder naar het zuiden, waarbij wij meest de kust volgden, en gingen door verscheidene gehuchten, elk voorzien van eene groote houten kapel in den vorm van een veestal. Te Vilipilli vroeg Don Pedro den commandant ons een gids mede te geven naar Cucao. De oude edelman bood zelf zijn geleide aan; maar het duurde geruimen tijd eer hij wilde gelooven, dat twee Engelschen in allen ernst naar zulk een afgelegen plaats, als Cucao, wilden gaan. Wij werden dus vergezeld door de twee hoogste autoriteiten in het land; en dit bleek duidelijk uit de houding van al de armere Indianen tegenover hen. Te Chonchi staken wij het eiland dwars over, en volgden een doolhof van slingerpaden, die nu eens door prachtige wouden, dan door vriendelijke open vlakten liepen, waarop overvloed van koren en aardappelspruiten. Dit golvende en gedeeltelijk bebouwde boschland herinnerde mij aan de woestere streken in Engeland, zoodat dit landschap mijn oog bijzonder boeide. Te Vilinco, dat aan de oevers van het Meer van Cucao is gelegen, waren slechts enkele velden ontboscht; en alle bewoners schenen Indianen te zijn. Dit meer is twaalf mijlen lang en strekt zich uit in de richting van oost naar west. Door plaatselijke omstandigheden waait de zeewind zeer geregeld over dag, maar gaat des nachts liggen. Dit verschijnsel heeft tot zonderlinge overdrijvingen aanleiding gegeven, want volgens de beschrijving, die men ons te San Carlos er van gaf, geleek het bijna een wonder.De weg naar Cucao was zoo bijster slecht, dat wij besloten ons op eeneperiaguain te schepen. Op den meest gezagvollen toon gaf de commandant aan zes Indianen last ons over te zetten, zonder zich te verwaardigen hun te zeggen of zij betaald zouden worden. Deperiaguais eene zonderlinge, ruw afgewerkte boot, maar de bemanning was nog zonderlinger; en ik betwijfel of er wel ooit leelijker mannetjes in eene boot bijeen zijn geweest, dan deze zes. Zij roeiden echter zeer goed en met lust. De roeier, die den slag aangaf, babbelde Indiaansch en uitte zonderlinge kreten,zoo ongeveer op de manier van een varkenshoeder, die zijne beesten voortdrijft. Wij vertrokken met een zwakken tegenwind, maar bereikten toch de Capella de Cucao vóór het donker was. Het land rondom het geheele meer was een en al woud. In dezelfde periagua, waarin wij zaten, werd eene koe vervoerd. Oppervlakkig schijnt het moeilijk zulk een groot dier in eene kleine boot te krijgen; maar de Indianen verrichtten het in eene minuut. Zij brachten de koe op zijde van de boot, die tot haar werd overgeheld; plaatsten twee riemen, waarvan de einden op het dolboord rustten, onder haren buik; deden fluks met behulp van deze hefboomen het arme dier hals over kop op den bodem der boot tuimelen, en bonden het toen met twee touwen vast. Te Cucao vonden wij eene onbewoonde hut (die tot woning van den geestelijke dient, als hij deze Capella bezoekt), maakten hier een vuur aan, kookten ons avondeten, en waren recht op ons gemak.Het district Cucao is het eenige bewoonde gedeelte op de geheele westkust van Chiloë, en bevat omstreeks dertig of veertig Indiaansche gezinnen, die vier of vijf mijlen ver langs het strand verspreid zijn. Dezen leven zeer afgezonderd van de rest van het eiland, en drijven bijna geen handel, behalve somtijds in wat olie, dat zij uit zeehondenvet bereiden. Hunne kleederen, die van eigen maaksel zijn, voldoen redelijk wel; en eten hebben zij in overvloed. Niettemin schenen zij ontevreden, en toch zoo onderdanig, dat het pijnlijk was om aan te zien. Ik geloof, dat deze stemming voornamelijk is toe te schrijven aan de ruwe en gezaghebbende wijs, waarop zij door hunne regeerders behandeld worden. Ofschoon onze metgezellen tegen ons zoo uiterst beleefd waren, gedroegen zij zich tegen de arme Indianen, alsof dezen slaven in plaats van vrije mannen waren. Zij bestelden proviand en paarden, doch verwaardigden zich nooit te zeggen met hoeveel en of de eigenaars betaald zouden worden. Toen wij des morgens met deze arme lieden alleen waren, maakten wij ons spoedig door geschenken in sigaren en maté bemind. Een klont witte suiker werd onder alle aanwezigen verdeeld en met de grootste nieuwsgierigheid geproefd.De Indianen besloten al hunne klachten met de woorden:“En dat is nu alléén, omdat wij arme Indianen zijn en niets weten; maar zóó was het niet toen wij een koning hadden.”Den volgenden dag reden wij, na het ontbijt, enkele mijlen noordwaarts naar Punta Huantamó. De weg liep langs een zeer breed strand, waarop, zelfs na vele mooie dagen, eene geduchte branding stond. Men verzekerde mij, dat na een hevigen storm het geraas der branding des nachts zelfs in Castro kan worden gehoord—een afstand van niet minder dan 21 zeemijlen (ongeveer 39 kilom.) door een heuvelachtig en met bosschen bedekt land. Wegens de ondraaglijk slechte paden, kostte het ons eenige moeite het punt te bereiken; want overal waar schaduw is, wordt de grond spoedig een volslagen modderpoel. Het punt zelf is een steile, rotsachtige heuvel, bedekt met eene, naar ik meen aanBromeliaverwante plant, die door de bewonersCheponeswordt genoemd. Bij het klauteren door de plantenbedden, werden onze handen deerlijk geschramd. Ik had er schik in, toen ik onzen Indiaanschen gids uit voorzorg zijn broek zag opslaan, wijl hij dacht dat zijn broek teerder was dan zijn harde huid. Genoemde plant bezit eene vrucht in den vorm van eene artisjok, waarin een aantal zaadhuisjes zijn opgehoopt; dezen bevatten een aangenaam zoet merg, dat hier zeer gezocht is. Te Low’s Haven zag ik de Chilotenchichiof appeldrank uit deze vruchten maken. Humboldt’s opmerking, dat bijna ieder mensch middelen vindt om uit het plantenrijk den eenen of anderen drank te bereiden, is dus volkomen waar. Intusschen hebben de wilden van Vuurland en, naar ik geloof, ook die van Australië het in deze kunst zoover niet gebracht.De kust ten noorden van Punta Huantamó is uiterst oneffen en gebroken, en wordt omringd door talrijke klippen, waarop de zee zonder ophouden beukt. King en ik hadden, zoo mogelijk, te voet langs deze kust willen terugkeeren; maar zelfs de Indianen zeiden, dat dit geheel ondoenlijk was.Zij vertelden ons, dat er wel personen rechtstreeks door de bosschen van Cucao naar San Carlos waren gegaan, doch nooit langs de kust. Op deze tochten nemen de Indianen alleen geroosterd koren mede, waarvan zij slechts tweemaal daags eten.26 Januari.Wij stapten opnieuw in de periagua, keerden over het meer terug, en bestegen toen onze paarden. Alle bewoners van Chiloë maakten van deze week van ongewoon fraai weder gebruik, om het bosch door vuur uit te roeien. Ondanks hun ijver om overal het bosch in brand te steken, zag ik toch geen enkel vuur in omvang toenemen. Wij aten bij onzen vriend, den commandant, en bereikten Castro niet voordat het donker was. Den volgenden morgen gingen wij zeer vroeg op weg. Nadat wij eenigen tijd gereden hadden, bereikten wij den top van een steilen heuvel, en hadden hier (wat eene zeldzaamheid is op dezen weg) een ruim vergezicht over het groote woud. Boven den horizon van boomen, staken de vulkanen Corcovado en, ten noorden daarvan, de groote met den vlakken top,2trotsch en oppermachtig hunne kraters omhoog. Bijna geen enkele andere berg in de lange keten vertoonde zijn besneeuwden top. Ik hoop, dat ik den afscheidsblik, dien ik van Chiloë op de prachtige Cordilleras wierp, lang in mijn geheugen mag bewaren!... Des nachts kampeerden wij onder een wolkloozen hemel, en bereikten den volgenden morgen San Carlos. Wij kwamen op den rechten dag, want nog vóór den avond begon het hevig te regenen.4 Februari.Wij zeilden van Chiloë weg. Gedurende de laatste week deed ik verscheidene kleinere uitstapjes. Een daarvan had ten doel eene groote laag schelpdieren van nog levende soorten te onderzoeken, 350 voet boven den spiegel der zee gelegen. Door deze laag van schelpdieren groeiden hooge boomen op! Een andere rit was naar Port Huechucucuy. Ik had een gids bij mijdie het land wat al te goed kende, want hij noemde mij eene eindelooze reeks Indiaansche namen op voor elke kreek, voor elk plekje en riviertje. Evenals in Vuurland, schijnt de Indiaansche taal bijzonder goed geschikt te zijn voor het geven van namen aan de meest onbeduidende vormen van het land. Ik geloof, dat ieder blijde was Chiloë vaarwel te kunnen zeggen; en toch zou dit eiland verrukkelijk mogen heeten, zoo wij den eindeloozen en naargeestigen winterregen konden wegdenken. Ook ligt er iets zeer aantrekkelijks in den eenvoud en de onderdanige beleefdheid der arme bewoners!Wij stuurden noordwaarts langs het strand; maar wegens het mistige weder bereikten wij Valdivia niet voor den nacht van den achtsten. Den volgenden morgen voer de boot naar de omstreeks tien mijlen ver gelegen stad. Toen wij den loop der rivier volgden, voeren wij nu en dan voorbij eene hut, een plekje grond dat in het overigens ongerepte woud gebaand was, en ontmoetten soms eene kano met eene Indiaansche familie. De stad ligt aan de lage oevers van den stroom, en zoo geheel in een bosch van appelboomen begraven, dat de straten letterlijk paden zijn te midden van een boomgaard. Nooit heb ik eene streek gezien, waar appelboomen zoo goed schenen te tieren als in dit vochtige gedeelte van Zuid-Amerika. Aan de kanten der wegen stonden vele, blijkbaar zelfgezaaide jonge boomen. Op Chiloë bezitten de bewoners eene verwonderlijk korte methode om een boomgaard te maken. Uit het ondereinde van bijna elken tak steken kleine, bruine, kegelvormige, schrompelige punten, die altijd gereed staan om in wortels te veranderen, zooals nu en dan te zien is waar toevallig wat modder tegen den boom is gespat. Vroeg in de lente wordt een tak ter dikte van een menschenvinger uitgekozen, en vlak onder eene groep van zulke punten afgekapt; alle kleinere takken worden gesnoeid, en de tak zelf omstreeks twee voet diep in den grond gestoken. In den daarop volgenden zomer schiet de stomp lange spruiten uit, en draagt nu en dan zelfs vruchten. Men wees mij er een, die 23 appelen had voortgebracht;maar dit werd als een zeer ongewoon iets beschouwd. In het derde seizoen verandert de stomp (gelijk ik zelf heb gezien) in een flinken houten, met vruchten beladen boom. Een oud man bij Valdivia lichtte zijn motto:Necesidad es la madre del invencion(Noodzakelijkheid is de moeder der vindingrijkheid) toe, door een verhaal te doen van de vele nuttige dingen, die hij uit deze appelen bereid had. Na het maken van appeldrank en wijn, trok hij uit het overschot een witten en fijn riekenden ether; door eene andere methode verschafte hij zich eene zoete stroop, of, zooals hij zeide, honig. In dit jaargetijde schenen zijne kinderen en varkens bijna in zijn boomgaard te wonen.11 Februari.Vergezeld van mijn gids deed ik een korten rit, maar zag op dit uitstapje bijzonder weinig, zoowel van de geologie van het land als van zijne bewoners. Bij Valdivia is niet veel land ontboscht. Nadat wij enkele mijlen ver eene rivier waren overgestoken, gingen wij het woud in, en kwamen toen voorbij slechts ééne armzalige hut, voordat wij onze nachtelijke slaapplaats bereikten. Het geringe breedte-verschil van 150 mijlen heeft aan het woud een nieuw aanzien gegeven, vergeleken bij dat van Chiloë. Dit is toe te schrijven aan eene eenigszins verschillende verhouding in de boomsoorten. De altijd groene boomen schijnen hier niet even talrijk; en dientengevolge heeft het woud eene lichtere tint. Evenals op Chiloë, zijn de lage gedeelten door riethalmen omvlochten; maar tevens groeit hier eene andere soort (die op de bamboes van Brazilië gelijkt en ongeveer 20 voet hoog is) in bossen, en versiert de oevers van sommige stroomen op zeer aangename wijs. Het is van deze plant, dat de Indianen hunnechuzo’sof lange puntige speren maken. Onze rustplaats was zoo vuil, dat ik liever buiten ging slapen. Op deze tochten is de eerste nacht meestal zeer onaangenaam, omdat men niet gewoon is aan het kriebelen en bijten der vlooien. Ik weet zeker, dat er des morgens geen plekje ter grootte van een shilling op mijne beenen was, dat niet een rood litteeken vertoonde waar de vlooien hadden gebeten.12 Februari.Wij vervolgden onzen rit door het ongebaande woud. Slechts nu en dan ontmoetten wij een Indiaan te paard, of een troep fraaie muildieren, die lorkeboomenhout en koren van de zuidelijke vlakten vervoerden. In den namiddag was een der paarden uitgeput; wij bevonden ons toen op den top van een heuvel, die een fraai uitzicht op de Llanos verschafte. Als men zoo lang in eene wildernis van boomen heeft rondgezworven, is het gezicht van deze open vlakten zeer frisch en opwekkend. Deze westkust doet mij met genoegen terugdenken aan de vrije, onbegrensde vlakten van Patagonië: en toch kan ik, om de scherpe tegenstelling, niet vergeten hoe verheven de stilte van het woud is. De Llanos zijn de vruchtbaarste en dichtst bevolkte gedeelten van het land, daar zij het onschatbare voorrecht genieten van bijna geheel vrij te zijn van boomen. Voordat wij het woud verlieten, reden wij door eenige kleine, effen grasvlakten, met enkele rondom staande boomen, evenals in een Engelsch park. In boschrijke, heuvelachtige streken heb ik dikwijls met verwondering opgemerkt, dat de volkomen vlakke gedeelten verstoken zijn van boomen. De vermoeienis van het eene paard deed mij besluiten aan de Missie van Cudico halt te houden, te meer omdat ik aan den monnik er van een introductie-brief had. Cudico is een district, tusschen het woud en de Llanos gelegen. Het bevat een vrij groot aantal hutten, met koren- en aardappelveldjes, die bijna alle aan Indianen toebehooren. De aan Valdivia onderhoorige stammen zijnreducidos y cristianos(bekeerden en christenen). Verder noordwaarts, bij Arauco en Imperial, zijn de Indianen nog zeer wild en onbekeerd; maar zij staan allen in druk verkeer met de Spanjaarden. Depadrevertelde, dat de Christen-Indianen niet zeer gezind waren om naar de mis te gaan, doch overigens veel eerbied voor den godsdienst toonden. De grootste moeilijkheid is, hen de huwelijksceremoniën in acht te doen nemen. De wilde Indianen nemen zoo vele vrouwen als zij kunnen onderhouden, en eencaciqueheeft er somtijds meer dan tien. Komt men bij laatstgenoemdenin huis, dan kan men uit het getal vuren aldaar opmaken hoeveel vrouwen hij heeft. Elke vrouw woont beurtelings eene week bij den cacique in, maar weeft gedurende dien tijd zijne poncho’s en wat hij verder noodig heeft. De vrouw van een cacique te zijn, is eene eer waarop de Indiaansche vrouwen zeer gesteld zijn.Bij al deze stammen dragen de mannen een grof wollen poncho; die ten zuiden van Valdivia dragen een korte broek, en ten noorden daarvan een rok evenals de chilipa der Gauchos. Allen binden hunne lange haren met een scharlaken-rooden band samen, maar dragen geen andere bedekking op het hoofd. Deze Indianen hebben een flinken lichaamsbouw, en gelijken zoowel door de vooruitstekende wangbeenderen, als hun voorkomen in ’t algemeen, op de groote Amerikaansche familie waartoe zij behooren. Het scheen mij echter toe, dat hun uiterlijk eenigszins afweek van dat der andere stammen, die ik vroeger gezien had. Hunne uitdrukking is in het algemeen ernstig, zelfs streng, en bezit veel karakter, dat òf voor eerlijke botheid òf trotsche vastberadenheid kan doorgaan. Het lange zwarte haar, de ernstige, scherpgeteekende trekken en de donkere gelaatskleur herinnerden mij aan oude portretten van Koning Jacobus I.3Onderweg ontmoetten wij nergens die onderdanige beleefdheid, welke op Chiloë zoo algemeen is. Sommigen uitten hunmari-mari(goeden morgen) vlug en bondig; doch het meerendeel scheen niet gezind te groeten. Deze onafhankelijkheid in manieren is waarschijnlijk een gevolg van hunne langdurige oorlogen, en van de herhaalde overwinningen, door hen alléén (van al de stammen in Amerika) op de Spanjaarden behaald.Ik bracht den avond zeer genoeglijk door in gesprek met den padre. Hij was uiterst vriendelijk en gastvrij; en daar hij uit Santiago kwam, had hij middelen weten te vinden om zich hier eenig comfort te verschaffen. Als iemand vaneenige, hetzij dan geringe opvoeding, klaagde hij bitter over het totale gemis van gezelligheid. Hoe kwijnend moet voor dezen man, die geen bijzonderen godsdienstijver, geen bezigheid of doel had, het leven voorbijgaan!Den volgenden dag ontmoetten wij op onzen terugkeer zeven Indianen met een zeer woest voorkomen, onder wien zich enkele caciquen bevonden, die van de Chileensche regeering juist hunne kleine jaarlijksche toelaag voor langdurigen trouw hadden ontvangen. Het waren mannen met een knap uiterlijk; maar toen zij achter elkander ons voorbijreden, stonden hunne aangezichten zeer betrokken. Een oude cacique, die aan het hoofd van den troep reed, had waarschijnlijk nog gulziger gedronken dan de anderen, want behalve uitermate ernstig, scheen hij ook zeer knorrig. Kort te voren hadden zich twee Indianen bij ons gevoegd, die van eene afgelegen missie naar Valdivia reisden wegens een rechtsgeding. De een was een opgewekt oud man; maar zijn baardeloos en gerimpeld gezicht geleek meer op dat van eene oude vrouw, dan van een man. Ik bood beiden meer dan eens sigaren aan; en hoewel zij die gewillig—ik durf zeggen dankbaar—aannamen, verwaardigden zij zich bijna niet mij te bedanken. Een Indiaan op Chiloë zou zijn hoed hebben afgenomen, onder het uitspreken van de woorden:Dios le page!