Hoofdstuk XVIII.Tahiti (of Taïti) en Nieuw-Zeeland.20 October 1835.Toen de opmeting van de Galápagos-Eilanden was afgeloopen, zetten wij koers naar Tahiti en begonnen onzen langen tocht van 3200 mijlen. Binnen enkele dagen zeilden wij uit het donkere en bewolkte zeegebied, dat zich des winters tot ver van de Zuidamerikaansche kust uitstrekt, en hadden toen bij heldere en onbewolkte lucht eene aangename reis, met eene snelheid van 150 tot 160 mijlen daags voor een stijven passaatwind. In dit meer centrale gedeelte van den Stillen Oceaan is de temperatuur hooger dan bij de Amerikaansche kust. Nacht en dag wisselde de thermometer in de achterkajuit tusschen 80° en 83°, hetgeen een zeer aangenaam gevoel verwekt; maar één of twee graden hooger wordt de temperatuur drukkend. Wij voeren door den Lagen of Gevaarlijken Archipel,1en zagen verscheidene van die hoogst eigenaardigeringvormige koraalbanken, welke even boven den rand van het water uitsteken en Lagunen-eilanden genoemd zijn. Het lange, schitterend witte strand is met een groenen plantenzoom bedekt, die, waarheen men ook ziet, in de verte snel versmalt en onder den horizon verdwijnt. Van den top van den mast kan men een uitgestrekte, stille watervlakte binnen den ring zien. Deze lange, holle koraaleilanden staan in geen verhouding tot den uitgestrekten oceaan, waaruit zij zich steil verheffen; en het schijnt verwonderlijk, dat zulke zwakke banken door de machtige en rusteloos beukende golven van dien grooten en ten onrechte “De Stille” genoemden Oceaan niet reeds lang zijn weggespoeld.15 November.Bij het aanbreken van den dag kwam Tahiti in zicht. Dit eiland moet bij elken reiziger in de Stille Zuidzee blijvende klassieke herinneringen achterlaten. Van verre was de aanblik niet aantrekkelijk. De welige plantengroei van het lagere gedeelte was nog niet zichtbaar; en toen de wolken wegdreven, vertoonden zich de ruwste en steilste bergtoppen tot bij het midden van het eiland. Zoodra wij in de baai Matavai ankerden, werden wij door kano’s omringd. Het was dien dag voor ons Zondag, maar voor Tahiti Maandag; in het omgekeerde geval zouden wij geen enkel bezoek hebben gekregen, daar het bevel om op rustdag geen enkele kano te water te laten streng wordt opgevolgd. Na het middageten gingen wij aan wal om al het genot te smaken, dat de eerste indrukken van een nieuw land bij den mensch verwekken—vooral nu dit land het bekoorlijke Tahiti was. Een drom van mannen, vrouwen en kinderen stond op het gedenkwaardigePoint Venusgeschaard, om ons met lachende, vroolijke gezichten te ontvangen, en vergezelde ons naar het huis van Mr. Wilson, den zendeling van het district, die ons onderweg te gemoet kwam en op zeer vriendelijke wijze ontving. Nadat wij eene korte poos in zijn huis gezeten hadden, scheidden wij om eene rondwandeling te doen, maar keerden des avonds er heen terug.Het land, dat voor cultuur geschikt is, vormt bijna overalniet veel meer dan eene strook lage alluviale grond, die zich om den voet der bergen ophoopt en door eene koraalbank, welke de geheele kustlijn omringd, tegen het geweld der zee beschermd is. Binnen het rif bevindt zich eene uitgestrekte, stille watervlakte evenals een meer, waar de kano’s der inboorlingen veilig kunnen laveeren en waar de schepen ankeren. Het laagland, dat tot den oever van koraalzand reikt, is met de schoonste producten uit de tusschenkeerkringsstreken bedekt. Te midden van banaan-, oranje-, brood- en kokosboomen zijn open plekken, waaryam-ofbroodwortels(Dioscorea), suikerriet en pijnappels worden gekweekt. Zelfs het kreupelhout is een ingevoerde vruchtboom, nl. deguajavaboom, die om zijn overvloed even schadelijk is geworden als onkruid. In Brazilië heb ik dikwijls de afwisseling in schoonheid bewonderd, welke de banaan-, palm- en oranjeboomen in hunne tegenstellingen te zien geven; en dan hebben wij hier nog den broodboom, kenbaar aan zijn groot, glanzig en diep gevingerd blad. Bewonderenswaardig is de aanblik van geheele boschjes, uit een boom bestaande, die forsch als een Engelsche eik zijne takken uitstrekt, beladen met groote en uiterst voedzame vruchten. Hoe zelden ook het genoegen, waarmee wij een voorwerp zien, kan worden afgemeten naar het nut dat het biedt, toch laat zich in ’t geval van deze schoone bosschen het gevoel van bewondering ongetwijfeld voor een groot deel verklaren uit het besef van hunne groote vruchtbaarheid. Eene reeks van kleine slingerpaden leidden in de koele schaduw der omgeving naar de hier en daar verspreide huizen, waar de bewoners ons overal opgeruimd en met de meeste gastvrijheid ontvingen.Niets beviel mij zoozeer als de aard der bewoners. Er ligt een zekere zachtheid in de uitdrukking van hun gezicht, dat elke gedachte aan vermeende wildheid terstond verdrijft, terwijl eene zekere schranderheid toont, dat zij in beschaving vooruitgaan. Lieden uit de volksklasse zijn onder het werk op het bovenlijf geheel naakt; en het is bij zulke gelegenheden, dat men de Tahitiërs op hun voordeeligst ziet. Zij zijnzeer groot, breedgeschouderd, sterk en goed geëvenredigd. Men heeft opgemerkt, dat een Europeaan spoedig zoozeer aan eene donkere huid gewent, dat hij die aangenamer en natuurlijker vindt dan zijne eigene kleur. Een blanke, die zich naast een Tahitiër baadde, was evenals eene plant welke een tuinman kunstmatig heeft gebleekt, vergeleken met eene fraaie donkergroene, die krachtig in het open veld bloeit. De meeste mannen zijn getatoueerd, en de versieringen volgen de bochten van het lichaam zoo regelmatig, dat het een hoogst bevalligen indruk maakt. Een gewoon patroon, met afwisselende détails en eenigszins op de kroon van een palmboom gelijkend, ontspringt uit de middellijn van den rug en kronkelt zich sierlijk naar wederzijden. Misschien is de gelijkenis denkbeeldig, maar ik vond, dat het lichaam van een aldus getatoueerden man op den stam van een sierboom geleek, waarom zich eene fraaie slingerplant windt.Vele oudere personen hadden de voeten met kleine figuren bedekt, zoo geteekend, dat zij op eene zoogenaamdebroos(tooneelschoeisel) geleken; maar deze mode is gedeeltelijk verouderd en door andere opgevolgd. Hier moet elk zich houden aan de heerschende mode uit zijne jeugd, ofschoon die verre van onveranderlijk is. Bij een oud man staat deze dus voor altijd op zijn lichaam gestempeld, en kan hij zich nooit het air geven van een jongen modegek. De vrouwen zijn op dezelfde manier getatoueerd als de mannen, en wel zeer algemeen aan hare vingers. Eene ongepaste mode, nl. om het haar boven op het hoofd in een cirkelvorm weg te scheren, zoodat er slechts een buitenste krans overblijft, is nu bijna algemeen. De zendelingen hebben het volk pogen over te halen deze gewoonte te veranderen; maar het ismode, en dit woord is op Tahiti voldoende, evenals te Parijs. Zeer was ik teleurgesteld door het persoonlijk uiterlijk der vrouwen, die in elk opzicht ver onder de mannen staan. Een aardig gebruik is, om achter op het hoofd of door een klein gaatje in de ooren eene scharlakenroode bloem te dragen. Ook dragen zij een kransvan gevlochten kokosbladeren ter beschutting van de oogen. De vrouwen schijnen nog meer behoefte te hebben aan eene verandering in mode dan de mannen.Bijna alle inboorlingen verstaan wat Engelsch, d.w.z. zij kennen de namen van gewone voorwerpen; en met behulp hiervan, alsmede door teekens, kon een gebrekkig soort van gesprek worden gevoerd. Toen wij des avonds naar de boot terugkeerden, hield een aardig tooneel, waarvan wij getuige waren, ons staande. Een aantal kinderen speelden op het strand en hadden vreugdevuren ontstoken, die de stille zee en de boomen in het rond verlichtten, terwijl andere, in kringen geschaard, Tahitische liederen zongen. Wij naderden het troepje en gingen in het zand zitten. De liedjes waren geïmproviseerd en zinspeelden, geloof ik, op onze komst; een klein meisje zong een regel, dien de anderen bij gedeelten herhaalden, zoodat er een zeer aardig koor ontstond. Het geheele tooneel herinnerde ons op ondubbelzinnige wijze, dat wij aan het strand zaten van een eiland in de wijdberoemde Zuidzee.17 November.Deze dag staat in het logboek genoteerd als Dinsdag 17 November, in plaats van Maandag den 16den, ten gevolge van onze tot dusver voorspoedige jacht op de zon. Vóór het ontbijt werd het schip door eene flotielje kano’s omsingeld; en toen de inboorlingen verlof kregen aan boord te komen, bedroeg hun aantal waarschijnlijk niet minder dan 200. Ieder was van oordeel, dat het moeilijk zou geweest zijn er evenveel van een ander volk bijeen te krijgen, die zoo weinig last veroorzaakten. Elk bood iets te koop aan, waarbij schelpen het hoofdartikel vormden. De Tahitiërs begrijpen nu de waarde van het geld ten volle, en verkiezen het boven oude kleêren of andere artikelen, doch zijn verlegen met de verschillende munten van Engelsche en Spaansche stempels, en vertrouwen het zilver niet geheel voordat het tegen dollars is ingewisseld. Enkele hoofden hebben groote sommen geld bijeengebracht. Niet lang geleden bood een hunner 800 dollars (ongeveer 160 pond sterling) voor een klein schip, en dikwijls koopenzij walvischbooten en paarden voor den prijs van 50 tot 100 dollars.Na het ontbijt ging ik aan wal, en beklom de naastbijzijnde steilte tot eene hoogte van 2–3000 voet. De buitenste bergen zijn glad en kegelvormig, maar steil; en de oude vulkanische gesteenten, waaruit zij bestaan, worden doorsneden van vele diepe ravijnen, die uit de ongenaakbare bergachtige gedeelten van het midden van het eiland naar de kust loopen. Na de smalle, lage en vruchtbare, doch onbewoonde landstreek te zijn doorgetrokken, volgde ik een effen steilen bergkam tusschen twee diepe ravijnen. Eigenaardig was hier de plantengroei, bijna geheel uit kleine dwergvarens bestaande, die hooger op met grof gras vermengd was en niet heel veel verschilde van die, welke men op sommige bergen in Wallis ontmoet. Eene dergelijke vegetatie, zoo dicht boven den boomgaard van tropische gewassen op de kust, was zeer verrassend. Op het hoogste punt, dat ik bereikte, verschenen weder boomen. De laagste der drie betrekkelijk rijke plantenzonen dankt hare vochtigheid, en dus hare vruchtbaarheid, aan hare vlakke ligging; want daar zij zich nauwelijks boven den zeespiegel verheft, vloeit het water uit het hoogere land langzaam af. De tusschenzone reikt niet, zooals de bovenste, in een vochtigen en bewolkten dampkring, en blijft daardoor onvruchtbaar. De bosschen in de bovenste zone bestaan uit zeer fraaie boomvarens, die de kokosnoot van de kust vervangen. Toch moet men zich niet voorstellen, dat deze bosschen maar eenigszins de wouden van Brazilië in pracht evenaren. Men kan trouwens niet verwachten, dat het groot aantal voortbrengselen, waardoor een vasteland zich kenmerkt, op een eiland voorkomt.Van het hoogste punt, dat ik bereikte, had men van verre een goed uitzicht op het eiland Eimeo, dat onder dezelfde souvereiniteit staat als Tahiti. Boven de hooge en spitse toppen stapelden zich witte wolkgevaarten, die een eiland vormden aan den blauwen hemel, zooals Eimeo zelf in den blauwen oceaan. Met uitzondering van eene kleine doorvaart,is het eiland geheel door een koraalrif omringd. Van verre was daarvan slechts eene smalle, doch scherp begrensde, schitterend witte streep zichtbaar, waar de golven het eerst de koraalbank troffen. Steil verrezen de bergen uit het kristallen watervlak der lagune, die binnen deze smalle witte streep besloten is, terwijl daarbuiten de deinende waters van den oceaan eene donkere kleur bezaten. De aanblik was treffend, en kon passend bij eene omlijste teekening vergeleken worden, waarvan degolven delijst, destillelagune het papier, en het eiland zelf de teekening voorstellen. Toen ik des avonds den berg afdaalde, ontmoette ik een man, dien ik met eene kleine gift verblijd had, en die nu eenige heete gebraden bananen, een pijnappel en kokosnoten medebracht. Ik ken niets heerlijkers, als men eene lange wandeling in de brandende zon heeft gedaan, dan de melk eener jonge kokosnoot. Pijnappels zijn hier zoo overvloedig, dat de menschen hen even kwistig eten als wij onze rapen. Zij hebben een voortreffelijken smaak—misschien zelfs beter dan die in Engeland worden gebruikt; en dit acht ik den hoogsten lof, dien men eene vrucht kan toezwaaien. Voordat wij aan land gingen, vertolkte de heer Wilson voor mij aan den Otaheiter, die mij zulk eene attentie bewezen had, dat ik hem en nog iemand noodig had om mij op een kort uitstapje in het gebergte te vergezellen.18 November.Des morgens vroeg ging ik aan land, met eenige levensmiddelen in een tasch bij mij, en twee wollen dekens voor de gidsen en mijzelven. Deze werden aan de uiteinden van een langen stok gebonden, dien mijne gidsen vervolgens beurt om beurt op de schouders droegen. De inboorlingen zijn er aan gewoon een aan beide einden met 50 pond bezwaarden stok aldus een geheelen dag lang te dragen. Ik zeide mijn gidsen, dat zij zich van voedsel en kleêren moesten voorzien; maar zij antwoordden, dat er voedsel genoeg in het gebergte was, en dat, wat kleêren betrof, zij aan hunne huid genoeg hadden. Onze tocht leidde door de vallei van Tia-auru, waardoor eene rivier vloeit, die bij Point Venus in zee valt; zij is een vande hoofdrivieren op het eiland, en ontspringt aan den voet der hoogste centrale toppen, die zich tot omstreeks 7000 voet verheffen. Het geheele eiland is zoo bergachtig, dat de eenige weg om tot het binnenland door te dringen is, de valleien te volgen. In ’t eerst voerde onze weg door bosschen, die de rivier aan weerszijden begrenzen; en de kijkjes op de centrale toppen, die als door eene laan met hier en daar een wuivenden kokosboom aan den kant zichtbaar werden, waren uiterst schilderachtig. Weldra begon de vallei smaller te worden, en werden de hellingen hooger en steiler. Na eene wandeling van drie tot vier uren, vonden wij dat het ravijn bijna niet breeder was dan de bedding van den stroom zelve. Aan den eenen kant waren de wanden bijna loodrecht; maar wegens de zachte structuur der vulkanische lagen, groeiden boomen en velerlei planten uit elken vooruitspringenden rand. Deze wanden waren ongetwijfeld eenige duizenden voeten hoog en vormden, over het geheel genomen, eene bergkloof zoo prachtig als ik nooit te voren gezien had. Omstreeks den middag stond de zon loodrecht