Hoofdstuk XX.

Hoofdstuk XX.Keeling-Eiland—Koraalvormingen.1 April 1836.Wij kwamen in het gezicht der Keeling- of Kokos-Eilanden, die in den Indischen Oceaan en omstreeks 600 mijlen van de kust van Sumatra liggen. Deze groep behoort tot de uit koralen gevormde laguneneilanden (of atollen), gelijk aan die in den Lagen-Archipel (Tuamotu-Eilanden), welke wij in Nov. 1835 voorbijvoeren. Toen het schip bij den ingang van het kanaal was, kwam een Engelsch bewoner, de heer Liesk, in eene boot naar ons toe. De geschiedenis van de bewoners dezer eilanden is in de kortst mogelijke bewoordingen als volgt. Omstreeks negen jaren geleden bracht een nietswaardig persoon, Hare genaamd, een aantal Maleische slaven uit den Oostindischen Archipel hierheen, die nu ruim 100 zielen tellen, de kinderen medegerekend. Kort daarna kwam kapitein Ross, die deze eilanden vroeger met zijn koopvaardijschip bezocht had, vergezeld van zijn gezin en have uit Engeland hier aan, met het doel zich te vestigen. Tot zijn gezelschap behoorde ook Liesk, die stuurman op zijn schip geweest was. De Maleische slaven liepen spoedig van het eilandje weg, waarop Hare zich gevestigd had, en voegden zich bij de partij van Ross, zoodat Hare eindelijk genoodzaakt was deze eilanden te verlaten.In naam verkeeren de Maleiers nu in een staat van vrijheid, en wat hunne persoonlijke behandeling betreft, is ditook werkelijk zoo; doch in de meeste andere opzichten worden zij als slaven beschouwd. Deels door hunne ontevredenheid ten gevolge van de herhaalde verplaatsingen van het eene eiland naar het andere, en misschien ook door eenig wanbestuur, gaan de zaken niet voorspoedig. Het eiland heeft geen ander viervoetig huisdier dan het zwijn, en het voornaamste plantaardig voortbrengsel is de kokosboom. Zijn geheele welvaart hangt af van dezen boom; de geheele uitvoer bestaat in olie van deze noot en de noten zelven, die naar Singapore en Mauritius gaan, waar zij, na geraspt te zijn, voornamelijk bij de kerrie-bereiding worden gebruikt. Ook de vetgemeste varkens leven bijna geheel van kokosnoten, en hetzelfde geldt voor de eenden en kippen. Zelfs een groote landkreeft is door de natuur met de middelen toegerust om deze hoogst nuttige vrucht te openen en er van te leven.Op het ringvormige rif van het laguneneiland verheffen zich over een groot deel der lengte, lijnvormige eilandjes. Aan de noordzijde of lijwaarts is eene opening, waardoor de schepen kunnen binnenkomen om te ankeren. Bij onze binnenkomst was de aanblik zeer vreemd en niet onaardig, maar de schoonheid der plek hing bijna geheel af van de kleurschittering der omringende voorwerpen. Het ondiepe, klare en stille water der lagune, dat grootendeels op wit zand rust, straalt in het helderste groen, wanneer het door eene verticale zon verlicht wordt. Deze schitterende, vele mijlen breede ruimte wordt aan alle kanten begrensd, hetzij door eene reeks van sneeuwwitte brandingen, die haar scheiden van de donkere golven van den oceaan, of door strooken land, waarboven de kokosboomen hunne vlakke kruinen verheffen en die haar scheiden van het blauwe hemelgewelf. Evenals eene witte wolk hier en daar eene aangename breking geeft in het blauw des hemels, zoo tinten levende koraalbanken het smaragdgroene water in de lagune nog donkerder.Den volgenden morgen ging ik, nadat wij het anker hadden geworpen, op het eiland Direction aan wal. De strook droogland is hier slechts enkele honderden yards breed, en wordt aan den kant der lagune begrensd door een oever van witten kalksteen, die in dit heete klimaat eene zeer drukkende hitte uitstraalde, en aan de buitenkust door eene stevige, breede, vlakke koraalbank, welke diende om de kracht der volle zee te breken. Behalve in de nabijheid der lagune, waar eenig zand ligt, bestaat het land geheel uit ronde brokken koraal. In zulk een lossen, drogen en steenachtigen bodem een krachtigen plantengroei voort te brengen—dat kon alléén het klimaat der tusschenkeerkringsstreken. Op eenige van de kleinere eilandjes kon men zich verlustigen in de sierlijke groepeering der jonge en volwassen kokosboomen, die in bonte mengeling doch zonder wederzijdsche verstoring van vormen-symmetrie, in een enkel bosch vereenigd waren. Een oever van blinkend wit zand omsloot deze tooverachtige plekken.Ik zal nu eene korte schets geven van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden, welke door haar beperkten omvang van bijzonder belang is. Op het eerste gezicht schijnt het bosch alleen uit kokosboomen te bestaan; maar in werkelijkheid zijn er vijf of zes andere boomen. Een dezer bereikt eene zeer aanzienlijke hoogte, is echter wegens de groote weekheid van zijn hout onnut. Behalve de boomen, is het getal planten uiterst beperkt en bestaat uit nietsbeteekenend onkruid. In mijne verzameling, die, geloof ik, bijna de volledige flora omvat, zijn 20 species, ongerekend een mos, een korstmos (lichen), en een zwam (fungus). Tot dit aantal moeten twee boomen worden gerekend, waarvan de een niet in bloei stond, en de ander mij slechts van hooren zeggen bekend was. De laatste is in zijne soort een eenzame boom en groeit bij het strand, waar de golven ongetwijfeld de enkele zaden hebben aangespoeld. Op een der eilandjes groeit ook eenGuilandina. Tot de bovenstaande lijst reken ik niet het suikerriet, de banaan, eenige andere voedselplanten, vruchtboomen en ingevoerde grassen. Daar de eilanden geheel uit koraal bestaan, en weleer niets anders dan riffen waren, waarover het water spoelde,moeten al hunne landvoortbrengselen door de golven der zee zijn aangevoerd. Dienovereenkomstig heeft de plantenwereld geheel het kenmerk van een toevluchtsoord voor verlatenen. Prof. Henslow meldt mij, dat van de 20 soorten er 19 tot verschillende geslachten behooren, en deze weder tot niet minder dan 16 families.1In Holman’s “Reizen”2wordt, op getuigenis van A. S. Keating, die twaalf maanden op deze eilanden woonde, eene opsomming gegeven van de verschillende zaden en andere voorwerpen, die men weet dat daar aan strand zijn gespoeld:“Zaden en planten van Sumatra en Java zijn door de branding naar de windzijde der eilanden gedreven. Daaronder zijn gevonden: deKimiri, thuis behoorende op Sumatra en het schiereiland Malakka; de om haren vorm en grootte bekende kokosnoot van Bali; deDadap(Erythrina indica), die door de Maleiers met den peperstruik geplant wordt: (laatstgenoemde windt zich daarbij om zijn stam, en steunt hiertegen met de stekels op zijn stengel); verder de zeepboom (Sapindus); de castorolie-plant (Ricinus); stammen van den sagopalm (Sagus), en verschillende soorten van zaden, die den op de eilanden wonenden Maleiers onbekend waren. Men vermoedt, dat deze alle door den noordwest-moesson naar de kust van Nieuw-Holland zijn gedreven, en van daar door den zuidoost-passaat naar deze eilanden. Ook zouden gevonden zijn groote hoeveelheden Java-teakhout (Tectonia grandis) en Geelhout (Virgilia lútea), alsmede reusachtige roode en witte cederboomen, en de blauwe gomboom van Nieuw-Holland, in volkomen ongeschonden staat. Alle harde zaden, zooals van slingerplanten, behouden hun kiemvermogen, maar de zachtere soorten, waaronder deManggustan, (een Oostindischevrucht ter grootte van een appel, met een zacht, sappig vruchtvleesch), gaan op den overtocht verloren. Nu en dan zijn ook vischkano’s, blijkbaar van Java, aan strand gespoeld.”Deze feiten zijn van belang, omdat zij ons leeren, hoe talrijk de zaden zijn, die uit verschillende landen komende, over den grooten oceaan worden gedreven. Prof. Henslow zegt mij, dat bijna alle planten welke ik van deze eilanden meebracht, naar zijne meening gewone strandsoorten zijn in den Oostindischen Archipel. Wegens de richting der winden en stroomen, schijnt het echter bijna niet mogelijk, dat zij rechtstreeks hierheen konden komen. Met meer waarschijnlijkheid is door Keating beweerd, dat zij het eerst naar de kust van Nieuw-Holland werden gevoerd, en van daar tegelijk met de voortbrengsels van dat land teruggedreven, zoodat de zaden vóór hunne ontkieming 1800 tot 2400 mijlen moeten hebben afgelegd.Chamisso zegt in zijne beschrijving van den Radack-Archipel, die in het westelijk deel van den Stillen Oceaan is gelegen3: “de zee voert de zaden en vruchten van vele boomen naar deze eilanden, alwaar de meeste van hen niet zijn opgegroeid. Het meerendeel van deze zaden schijnt echter het vermogen tot groeien niet verloren te hebben.” Ook zegt men, dat palmboomen ergens uit eene heete luchtstreek en stammen van noordelijke dennen hier aan land zijn gespoeld; deze dennen moeten dus een buitengewoon verren weg hebben afgelegd. Zulke feiten zijn in hooge mate belangwekkend. Het valt niet te betwijfelen, dat, indien er landvogels waren om de zaden op te pikken zoodra zij op ’t strand werden geworpen, alsook een beter voor hunnen groei geschikten bodem dan de losse brokken koraal, het meest afgelegene dezer laguneneilanden mettertijd eene veel rijkere flora zou bezitten dan het nu heeft.De lijst van landdieren is nog armer dan die der planten. Eenige eilandjes worden bewoond door ratten, die hierheen werden gebracht. Deze ratten worden door Waterhouse voor dezelfde gehouden als de Engelsche soort, maar zijn kleiner en lichter van kleur. Echte landvogels ontbreken; want een snip en een wachtelkoning (Rallus Phillippensis), ofschoon geheel in het droge kruid levende, behooren tot de Orde der Steltloopers (Grallae). Men zegt, dat vogels van deze Orde op vele van de lage eilandjes in den Stillen Oceaan voorkomen. Op Ascension, waar geen landvogel is, werd bij den top van den berg een wachtelkoning (Porphyrio simplex) geschoten, die hier blijkbaar een eenzame zwerver was. Op Tristan da Cunha, waar volgens Carmichael slechts twee landvogels zijn, komt een koet (Fulica) voor,4die eveneens een steltlooper is. Wegens deze feiten geloof ik, dat de steltloopers in ’t algemeen, na de talrijke soorten zwemvogels, de eerste nederzetters zijn op kleine afgelegen eilanden, en kan er bijvoegen, dat, telkens als ik ver in zee vogels zag, die geen eigenlijke zeevogels waren, zij tot de Orde der Steltloopers behoorden. Het is dus natuurlijk, dat zij de vroegste nederzetters worden op ver afgelegen landpunten.Van kruipende dieren zag ik slechts eene kleine hagedis. Wat de insecten betreft, heb ik getracht alle soorten te verzamelen. Behalve spinnen, die talrijk waren, vond ik dertien soorten, en hieronder slechts een enkelen kever.5Een kleine mier zwermde bij duizenden onder de losse droge koraalblokken,en was eigenlijk het eenige insect, dat overvloedig voorkwam. Ofschoon in vergelijking met de waters der naburige zee, de voortbrengselen van het land zoo schaarsch zijn, is het aantal bewerktuigde wezens inderdaad oneindig groot. Chamisso heeft (Kotzebue’sFirst Voyage, deel III blz. 222) de natuurlijke geschiedenis van een laguneneiland in den Radack-Archipel beschreven; en het is merkwaardig, hoezeer de bewoners daarvan in aantal en soort op die van Keeling-Eiland gelijken. Er zijn eene hagedis en twee steltloopers: namelijk een snip (Scolopax) en een wulp (Numenius). Van planten zijn er 19 soorten met inbegrip van een varenkruid, en eenige daarvan zijn dezelfde als die welke hier groeien, niettegenstaande de plek zoo ontzettend ver en in een geheel anderen oceaan ligt.De lange strooken land, die de rechtlijnige eilandjes vormen, bereiken geene grootere hoogte dan tot waar de branding koraalbrokken kan opwerpen en de wind kalkhoudend zand ophoopen. De stevige bank van koraalgesteente breekt door hare breedte het eerste geweld der golven, die anders in één dag deze eilandjes met al wat zij voortbrengen zouden wegspoelen. Zee en land schijnen hier om het meesterschap te strijden; en ofschoon het vaste land eene plaats heeft veroverd, acht het water hier minstens even geldige rechten te bezitten. Op alle gedeelten ontmoet men krabben van meer dan ééne soort, die hier als kluizenaars leven, met de schelpdieren op haren rug, welke zij van het naburige strand gestolen hebben. In de boomen boven ons rusten talrijke witte rotspelikanen, fregatvogels en zeezwaluwen; en het bosch zou men een zeekraaiennest kunnen noemen, wegens de vele nesten en den stank, waarmede de dampkring vervuld is. Op hunne ruwe nesten gezeten, kijken de rotspelikanen u met een dom en toornig gezicht aan. De zeezwaluwen (Sterna) zijn, gelijk haar bijnaam van “domme” uitdrukt, onnoozele kleine schepsels; maar buiten deze is er eene kleine sneeuwwitte zeezwaluw, een bevallige vogel, die enkele voeten boven uw hoofd stil rondhuppelt, en met zijne groote, zwarte oogen kalm maar nieuwsgierig uw gelaatopneemt. Er is weinig verbeelding toe noodig, om zich voor te stellen, dat in zulk een tenger en fijn lichaam een dolende feeëngeest moet huizen.Zondag 3 April.Na den dienst vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar de nederzetting, die eenige mijlen ver op de punt ligt van een dicht met hooge kokosboomen bedekt eilandje. Kapitein Ross en de meergenoemde Liesk wonen in een aan beide kanten open huis, dat de gedaante heeft van eene schuur, en met matten van gevlochten schors omhangen is. De huizen der Maleiers staan langs het strand der lagune. De geheele plek had een eenigszins mistroostig aanzien, omdat er geen tuinen waren, die getuigen van eene zorgvuldige ontginning. De inboorlingen behooren tot verschillende eilanden in den Oostindischen Archipel, maar spreken allen dezelfde taal. Wij zagen er van Borneo, Celebes, Java en Sumatra. In kleur gelijken zij op de bewoners van Tahiti, van wie zij in trekken niet veel verschillen. Eenige vrouwen vertoonen echter veel van het Chineesche type. Mij beviel zoowel de gelaatsuitdrukking in ’t algemeen als de klank hunner stemmen. Zij schenen arm, en in hunne huizen ontbrak alle gerief van meubelen; maar uit het poezelig voorkomen der kindertjes bleek duidelijk, dat kokosnoten en zeeschildpadden geen slecht voedsel zijn.Op dit eiland liggen de putten, waaruit de schepen water opdoen. In ’t eerst schijnt het niet weinig vreemd, dat het zoete water met de getijden regelmatig ebt en wast, en men heeft zelfs gemeend, dat zand het vermogen bezit om het zout uit het zeewater te filtreeren. Deze ebbende putten komen ook op eenige lage eilanden in West-Indië voor. Het samengedrukte zand of het poreuze koraalgesteente wordt evenals eene spons van het zoute water doorzegen; maar de regen, die op de oppervlakte valt, moet dalen tot het peil der omringende zee en zich daar ophoopen onder verplaatsing van een gelijk volume zoutwater. Wanneer nu het water in het lagere gedeelte der groote sponsachtige koraalmassamet de getijden rijst en daalt, zal dit ook geschieden met het water bij de oppervlakte; en dit laatste zal zoet blijven, indien het gesteente dicht genoeg is om aanzienlijke mechanische vermenging te voorkomen. Graaft men echter een put op plaatsen, waar het land bestaat uit groote losse koraalbrokken met open tusschenruimten, dan is, blijkens hetgeen ik gezien heb, het water daarin brak.Na het middagmaal woonden wij een zonderling en half bijgeloovig schouwspel bij, dat de Maleische vrouwen ons te zien gaven. Een groote houten lepel, die in kleeren gestoken en naar het graf van een overleden man was gebracht, werd, volgens hare bewering, bij volle maanbegeesterden zou gaan springen en dansen. Na de noodige voorbereidingen, hielden twee vrouwen den lepel vast, die daarop in stuipachtige beweging geraakte en onder het gezang der omstaande vrouwen en kinderen goed in de maat ronddanste. Het was eene allerzotste vertooning; maar Liesk beweerde, dat vele Maleiers werkelijk aan de geestenbeweging van den lepel geloofden. De dans begon eerst nadat de maan was opgegaan; en toen wij hare heldere schijf zoo stil tusschen de lange, in den avondwind wuivende takken der kokosboomen zagen schijnen, werden wij ruimschoots voor ons wachten schadeloos gesteld. Op zichzelven zijn deze tropische landschappen zoo verrukkelijk, dat men hen bijna even lief krijgt als die in het eigen vaderland, waaraan wij door de fijnste snaren van het gemoed verbonden zijn.Den volgenden dag hield ik mij bezig met het onderzoek naar den zeer belangwekkenden, hoewel eenvoudigen bouw en oorsprong dezer eilanden. Daar het water bijzonder effen was, waadde ik over de buitenste bank van dood gesteente tot aan de levende koraaldijken, waarop de golfslag der volle zee breekt. In sommige geulen en holten zwommen visschen in prachtig groene en andere kleuren, en prijkten vele zoöphieten in wondervolle tinten en vormen. Het is verschoonbaar, dat men in geestdrift geraakt over het oneindig aantal bewerktuigde wezens, waarmede de keerkringszee,zoo kwistig in levensvormen, bevolkt is; toch moet ik bekennen, dat natuuronderzoekers die in welgekozen bewoordingen de onderzeesche grotten beschreven hebben als versierd te zijn met duizend schoonheden, volgens mijn idee eene eenigszins gezwollen taal gebezigd hebben.6 April.Ik vergezelde kapitein Fitz-Roy naar een eiland aan het hoofdeinde der lagune, en daarbij volgden wij een ingewikkeld kanaal, dat zich door velden van fijn vertakte koralen slingerde. Wij zagen verscheidene zeeschildpadden, en twee booten werden afgezonden om ze te vangen. Het water is zoo helder en ondiep, dat hoewel de zeeschildpad door snel duiken in de eerste oogenblikken uit het gezicht raakt, de vervolgers in hunne kano of zeilboot haar na eene niet zeer lange jacht inhalen. Op dit oogenblik springt een man, die in den boeg gereed staat, door het water heen op den rug der schildpad, grijpt haar met beide handen bij het nekschild, en laat zich zoo meevoeren totdat het dier uitgeput raakt en gevat wordt. Het was eene belangwekkende jacht, de twee booten zoo te zien rondvaren, en de mannen met het hoofd vooruit door het water te zien schieten om te trachten hunne prooi te grijpen. Kapitein Moresby meldt mij, dat de inboorlingen der in dezen zelfden oceaan gelegen Chagos-Eilanden op eene afgrijselijke manier het rugschild van de levende zeeschildpad wegnemen. “Het wordt met brandende houtskool bedekt, die de buitenste schaal omhoog doet krommen; daarna rukt men het met een mes af, en maakt het plat tusschen twee planken voordat het koud wordt. Na deze barbaarsche behandeling laat men het dier weer in zijn element terugkeeren, waar zich na eenigen tijd een nieuw schild vormt, dat echter te dun is om het dier van eenig nut te zijn. Het gevolg is dan ook altijd, dat de schildpad er kwijnend en ziekelijk uitziet.”Toen wij aan den kop der lagune kwamen, staken wij een smal eilandje over, en zagen hier op de kust naar den wind eene hevige branding staan. Ik kan moeilijk zeggen waarom:maar op mijn geest maakt de aanblik van de buitenkusten dezer laguneneilanden een zeer grootschen indruk. Er ligt iets grootsch in dat eenvoudige borstweringachtige strand, dien zoom van groene struiken en hooge kokosboomen, die stevige bank van dood koraalgesteente met hare groote, hier en daar verspreide losse brokken, en in die lange lijn van woedende brekers, die aan alle zijden aanrollen. Als de oceaan zijne golven over het breede rif werpt, schijnt hij u een onoverwinnelijke vijand van alvermogende kracht; toch zien wij hem tot staan gebracht en zelfs overwonnen door middelen, die u op ’t eerste gezicht zoo uiterst zwak en krachteloos schijnen. Niet dat de oceaan de koraalrotsen spaart! De groote brokken, die over het rif verspreid en opgehoopt zijn op het strand, waaruit de hooge kokosboom ontspruit, spreken duidelijk van de onbuigzame kracht der golven. Ook gunt de zee het land geen tijd van rust. De langdurige stijging, veroorzaakt door de gestadige werking van den passaatwind, die altijd in ééne richting over een uitgestrekt gebied waait, doet brekers ontstaan, bijna even machtig als die in gematigde luchtstreken tijdens een orkaan, en die met onverpoosd geweld woeden. Men kan deze golven niet zien zonder een gevoel van overtuiging, dat een eiland, ofschoon uit het hardste gesteente bestaande, hetzij porfier, graniet of kwarts, eindelijk voor zulk eene onweerstaanbare kracht moet zwichten en door de golven worden verslonden. Niettemin houden deze lage, onbeduidende koraaleilandjes zegevierend stand, want eene andere macht treedt op als tegenstander en mengt zich in den strijd. De krachten van het organische leven scheiden, een voor een, de molekulen koolzure kalk uit de schuimende branding, en vereenigen ze tot een hecht, symmetrisch samenstel. Laat vrij de oceaan er duizenden brokken afrukken, wat zegt dit tegen de tienduizenden nijvere arbeiders, die dag en nacht, maand in maand uit aan ’t werk zijn? Zoo zien wij dan het zachte en slijmachtige lichaam der poliep door tusschenkomst der levenswetten zegevieren over de ruwe mechanische kracht der golven van eenoceaan, dien noch de menschelijke kunst, noch zelfs de onbezielde werken der natuur met goed gevolg konden weerstaan!Niet voor des avonds laat keerden wij aan boord terug, want langen tijd bleven wij in de lagune bezig met het onderzoek van de koraalvelden en van de 1½ M. groote reuzenschelpen,6welke laatste zoo sterk zijn, dat iemand die zijne hand tusschen de schalen durft steken, haar niet zou kunnen lostrekken, zoolang het dier leeft. Bij het hoofdeinde der lagune vond ik tot mijne groote verbazing eene uitgestrekte ruimte van veel meer dan een mijl in het vierkant, bedekt met een woud van fijn vertakte koralen, die