Hoofdstuk XIX.

Hoofdstuk XIX.Australië.12 Januari 1836.Vroeg in den morgen voerde een zwakke wind ons naar den ingang van Port Jackson. In plaats van een groenend land te zien, met hier en daar eenige fraaie huizen, vertoonde zich slechts eene rechte lijn van geelachtige klippen, die ons de kusten van Patagonië voor den geest riepen. Alleen een eenzame, wit-steenen vuurtoren zeide ons, dat wij in de nabijheid eener groote volkrijke stad waren. Is men de haven binnengegaan, dan heeft deze met hare klipvormige oevers van gelaagden zandsteen een fraai en ruim aanzien. Het bijna vlakke land is met dunne, armzalige boomen bedekt, die getuigen van den vloek der onvruchtbaarheid. Verder het land ingaande, verbetert dit en ziet men mooie buitenplaatsen en nette boerderijen hier en daar langs het strand verspreid. In de verte wezen steenen huizen van twee en drie verdiepingen, en een aantal windmolens aan den rand van een dijk ons op de nabijheid der hoofdstad van Australië.Eindelijk ankerden wij in Sydney-Cove, waar wij het kleine dok gevuld zagen met vele groote schepen, en omringd door pakhuizen. Des avonds wandelde ik door de stad en keerde vol bewondering over wat ik zag, terug. Alles legt een schitterend getuigenis af van de macht der Britsche natie. Hier, in een weinig belovend land, hebben eenige twintigtallen van jaren heel wat meer uitgericht dan evenveel eeuwen in Zuid-Amerika. Het eerste gevoel, dat in mijopwelde, was mij geluk te wenschen dat ik Engelschman van geboorte was. Toen ik later meer van de stad zag, daalde mijne bewondering misschien wel eenigszins; maar toch is zij mooi. De straten zijn regelmatig, breed, zindelijk en worden uitstekend onderhouden; de huizen hebben eene flinke grootte, en de winkels zijn wel voorzien. Men kan haar gerust vergelijken met de groote voorsteden van Londen en enkele andere hoofdplaatsen in Engeland; maar zelfs bij Londen of Birmingham ziet men zulk eene snelle uitbreiding niet. Het aantal groote huizen en andere gebouwen, die juist voltooid waren, was inderdaad verwonderlijk; niettemin klaagde elk over de hooge huren en de moeite om een huis te koopen. Daar ik uit Zuid-Amerika kwam, waar elk, die eigendom heeft, in de steden bekend is, verwonderde niets mij zoozeer, als dat ik niet dadelijk kon te weten komen wie eigenaar was van dit of dat voertuig.Ik huurde een man en twee paarden om mij naar het dorp Bathurst te brengen, dat omstreeks 120 mijlen in het binnenland ligt en het middelpunt is van een groot landelijk district. Op deze wijze hoopte ik een algemeen idee te krijgen van het voorkomen der streek. Op den morgen van 16 Januari ving ik mijn tocht aan. De eerste rit bracht ons naar Paramatta—een landstadje, dat in beteekenis op Sydney volgt. De wegen, volgens het stelsel van Mac Adam1aangelegd, waartoe de noodige basaltsteen van vele mijlen ver was aangevoerd, waren uitmuntend. In alle opzichten was er nauwe overeenstemming met Engeland, behalve misschien in de bierhuizen, die hier talrijker waren. De ijzeren benden (troepen misdadigers, die hier het een of ander misdrijf hebben gepleegd) herinnerden het minst aan Engelsche toestanden; zij werkten met ketens aan het lichaam, onder toezicht van schildwachten met geladen geweren. De macht, die het gouvernement bezit om door gedwongen arbeid in korten tijd goede wegen door het landte banen is, geloof ik, een der hoofdoorzaken van den snellen voorspoed dezer kolonie. Ik sliep dien nacht in eene zeer geriefelijke herberg te Emuferry, 35 mijlen van Sydney en dicht bij den voet der Blauwe Bergen. Deze reisweg wordt het drukst bezocht en is het langst van alle in de kolonie bewoond. Al het land is afgesloten met hoog rasterwerk, wat een gevolg is van de omstandigheid, dat de pachters geen heggen hebben kunnen aanleggen. Rondom liggen vele flinke huizen en goede boerderijen verspreid; maar hoewel groote stukken land onder cultuur zijn, verkeert het grootste deel nog in den staat waarin het ontdekt werd.De buitengewone gelijkvormigheid der flora is het merkwaardigste kenmerk van het landschap in het grootste gedeelte van Nieuw-Zuid-Wallis. Overal vinden wij open boschland, en is de grond ten deele bedekt met zeer dun gras, dat weinig groen vertoont. De boomen behooren bijna alle tot ééne familie en kenmerken zich hierdoor, dat hunne bladeren meerendeels in een verticalen, in plaats van in een bijna horizontalen stand geplaatst zijn, zooals in Europa. Het loof is schraal met eene eigenaardige bleekgroene tint, zonder eenigen glans, ten gevolge waarvan de bosschen licht en zonder schaduw zijn. Ofschoon dit onder de brandende zonnestralen een ongerief is voor wie deze streken bereizen, is het van belang voor den pachter, daar nu gras kan groeien waar dit anders niet kan. De bladeren vallen niet periodiek af—een kenmerk, dat aan het geheele zuidelijk halfrond, namelijk Zuid-Amerika, Australië en de Kaap de Goede Hoop gemeen schijnt. De bewoners van dit halfrond missen dus een zeer prachtig, hoewel in onze oogen gewoon natuurverschijnsel: de eerste volle bladontplooiing van den bladerloozen boom. Zij kunnen ons antwoorden, dat wij dit genot duur betalen nadat het land zooveel maanden lang met naakte geraamten is bedekt geweest. Ook dit is waar; maar onze zintuigen krijgen zoodoende een prikkelend, opwekkend verlangen naar het verrukkelijke lentegroen, dat de oogen van hen die in de keerkringen leven en zich het jaar lang aan de schitterende, kleurenrijkevoortbrengselen dezer gloeiende gewesten verzadigen, nooit kunnen smaken. Met uitzondering van eenige blauwe-gomboomen (Eucalyptus globubus) bereiken de meeste boomen geen aanzienlijke grootte; maar zij zijn lang, vrij recht en staan goed gescheiden. De schors van eenigeEucalyptivalt jaarlijks af, of hangt in lange doode reepen, die in den wind heen en weer slingeren, en aan de bosschen een doodsch en slordig aanzien geven. Ik kan mij in alle opzichten geen grootere tegenstelling denken, dan tusschen de wouden van Valdivia of Chiloë, en de bosschen van Australië.Bij zonsondergang ging een troep van een twintigtal zwarte inboorlingen voorbij, die allen op hunne gewone manier een bundel speren of andere wapenen droegen. Door een jongen aanvoerder een shilling te geven, kon ik hen gemakkelijk laten stilstaan, en wierpen zij hunne speren om mij te vermaken. Allen waren gedeeltelijk gekleed, en verscheidenen konden wat Engelsch spreken. Hun uiterlijk was opgeruimd en aangenaam, en zij schenen op verre na niet zulke geheel verbasterde wezens, als doorgaans wordt voorgesteld. In hunne eigen kunsten zijn zij te bewonderen. Eene muts, welke op 30 yards afstand was opgehangen, doorboorden zij met eene speer, die door den werpstok werd weggeslingerd met de snelheid waarmede een geoefend schutter een pijl uit zijn boog drijft. De wonderlijkste schranderheid leggen zij aan den dag wanneer zij het spoor van menschen of dieren zoeken, en ik hoorde verscheidene opmerkingen van hen vertellen, die blijk gaven van ongewone scherpzinnigheid. Maar den grond ontginnen, of huizen bouwen en gezeten lieden worden, willen zij niet; zelfs willen zij zich de moeite niet geven eene kudde schapen te hoeden, die aan hunne zorg is toevertrouwd. Over het geheel schijnen zij mij maar enkele sporten hooger op de beschavingsladder te staan dan de Vuurlanders.Het is zeer zonderling, zoo te midden van een beschaafd volk een troep onschadelijke wilden te zien rondloopen, die niet weten waar zij des nachts zullen slapen, en hun kostverdienen met jagen in de bosschen. Naarmate de blanken voortdrongen, hebben zij zich over het land verspreid, dat aan verschillende stammen toebehoorde; en ofschoon deze zoodoende allen door eenzelfde volk werden ingesloten, hebben zij hunne oude gewoonte om soms elkander te beoorlogen, behouden. In een gevecht, dat onlangs plaats had, kozen beide partijen—zeer zonderling—het midden van het dorp Bathurst tot slagveld. Dit had voor de verslagene partij het voordeel, dat de weggeloopen krijgslieden een toevlucht zochten in de hutten.Het getal inboorlingen neemt snel af. Op mijn geheelen rit zag ik, behalve een paar jongens die door Engelschen werden opgebracht, nog slechts één enkelen troep. Zonder twijfel moet deze afname gedeeltelijk worden toegeschreven aan den invoer van spiritualiën, aan Europeesche ziekten (waarvan zelfs de meer goedaardige, zooals mazelen, zeer verderfelijk blijken),2en aan het trapsgewijze uitsterven van wild. Men zegt, dat een aantal van hunne kinderen op zeer jongen leeftijd aan de gevolgen van hun zwervend leven bezwijken; en daar de moeite om aan voedsel te komen grooter wordt, moeten ook hunne zwervende gewoonten toenemen. Zonder openlijk den hongerdood te sterven, wordt hier de bevolking dus op bijzonder snelle wijze ondermijnd, vergeleken met wat in beschaafde landen gebeurt, waar de vader, ofschoon door overmatigen arbeid zich zelf benadeelende, zijn nakroost niet uitroeit.Behalve deze vele zichtbare oorzaken van ondergang, schijnt er in ’t algemeen eene meer geheimzinnige kracht in ’t spel te zijn. Waar de Europeaan zijne schreden zet,schijnt de dood den inboorling te vervolgen. Hetzij wij het oog wenden naar de wijde vlakten van Noord- en Zuid-Amerika, naar Polynesië, de Kaap de Goede Hoop of naar Australië, overal vinden wij denzelfden uitslag. En het is niet alleen de blanke, die dus als verdelger optreedt: de Polynesiër van Maleischen oorsprong heeft in sommige gedeelten van den Oostindischen Archipel evenzoo den donkerkleurigen inboorling voor zich uitgedreven. De menschenrassen schijnen op elkander te werken in gelijken zin als velerlei diersoorten, nl. zoo, dat het sterkere steeds het zwakkere uitroeit. Het was treurig, toen wij op Nieuw-Zeeland de fiere, kloeke inboorlingen hoorden zeggen, dat zij wel wistendathun land gedoemd was aan hunne kinderen te ontvallen.3Ieder heeft gehoord van de onverklaarbare vermindering der bevolking op het schoone en gezonde eiland Tahiti sedert den tijd van Cook’s reizen, hoewel wij in dit geval hadden mogen verwachten, dat zij zou zijn toegenomen: want kindermoord, die hier vroeger in zoo buitengewone mate woedde, heeft opgehouden: losbandigheid is afgenomen, en de moordende oorlogen zijn nu minder talrijk.—De Eerw. I. Williams zegt in zijn belangwekkend werk,4dat het eerste verkeer tusschen inboorlingen en Europeanen “steeds vergezeld gaat van het uitbreken van koortsen, rooden loop of eene andere ziekte, die tal van menschen wegsleept.” Verder zegt hij: “Het is inderdaad een feit, hetwelk niet betwist kan worden, dat de meeste ziekten, die gedurende mijn verblijf op de eilanden gewoed hebben, door schepen daar zijn ingevoerd;5en wat dit feit merkwaardigmaakt is, dat onder de bemanning van het schip, hetwelk deze verderfelijke lading binnenbracht, geen spoor van ziekte bekend was.” Dit verhaal is niet zoo heel buitengewoon als op het eerste gehoor wel lijkt; want verscheidene gevallen zijn bekend dat de boosaardigste koortsen zijn uitgebroken, hoewel de personen, die er de oorzaak van waren, onaangetast bleven. In de eerste regeeringsjaren van George III (1738–1820) werd een gevangene, die in een kerker opgesloten was, door vier konstabels in een rijtuig voor den magistraat gebracht; en ofschoon de man zelf niet ziek was, stierven de vier konstabels aan eene soort van rotkoorts, maar zonder dat de besmetting zich aan anderen meedeelde. Uit deze feiten zou men bijna afleiden, dat de dampen die door sommige personen eenigen tijd wordenuitgestraald, voor anderen na inademing giftig zijn: en dit wellicht nog meer, als de personen tot verschillend ras behooren. Hoe geheimzinnig dit geval ook schijne, is het toch niet wonderlijker dan het feit, dat het lichaam van een mensch, onmiddellijk na den dood en voordat het bederf is ingetreden, dikwijls zulke giftige of doodelijke eigenschappen bezit, dat de prik alleen met een instrument hetwelk bij de opening van het lijk gebruikt is, noodlottig blijkt.17 Januari.Vroeg in den morgen staken wij in eene veerboot over de Nepean. Ofschoon de rivier op deze plek breed en diep was, bevatte zij een zeer klein volume stroomend water. Aan de overzijde trokken wij door een laag stuk land en bereikten toen de helling der Blauwe Bergen. De beklimming daarvan is niet moeilijk, doordien de weg met veel zorg in de glooiing van eene zandsteenklip is uitgehouwen. Op den top strekt zich eene bijna effen vlakte uit, die naar het westen onmerkbaar stijgt en eindelijk eene hoogte bereikt van meer dan 3000 voet. Zulk een wijdsche titel als “Blauwe Bergen”, alsmede hunne werkelijke hoogte deden mij verwachten eene kloeke bergketen te zullen zien, welke het land doorsneed; maar in plaats hiervan—slechts eene hellende vlakte, die een onaanzienlijk front vormt bij het laagland aan de kust. Van deze eerste glooiing was het gezicht op het uitgestrekte boschland in het oosten verrassend, en de rondom staande boomen waren kloek en rijzig. Doch is men eenmaal op het zandsteenen bergvlak, dan wordt het landschap uiterst eentonig; elke kant van den weg is met schrale boomen der nooit ontbrekendeEucalyptus-familie begroeid, en met uitzondering van twee of drie kleine herbergen, zijn er geen huizen of ontgonnen landerijen. Daarenboven is de weg eenzaam; wat men nog het meest ziet, zijn ossewagens, volgeladen met balen wol.Op het midden van den dag voederden en drenkten wij onze paarden in eene kleine herberg,The Weatherboard(De Loefzijde) genaamd. Het land ligt hier 2800 voet boven de zee. Ongeveer anderhalve mijl van deze plek heeftmen een panorama, dat wel een kijk waard is. Eene kleine vallei volgende, waardoor een nietig beekje stroomt, ontwaart men plotseling tusschen het geboomte, dat den weg begrenst, een onafzienbaren afgrond met eene diepte van misschien 1500 voet. Enkele schreden voortgaande, staat men aan den rand eener geweldige steilte en ziet aan zijne voeten een uitgestrekten landboezem of baai (want anders weet ik het niet te noemen), die dicht met wouden bedekt is. Het oogpunt ligt als het ware aan den top der baai, en rechts en links breidt zich eene klipreeks uit met achtereenvolgende landtongen, evenals aan eene steile zeekust. Deze klippen bestaan uit horizontale lagen van witachtigen zandsteen, en zijn zoo volkomen loodrecht, dat men op vele plaatsen een steen, die van den rand naar omlaag wordt geworpen, op de boomen in den afgrond aan zijne voeten kan zien vallen. De klipreeks is zoo onafgebroken, dat men (volgens zeggen) zestien mijlen om moet loopen, om den voet van den waterval te bereiken, die door het bovengenoemde beekje gevormd wordt. Omstreeks vijf mijlen ver tegenover ons liep eene andere klipreeks, die de vallei dus geheel schijnt te omringen, zoodat de naam van baai, aan deze grootsche amphitheatervormige diepte gegeven, gerechtvaardigd is. Stellen wij ons voor, dat eene bochtige haven met steile klipvormige oevers wordt drooggelegd, en uit haar zandigen bodem een dicht woud opschiet, dan zullen wij een begrip hebben van het voorkomen en den vorm van dezen landboezem. Dit landschaps-type was voor mij geheel nieuw en buitengewoon prachtig.Des avonds bereikten wij de Blackheath, waar de zandsteenen bergvlakte eene hoogte heeft bereikt van 3400 voet, en met hetzelfde schrale houtgewas bedekt is als te voren. Van den weg had men nu en dan vluchtige kijkjes in eene diepe vallei van dezelfde soort als die ik straks beschreef; maar wegens de steile en hooge wanden was de bodem bijna nooit te zien. Blackheath is eene zeer geriefelijke herberg, die door een ouden soldaat gedreven wordt, en die mij aan de kleine herbergen in Noord-Wallis herinnerde.18 Januari.Zeer vroeg in den morgen wandelde ik omstreeks drie mijlen ver om Govett’s Leap te zien. Het landschap was hier van gelijken aard als bij The Weatherboard, misschien zelfs nog indrukwekkender. Zoo vroeg op den dag, was de baai gevuld met een ijlen blauwen mist, die, hoewel in ’t algemeen het uitzicht belemmerend, de diepte waarop het woud zich onder onze voeten uitstrekte, nog scheen te vergrooten. Deze valleien, die zoolang een onoverkomelijken hinderpaal vormden voor de pogingen der ondernemendste kolonisten om het binnenland te bereiken, zijn hoogst merkwaardig. Groote, armvormige baaien met verwijdingen aan het boveneinde ontspringen dikwijls uit de hoofdvalleien, en banen zich een weg door de zandsteenen hoogvlakte; daarentegen steekt de hoogvlakte dikwijls landtongen uit in de valleien, zelfs met afscheiding daarin van groote, eilandvormige berggevaarten. Om in deze valleien af te dalen moet men somtijds 20 mijlen omloopen; in andere zijn de landmeters eerst onlangs doorgedrongen, en is het den kolonisten nog niet gelukt hun vee te laten weiden. Doch het merkwaardigste kenmerk in haren bouw is wel, dat zij, ofschoon aan de hoofdeinden verscheidene mijlen breed, naar de mondingen toe meestal zoo versmallen, dat zij ontoegankelijk worden. De Landmeter-Generaal, Sir T. Mitchell, poogde te vergeefs, eerst loopend en toen kruipend tusschen de groote neergestorte zandsteenbrokken, door de keel heen te dringen, welke de Grose-rivier met de Nepean verbindt;6toch vormt de vallei der Grose, naar ik zag, in haar bovengedeelte eene fraaie effen kom van eenige mijlen breed, die aan alle kanten door klippen is omringd, welker toppen waarschijnlijk nergens onder 3000 voet boven den zeespiegel liggen. Ik besteeg een pad, deels gevormd door de natuur en deels door den eigenaar van den grond, dat toegang gaf tot devallei van de Wolgan; wordt langs dit pad vee in de vallei gedreven, dan kan het niet ontsnappen; want overal elders is dit dal door loodrechte klippen omringd en versmalt, acht mijlen verder, van eene gemiddelde breedte van eene halve mijl tot eene gewone kloof, waar mensch noch dier door kan. Mitchell verhaalt, dat de groote vallei der Cox-rivier met al hare vertakkingen ter plaatse waar deze in de Nepean vloeit, samenkrimpt tot eene keel van 2200 yards wijdte en ongeveer 1000 voet diepte. Andere dergelijke voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd.Als men de overeenstemming ziet tusschen de horizontale lagen aan elken kant van deze valleien en groote amphitheater-vormige verdiepingen, dan is de eerste indruk deze, dat zij evenals andere valleien door de werking van water zijn uitgehold; maar denkt men aan de ontzaglijke hoeveelheid steenen, die volgens deze onderstelling alléén door kelen of kloven moest worden verwijderd, dan is men geneigd te vragen of deze ruimten niet door inzinking zijn ontstaan. Zoo men echter let op den vorm der onregelmatig vertakte valleien en smalle uit de bergvlakte daarin uitstekende landtongen, dan is men wel genoopt ook dit denkbeeld op te geven. De holten toe te schrijven aan tegenwoordige alluviale werking zou ongerijmd zijn; ook ligt het hoogste niveau der afwatering (zooals ik bij The Weatherboard opmerkte) niet altijd aan den top dezer valleien, maar aan ééne zijde harer baaivormige bochten. Enkele inwoners deden mij de opmerking, dat zij zulk een baaivormigen inham met zijne rechts en links uitstekende landtongen nooit zagen zonder getroffen te worden door de gelijkenis er van met eene steile zeekust. Dit is zeker het geval; men kan er bijvoegen, dat de talrijke fraaie, wijdvertakte havens aan de tegenwoordige kust van Nieuw Zuid-Wallis, welke meestal door een smallen, in de zandsteenen kustriffen uitgeholden mond met de zee verbonden zijn—eene gelijkenis vertoonen, hoewel op kleine schaal, met de groote valleien van het binnenland. Maar dan doet zich de onverwachte moeilijkheid voor: waarom heeft de zee deze groote, hoewel begrensde boezemsuitgehold in een uitgestrekt tafelland, en slechts kelen gelaten aan de openingen, waardoor die ontzaglijke hoeveelheid uitgespoelde stof is weggevoerd? Het eenige licht, dat ik op dit raadsel kan werpen, is door op te merken, dat zich tegenwoordig in sommige zeeën (bijv. hier en daar in de Westindische en in de Roode Zee) banken schijnen te vormen van de meest onregelmatige gedaanten en met zeer steile zijwanden. Ik heb reden om te onderstellen, dat zulke banken gevormd zijn geworden door ophooping van bezinksel op een onregelmatigen bodem, onder de werking van sterke stroomen. Dat de zee in sommige gevallen bezinksel ophoopt rondom onderzeesche rotsen en eilanden, in plaats van het uit te spreiden in eene gelijkvormige laag, kan moeilijk in twijfel worden getrokken, wanneer men de kaarten van West-Indië bestudeert; en dat de golven in staat zijn hooge en steile riffen te vormen zelfs in havens, die door land zijn ingesloten, heb ik in vele gedeelten van Zuid-Amerika waargenomen. Om nu deze begrippen te toetsen aan de zandsteenen bergvlakten van Nieuw Zuid-Wallis, stel ik mij voor, dat de lagen werden opgehoopt op een onregelmatigen bodem door de werking van sterke stroomen en den golfslag eener volle zee; vervolgens, dat de steil hellende wanden der aldus ontstane ongevulde, dalvormige ruimten gedurende eene langzame landrijzing tot klippen werden uitgehold, en dat de losgewerkte zandsteen verwijderd werd òf in den tijd toen de nauwe dalkelen door de ruimende zee gegraven werden, òf later door alluviale werking.Kort na ons vertrek van The Blackheath daalden wij door den pas van Mount Victoria van de zandsteenen hoogvlakte af. Om dezen pas te maken had men door eene ontzaglijke hoeveelheid steen moeten boren; maar zoowel het plan als de wijze van uitvoering verdienden op ééne lijn te worden gesteld met een werk van dien aard in Engeland.De streek, die wij nu betraden, was ongeveer 1000 voet lager en bestond uit graniet. Met de verandering van gesteente veranderde ook de flora. De boomen waren fraaier en stonden meer gescheiden, terwijl het tusschenliggende weiland iets groener en weliger was. Te Hassan’sWallsverliet ik den grooten weg en maakte een korten omweg naar eene hoeve, Walerawang geheeten, die bewoond werd door een hoofdopzichter, aan wien ik een introductie-brief had van den eigenaar te Sydney. De heer Brown was zoo vriendelijk mij te vragen tot den volgenden dag te blijven, welk voorstel ik met genoegen aannam. Deze plaats levert een voorbeeld van een der groote landbouwinrichtingen of liever schapenfokkerijen in de kolonie; maar omdat eenige dalen moerassig zijn en een grover gras voortbrengen, zijn vee en paarden hier wat talrijker dan gewoonlijk. Op twee of drie vlakke strooken grond nabij het huis was het hout gerooid en koren gezaaid, dat de maaiers nu bezig waren te oogsten; van tarwe wordt echter niet meer gezaaid dan voor het jaarlijksch onderhoud der in de inrichting werkende arbeiders noodig is. Het gewone cijfer der toegewezen strafarbeiders bedraagt hier omtrent veertig; doch in dezen tijd waren er enkelen meer. Ofschoon de hoeve van al het noodige goed voorzien was, heerschte er duidelijk gebrek aan gerief; en er woonde hier geen enkele vrouw. In ’t algemeen zal de zonsondergang op een fraaien dag een glans van geluk en tevredenheid op een landschap stralen; maar hier, in deze afgelegen hoeve, konden de helderste tinten op de omliggende bosschen mij niet doen vergeten, dat veertig verharde, verworpen mannen hun dagarbeid staakten evenals de slaven uit Afrika, maar zonder hun heilig recht op medelijden!Den volgenden morgen vroeg was de heer Archer, adjunct van den hoofdopzichter, zoo vriendelijk mij op eene kangoeroe-jacht te noodigen. Wij reden het grootste deel van den dag, doch hadden eene zeer slechte vangst, daar wij geen enkele kangoeroe (Macropus) zagen, en zelfs geen wilden hond (Canis dingo). De hazenwinden vervolgdeneene kangoeroe-rat (Hypsiprimnus)7in een hollen boom, waaruit wij haar te voorschijn haalden. Deze rat is zoo groot als een konijn, maar heeft de gedaante van een kangoeroe. Weinige jaren geleden bezat dit land een overvloed van wilde dieren; maar nu is de emu (Dromaius Novae Hollandiae)8ver het binnenland ingedreven en de kangoeroe zeldzaam geworden; voor beiden is de Engelsche hazenwind hoogst schadelijk geweest. Ofschoon het nog lang kan duren voordat deze dieren geheel zijn uitgeroeid, is hun vonnis geveld. De inboorlingen zijn er altijd op gesteld de honden van de pachthoeven te leenen: en hun gebruik, gevoegd bij den afval als een dier gedood wordt en wat melk van de koeien, zijn de zoenoffers der kolonisten, die al dieper en dieper in het binnenland dringen. Aangelokt, verblind door deze onbeduidende voordeden, verheugt de onnadenkende inboorling zich over de nadering van den blanke, die inderdaad bestemd schijnt het land van zijne kinderen te erven.In weerwil van onze schrale vangst hadden wij een aangenamen rit. Het boschland is meestal zoo open, dat iemand te paard er door heen kan galoppeeren. Dwars door het boschland loopen enkele vlakke groene dalen zonder boomen; en op zulke plekken was het landschap even vriendelijk als in een park. In de geheele streek zag ik bijna geen enkele plek, welke niet de sporen droeg van een vuur. Of deze sporen van vroeger of later dagteekenden; of de overblijfsels van het verbrande hout meer of minder zwart waren—die vragen brachten de grootste afwisseling in de eentonigheid, welke het oog van den reizenden zoozeer vermoeit. In deze bosschen zijn niet veel vogels; maar ik zag eenige groote zwermen kaketoes in een korenveld grazen, en enkele zeer prachtige papegaaien; kraaien, zooals onze kerkkraaien,waren niet zeldzaam, en eindelijk zag ik nog een anderen vogel, die eenigszins op een ekster geleek. In de avondschemering deed ik eene wandeling langs eene reeks van vijvers, die in dit droge land de plaats van rivier innemen, en had het geluk verscheideneindividuënvan het vermaarde Snaveldier (Ornithorhynchus paradoxus) te zien.9Zij doken en speelden bij de oppervlakte van het water, maar lieten zoo weinig van hun lichaam zien, dat men hen gemakkelijk voorwaterrattenhad kunnen houden. De heer Browne schoot er een, en ik zag toen, dat het werkelijk een zeer buitengewoon dier is; een opgezet exemplaar geeft volstrekt geen goed denkbeeld van het voorkomen van het hoofd en den bek van een levend individu, omdat de laatste hard wordt en krimpt.1020 Januari.Wij hadden een langen dagrit naar Bathurst. Voordat wij den grooten weg insloegen, volgden wij een pad door het woud. Met uitzondering van enkele squatters-hutten, was dit oord zeer eenzaam. Dien dag werden wij overvallen door densirocco-achtigen wind van Australië, welke uit de droge woestijnen van het binnenland komt. Wolken stof vlogen in alle richtingen, en de wind voelde zoo heet, als ware hij over een vuur gestreken.Later hoorde ik, dat de thermometer buitenshuis op 119°, en in eene gesloten kamer op 96° had gestaan. Des namiddags kwamen de duinen van Bathurst in het gezicht. Deze golvende, doch bijna effen vlakten zijn in deze streek zeer merkwaardig, omdat zij geheel van boomen ontbloot zijn, en slechts een dun bruin weidegras bezitten. Wij reden eenige mijlen over dit land en bereikten toen het stadsgebied van Bathurst, gelegen in de kom eener ruimte, welke met den naam van zeer breede vallei of smalle vlakte bestempeld zou kunnen worden. Te Sydney had men mij gezegd geen al te slechten dunk van Australië te krijgen door het land van den wegkant te beoordeelen, en geen al te goeden door Bathurst als maatstaf te nemen. Wat dit laatste betrof, gevoelde ik dat ik niet het minste gevaar liep van vooringenomenheid. Ik moet trouwens erkennen, dat het jaargetijde zeer droog was geweest en het land er niet gunstig uitzag, ofschoon ik begreep dat dit twee of drie maanden geleden onvergelijkelijk slechter geweest was. Het geheim van Bathurst’s snel toenemenden voorspoed is, dat het bruine weiland, hetwelk in de oogen van den vreemdeling er zoo armzalig uitziet, voortreffelijk geschikt is voor het weiden van schapen. De stad ligt op eene hoogte van 2200 voet boven de zee aan de oevers der Macquarie—eene der rivieren, welke in het uitgestrekte en bijna onbekende binnenland vloeit. De waterlinie, welke de binnenlandsche stroomen scheidt van die aan de kust, heeft eene hoogte van ongeveer 3000 voet, en loopt in eene noord-zuidelijke richting op een afstand van 80 tot 100 mijlen van de zeekust. Op de kaart is de Macquarie eene aanzienlijke rivier en de grootste van al degene, welke dit