boven het ravijn, en de lucht, die koel en vochtig was, werd nu brandend heet. In de schaduw eener vooruitspringende rots, aan den voet van een zuilvormig gestolden lavawand aten wij ons middagmaal. Mijne gidsen hadden zich al een schotel kleine visch en zoetwater-garnalen verschaft. Zij hadden een netje bij zich, dat om een hoepel was gespannen, doken hiermeê op diepe plaatsen en in maalstroomen te water, volgden als otters met open oogen den visch in hoeken en gaten, en vingen hem.Te water hebben de Tahitiërs de vlugheid van tweeslachtige dieren. Ellis verhaalt eene anecdote, die bewijst hoezeer zij zich in dit element thuis gevoelen. Toen in het jaar 1817 een paard, dat voor Pomaré2bestemd was, van boord werd geheschen, brak de strop, en viel het dier te water.Onmiddellijk sprongen de inboorlingen over boord en wendden, al schreeuwend, vruchtelooze pogingen aan om te helpen, zoodat het dier bijna verdronken was. Maar nauwelijks bereikten zij het strand, of de geheele bevolking nam de vlucht en trachtte zich voor het “varken dat een mensch draagt”—gelijk zij het paard noemden—te verbergen.Iets hooger in de vallei verdeelde de rivier zich in drie kleine stroomen. De twee noordelijke waren onbruikbaar door eene reeks watervallen, die van den rotsachtigen top van den hoogsten berg omlaag stortten; en ofschoon ook de derde naar allen schijn ontoegankelijk was, besloten wij toch hem te volgen. De wanden der vallei waren hier bijna loodrecht; maar zooals dikwijls met gelaagde gesteenten het geval is, bevatten die wanden smalle vooruitstekende richels of randen, welke dicht begroeid waren met wilde bananen, lelie-achtige planten (Liliaceae) en andere fraaie keerkringsgewassen. Op hunne klimtochten langs deze rotsranden, met het doel vruchten te zoeken, hadden de Otaheiters een pad ontdekt, waarlangs de geheele steilte kon worden beklommen. De eerste beklimming van uit de vallei was zeer gevaarlijk, daar wij met behulp van touwen, die wij bij ons hadden, een steilhellend naakt rotsvlak over moesten. Hoe iemand ontdekte, dat deze hoogst gevaarlijke plek het eenige punt was, waar de zijde van den berg beklommen kon worden, is mij een raadsel. Daarna liepen wij voorzichtig langs een der randen, tot waar wij een van de drie stroomen bereikten. Deze rand vormde een vlak terras, waarboven een prachtige waterval van eenige honderden voeten hoogte omlaag stortte, terwijl daaronder een tweede hooge waterval in den hoofdstroom der vallei beneden viel. Van deze koele en belommerde plek maakten wij een omweg, ten einde den overhangenden waterval te vermijden, en volgden, als te voren, kleine vooruitspringende richels, waar het gevaar van omlaag te storten door den dichten plantengroei gedeeltelijk werd opgeheven.Op het punt waar wij van den eenen richel op een anderen moesten overgaan, stond een loodrechte rotswand, die denweg versperde. Een der Tahitiërs, een kranige sterke kerel, zette een boomstam tegen deze rots, klom er tegen op en bereikte vervolgens, door spleten als steunpunten te gebruiken, den top. Hier bevestigde hij de touwen aan eene vooruitstekende punt, liet ze toen zakken om onzen hond en bagage op te trekken, en daarna klommen wij zelven naar boven. Ter zijde van den rand, waarop de doode boom geplaatst was, had de afgrond zeker eene diepte van 5–600 voet; en zoo de overhangende varens en leliën dien niet gedeeltelijk aan het oog hadden onttrokken, zou ik duizelig zijn geworden, en had niets mij kunnen bewegen het gevaar te trotseeren. Wij klommen verder: nu eens langs richels, dan over mesvormige bergkammen, met diepe ravijnen aan weerszijden. In de Cordilleras heb ik bergen gezien op veel grootere schaal, maar die in steilte volstrekt niet te vergelijken waren met deze. Des avonds bereikten wij eene kleine vlakke plek aan de oevers van denzelfden stroom, dien wij voortdurend gevolgd waren, en die in eene reeks van watervallen uit het gebergte daalt. Hier sloegen wij ons nachtkwartier op. Aan beide zijden van het ravijn stonden groote groepen bergbanaanboomen, beladen met rijpe vruchten. Vele van deze planten hadden eene hoogte van 20 tot 25 voet, bij een omtrek van 3 tot 4 voet. Met reepen schors in plaats van touwen, met bamboesstengels als daksparren, en het groote blad van den banaan als dak bouwden de Tahitiërs in enkele minuten een uitstekend huis, en maakten van droge bladeren een zacht bed.Toen gingen zij vuur maken om ons avondeten te koken. Door een stok met stompe punt krachtig heen en weer te wrijven in eene holte van een anderen stok, als wilden zij de groef verdiepen, vatte het zaagsel eindelijk vuur, en hadden zij licht. Voor dit doel gebruiken zij alleen eene eigenaardige, witte en zeer lichte houtsoort (Hibiscus tiliaceus)—dezelfde, die ook dient om stokken te maken voor het dragen van lasten, en de drijvende loefbalken van hunne kano’s. Het vuur ontstond in enkele secunden; maar voor iemand, die de kunst niet verstaat, vereischt het degrootste inspanning. Ik ondervond dit zelf, en was er zeer trotsch op, dat het mij eindelijk gelukte het zaagsel te doen ontbranden. De Gaucho in de Pampas volgt eene andere methode; hij neemt een buigzamen stok van omstreeks 18 inches lengte, drukt het eene einde tegen zijne borst, het andere spitse in eene holte, die zich in een stuk hout bevindt, en draait dan snel het gebogen deel rond, evenals een timmerman zijn centerboor. Toen de inboorlingen een takkevuurtje gemaakt hadden, legden zij een twintigtal steenen ter grootte van een cricketbal op het brandende hout, zoodat, toen ongeveer tien minuten later de takjes verteerd waren, de steenen gloeiden. Van te voren hadden zij stukjes ossevleesch, visch, rijpe en onrijpe bananen, alsmede een aantal toppen van den wilden kalfsvoet (Arum) in kleine bladstrooken gewikkeld. Deze groene pakjes werden nu in eene laag tusschen twee lagen heete steenen gelegd, en alles te zamen met aarde bedekt om geen rook of damp te laten ontsnappen. In ongeveer een kwartier was het geheele maal allersmakelijkst gekookt. Nadat de keur van groene pakjes op een dek van banaanbladeren was gelegd, gebruikten wij ons landelijk maal en dronken uit eene kokosschaal het koele water van den snelvlietenden stroom.Niet zonder bewondering sloeg ik de planten in den omtrek gade. Aan alle zijden banaanboomwouden, waarvan de vruchten bij hoopen op den grond lagen te rotten, ofschoon zij in velerlei opzicht als voedsel dienen. Tegenover ons lag een uitgestrekt en dicht begroeid bosch van wild suikerriet, terwijl de rivier belommerd werd door de donkergroene knoestige stammen van den vroeger om zijne sterke bedwelmende eigenschappen zoozeer vermaarden kawa-struik (Ava). Ik kauwde een stuk en vond, dat het een bijtenden, onaangenamen smaak had, hetgeen mij terstond zou hebben doen besluiten de plant voor giftig te verklaren. Dank zij den zendelingen, tiert deze plant nu alleen in deze diepe ravijnen, onschadelijk voor elk. Dichtbij zag ik den wilden kalfsvoet, waarvan de wortels, mits goed gekookt, een degelijk voedsel vormen, terwijl de jonge bladeren beter zijndan spinazie. Dan waren er de wilde brood(yams-)wortel, en eene lelie-achtige plant,Tigenaamd, welke hier in overvloed groeit en een zachten, bruinen, in vorm en grootte op een dik blok hout gelijkenden wortel bezit. Laatstgenoemde wortel diende ons als dessert, want hij is zoo zoet als stroop en heeft een aangenamen smaak. Daarenboven waren er vele andere wilde vruchten, en nuttige gewassen. Behalve het koele water, leverde de stroom ook aal en rivierkreeft. Inderdaad, ik bewonderde dit landschap, toen ik het vergeleek met een onbebouwd gewest in de gematigde streken, en begreep den zin der woorden, dat de mensch—althans de wilde mensch met zijne slechts ten deele ontwikkelde geestvermogens—het kind der keerkringen is.Toen de avond begon te vallen, doolde ik onder het duistere lommer der bananen en volgde den oever verder opwaarts. Mijne wandeling was echter spoedig ten einde, doordien ik aan een waterval kwam van 2–300 voet hoogte; en boven dezen was er nog een. Ik noem al die watervallen in dezen enkelen bergstroom, om in ’t algemeen een denkbeeld te geven van de helling van het land. Het scheen of er op dit afgelegen plekje waar het water viel, zich nooit een zuchtje van den wind had doen gevoelen. De dunne randen der groote banaanbladeren, vochtig van den dauw, waren ongeschonden in plaats van in duizend reepjes te zijn gespleten, zooals anders meest het geval is. Van onze verheven standplaats, bijna zwevend tegen de helling van den berg, hadden wij vluchtige kijkjes op de naburige vallei in de diepte, en hoog daarboven verrezen de kruinen der centrale bergen, die tot op 60° van het zenith reikten en den westelijken hemel half in het duister hulden.Voordat wij ons te slapen legden, viel de oudste Otaheiter op de knieën, en zeide met gesloten oogen een lang gebed op in zijne moedertaal. Hij bad zooals een goed christen doen zou, met gepasten eerbied en onbevreesd dat hij zich door teekenen van vroomheid belachelijk zou maken. Gedurende den maaltijd zou geen der mannen voedsel aanraken, zonder vooraf een kort gebed op te zeggen. Reizigers, diedenken dat een Tahitiër alléén bidt wanneer de oogen van den zendeling op hem gericht zijn, hadden dien nacht maar eens met ons op den berg moeten slapen. Voordat de morgen aanbrak, viel er eene hevige regenbui; maar het goede dak van banaanbladeren hield ons droog.19 November.Toen de dag aanbrak deden mijne vrienden hun morgengebed en maakten, op dezelfde wijze als den vorigen avond, een uitstekend ontbijt voor ons gereed. Zij zelven aten er ruimschoots van; en inderdaad moet ik bekennen, dat ik nog nooit een mensch zooveel heb zien eten. Vermoedelijk zijn hunne bijzonder ruime magen een gevolg hiervan, dat een groot deel van hunne spijs uit vruchten en groenten bestaat, die in een gegeven volume een betrekkelijk klein quantum voedsel bevatten. Naar ik later vernam, was ik onbewust de oorzaak, dat mijne gidsen eene van hunne eigen wetten en besluiten overtraden. Ik had nl. eene flesch met spiritualiën bij mij, waarvan zij niet weigeren konden iets te gebruiken; maar telkens als zij een teugje dronken, legden zij hunne vingers op den mond en prevelden het woord: “Zendeling.” Ofschoon het gebruik van den kawastruik belet was, werd vóór omstreeks twee jaren door den invoer van spiritualiën dronkenschap zeer algemeen. De zendelingen bewogen toen enkele goedgezinde mannen, die zagen dat hun land snel in zijn verderf liep, om te zamen een “Matigheidsgenootschap” op te richten. Hetzij uit overtuiging of uit schaamte, lieten alle hoofden en de koningin zelve zich eindelijk tot aansluiting bij dat genootschap bewegen. Onmiddellijk werd eene wet uitgevaardigd, dat geen spiritualiën op het eiland mochten worden ingevoerd, en dat de kooper en verkooper van het verboden artikel met boete zou worden gestraft. Eene merkwaardig rechtvaardige daad was, dat men een zekeren tijd toestond om den aanwezigen voorraad te verkoopen, voordat de wet in werking trad. Maar toen dit plaats had, werd er een algemeen onderzoek ingesteld, waarbij zelfs de huizen der zendelingen niet verschoond bleven, en werd al de “ava” (zooals de inboorlingen allebrandende geestrijke dranken noemen) op den grond gestort. Denkt men aan de gevolgen der onmatigheid op de inboorlingen zoowel van Noord- als Zuid-Amerika, dan zal men, denk ik, toegeven dat ieder die het wèl meent met Tahiti, geen gewone mate van dankbaarheid aan de zendelingen verschuldigd is. Zoolang het kleine eiland St.-Helena onder het bestuur der Oost-Indische Compagnie stond, mochten spiritualiën om het groote nadeel, dat zij veroorzaakt hadden, niet worden ingevoerd; maar uit de Kaap de Goede Hoop werd wijn geleverd. Het is een treffend en niet zeer streelend feit, dat in hetzelfde jaar toen spiritualiën verkocht mochten worden op St.-Helena, het gebruik daarvan op Tahiti bij volkswil werd afgeschaft.Na het ontbijt vervolgden wij onzen tocht. Daar mijn doel alléén was iets van het middenlandschap te zien, keerden wij langs een ander pad, dat naar de hoofdvallei beneden voerde, terug. Een eind weegs volgden wij een hoogst ingewikkeld pad, dat spiraalvormig om de helling van den berg liep, aan welks voet de vallei lag, en trokken in de minder steile gedeelten door uitgestrekte boschjes wilde banaanboomen. Met hunne naakte, getatoueerde lichamen en hunne met bloemen versierde hoofden, zouden onze gidsen onder het duistere lommer dezer boschjes een fraai type hebben gevormd van menschen, die een oerwoud bewonen. Bij onze daling volgden wij eene reeks van uiterst smalle bergkammen, die over groote afstanden zoo steil waren als een ladder, maar alle met planten begroeid. Wat den tocht zoo vermoeiend maakte, was de buitengewone zorg, waarmeê hier elke voetstap moest worden gewogen. Telkens als ik van deze hooge, mesvormige bergkammen de oogen over het land liet gaan, verwonderde ik mij over deze afgronden en ravijnen, en was de indruk van dit smalle steunpunt uit bijna dezelfde, als hij voor iemand in een luchtballon moet zijn. Bij deze daling behoefden wij slechts eens de touwen te gebruiken, en wel op het punt, waar wij in de hoofdvallei kwamen. Hier sliepen wij onder denzelfden rotswand, waar wij den vorigen dag gegeten hadden; maar ofschoon denacht helder was, heerschte in de diepe, nauwe bergkloof eene ondoordringbare duisternis.Voordat ik dit land zag, kon ik moeilijk twee feiten begrijpen, waarvan Ellis melding maakt, nl., dat de overwonnen Otaheiters, die na de moordende veldslagen in vroeger tijden in het leven waren gebleven, met een handvol mannen eene geheele menigte konden weerstaan. Inderdaad, ik erken, dat op de plek waar onze Otaheiter den dooden boomstam tegen den rotswand zette, zes man met gemak eenige duizenden konden afslaan. Ten tweede: dat er na de invoering van het christendom wilde Otaheiters in de bergen leefden, wier schuilhoeken aan de meer beschaafde bewoners onbekend waren.20 November.Vroeg in den morgen gingen wij op weg en bereikten des middags Matavai, nadat wij onderweg een grooten troep knappe, sterk gebouwde mannen waren tegengekomen, die wilde bananen gingen zoeken. Ik bevond, dat het schip wegens de moeite om water in te nemen zich naar de haven van Papawa had begeven, en wandelde nu terstond daarheen. Deze haven is eene