allen dood en verrot waren, ofschoon zij recht overeind stonden. In ’t eerst begreep ik volstrekt niet wat de oorzaak hiervan was, doch later viel mij in, dat zij aan den volgenden, eenigszins vreemden samenloop van omstandigheden was toe te schrijven. Ik moet echter vooraf zeggen, dat koralen zelfs niet een korten tijd aan de zonnestralen in de open lucht kunnen blootgesteld zijn, zonder te sterven, zoodat hare bovenste groeigrens bepaald wordt door die van het laagste water bij springgetijden. Uit eenige oude kaarten blijkt, dat het lange eiland bovenwinds voorheen door wijde kanalen in verscheidene eilandjes verdeeld was: welk feit ook hieruit blijkt, dat de boomen op die gedeelten jonger zijn. In den vroegeren toestand van het rif zou een sterke bries, door meer water over de borstwering te werpen, het peil der lagune hebben doen rijzen. Thans heeft zij eene tegengestelde werking; want niet alleen neemt het water in de lagune door stroomingen van buiten niet toe, maar het wordt zelf door de kracht van den wind naar buiten gestuwd. Zoo heeft men dan waargenomen, dat het getij nabij het hoofd der lagune gedurende eene sterke bries niet zoo hoog stijgt, als bij kalm weder. Volgens mijn idee, heeft dit niveau-verschil, ofschoon zonder twijfel zeer gering, dendood veroorzaakt van deze koraalboschjes, die in den vroegeren, meer open toestand van het buitenrif hunne hoogst mogelijke grens van verticalen groei bereikt hadden.Enkele mijlen ten noorden van Keeling is eene andere kleine atolle, binnen welke de lagune bijna geheel met koraalmodder gevuld is. Kapitein Ross vond in het conglomeraat-gesteente op de buitenkust een goed afgerond stuk groensteen bedolven, iets grooter dan een menschenhoofd, waarover hij zelf en zijne metgezellen zoo verwonderd waren, dat zij het stuk medenamen en als eene bijzonderheid bewaarden. Het voorkomen van dezen enkelen steen in eene omgeving van niets dan kalkhoudend gesteente, is zeer verrassend. Het eiland is bijna nooit bezocht geworden, en het is ook niet waarschijnlijk, dat er een schip is vergaan. Bij gebrek aan eene betere verklaring, kwam ik tot de slotsom, dat de steen, tusschen de wortels van een grooten boom verward, hierheen was gekomen; maar denkende aan den grooten afstand van het naastbij gelegen land, en aan het onwaarschijnlijke van zulk een samenloop van omstandigheden, nl. dat een steen zou vastgeraakt zijn in een boom, met den boom in zee gespoeld, zóó ver weggedreven, toen veilig geland en eindelijk zoodanig begraven zou zijn, dat hij ontdekt werd—schrok ik haast, dat een blijkbaar zoo onwaarschijnlijk middel van vervoer in mijn brein opkwam. Met veel belangstelling las ik daarom het verhaal van Chamisso, den te recht vermaarden natuuronderzoeker die Kotzebue vergezelde, dat de bewoners van den Radack-Archipel (de reeds genoemde groep laguneneilanden in den Stillen Oceaan) de steenen voor het scherpen van hunne werktuigen verkregen, door de wortels van boomen te onderzoeken welke op het strand waren geworpen. Blijkbaar moet dit verscheidene keeren gebeurd zijn, daar er wetten bestaan, dat zulke steenen aan het opperhoofd toebehooren, en elk die hen poogt te stelen straf ontvangt. Let men op de afgezonderde ligging dezer eilandjes te midden van een uitgestrekten oceaan (de reusachtige afstand van eenig land, behalve koraalvormingen, blijktwel het best uit de waarde welke de inboorlingen, die zulke kloeke zeevaarders zijn, aan elke soort van steenen hechten)7: alsmede op de geringe snelheid der stroomingen in eene open zee—dan schijnt het voorkomen van op deze wijze vervoerde steenen ons wonderlijk toe. Toch kunnen steenen dikwijls zoo vervoerd worden; en indien het eiland, waarop zij stranden, uit andere stoffen dan koraal bestaat, zullen zij nauwelijks de aandacht trekken en zal althans hun oorsprong nooit aanleiding geven tot gissingen. Bovendien kan dit vervoer langen tijd de aandacht ontgaan, daar de boomen, vooral die welke met steenen zijn beladen, waarschijnlijk onder de oppervlakte drijven. In de kanalen van Vuurland worden groote hoeveelheden drijfhout op het strand geworpen; maar uiterst zelden ziet men een boom op het water drijven. Misschien kunnen deze feiten eenig licht werpen op het geval, dat hoekige zoowel als afgeronde steenen soms in fijne bezonken stoffen begraven worden gevonden.Op een anderen dag bezocht ik het West-Eilandje, waar de plantengroei misschien overvloediger is dan op de overige. De kokosboomen groeien meestal gescheiden; maar hier bloeiden de jonge stammen onder hunne hooge bloedverwanten, en vormden met hunne lange en gebogen bladerkronen de meest belommerde priëelen. Alleen zij, die zoo iets ondervonden hebben, weten hoe heerlijk het is onder zulk lommer te zitten en het koele, aangename sap van de kokosnoot te drinken. Op dit eiland bevindt zich eene groote baaivormige ruimte, welke uit het fijnste witte zand bestaat; zij is geheel vlak en alleen bij hoog water door het getij bedekt. Uit deze groote baai ontspringen vele kleine kreken, die zich in de omringende bosschen verliezen. Het gezicht van zulk een veld met blinkend wit zand, rustig als eene bevroren watervlakte en omgeven door een rand van hooge,wuivende kokosstammen, vormde een zonderling, maar zeer aardig schouwspel.Boven heb ik gesproken van een kreeft, die van de kokosnoten leeft. Hij is zeer algemeen overal waar droog land is, bereikt eene monsterachtige grootte, en is na verwant aan of dezelfde alsBirgos latro.8Het voorste paar beenen eindigt in zeer sterke en forsche scharen, terwijl het achterste van zachtere en veel smallere voorzien is. In ’t eerst zou men het geheel onmogelijk achten, dat een kreeft eene met een stevigen dop omsloten kokosnoot kan openen; maar Liesk verzekerde mij, dat hij dit herhaaldelijk heeft zien doen. De kreeft begint met den dop vezel voor vezel stuk te plukken, en altijd van dat einde af, waar zich de zoogenaamde drie oogen bevinden. Is dit volbracht, dan begint de kreeft met zijne zware klauwen op een van de oogen te hameren, totdat er eene opening gemaakt is. Dan draait hij zijn lichaam om, en haalt met de twee achterste en smallere scharen de witte vleezige pit te voorschijn. Ik beschouw dit feit niet alleen als het merkwaardigste voorbeeld van instinct, waarvan ik ooit gehoord heb, maar ook als eene aanpassing in lichaamsbouw tusschen twee in het schema der natuur blijkbaar zoover van elkander staande organismen, als een kreeft en een kokosboom. DezeBirgosis in zijne leefwijze een dagdier; maar men zegt, dat hij elken nacht een bezoek aan zee brengt, zonder twijfel met het doel om zijne kieuwen te bevochtigen. Op de kust worden ook de jongen uitgebroed, die er vervolgens eenigen tijd leven. Deze kreeften wonen in diepe gaten, welke zij onder de wortels van boomen graven, en waar zij bijzonder groote hoeveelheden van de losgetrokken vezels der kokosnotedoppen verzamelen, om hierop als op een bed te rusten. Soms maken de Maleiers hiervan gebruik, en garen de vezels om er oud touwwerk van te maken. Deze kreeftenvormen een zeer goed voedsel; bovendien bevindt zich onder den staart van de grootereindividuëneene aanzienlijke hoeveelheid vet, dat, gesmolten, somtijds een kwart flesch vol heldere olie oplevert. Sommige schrijvers beweren, dat deBirgostegen de kokosboomen opkruipt, om de noten te stelen. Ik twijfel zeer of dit wel mogelijk is, maar met denPandanus(Pandang of Schroefboom) zou die beklimming veel gemakkelijker zijn. Liesk vertelde mij, dat deBirgosop deze eilanden leeft van de noten, die op den grond zijn gevallen.Kapitein Moresby deelt mij mede, dat deze kreeft de Chagos-Eilanden en de Seychellen bewoont, maar niet voorkomt op de naburige Maldivische Eilanden. Vroeger was hij talrijk op Mauritius, doch nu vindt men daar slechts enkele kleine. Naar men zegt bewoont deze soort, of eene met zeer overeenkomstige eigenschappen, één enkel koraaleiland in den Stillen Oceaan, noordelijk van de Gezelschaps-Eilanden. Als een bewijs hoe verbazend sterk het voorste paar scharen is, wil ik vermelden, dat Scoresby eens een kreeft in een sterken tinnen trommel opsloot, waarin beschuit geweest was, en het deksel met metaaldraad omwond. De kreeft boog echter de randen om en ontsnapte. Dit ombuigen geschiedde met zulk eene kracht, dat hij verscheidene kleine gaatjes door het tin boorde.Tot mijne groote verrassing vond ik twee koraalsoorten van het geslachtMillepora(M. complanataenM. alcicornis), die het vermogen bezaten tot steken. Versch uit het water genomen, zijn de steenen takken of platen op het gevoel ruw en niet kleverig, ofschoon zij een sterken, onaangenamen reuk bezitten. De stekende eigenschap schijnt bij verschillende exemplaren ongelijk te zijn; drukte of wreef men een stuk op de zachte huid van aangezicht of arm, dan ontstond gewoonlijk, na verloop van eene secunde, eene prikkelende gewaarwording, die slechts enkele minuten duurde. Toen ik echter op zekeren dag een der takken vluchtig met mijn gezicht aanraakte, ontstond onmiddellijk pijn; deze nam, zooals gewoonlijk, na enkele secundentoe, bleef eenige minuten lang hevig, en was nog een half uur daarna te bespeuren. Het gevoel was even onaangenaam als wanneer men een brandnetel aanraakt, doch geleek meer op dat, veroorzaakt doorPhysaliaof het Spaansche Fregat. Kleine, roode vlekken ontstonden op de zachte huid van den arm, en zagen er uit alsof zij blaren zouden trekken, hetgeen echter niet gebeurde. De heer Quoy meldt dit geval van deMillepora, en zoo hoorde ik ook van stekende koralen in West-Indië. Vele zeedieren schijnen dit steekvermogen te bezitten; behalve het Spaansche fregat, vele koralen, enAplysiaof de zeehaas van de Kaap-Verdische-Eilanden, wordt in de “Voyage of the Astrolabe” gesproken van eeneActiniaof zee-anemoon, en van een buigzaam aanSertulariaverwant koraaldier, die beiden dit middel tot aanvallen of verdedigen bezitten. Men zegt, dat in de Oostindische Zee een stekend zeewier wordt gevonden.Twee soorten van visschen, behoorende tot het geslachtScarus(papegaaivisch), welke hier algemeen zijn, leven uitsluitend van koraal; beiden zijn schitterend blauwgroen gekleurd en leven, de een altijd in de lagune en de ander tusschen de brekers op de buitenkust. Liesk verzekerde mij, dat hij herhaaldelijk geheele scholen visschen met hunne sterke beenige kaken op de toppen der koraaltakken had zien grazen. Bij verscheidene opende ik de ingewanden en vond die gevuld met kalkhoudende, zanderige modder van geelachtige kleur. Ook de slijmerige, walgelijke zeeblazen (Holothuroidea9aan onze zeesterren verwant), waarop de Chineesche lekkerbekken zoo verzot zijn, leven voor een groot deel van koralen, gelijk Dr. Allan mij bericht; en het beenig toestel binnen hun lichaam schijnt wel voor dit doel geschikt. DezeHolothuroidea, de visschen, de talrijke boorschelpen en borstelwormen (Nereïdae), die elk blok dood koraalgesteente doorboren, moeten zeer krachtigmedewerken tot het voortbrengen van de fijne witte modder, welke op den bodem en de oevers der lagune ligt. Prof. Ehrenberg vond echter bij onderzoek, dat eene hoeveelheid van deze modder, die, nat zijnde, in ’t oog vallend op fijngestampte kalk geleek, voor een deel uit kiezelschalige infusiediertjes bestond.12 April.Des morgens zeilden wij uit de lagune en zetten koers naar Isle de France. Het doet mij genoegen, dat wij deze eilanden bezocht hebben; want zulke vormingen behooren zeker tot de wonderlijkste voortbrengselen der Natuur. Op een afstand van 2200 yards van de kust (2012 M.) peilde kapitein Fitz-Roy met eene lijn van 7200 voet lengte (2195 M.) nog geen grond, waaruit dus blijkt, dat dit eiland een hooge onderzeesche berg is met nog spitsere hellingen dan de steilste vulkaankegel. De schotelvormige top meet bijna tien mijlen in doorsnede; en elk atoom, van af het kleinste deeltje tot het grootste steenblok in dezen hoogen berg, die toch nog klein is in vergelijking met zeer vele andere koraaleilanden, draagt den stempel van langs organischen weg ontstaan te zijn.10Wij zijn verbaasd, als reizigers ons vertellen van de reusachtige afmetingen der pyramiden en andere groote gedenkteekenen der menschelijke kunst; maar hoe onbeduidend zijn de grootsten hunner, vergeleken met deze steenen bergen, welke door geen andere arbeiders zijn opgehoopt, dan verschillende kleine en tengere dieren! Dit is een wonder, dat op het eerste gezicht niet het lichamelijk oog, maar, na rijpe overdenking, het oog der rede treft.Ik zal nu eene zeer korte beschrijving geven van de drie groote klassen van koraalriffen, namelijk:1o.AtollenofLagunenriffen.2o.Wal-ofDamriffen(door Darwin genoemdBarrier-reefs).3o.Rand-ofKustriffen(door Darwin genoemdFringing-reefs).en mijne inzichten omtrent hunne vorming mededeelen.11Bijna elk reiziger, die den Stillen Oceaan is overgestoken, heeft zijne groote verwondering betuigd over de laguneneilanden ofAtollen, zooals ik hen later bij hun Indischen (Maleischen) naam zal noemen, en getracht er eene verklaring van te geven. Reeds in het jaar 1605 zeide Pyrard de Laval terecht:“C’est une merveille de voir chacun de ces atollons environné d’un grand banc de pierre, tout autour n’y ayant point d’artifice humain.”(Het is verwonderlijk elk dezer atollen omringd te zien door eene groote steenen bank, zonder eenig spoor van menschelijke kunst in den omtrek).Nevensstaande schets van het eiland Whitsunday in den Stillen Oceaan, welke ontleend is aan de uitnemende reisbeschrijving van kapitein Beechey, geeft slechts een flauw begrip van het zonderlinge voorkomen van zulk eeneatolle. Het is er een van de kleinste grootte, en bestaat uit smalle eilanden, die onderling tot een ring zijn vereenigd. De tegenstelling tusschen den onmetelijken oceaan met zijne woedende stortzeeën, en het lage eiland met het kalme heldergroene water binnen de lagune, kan men zich moeilijk voorstellen zonder het gezien te hebben.Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).De vroegere reizigers stelden zich voor, dat de koraalvormende dieren hunne groote ringen instinctmatig bouwden, om zich aan de binnenzijde eene veilige schuilplaatste verschaffen; maar als bewijs hoe ver dit van de waarheid is, wil ik alleen zeggen, dat die in massa vereenigde soorten, van wier groei op de open buitenkusten het bestaan van het rif zelf afhangt, niet binnen de lagune kunnen leven, waar andere fijn vertakte soorten bloeien. Volgens die meening wordt bovendien ondersteld, dat vele soorten van verschillende geslachten en families zich tot één doel vereenigen; en van zulk eene vereeniging is in de geheele natuur geen enkel voorbeeld te vinden. De theorie, welke het meest ingang heeft gevonden is, dat atollen op onderzeesche kraters rusten; beschouwen wij echter den vorm en grootte van sommige, het aantal, de nabuurschap en betrekkelijke ligging van andere, dan verliest dit denkbeeld zijn aannemelijk karakter. Zoo meet de atolle Suadiva1244geographicalmijlen in de eene richting en 34 in eene andere; Rimsky meet 54 bij 20 mijlen, en heeft een zonderling gebogen rand; de atolle Bow13is 30 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van slechts zes, terwijl Menchikov (een der Marshall-Eilanden) uit drie onderling vereenigde of verbonden atollen bestaat. Bovendien is deze theorie geheel ontoepasselijk opde noordelijke Maldivische atollen in den Indischen Oceaan (waarvan ééne 88 mijlen lang en tusschen de 10 en 20 m. breed is); want deze worden niet begrensd door smalle riffen evenals gewone atollen, maar door een groot aantal afzonderlijke kleine atollen, terwijl andere kleine atollen uit de groote lagunenvormige binnenruimten verrijzen. Eene derde en betere theorie werd door Chamisso voorgesteld, die meende, dat, ten gevolge van den sterkeren groei der koralen op plaatsen waar zij aan de volle zee zijn blootgesteld—zooals ongetwijfeld het geval is, de buitenranden vroeger dan andere gedeelten uit het gemeenschappelijke grondvlak zouden opgroeien, en dat dit de ring- of schotelvormige structuur zou verklaren. Maar aanstonds zullen wij zien, dat in deze, zoowel als in de krater-theorie, een allerbelangrijkst punt over het hoofd is gezien, namelijk de vraag: waarop hebben de rifvormende koralen, die op geene groote diepte kunnen leven, hunne hechte bouwwerken gegrondvest?Aan den steilen buitenkant der Keeling-atolle werden door kapitein Fitz-Roy een aantal zorgvuldige peilingen gedaan, en werd bevonden, dat de bereide talk op den bodem van het lood, uit punten binnen tien vademen diepte, altijd bovenkwam met duidelijke indruksels van levende koralen, doch zonder aanklevende bestanddeelen, en even schoon alsof men het op een grasveld had laten vallen. Nam de diepte toe, dan werden de indruksels minder talrijk, maar de aanklevende zanddeeltjes, daarentegen, steeds talrijker, totdat de bodem eindelijk uit eene zachte zandlaag bleek te bestaan. Wil men de vergelijking met het grasveld voortzetten, dan kunnen wij zeggen, dat de grashalmen al schaarscher en schaarscher werden, tot de grond eindelijk zoo dor was, dat er niets meer uit opschoot. Uit deze, door vele andere bevestigde waarnemingen mogen wij veilig afleiden, dat de uiterste diepte waarop koralen hunne riffen kunnen bouwen, 20 tot 30 vademen bedraagt. Nu zijn er ontzaglijke oppervlakten in de Stille en Indische Oceanen, waar elk eiland op zichzelf eene koraalvorming is, en slechts diehoogte bereikt, tot welke de golven nog brokstukken kunnen opwerpen, en de winden zand kunnen ophoopen. Zoo is de groep der Radack-atollen (Marshall-Eilanden) een onregelmatig vierkant, 520 mijlen lang, bij 240 breed; de ellipsvormige Lage of Tuamotu-Archipel meet 840 mijlen in zijne langste en 420 in de kortste as; tusschen deze twee archipels liggen andere kleine groepen en afzonderlijke lage eilanden, welke met de eersten eene ruimte in den oceaan bedekken van 4000 mijlen lengte, waarbinnen geen enkel eiland boven de bepaalde hoogte reikt. Ook in den Indischen Oceaan is eene ruimte van 1500 mijlen in doorsnede, welke drie archipels omvat, alle uit lage eilanden bestaande, die door koralen zijn gevormd. Wegens het feit, dat de rifbouwende koralen niet op groote diepte leven, kan met volstrekte zekerheid worden gezegd, dat overal in die uitgestrekte ruimten, waar thans eene atolle is, oorspronkelijk een bodem bestaan moet hebben binnen eene diepte van 20 tot 30 vademen (ongeveer 37 tot 55 Met.) van het zeeoppervlak. Het is ten hoogste onwaarschijnlijk, dat breede, hooge, vrij staande en steil oploopende banken van bezonken stoffen, verspreid in groepen en reeksen van vele honderden mijlen lengte, gevormd konden zijn in de midden- en diepste gedeelten der Stille en Indische Oceanen, op een reusachtigen afstand van het vasteland, en waar het water volkomen doorschijnend is. Even onwaarschijnlijk is het, dat de opstuwende krachten onder onze aardkorst over de genoemde uitgestrekte ruimten tallooze groote rotsbanken zouden hebben opgeheven tot eene hoogte van 20 tot 30 vademen (120 tot 180 voet) onder de oppervlakte der zee, en geen enkele harerbovendat peil. Immers, wáár op de geheele aardoppervlakte kunnen wij eene bergketen vinden, zelfs van maar weinige honderden mijlen lengte, welker talrijke toppen zich niet hooger verheffen dan enkele voetenondereen bepaald peil, en waar geen enkele topdaarbovenverrijst? Bijgevolg, indien de grondvlakken waaruit de atollen-bouwende koralen groeiden, niet uit bezonken stoffen gevormd, en ook niet tot de vereischte hoogten werden opgestuwd,moeten zij noodzakelijktot dat peil zijn ondergezonken; en dit lost terstond de moeilijkheid op. Want terwijl de eene berg na den anderen, het eene eiland na het andere langzaam onder water zonken, ontstonden achtereenvolgens versche bodems voor den groei der koralen. Wij kunnen hier onmogelijk in alle vereischte bijzonderheden treden; maar ik tart elk, om op andere wijze te verklaren, hoe het mogelijk is, dat over zulke uitgestrekte ruimten talrijke eilanden verspreid liggen, allenditgemeen hebbende, dat zij laag en opgebouwd zijn uit koralen, die als levensvoorwaarde een bodem behoeven, welke opbeperktediepte onder het zeeoppervlak is gelegen.14Alvorens te verklaren hoe de atollen of lagunenriffen hunne eigenaardige structuur verkrijgen, moeten wij ons wenden tot de tweede groote klasse, namelijk dewal-ofdamriffen. Deze strekken zich uit, hetzij in rechte lijnen voor de kusten van een vastland of groot eiland, of zij omringen kleine eilanden; in beide gevallen zijn zij van het land gescheiden door een breed en vrij diep waterkanaal, evenals de lagune binnen eene atolle. Het is opmerkelijk hoe weinig aandacht aan de ringvormige walriffen is geschonken, ofschoon zij toch zoo wondervol zijn samengesteld. De volgende schets stelt een gedeelte van het walrif voor, dat het eiland Bolabola15in den Stillen Oceaan omringt, gezien van een der rotstoppen in het midden. In dit geval is de geheele rifrand in land veranderd; maar gewoonlijkscheidt eene sneeuwwitte lijn van hooge brekers, waartusschen hier en daar een enkel laag, met kokosboomen begroeid eilandje zichtbaar is, de donkere golven in den oceaan van de lichtgroene ruimte in het lagunenkanaal. En het kalme water in dit kanaal bespoelt in de meeste gevallen een lagen rand van alluvialen grond, beladen met de schoonste voortbrengselen uit de keerkringen en gelegen aan den voet der ruwe, steile bergen in het midden.