deel der scheiding ontwateren; toch vond ik tot mijne verwondering, dat zij slechts eene aaneenschakeling was van poelen of vijvers, die door bijna droge ruimten van elkander gescheiden waren. Meestal zijn de kleine rivieren stroomend, en vormen somtijds hooge en onstuimige vloeden. Is de watertoevoer in dit district schaarsch te noemen, verder landwaarts in wordt hij nog schaarscher.22 Januari.Ik ving mijn terugtocht aan en volgde een anderen weg,Lockyer’s Lanegenaamd, door een wat heuvel- en schilderachtiger landstreek. Het was een lange dagrit, en het huis, waarin ik wilde slapen, lag eenigszins van den weg af en was niet gemakkelijk te vinden. Evenals bij alle andere gelegenheden, ontdekte ik ook nu zeer algemeen onder den lageren stand eene bereidvaardige wellevendheid, die men met het oog op het heden en verleden van deze lieden bijna niet verwacht zou hebben. De hoeve, waar ik den nacht doorbracht, was het eigendom van twee jongelieden, die eerst onlangs aangekomen en een kolonisten-leven begonnen waren. Het volslagen gemis van alle gerief was niet zeer aanlokkend; maar zij hadden het vooruitzicht op eene zekere voorspoedige toekomst, en dat binnen niet langen tijd.Den volgenden dag trokken wij door groote stukken land, die in vlammen stonden en waar rookwolken over den weg zweefden; daarna bereikten wij nog voor den middag onzen vorigen weg, en beklommen den Mount Victoria. Ik sliep in The Weatherboard, en wandelde vóór het vallen van de duisternis naar de amphitheatervormige verdieping. Op den weg naar Sydney bracht ik een zeer genoeglijken avond door bij kapitein King te Dunheved, en eindigde hier mijn uitstapje in de kolonie Nieuw Zuid-Wallis.Voordat ik hier kwam, boezemden drie zaken mij meer belang in dan alle overige, nl.: de maatschappelijke gesteldheid onder de hoogere standen; de toestand der dwangarbeiders, en de vraag welke omstandigheden aantrekkelijk genoeg zijn om personen tot landverhuizing te bewegen. Natuurlijk heeft de meening van iemand, die, zooals ik, er slechts een zeer kort bezoek bracht, bijna geen waarde; maar het is even moeilijk zich van eene meening te onthouden, als om een juist oordeel te vellen. Naar hetgeen ik hoorde, meer dan naar wat ik zag, was ik omtrent de maatschappelijke gesteldheid over het geheel teleurgesteld. De geheele samenleving is over bijna elk onderwerp in haatdragende partijen verdeeld; en velen onder hen, die volgenshun stand de besten moesten zijn, leiden in het openbaar zulk een ongebonden leven, dat achtingswaardige lieden niet met hen kunnen verkeeren. Er is veel jaloerschheid tusschen de kinderen der rijke vrijgelaten misdadigers en van de vrije kolonisten, waarvan de eersten er behagen in scheppen eerlijke lieden als indringers te beschouwen. De geheele bevolking, arm en rijk, wordt beheerscht door de zucht om rijkdom te verwerven; en onder de hoogere standen vormen wol en schapenteelt voortdurend de onderwerpen van gesprek. Er zijn vele ernstige schaduwzijden in het geluk van een gezin, waarvan wellicht de voornaamste is, dat men omringd is door misdadige bedienden. Hoe in-hatelijk is het niet voor uw gevoel, bediend te worden door een man, die wellicht op uwe aanwijzing daags te voren om een beuzelachtig vergrijp gestraft werd. Met de vrouwelijke bedienden is het natuurlijk nog erger gesteld. Zoo komt het, dat kinderen de laagste uitdrukkingen leeren; en men mag van geluk spreken, indien zij ook geen gemeene daden leeren.Hier staat tegenover, dat het kapitaal van iemand, zonder eenige moeite van zijn kant, hem driemaal meer rente opbrengt dan in Engeland; en indien hij voorzichtig is, heeft hij de zekerheid rijk te worden. Levensweelde is er in overvloed en zeer weinig duurder dan in Engeland; de meeste voedingsmiddelen zijn zelfs goedkooper. Het klimaat is prachtig en volmaakt gezond; maar volgens mijn idee gaan die bekoorlijkheden verloren door het onaantrekkelijk voorkomen van het land. Een groot voordeel voor de kolonisten is, dat hunne zoons op zeer jeugdigen leeftijd van nut kunnen zijn. Op den leeftijd van 16 tot 20 jaren nemen hunne jongens dikwijls het beheer van afgelegen pachthoeven op zich, wat intusschen dit nadeel heeft, dat zij dan geheel met het misdadigers-personeel moeten verkeeren. Ik weet niet of de maatschappelijke geest een bijzonder kenmerk heeft gekregen; maar bij zulke leefwijzen en zonder eenig streven naar geestelijke ontwikkeling, kan het haast niet anders of die geest moet ontaarden. Mijne overtuiging is, dat niets dande bittere, harde noodzakelijkheid mij zou kunnen bewegen hierheen te trekken.De snelle voorspoed en de toekomstige vooruitzichten dezer kolonie geven mij, die geen verstand van deze onderwerpen heeft, veel te denken. De twee voornaamste uitvoerartikelen zijn wol en traan, en voor deze beide producten bestaat eene grens.11Het land is geheel ongeschikt voor kanalen, zoodat reeds op niet zeer grooten afstand het verdere vervoer van wol over land de kosten van het scheren en hoeden der schapen niet loont. Het gras is overal zoo dun, dat kolonisten reeds ver het binnenland zijn ingegaan; bovendien wordt de streek, dieper landwaarts in, buitengewoon arm. Ten gevolge van de droogte kan de landbouw nooit op uitgebreide schaal slagen; en daarom zal Australië, voor zoover ik zien kan, ten slotte alleen afhangen van zijne ligging als handels-centrum voor het zuidelijk halfrond, en misschien van zijne toekomstige fabrieken. Daar het steenkool bezit, heeft het altijd de beweegkracht bij de hand. Twee omstandigheden waarborgen ons, dat Australië een zeevarend land zal zijn: eerstens de Engelsche afkomst der natie, en vervolgens de bewoonbaarheid van het land langs de kust. Vroeger verbeeldde ik mij, dat Australië een even belangrijk en machtig land zou worden als Noord-Amerika; maar nu schijnt mij zulk eene grootsche toekomst eenigszins twijfelachtig.Wat den toestand der misdadigers of gedeporteerden betreft, dezen had ik nog minder gelegenheid te beoordeelen dan andere onderwerpen. De eerste vraag is of hun toestand eigenlijk wel eenstrafmag heeten: in elk geval zal niemand beweren, dat het eene zeer strenge is. Ik onderstel echter, dat dit van weinig gevolg is, zoolang die toestand aan misdadigers in hun eigen land vrees inboezemt. Delichamelijke behoeften der veroordeelden worden vrij wel bevredigd; hun vooruitzicht op toekomstige vrijheid en welzijn is niet ver en, bij goed gedrag, zeker. Een “ontslagbriefje”, dat den man binnen een bepaald district vrijmaakt, zoolang hij zich buiten verdenking of misdaad houdt, wordt bij goed gedrag uitgereikt na een aantal jaren, evenredig aan den duur der straf. Ondanks dit alles, en met voorbijzien van de voorloopige hechtenis en den ellendigen overtocht, geloof ik, dat de jaren van verbanning in misnoegen en ongeluk worden gesleten. Naar een schrander man mij verzekerde, kennen de veroordeelden geen ander genot dan zinnelijkheid, en daarin worden zij niet tevreden gesteld. Het krachtig lokaas, dat de Regeering bezit in het aanbieden van amnestie, gevoegd bij den diepen afschuw van de eenzame strafkolonies, schokt het vertrouwen onder de misdadigers en voorkomt zoo de misdaad. Wat hun gevoel van schaamte betreft—iets dergelijks schijnt niet bekend te zijn, en daarvan zag ik eenige zeer zonderlinge bewijzen. Al klinkt het ook vreemd, toch werd mij algemeen gezegd, dat het karakter der misdadigers-bevolking schandelijk lafhartig is; niet zelden worden sommigen wanhopig en geheel onverschillig voor het leven; maar een plan, dat koelbloedigheid of vastberadenheid vereischt, komt zelden tot uitvoering. Het ergste in het geheele geval is, dat, ofschoon er een wat men zou mogen noemen wettelijke hervorming bestaat en er betrekkelijk weinig wordt bedreven waarop de wet vat kan hebben, van het tot stand komen eener zedelijke hervorming volstrekt geen sprake schijnt te zijn. Wel ingelichte personen verzekerden mij, dat, al zou een man zich trachten te verbeteren, hem dit onmogelijk zou zijn zoolang hij met andere veroordeelden samenleeft: hij zou een leven hebben van ondragelijke kwelling en ellende. Ook moet men niet vergeten, dat strafschepen en gevangenissen, zoowel hier als in Engeland, de besmetting in de hand werken. Over het geheel is het doel: eene strafkolonie te stichten, geenszins bereikt; als werkelijk stelsel van hervorming is het mislukt, zooals misschien elk ander plan misluktzou zijn; maar als middel om menschen uiterlijk braaf te maken: om landloopers, zwervers, die geheel onnut waren in het eene halfrond, te veranderen in werkzame burgers in het andere, en zoodoende een nieuw en prachtig land te stichten, een groot beschavingsmiddelpunt—is het plan geslaagd tot eene hoogte, wellicht zonder wederga in de geschiedenis.30 Januari.DeBeaglezeilde naar Hobart Town op Van Diemensland. Na eene zesdaagsche reis, waarvan het eerste gedeelte fraai, het laatste zeer koud en stormachtig was, stevenden wij den mond der Storm-Baai binnen. Het weder rechtvaardigde dezen gevreesden naam. De baai moest eerder “riviermond” worden genoemd, want aan haar boveneinde neemt zij de wateren van de Derwent op. Bij de monding liggen eenige uitgestrekte basaltterrassen, maar verder op wordt het land bergachtig en is het met een licht bosch bedekt. Op de lagere gedeelten der heuvels, die de baai omgeven, is het hout gerooid en prijken heldergele koren- en donkergroene aardappelvelden in weligen overvloed. Laat in den avond ankerden wij in de aardige verscholen kreek, aan de oevers waarvan de hoofdstad van Tasmanië ligt. De eerste aanblik der stad deed zeer onder voor dien van Sydney; de laatste zou men eencityof groote stad kunnen noemen, gene slechts eentownof landstad. Zij ligt aan den voet van Mount Wellington, een berg van 3100 voet hoogte, dochvangeringe schilderachtige schoonheid. Van dezen berg ontvangt de stad een flinken toevoer van water. Rondom de kreek stonden eenige fraaie pakhuizen en aan den eenen kant een klein fort. Wanneer men uit de Spaansche koloniën komt, waar aan de vestingwerken in ’t algemeen zulke uitstekende zorg wordt besteed, schijnen de verdedigingsmiddelen in deze koloniën zeer armzalig. Bij vergelijking van de stad met Sydney, trof mij hier in hoofdzaak het betrekkelijk klein aantal groote huizen, diegebouwd of nog in aanbouw waren. Volgens de telling van 1835 bevatte Hobart Town 13.826 inwoners, en geheel Tasmanië 36.505.12Alle inboorlingen zijn overgebracht naar een eiland in de Bass-Straat, zoodat Van Diemensland het groote voordeel geniet van geen inlandsche bevolking te bezitten. Deze uiterst wreede stap schijnt geheel onvermijdelijk geweest te zijn, en het eenige middel om een einde te maken aan een ontzettend aantal plunderingen, brandstichtingen en moorden, door de inboorlingen gepleegd en die vroeg of laat hunne geheele uitroeiing ten gevolge zouden hebben gehad. Ik vrees, dat deze reeks van euveldaden en hare gevolgen ongetwijfeld hare oorzaak vond in het schandelijke gedrag van enkele mijner landgenooten.13Dertig jaren is een kort tijdbestek om den laatsten inboorling uit zijn vaderland te verdrijven, een eiland bijna zoo groot als Ierland.14De briefwisseling, welke daarover tusschen de regeering in het moederland en die van Tasmanië gevoerd werd, is zeer belangwekkend. Hoewel in de schermutselingen, die vele jaren lang bij tusschenpoozen plaats hadden, tal van inboorlingen neergeschoten of gevangen genomen waren, schijnt niets hen zoozeer van onze overweldigende macht overtuigd te hebben, als toen in 1830 het geheele eiland onder de krijgswet werd gesteld en alle bewoners bij proclamatie bevel kregen om den geheelen stam in een enkelen grooten aanval te overmeesteren. Het ontworpen plan geleek ongeveer op dat der groote drijfjachten in Indië; er werd een cordon dwars over het eiland getrokken met het doel de inlanders op Tasman’s schiereiland in eencul-de-sacte drijven.De poging mislukte; de inboorlingen bonden hunne honden vast, en slopen in een enkelen nacht door de linie, met uitzondering van één knaap, die gevat werd. Dit is verre van verwonderlijk, zoo men let op hunne geoefende zintuigen en hunne gewoonte om achter de wilde dieren aan te kruipen. Men heeft mij verzekerd, dat zij de kunst verstaan zich op een bijna kalen grond te verbergen op eene wijze, die haast ongelooflijk is als men het niet gezien heeft, en waarbij hunne zwarte lichamen gemakkelijk worden aangezien voor de zwarte boomstompen, die over het geheele land verspreid zijn. Men vertelde mij van eene weddenschap tusschen eenige Engelschen en een inboorling, die voor ieder zichtbaar op de kale helling van een heuvel ging staan. Indien de Engelschen nog geen minuut lang de oogen sloten, zou hij op de hurken gaan zitten, en dan zouden zij hem nooit van de omringende boomstompen kunnen onderscheiden. Doch keeren wij tot onze drijfjacht terug. Toen de inlanders deze manier van oorlogvoeren begrepen, werden zij zeer ongerust, want zij ontdekten nu ook de macht en het aantal der blanken. Kort daarna verscheen een troep van 13 personen, tot twee verschillende stammen behoorende, die hunne weerloosheid beseffende, zich in wanhoop overgaven. Later werd door de onvermoeide pogingen van G. A. Robinson, architect te Hobart, die onbevreesd de meest verbitterde inboorlingen in hunne schuilhoeken opzocht, de geheele zwarte bevolking overgehaald om hetzelfde te doen. Zij werden toen naar een eiland gebracht,15waar men hen van voedsel en kleeren voorzag. Graaf Strzelecki verhaalt in zijne “Physical Description of New South Wales and Van Diemen’s Land,” blz. 354, dat “op het tijdstip van hun vervoer in 1835, het getal inboorlingen 210 bedroeg. In 1842, dus zeven jaren later, telden zij slechts 54 personen; en terwijl elk gezin in het binnenland van Nieuw Zuid-Wallis,waar de inboorlingen niet besmet worden door aanraking met blanken, rijk aan kinderen is, was dit getal op Flinders-Eiland in acht jaren tijds met slechts veertien vermeerderd!”DeBeaglebleef hier tien dagen, en in dien tijd deed ik verscheidene aangename uitstapjes, voornamelijk met het doel om de geologische gesteldheid der naaste omgeving te onderzoeken. De belangrijkste uitkomsten daarvan zijn: ten eerste, eenige tot de Devonische of Steenkool-periode behoorende lagen, welke buitengewoon veel versteeningen bevatten; ten tweede, bewijzen van eene kleine landrijzing in een geologisch jong verleden, en eindelijk eene afgezonderde oppervlakkige laag van geelachtigen kalksteen of travertijn, met talrijke indruksels van boombladeren en ingesloten schelpdieren van niet meer levende soorten. Niet onwaarschijnlijk bevat deze enkele kleine kalkgroeve de eenig overgebleven sporen der flora van Van Diemensland gedurende een vroeger geologisch tijdperk.Het klimaat is hier vochtiger dan in Nieuw Zuid-Wallis, en daardoor het land vruchtbaarder. De landbouw bloeit, de ontgonnen velden hebben een goed aanzien, en de tuinen vloeien over van welige groenten en vruchtboomen. Sommige pachterswoningen, die op afgelegen plekken stonden, boden een zeer schilderachtigen aanblik. Het algemeen voorkomen der plantenwereld gelijkt op dat der Australische flora, misschien iets groener en frisscher, en het weidegras tusschen de boomen iets overvloediger. Op zekeren dag deed ik eene lange wandeling aan den kant der baai tegenover de stad, en stak over op eene stoomboot, waarvan er twee voortdurend heen en weer voeren. De machinerieën van een dezer vaartuigen waren geheel in deze kolonie, die toen pas 33 jaren sedert hare stichting bestond, vervaardigd. Op een anderen dag besteeg ik Mount Wellington en nam daartoe een gids mede, want eene eerste poging mislukte mij wegens de dichtheid van het bosch. Onze gids was echter een dom man en bracht ons naar den vochtigen zuidkant van den berg, waar de plantengroei zeer welig en het beklimmingswerk,ten gevolge van de menigte verrotte stammen, bijna even moeilijk was als op een berg in Vuurland of op Chiloë. Het kostte ons vijf en een half uur ingespannen klimmen, voordat wij den top bereikten. Op sommige gedeelten groeiden deEucalyptitot eene aanzienlijke hoogte en vormden een prachtig woud.16In eenige van de diepste ravijnen bloeiden varenboomen op buitengewone schaal; ik zag er een, die tot het ondervlak der loofkroon minstens 20 voet hoog was en juist zes voet omtrek had. Het loofdak vormde de sierlijkste zonneschermen en verspreidde eene donkere schaduw als in het eerste uur van den nacht. De top van den berg is breed en vlak, en bestaat uit reusachtige brokken kalen groensteen. Zijne hoogte is 3100 voet boven de zee. Het was een prachtig heldere dag, en wij hadden een ruim uitzicht: in het noorden geleek het land eene aaneenschakeling van begroeide bergen, ongeveer even hoog als die waarop wij stonden, en even gelijkvormig in omtrek; in het zuiden lag het gebroken land en water met zijne vele verwikkelde baaien duidelijk als op eene landkaart voor ons. Nadat wij eenige uren op den top hadden doorgebracht, vonden wij een beteren weg om af te dalen, doch bereikten deBeagleniet vóór des avonds 8 ure, na een dag van ingespannen beweging.7 Februari.DeBeaglezeilde uit Tasmanië en bereikte op den 6den der volgende maand de zeeëngte van King George, welke dicht bij den zuidwesthoek van Australië ligt. Hier bleven wij acht dagen; maar op onze geheele reis brachten wij niet zulk een doodschen en vervelenden tijd door. Van eene hoogte gezien, doet het land zich voor als eene boschachtige vlakte, waaruit hier en daar ronde en gedeeltelijk kale granietheuvels verrijzen. Een dezer dagen ging ik met een gezelschap op weg,in de hoop eene kangoeroe te zullen zien, en trok vele mijlen ver het land in. Overal vonden wij een zeer armen zandgrond, nu eens bedekt met een grof gewas van dun, laag kreupelhout en borstelig gras, dan met een woud van kwijnende boomen. Het landschap geleek op dat der zandsteenen hoogvlakte in de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid-Wallis, met dit verschil, dat deCasuarina(een boom die iets weg heeft van den Schotschen den) hier talrijker is, en deEucalyptusiets minder voorkomt.17Op de open gedeelten waren vele grasboomen, d.w.z. planten, die uiterlijk eenigszins aan den palmboom verwant zijn, maar in plaats van eene fraaie bladerkroon te bezitten, slechts op een bosje van zeer grove grasachtige bladeren kunnen bogen.18Op een afstand gezien, scheen de meestal lichtgroene kleur van het kreupelhout en andere planten vruchtbaarheid te voorspellen; maar eene enkele wandeling was voldoende om deze illusie te verdrijven; en wie het met mij eens is, zal niet verlangen op nieuw een tocht door zulk een ongastvrij oord te doen.Op een anderen dag vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar Bald Head—eene plaats, door zoo vele zeevaarders vermeld, en waar eenigen zich verbeelden koralen te zien, anderen versteende boomen, die nog in de houding stonden waarin zij gegroeid waren. Naar onze meening, zijn degrondlagengevormd doordien de wind het fijne, uit kleine ronde schelp- en koraaldeeltjes bestaande zand golfsgewijze ophoopte, waarbij takken en wortels van boomen met vele landschelpen onder het zand bedolven werden. Toennu de doorzijgende kalkhoudende stof de geheele massa verhardde, werden ook de cylindervormige, door rotting van het hout ontstane holten met eene harde druipsteenachtige massa gevuld. Doch langzamerhand spoelt de neerslag uit den dampkring de weekere deelen weg; de harde vormen van de takken en wortels der boomen steken daardoor boven de oppervlakte, en gelijken zeldzaam bedriegelijk op de boomstompen van een dood kreupelbosch.Terwijl wij in deze kolonie waren, bracht een groote stam inlanders, genaamd de Mannen van den Witten Kaketoe, er juist een bezoek. Aangelokt door het aanbod van eenige vaatjes rijst en suiker, werden deze mannen, benevens die van den stam, welke aan de zeeëngte van King George thuis behoort, overgehaald om eencorroboriof groote danspartij te houden. Zoodra het donker werd, zag men kleine vuren ontsteken en begonnen de mannen hun toilet te maken, hierin bestaande, dat zij zich met witte vlekken en strepen beschilderden. Toen alles gereed was, werden groote vuren in lichtelaaien gloed gezet, rondom welke vrouwen en kinderen zich als toeschouwers verzamelden, en verdeelden de mannen van den Kaketoe en van King George zich in twee partijen, waarin men nu twee aan twee tegenover elkander begon te dansen. Het dansen bestond hierin, dat zij of zijdelings, of zooals de Indianen op ééne rij, naar eene open ruimte liepen, en gedurende die gemeenschappelijke beweging met groote kracht op den grond stampten. Hunne zware voetstappen gingen vergezeld van een soort van gedreun, door het tegen elkander slaan van hunne knuppels en speren, en verschillende andere gebaren, als het uitsteken van de armen en het wringen van het lichaam. Het was een uiterst ruw en wild schouwspel, dat naar onze meening geheel zonder zin was; toch merkten wij op, dat de zwarte vrouwen en kinderen er met het grootste genoegen naar keken. Wellicht stelden deze dansen oorspronkelijk handelingen voor, als symbolen van gevechten en overwinningen. Eén dans was er, genaamd de Emu-dans, waarin elk man zijn arm in eene gebogen houding uitstrekte, evenals dehals van een vogel. Bij een anderen dans bootste een man de bewegingen na van een kangoeroe, die in de bosschen graast, terwijl een tweede hem besprong, schijnbaar om hem aan zijne speer te rijgen. Als beide stammen aan den dans deelnamen, beefde de grond onder hunne zware voetstappen, en weergalmde de lucht van hunne woeste kreten. Allen schenen zeer opgewonden; en die drom van bijna naakte gestalten, gezien bij het rosse schijnsel der hoogvlammende vuren, allen in duivelachtige eenparige beweging—dat tooneel, gevoegd bij de woeste kreten van dansers en omstanders, vormde een volmaakt schouwspel van een feest onder de laagste wilden. In Vuurland hebben wij vele zonderlinge tooneelen uit het leven der wilden gezien, maar ik geloof nooit een, waar de inboorlingen zoo opgewonden en zoo volkomen in hun element waren als bij dezen dans. Toen de dans was afgeloopen, schaarde de geheele troep zich in een grooten kring op het terrein, en werd, tot aller blijdschap, de gekookte rijst met suiker rondgedeeld.Na verscheidene vervelende dagen, doordien het weder betrokken was, stevenden wij den 14den Maart 1836 uit de zeeëngte van King George en zetten koers naar Keeling-Eiland.Vaarwel, Australië! Ge zijt een aankomend kind, en zult gewis na zekeren tijd als grootvorstin regeeren in het Zuiden! Maar al zijt ge nog niet groot genoeg voor eerbied, dan toch te groot en eerzuchtig voor genegenheid. Ik verlaat uwe stranden zonder droefheid of spijt...1Deze Amerikaan leefde van 1755–1836.2Het is opmerkelijk, hoezeer dezelfde ziekte in verschillende klimaten gewijzigd wordt. Op het eiland St.-Helena wordt de invoering van scharlakenkoorts als eene plaag gevreesd. In sommige landen worden vreemdelingen en inboorlingen door sommige besmettelijke ziekten even verschillend aangetast, als waren zij verschillende dieren. Van dit feit heeft Chili eenige voorbeelden gegeven, en, volgens A. von Humboldt, ook Mexico. (Essai politique sur la Nouvelle Espagne).3De Maoris op N.-Zeeland zeggen: “Wij zullen ondergaan, evenals onze reuzenvogel, deDinornis. Evenals de klaver het varenkruid doodde en de Europeesche hond den hond der Maoris; evenals onze rat vernietigd werd door de Pakeha-rat, zoo zal ookons volkdoor de Europeanen verdrongen en vernietigd worden.”(Vert.)4”Narrative of Missionary Enterprise,”blz. 282.5Kapitein Beechy zegt (Deel I, hoofdstuk 4), dat de bewoners van het eiland Pitcairn (in de Zuidzee met eene oppervlakte van 5 □ km. en 126 zielen) vast overtuigd zijn, dat zij na aankomst van elk schip aan huid- en andere aandoeningen lijden. Hij schrijft dit toe aan de diëetverandering tijdens het bezoek. Dr. Macculloch (”Western Isles”, deel II, blz. 32) zegt: “Men verzekert, dat bij aankomst van een vreemdeling op St.-Kilda, alle bewoners volgens de gewone zegswijze eene verkoudheid opdoen.”—Hijzelf beschouwt de geheele zaak als belachelijk, hoewel zij vroeger dikwijls bevestigd is, doch voegt er bij: “Toen wij den inwoners de vraag voorlegden, verklaarden zij eenstemmig, dat het verhaal juist was.” In de Reis van Vancouver vindt men eene ongeveer gelijke mededeeling over Otaheite. Dr. Dieffenbach zegt in eene noot bij zijne vertaling van dit “Dagboek”, dat hetzelfde feit algemeen geloofd wordt door de bewoners van de Chatham-Eilanden (ten oosten van N.-Zeeland, 971 □ Km.) en in sommige gedeelten van Nieuw-Zeeland. Onmogelijk kon zulk een geloof algemeen ingang hebben gevonden in het noordelijk halfrond, bij de Tegenvoeters en in den Stillen Oceaan, zonder dat er een goede grond voor bestond. Humboldt zegt in zijnEssai politique sur la Nouvelle Espagne, dat de groote besmettelijke ziekten in Panama en Callao “gekenmerkt” zijn door de komst van schepen uit Chili, omdat de menschen uit die gematigde luchtstreek het eerst de noodlottige werking der heete landen ondervinden. Ik wil hier bijvoegen, dat ik in Shropshire heb hooren verzekeren, dat schapen, welke op schepen ingevoerd en bij anderen in hetzelfde hok worden gebracht, dikwijls ziekten onder de kudde voortbrengen, ofschoon zijzelven in gezonden staat verkeeren.6”Travels in Australia”, deel I, blz. 154. Voor verscheidene belangwekkende persoonlijke mededeelingen, betreffende deze groote valleien in Nieuw-Zuid-Wallis, moet ik den heer Mitchell mijn dank betuigen.7MacropusenHypsiprimnusbehooren beide tot deMacropodidae, eene familie van de Kangoeroes (Poëphaga), welke eene Orde zijn van deMarsupialiaof Buideldieren.(Vert.)8Ook welCasuarius emeugenoemd.9Dit dier behoort tot deMonotremata—eene onderklasse der zoogdieren, welke zich hierdoor onderscheidt, dat deindividuënslechts ééne opening (τρῆμα= gat) bezitten voor het verwijderen der uitwerpselen.(Vert.)10Met belangstelling vond ik hier den hollen kegel- of trechtervormigen val van de leeuwenmier (Myrmeleon formicarius), of een ander insect. Eerst viel eene vlieg de verraderlijke helling af en verdween onmiddellijk; toen kwam eene groote maar onvoorzichtige mier. Bij de hevige pogingen, welke deze deed om los te komen, wierp de leeuwenmier snel hoopjes zand naar het verwachte slachtoffer (Volgens Kirby en Spence zou de leeuwenmier dit met haren staart doen). Maar de mier had een beter lot dan de vlieg en ontkwam aan de noodlottige kaken, die op den bodem van den hollen trechter verborgen waren. De val van de Australische leeuwenmier was ongeveer slechts half zoo groot als die van de Europeesche.11Traan is sedert lang niet meer een hoofdartikel. In 1901 waren de voornaamste uitvoer-artikelen naar volgorde in millioenen ponden sterl.: goud (17.9); wol (17.8); zilver (4.2); kaas (3.1); dieren (2.9); vleesch (2.7); koper (2.3); huiden (1.9); steenkool (1.9); boter (1.8); suiker (1.3); leder (0.8); talk (0.7).12Hobart Town heet sedert 1 Juni 1881 eenvoudig Hobart. Volgens de telling van 3 Maart 1881 waren er 21.118 zielen en in geheel Tasmanië 115.705. In 1908 bedroegen die cijfers respect.: 40,330 en 185,800.13De Tasmaniërs (tot de Papoea’s behoorende), die men in 1815 nog op 5000 zielen schatte, zijn nu geheel uitgestorven. In 1867 stierf Truganini, ook wel Lalla Rookh genaamd, als laatstovergeblevene.(Vert.)14Tasmanië = 67894 □ Kilometer; Ierland = 84,253.15Een stam ging naar het Zwanen-Eiland, drie andere naar het eiland Gun-Carriage; doch later bracht men allen naar het Flinders-Eiland.(Vert.)16De stammen vanEucalyptus globulus(Blauwe Gomboom) bereiken hier eene hoogte van 100 meter en daarboven. Sommige boomen hebben 1 meter boven den grond een omtrek van 20 meter, en op 40 meter hoogte bedraagt die omtrek nog 13 meter.(Vert.)17Men onderscheidtCasuarina stricta,C. torulosaenC. tuberosa. De twee eersten noemen de kolonistenShea-oak, den laatstenBeefwood, naar de hardheid van hun hout, dat zeer gezocht is. Van deEucalyptikomt hier het meest in wouden voor:E. marginatus(Jarrah- of Westaustralische Mahagoniboom), waarvan het hout noch door de termieten, noch door den paalworm wordt aangetast.(Vert.)18Hun geslachtsnaam isXanthorrhoeaofKingia.(Vert.)