(God loone u!).Onze tocht was zeer vermoeiend, zoowel wegens den slechten staat der wegen, als wegens de talrijke gevallen boomen, die wij moesten overspringen, of door lange omwegentrachttente vermijden. Wij sliepen onder den blooten hemel, en bereikten den volgenden morgen Valdivia, vanwaar ik mij aan boord begaf.Enkele dagen later stak ik met eenige officieren de baai over, en landde nabij het fort, Niebla genaamd. De gebouwen alhier verkeerden in zeer bouwvalligen staat, en de affuiten der kanonnen waren geheel verrot. Wickham deed den bevelvoerenden officier de opmerking, dat deze kanonnen stellig bij het eerste schot in stukken zouden vliegen. De oude krijgsman trachtte zich goed te houden, en gaf ernstigten antwoord: “Neen, segnor, ik ben er zeker van, dat zij er wel twee zouden doorstaan!” De Spanjaarden moeten voornemens zijn geweest dit fort onneembaar te maken. Midden op het binnenplein ligt thans een bergje mortel, welke in hardheid niet onderdoet voor de rots waarop hij ligt. Hij werd uit Chili hierheen gebracht, en kostte 7000 dollars. Het uitbreken van de omwenteling belette, dat hij voor het doel gebruikt werd; en nu ligt die kalk daar als een gedenkteeken aan Spanje’s vroegere grootheid.Ik wilde naar eene omstreeks anderhalve mijl ver gelegen woning gaan, maar mijn gids zeide, dat het volstrekt onmogelijk was in eene rechte lijn door het woud te dringen. Wel bood hij aan mijn gids te wezen, en langs donkere paden, die voor het vee bestemd zijn, den kortsten weg er heen te volgen. Er waren intusschen nog drie uren voor deze wandeling noodig. Het werk van dezen man bestond in het opdrijven van verdwaald vee. Ofschoon hij zoodoende de bosschen goed moest kennen, was hij niet lang geleden twee dagen zoek geweest, en had niets te eten gehad. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de onbegaanbaarheid der wouden in deze streken. Dikwijls stelde ik mij de vraag, hoe lang het spoor van een gevallen boom wel zichtbaar zou zijn. Deze man wees mij er een, die veertien jaren geleden door een troep vluchtende royalisten geveld was; en dezen als maatstaf nemende, denk ik dat een stam van anderhalven voet in middellijn na 30 jaren tijds in een hoop mestaarde veranderd zou zijn.20 Februari.Deze dag is in de jaarboeken van Valdivia gedenkwaardig geworden door de hevigste aardbeving, welke de oudste inwoner zich herinneren kan. Ik bevond mij op het strand en lag in het bosch uit te rusten. Plotseling kwam de aardbeving op, en duurde twee minuten; maar de tijd scheen veel langer. Het schudden van den grond was zeer merkbaar. Mijn metgezel en ook mij scheen het toe, dat de golvingen uit het oosten kwamen, terwijl anderen dachten, dat zij uit het zuidwestenstraalden; dit bewijst hoe lastig het soms is de richting der trillingen waar te nemen. Het kostte geen moeite om staande te blijven, maar de beweging maakte mij duizelig. Soms geleek deze op het deinen van een schip in eene zwakke kruiskabbeling, of meer nog op die, welke men voeltbijhet schaatsenrijden op dun ijs, dat onder het gewicht van het lichaam buigt.Eene hevige aardbeving vernietigt op eens onze oudste zintuigelijke gewaarwordingen. De aarde, het ware symbool van hechtheid, heeft zich onder onze voeten bewogen, evenals een dunne korst boven eene vloeistof, en ééne secunde tijds heeft in onze ziel een vreemd idee van onveiligheid gewekt, waartoe uren van overpeinzing niet in staat zouden geweest zijn. In het woud deed eene koelte de boomen trillen; maar ofschoon ik de aarde voelde bewegen, zag ik geen ander effect. Tijdens den schok was kapitein Fitz-Roy met eenige officieren in de stad, en daar was het schouwspel aangrijpender; want ofschoon de huizen wel niet omvielen, doordien zij van hout waren gebouwd, werden zij toch hevig geschud, en kraakten en rammelden de planken. In de grootste onrust snelden de menschen de deur uit. Het zijn deze bijkomende gebeurtenissen, welke dien grooten afschrik voor aardbevingen wekken in het gemoed van allen, die zulke gevolgen er van gezien en gevoeld hebben. In het woud was het een zeer belangwekkend, doch volstrekt niet angstwekkend verschijnsel. De invloed op de getijen was verrassend. De groote schok had plaats op het uur van laag water. Eene oude vrouw, die juist op het strand was, zeide mij later dat het water zeer snel, maar niet in vloedgolven tot hoogpeil steeg, en daarna even snel tot zijn natuurlijk peil terugkeerde. De juistheid daarvan bleek uit de lijn van nat zand. Eene dergelijke snelle, maar kalme beweging in het getij had enkele jaren geleden tijdens eene zwakke aardbeving op Chiloë plaats, en wekte veel noodelooze vrees. In den loop van den avond waren er vele zwakkere schokken, die in de haven de meest samengestelde stroomingen schenen voort te brengen—en eenige zeer sterke.4 Maart.Wij liepen de baai van Concepcion binnen. Terwijl het schip naar de ankerplaats stevende, landde ik op het eiland Quiriquina. Hier kwam demayordomoder plantage snel naar mij toe rijden, om het vreeselijke nieuws der groote aardbeving van den 20sten te vertellen: “dat er in Concepcion of Talcahuano (de haven) geen huis meer overeind stond; dat zeventig dorpen waren verwoest, en dat een vloedgolf de puinhoopen van Talcahuano bijna geheel had weggespoeld.” Van deze laatste verklaring zag ik weldra bewijzen in overvloed: de geheele kust was bezaaid met stukken hout en huisraad, alsof er een duizend schepen waren vergaan. Behalve stoelen, tafels, plankenkasten, enz. in grooten getale, lagen er verscheidene daken van hutten, die bijna in hun geheel waren meegevoerd. De pakhuizen te Talcahuano waren gebarsten, en groote balen katoen, Paraguay-thee en andere kostbare koopmansgoederen lagen over het strand verspreid. Terwijl ik het eiland rondwandelde, merkte ik op, dat talrijke rotsblokken, die blijkens de daaraan hechtende zeevoortbrengselen kort geleden in diep water moesten gelegen hebben, hoog op het strand waren geworpen. Een dezer blokken was zes voet lang, drie voet breed, en twee dik.Het eiland zelf vertoonde even duidelijk de overweldigende kracht der aardbeving, als het strand dit deed van de vernielende werking der daarop gevolgde vloedgolf. Op vele plaatsen was de grond in noord- en zuidlijnen gespleten—wellicht veroorzaakt door het wijken der evenwijdige en steile zijwanden van dit smalle eiland. Sommige spleten in de nabijheid der klippen waren een yard wijd. Reeds waren vele reusachtige rotsblokken op het strand gevallen; en de inwoners dachten, dat, als de regens begonnen, er nog veel grootere verschuivingen zouden plaats hebben. De uitwerking van de trilling op den harden primairen leisteen was nog merkwaardiger: de bovengedeelten van eenige smalle riffen waren zoo volkomen gesplinterd, alsof men ze door kruit had laten springen. Deze uitwerking, die duidelijk kenbaar was aan de versche breuken en den verplaatstengrond, moet zich tot de oppervlakte hebben bepaald, daar anders in geheel Chili geen stuk vaste rots meer zou bestaan; ook is die meening niet onwaarschijnlijk, omdat de oppervlakte van een trillend lichaam (naar men weet) anders wordt bewogen dan het middengedeelte. Wellicht moet aan dezelfde oorzaak worden toegeschreven, dat aardbevingen in diepe mijnen niet zulke geduchte verwoestingen aanrichten, als men zou verwachten. Ik geloof, dat deze stuiptrekking der aardkorst meer tot de grootte-vermindering van het eiland Quiriquina heeft bijgedragen, dan de gewone knagende en sloopende werking van zee en dampkring in den loop eener eeuw.Den volgenden dag landde ik te Talcahuano, en reed daarop naar Concepcion. Beide steden boden het vreeselijkste, maar tevens belangwekkendste schouwspel, dat ik ooit zag. Op iemand, die ze vroeger gekend had, zouden zij mogelijk een nog sterkeren indruk hebben gemaakt; want de puinhoopen waren zoo dooreengemengd, en het geheele schouwspel bezat zoo weinig het voorkomen van eene bewoonde plaats, dat het bijna niet meer mogelijk was zich den vroegeren toestand er van voor te stellen. De aardbeving begon te half twaalf des voormiddags. Zoo zij in het midden van den nacht gebeurd was, zouden de meeste bewoners (die in deze provincie alléén vele duizenden bedragen) zijn omgekomen, terwijl het er nu geen honderd waren. Thans was hun eenig redmiddel de onveranderlijke gewoonte om, bij de eerste schudding van den grond, de deur uit te loopen. In Concepcion was elk huis op zichzelf, of elke rij huizen, een puinhoop of eene rij van puinhoopen; maar in Talcahuano, waar de vloedgolf gewoed had, kon men weinig meer onderscheiden dan eene laag steenen, dakpannen en stukken hout, met hier en daar een brok muur dat was blijven staan. Om die reden bood Concepcion, ofschoon niet zoo geheel verwoest, een vreeselijker, en als ik het zoo noemen mag, ook schilderachtiger schouwspel. De eerste schok was zeer onverwacht. De mayordomoopQuiriquina vertelde mij, dat de eerste kennisgeving, die hijer van ontving, was, dat hijzelf met het paard waarop hij reed op den grond rolde. Opgestaan, werd hij opnieuw omvergeworpen. Ook vertelde hij mij, dat eenige koeien, die op den steilen rand van het eiland stonden, in zee tuimelden. Door de vloedgolf kwam veel vee om het leven: opeen laageiland, nabij het hoofd der baai, werden zeventig dieren weggespoeld, die verdronken. In ’t algemeen houdt men deze aardbeving voor de vreeselijkste, die Chili ooit beleefd heeft; maar wijl de hevigsten eerst na lange tusschentijden plaats hebben, kan men dit niet licht te weten komen; ook zou een veel heviger schok in zijne gevolgen niet veel verschil hebben opgeleverd, want de verwoesting was volkomen. Tallooze kleine schokken volgden op de groote aardbeving, en binnen de eerste twaalf dagen (20 Februari-4 Maart) werden er niet minder dan 300 geteld.Nadat ik Concepcion gezien had, kon ik niet begrijpen hoe het meerendeel der inwoners er ongedeerd was afgekomen. Op vele plaatsen vielen de huizen naar buiten, en vormden aldus in het midden der straten kleine heuvels van puin en metselwerk. Rouse, de Engelsche consul, vertelde ons, dat hij aan het ontbijt zat, toen de eerste trilling hem waarschuwde om naar buiten te snellen. Nauwelijks had hij het midden van de binnenplaats bereikt, toen een vleugel van zijn huis met donderend geraas naar omlaag kwam. Hij behield tegenwoordigheid van geest genoeg om zich te herinneren, dat, zoo hij eenmaal op den top van het reeds omlaag gestorte gedeelte zat, hij in veiligheid zou zijn. Door de beweging van den grond niet kunnende blijven staan, kroop hij op handen en voeten vooruit; en nauwelijks had hij deze kleine verhevenheid bereikt, toen de andere vleugel van zijn huis inviel, waarbij de groote balken rakelings langs zijn hoofd gingen. Met oogen verblind door de wolk van stof, die het daglicht verduisterde en hem dreigde te verstikken, bereikte hij eindelijk de straat. Daar de schokken elkander met eene tusschenruimte van enkele minuten opvolgden, durfde niemand de verspreidepuinhoopennaderen; en zoo wist niemand of zijne dierbaarste vrienden enverwanten door gebrek aan hulp stierven. Zij, die wat van hun goed gered hadden, waren genoodzaakt voortdurend daarbij de wacht te houden; want er zwierven dieven rond, en bij elke beving van den grond, sloegen dezen zich met de eene hand op de borst, onder den uitroep: “Misericordia!”, en stalen met de andere uit de puinhoopen wat zij konden. De rieten daken stortten op de vuren, en aan alle kanten sloegen de vlammen uit. Honderden zagen zich van alles beroofd, en slechts weinigen hadden de middelen om zich het dagelijksch voedsel te verschaffen.Aardbevingen alléén zijn voldoende om de welvaart van een land te verwoesten. Indien in Engeland de thans sluimerende krachtenlosbarsten, waarmede zij zeer zeker in vroegere geologische tijdperken hebben gewoed4, hoe volkomenzou dan de geheele toestand van dat land veranderen! Wat zou er worden van die hooge huizen, die dichtbevolkte handelswijken, die groote fabrieken, die prachtige openbare en particuliere gebouwen? Hoe vreeselijk zou het bloedbad zijn, indien het nieuwe tijdperk van onderaardsche storingen begon in de doodsche stilte van den nacht! Engeland zou op eens bankroet gaan; alle waarde-papieren, alle registers, archieven en verslagen zouden van dat oogenblik af verloren zijn! En de regeering, niet in staat om de belastingen te innen en haar gezag te handhaven, zou machteloos moeten aanzien, dat rooverij, geweld en bandeloosheid voortduurden. In alle groote steden zou hongersnood ontstaan, door pest en dood gevolgd!Kort na den schok, zag men uit het midden van de baai eene hooge golf naderen. Zij bevond zich op een afstand van drie tot vier mijlen, en vertoonde eene effen oppervlakte. Maar nauwelijks bereikte zij het strand, of zij rukte boomen en hutten weg, en rolde voort met onweerstaanbare kracht. Aan het hoofd der baai spatte zij uiteen in eene ontzagwekkende lijn van witte brekers, die tot eene hoogte van 23 voet boven het hoogste springtij stegen. Hare kracht moet ontzettend zijn geweest, want bij het Fort werd een kanon met zijn affuit, dat op een gewicht van 4tons(4064 kilo) werd geschat, 15 voet binnenwaarts verschoven. Een schoener werd opgelicht, en 200 yards van het strand tusschen de puinhoopen geworpen. De eerste golf werd door twee andere gevolgd, die bij haren terugkeer eene menigte overblijfsels van drijvende voorwerpen medevoerden. In een deel der baai werd een schip hoog en droog op het strand gezet, toen