Hoofdstuk XV.

Hoofdstuk XV.Overtocht van de Cordilleras.7 Maart 1835.Wij bleven drie dagen te Concepcion, en zeilden toen naar Valparaiso. Daar de wind noordelijk was, bereikten wij den ingang der haven van Concepcion eerst tegen donker. Omdat wij zeer dicht bij land waren, en er een mist kwam opzetten, lieten wij hier het anker vallen. Kort daarna kwam een groote Amerikaansche walvischvaarder ons op zijde, waarvan wij den kapitein vloekend tot zijn volk hoorden zeggen, dat het zich stil moest houden, zoolang hij naar de stortzeeën luisterde. Kapitein Fitz-Roy praaide hem met luide, heldere stem, om op de plek waar hij was te ankeren. De arme man zal toen zeker hebben gedacht, dat die stem van het strand kwam, want een storm van kreten steeg eensklaps van het schip op, daar iedereen schreeuwde: “Laat het anker vallen! Kabel vieren! Zeil minderen!” Dit was het belachelijkste, dat ik ooit gezien had. Indien alle koppen van de bemanning kapiteins waren geweest, had er geen grootere verwarring van bevelen kunnen heerschen. Later ontdekten wij, dat de kapitein stotterde, zoodat ik vermoed, dat allen hem hielpen om zijne orders te geven.Op den 11den ankerden wij te Valparaiso; en twee dagen later ging ik op weg, om de Cordilleras over te trekken. Eerst begaf ik mij naar Santiago, waar Caldcleugh mij zeervriendelijk op alle mogelijke wijze hielp bij het maken van de kleine noodige toebereidselen. In dit gedeelte van Chili zijn twee passen over de Andes naar Mendoza: de eene, de Aconcagua- of Uspallata-pas, ligt op 32°50′ Z.B. en wordt het meest gebruikt; de tweede, de Portillo-pas geheeten, ligt zuidelijker, is nader, maar hooger en gevaarlijker.118 Maart.Wij richtten ons naar den Portillo-pas. Na Santiago te hebben verlaten, staken wij de uitgestrekte, verschroeide vlakte over, waarin deze stad ligt, en kwamen in den namiddag aan de Maypu, eene der voornaamste rivieren van Chili. Ter plaatse, waar de vallei den eersten Cordilleras-kam snijdt, wordt zij aan weerskanten door hooge, naakte bergen begrensd; en ofschoon niet breed, is zij zeer vruchtbaar. Tal van hutten waren omringd door wijngaarden, en boomgaarden met appel-, nektarine- en perzikboomen, waarvan de takken onder het gewicht der schoone rijpe vruchten dreigden te breken. Des avonds bereikten wij het tolhuis, waar onze bagage onderzocht werd. De Chileensche grens wordt beter bewaakt door de Cordilleras, dan door het water der zee. Er zijn zeer weinige valleien, die naar de centrale kammen van het gebergte voeren, en op andere plaatsen zijn de bergen voor lastdieren geheel onbegaanbaar. De beambten van het tolhuis waren zeer beleefd, hetgeen misschien voor een deel was toe te schrijven aan het paspoort, dat de President der Republiek mij gegeven had; maar bijna elke Chileen bezit eene aangeboren beleefdheid, waarover ik mijne bewondering moet uitspreken. In dit geval was de tegenstelling met dezelfde klasse van menschen in de meeste andere landen zeer opvallend. Als staaltje van Chileensche beleefdheid zal ik eene anecdote vertellen, die mij destijds zeer vermaakte. Dicht bij Mendoza ontmoetten wij eene kleine en zeer dikke negerin, die schrijlings op een muildier zat. Zij had een kropgezwel, zoo verbazend groot, dat men bijna niet konnalaten haar voor een oogenblik aan te kijken; doch bijna op hetzelfde oogenblik—als wilden zij zich verontschuldigen—groetten mijne beide metgezellen haar op de gebruikelijke manier, door hunne hoeden af te nemen. Waar zou men in Europa, onder de hoogere of lagere standen, zulk eene beleefdheid hebben bewezen aan een arm en mismaakt schepsel van een verworpen ras?Des nachts sliepen wij in eene hut. Onze onafhankelijke manier van reizen was verrukkelijk. In de bewoonde gedeelten kochten wij wat brandhout, huurden weiland voor de beesten, en kampeerden bij hen in een hoek van hetzelfde veld. In den ijzeren pot, dien wij bij ons hadden, kookten wij ons avondeten, nuttigden dit onder een onbewolkten hemel, en kenden geen zorg. Mijne metgezellen waren: Mariano Gonzales, die mij reeds vroeger in Chili als gids had gediend, en eenarriero(muildierendrijver) met zijne tien muildieren en eenemadrina(petemoeder). Laatstgenoemde is een hoogst gewichtig personage: namelijk eene oude, bezadigde merrie met een belletje aan den nek, die, waar zij gaat, door de muildieren als gehoorzame kinderen gevolgd wordt. De liefde van deze dieren voor hunnemadrinasbespaart tallooze moeilijkheden. Zoo er verscheidene groote troepen tegelijktijdig in hetzelfde veld grazen, behoeven dearrierosdes morgens hunnemadrinasalleen wat ter zijde te voeren en hare bellen te laten klinken: en al waren er dan ook twee- of driehonderd muilen bijeen, toch kent elk onmiddellijk de bel van zijne eigenemadrina, en komt naar haar toe. Het is bijna onmogelijk een oud muildier te verliezen; want zoo het verscheidene uren lang met geweld wordt achtergehouden, zal het, evenals een hond, met zijn fijnen reuk het spoor zijner makkers of liever van demadrinavolgen, aan wie het, zooals dearrierobeweert, de meeste liefde toedraagt. Deze neiging is echter niet van individueelen aard; want ik geloof geen ongelijk te hebben als ik zeg, dat elk dier met een bel aan voormadrinakan dienen. Elk muildier draagt op een effen weg een last van 416pounds(meerdan 29stone);2maar in eene bergachtige streek 100poundsminder. Het is merkwaardig, dat deze dieren met hunne fijne, schrale ledematen, zonder evenredige spierontwikkeling, zulk een grooten last kunnen dragen. Het muildier schijnt mij altijd een hoogst wonderlijk dier toe. Dat een basterd of speelsoort meer verstand, geheugen, halsstarrigheid, neiging tot het vereenigingsleven, volhardingsvermogen bij spierarbeid, en ook een langer leven bezit dan een zijner ouders, schijnt aan te duiden, dat de kunst hier de natuur heeft overtroffen. Van onze tien dieren waren zes bestemd voor rijden, en vier voor het dragen van lasten, waarin allen elkander afwisselden. Wij hadden eene flinke hoeveelheid voedsel meegenomen voor het geval, dat wij ingesneeuwd werden, omreden het seizoen voor een tocht over den Portillo-pas eenigszins verstreken was.19 Maart.Dezen dag reden wij naar het laatste, en dus hoogst gelegen huis van de vallei. Het aantal bewoners werd schaarsch; toch was het land op plaatsen, waar het water kon worden heengevoerd, nog zeer vruchtbaar. Alle hoofdvalleien in de Cordilleras bezitten dit kenmerk, dat zij aan beide zijden worden omzoomd door een ruw gelaagd, en meestal zeer dik terras van keien en zand. Blijkbaar is er een tijd geweest, dat deze terrassen zich dwars over de valleien uitstrekten en vereenigd waren. Dit vermoeden wordt bevestigd in Noord-Chili, waar geen stroomen zijn, en waar men de dalbodems op de genoemde wijze gelijkmatig gevuld ziet. Over deze randterrassen leiden meestal de wegen; want hunne oppervlakten zijn effen, en met eene zeer geringe stijging volgen zij den loop der valleien. Vandaar dat zij ook gemakkelijk door irrigatie worden bebouwd. Men kan hen vervolgen tot eene hoogte van 7000 of 9000 voet, waar zij zich eindelijk tusschen de onregelmatige hoopen rotspuin verliezen. Aan het ondereinde of den ingang der valleien gaan zij geleidelijk over in die doorland ingesloten (ook uit keien gevormde) vlakten aan den voet der hoofdketen van de Andes, welke ik in een vroeger hoofdstuk als kenmerkend voor het Chileensche landschap heb beschreven, en die daar ongetwijfeld ontstonden in een tijd, toen de zee in Chili doordrong, gelijk zij het nu in de zuidelijke kusten doet. Geen enkel feit in de geologie van Zuid-Amerika boezemde mij meer belang in, dan deze terrassen van grof gelaagde keien. In samenstelling gelijken zij volkomen op de stof, die de stroomen in elke vallei zouden afzetten, indien zij door de eene of andere oorzaak—zooals het vloeien in een meer of zeearm—in hun loop belemmerd werden; maar in plaats van stof af te zetten, zijn de stroomen nu voortdurend bezig met het afknagen van het vaste gesteente en van deze alluviale aanslibbingen over de geheele lengte van elke hoofd- en zijvallei. Het is niet mogelijk hier de redenen op te noemen; maar ik ben overtuigd, dat die kei- of grofkiezel-terrassen gedurende de trapsgewijze rijzing der Cordilleras werden opgehoopt door de stroomen, die bij opvolgende peilstanden hun rotspuin aanslibden op de strandhoofden van lange smalle zeearmen—eerst hoog in de valleien, toen lager en lager naar het ondereinde, terwijl het land gestadig en langzaam rees. Indien dit zoo is (en ik kan er niet aan twijfelen), dan is de groote en gebroken keten van de Cordilleras niet—zooals de geologen tot voor korten tijd algemeen dachten, en zooals nu nog de gewone meening is—plotseling omhooggeworpen, maar langzaam in haar geheel opgeheven, op dezelfde gestadige manier als de kusten van de Atlantische en Stille Oceanen in jongere tijdperken. Eene menigte feiten in de structuur van de Cordilleras vinden door deze beschouwing eene eenvoudige verklaring.De rivieren, die door deze valleien vloeien, moesten eerder bergstroomen worden genoemd. Hare helling is zeer groot, en het water heeft de kleur van modder. Het geraas, dat de Maypu maakte terwijl zij over de groote ronde brokken schoot, geleek op het bruisen der zee. Tusschen het geweld van het stroomende water, was het ratelende geluid derover elkander schurende steenen zeer duidelijk hoorbaar—zelfs op een afstand. Dag en nacht kan men dit ratelende geluid langs den geheelen loop van den stroom hooren. Voor den geoloog lag er iets welsprekends in dien klank. Die duizenden en duizenden steenen, welke rammelend tegen elkander het doffe en eentonige geluid verwekten, spoedden zich allen in ééne richting. Zij deden denken aan den tijd, waarin elke voorbij snellende minuut onherroepelijk in de eeuwigheid verzinkt! Voor deze steenen is de oceaan hunne eeuwigheid; en elke toon in die wilde muziek sprak mij van een stap, dien zij nader tot hunne bestemming deden.Het is voor den menschelijken geest onmogelijk, anders dan door een langzaam verloop, eene werking te begrijpen, welke is voortgebracht door eene zoo dikwijls herhaalde oorzaak, dat het noemen van het herhalings-cijfer al geen duidelijker begrip van de zaak geeft dan de wilde, die naar de haren op zijn hoofd wijst. Zoo dikwijls als ik modder-, zand- en kiezellagen tot eene dikte van vele duizenden voeten opgehoopt zag, voelde ik mij geneigd uit te roepen, dat oorzaken, als de vermalende werking der tegenwoordige rivieren en tegenwoordige strandvloeden, nooit zulke massa’s konden hebben voortgebracht. Maar aan den anderen kant: als ik luisterde naar het ratelende geluid dezer stroomen: als ik mij voor den geest riep, dat geheele dierengeslachten van de aardoppervlakte verdwenen zijn gedurende dat lange tijdvak, waarin deze steenen dag en nacht met hetzelfde geluid in hunnen loop zijn voortgeschuifeld—dan heb ik bij mijzelf gedacht: welke berg, welk vastland kan zulk eene slooping weerstaan?In dit gedeelte der vallei waren de bergen aan weerszijden van 3000 tot 6000 of 8000 voeten hoog, met afgeronde omtrekken en steile, kale hellingen. De algemeene kleur van het gesteente was dof purperachtig, en zijne laagswijze structuur zeer duidelijk waarneembaar. Zoo al niet schoon, was toch het landschap merkwaardig en grootsch. In den loop van den dag ontmoetten wij verscheidene kudden vee, die door mannen uit de hoogere valleien in de Cordillerasnaar omlaag werden gedreven. Dit teeken van den naderenden winter verhaastte onze schreden, meer dan voor geologische waarnemingen wel wenschelijk is. Het huis, waarin wij sliepen, lag aan den voet van een berg, op welks top zich de San-Pedro-de-Nolasko-mijnen bevinden. Sir F. Head verwondert zich, dat er mijnen ontdekt zijn geworden op zulke buitengewone plaatsen als de schrale top van den berg San Pedro de Nolasko. Toch laat die ontdekking zich zeer goed verklaren. In de eerste plaats zijn metaaladeren in deze streek meestal harder dan de omringende lagen, zoodat zij gedurende de allengs voortgaande slijting der bergen buiten de oppervlakte van den grond steken. Ten tweede heeft bijna elk arbeider, vooral in de noordelijke gedeelten van Chili, eenig verstand van het voorkomen van ertsen. In de groote mijnprovinciën Coquimbo en Copiapó is brandhout zoo schaarsch, dat er op ieder bergje en in elk dal naar gezocht wordt; en door dit zoeken zijn bijna al de rijkste mijnen in die streek ontdekt. Chagnarcillo, waaruit in den loop van weinige jaren voor eene waarde van vele honderdduizenden ponden zilver te voorschijn is gebracht, werd ontdekt door een man, die een steen naar zijn beladen ezel wilde werpen. In de meening, dat hij zeer zwaar was, raapte hij den steen op, en ontdekte, dat deze grootendeels uit zuiver zilver bestond. Niet ver van de plek stond de ader recht overeind, als eene wig van metaal. Ook wandelen de mijnwerkers dikwijls op Zondagen met een breekijzer over de bergen. In het zuidelijk deel van Chili zijn de ontdekkers gewoonlijk mannen, die vee in de Cordilleras drijven, en elk ravijn bezoeken waar eenig weiland te vinden is.20 Maart.Naarmate wij hooger in de vallei kwamen, werd de plantengroei, met uitzondering van enkele fraaie Alpen-bloemen, uiterst schaarsch; en van viervoetige dieren, vogels of insecten kon er nauwelijks een worden ontdekt. De hooge bergen, waarvan de toppen enkele plekjes sneeuw vertoonden, stonden goed van elkander gescheiden, terwijl de tusschenliggende dalen gevuld waren met alluviale lagen van ontzaglijke dikte. Het berglandschapvan de Andes bevatte eenige bijzonderheden, welke mij om hare tegenstelling met de andere mij bekende bergketens bovenal troffen. Die bijzonderheden waren: de vlakke zoomen aan weerszijden van de valleien, welke randen zich dikwijls tot smalle vlakten verbreedden; de heldere kleuren, voornamelijk rood en purper, der volkomen naakte en steile heuvels van porfier; de indrukwekkende en onafgebroken steenaderen, welke het voorkomen hadden van muren; de duidelijke afscheiding der lagen, die, daar waar zij bijna verticaal stonden, de schilderachtige en ruwe middentoppen vormden, doch bij geringere helling de groote bergenmassa aan de grenzen der keten samenstelden; en eindelijk, de rechte kegelvormige stapels fijn en helderkleurig rotspuin, die onder een steilen hoek van den voet der bergen af, soms tot eene hoogte van meer dan 2000 voet langs de wanden opliepen.Zoowel in Vuurland als in de Andes merkte ik herhaaldelijk op, dat waar het gesteente gedurende het grootste deel van het jaar met sneeuw bedekt was, het op zeer buitengewone wijs in kleine hoekige stukken was gesplinterd. Scoresby3heeft hetzelfde feit op Spitsbergen waargenomen. De zaak schijnt mij eenigszins duister; want het gedeelte van een berg, dat door een sneeuwmantel wordt beschut, moet minder aan herhaalde en groote temperatuurswisselingen onderhevig zijn, dan elk ander gedeelte. Soms heb ik gedacht, dat de aarde en steenbrokken aan de oppervlakte misschien minder snel werden verwijderd door langzaam doorzijgend sneeuwwater,4dan door regen, en dat dus de schijnbaar snellere verweering van het vaste gesteenteonder de sneeuw bedriegelijk was. Wat ook de reden zij, de hoeveelheid afbrokkelend gesteente op de Cordilleras is zeer groot. In de lente glijden somtijds groote hoopen van dit puin de bergen af, overdekken de sneeuw die in de dalen is samengewaaid, en vormen zoo natuurlijke huizen van ijs. Wij reden over zoo’n huis, dat op eene hoogte lag ver onder de grens van eeuwige sneeuw.Tegen het vallen van den avond bereikten wij eene eigenaardige komvormige vlakte,La Valle del Yeso(De Gips-Vallei) geheeten. Zij was met eenig droog weiland bedekt, waarop wij tot ons genoegen eene kudde vee zagen grazen, te midden van de omringende steenwoestijnen. De vallei ontleent haar naam aan eene groote, naar schatting minstens 2000 voet dikke laag van wit gips, dat op sommige plaatsen geheel zuiver is. Wij sliepen bij een troepje mannen, wier werk het was om deze stof, die bij de wijnbereiding gebruikt wordt, op muildieren te laden. Vroeg in den morgen van den 21sten gingen wij op weg, en volgden weer den loop der rivier, die hier zeer klein was geworden, totdat wij aan den voet van den machtigen bergrug kwamen, die de wateren der Stille en Atlantische Oceanen gescheiden houdt. De weg, tot dusver goed, en voortdurend doch zeer langzaam stijgende, veranderde nu in een steil zigzagvormig pad over den grooten rotswand op de grensscheiding tusschen de republieken Chili en Mendoza.Ik zal hier eene korte schets geven van de geologische gesteldheid der verschillende evenwijdige bergreeksen, die de Cordilleras vormen. Van deze reeksen zijn twee aanmerkelijk hooger dan de anderen: namelijk aan den kant van Chili, dePeuquenes-keten, die op het punt, waar de pas haar kruist, 3927 Met. hoog is; en aan den kant van Mendoza, dePortillo-keten, die 4060 Met. hoog is. De lagere ruggen der Peuquenes-keten en van de verschillende groote reeksen westelijk daarvan, bestaan uit eene reusachtige, vele duizenden voeten dikke ophooping van porfier-gesteenten, die als onderzeesche lava’s, afgewisseld doorhoekige en ronde brokken van dezelfde gesteenten, uit kraters op den bodem van voorwereldlijke zeeën omhoog zijn geworpen. Deze afwisselende gesteenten zijn in de centrale gedeelten bedekt met eene dikke laag van rooden zandsteen, conglomeraat en kalkhoudend leemschiefer, verbonden met en overgaande in reusachtige gipslagen. In de bovenlagen komen vrij veel schelpdieren voor, die ongeveer behooren tot de periode der Lagere Witte Kalk in Europa.5Het is eene oude geschiedenis, maar daarom niet minder verwonderlijk, van schelpdieren te hooren spreken, die weleer over den bodem der zee kropen, en nu bijna 14000 voet boven haren spiegel liggen! De onderste beddingen in deze groote ophooping van lagen zijn door de werking (contactmetamorphose) van eruptieve steenmassa’s, uit een eigenaardig wit soda-graniet bestaande, verzet, verglaasd, gekristalliseerd en bijna samengesmolten.6De andere hoofdketen, nam. dePortillo-keten, is geheel anders gevormd, en bestaat hoofdzakelijk uit hooge, naakte toppen van een rood kali- of potasch-graniet, die ver omlaag aan de westelijke helling bedekt zijn met een zandsteen, welke door de vroegere hitte in een kwartsgesteente is omgezet. Op het kwarts rusten beddingen van een conglomeraat, ter dikte van verscheidene duizenden voeten, die door het roode graniet zijn opgeheven en onder een hoek van 45° naar de Peuquenes-keten zijn gericht. Tot mijne verwondering zag ik, dat dit conglomeraat bestond: deelsuit rolsteenen, afkomstig van de gesteenten der Peuquenes-keten met hunne fossiele schelpdieren, en deels uit rood potasch-graniet, gelijk aan dat van de Portillo-keten. Daaruit moeten wij besluiten, dat de Peuquenes- en Portillo-ketens beiden gedeeltelijk opgeheven en aan verweering en slooping waren blootgesteld, toen het conglomeraat zich vormde; maar wijl de beddingen van het conglomeraat door het roode Portillo-graniet tot eene inclinatie van 45° zijn omhoog geworpen, en de onderliggende zandsteen door ditzelfde graniet verglaasd is, kunnen wij zeker zijn, dat de indringing van het graniet en de opheffing der reeds gedeeltelijk gevormde Portillo-keten, grootendeels plaats hadden na de ophooping van het conglomeraat, en lang na de rijzing der Peuquenes-keten. De Portillo—de hoogste keten in dit deel van de Cordilleras—is dus niet zoo oud als de minder hooge Peuquenes-keten. Een hellende lavastroom aan den oostelijken voet van de Portillo zou als bewijs kunnen dienen, dat de groote hoogte van die keten gedeeltelijk is toe te schrijven aan rijzingen van nog latere dagteekening. Wat haar vroegste ontstaan betreft, zoo schijnt het roode graniet te zijn ingedrongen door de lijn van zwaksten weerstand eener oude, voorbestaande keten van wit graniet en mica-schiefer. Men mag aannemen, dat in de meeste, wellicht in alle gedeelten van de Cordilleras elke keten gevormd is door herhaalde opheffingen en inschuivingen van eruptief gesteente; en dat de verschillende evenwijdige ketenen van verschillenden ouderdom zijn. Alleen zóó kunnen wij tijd winnen, noodig en voldoende om den werkelijk verbazenden omvang der slooping te verklaren, die deze hooge ofschoon, in vergelijking met de meeste andere ketens, nog jonge bergen ondergaan hebben.Eindelijk bewijzen de schelpen in de Peuquenes- of oudste keten, dat zij, zooals boven is opgemerkt, 14000 voet gestegen is sedert het bestaan eener formatie uit het Secondaire of Mesozoïsche Tijdvak, die wij in Europa gewoon zijn als verre van oud te beschouwen. Doch er is meer: de zee, waarin die schelpdieren leefden, had slechts eenematige diepte; en nu kan men aantoonen, dat het gebied, thans door de Cordilleras ingenomen, verscheidene duizenden voeten (in Noord-Chili ongeveer 6000 voet) gezonken moet zijn, om aan die machtige groep van onderzeesche lagen gelegenheid te geven zich op de bedding, waarin die schelpdieren leefden, af te zetten. Het bewijs is hetzelfde als dat, waardoor werd aangetoond, dat in een tijdperk, zeer lang nadat de tertiaire schelpen der voormalige Patagonische Zee leefden, de bodem dier zee verscheidene honderden voeten gedaald moet zijn, door eene latere rijzing gevolgd. Dagelijks vindt de geoloog gelegenheid zich te overtuigen, dat er niets—zelfs niet de wind—zoo wankelbaar en onstandvastig is als het eigenlijk oppervlak onzer aardkorst.Ik wil nog eene andere geologische opmerking doen. Ofschoon de Portillo-keten hier hooger is dan de Peuquenes, hebben de waterstroomen, die de tusschenliggende valleien bevloeien, zich een weg er door gebaand. Hetzelfde feit, op grootere schaal, is waargenomen in de oostelijke en hoogste keten der Boliviaansche Cordilleras, waardoor de rivieren zich een weg banen, en dergelijke feiten zijn ook in andere deelen van de wereld opgemerkt. In de onderstelling, dat de Portillo-keten in lateren tijd en gaandeweg is opgeheven, laat zich dit feit verklaren, want in dit geval zou eerst eene reeks eilandjes verschijnen; en terwijl dezen werden omhoog geheven, zouden de getijen steeds diepere en breedere kanalen daarin uithollen. Ten huidigen dage zijn in de meest afgelegen zeeëngten op de kust van Vuurland, de stroomingen in de dwarsgeulen, die de overlangsche kanalen verbinden, zeer sterk, zoodat in een dier zijkanalen zelfs een klein zeilschip om en om werd gedraaid.Omstreeks den middag aanvaardden wij de moeilijke bestijging van de Peuquenes-keten, en ondervonden toen voor de eerste maal eene kleine belemmering in onze ademhaling. De muildieren wilden bij iedere 50 yards halt houden; en na enkele seconden rust begonnen de arme, gewillige dierenden tocht opnieuw. De korte ademhaling ten gevolge van den ijlen dampkring wordt door de Chileenenpunagenoemd,7en zij hebben de belachelijkste begrippen aangaande de oorzaak er van. Sommigen zeggen: “al het water hier heeftpuna;” anderen: “waar sneeuw is, daar ispuna;” en dit laatste is zonder twijfel waar. De eenige gewaarwording, die ik ondervond, was eene lichte stramheid in hoofd en borst, zooals men gevoelt als men snel uit eene warme kamer in de ijskoude lucht komt. Maar zelfs hierin was eenige verbeelding; want toen ik op den hoogsten bergrug fossiele schelpdieren vond, vergat ik van blijdschap depunageheel. Ongetwijfeld kostte het loopen buitengewoon veel inspanning, en werd de ademhaling diep en zwaar. Men zeide mij, dat vreemdelingen, die in Potosi (ongeveer 13000 voet boven de zee) verblijf houden, zelfs in een vol jaar tijds niet geheel aan de lucht gewend raken. Alle inwoners raden uien tegenpunaaan. Daar dit gewas in Europa somtijds tegen borstkwalen wordt aangewend, kan het mogelijk van wezenlijk nut zijn; wat mij betreft, ik vond geen beter middel dan fossiele schelpdieren!Toen wij omstreeks halfweg op den berg waren, ontmoetten wij een grooten troep van 70 beladen muildieren. Het was merkwaardig de woeste kreten der drijvers te hooren, en den langen sleep van dieren den berg te zien afdalen. Nu er niets in het rond was om dien troep bij te vergelijken, dan de naakte bergen zelven, wat scheen hij ons klein toe! Dicht bij den top was de wind, zooals meestal gebeurt, onstuimig en buitengewoon koud. Aan elke zijde van de keten moesten wij over breede velden van eeuwige sneeuw gaan, die nu spoedig door eene versche laag zou worden bedekt. Toen wij den top bereikten en omkeken, vertoonde zich een prachtig schouwspel. De verblindend heldere lucht; de donkerblauwe hemel; de diepe valleien; de grillig gebroken vormen der berggevaarten; de stapelsrotspuin, sinds eeuwen opgehoopt; de tegenstelling tusschen de helderkleurige gesteenten en de stemmig getinte sneeuwbergen—dit alles smolt samen tot een tafereel van onbeschrijfelijke schoonheid, zooals niemand zich kan voorstellen. Enkele condors uitgezonderd, die om de hooge toppen zweefden, leidden plant noch dier mijne aandacht af van deze grootsche, doch onbezielde natuur. Ik gevoelde mij verrukt in deze eenzaamheid: het was als sloeg ik een onweder gade, als hoorde ik daar in vol orkest een koor van den Messias!Op verscheidene sneeuwhoopen vond ik denProtococcus Nivalisof roode sneeuw, zoo wel bekend uit de verhalen van Noorsche zeevaarders. Mijne aandacht werd er op gevestigd, toen ik zag, dat de voetstappen der muildieren eene bleekroode tint hadden, alsof hunne hoeven eenigszins bloederig waren. Eerst meende ik dit te moeten toeschrijven aan stof, dat van de omringende roode porfier-bergen was afgewaaid; want door het vergrootings-vermogen der sneeuwkristallen geleken de groepen dezer microscopische planten op grove stofdeelen. De sneeuw was alleen dáár gekleurd, waar zij snel ontdooid of toevallig vertrapt was. Eene kleine hoeveelheid, op papier gewreven, gaf eene flauwe rozeroode tint, vermengd met een spoor van steenrood. Later schraapte ik iets van het papier af, en vond dat dit schraapsel bestond uit groepen bolletjes in kleurlooze kapsels, elk een duizendste inch in doorsnede.Op den top der Peuquenes-keten is de wind, gelijk ik zoo even opmerkte, meestal onstuimig en zeer koud; men zegt, dat hij geregeld van de westzijde waait, of van den Stillen Oceaan.8Daar de waarnemingen hoofdzakelijk in den zomer zijn gedaan, moet deze wind een boven-keerstroom zijn. De Piek van Tenerife, die minder hoog is9en op 28° N.B. ligt, ligt eveneens in een boven-keerstroom. Eerstschijnt het eenigszins wonderlijk, dat de passaatwind langs de noordelijke gedeelten van Chili en op de kust van Peru in zulk eene zuidelijke richting waait, als hier het geval is; maar zoo wij bedenken, dat het Andesgebergte, dat in eene noordelijk-zuidelijke richting loopt, den lageren luchtstroom over zijne geheele diepte als met een grooten dam onderschept, dan zien wij gemakkelijk in, dat de passaatwind noordwaarts, langs de bergketen, naar de evenaarsstreken moet worden getrokken, en dus een deel van die oostelijke beweging moet verliezen, welke zij anders door de aswenteling der aarde zou hebben bezeten. Te Mendoza, aan den oostelijken voet der Andes, is het klimaat, gelijk men beweert, onderhevig aan lange windstilten en aan herhaalde, ofschoon valsche voorteekenen van dreigende regenvlagen. Hier kunnen wij ons voorstellen, dat de wind, als hij uit het oosten komende door de bergketen wordt onderschept, stationair wordt en onregelmatige bewegingen aanneemt.De Peuquenes overgetrokken zijnde, daalden wij af in een bergland, tusschen de twee hoofdketens gelegen, en sloegen hier onze nachtverblijven op. Wij waren nu in de Republiek Mendoza. De hoogte was waarschijnlijk niet onder de 11000 voet, en de plantengroei bij gevolg uiterst schraal. De wortel eener kleine armzalige plant diende als brandstof, maar gaf een ellendig vuur, terwijl de wind doordringend koud was. Daar ik door de inspanning van den dag zeer vermoeid was, maakte ik mijn bed zoo spoedig mogelijk op, en ging slapen, omstreeks middernacht zag ik de lucht eensklaps betrekken. Ik wekte den arriero om te weten of er ook gevaar voor slecht weer was; doch hij zeide, dat er zonder donder en bliksem geen kans op een hevigen sneeuwstorm was. Wie tusschen de twee ketens in door slecht weer wordt overvallen, verkeert in levensgevaar en heeft groote moeite er aan te ontkomen. Caldcleugh, die op denzelfden dag der maand den overtocht deed, werd daar eenigen tijd door een hevigen sneeuwval opgehouden.Casuchas10of vluchthuizen,zooals in den Uspallata-pas, zijn in dezen pas niet gebouwd, en daarom wordt de Portillo gedurende den herfst weinig bezocht. Ik wil hier opmerken, dat er in de hoofdketen van de Cordilleras nooit regen valt; want des zomers is de lucht onbewolkt, en des winters komen alleen sneeuwstormen voor.Op de plek, waar wij sliepen, kookte het water wegens de geringere luchtdrukking noodzakelijk bij lagere temperatuur dan in eene minder hooge streek het geval is. Het verschijnsel was hier het omgekeerde van dat bij den Pot van Papin.11Bij gevolg waren de aardappelen, na eenige uren in het kokende water te hebben gelegen, bijna even hard als ooit. De pot werd den ganschen nacht op het vuur gelaten, het water den volgenden morgen opnieuw aan den kook gebracht, maar de aardappelen werden niet gaar. Ik ontdektedit, omdat ik mijne twee metgezellen de zaak hoorde bespreken; zij waren eenvoudig tot het besluit gekomen “dat die vervloekte pot (een nieuwe) geen aardappelen verkoos te koken.”22 Maart.Nadat wij ons ontbijt zonder aardappelen gegeten hadden, trokken wij over de tusschenliggende vlakte naar den voet der Portillo-keten. In het midden van den zomer wordt hier vee gebracht om te grazen; maar nu waren alle dieren weggehaald, en zelfs deguanaco’swaren vertrokken, wel wetende, dat zij in een val zouden geraken, zoo zij hier door een sneeuwstorm werden verrast. Wij hadden een fraai uitzicht op eene groep bergen, Tupungato geheeten, die geheel met een onafgebrokensneeuwlaag bedekt waren; in het midden er van vertoonde zich eene blauwe plek, ongetwijfeld een gletscher, die in deze bergen een zeldzaam verschijnsel is. Nu begon eene moeilijke en langdurige beklimming, evenals die van de Peuquenes. Rechts en links verrezen steile, kegelvormige heuvels van rood graniet, en in de valleien lagen verscheidene breede velden van eeuwige sneeuw. Deze bevroren massa’s waren, tijdens het ontdooien, op sommige plaatsen in pieken of zuilen veranderd,12die wegens hare hoogte en geringen onderlingen afstand den muildieren het overtrekken moeilijk maakten. Op een van deze ijskolommen stond een bevroren paard, als op een voetstuk, maar met de achterpooten recht omhoog. Ik vermoed, dat het dier met het hoofd omlaag in een gat is gevallen toen de sneeuw nog versch lag, en dat de dooi later de omringende hoopen heeft verwijderd.Toen wij bijna op den top van de Portillo waren, werden wij in eene dalende wolk van kleine ijsnaaldjes gehuld. Dit was zeer jammer, daar het den ganschen dag duurde, en ons uitzicht geheel belemmerde. De pas ontleent haren naam “Portillo” (bijpoort of doorloop voor voetgangers) aan eene smalle kloof of overweg op den hoogsten kam, waarover de weg leidt. Van dit punt kan men op een helderen dag die uitgestrekte vlakten zien, welke zich onafgebroken tot den Atlantischen Oceaan uitstrekken. Wij daalden tot de bovenste grens van plantengroei, en vonden een goednachtverblijf onder beschutting van eenige groote rotsblokken. Hier ontmoetten wij eenige voorbijgangers, die ons verlangend naar de gesteldheid van den weg vroegen. Kort nadat het donker was dreven de wolken eensklaps weg, en