Hoofdstuk XIX.Australië.12 Januari 1836.Vroeg in den morgen voerde een zwakke wind ons naar den ingang van Port Jackson. In plaats van een groenend land te zien, met hier en daar eenige fraaie huizen, vertoonde zich slechts eene rechte lijn van geelachtige klippen, die ons de kusten van Patagonië voor den geest riepen. Alleen een eenzame, wit-steenen vuurtoren zeide ons, dat wij in de nabijheid eener groote volkrijke stad waren. Is men de haven binnengegaan, dan heeft deze met hare klipvormige oevers van gelaagden zandsteen een fraai en ruim aanzien. Het bijna vlakke land is met dunne, armzalige boomen bedekt, die getuigen van den vloek der onvruchtbaarheid. Verder het land ingaande, verbetert dit en ziet men mooie buitenplaatsen en nette boerderijen hier en daar langs het strand verspreid. In de verte wezen steenen huizen van twee en drie verdiepingen, en een aantal windmolens aan den rand van een dijk ons op de nabijheid der hoofdstad van Australië.Eindelijk ankerden wij in Sydney-Cove, waar wij het kleine dok gevuld zagen met vele groote schepen, en omringd door pakhuizen. Des avonds wandelde ik door de stad en keerde vol bewondering over wat ik zag, terug. Alles legt een schitterend getuigenis af van de macht der Britsche natie. Hier, in een weinig belovend land, hebben eenige twintigtallen van jaren heel wat meer uitgericht dan evenveel eeuwen in Zuid-Amerika. Het eerste gevoel, dat in mijopwelde, was mij geluk te wenschen dat ik Engelschman van geboorte was. Toen ik later meer van de stad zag, daalde mijne bewondering misschien wel eenigszins; maar toch is zij mooi. De straten zijn regelmatig, breed, zindelijk en worden uitstekend onderhouden; de huizen hebben eene flinke grootte, en de winkels zijn wel voorzien. Men kan haar gerust vergelijken met de groote voorsteden van Londen en enkele andere hoofdplaatsen in Engeland; maar zelfs bij Londen of Birmingham ziet men zulk eene snelle uitbreiding niet. Het aantal groote huizen en andere gebouwen, die juist voltooid waren, was inderdaad verwonderlijk; niettemin klaagde elk over de hooge huren en de moeite om een huis te koopen. Daar ik uit Zuid-Amerika kwam, waar elk, die eigendom heeft, in de steden bekend is, verwonderde niets mij zoozeer, als dat ik niet dadelijk kon te weten komen wie eigenaar was van dit of dat voertuig.Ik huurde een man en twee paarden om mij naar het dorp Bathurst te brengen, dat omstreeks 120 mijlen in het binnenland ligt en het middelpunt is van een groot landelijk district. Op deze wijze hoopte ik een algemeen idee te krijgen van het voorkomen der streek. Op den morgen van 16 Januari ving ik mijn tocht aan. De eerste rit bracht ons naar Paramatta—een landstadje, dat in beteekenis op Sydney volgt. De wegen, volgens het stelsel van Mac Adam1aangelegd, waartoe de noodige basaltsteen van vele mijlen ver was aangevoerd, waren uitmuntend. In alle opzichten was er nauwe overeenstemming met Engeland, behalve misschien in de bierhuizen, die hier talrijker waren. De ijzeren benden (troepen misdadigers, die hier het een of ander misdrijf hebben gepleegd) herinnerden het minst aan Engelsche toestanden; zij werkten met ketens aan het lichaam, onder toezicht van schildwachten met geladen geweren. De macht, die het gouvernement bezit om door gedwongen arbeid in korten tijd goede wegen door het landte banen is, geloof ik, een der hoofdoorzaken van den snellen voorspoed dezer kolonie. Ik sliep dien nacht in eene zeer geriefelijke herberg te Emuferry, 35 mijlen van Sydney en dicht bij den voet der Blauwe Bergen. Deze reisweg wordt het drukst bezocht en is het langst van alle in de kolonie bewoond. Al het land is afgesloten met hoog rasterwerk, wat een gevolg is van de omstandigheid, dat de pachters geen heggen hebben kunnen aanleggen. Rondom liggen vele flinke huizen en goede boerderijen verspreid; maar hoewel groote stukken land onder cultuur zijn, verkeert het grootste deel nog in den staat waarin het ontdekt werd.De buitengewone gelijkvormigheid der flora is het merkwaardigste kenmerk van het landschap in het grootste gedeelte van Nieuw-Zuid-Wallis. Overal vinden wij open boschland, en is de grond ten deele bedekt met zeer dun gras, dat weinig groen vertoont. De boomen behooren bijna alle tot ééne familie en kenmerken zich hierdoor, dat hunne bladeren meerendeels in een verticalen, in plaats van in een bijna horizontalen stand geplaatst zijn, zooals in Europa. Het loof is schraal met eene eigenaardige bleekgroene tint, zonder eenigen glans, ten gevolge waarvan de bosschen licht en zonder schaduw zijn. Ofschoon dit onder de brandende zonnestralen een ongerief is voor wie deze streken bereizen, is het van belang voor den pachter, daar nu gras kan groeien waar dit anders niet kan. De bladeren vallen niet periodiek af—een kenmerk, dat aan het geheele zuidelijk halfrond, namelijk Zuid-Amerika, Australië en de Kaap de Goede Hoop gemeen schijnt. De bewoners van dit halfrond missen dus een zeer prachtig, hoewel in onze oogen gewoon natuurverschijnsel: de eerste volle bladontplooiing van den bladerloozen boom. Zij kunnen ons antwoorden, dat wij dit genot duur betalen nadat het land zooveel maanden lang met naakte geraamten is bedekt geweest. Ook dit is waar; maar onze zintuigen krijgen zoodoende een prikkelend, opwekkend verlangen naar het verrukkelijke lentegroen, dat de oogen van hen die in de keerkringen leven en zich het jaar lang aan de schitterende, kleurenrijkevoortbrengselen dezer gloeiende gewesten verzadigen, nooit kunnen smaken. Met uitzondering van eenige blauwe-gomboomen (Eucalyptus globubus) bereiken de meeste boomen geen aanzienlijke grootte; maar zij zijn lang, vrij recht en staan goed gescheiden. De schors van eenigeEucalyptivalt jaarlijks af, of hangt in lange doode reepen, die in den wind heen en weer slingeren, en aan de bosschen een doodsch en slordig aanzien geven. Ik kan mij in alle opzichten geen grootere tegenstelling denken, dan tusschen de wouden van Valdivia of Chiloë, en de bosschen van Australië.Bij zonsondergang ging een troep van een twintigtal zwarte inboorlingen voorbij, die allen op hunne gewone manier een bundel speren of andere wapenen droegen. Door een jongen aanvoerder een shilling te geven, kon ik hen gemakkelijk laten stilstaan, en wierpen zij hunne speren om mij te vermaken. Allen waren gedeeltelijk gekleed, en verscheidenen konden wat Engelsch spreken. Hun uiterlijk was opgeruimd en aangenaam, en zij schenen op verre na niet zulke geheel verbasterde wezens, als doorgaans wordt voorgesteld. In hunne eigen kunsten zijn zij te bewonderen. Eene muts, welke op 30 yards afstand was opgehangen, doorboorden zij met eene speer, die door den werpstok werd weggeslingerd met de snelheid waarmede een geoefend schutter een pijl uit zijn boog drijft. De wonderlijkste schranderheid leggen zij aan den dag wanneer zij het spoor van menschen of dieren zoeken, en ik hoorde verscheidene opmerkingen van hen vertellen, die blijk gaven van ongewone scherpzinnigheid. Maar den grond ontginnen, of huizen bouwen en gezeten lieden worden, willen zij niet; zelfs willen zij zich de moeite niet geven eene kudde schapen te hoeden, die aan hunne zorg is toevertrouwd. Over het geheel schijnen zij mij maar enkele sporten hooger op de beschavingsladder te staan dan de Vuurlanders.Het is zeer zonderling, zoo te midden van een beschaafd volk een troep onschadelijke wilden te zien rondloopen, die niet weten waar zij des nachts zullen slapen, en hun kostverdienen met jagen in de bosschen. Naarmate de blanken voortdrongen, hebben zij zich over het land verspreid, dat aan verschillende stammen toebehoorde; en ofschoon deze zoodoende allen door eenzelfde volk werden ingesloten, hebben zij hunne oude gewoonte om soms elkander te beoorlogen, behouden. In een gevecht, dat onlangs plaats had, kozen beide partijen—zeer zonderling—het midden van het dorp Bathurst tot slagveld. Dit had voor de verslagene partij het voordeel, dat de weggeloopen krijgslieden een toevlucht zochten in de hutten.Het getal inboorlingen neemt snel af. Op mijn geheelen rit zag ik, behalve een paar jongens die door Engelschen werden opgebracht, nog slechts één enkelen troep. Zonder twijfel moet deze afname gedeeltelijk worden toegeschreven aan den invoer van spiritualiën, aan Europeesche ziekten (waarvan zelfs de meer goedaardige, zooals mazelen, zeer verderfelijk blijken),2en aan het trapsgewijze uitsterven van wild. Men zegt, dat een aantal van hunne kinderen op zeer jongen leeftijd aan de gevolgen van hun zwervend leven bezwijken; en daar de moeite om aan voedsel te komen grooter wordt, moeten ook hunne zwervende gewoonten toenemen. Zonder openlijk den hongerdood te sterven, wordt hier de bevolking dus op bijzonder snelle wijze ondermijnd, vergeleken met wat in beschaafde landen gebeurt, waar de vader, ofschoon door overmatigen arbeid zich zelf benadeelende, zijn nakroost niet uitroeit.Behalve deze vele zichtbare oorzaken van ondergang, schijnt er in ’t algemeen eene meer geheimzinnige kracht in ’t spel te zijn. Waar de Europeaan zijne schreden zet,schijnt de dood den inboorling te vervolgen. Hetzij wij het oog wenden naar de wijde vlakten van Noord- en Zuid-Amerika, naar Polynesië, de Kaap de Goede Hoop of naar Australië, overal vinden wij denzelfden uitslag. En het is niet alleen de blanke, die dus als verdelger optreedt: de Polynesiër van Maleischen oorsprong heeft in sommige gedeelten van den Oostindischen Archipel evenzoo den donkerkleurigen inboorling voor zich uitgedreven. De menschenrassen schijnen op elkander te werken in gelijken zin als velerlei diersoorten, nl. zoo, dat het sterkere steeds het zwakkere uitroeit. Het was treurig, toen wij op Nieuw-Zeeland de fiere, kloeke inboorlingen hoorden zeggen, dat zij wel wistendathun land gedoemd was aan hunne kinderen te ontvallen.3Ieder heeft gehoord van de onverklaarbare vermindering der bevolking op het schoone en gezonde eiland Tahiti sedert den tijd van Cook’s reizen, hoewel wij in dit geval hadden mogen verwachten, dat zij zou zijn toegenomen: want kindermoord, die hier vroeger in zoo buitengewone mate woedde, heeft opgehouden: losbandigheid is afgenomen, en de moordende oorlogen zijn nu minder talrijk.—De Eerw. I. Williams zegt in zijn belangwekkend werk,4dat het eerste verkeer tusschen inboorlingen en Europeanen “steeds vergezeld gaat van het uitbreken van koortsen, rooden loop of eene andere ziekte, die tal van menschen wegsleept.” Verder zegt hij: “Het is inderdaad een feit, hetwelk niet betwist kan worden, dat de meeste ziekten, die gedurende mijn verblijf op de eilanden gewoed hebben, door schepen daar zijn ingevoerd;5en wat dit feit merkwaardigmaakt is, dat onder de bemanning van het schip, hetwelk deze verderfelijke lading binnenbracht, geen spoor van ziekte bekend was.” Dit verhaal is niet zoo heel buitengewoon als op het eerste gehoor wel lijkt; want verscheidene gevallen zijn bekend dat de boosaardigste koortsen zijn uitgebroken, hoewel de personen, die er de oorzaak van waren, onaangetast bleven. In de eerste regeeringsjaren van George III (1738–1820) werd een gevangene, die in een kerker opgesloten was, door vier konstabels in een rijtuig voor den magistraat gebracht; en ofschoon de man zelf niet ziek was, stierven de vier konstabels aan eene soort van rotkoorts, maar zonder dat de besmetting zich aan anderen meedeelde. Uit deze feiten zou men bijna afleiden, dat de dampen die door sommige personen eenigen tijd wordenuitgestraald, voor anderen na inademing giftig zijn: en dit wellicht nog meer, als de personen tot verschillend ras behooren. Hoe geheimzinnig dit geval ook schijne, is het toch niet wonderlijker dan het feit, dat het lichaam van een mensch, onmiddellijk na den dood en voordat het bederf is ingetreden, dikwijls zulke giftige of doodelijke eigenschappen bezit, dat de prik alleen met een instrument hetwelk bij de opening van het lijk gebruikt is, noodlottig blijkt.17 Januari.Vroeg in den morgen staken wij in eene veerboot over de Nepean. Ofschoon de rivier op deze plek breed en diep was, bevatte zij een zeer klein volume stroomend water. Aan de overzijde trokken wij door een laag stuk land en bereikten toen de helling der Blauwe Bergen. De beklimming daarvan is niet moeilijk, doordien de weg met veel zorg in de glooiing van eene zandsteenklip is uitgehouwen. Op den top strekt zich eene bijna effen vlakte uit, die naar het westen onmerkbaar stijgt en eindelijk eene hoogte bereikt van meer dan 3000 voet. Zulk een wijdsche titel als “Blauwe Bergen”, alsmede hunne werkelijke hoogte deden mij verwachten eene kloeke bergketen te zullen zien, welke het land doorsneed; maar in plaats hiervan—slechts eene hellende vlakte, die een onaanzienlijk front vormt bij het laagland aan de kust. Van deze eerste glooiing was het gezicht op het uitgestrekte boschland in het oosten verrassend, en de rondom staande boomen waren kloek en rijzig. Doch is men eenmaal op het zandsteenen bergvlak, dan wordt het landschap uiterst eentonig; elke kant van den weg is met schrale boomen der nooit ontbrekendeEucalyptus-familie begroeid, en met uitzondering van twee of drie kleine herbergen, zijn er geen huizen of ontgonnen landerijen. Daarenboven is de weg eenzaam; wat men nog het meest ziet, zijn ossewagens, volgeladen met balen wol.Op het midden van den dag voederden en drenkten wij onze paarden in eene kleine herberg,The Weatherboard(De Loefzijde) genaamd. Het land ligt hier 2800 voet boven de zee. Ongeveer anderhalve mijl van deze plek heeftmen een panorama, dat wel een kijk waard is. Eene kleine vallei volgende, waardoor een nietig beekje stroomt, ontwaart men plotseling tusschen het geboomte, dat den weg begrenst, een onafzienbaren afgrond met eene diepte van misschien 1500 voet. Enkele schreden voortgaande, staat men aan den rand eener geweldige steilte en ziet aan zijne voeten een uitgestrekten landboezem of baai (want anders weet ik het niet te noemen), die dicht met wouden bedekt is. Het oogpunt ligt als het ware aan den top der baai, en rechts en links breidt zich eene klipreeks uit met achtereenvolgende landtongen, evenals aan eene steile zeekust. Deze klippen bestaan uit horizontale lagen van witachtigen zandsteen, en zijn zoo volkomen loodrecht, dat men op vele plaatsen een steen, die van den rand naar omlaag wordt geworpen, op de boomen in den afgrond aan zijne voeten kan zien vallen. De klipreeks is zoo onafgebroken, dat men (volgens zeggen) zestien mijlen om moet loopen, om den voet van den waterval te bereiken, die door het bovengenoemde beekje gevormd wordt. Omstreeks vijf mijlen ver tegenover ons liep eene andere klipreeks, die de vallei dus geheel schijnt te omringen, zoodat de naam van baai, aan deze grootsche amphitheatervormige diepte gegeven, gerechtvaardigd is. Stellen wij ons voor, dat eene bochtige haven met steile klipvormige oevers wordt drooggelegd, en uit haar zandigen bodem een dicht woud opschiet, dan zullen wij een begrip hebben van het voorkomen en den vorm van dezen landboezem. Dit landschaps-type was voor mij geheel nieuw en buitengewoon prachtig.Des avonds bereikten wij de Blackheath, waar de zandsteenen bergvlakte eene hoogte heeft bereikt van 3400 voet, en met hetzelfde schrale houtgewas bedekt is als te voren. Van den weg had men nu en dan vluchtige kijkjes in eene diepe vallei van dezelfde soort als die ik straks beschreef; maar wegens de steile en hooge wanden was de bodem bijna nooit te zien. Blackheath is eene zeer geriefelijke herberg, die door een ouden soldaat gedreven wordt, en die mij aan de kleine herbergen in Noord-Wallis herinnerde.18 Januari.Zeer vroeg in den morgen wandelde ik omstreeks drie mijlen ver om Govett’s Leap te zien. Het landschap was hier van gelijken aard als bij The Weatherboard, misschien zelfs nog indrukwekkender. Zoo vroeg op den dag, was de baai gevuld met een ijlen blauwen mist, die, hoewel in ’t algemeen het uitzicht belemmerend, de diepte waarop het woud zich onder onze voeten uitstrekte, nog scheen te vergrooten. Deze valleien, die zoolang een onoverkomelijken hinderpaal vormden voor de pogingen der ondernemendste kolonisten om het binnenland te bereiken, zijn hoogst merkwaardig. Groote, armvormige baaien met verwijdingen aan het boveneinde ontspringen dikwijls uit de hoofdvalleien, en banen zich een weg door de zandsteenen hoogvlakte; daarentegen steekt de hoogvlakte dikwijls landtongen uit in de valleien, zelfs met afscheiding daarin van groote, eilandvormige berggevaarten. Om in deze valleien af te dalen moet men somtijds 20 mijlen omloopen; in andere zijn de landmeters eerst onlangs doorgedrongen, en is het den kolonisten nog niet gelukt hun vee te laten weiden. Doch het merkwaardigste kenmerk in haren bouw is wel, dat zij, ofschoon aan de hoofdeinden verscheidene mijlen breed, naar de mondingen toe meestal zoo versmallen, dat zij ontoegankelijk worden. De Landmeter-Generaal, Sir T. Mitchell, poogde te vergeefs, eerst loopend en toen kruipend tusschen de groote neergestorte zandsteenbrokken, door de keel heen te dringen, welke de Grose-rivier met de Nepean verbindt;6toch vormt de vallei der Grose, naar ik zag, in haar bovengedeelte eene fraaie effen kom van eenige mijlen breed, die aan alle kanten door klippen is omringd, welker toppen waarschijnlijk nergens onder 3000 voet boven den zeespiegel liggen. Ik besteeg een pad, deels gevormd door de natuur en deels door den eigenaar van den grond, dat toegang gaf tot devallei van de Wolgan; wordt langs dit pad vee in de vallei gedreven, dan kan het niet ontsnappen; want overal elders is dit dal door loodrechte klippen omringd en versmalt, acht mijlen verder, van eene gemiddelde breedte van eene halve mijl tot eene gewone kloof, waar mensch noch dier door kan. Mitchell verhaalt, dat de groote vallei der Cox-rivier met al hare vertakkingen ter plaatse waar deze in de Nepean vloeit, samenkrimpt tot eene keel van 2200 yards wijdte en ongeveer 1000 voet diepte. Andere dergelijke voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd.Als men de overeenstemming ziet tusschen de horizontale lagen aan elken kant van deze valleien en groote amphitheater-vormige verdiepingen, dan is de eerste indruk deze, dat zij evenals andere valleien door de werking van water zijn uitgehold; maar denkt men aan de ontzaglijke hoeveelheid steenen, die volgens deze onderstelling alléén door kelen of kloven moest worden verwijderd, dan is men geneigd te vragen of deze ruimten niet door inzinking zijn ontstaan. Zoo men echter let op den vorm der onregelmatig vertakte valleien en smalle uit de bergvlakte daarin uitstekende landtongen, dan is men wel genoopt ook dit denkbeeld op te geven. De holten toe te schrijven aan tegenwoordige alluviale werking zou ongerijmd zijn; ook ligt het hoogste niveau der afwatering (zooals ik bij The Weatherboard opmerkte) niet altijd aan den top dezer valleien, maar aan ééne zijde harer baaivormige bochten. Enkele inwoners deden mij de opmerking, dat zij zulk een baaivormigen inham met zijne rechts en links uitstekende landtongen nooit zagen zonder getroffen te worden door de gelijkenis er van met eene steile zeekust. Dit is zeker het geval; men kan er bijvoegen, dat de talrijke fraaie, wijdvertakte havens aan de tegenwoordige kust van Nieuw Zuid-Wallis, welke meestal door een smallen, in de zandsteenen kustriffen uitgeholden mond met de zee verbonden zijn—eene gelijkenis vertoonen, hoewel op kleine schaal, met de groote valleien van het binnenland. Maar dan doet zich de onverwachte moeilijkheid voor: waarom heeft de zee deze groote, hoewel begrensde boezemsuitgehold in een uitgestrekt tafelland, en slechts kelen gelaten aan de openingen, waardoor die ontzaglijke hoeveelheid uitgespoelde stof is weggevoerd? Het eenige licht, dat ik op dit raadsel kan werpen, is door op te merken, dat zich tegenwoordig in sommige zeeën (bijv. hier en daar in de Westindische en in de Roode Zee) banken schijnen te vormen van de meest onregelmatige gedaanten en met zeer steile zijwanden. Ik heb reden om te onderstellen, dat zulke banken gevormd zijn geworden door ophooping van bezinksel op een onregelmatigen bodem, onder de werking van sterke stroomen. Dat de zee in sommige gevallen bezinksel ophoopt rondom onderzeesche rotsen en eilanden, in plaats van het uit te spreiden in eene gelijkvormige laag, kan moeilijk in twijfel worden getrokken, wanneer men de kaarten van West-Indië bestudeert; en dat de golven in staat zijn hooge en steile riffen te vormen zelfs in havens, die door land zijn ingesloten, heb ik in vele gedeelten van Zuid-Amerika waargenomen. Om nu deze begrippen te toetsen aan de zandsteenen bergvlakten van Nieuw Zuid-Wallis, stel ik mij voor, dat de lagen werden opgehoopt op een onregelmatigen bodem door de werking van sterke stroomen en den golfslag eener volle zee; vervolgens, dat de steil hellende wanden der aldus ontstane ongevulde, dalvormige ruimten gedurende eene langzame landrijzing tot klippen werden uitgehold, en dat de losgewerkte zandsteen verwijderd werd òf in den tijd toen de nauwe dalkelen door de ruimende zee gegraven werden, òf later door alluviale werking.Kort na ons vertrek van The Blackheath daalden wij door den pas van Mount Victoria van de zandsteenen hoogvlakte af. Om dezen pas te maken had men door eene ontzaglijke hoeveelheid steen moeten boren; maar zoowel het plan als de wijze van uitvoering verdienden op ééne lijn te worden gesteld met een werk van dien aard in Engeland.De streek, die wij nu betraden, was ongeveer 1000 voet lager en bestond uit graniet. Met de verandering van gesteente veranderde ook de flora. De boomen waren fraaier en stonden meer gescheiden, terwijl het tusschenliggende weiland iets groener en weliger was. Te Hassan’sWallsverliet ik den grooten weg en maakte een korten omweg naar eene hoeve, Walerawang geheeten, die bewoond werd door een hoofdopzichter, aan wien ik een introductie-brief had van den eigenaar te Sydney. De heer Brown was zoo vriendelijk mij te vragen tot den volgenden dag te blijven, welk voorstel ik met genoegen aannam. Deze plaats levert een voorbeeld van een der groote landbouwinrichtingen of liever schapenfokkerijen in de kolonie; maar omdat eenige dalen moerassig zijn en een grover gras voortbrengen, zijn vee en paarden hier wat talrijker dan gewoonlijk. Op twee of drie vlakke strooken grond nabij het huis was het hout gerooid en koren gezaaid, dat de maaiers nu bezig waren te oogsten; van tarwe wordt echter niet meer gezaaid dan voor het jaarlijksch onderhoud der in de inrichting werkende arbeiders noodig is. Het gewone cijfer der toegewezen strafarbeiders bedraagt hier omtrent veertig; doch in dezen tijd waren er enkelen meer. Ofschoon de hoeve van al het noodige goed voorzien was, heerschte er duidelijk gebrek aan gerief; en er woonde hier geen enkele vrouw. In ’t algemeen zal de zonsondergang op een fraaien dag een glans van geluk en tevredenheid op een landschap stralen; maar hier, in deze afgelegen hoeve, konden de helderste tinten op de omliggende bosschen mij niet doen vergeten, dat veertig verharde, verworpen mannen hun dagarbeid staakten evenals de slaven uit Afrika, maar zonder hun heilig recht op medelijden!Den volgenden morgen vroeg was de heer Archer, adjunct van den hoofdopzichter, zoo vriendelijk mij op eene kangoeroe-jacht te noodigen. Wij reden het grootste deel van den dag, doch hadden eene zeer slechte vangst, daar wij geen enkele kangoeroe (Macropus) zagen, en zelfs geen wilden hond (Canis dingo). De hazenwinden vervolgdeneene kangoeroe-rat (Hypsiprimnus)7in een hollen boom, waaruit wij haar te voorschijn haalden. Deze rat is zoo groot als een konijn, maar heeft de gedaante van een kangoeroe. Weinige jaren geleden bezat dit land een overvloed van wilde dieren; maar nu is de emu (Dromaius Novae Hollandiae)8ver het binnenland ingedreven en de kangoeroe zeldzaam geworden; voor beiden is de Engelsche hazenwind hoogst schadelijk geweest. Ofschoon het nog lang kan duren voordat deze dieren geheel zijn uitgeroeid, is hun vonnis geveld. De inboorlingen zijn er altijd op gesteld de honden van de pachthoeven te leenen: en hun gebruik, gevoegd bij den afval als een dier gedood wordt en wat melk van de koeien, zijn de zoenoffers der kolonisten, die al dieper en dieper in het binnenland dringen. Aangelokt, verblind door deze onbeduidende voordeden, verheugt de onnadenkende inboorling zich over de nadering van den blanke, die inderdaad bestemd schijnt het land van zijne kinderen te erven.In weerwil van onze schrale vangst hadden wij een aangenamen rit. Het boschland is meestal zoo open, dat iemand te paard er door heen kan galoppeeren. Dwars door het boschland loopen enkele vlakke groene dalen zonder boomen; en op zulke plekken was het landschap even vriendelijk als in een park. In de geheele streek zag ik bijna geen enkele plek, welke niet de sporen droeg van een vuur. Of deze sporen van vroeger of later dagteekenden; of de overblijfsels van het verbrande hout meer of minder zwart waren—die vragen brachten de grootste afwisseling in de eentonigheid, welke het oog van den reizenden zoozeer vermoeit. In deze bosschen zijn niet veel vogels; maar ik zag eenige groote zwermen kaketoes in een korenveld grazen, en enkele zeer prachtige papegaaien; kraaien, zooals onze kerkkraaien,waren niet zeldzaam, en eindelijk zag ik nog een anderen vogel, die eenigszins op een ekster geleek. In de avondschemering deed ik eene wandeling langs eene reeks van vijvers, die in dit droge land de plaats van rivier innemen, en had het geluk verscheideneindividuënvan het vermaarde Snaveldier (Ornithorhynchus paradoxus) te zien.9Zij doken en speelden bij de oppervlakte van het water, maar lieten zoo weinig van hun lichaam zien, dat men hen gemakkelijk voorwaterrattenhad kunnen houden. De heer Browne schoot er een, en ik zag toen, dat het werkelijk een zeer buitengewoon dier is; een opgezet exemplaar geeft volstrekt geen goed denkbeeld van het voorkomen van het hoofd en den bek van een levend individu, omdat de laatste hard wordt en krimpt.1020 Januari.Wij hadden een langen dagrit naar Bathurst. Voordat wij den grooten weg insloegen, volgden wij een pad door het woud. Met uitzondering van enkele squatters-hutten, was dit oord zeer eenzaam. Dien dag werden wij overvallen door densirocco-achtigen wind van Australië, welke uit de droge woestijnen van het binnenland komt. Wolken stof vlogen in alle richtingen, en de wind voelde zoo heet, als ware hij over een vuur gestreken.Later hoorde ik, dat de thermometer buitenshuis op 119°, en in eene gesloten kamer op 96° had gestaan. Des namiddags kwamen de duinen van Bathurst in het gezicht. Deze golvende, doch bijna effen vlakten zijn in deze streek zeer merkwaardig, omdat zij geheel van boomen ontbloot zijn, en slechts een dun bruin weidegras bezitten. Wij reden eenige mijlen over dit land en bereikten toen het stadsgebied van Bathurst, gelegen in de kom eener ruimte, welke met den naam van zeer breede vallei of smalle vlakte bestempeld zou kunnen worden. Te Sydney had men mij gezegd geen al te slechten dunk van Australië te krijgen door het land van den wegkant te beoordeelen, en geen al te goeden door Bathurst als maatstaf te nemen. Wat dit laatste betrof, gevoelde ik dat ik niet het minste gevaar liep van vooringenomenheid. Ik moet trouwens erkennen, dat het jaargetijde zeer droog was geweest en het land er niet gunstig uitzag, ofschoon ik begreep dat dit twee of drie maanden geleden onvergelijkelijk slechter geweest was. Het geheim van Bathurst’s snel toenemenden voorspoed is, dat het bruine weiland, hetwelk in de oogen van den vreemdeling er zoo armzalig uitziet, voortreffelijk geschikt is voor het weiden van schapen. De stad ligt op eene hoogte van 2200 voet boven de zee aan de oevers der Macquarie—eene der rivieren, welke in het uitgestrekte en bijna onbekende binnenland vloeit. De waterlinie, welke de binnenlandsche stroomen scheidt van die aan de kust, heeft eene hoogte van ongeveer 3000 voet, en loopt in eene noord-zuidelijke richting op een afstand van 80 tot 100 mijlen van de zeekust. Op de kaart is de Macquarie eene aanzienlijke rivier en de grootste van al degene, welke dit deel der