Hoofdstuk XVI.Noord-Chili en Peru.27 April.Ik maakte mij op voor eene reis naar Coquimbo, en vandaar over Huasco naar Copiapó, waar kapitein Fitz-Roy het vriendelijke aanbod deed, mij aan boord van deBeaglete nemen. De afstand in rechte lijn langs het strand noordwaarts is slechts 420 mijlen; doch mijne manier van reizen maakte den tocht zeer lang. Ik kocht vier paarden en twee muildieren, waarvan de laatsten om den anderen dag de pakkage droegen. De zes dieren te zamen kostten slechts 25 pond sterling, en te Copiapó verkocht ik hen weer voor drie en twintig. Wij reisden op dezelfde ongedwongen manier als te voren, kookten zelf ons maal, en sliepen in de open lucht. Toen wij naar de Vigno del Mar reden, wierp ik een afscheidsblik op Valparaiso, en bewonderde haar schilderachtig aanzien. Voor geologische onderzoekingen deed ik een tocht van den grooten weg naar den voet der Klok van Quillota, en met dit doel trokken wij door een alluviaal district, dat rijk aan goud was, naar de buurtschap Limache, waar wij sliepen. Het goudwasschen onderhoudt de bewoners van een aantal hutten, die langs de oevers van elk riviertje verspreid zijn; maar gelijk alle personen met onzekere verdiensten, zijn zij verkwistend van aard, en bijgevolg arm.28 April.In den namiddag bereikten wij eene hut aan den voet van den Klok-berg. De bewoners waren vrijgoedbezitters, hetgeen in Chili niet veel voorkomt.Zij leefden van de voortbrengselen van een tuin en een klein veld, doch waren zeer arm. Er is hier zooveel gebrek aan kapitaal, dat de menschen genoodzaakt zijn hun nog te velde staand koren te verkoopen, om het noodige te koopen voor het volgende jaar. Dientengevolge was tarwe in het district, waar zij groeide, duurder dan te Valparaiso, waar de afnemers wonen. Den volgenden dag bereikten wij weer den grooten weg naar Coquimbo. Gedurende den nacht viel er een zeer fijne regen, en dit waren de eerste druppels sinds den hevigen regen van 11 en 12 September des vorigen jaars, die mij in de Baden van Cauquenes gevangen hield. De tusschentijd bedroeg zeven en eene halve maand; maar dit jaar was de regen in Chili iets later dan gewoonlijk. Prachtig was de aanblik der verwijderde Andes, die nu met eene dikke sneeuwlaag bedekt waren.2 Mei.Voortdurend volgde de weg de kust, op geen grooten afstand van de zee. De weinige boomen en struiken, die in Midden-Chili voorkomen, namen snel in aantal af, en werden vervangen door eene hooge plant, die eenigszins op eeneYuccaof Amerikaansche Adamsnaald geleek. Ofschoon op kleine schaal, vertoonde het land met zijne steile, lage rotstoppen, die uit de kleine vlakten of dalkommen verrezen, eene eigenaardig gebroken en onregelmatige oppervlakte. Dergelijke vormen zouden ook de oneffen kust en de bodem der naburige zee vertoonen, wanneer zij in land veranderd werden; en zonder twijfel had zulk eene verandering plaats gehad in het gedeelte, waarover wij reden.3 Mei.Onze tocht leidde van Quilimari naar Conchalee. Het land werd meer en meer onvruchtbaar. In de valleien was nauwelijks water genoeg voor bevloeiing, en het tusschenliggende land was zóó dor, dat er zelfs geen geiten konden grazen. In de lente schiet, na de wintervlagen, snel eene dunne graslaag op, en kan het vee uit de Cordilleras worden gedreven om hier voor korten tijd te grazen. Het is merkwaardig te zien hoe de gras- en andere plantenzaden, als door eene aangenomen gewoonte, zich schikkennaar de hoeveelheid regen, welke op verschillende deelen dezer kust valt. Eéne bui te Copiapó, ver noordwaarts, heeft op den plantengroei eene even groote uitwerking als twee te Huasco, en als drie of vier in dit district. Een winter te Valparaiso, zoo droog dat aan het weiland ernstige schade wierd toegebracht, zou te Huasco een overvloed voortbrengen, die daar ten zeerste ongewoon is. In noordelijke richting schijnt de hoeveelheid regen niet in juiste verhouding tot de breedte af te nemen. Te Conchalee, dat slechts 67 mijlen benoorden Valparaiso ligt, wordt de regen niet vóór het einde van Mei verwacht, terwijl te Valparaiso meestal reeds vroeg in April wat valt. Ook is de jaarlijksche hoeveelheid klein in verhouding tot het vergevorderde seizoen, waarin de regen begint.4 Mei.Daar wij op den kustweg niets belangrijks vonden, gingen wij landwaarts in naar het mijndistrict in de vallei van Illapel. Deze vallei is, evenals alle andere in Chili, vlak, breed en zeer vruchtbaar; zij wordt aan beide zijden begrensd òf door klippen van gelaagd grof keizand, òf door kale rotsachtige bergen. Boven de rechte lijn van het hoogste besproeiingskanaal is alles donkerbruin als op een straatweg, terwijl alles daaronder helder kopergroen is door de velden met alfarfa (eene soort klaver). Wij reden verder naar Los Hornos, een ander mijndistrict, waar de hoogste berg doorzeefd was met gaten, evenals een groot mierennest. De Chileensche mijnwerkers zijn in hunne leefwijze een bijzonder slag van menschen. Wanneer zij, na weken lang op de eenzaamste en naargeestigste plaatsen te hebben gewoond, op feestdagen naar de dorpen afdalen, is er geen uitspanning of buitensporigheid, waaraan zij niet deelnemen. Soms verdienen zij een flink loon, maar trachten dit zoo spoedig mogelijk te verkwisten, evenals zeelieden hun premiegeld. Zij drinken onmatig, koopen overvloed van kleeren, en keeren na enkele dagen zonder een penny op zak naar hunne ellendige verblijven terug, om daar nog harder dan lastdieren te werken. Deze onbedachtzaamheid is blijkbaar, evenals bij zeelieden, het gevolg van eenegelijksoortige leefwijze. Voor hun dagelijksch voedsel wordt gezorgd, en zoo gewennen zij zich niet aan spaarzaamheid; bovendien hebben zij de middelen om aan de verleiding toe te geven, zoodra die in hunne macht is. In Corwallis en eenige andere districten van Engeland, waar het stelsel wordt gevolgd om een gedeelte van eene gang te verkoopen, zijn de mijnwerkers daarentegen een bijzonder schrander en oppassend slag van menschen, omdat zij verplicht zijn voor zichzelven te handelen en te denken.De kleeding van den Chileenschen mijnwerker is eigenaardig en eenigszins schilderachtig. Hij draagt een zeer lang hemd van donkerkleurige baai met lederen voorschoot, die beiden door een lichtkleurigen gordel om zijn middel zijn bevestigd. Zijn broek is zeer wijd, en zijne kleine scharlakenroode muts sluit strak om het hoofd. Wij ontmoetten een troep van deze mijnwerkers in groot costuum, die het lijk van een hunner makkers gingen begraven. Zij liepen in een zeer snellen pas, terwijl vier mannen het lijk droegen. Als het eene viertal ongeveer 200 yards geloopen had zoo hard als zij konden, werd het afgelost door vier anderen, die eerst te paard vooruit waren gerend. Zoo gingen zij voort, elkander door woeste kreten aanmoedigende. Het geheele schouwspel vormde eene allerzonderlingste begrafenis.Wij vervolgden in eene zigzaglijn onzen tocht naar het noorden, met nu en dan een dag oponthoud voor geologische onderzoekingen. Het land was zoo dun bevolkt, en het spoor was zoo onduidelijk, dat wij dikwijls moeite hadden onzen weg te vinden. Op den 12den Mei vertoefde ik bij eenige mijnen. Het erts alhier wordt niet als bijzonder goed beschouwd; maar wegens den overvloed er van onderstelde men, dat de mijn voor 30000 of 40000 dollars (d.i. 6000 of 8000 pond sterling) zou worden verkocht. Trots deze onderstelling, werd zij door eene Engelsche Maatschappij gekocht voor één ons goud, of drie pond acht shillings. Het erts bestaat uit gele pyrieten, die, zooals ik reeds opmerkte, vóór de komst der Engelschen geacht werden geen koperdeeltjes te bevatten. Op bijna even groote winstgevende schaal alsin het bovengenoemde geval, werden hoopen vulkanische asch gekocht, die rijk was aan kleine korrels zuiver koper; maar ondanks deze voordeelen, hebben de mijnmaatschappijen, naar men weet, ontzaglijke sommen geld verloren. De dwaasheid van de meeste commissarissen en aandeelhouders grensde aan verblinding: soms werden duizend pond sterling ’s jaars uitgegeven om Chileensche autoriteiten te onderhouden; men hield er bibliotheken op na met keurig gebonden geologische boeken; liet mijnwerkers komen voor bijzondere metalen, zooals tin, die in Chili niet gevonden worden; verbond zich om de mijnwerkers van melk te voorzien op plaatsen, waar geen koeien waren; bestelde machinerieën, waar zij toch niet gebruikt konden worden—in ’t kort, men nam honderd maatregelen, die getuigden van onze dwaasheid en den inwoners nog heden stof tot vermaak geven. Toch valt er niet aan te twijfelen, of hetzelfde kapitaal, mits wel besteed, zou ontzaglijke winsten uit deze mijnen hebben geput; al wat men noodig had, was een betrouwbaar man van zaken, een practisch mijnwerker en essayeur.Kapitein Head heeft de verbazende vracht beschreven, die deApiri1—ware lastdieren—uit de diepste mijnen naar boven brengen. Ik beken, dat ik het cijfer overdreven achtte, zoodat ik blijde was in de gelegenheid te zijn een dezer vrachten te wegen, die ik op goed geluk in handen nam. Ofschoon ik er recht boven stond, vereischte het groote inspanning haar van den grond te lichten. Op de weegschaal gezet, bleek zij 197pounds(ruim 89⅓ kilo) zwaar te zijn. De arbeider had dezen last 80 yards (ruim 73,1 met.) omhoog gedragen, gedeeltelijk langs een steilen opgang, maar grootendeels langs trappalen, welke in eene zigzaglijn in de schacht zijn geplaatst. Volgens de algemeene verordening, mag de arbeider onderweg niet stoppen om adem te scheppen, behalve wanneer de mijn 600 voet diep is. De gemiddelde last wordt op iets meer dan 200pounds(ruim 90,7 kilo) geschat; en men heeft mij verzekerd, dat er eens, bij wijze van proefneming, een van 300pounds(circa 136,1 kilo) uit de diepste mijn naar boven was gebracht! Tijdens mijn bezoek droegen deapiriden gewonen last twaalfmaal daags omhoog, dat is: 2400pounds(1088,6 kilo) uit eene diepte van 80 yards, en waren in de tusschentijden bezig met het uithakken en breken van ertsen.Ongelukken uitgezonderd, zijn deze mannen gezond en oogenschijnlijk opgeruimd. Zeer gespierd is hun lichaam niet. Zij eten slechts eenmaal in de week vleesch, nooit meer, en dan alléén het harde drogecharqui. Ofschoon wetende, dat de arbeid vrijwillig was, kwam toch het gemoed in opstand bij het zien van den jammerlijken staat, waarin zij de mijnopening bereikten: het lichaam voorover gebogen, de armen op de treden geleund, de beenen gekromd; met trillende spieren, gezwollen neusvleugels, de mondhoeken diep naar achteren gezonken; met aangezicht en borst badende in het zweet, en diep beklemden ademtocht. Telkens als zij ademhalen, uiten zij een doordringenden kreet, die eindigt in een diep maar schril keelgeluid, evenals een fluittoon. Zoo waggelden zij naar den ertsstapel, ledigden hier huncarpacho, wischten na twee of drie secunden, als zij weer op adem kwamen, het zweet van hun voorhoofd, en daalden schijnbaar geheel opgefrischt weer in den mijn af. Mij dunkt, dit is een merkwaardig voorbeeld van de groote hoeveelheid arbeid, die de mensch kan verduren, blijkbaar door geen andere oorzaak dan de gewoonte.Toen ik des avonds met denmayordomodezer mijnen (nog een jongen man) sprak over het aantal vreemdelingen, die nu over het geheele land verspreid zijn, vertelde hij mij uit den tijd, toen hij—niet lang geleden—te Coquimbo schoolging, zich te herinneren, dat de jongens vrijaf kregen, om den kapitein van een Engelsch schip te zien, die naar de stad werd geleid om den gouverneur te spreken. Hij gelooft, dat niets in staat zou zijn geweest de schooljongens (hijzelf medegerekend) over te halen, om dicht bij den Engelschman te komen; zoo diep had de meening bij henpost gevat, dat de aanraking met zulk een persoon ketterij, besmetting en het kwade zou aanbrengen. Ten huidigen dage vertelt men van de wreede daden derboekaniers,2en vooral van een, die het beeld der Maagd Maria wegnam, en een jaar later terugkeerde om dat van den H. Jozef te halen, zeggende, dat het jammer zou zijn indien de maagd geen echtgenoot had. Ook hoorde ik vertellen van eene oude dame, die bij een diner te Coquimbo de opmerking maakte hoe verbazend vreemd het was, dat zij het moest beleven, met een Engelschman in dezelfde kamer te eten; want zij herinnerde zich uit hare meisjesjaren, dat bij twee gelegenheden, op het bloote geroep van: “Los Ingleses!” (De Engelschen), alle menschen naar het gebergte waren gevlucht, met medeneming van hunne kostbaarheden, zooveel zij dragen konden.14 Mei.Wij bereikten Coquimbo, waar wij enkele dagen bleven. De eenige merkwaardigheid der stad is hare buitengewone kalmte. Men zegt, dat zij zes tot acht duizend inwoners kan bevatten. Op den morgen van den 17den viel er een zachte regen—de eerste van dit jaar—die ongeveer vijf uren duurde. De pachters, die bij de zeekust (waar de dampkring het vochtigst is) koren verbouwen, zouden van deze bui partij trekken, om den grond te beploegen; na eene tweede bui zouden zij zaaien; en mocht er eene derde komen, dan zouden zij in de lente een goeden oogst hebben. Belangrijk was het de uitwerking dezer onbeduidende hoeveelheid vocht te zien. Twaalf uren later scheen de grond even droog als te voren; maar na verloop van tien dagen hadden alle heuvels eene zwak groene kleur ten gevolge van het gras, dat hier en daar in haarfijne vezels vaneeninchlang verspreid was. Vóór deze bui was de geheele oppervlakte zoo kaal als een straatweg.Des avonds aten kapitein Fitz-Roy en ik bij Edwards, een Engelsch inwoner die om zijne gastvrijheid aan alle bezoekers van Coquimbo wel bekend is, toen eene hevige aardbeving plaats had. Ik hoorde het voorafgaande gerommel; maar door het geschreeuw der dames, het geloop der dienstboden, en de drukte waarmede verscheidene heeren naar den uitgang snelden, kon ik de beweging niet onderscheiden. Ook na den schok schreeuwden eenige vrouwen het uit van angst; en een der heeren zeide, dat hij den geheelen nacht niet zou kunnen slapen, of zoo hij al sliep, het dan alleen zou zijn om van instortende huizen te droomen. De vader van dezen persoon had te Talcahuano have en goed verloren, en in 1822 was hij zelf in Valparaiso ternauwernood aan een instortend dak ontkomen. Hij vertelde een merkwaardig geval, dat toen plaats had. Hij zat kaart te spelen, toen een Duitscher, tot het gezelschap behoorende, opstond, zeggende, dat hij in deze streken nooit in eene kamer met gesloten deur wilde zitten, omdat hij te Copiapó zoodoende bijna het leven had verloren. Hij opende dus de deur; en nauwelijks had hij dit gedaan, of hij schreeuwde luid:“Daar komt er weer een!”Op hetzelfde oogenblik voelde men den eersten schok der bekende aardbeving. Het geheele gezelschap ontkwam. Het gevaar bij eene aardbeving ligt niet in den tijd, die met het openen van eene deur verloren gaat, maar in de kans, dat zij door de beweging der muren beklemd raakt.Men behoeft er zich niet zeer over te verwonderen, dat inboorlingen en oude bewoners bij aardbevingen meestal zoo verschrikt zijn, hoewel sommigen van hen om hunne groote tegenwoordigheid van geest bekend staan. Ik geloof echter, dat deze overmaat van schrik gedeeltelijk is toe te schrijven aan eene ongewoonte om hunne vrees te beheerschen, daar zij zich over deze ontroering niet schamen. Inderdaad kunnen de inboorlingen niet dulden, dat iemand onverschillig is. Ik hoorde vertellen van twee Engelschen,die tijdens een hevigen schok in de open lucht sliepen, maar wetende, dat er geen gevaar was, niet opstonden. Verontwaardigd schreeuwden toen de inboorlingen:“Kijk die ketters eens, zij staan zelfs niet van hun bed op!”Ik besteedde eenige dagen aan het onderzoeken van de trapvormige grintterrassen, die het eerst door kapitein B. Hall zijn opgemerkt, en volgens de meening van Charles Lyell, gedurende de trapswijze verhooging van het land door de zee zijn gevormd. Dit is zeker de juiste verklaring, want ik vond talrijke schelpen van bestaande diersoorten op deze terrassen. Vijf smalle, zacht glooiende, strookvormige terrassen verrijzen achter elkander, die daar waar zij het best zijn ontwikkeld, uit keizand bestaan; zij liggen met den voorkant naar de baai, en strekken zich aan weerszijden van de vallei uit. Te Huasco, noordelijk van Coquimbo, openbaart zich dit verschijnsel op eene veel grootere schaal, zoodat zelfs enkele inwoners er verbaasd van staan. De terrassen, waarvan in sommige gedeelten zes, maar in ’t algemeen slechts vijf voorkomen, zijn daar veel breeder, en kunnen als vlakten worden bestempeld; zij strekken zich tot zeven en dertig mijlen van de kust uit. Deze trapvormige terrassen of strooken komen veel overeen met die in de Santa-Cruz-vallei, en met de groote terrassen langs de geheele kust van Patagonië, behalve dat zij op kleinere schaal zijn. Ongetwijfeld zijn zij gevormd door eene terugtrekkende beweging der zee, gepaard met of veroorzaakt door eene trapswijze, door lange tijdperken van rust afgebroken rijzing van het vasteland.Schelpen van vele bestaande soorten liggen niet alleen aan de oppervlakte der terrassen bij Coquimbo (op eene hoogte van 250 voet), maar ook begraven in een brokkelig kalkhoudend gesteente, dat op sommige plaatsen tusschen de twintig en dertig voet dik is, bij geringe uitgestrektheid. Deze quartaire lagen liggen op eene oude tertiaire formatie, welker ingesloten schelpdieren naar het schijnt alle zijn uitgestorven. Ofschoon ik zoowel aan den kant van denStillen, als van den Atlantischen Oceaan vele honderden mijlen kustland onderzocht had, vond ik geen geregelde lagen met ingesloten zeeschelpen van nieuwe soorten, behalve op deze plek en nog op enkele punten noordwaarts langs den weg naar Huasco. Dit feit schijnt mij hoogst merkwaardig toe; want de verklaring, die de geologen er in ’t algemeen van geven, wanneer gelaagde fossielenhoudende afzettingen uit een of ander tijdperk in een district ontbreken—namelijk: dat de oppervlakte destijds als droog land bestond, is hier niet toepasselijk, omreden de aan de oppervlakte verspreide en in los zand of pootaarde ingesloten schelpen ons leeren, dat kort geleden het landduizendenmijlen ver langs beide kusten onder zee heeft gelegen. De verklaring is ongetwijfeld te zoeken in het feit, dat het geheele zuidelijke gedeelte van het werelddeel sinds geruimen tijd langzaam rijzende is geweest, en dat dus alle in ondiep water langs het strand afgezette stof spoedig omhoog gebracht, en langzaam blootgesteld moet zijn geweest aan de sloopende werking der vloedgolven. Alleen in betrekkelijk ondiep water kunnen de meeste bewerktuigde zee-wezens tieren; en het is wel duidelijk, dat zich in zulk water onmogelijk lagen van eenigszins groote dikte kunnen ophoopen. Om aan te toonen welke verbazende kracht de sloopende werking der vloedgolven bezit, behoeven wij slechts te wijzen op de hooge klippen langs de tegenwoordige kust van Patagonië, en op de steilten of oude zeeklippen, die aan dezelfde kustlijn op verschillende hoogten, de eene boven de andere liggen.De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren leefden,3het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en vervolgens weer gerezen is. Terecht magmen vragen, hoe het komt, dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren—tenzij die afzetting oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem, die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats hebbende zinkende bewegingen in ’t algemeen een uitgestrekt gebied omvatten—zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien—wanneer wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen—de dalende bewegingen even omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland,Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven—dan kunnen wij zien, dat tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een later komend tijdperk te duren.21 Mei.Ik vertrok in gezelschap van Don José Edwards naar de zilvermijn Arqueros, en ging van daar de Coquimbo-vallei in. Na een tocht door eene bergachtige streek, bereikten wij tegen het vallen van den avond de aan Mr. Edwards toebehoorende mijnen. Hier genoot ik mijne nachtrust door eene oorzaak, die in Engeland niet ten volle gewaardeerd zal worden, namelijk door de afwezigheid van vlooien. De kamers in Coquimbo wemelen er van; maar hier, op eene hoogte van slechts drie of vierduizend voet, kunnen zij niet leven. Het kan moeilijk de geringe temperatuursverlaging zijn, die deze lastige insecten hier verdelgt, zoodat hier eene andere oorzaak moet bestaan. De mijnen verkeeren thans in slechten staat, hoewel zij vroeger ongeveer 2000 gewichtsponden per jaar aan zilver opleverden. Men heeft beweerd, dat iemand met eene kopermijn winnen moet, dat iemand met eene zilvermijn winnen kan, doch met goud verliezen moet. Dit is niet waar: alle groote fortuinen in Chili zijn verkregen door mijnen van de meer kostbare metalen.4Korten tijd geleden keerde een Engelsch geneesheer uit Copiapó naar Engeland terug, met medenemingvan de winsten op een aandeel in eene zilvermijn, ten bedrage van ongeveer 24000 pond sterling. Ongetwijfeld is eene met zorg beheerde kopermijn een veilig spel, terwijl het andere dobbelspel, of liever een lot in de loterij is. De eigenaren verliezen groote hoeveelheden rijke ertsen, want ondanks alle voorzorgen, zijn diefstallen niet te voorkomen. Ik hoorde vertellen van een heer, die met een ander de weddenschap aanging, dat een van zijne arbeiders hem voor zijne oogen zou bestelen. Wanneer het erts uit de mijn is gehaald, wordt het in stukken gebroken, en de waardelooze steen ter zijde geworpen. Een paar mijnwerkers, die hiermede bezig waren, namen, als bij toeval, op hetzelfde oogenblik twee stukken weg, en riepen toen voor de grap:“Laat ons zien welk het verst rolt!”De eigenaar, die er bij stond, wedde met zijn vriend om een sigaar op den afloop van dezen worp. Des avonds nam de mijnwerker, die nauwkeurig de plek had onthouden, waar de steen tusschen het puin was blijven liggen, het stuk op, bracht het naar zijn meester, en zeide, terwijl hij hem een kostbaar stuk zilvererts toonde:“Dit is de steen, waarop u een sigaar won, omdat hij zoo ver gerold was.”23 Mei.Wij daalden af in de vruchtbare Coquimbo-vallei, en volgden die totdat wij eene hacienda bereikten, die aan een bloedverwant van Don José behoorde. Hier bleven wij tot den volgenden dag. Ik reed toen eene dagreis verder om te onderzoeken wat er waar was van eenige beweerde versteende schelpen en boonen; doch het bleek, dat deze laatsten eenvoudig kleine kwartssteenen waren. Wij reden door verscheidene dorpjes te midden van de fraai bebouwde vallei, en het geheele landschap bood een zeer prachtigen aanblik. Dat wij hier bij de hoofdketen van de Cordilleras waren, bleek uit de hooge bergjes in het rond. In alle gedeelten van Noord-Chili brengen de vruchtboomen meer ooft voort op eene aanmerkelijke hoogte in de nabijheid der Andes, dan in de lagere landstreek. De vijgen en druiven van dit district zijn om hare uitmuntende qualiteitberoemd, en worden over eene groote uitgestrektheid gekweekt. Deze vallei is misschien de vruchtbaarste benoorden Quillota, en bevat, naar ik meen, 25000 inwoners, Coquimbo medegerekend. Den volgenden dag keerde ik naar de hacienda terug, en van daar met Don José naar Coquimbo.2 Juni.Wij begaven ons op weg naar de Huasco-vallei, en volgden daartoe den kustweg, die voor iets minder eenzaam werd gehouden dan de andere. Onze eerste dagrit was naar een eenzaam gelegen huis, Yerba Buena geheeten, waar gras voor onze paarden was. De bui, die, zooals boven gezegd is, veertien dagen geleden gevallen was, reikte slechts tot ongeveer halfweg Huasco; zoodat het zeer zwak getinte groen, dat wij op het eerste gedeelte onzer dagreis zagen, spoedig geheel verdween. Zelfs daar waar het groen ’t helderst was, herinnerde het toch op onvoldoende wijze aan het frissche gras en de ontluikende lentebloemen van andere landen. Wanneer men door deze dorre streken reist, voelt men zich als een gevangene, die op eene doodsche binnenplaats is opgesloten, eenige groen verlangt te zien en frissche lucht te ademen.3 Juni.Van Yerba Buena naar