Hoofdstuk XX.Keeling-Eiland—Koraalvormingen.1 April 1836.Wij kwamen in het gezicht der Keeling- of Kokos-Eilanden, die in den Indischen Oceaan en omstreeks 600 mijlen van de kust van Sumatra liggen. Deze groep behoort tot de uit koralen gevormde laguneneilanden (of atollen), gelijk aan die in den Lagen-Archipel (Tuamotu-Eilanden), welke wij in Nov. 1835 voorbijvoeren. Toen het schip bij den ingang van het kanaal was, kwam een Engelsch bewoner, de heer Liesk, in eene boot naar ons toe. De geschiedenis van de bewoners dezer eilanden is in de kortst mogelijke bewoordingen als volgt. Omstreeks negen jaren geleden bracht een nietswaardig persoon, Hare genaamd, een aantal Maleische slaven uit den Oostindischen Archipel hierheen, die nu ruim 100 zielen tellen, de kinderen medegerekend. Kort daarna kwam kapitein Ross, die deze eilanden vroeger met zijn koopvaardijschip bezocht had, vergezeld van zijn gezin en have uit Engeland hier aan, met het doel zich te vestigen. Tot zijn gezelschap behoorde ook Liesk, die stuurman op zijn schip geweest was. De Maleische slaven liepen spoedig van het eilandje weg, waarop Hare zich gevestigd had, en voegden zich bij de partij van Ross, zoodat Hare eindelijk genoodzaakt was deze eilanden te verlaten.In naam verkeeren de Maleiers nu in een staat van vrijheid, en wat hunne persoonlijke behandeling betreft, is ditook werkelijk zoo; doch in de meeste andere opzichten worden zij als slaven beschouwd. Deels door hunne ontevredenheid ten gevolge van de herhaalde verplaatsingen van het eene eiland naar het andere, en misschien ook door eenig wanbestuur, gaan de zaken niet voorspoedig. Het eiland heeft geen ander viervoetig huisdier dan het zwijn, en het voornaamste plantaardig voortbrengsel is de kokosboom. Zijn geheele welvaart hangt af van dezen boom; de geheele uitvoer bestaat in olie van deze noot en de noten zelven, die naar Singapore en Mauritius gaan, waar zij, na geraspt te zijn, voornamelijk bij de kerrie-bereiding worden gebruikt. Ook de vetgemeste varkens leven bijna geheel van kokosnoten, en hetzelfde geldt voor de eenden en kippen. Zelfs een groote landkreeft is door de natuur met de middelen toegerust om deze hoogst nuttige vrucht te openen en er van te leven.Op het ringvormige rif van het laguneneiland verheffen zich over een groot deel der lengte, lijnvormige eilandjes. Aan de noordzijde of lijwaarts is eene opening, waardoor de schepen kunnen binnenkomen om te ankeren. Bij onze binnenkomst was de aanblik zeer vreemd en niet onaardig, maar de schoonheid der plek hing bijna geheel af van de kleurschittering der omringende voorwerpen. Het ondiepe, klare en stille water der lagune, dat grootendeels op wit zand rust, straalt in het helderste groen, wanneer het door eene verticale zon verlicht wordt. Deze schitterende, vele mijlen breede ruimte wordt aan alle kanten begrensd, hetzij door eene reeks van sneeuwwitte brandingen, die haar scheiden van de donkere golven van den oceaan, of door strooken land, waarboven de kokosboomen hunne vlakke kruinen verheffen en die haar scheiden van het blauwe hemelgewelf. Evenals eene witte wolk hier en daar eene aangename breking geeft in het blauw des hemels, zoo tinten levende koraalbanken het smaragdgroene water in de lagune nog donkerder.Den volgenden morgen ging ik, nadat wij het anker hadden geworpen, op het eiland Direction aan wal. De strook droogland is hier slechts enkele honderden yards breed, en wordt aan den kant der lagune begrensd door een oever van witten kalksteen, die in dit heete klimaat eene zeer drukkende hitte uitstraalde, en aan de buitenkust door eene stevige, breede, vlakke koraalbank, welke diende om de kracht der volle zee te breken. Behalve in de nabijheid der lagune, waar eenig zand ligt, bestaat het land geheel uit ronde brokken koraal. In zulk een lossen, drogen en steenachtigen bodem een krachtigen plantengroei voort te brengen—dat kon alléén het klimaat der tusschenkeerkringsstreken. Op eenige van de kleinere eilandjes kon men zich verlustigen in de sierlijke groepeering der jonge en volwassen kokosboomen, die in bonte mengeling doch zonder wederzijdsche verstoring van vormen-symmetrie, in een enkel bosch vereenigd waren. Een oever van blinkend wit zand omsloot deze tooverachtige plekken.Ik zal nu eene korte schets geven van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden, welke door haar beperkten omvang van bijzonder belang is. Op het eerste gezicht schijnt het bosch alleen uit kokosboomen te bestaan; maar in werkelijkheid zijn er vijf of zes andere boomen. Een dezer bereikt eene zeer aanzienlijke hoogte, is echter wegens de groote weekheid van zijn hout onnut. Behalve de boomen, is het getal planten uiterst beperkt en bestaat uit nietsbeteekenend onkruid. In mijne verzameling, die, geloof ik, bijna de volledige flora omvat, zijn 20 species, ongerekend een mos, een korstmos (lichen), en een zwam (fungus). Tot dit aantal moeten twee boomen worden gerekend, waarvan de een niet in bloei stond, en de ander mij slechts van hooren zeggen bekend was. De laatste is in zijne soort een eenzame boom en groeit bij het strand, waar de golven ongetwijfeld de enkele zaden hebben aangespoeld. Op een der eilandjes groeit ook eenGuilandina. Tot de bovenstaande lijst reken ik niet het suikerriet, de banaan, eenige andere voedselplanten, vruchtboomen en ingevoerde grassen. Daar de eilanden geheel uit koraal bestaan, en weleer niets anders dan riffen waren, waarover het water spoelde,moeten al hunne landvoortbrengselen door de golven der zee zijn aangevoerd. Dienovereenkomstig heeft de plantenwereld geheel het kenmerk van een toevluchtsoord voor verlatenen. Prof. Henslow meldt mij, dat van de 20 soorten er 19 tot verschillende geslachten behooren, en deze weder tot niet minder dan 16 families.1In Holman’s “Reizen”2wordt, op getuigenis van A. S. Keating, die twaalf maanden op deze eilanden woonde, eene opsomming gegeven van de verschillende zaden en andere voorwerpen, die men weet dat daar aan strand zijn gespoeld:“Zaden en planten van Sumatra en Java zijn door de branding naar de windzijde der eilanden gedreven. Daaronder zijn gevonden: deKimiri, thuis behoorende op Sumatra en het schiereiland Malakka; de om haren vorm en grootte bekende kokosnoot van Bali; deDadap(Erythrina indica), die door de Maleiers met den peperstruik geplant wordt: (laatstgenoemde windt zich daarbij om zijn stam, en steunt hiertegen met de stekels op zijn stengel); verder de zeepboom (Sapindus); de castorolie-plant (Ricinus); stammen van den sagopalm (Sagus), en verschillende soorten van zaden, die den op de eilanden wonenden Maleiers onbekend waren. Men vermoedt, dat deze alle door den noordwest-moesson naar de kust van Nieuw-Holland zijn gedreven, en van daar door den zuidoost-passaat naar deze eilanden. Ook zouden gevonden zijn groote hoeveelheden Java-teakhout (Tectonia grandis) en Geelhout (Virgilia lútea), alsmede reusachtige roode en witte cederboomen, en de blauwe gomboom van Nieuw-Holland, in volkomen ongeschonden staat. Alle harde zaden, zooals van slingerplanten, behouden hun kiemvermogen, maar de zachtere soorten, waaronder deManggustan, (een Oostindischevrucht ter grootte van een appel, met een zacht, sappig vruchtvleesch), gaan op den overtocht verloren. Nu en dan zijn ook vischkano’s, blijkbaar van Java, aan strand gespoeld.”Deze feiten zijn van belang, omdat zij ons leeren, hoe talrijk de zaden zijn, die uit verschillende landen komende, over den grooten oceaan worden gedreven. Prof. Henslow zegt mij, dat bijna alle planten welke ik van deze eilanden meebracht, naar zijne meening gewone strandsoorten zijn in den Oostindischen Archipel. Wegens de richting der winden en stroomen, schijnt het echter bijna niet mogelijk, dat zij rechtstreeks hierheen konden komen. Met meer waarschijnlijkheid is door Keating beweerd, dat zij het eerst naar de kust van Nieuw-Holland werden gevoerd, en van daar tegelijk met de voortbrengsels van dat land teruggedreven, zoodat de zaden vóór hunne ontkieming 1800 tot 2400 mijlen moeten hebben afgelegd.Chamisso zegt in zijne beschrijving van den Radack-Archipel, die in het westelijk deel van den Stillen Oceaan is gelegen3: “de zee voert de zaden en vruchten van vele boomen naar deze eilanden, alwaar de meeste van hen niet zijn opgegroeid. Het meerendeel van deze zaden schijnt echter het vermogen tot groeien niet verloren te hebben.” Ook zegt men, dat palmboomen ergens uit eene heete luchtstreek en stammen van noordelijke dennen hier aan land zijn gespoeld; deze dennen moeten dus een buitengewoon verren weg hebben afgelegd. Zulke feiten zijn in hooge mate belangwekkend. Het valt niet te betwijfelen, dat, indien er landvogels waren om de zaden op te pikken zoodra zij op ’t strand werden geworpen, alsook een beter voor hunnen groei geschikten bodem dan de losse brokken koraal, het meest afgelegene dezer laguneneilanden mettertijd eene veel rijkere flora zou bezitten dan het nu heeft.De lijst van landdieren is nog armer dan die der planten. Eenige eilandjes worden bewoond door ratten, die hierheen werden gebracht. Deze ratten worden door Waterhouse voor dezelfde gehouden als de Engelsche soort, maar zijn kleiner en lichter van kleur. Echte landvogels ontbreken; want een snip en een wachtelkoning (Rallus Phillippensis), ofschoon geheel in het droge kruid levende, behooren tot de Orde der Steltloopers (Grallae). Men zegt, dat vogels van deze Orde op vele van de lage eilandjes in den Stillen Oceaan voorkomen. Op Ascension, waar geen landvogel is, werd bij den top van den berg een wachtelkoning (Porphyrio simplex) geschoten, die hier blijkbaar een eenzame zwerver was. Op Tristan da Cunha, waar volgens Carmichael slechts twee landvogels zijn, komt een koet (Fulica) voor,4die eveneens een steltlooper is. Wegens deze feiten geloof ik, dat de steltloopers in ’t algemeen, na de talrijke soorten zwemvogels, de eerste nederzetters zijn op kleine afgelegen eilanden, en kan er bijvoegen, dat, telkens als ik ver in zee vogels zag, die geen eigenlijke zeevogels waren, zij tot de Orde der Steltloopers behoorden. Het is dus natuurlijk, dat zij de vroegste nederzetters worden op ver afgelegen landpunten.Van kruipende dieren zag ik slechts eene kleine hagedis. Wat de insecten betreft, heb ik getracht alle soorten te verzamelen. Behalve spinnen, die talrijk waren, vond ik dertien soorten, en hieronder slechts een enkelen kever.5Een kleine mier zwermde bij duizenden onder de losse droge koraalblokken,en was eigenlijk het eenige insect, dat overvloedig voorkwam. Ofschoon in vergelijking met de waters der naburige zee, de voortbrengselen van het land zoo schaarsch zijn, is het aantal bewerktuigde wezens inderdaad oneindig groot. Chamisso heeft (Kotzebue’sFirst Voyage, deel III blz. 222) de natuurlijke geschiedenis van een laguneneiland in den Radack-Archipel beschreven; en het is merkwaardig, hoezeer de bewoners daarvan in aantal en soort op die van Keeling-Eiland gelijken. Er zijn eene hagedis en twee steltloopers: namelijk een snip (Scolopax) en een wulp (Numenius). Van planten zijn er 19 soorten met inbegrip van een varenkruid, en eenige daarvan zijn dezelfde als die welke hier groeien, niettegenstaande de plek zoo ontzettend ver en in een geheel anderen oceaan ligt.De lange strooken land, die de rechtlijnige eilandjes vormen, bereiken geene grootere hoogte dan tot waar de branding koraalbrokken kan opwerpen en de wind kalkhoudend zand ophoopen. De stevige bank van koraalgesteente breekt door hare breedte het eerste geweld der golven, die anders in één dag deze eilandjes met al wat zij voortbrengen zouden wegspoelen. Zee en land schijnen hier om het meesterschap te strijden; en ofschoon het vaste land eene plaats heeft veroverd, acht het water hier minstens even geldige rechten te bezitten. Op alle gedeelten ontmoet men krabben van meer dan ééne soort, die hier als kluizenaars leven, met de schelpdieren op haren rug, welke zij van het naburige strand gestolen hebben. In de boomen boven ons rusten talrijke witte rotspelikanen, fregatvogels en zeezwaluwen; en het bosch zou men een zeekraaiennest kunnen noemen, wegens de vele nesten en den stank, waarmede de dampkring vervuld is. Op hunne ruwe nesten gezeten, kijken de rotspelikanen u met een dom en toornig gezicht aan. De zeezwaluwen (Sterna) zijn, gelijk haar bijnaam van “domme” uitdrukt, onnoozele kleine schepsels; maar buiten deze is er eene kleine sneeuwwitte zeezwaluw, een bevallige vogel, die enkele voeten boven uw hoofd stil rondhuppelt, en met zijne groote, zwarte oogen kalm maar nieuwsgierig uw gelaatopneemt. Er is weinig verbeelding toe noodig, om zich voor te stellen, dat in zulk een tenger en fijn lichaam een dolende feeëngeest moet huizen.Zondag 3 April.Na den dienst vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar de nederzetting, die eenige mijlen ver op de punt ligt van een dicht met hooge kokosboomen bedekt eilandje. Kapitein Ross en de meergenoemde Liesk wonen in een aan beide kanten open huis, dat de gedaante heeft van eene schuur, en met matten van gevlochten schors omhangen is. De huizen der Maleiers staan langs het strand der lagune. De geheele plek had een eenigszins mistroostig aanzien, omdat er geen tuinen waren, die getuigen van eene zorgvuldige ontginning. De inboorlingen behooren tot verschillende eilanden in den Oostindischen Archipel, maar spreken allen dezelfde taal. Wij zagen er van Borneo, Celebes, Java en Sumatra. In kleur gelijken zij op de bewoners van Tahiti, van wie zij in trekken niet veel verschillen. Eenige vrouwen vertoonen echter veel van het Chineesche type. Mij beviel zoowel de gelaatsuitdrukking in ’t algemeen als de klank hunner stemmen. Zij schenen arm, en in hunne huizen ontbrak alle gerief van meubelen; maar uit het poezelig voorkomen der kindertjes bleek duidelijk, dat kokosnoten en zeeschildpadden geen slecht voedsel zijn.Op dit eiland liggen de putten, waaruit de schepen water opdoen. In ’t eerst schijnt het niet weinig vreemd, dat het zoete water met de getijden regelmatig ebt en wast, en men heeft zelfs gemeend, dat zand het vermogen bezit om het zout uit het zeewater te filtreeren. Deze ebbende putten komen ook op eenige lage eilanden in West-Indië voor. Het samengedrukte zand of het poreuze koraalgesteente wordt evenals eene spons van het zoute water doorzegen; maar de regen, die op de oppervlakte valt, moet dalen tot het peil der omringende zee en zich daar ophoopen onder verplaatsing van een gelijk volume zoutwater. Wanneer nu het water in het lagere gedeelte der groote sponsachtige koraalmassamet de getijden rijst en daalt, zal dit ook geschieden met het water bij de oppervlakte; en dit laatste zal zoet blijven, indien het gesteente dicht genoeg is om aanzienlijke mechanische vermenging te voorkomen. Graaft men echter een put op plaatsen, waar het land bestaat uit groote losse koraalbrokken met open tusschenruimten, dan is, blijkens hetgeen ik gezien heb, het water daarin brak.Na het middagmaal woonden wij een zonderling en half bijgeloovig schouwspel bij, dat de Maleische vrouwen ons te zien gaven. Een groote houten lepel, die in kleeren gestoken en naar het graf van een overleden man was gebracht, werd, volgens hare bewering, bij volle maanbegeesterden zou gaan springen en dansen. Na de noodige voorbereidingen, hielden twee vrouwen den lepel vast, die daarop in stuipachtige beweging geraakte en onder het gezang der omstaande vrouwen en kinderen goed in de maat ronddanste. Het was eene allerzotste vertooning; maar Liesk beweerde, dat vele Maleiers werkelijk aan de geestenbeweging van den lepel geloofden. De dans begon eerst nadat de maan was opgegaan; en toen wij hare heldere schijf zoo stil tusschen de lange, in den avondwind wuivende takken der kokosboomen zagen schijnen, werden wij ruimschoots voor ons wachten schadeloos gesteld. Op zichzelven zijn deze tropische landschappen zoo verrukkelijk, dat men hen bijna even lief krijgt als die in het eigen vaderland, waaraan wij door de fijnste snaren van het gemoed verbonden zijn.Den volgenden dag hield ik mij bezig met het onderzoek naar den zeer belangwekkenden, hoewel eenvoudigen bouw en oorsprong dezer eilanden. Daar het water bijzonder effen was, waadde ik over de buitenste bank van dood gesteente tot aan de levende koraaldijken, waarop de golfslag der volle zee breekt. In sommige geulen en holten zwommen visschen in prachtig groene en andere kleuren, en prijkten vele zoöphieten in wondervolle tinten en vormen. Het is verschoonbaar, dat men in geestdrift geraakt over het oneindig aantal bewerktuigde wezens, waarmede de keerkringszee,zoo kwistig in levensvormen, bevolkt is; toch moet ik bekennen, dat natuuronderzoekers die in welgekozen bewoordingen de onderzeesche grotten beschreven hebben als versierd te zijn met duizend schoonheden, volgens mijn idee eene eenigszins gezwollen taal gebezigd hebben.6 April.Ik vergezelde kapitein Fitz-Roy naar een eiland aan het hoofdeinde der lagune, en daarbij volgden wij een ingewikkeld kanaal, dat zich door velden van fijn vertakte koralen slingerde. Wij zagen verscheidene zeeschildpadden, en twee booten werden afgezonden om ze te vangen. Het water is zoo helder en ondiep, dat hoewel de zeeschildpad door snel duiken in de eerste oogenblikken uit het gezicht raakt, de vervolgers in hunne kano of zeilboot haar na eene niet zeer lange jacht inhalen. Op dit oogenblik springt een man, die in den boeg gereed staat, door het water heen op den rug der schildpad, grijpt haar met beide handen bij het nekschild, en laat zich zoo meevoeren totdat het dier uitgeput raakt en gevat wordt. Het was eene belangwekkende jacht, de twee booten zoo te zien rondvaren, en de mannen met het hoofd vooruit door het water te zien schieten om te trachten hunne prooi te grijpen. Kapitein Moresby meldt mij, dat de inboorlingen der in dezen zelfden oceaan gelegen Chagos-Eilanden op eene afgrijselijke manier het rugschild van de levende zeeschildpad wegnemen. “Het wordt met brandende houtskool bedekt, die de buitenste schaal omhoog doet krommen; daarna rukt men het met een mes af, en maakt het plat tusschen twee planken voordat het koud wordt. Na deze barbaarsche behandeling laat men het dier weer in zijn element terugkeeren, waar zich na eenigen tijd een nieuw schild vormt, dat echter te dun is om het dier van eenig nut te zijn. Het gevolg is dan ook altijd, dat de schildpad er kwijnend en ziekelijk uitziet.”Toen wij aan den kop der lagune kwamen, staken wij een smal eilandje over, en zagen hier op de kust naar den wind eene hevige branding staan. Ik kan moeilijk zeggen waarom:maar op mijn geest maakt de aanblik van de buitenkusten dezer laguneneilanden een zeer grootschen indruk. Er ligt iets grootsch in dat eenvoudige borstweringachtige strand, dien zoom van groene struiken en hooge kokosboomen, die stevige bank van dood koraalgesteente met hare groote, hier en daar verspreide losse brokken, en in die lange lijn van woedende brekers, die aan alle zijden aanrollen. Als de oceaan zijne golven over het breede rif werpt, schijnt hij u een onoverwinnelijke vijand van alvermogende kracht; toch zien wij hem tot staan gebracht en zelfs overwonnen door middelen, die u op ’t eerste gezicht zoo uiterst zwak en krachteloos schijnen. Niet dat de oceaan de koraalrotsen spaart! De groote brokken, die over het rif verspreid en opgehoopt zijn op het strand, waaruit de hooge kokosboom ontspruit, spreken duidelijk van de onbuigzame kracht der golven. Ook gunt de zee het land geen tijd van rust. De langdurige stijging, veroorzaakt door de gestadige werking van den passaatwind, die altijd in ééne richting over een uitgestrekt gebied waait, doet brekers ontstaan, bijna even machtig als die in gematigde luchtstreken tijdens een orkaan, en die met onverpoosd geweld woeden. Men kan deze golven niet zien zonder een gevoel van overtuiging, dat een eiland, ofschoon uit het hardste gesteente bestaande, hetzij porfier, graniet of kwarts, eindelijk voor zulk eene onweerstaanbare kracht moet zwichten en door de golven worden verslonden. Niettemin houden deze lage, onbeduidende koraaleilandjes zegevierend stand, want eene andere macht treedt op als tegenstander en mengt zich in den strijd. De krachten van het organische leven scheiden, een voor een, de molekulen koolzure kalk uit de schuimende branding, en vereenigen ze tot een hecht, symmetrisch samenstel. Laat vrij de oceaan er duizenden brokken afrukken, wat zegt dit tegen de tienduizenden nijvere arbeiders, die dag en nacht, maand in maand uit aan ’t werk zijn? Zoo zien wij dan het zachte en slijmachtige lichaam der poliep door tusschenkomst der levenswetten zegevieren over de ruwe mechanische kracht der golven van eenoceaan, dien noch de menschelijke kunst, noch zelfs de onbezielde werken der natuur met goed gevolg konden weerstaan!Niet voor des avonds laat keerden wij aan boord terug, want langen tijd bleven wij in de lagune bezig met het onderzoek van de koraalvelden en van de 1½ M. groote reuzenschelpen,6welke laatste zoo sterk zijn, dat iemand die zijne hand tusschen de schalen durft steken, haar niet zou kunnen lostrekken, zoolang het dier leeft. Bij het hoofdeinde der lagune vond ik tot mijne groote verbazing eene uitgestrekte ruimte van veel meer dan een mijl in het vierkant, bedekt met een woud van fijn vertakte koralen, die allen dood