afgebracht, weêr op het strand gezet, en nogmaals afgebracht. In een ander gedeelte werden twee groote schepen,die dicht bij elkander voor anker lagen, rondgedraaid, en werden hunne kabels driemaal om elkaar gewonden. Niettegenstaande hun ankergrond hier 36 voet diep was, zaten zij eenige minuten lang aan den grond. De vloedgolf moet zich overigens langzaam bewogen hebben, want de inwoners van Talcahuano hadden den tijd om de heuvels achter de stad op te loopen, terwijl eenige zeelieden het ruime sop kozen, vertrouwende dat hunne boot veilig over de deining heen zou komen, zoo zij deze vóór hare breking in stortzeeën konden bereiken. Eene oude vrouw klom ijlings met een knaapje van vier of vijf jaren in eene boot; doch er was niemand om hen weg te roeien. Dientengevolge werd de boot tegen een anker geslingerd en in tweeën geslagen; de oude vrouw verdronk, maar het kind werd eenige uren later, hangend aan het wrak der boot, opgevischt. Groote plassen zout water stonden nog tusschen het puin der huizen, en te midden daarvan zag men kinderen, bezig booten te maken van oude tafels en stoelen, even gelukkig spelen als hunne ouders ongelukkig waren. Het trof mij echter in hooge mate, alle lieden veel vroolijker en bedrijviger te zien, dan men verwacht zou hebben. Zeer terecht werd opgemerkt, dat, nu de verwoesting algemeen was, geen enkel individu lager stond dan een ander, of zijne vrienden van koudegoïsme—dat grievendste gevolg van het verlies van rijkdom—kon beschuldigen. Rouse woonde met een groot aantal dakloozen, die hij welwillend onder zijne bescherming nam, gedurende de eerste week in een tuin onder eenige appelboomen. Eerst waren deze menschen even vroolijk, alsof zij aan eenpicniczaten; doch later veroorzaakte de hevige regen veel neerslachtigheid, want zij waren geheel zonder beschutting.In het uitnemende verslag van kapitein Fitz-Roy over de aardbeving wordt gezegd, dat er in de baai twee uitbarstingen werden gezien: eene in den vorm van eene rookkolom, en eene tweede, die op het waterspuiten van een grooten walvisch geleek. Ook scheen het water overal in beroering, alsof het kookte, werd “zwart, en dampte eenhoogst onaangenamen zwavelreuk uit.” Deze laatste verschijnselen werden ook waargenomen in de Baai van Valparaiso gedurende de aardbeving in 1822.5Ik onderstel, dat deze uitdampingen hare verklaring vinden in het loswerken van de modder op den bodem der zee, welke veel rottende organische stoffen bevat. In de Baai van Callao bespeurde ik op zekeren dag bij stil weder, dat, toen het schip zijn kabel over den bodem sleepte, eene rij bellen den koers van het vaartuig aanwees. De lagere klassen in Talcahuano dachten, dat de aardbeving veroorzaakt werd door eene oude Indiaansche vrouw, die twee jaren geleden uit wraak voor eene beleediging den vulkaan Antuco verstopt had. Dit onnoozele geloof is hierom eigenaardig, wijl het aantoont, dat de ervaring het volk had leeren opmerken, dat er verband bestaat tusschen de onderdrukte werking der vulkanen en het beven van den grond. Op het punt waar hun begrip omtrent oorzaak en gevolg faalde, moest de tooverij worden toegepast: en dit was het afsluiten van de vulkaanopening. In het bijzondere geval van deze aardbeving was zoodanig bijgeloof des te merkwaardiger, omdat, volgens kapitein Fitz-Roy, de onderstelling gegrond is, dat de Antuco in ’t geheel niet bij het verschijnsel betrokken was.6De stad Concepcion was in den gewonen Spaanschen trant gebouwd, d.w.z. alle straten kruisten elkander rechthoekig: de eene groep liep in de richting zuidwest ten westen, en de andere groep noordwest ten noorden. In de eerste richting stonden de muren ongetwijfeld beter dan inde tweede, want verreweg het meeste metselwerk werd naar het noordoosten geworpen. Beide omstandigheden stemmen volkomen overeen met het algemeen gevoelen, dat de golvingen uit het zuidwesten zijn gekomen—uit welke streek van den horizon ook de onderaardsche geluiden werden gehoord; want het is duidelijk, dat de muren, loopend in de richting zuidwest-noordoost en dus met hunne kanten gekeerd naar het punt van waar de golvingen kwamen, veel minder kans zouden hebben te vallen dan die muren, loopende in de richting noordwest-zuidoost, die op hetzelfde oogenblik over hunne gansche lengte uit de verticaal werden geworpen, omdat de golvingen die uit het zuidwesten kwamen, bij het doorgaan onder de fundeeringen, in noordwest en zuidoost golven moesten worden ontbonden. Men kan dit toelichten, wanneer men boeken op hun kant op een karpet plaatst, en dan op de manier, door Mitchell7aangegeven, de golvingen van eene aardbeving nabootst. Men zal dan zien, dat die boeken meer of minder schielijk vallen, naar gelang hunne richting meer of minder samenvalt met die welke loodrecht staat op de richting der golven. Ofschoon niet alle, strekten de spleten in den grond zich over ’t geheel uit in eene richting noordwest-zuidoost, en kwamen dus overeen met de golflijnen of lijnen van grootste buiging. Gelet op al deze omstandigheden, die duidelijk op het zuidwesten wijzen als de streek waarin het hoofdbrandpunt van storing gelegen was, is het een feit van veel belang, dat het eiland Santa Maria, hetwelk in dien hoek lag, gedurendede algemeene landrijzing tot eene hoogte steeg bijna driemaal zoo groot als die van eenig ander deel der kust.Van den ongelijken weerstand, dien de muren naar gelang van hunne richting boden, gaf de kathedraal een sprekend voorbeeld. De zijde, die naar het noordoosten was gekeerd, vertoonde eene grooten puinhoop, en te midden daarvan staken deurkozijnen en stapels timmerhout omhoog, als wrakhout in een stroom. Sommige brokken metselwerk bezaten groote afmetingen, en waren tot ver op het vlakke kerkplein gerold, evenals stukken rots aan den voet van een hoogen berg. De zijmuren (loopende in eene richting zuidwest-noordoost) waren, hoewel deerlijk gescheurd, blijven staan; maar de groote stutten, welke er loodrecht tegen stonden (en dus evenwijdig aan het frontvlak der gevallen muren), waren in vele gevallen, als met een beitel, glad afgestoken en op den grond geslingerd. Eenige vierkante ornamenten op den top van dezelfde muren waren door de aardbeving in een diagonalen stand geplaatst. Een dergelijk feit werd waargenomen na eene aardbeving te Valparaiso, in Calabrië en op andere plaatsen, waaronder ook eenige Grieksche tempels.8Oppervlakkig beschouwd schijnt deze draaiende verplaatsing te wijzen op eene wervelende beweging onder elk punt dat dezen stand aanneemt; maar dit is in hooge mate onwaarschijnlijk. Zou zij niet een gevolg hiervan zijn, dat elke steen neiging heeft zich in een bijzonderen stand met betrekking tot de trillingslijn te plaatsen—ongeveer op de manier van spelden op een vel papier, dat geschud wordt? In ’t algemeen gesproken, stonden deuringangen of vensters veel beter dan andere deelen der gebouwen. Niettemin werd een arm oud man, die lam was en de gewoonte had om bij kleine schokken naar een deuringang te kruipen, bij deze gelegenheden verpletterd.Ik heb niet getracht eene uitvoerige beschrijving te gevenvan het voorkomen van Concepcion zelf, want ik gevoel, dat het volstrekt onmogelijk is de gemengde gewaarwordingen te schetsen, die ik daar ondervond. Verscheidene officieren bezochten de stad vóór mij; maar hunne sterkst gekleurde woorden waren onmachtig om een juist denkbeeld te geven van dat tooneel van verwoesting. Het is bitter en ontmoedigend in eene enkele minuut het werk te zien vernietigen, dat den mensch zooveel tijd en arbeid heeft gekost! Toch verdween het medelijden met de inwoners bijna terstond, om plaats te maken voor de verwondering, dat men in een oogenblik tijds een toestand zag geboren worden, dien men alléén aan een langdurig tijdperk van verval meende te kunnen toeschrijven. Naar mijne overtuiging, hebben wij sedert ons vertrek uit Engeland geen schouwspel gezien, dat zulk een diepen indruk maakte.Men beweert, dat bij bijna elke groote aardbeving het naburige water der zee in hevige beroering geraakt. Zooals in het geval van Concepcion, schijnt de storing in ’t algemeen van tweederlei aard te zijn geweest: ten eerste vloeit het water, op het oogenblik van den schok, gestadig en in een hooge golf tegen het strand op, en gaat dan kalm terug; ten tweede vloeit al het zeewater, eenigen tijd daarna, van de kust weg, en keert dan in golven van onweerstaanbare kracht terug. De eerste beweging schijnt een rechtstreeksch gevolg te zijn van de ongelijke werkingen, die de aardbeving op een vast en vloeibaar lichaam uitoefent, zoodat hunne betrekkelijke hoogten zwak gestoord worden; maar het tweede geval is een veel gewichtiger verschijnsel. Het staat vast, dat bij de meeste aardbevingen, en in ’t bijzonder bij die op de westkust van Amerika, de eerste groote beweging van het water eene teruggaande is. Eenige schrijvers hebben dit trachten te verklaren door aan te nemen, dat het water zijn peil behoudt, terwijl het land omhoog golft; maar dicht bij het land—zelfs bij eene eenigszins steile kust—zou het water stellig aan de beweging van den bodem deelnemen. Daarenboven betoogt Ch. Lyell, dat dergelijke bewegingen der zee hebben plaats gehad op eilanden, ver vande hoofdlijn van storing gelegen—zooals gedurende deze aardbeving het geval was met Juan Fernandez, en met het eiland Madeira tijdens de vreeselijke ramp te Lissabon in 1755. Ofschoon het vraagstuk zeer ingewikkeld is, onderstel ik, dat iedere golf, hoe ook ontstaan, eerst het water van het strand aftrekt, waarop zij bij hare nadering breekt. Hetzelfde heb ik ook waargenomen bij de golfjes, die de schepraderen van eene stoomboot voortbrengen. Het is opmerkelijk, dat, terwijl Talcahuano en Callao (bij Lima), die beiden gelegen zijn aan het hoofd van groote ondiepe baaien, bij elke hevige aardbeving van vloedgolven hebben te lijden gehad—Valparaiso, dat dicht bij den kant van zeer diep water ligt, nooit overstroomd is geworden, ofschoon het zoo dikwijls door de geweldigste schokken geteisterd werd. Uit het feit, dat de vloedgolf niet onmiddellijk op de aardbeving volgt, maar somtijds eerst na eene tusschenruimte van een half uur: en ook omdat veraf gelegen eilanden op gelijke wijze worden getroffen als de kusten nabij het brandpunt van storing—schijnt het, dat de golf zich het eerst in volle zee verheft; en daar die verschijnselen algemeen voorkomen, moet er ook eene algemeene oorzaak voor bestaan. Ik vermoed, dat wij de lijn, waar de minder gestoorde waters van den diepen oceaan samentreffen met het water dichter bij de kust, hetwelk aan de bewegingen van het land heeft deelgenomen—moeten beschouwen als de plaats, waar de vloedgolf het eerst is ontstaan. Ook schijnt de golf grooter of kleiner zijn, naar gelang van de uitgestrektheid van het ondiepe water, dat met den bodem waarop het stond, in beroering geraakte.Het merkwaardigste gevolg van deze aardbeving was de bestendige rijzing van het land. Misschien zou het veel juister zijn deze rijzing als deoorzaaker van te noemen. Ofschoon er geen twijfel kan zijn, dat het land om de Baai van Concepcion twee of drie voet omhoog werd geheven, dient toch te worden opgemerkt, dat ik, wegens de omstandigheid dat de golf de oude lijnen van eb- en vloedwerkingop de glooiende zandige kusten had uitgewischt, geen bewijs voor dit feit kon ontdekken, behalve in het eenstemmige getuigenis der bewoners, dat eene kleine rotsachtige diepte, welke nu blootligt, vroeger met water bedekt was. Op het eiland Santa Maria (dat ongeveer 30 mijlen ver ligt) was de rijzing grooter; op één gedeelte vond kapitein Fitz-Roy, tien voet boven hoogwaterpeil, banken met verrotte mosselschelpdieren,welke nog aan de rotsen vastzaten, terwijl de bewoners vroeger bij doodtij naar deze schelpdieren gedoken hadden. De rijzing van deze landstreek is van bijzonder belang, wijl zij het tooneel is geweest van verscheidene andere hevige aardbevingen, en wegens het groote aantal zeeschelpen, die op eene hoogte van stellig 600 en, naar ik meen, zelfs 1000 voet over het land verspreid liggen. Zooals ik heb opgemerkt, zijn dergelijke schelpen te Valparaiso gevonden op eene hoogte van 1300 voet. Er valt bijna niet aan te twijfelen, dat deze groote rijzing een gevolg is geweest van achtereenvolgende kleine (periodieke) rijzingen, zooals die, welke de aardbeving van dit jaar vergezelde of veroorzaakte, alsmede van eene onmerkbare langzame (seculaire) rijzing, die stellig op sommige gedeelten dezer kust in gang is.Het eiland Juan Fernandez, 360 mijlen ten noordwesten van Concepcion, werd op het tijdstip van den grooten schok op 20 Februari hevig geschud, zoodat de boomen tegen elkander sloegen, en dicht bij het strand een onderzeesche vulkaan in werking kwam. Deze feiten zijn merkwaardig, omdat dit eiland ook tijdens de aardbeving op 24 Mei 1751 heviger werd geteisterd, dan andere plaatsen op gelijken afstand van Concepcion,9zoodat zij op eene onderaardscheverbinding tusschen deze twee punten schijnen te wijzen. Chiloë, ongeveer 340 mijlen ten zuiden van dezelfde stad, schijnt aan sterkere schokken blootgesteld te zijn geweest, dan het tusschenliggende district Valdivia, waar de vulkaan Villarica in ’t geheel niet in werking kwam, terwijl in de Cordilleras tegenover Chiloë twee vulkanen op hetzelfde oogenblik een hevige uitbarsting hadden. Deze twee vulkanen, en enkele naburige andere, bleven langen tijd werkzaam, en kwamen tien maanden later door eene aardbeving te Concepcion opnieuw tot uitbarsting.10Eenige mannen, die bij den voet van een dezer vulkanen bezig waren hout te hakken, bespeurden den schok van den 20sten Februari niet, ofschoon het geheele omliggende district toen in trilling was. Hier zien wij dus een geval, dat eene uitbarsting eene aardbeving verzwakt en daarvoor in de plaats treedt, zooals volgens het bijgeloof der lagere klassen ook te Concepcion geschied zou zijn, indien de vulkaan Antuco niet door tooverij verstopt was geworden. Twee jaren en negen maanden later (7 November 1837) werden Valdivia en Chiloë nogmaals en heviger geteisterd dan op 20 Februari 1835, waarbij een eiland in den Chonos-archipel (het eiland Lemus) eene blijvende rijzing van meer dan acht voet onderging. Het zal den lezer een beter begrip geven van het uitgestrekte gebied dezer verschijnselen, zoo wij aannemen (evenals in het geval van de gletschers), dat zij op overeenkomstige afstanden in Europa hebben plaats gehad. In dat geval zou het land vanaf de Noordzee tot de Middellandsche Zee hevig geschokt zijn geworden, en zouden op hetzelfde tijdstip een groot deel van Engelands oostkust, benevens eenige afgelegen eilanden blijvend zijn omhoog geheven. Op de kustvan Holland zou eene reeks vulkanen in werking zijn gekomen, en bij de noordpunt van Ierland zou eene uitbarsting op den bodem der zee hebben plaats gehad. Eindelijk zouden de oude kraters van Auvergne (Chaîne des Puys of des Monts Dômes, Le Plomp du Cantal en Les Monts-Dore) donkere rookkolommen hebben omhoog geworpen, en langen tijd in hevige werking zijn gebleven. Drie en dertig maanden later zou Frankrijk vanaf zijne centrale hoogvlakte tot aan het Engelsche Kanaal opnieuw door eene aardbeving verwoest zijn geworden, en zou een eiland in de Middellandsche Zee blijvend gerezen zijn.Het gebied, waarover op den 20sten Februari de vulkanische stof werd uitgeworpen, besloeg eene ruimte van 720 bij 400 Engelsche mijlen, zoodat zich