Carrizal. Gedurende het eerste gedeelte van den dag trokken wij door eene bergachtige steenwildernis, en daarna over eene uitgestrekte, diepzandige vlakte, waarop gebroken zeeschelpen verspreid lagen. Er was zeer weinig water, en dat weinige nog zoutachtig; het geheele land, van de kust tot aan de Cordilleras, is eene onbewoonde woestijn. Slechts van één levend dier zag ik overvloedige sporen, namelijk de schelpen van eenBulinus, die in buitengewoon groot aantal op de droogste plekken bijeen waren. In de lente schiet een nederig plantje enkele blaadjes uit, en daarmee voeden zich de slakken. Daar men dezen alleen zeer vroeg in den morgen ziet, als de grond wat vochtig is van den dauw, gelooven de Huascos dat zij daaruit worden geteeld. Op andere plaatsen heb ik waargenomen, dat bijzonder droge en onvruchtbare streken buitengewoon gunstig zijn voor landschelpdieren, mits de bodem kalkhoudend is. TeCarrizal vonden wij enkele hutten, eenig brak water, en een spoor van cultuur: maar slechts met moeite kochten wij wat koren en stroo voor onze paarden.4 Juni.Van Carrizal naar Sauze. Wij reden verder over verlaten vlakten, bewoond door groote kuddenguanaco’s. Ook trokken wij door de Chagnaralvallei. Ofschoon deze de vruchtbaarste is tusschen Huasco en Coquimbo, is zij zeer smal en brengt zoo weinig gras voort, dat wij niets voor onze paarden konden koopen. Te Sauze vonden wij een zeer beleefden ouden heer, die het oppertoezicht had over een kopersmeltoven. Als eene bijzondere gunst stond hij mij toe voor hoogen prijs een armvol morsig stroo te koopen; en dit was al wat de arme paarden na eene lange dagreis voor hun avondeten kregen. Tegenwoordig zijn in Chili zeer weinig smeltovens in werking: men vindt het voordeeliger het erts naar Swansea (Wallis) te verschepen, omdat het brandhout hier zoo uiterst schaarsch en de Chileensche methode van ertsbewerking zoo ongeschikt is. Den volgenden dag trokken wij over eenige bergen naar Freyrina in de Huasco-vallei. Met elken dag dat wij verder noordwaarts reden, werd de plantengroei schaarscher; zelfs de groote kandelabervormige cactus (Cereus atacamensis) was hier door eene andere en veel kleinere plant vervangen. Zoowel in Noord-Chili als in Peru hangt gedurende de wintermaanden eene eenvormige wolkbank op geen groote hoogte boven den Stillen Oceaan. Van de bergen hadden wij een zeer verrassend gezicht op dit schitterend witte luchtveld, dat vertakkingen uitzond naar de valleien, en eilanden en voorgebergten vormde op dezelfde manier als de zee in den Chonos-Archipel en in Vuurland.Wij bleven twee dagen te Freyrina. In de Huasco-vallei liggen vier kleine steden; maar de haven, welke den ingang vormt, is eene geheel verlaten plek, zonder water in de onmiddellijke nabijheid. Vijfleaguesverder ligt Freyrina, een lang, uitgebouwd dorp met knappe witgepleisterde huizen. Weer tien leagues verder ligt Ballena, en daarachterHuasco Alto—een tuinbouwdorp, dat vermaard is om zijne gedroogde vruchten. Op een helderen dag is het gezicht op de vallei zeer schoon; de rechte doorgang eindigt bij de ver verwijderde, besneeuwde Cordilleras, en aan weerszijden ontwaart men tallooze dwarsketens, zich oplossend in een zilverwitten nevel. Eigenaardig zijn de talrijke evenwijdige en trapvormige terrassen op den voorgrond; en de ingesloten groene dalstrook met hare wilgenstruiken vormt eene schrille tegenstelling met de kale bergen aan beide kanten. Dat het land in den omtrek uiterst dor was, zal men licht begrijpen, zoo men weet dat er in de laatste dertien maanden geen regen was gevallen. De bewoners hoorden met den grootsten naijver, dat het te Coquimbo geregend had, maar hoopten, op het voorkomen der lucht afgaande, op een goeden uitslag. Veertien dagen later werd deze hoop verwezenlijkt. Ik was toen te Copiapó, en daar sprak het volk met dezelfde jaloezie van den overvloedigen regen te Huasco. Na twee of drie zeer droge jaren, alsin al dien tijd misschien niet meer dan ééne bui valt, volgt meestal een regenachtig jaar; en dit doet nog meer schade dan de droogte. De rivieren zwellen, en bedekken de smalle strooken gronds—de eenige die voor cultuur geschikt zijn—met grint en zand. Ook doen de vloeden schade aan de bevloeiingskanalen. Drie jaren geleden is op deze wijze groote verwoesting aangericht.8 Juni.Wij reden door tot Ballena, een plaatsje, dat zijn naam ontleent aan Ballenagh in Ierland, de geboorteplaats der familie O’Higgins, die onder het Spaansche gouvernement presidenten en generaals in Chili telde. Daar het rotsachtige gebergte aan weerszijden achter wolken verscholen was, gaven de terrasvormige vlakten aan de vallei een voorkomen, als dat der Santa-Cruz-vallei in Patagonië. Na een dag toevens te Ballena, vertrok ik den 10den Juni naar het bovendeel der Copiapó-vallei. Wij reden den geheelen dag door eene streek, die weder zoo onbelangrijk was, dat ik het moede word de bijnamen “dor” en “onvruchtbaar” te herhalen. In het gewone spraakgebruikzijn deze woorden evenwel betrekkelijk; ik heb hen altijd toegepast op de vlakten van Patagonië, die nog op doornstruiken en eenige bosjes gras kunnen roemen—hetgeen beslist vruchtbaar mag heeten, vergeleken met Noord-Chili; en hier is weer geen plek van 200 yards oppervlakte, waar niet bij zorgvuldig onderzoek een struikje, een cactus of korstmos valt te ontdekken, terwijl er sluimerende zaden in den grond gereed liggen, om in den eerstkomenden regenachtigen winter op te schieten. In Peru, echter, komen op uitgestrekte deelen van het land werkelijke woestijnen voor. Des avonds bereikten wij eene vallei, waarin een vochtig stroombed werd gevonden; wij volgden dit en kwamen eindelijk aan vrij goed water. Des nachts vloeit de stroom, ten gevolge van de minder snelle verdamping en opzuiging door den grond, ongeveer een mijl dieper dalwaarts, dan over dag. Wijl er takken voor brandhout in overvloed waren, was het eene goede plek voor ons om te bivouakeeren; maar voor de arme dieren was er geen hapje eten.11 Juni.Wij reden twaalf uren lang zonder te rusten, totdat wij eene oude smeltoven bereikten, waar brandhout en water werden gevonden; maar onze paarden, die op eene voormalige binnenplaats gestald werden, hadden weder niets te eten. De weg was bergachtig, en leverde door de verscheidenheid van kleuren der kale bergen, verrassende vergezichten op. Het was bijna jammer de zon voortdurend boven zulk een onvruchtbaar land te zien schijnen; zulk een stralende hemel had groene velden en fraaie tuinen moeten verlichten. Den volgenden dag bereikten wij de Copiapó-vallei. Dit verheugde mij van harte, want de geheele tocht was een voortdurende bron van verdriet. Onaangenaam was het, terwijl wij bezig waren ons avondeten te gebruiken, de paarden aan de palen te hooren knagen, waaraan zij waren vastgebonden, en niets te kunnen doen om hun honger te stillen. Toch waren de dieren schijnbaar volmaakt gezond, en niemand zou gezegd hebben, dat zij in de laatste vijf en vijftig uren niets gegeten hadden.Ik had een introductie-brief aan Mr. Bingley, die mij in de Hacienda del Potrero Seco zeer vriendelijk ontving. Dit landgoed is tusschen de twintig en dertig mijlen lang, doch zeer smal, daar het slechts twee velden breed is—aan elken rivierkant één. In sommige gedeelten heeft het landgoed geen breedte, d.w.z., het land kan niet bevloeid worden, en is dus even waardeloos, als de omringende steenwoestijn. De geringe hoeveelheid land, over de geheele lengte der vallei in cultuur, is niet zoozeer een gevolg van terreinoneffenheden en dus van ongeschiktheid voor bevloeiing, als van den geringen watervoorraad. Dit jaar was de rivier geweldig gezwollen: hier, hoog in de vallei, reikte zij tot aan den buik van een paard, was omtrent vijftien yards breed en bezat eene snelle strooming; meer dalwaarts wordt zij steeds kleiner, en verdwijnt meestal geheel, gelijk eens dertig jaren achtereen gebeurd was, zoodat er geen druppel in zee viel. De inwoners verbeiden een storm over de Andes met veel belangstelling, daar een flinke sneeuwval hen voor het volgend jaar van water voorziet. In het laagland heeft dit oneindig grootere gevolgen dan regen. Regen is, zoo dikwijls hij valt (en dat is ongeveer eens in de twee of drie jaren), een groot voordeel, omdat het vee en de muildieren dan eenigen tijd later wat gras op de bergen kunnen vinden; maar zonder sneeuw op de Andes heerscht er mismoedigheid door de geheele vallei. Drie gevallen zijn bekend, dat bijna alle inwoners genoodzaakt zijn geweest naar het zuiden te verhuizen. Dit jaar was er overvloedig water, en besproeide elk zijn grond zooveel hij wilde; maar dikwijls is het noodig geweest soldaten bij de sluizen te zetten, om te zorgen, dat elke boerderij eenige uren per week slechts zooveel nam als toegestaan was. Naar men zegt, telt de vallei 12000 zielen; doch hare opbrengst is slechts voldoende voor drie maanden in ’t jaar; de overige voorraad moet uit Valparaiso en het zuiden worden gehaald. Vóór de ontdekking der beroemde zilvermijnen van Chagnarcillo, verkeerde Copiapó in een toestand van snel verval; nu, echter, is zij zeer welvarend, en de stad, die op 22 November 1822 dooreene aardbeving geheel verwoest werd, is weer opgebouwd geworden.5De Copiapó-vallei, eenvoudig uit eene strook groen bestaande te midden van eene woestijn, loopt in eene zeer zuidelijke richting, en heeft tot aan haar oorsprong in de Cordilleras eene aanzienlijke lengte. De Huasco- en Copiapó-valleien kunnen beiden beschouwd worden als lange, smalle eilanden, die in plaats van door zoutwater, door steenwoestijnen van het overig deel van Chili gescheiden zijn. Benoorden dezen, ligt eene andere, zeer onvruchtbare vallei, Paposo genaamd, die ongeveer 200 zielen bevat; en daarna begint de werkelijke Woestijn van Atacama, die een veel geduchteren slagboom vormt dan de onstuimigste oceaan. Na enkele dagen toevens te Potrero Seco, ging ik de vallei in naar het huis van Don Benito Cruz, aan wien ik een introductie-brief had, en die mij hoogst gastvrij ontving. Men kan inderdaad niet genoeg de vriendelijkheid roemen, waarmede reizigers in bijna alle deelen van Zuid-Amerika ontvangen worden. Den volgenden dag huurde ik eenige muilezels, om mij door het Jolquera-ravijn naar de centrale Cordilleras te brengen. Den tweeden dag scheen de lucht een sneeuwstorm of regen te voorspellen; en toen wij te bed lagen, voelden wij een lichten schok van aardbeving.Het verband tusschen aardbevingen en het weder is dikwijls betwist geworden. Mij schijnt dit een punt van groot gewicht toe, dat weinig begrepen wordt. Humboldt heeft de opmerking gedaan, dat iemand, die lang in Nieuw-Andaluzië of Neder-Peru heeft gewoond, moeilijk zou kunnen loochenen, dat er tusschen deze verschijnselen eenig verband bestaat; maar elders schijnt hij zoodanig verband denkbeeldigte achten.6Te Guayaquil, zegt men, wordt eene zware bui in het droge jaargetijde onveranderlijk door eene aardbeving gevolgd. In Noord-Chili is, wegens de groote zeldzaamheid van regen of zelfs van regen voorspellend weder, de kans op toevallig samentreffen zeer gering; toch zijn de inwoners ten stelligste overtuigd, dat er tusschen den dampkringstoestand en het beven van den grond eenig verband bestaat. Dit trof mij bijzonder, toen ik aan eenige lieden te Copiapó vertelde, dat er te Coquimbo een hevige schok had plaats gehad, en zij terstond daarop uitriepen:“Hoe gelukkig, dan zal er dit jaar overvloed van gras zijn!”Volgens hunne meening voorspelde eene aardbeving regen, even zeker als regen overvloedig gras voorspelde. Dit kwam in zoover uit, dat de regenbui, die, zooals ik gezegd heb, in tien dagen tijds een dun laagje gras voortbracht, viel op den dag der aardbeving zelven. Op andere tijden is er op aardbevingen regen gevolgd in een tijd van het jaar, dat de regen een veel grooter wonder was dan de aardbeving zelve; dit gebeurde te Valparaiso na den schok in November 1822, en nogmaals in 1826; ook na dien te Tacna in September 1833. Men moet aan het klimaat dezer streken eenigszins gewoon zijn om te begrijpen, hoe uiterst onwaarschijnlijk het is, dat er in zulke jaargetijden regen valt, behalve wanneer deze het gevolg is van een natuurverschijnsel, dat met den gewonen gang van het weder in hoegenaamd geen verband staat. In het geval van groote vulkanische uitbarstingen, zooals die van de Coseguina in Januari 1835, toen er stroomen regen vielen in een tijd vanhet jaar, welke daartoe zeer ongewoon en “in Midden-Amerika bijna zonder voorbeeld” was—is het niet moeilijk te begrijpen, dat wellicht de groote wolken damp en asch het evenwicht in den dampkring gestoord kunnen hebben. Humboldt strekt deze meening uit tot het geval van aardbevingen, die niet van uitbarstingen vergezeld gaan; maar ik acht het bijna niet mogelijk, dat de kleine hoeveelheid vluchtige zelfstandigheden en dampvormige vloeistoffen, welke dan uit den gespleten grond ontwijken, zulke merkwaardige werkingen kunnen voortbrengen. Veel waarschijnlijkheid lijkt de meening te bezitten—het eerst door Scrope uitgesproken,7dat bij lagen barometerstand en onder omstandigheden die werkelijk regen kunnen doen verwachten, de verminderde dampkringsdrukking over eene groote uitgestrektheid lands wel den juisten dag kan bepalen, waarop de aarde, door inwendige krachten tot het uiterste gespannen, moet wijken, barsten, en bij gevolg beven. Toch is het twijfelachtig, in hoever dit denkbeeld de omstandigheid zal verklaren, dat er in het droge jaargetijde verscheidene dagen lang stroomen regen zijn gevallen na eene aardbeving, die niet van eene uitbarsting vergezeld ging. Dergelijke gevallen schijnen op een inniger verband tusschen de luchtstreken en de onderaardsche ruimten te wijzen.Daar wij in dit gedeelte van het ravijn weinig belangrijks vonden, richtten wij onze schreden weder naar het huis van Don Benito, waar ik twee dagen bleef, en hout en schelpdieren verzamelde. Groote versteende boomstammen, die in een conglomeraat begraven lagen, werden in buitengewoon aantal gevonden. Ik mat er een, die vijftien voet in omtrek was. Hoe verwonderlijk toch, dat elke molecule houtstof in dezen grooten cilinder zoo volkomen door kiezel is verdrevenen vervangen, dat alle vezels en poriën bewaard zijn gebleven! Deze boomen bloeiden ongeveer in het tijdperk van de Lagere Witte Kalk (Lower White Chalk) in Engeland, en behoorden alle tot het geslacht der dennen. Het was vermakelijk de inwoners over de schelpdieren, die ik verzamelde, in bijna dezelfde woorden te hooren spreken, als men eene eeuw geleden in Europa deed, namelijk: of zij al dan niet zoo “door de natuur” geschapen waren. Mijn geologisch onderzoek van het land wekte in ’t algemeen heel wat verwondering onder de Chileenen; en lang duurde het eer zij overtuigd konden worden, dat ik niet op mijnen kwam jacht maken. Dit was somtijds lastig. Toen ontdekte ik, dat de beste manier om het doel van mijn werk te verklaren was, hun te vragen hoe het toch kwam, dat zij zelven niet nieuwsgierig waren naar aardbevingen en vulkanen; waarom sommige bronnen heet en andere koud waren; waarom er in Chili bergen waren, en in La Plata zelfs geen heuvel. Deze eenvoudige vragen stelden de meesten terstond tevreden en brachten hen tot zwijgen; maar sommigen dachten (evenals eene eeuw geleden enkele lieden in Engeland), dat al zulke onderzoekingen ijdel en goddeloos waren, en dat het geheel voldoende was te weten, dat God de bergen zoo gemaakt had.Onlangs was een bevel uitgevaardigd om alle losloopende honden af te maken; en zoo zagen wij er velen dood op den weg liggen. Dit bevel was een gevolg van het groot aantal gevallen van dolheid, waarbij vele personen door honden gebeten en gestorven waren. Watervrees of hondswoede heeft verscheidene malen in deze vallei geheerscht. Het is merkwaardig, dat zulk eene zonderlinge en vreeselijke ziekte van tijd tot tijd op dezelfde afgelegen plek verschijnt. Men heeft opgemerkt, dat ook in Engeland sommige dorpen veel meer aan deze bezoeking blootstaan, dan andere. Dr. Unanuè zegt, dat zij in Midden-Amerika uitbrak, en langzaam zuidwaarts trok. In 1807 bereikte zij Arequipa, waar, naar men zegt, sommige personen die niet gebeten waren werden aangetast, evenals eenige negers, die van een aanwatervrees gestorven jongen os gegeten hadden. Te Ica stierven 42 menschen aldus een ellendigen dood. De ziekte kwam tusschen de twaalf en negentig dagen na den beet op; en in al de gevallen dat zij optrad, volgde de dood onveranderlijk vijf dagen later. Na 1808 volgde een lang tijdperk zonder ziektegevallen. Bij onderzoek vernam ik, dat op Van Diemensland, of in Australië geen watervrees bekend was; en Burchell zegt, dat hij gedurende zijn vijfjarig verblijf aan de Kaap de Goede Hoop er nooit van gehoord heeft. Webster beweert, dat op de Azoren nooit watervrees is voorgekomen, en hetzelfde wordt gezegd van Mauritius en Sint Helena.8Voor zulk eene vreemde ziekte zou men mogelijk eenige opheldering kunnen vinden door de omstandigheden na te gaan, waaronder zij in verwijderde klimaten ontstaat; want het is onwaarschijnlijk, dat een reeds gebeten hond naar deze verre landen overgebracht zou zijn.Des nachts kwam een vreemdeling aan het huis van Don Benito, en vroeg verlof om te slapen. Hij zeide, dat hij verdwaald was en zeventien dagen lang door het gebergte had gezworven. Uit Huasco vertrokken, en aan het reizen in de Cordilleras gewoon, verwachtte hij geen moeilijkheden te ondervinden als hij het spoor naar Copiapó volgde; doch spoedig geraakte hij in een doolhof van bergen verdwaald, waar hij niet uit kon komen. Eenige van zijne muildieren waren in afgronden gevallen, en hij had in groote verlegenheid verkeerd. De hoofdoorzaak van zijn tegenspoed was, dat hij niet wist waar hij in het laagland water zou vinden, zoodat hij genoodzaakt werd den zoom der centrale keten te volgen.Wij daalden weêr de vallei af, en bereikten op 22 Juni de stad Copiapó. Het ondereinde der vallei is breed, en vormteene fraaie vlakte evenals de Quillota-vallei.De stad beslaat eene aanzienlijke oppervlakte, doordien elk huis een tuin bezit; maar zij is ongezellig, zonder gerief, en de woningen zijn armoedig gemeubeld. Elk, die er komt, schijnt slechts één doel te hebben, nl. fortuin te maken, en dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Alle bewoners zijn meer of minder rechtstreeks bij de mijnen betrokken; en mijnen en ertsen zijn de eenige onderwerpen van gesprek. Behoeften van allerlei aard zijn uiterst duur, wijl de afstand van de stad tot de haven achttienleaguesbedraagt,9en een landvoertuig zeer kostbaar is. Eene kip kost vijf of zes shillings; vleesch is bijna even duur als in Engeland; brandhout, of liever takken worden twee of drie dagreizen ver op ezels uit de Cordilleras gehaald, en het weiden van dieren kost één shilling daags. Dit alles is voor Zuid-Amerika buitensporig duur.26 Juni.Ik huurde een gids en acht muildieren, om mij langs een anderen weg dan op den vorigen tocht naar de Cordilleras te brengen. Daar het land volkomen woest was, namen wij anderhalve vracht gerst mede, vermengd met gehakt stroo. Omstreeks tweeleaguesboven de stadontspringteene breede vallei, genaamdEl Despoblado(De Onbewoonde), uit die, waardoor wij gekomen waren. Hoewel eene vallei van de grootste afmetingen, die rechtstreeks naar een pas over de Cordilleras leidt, is zij geheel droog, behalve misschien gedurende enkele dagen in een zeer regenachtigen zomer. Bijna geen enkel ravijn doorsneed de zijden der afbrokkelende bergen, en de met grof keizand gevulde bodem der hoofdvallei was effen en bijna vlak. Geen stroom van eenige beteekenis kon ooit over deze grintbedding gevloeid hebben; want ware dit het geval geweest, dan zou stellig, evenals in alle zuidelijke valleien, een groot door klippen begrensd kanaal gevormd zijn. Weinig twijfel ik er aan, of deze vallei werd bij delangzame rijzing van het land, door de golven der zee in den toestand gelaten, waarin wij haar nu zien, evenals het geval was met eenige valleien in Peru, waarvan de reizigers melding maken. Op eene plek, waar in de Despoblado een ravijn uitmondde (dat in bijna elke andere keten eene groote vallei genoemd zou zijn), merkte ik op, dat hare bedding, ofschoon alleen uit zand en grint bestaande, hooger was dan die van het zijravijn. Een riviertje of zelfs eene beek zou zich in den loop van een uur een doorweg hebben gegraven; maar blijkbaar waren geheele tijdperken voorbijgegaan, zonder dat zulk een riviertje dit zijravijn bespoeld had. Het was belangwekkend het geheele bespoelingsmechanisme (indien zulk een woord gebruikt mag worden) tot in de kleinste bijzonderheden compleet te zien, doch zonder eenig teeken van werking. Ieder zal hebben opgemerkt hoe modderbanken, door het dalend getij achtergelaten, in het klein een land met bergen en dalen nabootsen; hier hebben wij het oorspronkelijke model in steen, zooals het gevormd werd bij de rijzing van het vasteland, gedurende de eeuwenlange terugvloeiing der zee, in plaats van gedurende het ebben en wassen der getijen. Indien eene regenbui op de drooggelegde modderbank valt, verdiept zij de reeds gevormde ondiepe uithollingen; en hetzelfde geschiedt door den regen, eeuw aan eeuw, op de bank van steen en aarde, die wij “vastland” noemen.Toen het donker was reden wij voort, totdat wij een zijravijn bereikten met eene kleine put of wel,Agua amarga(Bitter water) geheeten. Het water verdiende dien naam, want het was niet alleen zoutachtig, maar ook bedorven en bitter, zoodat wij er geen thee of maté van durfden koken. Ik onderstel, dat de afstand van de rivier de Copiapó tot deze plek minstens 25 of 30 Engelsche mijlen bedroeg; over die gansche ruimte was geen enkele druppel water, en het land verdiende den naam van “woestijn” ten volle. Toch kwamen wij ongeveer halfweg, bij Punta Gorda, voorbij eenige Indiaansche ruïnen; meer nog—recht voor den ingang van sommige in de Despoblado uitmondendevalleien bespeurde ik twee stapels steenen, die eenigszins zijwaarts gelegen, zóó waren gericht, dat zij op de ingangen dezer kleine valleien wezen. Mijne metgezellen wisten hier niets van, en beantwoordden mijne vragen slechts met hun onveranderlijk: “quien sabe!”Indiaansche puinhoopen ontdekte ik in verscheidene gedeelten van de Cordilleras; de meest volledige, die ik zag, waren deRuinas de Tambillosin den Uspallata-pas. Deze bestonden uit kleine vierkante kamers, die op slordige wijze hier en daar in groepen waren samengehoopt. Sommige deuren stonden nog overeind, en werden gevormd door een overdwarschen platten steen van slechts drie voet hoogte. Ulloa heeft op de lage deuren bij de oude Peruaansche woningen opmerkzaam gemaakt. In volledigen vorm moeten deze ruïnen in staat zijn geweest een groot aantal personen te bevatten. De overlevering zegt, dat zij dienden als rustpunten voor de Incas op hunne tochten over de bergen. Sporen van Indiaansche woningen zijn op vele andere plaatsen ontdekt, waar het niet waarschijnlijk lijkt, dat zij alleen tot rustpunten dienden, maar waar toch het land even volkomen ongeschikt is voor elke soort van cultuur, als bij de Tambillos, bij de Inca-brug, of in den Portillo-pas; op al welke plaatsen ik ruïnen zag. In het ravijn Jajuel, bij Aconcagua, waar geen pas is, hoorde ik spreken van puinhoopen van huizen, die op eene groote hoogte lagen, waar het buitengewoon koud en onvruchtbaar is. Eerst verbeeldde ik mij, dat deze gebouwen schuilplaatsen waren geweest, door de Indianen bij de eerste komst der Spanjaarden gebouwd; doch later ben ik gaan gelooven, dat er vermoedelijk eene geringe klimaatverandering heeft plaats gehad.In dit noordelijke gedeelte van Chili, zegt men, zijn oude Indiaansche huizen in de Cordilleras bijzonder talrijk. Bij het graven tusschen de puinhoopen worden niet zelden lapjes wollen stoffen, kostbare metalen werktuigen en hoopjes Indiaansch koren ontdekt. Eens gaf men mij een pijlpunt, van agaat gemaakt, en geheel van denzelfdenvorm als nu in Vuurland wordt gebruikt. Ik weet, dat de Peruaansche Indianen nu menigmaal de hoogste en guurste plaatsen bewonen; maar