scheiding ontwateren; toch vond ik tot mijne verwondering, dat zij slechts eene aaneenschakeling was van poelen of vijvers, die door bijna droge ruimten van elkander gescheiden waren. Meestal zijn de kleine rivieren stroomend, en vormen somtijds hooge en onstuimige vloeden. Is de watertoevoer in dit district schaarsch te noemen, verder landwaarts in wordt hij nog schaarscher.22 Januari.Ik ving mijn terugtocht aan en volgde een anderen weg,Lockyer’s Lanegenaamd, door een wat heuvel- en schilderachtiger landstreek. Het was een lange dagrit, en het huis, waarin ik wilde slapen, lag eenigszins van den weg af en was niet gemakkelijk te vinden. Evenals bij alle andere gelegenheden, ontdekte ik ook nu zeer algemeen onder den lageren stand eene bereidvaardige wellevendheid, die men met het oog op het heden en verleden van deze lieden bijna niet verwacht zou hebben. De hoeve, waar ik den nacht doorbracht, was het eigendom van twee jongelieden, die eerst onlangs aangekomen en een kolonisten-leven begonnen waren. Het volslagen gemis van alle gerief was niet zeer aanlokkend; maar zij hadden het vooruitzicht op eene zekere voorspoedige toekomst, en dat binnen niet langen tijd.Den volgenden dag trokken wij door groote stukken land, die in vlammen stonden en waar rookwolken over den weg zweefden; daarna bereikten wij nog voor den middag onzen vorigen weg, en beklommen den Mount Victoria. Ik sliep in The Weatherboard, en wandelde vóór het vallen van de duisternis naar de amphitheatervormige verdieping. Op den weg naar Sydney bracht ik een zeer genoeglijken avond door bij kapitein King te Dunheved, en eindigde hier mijn uitstapje in de kolonie Nieuw Zuid-Wallis.Voordat ik hier kwam, boezemden drie zaken mij meer belang in dan alle overige, nl.: de maatschappelijke gesteldheid onder de hoogere standen; de toestand der dwangarbeiders, en de vraag welke omstandigheden aantrekkelijk genoeg zijn om personen tot landverhuizing te bewegen. Natuurlijk heeft de meening van iemand, die, zooals ik, er slechts een zeer kort bezoek bracht, bijna geen waarde; maar het is even moeilijk zich van eene meening te onthouden, als om een juist oordeel te vellen. Naar hetgeen ik hoorde, meer dan naar wat ik zag, was ik omtrent de maatschappelijke gesteldheid over het geheel teleurgesteld. De geheele samenleving is over bijna elk onderwerp in haatdragende partijen verdeeld; en velen onder hen, die volgenshun stand de besten moesten zijn, leiden in het openbaar zulk een ongebonden leven, dat achtingswaardige lieden niet met hen kunnen verkeeren. Er is veel jaloerschheid tusschen de kinderen der rijke vrijgelaten misdadigers en van de vrije kolonisten, waarvan de eersten er behagen in scheppen eerlijke lieden als indringers te beschouwen. De geheele bevolking, arm en rijk, wordt beheerscht door de zucht om rijkdom te verwerven; en onder de hoogere standen vormen wol en schapenteelt voortdurend de onderwerpen van gesprek. Er zijn vele ernstige schaduwzijden in het geluk van een gezin, waarvan wellicht de voornaamste is, dat men omringd is door misdadige bedienden. Hoe in-hatelijk is het niet voor uw gevoel, bediend te worden door een man, die wellicht op uwe aanwijzing daags te voren om een beuzelachtig vergrijp gestraft werd. Met de vrouwelijke bedienden is het natuurlijk nog erger gesteld. Zoo komt het, dat kinderen de laagste uitdrukkingen leeren; en men mag van geluk spreken, indien zij ook geen gemeene daden leeren.Hier staat tegenover, dat het kapitaal van iemand, zonder eenige moeite van zijn kant, hem driemaal meer rente opbrengt dan in Engeland; en indien hij voorzichtig is, heeft hij de zekerheid rijk te worden. Levensweelde is er in overvloed en zeer weinig duurder dan in Engeland; de meeste voedingsmiddelen zijn zelfs goedkooper. Het klimaat is prachtig en volmaakt gezond; maar volgens mijn idee gaan die bekoorlijkheden verloren door het onaantrekkelijk voorkomen van het land. Een groot voordeel voor de kolonisten is, dat hunne zoons op zeer jeugdigen leeftijd van nut kunnen zijn. Op den leeftijd van 16 tot 20 jaren nemen hunne jongens dikwijls het beheer van afgelegen pachthoeven op zich, wat intusschen dit nadeel heeft, dat zij dan geheel met het misdadigers-personeel moeten verkeeren. Ik weet niet of de maatschappelijke geest een bijzonder kenmerk heeft gekregen; maar bij zulke leefwijzen en zonder eenig streven naar geestelijke ontwikkeling, kan het haast niet anders of die geest moet ontaarden. Mijne overtuiging is, dat niets dande bittere, harde noodzakelijkheid mij zou kunnen bewegen hierheen te trekken.De snelle voorspoed en de toekomstige vooruitzichten dezer kolonie geven mij, die geen verstand van deze onderwerpen heeft, veel te denken. De twee voornaamste uitvoerartikelen zijn wol en traan, en voor deze beide producten bestaat eene grens.11Het land is geheel ongeschikt voor kanalen, zoodat reeds op niet zeer grooten afstand het verdere vervoer van wol over land de kosten van het scheren en hoeden der schapen niet loont. Het gras is overal zoo dun, dat kolonisten reeds ver het binnenland zijn ingegaan; bovendien wordt de streek, dieper landwaarts in, buitengewoon arm. Ten gevolge van de droogte kan de landbouw nooit op uitgebreide schaal slagen; en daarom zal Australië, voor zoover ik zien kan, ten slotte alleen afhangen van zijne ligging als handels-centrum voor het zuidelijk halfrond, en misschien van zijne toekomstige fabrieken. Daar het steenkool bezit, heeft het altijd de beweegkracht bij de hand. Twee omstandigheden waarborgen ons, dat Australië een zeevarend land zal zijn: eerstens de Engelsche afkomst der natie, en vervolgens de bewoonbaarheid van het land langs de kust. Vroeger verbeeldde ik mij, dat Australië een even belangrijk en machtig land zou worden als Noord-Amerika; maar nu schijnt mij zulk eene grootsche toekomst eenigszins twijfelachtig.Wat den toestand der misdadigers of gedeporteerden betreft, dezen had ik nog minder gelegenheid te beoordeelen dan andere onderwerpen. De eerste vraag is of hun toestand eigenlijk wel eenstrafmag heeten: in elk geval zal niemand beweren, dat het eene zeer strenge is. Ik onderstel echter, dat dit van weinig gevolg is, zoolang die toestand aan misdadigers in hun eigen land vrees inboezemt. Delichamelijke behoeften der veroordeelden worden vrij wel bevredigd; hun vooruitzicht op toekomstige vrijheid en welzijn is niet ver en, bij goed gedrag, zeker. Een “ontslagbriefje”, dat den man binnen een bepaald district vrijmaakt, zoolang hij zich buiten verdenking of misdaad houdt, wordt bij goed gedrag uitgereikt na een aantal jaren, evenredig aan den duur der straf. Ondanks dit alles, en met voorbijzien van de voorloopige hechtenis en den ellendigen overtocht, geloof ik, dat de jaren van verbanning in misnoegen en ongeluk worden gesleten. Naar een schrander man mij verzekerde, kennen de veroordeelden geen ander genot dan zinnelijkheid, en daarin worden zij niet tevreden gesteld. Het krachtig lokaas, dat de Regeering bezit in het aanbieden van amnestie, gevoegd bij den diepen afschuw van de eenzame strafkolonies, schokt het vertrouwen onder de misdadigers en voorkomt zoo de misdaad. Wat hun gevoel van schaamte betreft—iets dergelijks schijnt niet bekend te zijn, en daarvan zag ik eenige zeer zonderlinge bewijzen. Al klinkt het ook vreemd, toch werd mij algemeen gezegd, dat het karakter der misdadigers-bevolking schandelijk lafhartig is; niet zelden worden sommigen wanhopig en geheel onverschillig voor het leven; maar een plan, dat koelbloedigheid of vastberadenheid vereischt, komt zelden tot uitvoering. Het ergste in het geheele geval is, dat, ofschoon er een wat men zou mogen noemen wettelijke hervorming bestaat en er betrekkelijk weinig wordt bedreven waarop de wet vat kan hebben, van het tot stand komen eener zedelijke hervorming volstrekt geen sprake schijnt te zijn. Wel ingelichte personen verzekerden mij, dat, al zou een man zich trachten te verbeteren, hem dit onmogelijk zou zijn zoolang hij met andere veroordeelden samenleeft: hij zou een leven hebben van ondragelijke kwelling en ellende. Ook moet men niet vergeten, dat strafschepen en gevangenissen, zoowel hier als in Engeland, de besmetting in de hand werken. Over het geheel is het doel: eene strafkolonie te stichten, geenszins bereikt; als werkelijk stelsel van hervorming is het mislukt, zooals misschien elk ander plan misluktzou zijn; maar als middel om menschen uiterlijk braaf te maken: om landloopers, zwervers, die geheel onnut waren in het eene halfrond, te veranderen in werkzame burgers in het andere, en zoodoende een nieuw en prachtig land te stichten, een groot beschavingsmiddelpunt—is het plan geslaagd tot eene hoogte, wellicht zonder wederga in de geschiedenis.30 Januari.DeBeaglezeilde naar Hobart Town op Van Diemensland. Na eene zesdaagsche reis, waarvan het eerste gedeelte fraai, het laatste zeer koud en stormachtig was, stevenden wij den mond der Storm-Baai binnen. Het weder rechtvaardigde dezen gevreesden naam. De baai moest eerder “riviermond” worden genoemd, want aan haar boveneinde neemt zij de wateren van de Derwent op. Bij de monding liggen eenige uitgestrekte basaltterrassen, maar verder op wordt het land bergachtig en is het met een licht bosch bedekt. Op de lagere gedeelten der heuvels, die de baai omgeven, is het hout gerooid en prijken heldergele koren- en donkergroene aardappelvelden in weligen overvloed. Laat in den avond ankerden wij in de aardige verscholen kreek, aan de oevers waarvan de hoofdstad van Tasmanië ligt. De eerste aanblik der stad deed zeer onder voor dien van Sydney; de laatste zou men eencityof groote stad kunnen noemen, gene slechts eentownof landstad. Zij ligt aan den voet van Mount Wellington, een berg van 3100 voet hoogte, dochvangeringe schilderachtige schoonheid. Van dezen berg ontvangt de stad een flinken toevoer van water. Rondom de kreek stonden eenige fraaie pakhuizen en aan den eenen kant een klein fort. Wanneer men uit de Spaansche koloniën komt, waar aan de vestingwerken in ’t algemeen zulke uitstekende zorg wordt besteed, schijnen de verdedigingsmiddelen in deze koloniën zeer armzalig. Bij vergelijking van de stad met Sydney, trof mij hier in hoofdzaak het betrekkelijk klein aantal groote huizen, diegebouwd of nog in aanbouw waren. Volgens de telling van 1835 bevatte Hobart Town 13.826 inwoners, en geheel Tasmanië 36.505.12Alle inboorlingen zijn overgebracht naar een eiland in de Bass-Straat, zoodat Van Diemensland het groote voordeel geniet van geen inlandsche bevolking te bezitten. Deze uiterst wreede stap schijnt geheel onvermijdelijk geweest te zijn, en het eenige middel om een einde te maken aan een ontzettend aantal plunderingen, brandstichtingen en moorden, door de inboorlingen gepleegd en die vroeg of laat hunne geheele uitroeiing ten gevolge zouden hebben gehad. Ik vrees, dat deze reeks van euveldaden en hare gevolgen ongetwijfeld hare oorzaak vond in het schandelijke gedrag van enkele mijner landgenooten.13Dertig jaren is een kort tijdbestek om den laatsten inboorling uit zijn vaderland te verdrijven, een eiland bijna zoo groot als Ierland.14De briefwisseling, welke daarover tusschen de regeering in het moederland en die van Tasmanië gevoerd werd, is zeer belangwekkend. Hoewel in de schermutselingen, die vele jaren lang bij tusschenpoozen plaats hadden, tal van inboorlingen neergeschoten of gevangen genomen waren, schijnt niets hen zoozeer van onze overweldigende macht overtuigd te hebben, als toen in 1830 het geheele eiland onder de krijgswet werd gesteld en alle bewoners bij proclamatie bevel kregen om den geheelen stam in een enkelen grooten aanval te overmeesteren. Het ontworpen plan geleek ongeveer op dat der groote drijfjachten in Indië; er werd een cordon dwars over het eiland getrokken met het doel de inlanders op Tasman’s schiereiland in eencul-de-sacte drijven.De poging mislukte; de inboorlingen bonden hunne honden vast, en slopen in een enkelen nacht door de linie, met uitzondering van één knaap, die gevat werd. Dit is verre van verwonderlijk, zoo men let op hunne geoefende zintuigen en hunne gewoonte om achter de wilde dieren aan te kruipen. Men heeft mij verzekerd, dat zij de kunst verstaan zich op een bijna kalen grond te verbergen op eene wijze, die haast ongelooflijk is als men het niet gezien heeft, en waarbij hunne zwarte lichamen gemakkelijk worden aangezien voor de zwarte boomstompen, die over het geheele land verspreid zijn. Men vertelde mij van eene weddenschap tusschen eenige Engelschen en een inboorling, die voor ieder zichtbaar op de kale helling van een heuvel ging staan. Indien de Engelschen nog geen minuut lang de oogen sloten, zou hij op de hurken gaan zitten, en dan zouden zij hem nooit van de omringende boomstompen kunnen onderscheiden. Doch keeren wij tot onze drijfjacht terug. Toen de inlanders deze manier van oorlogvoeren begrepen, werden zij zeer ongerust, want zij ontdekten nu ook de macht en het aantal der blanken. Kort daarna verscheen een troep van 13 personen, tot twee verschillende stammen behoorende, die hunne weerloosheid beseffende, zich in wanhoop overgaven. Later werd door de onvermoeide pogingen van G. A. Robinson, architect te Hobart, die onbevreesd de meest verbitterde inboorlingen in hunne schuilhoeken opzocht, de geheele zwarte bevolking overgehaald om hetzelfde te doen. Zij werden toen naar een eiland gebracht,15waar men hen van voedsel en kleeren voorzag. Graaf Strzelecki verhaalt in zijne “Physical Description of New South Wales and Van Diemen’s Land,” blz. 354, dat “op het tijdstip van hun vervoer in 1835, het getal inboorlingen 210 bedroeg. In 1842, dus zeven jaren later, telden zij slechts 54 personen; en terwijl elk gezin in het binnenland van Nieuw Zuid-Wallis,waar de inboorlingen niet besmet worden door aanraking met blanken, rijk aan kinderen is, was dit getal op Flinders-Eiland in acht jaren tijds met slechts veertien vermeerderd!”DeBeaglebleef hier tien dagen, en in dien tijd deed ik verscheidene aangename uitstapjes, voornamelijk met het doel om de geologische gesteldheid der naaste omgeving te onderzoeken. De belangrijkste uitkomsten daarvan zijn: ten eerste, eenige tot de Devonische of Steenkool-periode behoorende lagen, welke buitengewoon veel versteeningen bevatten; ten tweede, bewijzen van eene kleine landrijzing in een geologisch jong verleden, en eindelijk eene afgezonderde oppervlakkige laag van geelachtigen kalksteen of travertijn, met talrijke indruksels van boombladeren en ingesloten schelpdieren van niet meer levende soorten. Niet onwaarschijnlijk bevat deze enkele kleine kalkgroeve de eenig overgebleven sporen der flora van Van Diemensland gedurende een vroeger geologisch tijdperk.Het klimaat is hier vochtiger dan in Nieuw Zuid-Wallis, en daardoor het land vruchtbaarder. De landbouw bloeit, de ontgonnen velden hebben een goed aanzien, en de tuinen vloeien over van welige groenten en vruchtboomen. Sommige pachterswoningen, die op afgelegen plekken stonden, boden een zeer schilderachtigen aanblik. Het algemeen voorkomen der plantenwereld gelijkt op dat der Australische flora, misschien iets groener en frisscher, en het weidegras tusschen de boomen iets overvloediger. Op zekeren dag deed ik eene lange wandeling aan den kant der baai tegenover de stad, en stak over op eene stoomboot, waarvan er twee voortdurend heen en weer voeren. De machinerieën van een dezer vaartuigen waren geheel in deze kolonie, die toen pas 33 jaren sedert hare stichting bestond, vervaardigd. Op een anderen dag besteeg ik Mount Wellington en nam daartoe een gids mede, want eene eerste poging mislukte mij wegens de dichtheid van het bosch. Onze gids was echter een dom man en bracht ons naar den vochtigen zuidkant van den berg, waar de plantengroei zeer welig en het beklimmingswerk,ten gevolge van de menigte verrotte stammen, bijna even moeilijk was als op een berg in Vuurland of op Chiloë. Het kostte ons vijf en een half uur ingespannen klimmen, voordat wij den top bereikten. Op sommige gedeelten groeiden deEucalyptitot eene aanzienlijke hoogte en vormden een prachtig woud.16In eenige van de diepste ravijnen bloeiden varenboomen op buitengewone schaal; ik zag er een, die tot het ondervlak der loofkroon minstens 20 voet hoog was en juist zes voet omtrek had. Het loofdak vormde de sierlijkste zonneschermen en verspreidde eene donkere schaduw als in het eerste uur van den nacht. De top van den berg is breed en vlak, en bestaat uit reusachtige brokken kalen groensteen. Zijne hoogte is 3100 voet boven de zee. Het was een prachtig heldere dag, en wij hadden een ruim uitzicht: in het noorden geleek het land eene aaneenschakeling van begroeide bergen, ongeveer even hoog als die waarop wij stonden, en even gelijkvormig in omtrek; in het zuiden lag het gebroken land en water met zijne vele verwikkelde baaien duidelijk als op eene landkaart voor ons. Nadat wij eenige uren op den top hadden doorgebracht, vonden wij een beteren weg om af te dalen, doch bereikten deBeagleniet vóór des avonds 8 ure, na een dag van ingespannen beweging.7 Februari.DeBeaglezeilde uit Tasmanië en bereikte op den 6den der volgende maand de zeeëngte van King George, welke dicht bij den zuidwesthoek van Australië ligt. Hier bleven wij acht dagen; maar op onze geheele reis brachten wij niet zulk een doodschen en vervelenden tijd door. Van eene hoogte gezien, doet het land zich voor als eene boschachtige vlakte, waaruit hier en daar ronde en gedeeltelijk kale granietheuvels verrijzen. Een dezer dagen ging ik met een gezelschap op weg,in de hoop eene kangoeroe te zullen zien, en trok vele mijlen ver het land in. Overal vonden wij een zeer armen zandgrond, nu eens bedekt met een grof gewas van dun, laag kreupelhout en borstelig gras, dan met een woud van kwijnende boomen. Het landschap geleek op dat der zandsteenen hoogvlakte in de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid-Wallis, met dit verschil, dat deCasuarina(een boom die iets weg heeft van den Schotschen den) hier talrijker is, en deEucalyptusiets minder voorkomt.17Op de open gedeelten waren vele grasboomen, d.w.z. planten, die uiterlijk eenigszins aan den palmboom verwant zijn, maar in plaats van eene fraaie bladerkroon te bezitten, slechts op een bosje van zeer grove grasachtige bladeren kunnen bogen.18Op een afstand gezien, scheen de meestal lichtgroene kleur van het kreupelhout en andere planten vruchtbaarheid te voorspellen; maar eene enkele wandeling was voldoende om deze illusie te verdrijven; en wie het met mij eens is, zal niet verlangen op nieuw een tocht door zulk een ongastvrij oord te doen.Op een anderen dag vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar Bald Head—eene plaats, door zoo vele zeevaarders vermeld, en waar eenigen zich verbeelden koralen te zien, anderen versteende boomen, die nog in de houding stonden waarin zij gegroeid waren. Naar onze meening, zijn degrondlagengevormd doordien de wind het fijne, uit kleine ronde schelp- en koraaldeeltjes bestaande zand golfsgewijze ophoopte, waarbij takken en wortels van boomen met vele landschelpen onder het zand bedolven werden. Toennu de doorzijgende kalkhoudende stof de geheele massa verhardde, werden ook de cylindervormige, door rotting van het hout ontstane holten met eene harde druipsteenachtige massa gevuld. Doch langzamerhand spoelt de neerslag uit den dampkring de weekere deelen weg; de harde vormen van de takken en wortels der boomen steken daardoor boven de oppervlakte, en gelijken zeldzaam bedriegelijk op de boomstompen van een dood kreupelbosch.Terwijl wij in deze kolonie waren, bracht een groote stam inlanders, genaamd de Mannen van den Witten Kaketoe, er juist een bezoek. Aangelokt door het aanbod van eenige vaatjes rijst en suiker, werden deze mannen, benevens die van den stam, welke aan de zeeëngte van King George thuis behoort, overgehaald om eencorroboriof groote danspartij te houden. Zoodra het donker werd, zag men kleine vuren ontsteken en begonnen de mannen hun toilet te maken, hierin bestaande, dat zij zich met witte vlekken en strepen beschilderden. Toen alles gereed was, werden groote vuren in lichtelaaien gloed gezet, rondom welke vrouwen en kinderen zich als toeschouwers verzamelden, en verdeelden de mannen van den Kaketoe en van King George zich in twee partijen, waarin men nu twee aan twee tegenover elkander begon te dansen. Het dansen bestond hierin, dat zij of zijdelings, of zooals de Indianen op ééne rij, naar eene open ruimte liepen, en gedurende die gemeenschappelijke beweging met groote kracht op den grond stampten. Hunne zware voetstappen gingen vergezeld van een soort van gedreun, door het tegen elkander slaan van hunne knuppels en speren, en verschillende andere gebaren, als het uitsteken van de armen en het wringen van het lichaam. Het was een uiterst ruw en wild schouwspel, dat naar onze meening geheel zonder zin was; toch merkten wij op, dat de zwarte vrouwen en kinderen er met het grootste genoegen naar keken. Wellicht stelden deze dansen oorspronkelijk handelingen voor, als symbolen van gevechten en overwinningen. Eén dans was er, genaamd de Emu-dans, waarin elk man zijn arm in eene gebogen houding uitstrekte, evenals dehals van een vogel. Bij een anderen dans bootste een man de bewegingen na van een kangoeroe, die in de bosschen graast, terwijl een tweede hem besprong, schijnbaar om hem aan zijne speer te rijgen. Als beide stammen aan den dans deelnamen, beefde de grond onder hunne zware voetstappen, en weergalmde de lucht van hunne woeste kreten. Allen schenen zeer opgewonden; en die drom van bijna naakte gestalten, gezien bij het rosse schijnsel der hoogvlammende vuren, allen in duivelachtige eenparige beweging—dat tooneel, gevoegd bij de woeste kreten van dansers en omstanders, vormde een volmaakt schouwspel van een feest onder de laagste wilden. In Vuurland hebben wij vele zonderlinge tooneelen uit het leven der wilden gezien, maar ik geloof nooit een, waar de inboorlingen zoo opgewonden en zoo volkomen in hun element waren als bij dezen dans. Toen de dans was afgeloopen, schaarde de geheele troep zich in een grooten kring op het terrein, en werd, tot aller blijdschap, de gekookte rijst met suiker rondgedeeld.Na verscheidene vervelende dagen, doordien het weder betrokken was, stevenden wij den 14den Maart 1836 uit de zeeëngte van King George en zetten koers naar Keeling-Eiland.Vaarwel, Australië! Ge zijt een aankomend kind, en zult gewis na zekeren tijd als grootvorstin regeeren in het Zuiden! Maar al zijt ge nog niet groot genoeg voor eerbied, dan toch te groot en eerzuchtig voor genegenheid. Ik verlaat uwe stranden zonder droefheid of spijt...1Deze Amerikaan leefde van 1755–1836.2Het is opmerkelijk, hoezeer dezelfde ziekte in verschillende klimaten gewijzigd wordt. Op het eiland St.-Helena wordt de invoering van scharlakenkoorts als eene plaag gevreesd. In sommige landen worden vreemdelingen en inboorlingen door sommige besmettelijke ziekten even verschillend aangetast, als waren zij verschillende dieren. Van dit feit heeft Chili eenige voorbeelden gegeven, en, volgens A. von Humboldt, ook Mexico. (Essai politique sur la Nouvelle Espagne).3De Maoris op N.-Zeeland zeggen: “Wij zullen ondergaan, evenals onze reuzenvogel, deDinornis. Evenals de klaver het varenkruid doodde en de Europeesche hond den hond der Maoris; evenals onze rat vernietigd werd door de Pakeha-rat, zoo zal ookons volkdoor de Europeanen verdrongen en vernietigd worden.”(Vert.)4”Narrative of Missionary Enterprise,”blz. 282.5Kapitein Beechy zegt (Deel I, hoofdstuk 4), dat de bewoners van het eiland Pitcairn (in de Zuidzee met eene oppervlakte van 5 □ km. en 126 zielen) vast overtuigd zijn, dat zij na aankomst van elk schip aan huid- en andere aandoeningen lijden. Hij schrijft dit toe aan de diëetverandering tijdens het bezoek. Dr. Macculloch (”Western Isles”, deel II, blz. 32) zegt: “Men verzekert, dat bij aankomst van een vreemdeling op St.-Kilda, alle bewoners volgens de gewone zegswijze eene verkoudheid opdoen.”—Hijzelf beschouwt de geheele zaak als belachelijk, hoewel zij vroeger dikwijls bevestigd is, doch voegt er bij: “Toen wij den inwoners de vraag voorlegden, verklaarden zij eenstemmig, dat het verhaal juist was.” In de Reis van Vancouver vindt men eene ongeveer gelijke mededeeling over Otaheite. Dr. Dieffenbach zegt in eene noot bij zijne vertaling van dit “Dagboek”, dat hetzelfde feit algemeen geloofd wordt door de bewoners van de Chatham-Eilanden (ten oosten van N.-Zeeland, 971 □ Km.) en in sommige gedeelten van Nieuw-Zeeland. Onmogelijk kon zulk een geloof algemeen ingang hebben gevonden in het noordelijk halfrond, bij de Tegenvoeters en in den Stillen Oceaan, zonder dat er een goede grond voor bestond. Humboldt zegt in zijnEssai politique sur la Nouvelle Espagne, dat de groote besmettelijke ziekten in Panama en Callao “gekenmerkt” zijn door de komst van schepen uit Chili, omdat de menschen uit die gematigde luchtstreek het eerst de noodlottige werking der heete landen ondervinden. Ik wil hier bijvoegen, dat ik in Shropshire heb hooren verzekeren, dat schapen, welke op schepen ingevoerd en bij anderen in hetzelfde hok worden gebracht, dikwijls ziekten onder de kudde voortbrengen, ofschoon zijzelven in gezonden staat verkeeren.6”Travels in Australia”, deel I, blz. 154. Voor verscheidene belangwekkende persoonlijke mededeelingen, betreffende deze groote valleien in Nieuw-Zuid-Wallis, moet ik den heer Mitchell mijn dank betuigen.7MacropusenHypsiprimnusbehooren beide tot deMacropodidae, eene familie van de Kangoeroes (Poëphaga), welke eene Orde zijn van deMarsupialiaof Buideldieren.(Vert.)8Ook welCasuarius emeugenoemd.9Dit dier behoort tot deMonotremata—eene onderklasse der zoogdieren, welke zich hierdoor onderscheidt, dat deindividuënslechts ééne opening (τρῆμα= gat) bezitten voor het verwijderen der uitwerpselen.(Vert.)10Met belangstelling vond ik hier den hollen kegel- of trechtervormigen val van de leeuwenmier (Myrmeleon formicarius), of een ander insect. Eerst viel eene vlieg de verraderlijke helling af en verdween onmiddellijk; toen kwam eene groote maar onvoorzichtige mier. Bij de hevige pogingen, welke deze deed om los te komen, wierp de leeuwenmier snel hoopjes zand naar het verwachte slachtoffer (Volgens Kirby en Spence zou de leeuwenmier dit met haren staart doen). Maar de mier had een beter lot dan de vlieg en ontkwam aan de noodlottige kaken, die op den bodem van den hollen trechter verborgen waren. De val van de Australische leeuwenmier was ongeveer slechts half zoo groot als die van de Europeesche.11Traan is sedert lang niet meer een hoofdartikel. In 1901 waren de voornaamste uitvoer-artikelen naar volgorde in millioenen ponden sterl.: goud (17.9); wol (17.8); zilver (4.2); kaas (3.1); dieren (2.9); vleesch (2.7); koper (2.3); huiden (1.9); steenkool (1.9); boter (1.8); suiker (1.3); leder (0.8); talk (0.7).12Hobart Town heet sedert 1 Juni 1881 eenvoudig Hobart. Volgens de telling van 3 Maart 1881 waren er 21.118 zielen en in geheel Tasmanië 115.705. In 1908 bedroegen die cijfers respect.: 40,330 en 185,800.13De Tasmaniërs (tot de Papoea’s behoorende), die men in 1815 nog op 5000 zielen schatte, zijn nu geheel uitgestorven. In 1867 stierf Truganini, ook wel Lalla Rookh genaamd, als laatstovergeblevene.(Vert.)14Tasmanië = 67894 □ Kilometer; Ierland = 84,253.15Een stam ging naar het Zwanen-Eiland, drie andere naar het eiland Gun-Carriage; doch later bracht men allen naar het Flinders-Eiland.(Vert.)16De stammen vanEucalyptus globulus(Blauwe Gomboom) bereiken hier eene hoogte van 100 meter en daarboven. Sommige boomen hebben 1 meter boven den grond een omtrek van 20 meter, en op 40 meter hoogte bedraagt die omtrek nog 13 meter.(Vert.)17Men onderscheidtCasuarina stricta,C. torulosaenC. tuberosa. De twee eersten noemen de kolonistenShea-oak, den laatstenBeefwood, naar de hardheid van hun hout, dat zeer gezocht is. Van deEucalyptikomt hier het meest in wouden voor:E. marginatus(Jarrah- of Westaustralische Mahagoniboom), waarvan het hout noch door de termieten, noch door den paalworm wordt aangetast.(Vert.)18Hun geslachtsnaam isXanthorrhoeaofKingia.(Vert.)