hier naar alle waarschijnlijkheid een onderaardsch lavameer uitstrekte, aanmerkelijk grooter dan de oppervlakte der Zwarte Zee.11Uit het nauwe en samengestelde verband, dat er gedurende deze reeks van verschijnselen tusschen de opheffende en eruptieve krachten bleek te bestaan, mogen wij met zekerheid besluiten, dat de krachten welke langzaam en met kleine rukken vastelandsdeelen opheffen, en die welke periodiek vulkanische stof uit open kraters werpen, eene-en-dezelfde zijn. Om vele redenen geloof ik, dat de menigvuldige aardbevingen op deze kustlijn worden teweeggebracht door het scheuren der lagen, als een noodzakelijk gevolg van de spanning van het land bij opheffing, en door het met geweld binnendringen12van gloeiendmagmaof vloeibaar gesteente. Dit scheuren en binnendringen zouden bij genoegzame herhaling (en wij weten, dat aardbevingen herhaaldelijk dezelfde streken op dezelfde wijze teisteren) eindelijk eene lage bergketen vormen. Een dergelijk proces schijnt met het rechtlijnige eiland Santa Maria in gang tezijn. Ik geloof, dat het centrale of as-gedeelte van een berg in zijne ontstaanswijze alleen hierin van een lagen vulkaankegel verschilt, dat het gesmolten gesteente bij herhaling naar binnen is geperst, in plaats van herhaaldelijk naar buiten geworpen. Bovendien geloof ik, dat de structuur van groote bergketenen—zooals die van de Cordilleras, waar de lagen die de ingeperste kern van plutonische gesteenten bedekken, langs verschillende evenwijdige en naburige heflijnen op haren kant zijn gezet—onmogelijk kan worden verklaard, behalve in de onderstelling, dat het kerngesteente herhaaldelijk werd ingespoten na tijdruimten, lang genoeg om aan de bovengedeelten of vulspleten gelegenheid te geven tot afkoeling en verharding. Want indien de lagen door één enkelen schok in hare tegenwoordige, zeer steile, loodrechte en stomphoekige standen waren geworpen, zouden de ingewanden der aarde naar buiten zijn gestroomd; en in plaats dat men, zooals nu, de steile centrale bergdeelen zou gevormd zien uit gesteente, dat onder hooge drukking is vastgeworden, zouden op tallooze punten van elke heflijn stroomen lava naar buiten zijn gevloeid.13Dat groote bergketens, en bergen in ’t algemeen, op de door Darwin omschrevene wijze ontstaan zouden zijn, vindt heden geen geloof meer. Ook niet de vroeger zoozeer bekende theorie vanHutton,Playfair,A. von Humboldt,E. de BeaumontenL. von Buch, volgens welke de bergen waren ontstaan door drukkrachten, die in radiale richtingvan onderen naar bovenwerkten, en die de uitbarsting vaneruptievegesteenten voor de oorzaak hield van de opheffing en plooiïng der aardlagen tot bergen. Aan de nieuwere onderzoekingen vanFavre,Dana,Baltzer,maar vooral vanE. SuessenA. Heim14is het te danken, dat men eene juistere en meer natuurlijke voorstelling van het proces der bergvorming bezit. Volgens die theorie verdeelt men de bergen in: 1o.Erosie-gebergten, die door de knagende of wegvretende werking van stroomend water op een oorspronkelijk tafelland gevormd werden; 2o.Vulkanische gebergten, ontstaan door gloeiend vloeibaar gesteente, dat door eene spleet of opening (in ruimeren zin: eene reeks van zulke openingen) uit het binnenste der aarde drong, zich aan de randen der spleet ophoopte en afkoelde; 3o.Tektonische gebergten, waartoe de meest voorkomende en reusachtigste bergen en bergreeksen behooren. Daaronder verstaat men zulke, die gevormd werdendoor bewegingen der aardkorst zelve(benedenwaartsche en samenschuivende), ten gevolge van de afkoeling en daarmede in verband staande contractie en verkleining onzer planeet.(Noot v. d. Vert.)1Deze, in Nicaragua gelegen en slechts 500 voet hooge vulkaan, had uitbarstingen in 1709, 1809 en 1835.(Vert.)2Darwin bedoelt hier zeer waarschijnlijk de Minchimavida, ook wel Minchimadom geheeten. (2450 M.)(Vert.)3Geb. 1394, vermoord te Perth in 1437. Hij was van 1423–1437 Koning van Schotland.(Vert.)4In de Archaeïsche of Prae-Cambrische perioden der aardgeschiedenis hadden vulkanische uitbarstingen plaats in Noord- en Zuid-Wallis, in Shropshire en in sommige gedeelten van Schotland en Ierland. Gedurende het daaropvolgende Palaeozoïsche of Primaire Tijdvak, toen ook nog eenzeer kleingedeelte der Britsche Eilanden boven zee lag, herhaalden zich de vulkanische uitbarstingen (vooral in het Cambro- of Onder-Siluur) op zeer groote schaal; en hiervan zijn talrijke bewijzen gevonden in Noord-Wallis en in het zoogenaamdeLake DistrictofMerengebiedvan Cumberland en Westmoreland. Nog zeer hevig waren de uitbarstingen gedurende de Devonische perioden van hetzelfde Tijdvak, doch verminderden langzamerhand in die der Steenkoolvorming, welke op het Devoon volgde. In het lange Mesozoïsche of Secondaire Tijdvak, dat nu aanbrak en waarin de Britsche Eilanden meer en meer boven het zeeoppervlak verrezen, hadden in dien hoek van Europa geen uitbarstingen plaats. Wel geschiedden die toen met meer of mindere hevigheid in Tyrol, het Zuidoosten van Europa, Britsch-Indië en in West-Amerika. Maar in het Tertiaire Tijdvak, en vooral in de Mioceen periode, openbaarden zij zich weer met groote hevigheid in het Britsche Rijk, dat toen in bijna zijn tegenwoordigen vorm en grootte boven den zeespiegel lag. Engeland en Ierland werden toen vreeselijk geteisterd, doordien zich een nieuwe reeks vanduizendenvulkanische spleten had gevormd, die van IJsland af over de Färöer van Noord naar Zuid liep en een groot aantal vulkaankegels telde. Enorme hoeveelheden eruptie-stoffen, uit dat Tijdvak afkomstig, zijn gevonden op de Hebriden, in het noordoosten van Ierland, over het vasteland van Engeland en in de zee tusschen Gr. Brittannië en Ierland—over eene totale oppervlakte, welke op minstens 100,000 □ Eng. mijlen wordt geschat. Volgens een Engelsch geoloog, was Groot-Brittannië toen een “Reign of Fire”(Rijk van Vuur).(Vert.)5Deze had plaats op 19 November en was zeer hevig. De schok werd gevoeld over een afstand van 1200 mijlen of ruim 1900 Kilom. langs de kust, naar noord en zuid. Santiago, Valparaiso en andere steden werden deerlijk geteisterd. Bij Valparaiso rees de kust 3 voet, en bij Quintero omstreeks 4 voet.(Vert.)6De Antuco, op 37° 20′ Z.B. in Chili gelegen, is een 2800 Met. hooge kegelvormige vulkaan, die om de 10 minuten rookwolken uitstoot. In 1845, 1851 en 1863 waren zijne uitbarstingen nogal hevig. Van de 33 vulkanen, die Chili minstens bezit, ligt de Antuco het verst van de kust.(Vert.)7John Mitchell,Woodwardianprofessor in de Mineralogie te Cambridge, leefde omstreeks het midden der 18de eeuw. Hij bekleedde dit professoraat slechts acht jaren, om zich daarna geheel aan de theologische bezigheden te wijden. In 1760 publiceerde hij in de Philos. Transact. eene verhandeling over “The Cause and Phenomena of Earthquakes.” De groote aardbeving van Lissabon in 1755 had zijne belangstelling in dit onderwerp gewekt. Sommige van zijn ideeën over de onderaardsche bewegingen zijn zeer scherpzinnig en juist.(Vert.)8Arago inL’Institut, 1839, blz 337. Zie ook Mier,Chile, deel I, blz. 392, en Lyell,Principles of Geology, deel II, blz. 119 (10e uitgaaf).9De oude stad Concepcion, ook Penco geheeten, werd toen geheel verwoest en door eene vloedgolf verzwolgen. De inwoners bouwden toen ongeveer 10 mijlen van de kust eene nieuwe stad, om van zulke overstroomingen verschoond te blijven. Tegelijk werd eene nederzetting op de kust van Juan Fernandez bijna geheel door eene dergelijke golf vernietigd. In 1730 en verder terug tot 1590 hebben dergelijke rampen deze streek bezocht. Verder reikt de overlevering niet.(Vert.)10Reeds lang bestaat op bovengenoemde gronden de meening, dat de geheele reeks van rotsachtige eilanden, die zuidelijk van Valdivia tot aan den ingang der Straat van Magelhaen (van 39° 53′-52° 16′ Z.B.) tegenover de fjorden van het vasteland liggen, een afgebroken of verzwolgen kam van de Cordilleras is, waarvan alléen de toppen boven zee uitsteken. Vooral de onderzeesche uitbarstingen wijzen hierop.(Vert.)11De oppervlakte van dit lavameer zou dan ongeveer 745,900 □ Kilom. geweest zijn, terwijl die van de Zwarte Zee 423,990 □ Kilom. bedraagt.(Vert.)12Deze indringende beweging heet met een wetenschappelijk woord:intrusie.(Vert.)13Voor eene volledige beschrijving van de vulkanische verschijnselen, die de aardbeving van 20 Februari 1835 vergezelden, en voor de gevolgtrekkingen, welke daaruit zijn af te leiden, moet ik verwijzen naar deel V der Geological Transactions.14E. Suess “Die Entstehung der Alpen,” en “Antlitz der Erde;” A. Heim “Untersuchungen über den Mechanismus der Gebirgsbildung.”
Op 15 Januari zeilden wij uit Low’s Haven, en ankerden drie dagen later voor de tweede maal in de baai van San Carlos op Chiloë. In den nacht van den 19den was de vulkaan Osorno in werking. Te middernacht nam de schildwacht eene groote ster waar, die tot ongeveer drie ure trapswijze in grootte toenam, en toen een prachtig schouwspel aanbood. Met behulp van een verrekijker zag men donkere voorwerpen te midden van een hel rood lichtschijnsel onafgebroken omhoog werpen en weer neervallen. Het licht was sterk genoeg om een lang helder spoor op het water te werpen. In dit gedeelte van de Cordilleras schijnt het zeer vaak voor te komen, dat groote hoeveelheden gesmolten stof uit de kraters worden geworpen. Men verzekerde mij, dat als er eene uitbarsting van den Corcovado plaats heeft, groote wolken stof omhoog worden geslingerd, die men in de lucht ziet barsten, en dan vele grillige vormen, zooals boomen e.a., ziet aannemen. De grootte dezer stofwolken moet geweldig zijn, want zij kunnen worden waargenomen op het tafelland achter San Carlos, dat niet minder dan 93 mijlen van den Corcovado verwijderd is. Des morgens kwam de vulkaan tot rust.
Tot mijne verwondering hoorde ik later, dat de Aconcagua in Chili, 480 mijlen noordwaarts, dienzelfden nachtóók in werking was; en die verbazing steeg nog, toen ik vernam, dat de groote uitbarsting van de Coseguina (2700 mijlen ten noorden van de Aconcagua), vergezeld van eene aardbeving die 1000 mijlen ver gevoeld werd, binnen zes uren na ditzelfde tijdstip plaats had. Dit samenvallen is des te merkwaardiger, wijl de Coseguina sedert 26 jaren slapend was geweest,1en de Aconcagua hoogst zelden eenig teeken van leven geeft. Het is moeilijk na te gaan, of dit samentreffen louter toeval was, of dat het op eene onderaardsche gemeenschap wijst. Indien de vulkanen Vesuvius, Etna en Hekla (alle drie betrekkelijk dichter bij elkander dan de bovengenoemde punten in Zuid-Amerika) plotseling in denzelfden nacht in uitbarsting geraakten, zou dit samenvallen als eene merkwaardige gebeurtenis worden beschouwd; maar veel merkwaardiger is het in dit geval, nu de drie openingen in dezelfde groote bergketen liggen, en de uitgestrekte vlakten langs de geheele oostkust alsmede de uit zee geheven jongere schelpen meer dan 2000 mijlen ver op de westkust, getuigen op welke gelijkmatige en samenhangende wijze de opstuwende krachten gewerkt hebben.
Daar kapitein Fitz-Roy op de buitenkust van Chiloë eenige opmetingen wenschte te doen, werd besloten, dat Mr. King en ik naar Castro zouden rijden, en vandaar dwars over het eiland naar de op de westkust gelegen Capella de Cucao. Nadat wij paarden en een gids hadden gehuurd, gingen wij op den morgen van den 22sten op weg. Wij hadden nog niet lang gereden, toen eene vrouw en twee knapen, die denzelfden weg volgden, zich bij ons voegden. Op dezen weg wordt men spoedig met iedereen vertrouwelijk, en kan men het in Zuid-Amerika zoo zeldzame voorrecht genieten van zonder vuurwapenen te reizen. Aanvankelijk bestond het landschap uit eene reeks heuvels en dalen; maar dichter bij Castro werd het zeer vlak. De weg zelf is iets zonderlings: hij bestaat over zijne gansche lengte (met uitzondering vanzeer enkele gedeelten) uit groote houten blokken, die nu eens breed en in de lengte zijn gelegd, dan weer smal zijn en overdwars liggen. Des zomers is de weg niet zoo heel slecht; maar in den winter, als het hout glibberig is door den regen, is de tocht uitermate moeilijk. In dat jaargetijde is de grond aan weerszijden een moeras en menigmaal overstroomd; het is dan noodig de overlangsche blokken door dwarsliggers te bevestigen, die aan beide kanten in den grond worden genageld. Deze pinnen maken een val van het paard gevaarlijk, daar de kans om op zulk een pin terecht te komen, niet gering is. Het is echter opmerkelijk, hoe vlug de paarden van Chiloë door de gedurige oefening worden. Ontmoetten zij slechte gedeelten, waar de blokken uit hunnen stand waren geraakt, dan sprongen zij, met de vlugheid en zekerheid van honden, van het eene blok op het andere. Rechts en links wordt de weg begrensd door hooge woudboomen, die aan de ondereinden door riethalmen zijn samengevlochten. Als nu en dan een lang gedeelte dezer laan overzien kon worden, bood dit een zonderling tooneel van gelijkvormigheid. De witte lijn van blokken, die in de verte gezien smaller werd, verloor zich in het donkere woud, of eindigde in eene zigzaglijn die over een steilen heuvel liep.
Ofschoon de afstand van San Carlos tot Castro in rechte lijn slechts twaalfleaguesbedraagt, moet het aanleggen van den weg een groot werk zijn geweest. Men verhaalde mij, dat vroeger verscheidene personen het leven hadden verloren, bij eene poging om door het woud heen te dringen. De eerste, dien dit gelukte, was een Indiaan, die zich in acht dagen tijds een weg door het riet baande en San Carlos bereikte. Tot loon daarvoor schonk de Spaansche regeering hem een stuk land. Gedurende den zomer zwerven vele Indianen in de wouden (doch voornamelijk in de hoogere gedeelten waar het hout niet zoo dicht is), om het halfwilde vee op te sporen, dat zich met de bladeren van rietstengels en sommige boomen voedt. Het was een van deze jagers, die enkele jaren geleden toevallig een Engelsch schip ontdekte,dat op de buitenkust gestrand was. Het scheepsvolk begon gebrek aan proviand te krijgen, en zou waarschijnlijk nooit uit deze bijna ondoordringbare bosschen gekomen zijn, zonder de hulp van dezen man. Een der zeelieden stierf onderweg van vermoeienis. De Indianen richten zich op deze tochten naar de zon, zoodat zij bij aanhoudend bewolkte lucht niet kunnen reizen.
Het was mooi weder, en de menigte boomen, die in vollen bloei stonden, vervulden de lucht met welriekende geuren. Maar zelfs dit was bijna niet in staat den droefgeestigen aanblik van het vochtige woud op te vroolijken. Hierbij komt nog, dat de vele doode stammen, die als geraamten voor u oprijzen, nooit nalaten op deze ongerepte wouden een stempel van plechtigen ernst te drukken, welke in die van lang beschaafde landen ontbreekt. Kort na zonsondergang sloegen wij ons bivouak op voor den nacht. Onze vrouwelijke metgezel, die er vrij knap uitzag, behoorde tot eene van de meest geachte families in Castro; wat intusschen niet wegnam, dat zij schrijlings en zonder kousen of schoenen te paard zat. Wat mij verwonderde, was het volkomen gemis van trots bij haar en haren broeder. Zij hadden voedsel bij zich, doch zaten Mr. King en mij bij al wat wij aten voortdurend aan te kijken, totdat wij van schaamte er toe gedreven werden het geheele gezelschap te laten meeëten. De nacht was onbewolkt, en terwijl wij op ons leger lagen, genoten wij het alleszins verrukkelijke schouwspel van de menigte sterren, die de duisternis van het woud met haar zwak schijnsel verlichtten.