en verrot waren, ofschoon zij recht overeind stonden. In ’t eerst begreep ik volstrekt niet wat de oorzaak hiervan was, doch later viel mij in, dat zij aan den volgenden, eenigszins vreemden samenloop van omstandigheden was toe te schrijven. Ik moet echter vooraf zeggen, dat koralen zelfs niet een korten tijd aan de zonnestralen in de open lucht kunnen blootgesteld zijn, zonder te sterven, zoodat hare bovenste groeigrens bepaald wordt door die van het laagste water bij springgetijden. Uit eenige oude kaarten blijkt, dat het lange eiland bovenwinds voorheen door wijde kanalen in verscheidene eilandjes verdeeld was: welk feit ook hieruit blijkt, dat de boomen op die gedeelten jonger zijn. In den vroegeren toestand van het rif zou een sterke bries, door meer water over de borstwering te werpen, het peil der lagune hebben doen rijzen. Thans heeft zij eene tegengestelde werking; want niet alleen neemt het water in de lagune door stroomingen van buiten niet toe, maar het wordt zelf door de kracht van den wind naar buiten gestuwd. Zoo heeft men dan waargenomen, dat het getij nabij het hoofd der lagune gedurende eene sterke bries niet zoo hoog stijgt, als bij kalm weder. Volgens mijn idee, heeft dit niveau-verschil, ofschoon zonder twijfel zeer gering, dendood veroorzaakt van deze koraalboschjes, die in den vroegeren, meer open toestand van het buitenrif hunne hoogst mogelijke grens van verticalen groei bereikt hadden.Enkele mijlen ten noorden van Keeling is eene andere kleine atolle, binnen welke de lagune bijna geheel met koraalmodder gevuld is. Kapitein Ross vond in het conglomeraat-gesteente op de buitenkust een goed afgerond stuk groensteen bedolven, iets grooter dan een menschenhoofd, waarover hij zelf en zijne metgezellen zoo verwonderd waren, dat zij het stuk medenamen en als eene bijzonderheid bewaarden. Het voorkomen van dezen enkelen steen in eene omgeving van niets dan kalkhoudend gesteente, is zeer verrassend. Het eiland is bijna nooit bezocht geworden, en het is ook niet waarschijnlijk, dat er een schip is vergaan. Bij gebrek aan eene betere verklaring, kwam ik tot de slotsom, dat de steen, tusschen de wortels van een grooten boom verward, hierheen was gekomen; maar denkende aan den grooten afstand van het naastbij gelegen land, en aan het onwaarschijnlijke van zulk een samenloop van omstandigheden, nl. dat een steen zou vastgeraakt zijn in een boom, met den boom in zee gespoeld, zóó ver weggedreven, toen veilig geland en eindelijk zoodanig begraven zou zijn, dat hij ontdekt werd—schrok ik haast, dat een blijkbaar zoo onwaarschijnlijk middel van vervoer in mijn brein opkwam. Met veel belangstelling las ik daarom het verhaal van Chamisso, den te recht vermaarden natuuronderzoeker die Kotzebue vergezelde, dat de bewoners van den Radack-Archipel (de reeds genoemde groep laguneneilanden in den Stillen Oceaan) de steenen voor het scherpen van hunne werktuigen verkregen, door de wortels van boomen te onderzoeken welke op het strand waren geworpen. Blijkbaar moet dit verscheidene keeren gebeurd zijn, daar er wetten bestaan, dat zulke steenen aan het opperhoofd toebehooren, en elk die hen poogt te stelen straf ontvangt. Let men op de afgezonderde ligging dezer eilandjes te midden van een uitgestrekten oceaan (de reusachtige afstand van eenig land, behalve koraalvormingen, blijktwel het best uit de waarde welke de inboorlingen, die zulke kloeke zeevaarders zijn, aan elke soort van steenen hechten)7: alsmede op de geringe snelheid der stroomingen in eene open zee—dan schijnt het voorkomen van op deze wijze vervoerde steenen ons wonderlijk toe. Toch kunnen steenen dikwijls zoo vervoerd worden; en indien het eiland, waarop zij stranden, uit andere stoffen dan koraal bestaat, zullen zij nauwelijks de aandacht trekken en zal althans hun oorsprong nooit aanleiding geven tot gissingen. Bovendien kan dit vervoer langen tijd de aandacht ontgaan, daar de boomen, vooral die welke met steenen zijn beladen, waarschijnlijk onder de oppervlakte drijven. In de kanalen van Vuurland worden groote hoeveelheden drijfhout op het strand geworpen; maar uiterst zelden ziet men een boom op het water drijven. Misschien kunnen deze feiten eenig licht werpen op het geval, dat hoekige zoowel als afgeronde steenen soms in fijne bezonken stoffen begraven worden gevonden.Op een anderen dag bezocht ik het West-Eilandje, waar de plantengroei misschien overvloediger is dan op de overige. De kokosboomen groeien meestal gescheiden; maar hier bloeiden de jonge stammen onder hunne hooge bloedverwanten, en vormden met hunne lange en gebogen bladerkronen de meest belommerde priëelen. Alleen zij, die zoo iets ondervonden hebben, weten hoe heerlijk het is onder zulk lommer te zitten en het koele, aangename sap van de kokosnoot te drinken. Op dit eiland bevindt zich eene groote baaivormige ruimte, welke uit het fijnste witte zand bestaat; zij is geheel vlak en alleen bij hoog water door het getij bedekt. Uit deze groote baai ontspringen vele kleine kreken, die zich in de omringende bosschen verliezen. Het gezicht van zulk een veld met blinkend wit zand, rustig als eene bevroren watervlakte en omgeven door een rand van hooge,wuivende kokosstammen, vormde een zonderling, maar zeer aardig schouwspel.Boven heb ik gesproken van een kreeft, die van de kokosnoten leeft. Hij is zeer algemeen overal waar droog land is, bereikt eene monsterachtige grootte, en is na verwant aan of dezelfde alsBirgos latro.8Het voorste paar beenen eindigt in zeer sterke en forsche scharen, terwijl het achterste van zachtere en veel smallere voorzien is. In ’t eerst zou men het geheel onmogelijk achten, dat een kreeft eene met een stevigen dop omsloten kokosnoot kan openen; maar Liesk verzekerde mij, dat hij dit herhaaldelijk heeft zien doen. De kreeft begint met den dop vezel voor vezel stuk te plukken, en altijd van dat einde af, waar zich de zoogenaamde drie oogen bevinden. Is dit volbracht, dan begint de kreeft met zijne zware klauwen op een van de oogen te hameren, totdat er eene opening gemaakt is. Dan draait hij zijn lichaam om, en haalt met de twee achterste en smallere scharen de witte vleezige pit te voorschijn. Ik beschouw dit feit niet alleen als het merkwaardigste voorbeeld van instinct, waarvan ik ooit gehoord heb, maar ook als eene aanpassing in lichaamsbouw tusschen twee in het schema der natuur blijkbaar zoover van elkander staande organismen, als een kreeft en een kokosboom. DezeBirgosis in zijne leefwijze een dagdier; maar men zegt, dat hij elken nacht een bezoek aan zee brengt, zonder twijfel met het doel om zijne kieuwen te bevochtigen. Op de kust worden ook de jongen uitgebroed, die er vervolgens eenigen tijd leven. Deze kreeften wonen in diepe gaten, welke zij onder de wortels van boomen graven, en waar zij bijzonder groote hoeveelheden van de losgetrokken vezels der kokosnotedoppen verzamelen, om hierop als op een bed te rusten. Soms maken de Maleiers hiervan gebruik, en garen de vezels om er oud touwwerk van te maken. Deze kreeftenvormen een zeer goed voedsel; bovendien bevindt zich onder den staart van de grootereindividuëneene aanzienlijke hoeveelheid vet, dat, gesmolten, somtijds een kwart flesch vol heldere olie oplevert. Sommige schrijvers beweren, dat deBirgostegen de kokosboomen opkruipt, om de noten te stelen. Ik twijfel zeer of dit wel mogelijk is, maar met denPandanus(Pandang of Schroefboom) zou die beklimming veel gemakkelijker zijn. Liesk vertelde mij, dat deBirgosop deze eilanden leeft van de noten, die op den grond zijn gevallen.Kapitein Moresby deelt mij mede, dat deze kreeft de Chagos-Eilanden en de Seychellen bewoont, maar niet voorkomt op de naburige Maldivische Eilanden. Vroeger was hij talrijk op Mauritius, doch nu vindt men daar slechts enkele kleine. Naar men zegt bewoont deze soort, of eene met zeer overeenkomstige eigenschappen, één enkel koraaleiland in den Stillen Oceaan, noordelijk van de Gezelschaps-Eilanden. Als een bewijs hoe verbazend sterk het voorste paar scharen is, wil ik vermelden, dat Scoresby eens een kreeft in een sterken tinnen trommel opsloot, waarin beschuit geweest was, en het deksel met metaaldraad omwond. De kreeft boog echter de randen om en ontsnapte. Dit ombuigen geschiedde met zulk eene kracht, dat hij verscheidene kleine gaatjes door het tin boorde.Tot mijne groote verrassing vond ik twee koraalsoorten van het geslachtMillepora(M. complanataenM. alcicornis), die het vermogen bezaten tot steken. Versch uit het water genomen, zijn de steenen takken of platen op het gevoel ruw en niet kleverig, ofschoon zij een sterken, onaangenamen reuk bezitten. De stekende eigenschap schijnt bij verschillende exemplaren ongelijk te zijn; drukte of wreef men een stuk op de zachte huid van aangezicht of arm, dan ontstond gewoonlijk, na verloop van eene secunde, eene prikkelende gewaarwording, die slechts enkele minuten duurde. Toen ik echter op zekeren dag een der takken vluchtig met mijn gezicht aanraakte, ontstond onmiddellijk pijn; deze nam, zooals gewoonlijk, na enkele secundentoe, bleef eenige minuten lang hevig, en was nog een half uur daarna te bespeuren. Het gevoel was even onaangenaam als wanneer men een brandnetel aanraakt, doch geleek meer op dat, veroorzaakt doorPhysaliaof het Spaansche Fregat. Kleine, roode vlekken ontstonden op de zachte huid van den arm, en zagen er uit alsof zij blaren zouden trekken, hetgeen echter niet gebeurde. De heer Quoy meldt dit geval van deMillepora, en zoo hoorde ik ook van stekende koralen in West-Indië. Vele zeedieren schijnen dit steekvermogen te bezitten; behalve het Spaansche fregat, vele koralen, enAplysiaof de zeehaas van de Kaap-Verdische-Eilanden, wordt in de “Voyage of the Astrolabe” gesproken van eeneActiniaof zee-anemoon, en van een buigzaam aanSertulariaverwant koraaldier, die beiden dit middel tot aanvallen of verdedigen bezitten. Men zegt, dat in de Oostindische Zee een stekend zeewier wordt gevonden.Twee soorten van visschen, behoorende tot het geslachtScarus(papegaaivisch), welke hier algemeen zijn, leven uitsluitend van koraal; beiden zijn schitterend blauwgroen gekleurd en leven, de een altijd in de lagune en de ander tusschen de brekers op de buitenkust. Liesk verzekerde mij, dat hij herhaaldelijk geheele scholen visschen met hunne sterke beenige kaken op de toppen der koraaltakken had zien grazen. Bij verscheidene opende ik de ingewanden en vond die gevuld met kalkhoudende, zanderige modder van geelachtige kleur. Ook de slijmerige, walgelijke zeeblazen (Holothuroidea9aan onze zeesterren verwant), waarop de Chineesche lekkerbekken zoo verzot zijn, leven voor een groot deel van koralen, gelijk Dr. Allan mij bericht; en het beenig toestel binnen hun lichaam schijnt wel voor dit doel geschikt. DezeHolothuroidea, de visschen, de talrijke boorschelpen en borstelwormen (Nereïdae), die elk blok dood koraalgesteente doorboren, moeten zeer krachtigmedewerken tot het voortbrengen van de fijne witte modder, welke op den bodem en de oevers der lagune ligt. Prof. Ehrenberg vond echter bij onderzoek, dat eene hoeveelheid van deze modder, die, nat zijnde, in ’t oog vallend op fijngestampte kalk geleek, voor een deel uit kiezelschalige infusiediertjes bestond.12 April.Des morgens zeilden wij uit de lagune en zetten koers naar Isle de France. Het doet mij genoegen, dat wij deze eilanden bezocht hebben; want zulke vormingen behooren zeker tot de wonderlijkste voortbrengselen der Natuur. Op een afstand van 2200 yards van de kust (2012 M.) peilde kapitein Fitz-Roy met eene lijn van 7200 voet lengte (2195 M.) nog geen grond, waaruit dus blijkt, dat dit eiland een hooge onderzeesche berg is met nog spitsere hellingen dan de steilste vulkaankegel. De schotelvormige top meet bijna tien mijlen in doorsnede; en elk atoom, van af het kleinste deeltje tot het grootste steenblok in dezen hoogen berg, die toch nog klein is in vergelijking met zeer vele andere koraaleilanden, draagt den stempel van langs organischen weg ontstaan te zijn.10Wij zijn verbaasd, als reizigers ons vertellen van de reusachtige afmetingen der pyramiden en andere groote gedenkteekenen der menschelijke kunst; maar hoe onbeduidend zijn de grootsten hunner, vergeleken met deze steenen bergen, welke door geen andere arbeiders zijn opgehoopt, dan verschillende kleine en tengere dieren! Dit is een wonder, dat op het eerste gezicht niet het lichamelijk oog, maar, na rijpe overdenking, het oog der rede treft.Ik zal nu eene zeer korte beschrijving geven van de drie groote klassen van koraalriffen, namelijk:1o.AtollenofLagunenriffen.2o.Wal-ofDamriffen(door Darwin genoemdBarrier-reefs).3o.Rand-ofKustriffen(door Darwin genoemdFringing-reefs).en mijne inzichten omtrent hunne vorming mededeelen.11Bijna elk reiziger, die den Stillen Oceaan is overgestoken, heeft zijne groote verwondering betuigd over de laguneneilanden ofAtollen, zooals ik hen later bij hun Indischen (Maleischen) naam zal noemen, en getracht er eene verklaring van te geven. Reeds in het jaar 1605 zeide Pyrard de Laval terecht:“C’est une merveille de voir chacun de ces atollons environné d’un grand banc de pierre, tout autour n’y ayant point d’artifice humain.”(Het is verwonderlijk elk dezer atollen omringd te zien door eene groote steenen bank, zonder eenig spoor van menschelijke kunst in den omtrek).Nevensstaande schets van het eiland Whitsunday in den Stillen Oceaan, welke ontleend is aan de uitnemende reisbeschrijving van kapitein Beechey, geeft slechts een flauw begrip van het zonderlinge voorkomen van zulk eeneatolle. Het is er een van de kleinste grootte, en bestaat uit smalle eilanden, die onderling tot een ring zijn vereenigd. De tegenstelling tusschen den onmetelijken oceaan met zijne woedende stortzeeën, en het lage eiland met het kalme heldergroene water binnen de lagune, kan men zich moeilijk voorstellen zonder het gezien te hebben.Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).De vroegere reizigers stelden zich voor, dat de koraalvormende dieren hunne groote ringen instinctmatig bouwden, om zich aan de binnenzijde eene veilige schuilplaatste verschaffen; maar als bewijs hoe ver dit van de waarheid is, wil ik alleen zeggen, dat die in massa vereenigde soorten, van wier groei op de open buitenkusten het bestaan van het rif zelf afhangt, niet binnen de lagune kunnen leven, waar andere fijn vertakte soorten bloeien. Volgens die meening wordt bovendien ondersteld, dat vele soorten van verschillende geslachten en families zich tot één doel vereenigen; en van zulk eene vereeniging is in de geheele natuur geen enkel voorbeeld te vinden. De theorie, welke het meest ingang heeft gevonden is, dat atollen op onderzeesche kraters rusten; beschouwen wij echter den vorm en grootte van sommige, het aantal, de nabuurschap en betrekkelijke ligging van andere, dan verliest dit denkbeeld zijn aannemelijk karakter. Zoo meet de atolle Suadiva1244geographicalmijlen in de eene richting en 34 in eene andere; Rimsky meet 54 bij 20 mijlen, en heeft een zonderling gebogen rand; de atolle Bow13is 30 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van slechts zes, terwijl Menchikov (een der Marshall-Eilanden) uit drie onderling vereenigde of verbonden atollen bestaat. Bovendien is deze theorie geheel ontoepasselijk opde noordelijke Maldivische atollen in den Indischen Oceaan (waarvan ééne 88 mijlen lang en tusschen de 10 en 20 m. breed is); want deze worden niet begrensd door smalle riffen evenals gewone atollen, maar door een groot aantal afzonderlijke kleine atollen, terwijl andere kleine atollen uit de groote lagunenvormige binnenruimten verrijzen. Eene derde en betere theorie werd door Chamisso voorgesteld, die meende, dat, ten gevolge van den sterkeren groei der koralen op plaatsen waar zij aan de volle zee zijn blootgesteld—zooals ongetwijfeld het geval is, de buitenranden vroeger dan andere gedeelten uit het gemeenschappelijke grondvlak zouden opgroeien, en dat dit de ring- of schotelvormige structuur zou verklaren. Maar aanstonds zullen wij zien, dat in deze, zoowel als in de krater-theorie, een allerbelangrijkst punt over het hoofd is gezien, namelijk de vraag: waarop hebben de rifvormende koralen, die op geene groote diepte kunnen leven, hunne hechte bouwwerken gegrondvest?Aan den steilen buitenkant der Keeling-atolle werden door kapitein Fitz-Roy een aantal zorgvuldige peilingen gedaan, en werd bevonden, dat de bereide talk op den bodem van het lood, uit punten binnen tien vademen diepte, altijd bovenkwam met duidelijke indruksels van levende koralen, doch zonder aanklevende bestanddeelen, en even schoon alsof men het op een grasveld had laten vallen. Nam de diepte toe, dan werden de indruksels minder talrijk, maar de aanklevende zanddeeltjes, daarentegen, steeds talrijker, totdat de bodem eindelijk uit eene zachte zandlaag bleek te bestaan. Wil men de vergelijking met het grasveld voortzetten, dan kunnen wij zeggen, dat de grashalmen al schaarscher en schaarscher werden, tot de grond eindelijk zoo dor was, dat er niets meer uit opschoot. Uit deze, door vele andere bevestigde waarnemingen mogen wij veilig afleiden, dat de uiterste diepte waarop koralen hunne riffen kunnen bouwen, 20 tot 30 vademen bedraagt. Nu zijn er ontzaglijke oppervlakten in de Stille en Indische Oceanen, waar elk eiland op zichzelf eene koraalvorming is, en slechts diehoogte bereikt, tot welke de golven nog brokstukken kunnen opwerpen, en de winden zand kunnen ophoopen. Zoo is de groep der Radack-atollen (Marshall-Eilanden) een onregelmatig vierkant, 520 mijlen lang, bij 240 breed; de ellipsvormige Lage of Tuamotu-Archipel meet 840 mijlen in zijne langste en 420 in de kortste as; tusschen deze twee archipels liggen andere kleine groepen en afzonderlijke lage eilanden, welke met de eersten eene ruimte in den oceaan bedekken van 4000 mijlen lengte, waarbinnen geen enkel eiland boven de bepaalde hoogte reikt. Ook in den Indischen Oceaan is eene ruimte van 1500 mijlen in doorsnede, welke drie archipels omvat, alle uit lage eilanden bestaande, die door koralen zijn gevormd. Wegens het feit, dat de rifbouwende koralen niet op groote diepte leven, kan met volstrekte zekerheid worden gezegd, dat overal in die uitgestrekte ruimten, waar thans eene atolle is, oorspronkelijk een bodem bestaan moet hebben binnen eene diepte van 20 tot 30 vademen (ongeveer 37 tot 55 Met.) van het zeeoppervlak. Het is ten hoogste onwaarschijnlijk, dat breede, hooge, vrij staande en steil oploopende banken van bezonken stoffen, verspreid in groepen en reeksen van vele honderden mijlen lengte, gevormd konden zijn in de midden- en diepste gedeelten der Stille en Indische Oceanen, op een reusachtigen afstand van het vasteland, en waar het water volkomen doorschijnend is. Even onwaarschijnlijk is het, dat de opstuwende krachten onder onze aardkorst over de genoemde uitgestrekte ruimten tallooze groote rotsbanken zouden hebben opgeheven tot eene hoogte van 20 tot 30 vademen (120 tot 180 voet) onder de oppervlakte der zee, en geen enkele harerbovendat peil. Immers, wáár op de geheele aardoppervlakte kunnen wij eene bergketen vinden, zelfs van maar weinige honderden mijlen lengte, welker talrijke toppen zich niet hooger verheffen dan enkele voetenondereen bepaald peil, en waar geen enkele topdaarbovenverrijst? Bijgevolg, indien de grondvlakken waaruit de atollen-bouwende koralen groeiden, niet uit bezonken stoffen gevormd, en ook niet tot de vereischte hoogten werden opgestuwd,moeten zij noodzakelijktot dat peil zijn ondergezonken; en dit lost terstond de moeilijkheid op. Want terwijl de eene berg na den anderen, het eene eiland na het andere langzaam onder water zonken, ontstonden achtereenvolgens versche bodems voor den groei der koralen. Wij kunnen hier onmogelijk in alle vereischte bijzonderheden treden; maar ik tart elk, om op andere wijze te verklaren, hoe het mogelijk is, dat over zulke uitgestrekte ruimten talrijke eilanden verspreid liggen, allenditgemeen hebbende, dat zij laag en opgebouwd zijn uit koralen, die als levensvoorwaarde een bodem behoeven, welke opbeperktediepte onder het zeeoppervlak is gelegen.14Alvorens te verklaren hoe de atollen of lagunenriffen hunne eigenaardige structuur verkrijgen, moeten wij ons wenden tot de tweede groote klasse, namelijk dewal-ofdamriffen. Deze strekken zich uit, hetzij in rechte lijnen voor de kusten van een vastland of groot eiland, of zij omringen kleine eilanden; in beide gevallen zijn zij van het land gescheiden door een breed en vrij diep waterkanaal, evenals de lagune binnen eene atolle. Het is opmerkelijk hoe weinig aandacht aan de ringvormige walriffen is geschonken, ofschoon zij toch zoo wondervol zijn samengesteld. De volgende schets stelt een gedeelte van het walrif voor, dat het eiland Bolabola15in den Stillen Oceaan omringt, gezien van een der rotstoppen in het midden. In dit geval is de geheele rifrand in land veranderd; maar gewoonlijkscheidt eene sneeuwwitte lijn van hooge brekers, waartusschen hier en daar een enkel laag, met kokosboomen begroeid eilandje zichtbaar is, de donkere golven in den oceaan van de lichtgroene ruimte in het lagunenkanaal. En het kalme water in dit kanaal bespoelt in de meeste gevallen een lagen rand van alluvialen grond, beladen met de schoonste voortbrengselen uit de keerkringen en gelegen aan den voet der ruwe, steile bergen in het midden.