de uitwerking daarvan was bepaald tooverachtig. De hooge bergen, blinkend in den vollen maneschijn, schenen aan alle zijden boven ons te hangen, als bevonden wij ons in eene diepe rotskloof. Hetzelfde verrassende effect zag ik op zekeren morgen, heel in de vroegte. Nauwelijks waren de wolken weggedreven, of het begon hard te vriezen; maar wijl er geen wind was, sliepen wij overheerlijk.De meerdere helderheid van maan en sterren op deze hoogte, ten gevolge van de zooveel grootere doorschijnendheid der lucht, was zeer opmerkelijk. Reizigers, die ondervonden hebben hoe moeilijk het is om hoogten en afstanden te schatten te midden van hooge bergen, schrijven dit in ’t algemeen toe aan het ontbreken van voorwerpen ter vergelijking. Mij komt het voor, dat het evenzeer is toe te schrijven aan de doorschijnendheid der lucht, die voorwerpen op verschillende afstanden vermengt, als ook gedeeltelijk aan de nieuwigheid, dat eene kleine inspanning een ongewonen graad van vermoeidheid ten gevolge heeft. Hier is de gewoonte dus in strijd met het getuigenis onzer zinnen. Ik ben overtuigd, dat deze ongewone helderheid een eigenaardig karakter aan het landschap verleent, doordien alle voorwerpen nagenoeg in één vlak vereenigd schijnen, evenals in eene teekening of panorama. Vermoedelijk is die doorschijnendheid toe te schrijven aan den gelijkmatigen en hoogen graad van atmospherische droogte. Die droogte bleek spoedig uit het krimpen van houtwerk (gelijk ik spoedig ontdekte aan de moeite, die ik met mijn geologischen hamer had); uit het buitengewoon hard worden van voedingsmiddelen, zooals brood en suiker, en uit het goed blijven van de huid en vleeschdeelen der beesten, die onderweg gestorven waren. Aan dezelfde oorzaak moeten wij het zonderlinge verschijnsel toeschrijven, dat zoo gemakkelijk electriciteit wordt opgewekt. Mijn flanellen vest straalde,wanneer het in donker werd gewreven, als ware het met phosphorus gewasschen; elk haar op den rug van een hond knetterde; zelfs de linnen lakens en de lederen zadelriemen schoten vonken, als men ze in handen nam.23 Maart.De daling aan de oostzijde van de Cordilleras is veel korter of steiler dan aan den kant van den Stillen Oceaan: met andere woorden, de bergen verrijzen rechtstandiger uit de vlakten dan uit het hoogland van Chili. Eene effene en schitterend witte wolkenzee strekte zich onder onze voeten uit, en onttrok de gelijkmatig vlakke Pampas aan ons oog. Spoedig gingen wij deze wolkenlaag binnen, en kwamen er dien dag niet uit. Omstreeks den middag bereikten wij Los Arenales; en daar hier weiland voor de dieren en struiken voor brandhout werden gevonden, hielden wij stil om te overnachten. Wij waren hier bij de bovenste grens der struikgewassen, en de hoogte bedroeg, naar gissing, tusschen de zeven en achtduizend voet.Zeer trof mij het in ’t oog vallend verschil tusschen den plantengroei dezer oostelijke valleien en die aan den kant van Chili; toch zijn zoowel het klimaat als de soort van grond ongeveer dezelfden, terwijl het lengte-verschil zeer gering is. Dezelfde opmerking geldt voor de viervoetige dieren, en in geringere mate voor vogels en insecten. Als voorbeeld kan ik de muizen noemen, waarvan ik dertien soorten vond aan de kusten van den Atlantischen, en vijf aan den Stillen Oceaan; en hiervan zijn geen twee dezelfden. Eene uitzondering daarop maken al die soorten, welke gewoonlijk, of nu en dan, hooge bergen bezoeken, alsmede sommige vogels, die zelfs tot in de Straat van Magelhaen voorkomen. Dit feit is in volkomen overeenstemming met de geologische geschiedenis der Andes; want sedert de tegenwoordige dierenrassen op aarde verschenen, heeft deze bergketen als groote scheidsmuur gediend; zoodat wij, behalve in de onderstelling dat dezelfde soorten op twee verschillende plaatsen zijn geschapen, niet mogen verwachten eene nauwere overeenkomst te zullen vinden tusschen de organische wezens aan de overzijden der Andes, dan opde tegenovergelegen kusten der twee oceanen. In beide gevallen moeten wij niet mederekenen die soorten, welke in staat zijn geweest over den scheidsmuur, hetzij van vast gesteente of zout water, heen te komen.13Zeer vele planten en dieren waren geheel dezelfden als, of ten nauwste verwant aan die van Patagonië. Men vindt hier het aguti, de bizcacha, drie soorten van armadillen, den struisvogel, zekere soorten van patrijzen en andere vogels, die nooit in Chili worden gezien, maar de kenmerkende dierentypen zijn in de woestijnvlakten van Patagonië. Ook vindt men veelal dezelfde (in de oogen van iemand, die geen plantkundige is) weinig ontwikkelde doornstruiken, verdorde grassen en dwergplanten. Zelfs de zwarte, langzaam kruipende kevers gelijken zeer op elkander; en ik geloof, dat, bij streng onderzoek, sommigen geheel denzelfden zijn. Steeds heeft het mij gespeten, dat wij onherroepelijk gedwongen waren de opvaring van de rivier Santa Cruz op te geven, voordat wij de bergen bereikten, daar ik altijd de stille hoop had, eene groote verandering in den toon van het landschap te zullen bespeuren; doch nu ben ik overtuigd, dat dit alléén zou gebeurd zijn, indien wij over de vlakten van Patagonië eene bergbeklimming ondernomen hadden.24 Maart.Vroeg in den morgen beklom ik een berg aan eene der zijden van het dal, en verlustigde mij in een ruim vergezicht over de Pampas. Dit was een schouwspel, waarnaar ik steeds met belangstelling had uitgezien; doch ik werd teleurgesteld. Bij den eersten aanblik geleek het veel op een vergezicht over den oceaan;maar in de noordelijke gedeelten lieten zich weldra vele onregelmatigheden ontdekken. Het meest trof mij de aanblik der rivieren, die door spiegeling van de opgaande zon, als zilveren draden schitterden tot waar zij zich in de onmetelijke verte verloren. Des middags daalden wij af in de vallei, en bereikten eene hut, waar een officier en drie soldaten op post stonden voor het nazien van de paspoorten. Een dezer mannen was een volbloed Pampas-Indiaan, en werd veel gebruikt voor hetzelfde doel als een bloedhond, om menschen op te sporen, die te voet of te paard heimelijk voorbij den post trachtten te geraken. Eenige jaren geleden poogde een voorbijganger aan de nasporing te ontsnappen, door een langen omweg over een naburigen berg te maken; maar deze Indiaan had toevallig zijn spoor ontdekt, en volgde dit den geheelen dag over droge en zeer steenachtige heuvels, totdat hij eindelijk zijne prooi inhaalde, die in een hollen weg verborgen zat. Hier hoorden wij, dat de zilveren wolken, die wij van uit de heldere streek in het hooggebergte hadden bewonderd, zich in stroomen regen hadden ontlast. Voorbij de hut werd de vallei gaandeweg vlakker, en werden de bergjes louter verweerde heuvels, vergeleken met de reuzen achter ons; eindelijk breidde zij zich uit tot eene zacht glooiende kiezelvlakte, die met lage boomen en struiken bedekt was. Deze glooiing, hoewel op het oog smal, moet ongeveer tien mijlen breed zijn tot waar zij overgaat in de schijnbaar doode, vlakke Pampas. Wij trokken voorbij de Estancia van Chaquaio, het eenige huis in dezen omtrek, hielden bij zonsondergang op het eerste het beste aangename plekje halt, en sloegen hier ons nachtleger op.25 Maart.Gedurende den nacht viel er een zware dauw—een verschijnsel, dat wij in de Cordilleras niet hadden waargenomen; en toen ik den volgenden morgen de zon zag opgaan achter een horizon, zoo effen als die van den oceaan, werd ik aan de Pampas van Buenos Aires herinnerd. De weg liep eenigen tijd vlak oostwaarts door een laag moeras, kwam vervolgens uit in eene droge vlakte, en boog toen noordwaarts naar Mendoza. De afstandbedraagt twee zeer lange dagreizen. Onze eerste dagreis was bepaald op 14leaguesnaar Estacado, en de tweede op 17 naar Luxan, bij Mendoza. De geheele weg loopt over eene effen, eenzame vlakte, waarop niet meer dan twee of drie huizen staan. Bedenk daarbij, dat de zon buitengewoon fel scheen, dan wordt het duidelijk waarom de rit alle aantrekkelijkheid miste. Op dezen langen weg is zeer weinig water; en op onze tweede dagreis vonden wij slechts één kleinen poel. Het weinige water, dat van de bergen vloeit, wordt door den drogen en poreuzen bodem spoedig opgezogen; en zoo kwam het, dat wij geen enkelen stroom passeerden, ofschoon wij slechts tien of vijftien mijlen van de buitenste keten der Cordilleras af waren. Op vele gedeelten was de grond met eene zoutkorst bedekt, en vonden wij hier dezelfde zoutlustige planten, die bij Bahia Blanca voorkomen. Het landschap bezit een gelijkvormig karakter vanaf de Straat van Magelhaen langs de geheele oostkust van Patagonië tot aan de Rio Colorado; en dezelfde soort van streek schijnt zich in eene bochtige lijn van deze rivier af landwaarts in uit te strekken tot San Luis, en misschien noordelijker nog. Oostelijk van deze kromme lijn ligt de kom der betrekkelijk vochtige en groene vlakten van Buenos Aires. De onvruchtbare vlakten van Mendoza en Patagonië bestaan uit eene laag kiezelsteenen, die door de golven der zee glad afgespoeld en opgehoopt zijn; terwijl de met distels, klaver en gras bedekte Pampas gevormd zijn door de modder der oude delta van de Rio de la Plata.Na onze vermoeiende tweedaagsche reis zagen wij met welgevallen van verre de rijen wilgen en populieren, die om het dorp en de rivier Luxan groeiden. Kort vóór onze komst in de plaats bespeurden wij in zuidelijke richting eene donkere, roodachtig bruine wolk van zeer onregelmatigen vorm. Eerst hielden wij die voor den rook van een grooten veldbrand, maar spoedig ontdekten wij, dat het een zwerm sprinkhanen was. Zij vlogen in noordelijke richting; en geholpen door eene zwakke bries, haalden zij ons met de snelheid van tien of vijftien mijlen in het uur in. De hoofdzwermscheen zich uit te strekken van eene hoogte van twintig tot twee of drieduizend voeten boven den grond. Het geluid hunner vleugels was als het “rollen van strijdwagens door vele rennende paarden voortbewogen:” of juister, zou ik zeggen, als het gieren van eene stevige bries door het want van een schip. Door de voorhoede gezien, geleek de lucht op eene teekening in aqua-tinta; maar de hoofdzwerm was ondoordringbaar voor het oog. Zij waren echter niet zoo dicht opeengepakt, of zij konden nog een stok ontwijken, die heen en weder werd gezwaaid. Toen zij neerstreken, waren zij talrijker dan de bladeren des velds, en veranderde de groene kleur hiervan in eene roodachtige; maar nauwelijks op den grond, of de insecten vlogen in alle richtingen heen en weer. Sprinkhanen zijn in dit land niet zeldzaam; reeds waren in dit seizoen verscheidene zwermen uit het zuiden gekomen, waar zij, zooals in alle andere werelddeelen schijnt te gebeuren, in de woestijnen worden uitgebroed. Te vergeefs poogden de arme hutbewoners door het ontsteken van vuren, door geschreeuw en het zwaaien van takken den aanval te keeren. Deze sprinkhanensoort gelijkt zeer veel op den vermaardenGryllus migratoriusuit het Oosten, en is wellicht dezelfde.Wij staken de Luxan over—eene rivier van aanzienlijke grootte, hoewel haar loop naar de zeekust zeer onvolkomen bekend is; zelfs is het twijfelachtig of zij niet in haar loop over de vlakte verdampt en spoorloos verdwijnt. Daarna sliepen wij in het dorp Luxan, een plaatsje door tuinen omgeven, dat vijfleaguesten zuiden van de hoofdstad ligt en het zuidelijkste bebouwde district is in de provincie Mendoza. Des nachts doorstond ik een aanval (want een zachteren naam verdient het niet) van deBenchuca, eene soortReduvius, de groote zwarte weegluis van de Pampas. Het is een uiterst walgelijk gevoel, als die weeke, ongevleugelde insecten van ongeveer een inch lengte over ons lichaam kruipen. Vóór het zuigen zijn zij zeer dun, maar later worden zij rond en gezwollen door het bloed, zoodat het dan gemakkelijk is ze te dooden. Een die ik ving teIquique (want men vindt ze in Chili en Peru), was zeer bloeddorstig. Op eene tafel geplaatst, stak het vinnige insect, wanneer men het een vinger voorhield, onmiddellijk zijn zuiger uit, deed, ofschoon er menschen om heen stonden, een aanval en begon, als men het liet begaan, bloed te zuigen. De wond veroorzaakte geen pijn. Het was merkwaardig zijn lichaam gade te slaan, terwijl het bezig was te zuigen; want eerst zoo plat als een wafel, werd het in minder dan tien minuten bolrond. Van dit eene maal, dat debenchucaaan een der officieren te danken had, bleef zij vier maanden lang vet; maar reeds na 14 dagen stond zij kant en klaar om opnieuw te zuigen.27 Maart.Wij reden verder naar Mendoza. Het land was uitstekend bebouwd, en kwam overeen met Chili. Deze buurtschap is beroemd om haar fruit; en het dient erkend, dat deze bloeiende wijngaarden, en boomgaarden met vijge-, perzik- en olijfboomen door niets evenaard konden worden. Wij kochten watermeloenen, tweemaal zoo groot als een menschenhoofd, heerlijk koel en goed van smaak, voor een halve penny het stuk; en een halven kruiwagen vol perziken voor de waarde van drie pence. Het bebouwde en ompaalde gedeelte dezer provincie is zeer klein, en niet veel grooter dan dat tusschen Luxan en de hoofdstad, hetwelk wij waren doorgetrokken. Evenals in Chili, dankt het land zijne vruchtbaarheid geheel aan kunstmatige bevloeiing; en het is inderdaad verrassend als men ziet hoe buitengewoon vruchtbaar eene kale vlakte daardoor gemaakt wordt.Wij bleven den volgenden dag in Mendoza. De voorspoed van deze stad is in de laatste jaren zeer gedaald. De inwoners zeggen: “Zij is goed om er te wonen, maar zeer slecht om rijk te worden.” De lagere standen hebben de luierende, zorgelooze manieren van de Gauchos der Pampas, en hunne kleeding, hun zadeltuig en leefwijzen zijn nagenoeg dezelfden. In mijn oog had de stad een geesteloos, verlaten aanzien. Noch de geroemdealameda,14noch de aanlegder stad zijn te vergelijken met die van Santiago; maar voor hen, die van Buenos Aires komende, pas hun tocht door de eentonige Pampas hebben volbracht, moeten de tuinen en boomgaarden een verrukkelijken aanblik opleveren. Van de inwoners sprekende, zegt Sir. F. Head: “Zij eten hun middagmaal, gaan slapen omdat het zoo heet is... eilieve, kunnen zij wel beter doen?” Ik ben het geheel met den zegsman eens: het gelukkig lot der Mendozinos is: eten, slapen en luieren.29 Maart.Wij gingen op weg om over den noordelijk van Mendoza gelegen Uspallata-pas naar Chili terug te keeren. Onze weg liep door een uitgestrekt en zeer dor gebied, dat 15leagueslang was. De bodem was op sommige plaatsen geheel kaal, op andere met tallooze dwergcactussen bedekt, die met geduchte stekels waren gewapend en door de inwoners “kleine leeuwen” werden genoemd. Ook waren er enkele lage struiken. Ofschoon de vlakte bijna 3000 voet boven de zee ligt, brandde de zon zeer fel; en deze hitte, gevoegd bij de wolken ontastbaar stof, maakten den tocht buitengewoon vermoeiend. Onze weg liep dezen dag bijna evenwijdig met de Cordilleras, doch naderde die langzamerhand. Vóór zonsondergang reden wij eene der breede valleien of liever dalbochten in, welke in de vlakte uitmonden, en die zich spoedig vernauwde tot een ravijn, waarin iets hooger op de villa Vicencio ligt. Daar wij den ganschen dag gereden hadden zonder een druppel water, waren wij en ook onze muildieren zeer dorstig, en keken dus verlangend uit naar den stroom, die door deze vallei naar het dal vloeit. Het was eigenaardig te zien, hoe het water langzamerhand voor den dag kwam: op de vlakte was de bedding geheel droog; gaandeweg werd zij iets vochtiger, en toen verschenen plasjes water, die zich weldra vereenigden, totdat zich eindelijk bij de villa Vicencio een aardig riviertje vertoonde.30 Maart.De eenzame hut, welke den indrukwekkenden naam Villa Vicencio draagt, wordt door elken reiziger vermeld, die de Andes is overgetrokken. Ikbleef hier twee opvolgende dagen en bezocht ook eenige naburige mijnen. De geologie van het omliggende land is zeer merkwaardig. De Uspallata-keten is van de hoofd-Cordilleras gescheiden door eene lange, smalle vlakte of kom, evenals die in Chili (welke zoo vaak genoemd zijn), maar hooger, daar zij 6000 voet boven de zee ligt. Deze keten heeft bijna dezelfde geographische ligging met betrekking tot de Cordilleras, als de reusachtige Portillo, maar is van geheel anderen oorsprong. Zij bestaat uit verschillende onderzeesche lava-soorten, die afwisselen met vulkanische zandsteenen en andere merkwaardige sedimentaire afzetsels; het geheel komt zeer na overeen met sommige tertiaire lagen aan de stranden van den Stillen Oceaan. Wegens die gelijkenis verwachtte ik fossiel hout te zullen vinden, waardoor deze formaties zich meestal kenmerken. Ik werd in ruime mate tevreden gesteld. In het middengedeelte der keten bespeurde ik op eene naakte helling, ter hoogte van ongeveer 17000 voet, eenige sneeuwwitte uitstekende kolommen. Deze waren versteende boomen, waarvan elf verkiezeld, en dertig tot veertig in grof gekristalliseerd wit kalkspaat veranderd waren. Zij waren plotseling afgebroken, zoodat de overgebleven stompen enkele voeten boven den grond uitstaken. De stammen maten elk van drie tot vijf voeten in omtrek, en stonden op geringen afstand van elkander, maar vormden te zamen ééne groep. Robert Brown is zoo vriendelijk geweest het hout te onderzoeken, en zegt dat het tot het geslacht der dennen behoort, omreden het de kenmerken draagt van de familie derAraucaria’sof Andesdennen, maar dat het eenige merkwaardige verwantschapspunten met betrekking tot den iep bezit. De vulkanische zandsteen, waarin de boomen waren begraven en uit welks lagere gedeelten zij ontsproten moesten zijn, heeft zich achtereenvolgens in dunne lagen om de stammen opgehoopt, en de steen heeft nog den indruk der schors bewaard.Er was weinig geologische kennis noodig ter vertolking van de wonderbare geschiedenis, welke dit landschap onmiddellijk voor oogen stelde, hoewel ik beken, dat ik in ’t eerstzoozeer verbaasd was, dat ik het klaarste bewijs nauwelijks kon gelooven. Ik zag de plek, waar in een lang vervlogen tijd eenige fraaie boomen hunne takken wuifden aan de stranden van den Atlantischen Oceaan, toen deze Zee—nu 700 mijlen teruggevloeid—tot aan den voet der Andes reikte. Ik zag, dat die boomen waren ontsproten uit een vulkanischen grond, die boven den zeespiegel was geheven, en dat dit droge land met zijn rijzig geboomte daarna was weggezonken in de diepten van den Oceaan. In deze diepten werd het vroeger droge land bedekt met sedimentaire lagen, en dezen weer met ontzaglijke stroomen onderzeesche lava, waarvan één zelfs eene dikte van 1000 voet bereikte; en vijfmaal waren die stroomen van gesmolten gesteenten, door waterbezinksels afgewisseld, over den zeebodem verspreid. De oceaan, waarin zulke dikke beddingen ontstonden, moet ontzettend diep geweest zijn. Maar wederom kwamen de onderaardsche krachten in werking; en nu zag ik den bodem van dien oceaan eene bergketen vormen van meer dan 7000 voet hoogte. Nòg waren die vijandige machten, welke altijd bezig zijn de oppervlakte van het land te sloopen, niet tot rust gekomen: de groote lava-beddingen waren doorsneden geworden van breede valleien, en de nu versteende boomen blootgelegd door uitspoeling van den vulkanischen, thans evenzeer versteenden bodem, waaruit zij eenmaal, groenend en bloeiend, hunne rijzige toppen hadden omhoog geheven. Nu is dit alles eene volslagen woestenij, want zelfs het mos kan zich niet hechten aan de steenen rompen van voormalige boomen. Hoe reusachtig en bijna onbegrijpelijk zulke veranderingen ook moeten schijnen, hebben zij toch allen plaats gehad in een tijdperk, datjongis, vergeleken met de geschiedenis der Cordilleras zelve; en deze bergketen is beslistnieuw, vergeleken met vele fossielen-bevattende lagen in Europa en Amerika!1 April.Wij trokken over de Uspallata-keten, en sliepen des nachts in het tolhuis—de eenige bewoonde plek op de vlakte. Kort voordat wij de bergen verlieten, zagen wij een zeer buitengewoon schouwspel:roode, purpere, groene en zuiver witte sedimentaire gesteenten, afwisselende met zwarte lava’s, waren door porfier-kegels in allerlei kleuren, van donkerbruin tot het helderste lila, opgebroken en in de grootste wanorde dooreengeworpen. Ik zag thans voor het eerst een schouwspel, dat werkelijk geleek op die fraaie doorsneden, welke de geologen van het binnenste der aarde maken.Den volgenden dag staken wij de vlakte over, en volgden den loop van denzelfden grooten bergstroom, die voorbij Luxan vloeit. Hier was die stroom een wild bruisende, geheel ondoorwaadbare vloed, die breeder scheen dan in het laagland, evenals met het riviertje van Villa Vicencio het geval was. Op den avond van den volgenden dag bereikten wij de Rio de las Vacas, die beschouwd wordt als de slechtste stroom in de Pampas, wat het oversteken betreft. Daar al deze rivieren een snellen en korten loop hebben, en door het smelten der sneeuw gevormd zijn, brengt het uur van den dag een aanzienlijk verschil mede in hun volume. Des avonds is de stroom modderig en gezwollen; maar tegen het aanbreken van den dag wordt hij klaarder en veel minder onstuimig. Wij vonden, dat dit ook met de Rio de las Vacas het geval was, en staken haar des morgens met geringe moeite over.Tot dusverre was het landschap zeer weinig belangrijk, vergeleken met dat van den Portillo-pas. Men kan weinig zien van hetgeen er ligt aan gene zijde van de kale rotswanden der groote vlakke vallei, waardoor de weg tot aan den hoogsten top voert. De vallei en de ontzaglijke rotsachtige bergen zijn uiterst dor: gedurende de twee vorige nachten hadden de arme muildieren letterlijk niets te eten, want behalve enkele harsachtige struiken, is er bijna geen plant te zien. In den loop van dezen dag trokken wij over eenige van de slechtste passen in de Cordilleras; doch het daaraan verbonden gevaar wordt zeer overdreven. Men zeide mij, dat ik duizelig zou geworden zijn, indien ik er te voet had trachten over te gaan, en dat er geen ruimte was om af te stijgen; maar ik zag geen enkele plek, waar menniet ruggelings had over kunnen loopen, of aan beide zijden van zijn muildier stijgen. Van een der slechtste passen (las Animas—de Zielen), dien ik was overgetrokken, vernam ik eerst een dag later, dat hij een van de gevaarlijkste was. Ongetwijfeld zijn er vele punten, waar de ruiter, bij eene struikeling van het muildier, in een diepen afgrond zou worden geslingerd; doch hiervoor bestaat weinig kans. Van deladerasof wegen, die elk jaar over de stapels gevallen rotspuin opnieuw worden aangelegd, durf ik zeggen, dat zij in de lente zeer slecht zijn; maar blijkens hetgeen ik zag, geloof ik, dat het werkelijke gevaar nul is. Met gepakte muildieren is het geval eenigszins anders, doordien de pakken zoo ver uitsteken, dat de beesten, als zij toevallig tegen elkander of tegen eene rotspunt loopen, hun evenwicht verliezen en in den afgrond worden geworpen. Bij het oversteken van rivieren kan ik wel gelooven, dat de moeilijkheid soms zeer groot is; in dit jaargetijde was er weinig last, maar in den zomer moeten zij zeer gevaarlijk zijn. Volgens de beschrijving van SirF. Head kan ik mij zeer goed de verschillende uitdrukkingen verklaren van hen, die zulk een bergstroom zijn overgestoken, of bezig zijn het te doen. Ik heb nooit gehoord, dat een mensch verdronk, maar met gepakte muildieren gebeurt het vaak. De arriero zegt u, dat gij uw muildier de beste richting moet wijzen, en het dan zijn gang moet laten gaan; het gepakte muildier neemt zijne richting slecht, en is dikwijls verloren.4 April.Van de Rio de las Vacas tot de Puente del Inca is eene halve dagreis. Daar er weiland voor de muildieren was, en een geologisch terrein voor mij, sloegen wij hier onze nachtkwartieren op. Als men van eene natuurlijke Brug (Puente) hoort, stelt men zich een diep en smal ravijn voor, waarover schrijlings een geweldig rotsblok is gevallen, of een grooten boog die als een grotgewelf is uitgehold. In plaats daarvan bestaat de Puenta del Inca uit een korst van gelaagde keisteenen, die door de bezinksels der naburige heete bronnen zijn samengemetseld. Het schijnt, dat de stroom aan den eenen kant een kanaalheeft uitgegraven, waarbij eene overhangende rots ontstond, die zich vereenigde met de aarde en steenen welke van de tegenoverstaande klip vielen. De schuine verbinding, die in zoodanig geval zou ontstaan, was inderdaad aan één kant zeer duidelijk merkbaar. De Inca-brug is geenszins de groote koningen waardig, naar wien zij genoemd is.5 April.Wij hadden een langen dagrit noodig, om van de Puente del Inca, over de centrale keten, naar de Ojos del Agua te komen, die bij de laagstecasuchaaan den kant van Chili liggen. Dezecasuchaszijn kleine ronde torens, met trappen aan de buitenzijde om den vloer te bereiken, die wegens de sneeuwhoopen eenige voeten boven den grond is aangebracht. Zij zijn acht in getal, en werden onder het Spaansche gouvernement des winters goed van leeftocht voorzien, terwijl elke koerier een looper op de torens had. Nu dienen zij alleen tot kerkerholen. Wegens hare eenigszins hooge ligging, passen zij niet kwaad bij deze woeste en eenzame omgeving. De zigzagvormige beklimming van deCumbre,15of Waterscheiding, was zeer steil en vermoeiend; volgens Pentland bedraagt de hoogte 12.454 voet. Nergens leidde de weg over eeuwige sneeuw, ofschoon er aan beide kanten hoopjes lagen. Op den top was de wind snerpend koud; toch kon ik niet nalaten eenige minuten stil te houden, om telkens weer de kleur van den hemel en de prachtige doorschijnende lucht te bewonderen. Het was een indrukwekkend schouwspel. In het westen vertoonde zich eene fraaie, dicht opeengedrongen groep van bergen, door diepe ravijnen gescheiden. Meestal valt er vóór dezen tijd van het jaar wat sneeuw: en het is zelfs gebeurd, dat de Cordilleras omstreeks dezen tijd geheel waren afgesloten. Maar wij troffen het zeer gelukkig. Nacht en dag was de lucht onbewolkt, uitgenomen enkele ronde klompjes damp, die over de hoogste toppen dreven. Dikwijls heb ik deze wolkjes in de lucht gezien, wijzende de plek waar de Cordilleras lagen, als de ver verwijderde bergen achter den horizon verborgen waren.6 April.Des morgens ontdekten wij, dat een dief een onzer muildieren benevens de bel van de madrina gestolen had. Wij reden daarom slechts twee of drie mijlen dieper de vallei in, en bleven daar den volgenden dag, in de hoop het muildier te zullen terugvinden, dat, volgens het oordeel van den arriero, ergens in een ravijn verborgen was. Het landschap had in dit gedeelte een Chileensch karakter aangenomen. De onderzijden der bergen, welke dun begroeid zijn met den bleeken, altijd-groenen Quillay-boom, en met den grooten kandelabervormigen cactus,16zijn stellig meer te bewonderen dan de kale oostelijke valleien; maar met de bewondering, door sommige reizigers aan den dag gelegd, kon ik niet geheel instemmen. Ik vermoed, dat de prettige stemming, waarin men verkeert, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het vooruitzicht van een flink vuur en een goed avondeten, nadat men aan de koude streken van het hooggebergte ontkomen is, en ik ben overtuigd, dat anderen deze gevoelens van harte met mij deelen.8 April.Wij verlieten de Aconcagua-vallei, waardoor wij waren afgedaald, en bereikten des avonds eene hut nabij de Villa della Santa Rosa. De vruchtbare vlakte bood een verrukkelijken aanblik. Daar de herfst reeds ver gevorderd was, vielen de bladeren van vele fruitboomen af; en van de arbeiders waren sommige bezig met het drogen van vijgen en perziken op de daken hunner hutten, terwijl andere de druiven uit de wijngaarden verzamelden. Het was een opwekkend tafereel; maar ik miste die plechtige en ernstige stilte, welke den herfst in Engeland terecht als den avond des jaars kenmerkt. Op den 10den bereikten wij Santiago, waar mij door Caldcleugh eene zeer vriendelijke en gastvrije ontvangst werd bereid. Mijn uitstapje kostte mij slechts 24 dagen; en nooit had ik in een even langen tijd zooveel genoten. Enkele dagen later keerde ik naar de woning van Corfield in Valparaiso terug.1Deze passen hebben hoogten van 3927 en 4060 M.(Vert.)2Een Engelsch gewicht, inzonderheid voor wol, gelijkstaande met 14 pounds of circa 6–35/100 kilogr.3Scoresby’s Arctic Regions, Vol. I, Blz. 122.4In Shropshire heb ik hooren opmerken, dat het water van de Severn veel troebeler is, als de rivier ten gevolge van aanhoudende regens buiten hare oevers treedt, dan wanneer dit veroorzaakt wordt door het smelten van sneeuw in de bergen van Wallis. Als D’Orbigny (deel I, blz. 184) de oorzaak van de verschillende kleuren der Zuidamerikaansche rivieren verklaart, merkt hij op, dat die met blauw of helder water op de Cordilleras ontspringen, waar de sneeuw smelt.5Lower White Chalkin Engeland, enTuronien(naar de aloude provincie Touraine, thans het departementIndre-et-Loire) in Frankrijk, zijn de equivalente namen der tweede of middelste onderafdeeling van de bovenste hoofdafdeeling derKrijtformatie. In Engeland en Noord-Frankrijk wordt zij gevormd door witte of lichtgrijze, fijne en weeke mergels: de zoogen. krijtmergels. De onderste lagen van hetTuronienhebben uitloopers, die men door het zuiden en zuidoosten van Frankrijk tot in Zwitserland kan vervolgen.6De uitbarsting dezer granietkoppen moet in het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad.(Vert.)7Het Spaansche woordpunabeteekent letterlijk “ijskoude onbewoonbare streek.”(Vert.)8Dr. Gillies in “Journal of Nat. and Geograph. Science,” Aug. 1830. Deze schrijver geeft de hoogte der passen aan.9Ongeveer 3720 meter. De eigenlijke naam van dezen vulkaan is Pico de Teyde.(Vert.)10Eencasuchais een klein armzalig huisje: een barak of loods.11De Franschman Denis Papin (1647–1712), die vanaf 1673 adsistent bij Huijgens was, verliet in 1680 als Calvinist zijn geboorteland, en was van af 1688 hoogleeraar te Marburg. Hij vond in 1681 den naar hem genoemden pot (la marmite de Papin), welke ten doel had water en de daarin te koken spijzen hooger te verhitten, dan zulks in open kookpannen mogelijk was, en zoodoende het koken te bespoedigen en meer volkomen te maken. Zijne eerste gedachte was, dat men daarin wellicht beenderen in een bruikbaar voedingsmiddel kon veranderen.(Vert.)12Deze structuur in bevroren sneeuw was sedert lang door Scoresby waargenomen in de ijsbergen bij Spitsbergen, en onlangs nauwkeuriger door Kolonel Jackson (Journ. of Geogr. Soc., deel V, blz. 12) op de Newa. Charles Lyell (Principles of Geology) heeft de spleten, waardoor de zuilvormige structuur schijnt bepaald te worden, vergeleken bij de voegen die bijna alle gesteenten doorkruisen, maar die het best te zien zijn in ongelaagde massa’s. Ik wil hier opmerken, dat de zuilvormige structuur, in het geval van de bevroren sneeuw, moet worden toegeschreven aan eenemetamorphischewerking (eene chemisch-physische omzetting), en niet aan eene werking gedurende den “neerslag.”13Dit is slechts eene toelichting op de merkwaardige wetten, het eerst door Charles Lyell vastgesteld, betreffende het feit, dat geologische veranderingen van invloed zijn geweest op de geographische verspreiding der dieren. De geheele redeneering berust natuurlijk op de hypothese van de onveranderlijkheid der soorten, anders zou het verschil tusschen de soorten in de twee gewesten beschouwd kunnen worden als in lengte van tijd te zijn ontstaan.14Populierenlaan, of openbare wandelplaats.15Cumbre beteekent: bergtop.(Vert.)16Deze reusachtige woestijncactusCereus atacamensislevert zelfs sterke balken, planken en brandhout aan de tropische landen.(Vert.)