23 Januari.Vroeg in den morgen stonden wij op, en bereikten te ongeveer 2 ure het aardige, rustige stadje Castro. De oude gouverneur was sedert ons vorig bezoek gestorven, en een Chileen had zijne plaats ingenomen. Wij hadden een introductie-brief aan Don Pedro, die ons hoogst gastvrij en vriendelijk ontving, en op meer belangelooze wijze dan aan deze zijde van het vasteland gebruikelijk is. Den volgenden dag bezorgde Don Pedroons versche paarden, en bood aan ons zelf te vergezellen. Wij reden verder naar het zuiden, waarbij wij meest de kust volgden, en gingen door verscheidene gehuchten, elk voorzien van eene groote houten kapel in den vorm van een veestal. Te Vilipilli vroeg Don Pedro den commandant ons een gids mede te geven naar Cucao. De oude edelman bood zelf zijn geleide aan; maar het duurde geruimen tijd eer hij wilde gelooven, dat twee Engelschen in allen ernst naar zulk een afgelegen plaats, als Cucao, wilden gaan. Wij werden dus vergezeld door de twee hoogste autoriteiten in het land; en dit bleek duidelijk uit de houding van al de armere Indianen tegenover hen. Te Chonchi staken wij het eiland dwars over, en volgden een doolhof van slingerpaden, die nu eens door prachtige wouden, dan door vriendelijke open vlakten liepen, waarop overvloed van koren en aardappelspruiten. Dit golvende en gedeeltelijk bebouwde boschland herinnerde mij aan de woestere streken in Engeland, zoodat dit landschap mijn oog bijzonder boeide. Te Vilinco, dat aan de oevers van het Meer van Cucao is gelegen, waren slechts enkele velden ontboscht; en alle bewoners schenen Indianen te zijn. Dit meer is twaalf mijlen lang en strekt zich uit in de richting van oost naar west. Door plaatselijke omstandigheden waait de zeewind zeer geregeld over dag, maar gaat des nachts liggen. Dit verschijnsel heeft tot zonderlinge overdrijvingen aanleiding gegeven, want volgens de beschrijving, die men ons te San Carlos er van gaf, geleek het bijna een wonder.
De weg naar Cucao was zoo bijster slecht, dat wij besloten ons op eeneperiaguain te schepen. Op den meest gezagvollen toon gaf de commandant aan zes Indianen last ons over te zetten, zonder zich te verwaardigen hun te zeggen of zij betaald zouden worden. Deperiaguais eene zonderlinge, ruw afgewerkte boot, maar de bemanning was nog zonderlinger; en ik betwijfel of er wel ooit leelijker mannetjes in eene boot bijeen zijn geweest, dan deze zes. Zij roeiden echter zeer goed en met lust. De roeier, die den slag aangaf, babbelde Indiaansch en uitte zonderlinge kreten,zoo ongeveer op de manier van een varkenshoeder, die zijne beesten voortdrijft. Wij vertrokken met een zwakken tegenwind, maar bereikten toch de Capella de Cucao vóór het donker was. Het land rondom het geheele meer was een en al woud. In dezelfde periagua, waarin wij zaten, werd eene koe vervoerd. Oppervlakkig schijnt het moeilijk zulk een groot dier in eene kleine boot te krijgen; maar de Indianen verrichtten het in eene minuut. Zij brachten de koe op zijde van de boot, die tot haar werd overgeheld; plaatsten twee riemen, waarvan de einden op het dolboord rustten, onder haren buik; deden fluks met behulp van deze hefboomen het arme dier hals over kop op den bodem der boot tuimelen, en bonden het toen met twee touwen vast. Te Cucao vonden wij eene onbewoonde hut (die tot woning van den geestelijke dient, als hij deze Capella bezoekt), maakten hier een vuur aan, kookten ons avondeten, en waren recht op ons gemak.
Het district Cucao is het eenige bewoonde gedeelte op de geheele westkust van Chiloë, en bevat omstreeks dertig of veertig Indiaansche gezinnen, die vier of vijf mijlen ver langs het strand verspreid zijn. Dezen leven zeer afgezonderd van de rest van het eiland, en drijven bijna geen handel, behalve somtijds in wat olie, dat zij uit zeehondenvet bereiden. Hunne kleederen, die van eigen maaksel zijn, voldoen redelijk wel; en eten hebben zij in overvloed. Niettemin schenen zij ontevreden, en toch zoo onderdanig, dat het pijnlijk was om aan te zien. Ik geloof, dat deze stemming voornamelijk is toe te schrijven aan de ruwe en gezaghebbende wijs, waarop zij door hunne regeerders behandeld worden. Ofschoon onze metgezellen tegen ons zoo uiterst beleefd waren, gedroegen zij zich tegen de arme Indianen, alsof dezen slaven in plaats van vrije mannen waren. Zij bestelden proviand en paarden, doch verwaardigden zich nooit te zeggen met hoeveel en of de eigenaars betaald zouden worden. Toen wij des morgens met deze arme lieden alleen waren, maakten wij ons spoedig door geschenken in sigaren en maté bemind. Een klont witte suiker werd onder alle aanwezigen verdeeld en met de grootste nieuwsgierigheid geproefd.De Indianen besloten al hunne klachten met de woorden:
“En dat is nu alléén, omdat wij arme Indianen zijn en niets weten; maar zóó was het niet toen wij een koning hadden.”
Den volgenden dag reden wij, na het ontbijt, enkele mijlen noordwaarts naar Punta Huantamó. De weg liep langs een zeer breed strand, waarop, zelfs na vele mooie dagen, eene geduchte branding stond. Men verzekerde mij, dat na een hevigen storm het geraas der branding des nachts zelfs in Castro kan worden gehoord—een afstand van niet minder dan 21 zeemijlen (ongeveer 39 kilom.) door een heuvelachtig en met bosschen bedekt land. Wegens de ondraaglijk slechte paden, kostte het ons eenige moeite het punt te bereiken; want overal waar schaduw is, wordt de grond spoedig een volslagen modderpoel. Het punt zelf is een steile, rotsachtige heuvel, bedekt met eene, naar ik meen aanBromeliaverwante plant, die door de bewonersCheponeswordt genoemd. Bij het klauteren door de plantenbedden, werden onze handen deerlijk geschramd. Ik had er schik in, toen ik onzen Indiaanschen gids uit voorzorg zijn broek zag opslaan, wijl hij dacht dat zijn broek teerder was dan zijn harde huid. Genoemde plant bezit eene vrucht in den vorm van eene artisjok, waarin een aantal zaadhuisjes zijn opgehoopt; dezen bevatten een aangenaam zoet merg, dat hier zeer gezocht is. Te Low’s Haven zag ik de Chilotenchichiof appeldrank uit deze vruchten maken. Humboldt’s opmerking, dat bijna ieder mensch middelen vindt om uit het plantenrijk den eenen of anderen drank te bereiden, is dus volkomen waar. Intusschen hebben de wilden van Vuurland en, naar ik geloof, ook die van Australië het in deze kunst zoover niet gebracht.
De kust ten noorden van Punta Huantamó is uiterst oneffen en gebroken, en wordt omringd door talrijke klippen, waarop de zee zonder ophouden beukt. King en ik hadden, zoo mogelijk, te voet langs deze kust willen terugkeeren; maar zelfs de Indianen zeiden, dat dit geheel ondoenlijk was.Zij vertelden ons, dat er wel personen rechtstreeks door de bosschen van Cucao naar San Carlos waren gegaan, doch nooit langs de kust. Op deze tochten nemen de Indianen alleen geroosterd koren mede, waarvan zij slechts tweemaal daags eten.
26 Januari.Wij stapten opnieuw in de periagua, keerden over het meer terug, en bestegen toen onze paarden. Alle bewoners van Chiloë maakten van deze week van ongewoon fraai weder gebruik, om het bosch door vuur uit te roeien. Ondanks hun ijver om overal het bosch in brand te steken, zag ik toch geen enkel vuur in omvang toenemen. Wij aten bij onzen vriend, den commandant, en bereikten Castro niet voordat het donker was. Den volgenden morgen gingen wij zeer vroeg op weg. Nadat wij eenigen tijd gereden hadden, bereikten wij den top van een steilen heuvel, en hadden hier (wat eene zeldzaamheid is op dezen weg) een ruim vergezicht over het groote woud. Boven den horizon van boomen, staken de vulkanen Corcovado en, ten noorden daarvan, de groote met den vlakken top,2trotsch en oppermachtig hunne kraters omhoog. Bijna geen enkele andere berg in de lange keten vertoonde zijn besneeuwden top. Ik hoop, dat ik den afscheidsblik, dien ik van Chiloë op de prachtige Cordilleras wierp, lang in mijn geheugen mag bewaren!... Des nachts kampeerden wij onder een wolkloozen hemel, en bereikten den volgenden morgen San Carlos. Wij kwamen op den rechten dag, want nog vóór den avond begon het hevig te regenen.
4 Februari.Wij zeilden van Chiloë weg. Gedurende de laatste week deed ik verscheidene kleinere uitstapjes. Een daarvan had ten doel eene groote laag schelpdieren van nog levende soorten te onderzoeken, 350 voet boven den spiegel der zee gelegen. Door deze laag van schelpdieren groeiden hooge boomen op! Een andere rit was naar Port Huechucucuy. Ik had een gids bij mijdie het land wat al te goed kende, want hij noemde mij eene eindelooze reeks Indiaansche namen op voor elke kreek, voor elk plekje en riviertje. Evenals in Vuurland, schijnt de Indiaansche taal bijzonder goed geschikt te zijn voor het geven van namen aan de meest onbeduidende vormen van het land. Ik geloof, dat ieder blijde was Chiloë vaarwel te kunnen zeggen; en toch zou dit eiland verrukkelijk mogen heeten, zoo wij den eindeloozen en naargeestigen winterregen konden wegdenken. Ook ligt er iets zeer aantrekkelijks in den eenvoud en de onderdanige beleefdheid der arme bewoners!
Wij stuurden noordwaarts langs het strand; maar wegens het mistige weder bereikten wij Valdivia niet voor den nacht van den achtsten. Den volgenden morgen voer de boot naar de omstreeks tien mijlen ver gelegen stad. Toen wij den loop der rivier volgden, voeren wij nu en dan voorbij eene hut, een plekje grond dat in het overigens ongerepte woud gebaand was, en ontmoetten soms eene kano met eene Indiaansche familie. De stad ligt aan de lage oevers van den stroom, en zoo geheel in een bosch van appelboomen begraven, dat de straten letterlijk paden zijn te midden van een boomgaard. Nooit heb ik eene streek gezien, waar appelboomen zoo goed schenen te tieren als in dit vochtige gedeelte van Zuid-Amerika. Aan de kanten der wegen stonden vele, blijkbaar zelfgezaaide jonge boomen. Op Chiloë bezitten de bewoners eene verwonderlijk korte methode om een boomgaard te maken. Uit het ondereinde van bijna elken tak steken kleine, bruine, kegelvormige, schrompelige punten, die altijd gereed staan om in wortels te veranderen, zooals nu en dan te zien is waar toevallig wat modder tegen den boom is gespat. Vroeg in de lente wordt een tak ter dikte van een menschenvinger uitgekozen, en vlak onder eene groep van zulke punten afgekapt; alle kleinere takken worden gesnoeid, en de tak zelf omstreeks twee voet diep in den grond gestoken. In den daarop volgenden zomer schiet de stomp lange spruiten uit, en draagt nu en dan zelfs vruchten. Men wees mij er een, die 23 appelen had voortgebracht;maar dit werd als een zeer ongewoon iets beschouwd. In het derde seizoen verandert de stomp (gelijk ik zelf heb gezien) in een flinken houten, met vruchten beladen boom. Een oud man bij Valdivia lichtte zijn motto:Necesidad es la madre del invencion(Noodzakelijkheid is de moeder der vindingrijkheid) toe, door een verhaal te doen van de vele nuttige dingen, die hij uit deze appelen bereid had. Na het maken van appeldrank en wijn, trok hij uit het overschot een witten en fijn riekenden ether; door eene andere methode verschafte hij zich eene zoete stroop, of, zooals hij zeide, honig. In dit jaargetijde schenen zijne kinderen en varkens bijna in zijn boomgaard te wonen.
11 Februari.Vergezeld van mijn gids deed ik een korten rit, maar zag op dit uitstapje bijzonder weinig, zoowel van de geologie van het land als van zijne bewoners. Bij Valdivia is niet veel land ontboscht. Nadat wij enkele mijlen ver eene rivier waren overgestoken, gingen wij het woud in, en kwamen toen voorbij slechts ééne armzalige hut, voordat wij onze nachtelijke slaapplaats bereikten. Het geringe breedte-verschil van 150 mijlen heeft aan het woud een nieuw aanzien gegeven, vergeleken bij dat van Chiloë. Dit is toe te schrijven aan eene eenigszins verschillende verhouding in de boomsoorten. De altijd groene boomen schijnen hier niet even talrijk; en dientengevolge heeft het woud eene lichtere tint. Evenals op Chiloë, zijn de lage gedeelten door riethalmen omvlochten; maar tevens groeit hier eene andere soort (die op de bamboes van Brazilië gelijkt en ongeveer 20 voet hoog is) in bossen, en versiert de oevers van sommige stroomen op zeer aangename wijs. Het is van deze plant, dat de Indianen hunnechuzo’sof lange puntige speren maken. Onze rustplaats was zoo vuil, dat ik liever buiten ging slapen. Op deze tochten is de eerste nacht meestal zeer onaangenaam, omdat men niet gewoon is aan het kriebelen en bijten der vlooien. Ik weet zeker, dat er des morgens geen plekje ter grootte van een shilling op mijne beenen was, dat niet een rood litteeken vertoonde waar de vlooien hadden gebeten.
12 Februari.Wij vervolgden onzen rit door het ongebaande woud. Slechts nu en dan ontmoetten wij een Indiaan te paard, of een troep fraaie muildieren, die lorkeboomenhout en koren van de zuidelijke vlakten vervoerden. In den namiddag was een der paarden uitgeput; wij bevonden ons toen op den top van een heuvel, die een fraai uitzicht op de Llanos verschafte. Als men zoo lang in eene wildernis van boomen heeft rondgezworven, is het gezicht van deze open vlakten zeer frisch en opwekkend. Deze westkust doet mij met genoegen terugdenken aan de vrije, onbegrensde vlakten van Patagonië: en toch kan ik, om de scherpe tegenstelling, niet vergeten hoe verheven de stilte van het woud is. De Llanos zijn de vruchtbaarste en dichtst bevolkte gedeelten van het land, daar zij het onschatbare voorrecht genieten van bijna geheel vrij te zijn van boomen. Voordat wij het woud verlieten, reden wij door eenige kleine, effen grasvlakten, met enkele rondom staande boomen, evenals in een Engelsch park. In boschrijke, heuvelachtige streken heb ik dikwijls met verwondering opgemerkt, dat de volkomen vlakke gedeelten verstoken zijn van boomen. De vermoeienis van het eene paard deed mij besluiten aan de Missie van Cudico halt te houden, te meer omdat ik aan den monnik er van een introductie-brief had. Cudico is een district, tusschen het woud en de Llanos gelegen. Het bevat een vrij groot aantal hutten, met koren- en aardappelveldjes, die bijna alle aan Indianen toebehooren. De aan Valdivia onderhoorige stammen zijnreducidos y cristianos(bekeerden en christenen). Verder noordwaarts, bij Arauco en Imperial, zijn de Indianen nog zeer wild en onbekeerd; maar zij staan allen in druk verkeer met de Spanjaarden. Depadrevertelde, dat de Christen-Indianen niet zeer gezind waren om naar de mis te gaan, doch overigens veel eerbied voor den godsdienst toonden. De grootste moeilijkheid is, hen de huwelijksceremoniën in acht te doen nemen. De wilde Indianen nemen zoo vele vrouwen als zij kunnen onderhouden, en eencaciqueheeft er somtijds meer dan tien. Komt men bij laatstgenoemdenin huis, dan kan men uit het getal vuren aldaar opmaken hoeveel vrouwen hij heeft. Elke vrouw woont beurtelings eene week bij den cacique in, maar weeft gedurende dien tijd zijne poncho’s en wat hij verder noodig heeft. De vrouw van een cacique te zijn, is eene eer waarop de Indiaansche vrouwen zeer gesteld zijn.
Bij al deze stammen dragen de mannen een grof wollen poncho; die ten zuiden van Valdivia dragen een korte broek, en ten noorden daarvan een rok evenals de chilipa der Gauchos. Allen binden hunne lange haren met een scharlaken-rooden band samen, maar dragen geen andere bedekking op het hoofd. Deze Indianen hebben een flinken lichaamsbouw, en gelijken zoowel door de vooruitstekende wangbeenderen, als hun voorkomen in ’t algemeen, op de groote Amerikaansche familie waartoe zij behooren. Het scheen mij echter toe, dat hun uiterlijk eenigszins afweek van dat der andere stammen, die ik vroeger gezien had. Hunne uitdrukking is in het algemeen ernstig, zelfs streng, en bezit veel karakter, dat òf voor eerlijke botheid òf trotsche vastberadenheid kan doorgaan. Het lange zwarte haar, de ernstige, scherpgeteekende trekken en de donkere gelaatskleur herinnerden mij aan oude portretten van Koning Jacobus I.3Onderweg ontmoetten wij nergens die onderdanige beleefdheid, welke op Chiloë zoo algemeen is. Sommigen uitten hunmari-mari(goeden morgen) vlug en bondig; doch het meerendeel scheen niet gezind te groeten. Deze onafhankelijkheid in manieren is waarschijnlijk een gevolg van hunne langdurige oorlogen, en van de herhaalde overwinningen, door hen alléén (van al de stammen in Amerika) op de Spanjaarden behaald.