te Copiapó werd mij door lieden, die hun leven met reizen in de Andes hadden doorgebracht, verzekerd, dat er zeer vele (muchisimas) gebouwen gevonden werden op plaatsen zoo hoog, dat zij bijna tot de sneeuwgrens reiken, en op punten waar geen passen zijn; waar het land volstrekt niets voortbrengt, en wat nog merkwaardiger is: waar geen water is. Niettemin zijn de landlieden (ofschoon met het geval zeer verlegen) wegens het voorkomen der huizen van meening, dat de Indianen hen als woonplaatsen moeten gebruikt hebben. Te Punta Gorda, in deze vallei, bestonden de overblijfsels uit zeven of acht vierkante kleine kamers, van een dergelijken vorm als die te Tambillos, doch voornamelijk van modder gebouwd en zoo stevig, dat de hedendaagsche bewoners, hetzij hier of (volgens Ulloa) in Peru, ze niet kunnen namaken. Zij stonden op de meest zichtbare en onbeschermde plek, in de kom der breede, vlakke vallei. Water was er niet binnen een kring van minstens drie of vierleagues, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid en slecht; de grond was volkomen onvruchtbaar; zelfs zocht ik te vergeefs een mosplantje op de rotsen. Tegenwoordig kan eene mijn, die het voordeel heeft met lastdieren te werken, bijna niet met winst geëxploiteerd worden, tenzij zij zeer rijk is. En zulk een oord kozen de Indianen voorheen tot woonplaats! Indien er nu elk jaar twee of drie regenbuien vielen, in plaats van ééne zooals sinds vele jaren het geval is, zou in deze groote vallei waarschijnlijk een beekje worden gevormd; en door bevloeiing (eene kunst, welke de Indianen voorheen zoo goed verstonden) zou de grond dan gemakkelijk vruchtbaar genoeg worden gemaakt, om enkele gezinnen te voeden.Ik heb overtuigende bewijzen, dat dit deel van het vasteland van Zuid-Amerika sedert het tijdvak der levende schelpdieren, bij de kust minstens 400 tot 500 voet, en in sommige gedeelten 1000 tot 1300 voet gerezen is; dieperlandwaarts in is de rijzing mogelijk nog grooter geweest. Daar het buitengewoon dorre karakter van het klimaat blijkbaar een gevolg is van de hoogte der Cordilleras, kunnen wij er bijna zeker van zijn, dat de dampkring vóór de laatste rijzing niet zoo geheel van vocht beroofd was, als nu het geval is; en daar de rijzing trapswijze is geschied, zou ook het klimaat aldus veranderd zijn. Volgens deze meening—eene klimaatverandering sedert de gebouwen bewoond werden—moeten de ruïnen een zeer hoogen ouderdom hebben. Dat zij zoo lang bewaard konden blijven, acht ik onder het klimaat van Chili niet zoo moeilijk. Volgens dit begrip moeten wij ook aannemen (en dit is wellicht moeilijker), dat de mensch sinds een onmetelijk langen tijd Zuid-Amerika bewoond heeft, daar eene klimaatverandering ten gevolge van de landrijzing een uiterst langzaam verloop moet hebben gehad. Te Valparaiso is de rijzing in de laatste 220 jaren iets minder dan 19 voet geweest; te Lima is eene zeekust gedurende de Indiaansche periode van het Quartaire of Anthropozoïsche Tijdvak van 80 tot 90 voet gerezen; maar zulke kleine wijzigingen konden weinig bij machte zijn de vocht-aanbrengende luchtstroomen van richting te doen veranderen. Inmiddels heeft Dr. Lund in de holen van Brazilië menschengeraamten ontdekt, waarvan het uiterlijk hem tot de meening bracht, dat het Indiaansche ras sedert een lang tijdsverloop in Zuid-Amerika bestaan heeft.10Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur Gill, die veel van het binnenland gezien had.11Hij vertelde mij, dat de onderstelling aangaande eeneklimaatverandering somtijds bij hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd, door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen, zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval, dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogteafging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijkwegvloeien en zich een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.27 Juni.Vroeg in den morgen gingen wij op weg, en bereikten tegen den middag het ravijn van Paypote, waarin eene zeer kleine beek stroomt, en waar eenige plantengroei is, o.a. zelfs enkele algarroba-boomen (eene soort van mimosa).12Doordien men hier brandhout had, was er voorheen eene smeltoven gebouwd; en werkelijk vonden wij een kluizenaar, die deze oven bewaakte, en geen andere bezigheid had, dan opguanaco’ste jagen. Des nachts vroor het sterk; maar wijl wij overvloedig hout voor ons vuur hadden, sliepen wij warm.28 Juni.Wij vervolgden onzen langzaam stijgenden tocht door de vallei, die nu in een ravijn veranderde. Gedurende den dag zagen wij verscheideneguanaco’s, alsmede het spoor van deVicugna, eene na aan de eersten verwante soort. Laatstgenoemd dier is in zijne leefwijze een voortreffelijk bewoner van hooge bergstreken; zelden daalt het onder de grens van eeuwige sneeuw, en houdt zich dus in een nog hooger en onvruchtbaarder gebied op, dan het guanaco. Het eenige dier, dat wij verder in vrij groot aantal zagen, was een kleine vos; ik onderstel dat deze laatste op muizen en andere kleine knaagdieren jacht maakt, die in groot aantal op zeer woeste plaatsen leven, zoolang er nog een spoor van plantengroei is. In Patagonië wemelt het van deze kleine dieren, zelfs op de grenzen dersalinas, waar nooit een druppel water te vinden is, behalve dauw. Na de hagedissen, schijnen muizen het best in staat te zijn op de kleinste en droogste plekken der aarde voedsel te vinden—zelfs op eilandjes midden in de groote oceanen.Aan beide zijden vertoonde het landschap eene troostelooze verlatenheid, welke in het licht der heldere, onbewolkte lucht scherp en tastbaar uitkwam. Voor een poos maakt zulk een landschap een grootschen indruk; maar deze kan niet duren, en dan wordt het onbelangwekkend. Wij bivouakeerden aan den voet derprimera lineaof eerste linie van waterscheiding. Aan den oostkant vloeien de stroomen echter niet naar den Atlantischen Oceaan, doch naar eene hoogvlakte, in welker midden eene grootesalinaof zoutmeer ligt, en vormen zoo op eene hoogte van misschien tien duizend voet eene Kaspische Zee in ’t klein. Op de plek, waar wij sliepen, lagen eenige groote sneeuwvelden, die echter niet het geheele jaar duren. In deze hooge streken gehoorzamen de winden aan zeer regelmatige wetten; elken dag waait eene frissche koelte uit de vallei opwaarts, en des avonds—een uur of twee na zonsondergang—daalt de lucht uit de koude bovenstreken als door een trechter omlaag. Dezen nacht woei er eene stijve bries, en moest de temperatuur ver onder het vriespunt geweest zijn, daar het water in onze kan spoedig één blok ijs werd. Tegen zulk eene lucht schenen kleêren geen beschutting te bieden, want ik leed zeer veel koude, zoodat ik niet kon slapen en des morgens geheel verstijfd en verkleumd opstond.Verder zuidwaarts in de Cordilleras komen sommige lieden door sneeuwstormen om het leven; hier bezwijkt men door eene andere oorzaak. Toen mijn gids een jongen van 14 jaren was, trok hij met een gezelschap in de maand Mei de Cordilleras over. In de centrale gedeelten gekomen, stak een hevige storm op, zoodat de mannen met moeite op hunne muildieren konden blijven, terwijl de steenen over den grond vlogen. De lucht was onbewolkt, en er viel geen vlokje sneeuw; maar de temperatuur was laag. Waarschijnlijk heeft de thermometer niet heel veel graden onder het nulpunt gestaan; toch moet de uitwerking op hunne lichamen, door de kleeding slecht beschut, evenredig geweest zijn aan de snelheid van den kouden luchtstroom. De storm duurde ruim een dag lang; de mannen voeldenhunne krachten afnemen, en de muildieren wilden niet verder. De broeder van mijn gids poogde terug te keeren, maar kwam om het leven; en twee jaren later vond men zijn lijk dicht bij den weg naast zijn muildier liggen, met den teugel nog in zijne hand. Twee andere mannen van den troep verloren vingers en teenen; en van de tweehonderd muildieren en dertig koeien brachten slechts veertien er het leven af. Vele jaren geleden is een groot gezelschap vermoedelijk door eene dergelijke oorzaak omgekomen; maar hunne lijken zijn tot heden niet gevonden. Eene onbewolkte lucht, gepaard met lage temperatuur en een hevigen storm vormen een verschijnsel, dat, naar ik denk, wel in alle werelddeelen als een ongewoon feit zal worden beschouwd.29 Juni.Opgewekt daalden wij de vallei af naar ons verblijf van den vorigen nacht, en van daar tot dicht bij de Agua amarga. Op den eersten Juli bereikten wij de Copiapó-vallei. Recht aangenaam was ons de geur der bloeiende klaver, na die lucht zoo arm aan geuren in de droge, onvruchtbare Despoblado-vallei. Terwijl ik in de stad was, hoorde ik verscheidene inwoners spreken van een heuvel in den omtrek, dien zijEl Bramador, den Bruller of Bulker noemden. Ik sloeg destijds niet voldoende acht op dit verhaal; maar voor zoover ik hen begreep, was de heuvel met zand bedekt, en werd het geluid alleen dan voortgebracht, als menschen bij het beklimmen het zand in beweging brachten. Dezelfde feiten zijn, op het gezag van Seetzen en Ehrenberg,13uitvoerig beschreven als de oorzaak der geluiden, welke vele reizigers op den Berg Sinaï bij de Roode Zee gehoord hebben. Een der personen, die ik sprak, had zelf het geluid gehoord, en beschreef dit als zeer wonderlijk; beslist verklaarde hij, dat, als kon hij niet begrijpen hoe het eigenlijk veroorzaakt werd, het afrollen vanhet zand langs de helling er toch noodzakelijk mede in verband moest staan. Wanneer een paard over droog en grof zand loopt, ontstaat een eigenaardig knarsend geluid ten gevolge van de wrijving der deeltjes. Dit feit, aan de meesten bekend, nam ik verscheidene keeren waar op mijne tochten langs de kust van Brazilië.Drie dagen later hoorde ik, dat deBeaglede Haven was binnengeloopen, welke achttienleaguesvan de stad ligt. Langs de glooiing der vallei is weinig land in cultuur; en die geheele uitgestrektheid bevat slechts een schraal, borstelig gras, dat zelfs ezels met moeite kunnen eten. Deze armoedige plantengroei is een gevolg van de hoeveelheid zoutachtige stof, waarvan de bodem doortrokken is. De Haven bestaat uit eene vereeniging van kleine armoedige hutten, aan den voet eener dorre vlakte gelegen. Tegenwoordig, nu de rivier genoeg water bevat om de zee te bereiken, hebben de bewoners het voordeel, dat er binnen een afstand van anderhalve mijl zoet water is. Op het strand lagen groote stapels koopwaren, en het plaatsje vormde een tooneel van groote bedrijvigheid. Des avonds zeide ik mijn metgezel Mariano Gonzales, met wien ik zoo vele mijlen in Chili gereden had, vaarwel en riep hem een hartelijk “tot weêrziens” toe. Den volgenden morgen zette deBeaglekoers naar Iquique.12 Juli.Wij ankerden in de haven van Iquique op 20°12′ Z.B. aan de kust van Peru. De stad telt ongeveer 1000 inwoners,14en ligt in eene kleine zandvlakte aan den voet van een grooten, 2000 voet hoogen rotswand, die hier de kust vormt. De geheele streek is uiterst woest. Slechts eens in zeer vele jaren valt er eene kleine regenbui; dientengevolge zijn de ravijnen gevuld met puin, en de berghellingen zelfs tot eene hoogte van duizend voet metstapels fijn wit zand bedekt. In dezen tijd van het jaar hangt er eene zware wolkbank boven den oceaan, die zich zelden boven den rotswand aan de kust verheft. Het aanzien der stad was allertreurigst; de kleine haven met hare weinige schepen, en een groepje armzalige huisjes schenen buiten alle verhouding tot het overige landschap, en zonken er geheel in weg.De inwoners leven als lieden aan boord van een schip: al het noodige komt van verre; water wordt in booten aangevoerd van het omstreeks 40 mijlen noordwaarts gelegen Pisagua, en verkocht voor den prijs van 9 realen (4 shill., 6 pence) per vat van achttien gallons.15Ik kocht een wijnflesch vol water voor drie pence. Evenzoo worden brandhout, en natuurlijk ook alle voedingsmiddelen aangevoerd. In zulk eene plaats kan men zeer weinig dieren onderhouden; zoo huurde ik den volgenden morgen (13 Juli) met moeite, tegen den prijs van vier pond sterling, twee muildieren en een gids om mij naar de salpeterwerken te brengen, waarvan Iquique tegenwoordig bestaat. Van dit zout—in 1830 voor het eerst uitgevoerd—werd in één jaar tijds voor eene waarde van honderdduizend pond sterling naar Frankrijk en Engeland gezonden.16Het wordt voornamelijk gebruikt als meststof en voor de bereiding van salpeterzuur, maar kan wegens zijne vervloeibaarheid niet voor kruit dienen. Vroeger waren er twee uiterst rijke zilvermijnen in dezen omtrek, die echter tegenwoordig zeer weinig opleveren.Onze komst in het gezicht van het strand verwekte eenige vrees. Peru was in een staat van regeeringloosheid; en daar elke partij eene brandschatting geëischt had, verkeerde de arme stad Iquique in angst en zorgen, denkende dat hetkwade uur geslagen had. Maar het volk had ook zijne inwendige troebelen; kort te voren hadden drie Fransche timmerlieden in denzelfden nacht de twee kerken opengebroken, en al het gouden en zilveren vaatwerk gestolen; doch later had een der dieven bekend, en kreeg men het vaatwerk terug. De schuldigen werden naar Arequipa opgezonden, de hoofdstad dezer provincie, die omstreeks tweehonderdleaguesver ligt. De regeering aldaar achtte het jammer zulke nuttige werklieden te straffen, die alle soorten meubelen konden maken, en stelde hen daarom op vrije voeten. Terwijl dit plaats had, werd in de kerken opnieuw ingebroken; maar ditmaal kreeg men het vaatwerk niet terug. Hierover in hevige woede ontstoken, en onder de leus, dat alléén ketters in staat waren “den almachtigen God” zoo te plunderen, gingen de inwoners eenige Engelschen te lijf, martelden hen en dreigden hen later te zullen doodschieten. Eindelijk kwam het gezag tusschenbeide, en werd de rust hersteld.13 Juli.Des morgens vertrok ik naar de salpeterwerken, een afstand van veertienleagues. Nadat wij het steile kustgebergte langs een zigzagvormig zandspoor bestegen hadden, kwamen weldra de mijnen van Guantajaya en Santa Rosa in ’t gezicht. Deze twee dorpjes liggen vlak bij de ingangen der mijnen; en daar zij bovendien op bergen zijn gebouwd, hadden zij een nog onnatuurlijker en zwaarmoediger aanzien dan de stad Iquique. Wij bereikten de salpeterwerken eerst na zonsondergang, na den geheelen dag door een heuvelachtig land te hebben gereden, dat eene volslagen woestenij was. De weg was bezaaid met de beenderen en verdroogde huiden der vele lastdieren, die hier van vermoeienis en uitputting waren bezweken. Behalve deVultur (Cathartes) auraof Zwartkoppige Urubu, die op lijken aast, zag ik geen enkelen vogel, viervoetig of kruipend dier, zelfs geen enkel insect. Ter hoogte van omstreeks 2000 voet op het kustgebergte, waar de wolken meestal in dezen tijd van het jaar hangen, groeiden enkele cactussen in de rotsspleten, en was hetlosse zand met eene mosplant bedekt, die geheel vrij aan de oppervlakte lag. Deze plant behoort tot het geslachtCladonia, en gelijkt eenigszins op het rendiermos (Lichen rangiferinus). Op sommige plaatsen was zij in voldoende hoeveelheid vereenigd, dat het zand, van verre gezien, er eene matgele kleur door kreeg. Dieper het land in, zag ik op den langen rit van veertien leagues slechts één ander plantaardig product, namelijk eene uiterst kleine, gele mosplant, welke op de beenderen der doode muildieren groeide. Ofschoon dit de eerste ware woestijn was, die ik ooit gezien had, maakte zij geen sterken indruk op mij: wat ik geloof hieraan te moeten toeschrijven, dat ik op mijn rit noordwaarts, van af Valparaiso over Coquimbo naar Copiapó, langzamerhand aan zulke tooneelen gewoon was geraakt. Het land bood een merkwaardigen aanblik, doordien het bedekt was met eene dikke korst van gewoon zout, en van een gelaagd zouthoudend alluvium, dat gedurende de langzame rijzing van het land boven den zeespiegel schijnt afgezet te zijn. Het zout heeft eene witte kleur, is zeer hard en dicht, en treedt, met veel gips verbonden, op in gladgespoelde klompjes, die uit het samenklevende zand steken. In voorkomen geleek deze bovenkorst zeer veel op een land, dat onder sneeuw heeft gelegen, en waarop de laatste groezelige plekjes nog niet ontdooid zijn. Het bestaan dezer korst van eene oplosbare stof over de geheele oppervlakte van het land bewijst, hoe buitengewoon droog het klimaat gedurende eene lange tijdruimte geweest moet zijn.
Hoofdstuk XVI.Noord-Chili en Peru.27 April.Ik maakte mij op voor eene reis naar Coquimbo, en vandaar over Huasco naar Copiapó, waar kapitein Fitz-Roy het vriendelijke aanbod deed, mij aan boord van deBeaglete nemen. De afstand in rechte lijn langs het strand noordwaarts is slechts 420 mijlen; doch mijne manier van reizen maakte den tocht zeer lang. Ik kocht vier paarden en twee muildieren, waarvan de laatsten om den anderen dag de pakkage droegen. De zes dieren te zamen kostten slechts 25 pond sterling, en te Copiapó verkocht ik hen weer voor drie en twintig. Wij reisden op dezelfde ongedwongen manier als te voren, kookten zelf ons maal, en sliepen in de open lucht. Toen wij naar de Vigno del Mar reden, wierp ik een afscheidsblik op Valparaiso, en bewonderde haar schilderachtig aanzien. Voor geologische onderzoekingen deed ik een tocht van den grooten weg naar den voet der Klok van Quillota, en met dit doel trokken wij door een alluviaal district, dat rijk aan goud was, naar de buurtschap Limache, waar wij sliepen. Het goudwasschen onderhoudt de bewoners van een aantal hutten, die langs de oevers van elk riviertje verspreid zijn; maar gelijk alle personen met onzekere verdiensten, zijn zij verkwistend van aard, en bijgevolg arm.28 April.In den namiddag bereikten wij eene hut aan den voet van den Klok-berg. De bewoners waren vrijgoedbezitters, hetgeen in Chili niet veel voorkomt.Zij leefden van de voortbrengselen van een tuin en een klein veld, doch waren zeer arm. Er is hier zooveel gebrek aan kapitaal, dat de menschen genoodzaakt zijn hun nog te velde staand koren te verkoopen, om het noodige te koopen voor het volgende jaar. Dientengevolge was tarwe in het district, waar zij groeide, duurder dan te Valparaiso, waar de afnemers wonen. Den volgenden dag bereikten wij weer den grooten weg naar Coquimbo. Gedurende den nacht viel er een zeer fijne regen, en dit waren de eerste druppels sinds den hevigen regen van 11 en 12 September des vorigen jaars, die mij in de Baden van Cauquenes gevangen hield. De tusschentijd bedroeg zeven en eene halve maand; maar dit jaar was de regen in Chili iets later dan gewoonlijk. Prachtig was de aanblik der verwijderde Andes, die nu met eene dikke sneeuwlaag bedekt waren.2 Mei.Voortdurend volgde de weg de kust, op geen grooten afstand van de zee. De weinige boomen en struiken, die in Midden-Chili voorkomen, namen snel in aantal af, en werden vervangen door eene hooge plant, die eenigszins op eeneYuccaof Amerikaansche Adamsnaald geleek. Ofschoon op kleine schaal, vertoonde het land met zijne steile, lage rotstoppen, die uit de kleine vlakten of dalkommen verrezen, eene eigenaardig gebroken en onregelmatige oppervlakte. Dergelijke vormen zouden ook de oneffen kust en de bodem der naburige zee vertoonen, wanneer zij in land veranderd werden; en zonder twijfel had zulk eene verandering plaats gehad in het gedeelte, waarover wij reden.3 Mei.Onze tocht leidde van Quilimari naar Conchalee. Het land werd meer en meer onvruchtbaar. In de valleien was nauwelijks water genoeg voor bevloeiing, en het tusschenliggende land was zóó dor, dat er zelfs geen geiten konden grazen. In de lente schiet, na de wintervlagen, snel eene dunne graslaag op, en kan het vee uit de Cordilleras worden gedreven om hier voor korten tijd te grazen. Het is merkwaardig te zien hoe de gras- en andere plantenzaden, als door eene aangenomen gewoonte, zich schikkennaar de hoeveelheid regen, welke op verschillende deelen dezer kust valt. Eéne bui te Copiapó, ver noordwaarts, heeft op den plantengroei eene even groote uitwerking als twee te Huasco, en als drie of vier in dit district. Een winter te Valparaiso, zoo droog dat aan het weiland ernstige schade wierd toegebracht, zou te Huasco een overvloed voortbrengen, die daar ten zeerste ongewoon is. In noordelijke richting schijnt de hoeveelheid regen niet in juiste verhouding tot de breedte af te nemen. Te Conchalee, dat slechts 67 mijlen benoorden Valparaiso ligt, wordt de regen niet vóór het einde van Mei verwacht, terwijl te Valparaiso meestal reeds vroeg in April wat valt. Ook is de jaarlijksche hoeveelheid klein in verhouding tot het vergevorderde seizoen, waarin de regen begint.4 Mei.Daar wij op den kustweg niets belangrijks vonden, gingen wij landwaarts in naar het mijndistrict in de vallei van Illapel. Deze vallei is, evenals alle andere in Chili, vlak, breed en zeer vruchtbaar; zij wordt aan beide zijden begrensd òf door klippen van gelaagd grof keizand, òf door kale rotsachtige bergen. Boven de rechte lijn van het hoogste besproeiingskanaal is alles donkerbruin als op een straatweg, terwijl alles daaronder helder kopergroen is door de velden met alfarfa (eene soort klaver). Wij reden verder naar Los Hornos, een ander mijndistrict, waar de hoogste berg doorzeefd was met gaten, evenals een groot mierennest. De Chileensche mijnwerkers zijn in hunne leefwijze een bijzonder slag van menschen. Wanneer zij, na weken lang op de eenzaamste en naargeestigste plaatsen te hebben gewoond, op feestdagen naar de dorpen afdalen, is er geen uitspanning of buitensporigheid, waaraan zij niet deelnemen. Soms verdienen zij een flink loon, maar trachten dit zoo spoedig mogelijk te verkwisten, evenals zeelieden hun premiegeld. Zij drinken onmatig, koopen overvloed van kleeren, en keeren na enkele dagen zonder een penny op zak naar hunne ellendige verblijven terug, om daar nog harder dan lastdieren te werken. Deze onbedachtzaamheid is blijkbaar, evenals bij zeelieden, het gevolg van eenegelijksoortige leefwijze. Voor hun dagelijksch voedsel wordt gezorgd, en zoo gewennen zij zich niet aan spaarzaamheid; bovendien hebben zij de middelen om aan de verleiding toe te geven, zoodra die in hunne macht is. In Corwallis en eenige andere districten van Engeland, waar het stelsel wordt gevolgd om een gedeelte van eene gang te verkoopen, zijn de mijnwerkers daarentegen een bijzonder schrander en oppassend slag van menschen, omdat zij verplicht zijn voor zichzelven te handelen en te denken.De kleeding van den Chileenschen mijnwerker is eigenaardig en eenigszins schilderachtig. Hij draagt een zeer lang hemd van donkerkleurige baai met lederen voorschoot, die beiden door een lichtkleurigen gordel om zijn middel zijn bevestigd. Zijn broek is zeer wijd, en zijne kleine scharlakenroode muts sluit strak om het hoofd. Wij ontmoetten een troep van deze mijnwerkers in groot costuum, die het lijk van een hunner makkers gingen begraven. Zij liepen in een zeer snellen pas, terwijl vier mannen het lijk droegen. Als het eene viertal ongeveer 200 yards geloopen had zoo hard als zij konden, werd het afgelost door vier anderen, die eerst te paard vooruit waren gerend. Zoo gingen zij voort, elkander door woeste kreten aanmoedigende. Het geheele schouwspel vormde eene allerzonderlingste begrafenis.Wij vervolgden in eene zigzaglijn onzen tocht naar het noorden, met nu en dan een dag oponthoud voor geologische onderzoekingen. Het land was zoo dun bevolkt, en het spoor was zoo onduidelijk, dat wij dikwijls moeite hadden onzen weg te vinden. Op den 12den Mei vertoefde ik bij eenige mijnen. Het erts alhier wordt niet als bijzonder goed beschouwd; maar wegens den overvloed er van onderstelde men, dat de mijn voor 30000 of 40000 dollars (d.i. 6000 of 8000 pond sterling) zou worden verkocht. Trots deze onderstelling, werd zij door eene Engelsche Maatschappij gekocht voor één ons goud, of drie pond acht shillings. Het erts bestaat uit gele pyrieten, die, zooals ik reeds opmerkte, vóór de komst der Engelschen geacht werden geen koperdeeltjes te bevatten. Op bijna even groote winstgevende schaal alsin het bovengenoemde geval, werden hoopen vulkanische asch gekocht, die rijk was aan kleine korrels zuiver koper; maar ondanks