Hoofdstuk XV.Overtocht van de Cordilleras.7 Maart 1835.Wij bleven drie dagen te Concepcion, en zeilden toen naar Valparaiso. Daar de wind noordelijk was, bereikten wij den ingang der haven van Concepcion eerst tegen donker. Omdat wij zeer dicht bij land waren, en er een mist kwam opzetten, lieten wij hier het anker vallen. Kort daarna kwam een groote Amerikaansche walvischvaarder ons op zijde, waarvan wij den kapitein vloekend tot zijn volk hoorden zeggen, dat het zich stil moest houden, zoolang hij naar de stortzeeën luisterde. Kapitein Fitz-Roy praaide hem met luide, heldere stem, om op de plek waar hij was te ankeren. De arme man zal toen zeker hebben gedacht, dat die stem van het strand kwam, want een storm van kreten steeg eensklaps van het schip op, daar iedereen schreeuwde: “Laat het anker vallen! Kabel vieren! Zeil minderen!” Dit was het belachelijkste, dat ik ooit gezien had. Indien alle koppen van de bemanning kapiteins waren geweest, had er geen grootere verwarring van bevelen kunnen heerschen. Later ontdekten wij, dat de kapitein stotterde, zoodat ik vermoed, dat allen hem hielpen om zijne orders te geven.Op den 11den ankerden wij te Valparaiso; en twee dagen later ging ik op weg, om de Cordilleras over te trekken. Eerst begaf ik mij naar Santiago, waar Caldcleugh mij zeervriendelijk op alle mogelijke wijze hielp bij het maken van de kleine noodige toebereidselen. In dit gedeelte van Chili zijn twee passen over de Andes naar Mendoza: de eene, de Aconcagua- of Uspallata-pas, ligt op 32°50′ Z.B. en wordt het meest gebruikt; de tweede, de Portillo-pas geheeten, ligt zuidelijker, is nader, maar hooger en gevaarlijker.118 Maart.Wij richtten ons naar den Portillo-pas. Na Santiago te hebben verlaten, staken wij de uitgestrekte, verschroeide vlakte over, waarin deze stad ligt, en kwamen in den namiddag aan de Maypu, eene der voornaamste rivieren van Chili. Ter plaatse, waar de vallei den eersten Cordilleras-kam snijdt, wordt zij aan weerskanten door hooge, naakte bergen begrensd; en ofschoon niet breed, is zij zeer vruchtbaar. Tal van hutten waren omringd door wijngaarden, en boomgaarden met appel-, nektarine- en perzikboomen, waarvan de takken onder het gewicht der schoone rijpe vruchten dreigden te breken. Des avonds bereikten wij het tolhuis, waar onze bagage onderzocht werd. De Chileensche grens wordt beter bewaakt door de Cordilleras, dan door het water der zee. Er zijn zeer weinige valleien, die naar de centrale kammen van het gebergte voeren, en op andere plaatsen zijn de bergen voor lastdieren geheel onbegaanbaar. De beambten van het tolhuis waren zeer beleefd, hetgeen misschien voor een deel was toe te schrijven aan het paspoort, dat de President der Republiek mij gegeven had; maar bijna elke Chileen bezit eene aangeboren beleefdheid, waarover ik mijne bewondering moet uitspreken. In dit geval was de tegenstelling met dezelfde klasse van menschen in de meeste andere landen zeer opvallend. Als staaltje van Chileensche beleefdheid zal ik eene anecdote vertellen, die mij destijds zeer vermaakte. Dicht bij Mendoza ontmoetten wij eene kleine en zeer dikke negerin, die schrijlings op een muildier zat. Zij had een kropgezwel, zoo verbazend groot, dat men bijna niet konnalaten haar voor een oogenblik aan te kijken; doch bijna op hetzelfde oogenblik—als wilden zij zich verontschuldigen—groetten mijne beide metgezellen haar op de gebruikelijke manier, door hunne hoeden af te nemen. Waar zou men in Europa, onder de hoogere of lagere standen, zulk eene beleefdheid hebben bewezen aan een arm en mismaakt schepsel van een verworpen ras?Des nachts sliepen wij in eene hut. Onze onafhankelijke manier van reizen was verrukkelijk. In de bewoonde gedeelten kochten wij wat brandhout, huurden weiland voor de beesten, en kampeerden bij hen in een hoek van hetzelfde veld. In den ijzeren pot, dien wij bij ons hadden, kookten wij ons avondeten, nuttigden dit onder een onbewolkten hemel, en kenden geen zorg. Mijne metgezellen waren: Mariano Gonzales, die mij reeds vroeger in Chili als gids had gediend, en eenarriero(muildierendrijver) met zijne tien muildieren en eenemadrina(petemoeder). Laatstgenoemde is een hoogst gewichtig personage: namelijk eene oude, bezadigde merrie met een belletje aan den nek, die, waar zij gaat, door de muildieren als gehoorzame kinderen gevolgd wordt. De liefde van deze dieren voor hunnemadrinasbespaart tallooze moeilijkheden. Zoo er verscheidene groote troepen tegelijktijdig in hetzelfde veld grazen, behoeven dearrierosdes morgens hunnemadrinasalleen wat ter zijde te voeren en hare bellen te laten klinken: en al waren er dan ook twee- of driehonderd muilen bijeen, toch kent elk onmiddellijk de bel van zijne eigenemadrina, en komt naar haar toe. Het is bijna onmogelijk een oud muildier te verliezen; want zoo het verscheidene uren lang met geweld wordt achtergehouden, zal het, evenals een hond, met zijn fijnen reuk het spoor zijner makkers of liever van demadrinavolgen, aan wie het, zooals dearrierobeweert, de meeste liefde toedraagt. Deze neiging is echter niet van individueelen aard; want ik geloof geen ongelijk te hebben als ik zeg, dat elk dier met een bel aan voormadrinakan dienen. Elk muildier draagt op een effen weg een last van 416pounds(meerdan 29stone);2maar in eene bergachtige streek 100poundsminder. Het is merkwaardig, dat deze dieren met hunne fijne, schrale ledematen, zonder evenredige spierontwikkeling, zulk een grooten last kunnen dragen. Het muildier schijnt mij altijd een hoogst wonderlijk dier toe. Dat een basterd of speelsoort meer verstand, geheugen, halsstarrigheid, neiging tot het vereenigingsleven, volhardingsvermogen bij spierarbeid, en ook een langer leven bezit dan een zijner ouders, schijnt aan te duiden, dat de kunst hier de natuur heeft overtroffen. Van onze tien dieren waren zes bestemd voor rijden, en vier voor het dragen van lasten, waarin allen elkander afwisselden. Wij hadden eene flinke hoeveelheid voedsel meegenomen voor het geval, dat wij ingesneeuwd werden, omreden het seizoen voor een tocht over den Portillo-pas eenigszins verstreken was.19 Maart.Dezen dag reden wij naar het laatste, en dus hoogst gelegen huis van de vallei. Het aantal bewoners werd schaarsch; toch was het land op plaatsen, waar het water kon worden heengevoerd, nog zeer vruchtbaar. Alle hoofdvalleien in de Cordilleras bezitten dit kenmerk, dat zij aan beide zijden worden omzoomd door een ruw gelaagd, en meestal zeer dik terras van keien en zand. Blijkbaar is er een tijd geweest, dat deze terrassen zich dwars over de valleien uitstrekten en vereenigd waren. Dit vermoeden wordt bevestigd in Noord-Chili, waar geen stroomen zijn, en waar men de dalbodems op de genoemde wijze gelijkmatig gevuld ziet. Over deze randterrassen leiden meestal de wegen; want hunne oppervlakten zijn effen, en met eene zeer geringe stijging volgen zij den loop der valleien. Vandaar dat zij ook gemakkelijk door irrigatie worden bebouwd. Men kan hen vervolgen tot eene hoogte van 7000 of 9000 voet, waar zij zich eindelijk tusschen de onregelmatige hoopen rotspuin verliezen. Aan het ondereinde of den ingang der valleien gaan zij geleidelijk over in die doorland ingesloten (ook uit keien gevormde) vlakten aan den voet der hoofdketen van de Andes, welke ik in een vroeger hoofdstuk als kenmerkend voor het Chileensche landschap heb beschreven, en die daar ongetwijfeld ontstonden in een tijd, toen de zee in Chili doordrong, gelijk zij het nu in de zuidelijke kusten doet. Geen enkel feit in de geologie van Zuid-Amerika boezemde mij meer belang in, dan deze terrassen van grof gelaagde keien. In samenstelling gelijken zij volkomen op de stof, die de stroomen in elke vallei zouden afzetten, indien zij door de eene of andere oorzaak—zooals het vloeien in een meer of zeearm—in hun loop belemmerd werden; maar in plaats van stof af te zetten, zijn de stroomen nu voortdurend bezig met het afknagen van het vaste gesteente en van deze alluviale aanslibbingen over de geheele lengte van elke hoofd- en zijvallei. Het is niet mogelijk hier de redenen op te noemen; maar ik ben overtuigd, dat die kei- of grofkiezel-terrassen gedurende de trapsgewijze rijzing der Cordilleras werden opgehoopt door de stroomen, die bij opvolgende peilstanden hun rotspuin aanslibden op de strandhoofden van lange smalle zeearmen—eerst hoog in de valleien, toen lager en lager naar het ondereinde, terwijl het land gestadig en langzaam rees. Indien dit zoo is (en ik kan er niet aan twijfelen), dan is de groote en gebroken keten van de Cordilleras niet—zooals de geologen tot voor korten tijd algemeen dachten, en zooals nu nog de gewone meening is—plotseling omhooggeworpen, maar langzaam in haar geheel opgeheven, op dezelfde gestadige manier als de kusten van de Atlantische en Stille Oceanen in jongere tijdperken. Eene menigte feiten in de structuur van de Cordilleras vinden door deze beschouwing eene eenvoudige verklaring.De rivieren, die door deze valleien vloeien, moesten eerder bergstroomen worden genoemd. Hare helling is zeer groot, en het water heeft de kleur van modder. Het geraas, dat de Maypu maakte terwijl zij over de groote ronde brokken schoot, geleek op het bruisen der zee. Tusschen het geweld van het stroomende water, was het ratelende geluid derover elkander schurende steenen zeer duidelijk hoorbaar—zelfs op een afstand. Dag en nacht kan men dit ratelende geluid langs den geheelen loop van den stroom hooren. Voor den geoloog lag er iets welsprekends in dien klank. Die duizenden en duizenden steenen, welke rammelend tegen elkander het doffe en eentonige geluid verwekten, spoedden zich allen in ééne richting. Zij deden denken aan den tijd, waarin elke voorbij snellende minuut onherroepelijk in de eeuwigheid verzinkt! Voor deze steenen is de oceaan hunne eeuwigheid; en elke toon in die wilde muziek sprak mij van een stap, dien zij nader tot hunne bestemming deden.Het is voor den menschelijken geest onmogelijk, anders dan door een langzaam verloop, eene werking te begrijpen, welke is voortgebracht door eene zoo dikwijls herhaalde oorzaak, dat het noemen van het herhalings-cijfer al geen duidelijker begrip van de zaak geeft dan de wilde, die naar de haren op zijn hoofd wijst. Zoo dikwijls als ik modder-, zand- en kiezellagen tot eene dikte van vele duizenden voeten opgehoopt zag, voelde ik mij geneigd uit te roepen, dat oorzaken, als de vermalende werking der tegenwoordige rivieren en tegenwoordige strandvloeden, nooit zulke massa’s konden hebben voortgebracht. Maar aan den anderen kant: als ik luisterde naar het ratelende geluid dezer stroomen: als ik mij voor den geest riep, dat geheele dierengeslachten van de aardoppervlakte verdwenen zijn gedurende dat lange tijdvak, waarin deze steenen dag en nacht met hetzelfde geluid in hunnen loop zijn voortgeschuifeld—dan heb ik bij mijzelf gedacht: welke berg, welk vastland kan zulk eene slooping weerstaan?In dit gedeelte der vallei waren de bergen aan weerszijden van 3000 tot 6000 of 8000 voeten hoog, met afgeronde omtrekken en steile, kale hellingen. De algemeene kleur van het gesteente was dof purperachtig, en zijne laagswijze structuur zeer duidelijk waarneembaar. Zoo al niet schoon, was toch het landschap merkwaardig en grootsch. In den loop van den dag ontmoetten wij verscheidene kudden vee, die door mannen uit de hoogere valleien in de Cordillerasnaar omlaag werden gedreven. Dit teeken van den naderenden winter verhaastte onze schreden, meer dan voor geologische waarnemingen wel wenschelijk is. Het huis, waarin wij sliepen, lag aan den voet van een berg, op welks top zich de San-Pedro-de-Nolasko-mijnen bevinden. Sir F. Head verwondert zich, dat er mijnen ontdekt zijn geworden op zulke buitengewone plaatsen als de schrale top van den berg San Pedro de Nolasko. Toch laat die ontdekking zich zeer goed verklaren. In de eerste plaats zijn metaaladeren in deze streek meestal harder dan de omringende lagen, zoodat zij gedurende de allengs voortgaande slijting der bergen buiten de oppervlakte van den grond steken. Ten tweede heeft bijna elk arbeider, vooral in de noordelijke gedeelten van Chili, eenig verstand van het voorkomen van ertsen. In de groote mijnprovinciën Coquimbo en Copiapó is brandhout zoo schaarsch, dat er op ieder bergje en in elk dal naar gezocht wordt; en door dit zoeken zijn bijna al de rijkste mijnen in die streek ontdekt. Chagnarcillo, waaruit in den loop van weinige jaren voor eene waarde van vele honderdduizenden ponden zilver te voorschijn is gebracht, werd ontdekt door een man, die een steen naar zijn beladen ezel wilde werpen. In de meening, dat hij zeer zwaar was, raapte hij den steen op, en ontdekte, dat deze grootendeels uit zuiver zilver bestond. Niet ver van de plek stond de ader recht overeind, als eene wig van metaal. Ook wandelen de mijnwerkers dikwijls op Zondagen met een breekijzer over de bergen. In het zuidelijk deel van Chili zijn de ontdekkers gewoonlijk mannen, die vee in de Cordilleras drijven, en elk ravijn bezoeken waar eenig weiland te vinden is.20 Maart.Naarmate wij hooger in de vallei kwamen, werd de plantengroei, met uitzondering van enkele fraaie Alpen-bloemen, uiterst schaarsch; en van viervoetige dieren, vogels of insecten kon er nauwelijks een worden ontdekt. De hooge bergen, waarvan de toppen enkele plekjes sneeuw vertoonden, stonden goed van elkander gescheiden, terwijl de tusschenliggende dalen gevuld waren met alluviale lagen van ontzaglijke dikte. Het berglandschapvan de Andes bevatte eenige bijzonderheden, welke mij om hare tegenstelling met de andere mij bekende bergketens bovenal troffen. Die bijzonderheden waren: de vlakke zoomen aan weerszijden van de valleien, welke randen zich dikwijls tot smalle vlakten verbreedden; de heldere kleuren, voornamelijk rood en purper, der volkomen naakte en steile heuvels van porfier; de indrukwekkende en onafgebroken steenaderen, welke het voorkomen hadden van muren; de duidelijke afscheiding der lagen, die, daar waar zij bijna verticaal stonden, de schilderachtige en ruwe middentoppen vormden, doch bij geringere helling de groote bergenmassa aan de grenzen der keten samenstelden; en eindelijk, de rechte kegelvormige stapels fijn en helderkleurig rotspuin, die onder een steilen hoek van den voet der bergen af, soms tot eene hoogte van meer dan 2000 voet langs de wanden opliepen.Zoowel in Vuurland als in de Andes merkte ik herhaaldelijk op, dat waar het gesteente gedurende het grootste deel van het jaar met sneeuw bedekt was, het op zeer buitengewone wijs in kleine hoekige stukken was gesplinterd. Scoresby3heeft hetzelfde feit op Spitsbergen waargenomen. De zaak schijnt mij eenigszins duister; want het gedeelte van een berg, dat door een sneeuwmantel wordt beschut, moet minder aan herhaalde en groote temperatuurswisselingen onderhevig zijn, dan elk ander gedeelte. Soms heb ik gedacht, dat de aarde en steenbrokken aan de oppervlakte misschien minder snel werden verwijderd door langzaam doorzijgend sneeuwwater,4dan door regen, en dat dus de schijnbaar snellere verweering van het vaste gesteenteonder de sneeuw bedriegelijk was. Wat ook de reden zij, de hoeveelheid afbrokkelend gesteente op de Cordilleras is zeer groot. In de lente glijden somtijds groote hoopen van dit puin de bergen af, overdekken de sneeuw die in de dalen is samengewaaid, en vormen zoo natuurlijke huizen van ijs. Wij reden over zoo’n huis, dat op eene hoogte lag ver onder de grens van eeuwige sneeuw.Tegen het vallen van den avond bereikten wij eene eigenaardige komvormige vlakte,La Valle del Yeso(De Gips-Vallei) geheeten. Zij was met eenig droog weiland bedekt, waarop wij tot ons genoegen eene kudde vee zagen grazen, te midden van de omringende steenwoestijnen. De vallei ontleent haar naam aan eene groote, naar schatting minstens 2000 voet dikke laag van wit gips, dat op sommige plaatsen geheel zuiver is. Wij sliepen bij een troepje mannen, wier werk het was om deze stof, die bij de wijnbereiding gebruikt wordt, op muildieren te laden. Vroeg in den morgen van den 21sten gingen wij op weg, en volgden weer den loop der rivier, die hier zeer klein was geworden, totdat wij aan den voet van den machtigen bergrug kwamen, die de wateren der Stille en Atlantische Oceanen gescheiden houdt. De weg, tot dusver goed, en voortdurend doch zeer langzaam stijgende, veranderde nu in een steil zigzagvormig pad over den grooten rotswand op de grensscheiding tusschen de republieken Chili en Mendoza.Ik zal hier eene korte schets geven van de geologische gesteldheid der verschillende evenwijdige bergreeksen, die de Cordilleras vormen. Van deze reeksen zijn twee aanmerkelijk hooger dan de anderen: namelijk aan den kant van Chili, dePeuquenes-keten, die op het punt, waar de pas haar kruist, 3927 Met. hoog is; en aan den kant van Mendoza, dePortillo-keten, die 4060 Met. hoog is. De lagere ruggen der Peuquenes-keten en van de verschillende groote reeksen westelijk daarvan, bestaan uit eene reusachtige, vele duizenden voeten dikke ophooping van porfier-gesteenten, die als onderzeesche lava’s, afgewisseld doorhoekige en ronde brokken van dezelfde gesteenten, uit kraters op den bodem van voorwereldlijke zeeën omhoog zijn geworpen. Deze afwisselende gesteenten zijn in de centrale gedeelten bedekt met eene dikke laag van rooden zandsteen, conglomeraat en kalkhoudend leemschiefer, verbonden met en overgaande in reusachtige gipslagen. In de bovenlagen komen vrij veel schelpdieren voor, die ongeveer behooren tot de periode der Lagere Witte Kalk in Europa.5Het is eene oude geschiedenis, maar daarom niet minder verwonderlijk, van schelpdieren te hooren spreken, die weleer over den bodem der zee kropen, en nu bijna 14000 voet boven haren spiegel liggen! De onderste beddingen in deze groote ophooping van lagen zijn door de werking (contactmetamorphose) van eruptieve steenmassa’s, uit een eigenaardig wit soda-graniet bestaande, verzet, verglaasd, gekristalliseerd en bijna samengesmolten.6De andere hoofdketen, nam. dePortillo-keten, is geheel anders gevormd, en bestaat hoofdzakelijk uit hooge, naakte toppen van een rood kali- of potasch-graniet, die ver omlaag aan de westelijke helling bedekt zijn met een zandsteen, welke door de vroegere hitte in een kwartsgesteente is omgezet. Op het kwarts rusten beddingen van een conglomeraat, ter dikte van verscheidene duizenden voeten, die door het roode graniet zijn opgeheven en onder een hoek van 45° naar de Peuquenes-keten zijn gericht. Tot mijne verwondering zag ik, dat dit conglomeraat bestond: deelsuit rolsteenen, afkomstig van de gesteenten der Peuquenes-keten met hunne fossiele schelpdieren, en deels uit rood potasch-graniet, gelijk aan dat van de Portillo-keten. Daaruit moeten wij besluiten, dat de Peuquenes- en Portillo-ketens beiden gedeeltelijk opgeheven en aan verweering en slooping waren blootgesteld, toen het conglomeraat zich vormde; maar wijl de beddingen van het conglomeraat door het roode Portillo-graniet tot eene inclinatie van 45° zijn omhoog geworpen, en de onderliggende zandsteen door ditzelfde graniet verglaasd is, kunnen wij zeker zijn, dat de indringing van het graniet en de opheffing der reeds gedeeltelijk gevormde Portillo-keten, grootendeels plaats hadden na de ophooping van het conglomeraat, en lang na de rijzing der Peuquenes-keten. De Portillo—de hoogste keten in dit deel van de Cordilleras—is dus niet zoo oud als de minder hooge Peuquenes-keten. Een hellende lavastroom aan den oostelijken voet van de Portillo zou als bewijs kunnen dienen, dat de groote hoogte van die keten gedeeltelijk is toe te schrijven aan rijzingen van nog latere dagteekening. Wat haar vroegste ontstaan betreft, zoo schijnt het roode graniet te zijn ingedrongen door de lijn van zwaksten weerstand eener oude, voorbestaande keten van wit graniet en mica-schiefer. Men mag aannemen, dat in de meeste, wellicht in alle gedeelten van de Cordilleras elke keten gevormd is door herhaalde opheffingen en inschuivingen van eruptief gesteente; en dat de verschillende evenwijdige ketenen van verschillenden ouderdom zijn. Alleen zóó kunnen wij tijd winnen, noodig en voldoende om den werkelijk verbazenden omvang der slooping te verklaren, die deze hooge ofschoon, in vergelijking met de meeste andere ketens, nog jonge bergen ondergaan hebben.Eindelijk bewijzen de schelpen in de Peuquenes- of oudste keten, dat zij, zooals boven is opgemerkt, 14000 voet gestegen is sedert het bestaan eener formatie uit het Secondaire of Mesozoïsche Tijdvak, die wij in Europa gewoon zijn als verre van oud te beschouwen. Doch er is meer: de zee, waarin die schelpdieren leefden, had slechts eenematige diepte; en nu kan men aantoonen, dat het gebied, thans door de Cordilleras ingenomen, verscheidene duizenden voeten (in Noord-Chili ongeveer 6000 voet) gezonken moet zijn, om aan die machtige groep van onderzeesche lagen gelegenheid te geven zich op de bedding, waarin die schelpdieren leefden, af te zetten. Het bewijs is hetzelfde als dat, waardoor werd aangetoond, dat in een tijdperk, zeer lang nadat de tertiaire schelpen der voormalige Patagonische Zee leefden, de bodem dier zee verscheidene honderden voeten gedaald moet zijn, door eene latere rijzing gevolgd. Dagelijks vindt de geoloog gelegenheid zich te overtuigen, dat er niets—zelfs niet de wind—zoo wankelbaar en onstandvastig is als het eigenlijk oppervlak onzer aardkorst.Ik wil nog eene andere geologische opmerking doen. Ofschoon de Portillo-keten hier hooger is dan de Peuquenes, hebben de waterstroomen, die de tusschenliggende valleien bevloeien, zich een weg er door gebaand. Hetzelfde feit, op grootere schaal, is waargenomen in de oostelijke en hoogste keten der Boliviaansche Cordilleras, waardoor de rivieren zich een weg banen, en dergelijke feiten zijn ook in andere deelen van de wereld opgemerkt. In de onderstelling, dat de Portillo-keten in lateren tijd en gaandeweg is opgeheven, laat zich dit feit verklaren, want in dit geval zou eerst eene reeks eilandjes verschijnen; en terwijl dezen werden omhoog geheven, zouden de getijen steeds diepere en breedere kanalen daarin uithollen. Ten huidigen dage zijn in de meest afgelegen zeeëngten op de kust van Vuurland, de stroomingen in de dwarsgeulen, die de overlangsche kanalen verbinden, zeer sterk, zoodat in een dier zijkanalen zelfs een klein zeilschip om en om werd gedraaid.Omstreeks den middag aanvaardden wij de moeilijke bestijging van de Peuquenes-keten, en ondervonden toen voor de eerste maal eene kleine belemmering in onze ademhaling. De muildieren wilden bij iedere 50 yards halt houden; en na enkele seconden rust begonnen de arme, gewillige dierenden tocht opnieuw. De korte ademhaling ten gevolge van den ijlen dampkring wordt door de Chileenenpunagenoemd,7en zij hebben de belachelijkste begrippen aangaande de oorzaak er van. Sommigen zeggen: “al het water hier heeftpuna;” anderen: “waar sneeuw is, daar ispuna;” en dit laatste is zonder twijfel waar. De eenige gewaarwording, die ik ondervond, was eene lichte stramheid in hoofd en borst, zooals men gevoelt als men snel uit eene warme kamer in de ijskoude lucht komt. Maar zelfs hierin was eenige verbeelding; want toen ik op den hoogsten bergrug fossiele schelpdieren vond, vergat ik van blijdschap depunageheel. Ongetwijfeld kostte het loopen buitengewoon veel inspanning, en werd de ademhaling diep en zwaar. Men zeide mij, dat vreemdelingen, die in Potosi (ongeveer 13000 voet boven de zee) verblijf houden, zelfs in een vol jaar tijds niet geheel aan de lucht gewend raken. Alle inwoners raden uien tegenpunaaan. Daar dit gewas in Europa somtijds tegen borstkwalen wordt aangewend, kan het mogelijk van wezenlijk nut zijn; wat mij betreft, ik vond geen beter middel dan fossiele schelpdieren!Toen wij omstreeks halfweg op den berg waren, ontmoetten wij een grooten troep van 70 beladen muildieren. Het was merkwaardig de woeste kreten der drijvers te hooren, en den langen sleep van dieren den berg te zien afdalen. Nu er niets in het rond was om dien troep bij te vergelijken, dan de naakte bergen zelven, wat scheen hij ons klein toe! Dicht bij den top was de wind, zooals meestal gebeurt, onstuimig en buitengewoon koud. Aan elke zijde van de keten moesten wij over breede velden van eeuwige sneeuw gaan, die nu spoedig door eene versche laag zou worden bedekt. Toen wij den top bereikten en omkeken, vertoonde zich een prachtig schouwspel. De verblindend heldere lucht; de donkerblauwe hemel; de diepe valleien; de grillig gebroken vormen der berggevaarten; de stapelsrotspuin, sinds eeuwen opgehoopt; de tegenstelling tusschen de helderkleurige gesteenten en de stemmig getinte sneeuwbergen—dit alles smolt samen tot een tafereel van onbeschrijfelijke schoonheid, zooals niemand zich kan voorstellen. Enkele condors uitgezonderd, die om de hooge toppen zweefden, leidden plant noch dier mijne aandacht af van deze grootsche, doch onbezielde natuur. Ik gevoelde mij verrukt in deze eenzaamheid: het was als sloeg ik een onweder gade, als hoorde ik daar in vol orkest een koor van den Messias!Op verscheidene sneeuwhoopen vond ik denProtococcus Nivalisof roode sneeuw, zoo wel bekend uit de verhalen van Noorsche zeevaarders. Mijne aandacht werd er op gevestigd, toen ik zag, dat de voetstappen der muildieren eene bleekroode tint hadden, alsof hunne hoeven eenigszins bloederig waren. Eerst meende ik dit te moeten toeschrijven aan stof, dat van de omringende roode porfier-bergen was afgewaaid; want door het vergrootings-vermogen der sneeuwkristallen geleken de groepen dezer microscopische planten op grove stofdeelen. De sneeuw was alleen dáár gekleurd, waar zij snel ontdooid of toevallig vertrapt was. Eene kleine hoeveelheid, op papier gewreven, gaf eene flauwe rozeroode tint, vermengd met een spoor van steenrood. Later schraapte ik iets van het papier af, en vond dat dit schraapsel bestond uit groepen bolletjes in kleurlooze kapsels, elk een duizendste inch in doorsnede.Op den top der Peuquenes-keten is de wind, gelijk ik zoo even opmerkte, meestal onstuimig en zeer koud; men zegt, dat hij geregeld van de westzijde waait, of van den Stillen Oceaan.8Daar de waarnemingen hoofdzakelijk in den zomer zijn gedaan, moet deze wind een boven-keerstroom zijn. De Piek van Tenerife, die minder hoog is9en op 28° N.B. ligt, ligt eveneens in een boven-keerstroom. Eerstschijnt het eenigszins wonderlijk, dat de passaatwind langs de noordelijke gedeelten van Chili en op de kust van Peru in zulk eene zuidelijke richting waait, als hier het geval is; maar zoo wij bedenken, dat het Andesgebergte, dat in eene noordelijk-zuidelijke richting loopt, den lageren luchtstroom over zijne geheele diepte als met een grooten dam onderschept, dan zien wij gemakkelijk in, dat de passaatwind noordwaarts, langs de bergketen, naar de evenaarsstreken moet worden getrokken, en dus een deel van die oostelijke beweging moet verliezen, welke zij anders door de aswenteling der aarde zou hebben bezeten. Te Mendoza, aan den oostelijken voet der Andes, is het klimaat, gelijk men beweert, onderhevig aan lange windstilten en aan herhaalde, ofschoon valsche voorteekenen van dreigende regenvlagen. Hier kunnen wij ons voorstellen, dat de wind, als hij uit het oosten komende door de bergketen wordt onderschept, stationair wordt en onregelmatige bewegingen aanneemt.De Peuquenes overgetrokken zijnde, daalden wij af in een bergland, tusschen de twee hoofdketens gelegen, en sloegen hier onze nachtverblijven op. Wij waren nu in de Republiek Mendoza. De hoogte was waarschijnlijk niet onder de 11000 voet, en de plantengroei bij gevolg uiterst schraal. De wortel eener kleine armzalige plant diende als brandstof, maar gaf een ellendig vuur, terwijl de wind doordringend koud was. Daar ik door de inspanning van den dag zeer vermoeid was, maakte ik mijn bed zoo spoedig mogelijk op, en ging slapen, omstreeks middernacht zag ik de lucht eensklaps betrekken. Ik wekte den arriero om te weten of er ook gevaar voor slecht weer was; doch hij zeide, dat er zonder donder en bliksem geen kans op een hevigen sneeuwstorm was. Wie tusschen de twee ketens in door slecht weer wordt overvallen, verkeert in levensgevaar en heeft groote moeite er aan te ontkomen. Caldcleugh, die op denzelfden dag der maand den overtocht deed, werd daar eenigen tijd door een hevigen sneeuwval opgehouden.Casuchas10of vluchthuizen,zooals in den Uspallata-pas, zijn in dezen pas niet gebouwd, en daarom wordt de Portillo gedurende den herfst weinig bezocht. Ik wil hier opmerken, dat er in de hoofdketen van de Cordilleras nooit regen valt; want des zomers is de lucht onbewolkt, en des winters komen alleen sneeuwstormen voor.Op de plek, waar wij sliepen, kookte het water wegens de geringere luchtdrukking noodzakelijk bij lagere temperatuur dan in eene minder hooge streek het geval is. Het verschijnsel was hier het omgekeerde van dat bij den Pot van Papin.11Bij gevolg waren de aardappelen, na eenige uren in het kokende water te hebben gelegen, bijna even hard als ooit. De pot werd den ganschen nacht op het vuur gelaten, het water den volgenden morgen opnieuw aan den kook gebracht, maar de aardappelen werden niet gaar. Ik ontdektedit, omdat ik mijne twee metgezellen de zaak hoorde bespreken; zij waren eenvoudig tot het besluit gekomen “dat die vervloekte pot (een nieuwe) geen aardappelen verkoos te koken.”22 Maart.Nadat wij ons ontbijt zonder aardappelen gegeten hadden, trokken wij over de tusschenliggende vlakte naar den voet der Portillo-keten. In het midden van den zomer wordt hier vee gebracht om te grazen; maar nu waren alle dieren weggehaald, en zelfs deguanaco’swaren vertrokken, wel wetende, dat zij in een val zouden geraken, zoo zij hier door een sneeuwstorm werden verrast. Wij hadden een fraai uitzicht op eene groep bergen, Tupungato geheeten, die geheel met een onafgebrokensneeuwlaag bedekt waren; in het midden er van vertoonde zich eene blauwe plek, ongetwijfeld een gletscher, die in deze bergen een zeldzaam verschijnsel is. Nu begon eene moeilijke en langdurige beklimming, evenals die van de Peuquenes. Rechts en links verrezen steile, kegelvormige heuvels van rood graniet, en in de valleien lagen verscheidene breede velden van eeuwige sneeuw. Deze bevroren massa’s waren, tijdens het ontdooien, op sommige plaatsen in pieken of zuilen veranderd,12die wegens hare hoogte en geringen onderlingen afstand den muildieren het overtrekken moeilijk maakten. Op een van deze ijskolommen stond een bevroren paard, als op een voetstuk, maar met de achterpooten recht omhoog. Ik vermoed, dat het dier met het hoofd omlaag in een gat is gevallen toen de sneeuw nog versch lag, en dat de dooi later de omringende hoopen heeft verwijderd.Toen wij bijna op den top van de Portillo waren, werden wij in eene dalende wolk van kleine ijsnaaldjes gehuld. Dit was zeer jammer, daar het den ganschen dag duurde, en ons uitzicht geheel belemmerde. De pas ontleent haren naam “Portillo” (bijpoort of doorloop voor voetgangers) aan eene smalle kloof of overweg op den hoogsten kam, waarover de weg leidt. Van dit punt kan men op een helderen dag die uitgestrekte vlakten zien, welke zich onafgebroken tot den Atlantischen Oceaan uitstrekken. Wij daalden tot de bovenste grens van plantengroei, en vonden een goednachtverblijf onder beschutting van eenige groote rotsblokken. Hier ontmoetten wij eenige voorbijgangers, die ons verlangend naar de gesteldheid van den weg vroegen. Kort nadat het donker was dreven de wolken eensklaps weg, en de