Ik bracht den avond zeer genoeglijk door in gesprek met den padre. Hij was uiterst vriendelijk en gastvrij; en daar hij uit Santiago kwam, had hij middelen weten te vinden om zich hier eenig comfort te verschaffen. Als iemand vaneenige, hetzij dan geringe opvoeding, klaagde hij bitter over het totale gemis van gezelligheid. Hoe kwijnend moet voor dezen man, die geen bijzonderen godsdienstijver, geen bezigheid of doel had, het leven voorbijgaan!
Den volgenden dag ontmoetten wij op onzen terugkeer zeven Indianen met een zeer woest voorkomen, onder wien zich enkele caciquen bevonden, die van de Chileensche regeering juist hunne kleine jaarlijksche toelaag voor langdurigen trouw hadden ontvangen. Het waren mannen met een knap uiterlijk; maar toen zij achter elkander ons voorbijreden, stonden hunne aangezichten zeer betrokken. Een oude cacique, die aan het hoofd van den troep reed, had waarschijnlijk nog gulziger gedronken dan de anderen, want behalve uitermate ernstig, scheen hij ook zeer knorrig. Kort te voren hadden zich twee Indianen bij ons gevoegd, die van eene afgelegen missie naar Valdivia reisden wegens een rechtsgeding. De een was een opgewekt oud man; maar zijn baardeloos en gerimpeld gezicht geleek meer op dat van eene oude vrouw, dan van een man. Ik bood beiden meer dan eens sigaren aan; en hoewel zij die gewillig—ik durf zeggen dankbaar—aannamen, verwaardigden zij zich bijna niet mij te bedanken. Een Indiaan op Chiloë zou zijn hoed hebben afgenomen, onder het uitspreken van de woorden:Dios le page!(God loone u!).
Onze tocht was zeer vermoeiend, zoowel wegens den slechten staat der wegen, als wegens de talrijke gevallen boomen, die wij moesten overspringen, of door lange omwegentrachttente vermijden. Wij sliepen onder den blooten hemel, en bereikten den volgenden morgen Valdivia, vanwaar ik mij aan boord begaf.
Enkele dagen later stak ik met eenige officieren de baai over, en landde nabij het fort, Niebla genaamd. De gebouwen alhier verkeerden in zeer bouwvalligen staat, en de affuiten der kanonnen waren geheel verrot. Wickham deed den bevelvoerenden officier de opmerking, dat deze kanonnen stellig bij het eerste schot in stukken zouden vliegen. De oude krijgsman trachtte zich goed te houden, en gaf ernstigten antwoord: “Neen, segnor, ik ben er zeker van, dat zij er wel twee zouden doorstaan!” De Spanjaarden moeten voornemens zijn geweest dit fort onneembaar te maken. Midden op het binnenplein ligt thans een bergje mortel, welke in hardheid niet onderdoet voor de rots waarop hij ligt. Hij werd uit Chili hierheen gebracht, en kostte 7000 dollars. Het uitbreken van de omwenteling belette, dat hij voor het doel gebruikt werd; en nu ligt die kalk daar als een gedenkteeken aan Spanje’s vroegere grootheid.
Ik wilde naar eene omstreeks anderhalve mijl ver gelegen woning gaan, maar mijn gids zeide, dat het volstrekt onmogelijk was in eene rechte lijn door het woud te dringen. Wel bood hij aan mijn gids te wezen, en langs donkere paden, die voor het vee bestemd zijn, den kortsten weg er heen te volgen. Er waren intusschen nog drie uren voor deze wandeling noodig. Het werk van dezen man bestond in het opdrijven van verdwaald vee. Ofschoon hij zoodoende de bosschen goed moest kennen, was hij niet lang geleden twee dagen zoek geweest, en had niets te eten gehad. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de onbegaanbaarheid der wouden in deze streken. Dikwijls stelde ik mij de vraag, hoe lang het spoor van een gevallen boom wel zichtbaar zou zijn. Deze man wees mij er een, die veertien jaren geleden door een troep vluchtende royalisten geveld was; en dezen als maatstaf nemende, denk ik dat een stam van anderhalven voet in middellijn na 30 jaren tijds in een hoop mestaarde veranderd zou zijn.
20 Februari.Deze dag is in de jaarboeken van Valdivia gedenkwaardig geworden door de hevigste aardbeving, welke de oudste inwoner zich herinneren kan. Ik bevond mij op het strand en lag in het bosch uit te rusten. Plotseling kwam de aardbeving op, en duurde twee minuten; maar de tijd scheen veel langer. Het schudden van den grond was zeer merkbaar. Mijn metgezel en ook mij scheen het toe, dat de golvingen uit het oosten kwamen, terwijl anderen dachten, dat zij uit het zuidwestenstraalden; dit bewijst hoe lastig het soms is de richting der trillingen waar te nemen. Het kostte geen moeite om staande te blijven, maar de beweging maakte mij duizelig. Soms geleek deze op het deinen van een schip in eene zwakke kruiskabbeling, of meer nog op die, welke men voeltbijhet schaatsenrijden op dun ijs, dat onder het gewicht van het lichaam buigt.
Eene hevige aardbeving vernietigt op eens onze oudste zintuigelijke gewaarwordingen. De aarde, het ware symbool van hechtheid, heeft zich onder onze voeten bewogen, evenals een dunne korst boven eene vloeistof, en ééne secunde tijds heeft in onze ziel een vreemd idee van onveiligheid gewekt, waartoe uren van overpeinzing niet in staat zouden geweest zijn. In het woud deed eene koelte de boomen trillen; maar ofschoon ik de aarde voelde bewegen, zag ik geen ander effect. Tijdens den schok was kapitein Fitz-Roy met eenige officieren in de stad, en daar was het schouwspel aangrijpender; want ofschoon de huizen wel niet omvielen, doordien zij van hout waren gebouwd, werden zij toch hevig geschud, en kraakten en rammelden de planken. In de grootste onrust snelden de menschen de deur uit. Het zijn deze bijkomende gebeurtenissen, welke dien grooten afschrik voor aardbevingen wekken in het gemoed van allen, die zulke gevolgen er van gezien en gevoeld hebben. In het woud was het een zeer belangwekkend, doch volstrekt niet angstwekkend verschijnsel. De invloed op de getijen was verrassend. De groote schok had plaats op het uur van laag water. Eene oude vrouw, die juist op het strand was, zeide mij later dat het water zeer snel, maar niet in vloedgolven tot hoogpeil steeg, en daarna even snel tot zijn natuurlijk peil terugkeerde. De juistheid daarvan bleek uit de lijn van nat zand. Eene dergelijke snelle, maar kalme beweging in het getij had enkele jaren geleden tijdens eene zwakke aardbeving op Chiloë plaats, en wekte veel noodelooze vrees. In den loop van den avond waren er vele zwakkere schokken, die in de haven de meest samengestelde stroomingen schenen voort te brengen—en eenige zeer sterke.
4 Maart.Wij liepen de baai van Concepcion binnen. Terwijl het schip naar de ankerplaats stevende, landde ik op het eiland Quiriquina. Hier kwam demayordomoder plantage snel naar mij toe rijden, om het vreeselijke nieuws der groote aardbeving van den 20sten te vertellen: “dat er in Concepcion of Talcahuano (de haven) geen huis meer overeind stond; dat zeventig dorpen waren verwoest, en dat een vloedgolf de puinhoopen van Talcahuano bijna geheel had weggespoeld.” Van deze laatste verklaring zag ik weldra bewijzen in overvloed: de geheele kust was bezaaid met stukken hout en huisraad, alsof er een duizend schepen waren vergaan. Behalve stoelen, tafels, plankenkasten, enz. in grooten getale, lagen er verscheidene daken van hutten, die bijna in hun geheel waren meegevoerd. De pakhuizen te Talcahuano waren gebarsten, en groote balen katoen, Paraguay-thee en andere kostbare koopmansgoederen lagen over het strand verspreid. Terwijl ik het eiland rondwandelde, merkte ik op, dat talrijke rotsblokken, die blijkens de daaraan hechtende zeevoortbrengselen kort geleden in diep water moesten gelegen hebben, hoog op het strand waren geworpen. Een dezer blokken was zes voet lang, drie voet breed, en twee dik.
Het eiland zelf vertoonde even duidelijk de overweldigende kracht der aardbeving, als het strand dit deed van de vernielende werking der daarop gevolgde vloedgolf. Op vele plaatsen was de grond in noord- en zuidlijnen gespleten—wellicht veroorzaakt door het wijken der evenwijdige en steile zijwanden van dit smalle eiland. Sommige spleten in de nabijheid der klippen waren een yard wijd. Reeds waren vele reusachtige rotsblokken op het strand gevallen; en de inwoners dachten, dat, als de regens begonnen, er nog veel grootere verschuivingen zouden plaats hebben. De uitwerking van de trilling op den harden primairen leisteen was nog merkwaardiger: de bovengedeelten van eenige smalle riffen waren zoo volkomen gesplinterd, alsof men ze door kruit had laten springen. Deze uitwerking, die duidelijk kenbaar was aan de versche breuken en den verplaatstengrond, moet zich tot de oppervlakte hebben bepaald, daar anders in geheel Chili geen stuk vaste rots meer zou bestaan; ook is die meening niet onwaarschijnlijk, omdat de oppervlakte van een trillend lichaam (naar men weet) anders wordt bewogen dan het middengedeelte. Wellicht moet aan dezelfde oorzaak worden toegeschreven, dat aardbevingen in diepe mijnen niet zulke geduchte verwoestingen aanrichten, als men zou verwachten. Ik geloof, dat deze stuiptrekking der aardkorst meer tot de grootte-vermindering van het eiland Quiriquina heeft bijgedragen, dan de gewone knagende en sloopende werking van zee en dampkring in den loop eener eeuw.
Den volgenden dag landde ik te Talcahuano, en reed daarop naar Concepcion. Beide steden boden het vreeselijkste, maar tevens belangwekkendste schouwspel, dat ik ooit zag. Op iemand, die ze vroeger gekend had, zouden zij mogelijk een nog sterkeren indruk hebben gemaakt; want de puinhoopen waren zoo dooreengemengd, en het geheele schouwspel bezat zoo weinig het voorkomen van eene bewoonde plaats, dat het bijna niet meer mogelijk was zich den vroegeren toestand er van voor te stellen. De aardbeving begon te half twaalf des voormiddags. Zoo zij in het midden van den nacht gebeurd was, zouden de meeste bewoners (die in deze provincie alléén vele duizenden bedragen) zijn omgekomen, terwijl het er nu geen honderd waren. Thans was hun eenig redmiddel de onveranderlijke gewoonte om, bij de eerste schudding van den grond, de deur uit te loopen. In Concepcion was elk huis op zichzelf, of elke rij huizen, een puinhoop of eene rij van puinhoopen; maar in Talcahuano, waar de vloedgolf gewoed had, kon men weinig meer onderscheiden dan eene laag steenen, dakpannen en stukken hout, met hier en daar een brok muur dat was blijven staan. Om die reden bood Concepcion, ofschoon niet zoo geheel verwoest, een vreeselijker, en als ik het zoo noemen mag, ook schilderachtiger schouwspel. De eerste schok was zeer onverwacht. De mayordomoopQuiriquina vertelde mij, dat de eerste kennisgeving, die hijer van ontving, was, dat hijzelf met het paard waarop hij reed op den grond rolde. Opgestaan, werd hij opnieuw omvergeworpen. Ook vertelde hij mij, dat eenige koeien, die op den steilen rand van het eiland stonden, in zee tuimelden. Door de vloedgolf kwam veel vee om het leven: opeen laageiland, nabij het hoofd der baai, werden zeventig dieren weggespoeld, die verdronken. In ’t algemeen houdt men deze aardbeving voor de vreeselijkste, die Chili ooit beleefd heeft; maar wijl de hevigsten eerst na lange tusschentijden plaats hebben, kan men dit niet licht te weten komen; ook zou een veel heviger schok in zijne gevolgen niet veel verschil hebben opgeleverd, want de verwoesting was volkomen. Tallooze kleine schokken volgden op de groote aardbeving, en binnen de eerste twaalf dagen (20 Februari-4 Maart) werden er niet minder dan 300 geteld.
Nadat ik Concepcion gezien had, kon ik niet begrijpen hoe het meerendeel der inwoners er ongedeerd was afgekomen. Op vele plaatsen vielen de huizen naar buiten, en vormden aldus in het midden der straten kleine heuvels van puin en metselwerk. Rouse, de Engelsche consul, vertelde ons, dat hij aan het ontbijt zat, toen de eerste trilling hem waarschuwde om naar buiten te snellen. Nauwelijks had hij het midden van de binnenplaats bereikt, toen een vleugel van zijn huis met donderend geraas naar omlaag kwam. Hij behield tegenwoordigheid van geest genoeg om zich te herinneren, dat, zoo hij eenmaal op den top van het reeds omlaag gestorte gedeelte zat, hij in veiligheid zou zijn. Door de beweging van den grond niet kunnende blijven staan, kroop hij op handen en voeten vooruit; en nauwelijks had hij deze kleine verhevenheid bereikt, toen de andere vleugel van zijn huis inviel, waarbij de groote balken rakelings langs zijn hoofd gingen. Met oogen verblind door de wolk van stof, die het daglicht verduisterde en hem dreigde te verstikken, bereikte hij eindelijk de straat. Daar de schokken elkander met eene tusschenruimte van enkele minuten opvolgden, durfde niemand de verspreidepuinhoopennaderen; en zoo wist niemand of zijne dierbaarste vrienden enverwanten door gebrek aan hulp stierven. Zij, die wat van hun goed gered hadden, waren genoodzaakt voortdurend daarbij de wacht te houden; want er zwierven dieven rond, en bij elke beving van den grond, sloegen dezen zich met de eene hand op de borst, onder den uitroep: “Misericordia!”, en stalen met de andere uit de puinhoopen wat zij konden. De rieten daken stortten op de vuren, en aan alle kanten sloegen de vlammen uit. Honderden zagen zich van alles beroofd, en slechts weinigen hadden de middelen om zich het dagelijksch voedsel te verschaffen.
Aardbevingen alléén zijn voldoende om de welvaart van een land te verwoesten. Indien in Engeland de thans sluimerende krachtenlosbarsten, waarmede zij zeer zeker in vroegere geologische tijdperken hebben gewoed4, hoe volkomenzou dan de geheele toestand van dat land veranderen! Wat zou er worden van die hooge huizen, die dichtbevolkte handelswijken, die groote fabrieken, die prachtige openbare en particuliere gebouwen? Hoe vreeselijk zou het bloedbad zijn, indien het nieuwe tijdperk van onderaardsche storingen begon in de doodsche stilte van den nacht! Engeland zou op eens bankroet gaan; alle waarde-papieren, alle registers, archieven en verslagen zouden van dat oogenblik af verloren zijn! En de regeering, niet in staat om de belastingen te innen en haar gezag te handhaven, zou machteloos moeten aanzien, dat rooverij, geweld en bandeloosheid voortduurden. In alle groote steden zou hongersnood ontstaan, door pest en dood gevolgd!