1 April 1836.Wij kwamen in het gezicht der Keeling- of Kokos-Eilanden, die in den Indischen Oceaan en omstreeks 600 mijlen van de kust van Sumatra liggen. Deze groep behoort tot de uit koralen gevormde laguneneilanden (of atollen), gelijk aan die in den Lagen-Archipel (Tuamotu-Eilanden), welke wij in Nov. 1835 voorbijvoeren. Toen het schip bij den ingang van het kanaal was, kwam een Engelsch bewoner, de heer Liesk, in eene boot naar ons toe. De geschiedenis van de bewoners dezer eilanden is in de kortst mogelijke bewoordingen als volgt. Omstreeks negen jaren geleden bracht een nietswaardig persoon, Hare genaamd, een aantal Maleische slaven uit den Oostindischen Archipel hierheen, die nu ruim 100 zielen tellen, de kinderen medegerekend. Kort daarna kwam kapitein Ross, die deze eilanden vroeger met zijn koopvaardijschip bezocht had, vergezeld van zijn gezin en have uit Engeland hier aan, met het doel zich te vestigen. Tot zijn gezelschap behoorde ook Liesk, die stuurman op zijn schip geweest was. De Maleische slaven liepen spoedig van het eilandje weg, waarop Hare zich gevestigd had, en voegden zich bij de partij van Ross, zoodat Hare eindelijk genoodzaakt was deze eilanden te verlaten.