uitwerking daarvan was bepaald tooverachtig. De hooge bergen, blinkend in den vollen maneschijn, schenen aan alle zijden boven ons te hangen, als bevonden wij ons in eene diepe rotskloof. Hetzelfde verrassende effect zag ik op zekeren morgen, heel in de vroegte. Nauwelijks waren de wolken weggedreven, of het begon hard te vriezen; maar wijl er geen wind was, sliepen wij overheerlijk.De meerdere helderheid van maan en sterren op deze hoogte, ten gevolge van de zooveel grootere doorschijnendheid der lucht, was zeer opmerkelijk. Reizigers, die ondervonden hebben hoe moeilijk het is om hoogten en afstanden te schatten te midden van hooge bergen, schrijven dit in ’t algemeen toe aan het ontbreken van voorwerpen ter vergelijking. Mij komt het voor, dat het evenzeer is toe te schrijven aan de doorschijnendheid der lucht, die voorwerpen op verschillende afstanden vermengt, als ook gedeeltelijk aan de nieuwigheid, dat eene kleine inspanning een ongewonen graad van vermoeidheid ten gevolge heeft. Hier is de gewoonte dus in strijd met het getuigenis onzer zinnen. Ik ben overtuigd, dat deze ongewone helderheid een eigenaardig karakter aan het landschap verleent, doordien alle voorwerpen nagenoeg in één vlak vereenigd schijnen, evenals in eene teekening of panorama. Vermoedelijk is die doorschijnendheid toe te schrijven aan den gelijkmatigen en hoogen graad van atmospherische droogte. Die droogte bleek spoedig uit het krimpen van houtwerk (gelijk ik spoedig ontdekte aan de moeite, die ik met mijn geologischen hamer had); uit het buitengewoon hard worden van voedingsmiddelen, zooals brood en suiker, en uit het goed blijven van de huid en vleeschdeelen der beesten, die onderweg gestorven waren. Aan dezelfde oorzaak moeten wij het zonderlinge verschijnsel toeschrijven, dat zoo gemakkelijk electriciteit wordt opgewekt. Mijn flanellen vest straalde,wanneer het in donker werd gewreven, als ware het met phosphorus gewasschen; elk haar op den rug van een hond knetterde; zelfs de linnen lakens en de lederen zadelriemen schoten vonken, als men ze in handen nam.23 Maart.De daling aan de oostzijde van de Cordilleras is veel korter of steiler dan aan den kant van den Stillen Oceaan: met andere woorden, de bergen verrijzen rechtstandiger uit de vlakten dan uit het hoogland van Chili. Eene effene en schitterend witte wolkenzee strekte zich onder onze voeten uit, en onttrok de gelijkmatig vlakke Pampas aan ons oog. Spoedig gingen wij deze wolkenlaag binnen, en kwamen er dien dag niet uit. Omstreeks den middag bereikten wij Los Arenales; en daar hier weiland voor de dieren en struiken voor brandhout werden gevonden, hielden wij stil om te overnachten. Wij waren hier bij de bovenste grens der struikgewassen, en de hoogte bedroeg, naar gissing, tusschen de zeven en achtduizend voet.Zeer trof mij het in ’t oog vallend verschil tusschen den plantengroei dezer oostelijke valleien en die aan den kant van Chili; toch zijn zoowel het klimaat als de soort van grond ongeveer dezelfden, terwijl het lengte-verschil zeer gering is. Dezelfde opmerking geldt voor de viervoetige dieren, en in geringere mate voor vogels en insecten. Als voorbeeld kan ik de muizen noemen, waarvan ik dertien soorten vond aan de kusten van den Atlantischen, en vijf aan den Stillen Oceaan; en hiervan zijn geen twee dezelfden. Eene uitzondering daarop maken al die soorten, welke gewoonlijk, of nu en dan, hooge bergen bezoeken, alsmede sommige vogels, die zelfs tot in de Straat van Magelhaen voorkomen. Dit feit is in volkomen overeenstemming met de geologische geschiedenis der Andes; want sedert de tegenwoordige dierenrassen op aarde verschenen, heeft deze bergketen als groote scheidsmuur gediend; zoodat wij, behalve in de onderstelling dat dezelfde soorten op twee verschillende plaatsen zijn geschapen, niet mogen verwachten eene nauwere overeenkomst te zullen vinden tusschen de organische wezens aan de overzijden der Andes, dan opde tegenovergelegen kusten der twee oceanen. In beide gevallen moeten wij niet mederekenen die soorten, welke in staat zijn geweest over den scheidsmuur, hetzij van vast gesteente of zout water, heen te komen.13Zeer vele planten en dieren waren geheel dezelfden als, of ten nauwste verwant aan die van Patagonië. Men vindt hier het aguti, de bizcacha, drie soorten van armadillen, den struisvogel, zekere soorten van patrijzen en andere vogels, die nooit in Chili worden gezien, maar de kenmerkende dierentypen zijn in de woestijnvlakten van Patagonië. Ook vindt men veelal dezelfde (in de oogen van iemand, die geen plantkundige is) weinig ontwikkelde doornstruiken, verdorde grassen en dwergplanten. Zelfs de zwarte, langzaam kruipende kevers gelijken zeer op elkander; en ik geloof, dat, bij streng onderzoek, sommigen geheel denzelfden zijn. Steeds heeft het mij gespeten, dat wij onherroepelijk gedwongen waren de opvaring van de rivier Santa Cruz op te geven, voordat wij de bergen bereikten, daar ik altijd de stille hoop had, eene groote verandering in den toon van het landschap te zullen bespeuren; doch nu ben ik overtuigd, dat dit alléén zou gebeurd zijn, indien wij over de vlakten van Patagonië eene bergbeklimming ondernomen hadden.24 Maart.Vroeg in den morgen beklom ik een berg aan eene der zijden van het dal, en verlustigde mij in een ruim vergezicht over de Pampas. Dit was een schouwspel, waarnaar ik steeds met belangstelling had uitgezien; doch ik werd teleurgesteld. Bij den eersten aanblik geleek het veel op een vergezicht over den oceaan;maar in de noordelijke gedeelten lieten zich weldra vele onregelmatigheden ontdekken. Het meest trof mij de aanblik der rivieren, die door spiegeling van de opgaande zon, als zilveren draden schitterden tot waar zij zich in de onmetelijke verte verloren. Des middags daalden wij af in de vallei, en bereikten eene hut, waar een officier en drie soldaten op post stonden voor het nazien van de paspoorten. Een dezer mannen was een volbloed Pampas-Indiaan, en werd veel gebruikt voor hetzelfde doel als een bloedhond, om menschen op te sporen, die te voet of te paard heimelijk voorbij den post trachtten te geraken. Eenige jaren geleden poogde een voorbijganger aan de nasporing te ontsnappen, door een langen omweg over een naburigen berg te maken; maar deze Indiaan had toevallig zijn spoor ontdekt, en volgde dit den geheelen dag over droge en zeer steenachtige heuvels, totdat hij eindelijk zijne prooi inhaalde, die in een hollen weg verborgen zat. Hier hoorden wij, dat de zilveren wolken, die wij van uit de heldere streek in het hooggebergte hadden bewonderd, zich in stroomen regen hadden ontlast. Voorbij de hut werd de vallei gaandeweg vlakker, en werden de bergjes louter verweerde heuvels, vergeleken met de reuzen achter ons; eindelijk breidde zij zich uit tot eene zacht glooiende kiezelvlakte, die met lage boomen en struiken bedekt was. Deze glooiing, hoewel op het oog smal, moet ongeveer tien mijlen breed zijn tot waar zij overgaat in de schijnbaar doode, vlakke Pampas. Wij trokken voorbij de Estancia van Chaquaio, het eenige huis in dezen omtrek, hielden bij zonsondergang op het eerste het beste aangename plekje halt, en sloegen hier ons nachtleger op.25 Maart.Gedurende den nacht viel er een zware dauw—een verschijnsel, dat wij in de Cordilleras niet hadden waargenomen; en toen ik den volgenden morgen de zon zag opgaan achter een horizon, zoo effen als die van den oceaan, werd ik aan de Pampas van Buenos Aires herinnerd. De weg liep eenigen tijd vlak oostwaarts door een laag moeras, kwam vervolgens uit in eene droge vlakte, en boog toen noordwaarts naar Mendoza. De afstandbedraagt twee zeer lange dagreizen. Onze eerste dagreis was bepaald op 14leaguesnaar Estacado, en de tweede op 17 naar Luxan, bij Mendoza. De geheele weg loopt over eene effen, eenzame vlakte, waarop niet meer dan twee of drie huizen staan. Bedenk daarbij, dat de zon buitengewoon fel scheen, dan wordt het duidelijk waarom de rit alle aantrekkelijkheid miste. Op dezen langen weg is zeer weinig water; en op onze tweede dagreis vonden wij slechts één kleinen poel. Het weinige water, dat van de bergen vloeit, wordt door den drogen en poreuzen bodem spoedig opgezogen; en zoo kwam het, dat wij geen enkelen stroom passeerden, ofschoon wij slechts tien of vijftien mijlen van de buitenste keten der Cordilleras af waren. Op vele gedeelten was de grond met eene zoutkorst bedekt, en vonden wij hier dezelfde zoutlustige planten, die bij Bahia Blanca voorkomen. Het landschap bezit een gelijkvormig karakter vanaf de Straat van Magelhaen langs de geheele oostkust van Patagonië tot aan de Rio Colorado; en dezelfde soort van streek schijnt zich in eene bochtige lijn van deze rivier af landwaarts in uit te strekken tot San Luis, en misschien noordelijker nog. Oostelijk van deze kromme lijn ligt de kom der betrekkelijk vochtige en groene vlakten van Buenos Aires. De onvruchtbare vlakten van Mendoza en Patagonië bestaan uit eene laag kiezelsteenen, die door de golven der zee glad afgespoeld en opgehoopt zijn; terwijl de met distels, klaver en gras bedekte Pampas gevormd zijn door de modder der oude delta van de Rio de la Plata.Na onze vermoeiende tweedaagsche reis zagen wij met welgevallen van verre de rijen wilgen en populieren, die om het dorp en de rivier Luxan groeiden. Kort vóór onze komst in de plaats bespeurden wij in zuidelijke richting eene donkere, roodachtig bruine wolk van zeer onregelmatigen vorm. Eerst hielden wij die voor den rook van een grooten veldbrand, maar spoedig ontdekten wij, dat het een zwerm sprinkhanen was. Zij vlogen in noordelijke richting; en geholpen door eene zwakke bries, haalden zij ons met de snelheid van tien of vijftien mijlen in het uur in. De hoofdzwermscheen zich uit te strekken van eene hoogte van twintig tot twee of drieduizend voeten boven den grond. Het geluid hunner vleugels was als het “rollen van strijdwagens door vele rennende paarden voortbewogen:” of juister, zou ik zeggen, als het gieren van eene stevige bries door het want van een schip. Door de voorhoede gezien, geleek de lucht op eene teekening in aqua-tinta; maar de hoofdzwerm was ondoordringbaar voor het oog. Zij waren echter niet zoo dicht opeengepakt, of zij konden nog een stok ontwijken, die heen en weder werd gezwaaid. Toen zij neerstreken, waren zij talrijker dan de bladeren des velds, en veranderde de groene kleur hiervan in eene roodachtige; maar nauwelijks op den grond, of de insecten vlogen in alle richtingen heen en weer. Sprinkhanen zijn in dit land niet zeldzaam; reeds waren in dit seizoen verscheidene zwermen uit het zuiden gekomen, waar zij, zooals in alle andere werelddeelen schijnt te gebeuren, in de woestijnen worden uitgebroed. Te vergeefs poogden de arme hutbewoners door het ontsteken van vuren, door geschreeuw en het zwaaien van takken den aanval te keeren. Deze sprinkhanensoort gelijkt zeer veel op den vermaardenGryllus migratoriusuit het Oosten, en is wellicht dezelfde.Wij staken de Luxan over—eene rivier van aanzienlijke grootte, hoewel haar loop naar de zeekust zeer onvolkomen bekend is; zelfs is het twijfelachtig of zij niet in haar loop over de vlakte verdampt en spoorloos verdwijnt. Daarna sliepen wij in het dorp Luxan, een plaatsje door tuinen omgeven, dat vijfleaguesten zuiden van de hoofdstad ligt en het zuidelijkste bebouwde district is in de provincie Mendoza. Des nachts doorstond ik een aanval (want een zachteren naam verdient het niet) van deBenchuca, eene soortReduvius, de groote zwarte weegluis van de Pampas. Het is een uiterst walgelijk gevoel, als die weeke, ongevleugelde insecten van ongeveer een inch lengte over ons lichaam kruipen. Vóór het zuigen zijn zij zeer dun, maar later worden zij rond en gezwollen door het bloed, zoodat het dan gemakkelijk is ze te dooden. Een die ik ving teIquique (want men vindt ze in Chili en Peru), was zeer bloeddorstig. Op eene tafel geplaatst, stak het vinnige insect, wanneer men het een vinger voorhield, onmiddellijk zijn zuiger uit, deed, ofschoon er menschen om heen stonden, een aanval en begon, als men het liet begaan, bloed te zuigen. De wond veroorzaakte geen pijn. Het was merkwaardig zijn lichaam gade te slaan, terwijl het bezig was te zuigen; want eerst zoo plat als een wafel, werd het in minder dan tien minuten bolrond. Van dit eene maal, dat debenchucaaan een der officieren te danken had, bleef zij vier maanden lang vet; maar reeds na 14 dagen stond zij kant en klaar om opnieuw te zuigen.27 Maart.Wij reden verder naar Mendoza. Het land was uitstekend bebouwd, en kwam overeen met Chili. Deze buurtschap is beroemd om haar fruit; en het dient erkend, dat deze bloeiende wijngaarden, en boomgaarden met vijge-, perzik- en olijfboomen door niets evenaard konden worden. Wij kochten watermeloenen, tweemaal zoo groot als een menschenhoofd, heerlijk koel en goed van smaak, voor een halve penny het stuk; en een halven kruiwagen vol perziken voor de waarde van drie pence. Het bebouwde en ompaalde gedeelte dezer provincie is zeer klein, en niet veel grooter dan dat tusschen Luxan en de hoofdstad, hetwelk wij waren doorgetrokken. Evenals in Chili, dankt het land zijne vruchtbaarheid geheel aan kunstmatige bevloeiing; en het is inderdaad verrassend als men ziet hoe buitengewoon vruchtbaar eene kale vlakte daardoor gemaakt wordt.Wij bleven den volgenden dag in Mendoza. De voorspoed van deze stad is in de laatste jaren zeer gedaald. De inwoners zeggen: “Zij is goed om er te wonen, maar zeer slecht om rijk te worden.” De lagere standen hebben de luierende, zorgelooze manieren van de Gauchos der Pampas, en hunne kleeding, hun zadeltuig en leefwijzen zijn nagenoeg dezelfden. In mijn oog had de stad een geesteloos, verlaten aanzien. Noch de geroemdealameda,14noch de aanlegder stad zijn te vergelijken met die van Santiago; maar voor hen, die van Buenos Aires komende, pas hun tocht door de eentonige Pampas hebben volbracht, moeten de tuinen en boomgaarden een verrukkelijken aanblik opleveren. Van de inwoners sprekende, zegt Sir. F. Head: “Zij eten hun middagmaal, gaan slapen omdat het zoo heet is... eilieve, kunnen zij wel beter doen?” Ik ben het geheel met den zegsman eens: het gelukkig lot der Mendozinos is: eten, slapen en luieren.29 Maart.Wij gingen op weg om over den noordelijk van Mendoza gelegen Uspallata-pas naar Chili terug te keeren. Onze weg liep door een uitgestrekt en zeer dor gebied, dat 15leagueslang was. De bodem was op sommige plaatsen geheel kaal, op andere met tallooze dwergcactussen bedekt, die met geduchte stekels waren gewapend en door de inwoners “kleine leeuwen” werden genoemd. Ook waren er enkele lage struiken. Ofschoon de vlakte bijna 3000 voet boven de zee ligt, brandde de zon zeer fel; en deze hitte, gevoegd bij de wolken ontastbaar stof, maakten den tocht buitengewoon vermoeiend. Onze weg liep dezen dag bijna evenwijdig met de Cordilleras, doch naderde die langzamerhand. Vóór zonsondergang reden wij eene der breede valleien of liever dalbochten in, welke in de vlakte uitmonden, en die zich spoedig vernauwde tot een ravijn, waarin iets hooger op de villa Vicencio ligt. Daar wij den ganschen dag gereden hadden zonder een druppel water, waren wij en ook onze muildieren zeer dorstig, en keken dus verlangend uit naar den stroom, die door deze vallei naar het dal vloeit. Het was eigenaardig te zien, hoe het water langzamerhand voor den dag kwam: op de vlakte was de bedding geheel droog; gaandeweg werd zij iets vochtiger, en toen verschenen plasjes water, die zich weldra vereenigden, totdat zich eindelijk bij de villa Vicencio een aardig riviertje vertoonde.30 Maart.De eenzame hut, welke den indrukwekkenden naam Villa Vicencio draagt, wordt door elken reiziger vermeld, die de Andes is overgetrokken. Ikbleef hier twee opvolgende dagen en bezocht ook eenige naburige mijnen. De geologie van het omliggende land is zeer merkwaardig. De Uspallata-keten is van de hoofd-Cordilleras gescheiden door eene lange, smalle vlakte of kom, evenals die in Chili (welke zoo vaak genoemd zijn), maar hooger, daar zij 6000 voet boven de zee ligt. Deze keten heeft bijna dezelfde geographische ligging met betrekking tot de Cordilleras, als de reusachtige Portillo, maar is van geheel anderen oorsprong. Zij bestaat uit verschillende onderzeesche lava-soorten, die afwisselen met vulkanische zandsteenen en andere merkwaardige sedimentaire afzetsels; het geheel komt zeer na overeen met sommige tertiaire lagen aan de stranden van den Stillen Oceaan. Wegens die gelijkenis verwachtte ik fossiel hout te zullen vinden, waardoor deze formaties zich meestal kenmerken. Ik werd in ruime mate tevreden gesteld. In het middengedeelte der keten bespeurde ik op eene naakte helling, ter hoogte van ongeveer 17000 voet, eenige sneeuwwitte uitstekende kolommen. Deze waren versteende boomen, waarvan elf verkiezeld, en dertig tot veertig in grof gekristalliseerd wit kalkspaat veranderd waren. Zij waren plotseling afgebroken, zoodat de overgebleven stompen enkele voeten boven den grond uitstaken. De stammen maten elk van drie tot vijf voeten in omtrek, en stonden op geringen afstand van elkander, maar vormden te zamen ééne groep. Robert Brown is zoo vriendelijk geweest het hout te onderzoeken, en zegt dat het tot het geslacht der dennen behoort, omreden het de kenmerken draagt van de familie derAraucaria’sof Andesdennen, maar dat het eenige merkwaardige verwantschapspunten met betrekking tot den iep bezit. De vulkanische zandsteen, waarin de boomen waren begraven en uit welks lagere gedeelten zij ontsproten moesten zijn, heeft zich achtereenvolgens in dunne lagen om de stammen opgehoopt, en de steen heeft nog den indruk der schors bewaard.Er was weinig geologische kennis noodig ter vertolking van de wonderbare geschiedenis, welke dit landschap onmiddellijk voor oogen stelde, hoewel ik beken, dat ik in ’t eerstzoozeer verbaasd was, dat ik het klaarste bewijs nauwelijks kon gelooven. Ik zag de plek, waar in een lang vervlogen tijd eenige fraaie boomen hunne takken wuifden aan de stranden van den Atlantischen Oceaan, toen deze Zee—nu 700 mijlen teruggevloeid—tot aan den voet der Andes reikte. Ik zag, dat die boomen waren ontsproten uit een vulkanischen grond, die boven den zeespiegel was geheven, en dat dit droge land met zijn rijzig geboomte daarna was weggezonken in de diepten van den Oceaan. In deze diepten werd het vroeger droge land bedekt met sedimentaire lagen, en dezen weer met ontzaglijke stroomen onderzeesche lava, waarvan één zelfs eene dikte van 1000 voet bereikte; en vijfmaal waren die stroomen van gesmolten gesteenten, door waterbezinksels afgewisseld, over den zeebodem verspreid. De oceaan, waarin zulke dikke beddingen ontstonden, moet ontzettend diep geweest zijn. Maar wederom kwamen de onderaardsche krachten in werking; en nu zag ik den bodem van dien oceaan eene bergketen vormen van meer dan 7000 voet hoogte. Nòg waren die vijandige machten, welke altijd bezig zijn de oppervlakte van het land te sloopen, niet tot rust gekomen: de groote lava-beddingen waren doorsneden geworden van breede valleien, en de nu versteende boomen blootgelegd door uitspoeling van den vulkanischen, thans evenzeer versteenden bodem, waaruit zij eenmaal, groenend en bloeiend, hunne rijzige toppen hadden omhoog geheven. Nu is dit alles eene volslagen woestenij, want zelfs het mos kan zich niet hechten aan de steenen rompen van voormalige boomen. Hoe reusachtig en bijna onbegrijpelijk zulke veranderingen ook moeten schijnen, hebben zij toch allen plaats gehad in een tijdperk, datjongis, vergeleken met de geschiedenis der Cordilleras zelve; en deze bergketen is beslistnieuw, vergeleken met vele fossielen-bevattende lagen in Europa en Amerika!1 April.Wij trokken over de Uspallata-keten, en sliepen des nachts in het tolhuis—de eenige bewoonde plek op de vlakte. Kort voordat wij de bergen verlieten, zagen wij een zeer buitengewoon schouwspel:roode, purpere, groene en zuiver witte sedimentaire gesteenten, afwisselende met zwarte lava’s, waren door porfier-kegels in allerlei kleuren, van donkerbruin tot het helderste lila, opgebroken en in de grootste wanorde dooreengeworpen. Ik zag thans voor het eerst een schouwspel, dat werkelijk geleek op die fraaie doorsneden, welke de geologen van het binnenste der aarde maken.Den volgenden dag staken wij de vlakte over, en volgden den loop van denzelfden grooten bergstroom, die voorbij Luxan vloeit. Hier was die stroom een wild bruisende, geheel ondoorwaadbare vloed, die breeder scheen dan in het laagland, evenals met het riviertje van Villa Vicencio het geval was. Op den avond van den volgenden dag bereikten wij de Rio de las Vacas, die beschouwd wordt als de slechtste stroom in de Pampas, wat het oversteken betreft. Daar al deze rivieren een snellen en korten loop hebben, en door het smelten der sneeuw gevormd zijn, brengt het uur van den dag een aanzienlijk verschil mede in hun volume. Des avonds is de stroom modderig en gezwollen; maar tegen het aanbreken van den dag wordt hij klaarder en veel minder onstuimig. Wij vonden, dat dit ook met de Rio de las Vacas het geval was, en staken haar des morgens met geringe moeite over.Tot dusverre was het landschap zeer weinig belangrijk, vergeleken met dat van den Portillo-pas. Men kan weinig zien van hetgeen er ligt aan gene zijde van de kale rotswanden der groote vlakke vallei, waardoor de weg tot aan den hoogsten top voert. De vallei en de ontzaglijke rotsachtige bergen zijn uiterst dor: gedurende de twee vorige nachten hadden de arme muildieren letterlijk niets te eten, want behalve enkele harsachtige struiken, is er bijna geen plant te zien. In den loop van dezen dag trokken wij over eenige van de slechtste passen in de Cordilleras; doch het daaraan verbonden gevaar wordt zeer overdreven. Men zeide mij, dat ik duizelig zou geworden zijn, indien ik er te voet had trachten over te gaan, en dat er geen ruimte was om af te stijgen; maar ik zag geen enkele plek, waar menniet ruggelings had over kunnen loopen, of aan beide zijden van zijn muildier stijgen. Van een der slechtste passen (las Animas—de Zielen), dien ik was overgetrokken, vernam ik eerst een dag later, dat hij een van de gevaarlijkste was. Ongetwijfeld zijn er vele punten, waar de ruiter, bij eene struikeling van het muildier, in een diepen afgrond zou worden geslingerd; doch hiervoor bestaat weinig kans. Van deladerasof wegen, die elk jaar over de stapels gevallen rotspuin opnieuw worden aangelegd, durf ik zeggen, dat zij in de lente zeer slecht zijn; maar blijkens hetgeen ik zag, geloof ik, dat het werkelijke gevaar nul is. Met gepakte muildieren is het geval eenigszins anders, doordien de pakken zoo ver uitsteken, dat de beesten, als zij toevallig tegen elkander of tegen eene rotspunt loopen, hun evenwicht verliezen en in den afgrond worden geworpen. Bij het oversteken van rivieren kan ik wel gelooven, dat de moeilijkheid soms zeer groot is; in dit jaargetijde was er weinig last, maar in den zomer moeten zij zeer gevaarlijk zijn. Volgens de beschrijving van SirF. Head kan ik mij zeer goed de verschillende uitdrukkingen verklaren van hen, die zulk een bergstroom zijn overgestoken, of bezig zijn het te doen. Ik heb nooit gehoord, dat een mensch verdronk, maar met gepakte muildieren gebeurt het vaak. De arriero zegt u, dat gij uw muildier de beste richting moet wijzen, en het dan zijn gang moet laten gaan; het gepakte muildier neemt zijne richting slecht, en is dikwijls verloren.4 April.Van de Rio de las Vacas tot de Puente del Inca is eene halve dagreis. Daar er weiland voor de muildieren was, en een geologisch terrein voor mij, sloegen wij hier onze nachtkwartieren op. Als men van eene natuurlijke Brug (Puente) hoort, stelt men zich een diep en smal ravijn voor, waarover schrijlings een geweldig rotsblok is gevallen, of een grooten boog die als een grotgewelf is uitgehold. In plaats daarvan bestaat de Puenta del Inca uit een korst van gelaagde keisteenen, die door de bezinksels der naburige heete bronnen zijn samengemetseld. Het schijnt, dat de stroom aan den eenen kant een kanaalheeft uitgegraven, waarbij eene overhangende rots ontstond, die zich vereenigde met de aarde en steenen welke van de tegenoverstaande klip vielen. De schuine verbinding, die in zoodanig geval zou ontstaan, was inderdaad aan één kant zeer duidelijk merkbaar. De Inca-brug is geenszins de groote koningen waardig, naar wien zij genoemd is.5 April.Wij hadden een langen dagrit noodig, om van de Puente del Inca, over de centrale keten, naar de Ojos del Agua te komen, die bij de laagstecasuchaaan den kant van Chili liggen. Dezecasuchaszijn kleine ronde torens, met trappen aan de buitenzijde om den vloer te bereiken, die wegens de sneeuwhoopen eenige voeten boven den grond is aangebracht. Zij zijn acht in getal, en werden onder het Spaansche gouvernement des winters goed van leeftocht voorzien, terwijl elke koerier een looper op de torens had. Nu dienen zij alleen tot kerkerholen. Wegens hare eenigszins hooge ligging, passen zij niet kwaad bij deze woeste en eenzame omgeving. De zigzagvormige beklimming van deCumbre,15of Waterscheiding, was zeer steil en vermoeiend; volgens Pentland bedraagt de hoogte 12.454 voet. Nergens leidde de weg over eeuwige sneeuw, ofschoon er aan beide kanten hoopjes lagen. Op den top was de wind snerpend koud; toch kon ik niet nalaten eenige minuten stil te houden, om telkens weer de kleur van den hemel en de prachtige doorschijnende lucht te bewonderen. Het was een indrukwekkend schouwspel. In het westen vertoonde zich eene fraaie, dicht opeengedrongen groep van bergen, door diepe ravijnen gescheiden. Meestal valt er vóór dezen tijd van het jaar wat sneeuw: en het is zelfs gebeurd, dat de Cordilleras omstreeks dezen tijd geheel waren afgesloten. Maar wij troffen het zeer gelukkig. Nacht en dag was de lucht onbewolkt, uitgenomen enkele ronde klompjes damp, die over de hoogste toppen dreven. Dikwijls heb ik deze wolkjes in de lucht gezien, wijzende de plek waar de Cordilleras lagen, als de ver verwijderde bergen achter den horizon verborgen waren.6 April.Des morgens ontdekten wij, dat een dief een onzer muildieren benevens de bel van de madrina gestolen had. Wij reden daarom slechts twee of drie mijlen dieper de vallei in, en bleven daar den volgenden dag, in de hoop het muildier te zullen terugvinden, dat, volgens het oordeel van den arriero, ergens in een ravijn verborgen was. Het landschap had in dit gedeelte een Chileensch karakter aangenomen. De onderzijden der bergen, welke dun begroeid zijn met den bleeken, altijd-groenen Quillay-boom, en met den grooten kandelabervormigen cactus,16zijn stellig meer te bewonderen dan de kale oostelijke valleien; maar met de bewondering, door sommige reizigers aan den dag gelegd, kon ik niet geheel instemmen. Ik vermoed, dat de prettige stemming, waarin men verkeert, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het vooruitzicht van een flink vuur en een goed avondeten, nadat men aan de koude streken van het hooggebergte ontkomen is, en ik ben overtuigd, dat anderen deze gevoelens van harte met mij deelen.8 April.Wij verlieten de Aconcagua-vallei, waardoor wij waren afgedaald, en bereikten des avonds eene hut nabij de Villa della Santa Rosa. De vruchtbare vlakte bood een verrukkelijken aanblik. Daar de herfst reeds ver gevorderd was, vielen de bladeren van vele fruitboomen af; en van de arbeiders waren sommige bezig met het drogen van vijgen en perziken op de daken hunner hutten, terwijl andere de druiven uit de wijngaarden verzamelden. Het was een opwekkend tafereel; maar ik miste die plechtige en ernstige stilte, welke den herfst in Engeland terecht als den avond des jaars kenmerkt. Op den 10den bereikten wij Santiago, waar mij door Caldcleugh eene zeer vriendelijke en gastvrije ontvangst werd bereid. Mijn uitstapje kostte mij slechts 24 dagen; en nooit had ik in een even langen tijd zooveel genoten. Enkele dagen later keerde ik naar de woning van Corfield in Valparaiso terug.1Deze passen hebben hoogten van 3927 en 4060 M.(Vert.)2Een Engelsch gewicht, inzonderheid voor wol, gelijkstaande met 14 pounds of circa 6–35/100 kilogr.3Scoresby’s Arctic Regions, Vol. I, Blz. 122.4In Shropshire heb ik hooren opmerken, dat het water van de Severn veel troebeler is, als de rivier ten gevolge van aanhoudende regens buiten hare oevers treedt, dan wanneer dit veroorzaakt wordt door het smelten van sneeuw in de bergen van Wallis. Als D’Orbigny (deel I, blz. 184) de oorzaak van de verschillende kleuren der Zuidamerikaansche rivieren verklaart, merkt hij op, dat die met blauw of helder water op de Cordilleras ontspringen, waar de sneeuw smelt.5Lower White Chalkin Engeland, enTuronien(naar de aloude provincie Touraine, thans het departementIndre-et-Loire) in Frankrijk, zijn de equivalente namen der tweede of middelste onderafdeeling van de bovenste hoofdafdeeling derKrijtformatie. In Engeland en Noord-Frankrijk wordt zij gevormd door witte of lichtgrijze, fijne en weeke mergels: de zoogen. krijtmergels. De onderste lagen van hetTuronienhebben uitloopers, die men door het zuiden en zuidoosten van Frankrijk tot in Zwitserland kan vervolgen.6De uitbarsting dezer granietkoppen moet in het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad.(Vert.)7Het Spaansche woordpunabeteekent letterlijk “ijskoude onbewoonbare streek.”(Vert.)8Dr. Gillies in “Journal of Nat. and Geograph. Science,” Aug. 1830. Deze schrijver geeft de hoogte der passen aan.9Ongeveer 3720 meter. De eigenlijke naam van dezen vulkaan is Pico de Teyde.(Vert.)10Eencasuchais een klein armzalig huisje: een barak of loods.11De Franschman Denis Papin (1647–1712), die vanaf 1673 adsistent bij Huijgens was, verliet in 1680 als Calvinist zijn geboorteland, en was van af 1688 hoogleeraar te Marburg. Hij vond in 1681 den naar hem genoemden pot (la marmite de Papin), welke ten doel had water en de daarin te koken spijzen hooger te verhitten, dan zulks in open kookpannen mogelijk was, en zoodoende het koken te bespoedigen en meer volkomen te maken. Zijne eerste gedachte was, dat men daarin wellicht beenderen in een bruikbaar voedingsmiddel kon veranderen.(Vert.)12Deze structuur in bevroren sneeuw was sedert lang door Scoresby waargenomen in de ijsbergen bij Spitsbergen, en onlangs nauwkeuriger door Kolonel Jackson (Journ. of Geogr. Soc., deel V, blz. 12) op de Newa. Charles Lyell (Principles of Geology) heeft de spleten, waardoor de zuilvormige structuur schijnt bepaald te worden, vergeleken bij de voegen die bijna alle gesteenten doorkruisen, maar die het best te zien zijn in ongelaagde massa’s. Ik wil hier opmerken, dat de zuilvormige structuur, in het geval van de bevroren sneeuw, moet worden toegeschreven aan eenemetamorphischewerking (eene chemisch-physische omzetting), en niet aan eene werking gedurende den “neerslag.”13Dit is slechts eene toelichting op de merkwaardige wetten, het eerst door Charles Lyell vastgesteld, betreffende het feit, dat geologische veranderingen van invloed zijn geweest op de geographische verspreiding der dieren. De geheele redeneering berust natuurlijk op de hypothese van de onveranderlijkheid der soorten, anders zou het verschil tusschen de soorten in de twee gewesten beschouwd kunnen worden als in lengte van tijd te zijn ontstaan.14Populierenlaan, of openbare wandelplaats.15Cumbre beteekent: bergtop.(Vert.)16Deze reusachtige woestijncactusCereus atacamensislevert zelfs sterke balken, planken en brandhout aan de tropische landen.(Vert.)