zeer aardige plek; de kreek is omringd door klippen, en het water is er zoo effen als in een meer, terwijl de bebouwde grond met zijne schoone voortbrengselen, waartusschen hier en daar eene hut ligt, tot dicht bij den waterkant reikt.Op grond van de verschillende verhalen, die ik vóór mijn bezoek aan deze eilanden gelezen had, was ik zeer verlangend mij door eigen waarneming een oordeel te vormen over de zedelijke gesteldheid der bewoners, ofschoon, zooals vanzelf spreekt, dit oordeel zeer oppervlakkig moest zijn. Ten allen tijde hangen de eerste indrukken zeer veel af van onze vooraf verkregen begrippen. Mijne begrippen waren ontleend aan dePolynesian Researchesvan Ellis, een bewonderenswaardig en hoogst belangwekkend boek, maar dat natuurlijk alles uit een gunstig oogpunt beziet; dan uit Beechey’s Reis, en eindelijk uit het werk van Kotzebue, dat sterk tegen het geheele zendelingenstelsel gekant is.Hij, die deze drie verhalen vergelijkt, zal, denk ik, een vrij nauwkeurig begrip krijgen van den tegenwoordigen toestand op Tahiti. Een mijner indrukken, dien ik aan de twee laatste autoriteiten ontleende, was beslist onjuist, nl. dat de Otaheiters een neerslachtig ras waren geworden, dat bevreesd was voor de zendelingen. Van het laatste zag ik geen spoor, tenzij dat vrees en eerbied onder denzelfden naam mogen doorgaan. In plaats dat misnoegdheid hun gewone stemming is, geloof ik, dat men in Europa moeilijk half zooveel opgeruimde en tevreden gezichten bijeen zou kunnen brengen. Heftig vaart men uit tegen het verbod van fluit en dans, als dwaas en verkeerd; en de meer dan presbyteriaansche manier van rustdagvieren beschouwt men in een dergelijk licht. Ik wil echter den schijn niet aannemen over deze punten eene meening te voeren, in strijd met personen, die evenveel jaren, als ik dagen, op het eiland gewoond hebben.Over het geheel schijnen mij de zedelijkheid en godsdienst der bewoners hoogst lofwaardig toe. Velen zijn er, die nog scherper dan Kotzebue zoowel de zendelingen en hun stelsel aanvallen, als de gevolgen daardoor teweeg gebracht. Zij, die zoo spreken, vergelijken nooit den tegenwoordigen toestand van het eiland met dien van slechts 20 jaren vroeger, noch met dien van het hedendaagsche Europa, maar metenhemaf naar den hoogen maatstaf van evangelische volmaaktheid. Zij verwachten, dat de zendelingen zullen uitvoeren wat de Apostelen zelven niet vermochten. Voor zoover de zedelijkheid van een volk bij dezen hoogen maatstaf te kort komt, werpt men een blaam op den zendeling, in plaats van hem te prijzen voor hetgeen hij heeft tot stand gebracht. Men vergeet, of wil niet bedenken, dat menschenoffers en de macht eener afgodspriesterschap; een stelsel van verdorvenheid, dat nergens ter wereld zijne wederga vond; ook kindermoord als een gevolg van dit stelsel, en bloedige oorlogen waarin de overwinnaars vrouwen noch kinderen spaarden—dat al deze gruwelen hebben opgehouden te bestaan, en dat oneerlijkheid, onmatigheid enlosbandigheid door de invoering van het christendom aanmerkelijk zijn verminderd. Dat een reiziger deze dingen vergeet, getuigt van grove ondankbaarheid, want mocht hij ooit gevaar loopen op eene onbekende kust schipbreuk te lijden, dan zal hij met de meeste vroomheid bidden, dat het woord van den zendeling ook daarheen worde overgebracht.Op het punt van zedelijkheid maakt vrouwendeugd, zooals dikwijls gezegd is, de meeste uitzonderingen. Maar voordat men haar te streng berispt, zal het goed zijn zich de tooneelen duidelijk voor den geest te roepen, door Kapitein Cook en Banks beschreven, waarin de grootmoeders en moeders van het tegenwoordige ras eene rol speelden. Zij, die het strengst zijn, dienden in ’t oog te houden, hoezeer de zedelijkheid der vrouwen in Europa afhangt van het stelsel, dat moeders vroegtijdig tegenover hare dochters in acht nemen, en hoeveel daarvan in elk bijzonder geval aan de voorschriften van den godsdienst te danken is. Maar het is nutteloos met zulke praters te redetwisten! Ik geloof dat zij, teleurgesteld door de ontdekking dat de losbandigheid niet meer zoo ruim baan heeft als vroeger, geen achting willen hebben voor eene zedelijkheid, die zij niet in praktijk wenschen te brengen, noch voor een godsdienst, dien zij onderschatten, zoo niet verachten.Zondag, 22 November.De haven van Papéite (of Papeete), waar de koningin verblijf houdt, kan als de hoofdstad van Tahiti beschouwd worden; ook is zij de zetel der regeering en het brandpunt van scheepvaart. Kapitein Fitz-Roy, vergezeld van eenige personen, ging hier dezen dag eene godsdienstoefening bijwonen, eerst in de Tahitische taal, en vervolgens in het Engelsch. Pritchard, het hoofd der zendelingen, nam den dienst waar. De kapel bestond uit eene groote, luchtige, houten loods, die overvol was met zindelijke, nette menschen van elken leeftijd en beide seksen. In de mate van aandacht, die de toehoorders schenen te hebben, werd ik eenigszins teleurgesteld; maar ik geloof, dat dit kwam door mijne te hoog gespannen verwachtingen. In allen gevalle waren diehouding en stemming naar het uiterlijk geheel dezelfden als in eene Engelsche kerk op hetplatteland. Het zingen van de psalmen was bepaald zeer aangenaam; maar de taal van den preekstoel, ofschoon vloeiend gesproken, klonk niet mooi; en een voortdurend herhalen van woorden, als:tata ta,mata mai, maakte haar eentonig. Na afloop van den Engelschen dienst, keerde een deel van ons gezelschap te voet naar Matavai terug. Het was eene aangename wandeling, nu eens langs het zeestrand, dan weer onder het lommer der talrijke fraaie boomen.Omstreeks twee jaren geleden was een klein schip onder Engelsche vlag door eenige bewoners der Lage Eilanden geplunderd, die toen onder de heerschappij der koningin van Tahiti stonden. Algemeen geloofde men, dat de bedrijvers tot deze daad waren aangespoord door eenige onbezonnen wetten, welke hare majesteit had uitgevaardigd. De eisch tot schadeloosstelling van den kant der Britsche regeering werd ingewilligd en eene som van bijna 3000 dollar werd aangeboden, te betalen op 1 September 1835. De Commodore te Lima gelastte kapitein Fitz-Roy onderzoek naar deze schuld te doen, en bij niet-betaling voldoening te eischen. Overeenkomstig dien last verzocht de kapitein om een onderhoud met koningin Pomaré, die later zulk eene vermaardheid kreeg door de slechte behandeling, welke zij van de Franschen ondervond. Wat toen plaats had, zal ik, sedert kapitein Fitz-Roy zijn belangrijk rapport uitbracht, niet pogen te beschrijven. Het geld scheen niet betaald te zijn, misschien omdat de aangevoerde redenen wat dubbelzinnig waren; maar overigens kan ik niet genoeg onze algemeene verbazing uitdrukken over den fijnen tact, de gezonde taal, de gematigdheid, openhartigheid en snelle beslissing, die allerwege aan den dag werden gelegd. Ik geloof, dat wij allen de bijeenkomst verlieten met een geheel anderen dunk omtrent de Tahitiërs, dan wij bij onze binnenkomst hadden. De hoofden en het volk besloten in te schrijven en zoo het tekort aan te vullen. Toen kapitein Fitz-Roy opmerkte, dat het hard voor hen was wegens de misdadenvan andere eilanders hun persoonlijk eigendom op te offeren, antwoordden zij, dat zij hem dankbaar waren voor zijne opmerking, maar dat Pomaré hunne koningin was, en zij besloten hadden haar in deze moeilijke aangelegenheid te helpen. Dit besluit en de snelle uitvoering er van—want den volgenden morgen vroeg werd er eene inschrijving geopend—voltooiden op volmaakte wijze dit zeer merkwaardig geval van loyauteit en fijnen tact.Nadat de voornaamste bespreking was afgeloopen, maakten verscheidene hoofden van de gelegenheid gebruik om kapitein Fitz-Roy een aantal schrandere vragen te doen over internationale gebruiken en wetten, die betrekking hadden op het behandelen van schepen en vreemdelingen. Voor sommige punten werd de wet, na genomen besluit, op staanden voet mondeling uitgevaardigd. Dit Tahitische parlement duurde verscheidene uren, en toen het geëindigd was, noodigde kapitein Fitz-Roy koningin Pomaré tot een bezoek aan deBeagle.25 November.Des avonds werden vier booten afgezonden, om hare majesteit in te halen. Het schip was in vlaggetooi, en bij hare komst aan boord zat de bemanning in de raas. Zij werd door de meeste hoofden vergezeld. Allen gedroegen zich zeer netjes, vroegen om niets, en schenen met de geschenken van kapitein Fitz-Roy zeer verblijd. De koningin is eene groote, plompe vrouw, zonder eenige schoonheid, bevalligheid of waardigheid. Zij heeft slechts één koninklijke eigenschap, nl., dat de uitdrukking van haar gezicht, die eenigszins knorrig of gemelijk is, onder alle omstandigheden volmaakt strak blijft. Onze vuurpijlen werden het meest bewonderd; en na elke ontploffing kon men van het donkere strand rondom de baai een geluid “o! o!” hooren. Maar ook het gezang der matrozen werd zeer bewonderd, en een van de onstuimigste liederen trok zoozeer de aandacht der koningin, dat zij opmerktedatdit stellig geenpsalmkon zijn! Het koninklijk gezelschap keerde eerst na middernacht naar het strand terug.26 November.Des avonds zetten wij, begunstigd door een zachte strandbries, koers naar Nieuw-Zeeland; en toen de zon onderging, wierpen wij een afscheidsblik op de bergen van Tahiti, het eiland, waaraan elk reiziger zijn cijns van bewondering heeft betaald.19 December.Na eene reis van 23 dagen zagen wij des avonds Nieuw-Zeeland in de verte liggen. Wij kunnen nu zeggen, dat wij den Stillen Oceaan bijna zijn overgetrokken. Om de onmetelijke uitgestrektheid van deze zee te begrijpen, moet men haaroverzeilen. Op onze snelle vaart van eenige weken achtereen zagen wij niets dan lucht, en den blauwen, diepen, diepen oceaan! Zelfs binnen de archipels zijn de eilanden niets dan stippen, die op grooten afstand van elkander liggen. Gewoon, als wij zijn, aan kaarten op kleine schaal geteekend en waarop eilandenstippen, schaduwen en namen zich verdringen, kunnen wij geen juist begrip krijgen van de uiterst kleine verhouding, waarin het droge land staat tot dit uitgestrekte watervlak. De meridiaan der tegenvoeters was óók gepasseerd, zoodat wij van nu af de gelukkige gedachte omdroegen, dat elke zeemijl verder er weer eene dichter bij Engeland was. Deze tegenvoeters wekken oude herinneringen van kinderlijken twijfel en verwondering bij ons op. Nog daags te voren keek ik verlangend naar dien hemelcirkel uit, als het zekere baken van onze reis naar huis; maar nu ik hem gevonden heb, beschouw ik al zulke rustpunten voor ’s menschen verbeelding als schaduwen, die de reizende mensch toch niet kan grijpen! Onlangs heeft een storm, die eenige dagen duurde, ons ruimschoots stof tot nadenken gegeven over hetgeen ons op de lange reis naar huis misschien te wachten staat, en zoo ernstig mogelijk naar het einde er van doen verlangen.21 December.Vroeg in den morgen zeilden wij de Eilanden-Baai binnen, bleven eenige uren bij de mondingtotdat wij windstil lagen, en bereikten niet vóór den middag de ankerplaats. Het land is heuvelachtig, maar heeft eene vlakke omgrenzing, en wordt bespoeld door talrijke zeearmen, die van de baai uit diep in het land dringen. Van verre schijnt de oppervlakte uit grof weiland te bestaan, maar in werkelijkheid is dit niet anders dan varen. Op de meer verwijderde bergen, evenals in enkele gedeelten der valleien, is eene groote oppervlakte boschland. De algemeene tint van het landschap is niet bepaald heldergroen en gelijkt op die van het land niet ver ten zuiden van Concepcion in Chili. Op vele punten der baai liggen kleine dorpen met aardig uitziende vierkante huizen, die zich tot dicht bij den waterkant uitstrekken. Drie walvischschepen lagen voor anker, en nu en dan voer eene kano van de eene kust naar de andere. Op deze uitzonderingen na, heerschte in den geheelen omtrek eene buitengewone kalmte. Slechts een enkele kano voer ons op zijde. Die stilte en de aanblik van het geheele landschap vormden eene merkwaardige en niet zeer aangename tegenstelling met onze blijde en luidruchtige verwelkoming op Tahiti.Des namiddags gingen wij aan land en begaven ons naar eene der grootere huizengroepen, die nauwelijks den naam van dorp verdiende. Zij heet Pahia, is de verblijfplaats der zendelingen en bevat geen andere inlandsche bewoners dan dienstpersoneel en arbeiders. In de nabijheid der Eilanden-Baai bedroeg het getal Engelschen met inbegrip van hunne gezinnen tusschen de 2 en 300. Alle landhuisjes, waarvan vele witgepleisterd zijn en er zeer netjes uitzien, behooren aan de Engelschen. De hutten der inboorlingen zijn zoo klein en armzalig, dat men ze van verre nauwelijks kan onderscheiden. Te Pahia bood het gezicht van de Engelsche bloemen in de tuinen vóór de huizen een zeer aangenaam schouwspel: er waren rozen in verschillende soorten, kamperfoelie,3jasmijnen,4en stammen, ja geheele hagen met eglantieren.522 December.Des morgens ging ik uit wandelen, maar ontdekte spoedig, dat het land zeer ontoegankelijk was. Alle heuvels zijn dicht begroeid met hooge varens, benevens een lagen struik in den vorm van een cipres, en nog zeer weinig grond is ontboscht of bebouwd. Ik beproefde het toen aan het strand; maar hetzij ik rechts of links ging, overal werd mijne wandeling spoedig door zoutwater-kreken en diepe beken gestuit. De gemeenschap tusschen de bewoners van de verschillende deelen der baai wordt (evenals op Chiloë) bijna geheel door booten onderhouden. Tot mijne verwondering ontdekte ik, dat bijna elke heuvel, dien ik beklom, in vroeger tijd meer of minder versterkt was geweest. In de toppen waren trappen of achtereenvolgende terrassen gehouwen, en dikwijls bleken zij door diepe loopgraven beschermd te zijn. Later ontdekte ik, dat de voornaamste heuvels landwaarts in eveneens eene kunstmatige omgrenzing vertoonden. Deze voormalige sterkten, door kapitein Cook zoo dikwijls onder den naam vanhippah’svermeld, noemt menPah’s, waarbij het verschil in uitspraak alleen aan het voorvoegsel is toe te schrijven.Dat dePah’svroeger veel gebruikt werden, bleek uit de stapels weekdierschalen en de kuilen waarin men aardappels placht te bewaren, zooals mij verteld werd. Daar op deze heuvels geen water was, konden de verdedigers nooit een lang beleg doorstaan, maar alleen overhaaste uitvallen doen om te plunderen, waartoe dan de achtereenvolgende terrassen eene goede bescherming