Kort na den schok, zag men uit het midden van de baai eene hooge golf naderen. Zij bevond zich op een afstand van drie tot vier mijlen, en vertoonde eene effen oppervlakte. Maar nauwelijks bereikte zij het strand, of zij rukte boomen en hutten weg, en rolde voort met onweerstaanbare kracht. Aan het hoofd der baai spatte zij uiteen in eene ontzagwekkende lijn van witte brekers, die tot eene hoogte van 23 voet boven het hoogste springtij stegen. Hare kracht moet ontzettend zijn geweest, want bij het Fort werd een kanon met zijn affuit, dat op een gewicht van 4tons(4064 kilo) werd geschat, 15 voet binnenwaarts verschoven. Een schoener werd opgelicht, en 200 yards van het strand tusschen de puinhoopen geworpen. De eerste golf werd door twee andere gevolgd, die bij haren terugkeer eene menigte overblijfsels van drijvende voorwerpen medevoerden. In een deel der baai werd een schip hoog en droog op het strand gezet, toen afgebracht, weêr op het strand gezet, en nogmaals afgebracht. In een ander gedeelte werden twee groote schepen,die dicht bij elkander voor anker lagen, rondgedraaid, en werden hunne kabels driemaal om elkaar gewonden. Niettegenstaande hun ankergrond hier 36 voet diep was, zaten zij eenige minuten lang aan den grond. De vloedgolf moet zich overigens langzaam bewogen hebben, want de inwoners van Talcahuano hadden den tijd om de heuvels achter de stad op te loopen, terwijl eenige zeelieden het ruime sop kozen, vertrouwende dat hunne boot veilig over de deining heen zou komen, zoo zij deze vóór hare breking in stortzeeën konden bereiken. Eene oude vrouw klom ijlings met een knaapje van vier of vijf jaren in eene boot; doch er was niemand om hen weg te roeien. Dientengevolge werd de boot tegen een anker geslingerd en in tweeën geslagen; de oude vrouw verdronk, maar het kind werd eenige uren later, hangend aan het wrak der boot, opgevischt. Groote plassen zout water stonden nog tusschen het puin der huizen, en te midden daarvan zag men kinderen, bezig booten te maken van oude tafels en stoelen, even gelukkig spelen als hunne ouders ongelukkig waren. Het trof mij echter in hooge mate, alle lieden veel vroolijker en bedrijviger te zien, dan men verwacht zou hebben. Zeer terecht werd opgemerkt, dat, nu de verwoesting algemeen was, geen enkel individu lager stond dan een ander, of zijne vrienden van koudegoïsme—dat grievendste gevolg van het verlies van rijkdom—kon beschuldigen. Rouse woonde met een groot aantal dakloozen, die hij welwillend onder zijne bescherming nam, gedurende de eerste week in een tuin onder eenige appelboomen. Eerst waren deze menschen even vroolijk, alsof zij aan eenpicniczaten; doch later veroorzaakte de hevige regen veel neerslachtigheid, want zij waren geheel zonder beschutting.
In het uitnemende verslag van kapitein Fitz-Roy over de aardbeving wordt gezegd, dat er in de baai twee uitbarstingen werden gezien: eene in den vorm van eene rookkolom, en eene tweede, die op het waterspuiten van een grooten walvisch geleek. Ook scheen het water overal in beroering, alsof het kookte, werd “zwart, en dampte eenhoogst onaangenamen zwavelreuk uit.” Deze laatste verschijnselen werden ook waargenomen in de Baai van Valparaiso gedurende de aardbeving in 1822.5Ik onderstel, dat deze uitdampingen hare verklaring vinden in het loswerken van de modder op den bodem der zee, welke veel rottende organische stoffen bevat. In de Baai van Callao bespeurde ik op zekeren dag bij stil weder, dat, toen het schip zijn kabel over den bodem sleepte, eene rij bellen den koers van het vaartuig aanwees. De lagere klassen in Talcahuano dachten, dat de aardbeving veroorzaakt werd door eene oude Indiaansche vrouw, die twee jaren geleden uit wraak voor eene beleediging den vulkaan Antuco verstopt had. Dit onnoozele geloof is hierom eigenaardig, wijl het aantoont, dat de ervaring het volk had leeren opmerken, dat er verband bestaat tusschen de onderdrukte werking der vulkanen en het beven van den grond. Op het punt waar hun begrip omtrent oorzaak en gevolg faalde, moest de tooverij worden toegepast: en dit was het afsluiten van de vulkaanopening. In het bijzondere geval van deze aardbeving was zoodanig bijgeloof des te merkwaardiger, omdat, volgens kapitein Fitz-Roy, de onderstelling gegrond is, dat de Antuco in ’t geheel niet bij het verschijnsel betrokken was.6
De stad Concepcion was in den gewonen Spaanschen trant gebouwd, d.w.z. alle straten kruisten elkander rechthoekig: de eene groep liep in de richting zuidwest ten westen, en de andere groep noordwest ten noorden. In de eerste richting stonden de muren ongetwijfeld beter dan inde tweede, want verreweg het meeste metselwerk werd naar het noordoosten geworpen. Beide omstandigheden stemmen volkomen overeen met het algemeen gevoelen, dat de golvingen uit het zuidwesten zijn gekomen—uit welke streek van den horizon ook de onderaardsche geluiden werden gehoord; want het is duidelijk, dat de muren, loopend in de richting zuidwest-noordoost en dus met hunne kanten gekeerd naar het punt van waar de golvingen kwamen, veel minder kans zouden hebben te vallen dan die muren, loopende in de richting noordwest-zuidoost, die op hetzelfde oogenblik over hunne gansche lengte uit de verticaal werden geworpen, omdat de golvingen die uit het zuidwesten kwamen, bij het doorgaan onder de fundeeringen, in noordwest en zuidoost golven moesten worden ontbonden. Men kan dit toelichten, wanneer men boeken op hun kant op een karpet plaatst, en dan op de manier, door Mitchell7aangegeven, de golvingen van eene aardbeving nabootst. Men zal dan zien, dat die boeken meer of minder schielijk vallen, naar gelang hunne richting meer of minder samenvalt met die welke loodrecht staat op de richting der golven. Ofschoon niet alle, strekten de spleten in den grond zich over ’t geheel uit in eene richting noordwest-zuidoost, en kwamen dus overeen met de golflijnen of lijnen van grootste buiging. Gelet op al deze omstandigheden, die duidelijk op het zuidwesten wijzen als de streek waarin het hoofdbrandpunt van storing gelegen was, is het een feit van veel belang, dat het eiland Santa Maria, hetwelk in dien hoek lag, gedurendede algemeene landrijzing tot eene hoogte steeg bijna driemaal zoo groot als die van eenig ander deel der kust.
Van den ongelijken weerstand, dien de muren naar gelang van hunne richting boden, gaf de kathedraal een sprekend voorbeeld. De zijde, die naar het noordoosten was gekeerd, vertoonde eene grooten puinhoop, en te midden daarvan staken deurkozijnen en stapels timmerhout omhoog, als wrakhout in een stroom. Sommige brokken metselwerk bezaten groote afmetingen, en waren tot ver op het vlakke kerkplein gerold, evenals stukken rots aan den voet van een hoogen berg. De zijmuren (loopende in eene richting zuidwest-noordoost) waren, hoewel deerlijk gescheurd, blijven staan; maar de groote stutten, welke er loodrecht tegen stonden (en dus evenwijdig aan het frontvlak der gevallen muren), waren in vele gevallen, als met een beitel, glad afgestoken en op den grond geslingerd. Eenige vierkante ornamenten op den top van dezelfde muren waren door de aardbeving in een diagonalen stand geplaatst. Een dergelijk feit werd waargenomen na eene aardbeving te Valparaiso, in Calabrië en op andere plaatsen, waaronder ook eenige Grieksche tempels.8Oppervlakkig beschouwd schijnt deze draaiende verplaatsing te wijzen op eene wervelende beweging onder elk punt dat dezen stand aanneemt; maar dit is in hooge mate onwaarschijnlijk. Zou zij niet een gevolg hiervan zijn, dat elke steen neiging heeft zich in een bijzonderen stand met betrekking tot de trillingslijn te plaatsen—ongeveer op de manier van spelden op een vel papier, dat geschud wordt? In ’t algemeen gesproken, stonden deuringangen of vensters veel beter dan andere deelen der gebouwen. Niettemin werd een arm oud man, die lam was en de gewoonte had om bij kleine schokken naar een deuringang te kruipen, bij deze gelegenheden verpletterd.
Ik heb niet getracht eene uitvoerige beschrijving te gevenvan het voorkomen van Concepcion zelf, want ik gevoel, dat het volstrekt onmogelijk is de gemengde gewaarwordingen te schetsen, die ik daar ondervond. Verscheidene officieren bezochten de stad vóór mij; maar hunne sterkst gekleurde woorden waren onmachtig om een juist denkbeeld te geven van dat tooneel van verwoesting. Het is bitter en ontmoedigend in eene enkele minuut het werk te zien vernietigen, dat den mensch zooveel tijd en arbeid heeft gekost! Toch verdween het medelijden met de inwoners bijna terstond, om plaats te maken voor de verwondering, dat men in een oogenblik tijds een toestand zag geboren worden, dien men alléén aan een langdurig tijdperk van verval meende te kunnen toeschrijven. Naar mijne overtuiging, hebben wij sedert ons vertrek uit Engeland geen schouwspel gezien, dat zulk een diepen indruk maakte.
Men beweert, dat bij bijna elke groote aardbeving het naburige water der zee in hevige beroering geraakt. Zooals in het geval van Concepcion, schijnt de storing in ’t algemeen van tweederlei aard te zijn geweest: ten eerste vloeit het water, op het oogenblik van den schok, gestadig en in een hooge golf tegen het strand op, en gaat dan kalm terug; ten tweede vloeit al het zeewater, eenigen tijd daarna, van de kust weg, en keert dan in golven van onweerstaanbare kracht terug. De eerste beweging schijnt een rechtstreeksch gevolg te zijn van de ongelijke werkingen, die de aardbeving op een vast en vloeibaar lichaam uitoefent, zoodat hunne betrekkelijke hoogten zwak gestoord worden; maar het tweede geval is een veel gewichtiger verschijnsel. Het staat vast, dat bij de meeste aardbevingen, en in ’t bijzonder bij die op de westkust van Amerika, de eerste groote beweging van het water eene teruggaande is. Eenige schrijvers hebben dit trachten te verklaren door aan te nemen, dat het water zijn peil behoudt, terwijl het land omhoog golft; maar dicht bij het land—zelfs bij eene eenigszins steile kust—zou het water stellig aan de beweging van den bodem deelnemen. Daarenboven betoogt Ch. Lyell, dat dergelijke bewegingen der zee hebben plaats gehad op eilanden, ver vande hoofdlijn van storing gelegen—zooals gedurende deze aardbeving het geval was met Juan Fernandez, en met het eiland Madeira tijdens de vreeselijke ramp te Lissabon in 1755. Ofschoon het vraagstuk zeer ingewikkeld is, onderstel ik, dat iedere golf, hoe ook ontstaan, eerst het water van het strand aftrekt, waarop zij bij hare nadering breekt. Hetzelfde heb ik ook waargenomen bij de golfjes, die de schepraderen van eene stoomboot voortbrengen. Het is opmerkelijk, dat, terwijl Talcahuano en Callao (bij Lima), die beiden gelegen zijn aan het hoofd van groote ondiepe baaien, bij elke hevige aardbeving van vloedgolven hebben te lijden gehad—Valparaiso, dat dicht bij den kant van zeer diep water ligt, nooit overstroomd is geworden, ofschoon het zoo dikwijls door de geweldigste schokken geteisterd werd. Uit het feit, dat de vloedgolf niet onmiddellijk op de aardbeving volgt, maar somtijds eerst na eene tusschenruimte van een half uur: en ook omdat veraf gelegen eilanden op gelijke wijze worden getroffen als de kusten nabij het brandpunt van storing—schijnt het, dat de golf zich het eerst in volle zee verheft; en daar die verschijnselen algemeen voorkomen, moet er ook eene algemeene oorzaak voor bestaan. Ik vermoed, dat wij de lijn, waar de minder gestoorde waters van den diepen oceaan samentreffen met het water dichter bij de kust, hetwelk aan de bewegingen van het land heeft deelgenomen—moeten beschouwen als de plaats, waar de vloedgolf het eerst is ontstaan. Ook schijnt de golf grooter of kleiner zijn, naar gelang van de uitgestrektheid van het ondiepe water, dat met den bodem waarop het stond, in beroering geraakte.
Het merkwaardigste gevolg van deze aardbeving was de bestendige rijzing van het land. Misschien zou het veel juister zijn deze rijzing als deoorzaaker van te noemen. Ofschoon er geen twijfel kan zijn, dat het land om de Baai van Concepcion twee of drie voet omhoog werd geheven, dient toch te worden opgemerkt, dat ik, wegens de omstandigheid dat de golf de oude lijnen van eb- en vloedwerkingop de glooiende zandige kusten had uitgewischt, geen bewijs voor dit feit kon ontdekken, behalve in het eenstemmige getuigenis der bewoners, dat eene kleine rotsachtige diepte, welke nu blootligt, vroeger met water bedekt was. Op het eiland Santa Maria (dat ongeveer 30 mijlen ver ligt) was de rijzing grooter; op één gedeelte vond kapitein Fitz-Roy, tien voet boven hoogwaterpeil, banken met verrotte mosselschelpdieren,welke nog aan de rotsen vastzaten, terwijl de bewoners vroeger bij doodtij naar deze schelpdieren gedoken hadden. De rijzing van deze landstreek is van bijzonder belang, wijl zij het tooneel is geweest van verscheidene andere hevige aardbevingen, en wegens het groote aantal zeeschelpen, die op eene hoogte van stellig 600 en, naar ik meen, zelfs 1000 voet over het land verspreid liggen. Zooals ik heb opgemerkt, zijn dergelijke schelpen te Valparaiso gevonden op eene hoogte van 1300 voet. Er valt bijna niet aan te twijfelen, dat deze groote rijzing een gevolg is geweest van achtereenvolgende kleine (periodieke) rijzingen, zooals die, welke de aardbeving van dit jaar vergezelde of veroorzaakte, alsmede van eene onmerkbare langzame (seculaire) rijzing, die stellig op sommige gedeelten dezer kust in gang is.
Het eiland Juan Fernandez, 360 mijlen ten noordwesten van Concepcion, werd op het tijdstip van den grooten schok op 20 Februari hevig geschud, zoodat de boomen tegen elkander sloegen, en dicht bij het strand een onderzeesche vulkaan in werking kwam. Deze feiten zijn merkwaardig, omdat dit eiland ook tijdens de aardbeving op 24 Mei 1751 heviger werd geteisterd, dan andere plaatsen op gelijken afstand van Concepcion,9zoodat zij op eene onderaardscheverbinding tusschen deze twee punten schijnen te wijzen. Chiloë, ongeveer 340 mijlen ten zuiden van dezelfde stad, schijnt aan sterkere schokken blootgesteld te zijn geweest, dan het tusschenliggende district Valdivia, waar de vulkaan Villarica in ’t geheel niet in werking kwam, terwijl in de Cordilleras tegenover Chiloë twee vulkanen op hetzelfde oogenblik een hevige uitbarsting hadden. Deze twee vulkanen, en enkele naburige andere, bleven langen tijd werkzaam, en kwamen tien maanden later door eene aardbeving te Concepcion opnieuw tot uitbarsting.10Eenige mannen, die bij den voet van een dezer vulkanen bezig waren hout te hakken, bespeurden den schok van den 20sten Februari niet, ofschoon het geheele omliggende district toen in trilling was. Hier zien wij dus een geval, dat eene uitbarsting eene aardbeving verzwakt en daarvoor in de plaats treedt, zooals volgens het bijgeloof der lagere klassen ook te Concepcion geschied zou zijn, indien de vulkaan Antuco niet door tooverij verstopt was geworden. Twee jaren en negen maanden later (7 November 1837) werden Valdivia en Chiloë nogmaals en heviger geteisterd dan op 20 Februari 1835, waarbij een eiland in den Chonos-archipel (het eiland Lemus) eene blijvende rijzing van meer dan acht voet onderging. Het zal den lezer een beter begrip geven van het uitgestrekte gebied dezer verschijnselen, zoo wij aannemen (evenals in het geval van de gletschers), dat zij op overeenkomstige afstanden in Europa hebben plaats gehad. In dat geval zou het land vanaf de Noordzee tot de Middellandsche Zee hevig geschokt zijn geworden, en zouden op hetzelfde tijdstip een groot deel van Engelands oostkust, benevens eenige afgelegen eilanden blijvend zijn omhoog geheven. Op de kustvan Holland zou eene reeks vulkanen in werking zijn gekomen, en bij de noordpunt van Ierland zou eene uitbarsting op den bodem der zee hebben plaats gehad. Eindelijk zouden de oude kraters van Auvergne (Chaîne des Puys of des Monts Dômes, Le Plomp du Cantal en Les Monts-Dore) donkere rookkolommen hebben omhoog geworpen, en langen tijd in hevige werking zijn gebleven. Drie en dertig maanden later zou Frankrijk vanaf zijne centrale hoogvlakte tot aan het Engelsche Kanaal opnieuw door eene aardbeving verwoest zijn geworden, en zou een eiland in de Middellandsche Zee blijvend gerezen zijn.