12 Januari 1836.Vroeg in den morgen voerde een zwakke wind ons naar den ingang van Port Jackson. In plaats van een groenend land te zien, met hier en daar eenige fraaie huizen, vertoonde zich slechts eene rechte lijn van geelachtige klippen, die ons de kusten van Patagonië voor den geest riepen. Alleen een eenzame, wit-steenen vuurtoren zeide ons, dat wij in de nabijheid eener groote volkrijke stad waren. Is men de haven binnengegaan, dan heeft deze met hare klipvormige oevers van gelaagden zandsteen een fraai en ruim aanzien. Het bijna vlakke land is met dunne, armzalige boomen bedekt, die getuigen van den vloek der onvruchtbaarheid. Verder het land ingaande, verbetert dit en ziet men mooie buitenplaatsen en nette boerderijen hier en daar langs het strand verspreid. In de verte wezen steenen huizen van twee en drie verdiepingen, en een aantal windmolens aan den rand van een dijk ons op de nabijheid der hoofdstad van Australië.

Eindelijk ankerden wij in Sydney-Cove, waar wij het kleine dok gevuld zagen met vele groote schepen, en omringd door pakhuizen. Des avonds wandelde ik door de stad en keerde vol bewondering over wat ik zag, terug. Alles legt een schitterend getuigenis af van de macht der Britsche natie. Hier, in een weinig belovend land, hebben eenige twintigtallen van jaren heel wat meer uitgericht dan evenveel eeuwen in Zuid-Amerika. Het eerste gevoel, dat in mijopwelde, was mij geluk te wenschen dat ik Engelschman van geboorte was. Toen ik later meer van de stad zag, daalde mijne bewondering misschien wel eenigszins; maar toch is zij mooi. De straten zijn regelmatig, breed, zindelijk en worden uitstekend onderhouden; de huizen hebben eene flinke grootte, en de winkels zijn wel voorzien. Men kan haar gerust vergelijken met de groote voorsteden van Londen en enkele andere hoofdplaatsen in Engeland; maar zelfs bij Londen of Birmingham ziet men zulk eene snelle uitbreiding niet. Het aantal groote huizen en andere gebouwen, die juist voltooid waren, was inderdaad verwonderlijk; niettemin klaagde elk over de hooge huren en de moeite om een huis te koopen. Daar ik uit Zuid-Amerika kwam, waar elk, die eigendom heeft, in de steden bekend is, verwonderde niets mij zoozeer, als dat ik niet dadelijk kon te weten komen wie eigenaar was van dit of dat voertuig.