deze voordeelen, hebben de mijnmaatschappijen, naar men weet, ontzaglijke sommen geld verloren. De dwaasheid van de meeste commissarissen en aandeelhouders grensde aan verblinding: soms werden duizend pond sterling ’s jaars uitgegeven om Chileensche autoriteiten te onderhouden; men hield er bibliotheken op na met keurig gebonden geologische boeken; liet mijnwerkers komen voor bijzondere metalen, zooals tin, die in Chili niet gevonden worden; verbond zich om de mijnwerkers van melk te voorzien op plaatsen, waar geen koeien waren; bestelde machinerieën, waar zij toch niet gebruikt konden worden—in ’t kort, men nam honderd maatregelen, die getuigden van onze dwaasheid en den inwoners nog heden stof tot vermaak geven. Toch valt er niet aan te twijfelen, of hetzelfde kapitaal, mits wel besteed, zou ontzaglijke winsten uit deze mijnen hebben geput; al wat men noodig had, was een betrouwbaar man van zaken, een practisch mijnwerker en essayeur.Kapitein Head heeft de verbazende vracht beschreven, die deApiri1—ware lastdieren—uit de diepste mijnen naar boven brengen. Ik beken, dat ik het cijfer overdreven achtte, zoodat ik blijde was in de gelegenheid te zijn een dezer vrachten te wegen, die ik op goed geluk in handen nam. Ofschoon ik er recht boven stond, vereischte het groote inspanning haar van den grond te lichten. Op de weegschaal gezet, bleek zij 197pounds(ruim 89⅓ kilo) zwaar te zijn. De arbeider had dezen last 80 yards (ruim 73,1 met.) omhoog gedragen, gedeeltelijk langs een steilen opgang, maar grootendeels langs trappalen, welke in eene zigzaglijn in de schacht zijn geplaatst. Volgens de algemeene verordening, mag de arbeider onderweg niet stoppen om adem te scheppen, behalve wanneer de mijn 600 voet diep is. De gemiddelde last wordt op iets meer dan 200pounds(ruim 90,7 kilo) geschat; en men heeft mij verzekerd, dat er eens, bij wijze van proefneming, een van 300pounds(circa 136,1 kilo) uit de diepste mijn naar boven was gebracht! Tijdens mijn bezoek droegen deapiriden gewonen last twaalfmaal daags omhoog, dat is: 2400pounds(1088,6 kilo) uit eene diepte van 80 yards, en waren in de tusschentijden bezig met het uithakken en breken van ertsen.Ongelukken uitgezonderd, zijn deze mannen gezond en oogenschijnlijk opgeruimd. Zeer gespierd is hun lichaam niet. Zij eten slechts eenmaal in de week vleesch, nooit meer, en dan alléén het harde drogecharqui. Ofschoon wetende, dat de arbeid vrijwillig was, kwam toch het gemoed in opstand bij het zien van den jammerlijken staat, waarin zij de mijnopening bereikten: het lichaam voorover gebogen, de armen op de treden geleund, de beenen gekromd; met trillende spieren, gezwollen neusvleugels, de mondhoeken diep naar achteren gezonken; met aangezicht en borst badende in het zweet, en diep beklemden ademtocht. Telkens als zij ademhalen, uiten zij een doordringenden kreet, die eindigt in een diep maar schril keelgeluid, evenals een fluittoon. Zoo waggelden zij naar den ertsstapel, ledigden hier huncarpacho, wischten na twee of drie secunden, als zij weer op adem kwamen, het zweet van hun voorhoofd, en daalden schijnbaar geheel opgefrischt weer in den mijn af. Mij dunkt, dit is een merkwaardig voorbeeld van de groote hoeveelheid arbeid, die de mensch kan verduren, blijkbaar door geen andere oorzaak dan de gewoonte.Toen ik des avonds met denmayordomodezer mijnen (nog een jongen man) sprak over het aantal vreemdelingen, die nu over het geheele land verspreid zijn, vertelde hij mij uit den tijd, toen hij—niet lang geleden—te Coquimbo schoolging, zich te herinneren, dat de jongens vrijaf kregen, om den kapitein van een Engelsch schip te zien, die naar de stad werd geleid om den gouverneur te spreken. Hij gelooft, dat niets in staat zou zijn geweest de schooljongens (hijzelf medegerekend) over te halen, om dicht bij den Engelschman te komen; zoo diep had de meening bij henpost gevat, dat de aanraking met zulk een persoon ketterij, besmetting en het kwade zou aanbrengen. Ten huidigen dage vertelt men van de wreede daden derboekaniers,2en vooral van een, die het beeld der Maagd Maria wegnam, en een jaar later terugkeerde om dat van den H. Jozef te halen, zeggende, dat het jammer zou zijn indien de maagd geen echtgenoot had. Ook hoorde ik vertellen van eene oude dame, die bij een diner te Coquimbo de opmerking maakte hoe verbazend vreemd het was, dat zij het moest beleven, met een Engelschman in dezelfde kamer te eten; want zij herinnerde zich uit hare meisjesjaren, dat bij twee gelegenheden, op het bloote geroep van: “Los Ingleses!” (De Engelschen), alle menschen naar het gebergte waren gevlucht, met medeneming van hunne kostbaarheden, zooveel zij dragen konden.14 Mei.Wij bereikten Coquimbo, waar wij enkele dagen bleven. De eenige merkwaardigheid der stad is hare buitengewone kalmte. Men zegt, dat zij zes tot acht duizend inwoners kan bevatten. Op den morgen van den 17den viel er een zachte regen—de eerste van dit jaar—die ongeveer vijf uren duurde. De pachters, die bij de zeekust (waar de dampkring het vochtigst is) koren verbouwen, zouden van deze bui partij trekken, om den grond te beploegen; na eene tweede bui zouden zij zaaien; en mocht er eene derde komen, dan zouden zij in de lente een goeden oogst hebben. Belangrijk was het de uitwerking dezer onbeduidende hoeveelheid vocht te zien. Twaalf uren later scheen de grond even droog als te voren; maar na verloop van tien dagen hadden alle heuvels eene zwak groene kleur ten gevolge van het gras, dat hier en daar in haarfijne vezels vaneeninchlang verspreid was. Vóór deze bui was de geheele oppervlakte zoo kaal als een straatweg.Des avonds aten kapitein Fitz-Roy en ik bij Edwards, een Engelsch inwoner die om zijne gastvrijheid aan alle bezoekers van Coquimbo wel bekend is, toen eene hevige aardbeving plaats had. Ik hoorde het voorafgaande gerommel; maar door het geschreeuw der dames, het geloop der dienstboden, en de drukte waarmede verscheidene heeren naar den uitgang snelden, kon ik de beweging niet onderscheiden. Ook na den schok schreeuwden eenige vrouwen het uit van angst; en een der heeren zeide, dat hij den geheelen nacht niet zou kunnen slapen, of zoo hij al sliep, het dan alleen zou zijn om van instortende huizen te droomen. De vader van dezen persoon had te Talcahuano have en goed verloren, en in 1822 was hij zelf in Valparaiso ternauwernood aan een instortend dak ontkomen. Hij vertelde een merkwaardig geval, dat toen plaats had. Hij zat kaart te spelen, toen een Duitscher, tot het gezelschap behoorende, opstond, zeggende, dat hij in deze streken nooit in eene kamer met gesloten deur wilde zitten, omdat hij te Copiapó zoodoende bijna het leven had verloren. Hij opende dus de deur; en nauwelijks had hij dit gedaan, of hij schreeuwde luid:“Daar komt er weer een!”Op hetzelfde oogenblik voelde men den eersten schok der bekende aardbeving. Het geheele gezelschap ontkwam. Het gevaar bij eene aardbeving ligt niet in den tijd, die met het openen van eene deur verloren gaat, maar in de kans, dat zij door de beweging der muren beklemd raakt.Men behoeft er zich niet zeer over te verwonderen, dat inboorlingen en oude bewoners bij aardbevingen meestal zoo verschrikt zijn, hoewel sommigen van hen om hunne groote tegenwoordigheid van geest bekend staan. Ik geloof echter, dat deze overmaat van schrik gedeeltelijk is toe te schrijven aan eene ongewoonte om hunne vrees te beheerschen, daar zij zich over deze ontroering niet schamen. Inderdaad kunnen de inboorlingen niet dulden, dat iemand onverschillig is. Ik hoorde vertellen van twee Engelschen,die tijdens een hevigen schok in de open lucht sliepen, maar wetende, dat er geen gevaar was, niet opstonden. Verontwaardigd schreeuwden toen de inboorlingen:“Kijk die ketters eens, zij staan zelfs niet van hun bed op!”Ik besteedde eenige dagen aan het onderzoeken van de trapvormige grintterrassen, die het eerst door kapitein B. Hall zijn opgemerkt, en volgens de meening van Charles Lyell, gedurende de trapswijze verhooging van het land door de zee zijn gevormd. Dit is zeker de juiste verklaring, want ik vond talrijke schelpen van bestaande diersoorten op deze terrassen. Vijf smalle, zacht glooiende, strookvormige terrassen verrijzen achter elkander, die daar waar zij het best zijn ontwikkeld, uit keizand bestaan; zij liggen met den voorkant naar de baai, en strekken zich aan weerszijden van de vallei uit. Te Huasco, noordelijk van Coquimbo, openbaart zich dit verschijnsel op eene veel grootere schaal, zoodat zelfs enkele inwoners er verbaasd van staan. De terrassen, waarvan in sommige gedeelten zes, maar in ’t algemeen slechts vijf voorkomen, zijn daar veel breeder, en kunnen als vlakten worden bestempeld; zij strekken zich tot zeven en dertig mijlen van de kust uit. Deze trapvormige terrassen of strooken komen veel overeen met die in de Santa-Cruz-vallei, en met de groote terrassen langs de geheele kust van Patagonië, behalve dat zij op kleinere schaal zijn. Ongetwijfeld zijn zij gevormd door eene terugtrekkende beweging der zee, gepaard met of veroorzaakt door eene trapswijze, door lange tijdperken van rust afgebroken rijzing van het vasteland.Schelpen van vele bestaande soorten liggen niet alleen aan de oppervlakte der terrassen bij Coquimbo (op eene hoogte van 250 voet), maar ook begraven in een brokkelig kalkhoudend gesteente, dat op sommige plaatsen tusschen de twintig en dertig voet dik is, bij geringe uitgestrektheid. Deze quartaire lagen liggen op eene oude tertiaire formatie, welker ingesloten schelpdieren naar het schijnt alle zijn uitgestorven. Ofschoon ik zoowel aan den kant van denStillen, als van den Atlantischen Oceaan vele honderden mijlen kustland onderzocht had, vond ik geen geregelde lagen met ingesloten zeeschelpen van nieuwe soorten, behalve op deze plek en nog op enkele punten noordwaarts langs den weg naar Huasco. Dit feit schijnt mij hoogst merkwaardig toe; want de verklaring, die de geologen er in ’t algemeen van geven, wanneer gelaagde fossielenhoudende afzettingen uit een of ander tijdperk in een district ontbreken—namelijk: dat de oppervlakte destijds als droog land bestond, is hier niet toepasselijk, omreden de aan de oppervlakte verspreide en in los zand of pootaarde ingesloten schelpen ons leeren, dat kort geleden het landduizendenmijlen ver langs beide kusten onder zee heeft gelegen. De verklaring is ongetwijfeld te zoeken in het feit, dat het geheele zuidelijke gedeelte van het werelddeel sinds geruimen tijd langzaam rijzende is geweest, en dat dus alle in ondiep water langs het strand afgezette stof spoedig omhoog gebracht, en langzaam blootgesteld moet zijn geweest aan de sloopende werking der vloedgolven. Alleen in betrekkelijk ondiep water kunnen de meeste bewerktuigde zee-wezens tieren; en het is wel duidelijk, dat zich in zulk water onmogelijk lagen van eenigszins groote dikte kunnen ophoopen. Om aan te toonen welke verbazende kracht de sloopende werking der vloedgolven bezit, behoeven wij slechts te wijzen op de hooge klippen langs de tegenwoordige kust van Patagonië, en op de steilten of oude zeeklippen, die aan dezelfde kustlijn op verschillende hoogten, de eene boven de andere liggen.De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren leefden,3het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en vervolgens weer gerezen is. Terecht magmen vragen, hoe het komt, dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren—tenzij die afzetting oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem, die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats hebbende zinkende bewegingen in ’t algemeen een uitgestrekt gebied omvatten—zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien—wanneer wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen—de dalende bewegingen even omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland,Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven—dan kunnen wij zien, dat tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een later komend tijdperk te duren.21 Mei.Ik vertrok in gezelschap van Don José Edwards naar de zilvermijn Arqueros, en ging van daar de Coquimbo-vallei in. Na een tocht door eene bergachtige streek, bereikten wij tegen het vallen van den avond de aan Mr. Edwards toebehoorende mijnen. Hier genoot ik mijne nachtrust door eene oorzaak, die in Engeland niet ten volle gewaardeerd zal worden, namelijk door de afwezigheid van vlooien. De kamers in Coquimbo wemelen er van; maar hier, op eene hoogte van slechts drie of vierduizend voet, kunnen zij niet leven. Het kan moeilijk de geringe temperatuursverlaging zijn, die deze lastige insecten hier verdelgt, zoodat hier eene andere oorzaak moet bestaan. De mijnen verkeeren thans in slechten staat, hoewel zij vroeger ongeveer 2000 gewichtsponden per jaar aan zilver opleverden. Men heeft beweerd, dat iemand met eene kopermijn winnen moet, dat iemand met eene zilvermijn winnen kan, doch met goud verliezen moet. Dit is niet waar: alle groote fortuinen in Chili zijn verkregen door mijnen van de meer kostbare metalen.4Korten tijd geleden keerde een Engelsch geneesheer uit Copiapó naar Engeland terug, met medenemingvan de winsten op een aandeel in eene zilvermijn, ten bedrage van ongeveer 24000 pond sterling. Ongetwijfeld is eene met zorg beheerde kopermijn een veilig spel, terwijl het andere dobbelspel, of liever een lot in de loterij is. De eigenaren verliezen groote hoeveelheden rijke ertsen, want ondanks alle voorzorgen, zijn diefstallen niet te voorkomen. Ik hoorde vertellen van een heer, die met een ander de weddenschap aanging, dat een van zijne arbeiders hem voor zijne oogen zou bestelen. Wanneer het erts uit de mijn is gehaald, wordt het in stukken gebroken, en de waardelooze steen ter zijde geworpen. Een paar mijnwerkers, die hiermede bezig waren, namen, als bij toeval, op hetzelfde oogenblik twee stukken weg, en riepen toen voor de grap:“Laat ons zien welk het verst rolt!”De eigenaar, die er bij stond, wedde met zijn vriend om een sigaar op den afloop van dezen worp. Des avonds nam de mijnwerker, die nauwkeurig de plek had onthouden, waar de steen tusschen het puin was blijven liggen, het stuk op, bracht het naar zijn meester, en zeide, terwijl hij hem een kostbaar stuk zilvererts toonde:“Dit is de steen, waarop u een sigaar won, omdat hij zoo ver gerold was.”23 Mei.Wij daalden af in de vruchtbare Coquimbo-vallei, en volgden die totdat wij eene hacienda bereikten, die aan een bloedverwant van Don José behoorde. Hier bleven wij tot den volgenden dag. Ik reed toen eene dagreis verder om te onderzoeken wat er waar was van eenige beweerde versteende schelpen en boonen; doch het bleek, dat deze laatsten eenvoudig kleine kwartssteenen waren. Wij reden door verscheidene dorpjes te midden van de fraai bebouwde vallei, en het geheele landschap bood een zeer prachtigen aanblik. Dat wij hier bij de hoofdketen van de Cordilleras waren, bleek uit de hooge bergjes in het rond. In alle gedeelten van Noord-Chili brengen de vruchtboomen meer ooft voort op eene aanmerkelijke hoogte in de nabijheid der Andes, dan in de lagere landstreek. De vijgen en druiven van dit district zijn om hare uitmuntende qualiteitberoemd, en worden over eene groote uitgestrektheid gekweekt. Deze vallei is misschien de vruchtbaarste benoorden Quillota, en bevat, naar ik meen, 25000 inwoners, Coquimbo medegerekend. Den volgenden dag keerde ik naar de hacienda terug, en van daar met Don José naar Coquimbo.2 Juni.Wij begaven ons op weg naar de Huasco-vallei, en volgden daartoe den kustweg, die voor iets minder eenzaam werd gehouden dan de andere. Onze eerste dagrit was naar een eenzaam gelegen huis, Yerba Buena geheeten, waar gras voor onze paarden was. De bui, die, zooals boven gezegd is, veertien dagen geleden gevallen was, reikte slechts tot ongeveer halfweg Huasco; zoodat het zeer zwak getinte groen, dat wij op het eerste gedeelte onzer dagreis zagen, spoedig geheel verdween. Zelfs daar waar het groen ’t helderst was, herinnerde het toch op onvoldoende wijze aan het frissche gras en de ontluikende lentebloemen van andere landen. Wanneer men door deze dorre streken reist, voelt men zich als een gevangene, die op eene doodsche binnenplaats is opgesloten, eenige groen verlangt te zien en frissche lucht te ademen.3 Juni.Van Yerba Buena naar Carrizal. Gedurende het eerste gedeelte van den dag trokken wij door eene bergachtige steenwildernis, en daarna over eene uitgestrekte, diepzandige vlakte, waarop gebroken zeeschelpen verspreid lagen. Er was zeer weinig water, en dat weinige nog zoutachtig; het geheele land, van de kust tot aan de Cordilleras, is eene onbewoonde woestijn. Slechts van één levend dier zag ik overvloedige sporen, namelijk de schelpen van eenBulinus, die in buitengewoon groot aantal op de droogste plekken bijeen waren. In de lente schiet een nederig plantje enkele blaadjes uit, en daarmee voeden zich de slakken. Daar men dezen alleen zeer vroeg in den morgen ziet, als de grond wat vochtig is van den dauw, gelooven de Huascos dat zij daaruit worden geteeld. Op andere plaatsen heb ik waargenomen, dat bijzonder droge en onvruchtbare streken buitengewoon gunstig zijn voor landschelpdieren, mits de bodem kalkhoudend is. TeCarrizal vonden wij enkele hutten, eenig brak water, en een spoor van cultuur: maar slechts met moeite kochten wij wat koren en stroo voor onze paarden.4 Juni.Van Carrizal naar Sauze. Wij reden verder over verlaten vlakten, bewoond door groote kuddenguanaco’s. Ook trokken wij door de Chagnaralvallei. Ofschoon deze de vruchtbaarste is tusschen Huasco en Coquimbo, is zij zeer smal en brengt zoo weinig gras voort, dat wij niets voor onze paarden konden koopen. Te Sauze vonden wij een zeer beleefden ouden heer, die het oppertoezicht had over een kopersmeltoven. Als eene bijzondere gunst stond hij mij toe voor hoogen prijs een armvol morsig stroo te koopen; en dit was al wat de arme paarden na eene lange dagreis voor hun avondeten kregen. Tegenwoordig zijn in Chili zeer weinig smeltovens in werking: men vindt het voordeeliger het erts naar Swansea (Wallis) te verschepen, omdat het brandhout hier zoo uiterst schaarsch en de Chileensche methode van ertsbewerking zoo ongeschikt is. Den volgenden dag trokken wij over eenige bergen naar Freyrina in de Huasco-vallei. Met elken dag dat wij verder noordwaarts reden, werd de plantengroei schaarscher; zelfs de groote kandelabervormige cactus (Cereus atacamensis) was hier door eene andere en veel kleinere plant vervangen. Zoowel in Noord-Chili als in Peru hangt gedurende de wintermaanden eene eenvormige wolkbank op geen groote hoogte boven den Stillen Oceaan. Van de bergen hadden wij een zeer verrassend gezicht op dit schitterend witte luchtveld, dat vertakkingen uitzond naar de valleien, en eilanden en voorgebergten vormde op dezelfde manier als de zee in den Chonos-Archipel en in Vuurland.Wij bleven twee dagen te Freyrina. In de Huasco-vallei liggen vier kleine steden; maar de haven, welke den ingang vormt, is eene geheel verlaten plek, zonder water in de onmiddellijke nabijheid. Vijfleaguesverder ligt Freyrina, een lang, uitgebouwd dorp met knappe witgepleisterde huizen. Weer tien leagues verder ligt Ballena, en daarachterHuasco Alto—een tuinbouwdorp, dat vermaard is om zijne gedroogde vruchten. Op een helderen dag is het gezicht op de vallei zeer schoon; de rechte doorgang eindigt bij de ver verwijderde, besneeuwde Cordilleras, en aan weerszijden ontwaart men tallooze dwarsketens, zich oplossend in een zilverwitten nevel. Eigenaardig zijn de talrijke evenwijdige en trapvormige terrassen op den voorgrond; en de ingesloten groene dalstrook met hare wilgenstruiken vormt eene schrille tegenstelling met de kale bergen aan beide kanten. Dat het land in den omtrek uiterst dor was, zal men licht begrijpen, zoo men weet dat er in de laatste dertien maanden geen regen was gevallen. De bewoners hoorden met den grootsten naijver, dat het te Coquimbo geregend had, maar hoopten, op het voorkomen der lucht afgaande, op een goeden uitslag. Veertien dagen later werd deze hoop verwezenlijkt. Ik was toen te Copiapó, en daar sprak het volk met dezelfde jaloezie van den overvloedigen regen te Huasco. Na twee of drie zeer droge jaren, alsin al dien tijd misschien niet meer dan ééne bui valt, volgt meestal een regenachtig jaar; en dit doet nog meer schade dan de droogte. De rivieren zwellen, en bedekken de smalle strooken gronds—de eenige die voor cultuur geschikt zijn—met grint en zand. Ook doen de vloeden schade aan de bevloeiingskanalen. Drie jaren geleden is op deze wijze groote verwoesting aangericht.8 Juni.Wij reden door tot Ballena, een plaatsje, dat zijn naam ontleent aan Ballenagh in Ierland, de geboorteplaats der familie O’Higgins, die onder het Spaansche gouvernement presidenten en generaals in Chili telde. Daar het rotsachtige gebergte aan weerszijden achter wolken verscholen was, gaven de terrasvormige vlakten aan de vallei een voorkomen, als dat der Santa-Cruz-vallei in Patagonië. Na een dag toevens te Ballena, vertrok ik den 10den Juni naar het bovendeel der Copiapó-vallei. Wij reden den geheelen dag door eene streek, die weder zoo onbelangrijk was, dat ik het moede word de bijnamen “dor” en “onvruchtbaar” te herhalen. In het gewone spraakgebruikzijn deze woorden evenwel betrekkelijk; ik heb hen altijd toegepast op de vlakten van Patagonië, die nog op doornstruiken en eenige bosjes gras kunnen roemen—hetgeen beslist vruchtbaar mag heeten, vergeleken met Noord-Chili; en hier is weer geen plek van 200 yards oppervlakte, waar niet bij zorgvuldig onderzoek een struikje, een cactus of korstmos valt te ontdekken, terwijl er sluimerende zaden in den grond gereed liggen, om in den eerstkomenden regenachtigen winter op te schieten. In Peru, echter, komen op uitgestrekte deelen van het land werkelijke woestijnen voor. Des avonds bereikten wij eene vallei, waarin een vochtig stroombed werd gevonden; wij volgden dit en kwamen eindelijk aan vrij goed water. Des nachts vloeit de stroom, ten gevolge van de minder snelle verdamping en opzuiging door den grond, ongeveer een mijl dieper dalwaarts, dan over dag. Wijl er takken voor brandhout in overvloed waren, was het eene goede plek voor ons om te bivouakeeren; maar voor de arme dieren was er geen hapje eten.11 Juni.Wij reden twaalf uren lang zonder te rusten, totdat wij eene oude smeltoven bereikten, waar brandhout en water werden gevonden; maar onze paarden, die op eene voormalige binnenplaats gestald werden, hadden weder niets te eten. De weg was bergachtig, en leverde door de verscheidenheid van kleuren der kale bergen, verrassende vergezichten op. Het was bijna jammer de zon voortdurend boven zulk een onvruchtbaar land te zien schijnen; zulk een stralende hemel had groene velden en fraaie tuinen moeten verlichten. Den volgenden dag bereikten wij de Copiapó-vallei. Dit verheugde mij van harte, want de geheele tocht was een voortdurende bron van verdriet. Onaangenaam was het, terwijl wij bezig waren ons avondeten te gebruiken, de paarden aan de palen te hooren knagen, waaraan zij waren vastgebonden, en niets te kunnen doen om hun honger te stillen. Toch waren de dieren schijnbaar volmaakt gezond, en niemand zou gezegd hebben, dat zij in de laatste vijf en vijftig uren niets gegeten hadden.Ik had een introductie-brief aan Mr. Bingley, die mij in de Hacienda del Potrero Seco zeer vriendelijk ontving. Dit landgoed is tusschen de twintig en dertig mijlen lang, doch zeer smal, daar het slechts twee velden breed is—aan elken rivierkant één. In sommige gedeelten heeft het landgoed geen breedte, d.w.z., het land kan niet bevloeid worden, en is dus even waardeloos, als de omringende steenwoestijn. De geringe hoeveelheid land, over de geheele lengte der vallei in cultuur, is niet zoozeer een gevolg van terreinoneffenheden en dus van ongeschiktheid voor bevloeiing, als van den geringen watervoorraad. Dit jaar was de rivier geweldig gezwollen: hier, hoog in de vallei, reikte zij tot aan den buik van een paard, was omtrent vijftien yards breed en bezat eene snelle