zullen geboden hebben. De algemeene invoer van vuurwapenen heeft het geheele stelsel van oorlogvoeren veranderd, en eene open ligging op den top van een heuvel is nu niet alleen nutteloos, maar wat erger is, gevaarlijk. Bijgevolg worden dePah’stegenwoordig altijd op een vlak stuk gronds gebouwd. Zij bestaan uit eene dubbele palissadeering van dikke, lange palen, in eene zigzag-lijn opgesteld, zoodat elk deel van het terrein bestreken kan worden. Binnen de palissadeering ligt een hoop opgeworpen aarde, waarachter de verdedigers veiligkunnen uitrusten of hunne vuurwapenen aanleggen. Soms loopen er lage, overwelfde gangen over den vlakken grond naar de borstwering, waardoor de bezetting naar de palissadeering kan kruipen, om den vijand te verkennen. Rev. W. Williams, die mij dit verhaalde, voegde er bij, dat hij in een Pah stut- of steunwanden had gevonden, die naar de binnen- of beschutte zijde van den aardheuvel uitstaken. Op zijne vraag aan het opperhoofd naar het nut hiervan, antwoordde deze, dat als eenige zijner manschappen vielen, hunne makkers niet de lijken mochten zien, waardoor zij den moed zouden verliezen. Deze Pah’s worden door de Nieuw-Zeelanders als zeer volmaakte verdedigingsmiddelen beschouwd, want de aanvallers zijn nooit zoo goed georganiseerd, dat zij in gesloten gelederen naar de palissadeering stormen, deze omhakken en een bres maken. Als een stam ten oorlog gaat, kan het hoofd nooit den eenen troep hier en dan anderen daar commandeeren, want ieder man vecht op de manier die hem het beste bevalt; en om één voor één eene palissadeering te naderen, die met vuurwapenen verdedigd wordt, schijnt den aanvallers terecht een wisse dood toe. Ik denk niet, dat ergens ter wereld een krijgshaftiger volk te vinden zal zijn, dan de Nieuw-Zeelanders. Hunne houding toen zij voor het eerst een schip zagen (volgens het verhaal van kapitein Cook) bewijst dit duidelijk;6en de handeling om hagelbuien van steenen naar zulk een groot en vreemd gevaarte te werpen, alsmede hunne uitdaging tot het scheepsvolk: “Komt aan land en wij zullen u allen dooden en opeten,” getuigen van ongewone driestheid. Deze oorlogzuchtige geest blijkt ook uit vele hunner gewoonten en zelfs uit de minste handelingen. Als een Nieuw-Zeelander geslagen wordt, al is het ook uit gekheid, moet die slag worden teruggegeven; en daarvan zag ik een voorbeeld tegenover een onzer officieren.Door de toenemende beschaving is er tegenwoordig veelminder oorlog, uitgenomen tusschen enkele zuidelijke stammen. Ik hoorde eene eigenaardige anecdote vertellen van een voorval, dat eenigen tijd geleden in het zuiden plaats had. Een zendeling bezocht een opperhoofd, die zijn stam ten oorlog rustte: de musketten waren schoon en gepoetst, en de munitie lag gereed. Nadat hij lang over het nuttelooze van den oorlog had gesproken, en gewezen op de geringe beleediging, die hem had uitgelokt, was het opperhoofd zeer in zijn besluit geschokt en scheen te aarzelen; maar eindelijk viel het hem in, dat een zijner vaatjes kruit in slechten staat verkeerde, en niet lang meer goed zou blijven. Dit werd als een onwederlegbaar bewijs aangevoerd voor de noodzakelijkheid om den oorlog onmiddellijk te verklaren: immers, men mocht er niet aan denken zooveel goed kruit te laten bederven! En dit argument gaf den doorslag. De zendelingen vertelden mij, dat bij Shongi—het opperhoofd dat Engeland bezocht—de zucht naar oorlog de eenige en bestendige drijfveer was van al zijne handelingen. De stam, waarvan hij het voornaamste hoofd was, werd eens door een anderen stam aan de Thames-rivier veelvuldig lastig gevallen. Alle mannen van Shongi’s stam zwoeren daarop een duren eed, dat als hun knapen volwassen en krachtig genoeg zouden zijn, zij deze beleedigingen nimmer zouden vergeten noch vergeven. Het gestand doen van dien eed schijnt de hoofdreden te zijn geweest, waarom Shongi naar Engeland ging; en eenmaal hier, was het zijn eenig doel. Geschenken werden alléén op prijs gesteld, wanneer zij in wapenen konden worden omgezet; van de kunsten boezemden alleen zoodanige hem belang in, die op het maken van wapenen betrekking hadden. Te Sydney ontmoette Shongi door een zonderling toeval het vijandig opperhoofd van de Thames-rivier ten huize van den heer Marsden. Hunne houding over en weer was beleefd, maar Shongi vertelde hem, dat hij nooit zou ophouden zijn land te beoorlogen, als hij op Nieuw-Zeeland terug was. De uitdaging werd aangenomen, en na zijn terugkeer volvoerde Shongi zijne bedreiging tot de laatste letter. De stam aan de Thames-rivierwerd geheel overhoop geworpen, en het hoofd zelf, tot wien de uitdaging gericht was, gedood. Hoewel Shongi zulke diepgewortelde gevoelens van haat en wraak koesterde, wordt hij beschreven als iemand, die eene goede inborst bezat.Des avonds ging ik met kapitein Fitz-Roy en een der zendelingen, den heer Baker, een bezoek brengen aan Kororadika. Wij wandelden het dorp door, en zagen en praten met verscheidene lieden, zoo mannen, vrouwen als kinderen. Den Nieuw-Zeelander ziende, vergelijkt men hem terecht met den Tahitiër, want beiden behooren tot dezelfde menschen-species.7De vergelijking valt echter zeer ten nadeele van den Nieuw-Zeelander uit. Deze moge al wat meer energie bezitten, in alle andere opzichten is zijne hoedanigheid van eene veel lagere orde. Een enkele blik op hunne gelaatsuitdrukking overtuigt ons, dat de een een wilde, de ander een beschaafd mensch is. Op geheel Nieuw-Zeeland zou men te vergeefs een man zoeken met het gelaat en voorkomen van het oude Tahitische stamhoofd Utamme. Ongetwijfeld geeft de buitengewone manier, waarop hier het tatoueeren geschiedt, eene ongewone uitdrukking aan hun gezicht. De samengestelde doch symmetrische figuren, die het geheele gezicht bedekken, verbijsteren en misleiden een ongeoefend oog, terwijl bovendien de diepe insnijdingen, door verstoring van het spel der peripherische spieren, waarschijnlijk eene uitdrukking van stroeve onbeweeglijkheid voortbrengen. Maar behalve dit, vertoont het oog eene flikkering, die niets anders dan list en wreedheid kan beteekenen. Hunne lichamen zijn groot en forsch, doch in fraaiheid van vormen niet te vergelijken bij die der arbeidersklassen op Tahiti.Zoowel zij zelven als hunne huizen zijn onzindelijk, vuil en walgelijk; het denkbeeld om lichaam of kleêren te wasschen schijnt nooit in hun hoofd op te komen. Ik zag een opperhoofd, die een hemd droeg, zwart van de korsten vuil,en die op mijne vraag hoe dit zoo morsig was, verwonderd antwoordde:“Ziet gij dan niet, dat het een oud hemd is?”Enkele mannen dragen hemden; maar de gewone kleeding bestaat uit een of twee groote wollen dekens, die meestal zwart zien van het vuil en op zeer ongemakkelijke, lompe manier over de schouders zijn geworpen. Enkele voorname hoofden hebben eene passende kleeding van Engelsche stoffen, die echter alleen bij hooge gelegenheden worden gedragen.23 December.Op eene plaats, genaamd Waimate, die omstreeks 15 mijlen van de Eilanden-Baai en halverwegen tusschen de oost- en westkusten ligt, hebben de zendelingen eenig land gekocht, met het doel dit te bebouwen. Het was daar dat ik een bezoek ging brengen bij den heer W. Williams, die mij op mijn verzoek hiertoe had uitgenoodigd en bij wien ik geïntroduceerd was. Bushby, de Britsche resident, bood aan mij in zijne boot mede te nemen door eene kreek, waar ik een fraaien waterval zou zien, en welke tevens mijne wandeling zou bekorten. Ook verschafte hij mij een gids. Op zijne vraag aan een naburig hoofd om mij een geschikt man aan te wijzen, bood het hoofd zich zelf aan; maar zoo groot was zijne onwetendheid omtrent de waarde van het geld, dat hij eerst vroeg hoeveel pond ik hem zou geven, en later met twee dollars tevreden was. Toen ik het hoofd een zeer klein pak liet zien, dat ik wilde laten dragen, moest hij met alle geweld een slaaf nemen. Deze trotsche neigingen beginnen nu te slijten; maar vroeger zou een hoofdpersoon liever zijn gestorven, dan de vernedering ondergaan ook zelfs den kleinsten last te dragen. Mijn metgezel, voorheen een groot krijgsoverste, was een vlug, bedrijvig man met een geheel getatoueerd gezicht en eene vuile deken tot kleeding. Hij scheen met Bushby op zeer goeden voet te staan, ofschoon zij dikwijls samen getwist hadden. Bushby deed mij de opmerking, dat op oogenblikken, als deze inboorlingen het meest snoeven, eene kleine dosis kalme spotternij hun menigmaal het zwijgenoplegt. Zoo was dit opperhoofd eens bij hem gekomen en had op snoevenden toon gezegd:“Een groot opperhoofd, een beroemd man en mijn vriend is bij mij op bezoek gekomen. Gij moet hem wat goeds te eten geven, fraaie geschenken aanbieden, enz...”Bushby had hem zijne redevoering laten uitspreken en toen op kalmen toon geantwoord:“Wat zou uw slaaf dan anders voor u doen?”Met een zeer grappig gebaar had de man toen zijne opsnijderij gestaakt.Eenigen tijd geleden had de heer Bushby een veel ernstiger aanval te doorstaan. Een opperhoofd poogde met zijn troep midden in den nacht in zijn huis te dringen; en toen dit niet zoo gemakkelijk ging, openden zij een levendig geweervuur. Bushby werd licht gewond; maar eindelijk moest de troep wijken. Kort daarna ontdekte men wie de aanvaller was, en had eene algemeene samenkomst der hoofden plaats om het geval te bespreken. De Nieuw-Zeelanders beschouwden het als zeer misdadig, op grond dat de aanval bij nacht was geschied en Bushby ziek te bed lag. Zeer tot hunne eer, gold deze laatste omstandigheid algemeen als reden om Bushby in bescherming te nemen. En zoo besloten de hoofden, het land van den aanvaller ten bate van den koning van Engeland verbeurd te verklaren. Deze krasse handelwijze, om een opperhoofd, een gelijke, zóó te vervolgen en te straffen, was echter geheel zonder voorbeeld. Bovendien verloor de aanvaller de aanspraak op de achting zijner gelijken; en dit werd door de Engelschen als van meer gewicht beschouwd dan de verbeurdverklaring van zijn land.Op het oogenblik dat de boot van wal stak, stapte er een tweede opperhoofd in, die alleen voor zijn pleizier de kreek eens op en neer wilde varen. Nooit zag ik een terugstootender en woester uitdrukking dan op het gezicht van dezen man. Onmiddellijk trof het mij, dat ik ergens zijn evenbeeld gezien had, en eindelijk herinnerde ik mij dat dit was op een der teekeningen van Retzsch bij Schiller’s ballade“Fridolin”, waar twee mannen Robert in het brandende open fornuis duwen.8Het woeste opperhoofd geleek op den man, die zijn arm op Robert’s borst legt. De gelaatsuitdrukking sprak hier waarheid: dit opperhoofd was een bekend moordenaar geweest, en was een berucht lafaard bovendien. Op het punt, waar de boot landde, vergezelde Bushby mij een kort eind den weg op. Ik kon toen niet nalaten de koele onbeschaamdheid te bewonderen, waarmede de oude grijze booswicht, die in de boot bleef liggen, Bushby naschreeuwde:“Blijf niet te lang weg; het zou mij vervelen hier te moeten wachten.”Wij begonnen nu onze wandeling. De weg liep langs een goed gebaand pad, aan weerszijden begroeid met het hooge varenkruid, dat het geheele land bedekt. Nadat wij eenige mijlen hadden geloopen, kwamen wij aan een landelijk dorpje, uit enkele hutten bestaande en omringd door eenige plekjes grond, waarop aardappelen waren gepoot. Het invoeren van den aardappel is voor het eiland van het wezenlijkste nut geweest, en hij wordt thans veel meer gegeten dan de inlandsche gewassen. Nieuw-Zeeland bezit een groot natuurlijk voorrecht, namelijk, dat de inwoners er nooit van honger zullen sterven. Het geheele land vloeit over van het meer genoemde varenkruid; en de wortels van deze plant, ofschoon niet smakelijk, bevatten toch veel voedsel. Een inboorling kan altijd hiervan leven, en heeft bovendien een overvloed van schaaldieren op elk gedeelte der zeekust.9De dorpen zijn voornamelijk kenbaar aan de platte vloeren of daken, welke op vier palen tien of twaalf voet hoog boven den grond zijn opgericht, en als veilige bewaarplaats voor de veldvoortbrengselen dienen.Dicht bij eene der hutten gekomen, zag ik tot mijn grootgenoegen de eigenaardige plichtpleging van het wrijven, of, gelijk men het noemen moest, het drukken der neuzen in haar waren vorm. Terstond bij onze nadering begonnen de vrouwen iets met zeer klagende stem te prevelen, gingen toen op hare hurken zitten en hielden de gezichten op. Mijn metgezel ging achtereenvolgens voor ze staan, plaatste den kant van zijn neus rechthoekig op den haren en begon te drukken. Dit duurde niet langer dan een hartelijke handdruk bij ons; en evenals wij bij het handschudden de kracht van den druk veranderen, zoo doen ook zij met den neus. Gedurende het drukken uitten zij een zacht tevreden geknor, dat zeer veelovereenkwammet het geluid dat twee varkens maken, die hunne gezichten tegen elkander wrijven. Ik merkte op, dat de slaaf of mindere zijn neus drukte tegen elk dien hij ontmoette, onverschillig vóór of na zijn meester, het opperhoofd. Ofschoon bij deze wilden het hoofd volstrekte macht heeft over leven en dood, bestaat tusschen hen geen enkel spoor van plichtpleging. Burchell heeft hetzelfde opgemerkt bij de ruwe Bechuanen in Zuid-Afrika. Waar de beschaving een zekeren trap heeft bereikt, ontstaan weldra samengestelde wellevendheidsvormen tusschen de verschillende klassen der samenleving. Zoo waren, bijv., op Tahiti alle inwoners verplicht zich in tegenwoordigheid des konings tot aan het midden te ontblooten.Toen de plichtpleging van het neusdrukken tusschen alle aanwezigen naar behooren was afgeloopen, gingen wij in een kring voor een der hutten zitten, en bleven daar een half uur. Alle hutten hebben nagenoeg dezelfde vorm en afmetingen, en komen in vuilheid en onreinheid met elkander overeen. Zij gelijken op een koestal, waarvan het eene einde open is, maar hebben dicht bij den ingang een tusschenmuur met een vierkant gat er in, dat toegang geeft tot eene kleine donkere kamer. In deze kamer bergen de bewoners al hun eigendom, en bij koud weder slapen zij er in; maar zij eten en brengen hun tijd door in het open voorgedeelte. Toen mijne gidsen hunne pijpen uitgerookt hadden, vervolgden wij onze wandeling. Het pad leidde door dezelfdegolvende landstreek, die weer overal met varenkruid bedekt was. Aan onze rechterhand vloeide eene kronkelende rivier, waarvan de oevers met boomen waren beplant; en