In naam verkeeren de Maleiers nu in een staat van vrijheid, en wat hunne persoonlijke behandeling betreft, is ditook werkelijk zoo; doch in de meeste andere opzichten worden zij als slaven beschouwd. Deels door hunne ontevredenheid ten gevolge van de herhaalde verplaatsingen van het eene eiland naar het andere, en misschien ook door eenig wanbestuur, gaan de zaken niet voorspoedig. Het eiland heeft geen ander viervoetig huisdier dan het zwijn, en het voornaamste plantaardig voortbrengsel is de kokosboom. Zijn geheele welvaart hangt af van dezen boom; de geheele uitvoer bestaat in olie van deze noot en de noten zelven, die naar Singapore en Mauritius gaan, waar zij, na geraspt te zijn, voornamelijk bij de kerrie-bereiding worden gebruikt. Ook de vetgemeste varkens leven bijna geheel van kokosnoten, en hetzelfde geldt voor de eenden en kippen. Zelfs een groote landkreeft is door de natuur met de middelen toegerust om deze hoogst nuttige vrucht te openen en er van te leven.

Op het ringvormige rif van het laguneneiland verheffen zich over een groot deel der lengte, lijnvormige eilandjes. Aan de noordzijde of lijwaarts is eene opening, waardoor de schepen kunnen binnenkomen om te ankeren. Bij onze binnenkomst was de aanblik zeer vreemd en niet onaardig, maar de schoonheid der plek hing bijna geheel af van de kleurschittering der omringende voorwerpen. Het ondiepe, klare en stille water der lagune, dat grootendeels op wit zand rust, straalt in het helderste groen, wanneer het door eene verticale zon verlicht wordt. Deze schitterende, vele mijlen breede ruimte wordt aan alle kanten begrensd, hetzij door eene reeks van sneeuwwitte brandingen, die haar scheiden van de donkere golven van den oceaan, of door strooken land, waarboven de kokosboomen hunne vlakke kruinen verheffen en die haar scheiden van het blauwe hemelgewelf. Evenals eene witte wolk hier en daar eene aangename breking geeft in het blauw des hemels, zoo tinten levende koraalbanken het smaragdgroene water in de lagune nog donkerder.

Den volgenden morgen ging ik, nadat wij het anker hadden geworpen, op het eiland Direction aan wal. De strook droogland is hier slechts enkele honderden yards breed, en wordt aan den kant der lagune begrensd door een oever van witten kalksteen, die in dit heete klimaat eene zeer drukkende hitte uitstraalde, en aan de buitenkust door eene stevige, breede, vlakke koraalbank, welke diende om de kracht der volle zee te breken. Behalve in de nabijheid der lagune, waar eenig zand ligt, bestaat het land geheel uit ronde brokken koraal. In zulk een lossen, drogen en steenachtigen bodem een krachtigen plantengroei voort te brengen—dat kon alléén het klimaat der tusschenkeerkringsstreken. Op eenige van de kleinere eilandjes kon men zich verlustigen in de sierlijke groepeering der jonge en volwassen kokosboomen, die in bonte mengeling doch zonder wederzijdsche verstoring van vormen-symmetrie, in een enkel bosch vereenigd waren. Een oever van blinkend wit zand omsloot deze tooverachtige plekken.

Ik zal nu eene korte schets geven van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden, welke door haar beperkten omvang van bijzonder belang is. Op het eerste gezicht schijnt het bosch alleen uit kokosboomen te bestaan; maar in werkelijkheid zijn er vijf of zes andere boomen. Een dezer bereikt eene zeer aanzienlijke hoogte, is echter wegens de groote weekheid van zijn hout onnut. Behalve de boomen, is het getal planten uiterst beperkt en bestaat uit nietsbeteekenend onkruid. In mijne verzameling, die, geloof ik, bijna de volledige flora omvat, zijn 20 species, ongerekend een mos, een korstmos (lichen), en een zwam (fungus). Tot dit aantal moeten twee boomen worden gerekend, waarvan de een niet in bloei stond, en de ander mij slechts van hooren zeggen bekend was. De laatste is in zijne soort een eenzame boom en groeit bij het strand, waar de golven ongetwijfeld de enkele zaden hebben aangespoeld. Op een der eilandjes groeit ook eenGuilandina. Tot de bovenstaande lijst reken ik niet het suikerriet, de banaan, eenige andere voedselplanten, vruchtboomen en ingevoerde grassen. Daar de eilanden geheel uit koraal bestaan, en weleer niets anders dan riffen waren, waarover het water spoelde,moeten al hunne landvoortbrengselen door de golven der zee zijn aangevoerd. Dienovereenkomstig heeft de plantenwereld geheel het kenmerk van een toevluchtsoord voor verlatenen. Prof. Henslow meldt mij, dat van de 20 soorten er 19 tot verschillende geslachten behooren, en deze weder tot niet minder dan 16 families.1

In Holman’s “Reizen”2wordt, op getuigenis van A. S. Keating, die twaalf maanden op deze eilanden woonde, eene opsomming gegeven van de verschillende zaden en andere voorwerpen, die men weet dat daar aan strand zijn gespoeld:

“Zaden en planten van Sumatra en Java zijn door de branding naar de windzijde der eilanden gedreven. Daaronder zijn gevonden: deKimiri, thuis behoorende op Sumatra en het schiereiland Malakka; de om haren vorm en grootte bekende kokosnoot van Bali; deDadap(Erythrina indica), die door de Maleiers met den peperstruik geplant wordt: (laatstgenoemde windt zich daarbij om zijn stam, en steunt hiertegen met de stekels op zijn stengel); verder de zeepboom (Sapindus); de castorolie-plant (Ricinus); stammen van den sagopalm (Sagus), en verschillende soorten van zaden, die den op de eilanden wonenden Maleiers onbekend waren. Men vermoedt, dat deze alle door den noordwest-moesson naar de kust van Nieuw-Holland zijn gedreven, en van daar door den zuidoost-passaat naar deze eilanden. Ook zouden gevonden zijn groote hoeveelheden Java-teakhout (Tectonia grandis) en Geelhout (Virgilia lútea), alsmede reusachtige roode en witte cederboomen, en de blauwe gomboom van Nieuw-Holland, in volkomen ongeschonden staat. Alle harde zaden, zooals van slingerplanten, behouden hun kiemvermogen, maar de zachtere soorten, waaronder deManggustan, (een Oostindischevrucht ter grootte van een appel, met een zacht, sappig vruchtvleesch), gaan op den overtocht verloren. Nu en dan zijn ook vischkano’s, blijkbaar van Java, aan strand gespoeld.”

Deze feiten zijn van belang, omdat zij ons leeren, hoe talrijk de zaden zijn, die uit verschillende landen komende, over den grooten oceaan worden gedreven. Prof. Henslow zegt mij, dat bijna alle planten welke ik van deze eilanden meebracht, naar zijne meening gewone strandsoorten zijn in den Oostindischen Archipel. Wegens de richting der winden en stroomen, schijnt het echter bijna niet mogelijk, dat zij rechtstreeks hierheen konden komen. Met meer waarschijnlijkheid is door Keating beweerd, dat zij het eerst naar de kust van Nieuw-Holland werden gevoerd, en van daar tegelijk met de voortbrengsels van dat land teruggedreven, zoodat de zaden vóór hunne ontkieming 1800 tot 2400 mijlen moeten hebben afgelegd.

Chamisso zegt in zijne beschrijving van den Radack-Archipel, die in het westelijk deel van den Stillen Oceaan is gelegen3: “de zee voert de zaden en vruchten van vele boomen naar deze eilanden, alwaar de meeste van hen niet zijn opgegroeid. Het meerendeel van deze zaden schijnt echter het vermogen tot groeien niet verloren te hebben.” Ook zegt men, dat palmboomen ergens uit eene heete luchtstreek en stammen van noordelijke dennen hier aan land zijn gespoeld; deze dennen moeten dus een buitengewoon verren weg hebben afgelegd. Zulke feiten zijn in hooge mate belangwekkend. Het valt niet te betwijfelen, dat, indien er landvogels waren om de zaden op te pikken zoodra zij op ’t strand werden geworpen, alsook een beter voor hunnen groei geschikten bodem dan de losse brokken koraal, het meest afgelegene dezer laguneneilanden mettertijd eene veel rijkere flora zou bezitten dan het nu heeft.

De lijst van landdieren is nog armer dan die der planten. Eenige eilandjes worden bewoond door ratten, die hierheen werden gebracht. Deze ratten worden door Waterhouse voor dezelfde gehouden als de Engelsche soort, maar zijn kleiner en lichter van kleur. Echte landvogels ontbreken; want een snip en een wachtelkoning (Rallus Phillippensis), ofschoon geheel in het droge kruid levende, behooren tot de Orde der Steltloopers (Grallae). Men zegt, dat vogels van deze Orde op vele van de lage eilandjes in den Stillen Oceaan voorkomen. Op Ascension, waar geen landvogel is, werd bij den top van den berg een wachtelkoning (Porphyrio simplex) geschoten, die hier blijkbaar een eenzame zwerver was. Op Tristan da Cunha, waar volgens Carmichael slechts twee landvogels zijn, komt een koet (Fulica) voor,4die eveneens een steltlooper is. Wegens deze feiten geloof ik, dat de steltloopers in ’t algemeen, na de talrijke soorten zwemvogels, de eerste nederzetters zijn op kleine afgelegen eilanden, en kan er bijvoegen, dat, telkens als ik ver in zee vogels zag, die geen eigenlijke zeevogels waren, zij tot de Orde der Steltloopers behoorden. Het is dus natuurlijk, dat zij de vroegste nederzetters worden op ver afgelegen landpunten.