strooming; meer dalwaarts wordt zij steeds kleiner, en verdwijnt meestal geheel, gelijk eens dertig jaren achtereen gebeurd was, zoodat er geen druppel in zee viel. De inwoners verbeiden een storm over de Andes met veel belangstelling, daar een flinke sneeuwval hen voor het volgend jaar van water voorziet. In het laagland heeft dit oneindig grootere gevolgen dan regen. Regen is, zoo dikwijls hij valt (en dat is ongeveer eens in de twee of drie jaren), een groot voordeel, omdat het vee en de muildieren dan eenigen tijd later wat gras op de bergen kunnen vinden; maar zonder sneeuw op de Andes heerscht er mismoedigheid door de geheele vallei. Drie gevallen zijn bekend, dat bijna alle inwoners genoodzaakt zijn geweest naar het zuiden te verhuizen. Dit jaar was er overvloedig water, en besproeide elk zijn grond zooveel hij wilde; maar dikwijls is het noodig geweest soldaten bij de sluizen te zetten, om te zorgen, dat elke boerderij eenige uren per week slechts zooveel nam als toegestaan was. Naar men zegt, telt de vallei 12000 zielen; doch hare opbrengst is slechts voldoende voor drie maanden in ’t jaar; de overige voorraad moet uit Valparaiso en het zuiden worden gehaald. Vóór de ontdekking der beroemde zilvermijnen van Chagnarcillo, verkeerde Copiapó in een toestand van snel verval; nu, echter, is zij zeer welvarend, en de stad, die op 22 November 1822 dooreene aardbeving geheel verwoest werd, is weer opgebouwd geworden.5De Copiapó-vallei, eenvoudig uit eene strook groen bestaande te midden van eene woestijn, loopt in eene zeer zuidelijke richting, en heeft tot aan haar oorsprong in de Cordilleras eene aanzienlijke lengte. De Huasco- en Copiapó-valleien kunnen beiden beschouwd worden als lange, smalle eilanden, die in plaats van door zoutwater, door steenwoestijnen van het overig deel van Chili gescheiden zijn. Benoorden dezen, ligt eene andere, zeer onvruchtbare vallei, Paposo genaamd, die ongeveer 200 zielen bevat; en daarna begint de werkelijke Woestijn van Atacama, die een veel geduchteren slagboom vormt dan de onstuimigste oceaan. Na enkele dagen toevens te Potrero Seco, ging ik de vallei in naar het huis van Don Benito Cruz, aan wien ik een introductie-brief had, en die mij hoogst gastvrij ontving. Men kan inderdaad niet genoeg de vriendelijkheid roemen, waarmede reizigers in bijna alle deelen van Zuid-Amerika ontvangen worden. Den volgenden dag huurde ik eenige muilezels, om mij door het Jolquera-ravijn naar de centrale Cordilleras te brengen. Den tweeden dag scheen de lucht een sneeuwstorm of regen te voorspellen; en toen wij te bed lagen, voelden wij een lichten schok van aardbeving.Het verband tusschen aardbevingen en het weder is dikwijls betwist geworden. Mij schijnt dit een punt van groot gewicht toe, dat weinig begrepen wordt. Humboldt heeft de opmerking gedaan, dat iemand, die lang in Nieuw-Andaluzië of Neder-Peru heeft gewoond, moeilijk zou kunnen loochenen, dat er tusschen deze verschijnselen eenig verband bestaat; maar elders schijnt hij zoodanig verband denkbeeldigte achten.6Te Guayaquil, zegt men, wordt eene zware bui in het droge jaargetijde onveranderlijk door eene aardbeving gevolgd. In Noord-Chili is, wegens de groote zeldzaamheid van regen of zelfs van regen voorspellend weder, de kans op toevallig samentreffen zeer gering; toch zijn de inwoners ten stelligste overtuigd, dat er tusschen den dampkringstoestand en het beven van den grond eenig verband bestaat. Dit trof mij bijzonder, toen ik aan eenige lieden te Copiapó vertelde, dat er te Coquimbo een hevige schok had plaats gehad, en zij terstond daarop uitriepen:“Hoe gelukkig, dan zal er dit jaar overvloed van gras zijn!”Volgens hunne meening voorspelde eene aardbeving regen, even zeker als regen overvloedig gras voorspelde. Dit kwam in zoover uit, dat de regenbui, die, zooals ik gezegd heb, in tien dagen tijds een dun laagje gras voortbracht, viel op den dag der aardbeving zelven. Op andere tijden is er op aardbevingen regen gevolgd in een tijd van het jaar, dat de regen een veel grooter wonder was dan de aardbeving zelve; dit gebeurde te Valparaiso na den schok in November 1822, en nogmaals in 1826; ook na dien te Tacna in September 1833. Men moet aan het klimaat dezer streken eenigszins gewoon zijn om te begrijpen, hoe uiterst onwaarschijnlijk het is, dat er in zulke jaargetijden regen valt, behalve wanneer deze het gevolg is van een natuurverschijnsel, dat met den gewonen gang van het weder in hoegenaamd geen verband staat. In het geval van groote vulkanische uitbarstingen, zooals die van de Coseguina in Januari 1835, toen er stroomen regen vielen in een tijd vanhet jaar, welke daartoe zeer ongewoon en “in Midden-Amerika bijna zonder voorbeeld” was—is het niet moeilijk te begrijpen, dat wellicht de groote wolken damp en asch het evenwicht in den dampkring gestoord kunnen hebben. Humboldt strekt deze meening uit tot het geval van aardbevingen, die niet van uitbarstingen vergezeld gaan; maar ik acht het bijna niet mogelijk, dat de kleine hoeveelheid vluchtige zelfstandigheden en dampvormige vloeistoffen, welke dan uit den gespleten grond ontwijken, zulke merkwaardige werkingen kunnen voortbrengen. Veel waarschijnlijkheid lijkt de meening te bezitten—het eerst door Scrope uitgesproken,7dat bij lagen barometerstand en onder omstandigheden die werkelijk regen kunnen doen verwachten, de verminderde dampkringsdrukking over eene groote uitgestrektheid lands wel den juisten dag kan bepalen, waarop de aarde, door inwendige krachten tot het uiterste gespannen, moet wijken, barsten, en bij gevolg beven. Toch is het twijfelachtig, in hoever dit denkbeeld de omstandigheid zal verklaren, dat er in het droge jaargetijde verscheidene dagen lang stroomen regen zijn gevallen na eene aardbeving, die niet van eene uitbarsting vergezeld ging. Dergelijke gevallen schijnen op een inniger verband tusschen de luchtstreken en de onderaardsche ruimten te wijzen.Daar wij in dit gedeelte van het ravijn weinig belangrijks vonden, richtten wij onze schreden weder naar het huis van Don Benito, waar ik twee dagen bleef, en hout en schelpdieren verzamelde. Groote versteende boomstammen, die in een conglomeraat begraven lagen, werden in buitengewoon aantal gevonden. Ik mat er een, die vijftien voet in omtrek was. Hoe verwonderlijk toch, dat elke molecule houtstof in dezen grooten cilinder zoo volkomen door kiezel is verdrevenen vervangen, dat alle vezels en poriën bewaard zijn gebleven! Deze boomen bloeiden ongeveer in het tijdperk van de Lagere Witte Kalk (Lower White Chalk) in Engeland, en behoorden alle tot het geslacht der dennen. Het was vermakelijk de inwoners over de schelpdieren, die ik verzamelde, in bijna dezelfde woorden te hooren spreken, als men eene eeuw geleden in Europa deed, namelijk: of zij al dan niet zoo “door de natuur” geschapen waren. Mijn geologisch onderzoek van het land wekte in ’t algemeen heel wat verwondering onder de Chileenen; en lang duurde het eer zij overtuigd konden worden, dat ik niet op mijnen kwam jacht maken. Dit was somtijds lastig. Toen ontdekte ik, dat de beste manier om het doel van mijn werk te verklaren was, hun te vragen hoe het toch kwam, dat zij zelven niet nieuwsgierig waren naar aardbevingen en vulkanen; waarom sommige bronnen heet en andere koud waren; waarom er in Chili bergen waren, en in La Plata zelfs geen heuvel. Deze eenvoudige vragen stelden de meesten terstond tevreden en brachten hen tot zwijgen; maar sommigen dachten (evenals eene eeuw geleden enkele lieden in Engeland), dat al zulke onderzoekingen ijdel en goddeloos waren, en dat het geheel voldoende was te weten, dat God de bergen zoo gemaakt had.Onlangs was een bevel uitgevaardigd om alle losloopende honden af te maken; en zoo zagen wij er velen dood op den weg liggen. Dit bevel was een gevolg van het groot aantal gevallen van dolheid, waarbij vele personen door honden gebeten en gestorven waren. Watervrees of hondswoede heeft verscheidene malen in deze vallei geheerscht. Het is merkwaardig, dat zulk eene zonderlinge en vreeselijke ziekte van tijd tot tijd op dezelfde afgelegen plek verschijnt. Men heeft opgemerkt, dat ook in Engeland sommige dorpen veel meer aan deze bezoeking blootstaan, dan andere. Dr. Unanuè zegt, dat zij in Midden-Amerika uitbrak, en langzaam zuidwaarts trok. In 1807 bereikte zij Arequipa, waar, naar men zegt, sommige personen die niet gebeten waren werden aangetast, evenals eenige negers, die van een aanwatervrees gestorven jongen os gegeten hadden. Te Ica stierven 42 menschen aldus een ellendigen dood. De ziekte kwam tusschen de twaalf en negentig dagen na den beet op; en in al de gevallen dat zij optrad, volgde de dood onveranderlijk vijf dagen later. Na 1808 volgde een lang tijdperk zonder ziektegevallen. Bij onderzoek vernam ik, dat op Van Diemensland, of in Australië geen watervrees bekend was; en Burchell zegt, dat hij gedurende zijn vijfjarig verblijf aan de Kaap de Goede Hoop er nooit van gehoord heeft. Webster beweert, dat op de Azoren nooit watervrees is voorgekomen, en hetzelfde wordt gezegd van Mauritius en Sint Helena.8Voor zulk eene vreemde ziekte zou men mogelijk eenige opheldering kunnen vinden door de omstandigheden na te gaan, waaronder zij in verwijderde klimaten ontstaat; want het is onwaarschijnlijk, dat een reeds gebeten hond naar deze verre landen overgebracht zou zijn.Des nachts kwam een vreemdeling aan het huis van Don Benito, en vroeg verlof om te slapen. Hij zeide, dat hij verdwaald was en zeventien dagen lang door het gebergte had gezworven. Uit Huasco vertrokken, en aan het reizen in de Cordilleras gewoon, verwachtte hij geen moeilijkheden te ondervinden als hij het spoor naar Copiapó volgde; doch spoedig geraakte hij in een doolhof van bergen verdwaald, waar hij niet uit kon komen. Eenige van zijne muildieren waren in afgronden gevallen, en hij had in groote verlegenheid verkeerd. De hoofdoorzaak van zijn tegenspoed was, dat hij niet wist waar hij in het laagland water zou vinden, zoodat hij genoodzaakt werd den zoom der centrale keten te volgen.Wij daalden weêr de vallei af, en bereikten op 22 Juni de stad Copiapó. Het ondereinde der vallei is breed, en vormteene fraaie vlakte evenals de Quillota-vallei.De stad beslaat eene aanzienlijke oppervlakte, doordien elk huis een tuin bezit; maar zij is ongezellig, zonder gerief, en de woningen zijn armoedig gemeubeld. Elk, die er komt, schijnt slechts één doel te hebben, nl. fortuin te maken, en dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Alle bewoners zijn meer of minder rechtstreeks bij de mijnen betrokken; en mijnen en ertsen zijn de eenige onderwerpen van gesprek. Behoeften van allerlei aard zijn uiterst duur, wijl de afstand van de stad tot de haven achttienleaguesbedraagt,9en een landvoertuig zeer kostbaar is. Eene kip kost vijf of zes shillings; vleesch is bijna even duur als in Engeland; brandhout, of liever takken worden twee of drie dagreizen ver op ezels uit de Cordilleras gehaald, en het weiden van dieren kost één shilling daags. Dit alles is voor Zuid-Amerika buitensporig duur.26 Juni.Ik huurde een gids en acht muildieren, om mij langs een anderen weg dan op den vorigen tocht naar de Cordilleras te brengen. Daar het land volkomen woest was, namen wij anderhalve vracht gerst mede, vermengd met gehakt stroo. Omstreeks tweeleaguesboven de stadontspringteene breede vallei, genaamdEl Despoblado(De Onbewoonde), uit die, waardoor wij gekomen waren. Hoewel eene vallei van de grootste afmetingen, die rechtstreeks naar een pas over de Cordilleras leidt, is zij geheel droog, behalve misschien gedurende enkele dagen in een zeer regenachtigen zomer. Bijna geen enkel ravijn doorsneed de zijden der afbrokkelende bergen, en de met grof keizand gevulde bodem der hoofdvallei was effen en bijna vlak. Geen stroom van eenige beteekenis kon ooit over deze grintbedding gevloeid hebben; want ware dit het geval geweest, dan zou stellig, evenals in alle zuidelijke valleien, een groot door klippen begrensd kanaal gevormd zijn. Weinig twijfel ik er aan, of deze vallei werd bij delangzame rijzing van het land, door de golven der zee in den toestand gelaten, waarin wij haar nu zien, evenals het geval was met eenige valleien in Peru, waarvan de reizigers melding maken. Op eene plek, waar in de Despoblado een ravijn uitmondde (dat in bijna elke andere keten eene groote vallei genoemd zou zijn), merkte ik op, dat hare bedding, ofschoon alleen uit zand en grint bestaande, hooger was dan die van het zijravijn. Een riviertje of zelfs eene beek zou zich in den loop van een uur een doorweg hebben gegraven; maar blijkbaar waren geheele tijdperken voorbijgegaan, zonder dat zulk een riviertje dit zijravijn bespoeld had. Het was belangwekkend het geheele bespoelingsmechanisme (indien zulk een woord gebruikt mag worden) tot in de kleinste bijzonderheden compleet te zien, doch zonder eenig teeken van werking. Ieder zal hebben opgemerkt hoe modderbanken, door het dalend getij achtergelaten, in het klein een land met bergen en dalen nabootsen; hier hebben wij het oorspronkelijke model in steen, zooals het gevormd werd bij de rijzing van het vasteland, gedurende de eeuwenlange terugvloeiing der zee, in plaats van gedurende het ebben en wassen der getijen. Indien eene regenbui op de drooggelegde modderbank valt, verdiept zij de reeds gevormde ondiepe uithollingen; en hetzelfde geschiedt door den regen, eeuw aan eeuw, op de bank van steen en aarde, die wij “vastland” noemen.Toen het donker was reden wij voort, totdat wij een zijravijn bereikten met eene kleine put of wel,Agua amarga(Bitter water) geheeten. Het water verdiende dien naam, want het was niet alleen zoutachtig, maar ook bedorven en bitter, zoodat wij er geen thee of maté van durfden koken. Ik onderstel, dat de afstand van de rivier de Copiapó tot deze plek minstens 25 of 30 Engelsche mijlen bedroeg; over die gansche ruimte was geen enkele druppel water, en het land verdiende den naam van “woestijn” ten volle. Toch kwamen wij ongeveer halfweg, bij Punta Gorda, voorbij eenige Indiaansche ruïnen; meer nog—recht voor den ingang van sommige in de Despoblado uitmondendevalleien bespeurde ik twee stapels steenen, die eenigszins zijwaarts gelegen, zóó waren gericht, dat zij op de ingangen dezer kleine valleien wezen. Mijne metgezellen wisten hier niets van, en beantwoordden mijne vragen slechts met hun onveranderlijk: “quien sabe!”Indiaansche puinhoopen ontdekte ik in verscheidene gedeelten van de Cordilleras; de meest volledige, die ik zag, waren deRuinas de Tambillosin den Uspallata-pas. Deze bestonden uit kleine vierkante kamers, die op slordige wijze hier en daar in groepen waren samengehoopt. Sommige deuren stonden nog overeind, en werden gevormd door een overdwarschen platten steen van slechts drie voet hoogte. Ulloa heeft op de lage deuren bij de oude Peruaansche woningen opmerkzaam gemaakt. In volledigen vorm moeten deze ruïnen in staat zijn geweest een groot aantal personen te bevatten. De overlevering zegt, dat zij dienden als rustpunten voor de Incas op hunne tochten over de bergen. Sporen van Indiaansche woningen zijn op vele andere plaatsen ontdekt, waar het niet waarschijnlijk lijkt, dat zij alleen tot rustpunten dienden, maar waar toch het land even volkomen ongeschikt is voor elke soort van cultuur, als bij de Tambillos, bij de Inca-brug, of in den Portillo-pas; op al welke plaatsen ik ruïnen zag. In het ravijn Jajuel, bij Aconcagua, waar geen pas is, hoorde ik spreken van puinhoopen van huizen, die op eene groote hoogte lagen, waar het buitengewoon koud en onvruchtbaar is. Eerst verbeeldde ik mij, dat deze gebouwen schuilplaatsen waren geweest, door de Indianen bij de eerste komst der Spanjaarden gebouwd; doch later ben ik gaan gelooven, dat er vermoedelijk eene geringe klimaatverandering heeft plaats gehad.In dit noordelijke gedeelte van Chili, zegt men, zijn oude Indiaansche huizen in de Cordilleras bijzonder talrijk. Bij het graven tusschen de puinhoopen worden niet zelden lapjes wollen stoffen, kostbare metalen werktuigen en hoopjes Indiaansch koren ontdekt. Eens gaf men mij een pijlpunt, van agaat gemaakt, en geheel van denzelfdenvorm als nu in Vuurland wordt gebruikt. Ik weet, dat de Peruaansche Indianen nu menigmaal de hoogste en guurste plaatsen bewonen; maar te Copiapó werd mij door lieden, die hun leven met reizen in de Andes hadden doorgebracht, verzekerd, dat er zeer vele (muchisimas) gebouwen gevonden werden op plaatsen zoo hoog, dat zij bijna tot de sneeuwgrens reiken, en op punten waar geen passen zijn; waar het land volstrekt niets voortbrengt, en wat nog merkwaardiger is: waar geen water is. Niettemin zijn de landlieden (ofschoon met het geval zeer verlegen) wegens het voorkomen der huizen van meening, dat de Indianen hen als woonplaatsen moeten gebruikt hebben. Te Punta Gorda, in deze vallei, bestonden de overblijfsels uit zeven of acht vierkante kleine kamers, van een dergelijken vorm als die te Tambillos, doch voornamelijk van modder gebouwd en zoo stevig, dat de hedendaagsche bewoners, hetzij hier of (volgens Ulloa) in Peru, ze niet kunnen namaken. Zij stonden op de meest zichtbare en onbeschermde plek, in de kom der breede, vlakke vallei. Water was er niet binnen een kring van minstens drie of vierleagues, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid en slecht; de grond was volkomen onvruchtbaar; zelfs zocht ik te vergeefs een mosplantje op de rotsen. Tegenwoordig kan eene mijn, die het voordeel heeft met lastdieren te werken, bijna niet met winst geëxploiteerd worden, tenzij zij zeer rijk is. En zulk een oord kozen de Indianen voorheen tot woonplaats! Indien er nu elk jaar twee of drie regenbuien vielen, in plaats van ééne zooals sinds vele jaren het geval is, zou in deze groote vallei waarschijnlijk een beekje worden gevormd; en door bevloeiing (eene kunst, welke de Indianen voorheen zoo goed verstonden) zou de grond dan gemakkelijk vruchtbaar genoeg worden gemaakt, om enkele gezinnen te voeden.Ik heb overtuigende bewijzen, dat dit deel van het vasteland van Zuid-Amerika sedert het tijdvak der levende schelpdieren, bij de kust minstens 400 tot 500 voet, en in sommige gedeelten 1000 tot 1300 voet gerezen is; dieperlandwaarts in is de rijzing mogelijk nog grooter geweest. Daar het buitengewoon dorre karakter van het klimaat blijkbaar een gevolg is van de hoogte der Cordilleras, kunnen wij er bijna zeker van zijn, dat de dampkring vóór de laatste rijzing niet zoo geheel van vocht beroofd was, als nu het geval is; en daar de rijzing trapswijze is geschied, zou ook het klimaat aldus veranderd zijn. Volgens deze meening—eene klimaatverandering sedert de gebouwen bewoond werden—moeten de ruïnen een zeer hoogen ouderdom hebben. Dat zij zoo lang bewaard konden blijven, acht ik onder het klimaat van Chili niet zoo moeilijk. Volgens dit begrip moeten wij ook aannemen (en dit is wellicht moeilijker), dat de mensch sinds een onmetelijk langen tijd Zuid-Amerika bewoond heeft, daar eene klimaatverandering ten gevolge van de landrijzing een uiterst langzaam verloop moet hebben gehad. Te Valparaiso is de rijzing in de laatste 220 jaren iets minder dan 19 voet geweest; te Lima is eene zeekust gedurende de Indiaansche periode van het Quartaire of Anthropozoïsche Tijdvak van 80 tot 90 voet gerezen; maar zulke kleine wijzigingen konden weinig bij machte zijn de vocht-aanbrengende luchtstroomen van richting te doen veranderen. Inmiddels heeft Dr. Lund in de holen van Brazilië menschengeraamten ontdekt, waarvan het uiterlijk hem tot de meening bracht, dat het Indiaansche ras sedert een lang tijdsverloop in Zuid-Amerika bestaan heeft.10Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur Gill, die veel van het binnenland gezien had.11Hij vertelde mij, dat de onderstelling aangaande eeneklimaatverandering somtijds bij hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd, door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen, zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval, dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogteafging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijkwegvloeien en zich een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.27 Juni.Vroeg in den morgen gingen wij op weg, en bereikten tegen den middag het ravijn van Paypote, waarin eene zeer kleine beek stroomt, en waar eenige plantengroei is, o.a. zelfs enkele algarroba-boomen (eene soort van mimosa).12Doordien men hier brandhout had, was er voorheen eene smeltoven gebouwd; en werkelijk vonden wij een kluizenaar, die deze oven bewaakte, en geen andere bezigheid had, dan opguanaco’ste jagen. Des nachts vroor het sterk; maar wijl wij overvloedig hout voor ons vuur hadden, sliepen wij warm.28 Juni.Wij vervolgden onzen langzaam stijgenden tocht door de vallei, die nu in een ravijn veranderde. Gedurende den dag zagen wij verscheideneguanaco’s, alsmede het spoor van deVicugna, eene na aan de eersten verwante soort. Laatstgenoemd dier is in zijne leefwijze een voortreffelijk bewoner van hooge bergstreken; zelden daalt het onder de grens van eeuwige sneeuw, en houdt zich dus in een nog hooger en onvruchtbaarder gebied op, dan het guanaco. Het eenige dier, dat wij verder in vrij groot aantal zagen, was een kleine vos; ik onderstel dat deze laatste op muizen en andere kleine knaagdieren jacht maakt, die in groot aantal op zeer woeste plaatsen leven, zoolang er nog een spoor van plantengroei is. In Patagonië wemelt het van deze kleine dieren, zelfs op de grenzen dersalinas, waar nooit een druppel water te vinden is, behalve dauw. Na de hagedissen, schijnen muizen het best in staat te zijn op de kleinste en droogste plekken der aarde voedsel te vinden—zelfs op eilandjes midden in de groote oceanen.Aan beide zijden vertoonde het landschap eene troostelooze verlatenheid, welke in het licht der heldere, onbewolkte lucht scherp en tastbaar uitkwam. Voor een poos maakt zulk een landschap een grootschen indruk; maar deze kan niet duren, en dan wordt het onbelangwekkend. Wij bivouakeerden aan den voet derprimera lineaof eerste linie van waterscheiding. Aan den oostkant vloeien de stroomen echter niet naar den Atlantischen Oceaan, doch naar eene hoogvlakte, in welker midden eene grootesalinaof zoutmeer ligt, en vormen zoo op eene hoogte van misschien tien duizend voet eene Kaspische Zee in ’t klein. Op de plek, waar wij sliepen, lagen eenige groote sneeuwvelden, die echter niet het geheele jaar duren. In deze hooge streken gehoorzamen de winden aan zeer regelmatige wetten; elken dag waait eene frissche koelte uit de vallei opwaarts, en des avonds—een uur of twee na zonsondergang—daalt de lucht uit de koude bovenstreken als door een trechter omlaag. Dezen nacht woei er eene stijve bries, en moest de temperatuur ver onder het vriespunt geweest zijn, daar het water in onze kan spoedig één blok ijs werd. Tegen zulk eene lucht schenen kleêren geen beschutting te bieden, want ik leed zeer veel koude, zoodat ik niet kon slapen en des morgens geheel verstijfd en verkleumd opstond.Verder zuidwaarts in de Cordilleras komen sommige lieden door sneeuwstormen om het leven; hier bezwijkt men door eene andere oorzaak. Toen mijn gids een jongen van 14 jaren was, trok hij met een gezelschap in de maand Mei de Cordilleras over. In de centrale gedeelten gekomen, stak een hevige storm op, zoodat de mannen met moeite op hunne muildieren konden blijven, terwijl de steenen over den grond vlogen. De lucht was onbewolkt, en er viel geen vlokje sneeuw; maar de temperatuur was laag. Waarschijnlijk heeft de thermometer niet heel veel graden onder het nulpunt gestaan; toch moet de uitwerking op hunne lichamen, door de kleeding slecht beschut, evenredig geweest zijn aan de snelheid van den kouden luchtstroom. De storm duurde ruim een dag lang; de mannen voeldenhunne krachten afnemen, en de muildieren wilden niet verder. De broeder van mijn gids poogde terug te keeren, maar kwam om het leven; en twee jaren later vond men zijn lijk dicht bij den weg naast zijn muildier liggen, met den teugel nog in