hier en daar op de heuvels vertoonde zich eene strook bosch. In weerwil van de groene kleur, had het geheele landschap een eenigszins mistroostigen aanblik. Het gezicht van zooveel varenkruid maakte onwillekeurig den indruk van onvruchtbaarheid, hetgeen echter niet juist is: want waar het varenkruid zoo dicht en hoog groeit (het reikt tot aan de borst), wordt het land door akkerbouw vruchtbaar. Sommige bewoners denken, dat dit uitgestrekte, open land vroeger geheel met wouden bedekt was, die later door vuur zijn verwoest. Naar men zegt, worden bij gravingen op de kaalste plekken dikwijls stukken hars gevonden, welke uit denkauri-pijnboom (Agathis australis) vloeit.10De inboorlingen hadden blijkbaar gegronde reden om het land te ontbosschen, want het varenkruid (Pteris esculenta), dat vroeger het voornaamste voedingsmiddel was, bloeit alleen in de open, boschvrije gedeelten.11De bijnatotale afwezigheid van gemengde grassoorten—zulk een merkwaardig kenmerk in de flora van dit eiland—laat zich wellicht hierdoor verklaren, dat het land voorheen met woudboomen bedekt is geweest.De grond is vulkanisch; op verscheidene plaatsen gingen wij over slakkenvormige lava’s, en op vele naburige bergen kon men duidelijk kraters onderscheiden. Ofschoon het landschap nergens schoon, en alleen nu en dan aardig is, genoot ik van mijne wandeling en zou dit nog meer gedaan hebben, indien mijn metgezel, het opperhoofd, niet zoo bijzonder spraakzaam was geweest. Ik kende slechts drie woorden van zijne taal: “goed”, “slecht” en “ja”; en daarmede beantwoordde ik al zijne opmerkingen, zonder natuurlijk een enkel woord te verstaan van wat hij zeide. Maar dit was voldoende: ik was een goed “toehoorder”, een “aangenaam” persoon, en daarom hield hij niet op met praten.Eindelijk bereikten wij Waimate. Na zooveel mijlen door een onbewoond en onnut land te zijn getrokken, was de plotselinge verschijning van eene Engelsche boerderij met hare goed bebouwde velden, die daar als door toovenaarshand geplaatst was, eene uiterst aangename verrassing. Daar de heer Williams niet thuis was, heette Davies mij in zijne woning hartelijk welkom; en nadat ik hier met zijn gezin had thee gedronken, deden wij eene wandeling om de boerderij. In Waimate zijn drie groote huizen, waarin de zendelingen Williams, Davies en Clarke wonen; en dicht daarbij staan de hutten der inlandsche arbeiders. Op eene naburige helling stonden talrijke gerste- en tarwearen in vollen bloei, en op een ander veld zag men aardappelen en klaver. Maar, al wat ik zag, te beschrijven, is onmogelijk. Er waren groote moestuinen, waarin alle vruchten en groenten, die Engeland zelf voortbrengt, en bovendien vele uit een warmer klimaat. Ik noem slechts: asperges, witte boonen, komkommers, rhabarber, appelen, peren, vijgen, perziken, abrikozen, druiven, olijven, kruisbessen, aalbessen, hop, brem voor palissadeeringen, en Engelsche eiken; ook zag ik vele soorten bloemen. Rondom de boerderij warenvele stallen, eene dorschschuur met haar wantoestel, eene grofsmederij, en op den grond ploegscharen met ander gereedschap. Te midden van dit alles heerschte dat landelijke gezelschapsleven van varkens en kippen, die genoeglijk bij elkander lagen, evenals op elke boerderij in Engeland. Op eene afstand van een paar honderd yards, ter plaatse waar het water van een beekje in een vijver was afgedamd, stond een groote heusche watermolen.Dit alles is zeer verrassend, zoo men bedenkt, dat hier vijf jaren geleden niets anders dan varenkruid groeide. En wat meer zegt: al deze verandering is geschied door inlandsche werklieden, door zendelingen in de kunst onderwezen; de les van den zendeling is hier de staf van den toovenaar. De huizen zijn gebouwd, de vensters ingezet, de velden beploegd en zelfs de boomen geënt... door Nieuw-Zeelanders. Bij den molen zagen wij een Nieuw-Zeelander, wit gepoederd met meel, evenals zijn vakbroeder in Engeland. Toen ik dit geheele tooneel aanschouwde, bewonderde ik het in gedachte. Die bewondering sproot niet zoozeer voort uit het feit, dat alles mij levendig aan Engeland herinnerde—want toen de avond daalde, deden ook de huiselijke geluiden, de wuivende korenvelden, en het golvende land met zijn geboomte in de verte, onwillekeurig aan het vaderland denken: ook niet uit het zegevierende bewustzijn, nu ik zag wat Engelschen tot stand konden brengen—maar veeleer uit de hooge verwachtingen, die mij vervulden in den toekomstigen voorspoed van dit belangrijke eiland.Verscheidene jonge mannen, die door de zendelingen uit de slavernij waren afgekocht, werkten op de boerderij. Zij waren gekleed in hemd, buis en broek, en zagen er fatsoenlijk uit. Te oordeelen naar eene onbeduidende anecdote, die ik even wil vertellen, zou ik hen voor eerlijke lieden houden. Op onze wandeling door de velden kwam een jonge inlander naar Davies toe, en gaf hem een mes en eene zwikboor, zeggende dat hij deze op den weg gevonden had, en niet wist aan wien zij toebehoorden. Deze jonge mannen en knapen schenen zeer vroolijk en opgeruimd. Des avonds zagik een troepje van hen cricket spelen; toen ik daarbij dacht aan den stuggen ernst, waarvan de zendelingen beschuldigd worden, deed het mij genoegen te zien, dat een hunner eigen zoons lustig aan het spel deelnam. Een meer bepaalde en aangename verandering vertoonden de jonge vrouwen, die als dienstboden binnenshuis werkten. Door haar helder, net en gezond uiterlijk, evenals van de melkmeisjes in Engeland, vormden zij eene gunstige tegenstelling met de vrouwen uit de morsige hutten in Kororadika. De vrouwen der zendelingen hadden getracht haar van het tatoueeren af te brengen; maar toen op zekeren dag een vermaard “snijmeester” uit het zuiden kwam, zeiden de meisjes:“Wij moesten toch eigenlijk een paar strepen op de lippen hebben; want anders zullen onze lippen rimpelen als wij oud worden, en zullen wij zoo erg leelijk worden.”Wel geschiedt het tatoueeren niet meer zoo druk als vroeger; maar wijl het een kenteeken is ter onderscheiding van hoofd en slaaf, zal het waarschijnlijk lang in gebruik blijven. Hoezeer een gedachtensleur gewoonte kan worden, bleek uit de verklaring der zendelingen, dat zelfs inhunneoogen een glad gezichtalledaagschscheen, en niet zoo fraai als dat van een Nieuw-Zeelandschengentleman.Laat in den avond ging ik naar het huis van Williams, waar ik overnachtte. Ik vond er een groot gezelschap kinderen, die voor den Kerstdag waren bijeengekomen en nu allen aan eene tafel zaten thee te drinken. Nooit zag ik een aardiger, opgeruimder troepje; en dan te denken, dat dit midden in het land van kannibalisme, moord en alle gruwelijke misdaden was! De hartelijkheid en het geluk, die zoo duidelijk op de gezichten van het kleine volkje te lezen stonden, schenen ook door de oudere personen der zending gevoeld te worden.24 December.Des morgens werden aan de geheele familie gebeden voorgelezen in de landstaal, en na het ontbijt deed ik eene rondwandeling door de tuinen en de boerderij. Het was een marktdag, als wanneer de inboorlingen der omliggende gehuchten hunne aardappelen,maïs of varkens komen inruilen tegen dekens, tabak en somtijds zeep, als de zendelingen hen daartoe kunnen overreden. De oudste zoon van Davies, die eene eigen boerderij bezit, is de zakenman op de markt. De kinderen der zendelingen, die jong op het eiland kwamen, verstaan de taal beter dan hunne ouders, en kunnen gemakkelijker iets van de inlanders gedaan krijgen.Kort vóór den middag wandelden de heeren Williams en Davies met mij naar een gedeelte van het naburige woud, om mij den vermaarden Kauri-pijnboom te laten zien. Ik mat een dier prachtige boomen en vond, dat hij een omtrek had van 31 voet boven de wortels. Dichtbij was een andere, dien ik niet zag, van 33 voet; en men vertelde mij van een, die niet minder dan 40 voet in omtrek was. Deze boomen zijn vermaard om hunne gladde cylindervormige stammen, die eene hoogte bereiken van zestig, en zelfs negentig voet met bijna dezelfde middellijn en zonder een enkelen tak. De kroon van takken aan hun top staat in geen enkele verhouding tot den stam, en ook de bladeren zijn klein in vergelijking met de takken. Het woud bestaat hier bijna geheel uit kauri’s, waarvan de hoogste boomen met hunne evenwijdige zijden als reusachtige houten zuilen voor den toeschouwer oprijzen. Het hout van denkauriis het kostbaarste voortbrengsel van het eiland; ook zijpelt er eene hoeveelheid hars uit den stam, die, voordat het gebruik er van bekend was, tegen eenepennyhet pond verkocht werd.12Enkele wouden op Nieuw-Zeeland moeten bijna geheel ondoordringbaar zijn. De heer Matthews vertelde mij, dat een woud van slechts 34 mijlen in doorsnede, hetwelk twee bewoonde districten scheidde, eerst onlangs voor deeerste maal was doorgetrokken. Hij en een andere zendeling, ieder met een troep van omstreeks 50 man, poogden een weg te banen; maar dit kostte hun meer dan 14 dagen werk! In de bosschen zag ik zeer weinig vogels. Wat dieren betreft, is het een hoogst merkwaardig feit, dat zulk een groot eiland—meer dan 700 mijlen lang en op vele plaatsen 90 mijlen breed13—met afwisselende gronden, een fraai klimaat, en land van allerlei hoogten tot 14000 voet, geen enkel inheemsch dier bezit, met uitzondering van eene kleine rat. De verschillende soorten van het reusachtige vogelgeslachtDinornisschijnen hier de viervoetige zoogdieren te hebben vervangen, evenals nog heden de kruipende dieren op de Galápagos-Eilanden. Men zegt, dat de gewone Noorweegsche rat de Nieuw-Zeelandsche soort in den korten tijd van twee jaren op het noordelijk einde van het eiland heeft uitgeroeid. Op vele plaatsen bemerkte ik verscheidene soorten onkruid, die ik evenals de ratten als mijn landgenooten moest erkennen; en aan een Fransch schip komt de eer toe eenepreite hebben ingevoerd, die zich over geheele districten heeft verspreid, en ongetwijfeld zeer lastig zal blijken. Ook de gewone zuring (Rumex acetosa) is hier wijd en zijd verspreid en zal, naar ik vrees, altijd ten bewijze strekken van de schelmerij door een Engelschman gepleegd, die de zaden er van verkocht voor die van de tabaksplant.Van onze aangename wandeling in het huis teruggekeerd, at ik bij den heer Williams, die mij vervolgens een paard leende om naar de Eilanden-Baai terug te keeren. Met dankbaarheid voor de hartelijke ontvangst en met gevoelens van eerbied voor hunne beschaafde, nuttige en rechtschapen persoonlijkheden, nam ik van de zendelingen afscheid. Ik geloof, dat men moeilijk een corps mannen zou vinden, die beter dan zij voor de hooge roeping geschikt zijn, welke zij nastreven.Kerstdag.Nog enkele dagen, en het vierde jaar van onze afwezigheid uit Engeland zal verstreken zijn. Onzen Eersten Kerstdag brachten wij door in Plymouth; den tweeden in de St.-Maartens-Kreek bij Kaap Hoorn; den derden te Port Desiré in Patagonië; den vierden voor anker in eene afgelegen haven van het schiereiland Tres Montes; den vijfden hier; en zoo de Voorzienigheid wil, zal de volgende in Engeland zijn. Wij woonden eene godsdienstoefening bij in de kapel van Pahia, waar de dienst gedeeltelijk in het Engelsch en gedeeltelijk in de landstaal gehouden werd. Zoolang wij op Nieuw-Zeeland waren, hoorden wij van geen nieuwe daden van kannibalisme. Wel vond Stoke op een eilandje bij de ankerplaats verbrande menschenbeenderen om een vuurhaard verspreid liggen; maar mogelijk lagen deze overblijfselen van een smakelijken maaltijd er reeds verscheidene jaren. Het is waarschijnlijk, dat de zedelijke geaardheid van het volk snel verbeteren zal. Bushby vertelde eene aardige anecdote als staaltje van oprechtheid van althans enkele personen, die het christendom belijden. Een zijner jongelieden, die gewoon was aan de andere bedienden gebeden voor te lezen, verliet hem. Toen hij eenige weken daarna des avonds laat langs een bijgebouw ging, zag en hoorde hij een van zijne lieden den anderen, bij het licht van het haardvuur, met moeite uit den bijbel voorlezen. Daarna knielden zij en baden: en in hun gebed noemden zij de namen van Bushby, zijn gezin en van de zendelingen, elk in zijn eigen district.26 December.Bushby deed Sulivan en mij het aanbod om in zijne boot eenige mijlen de rivier op te varen in de richting naar Cawa-Cawa, en stelde daarna eene wandeling voor naar het dorp Waiomio, waar eenige belangrijke rotsen zijn. Wij volgden een der armen van de baai en hadden nu een aangenamen roeitocht te midden van aardige landschappen, totdat wij in een dorp kwamen, waar de boot niet verder kon. Hier boden een opperhoofd en zijne mannen vrijwillig aan met ons naar Waiomio te wandelen, een afstand van vier mijlen. Ditopperhoofd was destijds eenigszins berucht, doordien hij onlangs een zijner vrouwen en een slaaf wegens overspel had opgehangen. Toen een der zendelingen hem daarover ernstig onderhield, scheen hij zeer verwonderd en zeide, dat hij dacht stipt de Engelsche methode te volgen. De oude Shongi, die in Engeland bij het verhoor der Koningin aanwezig was, sprak zijne diepe afkeuring uit over het geheele proces; hij zeide, dat hij vijf vrouwen had en haar liever allen het hoofd zou laten afslaan dan zich om ééne zoozeer te kwellen. Dit dorp verlatende, staken wij over naar een ander, dat op korten afstand op een heuvelhelling lag. Vijf dagen te voren was de dochter van een opperhoofd gestorven, die nog heiden was. De hut, waarin zij stierf, was tot den grond toe verbrand en door eene schutting omgeven, waarop hunne houten afgodsbeelden stonden. Het geheel was vuurrood geverfd, opdat het van verre zichtbaar zou zijn. Hare japon was aan de doodkist bevestigd, en het afgesneden haar lag aan hare voeten. De bloedverwanten hadden zich het vleesch van de armen, lichamen en aangezichten gescheurd, zoodat zij met geronnen bloed bedekt waren; maar de oude vrouwen zagen er het vuilst en het walgelijkst uit. Den volgenden dag bezochten eenige officieren deze plek, en vonden de vrouwen nog huilend en bezig hare lichamen stuk te rijten.Wij vervolgden onze wandeling en bereikten weldra Waiomio. Hier staan eenige zonderlinge rotsen van kalksteen, die op ruïnen van kasteelen gelijken. Deze rotsen hebben langen tijd tot begraafplaatsen gediend, en worden bijgevolg als te heilig beschouwd om ze te mogen naderen. Toch riep een der jonge mannen tot de anderen: “Wie heeft den moed om meê te gaan?” en