Ik huurde een man en twee paarden om mij naar het dorp Bathurst te brengen, dat omstreeks 120 mijlen in het binnenland ligt en het middelpunt is van een groot landelijk district. Op deze wijze hoopte ik een algemeen idee te krijgen van het voorkomen der streek. Op den morgen van 16 Januari ving ik mijn tocht aan. De eerste rit bracht ons naar Paramatta—een landstadje, dat in beteekenis op Sydney volgt. De wegen, volgens het stelsel van Mac Adam1aangelegd, waartoe de noodige basaltsteen van vele mijlen ver was aangevoerd, waren uitmuntend. In alle opzichten was er nauwe overeenstemming met Engeland, behalve misschien in de bierhuizen, die hier talrijker waren. De ijzeren benden (troepen misdadigers, die hier het een of ander misdrijf hebben gepleegd) herinnerden het minst aan Engelsche toestanden; zij werkten met ketens aan het lichaam, onder toezicht van schildwachten met geladen geweren. De macht, die het gouvernement bezit om door gedwongen arbeid in korten tijd goede wegen door het landte banen is, geloof ik, een der hoofdoorzaken van den snellen voorspoed dezer kolonie. Ik sliep dien nacht in eene zeer geriefelijke herberg te Emuferry, 35 mijlen van Sydney en dicht bij den voet der Blauwe Bergen. Deze reisweg wordt het drukst bezocht en is het langst van alle in de kolonie bewoond. Al het land is afgesloten met hoog rasterwerk, wat een gevolg is van de omstandigheid, dat de pachters geen heggen hebben kunnen aanleggen. Rondom liggen vele flinke huizen en goede boerderijen verspreid; maar hoewel groote stukken land onder cultuur zijn, verkeert het grootste deel nog in den staat waarin het ontdekt werd.

De buitengewone gelijkvormigheid der flora is het merkwaardigste kenmerk van het landschap in het grootste gedeelte van Nieuw-Zuid-Wallis. Overal vinden wij open boschland, en is de grond ten deele bedekt met zeer dun gras, dat weinig groen vertoont. De boomen behooren bijna alle tot ééne familie en kenmerken zich hierdoor, dat hunne bladeren meerendeels in een verticalen, in plaats van in een bijna horizontalen stand geplaatst zijn, zooals in Europa. Het loof is schraal met eene eigenaardige bleekgroene tint, zonder eenigen glans, ten gevolge waarvan de bosschen licht en zonder schaduw zijn. Ofschoon dit onder de brandende zonnestralen een ongerief is voor wie deze streken bereizen, is het van belang voor den pachter, daar nu gras kan groeien waar dit anders niet kan. De bladeren vallen niet periodiek af—een kenmerk, dat aan het geheele zuidelijk halfrond, namelijk Zuid-Amerika, Australië en de Kaap de Goede Hoop gemeen schijnt. De bewoners van dit halfrond missen dus een zeer prachtig, hoewel in onze oogen gewoon natuurverschijnsel: de eerste volle bladontplooiing van den bladerloozen boom. Zij kunnen ons antwoorden, dat wij dit genot duur betalen nadat het land zooveel maanden lang met naakte geraamten is bedekt geweest. Ook dit is waar; maar onze zintuigen krijgen zoodoende een prikkelend, opwekkend verlangen naar het verrukkelijke lentegroen, dat de oogen van hen die in de keerkringen leven en zich het jaar lang aan de schitterende, kleurenrijkevoortbrengselen dezer gloeiende gewesten verzadigen, nooit kunnen smaken. Met uitzondering van eenige blauwe-gomboomen (Eucalyptus globubus) bereiken de meeste boomen geen aanzienlijke grootte; maar zij zijn lang, vrij recht en staan goed gescheiden. De schors van eenigeEucalyptivalt jaarlijks af, of hangt in lange doode reepen, die in den wind heen en weer slingeren, en aan de bosschen een doodsch en slordig aanzien geven. Ik kan mij in alle opzichten geen grootere tegenstelling denken, dan tusschen de wouden van Valdivia of Chiloë, en de bosschen van Australië.

Bij zonsondergang ging een troep van een twintigtal zwarte inboorlingen voorbij, die allen op hunne gewone manier een bundel speren of andere wapenen droegen. Door een jongen aanvoerder een shilling te geven, kon ik hen gemakkelijk laten stilstaan, en wierpen zij hunne speren om mij te vermaken. Allen waren gedeeltelijk gekleed, en verscheidenen konden wat Engelsch spreken. Hun uiterlijk was opgeruimd en aangenaam, en zij schenen op verre na niet zulke geheel verbasterde wezens, als doorgaans wordt voorgesteld. In hunne eigen kunsten zijn zij te bewonderen. Eene muts, welke op 30 yards afstand was opgehangen, doorboorden zij met eene speer, die door den werpstok werd weggeslingerd met de snelheid waarmede een geoefend schutter een pijl uit zijn boog drijft. De wonderlijkste schranderheid leggen zij aan den dag wanneer zij het spoor van menschen of dieren zoeken, en ik hoorde verscheidene opmerkingen van hen vertellen, die blijk gaven van ongewone scherpzinnigheid. Maar den grond ontginnen, of huizen bouwen en gezeten lieden worden, willen zij niet; zelfs willen zij zich de moeite niet geven eene kudde schapen te hoeden, die aan hunne zorg is toevertrouwd. Over het geheel schijnen zij mij maar enkele sporten hooger op de beschavingsladder te staan dan de Vuurlanders.

Het is zeer zonderling, zoo te midden van een beschaafd volk een troep onschadelijke wilden te zien rondloopen, die niet weten waar zij des nachts zullen slapen, en hun kostverdienen met jagen in de bosschen. Naarmate de blanken voortdrongen, hebben zij zich over het land verspreid, dat aan verschillende stammen toebehoorde; en ofschoon deze zoodoende allen door eenzelfde volk werden ingesloten, hebben zij hunne oude gewoonte om soms elkander te beoorlogen, behouden. In een gevecht, dat onlangs plaats had, kozen beide partijen—zeer zonderling—het midden van het dorp Bathurst tot slagveld. Dit had voor de verslagene partij het voordeel, dat de weggeloopen krijgslieden een toevlucht zochten in de hutten.

Het getal inboorlingen neemt snel af. Op mijn geheelen rit zag ik, behalve een paar jongens die door Engelschen werden opgebracht, nog slechts één enkelen troep. Zonder twijfel moet deze afname gedeeltelijk worden toegeschreven aan den invoer van spiritualiën, aan Europeesche ziekten (waarvan zelfs de meer goedaardige, zooals mazelen, zeer verderfelijk blijken),2en aan het trapsgewijze uitsterven van wild. Men zegt, dat een aantal van hunne kinderen op zeer jongen leeftijd aan de gevolgen van hun zwervend leven bezwijken; en daar de moeite om aan voedsel te komen grooter wordt, moeten ook hunne zwervende gewoonten toenemen. Zonder openlijk den hongerdood te sterven, wordt hier de bevolking dus op bijzonder snelle wijze ondermijnd, vergeleken met wat in beschaafde landen gebeurt, waar de vader, ofschoon door overmatigen arbeid zich zelf benadeelende, zijn nakroost niet uitroeit.

Behalve deze vele zichtbare oorzaken van ondergang, schijnt er in ’t algemeen eene meer geheimzinnige kracht in ’t spel te zijn. Waar de Europeaan zijne schreden zet,schijnt de dood den inboorling te vervolgen. Hetzij wij het oog wenden naar de wijde vlakten van Noord- en Zuid-Amerika, naar Polynesië, de Kaap de Goede Hoop of naar Australië, overal vinden wij denzelfden uitslag. En het is niet alleen de blanke, die dus als verdelger optreedt: de Polynesiër van Maleischen oorsprong heeft in sommige gedeelten van den Oostindischen Archipel evenzoo den donkerkleurigen inboorling voor zich uitgedreven. De menschenrassen schijnen op elkander te werken in gelijken zin als velerlei diersoorten, nl. zoo, dat het sterkere steeds het zwakkere uitroeit. Het was treurig, toen wij op Nieuw-Zeeland de fiere, kloeke inboorlingen hoorden zeggen, dat zij wel wistendathun land gedoemd was aan hunne kinderen te ontvallen.3Ieder heeft gehoord van de onverklaarbare vermindering der bevolking op het schoone en gezonde eiland Tahiti sedert den tijd van Cook’s reizen, hoewel wij in dit geval hadden mogen verwachten, dat zij zou zijn toegenomen: want kindermoord, die hier vroeger in zoo buitengewone mate woedde, heeft opgehouden: losbandigheid is afgenomen, en de moordende oorlogen zijn nu minder talrijk.

—De Eerw. I. Williams zegt in zijn belangwekkend werk,4dat het eerste verkeer tusschen inboorlingen en Europeanen “steeds vergezeld gaat van het uitbreken van koortsen, rooden loop of eene andere ziekte, die tal van menschen wegsleept.” Verder zegt hij: “Het is inderdaad een feit, hetwelk niet betwist kan worden, dat de meeste ziekten, die gedurende mijn verblijf op de eilanden gewoed hebben, door schepen daar zijn ingevoerd;5en wat dit feit merkwaardigmaakt is, dat onder de bemanning van het schip, hetwelk deze verderfelijke lading binnenbracht, geen spoor van ziekte bekend was.” Dit verhaal is niet zoo heel buitengewoon als op het eerste gehoor wel lijkt; want verscheidene gevallen zijn bekend dat de boosaardigste koortsen zijn uitgebroken, hoewel de personen, die er de oorzaak van waren, onaangetast bleven. In de eerste regeeringsjaren van George III (1738–1820) werd een gevangene, die in een kerker opgesloten was, door vier konstabels in een rijtuig voor den magistraat gebracht; en ofschoon de man zelf niet ziek was, stierven de vier konstabels aan eene soort van rotkoorts, maar zonder dat de besmetting zich aan anderen meedeelde. Uit deze feiten zou men bijna afleiden, dat de dampen die door sommige personen eenigen tijd wordenuitgestraald, voor anderen na inademing giftig zijn: en dit wellicht nog meer, als de personen tot verschillend ras behooren. Hoe geheimzinnig dit geval ook schijne, is het toch niet wonderlijker dan het feit, dat het lichaam van een mensch, onmiddellijk na den dood en voordat het bederf is ingetreden, dikwijls zulke giftige of doodelijke eigenschappen bezit, dat de prik alleen met een instrument hetwelk bij de opening van het lijk gebruikt is, noodlottig blijkt.

17 Januari.Vroeg in den morgen staken wij in eene veerboot over de Nepean. Ofschoon de rivier op deze plek breed en diep was, bevatte zij een zeer klein volume stroomend water. Aan de overzijde trokken wij door een laag stuk land en bereikten toen de helling der Blauwe Bergen. De beklimming daarvan is niet moeilijk, doordien de weg met veel zorg in de glooiing van eene zandsteenklip is uitgehouwen. Op den top strekt zich eene bijna effen vlakte uit, die naar het westen onmerkbaar stijgt en eindelijk eene hoogte bereikt van meer dan 3000 voet. Zulk een wijdsche titel als “Blauwe Bergen”, alsmede hunne werkelijke hoogte deden mij verwachten eene kloeke bergketen te zullen zien, welke het land doorsneed; maar in plaats hiervan—slechts eene hellende vlakte, die een onaanzienlijk front vormt bij het laagland aan de kust. Van deze eerste glooiing was het gezicht op het uitgestrekte boschland in het oosten verrassend, en de rondom staande boomen waren kloek en rijzig. Doch is men eenmaal op het zandsteenen bergvlak, dan wordt het landschap uiterst eentonig; elke kant van den weg is met schrale boomen der nooit ontbrekendeEucalyptus-familie begroeid, en met uitzondering van twee of drie kleine herbergen, zijn er geen huizen of ontgonnen landerijen. Daarenboven is de weg eenzaam; wat men nog het meest ziet, zijn ossewagens, volgeladen met balen wol.

Op het midden van den dag voederden en drenkten wij onze paarden in eene kleine herberg,The Weatherboard(De Loefzijde) genaamd. Het land ligt hier 2800 voet boven de zee. Ongeveer anderhalve mijl van deze plek heeftmen een panorama, dat wel een kijk waard is. Eene kleine vallei volgende, waardoor een nietig beekje stroomt, ontwaart men plotseling tusschen het geboomte, dat den weg begrenst, een onafzienbaren afgrond met eene diepte van misschien 1500 voet. Enkele schreden voortgaande, staat men aan den rand eener geweldige steilte en ziet aan zijne voeten een uitgestrekten landboezem of baai (want anders weet ik het niet te noemen), die dicht met wouden bedekt is. Het oogpunt ligt als het ware aan den top der baai, en rechts en links breidt zich eene klipreeks uit met achtereenvolgende landtongen, evenals aan eene steile zeekust. Deze klippen bestaan uit horizontale lagen van witachtigen zandsteen, en zijn zoo volkomen loodrecht, dat men op vele plaatsen een steen, die van den rand naar omlaag wordt geworpen, op de boomen in den afgrond aan zijne voeten kan zien vallen. De klipreeks is zoo onafgebroken, dat men (volgens zeggen) zestien mijlen om moet loopen, om den voet van den waterval te bereiken, die door het bovengenoemde beekje gevormd wordt. Omstreeks vijf mijlen ver tegenover ons liep eene andere klipreeks, die de vallei dus geheel schijnt te omringen, zoodat de naam van baai, aan deze grootsche amphitheatervormige diepte gegeven, gerechtvaardigd is. Stellen wij ons voor, dat eene bochtige haven met steile klipvormige oevers wordt drooggelegd, en uit haar zandigen bodem een dicht woud opschiet, dan zullen wij een begrip hebben van het voorkomen en den vorm van dezen landboezem. Dit landschaps-type was voor mij geheel nieuw en buitengewoon prachtig.

Des avonds bereikten wij de Blackheath, waar de zandsteenen bergvlakte eene hoogte heeft bereikt van 3400 voet, en met hetzelfde schrale houtgewas bedekt is als te voren. Van den weg had men nu en dan vluchtige kijkjes in eene diepe vallei van dezelfde soort als die ik straks beschreef; maar wegens de steile en hooge wanden was de bodem bijna nooit te zien. Blackheath is eene zeer geriefelijke herberg, die door een ouden soldaat gedreven wordt, en die mij aan de kleine herbergen in Noord-Wallis herinnerde.

18 Januari.Zeer vroeg in den morgen wandelde ik omstreeks drie mijlen ver om Govett’s Leap te zien. Het landschap was hier van gelijken aard als bij The Weatherboard, misschien zelfs nog indrukwekkender. Zoo vroeg op den dag, was de baai gevuld met een ijlen blauwen mist, die, hoewel in ’t algemeen het uitzicht belemmerend, de diepte waarop het woud zich onder onze voeten uitstrekte, nog scheen te vergrooten. Deze valleien, die zoolang een onoverkomelijken hinderpaal vormden voor de pogingen der ondernemendste kolonisten om het binnenland te bereiken, zijn hoogst merkwaardig. Groote, armvormige baaien met verwijdingen aan het boveneinde ontspringen dikwijls uit de hoofdvalleien, en banen zich een weg door de zandsteenen hoogvlakte; daarentegen steekt de hoogvlakte dikwijls landtongen uit in de valleien, zelfs met afscheiding daarin van groote, eilandvormige berggevaarten. Om in deze valleien af te dalen moet men somtijds 20 mijlen omloopen; in andere zijn de landmeters eerst onlangs doorgedrongen, en is het den kolonisten nog niet gelukt hun vee te laten weiden. Doch het merkwaardigste kenmerk in haren bouw is wel, dat zij, ofschoon aan de hoofdeinden verscheidene mijlen breed, naar de mondingen toe meestal zoo versmallen, dat zij ontoegankelijk worden. De Landmeter-Generaal, Sir T. Mitchell, poogde te vergeefs, eerst loopend en toen kruipend tusschen de groote neergestorte zandsteenbrokken, door de keel heen te dringen, welke de Grose-rivier met de Nepean verbindt;6toch vormt de vallei der Grose, naar ik zag, in haar bovengedeelte eene fraaie effen kom van eenige mijlen breed, die aan alle kanten door klippen is omringd, welker toppen waarschijnlijk nergens onder 3000 voet boven den zeespiegel liggen. Ik besteeg een pad, deels gevormd door de natuur en deels door den eigenaar van den grond, dat toegang gaf tot devallei van de Wolgan; wordt langs dit pad vee in de vallei gedreven, dan kan het niet ontsnappen; want overal elders is dit dal door loodrechte klippen omringd en versmalt, acht mijlen verder, van eene gemiddelde breedte van eene halve mijl tot eene gewone kloof, waar mensch noch dier door kan. Mitchell verhaalt, dat de groote vallei der Cox-rivier met al hare vertakkingen ter plaatse waar deze in de Nepean vloeit, samenkrimpt tot eene keel van 2200 yards wijdte en ongeveer 1000 voet diepte. Andere dergelijke voorbeelden zouden hieraan kunnen worden toegevoegd.