7 Maart 1835.Wij bleven drie dagen te Concepcion, en zeilden toen naar Valparaiso. Daar de wind noordelijk was, bereikten wij den ingang der haven van Concepcion eerst tegen donker. Omdat wij zeer dicht bij land waren, en er een mist kwam opzetten, lieten wij hier het anker vallen. Kort daarna kwam een groote Amerikaansche walvischvaarder ons op zijde, waarvan wij den kapitein vloekend tot zijn volk hoorden zeggen, dat het zich stil moest houden, zoolang hij naar de stortzeeën luisterde. Kapitein Fitz-Roy praaide hem met luide, heldere stem, om op de plek waar hij was te ankeren. De arme man zal toen zeker hebben gedacht, dat die stem van het strand kwam, want een storm van kreten steeg eensklaps van het schip op, daar iedereen schreeuwde: “Laat het anker vallen! Kabel vieren! Zeil minderen!” Dit was het belachelijkste, dat ik ooit gezien had. Indien alle koppen van de bemanning kapiteins waren geweest, had er geen grootere verwarring van bevelen kunnen heerschen. Later ontdekten wij, dat de kapitein stotterde, zoodat ik vermoed, dat allen hem hielpen om zijne orders te geven.

Op den 11den ankerden wij te Valparaiso; en twee dagen later ging ik op weg, om de Cordilleras over te trekken. Eerst begaf ik mij naar Santiago, waar Caldcleugh mij zeervriendelijk op alle mogelijke wijze hielp bij het maken van de kleine noodige toebereidselen. In dit gedeelte van Chili zijn twee passen over de Andes naar Mendoza: de eene, de Aconcagua- of Uspallata-pas, ligt op 32°50′ Z.B. en wordt het meest gebruikt; de tweede, de Portillo-pas geheeten, ligt zuidelijker, is nader, maar hooger en gevaarlijker.1