zijne hand. Twee andere mannen van den troep verloren vingers en teenen; en van de tweehonderd muildieren en dertig koeien brachten slechts veertien er het leven af. Vele jaren geleden is een groot gezelschap vermoedelijk door eene dergelijke oorzaak omgekomen; maar hunne lijken zijn tot heden niet gevonden. Eene onbewolkte lucht, gepaard met lage temperatuur en een hevigen storm vormen een verschijnsel, dat, naar ik denk, wel in alle werelddeelen als een ongewoon feit zal worden beschouwd.29 Juni.Opgewekt daalden wij de vallei af naar ons verblijf van den vorigen nacht, en van daar tot dicht bij de Agua amarga. Op den eersten Juli bereikten wij de Copiapó-vallei. Recht aangenaam was ons de geur der bloeiende klaver, na die lucht zoo arm aan geuren in de droge, onvruchtbare Despoblado-vallei. Terwijl ik in de stad was, hoorde ik verscheidene inwoners spreken van een heuvel in den omtrek, dien zijEl Bramador, den Bruller of Bulker noemden. Ik sloeg destijds niet voldoende acht op dit verhaal; maar voor zoover ik hen begreep, was de heuvel met zand bedekt, en werd het geluid alleen dan voortgebracht, als menschen bij het beklimmen het zand in beweging brachten. Dezelfde feiten zijn, op het gezag van Seetzen en Ehrenberg,13uitvoerig beschreven als de oorzaak der geluiden, welke vele reizigers op den Berg Sinaï bij de Roode Zee gehoord hebben. Een der personen, die ik sprak, had zelf het geluid gehoord, en beschreef dit als zeer wonderlijk; beslist verklaarde hij, dat, als kon hij niet begrijpen hoe het eigenlijk veroorzaakt werd, het afrollen vanhet zand langs de helling er toch noodzakelijk mede in verband moest staan. Wanneer een paard over droog en grof zand loopt, ontstaat een eigenaardig knarsend geluid ten gevolge van de wrijving der deeltjes. Dit feit, aan de meesten bekend, nam ik verscheidene keeren waar op mijne tochten langs de kust van Brazilië.Drie dagen later hoorde ik, dat deBeaglede Haven was binnengeloopen, welke achttienleaguesvan de stad ligt. Langs de glooiing der vallei is weinig land in cultuur; en die geheele uitgestrektheid bevat slechts een schraal, borstelig gras, dat zelfs ezels met moeite kunnen eten. Deze armoedige plantengroei is een gevolg van de hoeveelheid zoutachtige stof, waarvan de bodem doortrokken is. De Haven bestaat uit eene vereeniging van kleine armoedige hutten, aan den voet eener dorre vlakte gelegen. Tegenwoordig, nu de rivier genoeg water bevat om de zee te bereiken, hebben de bewoners het voordeel, dat er binnen een afstand van anderhalve mijl zoet water is. Op het strand lagen groote stapels koopwaren, en het plaatsje vormde een tooneel van groote bedrijvigheid. Des avonds zeide ik mijn metgezel Mariano Gonzales, met wien ik zoo vele mijlen in Chili gereden had, vaarwel en riep hem een hartelijk “tot weêrziens” toe. Den volgenden morgen zette deBeaglekoers naar Iquique.12 Juli.Wij ankerden in de haven van Iquique op 20°12′ Z.B. aan de kust van Peru. De stad telt ongeveer 1000 inwoners,14en ligt in eene kleine zandvlakte aan den voet van een grooten, 2000 voet hoogen rotswand, die hier de kust vormt. De geheele streek is uiterst woest. Slechts eens in zeer vele jaren valt er eene kleine regenbui; dientengevolge zijn de ravijnen gevuld met puin, en de berghellingen zelfs tot eene hoogte van duizend voet metstapels fijn wit zand bedekt. In dezen tijd van het jaar hangt er eene zware wolkbank boven den oceaan, die zich zelden boven den rotswand aan de kust verheft. Het aanzien der stad was allertreurigst; de kleine haven met hare weinige schepen, en een groepje armzalige huisjes schenen buiten alle verhouding tot het overige landschap, en zonken er geheel in weg.De inwoners leven als lieden aan boord van een schip: al het noodige komt van verre; water wordt in booten aangevoerd van het omstreeks 40 mijlen noordwaarts gelegen Pisagua, en verkocht voor den prijs van 9 realen (4 shill., 6 pence) per vat van achttien gallons.15Ik kocht een wijnflesch vol water voor drie pence. Evenzoo worden brandhout, en natuurlijk ook alle voedingsmiddelen aangevoerd. In zulk eene plaats kan men zeer weinig dieren onderhouden; zoo huurde ik den volgenden morgen (13 Juli) met moeite, tegen den prijs van vier pond sterling, twee muildieren en een gids om mij naar de salpeterwerken te brengen, waarvan Iquique tegenwoordig bestaat. Van dit zout—in 1830 voor het eerst uitgevoerd—werd in één jaar tijds voor eene waarde van honderdduizend pond sterling naar Frankrijk en Engeland gezonden.16Het wordt voornamelijk gebruikt als meststof en voor de bereiding van salpeterzuur, maar kan wegens zijne vervloeibaarheid niet voor kruit dienen. Vroeger waren er twee uiterst rijke zilvermijnen in dezen omtrek, die echter tegenwoordig zeer weinig opleveren.Onze komst in het gezicht van het strand verwekte eenige vrees. Peru was in een staat van regeeringloosheid; en daar elke partij eene brandschatting geëischt had, verkeerde de arme stad Iquique in angst en zorgen, denkende dat hetkwade uur geslagen had. Maar het volk had ook zijne inwendige troebelen; kort te voren hadden drie Fransche timmerlieden in denzelfden nacht de twee kerken opengebroken, en al het gouden en zilveren vaatwerk gestolen; doch later had een der dieven bekend, en kreeg men het vaatwerk terug. De schuldigen werden naar Arequipa opgezonden, de hoofdstad dezer provincie, die omstreeks tweehonderdleaguesver ligt. De regeering aldaar achtte het jammer zulke nuttige werklieden te straffen, die alle soorten meubelen konden maken, en stelde hen daarom op vrije voeten. Terwijl dit plaats had, werd in de kerken opnieuw ingebroken; maar ditmaal kreeg men het vaatwerk niet terug. Hierover in hevige woede ontstoken, en onder de leus, dat alléén ketters in staat waren “den almachtigen God” zoo te plunderen, gingen de inwoners eenige Engelschen te lijf, martelden hen en dreigden hen later te zullen doodschieten. Eindelijk kwam het gezag tusschenbeide, en werd de rust hersteld.13 Juli.Des morgens vertrok ik naar de salpeterwerken, een afstand van veertienleagues. Nadat wij het steile kustgebergte langs een zigzagvormig zandspoor bestegen hadden, kwamen weldra de mijnen van Guantajaya en Santa Rosa in ’t gezicht. Deze twee dorpjes liggen vlak bij de ingangen der mijnen; en daar zij bovendien op bergen zijn gebouwd, hadden zij een nog onnatuurlijker en zwaarmoediger aanzien dan de stad Iquique. Wij bereikten de salpeterwerken eerst na zonsondergang, na den geheelen dag door een heuvelachtig land te hebben gereden, dat eene volslagen woestenij was. De weg was bezaaid met de beenderen en verdroogde huiden der vele lastdieren, die hier van vermoeienis en uitputting waren bezweken. Behalve deVultur (Cathartes) auraof Zwartkoppige Urubu, die op lijken aast, zag ik geen enkelen vogel, viervoetig of kruipend dier, zelfs geen enkel insect. Ter hoogte van omstreeks 2000 voet op het kustgebergte, waar de wolken meestal in dezen tijd van het jaar hangen, groeiden enkele cactussen in de rotsspleten, en was hetlosse zand met eene mosplant bedekt, die geheel vrij aan de oppervlakte lag. Deze plant behoort tot het geslachtCladonia, en gelijkt eenigszins op het rendiermos (Lichen rangiferinus). Op sommige plaatsen was zij in voldoende hoeveelheid vereenigd, dat het zand, van verre gezien, er eene matgele kleur door kreeg. Dieper het land in, zag ik op den langen rit van veertien leagues slechts één ander plantaardig product, namelijk eene uiterst kleine, gele mosplant, welke op de beenderen der doode muildieren groeide. Ofschoon dit de eerste ware woestijn was, die ik ooit gezien had, maakte zij geen sterken indruk op mij: wat ik geloof hieraan te moeten toeschrijven, dat ik op mijn rit noordwaarts, van af Valparaiso over Coquimbo naar Copiapó, langzamerhand aan zulke tooneelen gewoon was geraakt. Het land bood een merkwaardigen aanblik, doordien het bedekt was met eene dikke korst van gewoon zout, en van een gelaagd zouthoudend alluvium, dat gedurende de langzame rijzing van het land boven den zeespiegel schijnt afgezet te zijn. Het zout heeft eene witte kleur, is zeer hard en dicht, en treedt, met veel gips verbonden, op in gladgespoelde klompjes, die uit het samenklevende zand steken. In voorkomen geleek deze bovenkorst zeer veel op een land, dat onder sneeuw heeft gelegen, en waarop de laatste groezelige plekjes nog niet ontdooid zijn. Het bestaan dezer korst van eene oplosbare stof over de geheele oppervlakte van het land bewijst, hoe buitengewoon droog het klimaat gedurende eene lange tijdruimte geweest moet zijn.
27 April.Ik maakte mij op voor eene reis naar Coquimbo, en vandaar over Huasco naar Copiapó, waar kapitein Fitz-Roy het vriendelijke aanbod deed, mij aan boord van deBeaglete nemen. De afstand in rechte lijn langs het strand noordwaarts is slechts 420 mijlen; doch mijne manier van reizen maakte den tocht zeer lang. Ik kocht vier paarden en twee muildieren, waarvan de laatsten om den anderen dag de pakkage droegen. De zes dieren te zamen kostten slechts 25 pond sterling, en te Copiapó verkocht ik hen weer voor drie en twintig. Wij reisden op dezelfde ongedwongen manier als te voren, kookten zelf ons maal, en sliepen in de open lucht. Toen wij naar de Vigno del Mar reden, wierp ik een afscheidsblik op Valparaiso, en bewonderde haar schilderachtig aanzien. Voor geologische onderzoekingen deed ik een tocht van den grooten weg naar den voet der Klok van Quillota, en met dit doel trokken wij door een alluviaal district, dat rijk aan goud was, naar de buurtschap Limache, waar wij sliepen. Het goudwasschen onderhoudt de bewoners van een aantal hutten, die langs de oevers van elk riviertje verspreid zijn; maar gelijk alle personen met onzekere verdiensten, zijn zij verkwistend van aard, en bijgevolg arm.
28 April.In den namiddag bereikten wij eene hut aan den voet van den Klok-berg. De bewoners waren vrijgoedbezitters, hetgeen in Chili niet veel voorkomt.Zij leefden van de voortbrengselen van een tuin en een klein veld, doch waren zeer arm. Er is hier zooveel gebrek aan kapitaal, dat de menschen genoodzaakt zijn hun nog te velde staand koren te verkoopen, om het noodige te koopen voor het volgende jaar. Dientengevolge was tarwe in het district, waar zij groeide, duurder dan te Valparaiso, waar de afnemers wonen. Den volgenden dag bereikten wij weer den grooten weg naar Coquimbo. Gedurende den nacht viel er een zeer fijne regen, en dit waren de eerste druppels sinds den hevigen regen van 11 en 12 September des vorigen jaars, die mij in de Baden van Cauquenes gevangen hield. De tusschentijd bedroeg zeven en eene halve maand; maar dit jaar was de regen in Chili iets later dan gewoonlijk. Prachtig was de aanblik der verwijderde Andes, die nu met eene dikke sneeuwlaag bedekt waren.
2 Mei.Voortdurend volgde de weg de kust, op geen grooten afstand van de zee. De weinige boomen en struiken, die in Midden-Chili voorkomen, namen snel in aantal af, en werden vervangen door eene hooge plant, die eenigszins op eeneYuccaof Amerikaansche Adamsnaald geleek. Ofschoon op kleine schaal, vertoonde het land met zijne steile, lage rotstoppen, die uit de kleine vlakten of dalkommen verrezen, eene eigenaardig gebroken en onregelmatige oppervlakte. Dergelijke vormen zouden ook de oneffen kust en de bodem der naburige zee vertoonen, wanneer zij in land veranderd werden; en zonder twijfel had zulk eene verandering plaats gehad in het gedeelte, waarover wij reden.
3 Mei.Onze tocht leidde van Quilimari naar Conchalee. Het land werd meer en meer onvruchtbaar. In de valleien was nauwelijks water genoeg voor bevloeiing, en het tusschenliggende land was zóó dor, dat er zelfs geen geiten konden grazen. In de lente schiet, na de wintervlagen, snel eene dunne graslaag op, en kan het vee uit de Cordilleras worden gedreven om hier voor korten tijd te grazen. Het is merkwaardig te zien hoe de gras- en andere plantenzaden, als door eene aangenomen gewoonte, zich schikkennaar de hoeveelheid regen, welke op verschillende deelen dezer kust valt. Eéne bui te Copiapó, ver noordwaarts, heeft op den plantengroei eene even groote uitwerking als twee te Huasco, en als drie of vier in dit district. Een winter te Valparaiso, zoo droog dat aan het weiland ernstige schade wierd toegebracht, zou te Huasco een overvloed voortbrengen, die daar ten zeerste ongewoon is. In noordelijke richting schijnt de hoeveelheid regen niet in juiste verhouding tot de breedte af te nemen. Te Conchalee, dat slechts 67 mijlen benoorden Valparaiso ligt, wordt de regen niet vóór het einde van Mei verwacht, terwijl te Valparaiso meestal reeds vroeg in April wat valt. Ook is de jaarlijksche hoeveelheid klein in verhouding tot het vergevorderde seizoen, waarin de regen begint.
4 Mei.Daar wij op den kustweg niets belangrijks vonden, gingen wij landwaarts in naar het mijndistrict in de vallei van Illapel. Deze vallei is, evenals alle andere in Chili, vlak, breed en zeer vruchtbaar; zij wordt aan beide zijden begrensd òf door klippen van gelaagd grof keizand, òf door kale rotsachtige bergen. Boven de rechte lijn van het hoogste besproeiingskanaal is alles donkerbruin als op een straatweg, terwijl alles daaronder helder kopergroen is door de velden met alfarfa (eene soort klaver). Wij reden verder naar Los Hornos, een ander mijndistrict, waar de hoogste berg doorzeefd was met gaten, evenals een groot mierennest. De Chileensche mijnwerkers zijn in hunne leefwijze een bijzonder slag van menschen. Wanneer zij, na weken lang op de eenzaamste en naargeestigste plaatsen te hebben gewoond, op feestdagen naar de dorpen afdalen, is er geen uitspanning of buitensporigheid, waaraan zij niet deelnemen. Soms verdienen zij een flink loon, maar trachten dit zoo spoedig mogelijk te verkwisten, evenals zeelieden hun premiegeld. Zij drinken onmatig, koopen overvloed van kleeren, en keeren na enkele dagen zonder een penny op zak naar hunne ellendige verblijven terug, om daar nog harder dan lastdieren te werken. Deze onbedachtzaamheid is blijkbaar, evenals bij zeelieden, het gevolg van eenegelijksoortige leefwijze. Voor hun dagelijksch voedsel wordt gezorgd, en zoo gewennen zij zich niet aan spaarzaamheid; bovendien hebben zij de middelen om aan de verleiding toe te geven, zoodra die in hunne macht is. In Corwallis en eenige andere districten van Engeland, waar het stelsel wordt gevolgd om een gedeelte van eene gang te verkoopen, zijn de mijnwerkers daarentegen een bijzonder schrander en oppassend slag van menschen, omdat zij verplicht zijn voor zichzelven te handelen en te denken.
De kleeding van den Chileenschen mijnwerker is eigenaardig en eenigszins schilderachtig. Hij draagt een zeer lang hemd van donkerkleurige baai met lederen voorschoot, die beiden door een lichtkleurigen gordel om zijn middel zijn bevestigd. Zijn broek is zeer wijd, en zijne kleine scharlakenroode muts sluit strak om het hoofd. Wij ontmoetten een troep van deze mijnwerkers in groot costuum, die het lijk van een hunner makkers gingen begraven. Zij liepen in een zeer snellen pas, terwijl vier mannen het lijk droegen. Als het eene viertal ongeveer 200 yards geloopen had zoo hard als zij konden, werd het afgelost door vier anderen, die eerst te paard vooruit waren gerend. Zoo gingen zij voort, elkander door woeste kreten aanmoedigende. Het geheele schouwspel vormde eene allerzonderlingste begrafenis.
Wij vervolgden in eene zigzaglijn onzen tocht naar het noorden, met nu en dan een dag oponthoud voor geologische onderzoekingen. Het land was zoo dun bevolkt, en het spoor was zoo onduidelijk, dat wij dikwijls moeite hadden onzen weg te vinden. Op den 12den Mei vertoefde ik bij eenige mijnen. Het erts alhier wordt niet als bijzonder goed beschouwd; maar wegens den overvloed er van onderstelde men, dat de mijn voor 30000 of 40000 dollars (d.i. 6000 of 8000 pond sterling) zou worden verkocht. Trots deze onderstelling, werd zij door eene Engelsche Maatschappij gekocht voor één ons goud, of drie pond acht shillings. Het erts bestaat uit gele pyrieten, die, zooals ik reeds opmerkte, vóór de komst der Engelschen geacht werden geen koperdeeltjes te bevatten. Op bijna even groote winstgevende schaal alsin het bovengenoemde geval, werden hoopen vulkanische asch gekocht, die rijk was aan kleine korrels zuiver koper; maar ondanks deze voordeelen, hebben de mijnmaatschappijen, naar men weet, ontzaglijke sommen geld verloren. De dwaasheid van de meeste commissarissen en aandeelhouders grensde aan verblinding: soms werden duizend pond sterling ’s jaars uitgegeven om Chileensche autoriteiten te onderhouden; men hield er bibliotheken op na met keurig gebonden geologische boeken; liet mijnwerkers komen voor bijzondere metalen, zooals tin, die in Chili niet gevonden worden; verbond zich om de mijnwerkers van melk te voorzien op plaatsen, waar geen koeien waren; bestelde machinerieën, waar zij toch niet gebruikt konden worden—in ’t kort, men nam honderd maatregelen, die getuigden van onze dwaasheid en den inwoners nog heden stof tot vermaak geven. Toch valt er niet aan te twijfelen, of hetzelfde kapitaal, mits wel besteed, zou ontzaglijke winsten uit deze mijnen hebben geput; al wat men noodig had, was een betrouwbaar man van zaken, een practisch mijnwerker en essayeur.
Kapitein Head heeft de verbazende vracht beschreven, die deApiri1—ware lastdieren—uit de diepste mijnen naar boven brengen. Ik beken, dat ik het cijfer overdreven achtte, zoodat ik blijde was in de gelegenheid te zijn een dezer vrachten te wegen, die ik op goed geluk in handen nam. Ofschoon ik er recht boven stond, vereischte het groote inspanning haar van den grond te lichten. Op de weegschaal gezet, bleek zij 197pounds(ruim 89⅓ kilo) zwaar te zijn. De arbeider had dezen last 80 yards (ruim 73,1 met.) omhoog gedragen, gedeeltelijk langs een steilen opgang, maar grootendeels langs trappalen, welke in eene zigzaglijn in de schacht zijn geplaatst. Volgens de algemeene verordening, mag de arbeider onderweg niet stoppen om adem te scheppen, behalve wanneer de mijn 600 voet diep is. De gemiddelde last wordt op iets meer dan 200pounds(ruim 90,7 kilo) geschat; en men heeft mij verzekerd, dat er eens, bij wijze van proefneming, een van 300pounds(circa 136,1 kilo) uit de diepste mijn naar boven was gebracht! Tijdens mijn bezoek droegen deapiriden gewonen last twaalfmaal daags omhoog, dat is: 2400pounds(1088,6 kilo) uit eene diepte van 80 yards, en waren in de tusschentijden bezig met het uithakken en breken van ertsen.
Ongelukken uitgezonderd, zijn deze mannen gezond en oogenschijnlijk opgeruimd. Zeer gespierd is hun lichaam niet. Zij eten slechts eenmaal in de week vleesch, nooit meer, en dan alléén het harde drogecharqui. Ofschoon wetende, dat de arbeid vrijwillig was, kwam toch het gemoed in opstand bij het zien van den jammerlijken staat, waarin zij de mijnopening bereikten: het lichaam voorover gebogen, de armen op de treden geleund, de beenen gekromd; met trillende spieren, gezwollen neusvleugels, de mondhoeken diep naar achteren gezonken; met aangezicht en borst badende in het zweet, en diep beklemden ademtocht. Telkens als zij ademhalen, uiten zij een doordringenden kreet, die eindigt in een diep maar schril keelgeluid, evenals een fluittoon. Zoo waggelden zij naar den ertsstapel, ledigden hier huncarpacho, wischten na twee of drie secunden, als zij weer op adem kwamen, het zweet van hun voorhoofd, en daalden schijnbaar geheel opgefrischt weer in den mijn af. Mij dunkt, dit is een merkwaardig voorbeeld van de groote hoeveelheid arbeid, die de mensch kan verduren, blijkbaar door geen andere oorzaak dan de gewoonte.
Toen ik des avonds met denmayordomodezer mijnen (nog een jongen man) sprak over het aantal vreemdelingen, die nu over het geheele land verspreid zijn, vertelde hij mij uit den tijd, toen hij—niet lang geleden—te Coquimbo schoolging, zich te herinneren, dat de jongens vrijaf kregen, om den kapitein van een Engelsch schip te zien, die naar de stad werd geleid om den gouverneur te spreken. Hij gelooft, dat niets in staat zou zijn geweest de schooljongens (hijzelf medegerekend) over te halen, om dicht bij den Engelschman te komen; zoo diep had de meening bij henpost gevat, dat de aanraking met zulk een persoon ketterij, besmetting en het kwade zou aanbrengen. Ten huidigen dage vertelt men van de wreede daden derboekaniers,2en vooral van een, die het beeld der Maagd Maria wegnam, en een jaar later terugkeerde om dat van den H. Jozef te halen, zeggende, dat het jammer zou zijn indien de maagd geen echtgenoot had. Ook hoorde ik vertellen van eene oude dame, die bij een diner te Coquimbo de opmerking maakte hoe verbazend vreemd het was, dat zij het moest beleven, met een Engelschman in dezelfde kamer te eten; want zij herinnerde zich uit hare meisjesjaren, dat bij twee gelegenheden, op het bloote geroep van: “Los Ingleses!” (De Engelschen), alle menschen naar het gebergte waren gevlucht, met medeneming van hunne kostbaarheden, zooveel zij dragen konden.
14 Mei.Wij bereikten Coquimbo, waar wij enkele dagen bleven. De eenige merkwaardigheid der stad is hare buitengewone kalmte. Men zegt, dat zij zes tot acht duizend inwoners kan bevatten. Op den morgen van den 17den viel er een zachte regen—de eerste van dit jaar—die ongeveer vijf uren duurde. De pachters, die bij de zeekust (waar de dampkring het vochtigst is) koren verbouwen, zouden van deze bui partij trekken, om den grond te beploegen; na eene tweede bui zouden zij zaaien; en mocht er eene derde komen, dan zouden zij in de lente een goeden oogst hebben. Belangrijk was het de uitwerking dezer onbeduidende hoeveelheid vocht te zien. Twaalf uren later scheen de grond even droog als te voren; maar na verloop van tien dagen hadden alle heuvels eene zwak groene kleur ten gevolge van het gras, dat hier en daar in haarfijne vezels vaneeninchlang verspreid was. Vóór deze bui was de geheele oppervlakte zoo kaal als een straatweg.
Des avonds aten kapitein Fitz-Roy en ik bij Edwards, een Engelsch inwoner die om zijne gastvrijheid aan alle bezoekers van Coquimbo wel bekend is, toen eene hevige aardbeving plaats had. Ik hoorde het voorafgaande gerommel; maar door het geschreeuw der dames, het geloop der dienstboden, en de drukte waarmede verscheidene heeren naar den uitgang snelden, kon ik de beweging niet onderscheiden. Ook na den schok schreeuwden eenige vrouwen het uit van angst; en een der heeren zeide, dat hij den geheelen nacht niet zou kunnen slapen, of zoo hij al sliep, het dan alleen zou zijn om van instortende huizen te droomen. De vader van dezen persoon had te Talcahuano have en goed verloren, en in 1822 was hij zelf in Valparaiso ternauwernood aan een instortend dak ontkomen. Hij vertelde een merkwaardig geval, dat toen plaats had. Hij zat kaart te spelen, toen een Duitscher, tot het gezelschap behoorende, opstond, zeggende, dat hij in deze streken nooit in eene kamer met gesloten deur wilde zitten, omdat hij te Copiapó zoodoende bijna het leven had verloren. Hij opende dus de deur; en nauwelijks had hij dit gedaan, of hij schreeuwde luid:
“Daar komt er weer een!”
Op hetzelfde oogenblik voelde men den eersten schok der bekende aardbeving. Het geheele gezelschap ontkwam. Het gevaar bij eene aardbeving ligt niet in den tijd, die met het openen van eene deur verloren gaat, maar in de kans, dat zij door de beweging der muren beklemd raakt.
Men behoeft er zich niet zeer over te verwonderen, dat inboorlingen en oude bewoners bij aardbevingen meestal zoo verschrikt zijn, hoewel sommigen van hen om hunne groote tegenwoordigheid van geest bekend staan. Ik geloof echter, dat deze overmaat van schrik gedeeltelijk is toe te schrijven aan eene ongewoonte om hunne vrees te beheerschen, daar zij zich over deze ontroering niet schamen. Inderdaad kunnen de inboorlingen niet dulden, dat iemand onverschillig is. Ik hoorde vertellen van twee Engelschen,die tijdens een hevigen schok in de open lucht sliepen, maar wetende, dat er geen gevaar was, niet opstonden. Verontwaardigd schreeuwden toen de inboorlingen:
“Kijk die ketters eens, zij staan zelfs niet van hun bed op!”