Van kruipende dieren zag ik slechts eene kleine hagedis. Wat de insecten betreft, heb ik getracht alle soorten te verzamelen. Behalve spinnen, die talrijk waren, vond ik dertien soorten, en hieronder slechts een enkelen kever.5Een kleine mier zwermde bij duizenden onder de losse droge koraalblokken,en was eigenlijk het eenige insect, dat overvloedig voorkwam. Ofschoon in vergelijking met de waters der naburige zee, de voortbrengselen van het land zoo schaarsch zijn, is het aantal bewerktuigde wezens inderdaad oneindig groot. Chamisso heeft (Kotzebue’sFirst Voyage, deel III blz. 222) de natuurlijke geschiedenis van een laguneneiland in den Radack-Archipel beschreven; en het is merkwaardig, hoezeer de bewoners daarvan in aantal en soort op die van Keeling-Eiland gelijken. Er zijn eene hagedis en twee steltloopers: namelijk een snip (Scolopax) en een wulp (Numenius). Van planten zijn er 19 soorten met inbegrip van een varenkruid, en eenige daarvan zijn dezelfde als die welke hier groeien, niettegenstaande de plek zoo ontzettend ver en in een geheel anderen oceaan ligt.

De lange strooken land, die de rechtlijnige eilandjes vormen, bereiken geene grootere hoogte dan tot waar de branding koraalbrokken kan opwerpen en de wind kalkhoudend zand ophoopen. De stevige bank van koraalgesteente breekt door hare breedte het eerste geweld der golven, die anders in één dag deze eilandjes met al wat zij voortbrengen zouden wegspoelen. Zee en land schijnen hier om het meesterschap te strijden; en ofschoon het vaste land eene plaats heeft veroverd, acht het water hier minstens even geldige rechten te bezitten. Op alle gedeelten ontmoet men krabben van meer dan ééne soort, die hier als kluizenaars leven, met de schelpdieren op haren rug, welke zij van het naburige strand gestolen hebben. In de boomen boven ons rusten talrijke witte rotspelikanen, fregatvogels en zeezwaluwen; en het bosch zou men een zeekraaiennest kunnen noemen, wegens de vele nesten en den stank, waarmede de dampkring vervuld is. Op hunne ruwe nesten gezeten, kijken de rotspelikanen u met een dom en toornig gezicht aan. De zeezwaluwen (Sterna) zijn, gelijk haar bijnaam van “domme” uitdrukt, onnoozele kleine schepsels; maar buiten deze is er eene kleine sneeuwwitte zeezwaluw, een bevallige vogel, die enkele voeten boven uw hoofd stil rondhuppelt, en met zijne groote, zwarte oogen kalm maar nieuwsgierig uw gelaatopneemt. Er is weinig verbeelding toe noodig, om zich voor te stellen, dat in zulk een tenger en fijn lichaam een dolende feeëngeest moet huizen.

Zondag 3 April.Na den dienst vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar de nederzetting, die eenige mijlen ver op de punt ligt van een dicht met hooge kokosboomen bedekt eilandje. Kapitein Ross en de meergenoemde Liesk wonen in een aan beide kanten open huis, dat de gedaante heeft van eene schuur, en met matten van gevlochten schors omhangen is. De huizen der Maleiers staan langs het strand der lagune. De geheele plek had een eenigszins mistroostig aanzien, omdat er geen tuinen waren, die getuigen van eene zorgvuldige ontginning. De inboorlingen behooren tot verschillende eilanden in den Oostindischen Archipel, maar spreken allen dezelfde taal. Wij zagen er van Borneo, Celebes, Java en Sumatra. In kleur gelijken zij op de bewoners van Tahiti, van wie zij in trekken niet veel verschillen. Eenige vrouwen vertoonen echter veel van het Chineesche type. Mij beviel zoowel de gelaatsuitdrukking in ’t algemeen als de klank hunner stemmen. Zij schenen arm, en in hunne huizen ontbrak alle gerief van meubelen; maar uit het poezelig voorkomen der kindertjes bleek duidelijk, dat kokosnoten en zeeschildpadden geen slecht voedsel zijn.

Op dit eiland liggen de putten, waaruit de schepen water opdoen. In ’t eerst schijnt het niet weinig vreemd, dat het zoete water met de getijden regelmatig ebt en wast, en men heeft zelfs gemeend, dat zand het vermogen bezit om het zout uit het zeewater te filtreeren. Deze ebbende putten komen ook op eenige lage eilanden in West-Indië voor. Het samengedrukte zand of het poreuze koraalgesteente wordt evenals eene spons van het zoute water doorzegen; maar de regen, die op de oppervlakte valt, moet dalen tot het peil der omringende zee en zich daar ophoopen onder verplaatsing van een gelijk volume zoutwater. Wanneer nu het water in het lagere gedeelte der groote sponsachtige koraalmassamet de getijden rijst en daalt, zal dit ook geschieden met het water bij de oppervlakte; en dit laatste zal zoet blijven, indien het gesteente dicht genoeg is om aanzienlijke mechanische vermenging te voorkomen. Graaft men echter een put op plaatsen, waar het land bestaat uit groote losse koraalbrokken met open tusschenruimten, dan is, blijkens hetgeen ik gezien heb, het water daarin brak.

Na het middagmaal woonden wij een zonderling en half bijgeloovig schouwspel bij, dat de Maleische vrouwen ons te zien gaven. Een groote houten lepel, die in kleeren gestoken en naar het graf van een overleden man was gebracht, werd, volgens hare bewering, bij volle maanbegeesterden zou gaan springen en dansen. Na de noodige voorbereidingen, hielden twee vrouwen den lepel vast, die daarop in stuipachtige beweging geraakte en onder het gezang der omstaande vrouwen en kinderen goed in de maat ronddanste. Het was eene allerzotste vertooning; maar Liesk beweerde, dat vele Maleiers werkelijk aan de geestenbeweging van den lepel geloofden. De dans begon eerst nadat de maan was opgegaan; en toen wij hare heldere schijf zoo stil tusschen de lange, in den avondwind wuivende takken der kokosboomen zagen schijnen, werden wij ruimschoots voor ons wachten schadeloos gesteld. Op zichzelven zijn deze tropische landschappen zoo verrukkelijk, dat men hen bijna even lief krijgt als die in het eigen vaderland, waaraan wij door de fijnste snaren van het gemoed verbonden zijn.

Den volgenden dag hield ik mij bezig met het onderzoek naar den zeer belangwekkenden, hoewel eenvoudigen bouw en oorsprong dezer eilanden. Daar het water bijzonder effen was, waadde ik over de buitenste bank van dood gesteente tot aan de levende koraaldijken, waarop de golfslag der volle zee breekt. In sommige geulen en holten zwommen visschen in prachtig groene en andere kleuren, en prijkten vele zoöphieten in wondervolle tinten en vormen. Het is verschoonbaar, dat men in geestdrift geraakt over het oneindig aantal bewerktuigde wezens, waarmede de keerkringszee,zoo kwistig in levensvormen, bevolkt is; toch moet ik bekennen, dat natuuronderzoekers die in welgekozen bewoordingen de onderzeesche grotten beschreven hebben als versierd te zijn met duizend schoonheden, volgens mijn idee eene eenigszins gezwollen taal gebezigd hebben.

6 April.Ik vergezelde kapitein Fitz-Roy naar een eiland aan het hoofdeinde der lagune, en daarbij volgden wij een ingewikkeld kanaal, dat zich door velden van fijn vertakte koralen slingerde. Wij zagen verscheidene zeeschildpadden, en twee booten werden afgezonden om ze te vangen. Het water is zoo helder en ondiep, dat hoewel de zeeschildpad door snel duiken in de eerste oogenblikken uit het gezicht raakt, de vervolgers in hunne kano of zeilboot haar na eene niet zeer lange jacht inhalen. Op dit oogenblik springt een man, die in den boeg gereed staat, door het water heen op den rug der schildpad, grijpt haar met beide handen bij het nekschild, en laat zich zoo meevoeren totdat het dier uitgeput raakt en gevat wordt. Het was eene belangwekkende jacht, de twee booten zoo te zien rondvaren, en de mannen met het hoofd vooruit door het water te zien schieten om te trachten hunne prooi te grijpen. Kapitein Moresby meldt mij, dat de inboorlingen der in dezen zelfden oceaan gelegen Chagos-Eilanden op eene afgrijselijke manier het rugschild van de levende zeeschildpad wegnemen. “Het wordt met brandende houtskool bedekt, die de buitenste schaal omhoog doet krommen; daarna rukt men het met een mes af, en maakt het plat tusschen twee planken voordat het koud wordt. Na deze barbaarsche behandeling laat men het dier weer in zijn element terugkeeren, waar zich na eenigen tijd een nieuw schild vormt, dat echter te dun is om het dier van eenig nut te zijn. Het gevolg is dan ook altijd, dat de schildpad er kwijnend en ziekelijk uitziet.”

Toen wij aan den kop der lagune kwamen, staken wij een smal eilandje over, en zagen hier op de kust naar den wind eene hevige branding staan. Ik kan moeilijk zeggen waarom:maar op mijn geest maakt de aanblik van de buitenkusten dezer laguneneilanden een zeer grootschen indruk. Er ligt iets grootsch in dat eenvoudige borstweringachtige strand, dien zoom van groene struiken en hooge kokosboomen, die stevige bank van dood koraalgesteente met hare groote, hier en daar verspreide losse brokken, en in die lange lijn van woedende brekers, die aan alle zijden aanrollen. Als de oceaan zijne golven over het breede rif werpt, schijnt hij u een onoverwinnelijke vijand van alvermogende kracht; toch zien wij hem tot staan gebracht en zelfs overwonnen door middelen, die u op ’t eerste gezicht zoo uiterst zwak en krachteloos schijnen. Niet dat de oceaan de koraalrotsen spaart! De groote brokken, die over het rif verspreid en opgehoopt zijn op het strand, waaruit de hooge kokosboom ontspruit, spreken duidelijk van de onbuigzame kracht der golven. Ook gunt de zee het land geen tijd van rust. De langdurige stijging, veroorzaakt door de gestadige werking van den passaatwind, die altijd in ééne richting over een uitgestrekt gebied waait, doet brekers ontstaan, bijna even machtig als die in gematigde luchtstreken tijdens een orkaan, en die met onverpoosd geweld woeden. Men kan deze golven niet zien zonder een gevoel van overtuiging, dat een eiland, ofschoon uit het hardste gesteente bestaande, hetzij porfier, graniet of kwarts, eindelijk voor zulk eene onweerstaanbare kracht moet zwichten en door de golven worden verslonden. Niettemin houden deze lage, onbeduidende koraaleilandjes zegevierend stand, want eene andere macht treedt op als tegenstander en mengt zich in den strijd. De krachten van het organische leven scheiden, een voor een, de molekulen koolzure kalk uit de schuimende branding, en vereenigen ze tot een hecht, symmetrisch samenstel. Laat vrij de oceaan er duizenden brokken afrukken, wat zegt dit tegen de tienduizenden nijvere arbeiders, die dag en nacht, maand in maand uit aan ’t werk zijn? Zoo zien wij dan het zachte en slijmachtige lichaam der poliep door tusschenkomst der levenswetten zegevieren over de ruwe mechanische kracht der golven van eenoceaan, dien noch de menschelijke kunst, noch zelfs de onbezielde werken der natuur met goed gevolg konden weerstaan!

Niet voor des avonds laat keerden wij aan boord terug, want langen tijd bleven wij in de lagune bezig met het onderzoek van de koraalvelden en van de 1½ M. groote reuzenschelpen,6welke laatste zoo sterk zijn, dat iemand die zijne hand tusschen de schalen durft steken, haar niet zou kunnen lostrekken, zoolang het dier leeft. Bij het hoofdeinde der lagune vond ik tot mijne groote verbazing eene uitgestrekte ruimte van veel meer dan een mijl in het vierkant, bedekt met een woud van fijn vertakte koralen, die allen dood en verrot waren, ofschoon zij recht overeind stonden. In ’t eerst begreep ik volstrekt niet wat de oorzaak hiervan was, doch later viel mij in, dat zij aan den volgenden, eenigszins vreemden samenloop van omstandigheden was toe te schrijven. Ik moet echter vooraf zeggen, dat koralen zelfs niet een korten tijd aan de zonnestralen in de open lucht kunnen blootgesteld zijn, zonder te sterven, zoodat hare bovenste groeigrens bepaald wordt door die van het laagste water bij springgetijden. Uit eenige oude kaarten blijkt, dat het lange eiland bovenwinds voorheen door wijde kanalen in verscheidene eilandjes verdeeld was: welk feit ook hieruit blijkt, dat de boomen op die gedeelten jonger zijn. In den vroegeren toestand van het rif zou een sterke bries, door meer water over de borstwering te werpen, het peil der lagune hebben doen rijzen. Thans heeft zij eene tegengestelde werking; want niet alleen neemt het water in de lagune door stroomingen van buiten niet toe, maar het wordt zelf door de kracht van den wind naar buiten gestuwd. Zoo heeft men dan waargenomen, dat het getij nabij het hoofd der lagune gedurende eene sterke bries niet zoo hoog stijgt, als bij kalm weder. Volgens mijn idee, heeft dit niveau-verschil, ofschoon zonder twijfel zeer gering, dendood veroorzaakt van deze koraalboschjes, die in den vroegeren, meer open toestand van het buitenrif hunne hoogst mogelijke grens van verticalen groei bereikt hadden.

Enkele mijlen ten noorden van Keeling is eene andere kleine atolle, binnen welke de lagune bijna geheel met koraalmodder gevuld is. Kapitein Ross vond in het conglomeraat-gesteente op de buitenkust een goed afgerond stuk groensteen bedolven, iets grooter dan een menschenhoofd, waarover hij zelf en zijne metgezellen zoo verwonderd waren, dat zij het stuk medenamen en als eene bijzonderheid bewaarden. Het voorkomen van dezen enkelen steen in eene omgeving van niets dan kalkhoudend gesteente, is zeer verrassend. Het eiland is bijna nooit bezocht geworden, en het is ook niet waarschijnlijk, dat er een schip is vergaan. Bij gebrek aan eene betere verklaring, kwam ik tot de slotsom, dat de steen, tusschen de wortels van een grooten boom verward, hierheen was gekomen; maar denkende aan den grooten afstand van het naastbij gelegen land, en aan het onwaarschijnlijke van zulk een samenloop van omstandigheden, nl. dat een steen zou vastgeraakt zijn in een boom, met den boom in zee gespoeld, zóó ver weggedreven, toen veilig geland en eindelijk zoodanig begraven zou zijn, dat hij ontdekt werd—schrok ik haast, dat een blijkbaar zoo onwaarschijnlijk middel van vervoer in mijn brein opkwam. Met veel belangstelling las ik daarom het verhaal van Chamisso, den te recht vermaarden natuuronderzoeker die Kotzebue vergezelde, dat de bewoners van den Radack-Archipel (de reeds genoemde groep laguneneilanden in den Stillen Oceaan) de steenen voor het scherpen van hunne werktuigen verkregen, door de wortels van boomen te onderzoeken welke op het strand waren geworpen. Blijkbaar moet dit verscheidene keeren gebeurd zijn, daar er wetten bestaan, dat zulke steenen aan het opperhoofd toebehooren, en elk die hen poogt te stelen straf ontvangt. Let men op de afgezonderde ligging dezer eilandjes te midden van een uitgestrekten oceaan (de reusachtige afstand van eenig land, behalve koraalvormingen, blijktwel het best uit de waarde welke de inboorlingen, die zulke kloeke zeevaarders zijn, aan elke soort van steenen hechten)7: alsmede op de geringe snelheid der stroomingen in eene open zee—dan schijnt het voorkomen van op deze wijze vervoerde steenen ons wonderlijk toe. Toch kunnen steenen dikwijls zoo vervoerd worden; en indien het eiland, waarop zij stranden, uit andere stoffen dan koraal bestaat, zullen zij nauwelijks de aandacht trekken en zal althans hun oorsprong nooit aanleiding geven tot gissingen. Bovendien kan dit vervoer langen tijd de aandacht ontgaan, daar de boomen, vooral die welke met steenen zijn beladen, waarschijnlijk onder de oppervlakte drijven. In de kanalen van Vuurland worden groote hoeveelheden drijfhout op het strand geworpen; maar uiterst zelden ziet men een boom op het water drijven. Misschien kunnen deze feiten eenig licht werpen op het geval, dat hoekige zoowel als afgeronde steenen soms in fijne bezonken stoffen begraven worden gevonden.

Op een anderen dag bezocht ik het West-Eilandje, waar de plantengroei misschien overvloediger is dan op de overige. De kokosboomen groeien meestal gescheiden; maar hier bloeiden de jonge stammen onder hunne hooge bloedverwanten, en vormden met hunne lange en gebogen bladerkronen de meest belommerde priëelen. Alleen zij, die zoo iets ondervonden hebben, weten hoe heerlijk het is onder zulk lommer te zitten en het koele, aangename sap van de kokosnoot te drinken. Op dit eiland bevindt zich eene groote baaivormige ruimte, welke uit het fijnste witte zand bestaat; zij is geheel vlak en alleen bij hoog water door het getij bedekt. Uit deze groote baai ontspringen vele kleine kreken, die zich in de omringende bosschen verliezen. Het gezicht van zulk een veld met blinkend wit zand, rustig als eene bevroren watervlakte en omgeven door een rand van hooge,wuivende kokosstammen, vormde een zonderling, maar zeer aardig schouwspel.