18 Maart.Wij richtten ons naar den Portillo-pas. Na Santiago te hebben verlaten, staken wij de uitgestrekte, verschroeide vlakte over, waarin deze stad ligt, en kwamen in den namiddag aan de Maypu, eene der voornaamste rivieren van Chili. Ter plaatse, waar de vallei den eersten Cordilleras-kam snijdt, wordt zij aan weerskanten door hooge, naakte bergen begrensd; en ofschoon niet breed, is zij zeer vruchtbaar. Tal van hutten waren omringd door wijngaarden, en boomgaarden met appel-, nektarine- en perzikboomen, waarvan de takken onder het gewicht der schoone rijpe vruchten dreigden te breken. Des avonds bereikten wij het tolhuis, waar onze bagage onderzocht werd. De Chileensche grens wordt beter bewaakt door de Cordilleras, dan door het water der zee. Er zijn zeer weinige valleien, die naar de centrale kammen van het gebergte voeren, en op andere plaatsen zijn de bergen voor lastdieren geheel onbegaanbaar. De beambten van het tolhuis waren zeer beleefd, hetgeen misschien voor een deel was toe te schrijven aan het paspoort, dat de President der Republiek mij gegeven had; maar bijna elke Chileen bezit eene aangeboren beleefdheid, waarover ik mijne bewondering moet uitspreken. In dit geval was de tegenstelling met dezelfde klasse van menschen in de meeste andere landen zeer opvallend. Als staaltje van Chileensche beleefdheid zal ik eene anecdote vertellen, die mij destijds zeer vermaakte. Dicht bij Mendoza ontmoetten wij eene kleine en zeer dikke negerin, die schrijlings op een muildier zat. Zij had een kropgezwel, zoo verbazend groot, dat men bijna niet konnalaten haar voor een oogenblik aan te kijken; doch bijna op hetzelfde oogenblik—als wilden zij zich verontschuldigen—groetten mijne beide metgezellen haar op de gebruikelijke manier, door hunne hoeden af te nemen. Waar zou men in Europa, onder de hoogere of lagere standen, zulk eene beleefdheid hebben bewezen aan een arm en mismaakt schepsel van een verworpen ras?

Des nachts sliepen wij in eene hut. Onze onafhankelijke manier van reizen was verrukkelijk. In de bewoonde gedeelten kochten wij wat brandhout, huurden weiland voor de beesten, en kampeerden bij hen in een hoek van hetzelfde veld. In den ijzeren pot, dien wij bij ons hadden, kookten wij ons avondeten, nuttigden dit onder een onbewolkten hemel, en kenden geen zorg. Mijne metgezellen waren: Mariano Gonzales, die mij reeds vroeger in Chili als gids had gediend, en eenarriero(muildierendrijver) met zijne tien muildieren en eenemadrina(petemoeder). Laatstgenoemde is een hoogst gewichtig personage: namelijk eene oude, bezadigde merrie met een belletje aan den nek, die, waar zij gaat, door de muildieren als gehoorzame kinderen gevolgd wordt. De liefde van deze dieren voor hunnemadrinasbespaart tallooze moeilijkheden. Zoo er verscheidene groote troepen tegelijktijdig in hetzelfde veld grazen, behoeven dearrierosdes morgens hunnemadrinasalleen wat ter zijde te voeren en hare bellen te laten klinken: en al waren er dan ook twee- of driehonderd muilen bijeen, toch kent elk onmiddellijk de bel van zijne eigenemadrina, en komt naar haar toe. Het is bijna onmogelijk een oud muildier te verliezen; want zoo het verscheidene uren lang met geweld wordt achtergehouden, zal het, evenals een hond, met zijn fijnen reuk het spoor zijner makkers of liever van demadrinavolgen, aan wie het, zooals dearrierobeweert, de meeste liefde toedraagt. Deze neiging is echter niet van individueelen aard; want ik geloof geen ongelijk te hebben als ik zeg, dat elk dier met een bel aan voormadrinakan dienen. Elk muildier draagt op een effen weg een last van 416pounds(meerdan 29stone);2maar in eene bergachtige streek 100poundsminder. Het is merkwaardig, dat deze dieren met hunne fijne, schrale ledematen, zonder evenredige spierontwikkeling, zulk een grooten last kunnen dragen. Het muildier schijnt mij altijd een hoogst wonderlijk dier toe. Dat een basterd of speelsoort meer verstand, geheugen, halsstarrigheid, neiging tot het vereenigingsleven, volhardingsvermogen bij spierarbeid, en ook een langer leven bezit dan een zijner ouders, schijnt aan te duiden, dat de kunst hier de natuur heeft overtroffen. Van onze tien dieren waren zes bestemd voor rijden, en vier voor het dragen van lasten, waarin allen elkander afwisselden. Wij hadden eene flinke hoeveelheid voedsel meegenomen voor het geval, dat wij ingesneeuwd werden, omreden het seizoen voor een tocht over den Portillo-pas eenigszins verstreken was.

19 Maart.Dezen dag reden wij naar het laatste, en dus hoogst gelegen huis van de vallei. Het aantal bewoners werd schaarsch; toch was het land op plaatsen, waar het water kon worden heengevoerd, nog zeer vruchtbaar. Alle hoofdvalleien in de Cordilleras bezitten dit kenmerk, dat zij aan beide zijden worden omzoomd door een ruw gelaagd, en meestal zeer dik terras van keien en zand. Blijkbaar is er een tijd geweest, dat deze terrassen zich dwars over de valleien uitstrekten en vereenigd waren. Dit vermoeden wordt bevestigd in Noord-Chili, waar geen stroomen zijn, en waar men de dalbodems op de genoemde wijze gelijkmatig gevuld ziet. Over deze randterrassen leiden meestal de wegen; want hunne oppervlakten zijn effen, en met eene zeer geringe stijging volgen zij den loop der valleien. Vandaar dat zij ook gemakkelijk door irrigatie worden bebouwd. Men kan hen vervolgen tot eene hoogte van 7000 of 9000 voet, waar zij zich eindelijk tusschen de onregelmatige hoopen rotspuin verliezen. Aan het ondereinde of den ingang der valleien gaan zij geleidelijk over in die doorland ingesloten (ook uit keien gevormde) vlakten aan den voet der hoofdketen van de Andes, welke ik in een vroeger hoofdstuk als kenmerkend voor het Chileensche landschap heb beschreven, en die daar ongetwijfeld ontstonden in een tijd, toen de zee in Chili doordrong, gelijk zij het nu in de zuidelijke kusten doet. Geen enkel feit in de geologie van Zuid-Amerika boezemde mij meer belang in, dan deze terrassen van grof gelaagde keien. In samenstelling gelijken zij volkomen op de stof, die de stroomen in elke vallei zouden afzetten, indien zij door de eene of andere oorzaak—zooals het vloeien in een meer of zeearm—in hun loop belemmerd werden; maar in plaats van stof af te zetten, zijn de stroomen nu voortdurend bezig met het afknagen van het vaste gesteente en van deze alluviale aanslibbingen over de geheele lengte van elke hoofd- en zijvallei. Het is niet mogelijk hier de redenen op te noemen; maar ik ben overtuigd, dat die kei- of grofkiezel-terrassen gedurende de trapsgewijze rijzing der Cordilleras werden opgehoopt door de stroomen, die bij opvolgende peilstanden hun rotspuin aanslibden op de strandhoofden van lange smalle zeearmen—eerst hoog in de valleien, toen lager en lager naar het ondereinde, terwijl het land gestadig en langzaam rees. Indien dit zoo is (en ik kan er niet aan twijfelen), dan is de groote en gebroken keten van de Cordilleras niet—zooals de geologen tot voor korten tijd algemeen dachten, en zooals nu nog de gewone meening is—plotseling omhooggeworpen, maar langzaam in haar geheel opgeheven, op dezelfde gestadige manier als de kusten van de Atlantische en Stille Oceanen in jongere tijdperken. Eene menigte feiten in de structuur van de Cordilleras vinden door deze beschouwing eene eenvoudige verklaring.

De rivieren, die door deze valleien vloeien, moesten eerder bergstroomen worden genoemd. Hare helling is zeer groot, en het water heeft de kleur van modder. Het geraas, dat de Maypu maakte terwijl zij over de groote ronde brokken schoot, geleek op het bruisen der zee. Tusschen het geweld van het stroomende water, was het ratelende geluid derover elkander schurende steenen zeer duidelijk hoorbaar—zelfs op een afstand. Dag en nacht kan men dit ratelende geluid langs den geheelen loop van den stroom hooren. Voor den geoloog lag er iets welsprekends in dien klank. Die duizenden en duizenden steenen, welke rammelend tegen elkander het doffe en eentonige geluid verwekten, spoedden zich allen in ééne richting. Zij deden denken aan den tijd, waarin elke voorbij snellende minuut onherroepelijk in de eeuwigheid verzinkt! Voor deze steenen is de oceaan hunne eeuwigheid; en elke toon in die wilde muziek sprak mij van een stap, dien zij nader tot hunne bestemming deden.

Het is voor den menschelijken geest onmogelijk, anders dan door een langzaam verloop, eene werking te begrijpen, welke is voortgebracht door eene zoo dikwijls herhaalde oorzaak, dat het noemen van het herhalings-cijfer al geen duidelijker begrip van de zaak geeft dan de wilde, die naar de haren op zijn hoofd wijst. Zoo dikwijls als ik modder-, zand- en kiezellagen tot eene dikte van vele duizenden voeten opgehoopt zag, voelde ik mij geneigd uit te roepen, dat oorzaken, als de vermalende werking der tegenwoordige rivieren en tegenwoordige strandvloeden, nooit zulke massa’s konden hebben voortgebracht. Maar aan den anderen kant: als ik luisterde naar het ratelende geluid dezer stroomen: als ik mij voor den geest riep, dat geheele dierengeslachten van de aardoppervlakte verdwenen zijn gedurende dat lange tijdvak, waarin deze steenen dag en nacht met hetzelfde geluid in hunnen loop zijn voortgeschuifeld—dan heb ik bij mijzelf gedacht: welke berg, welk vastland kan zulk eene slooping weerstaan?

In dit gedeelte der vallei waren de bergen aan weerszijden van 3000 tot 6000 of 8000 voeten hoog, met afgeronde omtrekken en steile, kale hellingen. De algemeene kleur van het gesteente was dof purperachtig, en zijne laagswijze structuur zeer duidelijk waarneembaar. Zoo al niet schoon, was toch het landschap merkwaardig en grootsch. In den loop van den dag ontmoetten wij verscheidene kudden vee, die door mannen uit de hoogere valleien in de Cordillerasnaar omlaag werden gedreven. Dit teeken van den naderenden winter verhaastte onze schreden, meer dan voor geologische waarnemingen wel wenschelijk is. Het huis, waarin wij sliepen, lag aan den voet van een berg, op welks top zich de San-Pedro-de-Nolasko-mijnen bevinden. Sir F. Head verwondert zich, dat er mijnen ontdekt zijn geworden op zulke buitengewone plaatsen als de schrale top van den berg San Pedro de Nolasko. Toch laat die ontdekking zich zeer goed verklaren. In de eerste plaats zijn metaaladeren in deze streek meestal harder dan de omringende lagen, zoodat zij gedurende de allengs voortgaande slijting der bergen buiten de oppervlakte van den grond steken. Ten tweede heeft bijna elk arbeider, vooral in de noordelijke gedeelten van Chili, eenig verstand van het voorkomen van ertsen. In de groote mijnprovinciën Coquimbo en Copiapó is brandhout zoo schaarsch, dat er op ieder bergje en in elk dal naar gezocht wordt; en door dit zoeken zijn bijna al de rijkste mijnen in die streek ontdekt. Chagnarcillo, waaruit in den loop van weinige jaren voor eene waarde van vele honderdduizenden ponden zilver te voorschijn is gebracht, werd ontdekt door een man, die een steen naar zijn beladen ezel wilde werpen. In de meening, dat hij zeer zwaar was, raapte hij den steen op, en ontdekte, dat deze grootendeels uit zuiver zilver bestond. Niet ver van de plek stond de ader recht overeind, als eene wig van metaal. Ook wandelen de mijnwerkers dikwijls op Zondagen met een breekijzer over de bergen. In het zuidelijk deel van Chili zijn de ontdekkers gewoonlijk mannen, die vee in de Cordilleras drijven, en elk ravijn bezoeken waar eenig weiland te vinden is.

20 Maart.Naarmate wij hooger in de vallei kwamen, werd de plantengroei, met uitzondering van enkele fraaie Alpen-bloemen, uiterst schaarsch; en van viervoetige dieren, vogels of insecten kon er nauwelijks een worden ontdekt. De hooge bergen, waarvan de toppen enkele plekjes sneeuw vertoonden, stonden goed van elkander gescheiden, terwijl de tusschenliggende dalen gevuld waren met alluviale lagen van ontzaglijke dikte. Het berglandschapvan de Andes bevatte eenige bijzonderheden, welke mij om hare tegenstelling met de andere mij bekende bergketens bovenal troffen. Die bijzonderheden waren: de vlakke zoomen aan weerszijden van de valleien, welke randen zich dikwijls tot smalle vlakten verbreedden; de heldere kleuren, voornamelijk rood en purper, der volkomen naakte en steile heuvels van porfier; de indrukwekkende en onafgebroken steenaderen, welke het voorkomen hadden van muren; de duidelijke afscheiding der lagen, die, daar waar zij bijna verticaal stonden, de schilderachtige en ruwe middentoppen vormden, doch bij geringere helling de groote bergenmassa aan de grenzen der keten samenstelden; en eindelijk, de rechte kegelvormige stapels fijn en helderkleurig rotspuin, die onder een steilen hoek van den voet der bergen af, soms tot eene hoogte van meer dan 2000 voet langs de wanden opliepen.

Zoowel in Vuurland als in de Andes merkte ik herhaaldelijk op, dat waar het gesteente gedurende het grootste deel van het jaar met sneeuw bedekt was, het op zeer buitengewone wijs in kleine hoekige stukken was gesplinterd. Scoresby3heeft hetzelfde feit op Spitsbergen waargenomen. De zaak schijnt mij eenigszins duister; want het gedeelte van een berg, dat door een sneeuwmantel wordt beschut, moet minder aan herhaalde en groote temperatuurswisselingen onderhevig zijn, dan elk ander gedeelte. Soms heb ik gedacht, dat de aarde en steenbrokken aan de oppervlakte misschien minder snel werden verwijderd door langzaam doorzijgend sneeuwwater,4dan door regen, en dat dus de schijnbaar snellere verweering van het vaste gesteenteonder de sneeuw bedriegelijk was. Wat ook de reden zij, de hoeveelheid afbrokkelend gesteente op de Cordilleras is zeer groot. In de lente glijden somtijds groote hoopen van dit puin de bergen af, overdekken de sneeuw die in de dalen is samengewaaid, en vormen zoo natuurlijke huizen van ijs. Wij reden over zoo’n huis, dat op eene hoogte lag ver onder de grens van eeuwige sneeuw.

Tegen het vallen van den avond bereikten wij eene eigenaardige komvormige vlakte,La Valle del Yeso(De Gips-Vallei) geheeten. Zij was met eenig droog weiland bedekt, waarop wij tot ons genoegen eene kudde vee zagen grazen, te midden van de omringende steenwoestijnen. De vallei ontleent haar naam aan eene groote, naar schatting minstens 2000 voet dikke laag van wit gips, dat op sommige plaatsen geheel zuiver is. Wij sliepen bij een troepje mannen, wier werk het was om deze stof, die bij de wijnbereiding gebruikt wordt, op muildieren te laden. Vroeg in den morgen van den 21sten gingen wij op weg, en volgden weer den loop der rivier, die hier zeer klein was geworden, totdat wij aan den voet van den machtigen bergrug kwamen, die de wateren der Stille en Atlantische Oceanen gescheiden houdt. De weg, tot dusver goed, en voortdurend doch zeer langzaam stijgende, veranderde nu in een steil zigzagvormig pad over den grooten rotswand op de grensscheiding tusschen de republieken Chili en Mendoza.

Ik zal hier eene korte schets geven van de geologische gesteldheid der verschillende evenwijdige bergreeksen, die de Cordilleras vormen. Van deze reeksen zijn twee aanmerkelijk hooger dan de anderen: namelijk aan den kant van Chili, dePeuquenes-keten, die op het punt, waar de pas haar kruist, 3927 Met. hoog is; en aan den kant van Mendoza, dePortillo-keten, die 4060 Met. hoog is. De lagere ruggen der Peuquenes-keten en van de verschillende groote reeksen westelijk daarvan, bestaan uit eene reusachtige, vele duizenden voeten dikke ophooping van porfier-gesteenten, die als onderzeesche lava’s, afgewisseld doorhoekige en ronde brokken van dezelfde gesteenten, uit kraters op den bodem van voorwereldlijke zeeën omhoog zijn geworpen. Deze afwisselende gesteenten zijn in de centrale gedeelten bedekt met eene dikke laag van rooden zandsteen, conglomeraat en kalkhoudend leemschiefer, verbonden met en overgaande in reusachtige gipslagen. In de bovenlagen komen vrij veel schelpdieren voor, die ongeveer behooren tot de periode der Lagere Witte Kalk in Europa.5Het is eene oude geschiedenis, maar daarom niet minder verwonderlijk, van schelpdieren te hooren spreken, die weleer over den bodem der zee kropen, en nu bijna 14000 voet boven haren spiegel liggen! De onderste beddingen in deze groote ophooping van lagen zijn door de werking (contactmetamorphose) van eruptieve steenmassa’s, uit een eigenaardig wit soda-graniet bestaande, verzet, verglaasd, gekristalliseerd en bijna samengesmolten.6

De andere hoofdketen, nam. dePortillo-keten, is geheel anders gevormd, en bestaat hoofdzakelijk uit hooge, naakte toppen van een rood kali- of potasch-graniet, die ver omlaag aan de westelijke helling bedekt zijn met een zandsteen, welke door de vroegere hitte in een kwartsgesteente is omgezet. Op het kwarts rusten beddingen van een conglomeraat, ter dikte van verscheidene duizenden voeten, die door het roode graniet zijn opgeheven en onder een hoek van 45° naar de Peuquenes-keten zijn gericht. Tot mijne verwondering zag ik, dat dit conglomeraat bestond: deelsuit rolsteenen, afkomstig van de gesteenten der Peuquenes-keten met hunne fossiele schelpdieren, en deels uit rood potasch-graniet, gelijk aan dat van de Portillo-keten. Daaruit moeten wij besluiten, dat de Peuquenes- en Portillo-ketens beiden gedeeltelijk opgeheven en aan verweering en slooping waren blootgesteld, toen het conglomeraat zich vormde; maar wijl de beddingen van het conglomeraat door het roode Portillo-graniet tot eene inclinatie van 45° zijn omhoog geworpen, en de onderliggende zandsteen door ditzelfde graniet verglaasd is, kunnen wij zeker zijn, dat de indringing van het graniet en de opheffing der reeds gedeeltelijk gevormde Portillo-keten, grootendeels plaats hadden na de ophooping van het conglomeraat, en lang na de rijzing der Peuquenes-keten. De Portillo—de hoogste keten in dit deel van de Cordilleras—is dus niet zoo oud als de minder hooge Peuquenes-keten. Een hellende lavastroom aan den oostelijken voet van de Portillo zou als bewijs kunnen dienen, dat de groote hoogte van die keten gedeeltelijk is toe te schrijven aan rijzingen van nog latere dagteekening. Wat haar vroegste ontstaan betreft, zoo schijnt het roode graniet te zijn ingedrongen door de lijn van zwaksten weerstand eener oude, voorbestaande keten van wit graniet en mica-schiefer. Men mag aannemen, dat in de meeste, wellicht in alle gedeelten van de Cordilleras elke keten gevormd is door herhaalde opheffingen en inschuivingen van eruptief gesteente; en dat de verschillende evenwijdige ketenen van verschillenden ouderdom zijn. Alleen zóó kunnen wij tijd winnen, noodig en voldoende om den werkelijk verbazenden omvang der slooping te verklaren, die deze hooge ofschoon, in vergelijking met de meeste andere ketens, nog jonge bergen ondergaan hebben.