snelde vooruit; maar op nog geen honderd yards van de rotsen gekomen, dacht de geheele troep er anders over en bleef staan, ofschoon men ons met volkomen onverschilligheid toestond de geheele plek in oogenschouw te nemen. In het dorp rustten wij eenige uren uit, welke tijd besteed werd aan een lang onderhoud met Bushby over het recht van verkoop van sommigelanden. Een oud man, die een volleerd geslachtkundige scheen, duidde de achtereenvolgende bezitters aan door stukjes takken in den grond te steken. Voordat wij de huizen verlieten werd aan elk van ons gezelschap een mandjevol gebakken aardappelen uitgereikt, en volgens gebruik namen wij die mede om onderweg op te eten. Onder de vrouwen, die bezig waren met koken, merkte ik ook een mannelijken slaaf op. In een oorlogzuchtig land, als dit, moet het voor een man iets vernederends zijn werk te doen, dat als het laagste vrouwenwerk wordt beschouwd. Dat men slaven niet ten oorlog laat gaan, daarin heeft men misschien niet geheel en al ongelijk. Ik hoorde vertellen van een armen drommel, die tijdens de vijandelijkheden naar de tegenpartij overliep. Hier werd hij onmiddellijk door twee mannen gegrepen; maar wijl zij het niet eens konden worden aan wien hij zou toebehooren, stond elk met een bijl boven zijn hoofd gereed, vast besloten, dat de ander hem ten minste niet levend kon meênemen. Alleen door het beleid van de vrouw van een opperhoofd werd de arme man, die bijna dood was van schrik, gered. Daarna hadden wij eene aangename wandeling naar de boot terug, doch bereikten het schip niet voor des avonds laat.30 December.Des namiddags stevenden wij de Eilanden-Baai uit en zetten koers naar Sydney. Ik geloof, dat wij allen blijde waren Nieuw-Zeeland te verlaten. Het is geen aangenaam oord. Onder de inboorlingen mist men dien beminnelijken eenvoud, welken men op Tahiti vindt, en het meerendeel der Engelschen is het uitschot der maatschappij. Ook is het land zelf niet aantrekkelijk. Slechts op eene enkele schoone plek zie ik met dankbaarheid terug, en dat is Waimate met zijne christelijke bewoners.1Deze oostelijk van Tahiti gelegen archipel is een Fransche kolonie en voert den officiëelen naam vanTuamotu-Eilanden. Het woord Tuamotu wil zeggen “Afgelegen.” Zijne verdere namen zijnPaumotu- of Overwonnen-Eilanden; Lage Eilanden (volgens Krusenstern); Gevaarlijke Archipel (volgens Bougainville); en eindelijk de Paarlen-Eilanden (volgens de handelaren). Dien laatsten naam ontleenen zij aan hun kostbaarst product: de paarlen. De schoonste parel, die hier gevonden werd en later aan de Koningin van Engeland toebehoorde, werd met ƒ 72000 betaald. Zeer groote en kostbare exemplaren zijn echter zeldzaam. Van de 78 eilanden der groep, die 700 □ kilom. groot is en in 1897 5373 inwoners telde, hebben 35 parelbanken in hunne lagunen.(Vert.)2Pomaré is de naam van eene voormalige dynastie op Tahiti. Zij ving aan in 1793, en de laatste koning van dien naam, Pomaré V, deed afstand van den troon in 1880.(Vert.)3Caprifolium.4Jasminum.5Rosa canina.6James Cook ontdekte Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië in de jaren 1768–1771.(Vert.)7Tot deMaleiers—de vijfde der twaalf species.8Moritz Retzsch (1779–1857) bekend door zijn prachtige illustratiën bij de werken van Goethe en Schiller.(Vert.)9Daarbij heeft het eiland eene zeer geringe bevolkingsdichtheid, want op eene oppervlakte van 268.461 □ kilom. (achtmaal Nederland) wonen, volgens de telling in 1908, slechts ongeveer 1,008,000 zielen, waaronder 47,731 Maoris.(Vert.)10OokDámmara australisgenoemd. Hij behoort tot deConiferaeen groeit ook op de Philippijnen, waar hij onder den naam van Dámmara-den of Fakkelboom bekend is. Hij levert de bekende dámmara-hars (resina dammarae), evenals de plantendámmaraenxylopiaop de Molukken. Deze boom, die in vele gevallen 40–50 meter hoog wordt, heeft voor zijne ontwikkeling eene vochtige zeelucht en een drogen kleibodem noodig, en groeit alleen op het noordwestelijk deel van het noordelijkste der twee groote eilanden, waaruit N.-Zeeland bestaat. Zijn hout komt nog het meest overeen met dat van den witten of zilverden in West-Europa, en is zoo duurzaam, dat stammen (veel gebruikt voor masten, mijnstutten, spoorliggers, enz.) die 50 jaren in de aarde hadden gestaan, niets geleden hadden. De kauri-pijnboom is voor het oerwoud in de noordelijke warmere streken van N.-Zeeland, wat de mammoeth-boom is in Californië, en de ceder van den Libanon in Voor-Azië. Dámmara komt van het Hindostansche woorddâmar, dat “hars” beteekent.(Vert.)11Men kent op N.-Zeeland 115 soorten van varens (varenkruiden en varenboomen). In de wouden vindt men varenboomen (DicksoniaenCyathea) van 10–13 meter hoogte.(Vert.)12Tegenwoordig is wol het belangrijkste uitvoerartikel van Nieuw-Zeeland. In 1901, bijv., werd uitgevoerd aan wol voor £ 3.699.000; aan vleesch voor £ 2.369.000; aan goud voor £ 1.754.000; aan boter voor £ 882.000; aan Kaurihars voor £ 746.000; aan huiden voor £ 405.000; aan hout voor £ 295.000; aan kaas voor £ 239.000; en aan steenkool voor £ 142.000.(Vert.)13In □ Engelsche mijlen is de oppervlakte 103,700.(Vert.)
Hoofdstuk XVIII.Tahiti (of Taïti) en Nieuw-Zeeland.20 October 1835.Toen de opmeting van de Galápagos-Eilanden was afgeloopen, zetten wij koers naar Tahiti en begonnen onzen langen tocht van 3200 mijlen. Binnen enkele dagen zeilden wij uit het donkere en bewolkte zeegebied, dat zich des winters tot ver van de Zuidamerikaansche kust uitstrekt, en hadden toen bij heldere en onbewolkte lucht eene aangename reis, met eene snelheid van 150 tot 160 mijlen daags voor een stijven passaatwind. In dit meer centrale gedeelte van den Stillen Oceaan is de temperatuur hooger dan bij de Amerikaansche kust. Nacht en dag wisselde de thermometer in de achterkajuit tusschen 80° en 83°, hetgeen een zeer aangenaam gevoel verwekt; maar één of twee graden hooger wordt de temperatuur drukkend. Wij voeren door den Lagen of Gevaarlijken Archipel,1en zagen verscheidene van die hoogst eigenaardigeringvormige koraalbanken, welke even boven den rand van het water uitsteken en Lagunen-eilanden genoemd zijn. Het lange, schitterend witte strand is met een groenen plantenzoom bedekt, die, waarheen men ook ziet, in de verte snel versmalt en onder den horizon verdwijnt. Van den top van den mast kan men een uitgestrekte, stille watervlakte binnen den ring zien. Deze lange, holle koraaleilanden staan in geen verhouding tot den uitgestrekten oceaan, waaruit zij zich steil verheffen; en het schijnt verwonderlijk, dat zulke zwakke banken door de machtige en rusteloos beukende golven van dien grooten en ten onrechte “De Stille” genoemden Oceaan niet reeds lang zijn weggespoeld.15 November.Bij het aanbreken van den dag kwam Tahiti in zicht. Dit eiland moet bij elken reiziger in de Stille Zuidzee blijvende klassieke herinneringen achterlaten. Van verre was de aanblik niet aantrekkelijk. De welige plantengroei van het lagere gedeelte was nog niet zichtbaar; en toen de wolken wegdreven, vertoonden zich de ruwste en steilste bergtoppen tot bij het midden van het eiland. Zoodra wij in de baai Matavai ankerden, werden wij door kano’s omringd. Het was dien dag voor ons Zondag, maar voor Tahiti Maandag; in het omgekeerde geval zouden wij geen enkel bezoek hebben gekregen, daar het bevel om op rustdag geen enkele kano te water te laten streng wordt opgevolgd. Na het middageten gingen wij aan wal om al het genot te smaken, dat de eerste indrukken van een nieuw land bij den mensch verwekken—vooral nu dit land het bekoorlijke Tahiti was. Een drom van mannen, vrouwen en kinderen stond op het gedenkwaardigePoint Venusgeschaard, om ons met lachende, vroolijke gezichten te ontvangen, en vergezelde ons naar het huis van Mr. Wilson, den zendeling van het district, die ons onderweg te gemoet kwam en op zeer vriendelijke wijze ontving. Nadat wij eene korte poos in zijn huis gezeten hadden, scheidden wij om eene rondwandeling te doen, maar keerden des avonds er heen terug.Het land, dat voor cultuur geschikt is, vormt bijna overalniet veel meer dan eene strook lage alluviale grond, die zich om den voet der bergen ophoopt en door eene koraalbank, welke de geheele kustlijn omringd, tegen het geweld der zee beschermd is. Binnen het rif bevindt zich eene uitgestrekte, stille watervlakte evenals een meer, waar de kano’s der inboorlingen veilig kunnen laveeren en waar de schepen ankeren. Het laagland, dat tot den oever van koraalzand reikt, is met de schoonste producten uit de tusschenkeerkringsstreken bedekt. Te midden van banaan-, oranje-, brood- en kokosboomen zijn open plekken, waaryam-ofbroodwortels(Dioscorea), suikerriet en pijnappels worden gekweekt. Zelfs het kreupelhout is een ingevoerde vruchtboom, nl. deguajavaboom, die om zijn overvloed even schadelijk is geworden als onkruid. In Brazilië heb ik dikwijls de afwisseling in schoonheid bewonderd, welke de banaan-, palm- en oranjeboomen in hunne tegenstellingen te zien geven; en dan hebben wij hier nog den broodboom, kenbaar aan zijn groot, glanzig en diep gevingerd blad. Bewonderenswaardig is de aanblik van geheele boschjes, uit een boom bestaande, die forsch als een Engelsche eik zijne takken uitstrekt, beladen met groote en uiterst voedzame vruchten. Hoe zelden ook het genoegen, waarmee wij een voorwerp zien, kan worden afgemeten naar het nut dat het biedt, toch laat zich in ’t geval van deze schoone bosschen het gevoel van bewondering ongetwijfeld voor een groot deel verklaren uit het besef van hunne groote vruchtbaarheid. Eene reeks van kleine slingerpaden leidden in de koele schaduw der omgeving naar de hier en daar verspreide huizen, waar de bewoners ons overal opgeruimd en met de meeste gastvrijheid ontvingen.Niets beviel mij zoozeer als de aard der bewoners. Er ligt een zekere zachtheid in de uitdrukking van hun gezicht, dat elke gedachte aan vermeende wildheid terstond verdrijft, terwijl eene zekere schranderheid toont, dat zij in beschaving vooruitgaan. Lieden uit de volksklasse zijn onder het werk op het bovenlijf geheel naakt; en het is bij zulke gelegenheden, dat men de Tahitiërs op hun voordeeligst ziet. Zij zijnzeer groot, breedgeschouderd, sterk en goed geëvenredigd. Men heeft opgemerkt, dat een Europeaan spoedig zoozeer aan eene donkere huid gewent, dat hij die aangenamer en natuurlijker vindt dan zijne eigene kleur. Een blanke, die zich naast een Tahitiër baadde, was evenals eene plant welke een tuinman kunstmatig heeft gebleekt, vergeleken met eene fraaie donkergroene, die krachtig in het open veld bloeit. De meeste mannen zijn getatoueerd, en de versieringen volgen de bochten van het lichaam zoo regelmatig, dat het een hoogst bevalligen indruk maakt. Een gewoon patroon, met afwisselende détails en eenigszins op de kroon van een palmboom gelijkend, ontspringt uit de middellijn van den rug en kronkelt zich sierlijk naar wederzijden. Misschien is de gelijkenis denkbeeldig, maar ik vond, dat het lichaam van een aldus getatoueerden man op den stam van een sierboom geleek, waarom zich eene fraaie slingerplant windt.Vele oudere personen hadden de voeten met kleine figuren bedekt, zoo geteekend, dat zij op eene zoogenaamdebroos(tooneelschoeisel) geleken; maar deze mode is gedeeltelijk verouderd en door andere opgevolgd. Hier moet elk zich houden aan de heerschende mode uit zijne jeugd, ofschoon die verre van onveranderlijk is. Bij een oud man staat deze dus voor altijd op zijn lichaam gestempeld, en kan hij zich nooit het air geven van een jongen modegek. De vrouwen zijn op dezelfde manier getatoueerd als de mannen, en wel zeer algemeen aan hare vingers. Eene ongepaste mode, nl. om het haar boven op het hoofd in een cirkelvorm weg te scheren, zoodat er slechts een buitenste krans overblijft, is nu bijna algemeen. De zendelingen hebben het volk pogen over te halen deze gewoonte te veranderen; maar het ismode, en dit woord is op Tahiti voldoende, evenals te Parijs. Zeer was ik teleurgesteld door het persoonlijk uiterlijk der vrouwen, die in elk opzicht ver onder de mannen staan. Een aardig gebruik is, om achter op het hoofd of door een klein gaatje in de ooren eene scharlakenroode bloem te dragen. Ook dragen zij een kransvan gevlochten kokosbladeren ter beschutting van de oogen. De vrouwen schijnen nog meer behoefte te hebben aan eene verandering in mode dan de mannen.Bijna alle inboorlingen verstaan wat Engelsch, d.w.z. zij kennen de namen van gewone voorwerpen; en met behulp hiervan, alsmede door teekens, kon een gebrekkig soort van gesprek worden gevoerd. Toen wij des avonds naar de boot terugkeerden, hield een aardig tooneel, waarvan wij getuige waren, ons staande. Een aantal kinderen speelden op het strand en hadden vreugdevuren ontstoken, die de stille zee en de boomen in het rond verlichtten, terwijl andere, in kringen geschaard, Tahitische liederen zongen. Wij naderden het troepje en gingen in het zand zitten. De liedjes waren geïmproviseerd en zinspeelden, geloof ik, op onze komst; een klein meisje zong een regel, dien de anderen bij gedeelten herhaalden, zoodat er een zeer aardig koor ontstond. Het geheele tooneel herinnerde ons op ondubbelzinnige wijze, dat wij aan het strand zaten van een eiland in de wijdberoemde Zuidzee.17 November.Deze dag staat in het logboek genoteerd als Dinsdag 17 November, in plaats van Maandag den 16den, ten gevolge van onze tot dusver voorspoedige jacht op de zon. Vóór het ontbijt werd het schip door eene flotielje kano’s omsingeld; en toen de inboorlingen verlof kregen aan boord te komen, bedroeg hun aantal waarschijnlijk niet minder dan 200. Ieder was van oordeel, dat het moeilijk zou geweest zijn er evenveel van een ander volk bijeen te krijgen, die zoo weinig last veroorzaakten. Elk bood iets te koop aan, waarbij schelpen het hoofdartikel vormden. De Tahitiërs begrijpen nu de waarde van het geld ten volle, en verkiezen het boven oude kleêren of andere artikelen, doch zijn verlegen met de verschillende munten van Engelsche en Spaansche stempels, en vertrouwen het zilver niet geheel voordat het tegen dollars is ingewisseld. Enkele hoofden hebben groote sommen geld bijeengebracht. Niet lang geleden bood een hunner 800 dollars (ongeveer 160 pond sterling) voor een klein schip, en dikwijls koopenzij walvischbooten en paarden voor den prijs van 50 tot 100 dollars.Na het ontbijt ging ik aan