Als men de overeenstemming ziet tusschen de horizontale lagen aan elken kant van deze valleien en groote amphitheater-vormige verdiepingen, dan is de eerste indruk deze, dat zij evenals andere valleien door de werking van water zijn uitgehold; maar denkt men aan de ontzaglijke hoeveelheid steenen, die volgens deze onderstelling alléén door kelen of kloven moest worden verwijderd, dan is men geneigd te vragen of deze ruimten niet door inzinking zijn ontstaan. Zoo men echter let op den vorm der onregelmatig vertakte valleien en smalle uit de bergvlakte daarin uitstekende landtongen, dan is men wel genoopt ook dit denkbeeld op te geven. De holten toe te schrijven aan tegenwoordige alluviale werking zou ongerijmd zijn; ook ligt het hoogste niveau der afwatering (zooals ik bij The Weatherboard opmerkte) niet altijd aan den top dezer valleien, maar aan ééne zijde harer baaivormige bochten. Enkele inwoners deden mij de opmerking, dat zij zulk een baaivormigen inham met zijne rechts en links uitstekende landtongen nooit zagen zonder getroffen te worden door de gelijkenis er van met eene steile zeekust. Dit is zeker het geval; men kan er bijvoegen, dat de talrijke fraaie, wijdvertakte havens aan de tegenwoordige kust van Nieuw Zuid-Wallis, welke meestal door een smallen, in de zandsteenen kustriffen uitgeholden mond met de zee verbonden zijn—eene gelijkenis vertoonen, hoewel op kleine schaal, met de groote valleien van het binnenland. Maar dan doet zich de onverwachte moeilijkheid voor: waarom heeft de zee deze groote, hoewel begrensde boezemsuitgehold in een uitgestrekt tafelland, en slechts kelen gelaten aan de openingen, waardoor die ontzaglijke hoeveelheid uitgespoelde stof is weggevoerd? Het eenige licht, dat ik op dit raadsel kan werpen, is door op te merken, dat zich tegenwoordig in sommige zeeën (bijv. hier en daar in de Westindische en in de Roode Zee) banken schijnen te vormen van de meest onregelmatige gedaanten en met zeer steile zijwanden. Ik heb reden om te onderstellen, dat zulke banken gevormd zijn geworden door ophooping van bezinksel op een onregelmatigen bodem, onder de werking van sterke stroomen. Dat de zee in sommige gevallen bezinksel ophoopt rondom onderzeesche rotsen en eilanden, in plaats van het uit te spreiden in eene gelijkvormige laag, kan moeilijk in twijfel worden getrokken, wanneer men de kaarten van West-Indië bestudeert; en dat de golven in staat zijn hooge en steile riffen te vormen zelfs in havens, die door land zijn ingesloten, heb ik in vele gedeelten van Zuid-Amerika waargenomen. Om nu deze begrippen te toetsen aan de zandsteenen bergvlakten van Nieuw Zuid-Wallis, stel ik mij voor, dat de lagen werden opgehoopt op een onregelmatigen bodem door de werking van sterke stroomen en den golfslag eener volle zee; vervolgens, dat de steil hellende wanden der aldus ontstane ongevulde, dalvormige ruimten gedurende eene langzame landrijzing tot klippen werden uitgehold, en dat de losgewerkte zandsteen verwijderd werd òf in den tijd toen de nauwe dalkelen door de ruimende zee gegraven werden, òf later door alluviale werking.

Kort na ons vertrek van The Blackheath daalden wij door den pas van Mount Victoria van de zandsteenen hoogvlakte af. Om dezen pas te maken had men door eene ontzaglijke hoeveelheid steen moeten boren; maar zoowel het plan als de wijze van uitvoering verdienden op ééne lijn te worden gesteld met een werk van dien aard in Engeland.De streek, die wij nu betraden, was ongeveer 1000 voet lager en bestond uit graniet. Met de verandering van gesteente veranderde ook de flora. De boomen waren fraaier en stonden meer gescheiden, terwijl het tusschenliggende weiland iets groener en weliger was. Te Hassan’sWallsverliet ik den grooten weg en maakte een korten omweg naar eene hoeve, Walerawang geheeten, die bewoond werd door een hoofdopzichter, aan wien ik een introductie-brief had van den eigenaar te Sydney. De heer Brown was zoo vriendelijk mij te vragen tot den volgenden dag te blijven, welk voorstel ik met genoegen aannam. Deze plaats levert een voorbeeld van een der groote landbouwinrichtingen of liever schapenfokkerijen in de kolonie; maar omdat eenige dalen moerassig zijn en een grover gras voortbrengen, zijn vee en paarden hier wat talrijker dan gewoonlijk. Op twee of drie vlakke strooken grond nabij het huis was het hout gerooid en koren gezaaid, dat de maaiers nu bezig waren te oogsten; van tarwe wordt echter niet meer gezaaid dan voor het jaarlijksch onderhoud der in de inrichting werkende arbeiders noodig is. Het gewone cijfer der toegewezen strafarbeiders bedraagt hier omtrent veertig; doch in dezen tijd waren er enkelen meer. Ofschoon de hoeve van al het noodige goed voorzien was, heerschte er duidelijk gebrek aan gerief; en er woonde hier geen enkele vrouw. In ’t algemeen zal de zonsondergang op een fraaien dag een glans van geluk en tevredenheid op een landschap stralen; maar hier, in deze afgelegen hoeve, konden de helderste tinten op de omliggende bosschen mij niet doen vergeten, dat veertig verharde, verworpen mannen hun dagarbeid staakten evenals de slaven uit Afrika, maar zonder hun heilig recht op medelijden!

Den volgenden morgen vroeg was de heer Archer, adjunct van den hoofdopzichter, zoo vriendelijk mij op eene kangoeroe-jacht te noodigen. Wij reden het grootste deel van den dag, doch hadden eene zeer slechte vangst, daar wij geen enkele kangoeroe (Macropus) zagen, en zelfs geen wilden hond (Canis dingo). De hazenwinden vervolgdeneene kangoeroe-rat (Hypsiprimnus)7in een hollen boom, waaruit wij haar te voorschijn haalden. Deze rat is zoo groot als een konijn, maar heeft de gedaante van een kangoeroe. Weinige jaren geleden bezat dit land een overvloed van wilde dieren; maar nu is de emu (Dromaius Novae Hollandiae)8ver het binnenland ingedreven en de kangoeroe zeldzaam geworden; voor beiden is de Engelsche hazenwind hoogst schadelijk geweest. Ofschoon het nog lang kan duren voordat deze dieren geheel zijn uitgeroeid, is hun vonnis geveld. De inboorlingen zijn er altijd op gesteld de honden van de pachthoeven te leenen: en hun gebruik, gevoegd bij den afval als een dier gedood wordt en wat melk van de koeien, zijn de zoenoffers der kolonisten, die al dieper en dieper in het binnenland dringen. Aangelokt, verblind door deze onbeduidende voordeden, verheugt de onnadenkende inboorling zich over de nadering van den blanke, die inderdaad bestemd schijnt het land van zijne kinderen te erven.

In weerwil van onze schrale vangst hadden wij een aangenamen rit. Het boschland is meestal zoo open, dat iemand te paard er door heen kan galoppeeren. Dwars door het boschland loopen enkele vlakke groene dalen zonder boomen; en op zulke plekken was het landschap even vriendelijk als in een park. In de geheele streek zag ik bijna geen enkele plek, welke niet de sporen droeg van een vuur. Of deze sporen van vroeger of later dagteekenden; of de overblijfsels van het verbrande hout meer of minder zwart waren—die vragen brachten de grootste afwisseling in de eentonigheid, welke het oog van den reizenden zoozeer vermoeit. In deze bosschen zijn niet veel vogels; maar ik zag eenige groote zwermen kaketoes in een korenveld grazen, en enkele zeer prachtige papegaaien; kraaien, zooals onze kerkkraaien,waren niet zeldzaam, en eindelijk zag ik nog een anderen vogel, die eenigszins op een ekster geleek. In de avondschemering deed ik eene wandeling langs eene reeks van vijvers, die in dit droge land de plaats van rivier innemen, en had het geluk verscheideneindividuënvan het vermaarde Snaveldier (Ornithorhynchus paradoxus) te zien.9Zij doken en speelden bij de oppervlakte van het water, maar lieten zoo weinig van hun lichaam zien, dat men hen gemakkelijk voorwaterrattenhad kunnen houden. De heer Browne schoot er een, en ik zag toen, dat het werkelijk een zeer buitengewoon dier is; een opgezet exemplaar geeft volstrekt geen goed denkbeeld van het voorkomen van het hoofd en den bek van een levend individu, omdat de laatste hard wordt en krimpt.10

20 Januari.Wij hadden een langen dagrit naar Bathurst. Voordat wij den grooten weg insloegen, volgden wij een pad door het woud. Met uitzondering van enkele squatters-hutten, was dit oord zeer eenzaam. Dien dag werden wij overvallen door densirocco-achtigen wind van Australië, welke uit de droge woestijnen van het binnenland komt. Wolken stof vlogen in alle richtingen, en de wind voelde zoo heet, als ware hij over een vuur gestreken.Later hoorde ik, dat de thermometer buitenshuis op 119°, en in eene gesloten kamer op 96° had gestaan. Des namiddags kwamen de duinen van Bathurst in het gezicht. Deze golvende, doch bijna effen vlakten zijn in deze streek zeer merkwaardig, omdat zij geheel van boomen ontbloot zijn, en slechts een dun bruin weidegras bezitten. Wij reden eenige mijlen over dit land en bereikten toen het stadsgebied van Bathurst, gelegen in de kom eener ruimte, welke met den naam van zeer breede vallei of smalle vlakte bestempeld zou kunnen worden. Te Sydney had men mij gezegd geen al te slechten dunk van Australië te krijgen door het land van den wegkant te beoordeelen, en geen al te goeden door Bathurst als maatstaf te nemen. Wat dit laatste betrof, gevoelde ik dat ik niet het minste gevaar liep van vooringenomenheid. Ik moet trouwens erkennen, dat het jaargetijde zeer droog was geweest en het land er niet gunstig uitzag, ofschoon ik begreep dat dit twee of drie maanden geleden onvergelijkelijk slechter geweest was. Het geheim van Bathurst’s snel toenemenden voorspoed is, dat het bruine weiland, hetwelk in de oogen van den vreemdeling er zoo armzalig uitziet, voortreffelijk geschikt is voor het weiden van schapen. De stad ligt op eene hoogte van 2200 voet boven de zee aan de oevers der Macquarie—eene der rivieren, welke in het uitgestrekte en bijna onbekende binnenland vloeit. De waterlinie, welke de binnenlandsche stroomen scheidt van die aan de kust, heeft eene hoogte van ongeveer 3000 voet, en loopt in eene noord-zuidelijke richting op een afstand van 80 tot 100 mijlen van de zeekust. Op de kaart is de Macquarie eene aanzienlijke rivier en de grootste van al degene, welke dit deel der scheiding ontwateren; toch vond ik tot mijne verwondering, dat zij slechts eene aaneenschakeling was van poelen of vijvers, die door bijna droge ruimten van elkander gescheiden waren. Meestal zijn de kleine rivieren stroomend, en vormen somtijds hooge en onstuimige vloeden. Is de watertoevoer in dit district schaarsch te noemen, verder landwaarts in wordt hij nog schaarscher.

22 Januari.Ik ving mijn terugtocht aan en volgde een anderen weg,Lockyer’s Lanegenaamd, door een wat heuvel- en schilderachtiger landstreek. Het was een lange dagrit, en het huis, waarin ik wilde slapen, lag eenigszins van den weg af en was niet gemakkelijk te vinden. Evenals bij alle andere gelegenheden, ontdekte ik ook nu zeer algemeen onder den lageren stand eene bereidvaardige wellevendheid, die men met het oog op het heden en verleden van deze lieden bijna niet verwacht zou hebben. De hoeve, waar ik den nacht doorbracht, was het eigendom van twee jongelieden, die eerst onlangs aangekomen en een kolonisten-leven begonnen waren. Het volslagen gemis van alle gerief was niet zeer aanlokkend; maar zij hadden het vooruitzicht op eene zekere voorspoedige toekomst, en dat binnen niet langen tijd.

Den volgenden dag trokken wij door groote stukken land, die in vlammen stonden en waar rookwolken over den weg zweefden; daarna bereikten wij nog voor den middag onzen vorigen weg, en beklommen den Mount Victoria. Ik sliep in The Weatherboard, en wandelde vóór het vallen van de duisternis naar de amphitheatervormige verdieping. Op den weg naar Sydney bracht ik een zeer genoeglijken avond door bij kapitein King te Dunheved, en eindigde hier mijn uitstapje in de kolonie Nieuw Zuid-Wallis.

Voordat ik hier kwam, boezemden drie zaken mij meer belang in dan alle overige, nl.: de maatschappelijke gesteldheid onder de hoogere standen; de toestand der dwangarbeiders, en de vraag welke omstandigheden aantrekkelijk genoeg zijn om personen tot landverhuizing te bewegen. Natuurlijk heeft de meening van iemand, die, zooals ik, er slechts een zeer kort bezoek bracht, bijna geen waarde; maar het is even moeilijk zich van eene meening te onthouden, als om een juist oordeel te vellen. Naar hetgeen ik hoorde, meer dan naar wat ik zag, was ik omtrent de maatschappelijke gesteldheid over het geheel teleurgesteld. De geheele samenleving is over bijna elk onderwerp in haatdragende partijen verdeeld; en velen onder hen, die volgenshun stand de besten moesten zijn, leiden in het openbaar zulk een ongebonden leven, dat achtingswaardige lieden niet met hen kunnen verkeeren. Er is veel jaloerschheid tusschen de kinderen der rijke vrijgelaten misdadigers en van de vrije kolonisten, waarvan de eersten er behagen in scheppen eerlijke lieden als indringers te beschouwen. De geheele bevolking, arm en rijk, wordt beheerscht door de zucht om rijkdom te verwerven; en onder de hoogere standen vormen wol en schapenteelt voortdurend de onderwerpen van gesprek. Er zijn vele ernstige schaduwzijden in het geluk van een gezin, waarvan wellicht de voornaamste is, dat men omringd is door misdadige bedienden. Hoe in-hatelijk is het niet voor uw gevoel, bediend te worden door een man, die wellicht op uwe aanwijzing daags te voren om een beuzelachtig vergrijp gestraft werd. Met de vrouwelijke bedienden is het natuurlijk nog erger gesteld. Zoo komt het, dat kinderen de laagste uitdrukkingen leeren; en men mag van geluk spreken, indien zij ook geen gemeene daden leeren.

Hier staat tegenover, dat het kapitaal van iemand, zonder eenige moeite van zijn kant, hem driemaal meer rente opbrengt dan in Engeland; en indien hij voorzichtig is, heeft hij de zekerheid rijk te worden. Levensweelde is er in overvloed en zeer weinig duurder dan in Engeland; de meeste voedingsmiddelen zijn zelfs goedkooper. Het klimaat is prachtig en volmaakt gezond; maar volgens mijn idee gaan die bekoorlijkheden verloren door het onaantrekkelijk voorkomen van het land. Een groot voordeel voor de kolonisten is, dat hunne zoons op zeer jeugdigen leeftijd van nut kunnen zijn. Op den leeftijd van 16 tot 20 jaren nemen hunne jongens dikwijls het beheer van afgelegen pachthoeven op zich, wat intusschen dit nadeel heeft, dat zij dan geheel met het misdadigers-personeel moeten verkeeren. Ik weet niet of de maatschappelijke geest een bijzonder kenmerk heeft gekregen; maar bij zulke leefwijzen en zonder eenig streven naar geestelijke ontwikkeling, kan het haast niet anders of die geest moet ontaarden. Mijne overtuiging is, dat niets dande bittere, harde noodzakelijkheid mij zou kunnen bewegen hierheen te trekken.

De snelle voorspoed en de toekomstige vooruitzichten dezer kolonie geven mij, die geen verstand van deze onderwerpen heeft, veel te denken. De twee voornaamste uitvoerartikelen zijn wol en traan, en voor deze beide producten bestaat eene grens.11Het land is geheel ongeschikt voor kanalen, zoodat reeds op niet zeer grooten afstand het verdere vervoer van wol over land de kosten van het scheren en hoeden der schapen niet loont. Het gras is overal zoo dun, dat kolonisten reeds ver het binnenland zijn ingegaan; bovendien wordt de streek, dieper landwaarts in, buitengewoon arm. Ten gevolge van de droogte kan de landbouw nooit op uitgebreide schaal slagen; en daarom zal Australië, voor zoover ik zien kan, ten slotte alleen afhangen van zijne ligging als handels-centrum voor het zuidelijk halfrond, en misschien van zijne toekomstige fabrieken. Daar het steenkool bezit, heeft het altijd de beweegkracht bij de hand. Twee omstandigheden waarborgen ons, dat Australië een zeevarend land zal zijn: eerstens de Engelsche afkomst der natie, en vervolgens de bewoonbaarheid van het land langs de kust. Vroeger verbeeldde ik mij, dat Australië een even belangrijk en machtig land zou worden als Noord-Amerika; maar nu schijnt mij zulk eene grootsche toekomst eenigszins twijfelachtig.

Wat den toestand der misdadigers of gedeporteerden betreft, dezen had ik nog minder gelegenheid te beoordeelen dan andere onderwerpen. De eerste vraag is of hun toestand eigenlijk wel eenstrafmag heeten: in elk geval zal niemand beweren, dat het eene zeer strenge is. Ik onderstel echter, dat dit van weinig gevolg is, zoolang die toestand aan misdadigers in hun eigen land vrees inboezemt. Delichamelijke behoeften der veroordeelden worden vrij wel bevredigd; hun vooruitzicht op toekomstige vrijheid en welzijn is niet ver en, bij goed gedrag, zeker. Een “ontslagbriefje”, dat den man binnen een bepaald district vrijmaakt, zoolang hij zich buiten verdenking of misdaad houdt, wordt bij goed gedrag uitgereikt na een aantal jaren, evenredig aan den duur der straf. Ondanks dit alles, en met voorbijzien van de voorloopige hechtenis en den ellendigen overtocht, geloof ik, dat de jaren van verbanning in misnoegen en ongeluk worden gesleten. Naar een schrander man mij verzekerde, kennen de veroordeelden geen ander genot dan zinnelijkheid, en daarin worden zij niet tevreden gesteld. Het krachtig lokaas, dat de Regeering bezit in het aanbieden van amnestie, gevoegd bij den diepen afschuw van de eenzame strafkolonies, schokt het vertrouwen onder de misdadigers en voorkomt zoo de misdaad. Wat hun gevoel van schaamte betreft—iets dergelijks schijnt niet bekend te zijn, en daarvan zag ik eenige zeer zonderlinge bewijzen. Al klinkt het ook vreemd, toch werd mij algemeen gezegd, dat het karakter der misdadigers-bevolking schandelijk lafhartig is; niet zelden worden sommigen wanhopig en geheel onverschillig voor het leven; maar een plan, dat koelbloedigheid of vastberadenheid vereischt, komt zelden tot uitvoering. Het ergste in het geheele geval is, dat, ofschoon er een wat men zou mogen noemen wettelijke hervorming bestaat en er betrekkelijk weinig wordt bedreven waarop de wet vat kan hebben, van het tot stand komen eener zedelijke hervorming volstrekt geen sprake schijnt te zijn. Wel ingelichte personen verzekerden mij, dat, al zou een man zich trachten te verbeteren, hem dit onmogelijk zou zijn zoolang hij met andere veroordeelden samenleeft: hij zou een leven hebben van ondragelijke kwelling en ellende. Ook moet men niet vergeten, dat strafschepen en gevangenissen, zoowel hier als in Engeland, de besmetting in de hand werken. Over het geheel is het doel: eene strafkolonie te stichten, geenszins bereikt; als werkelijk stelsel van hervorming is het mislukt, zooals misschien elk ander plan misluktzou zijn; maar als middel om menschen uiterlijk braaf te maken: om landloopers, zwervers, die geheel onnut waren in het eene halfrond, te veranderen in werkzame burgers in het andere, en zoodoende een nieuw en prachtig land te stichten, een groot beschavingsmiddelpunt—is het plan geslaagd tot eene hoogte, wellicht zonder wederga in de geschiedenis.

30 Januari.DeBeaglezeilde naar Hobart Town op Van Diemensland. Na eene zesdaagsche reis, waarvan het eerste gedeelte fraai, het laatste zeer koud en stormachtig was, stevenden wij den mond der Storm-Baai binnen. Het weder rechtvaardigde dezen gevreesden naam. De baai moest eerder “riviermond” worden genoemd, want aan haar boveneinde neemt zij de wateren van de Derwent op. Bij de monding liggen eenige uitgestrekte basaltterrassen, maar verder op wordt het land bergachtig en is het met een licht bosch bedekt. Op de lagere gedeelten der heuvels, die de baai omgeven, is het hout gerooid en prijken heldergele koren- en donkergroene aardappelvelden in weligen overvloed. Laat in den avond ankerden wij in de aardige verscholen kreek, aan de oevers waarvan de hoofdstad van Tasmanië ligt. De eerste aanblik der stad deed zeer onder voor dien van Sydney; de laatste zou men eencityof groote stad kunnen noemen, gene slechts eentownof landstad. Zij ligt aan den voet van Mount Wellington, een berg van 3100 voet hoogte, dochvangeringe schilderachtige schoonheid. Van dezen berg ontvangt de stad een flinken toevoer van water. Rondom de kreek stonden eenige fraaie pakhuizen en aan den eenen kant een klein fort. Wanneer men uit de Spaansche koloniën komt, waar aan de vestingwerken in ’t algemeen zulke uitstekende zorg wordt besteed, schijnen de verdedigingsmiddelen in deze koloniën zeer armzalig. Bij vergelijking van de stad met Sydney, trof mij hier in hoofdzaak het betrekkelijk klein aantal groote huizen, diegebouwd of nog in aanbouw waren. Volgens de telling van 1835 bevatte Hobart Town 13.826 inwoners, en geheel Tasmanië 36.505.12

Alle inboorlingen zijn overgebracht naar een eiland in de Bass-Straat, zoodat Van Diemensland het groote voordeel geniet van geen inlandsche bevolking te bezitten. Deze uiterst wreede stap schijnt geheel onvermijdelijk geweest te zijn, en het eenige middel om een einde te maken aan een ontzettend aantal plunderingen, brandstichtingen en moorden, door de inboorlingen gepleegd en die vroeg of laat hunne geheele uitroeiing ten gevolge zouden hebben gehad. Ik vrees, dat deze reeks van euveldaden en hare gevolgen ongetwijfeld hare oorzaak vond in het schandelijke gedrag van enkele mijner landgenooten.13Dertig jaren is een kort tijdbestek om den laatsten inboorling uit zijn vaderland te verdrijven, een eiland bijna zoo groot als Ierland.14De briefwisseling, welke daarover tusschen de regeering in het moederland en die van Tasmanië gevoerd werd, is zeer belangwekkend. Hoewel in de schermutselingen, die vele jaren lang bij tusschenpoozen plaats hadden, tal van inboorlingen neergeschoten of gevangen genomen waren, schijnt niets hen zoozeer van onze overweldigende macht overtuigd te hebben, als toen in 1830 het geheele eiland onder de krijgswet werd gesteld en alle bewoners bij proclamatie bevel kregen om den geheelen stam in een enkelen grooten aanval te overmeesteren. Het ontworpen plan geleek ongeveer op dat der groote drijfjachten in Indië; er werd een cordon dwars over het eiland getrokken met het doel de inlanders op Tasman’s schiereiland in eencul-de-sacte drijven.De poging mislukte; de inboorlingen bonden hunne honden vast, en slopen in een enkelen nacht door de linie, met uitzondering van één knaap, die gevat werd. Dit is verre van verwonderlijk, zoo men let op hunne geoefende zintuigen en hunne gewoonte om achter de wilde dieren aan te kruipen. Men heeft mij verzekerd, dat zij de kunst verstaan zich op een bijna kalen grond te verbergen op eene wijze, die haast ongelooflijk is als men het niet gezien heeft, en waarbij hunne zwarte lichamen gemakkelijk worden aangezien voor de zwarte boomstompen, die over het geheele land verspreid zijn. Men vertelde mij van eene weddenschap tusschen eenige Engelschen en een inboorling, die voor ieder zichtbaar op de kale helling van een heuvel ging staan. Indien de Engelschen nog geen minuut lang de oogen sloten, zou hij op de hurken gaan zitten, en dan zouden zij hem nooit van de omringende boomstompen kunnen onderscheiden. Doch keeren wij tot onze drijfjacht terug. Toen de inlanders deze manier van oorlogvoeren begrepen, werden zij zeer ongerust, want zij ontdekten nu ook de macht en het aantal der blanken. Kort daarna verscheen een troep van 13 personen, tot twee verschillende stammen behoorende, die hunne weerloosheid beseffende, zich in wanhoop overgaven. Later werd door de onvermoeide pogingen van G. A. Robinson, architect te Hobart, die onbevreesd de meest verbitterde inboorlingen in hunne schuilhoeken opzocht, de geheele zwarte bevolking overgehaald om hetzelfde te doen. Zij werden toen naar een eiland gebracht,15waar men hen van voedsel en kleeren voorzag. Graaf Strzelecki verhaalt in zijne “Physical Description of New South Wales and Van Diemen’s Land,” blz. 354, dat “op het tijdstip van hun vervoer in 1835, het getal inboorlingen 210 bedroeg. In 1842, dus zeven jaren later, telden zij slechts 54 personen; en terwijl elk gezin in het binnenland van Nieuw Zuid-Wallis,waar de inboorlingen niet besmet worden door aanraking met blanken, rijk aan kinderen is, was dit getal op Flinders-Eiland in acht jaren tijds met slechts veertien vermeerderd!”