Eindelijk bewijzen de schelpen in de Peuquenes- of oudste keten, dat zij, zooals boven is opgemerkt, 14000 voet gestegen is sedert het bestaan eener formatie uit het Secondaire of Mesozoïsche Tijdvak, die wij in Europa gewoon zijn als verre van oud te beschouwen. Doch er is meer: de zee, waarin die schelpdieren leefden, had slechts eenematige diepte; en nu kan men aantoonen, dat het gebied, thans door de Cordilleras ingenomen, verscheidene duizenden voeten (in Noord-Chili ongeveer 6000 voet) gezonken moet zijn, om aan die machtige groep van onderzeesche lagen gelegenheid te geven zich op de bedding, waarin die schelpdieren leefden, af te zetten. Het bewijs is hetzelfde als dat, waardoor werd aangetoond, dat in een tijdperk, zeer lang nadat de tertiaire schelpen der voormalige Patagonische Zee leefden, de bodem dier zee verscheidene honderden voeten gedaald moet zijn, door eene latere rijzing gevolgd. Dagelijks vindt de geoloog gelegenheid zich te overtuigen, dat er niets—zelfs niet de wind—zoo wankelbaar en onstandvastig is als het eigenlijk oppervlak onzer aardkorst.

Ik wil nog eene andere geologische opmerking doen. Ofschoon de Portillo-keten hier hooger is dan de Peuquenes, hebben de waterstroomen, die de tusschenliggende valleien bevloeien, zich een weg er door gebaand. Hetzelfde feit, op grootere schaal, is waargenomen in de oostelijke en hoogste keten der Boliviaansche Cordilleras, waardoor de rivieren zich een weg banen, en dergelijke feiten zijn ook in andere deelen van de wereld opgemerkt. In de onderstelling, dat de Portillo-keten in lateren tijd en gaandeweg is opgeheven, laat zich dit feit verklaren, want in dit geval zou eerst eene reeks eilandjes verschijnen; en terwijl dezen werden omhoog geheven, zouden de getijen steeds diepere en breedere kanalen daarin uithollen. Ten huidigen dage zijn in de meest afgelegen zeeëngten op de kust van Vuurland, de stroomingen in de dwarsgeulen, die de overlangsche kanalen verbinden, zeer sterk, zoodat in een dier zijkanalen zelfs een klein zeilschip om en om werd gedraaid.

Omstreeks den middag aanvaardden wij de moeilijke bestijging van de Peuquenes-keten, en ondervonden toen voor de eerste maal eene kleine belemmering in onze ademhaling. De muildieren wilden bij iedere 50 yards halt houden; en na enkele seconden rust begonnen de arme, gewillige dierenden tocht opnieuw. De korte ademhaling ten gevolge van den ijlen dampkring wordt door de Chileenenpunagenoemd,7en zij hebben de belachelijkste begrippen aangaande de oorzaak er van. Sommigen zeggen: “al het water hier heeftpuna;” anderen: “waar sneeuw is, daar ispuna;” en dit laatste is zonder twijfel waar. De eenige gewaarwording, die ik ondervond, was eene lichte stramheid in hoofd en borst, zooals men gevoelt als men snel uit eene warme kamer in de ijskoude lucht komt. Maar zelfs hierin was eenige verbeelding; want toen ik op den hoogsten bergrug fossiele schelpdieren vond, vergat ik van blijdschap depunageheel. Ongetwijfeld kostte het loopen buitengewoon veel inspanning, en werd de ademhaling diep en zwaar. Men zeide mij, dat vreemdelingen, die in Potosi (ongeveer 13000 voet boven de zee) verblijf houden, zelfs in een vol jaar tijds niet geheel aan de lucht gewend raken. Alle inwoners raden uien tegenpunaaan. Daar dit gewas in Europa somtijds tegen borstkwalen wordt aangewend, kan het mogelijk van wezenlijk nut zijn; wat mij betreft, ik vond geen beter middel dan fossiele schelpdieren!

Toen wij omstreeks halfweg op den berg waren, ontmoetten wij een grooten troep van 70 beladen muildieren. Het was merkwaardig de woeste kreten der drijvers te hooren, en den langen sleep van dieren den berg te zien afdalen. Nu er niets in het rond was om dien troep bij te vergelijken, dan de naakte bergen zelven, wat scheen hij ons klein toe! Dicht bij den top was de wind, zooals meestal gebeurt, onstuimig en buitengewoon koud. Aan elke zijde van de keten moesten wij over breede velden van eeuwige sneeuw gaan, die nu spoedig door eene versche laag zou worden bedekt. Toen wij den top bereikten en omkeken, vertoonde zich een prachtig schouwspel. De verblindend heldere lucht; de donkerblauwe hemel; de diepe valleien; de grillig gebroken vormen der berggevaarten; de stapelsrotspuin, sinds eeuwen opgehoopt; de tegenstelling tusschen de helderkleurige gesteenten en de stemmig getinte sneeuwbergen—dit alles smolt samen tot een tafereel van onbeschrijfelijke schoonheid, zooals niemand zich kan voorstellen. Enkele condors uitgezonderd, die om de hooge toppen zweefden, leidden plant noch dier mijne aandacht af van deze grootsche, doch onbezielde natuur. Ik gevoelde mij verrukt in deze eenzaamheid: het was als sloeg ik een onweder gade, als hoorde ik daar in vol orkest een koor van den Messias!

Op verscheidene sneeuwhoopen vond ik denProtococcus Nivalisof roode sneeuw, zoo wel bekend uit de verhalen van Noorsche zeevaarders. Mijne aandacht werd er op gevestigd, toen ik zag, dat de voetstappen der muildieren eene bleekroode tint hadden, alsof hunne hoeven eenigszins bloederig waren. Eerst meende ik dit te moeten toeschrijven aan stof, dat van de omringende roode porfier-bergen was afgewaaid; want door het vergrootings-vermogen der sneeuwkristallen geleken de groepen dezer microscopische planten op grove stofdeelen. De sneeuw was alleen dáár gekleurd, waar zij snel ontdooid of toevallig vertrapt was. Eene kleine hoeveelheid, op papier gewreven, gaf eene flauwe rozeroode tint, vermengd met een spoor van steenrood. Later schraapte ik iets van het papier af, en vond dat dit schraapsel bestond uit groepen bolletjes in kleurlooze kapsels, elk een duizendste inch in doorsnede.

Op den top der Peuquenes-keten is de wind, gelijk ik zoo even opmerkte, meestal onstuimig en zeer koud; men zegt, dat hij geregeld van de westzijde waait, of van den Stillen Oceaan.8Daar de waarnemingen hoofdzakelijk in den zomer zijn gedaan, moet deze wind een boven-keerstroom zijn. De Piek van Tenerife, die minder hoog is9en op 28° N.B. ligt, ligt eveneens in een boven-keerstroom. Eerstschijnt het eenigszins wonderlijk, dat de passaatwind langs de noordelijke gedeelten van Chili en op de kust van Peru in zulk eene zuidelijke richting waait, als hier het geval is; maar zoo wij bedenken, dat het Andesgebergte, dat in eene noordelijk-zuidelijke richting loopt, den lageren luchtstroom over zijne geheele diepte als met een grooten dam onderschept, dan zien wij gemakkelijk in, dat de passaatwind noordwaarts, langs de bergketen, naar de evenaarsstreken moet worden getrokken, en dus een deel van die oostelijke beweging moet verliezen, welke zij anders door de aswenteling der aarde zou hebben bezeten. Te Mendoza, aan den oostelijken voet der Andes, is het klimaat, gelijk men beweert, onderhevig aan lange windstilten en aan herhaalde, ofschoon valsche voorteekenen van dreigende regenvlagen. Hier kunnen wij ons voorstellen, dat de wind, als hij uit het oosten komende door de bergketen wordt onderschept, stationair wordt en onregelmatige bewegingen aanneemt.

De Peuquenes overgetrokken zijnde, daalden wij af in een bergland, tusschen de twee hoofdketens gelegen, en sloegen hier onze nachtverblijven op. Wij waren nu in de Republiek Mendoza. De hoogte was waarschijnlijk niet onder de 11000 voet, en de plantengroei bij gevolg uiterst schraal. De wortel eener kleine armzalige plant diende als brandstof, maar gaf een ellendig vuur, terwijl de wind doordringend koud was. Daar ik door de inspanning van den dag zeer vermoeid was, maakte ik mijn bed zoo spoedig mogelijk op, en ging slapen, omstreeks middernacht zag ik de lucht eensklaps betrekken. Ik wekte den arriero om te weten of er ook gevaar voor slecht weer was; doch hij zeide, dat er zonder donder en bliksem geen kans op een hevigen sneeuwstorm was. Wie tusschen de twee ketens in door slecht weer wordt overvallen, verkeert in levensgevaar en heeft groote moeite er aan te ontkomen. Caldcleugh, die op denzelfden dag der maand den overtocht deed, werd daar eenigen tijd door een hevigen sneeuwval opgehouden.Casuchas10of vluchthuizen,zooals in den Uspallata-pas, zijn in dezen pas niet gebouwd, en daarom wordt de Portillo gedurende den herfst weinig bezocht. Ik wil hier opmerken, dat er in de hoofdketen van de Cordilleras nooit regen valt; want des zomers is de lucht onbewolkt, en des winters komen alleen sneeuwstormen voor.

Op de plek, waar wij sliepen, kookte het water wegens de geringere luchtdrukking noodzakelijk bij lagere temperatuur dan in eene minder hooge streek het geval is. Het verschijnsel was hier het omgekeerde van dat bij den Pot van Papin.11Bij gevolg waren de aardappelen, na eenige uren in het kokende water te hebben gelegen, bijna even hard als ooit. De pot werd den ganschen nacht op het vuur gelaten, het water den volgenden morgen opnieuw aan den kook gebracht, maar de aardappelen werden niet gaar. Ik ontdektedit, omdat ik mijne twee metgezellen de zaak hoorde bespreken; zij waren eenvoudig tot het besluit gekomen “dat die vervloekte pot (een nieuwe) geen aardappelen verkoos te koken.”

22 Maart.Nadat wij ons ontbijt zonder aardappelen gegeten hadden, trokken wij over de tusschenliggende vlakte naar den voet der Portillo-keten. In het midden van den zomer wordt hier vee gebracht om te grazen; maar nu waren alle dieren weggehaald, en zelfs deguanaco’swaren vertrokken, wel wetende, dat zij in een val zouden geraken, zoo zij hier door een sneeuwstorm werden verrast. Wij hadden een fraai uitzicht op eene groep bergen, Tupungato geheeten, die geheel met een onafgebrokensneeuwlaag bedekt waren; in het midden er van vertoonde zich eene blauwe plek, ongetwijfeld een gletscher, die in deze bergen een zeldzaam verschijnsel is. Nu begon eene moeilijke en langdurige beklimming, evenals die van de Peuquenes. Rechts en links verrezen steile, kegelvormige heuvels van rood graniet, en in de valleien lagen verscheidene breede velden van eeuwige sneeuw. Deze bevroren massa’s waren, tijdens het ontdooien, op sommige plaatsen in pieken of zuilen veranderd,12die wegens hare hoogte en geringen onderlingen afstand den muildieren het overtrekken moeilijk maakten. Op een van deze ijskolommen stond een bevroren paard, als op een voetstuk, maar met de achterpooten recht omhoog. Ik vermoed, dat het dier met het hoofd omlaag in een gat is gevallen toen de sneeuw nog versch lag, en dat de dooi later de omringende hoopen heeft verwijderd.

Toen wij bijna op den top van de Portillo waren, werden wij in eene dalende wolk van kleine ijsnaaldjes gehuld. Dit was zeer jammer, daar het den ganschen dag duurde, en ons uitzicht geheel belemmerde. De pas ontleent haren naam “Portillo” (bijpoort of doorloop voor voetgangers) aan eene smalle kloof of overweg op den hoogsten kam, waarover de weg leidt. Van dit punt kan men op een helderen dag die uitgestrekte vlakten zien, welke zich onafgebroken tot den Atlantischen Oceaan uitstrekken. Wij daalden tot de bovenste grens van plantengroei, en vonden een goednachtverblijf onder beschutting van eenige groote rotsblokken. Hier ontmoetten wij eenige voorbijgangers, die ons verlangend naar de gesteldheid van den weg vroegen. Kort nadat het donker was dreven de wolken eensklaps weg, en de uitwerking daarvan was bepaald tooverachtig. De hooge bergen, blinkend in den vollen maneschijn, schenen aan alle zijden boven ons te hangen, als bevonden wij ons in eene diepe rotskloof. Hetzelfde verrassende effect zag ik op zekeren morgen, heel in de vroegte. Nauwelijks waren de wolken weggedreven, of het begon hard te vriezen; maar wijl er geen wind was, sliepen wij overheerlijk.

De meerdere helderheid van maan en sterren op deze hoogte, ten gevolge van de zooveel grootere doorschijnendheid der lucht, was zeer opmerkelijk. Reizigers, die ondervonden hebben hoe moeilijk het is om hoogten en afstanden te schatten te midden van hooge bergen, schrijven dit in ’t algemeen toe aan het ontbreken van voorwerpen ter vergelijking. Mij komt het voor, dat het evenzeer is toe te schrijven aan de doorschijnendheid der lucht, die voorwerpen op verschillende afstanden vermengt, als ook gedeeltelijk aan de nieuwigheid, dat eene kleine inspanning een ongewonen graad van vermoeidheid ten gevolge heeft. Hier is de gewoonte dus in strijd met het getuigenis onzer zinnen. Ik ben overtuigd, dat deze ongewone helderheid een eigenaardig karakter aan het landschap verleent, doordien alle voorwerpen nagenoeg in één vlak vereenigd schijnen, evenals in eene teekening of panorama. Vermoedelijk is die doorschijnendheid toe te schrijven aan den gelijkmatigen en hoogen graad van atmospherische droogte. Die droogte bleek spoedig uit het krimpen van houtwerk (gelijk ik spoedig ontdekte aan de moeite, die ik met mijn geologischen hamer had); uit het buitengewoon hard worden van voedingsmiddelen, zooals brood en suiker, en uit het goed blijven van de huid en vleeschdeelen der beesten, die onderweg gestorven waren. Aan dezelfde oorzaak moeten wij het zonderlinge verschijnsel toeschrijven, dat zoo gemakkelijk electriciteit wordt opgewekt. Mijn flanellen vest straalde,wanneer het in donker werd gewreven, als ware het met phosphorus gewasschen; elk haar op den rug van een hond knetterde; zelfs de linnen lakens en de lederen zadelriemen schoten vonken, als men ze in handen nam.

23 Maart.De daling aan de oostzijde van de Cordilleras is veel korter of steiler dan aan den kant van den Stillen Oceaan: met andere woorden, de bergen verrijzen rechtstandiger uit de vlakten dan uit het hoogland van Chili. Eene effene en schitterend witte wolkenzee strekte zich onder onze voeten uit, en onttrok de gelijkmatig vlakke Pampas aan ons oog. Spoedig gingen wij deze wolkenlaag binnen, en kwamen er dien dag niet uit. Omstreeks den middag bereikten wij Los Arenales; en daar hier weiland voor de dieren en struiken voor brandhout werden gevonden, hielden wij stil om te overnachten. Wij waren hier bij de bovenste grens der struikgewassen, en de hoogte bedroeg, naar gissing, tusschen de zeven en achtduizend voet.

Zeer trof mij het in ’t oog vallend verschil tusschen den plantengroei dezer oostelijke valleien en die aan den kant van Chili; toch zijn zoowel het klimaat als de soort van grond ongeveer dezelfden, terwijl het lengte-verschil zeer gering is. Dezelfde opmerking geldt voor de viervoetige dieren, en in geringere mate voor vogels en insecten. Als voorbeeld kan ik de muizen noemen, waarvan ik dertien soorten vond aan de kusten van den Atlantischen, en vijf aan den Stillen Oceaan; en hiervan zijn geen twee dezelfden. Eene uitzondering daarop maken al die soorten, welke gewoonlijk, of nu en dan, hooge bergen bezoeken, alsmede sommige vogels, die zelfs tot in de Straat van Magelhaen voorkomen. Dit feit is in volkomen overeenstemming met de geologische geschiedenis der Andes; want sedert de tegenwoordige dierenrassen op aarde verschenen, heeft deze bergketen als groote scheidsmuur gediend; zoodat wij, behalve in de onderstelling dat dezelfde soorten op twee verschillende plaatsen zijn geschapen, niet mogen verwachten eene nauwere overeenkomst te zullen vinden tusschen de organische wezens aan de overzijden der Andes, dan opde tegenovergelegen kusten der twee oceanen. In beide gevallen moeten wij niet mederekenen die soorten, welke in staat zijn geweest over den scheidsmuur, hetzij van vast gesteente of zout water, heen te komen.13

Zeer vele planten en dieren waren geheel dezelfden als, of ten nauwste verwant aan die van Patagonië. Men vindt hier het aguti, de bizcacha, drie soorten van armadillen, den struisvogel, zekere soorten van patrijzen en andere vogels, die nooit in Chili worden gezien, maar de kenmerkende dierentypen zijn in de woestijnvlakten van Patagonië. Ook vindt men veelal dezelfde (in de oogen van iemand, die geen plantkundige is) weinig ontwikkelde doornstruiken, verdorde grassen en dwergplanten. Zelfs de zwarte, langzaam kruipende kevers gelijken zeer op elkander; en ik geloof, dat, bij streng onderzoek, sommigen geheel denzelfden zijn. Steeds heeft het mij gespeten, dat wij onherroepelijk gedwongen waren de opvaring van de rivier Santa Cruz op te geven, voordat wij de bergen bereikten, daar ik altijd de stille hoop had, eene groote verandering in den toon van het landschap te zullen bespeuren; doch nu ben ik overtuigd, dat dit alléén zou gebeurd zijn, indien wij over de vlakten van Patagonië eene bergbeklimming ondernomen hadden.

24 Maart.Vroeg in den morgen beklom ik een berg aan eene der zijden van het dal, en verlustigde mij in een ruim vergezicht over de Pampas. Dit was een schouwspel, waarnaar ik steeds met belangstelling had uitgezien; doch ik werd teleurgesteld. Bij den eersten aanblik geleek het veel op een vergezicht over den oceaan;maar in de noordelijke gedeelten lieten zich weldra vele onregelmatigheden ontdekken. Het meest trof mij de aanblik der rivieren, die door spiegeling van de opgaande zon, als zilveren draden schitterden tot waar zij zich in de onmetelijke verte verloren. Des middags daalden wij af in de vallei, en bereikten eene hut, waar een officier en drie soldaten op post stonden voor het nazien van de paspoorten. Een dezer mannen was een volbloed Pampas-Indiaan, en werd veel gebruikt voor hetzelfde doel als een bloedhond, om menschen op te sporen, die te voet of te paard heimelijk voorbij den post trachtten te geraken. Eenige jaren geleden poogde een voorbijganger aan de nasporing te ontsnappen, door een langen omweg over een naburigen berg te maken; maar deze Indiaan had toevallig zijn spoor ontdekt, en volgde dit den geheelen dag over droge en zeer steenachtige heuvels, totdat hij eindelijk zijne prooi inhaalde, die in een hollen weg verborgen zat. Hier hoorden wij, dat de zilveren wolken, die wij van uit de heldere streek in het hooggebergte hadden bewonderd, zich in stroomen regen hadden ontlast. Voorbij de hut werd de vallei gaandeweg vlakker, en werden de bergjes louter verweerde heuvels, vergeleken met de reuzen achter ons; eindelijk breidde zij zich uit tot eene zacht glooiende kiezelvlakte, die met lage boomen en struiken bedekt was. Deze glooiing, hoewel op het oog smal, moet ongeveer tien mijlen breed zijn tot waar zij overgaat in de schijnbaar doode, vlakke Pampas. Wij trokken voorbij de Estancia van Chaquaio, het eenige huis in dezen omtrek, hielden bij zonsondergang op het eerste het beste aangename plekje halt, en sloegen hier ons nachtleger op.

25 Maart.Gedurende den nacht viel er een zware dauw—een verschijnsel, dat wij in de Cordilleras niet hadden waargenomen; en toen ik den volgenden morgen de zon zag opgaan achter een horizon, zoo effen als die van den oceaan, werd ik aan de Pampas van Buenos Aires herinnerd. De weg liep eenigen tijd vlak oostwaarts door een laag moeras, kwam vervolgens uit in eene droge vlakte, en boog toen noordwaarts naar Mendoza. De afstandbedraagt twee zeer lange dagreizen. Onze eerste dagreis was bepaald op 14leaguesnaar Estacado, en de tweede op 17 naar Luxan, bij Mendoza. De geheele weg loopt over eene effen, eenzame vlakte, waarop niet meer dan twee of drie huizen staan. Bedenk daarbij, dat de zon buitengewoon fel scheen, dan wordt het duidelijk waarom de rit alle aantrekkelijkheid miste. Op dezen langen weg is zeer weinig water; en op onze tweede dagreis vonden wij slechts één kleinen poel. Het weinige water, dat van de bergen vloeit, wordt door den drogen en poreuzen bodem spoedig opgezogen; en zoo kwam het, dat wij geen enkelen stroom passeerden, ofschoon wij slechts tien of vijftien mijlen van de buitenste keten der Cordilleras af waren. Op vele gedeelten was de grond met eene zoutkorst bedekt, en vonden wij hier dezelfde zoutlustige planten, die bij Bahia Blanca voorkomen. Het landschap bezit een gelijkvormig karakter vanaf de Straat van Magelhaen langs de geheele oostkust van Patagonië tot aan de Rio Colorado; en dezelfde soort van streek schijnt zich in eene bochtige lijn van deze rivier af landwaarts in uit te strekken tot San Luis, en misschien noordelijker nog. Oostelijk van deze kromme lijn ligt de kom der betrekkelijk vochtige en groene vlakten van Buenos Aires. De onvruchtbare vlakten van Mendoza en Patagonië bestaan uit eene laag kiezelsteenen, die door de golven der zee glad afgespoeld en opgehoopt zijn; terwijl de met distels, klaver en gras bedekte Pampas gevormd zijn door de modder der oude delta van de Rio de la Plata.

Na onze vermoeiende tweedaagsche reis zagen wij met welgevallen van verre de rijen wilgen en populieren, die om het dorp en de rivier Luxan groeiden. Kort vóór onze komst in de plaats bespeurden wij in zuidelijke richting eene donkere, roodachtig bruine wolk van zeer onregelmatigen vorm. Eerst hielden wij die voor den rook van een grooten veldbrand, maar spoedig ontdekten wij, dat het een zwerm sprinkhanen was. Zij vlogen in noordelijke richting; en geholpen door eene zwakke bries, haalden zij ons met de snelheid van tien of vijftien mijlen in het uur in. De hoofdzwermscheen zich uit te strekken van eene hoogte van twintig tot twee of drieduizend voeten boven den grond. Het geluid hunner vleugels was als het “rollen van strijdwagens door vele rennende paarden voortbewogen:” of juister, zou ik zeggen, als het gieren van eene stevige bries door het want van een schip. Door de voorhoede gezien, geleek de lucht op eene teekening in aqua-tinta; maar de hoofdzwerm was ondoordringbaar voor het oog. Zij waren echter niet zoo dicht opeengepakt, of zij konden nog een stok ontwijken, die heen en weder werd gezwaaid. Toen zij neerstreken, waren zij talrijker dan de bladeren des velds, en veranderde de groene kleur hiervan in eene roodachtige; maar nauwelijks op den grond, of de insecten vlogen in alle richtingen heen en weer. Sprinkhanen zijn in dit land niet zeldzaam; reeds waren in dit seizoen verscheidene zwermen uit het zuiden gekomen, waar zij, zooals in alle andere werelddeelen schijnt te gebeuren, in de woestijnen worden uitgebroed. Te vergeefs poogden de arme hutbewoners door het ontsteken van vuren, door geschreeuw en het zwaaien van takken den aanval te keeren. Deze sprinkhanensoort gelijkt zeer veel op den vermaardenGryllus migratoriusuit het Oosten, en is wellicht dezelfde.