Het gebied, waarover op den 20sten Februari de vulkanische stof werd uitgeworpen, besloeg eene ruimte van 720 bij 400 Engelsche mijlen, zoodat zich hier naar alle waarschijnlijkheid een onderaardsch lavameer uitstrekte, aanmerkelijk grooter dan de oppervlakte der Zwarte Zee.11Uit het nauwe en samengestelde verband, dat er gedurende deze reeks van verschijnselen tusschen de opheffende en eruptieve krachten bleek te bestaan, mogen wij met zekerheid besluiten, dat de krachten welke langzaam en met kleine rukken vastelandsdeelen opheffen, en die welke periodiek vulkanische stof uit open kraters werpen, eene-en-dezelfde zijn. Om vele redenen geloof ik, dat de menigvuldige aardbevingen op deze kustlijn worden teweeggebracht door het scheuren der lagen, als een noodzakelijk gevolg van de spanning van het land bij opheffing, en door het met geweld binnendringen12van gloeiendmagmaof vloeibaar gesteente. Dit scheuren en binnendringen zouden bij genoegzame herhaling (en wij weten, dat aardbevingen herhaaldelijk dezelfde streken op dezelfde wijze teisteren) eindelijk eene lage bergketen vormen. Een dergelijk proces schijnt met het rechtlijnige eiland Santa Maria in gang tezijn. Ik geloof, dat het centrale of as-gedeelte van een berg in zijne ontstaanswijze alleen hierin van een lagen vulkaankegel verschilt, dat het gesmolten gesteente bij herhaling naar binnen is geperst, in plaats van herhaaldelijk naar buiten geworpen. Bovendien geloof ik, dat de structuur van groote bergketenen—zooals die van de Cordilleras, waar de lagen die de ingeperste kern van plutonische gesteenten bedekken, langs verschillende evenwijdige en naburige heflijnen op haren kant zijn gezet—onmogelijk kan worden verklaard, behalve in de onderstelling, dat het kerngesteente herhaaldelijk werd ingespoten na tijdruimten, lang genoeg om aan de bovengedeelten of vulspleten gelegenheid te geven tot afkoeling en verharding. Want indien de lagen door één enkelen schok in hare tegenwoordige, zeer steile, loodrechte en stomphoekige standen waren geworpen, zouden de ingewanden der aarde naar buiten zijn gestroomd; en in plaats dat men, zooals nu, de steile centrale bergdeelen zou gevormd zien uit gesteente, dat onder hooge drukking is vastgeworden, zouden op tallooze punten van elke heflijn stroomen lava naar buiten zijn gevloeid.13
Dat groote bergketens, en bergen in ’t algemeen, op de door Darwin omschrevene wijze ontstaan zouden zijn, vindt heden geen geloof meer. Ook niet de vroeger zoozeer bekende theorie vanHutton,Playfair,A. von Humboldt,E. de BeaumontenL. von Buch, volgens welke de bergen waren ontstaan door drukkrachten, die in radiale richtingvan onderen naar bovenwerkten, en die de uitbarsting vaneruptievegesteenten voor de oorzaak hield van de opheffing en plooiïng der aardlagen tot bergen. Aan de nieuwere onderzoekingen vanFavre,Dana,Baltzer,maar vooral vanE. SuessenA. Heim14is het te danken, dat men eene juistere en meer natuurlijke voorstelling van het proces der bergvorming bezit. Volgens die theorie verdeelt men de bergen in: 1o.Erosie-gebergten, die door de knagende of wegvretende werking van stroomend water op een oorspronkelijk tafelland gevormd werden; 2o.Vulkanische gebergten, ontstaan door gloeiend vloeibaar gesteente, dat door eene spleet of opening (in ruimeren zin: eene reeks van zulke openingen) uit het binnenste der aarde drong, zich aan de randen der spleet ophoopte en afkoelde; 3o.Tektonische gebergten, waartoe de meest voorkomende en reusachtigste bergen en bergreeksen behooren. Daaronder verstaat men zulke, die gevormd werdendoor bewegingen der aardkorst zelve(benedenwaartsche en samenschuivende), ten gevolge van de afkoeling en daarmede in verband staande contractie en verkleining onzer planeet.(Noot v. d. Vert.)
Dat groote bergketens, en bergen in ’t algemeen, op de door Darwin omschrevene wijze ontstaan zouden zijn, vindt heden geen geloof meer. Ook niet de vroeger zoozeer bekende theorie vanHutton,Playfair,A. von Humboldt,E. de BeaumontenL. von Buch, volgens welke de bergen waren ontstaan door drukkrachten, die in radiale richtingvan onderen naar bovenwerkten, en die de uitbarsting vaneruptievegesteenten voor de oorzaak hield van de opheffing en plooiïng der aardlagen tot bergen. Aan de nieuwere onderzoekingen vanFavre,Dana,Baltzer,maar vooral vanE. SuessenA. Heim14is het te danken, dat men eene juistere en meer natuurlijke voorstelling van het proces der bergvorming bezit. Volgens die theorie verdeelt men de bergen in: 1o.Erosie-gebergten, die door de knagende of wegvretende werking van stroomend water op een oorspronkelijk tafelland gevormd werden; 2o.Vulkanische gebergten, ontstaan door gloeiend vloeibaar gesteente, dat door eene spleet of opening (in ruimeren zin: eene reeks van zulke openingen) uit het binnenste der aarde drong, zich aan de randen der spleet ophoopte en afkoelde; 3o.Tektonische gebergten, waartoe de meest voorkomende en reusachtigste bergen en bergreeksen behooren. Daaronder verstaat men zulke, die gevormd werdendoor bewegingen der aardkorst zelve(benedenwaartsche en samenschuivende), ten gevolge van de afkoeling en daarmede in verband staande contractie en verkleining onzer planeet.
(Noot v. d. Vert.)
1Deze, in Nicaragua gelegen en slechts 500 voet hooge vulkaan, had uitbarstingen in 1709, 1809 en 1835.(Vert.)2Darwin bedoelt hier zeer waarschijnlijk de Minchimavida, ook wel Minchimadom geheeten. (2450 M.)(Vert.)3Geb. 1394, vermoord te Perth in 1437. Hij was van 1423–1437 Koning van Schotland.(Vert.)4In de Archaeïsche of Prae-Cambrische perioden der aardgeschiedenis hadden vulkanische uitbarstingen plaats in Noord- en Zuid-Wallis, in Shropshire en in sommige gedeelten van Schotland en Ierland. Gedurende het daaropvolgende Palaeozoïsche of Primaire Tijdvak, toen ook nog eenzeer kleingedeelte der Britsche Eilanden boven zee lag, herhaalden zich de vulkanische uitbarstingen (vooral in het Cambro- of Onder-Siluur) op zeer groote schaal; en hiervan zijn talrijke bewijzen gevonden in Noord-Wallis en in het zoogenaamdeLake DistrictofMerengebiedvan Cumberland en Westmoreland. Nog zeer hevig waren de uitbarstingen gedurende de Devonische perioden van hetzelfde Tijdvak, doch verminderden langzamerhand in die der Steenkoolvorming, welke op het Devoon volgde. In het lange Mesozoïsche of Secondaire Tijdvak, dat nu aanbrak en waarin de Britsche Eilanden meer en meer boven het zeeoppervlak verrezen, hadden in dien hoek van Europa geen uitbarstingen plaats. Wel geschiedden die toen met meer of mindere hevigheid in Tyrol, het Zuidoosten van Europa, Britsch-Indië en in West-Amerika. Maar in het Tertiaire Tijdvak, en vooral in de Mioceen periode, openbaarden zij zich weer met groote hevigheid in het Britsche Rijk, dat toen in bijna zijn tegenwoordigen vorm en grootte boven den zeespiegel lag. Engeland en Ierland werden toen vreeselijk geteisterd, doordien zich een nieuwe reeks vanduizendenvulkanische spleten had gevormd, die van IJsland af over de Färöer van Noord naar Zuid liep en een groot aantal vulkaankegels telde. Enorme hoeveelheden eruptie-stoffen, uit dat Tijdvak afkomstig, zijn gevonden op de Hebriden, in het noordoosten van Ierland, over het vasteland van Engeland en in de zee tusschen Gr. Brittannië en Ierland—over eene totale oppervlakte, welke op minstens 100,000 □ Eng. mijlen wordt geschat. Volgens een Engelsch geoloog, was Groot-Brittannië toen een “Reign of Fire”(Rijk van Vuur).(Vert.)5Deze had plaats op 19 November en was zeer hevig. De schok werd gevoeld over een afstand van 1200 mijlen of ruim 1900 Kilom. langs de kust, naar noord en zuid. Santiago, Valparaiso en andere steden werden deerlijk geteisterd. Bij Valparaiso rees de kust 3 voet, en bij Quintero omstreeks 4 voet.(Vert.)6De Antuco, op 37° 20′ Z.B. in Chili gelegen, is een 2800 Met. hooge kegelvormige vulkaan, die om de 10 minuten rookwolken uitstoot. In 1845, 1851 en 1863 waren zijne uitbarstingen nogal hevig. Van de 33 vulkanen, die Chili minstens bezit, ligt de Antuco het verst van de kust.(Vert.)7John Mitchell,Woodwardianprofessor in de Mineralogie te Cambridge, leefde omstreeks het midden der 18de eeuw. Hij bekleedde dit professoraat slechts acht jaren, om zich daarna geheel aan de theologische bezigheden te wijden. In 1760 publiceerde hij in de Philos. Transact. eene verhandeling over “The Cause and Phenomena of Earthquakes.” De groote aardbeving van Lissabon in 1755 had zijne belangstelling in dit onderwerp gewekt. Sommige van zijn ideeën over de onderaardsche bewegingen zijn zeer scherpzinnig en juist.(Vert.)8Arago inL’Institut, 1839, blz 337. Zie ook Mier,Chile, deel I, blz. 392, en Lyell,Principles of Geology, deel II, blz. 119 (10e uitgaaf).9De oude stad Concepcion, ook Penco geheeten, werd toen geheel verwoest en door eene vloedgolf verzwolgen. De inwoners bouwden toen ongeveer 10 mijlen van de kust eene nieuwe stad, om van zulke overstroomingen verschoond te blijven. Tegelijk werd eene nederzetting op de kust van Juan Fernandez bijna geheel door eene dergelijke golf vernietigd. In 1730 en verder terug tot 1590 hebben dergelijke rampen deze streek bezocht. Verder reikt de overlevering niet.(Vert.)10Reeds lang bestaat op bovengenoemde gronden de meening, dat de geheele reeks van rotsachtige eilanden, die zuidelijk van Valdivia tot aan den ingang der Straat van Magelhaen (van 39° 53′-52° 16′ Z.B.) tegenover de fjorden van het vasteland liggen, een afgebroken of verzwolgen kam van de Cordilleras is, waarvan alléen de toppen boven zee uitsteken. Vooral de onderzeesche uitbarstingen wijzen hierop.(Vert.)11De oppervlakte van dit lavameer zou dan ongeveer 745,900 □ Kilom. geweest zijn, terwijl die van de Zwarte Zee 423,990 □ Kilom. bedraagt.(Vert.)12Deze indringende beweging heet met een wetenschappelijk woord:intrusie.(Vert.)13Voor eene volledige beschrijving van de vulkanische verschijnselen, die de aardbeving van 20 Februari 1835 vergezelden, en voor de gevolgtrekkingen, welke daaruit zijn af te leiden, moet ik verwijzen naar deel V der Geological Transactions.14E. Suess “Die Entstehung der Alpen,” en “Antlitz der Erde;” A. Heim “Untersuchungen über den Mechanismus der Gebirgsbildung.”
1Deze, in Nicaragua gelegen en slechts 500 voet hooge vulkaan, had uitbarstingen in 1709, 1809 en 1835.
(Vert.)
2Darwin bedoelt hier zeer waarschijnlijk de Minchimavida, ook wel Minchimadom geheeten. (2450 M.)
(Vert.)
3Geb. 1394, vermoord te Perth in 1437. Hij was van 1423–1437 Koning van Schotland.
(Vert.)
4In de Archaeïsche of Prae-Cambrische perioden der aardgeschiedenis hadden vulkanische uitbarstingen plaats in Noord- en Zuid-Wallis, in Shropshire en in sommige gedeelten van Schotland en Ierland. Gedurende het daaropvolgende Palaeozoïsche of Primaire Tijdvak, toen ook nog eenzeer kleingedeelte der Britsche Eilanden boven zee lag, herhaalden zich de vulkanische uitbarstingen (vooral in het Cambro- of Onder-Siluur) op zeer groote schaal; en hiervan zijn talrijke bewijzen gevonden in Noord-Wallis en in het zoogenaamdeLake DistrictofMerengebiedvan Cumberland en Westmoreland. Nog zeer hevig waren de uitbarstingen gedurende de Devonische perioden van hetzelfde Tijdvak, doch verminderden langzamerhand in die der Steenkoolvorming, welke op het Devoon volgde. In het lange Mesozoïsche of Secondaire Tijdvak, dat nu aanbrak en waarin de Britsche Eilanden meer en meer boven het zeeoppervlak verrezen, hadden in dien hoek van Europa geen uitbarstingen plaats. Wel geschiedden die toen met meer of mindere hevigheid in Tyrol, het Zuidoosten van Europa, Britsch-Indië en in West-Amerika. Maar in het Tertiaire Tijdvak, en vooral in de Mioceen periode, openbaarden zij zich weer met groote hevigheid in het Britsche Rijk, dat toen in bijna zijn tegenwoordigen vorm en grootte boven den zeespiegel lag. Engeland en Ierland werden toen vreeselijk geteisterd, doordien zich een nieuwe reeks vanduizendenvulkanische spleten had gevormd, die van IJsland af over de Färöer van Noord naar Zuid liep en een groot aantal vulkaankegels telde. Enorme hoeveelheden eruptie-stoffen, uit dat Tijdvak afkomstig, zijn gevonden op de Hebriden, in het noordoosten van Ierland, over het vasteland van Engeland en in de zee tusschen Gr. Brittannië en Ierland—over eene totale oppervlakte, welke op minstens 100,000 □ Eng. mijlen wordt geschat. Volgens een Engelsch geoloog, was Groot-Brittannië toen een “Reign of Fire”(Rijk van Vuur).
(Vert.)
5Deze had plaats op 19 November en was zeer hevig. De schok werd gevoeld over een afstand van 1200 mijlen of ruim 1900 Kilom. langs de kust, naar noord en zuid. Santiago, Valparaiso en andere steden werden deerlijk geteisterd. Bij Valparaiso rees de kust 3 voet, en bij Quintero omstreeks 4 voet.
(Vert.)
6De Antuco, op 37° 20′ Z.B. in Chili gelegen, is een 2800 Met. hooge kegelvormige vulkaan, die om de 10 minuten rookwolken uitstoot. In 1845, 1851 en 1863 waren zijne uitbarstingen nogal hevig. Van de 33 vulkanen, die Chili minstens bezit, ligt de Antuco het verst van de kust.
(Vert.)
7John Mitchell,Woodwardianprofessor in de Mineralogie te Cambridge, leefde omstreeks het midden der 18de eeuw. Hij bekleedde dit professoraat slechts acht jaren, om zich daarna geheel aan de theologische bezigheden te wijden. In 1760 publiceerde hij in de Philos. Transact. eene verhandeling over “The Cause and Phenomena of Earthquakes.” De groote aardbeving van Lissabon in 1755 had zijne belangstelling in dit onderwerp gewekt. Sommige van zijn ideeën over de onderaardsche bewegingen zijn zeer scherpzinnig en juist.
(Vert.)
8Arago inL’Institut, 1839, blz 337. Zie ook Mier,Chile, deel I, blz. 392, en Lyell,Principles of Geology, deel II, blz. 119 (10e uitgaaf).
9De oude stad Concepcion, ook Penco geheeten, werd toen geheel verwoest en door eene vloedgolf verzwolgen. De inwoners bouwden toen ongeveer 10 mijlen van de kust eene nieuwe stad, om van zulke overstroomingen verschoond te blijven. Tegelijk werd eene nederzetting op de kust van Juan Fernandez bijna geheel door eene dergelijke golf vernietigd. In 1730 en verder terug tot 1590 hebben dergelijke rampen deze streek bezocht. Verder reikt de overlevering niet.
(Vert.)
10Reeds lang bestaat op bovengenoemde gronden de meening, dat de geheele reeks van rotsachtige eilanden, die zuidelijk van Valdivia tot aan den ingang der Straat van Magelhaen (van 39° 53′-52° 16′ Z.B.) tegenover de fjorden van het vasteland liggen, een afgebroken of verzwolgen kam van de Cordilleras is, waarvan alléen de toppen boven zee uitsteken. Vooral de onderzeesche uitbarstingen wijzen hierop.
(Vert.)
11De oppervlakte van dit lavameer zou dan ongeveer 745,900 □ Kilom. geweest zijn, terwijl die van de Zwarte Zee 423,990 □ Kilom. bedraagt.
(Vert.)
12Deze indringende beweging heet met een wetenschappelijk woord:intrusie.
(Vert.)
13Voor eene volledige beschrijving van de vulkanische verschijnselen, die de aardbeving van 20 Februari 1835 vergezelden, en voor de gevolgtrekkingen, welke daaruit zijn af te leiden, moet ik verwijzen naar deel V der Geological Transactions.
14E. Suess “Die Entstehung der Alpen,” en “Antlitz der Erde;” A. Heim “Untersuchungen über den Mechanismus der Gebirgsbildung.”