wal, en beklom de naastbijzijnde steilte tot eene hoogte van 2–3000 voet. De buitenste bergen zijn glad en kegelvormig, maar steil; en de oude vulkanische gesteenten, waaruit zij bestaan, worden doorsneden van vele diepe ravijnen, die uit de ongenaakbare bergachtige gedeelten van het midden van het eiland naar de kust loopen. Na de smalle, lage en vruchtbare, doch onbewoonde landstreek te zijn doorgetrokken, volgde ik een effen steilen bergkam tusschen twee diepe ravijnen. Eigenaardig was hier de plantengroei, bijna geheel uit kleine dwergvarens bestaande, die hooger op met grof gras vermengd was en niet heel veel verschilde van die, welke men op sommige bergen in Wallis ontmoet. Eene dergelijke vegetatie, zoo dicht boven den boomgaard van tropische gewassen op de kust, was zeer verrassend. Op het hoogste punt, dat ik bereikte, verschenen weder boomen. De laagste der drie betrekkelijk rijke plantenzonen dankt hare vochtigheid, en dus hare vruchtbaarheid, aan hare vlakke ligging; want daar zij zich nauwelijks boven den zeespiegel verheft, vloeit het water uit het hoogere land langzaam af. De tusschenzone reikt niet, zooals de bovenste, in een vochtigen en bewolkten dampkring, en blijft daardoor onvruchtbaar. De bosschen in de bovenste zone bestaan uit zeer fraaie boomvarens, die de kokosnoot van de kust vervangen. Toch moet men zich niet voorstellen, dat deze bosschen maar eenigszins de wouden van Brazilië in pracht evenaren. Men kan trouwens niet verwachten, dat het groot aantal voortbrengselen, waardoor een vasteland zich kenmerkt, op een eiland voorkomt.Van het hoogste punt, dat ik bereikte, had men van verre een goed uitzicht op het eiland Eimeo, dat onder dezelfde souvereiniteit staat als Tahiti. Boven de hooge en spitse toppen stapelden zich witte wolkgevaarten, die een eiland vormden aan den blauwen hemel, zooals Eimeo zelf in den blauwen oceaan. Met uitzondering van eene kleine doorvaart,is het eiland geheel door een koraalrif omringd. Van verre was daarvan slechts eene smalle, doch scherp begrensde, schitterend witte streep zichtbaar, waar de golven het eerst de koraalbank troffen. Steil verrezen de bergen uit het kristallen watervlak der lagune, die binnen deze smalle witte streep besloten is, terwijl daarbuiten de deinende waters van den oceaan eene donkere kleur bezaten. De aanblik was treffend, en kon passend bij eene omlijste teekening vergeleken worden, waarvan degolven delijst, destillelagune het papier, en het eiland zelf de teekening voorstellen. Toen ik des avonds den berg afdaalde, ontmoette ik een man, dien ik met eene kleine gift verblijd had, en die nu eenige heete gebraden bananen, een pijnappel en kokosnoten medebracht. Ik ken niets heerlijkers, als men eene lange wandeling in de brandende zon heeft gedaan, dan de melk eener jonge kokosnoot. Pijnappels zijn hier zoo overvloedig, dat de menschen hen even kwistig eten als wij onze rapen. Zij hebben een voortreffelijken smaak—misschien zelfs beter dan die in Engeland worden gebruikt; en dit acht ik den hoogsten lof, dien men eene vrucht kan toezwaaien. Voordat wij aan land gingen, vertolkte de heer Wilson voor mij aan den Otaheiter, die mij zulk eene attentie bewezen had, dat ik hem en nog iemand noodig had om mij op een kort uitstapje in het gebergte te vergezellen.18 November.Des morgens vroeg ging ik aan land, met eenige levensmiddelen in een tasch bij mij, en twee wollen dekens voor de gidsen en mijzelven. Deze werden aan de uiteinden van een langen stok gebonden, dien mijne gidsen vervolgens beurt om beurt op de schouders droegen. De inboorlingen zijn er aan gewoon een aan beide einden met 50 pond bezwaarden stok aldus een geheelen dag lang te dragen. Ik zeide mijn gidsen, dat zij zich van voedsel en kleêren moesten voorzien; maar zij antwoordden, dat er voedsel genoeg in het gebergte was, en dat, wat kleêren betrof, zij aan hunne huid genoeg hadden. Onze tocht leidde door de vallei van Tia-auru, waardoor eene rivier vloeit, die bij Point Venus in zee valt; zij is een vande hoofdrivieren op het eiland, en ontspringt aan den voet der hoogste centrale toppen, die zich tot omstreeks 7000 voet verheffen. Het geheele eiland is zoo bergachtig, dat de eenige weg om tot het binnenland door te dringen is, de valleien te volgen. In ’t eerst voerde onze weg door bosschen, die de rivier aan weerszijden begrenzen; en de kijkjes op de centrale toppen, die als door eene laan met hier en daar een wuivenden kokosboom aan den kant zichtbaar werden, waren uiterst schilderachtig. Weldra begon de vallei smaller te worden, en werden de hellingen hooger en steiler. Na eene wandeling van drie tot vier uren, vonden wij dat het ravijn bijna niet breeder was dan de bedding van den stroom zelve. Aan den eenen kant waren de wanden bijna loodrecht; maar wegens de zachte structuur der vulkanische lagen, groeiden boomen en velerlei planten uit elken vooruitspringenden rand. Deze wanden waren ongetwijfeld eenige duizenden voeten hoog en vormden, over het geheel genomen, eene bergkloof zoo prachtig als ik nooit te voren gezien had. Omstreeks den middag stond de zon loodrecht boven het ravijn, en de lucht, die koel en vochtig was, werd nu brandend heet. In de schaduw eener vooruitspringende rots, aan den voet van een zuilvormig gestolden lavawand aten wij ons middagmaal. Mijne gidsen hadden zich al een schotel kleine visch en zoetwater-garnalen verschaft. Zij hadden een netje bij zich, dat om een hoepel was gespannen, doken hiermeê op diepe plaatsen en in maalstroomen te water, volgden als otters met open oogen den visch in hoeken en gaten, en vingen hem.Te water hebben de Tahitiërs de vlugheid van tweeslachtige dieren. Ellis verhaalt eene anecdote, die bewijst hoezeer zij zich in dit element thuis gevoelen. Toen in het jaar 1817 een paard, dat voor Pomaré2bestemd was, van boord werd geheschen, brak de strop, en viel het dier te water.Onmiddellijk sprongen de inboorlingen over boord en wendden, al schreeuwend, vruchtelooze pogingen aan om te helpen, zoodat het dier bijna verdronken was. Maar nauwelijks bereikten zij het strand, of de geheele bevolking nam de vlucht en trachtte zich voor het “varken dat een mensch draagt”—gelijk zij het paard noemden—te verbergen.Iets hooger in de vallei verdeelde de rivier zich in drie kleine stroomen. De twee noordelijke waren onbruikbaar door eene reeks watervallen, die van den rotsachtigen top van den hoogsten berg omlaag stortten; en ofschoon ook de derde naar allen schijn ontoegankelijk was, besloten wij toch hem te volgen. De wanden der vallei waren hier bijna loodrecht; maar zooals dikwijls met gelaagde gesteenten het geval is, bevatten die wanden smalle vooruitstekende richels of randen, welke dicht begroeid waren met wilde bananen, lelie-achtige planten (Liliaceae) en andere fraaie keerkringsgewassen. Op hunne klimtochten langs deze rotsranden, met het doel vruchten te zoeken, hadden de Otaheiters een pad ontdekt, waarlangs de geheele steilte kon worden beklommen. De eerste beklimming van uit de vallei was zeer gevaarlijk, daar wij met behulp van touwen, die wij bij ons hadden, een steilhellend naakt rotsvlak over moesten. Hoe iemand ontdekte, dat deze hoogst gevaarlijke plek het eenige punt was, waar de zijde van den berg beklommen kon worden, is mij een raadsel. Daarna liepen wij voorzichtig langs een der randen, tot waar wij een van de drie stroomen bereikten. Deze rand vormde een vlak terras, waarboven een prachtige waterval van eenige honderden voeten hoogte omlaag stortte, terwijl daaronder een tweede hooge waterval in den hoofdstroom der vallei beneden viel. Van deze koele en belommerde plek maakten wij een omweg, ten einde den overhangenden waterval te vermijden, en volgden, als te voren, kleine vooruitspringende richels, waar het gevaar van omlaag te storten door den dichten plantengroei gedeeltelijk werd opgeheven.Op het punt waar wij van den eenen richel op een anderen moesten overgaan, stond een loodrechte rotswand, die denweg versperde. Een der Tahitiërs, een kranige sterke kerel, zette een boomstam tegen deze rots, klom er tegen op en bereikte vervolgens, door spleten als steunpunten te gebruiken, den top. Hier bevestigde hij de touwen aan eene vooruitstekende punt, liet ze toen zakken om onzen hond en bagage op te trekken, en daarna klommen wij zelven naar boven. Ter zijde van den rand, waarop de doode boom geplaatst was, had de afgrond zeker eene diepte van 5–600 voet; en zoo de overhangende varens en leliën dien niet gedeeltelijk aan het oog hadden onttrokken, zou ik duizelig zijn geworden, en had niets mij kunnen bewegen het gevaar te trotseeren. Wij klommen verder: nu eens langs richels, dan over mesvormige bergkammen, met diepe ravijnen aan weerszijden. In de Cordilleras heb ik bergen gezien op veel grootere schaal, maar die in steilte volstrekt niet te vergelijken waren met deze. Des avonds bereikten wij eene kleine vlakke plek aan de oevers van denzelfden stroom, dien wij voortdurend gevolgd waren, en die in eene reeks van watervallen uit het gebergte daalt. Hier sloegen wij ons nachtkwartier op. Aan beide zijden van het ravijn stonden groote groepen bergbanaanboomen, beladen met rijpe vruchten. Vele van deze planten hadden eene hoogte van 20 tot 25 voet, bij een omtrek van 3 tot 4 voet. Met reepen schors in plaats van touwen, met bamboesstengels als daksparren, en het groote blad van den banaan als dak bouwden de Tahitiërs in enkele minuten een uitstekend huis, en maakten van droge bladeren een zacht bed.Toen gingen zij vuur maken om ons avondeten te koken. Door een stok met stompe punt krachtig heen en weer te wrijven in eene holte van een anderen stok, als wilden zij de groef verdiepen, vatte het zaagsel eindelijk vuur, en hadden zij licht. Voor dit doel gebruiken zij alleen eene eigenaardige, witte en zeer lichte houtsoort (Hibiscus tiliaceus)—dezelfde, die ook dient om stokken te maken voor het dragen van lasten, en de drijvende loefbalken van hunne kano’s. Het vuur ontstond in enkele secunden; maar voor iemand, die de kunst niet verstaat, vereischt het degrootste inspanning. Ik ondervond dit zelf, en was er zeer trotsch op, dat het mij eindelijk gelukte het zaagsel te doen ontbranden. De Gaucho in de Pampas volgt eene andere methode; hij neemt een buigzamen stok van omstreeks 18 inches lengte, drukt het eene einde tegen zijne borst, het andere spitse in eene holte, die zich in een stuk hout bevindt, en draait dan snel het gebogen deel rond, evenals een timmerman zijn centerboor. Toen de inboorlingen een takkevuurtje gemaakt hadden, legden zij een twintigtal steenen ter grootte van een cricketbal op het brandende hout, zoodat, toen ongeveer tien minuten later de takjes verteerd waren, de steenen gloeiden. Van te voren hadden zij stukjes ossevleesch, visch, rijpe en onrijpe bananen, alsmede een aantal toppen van den wilden kalfsvoet (Arum) in kleine bladstrooken gewikkeld. Deze groene pakjes werden nu in eene laag tusschen twee lagen heete steenen gelegd, en alles te zamen met aarde bedekt om geen rook of damp te laten ontsnappen. In ongeveer een kwartier was het geheele maal allersmakelijkst gekookt. Nadat de keur van groene pakjes op een dek van banaanbladeren was gelegd, gebruikten wij ons landelijk maal en dronken uit eene kokosschaal het koele water van den snelvlietenden stroom.Niet zonder bewondering sloeg ik de planten in den omtrek gade. Aan alle zijden banaanboomwouden, waarvan de vruchten bij hoopen op den grond lagen te rotten, ofschoon zij in velerlei opzicht als voedsel dienen. Tegenover ons lag een uitgestrekt en dicht begroeid bosch van wild suikerriet, terwijl de rivier belommerd werd door de donkergroene knoestige stammen van den vroeger om zijne sterke bedwelmende eigenschappen zoozeer vermaarden kawa-struik (Ava). Ik kauwde een stuk en vond, dat het een bijtenden, onaangenamen smaak had, hetgeen mij terstond zou hebben doen besluiten de plant voor giftig te verklaren. Dank zij den zendelingen, tiert deze plant nu alleen in deze diepe ravijnen, onschadelijk voor elk. Dichtbij zag ik den wilden kalfsvoet, waarvan de wortels, mits goed gekookt, een degelijk voedsel vormen, terwijl de jonge bladeren beter zijndan spinazie. Dan waren er de wilde brood(yams-)wortel, en eene lelie-achtige plant,Tigenaamd, welke hier in overvloed groeit en een zachten, bruinen, in vorm en grootte op een dik blok hout gelijkenden wortel bezit. Laatstgenoemde wortel diende ons als dessert, want hij is zoo zoet als stroop en heeft een aangenamen smaak. Daarenboven waren er vele andere wilde vruchten, en nuttige gewassen. Behalve het koele water, leverde de stroom ook aal en rivierkreeft. Inderdaad, ik bewonderde dit landschap, toen ik het vergeleek met een onbebouwd gewest in de gematigde streken, en begreep den zin der woorden, dat de mensch—althans de wilde mensch met zijne slechts ten deele ontwikkelde geestvermogens—het kind der keerkringen is.Toen de avond begon te vallen, doolde ik onder het duistere lommer der bananen en volgde den oever verder opwaarts. Mijne wandeling was echter spoedig ten einde, doordien ik aan een waterval kwam van 2–300 voet hoogte; en boven dezen was er nog een. Ik noem al die watervallen in dezen enkelen bergstroom, om in ’t algemeen een denkbeeld te geven van de helling van het land. Het scheen of er op dit afgelegen plekje waar het water viel, zich nooit een zuchtje van den wind had doen gevoelen. De dunne randen der groote banaanbladeren, vochtig van den dauw, waren ongeschonden in plaats van in duizend reepjes te zijn gespleten, zooals anders meest het geval is. Van onze verheven standplaats, bijna zwevend tegen de helling van den berg, hadden wij vluchtige kijkjes op de naburige vallei in de diepte, en hoog daarboven verrezen de kruinen der centrale bergen, die tot op 60° van het zenith reikten en den westelijken hemel half in het duister hulden.Voordat wij ons te slapen legden, viel de oudste Otaheiter op de knieën, en zeide met gesloten oogen een lang gebed op in zijne moedertaal. Hij bad zooals een goed christen doen zou, met gepasten eerbied en onbevreesd dat hij zich door teekenen van vroomheid belachelijk zou maken. Gedurende den maaltijd zou geen der mannen voedsel aanraken, zonder vooraf een kort gebed op te zeggen. Reizigers, diedenken dat een Tahitiër alléén bidt wanneer de oogen van den