Boven heb ik gesproken van een kreeft, die van de kokosnoten leeft. Hij is zeer algemeen overal waar droog land is, bereikt eene monsterachtige grootte, en is na verwant aan of dezelfde alsBirgos latro.8Het voorste paar beenen eindigt in zeer sterke en forsche scharen, terwijl het achterste van zachtere en veel smallere voorzien is. In ’t eerst zou men het geheel onmogelijk achten, dat een kreeft eene met een stevigen dop omsloten kokosnoot kan openen; maar Liesk verzekerde mij, dat hij dit herhaaldelijk heeft zien doen. De kreeft begint met den dop vezel voor vezel stuk te plukken, en altijd van dat einde af, waar zich de zoogenaamde drie oogen bevinden. Is dit volbracht, dan begint de kreeft met zijne zware klauwen op een van de oogen te hameren, totdat er eene opening gemaakt is. Dan draait hij zijn lichaam om, en haalt met de twee achterste en smallere scharen de witte vleezige pit te voorschijn. Ik beschouw dit feit niet alleen als het merkwaardigste voorbeeld van instinct, waarvan ik ooit gehoord heb, maar ook als eene aanpassing in lichaamsbouw tusschen twee in het schema der natuur blijkbaar zoover van elkander staande organismen, als een kreeft en een kokosboom. DezeBirgosis in zijne leefwijze een dagdier; maar men zegt, dat hij elken nacht een bezoek aan zee brengt, zonder twijfel met het doel om zijne kieuwen te bevochtigen. Op de kust worden ook de jongen uitgebroed, die er vervolgens eenigen tijd leven. Deze kreeften wonen in diepe gaten, welke zij onder de wortels van boomen graven, en waar zij bijzonder groote hoeveelheden van de losgetrokken vezels der kokosnotedoppen verzamelen, om hierop als op een bed te rusten. Soms maken de Maleiers hiervan gebruik, en garen de vezels om er oud touwwerk van te maken. Deze kreeftenvormen een zeer goed voedsel; bovendien bevindt zich onder den staart van de grootereindividuëneene aanzienlijke hoeveelheid vet, dat, gesmolten, somtijds een kwart flesch vol heldere olie oplevert. Sommige schrijvers beweren, dat deBirgostegen de kokosboomen opkruipt, om de noten te stelen. Ik twijfel zeer of dit wel mogelijk is, maar met denPandanus(Pandang of Schroefboom) zou die beklimming veel gemakkelijker zijn. Liesk vertelde mij, dat deBirgosop deze eilanden leeft van de noten, die op den grond zijn gevallen.

Kapitein Moresby deelt mij mede, dat deze kreeft de Chagos-Eilanden en de Seychellen bewoont, maar niet voorkomt op de naburige Maldivische Eilanden. Vroeger was hij talrijk op Mauritius, doch nu vindt men daar slechts enkele kleine. Naar men zegt bewoont deze soort, of eene met zeer overeenkomstige eigenschappen, één enkel koraaleiland in den Stillen Oceaan, noordelijk van de Gezelschaps-Eilanden. Als een bewijs hoe verbazend sterk het voorste paar scharen is, wil ik vermelden, dat Scoresby eens een kreeft in een sterken tinnen trommel opsloot, waarin beschuit geweest was, en het deksel met metaaldraad omwond. De kreeft boog echter de randen om en ontsnapte. Dit ombuigen geschiedde met zulk eene kracht, dat hij verscheidene kleine gaatjes door het tin boorde.

Tot mijne groote verrassing vond ik twee koraalsoorten van het geslachtMillepora(M. complanataenM. alcicornis), die het vermogen bezaten tot steken. Versch uit het water genomen, zijn de steenen takken of platen op het gevoel ruw en niet kleverig, ofschoon zij een sterken, onaangenamen reuk bezitten. De stekende eigenschap schijnt bij verschillende exemplaren ongelijk te zijn; drukte of wreef men een stuk op de zachte huid van aangezicht of arm, dan ontstond gewoonlijk, na verloop van eene secunde, eene prikkelende gewaarwording, die slechts enkele minuten duurde. Toen ik echter op zekeren dag een der takken vluchtig met mijn gezicht aanraakte, ontstond onmiddellijk pijn; deze nam, zooals gewoonlijk, na enkele secundentoe, bleef eenige minuten lang hevig, en was nog een half uur daarna te bespeuren. Het gevoel was even onaangenaam als wanneer men een brandnetel aanraakt, doch geleek meer op dat, veroorzaakt doorPhysaliaof het Spaansche Fregat. Kleine, roode vlekken ontstonden op de zachte huid van den arm, en zagen er uit alsof zij blaren zouden trekken, hetgeen echter niet gebeurde. De heer Quoy meldt dit geval van deMillepora, en zoo hoorde ik ook van stekende koralen in West-Indië. Vele zeedieren schijnen dit steekvermogen te bezitten; behalve het Spaansche fregat, vele koralen, enAplysiaof de zeehaas van de Kaap-Verdische-Eilanden, wordt in de “Voyage of the Astrolabe” gesproken van eeneActiniaof zee-anemoon, en van een buigzaam aanSertulariaverwant koraaldier, die beiden dit middel tot aanvallen of verdedigen bezitten. Men zegt, dat in de Oostindische Zee een stekend zeewier wordt gevonden.

Twee soorten van visschen, behoorende tot het geslachtScarus(papegaaivisch), welke hier algemeen zijn, leven uitsluitend van koraal; beiden zijn schitterend blauwgroen gekleurd en leven, de een altijd in de lagune en de ander tusschen de brekers op de buitenkust. Liesk verzekerde mij, dat hij herhaaldelijk geheele scholen visschen met hunne sterke beenige kaken op de toppen der koraaltakken had zien grazen. Bij verscheidene opende ik de ingewanden en vond die gevuld met kalkhoudende, zanderige modder van geelachtige kleur. Ook de slijmerige, walgelijke zeeblazen (Holothuroidea9aan onze zeesterren verwant), waarop de Chineesche lekkerbekken zoo verzot zijn, leven voor een groot deel van koralen, gelijk Dr. Allan mij bericht; en het beenig toestel binnen hun lichaam schijnt wel voor dit doel geschikt. DezeHolothuroidea, de visschen, de talrijke boorschelpen en borstelwormen (Nereïdae), die elk blok dood koraalgesteente doorboren, moeten zeer krachtigmedewerken tot het voortbrengen van de fijne witte modder, welke op den bodem en de oevers der lagune ligt. Prof. Ehrenberg vond echter bij onderzoek, dat eene hoeveelheid van deze modder, die, nat zijnde, in ’t oog vallend op fijngestampte kalk geleek, voor een deel uit kiezelschalige infusiediertjes bestond.

12 April.Des morgens zeilden wij uit de lagune en zetten koers naar Isle de France. Het doet mij genoegen, dat wij deze eilanden bezocht hebben; want zulke vormingen behooren zeker tot de wonderlijkste voortbrengselen der Natuur. Op een afstand van 2200 yards van de kust (2012 M.) peilde kapitein Fitz-Roy met eene lijn van 7200 voet lengte (2195 M.) nog geen grond, waaruit dus blijkt, dat dit eiland een hooge onderzeesche berg is met nog spitsere hellingen dan de steilste vulkaankegel. De schotelvormige top meet bijna tien mijlen in doorsnede; en elk atoom, van af het kleinste deeltje tot het grootste steenblok in dezen hoogen berg, die toch nog klein is in vergelijking met zeer vele andere koraaleilanden, draagt den stempel van langs organischen weg ontstaan te zijn.10Wij zijn verbaasd, als reizigers ons vertellen van de reusachtige afmetingen der pyramiden en andere groote gedenkteekenen der menschelijke kunst; maar hoe onbeduidend zijn de grootsten hunner, vergeleken met deze steenen bergen, welke door geen andere arbeiders zijn opgehoopt, dan verschillende kleine en tengere dieren! Dit is een wonder, dat op het eerste gezicht niet het lichamelijk oog, maar, na rijpe overdenking, het oog der rede treft.

Ik zal nu eene zeer korte beschrijving geven van de drie groote klassen van koraalriffen, namelijk:

en mijne inzichten omtrent hunne vorming mededeelen.11Bijna elk reiziger, die den Stillen Oceaan is overgestoken, heeft zijne groote verwondering betuigd over de laguneneilanden ofAtollen, zooals ik hen later bij hun Indischen (Maleischen) naam zal noemen, en getracht er eene verklaring van te geven. Reeds in het jaar 1605 zeide Pyrard de Laval terecht:

“C’est une merveille de voir chacun de ces atollons environné d’un grand banc de pierre, tout autour n’y ayant point d’artifice humain.”

(Het is verwonderlijk elk dezer atollen omringd te zien door eene groote steenen bank, zonder eenig spoor van menschelijke kunst in den omtrek).

Nevensstaande schets van het eiland Whitsunday in den Stillen Oceaan, welke ontleend is aan de uitnemende reisbeschrijving van kapitein Beechey, geeft slechts een flauw begrip van het zonderlinge voorkomen van zulk eeneatolle. Het is er een van de kleinste grootte, en bestaat uit smalle eilanden, die onderling tot een ring zijn vereenigd. De tegenstelling tusschen den onmetelijken oceaan met zijne woedende stortzeeën, en het lage eiland met het kalme heldergroene water binnen de lagune, kan men zich moeilijk voorstellen zonder het gezien te hebben.

Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).

Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).

De vroegere reizigers stelden zich voor, dat de koraalvormende dieren hunne groote ringen instinctmatig bouwden, om zich aan de binnenzijde eene veilige schuilplaatste verschaffen; maar als bewijs hoe ver dit van de waarheid is, wil ik alleen zeggen, dat die in massa vereenigde soorten, van wier groei op de open buitenkusten het bestaan van het rif zelf afhangt, niet binnen de lagune kunnen leven, waar andere fijn vertakte soorten bloeien. Volgens die meening wordt bovendien ondersteld, dat vele soorten van verschillende geslachten en families zich tot één doel vereenigen; en van zulk eene vereeniging is in de geheele natuur geen enkel voorbeeld te vinden. De theorie, welke het meest ingang heeft gevonden is, dat atollen op onderzeesche kraters rusten; beschouwen wij echter den vorm en grootte van sommige, het aantal, de nabuurschap en betrekkelijke ligging van andere, dan verliest dit denkbeeld zijn aannemelijk karakter. Zoo meet de atolle Suadiva1244geographicalmijlen in de eene richting en 34 in eene andere; Rimsky meet 54 bij 20 mijlen, en heeft een zonderling gebogen rand; de atolle Bow13is 30 mijlen lang, bij eene gemiddelde breedte van slechts zes, terwijl Menchikov (een der Marshall-Eilanden) uit drie onderling vereenigde of verbonden atollen bestaat. Bovendien is deze theorie geheel ontoepasselijk opde noordelijke Maldivische atollen in den Indischen Oceaan (waarvan ééne 88 mijlen lang en tusschen de 10 en 20 m. breed is); want deze worden niet begrensd door smalle riffen evenals gewone atollen, maar door een groot aantal afzonderlijke kleine atollen, terwijl andere kleine atollen uit de groote lagunenvormige binnenruimten verrijzen. Eene derde en betere theorie werd door Chamisso voorgesteld, die meende, dat, ten gevolge van den sterkeren groei der koralen op plaatsen waar zij aan de volle zee zijn blootgesteld—zooals ongetwijfeld het geval is, de buitenranden vroeger dan andere gedeelten uit het gemeenschappelijke grondvlak zouden opgroeien, en dat dit de ring- of schotelvormige structuur zou verklaren. Maar aanstonds zullen wij zien, dat in deze, zoowel als in de krater-theorie, een allerbelangrijkst punt over het hoofd is gezien, namelijk de vraag: waarop hebben de rifvormende koralen, die op geene groote diepte kunnen leven, hunne hechte bouwwerken gegrondvest?

Aan den steilen buitenkant der Keeling-atolle werden door kapitein Fitz-Roy een aantal zorgvuldige peilingen gedaan, en werd bevonden, dat de bereide talk op den bodem van het lood, uit punten binnen tien vademen diepte, altijd bovenkwam met duidelijke indruksels van levende koralen, doch zonder aanklevende bestanddeelen, en even schoon alsof men het op een grasveld had laten vallen. Nam de diepte toe, dan werden de indruksels minder talrijk, maar de aanklevende zanddeeltjes, daarentegen, steeds talrijker, totdat de bodem eindelijk uit eene zachte zandlaag bleek te bestaan. Wil men de vergelijking met het grasveld voortzetten, dan kunnen wij zeggen, dat de grashalmen al schaarscher en schaarscher werden, tot de grond eindelijk zoo dor was, dat er niets meer uit opschoot. Uit deze, door vele andere bevestigde waarnemingen mogen wij veilig afleiden, dat de uiterste diepte waarop koralen hunne riffen kunnen bouwen, 20 tot 30 vademen bedraagt. Nu zijn er ontzaglijke oppervlakten in de Stille en Indische Oceanen, waar elk eiland op zichzelf eene koraalvorming is, en slechts diehoogte bereikt, tot welke de golven nog brokstukken kunnen opwerpen, en de winden zand kunnen ophoopen. Zoo is de groep der Radack-atollen (Marshall-Eilanden) een onregelmatig vierkant, 520 mijlen lang, bij 240 breed; de ellipsvormige Lage of Tuamotu-Archipel meet 840 mijlen in zijne langste en 420 in de kortste as; tusschen deze twee archipels liggen andere kleine groepen en afzonderlijke lage eilanden, welke met de eersten eene ruimte in den oceaan bedekken van 4000 mijlen lengte, waarbinnen geen enkel eiland boven de bepaalde hoogte reikt. Ook in den Indischen Oceaan is eene ruimte van 1500 mijlen in doorsnede, welke drie archipels omvat, alle uit lage eilanden bestaande, die door koralen zijn gevormd. Wegens het feit, dat de rifbouwende koralen niet op groote diepte leven, kan met volstrekte zekerheid worden gezegd, dat overal in die uitgestrekte ruimten, waar thans eene atolle is, oorspronkelijk een bodem bestaan moet hebben binnen eene diepte van 20 tot 30 vademen (ongeveer 37 tot 55 Met.) van het zeeoppervlak. Het is ten hoogste onwaarschijnlijk, dat breede, hooge, vrij staande en steil oploopende banken van bezonken stoffen, verspreid in groepen en reeksen van vele honderden mijlen lengte, gevormd konden zijn in de midden- en diepste gedeelten der Stille en Indische Oceanen, op een reusachtigen afstand van het vasteland, en waar het water volkomen doorschijnend is. Even onwaarschijnlijk is het, dat de opstuwende krachten onder onze aardkorst over de genoemde uitgestrekte ruimten tallooze groote rotsbanken zouden hebben opgeheven tot eene hoogte van 20 tot 30 vademen (120 tot 180 voet) onder de oppervlakte der zee, en geen enkele harerbovendat peil. Immers, wáár op de geheele aardoppervlakte kunnen wij eene bergketen vinden, zelfs van maar weinige honderden mijlen lengte, welker talrijke toppen zich niet hooger verheffen dan enkele voetenondereen bepaald peil, en waar geen enkele topdaarbovenverrijst? Bijgevolg, indien de grondvlakken waaruit de atollen-bouwende koralen groeiden, niet uit bezonken stoffen gevormd, en ook niet tot de vereischte hoogten werden opgestuwd,moeten zij noodzakelijktot dat peil zijn ondergezonken; en dit lost terstond de moeilijkheid op. Want terwijl de eene berg na den anderen, het eene eiland na het andere langzaam onder water zonken, ontstonden achtereenvolgens versche bodems voor den groei der koralen. Wij kunnen hier onmogelijk in alle vereischte bijzonderheden treden; maar ik tart elk, om op andere wijze te verklaren, hoe het mogelijk is, dat over zulke uitgestrekte ruimten talrijke eilanden verspreid liggen, allenditgemeen hebbende, dat zij laag en opgebouwd zijn uit koralen, die als levensvoorwaarde een bodem behoeven, welke opbeperktediepte onder het zeeoppervlak is gelegen.14

Alvorens te verklaren hoe de atollen of lagunenriffen hunne eigenaardige structuur verkrijgen, moeten wij ons wenden tot de tweede groote klasse, namelijk dewal-ofdamriffen. Deze strekken zich uit, hetzij in rechte lijnen voor de kusten van een vastland of groot eiland, of zij omringen kleine eilanden; in beide gevallen zijn zij van het land gescheiden door een breed en vrij diep waterkanaal, evenals de lagune binnen eene atolle. Het is opmerkelijk hoe weinig aandacht aan de ringvormige walriffen is geschonken, ofschoon zij toch zoo wondervol zijn samengesteld. De volgende schets stelt een gedeelte van het walrif voor, dat het eiland Bolabola15in den Stillen Oceaan omringt, gezien van een der rotstoppen in het midden. In dit geval is de geheele rifrand in land veranderd; maar gewoonlijkscheidt eene sneeuwwitte lijn van hooge brekers, waartusschen hier en daar een enkel laag, met kokosboomen begroeid eilandje zichtbaar is, de donkere golven in den oceaan van de lichtgroene ruimte in het lagunenkanaal. En het kalme water in dit kanaal bespoelt in de meeste gevallen een lagen rand van alluvialen grond, beladen met de schoonste voortbrengselen uit de keerkringen en gelegen aan den voet der ruwe, steile bergen in het midden.


Back to IndexNext