Wij staken de Luxan over—eene rivier van aanzienlijke grootte, hoewel haar loop naar de zeekust zeer onvolkomen bekend is; zelfs is het twijfelachtig of zij niet in haar loop over de vlakte verdampt en spoorloos verdwijnt. Daarna sliepen wij in het dorp Luxan, een plaatsje door tuinen omgeven, dat vijfleaguesten zuiden van de hoofdstad ligt en het zuidelijkste bebouwde district is in de provincie Mendoza. Des nachts doorstond ik een aanval (want een zachteren naam verdient het niet) van deBenchuca, eene soortReduvius, de groote zwarte weegluis van de Pampas. Het is een uiterst walgelijk gevoel, als die weeke, ongevleugelde insecten van ongeveer een inch lengte over ons lichaam kruipen. Vóór het zuigen zijn zij zeer dun, maar later worden zij rond en gezwollen door het bloed, zoodat het dan gemakkelijk is ze te dooden. Een die ik ving teIquique (want men vindt ze in Chili en Peru), was zeer bloeddorstig. Op eene tafel geplaatst, stak het vinnige insect, wanneer men het een vinger voorhield, onmiddellijk zijn zuiger uit, deed, ofschoon er menschen om heen stonden, een aanval en begon, als men het liet begaan, bloed te zuigen. De wond veroorzaakte geen pijn. Het was merkwaardig zijn lichaam gade te slaan, terwijl het bezig was te zuigen; want eerst zoo plat als een wafel, werd het in minder dan tien minuten bolrond. Van dit eene maal, dat debenchucaaan een der officieren te danken had, bleef zij vier maanden lang vet; maar reeds na 14 dagen stond zij kant en klaar om opnieuw te zuigen.

27 Maart.Wij reden verder naar Mendoza. Het land was uitstekend bebouwd, en kwam overeen met Chili. Deze buurtschap is beroemd om haar fruit; en het dient erkend, dat deze bloeiende wijngaarden, en boomgaarden met vijge-, perzik- en olijfboomen door niets evenaard konden worden. Wij kochten watermeloenen, tweemaal zoo groot als een menschenhoofd, heerlijk koel en goed van smaak, voor een halve penny het stuk; en een halven kruiwagen vol perziken voor de waarde van drie pence. Het bebouwde en ompaalde gedeelte dezer provincie is zeer klein, en niet veel grooter dan dat tusschen Luxan en de hoofdstad, hetwelk wij waren doorgetrokken. Evenals in Chili, dankt het land zijne vruchtbaarheid geheel aan kunstmatige bevloeiing; en het is inderdaad verrassend als men ziet hoe buitengewoon vruchtbaar eene kale vlakte daardoor gemaakt wordt.

Wij bleven den volgenden dag in Mendoza. De voorspoed van deze stad is in de laatste jaren zeer gedaald. De inwoners zeggen: “Zij is goed om er te wonen, maar zeer slecht om rijk te worden.” De lagere standen hebben de luierende, zorgelooze manieren van de Gauchos der Pampas, en hunne kleeding, hun zadeltuig en leefwijzen zijn nagenoeg dezelfden. In mijn oog had de stad een geesteloos, verlaten aanzien. Noch de geroemdealameda,14noch de aanlegder stad zijn te vergelijken met die van Santiago; maar voor hen, die van Buenos Aires komende, pas hun tocht door de eentonige Pampas hebben volbracht, moeten de tuinen en boomgaarden een verrukkelijken aanblik opleveren. Van de inwoners sprekende, zegt Sir. F. Head: “Zij eten hun middagmaal, gaan slapen omdat het zoo heet is... eilieve, kunnen zij wel beter doen?” Ik ben het geheel met den zegsman eens: het gelukkig lot der Mendozinos is: eten, slapen en luieren.

29 Maart.Wij gingen op weg om over den noordelijk van Mendoza gelegen Uspallata-pas naar Chili terug te keeren. Onze weg liep door een uitgestrekt en zeer dor gebied, dat 15leagueslang was. De bodem was op sommige plaatsen geheel kaal, op andere met tallooze dwergcactussen bedekt, die met geduchte stekels waren gewapend en door de inwoners “kleine leeuwen” werden genoemd. Ook waren er enkele lage struiken. Ofschoon de vlakte bijna 3000 voet boven de zee ligt, brandde de zon zeer fel; en deze hitte, gevoegd bij de wolken ontastbaar stof, maakten den tocht buitengewoon vermoeiend. Onze weg liep dezen dag bijna evenwijdig met de Cordilleras, doch naderde die langzamerhand. Vóór zonsondergang reden wij eene der breede valleien of liever dalbochten in, welke in de vlakte uitmonden, en die zich spoedig vernauwde tot een ravijn, waarin iets hooger op de villa Vicencio ligt. Daar wij den ganschen dag gereden hadden zonder een druppel water, waren wij en ook onze muildieren zeer dorstig, en keken dus verlangend uit naar den stroom, die door deze vallei naar het dal vloeit. Het was eigenaardig te zien, hoe het water langzamerhand voor den dag kwam: op de vlakte was de bedding geheel droog; gaandeweg werd zij iets vochtiger, en toen verschenen plasjes water, die zich weldra vereenigden, totdat zich eindelijk bij de villa Vicencio een aardig riviertje vertoonde.

30 Maart.De eenzame hut, welke den indrukwekkenden naam Villa Vicencio draagt, wordt door elken reiziger vermeld, die de Andes is overgetrokken. Ikbleef hier twee opvolgende dagen en bezocht ook eenige naburige mijnen. De geologie van het omliggende land is zeer merkwaardig. De Uspallata-keten is van de hoofd-Cordilleras gescheiden door eene lange, smalle vlakte of kom, evenals die in Chili (welke zoo vaak genoemd zijn), maar hooger, daar zij 6000 voet boven de zee ligt. Deze keten heeft bijna dezelfde geographische ligging met betrekking tot de Cordilleras, als de reusachtige Portillo, maar is van geheel anderen oorsprong. Zij bestaat uit verschillende onderzeesche lava-soorten, die afwisselen met vulkanische zandsteenen en andere merkwaardige sedimentaire afzetsels; het geheel komt zeer na overeen met sommige tertiaire lagen aan de stranden van den Stillen Oceaan. Wegens die gelijkenis verwachtte ik fossiel hout te zullen vinden, waardoor deze formaties zich meestal kenmerken. Ik werd in ruime mate tevreden gesteld. In het middengedeelte der keten bespeurde ik op eene naakte helling, ter hoogte van ongeveer 17000 voet, eenige sneeuwwitte uitstekende kolommen. Deze waren versteende boomen, waarvan elf verkiezeld, en dertig tot veertig in grof gekristalliseerd wit kalkspaat veranderd waren. Zij waren plotseling afgebroken, zoodat de overgebleven stompen enkele voeten boven den grond uitstaken. De stammen maten elk van drie tot vijf voeten in omtrek, en stonden op geringen afstand van elkander, maar vormden te zamen ééne groep. Robert Brown is zoo vriendelijk geweest het hout te onderzoeken, en zegt dat het tot het geslacht der dennen behoort, omreden het de kenmerken draagt van de familie derAraucaria’sof Andesdennen, maar dat het eenige merkwaardige verwantschapspunten met betrekking tot den iep bezit. De vulkanische zandsteen, waarin de boomen waren begraven en uit welks lagere gedeelten zij ontsproten moesten zijn, heeft zich achtereenvolgens in dunne lagen om de stammen opgehoopt, en de steen heeft nog den indruk der schors bewaard.

Er was weinig geologische kennis noodig ter vertolking van de wonderbare geschiedenis, welke dit landschap onmiddellijk voor oogen stelde, hoewel ik beken, dat ik in ’t eerstzoozeer verbaasd was, dat ik het klaarste bewijs nauwelijks kon gelooven. Ik zag de plek, waar in een lang vervlogen tijd eenige fraaie boomen hunne takken wuifden aan de stranden van den Atlantischen Oceaan, toen deze Zee—nu 700 mijlen teruggevloeid—tot aan den voet der Andes reikte. Ik zag, dat die boomen waren ontsproten uit een vulkanischen grond, die boven den zeespiegel was geheven, en dat dit droge land met zijn rijzig geboomte daarna was weggezonken in de diepten van den Oceaan. In deze diepten werd het vroeger droge land bedekt met sedimentaire lagen, en dezen weer met ontzaglijke stroomen onderzeesche lava, waarvan één zelfs eene dikte van 1000 voet bereikte; en vijfmaal waren die stroomen van gesmolten gesteenten, door waterbezinksels afgewisseld, over den zeebodem verspreid. De oceaan, waarin zulke dikke beddingen ontstonden, moet ontzettend diep geweest zijn. Maar wederom kwamen de onderaardsche krachten in werking; en nu zag ik den bodem van dien oceaan eene bergketen vormen van meer dan 7000 voet hoogte. Nòg waren die vijandige machten, welke altijd bezig zijn de oppervlakte van het land te sloopen, niet tot rust gekomen: de groote lava-beddingen waren doorsneden geworden van breede valleien, en de nu versteende boomen blootgelegd door uitspoeling van den vulkanischen, thans evenzeer versteenden bodem, waaruit zij eenmaal, groenend en bloeiend, hunne rijzige toppen hadden omhoog geheven. Nu is dit alles eene volslagen woestenij, want zelfs het mos kan zich niet hechten aan de steenen rompen van voormalige boomen. Hoe reusachtig en bijna onbegrijpelijk zulke veranderingen ook moeten schijnen, hebben zij toch allen plaats gehad in een tijdperk, datjongis, vergeleken met de geschiedenis der Cordilleras zelve; en deze bergketen is beslistnieuw, vergeleken met vele fossielen-bevattende lagen in Europa en Amerika!

1 April.Wij trokken over de Uspallata-keten, en sliepen des nachts in het tolhuis—de eenige bewoonde plek op de vlakte. Kort voordat wij de bergen verlieten, zagen wij een zeer buitengewoon schouwspel:roode, purpere, groene en zuiver witte sedimentaire gesteenten, afwisselende met zwarte lava’s, waren door porfier-kegels in allerlei kleuren, van donkerbruin tot het helderste lila, opgebroken en in de grootste wanorde dooreengeworpen. Ik zag thans voor het eerst een schouwspel, dat werkelijk geleek op die fraaie doorsneden, welke de geologen van het binnenste der aarde maken.

Den volgenden dag staken wij de vlakte over, en volgden den loop van denzelfden grooten bergstroom, die voorbij Luxan vloeit. Hier was die stroom een wild bruisende, geheel ondoorwaadbare vloed, die breeder scheen dan in het laagland, evenals met het riviertje van Villa Vicencio het geval was. Op den avond van den volgenden dag bereikten wij de Rio de las Vacas, die beschouwd wordt als de slechtste stroom in de Pampas, wat het oversteken betreft. Daar al deze rivieren een snellen en korten loop hebben, en door het smelten der sneeuw gevormd zijn, brengt het uur van den dag een aanzienlijk verschil mede in hun volume. Des avonds is de stroom modderig en gezwollen; maar tegen het aanbreken van den dag wordt hij klaarder en veel minder onstuimig. Wij vonden, dat dit ook met de Rio de las Vacas het geval was, en staken haar des morgens met geringe moeite over.

Tot dusverre was het landschap zeer weinig belangrijk, vergeleken met dat van den Portillo-pas. Men kan weinig zien van hetgeen er ligt aan gene zijde van de kale rotswanden der groote vlakke vallei, waardoor de weg tot aan den hoogsten top voert. De vallei en de ontzaglijke rotsachtige bergen zijn uiterst dor: gedurende de twee vorige nachten hadden de arme muildieren letterlijk niets te eten, want behalve enkele harsachtige struiken, is er bijna geen plant te zien. In den loop van dezen dag trokken wij over eenige van de slechtste passen in de Cordilleras; doch het daaraan verbonden gevaar wordt zeer overdreven. Men zeide mij, dat ik duizelig zou geworden zijn, indien ik er te voet had trachten over te gaan, en dat er geen ruimte was om af te stijgen; maar ik zag geen enkele plek, waar menniet ruggelings had over kunnen loopen, of aan beide zijden van zijn muildier stijgen. Van een der slechtste passen (las Animas—de Zielen), dien ik was overgetrokken, vernam ik eerst een dag later, dat hij een van de gevaarlijkste was. Ongetwijfeld zijn er vele punten, waar de ruiter, bij eene struikeling van het muildier, in een diepen afgrond zou worden geslingerd; doch hiervoor bestaat weinig kans. Van deladerasof wegen, die elk jaar over de stapels gevallen rotspuin opnieuw worden aangelegd, durf ik zeggen, dat zij in de lente zeer slecht zijn; maar blijkens hetgeen ik zag, geloof ik, dat het werkelijke gevaar nul is. Met gepakte muildieren is het geval eenigszins anders, doordien de pakken zoo ver uitsteken, dat de beesten, als zij toevallig tegen elkander of tegen eene rotspunt loopen, hun evenwicht verliezen en in den afgrond worden geworpen. Bij het oversteken van rivieren kan ik wel gelooven, dat de moeilijkheid soms zeer groot is; in dit jaargetijde was er weinig last, maar in den zomer moeten zij zeer gevaarlijk zijn. Volgens de beschrijving van SirF. Head kan ik mij zeer goed de verschillende uitdrukkingen verklaren van hen, die zulk een bergstroom zijn overgestoken, of bezig zijn het te doen. Ik heb nooit gehoord, dat een mensch verdronk, maar met gepakte muildieren gebeurt het vaak. De arriero zegt u, dat gij uw muildier de beste richting moet wijzen, en het dan zijn gang moet laten gaan; het gepakte muildier neemt zijne richting slecht, en is dikwijls verloren.

4 April.Van de Rio de las Vacas tot de Puente del Inca is eene halve dagreis. Daar er weiland voor de muildieren was, en een geologisch terrein voor mij, sloegen wij hier onze nachtkwartieren op. Als men van eene natuurlijke Brug (Puente) hoort, stelt men zich een diep en smal ravijn voor, waarover schrijlings een geweldig rotsblok is gevallen, of een grooten boog die als een grotgewelf is uitgehold. In plaats daarvan bestaat de Puenta del Inca uit een korst van gelaagde keisteenen, die door de bezinksels der naburige heete bronnen zijn samengemetseld. Het schijnt, dat de stroom aan den eenen kant een kanaalheeft uitgegraven, waarbij eene overhangende rots ontstond, die zich vereenigde met de aarde en steenen welke van de tegenoverstaande klip vielen. De schuine verbinding, die in zoodanig geval zou ontstaan, was inderdaad aan één kant zeer duidelijk merkbaar. De Inca-brug is geenszins de groote koningen waardig, naar wien zij genoemd is.

5 April.Wij hadden een langen dagrit noodig, om van de Puente del Inca, over de centrale keten, naar de Ojos del Agua te komen, die bij de laagstecasuchaaan den kant van Chili liggen. Dezecasuchaszijn kleine ronde torens, met trappen aan de buitenzijde om den vloer te bereiken, die wegens de sneeuwhoopen eenige voeten boven den grond is aangebracht. Zij zijn acht in getal, en werden onder het Spaansche gouvernement des winters goed van leeftocht voorzien, terwijl elke koerier een looper op de torens had. Nu dienen zij alleen tot kerkerholen. Wegens hare eenigszins hooge ligging, passen zij niet kwaad bij deze woeste en eenzame omgeving. De zigzagvormige beklimming van deCumbre,15of Waterscheiding, was zeer steil en vermoeiend; volgens Pentland bedraagt de hoogte 12.454 voet. Nergens leidde de weg over eeuwige sneeuw, ofschoon er aan beide kanten hoopjes lagen. Op den top was de wind snerpend koud; toch kon ik niet nalaten eenige minuten stil te houden, om telkens weer de kleur van den hemel en de prachtige doorschijnende lucht te bewonderen. Het was een indrukwekkend schouwspel. In het westen vertoonde zich eene fraaie, dicht opeengedrongen groep van bergen, door diepe ravijnen gescheiden. Meestal valt er vóór dezen tijd van het jaar wat sneeuw: en het is zelfs gebeurd, dat de Cordilleras omstreeks dezen tijd geheel waren afgesloten. Maar wij troffen het zeer gelukkig. Nacht en dag was de lucht onbewolkt, uitgenomen enkele ronde klompjes damp, die over de hoogste toppen dreven. Dikwijls heb ik deze wolkjes in de lucht gezien, wijzende de plek waar de Cordilleras lagen, als de ver verwijderde bergen achter den horizon verborgen waren.

6 April.Des morgens ontdekten wij, dat een dief een onzer muildieren benevens de bel van de madrina gestolen had. Wij reden daarom slechts twee of drie mijlen dieper de vallei in, en bleven daar den volgenden dag, in de hoop het muildier te zullen terugvinden, dat, volgens het oordeel van den arriero, ergens in een ravijn verborgen was. Het landschap had in dit gedeelte een Chileensch karakter aangenomen. De onderzijden der bergen, welke dun begroeid zijn met den bleeken, altijd-groenen Quillay-boom, en met den grooten kandelabervormigen cactus,16zijn stellig meer te bewonderen dan de kale oostelijke valleien; maar met de bewondering, door sommige reizigers aan den dag gelegd, kon ik niet geheel instemmen. Ik vermoed, dat de prettige stemming, waarin men verkeert, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het vooruitzicht van een flink vuur en een goed avondeten, nadat men aan de koude streken van het hooggebergte ontkomen is, en ik ben overtuigd, dat anderen deze gevoelens van harte met mij deelen.

8 April.Wij verlieten de Aconcagua-vallei, waardoor wij waren afgedaald, en bereikten des avonds eene hut nabij de Villa della Santa Rosa. De vruchtbare vlakte bood een verrukkelijken aanblik. Daar de herfst reeds ver gevorderd was, vielen de bladeren van vele fruitboomen af; en van de arbeiders waren sommige bezig met het drogen van vijgen en perziken op de daken hunner hutten, terwijl andere de druiven uit de wijngaarden verzamelden. Het was een opwekkend tafereel; maar ik miste die plechtige en ernstige stilte, welke den herfst in Engeland terecht als den avond des jaars kenmerkt. Op den 10den bereikten wij Santiago, waar mij door Caldcleugh eene zeer vriendelijke en gastvrije ontvangst werd bereid. Mijn uitstapje kostte mij slechts 24 dagen; en nooit had ik in een even langen tijd zooveel genoten. Enkele dagen later keerde ik naar de woning van Corfield in Valparaiso terug.

1Deze passen hebben hoogten van 3927 en 4060 M.(Vert.)2Een Engelsch gewicht, inzonderheid voor wol, gelijkstaande met 14 pounds of circa 6–35/100 kilogr.3Scoresby’s Arctic Regions, Vol. I, Blz. 122.4In Shropshire heb ik hooren opmerken, dat het water van de Severn veel troebeler is, als de rivier ten gevolge van aanhoudende regens buiten hare oevers treedt, dan wanneer dit veroorzaakt wordt door het smelten van sneeuw in de bergen van Wallis. Als D’Orbigny (deel I, blz. 184) de oorzaak van de verschillende kleuren der Zuidamerikaansche rivieren verklaart, merkt hij op, dat die met blauw of helder water op de Cordilleras ontspringen, waar de sneeuw smelt.5Lower White Chalkin Engeland, enTuronien(naar de aloude provincie Touraine, thans het departementIndre-et-Loire) in Frankrijk, zijn de equivalente namen der tweede of middelste onderafdeeling van de bovenste hoofdafdeeling derKrijtformatie. In Engeland en Noord-Frankrijk wordt zij gevormd door witte of lichtgrijze, fijne en weeke mergels: de zoogen. krijtmergels. De onderste lagen van hetTuronienhebben uitloopers, die men door het zuiden en zuidoosten van Frankrijk tot in Zwitserland kan vervolgen.6De uitbarsting dezer granietkoppen moet in het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad.(Vert.)7Het Spaansche woordpunabeteekent letterlijk “ijskoude onbewoonbare streek.”(Vert.)8Dr. Gillies in “Journal of Nat. and Geograph. Science,” Aug. 1830. Deze schrijver geeft de hoogte der passen aan.9Ongeveer 3720 meter. De eigenlijke naam van dezen vulkaan is Pico de Teyde.(Vert.)10Eencasuchais een klein armzalig huisje: een barak of loods.11De Franschman Denis Papin (1647–1712), die vanaf 1673 adsistent bij Huijgens was, verliet in 1680 als Calvinist zijn geboorteland, en was van af 1688 hoogleeraar te Marburg. Hij vond in 1681 den naar hem genoemden pot (la marmite de Papin), welke ten doel had water en de daarin te koken spijzen hooger te verhitten, dan zulks in open kookpannen mogelijk was, en zoodoende het koken te bespoedigen en meer volkomen te maken. Zijne eerste gedachte was, dat men daarin wellicht beenderen in een bruikbaar voedingsmiddel kon veranderen.(Vert.)12Deze structuur in bevroren sneeuw was sedert lang door Scoresby waargenomen in de ijsbergen bij Spitsbergen, en onlangs nauwkeuriger door Kolonel Jackson (Journ. of Geogr. Soc., deel V, blz. 12) op de Newa. Charles Lyell (Principles of Geology) heeft de spleten, waardoor de zuilvormige structuur schijnt bepaald te worden, vergeleken bij de voegen die bijna alle gesteenten doorkruisen, maar die het best te zien zijn in ongelaagde massa’s. Ik wil hier opmerken, dat de zuilvormige structuur, in het geval van de bevroren sneeuw, moet worden toegeschreven aan eenemetamorphischewerking (eene chemisch-physische omzetting), en niet aan eene werking gedurende den “neerslag.”13Dit is slechts eene toelichting op de merkwaardige wetten, het eerst door Charles Lyell vastgesteld, betreffende het feit, dat geologische veranderingen van invloed zijn geweest op de geographische verspreiding der dieren. De geheele redeneering berust natuurlijk op de hypothese van de onveranderlijkheid der soorten, anders zou het verschil tusschen de soorten in de twee gewesten beschouwd kunnen worden als in lengte van tijd te zijn ontstaan.14Populierenlaan, of openbare wandelplaats.15Cumbre beteekent: bergtop.(Vert.)16Deze reusachtige woestijncactusCereus atacamensislevert zelfs sterke balken, planken en brandhout aan de tropische landen.(Vert.)

1Deze passen hebben hoogten van 3927 en 4060 M.

(Vert.)

2Een Engelsch gewicht, inzonderheid voor wol, gelijkstaande met 14 pounds of circa 6–35/100 kilogr.

3Scoresby’s Arctic Regions, Vol. I, Blz. 122.

4In Shropshire heb ik hooren opmerken, dat het water van de Severn veel troebeler is, als de rivier ten gevolge van aanhoudende regens buiten hare oevers treedt, dan wanneer dit veroorzaakt wordt door het smelten van sneeuw in de bergen van Wallis. Als D’Orbigny (deel I, blz. 184) de oorzaak van de verschillende kleuren der Zuidamerikaansche rivieren verklaart, merkt hij op, dat die met blauw of helder water op de Cordilleras ontspringen, waar de sneeuw smelt.

5Lower White Chalkin Engeland, enTuronien(naar de aloude provincie Touraine, thans het departementIndre-et-Loire) in Frankrijk, zijn de equivalente namen der tweede of middelste onderafdeeling van de bovenste hoofdafdeeling derKrijtformatie. In Engeland en Noord-Frankrijk wordt zij gevormd door witte of lichtgrijze, fijne en weeke mergels: de zoogen. krijtmergels. De onderste lagen van hetTuronienhebben uitloopers, die men door het zuiden en zuidoosten van Frankrijk tot in Zwitserland kan vervolgen.

6De uitbarsting dezer granietkoppen moet in het Tertiaire Tijdvak hebben plaats gehad.

(Vert.)

7Het Spaansche woordpunabeteekent letterlijk “ijskoude onbewoonbare streek.”

(Vert.)

8Dr. Gillies in “Journal of Nat. and Geograph. Science,” Aug. 1830. Deze schrijver geeft de hoogte der passen aan.

9Ongeveer 3720 meter. De eigenlijke naam van dezen vulkaan is Pico de Teyde.

(Vert.)

10Eencasuchais een klein armzalig huisje: een barak of loods.

11De Franschman Denis Papin (1647–1712), die vanaf 1673 adsistent bij Huijgens was, verliet in 1680 als Calvinist zijn geboorteland, en was van af 1688 hoogleeraar te Marburg. Hij vond in 1681 den naar hem genoemden pot (la marmite de Papin), welke ten doel had water en de daarin te koken spijzen hooger te verhitten, dan zulks in open kookpannen mogelijk was, en zoodoende het koken te bespoedigen en meer volkomen te maken. Zijne eerste gedachte was, dat men daarin wellicht beenderen in een bruikbaar voedingsmiddel kon veranderen.

(Vert.)

12Deze structuur in bevroren sneeuw was sedert lang door Scoresby waargenomen in de ijsbergen bij Spitsbergen, en onlangs nauwkeuriger door Kolonel Jackson (Journ. of Geogr. Soc., deel V, blz. 12) op de Newa. Charles Lyell (Principles of Geology) heeft de spleten, waardoor de zuilvormige structuur schijnt bepaald te worden, vergeleken bij de voegen die bijna alle gesteenten doorkruisen, maar die het best te zien zijn in ongelaagde massa’s. Ik wil hier opmerken, dat de zuilvormige structuur, in het geval van de bevroren sneeuw, moet worden toegeschreven aan eenemetamorphischewerking (eene chemisch-physische omzetting), en niet aan eene werking gedurende den “neerslag.”

13Dit is slechts eene toelichting op de merkwaardige wetten, het eerst door Charles Lyell vastgesteld, betreffende het feit, dat geologische veranderingen van invloed zijn geweest op de geographische verspreiding der dieren. De geheele redeneering berust natuurlijk op de hypothese van de onveranderlijkheid der soorten, anders zou het verschil tusschen de soorten in de twee gewesten beschouwd kunnen worden als in lengte van tijd te zijn ontstaan.

14Populierenlaan, of openbare wandelplaats.

15Cumbre beteekent: bergtop.

(Vert.)

16Deze reusachtige woestijncactusCereus atacamensislevert zelfs sterke balken, planken en brandhout aan de tropische landen.

(Vert.)


Back to IndexNext