Ik besteedde eenige dagen aan het onderzoeken van de trapvormige grintterrassen, die het eerst door kapitein B. Hall zijn opgemerkt, en volgens de meening van Charles Lyell, gedurende de trapswijze verhooging van het land door de zee zijn gevormd. Dit is zeker de juiste verklaring, want ik vond talrijke schelpen van bestaande diersoorten op deze terrassen. Vijf smalle, zacht glooiende, strookvormige terrassen verrijzen achter elkander, die daar waar zij het best zijn ontwikkeld, uit keizand bestaan; zij liggen met den voorkant naar de baai, en strekken zich aan weerszijden van de vallei uit. Te Huasco, noordelijk van Coquimbo, openbaart zich dit verschijnsel op eene veel grootere schaal, zoodat zelfs enkele inwoners er verbaasd van staan. De terrassen, waarvan in sommige gedeelten zes, maar in ’t algemeen slechts vijf voorkomen, zijn daar veel breeder, en kunnen als vlakten worden bestempeld; zij strekken zich tot zeven en dertig mijlen van de kust uit. Deze trapvormige terrassen of strooken komen veel overeen met die in de Santa-Cruz-vallei, en met de groote terrassen langs de geheele kust van Patagonië, behalve dat zij op kleinere schaal zijn. Ongetwijfeld zijn zij gevormd door eene terugtrekkende beweging der zee, gepaard met of veroorzaakt door eene trapswijze, door lange tijdperken van rust afgebroken rijzing van het vasteland.
Schelpen van vele bestaande soorten liggen niet alleen aan de oppervlakte der terrassen bij Coquimbo (op eene hoogte van 250 voet), maar ook begraven in een brokkelig kalkhoudend gesteente, dat op sommige plaatsen tusschen de twintig en dertig voet dik is, bij geringe uitgestrektheid. Deze quartaire lagen liggen op eene oude tertiaire formatie, welker ingesloten schelpdieren naar het schijnt alle zijn uitgestorven. Ofschoon ik zoowel aan den kant van denStillen, als van den Atlantischen Oceaan vele honderden mijlen kustland onderzocht had, vond ik geen geregelde lagen met ingesloten zeeschelpen van nieuwe soorten, behalve op deze plek en nog op enkele punten noordwaarts langs den weg naar Huasco. Dit feit schijnt mij hoogst merkwaardig toe; want de verklaring, die de geologen er in ’t algemeen van geven, wanneer gelaagde fossielenhoudende afzettingen uit een of ander tijdperk in een district ontbreken—namelijk: dat de oppervlakte destijds als droog land bestond, is hier niet toepasselijk, omreden de aan de oppervlakte verspreide en in los zand of pootaarde ingesloten schelpen ons leeren, dat kort geleden het landduizendenmijlen ver langs beide kusten onder zee heeft gelegen. De verklaring is ongetwijfeld te zoeken in het feit, dat het geheele zuidelijke gedeelte van het werelddeel sinds geruimen tijd langzaam rijzende is geweest, en dat dus alle in ondiep water langs het strand afgezette stof spoedig omhoog gebracht, en langzaam blootgesteld moet zijn geweest aan de sloopende werking der vloedgolven. Alleen in betrekkelijk ondiep water kunnen de meeste bewerktuigde zee-wezens tieren; en het is wel duidelijk, dat zich in zulk water onmogelijk lagen van eenigszins groote dikte kunnen ophoopen. Om aan te toonen welke verbazende kracht de sloopende werking der vloedgolven bezit, behoeven wij slechts te wijzen op de hooge klippen langs de tegenwoordige kust van Patagonië, en op de steilten of oude zeeklippen, die aan dezelfde kustlijn op verschillende hoogten, de eene boven de andere liggen.
De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren leefden,3het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en vervolgens weer gerezen is. Terecht magmen vragen, hoe het komt, dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren—tenzij die afzetting oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem, die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats hebbende zinkende bewegingen in ’t algemeen een uitgestrekt gebied omvatten—zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien—wanneer wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen—de dalende bewegingen even omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland,Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven—dan kunnen wij zien, dat tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een later komend tijdperk te duren.
21 Mei.Ik vertrok in gezelschap van Don José Edwards naar de zilvermijn Arqueros, en ging van daar de Coquimbo-vallei in. Na een tocht door eene bergachtige streek, bereikten wij tegen het vallen van den avond de aan Mr. Edwards toebehoorende mijnen. Hier genoot ik mijne nachtrust door eene oorzaak, die in Engeland niet ten volle gewaardeerd zal worden, namelijk door de afwezigheid van vlooien. De kamers in Coquimbo wemelen er van; maar hier, op eene hoogte van slechts drie of vierduizend voet, kunnen zij niet leven. Het kan moeilijk de geringe temperatuursverlaging zijn, die deze lastige insecten hier verdelgt, zoodat hier eene andere oorzaak moet bestaan. De mijnen verkeeren thans in slechten staat, hoewel zij vroeger ongeveer 2000 gewichtsponden per jaar aan zilver opleverden. Men heeft beweerd, dat iemand met eene kopermijn winnen moet, dat iemand met eene zilvermijn winnen kan, doch met goud verliezen moet. Dit is niet waar: alle groote fortuinen in Chili zijn verkregen door mijnen van de meer kostbare metalen.4Korten tijd geleden keerde een Engelsch geneesheer uit Copiapó naar Engeland terug, met medenemingvan de winsten op een aandeel in eene zilvermijn, ten bedrage van ongeveer 24000 pond sterling. Ongetwijfeld is eene met zorg beheerde kopermijn een veilig spel, terwijl het andere dobbelspel, of liever een lot in de loterij is. De eigenaren verliezen groote hoeveelheden rijke ertsen, want ondanks alle voorzorgen, zijn diefstallen niet te voorkomen. Ik hoorde vertellen van een heer, die met een ander de weddenschap aanging, dat een van zijne arbeiders hem voor zijne oogen zou bestelen. Wanneer het erts uit de mijn is gehaald, wordt het in stukken gebroken, en de waardelooze steen ter zijde geworpen. Een paar mijnwerkers, die hiermede bezig waren, namen, als bij toeval, op hetzelfde oogenblik twee stukken weg, en riepen toen voor de grap:
“Laat ons zien welk het verst rolt!”
De eigenaar, die er bij stond, wedde met zijn vriend om een sigaar op den afloop van dezen worp. Des avonds nam de mijnwerker, die nauwkeurig de plek had onthouden, waar de steen tusschen het puin was blijven liggen, het stuk op, bracht het naar zijn meester, en zeide, terwijl hij hem een kostbaar stuk zilvererts toonde:
“Dit is de steen, waarop u een sigaar won, omdat hij zoo ver gerold was.”
23 Mei.Wij daalden af in de vruchtbare Coquimbo-vallei, en volgden die totdat wij eene hacienda bereikten, die aan een bloedverwant van Don José behoorde. Hier bleven wij tot den volgenden dag. Ik reed toen eene dagreis verder om te onderzoeken wat er waar was van eenige beweerde versteende schelpen en boonen; doch het bleek, dat deze laatsten eenvoudig kleine kwartssteenen waren. Wij reden door verscheidene dorpjes te midden van de fraai bebouwde vallei, en het geheele landschap bood een zeer prachtigen aanblik. Dat wij hier bij de hoofdketen van de Cordilleras waren, bleek uit de hooge bergjes in het rond. In alle gedeelten van Noord-Chili brengen de vruchtboomen meer ooft voort op eene aanmerkelijke hoogte in de nabijheid der Andes, dan in de lagere landstreek. De vijgen en druiven van dit district zijn om hare uitmuntende qualiteitberoemd, en worden over eene groote uitgestrektheid gekweekt. Deze vallei is misschien de vruchtbaarste benoorden Quillota, en bevat, naar ik meen, 25000 inwoners, Coquimbo medegerekend. Den volgenden dag keerde ik naar de hacienda terug, en van daar met Don José naar Coquimbo.
2 Juni.Wij begaven ons op weg naar de Huasco-vallei, en volgden daartoe den kustweg, die voor iets minder eenzaam werd gehouden dan de andere. Onze eerste dagrit was naar een eenzaam gelegen huis, Yerba Buena geheeten, waar gras voor onze paarden was. De bui, die, zooals boven gezegd is, veertien dagen geleden gevallen was, reikte slechts tot ongeveer halfweg Huasco; zoodat het zeer zwak getinte groen, dat wij op het eerste gedeelte onzer dagreis zagen, spoedig geheel verdween. Zelfs daar waar het groen ’t helderst was, herinnerde het toch op onvoldoende wijze aan het frissche gras en de ontluikende lentebloemen van andere landen. Wanneer men door deze dorre streken reist, voelt men zich als een gevangene, die op eene doodsche binnenplaats is opgesloten, eenige groen verlangt te zien en frissche lucht te ademen.
3 Juni.Van Yerba Buena naar Carrizal. Gedurende het eerste gedeelte van den dag trokken wij door eene bergachtige steenwildernis, en daarna over eene uitgestrekte, diepzandige vlakte, waarop gebroken zeeschelpen verspreid lagen. Er was zeer weinig water, en dat weinige nog zoutachtig; het geheele land, van de kust tot aan de Cordilleras, is eene onbewoonde woestijn. Slechts van één levend dier zag ik overvloedige sporen, namelijk de schelpen van eenBulinus, die in buitengewoon groot aantal op de droogste plekken bijeen waren. In de lente schiet een nederig plantje enkele blaadjes uit, en daarmee voeden zich de slakken. Daar men dezen alleen zeer vroeg in den morgen ziet, als de grond wat vochtig is van den dauw, gelooven de Huascos dat zij daaruit worden geteeld. Op andere plaatsen heb ik waargenomen, dat bijzonder droge en onvruchtbare streken buitengewoon gunstig zijn voor landschelpdieren, mits de bodem kalkhoudend is. TeCarrizal vonden wij enkele hutten, eenig brak water, en een spoor van cultuur: maar slechts met moeite kochten wij wat koren en stroo voor onze paarden.
4 Juni.Van Carrizal naar Sauze. Wij reden verder over verlaten vlakten, bewoond door groote kuddenguanaco’s. Ook trokken wij door de Chagnaralvallei. Ofschoon deze de vruchtbaarste is tusschen Huasco en Coquimbo, is zij zeer smal en brengt zoo weinig gras voort, dat wij niets voor onze paarden konden koopen. Te Sauze vonden wij een zeer beleefden ouden heer, die het oppertoezicht had over een kopersmeltoven. Als eene bijzondere gunst stond hij mij toe voor hoogen prijs een armvol morsig stroo te koopen; en dit was al wat de arme paarden na eene lange dagreis voor hun avondeten kregen. Tegenwoordig zijn in Chili zeer weinig smeltovens in werking: men vindt het voordeeliger het erts naar Swansea (Wallis) te verschepen, omdat het brandhout hier zoo uiterst schaarsch en de Chileensche methode van ertsbewerking zoo ongeschikt is. Den volgenden dag trokken wij over eenige bergen naar Freyrina in de Huasco-vallei. Met elken dag dat wij verder noordwaarts reden, werd de plantengroei schaarscher; zelfs de groote kandelabervormige cactus (Cereus atacamensis) was hier door eene andere en veel kleinere plant vervangen. Zoowel in Noord-Chili als in Peru hangt gedurende de wintermaanden eene eenvormige wolkbank op geen groote hoogte boven den Stillen Oceaan. Van de bergen hadden wij een zeer verrassend gezicht op dit schitterend witte luchtveld, dat vertakkingen uitzond naar de valleien, en eilanden en voorgebergten vormde op dezelfde manier als de zee in den Chonos-Archipel en in Vuurland.
Wij bleven twee dagen te Freyrina. In de Huasco-vallei liggen vier kleine steden; maar de haven, welke den ingang vormt, is eene geheel verlaten plek, zonder water in de onmiddellijke nabijheid. Vijfleaguesverder ligt Freyrina, een lang, uitgebouwd dorp met knappe witgepleisterde huizen. Weer tien leagues verder ligt Ballena, en daarachterHuasco Alto—een tuinbouwdorp, dat vermaard is om zijne gedroogde vruchten. Op een helderen dag is het gezicht op de vallei zeer schoon; de rechte doorgang eindigt bij de ver verwijderde, besneeuwde Cordilleras, en aan weerszijden ontwaart men tallooze dwarsketens, zich oplossend in een zilverwitten nevel. Eigenaardig zijn de talrijke evenwijdige en trapvormige terrassen op den voorgrond; en de ingesloten groene dalstrook met hare wilgenstruiken vormt eene schrille tegenstelling met de kale bergen aan beide kanten. Dat het land in den omtrek uiterst dor was, zal men licht begrijpen, zoo men weet dat er in de laatste dertien maanden geen regen was gevallen. De bewoners hoorden met den grootsten naijver, dat het te Coquimbo geregend had, maar hoopten, op het voorkomen der lucht afgaande, op een goeden uitslag. Veertien dagen later werd deze hoop verwezenlijkt. Ik was toen te Copiapó, en daar sprak het volk met dezelfde jaloezie van den overvloedigen regen te Huasco. Na twee of drie zeer droge jaren, alsin al dien tijd misschien niet meer dan ééne bui valt, volgt meestal een regenachtig jaar; en dit doet nog meer schade dan de droogte. De rivieren zwellen, en bedekken de smalle strooken gronds—de eenige die voor cultuur geschikt zijn—met grint en zand. Ook doen de vloeden schade aan de bevloeiingskanalen. Drie jaren geleden is op deze wijze groote verwoesting aangericht.
8 Juni.Wij reden door tot Ballena, een plaatsje, dat zijn naam ontleent aan Ballenagh in Ierland, de geboorteplaats der familie O’Higgins, die onder het Spaansche gouvernement presidenten en generaals in Chili telde. Daar het rotsachtige gebergte aan weerszijden achter wolken verscholen was, gaven de terrasvormige vlakten aan de vallei een voorkomen, als dat der Santa-Cruz-vallei in Patagonië. Na een dag toevens te Ballena, vertrok ik den 10den Juni naar het bovendeel der Copiapó-vallei. Wij reden den geheelen dag door eene streek, die weder zoo onbelangrijk was, dat ik het moede word de bijnamen “dor” en “onvruchtbaar” te herhalen. In het gewone spraakgebruikzijn deze woorden evenwel betrekkelijk; ik heb hen altijd toegepast op de vlakten van Patagonië, die nog op doornstruiken en eenige bosjes gras kunnen roemen—hetgeen beslist vruchtbaar mag heeten, vergeleken met Noord-Chili; en hier is weer geen plek van 200 yards oppervlakte, waar niet bij zorgvuldig onderzoek een struikje, een cactus of korstmos valt te ontdekken, terwijl er sluimerende zaden in den grond gereed liggen, om in den eerstkomenden regenachtigen winter op te schieten. In Peru, echter, komen op uitgestrekte deelen van het land werkelijke woestijnen voor. Des avonds bereikten wij eene vallei, waarin een vochtig stroombed werd gevonden; wij volgden dit en kwamen eindelijk aan vrij goed water. Des nachts vloeit de stroom, ten gevolge van de minder snelle verdamping en opzuiging door den grond, ongeveer een mijl dieper dalwaarts, dan over dag. Wijl er takken voor brandhout in overvloed waren, was het eene goede plek voor ons om te bivouakeeren; maar voor de arme dieren was er geen hapje eten.
11 Juni.Wij reden twaalf uren lang zonder te rusten, totdat wij eene oude smeltoven bereikten, waar brandhout en water werden gevonden; maar onze paarden, die op eene voormalige binnenplaats gestald werden, hadden weder niets te eten. De weg was bergachtig, en leverde door de verscheidenheid van kleuren der kale bergen, verrassende vergezichten op. Het was bijna jammer de zon voortdurend boven zulk een onvruchtbaar land te zien schijnen; zulk een stralende hemel had groene velden en fraaie tuinen moeten verlichten. Den volgenden dag bereikten wij de Copiapó-vallei. Dit verheugde mij van harte, want de geheele tocht was een voortdurende bron van verdriet. Onaangenaam was het, terwijl wij bezig waren ons avondeten te gebruiken, de paarden aan de palen te hooren knagen, waaraan zij waren vastgebonden, en niets te kunnen doen om hun honger te stillen. Toch waren de dieren schijnbaar volmaakt gezond, en niemand zou gezegd hebben, dat zij in de laatste vijf en vijftig uren niets gegeten hadden.
Ik had een introductie-brief aan Mr. Bingley, die mij in de Hacienda del Potrero Seco zeer vriendelijk ontving. Dit landgoed is tusschen de twintig en dertig mijlen lang, doch zeer smal, daar het slechts twee velden breed is—aan elken rivierkant één. In sommige gedeelten heeft het landgoed geen breedte, d.w.z., het land kan niet bevloeid worden, en is dus even waardeloos, als de omringende steenwoestijn. De geringe hoeveelheid land, over de geheele lengte der vallei in cultuur, is niet zoozeer een gevolg van terreinoneffenheden en dus van ongeschiktheid voor bevloeiing, als van den geringen watervoorraad. Dit jaar was de rivier geweldig gezwollen: hier, hoog in de vallei, reikte zij tot aan den buik van een paard, was omtrent vijftien yards breed en bezat eene snelle strooming; meer dalwaarts wordt zij steeds kleiner, en verdwijnt meestal geheel, gelijk eens dertig jaren achtereen gebeurd was, zoodat er geen druppel in zee viel. De inwoners verbeiden een storm over de Andes met veel belangstelling, daar een flinke sneeuwval hen voor het volgend jaar van water voorziet. In het laagland heeft dit oneindig grootere gevolgen dan regen. Regen is, zoo dikwijls hij valt (en dat is ongeveer eens in de twee of drie jaren), een groot voordeel, omdat het vee en de muildieren dan eenigen tijd later wat gras op de bergen kunnen vinden; maar zonder sneeuw op de Andes heerscht er mismoedigheid door de geheele vallei. Drie gevallen zijn bekend, dat bijna alle inwoners genoodzaakt zijn geweest naar het zuiden te verhuizen. Dit jaar was er overvloedig water, en besproeide elk zijn grond zooveel hij wilde; maar dikwijls is het noodig geweest soldaten bij de sluizen te zetten, om te zorgen, dat elke boerderij eenige uren per week slechts zooveel nam als toegestaan was. Naar men zegt, telt de vallei 12000 zielen; doch hare opbrengst is slechts voldoende voor drie maanden in ’t jaar; de overige voorraad moet uit Valparaiso en het zuiden worden gehaald. Vóór de ontdekking der beroemde zilvermijnen van Chagnarcillo, verkeerde Copiapó in een toestand van snel verval; nu, echter, is zij zeer welvarend, en de stad, die op 22 November 1822 dooreene aardbeving geheel verwoest werd, is weer opgebouwd geworden.5
De Copiapó-vallei, eenvoudig uit eene strook groen bestaande te midden van eene woestijn, loopt in eene zeer zuidelijke richting, en heeft tot aan haar oorsprong in de Cordilleras eene aanzienlijke lengte. De Huasco- en Copiapó-valleien kunnen beiden beschouwd worden als lange, smalle eilanden, die in plaats van door zoutwater, door steenwoestijnen van het overig deel van Chili gescheiden zijn. Benoorden dezen, ligt eene andere, zeer onvruchtbare vallei, Paposo genaamd, die ongeveer 200 zielen bevat; en daarna begint de werkelijke Woestijn van Atacama, die een veel geduchteren slagboom vormt dan de onstuimigste oceaan. Na enkele dagen toevens te Potrero Seco, ging ik de vallei in naar het huis van Don Benito Cruz, aan wien ik een introductie-brief had, en die mij hoogst gastvrij ontving. Men kan inderdaad niet genoeg de vriendelijkheid roemen, waarmede reizigers in bijna alle deelen van Zuid-Amerika ontvangen worden. Den volgenden dag huurde ik eenige muilezels, om mij door het Jolquera-ravijn naar de centrale Cordilleras te brengen. Den tweeden dag scheen de lucht een sneeuwstorm of regen te voorspellen; en toen wij te bed lagen, voelden wij een lichten schok van aardbeving.
Het verband tusschen aardbevingen en het weder is dikwijls betwist geworden. Mij schijnt dit een punt van groot gewicht toe, dat weinig begrepen wordt. Humboldt heeft de opmerking gedaan, dat iemand, die lang in Nieuw-Andaluzië of Neder-Peru heeft gewoond, moeilijk zou kunnen loochenen, dat er tusschen deze verschijnselen eenig verband bestaat; maar elders schijnt hij zoodanig verband denkbeeldigte achten.6Te Guayaquil, zegt men, wordt eene zware bui in het droge jaargetijde onveranderlijk door eene aardbeving gevolgd. In Noord-Chili is, wegens de groote zeldzaamheid van regen of zelfs van regen voorspellend weder, de kans op toevallig samentreffen zeer gering; toch zijn de inwoners ten stelligste overtuigd, dat er tusschen den dampkringstoestand en het beven van den grond eenig verband bestaat. Dit trof mij bijzonder, toen ik aan eenige lieden te Copiapó vertelde, dat er te Coquimbo een hevige schok had plaats gehad, en zij terstond daarop uitriepen:
“Hoe gelukkig, dan zal er dit jaar overvloed van gras zijn!”
Volgens hunne meening voorspelde eene aardbeving regen, even zeker als regen overvloedig gras voorspelde. Dit kwam in zoover uit, dat de regenbui, die, zooals ik gezegd heb, in tien dagen tijds een dun laagje gras voortbracht, viel op den dag der aardbeving zelven. Op andere tijden is er op aardbevingen regen gevolgd in een tijd van het jaar, dat de regen een veel grooter wonder was dan de aardbeving zelve; dit gebeurde te Valparaiso na den schok in November 1822, en nogmaals in 1826; ook na dien te Tacna in September 1833. Men moet aan het klimaat dezer streken eenigszins gewoon zijn om te begrijpen, hoe uiterst onwaarschijnlijk het is, dat er in zulke jaargetijden regen valt, behalve wanneer deze het gevolg is van een natuurverschijnsel, dat met den gewonen gang van het weder in hoegenaamd geen verband staat. In het geval van groote vulkanische uitbarstingen, zooals die van de Coseguina in Januari 1835, toen er stroomen regen vielen in een tijd vanhet jaar, welke daartoe zeer ongewoon en “in Midden-Amerika bijna zonder voorbeeld” was—is het niet moeilijk te begrijpen, dat wellicht de groote wolken damp en asch het evenwicht in den dampkring gestoord kunnen hebben. Humboldt strekt deze meening uit tot het geval van aardbevingen, die niet van uitbarstingen vergezeld gaan; maar ik acht het bijna niet mogelijk, dat de kleine hoeveelheid vluchtige zelfstandigheden en dampvormige vloeistoffen, welke dan uit den gespleten grond ontwijken, zulke merkwaardige werkingen kunnen voortbrengen. Veel waarschijnlijkheid lijkt de meening te bezitten—het eerst door Scrope uitgesproken,7dat bij lagen barometerstand en onder omstandigheden die werkelijk regen kunnen doen verwachten, de verminderde dampkringsdrukking over eene groote uitgestrektheid lands wel den juisten dag kan bepalen, waarop de aarde, door inwendige krachten tot het uiterste gespannen, moet wijken, barsten, en bij gevolg beven. Toch is het twijfelachtig, in hoever dit denkbeeld de omstandigheid zal verklaren, dat er in het droge jaargetijde verscheidene dagen lang stroomen regen zijn gevallen na eene aardbeving, die niet van eene uitbarsting vergezeld ging. Dergelijke gevallen schijnen op een inniger verband tusschen de luchtstreken en de onderaardsche ruimten te wijzen.
Daar wij in dit gedeelte van het ravijn weinig belangrijks vonden, richtten wij onze schreden weder naar het huis van Don Benito, waar ik twee dagen bleef, en hout en schelpdieren verzamelde. Groote versteende boomstammen, die in een conglomeraat begraven lagen, werden in buitengewoon aantal gevonden. Ik mat er een, die vijftien voet in omtrek was. Hoe verwonderlijk toch, dat elke molecule houtstof in dezen grooten cilinder zoo volkomen door kiezel is verdrevenen vervangen, dat alle vezels en poriën bewaard zijn gebleven! Deze boomen bloeiden ongeveer in het tijdperk van de Lagere Witte Kalk (Lower White Chalk) in Engeland, en behoorden alle tot het geslacht der dennen. Het was vermakelijk de inwoners over de schelpdieren, die ik verzamelde, in bijna dezelfde woorden te hooren spreken, als men eene eeuw geleden in Europa deed, namelijk: of zij al dan niet zoo “door de natuur” geschapen waren. Mijn geologisch onderzoek van het land wekte in ’t algemeen heel wat verwondering onder de Chileenen; en lang duurde het eer zij overtuigd konden worden, dat ik niet op mijnen kwam jacht maken. Dit was somtijds lastig. Toen ontdekte ik, dat de beste manier om het doel van mijn werk te verklaren was, hun te vragen hoe het toch kwam, dat zij zelven niet nieuwsgierig waren naar aardbevingen en vulkanen; waarom sommige bronnen heet en andere koud waren; waarom er in Chili bergen waren, en in La Plata zelfs geen heuvel. Deze eenvoudige vragen stelden de meesten terstond tevreden en brachten hen tot zwijgen; maar sommigen dachten (evenals eene eeuw geleden enkele lieden in Engeland), dat al zulke onderzoekingen ijdel en goddeloos waren, en dat het geheel voldoende was te weten, dat God de bergen zoo gemaakt had.