DeBeaglebleef hier tien dagen, en in dien tijd deed ik verscheidene aangename uitstapjes, voornamelijk met het doel om de geologische gesteldheid der naaste omgeving te onderzoeken. De belangrijkste uitkomsten daarvan zijn: ten eerste, eenige tot de Devonische of Steenkool-periode behoorende lagen, welke buitengewoon veel versteeningen bevatten; ten tweede, bewijzen van eene kleine landrijzing in een geologisch jong verleden, en eindelijk eene afgezonderde oppervlakkige laag van geelachtigen kalksteen of travertijn, met talrijke indruksels van boombladeren en ingesloten schelpdieren van niet meer levende soorten. Niet onwaarschijnlijk bevat deze enkele kleine kalkgroeve de eenig overgebleven sporen der flora van Van Diemensland gedurende een vroeger geologisch tijdperk.

Het klimaat is hier vochtiger dan in Nieuw Zuid-Wallis, en daardoor het land vruchtbaarder. De landbouw bloeit, de ontgonnen velden hebben een goed aanzien, en de tuinen vloeien over van welige groenten en vruchtboomen. Sommige pachterswoningen, die op afgelegen plekken stonden, boden een zeer schilderachtigen aanblik. Het algemeen voorkomen der plantenwereld gelijkt op dat der Australische flora, misschien iets groener en frisscher, en het weidegras tusschen de boomen iets overvloediger. Op zekeren dag deed ik eene lange wandeling aan den kant der baai tegenover de stad, en stak over op eene stoomboot, waarvan er twee voortdurend heen en weer voeren. De machinerieën van een dezer vaartuigen waren geheel in deze kolonie, die toen pas 33 jaren sedert hare stichting bestond, vervaardigd. Op een anderen dag besteeg ik Mount Wellington en nam daartoe een gids mede, want eene eerste poging mislukte mij wegens de dichtheid van het bosch. Onze gids was echter een dom man en bracht ons naar den vochtigen zuidkant van den berg, waar de plantengroei zeer welig en het beklimmingswerk,ten gevolge van de menigte verrotte stammen, bijna even moeilijk was als op een berg in Vuurland of op Chiloë. Het kostte ons vijf en een half uur ingespannen klimmen, voordat wij den top bereikten. Op sommige gedeelten groeiden deEucalyptitot eene aanzienlijke hoogte en vormden een prachtig woud.16In eenige van de diepste ravijnen bloeiden varenboomen op buitengewone schaal; ik zag er een, die tot het ondervlak der loofkroon minstens 20 voet hoog was en juist zes voet omtrek had. Het loofdak vormde de sierlijkste zonneschermen en verspreidde eene donkere schaduw als in het eerste uur van den nacht. De top van den berg is breed en vlak, en bestaat uit reusachtige brokken kalen groensteen. Zijne hoogte is 3100 voet boven de zee. Het was een prachtig heldere dag, en wij hadden een ruim uitzicht: in het noorden geleek het land eene aaneenschakeling van begroeide bergen, ongeveer even hoog als die waarop wij stonden, en even gelijkvormig in omtrek; in het zuiden lag het gebroken land en water met zijne vele verwikkelde baaien duidelijk als op eene landkaart voor ons. Nadat wij eenige uren op den top hadden doorgebracht, vonden wij een beteren weg om af te dalen, doch bereikten deBeagleniet vóór des avonds 8 ure, na een dag van ingespannen beweging.

7 Februari.DeBeaglezeilde uit Tasmanië en bereikte op den 6den der volgende maand de zeeëngte van King George, welke dicht bij den zuidwesthoek van Australië ligt. Hier bleven wij acht dagen; maar op onze geheele reis brachten wij niet zulk een doodschen en vervelenden tijd door. Van eene hoogte gezien, doet het land zich voor als eene boschachtige vlakte, waaruit hier en daar ronde en gedeeltelijk kale granietheuvels verrijzen. Een dezer dagen ging ik met een gezelschap op weg,in de hoop eene kangoeroe te zullen zien, en trok vele mijlen ver het land in. Overal vonden wij een zeer armen zandgrond, nu eens bedekt met een grof gewas van dun, laag kreupelhout en borstelig gras, dan met een woud van kwijnende boomen. Het landschap geleek op dat der zandsteenen hoogvlakte in de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid-Wallis, met dit verschil, dat deCasuarina(een boom die iets weg heeft van den Schotschen den) hier talrijker is, en deEucalyptusiets minder voorkomt.17Op de open gedeelten waren vele grasboomen, d.w.z. planten, die uiterlijk eenigszins aan den palmboom verwant zijn, maar in plaats van eene fraaie bladerkroon te bezitten, slechts op een bosje van zeer grove grasachtige bladeren kunnen bogen.18Op een afstand gezien, scheen de meestal lichtgroene kleur van het kreupelhout en andere planten vruchtbaarheid te voorspellen; maar eene enkele wandeling was voldoende om deze illusie te verdrijven; en wie het met mij eens is, zal niet verlangen op nieuw een tocht door zulk een ongastvrij oord te doen.

Op een anderen dag vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar Bald Head—eene plaats, door zoo vele zeevaarders vermeld, en waar eenigen zich verbeelden koralen te zien, anderen versteende boomen, die nog in de houding stonden waarin zij gegroeid waren. Naar onze meening, zijn degrondlagengevormd doordien de wind het fijne, uit kleine ronde schelp- en koraaldeeltjes bestaande zand golfsgewijze ophoopte, waarbij takken en wortels van boomen met vele landschelpen onder het zand bedolven werden. Toennu de doorzijgende kalkhoudende stof de geheele massa verhardde, werden ook de cylindervormige, door rotting van het hout ontstane holten met eene harde druipsteenachtige massa gevuld. Doch langzamerhand spoelt de neerslag uit den dampkring de weekere deelen weg; de harde vormen van de takken en wortels der boomen steken daardoor boven de oppervlakte, en gelijken zeldzaam bedriegelijk op de boomstompen van een dood kreupelbosch.

Terwijl wij in deze kolonie waren, bracht een groote stam inlanders, genaamd de Mannen van den Witten Kaketoe, er juist een bezoek. Aangelokt door het aanbod van eenige vaatjes rijst en suiker, werden deze mannen, benevens die van den stam, welke aan de zeeëngte van King George thuis behoort, overgehaald om eencorroboriof groote danspartij te houden. Zoodra het donker werd, zag men kleine vuren ontsteken en begonnen de mannen hun toilet te maken, hierin bestaande, dat zij zich met witte vlekken en strepen beschilderden. Toen alles gereed was, werden groote vuren in lichtelaaien gloed gezet, rondom welke vrouwen en kinderen zich als toeschouwers verzamelden, en verdeelden de mannen van den Kaketoe en van King George zich in twee partijen, waarin men nu twee aan twee tegenover elkander begon te dansen. Het dansen bestond hierin, dat zij of zijdelings, of zooals de Indianen op ééne rij, naar eene open ruimte liepen, en gedurende die gemeenschappelijke beweging met groote kracht op den grond stampten. Hunne zware voetstappen gingen vergezeld van een soort van gedreun, door het tegen elkander slaan van hunne knuppels en speren, en verschillende andere gebaren, als het uitsteken van de armen en het wringen van het lichaam. Het was een uiterst ruw en wild schouwspel, dat naar onze meening geheel zonder zin was; toch merkten wij op, dat de zwarte vrouwen en kinderen er met het grootste genoegen naar keken. Wellicht stelden deze dansen oorspronkelijk handelingen voor, als symbolen van gevechten en overwinningen. Eén dans was er, genaamd de Emu-dans, waarin elk man zijn arm in eene gebogen houding uitstrekte, evenals dehals van een vogel. Bij een anderen dans bootste een man de bewegingen na van een kangoeroe, die in de bosschen graast, terwijl een tweede hem besprong, schijnbaar om hem aan zijne speer te rijgen. Als beide stammen aan den dans deelnamen, beefde de grond onder hunne zware voetstappen, en weergalmde de lucht van hunne woeste kreten. Allen schenen zeer opgewonden; en die drom van bijna naakte gestalten, gezien bij het rosse schijnsel der hoogvlammende vuren, allen in duivelachtige eenparige beweging—dat tooneel, gevoegd bij de woeste kreten van dansers en omstanders, vormde een volmaakt schouwspel van een feest onder de laagste wilden. In Vuurland hebben wij vele zonderlinge tooneelen uit het leven der wilden gezien, maar ik geloof nooit een, waar de inboorlingen zoo opgewonden en zoo volkomen in hun element waren als bij dezen dans. Toen de dans was afgeloopen, schaarde de geheele troep zich in een grooten kring op het terrein, en werd, tot aller blijdschap, de gekookte rijst met suiker rondgedeeld.

Na verscheidene vervelende dagen, doordien het weder betrokken was, stevenden wij den 14den Maart 1836 uit de zeeëngte van King George en zetten koers naar Keeling-Eiland.

Vaarwel, Australië! Ge zijt een aankomend kind, en zult gewis na zekeren tijd als grootvorstin regeeren in het Zuiden! Maar al zijt ge nog niet groot genoeg voor eerbied, dan toch te groot en eerzuchtig voor genegenheid. Ik verlaat uwe stranden zonder droefheid of spijt...

1Deze Amerikaan leefde van 1755–1836.2Het is opmerkelijk, hoezeer dezelfde ziekte in verschillende klimaten gewijzigd wordt. Op het eiland St.-Helena wordt de invoering van scharlakenkoorts als eene plaag gevreesd. In sommige landen worden vreemdelingen en inboorlingen door sommige besmettelijke ziekten even verschillend aangetast, als waren zij verschillende dieren. Van dit feit heeft Chili eenige voorbeelden gegeven, en, volgens A. von Humboldt, ook Mexico. (Essai politique sur la Nouvelle Espagne).3De Maoris op N.-Zeeland zeggen: “Wij zullen ondergaan, evenals onze reuzenvogel, deDinornis. Evenals de klaver het varenkruid doodde en de Europeesche hond den hond der Maoris; evenals onze rat vernietigd werd door de Pakeha-rat, zoo zal ookons volkdoor de Europeanen verdrongen en vernietigd worden.”(Vert.)4”Narrative of Missionary Enterprise,”blz. 282.5Kapitein Beechy zegt (Deel I, hoofdstuk 4), dat de bewoners van het eiland Pitcairn (in de Zuidzee met eene oppervlakte van 5 □ km. en 126 zielen) vast overtuigd zijn, dat zij na aankomst van elk schip aan huid- en andere aandoeningen lijden. Hij schrijft dit toe aan de diëetverandering tijdens het bezoek. Dr. Macculloch (”Western Isles”, deel II, blz. 32) zegt: “Men verzekert, dat bij aankomst van een vreemdeling op St.-Kilda, alle bewoners volgens de gewone zegswijze eene verkoudheid opdoen.”—Hijzelf beschouwt de geheele zaak als belachelijk, hoewel zij vroeger dikwijls bevestigd is, doch voegt er bij: “Toen wij den inwoners de vraag voorlegden, verklaarden zij eenstemmig, dat het verhaal juist was.” In de Reis van Vancouver vindt men eene ongeveer gelijke mededeeling over Otaheite. Dr. Dieffenbach zegt in eene noot bij zijne vertaling van dit “Dagboek”, dat hetzelfde feit algemeen geloofd wordt door de bewoners van de Chatham-Eilanden (ten oosten van N.-Zeeland, 971 □ Km.) en in sommige gedeelten van Nieuw-Zeeland. Onmogelijk kon zulk een geloof algemeen ingang hebben gevonden in het noordelijk halfrond, bij de Tegenvoeters en in den Stillen Oceaan, zonder dat er een goede grond voor bestond. Humboldt zegt in zijnEssai politique sur la Nouvelle Espagne, dat de groote besmettelijke ziekten in Panama en Callao “gekenmerkt” zijn door de komst van schepen uit Chili, omdat de menschen uit die gematigde luchtstreek het eerst de noodlottige werking der heete landen ondervinden. Ik wil hier bijvoegen, dat ik in Shropshire heb hooren verzekeren, dat schapen, welke op schepen ingevoerd en bij anderen in hetzelfde hok worden gebracht, dikwijls ziekten onder de kudde voortbrengen, ofschoon zijzelven in gezonden staat verkeeren.6”Travels in Australia”, deel I, blz. 154. Voor verscheidene belangwekkende persoonlijke mededeelingen, betreffende deze groote valleien in Nieuw-Zuid-Wallis, moet ik den heer Mitchell mijn dank betuigen.7MacropusenHypsiprimnusbehooren beide tot deMacropodidae, eene familie van de Kangoeroes (Poëphaga), welke eene Orde zijn van deMarsupialiaof Buideldieren.(Vert.)8Ook welCasuarius emeugenoemd.9Dit dier behoort tot deMonotremata—eene onderklasse der zoogdieren, welke zich hierdoor onderscheidt, dat deindividuënslechts ééne opening (τρῆμα= gat) bezitten voor het verwijderen der uitwerpselen.(Vert.)10Met belangstelling vond ik hier den hollen kegel- of trechtervormigen val van de leeuwenmier (Myrmeleon formicarius), of een ander insect. Eerst viel eene vlieg de verraderlijke helling af en verdween onmiddellijk; toen kwam eene groote maar onvoorzichtige mier. Bij de hevige pogingen, welke deze deed om los te komen, wierp de leeuwenmier snel hoopjes zand naar het verwachte slachtoffer (Volgens Kirby en Spence zou de leeuwenmier dit met haren staart doen). Maar de mier had een beter lot dan de vlieg en ontkwam aan de noodlottige kaken, die op den bodem van den hollen trechter verborgen waren. De val van de Australische leeuwenmier was ongeveer slechts half zoo groot als die van de Europeesche.11Traan is sedert lang niet meer een hoofdartikel. In 1901 waren de voornaamste uitvoer-artikelen naar volgorde in millioenen ponden sterl.: goud (17.9); wol (17.8); zilver (4.2); kaas (3.1); dieren (2.9); vleesch (2.7); koper (2.3); huiden (1.9); steenkool (1.9); boter (1.8); suiker (1.3); leder (0.8); talk (0.7).12Hobart Town heet sedert 1 Juni 1881 eenvoudig Hobart. Volgens de telling van 3 Maart 1881 waren er 21.118 zielen en in geheel Tasmanië 115.705. In 1908 bedroegen die cijfers respect.: 40,330 en 185,800.13De Tasmaniërs (tot de Papoea’s behoorende), die men in 1815 nog op 5000 zielen schatte, zijn nu geheel uitgestorven. In 1867 stierf Truganini, ook wel Lalla Rookh genaamd, als laatstovergeblevene.(Vert.)14Tasmanië = 67894 □ Kilometer; Ierland = 84,253.15Een stam ging naar het Zwanen-Eiland, drie andere naar het eiland Gun-Carriage; doch later bracht men allen naar het Flinders-Eiland.(Vert.)16De stammen vanEucalyptus globulus(Blauwe Gomboom) bereiken hier eene hoogte van 100 meter en daarboven. Sommige boomen hebben 1 meter boven den grond een omtrek van 20 meter, en op 40 meter hoogte bedraagt die omtrek nog 13 meter.(Vert.)17Men onderscheidtCasuarina stricta,C. torulosaenC. tuberosa. De twee eersten noemen de kolonistenShea-oak, den laatstenBeefwood, naar de hardheid van hun hout, dat zeer gezocht is. Van deEucalyptikomt hier het meest in wouden voor:E. marginatus(Jarrah- of Westaustralische Mahagoniboom), waarvan het hout noch door de termieten, noch door den paalworm wordt aangetast.(Vert.)18Hun geslachtsnaam isXanthorrhoeaofKingia.(Vert.)

1Deze Amerikaan leefde van 1755–1836.

2Het is opmerkelijk, hoezeer dezelfde ziekte in verschillende klimaten gewijzigd wordt. Op het eiland St.-Helena wordt de invoering van scharlakenkoorts als eene plaag gevreesd. In sommige landen worden vreemdelingen en inboorlingen door sommige besmettelijke ziekten even verschillend aangetast, als waren zij verschillende dieren. Van dit feit heeft Chili eenige voorbeelden gegeven, en, volgens A. von Humboldt, ook Mexico. (Essai politique sur la Nouvelle Espagne).

3De Maoris op N.-Zeeland zeggen: “Wij zullen ondergaan, evenals onze reuzenvogel, deDinornis. Evenals de klaver het varenkruid doodde en de Europeesche hond den hond der Maoris; evenals onze rat vernietigd werd door de Pakeha-rat, zoo zal ookons volkdoor de Europeanen verdrongen en vernietigd worden.”

(Vert.)

4”Narrative of Missionary Enterprise,”blz. 282.

5Kapitein Beechy zegt (Deel I, hoofdstuk 4), dat de bewoners van het eiland Pitcairn (in de Zuidzee met eene oppervlakte van 5 □ km. en 126 zielen) vast overtuigd zijn, dat zij na aankomst van elk schip aan huid- en andere aandoeningen lijden. Hij schrijft dit toe aan de diëetverandering tijdens het bezoek. Dr. Macculloch (”Western Isles”, deel II, blz. 32) zegt: “Men verzekert, dat bij aankomst van een vreemdeling op St.-Kilda, alle bewoners volgens de gewone zegswijze eene verkoudheid opdoen.”—Hijzelf beschouwt de geheele zaak als belachelijk, hoewel zij vroeger dikwijls bevestigd is, doch voegt er bij: “Toen wij den inwoners de vraag voorlegden, verklaarden zij eenstemmig, dat het verhaal juist was.” In de Reis van Vancouver vindt men eene ongeveer gelijke mededeeling over Otaheite. Dr. Dieffenbach zegt in eene noot bij zijne vertaling van dit “Dagboek”, dat hetzelfde feit algemeen geloofd wordt door de bewoners van de Chatham-Eilanden (ten oosten van N.-Zeeland, 971 □ Km.) en in sommige gedeelten van Nieuw-Zeeland. Onmogelijk kon zulk een geloof algemeen ingang hebben gevonden in het noordelijk halfrond, bij de Tegenvoeters en in den Stillen Oceaan, zonder dat er een goede grond voor bestond. Humboldt zegt in zijnEssai politique sur la Nouvelle Espagne, dat de groote besmettelijke ziekten in Panama en Callao “gekenmerkt” zijn door de komst van schepen uit Chili, omdat de menschen uit die gematigde luchtstreek het eerst de noodlottige werking der heete landen ondervinden. Ik wil hier bijvoegen, dat ik in Shropshire heb hooren verzekeren, dat schapen, welke op schepen ingevoerd en bij anderen in hetzelfde hok worden gebracht, dikwijls ziekten onder de kudde voortbrengen, ofschoon zijzelven in gezonden staat verkeeren.

6”Travels in Australia”, deel I, blz. 154. Voor verscheidene belangwekkende persoonlijke mededeelingen, betreffende deze groote valleien in Nieuw-Zuid-Wallis, moet ik den heer Mitchell mijn dank betuigen.

7MacropusenHypsiprimnusbehooren beide tot deMacropodidae, eene familie van de Kangoeroes (Poëphaga), welke eene Orde zijn van deMarsupialiaof Buideldieren.

(Vert.)

8Ook welCasuarius emeugenoemd.

9Dit dier behoort tot deMonotremata—eene onderklasse der zoogdieren, welke zich hierdoor onderscheidt, dat deindividuënslechts ééne opening (τρῆμα= gat) bezitten voor het verwijderen der uitwerpselen.

(Vert.)

10Met belangstelling vond ik hier den hollen kegel- of trechtervormigen val van de leeuwenmier (Myrmeleon formicarius), of een ander insect. Eerst viel eene vlieg de verraderlijke helling af en verdween onmiddellijk; toen kwam eene groote maar onvoorzichtige mier. Bij de hevige pogingen, welke deze deed om los te komen, wierp de leeuwenmier snel hoopjes zand naar het verwachte slachtoffer (Volgens Kirby en Spence zou de leeuwenmier dit met haren staart doen). Maar de mier had een beter lot dan de vlieg en ontkwam aan de noodlottige kaken, die op den bodem van den hollen trechter verborgen waren. De val van de Australische leeuwenmier was ongeveer slechts half zoo groot als die van de Europeesche.

11Traan is sedert lang niet meer een hoofdartikel. In 1901 waren de voornaamste uitvoer-artikelen naar volgorde in millioenen ponden sterl.: goud (17.9); wol (17.8); zilver (4.2); kaas (3.1); dieren (2.9); vleesch (2.7); koper (2.3); huiden (1.9); steenkool (1.9); boter (1.8); suiker (1.3); leder (0.8); talk (0.7).

12Hobart Town heet sedert 1 Juni 1881 eenvoudig Hobart. Volgens de telling van 3 Maart 1881 waren er 21.118 zielen en in geheel Tasmanië 115.705. In 1908 bedroegen die cijfers respect.: 40,330 en 185,800.

13De Tasmaniërs (tot de Papoea’s behoorende), die men in 1815 nog op 5000 zielen schatte, zijn nu geheel uitgestorven. In 1867 stierf Truganini, ook wel Lalla Rookh genaamd, als laatstovergeblevene.

(Vert.)

14Tasmanië = 67894 □ Kilometer; Ierland = 84,253.

15Een stam ging naar het Zwanen-Eiland, drie andere naar het eiland Gun-Carriage; doch later bracht men allen naar het Flinders-Eiland.

(Vert.)

16De stammen vanEucalyptus globulus(Blauwe Gomboom) bereiken hier eene hoogte van 100 meter en daarboven. Sommige boomen hebben 1 meter boven den grond een omtrek van 20 meter, en op 40 meter hoogte bedraagt die omtrek nog 13 meter.

(Vert.)

17Men onderscheidtCasuarina stricta,C. torulosaenC. tuberosa. De twee eersten noemen de kolonistenShea-oak, den laatstenBeefwood, naar de hardheid van hun hout, dat zeer gezocht is. Van deEucalyptikomt hier het meest in wouden voor:E. marginatus(Jarrah- of Westaustralische Mahagoniboom), waarvan het hout noch door de termieten, noch door den paalworm wordt aangetast.

(Vert.)

18Hun geslachtsnaam isXanthorrhoeaofKingia.

(Vert.)


Back to IndexNext