Onlangs was een bevel uitgevaardigd om alle losloopende honden af te maken; en zoo zagen wij er velen dood op den weg liggen. Dit bevel was een gevolg van het groot aantal gevallen van dolheid, waarbij vele personen door honden gebeten en gestorven waren. Watervrees of hondswoede heeft verscheidene malen in deze vallei geheerscht. Het is merkwaardig, dat zulk eene zonderlinge en vreeselijke ziekte van tijd tot tijd op dezelfde afgelegen plek verschijnt. Men heeft opgemerkt, dat ook in Engeland sommige dorpen veel meer aan deze bezoeking blootstaan, dan andere. Dr. Unanuè zegt, dat zij in Midden-Amerika uitbrak, en langzaam zuidwaarts trok. In 1807 bereikte zij Arequipa, waar, naar men zegt, sommige personen die niet gebeten waren werden aangetast, evenals eenige negers, die van een aanwatervrees gestorven jongen os gegeten hadden. Te Ica stierven 42 menschen aldus een ellendigen dood. De ziekte kwam tusschen de twaalf en negentig dagen na den beet op; en in al de gevallen dat zij optrad, volgde de dood onveranderlijk vijf dagen later. Na 1808 volgde een lang tijdperk zonder ziektegevallen. Bij onderzoek vernam ik, dat op Van Diemensland, of in Australië geen watervrees bekend was; en Burchell zegt, dat hij gedurende zijn vijfjarig verblijf aan de Kaap de Goede Hoop er nooit van gehoord heeft. Webster beweert, dat op de Azoren nooit watervrees is voorgekomen, en hetzelfde wordt gezegd van Mauritius en Sint Helena.8Voor zulk eene vreemde ziekte zou men mogelijk eenige opheldering kunnen vinden door de omstandigheden na te gaan, waaronder zij in verwijderde klimaten ontstaat; want het is onwaarschijnlijk, dat een reeds gebeten hond naar deze verre landen overgebracht zou zijn.
Des nachts kwam een vreemdeling aan het huis van Don Benito, en vroeg verlof om te slapen. Hij zeide, dat hij verdwaald was en zeventien dagen lang door het gebergte had gezworven. Uit Huasco vertrokken, en aan het reizen in de Cordilleras gewoon, verwachtte hij geen moeilijkheden te ondervinden als hij het spoor naar Copiapó volgde; doch spoedig geraakte hij in een doolhof van bergen verdwaald, waar hij niet uit kon komen. Eenige van zijne muildieren waren in afgronden gevallen, en hij had in groote verlegenheid verkeerd. De hoofdoorzaak van zijn tegenspoed was, dat hij niet wist waar hij in het laagland water zou vinden, zoodat hij genoodzaakt werd den zoom der centrale keten te volgen.
Wij daalden weêr de vallei af, en bereikten op 22 Juni de stad Copiapó. Het ondereinde der vallei is breed, en vormteene fraaie vlakte evenals de Quillota-vallei.De stad beslaat eene aanzienlijke oppervlakte, doordien elk huis een tuin bezit; maar zij is ongezellig, zonder gerief, en de woningen zijn armoedig gemeubeld. Elk, die er komt, schijnt slechts één doel te hebben, nl. fortuin te maken, en dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Alle bewoners zijn meer of minder rechtstreeks bij de mijnen betrokken; en mijnen en ertsen zijn de eenige onderwerpen van gesprek. Behoeften van allerlei aard zijn uiterst duur, wijl de afstand van de stad tot de haven achttienleaguesbedraagt,9en een landvoertuig zeer kostbaar is. Eene kip kost vijf of zes shillings; vleesch is bijna even duur als in Engeland; brandhout, of liever takken worden twee of drie dagreizen ver op ezels uit de Cordilleras gehaald, en het weiden van dieren kost één shilling daags. Dit alles is voor Zuid-Amerika buitensporig duur.
26 Juni.Ik huurde een gids en acht muildieren, om mij langs een anderen weg dan op den vorigen tocht naar de Cordilleras te brengen. Daar het land volkomen woest was, namen wij anderhalve vracht gerst mede, vermengd met gehakt stroo. Omstreeks tweeleaguesboven de stadontspringteene breede vallei, genaamdEl Despoblado(De Onbewoonde), uit die, waardoor wij gekomen waren. Hoewel eene vallei van de grootste afmetingen, die rechtstreeks naar een pas over de Cordilleras leidt, is zij geheel droog, behalve misschien gedurende enkele dagen in een zeer regenachtigen zomer. Bijna geen enkel ravijn doorsneed de zijden der afbrokkelende bergen, en de met grof keizand gevulde bodem der hoofdvallei was effen en bijna vlak. Geen stroom van eenige beteekenis kon ooit over deze grintbedding gevloeid hebben; want ware dit het geval geweest, dan zou stellig, evenals in alle zuidelijke valleien, een groot door klippen begrensd kanaal gevormd zijn. Weinig twijfel ik er aan, of deze vallei werd bij delangzame rijzing van het land, door de golven der zee in den toestand gelaten, waarin wij haar nu zien, evenals het geval was met eenige valleien in Peru, waarvan de reizigers melding maken. Op eene plek, waar in de Despoblado een ravijn uitmondde (dat in bijna elke andere keten eene groote vallei genoemd zou zijn), merkte ik op, dat hare bedding, ofschoon alleen uit zand en grint bestaande, hooger was dan die van het zijravijn. Een riviertje of zelfs eene beek zou zich in den loop van een uur een doorweg hebben gegraven; maar blijkbaar waren geheele tijdperken voorbijgegaan, zonder dat zulk een riviertje dit zijravijn bespoeld had. Het was belangwekkend het geheele bespoelingsmechanisme (indien zulk een woord gebruikt mag worden) tot in de kleinste bijzonderheden compleet te zien, doch zonder eenig teeken van werking. Ieder zal hebben opgemerkt hoe modderbanken, door het dalend getij achtergelaten, in het klein een land met bergen en dalen nabootsen; hier hebben wij het oorspronkelijke model in steen, zooals het gevormd werd bij de rijzing van het vasteland, gedurende de eeuwenlange terugvloeiing der zee, in plaats van gedurende het ebben en wassen der getijen. Indien eene regenbui op de drooggelegde modderbank valt, verdiept zij de reeds gevormde ondiepe uithollingen; en hetzelfde geschiedt door den regen, eeuw aan eeuw, op de bank van steen en aarde, die wij “vastland” noemen.
Toen het donker was reden wij voort, totdat wij een zijravijn bereikten met eene kleine put of wel,Agua amarga(Bitter water) geheeten. Het water verdiende dien naam, want het was niet alleen zoutachtig, maar ook bedorven en bitter, zoodat wij er geen thee of maté van durfden koken. Ik onderstel, dat de afstand van de rivier de Copiapó tot deze plek minstens 25 of 30 Engelsche mijlen bedroeg; over die gansche ruimte was geen enkele druppel water, en het land verdiende den naam van “woestijn” ten volle. Toch kwamen wij ongeveer halfweg, bij Punta Gorda, voorbij eenige Indiaansche ruïnen; meer nog—recht voor den ingang van sommige in de Despoblado uitmondendevalleien bespeurde ik twee stapels steenen, die eenigszins zijwaarts gelegen, zóó waren gericht, dat zij op de ingangen dezer kleine valleien wezen. Mijne metgezellen wisten hier niets van, en beantwoordden mijne vragen slechts met hun onveranderlijk: “quien sabe!”
Indiaansche puinhoopen ontdekte ik in verscheidene gedeelten van de Cordilleras; de meest volledige, die ik zag, waren deRuinas de Tambillosin den Uspallata-pas. Deze bestonden uit kleine vierkante kamers, die op slordige wijze hier en daar in groepen waren samengehoopt. Sommige deuren stonden nog overeind, en werden gevormd door een overdwarschen platten steen van slechts drie voet hoogte. Ulloa heeft op de lage deuren bij de oude Peruaansche woningen opmerkzaam gemaakt. In volledigen vorm moeten deze ruïnen in staat zijn geweest een groot aantal personen te bevatten. De overlevering zegt, dat zij dienden als rustpunten voor de Incas op hunne tochten over de bergen. Sporen van Indiaansche woningen zijn op vele andere plaatsen ontdekt, waar het niet waarschijnlijk lijkt, dat zij alleen tot rustpunten dienden, maar waar toch het land even volkomen ongeschikt is voor elke soort van cultuur, als bij de Tambillos, bij de Inca-brug, of in den Portillo-pas; op al welke plaatsen ik ruïnen zag. In het ravijn Jajuel, bij Aconcagua, waar geen pas is, hoorde ik spreken van puinhoopen van huizen, die op eene groote hoogte lagen, waar het buitengewoon koud en onvruchtbaar is. Eerst verbeeldde ik mij, dat deze gebouwen schuilplaatsen waren geweest, door de Indianen bij de eerste komst der Spanjaarden gebouwd; doch later ben ik gaan gelooven, dat er vermoedelijk eene geringe klimaatverandering heeft plaats gehad.
In dit noordelijke gedeelte van Chili, zegt men, zijn oude Indiaansche huizen in de Cordilleras bijzonder talrijk. Bij het graven tusschen de puinhoopen worden niet zelden lapjes wollen stoffen, kostbare metalen werktuigen en hoopjes Indiaansch koren ontdekt. Eens gaf men mij een pijlpunt, van agaat gemaakt, en geheel van denzelfdenvorm als nu in Vuurland wordt gebruikt. Ik weet, dat de Peruaansche Indianen nu menigmaal de hoogste en guurste plaatsen bewonen; maar te Copiapó werd mij door lieden, die hun leven met reizen in de Andes hadden doorgebracht, verzekerd, dat er zeer vele (muchisimas) gebouwen gevonden werden op plaatsen zoo hoog, dat zij bijna tot de sneeuwgrens reiken, en op punten waar geen passen zijn; waar het land volstrekt niets voortbrengt, en wat nog merkwaardiger is: waar geen water is. Niettemin zijn de landlieden (ofschoon met het geval zeer verlegen) wegens het voorkomen der huizen van meening, dat de Indianen hen als woonplaatsen moeten gebruikt hebben. Te Punta Gorda, in deze vallei, bestonden de overblijfsels uit zeven of acht vierkante kleine kamers, van een dergelijken vorm als die te Tambillos, doch voornamelijk van modder gebouwd en zoo stevig, dat de hedendaagsche bewoners, hetzij hier of (volgens Ulloa) in Peru, ze niet kunnen namaken. Zij stonden op de meest zichtbare en onbeschermde plek, in de kom der breede, vlakke vallei. Water was er niet binnen een kring van minstens drie of vierleagues, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid en slecht; de grond was volkomen onvruchtbaar; zelfs zocht ik te vergeefs een mosplantje op de rotsen. Tegenwoordig kan eene mijn, die het voordeel heeft met lastdieren te werken, bijna niet met winst geëxploiteerd worden, tenzij zij zeer rijk is. En zulk een oord kozen de Indianen voorheen tot woonplaats! Indien er nu elk jaar twee of drie regenbuien vielen, in plaats van ééne zooals sinds vele jaren het geval is, zou in deze groote vallei waarschijnlijk een beekje worden gevormd; en door bevloeiing (eene kunst, welke de Indianen voorheen zoo goed verstonden) zou de grond dan gemakkelijk vruchtbaar genoeg worden gemaakt, om enkele gezinnen te voeden.
Ik heb overtuigende bewijzen, dat dit deel van het vasteland van Zuid-Amerika sedert het tijdvak der levende schelpdieren, bij de kust minstens 400 tot 500 voet, en in sommige gedeelten 1000 tot 1300 voet gerezen is; dieperlandwaarts in is de rijzing mogelijk nog grooter geweest. Daar het buitengewoon dorre karakter van het klimaat blijkbaar een gevolg is van de hoogte der Cordilleras, kunnen wij er bijna zeker van zijn, dat de dampkring vóór de laatste rijzing niet zoo geheel van vocht beroofd was, als nu het geval is; en daar de rijzing trapswijze is geschied, zou ook het klimaat aldus veranderd zijn. Volgens deze meening—eene klimaatverandering sedert de gebouwen bewoond werden—moeten de ruïnen een zeer hoogen ouderdom hebben. Dat zij zoo lang bewaard konden blijven, acht ik onder het klimaat van Chili niet zoo moeilijk. Volgens dit begrip moeten wij ook aannemen (en dit is wellicht moeilijker), dat de mensch sinds een onmetelijk langen tijd Zuid-Amerika bewoond heeft, daar eene klimaatverandering ten gevolge van de landrijzing een uiterst langzaam verloop moet hebben gehad. Te Valparaiso is de rijzing in de laatste 220 jaren iets minder dan 19 voet geweest; te Lima is eene zeekust gedurende de Indiaansche periode van het Quartaire of Anthropozoïsche Tijdvak van 80 tot 90 voet gerezen; maar zulke kleine wijzigingen konden weinig bij machte zijn de vocht-aanbrengende luchtstroomen van richting te doen veranderen. Inmiddels heeft Dr. Lund in de holen van Brazilië menschengeraamten ontdekt, waarvan het uiterlijk hem tot de meening bracht, dat het Indiaansche ras sedert een lang tijdsverloop in Zuid-Amerika bestaan heeft.10
Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur Gill, die veel van het binnenland gezien had.11Hij vertelde mij, dat de onderstelling aangaande eeneklimaatverandering somtijds bij hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd, door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen, zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval, dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogteafging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijkwegvloeien en zich een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.
27 Juni.Vroeg in den morgen gingen wij op weg, en bereikten tegen den middag het ravijn van Paypote, waarin eene zeer kleine beek stroomt, en waar eenige plantengroei is, o.a. zelfs enkele algarroba-boomen (eene soort van mimosa).12Doordien men hier brandhout had, was er voorheen eene smeltoven gebouwd; en werkelijk vonden wij een kluizenaar, die deze oven bewaakte, en geen andere bezigheid had, dan opguanaco’ste jagen. Des nachts vroor het sterk; maar wijl wij overvloedig hout voor ons vuur hadden, sliepen wij warm.
28 Juni.Wij vervolgden onzen langzaam stijgenden tocht door de vallei, die nu in een ravijn veranderde. Gedurende den dag zagen wij verscheideneguanaco’s, alsmede het spoor van deVicugna, eene na aan de eersten verwante soort. Laatstgenoemd dier is in zijne leefwijze een voortreffelijk bewoner van hooge bergstreken; zelden daalt het onder de grens van eeuwige sneeuw, en houdt zich dus in een nog hooger en onvruchtbaarder gebied op, dan het guanaco. Het eenige dier, dat wij verder in vrij groot aantal zagen, was een kleine vos; ik onderstel dat deze laatste op muizen en andere kleine knaagdieren jacht maakt, die in groot aantal op zeer woeste plaatsen leven, zoolang er nog een spoor van plantengroei is. In Patagonië wemelt het van deze kleine dieren, zelfs op de grenzen dersalinas, waar nooit een druppel water te vinden is, behalve dauw. Na de hagedissen, schijnen muizen het best in staat te zijn op de kleinste en droogste plekken der aarde voedsel te vinden—zelfs op eilandjes midden in de groote oceanen.
Aan beide zijden vertoonde het landschap eene troostelooze verlatenheid, welke in het licht der heldere, onbewolkte lucht scherp en tastbaar uitkwam. Voor een poos maakt zulk een landschap een grootschen indruk; maar deze kan niet duren, en dan wordt het onbelangwekkend. Wij bivouakeerden aan den voet derprimera lineaof eerste linie van waterscheiding. Aan den oostkant vloeien de stroomen echter niet naar den Atlantischen Oceaan, doch naar eene hoogvlakte, in welker midden eene grootesalinaof zoutmeer ligt, en vormen zoo op eene hoogte van misschien tien duizend voet eene Kaspische Zee in ’t klein. Op de plek, waar wij sliepen, lagen eenige groote sneeuwvelden, die echter niet het geheele jaar duren. In deze hooge streken gehoorzamen de winden aan zeer regelmatige wetten; elken dag waait eene frissche koelte uit de vallei opwaarts, en des avonds—een uur of twee na zonsondergang—daalt de lucht uit de koude bovenstreken als door een trechter omlaag. Dezen nacht woei er eene stijve bries, en moest de temperatuur ver onder het vriespunt geweest zijn, daar het water in onze kan spoedig één blok ijs werd. Tegen zulk eene lucht schenen kleêren geen beschutting te bieden, want ik leed zeer veel koude, zoodat ik niet kon slapen en des morgens geheel verstijfd en verkleumd opstond.
Verder zuidwaarts in de Cordilleras komen sommige lieden door sneeuwstormen om het leven; hier bezwijkt men door eene andere oorzaak. Toen mijn gids een jongen van 14 jaren was, trok hij met een gezelschap in de maand Mei de Cordilleras over. In de centrale gedeelten gekomen, stak een hevige storm op, zoodat de mannen met moeite op hunne muildieren konden blijven, terwijl de steenen over den grond vlogen. De lucht was onbewolkt, en er viel geen vlokje sneeuw; maar de temperatuur was laag. Waarschijnlijk heeft de thermometer niet heel veel graden onder het nulpunt gestaan; toch moet de uitwerking op hunne lichamen, door de kleeding slecht beschut, evenredig geweest zijn aan de snelheid van den kouden luchtstroom. De storm duurde ruim een dag lang; de mannen voeldenhunne krachten afnemen, en de muildieren wilden niet verder. De broeder van mijn gids poogde terug te keeren, maar kwam om het leven; en twee jaren later vond men zijn lijk dicht bij den weg naast zijn muildier liggen, met den teugel nog in zijne hand. Twee andere mannen van den troep verloren vingers en teenen; en van de tweehonderd muildieren en dertig koeien brachten slechts veertien er het leven af. Vele jaren geleden is een groot gezelschap vermoedelijk door eene dergelijke oorzaak omgekomen; maar hunne lijken zijn tot heden niet gevonden. Eene onbewolkte lucht, gepaard met lage temperatuur en een hevigen storm vormen een verschijnsel, dat, naar ik denk, wel in alle werelddeelen als een ongewoon feit zal worden beschouwd.
29 Juni.Opgewekt daalden wij de vallei af naar ons verblijf van den vorigen nacht, en van daar tot dicht bij de Agua amarga. Op den eersten Juli bereikten wij de Copiapó-vallei. Recht aangenaam was ons de geur der bloeiende klaver, na die lucht zoo arm aan geuren in de droge, onvruchtbare Despoblado-vallei. Terwijl ik in de stad was, hoorde ik verscheidene inwoners spreken van een heuvel in den omtrek, dien zijEl Bramador, den Bruller of Bulker noemden. Ik sloeg destijds niet voldoende acht op dit verhaal; maar voor zoover ik hen begreep, was de heuvel met zand bedekt, en werd het geluid alleen dan voortgebracht, als menschen bij het beklimmen het zand in beweging brachten. Dezelfde feiten zijn, op het gezag van Seetzen en Ehrenberg,13uitvoerig beschreven als de oorzaak der geluiden, welke vele reizigers op den Berg Sinaï bij de Roode Zee gehoord hebben. Een der personen, die ik sprak, had zelf het geluid gehoord, en beschreef dit als zeer wonderlijk; beslist verklaarde hij, dat, als kon hij niet begrijpen hoe het eigenlijk veroorzaakt werd, het afrollen vanhet zand langs de helling er toch noodzakelijk mede in verband moest staan. Wanneer een paard over droog en grof zand loopt, ontstaat een eigenaardig knarsend geluid ten gevolge van de wrijving der deeltjes. Dit feit, aan de meesten bekend, nam ik verscheidene keeren waar op mijne tochten langs de kust van Brazilië.
Drie dagen later hoorde ik, dat deBeaglede Haven was binnengeloopen, welke achttienleaguesvan de stad ligt. Langs de glooiing der vallei is weinig land in cultuur; en die geheele uitgestrektheid bevat slechts een schraal, borstelig gras, dat zelfs ezels met moeite kunnen eten. Deze armoedige plantengroei is een gevolg van de hoeveelheid zoutachtige stof, waarvan de bodem doortrokken is. De Haven bestaat uit eene vereeniging van kleine armoedige hutten, aan den voet eener dorre vlakte gelegen. Tegenwoordig, nu de rivier genoeg water bevat om de zee te bereiken, hebben de bewoners het voordeel, dat er binnen een afstand van anderhalve mijl zoet water is. Op het strand lagen groote stapels koopwaren, en het plaatsje vormde een tooneel van groote bedrijvigheid. Des avonds zeide ik mijn metgezel Mariano Gonzales, met wien ik zoo vele mijlen in Chili gereden had, vaarwel en riep hem een hartelijk “tot weêrziens” toe. Den volgenden morgen zette deBeaglekoers naar Iquique.
12 Juli.Wij ankerden in de haven van Iquique op 20°12′ Z.B. aan de kust van Peru. De stad telt ongeveer 1000 inwoners,14en ligt in eene kleine zandvlakte aan den voet van een grooten, 2000 voet hoogen rotswand, die hier de kust vormt. De geheele streek is uiterst woest. Slechts eens in zeer vele jaren valt er eene kleine regenbui; dientengevolge zijn de ravijnen gevuld met puin, en de berghellingen zelfs tot eene hoogte van duizend voet metstapels fijn wit zand bedekt. In dezen tijd van het jaar hangt er eene zware wolkbank boven den oceaan, die zich zelden boven den rotswand aan de kust verheft. Het aanzien der stad was allertreurigst; de kleine haven met hare weinige schepen, en een groepje armzalige huisjes schenen buiten alle verhouding tot het overige landschap, en zonken er geheel in weg.
De inwoners leven als lieden aan boord van een schip: al het noodige komt van verre; water wordt in booten aangevoerd van het omstreeks 40 mijlen noordwaarts gelegen Pisagua, en verkocht voor den prijs van 9 realen (4 shill., 6 pence) per vat van achttien gallons.15Ik kocht een wijnflesch vol water voor drie pence. Evenzoo worden brandhout, en natuurlijk ook alle voedingsmiddelen aangevoerd. In zulk eene plaats kan men zeer weinig dieren onderhouden; zoo huurde ik den volgenden morgen (13 Juli) met moeite, tegen den prijs van vier pond sterling, twee muildieren en een gids om mij naar de salpeterwerken te brengen, waarvan Iquique tegenwoordig bestaat. Van dit zout—in 1830 voor het eerst uitgevoerd—werd in één jaar tijds voor eene waarde van honderdduizend pond sterling naar Frankrijk en Engeland gezonden.16Het wordt voornamelijk gebruikt als meststof en voor de bereiding van salpeterzuur, maar kan wegens zijne vervloeibaarheid niet voor kruit dienen. Vroeger waren er twee uiterst rijke zilvermijnen in dezen omtrek, die echter tegenwoordig zeer weinig opleveren.
Onze komst in het gezicht van het strand verwekte eenige vrees. Peru was in een staat van regeeringloosheid; en daar elke partij eene brandschatting geëischt had, verkeerde de arme stad Iquique in angst en zorgen, denkende dat hetkwade uur geslagen had. Maar het volk had ook zijne inwendige troebelen; kort te voren hadden drie Fransche timmerlieden in denzelfden nacht de twee kerken opengebroken, en al het gouden en zilveren vaatwerk gestolen; doch later had een der dieven bekend, en kreeg men het vaatwerk terug. De schuldigen werden naar Arequipa opgezonden, de hoofdstad dezer provincie, die omstreeks tweehonderdleaguesver ligt. De regeering aldaar achtte het jammer zulke nuttige werklieden te straffen, die alle soorten meubelen konden maken, en stelde hen daarom op vrije voeten. Terwijl dit plaats had, werd in de kerken opnieuw ingebroken; maar ditmaal kreeg men het vaatwerk niet terug. Hierover in hevige woede ontstoken, en onder de leus, dat alléén ketters in staat waren “den almachtigen God” zoo te plunderen, gingen de inwoners eenige Engelschen te lijf, martelden hen en dreigden hen later te zullen doodschieten. Eindelijk kwam het gezag tusschenbeide, en werd de rust hersteld.
13 Juli.Des morgens vertrok ik naar de salpeterwerken, een afstand van veertienleagues. Nadat wij het steile kustgebergte langs een zigzagvormig zandspoor bestegen hadden, kwamen weldra de mijnen van Guantajaya en Santa Rosa in ’t gezicht. Deze twee dorpjes liggen vlak bij de ingangen der mijnen; en daar zij bovendien op bergen zijn gebouwd, hadden zij een nog onnatuurlijker en zwaarmoediger aanzien dan de stad Iquique. Wij bereikten de salpeterwerken eerst na zonsondergang, na den geheelen dag door een heuvelachtig land te hebben gereden, dat eene volslagen woestenij was. De weg was bezaaid met de beenderen en verdroogde huiden der vele lastdieren, die hier van vermoeienis en uitputting waren bezweken. Behalve deVultur (Cathartes) auraof Zwartkoppige Urubu, die op lijken aast, zag ik geen enkelen vogel, viervoetig of kruipend dier, zelfs geen enkel insect. Ter hoogte van omstreeks 2000 voet op het kustgebergte, waar de wolken meestal in dezen tijd van het jaar hangen, groeiden enkele cactussen in de rotsspleten, en was hetlosse zand met eene mosplant bedekt, die geheel vrij aan de oppervlakte lag. Deze plant behoort tot het geslachtCladonia, en gelijkt eenigszins op het rendiermos (Lichen rangiferinus). Op sommige plaatsen was zij in voldoende hoeveelheid vereenigd, dat het zand, van verre gezien, er eene matgele kleur door kreeg. Dieper het land in, zag ik op den langen rit van veertien leagues slechts één ander plantaardig product, namelijk eene uiterst kleine, gele mosplant, welke op de beenderen der doode muildieren groeide. Ofschoon dit de eerste ware woestijn was, die ik ooit gezien had, maakte zij geen sterken indruk op mij: wat ik geloof hieraan te moeten toeschrijven, dat ik op mijn rit noordwaarts, van af Valparaiso over Coquimbo naar Copiapó, langzamerhand aan zulke tooneelen gewoon was geraakt. Het land bood een merkwaardigen aanblik, doordien het bedekt was met eene dikke korst van gewoon zout, en van een gelaagd zouthoudend alluvium, dat gedurende de langzame rijzing van het land boven den zeespiegel schijnt afgezet te zijn. Het zout heeft eene witte kleur, is zeer hard en dicht, en treedt, met veel gips verbonden, op in gladgespoelde klompjes, die uit het samenklevende zand steken. In voorkomen geleek deze bovenkorst zeer veel op een land, dat onder sneeuw heeft gelegen, en waarop de laatste groezelige plekjes nog niet ontdooid zijn. Het bestaan dezer korst van eene oplosbare stof over de geheele oppervlakte van het land bewijst, hoe buitengewoon droog het klimaat gedurende eene lange tijdruimte geweest moet zijn.