zendeling op hem gericht zijn, hadden dien nacht maar eens met ons op den berg moeten slapen. Voordat de morgen aanbrak, viel er eene hevige regenbui; maar het goede dak van banaanbladeren hield ons droog.19 November.Toen de dag aanbrak deden mijne vrienden hun morgengebed en maakten, op dezelfde wijze als den vorigen avond, een uitstekend ontbijt voor ons gereed. Zij zelven aten er ruimschoots van; en inderdaad moet ik bekennen, dat ik nog nooit een mensch zooveel heb zien eten. Vermoedelijk zijn hunne bijzonder ruime magen een gevolg hiervan, dat een groot deel van hunne spijs uit vruchten en groenten bestaat, die in een gegeven volume een betrekkelijk klein quantum voedsel bevatten. Naar ik later vernam, was ik onbewust de oorzaak, dat mijne gidsen eene van hunne eigen wetten en besluiten overtraden. Ik had nl. eene flesch met spiritualiën bij mij, waarvan zij niet weigeren konden iets te gebruiken; maar telkens als zij een teugje dronken, legden zij hunne vingers op den mond en prevelden het woord: “Zendeling.” Ofschoon het gebruik van den kawastruik belet was, werd vóór omstreeks twee jaren door den invoer van spiritualiën dronkenschap zeer algemeen. De zendelingen bewogen toen enkele goedgezinde mannen, die zagen dat hun land snel in zijn verderf liep, om te zamen een “Matigheidsgenootschap” op te richten. Hetzij uit overtuiging of uit schaamte, lieten alle hoofden en de koningin zelve zich eindelijk tot aansluiting bij dat genootschap bewegen. Onmiddellijk werd eene wet uitgevaardigd, dat geen spiritualiën op het eiland mochten worden ingevoerd, en dat de kooper en verkooper van het verboden artikel met boete zou worden gestraft. Eene merkwaardig rechtvaardige daad was, dat men een zekeren tijd toestond om den aanwezigen voorraad te verkoopen, voordat de wet in werking trad. Maar toen dit plaats had, werd er een algemeen onderzoek ingesteld, waarbij zelfs de huizen der zendelingen niet verschoond bleven, en werd al de “ava” (zooals de inboorlingen allebrandende geestrijke dranken noemen) op den grond gestort. Denkt men aan de gevolgen der onmatigheid op de inboorlingen zoowel van Noord- als Zuid-Amerika, dan zal men, denk ik, toegeven dat ieder die het wèl meent met Tahiti, geen gewone mate van dankbaarheid aan de zendelingen verschuldigd is. Zoolang het kleine eiland St.-Helena onder het bestuur der Oost-Indische Compagnie stond, mochten spiritualiën om het groote nadeel, dat zij veroorzaakt hadden, niet worden ingevoerd; maar uit de Kaap de Goede Hoop werd wijn geleverd. Het is een treffend en niet zeer streelend feit, dat in hetzelfde jaar toen spiritualiën verkocht mochten worden op St.-Helena, het gebruik daarvan op Tahiti bij volkswil werd afgeschaft.Na het ontbijt vervolgden wij onzen tocht. Daar mijn doel alléén was iets van het middenlandschap te zien, keerden wij langs een ander pad, dat naar de hoofdvallei beneden voerde, terug. Een eind weegs volgden wij een hoogst ingewikkeld pad, dat spiraalvormig om de helling van den berg liep, aan welks voet de vallei lag, en trokken in de minder steile gedeelten door uitgestrekte boschjes wilde banaanboomen. Met hunne naakte, getatoueerde lichamen en hunne met bloemen versierde hoofden, zouden onze gidsen onder het duistere lommer dezer boschjes een fraai type hebben gevormd van menschen, die een oerwoud bewonen. Bij onze daling volgden wij eene reeks van uiterst smalle bergkammen, die over groote afstanden zoo steil waren als een ladder, maar alle met planten begroeid. Wat den tocht zoo vermoeiend maakte, was de buitengewone zorg, waarmeê hier elke voetstap moest worden gewogen. Telkens als ik van deze hooge, mesvormige bergkammen de oogen over het land liet gaan, verwonderde ik mij over deze afgronden en ravijnen, en was de indruk van dit smalle steunpunt uit bijna dezelfde, als hij voor iemand in een luchtballon moet zijn. Bij deze daling behoefden wij slechts eens de touwen te gebruiken, en wel op het punt, waar wij in de hoofdvallei kwamen. Hier sliepen wij onder denzelfden rotswand, waar wij den vorigen dag gegeten hadden; maar ofschoon denacht helder was, heerschte in de diepe, nauwe bergkloof eene ondoordringbare duisternis.Voordat ik dit land zag, kon ik moeilijk twee feiten begrijpen, waarvan Ellis melding maakt, nl., dat de overwonnen Otaheiters, die na de moordende veldslagen in vroeger tijden in het leven waren gebleven, met een handvol mannen eene geheele menigte konden weerstaan. Inderdaad, ik erken, dat op de plek waar onze Otaheiter den dooden boomstam tegen den rotswand zette, zes man met gemak eenige duizenden konden afslaan. Ten tweede: dat er na de invoering van het christendom wilde Otaheiters in de bergen leefden, wier schuilhoeken aan de meer beschaafde bewoners onbekend waren.20 November.Vroeg in den morgen gingen wij op weg en bereikten des middags Matavai, nadat wij onderweg een grooten troep knappe, sterk gebouwde mannen waren tegengekomen, die wilde bananen gingen zoeken. Ik bevond, dat het schip wegens de moeite om water in te nemen zich naar de haven van Papawa had begeven, en wandelde nu terstond daarheen. Deze haven is eene zeer aardige plek; de kreek is omringd door klippen, en het water is er zoo effen als in een meer, terwijl de bebouwde grond met zijne schoone voortbrengselen, waartusschen hier en daar eene hut ligt, tot dicht bij den waterkant reikt.Op grond van de verschillende verhalen, die ik vóór mijn bezoek aan deze eilanden gelezen had, was ik zeer verlangend mij door eigen waarneming een oordeel te vormen over de zedelijke gesteldheid der bewoners, ofschoon, zooals vanzelf spreekt, dit oordeel zeer oppervlakkig moest zijn. Ten allen tijde hangen de eerste indrukken zeer veel af van onze vooraf verkregen begrippen. Mijne begrippen waren ontleend aan dePolynesian Researchesvan Ellis, een bewonderenswaardig en hoogst belangwekkend boek, maar dat natuurlijk alles uit een gunstig oogpunt beziet; dan uit Beechey’s Reis, en eindelijk uit het werk van Kotzebue, dat sterk tegen het geheele zendelingenstelsel gekant is.Hij, die deze drie verhalen vergelijkt, zal, denk ik, een vrij nauwkeurig begrip krijgen van den tegenwoordigen toestand op Tahiti. Een mijner indrukken, dien ik aan de twee laatste autoriteiten ontleende, was beslist onjuist, nl. dat de Otaheiters een neerslachtig ras waren geworden, dat bevreesd was voor de zendelingen. Van het laatste zag ik geen spoor, tenzij dat vrees en eerbied onder denzelfden naam mogen doorgaan. In plaats dat misnoegdheid hun gewone stemming is, geloof ik, dat men in Europa moeilijk half zooveel opgeruimde en tevreden gezichten bijeen zou kunnen brengen. Heftig vaart men uit tegen het verbod van fluit en dans, als dwaas en verkeerd; en de meer dan presbyteriaansche manier van rustdagvieren beschouwt men in een dergelijk licht. Ik wil echter den schijn niet aannemen over deze punten eene meening te voeren, in strijd met personen, die evenveel jaren, als ik dagen, op het eiland gewoond hebben.Over het geheel schijnen mij de zedelijkheid en godsdienst der bewoners hoogst lofwaardig toe. Velen zijn er, die nog scherper dan Kotzebue zoowel de zendelingen en hun stelsel aanvallen, als de gevolgen daardoor teweeg gebracht. Zij, die zoo spreken, vergelijken nooit den tegenwoordigen toestand van het eiland met dien van slechts 20 jaren vroeger, noch met dien van het hedendaagsche Europa, maar metenhemaf naar den hoogen maatstaf van evangelische volmaaktheid. Zij verwachten, dat de zendelingen zullen uitvoeren wat de Apostelen zelven niet vermochten. Voor zoover de zedelijkheid van een volk bij dezen hoogen maatstaf te kort komt, werpt men een blaam op den zendeling, in plaats van hem te prijzen voor hetgeen hij heeft tot stand gebracht. Men vergeet, of wil niet bedenken, dat menschenoffers en de macht eener afgodspriesterschap; een stelsel van verdorvenheid, dat nergens ter wereld zijne wederga vond; ook kindermoord als een gevolg van dit stelsel, en bloedige oorlogen waarin de overwinnaars vrouwen noch kinderen spaarden—dat al deze gruwelen hebben opgehouden te bestaan, en dat oneerlijkheid, onmatigheid enlosbandigheid door de invoering van het christendom aanmerkelijk zijn verminderd. Dat een reiziger deze dingen vergeet, getuigt van grove ondankbaarheid, want mocht hij ooit gevaar loopen op eene onbekende kust schipbreuk te lijden, dan zal hij met de meeste vroomheid bidden, dat het woord van den zendeling ook daarheen worde overgebracht.Op het punt van zedelijkheid maakt vrouwendeugd, zooals dikwijls gezegd is, de meeste uitzonderingen. Maar voordat men haar te streng berispt, zal het goed zijn zich de tooneelen duidelijk voor den geest te roepen, door Kapitein Cook en Banks beschreven, waarin de grootmoeders en moeders van het tegenwoordige ras eene rol speelden. Zij, die het strengst zijn, dienden in ’t oog te houden, hoezeer de zedelijkheid der vrouwen in Europa afhangt van het stelsel, dat moeders vroegtijdig tegenover hare dochters in acht nemen, en hoeveel daarvan in elk bijzonder geval aan de voorschriften van den godsdienst te danken is. Maar het is nutteloos met zulke praters te redetwisten! Ik geloof dat zij, teleurgesteld door de ontdekking dat de losbandigheid niet meer zoo ruim baan heeft als vroeger, geen achting willen hebben voor eene zedelijkheid, die zij niet in praktijk wenschen te brengen, noch voor een godsdienst, dien zij onderschatten, zoo niet verachten.Zondag, 22 November.De haven van Papéite (of Papeete), waar de koningin verblijf houdt, kan als de hoofdstad van Tahiti beschouwd worden; ook is zij de zetel der regeering en het brandpunt van scheepvaart. Kapitein Fitz-Roy, vergezeld van eenige personen, ging hier dezen dag eene godsdienstoefening bijwonen, eerst in de Tahitische taal, en vervolgens in het Engelsch. Pritchard, het hoofd der zendelingen, nam den dienst waar. De kapel bestond uit eene groote, luchtige, houten loods, die overvol was met zindelijke, nette menschen van elken leeftijd en beide seksen. In de mate van aandacht, die de toehoorders schenen te hebben, werd ik eenigszins teleurgesteld; maar ik geloof, dat dit kwam door mijne te hoog gespannen verwachtingen. In allen gevalle waren diehouding en stemming naar het uiterlijk geheel dezelfden als in eene Engelsche kerk op hetplatteland. Het zingen van de psalmen was bepaald zeer aangenaam; maar de taal van den preekstoel, ofschoon vloeiend gesproken, klonk niet mooi; en een voortdurend herhalen van woorden, als:tata ta,mata mai, maakte haar eentonig. Na afloop van den Engelschen dienst, keerde een deel van ons gezelschap te voet naar Matavai terug. Het was eene aangename wandeling, nu eens langs het zeestrand, dan weer onder het lommer der talrijke fraaie boomen.Omstreeks twee jaren geleden was een klein schip onder Engelsche vlag door eenige bewoners der Lage Eilanden geplunderd, die toen onder de heerschappij der koningin van Tahiti stonden. Algemeen geloofde men, dat de bedrijvers tot deze daad waren aangespoord door eenige onbezonnen wetten, welke hare majesteit had uitgevaardigd. De eisch tot schadeloosstelling van den kant der Britsche regeering werd ingewilligd en eene som van bijna 3000 dollar werd aangeboden, te betalen op 1 September 1835. De Commodore te Lima gelastte kapitein Fitz-Roy onderzoek naar deze schuld te doen, en bij niet-betaling voldoening te eischen. Overeenkomstig dien last verzocht de kapitein om een onderhoud met koningin Pomaré, die later zulk eene vermaardheid kreeg door de slechte behandeling, welke zij van de Franschen ondervond. Wat toen plaats had, zal ik, sedert kapitein Fitz-Roy zijn belangrijk rapport uitbracht, niet pogen te beschrijven. Het geld scheen niet betaald te zijn, misschien omdat de aangevoerde redenen wat dubbelzinnig waren; maar overigens kan ik niet genoeg onze algemeene verbazing uitdrukken over den fijnen tact, de gezonde taal, de gematigdheid, openhartigheid en snelle beslissing, die allerwege aan den dag werden gelegd. Ik geloof, dat wij allen de bijeenkomst verlieten met een geheel anderen dunk omtrent de Tahitiërs, dan wij bij onze binnenkomst hadden. De hoofden en het volk besloten in te schrijven en zoo het tekort aan te vullen. Toen kapitein Fitz-Roy opmerkte, dat het hard voor hen was wegens de misdadenvan andere eilanders hun persoonlijk eigendom op te offeren, antwoordden zij, dat zij hem dankbaar waren voor zijne opmerking, maar dat Pomaré hunne koningin was, en zij besloten hadden haar in deze moeilijke aangelegenheid te helpen. Dit besluit en de snelle uitvoering er van—want den volgenden morgen vroeg werd er eene inschrijving geopend—voltooiden op volmaakte wijze dit zeer merkwaardig geval van loyauteit en fijnen tact.Nadat de voornaamste bespreking was afgeloopen, maakten verscheidene hoofden van de gelegenheid gebruik om kapitein Fitz-Roy een aantal schrandere vragen te doen over internationale gebruiken en wetten, die betrekking hadden op het behandelen van schepen en vreemdelingen. Voor sommige punten werd de wet, na genomen besluit, op staanden voet mondeling uitgevaardigd. Dit Tahitische parlement duurde verscheidene uren, en toen het geëindigd was, noodigde kapitein Fitz-Roy koningin Pomaré tot een bezoek aan deBeagle.25 November.Des avonds werden vier booten afgezonden, om hare majesteit in te halen. Het schip was in vlaggetooi, en bij hare komst aan boord zat de bemanning in de raas. Zij werd door de meeste hoofden vergezeld. Allen gedroegen zich zeer netjes, vroegen om niets, en schenen met de geschenken van kapitein Fitz-Roy zeer verblijd. De koningin is eene groote, plompe vrouw, zonder eenige schoonheid, bevalligheid of waardigheid. Zij heeft slechts één koninklijke eigenschap, nl., dat de uitdrukking van haar gezicht, die eenigszins knorrig of gemelijk is, onder alle omstandigheden volmaakt strak blijft. Onze vuurpijlen werden het meest bewonderd; en na elke ontploffing kon men van het donkere strand rondom de baai een geluid “o! o!” hooren. Maar ook het gezang der matrozen werd zeer bewonderd, en een van de onstuimigste liederen trok zoozeer de aandacht der koningin, dat zij opmerktedatdit stellig geenpsalmkon zijn! Het koninklijk gezelschap keerde eerst na middernacht naar het strand terug.26 November.Des avonds zetten wij, begunstigd door een zachte strandbries, koers naar Nieuw-Zeeland; en toen de zon onderging, wierpen wij een afscheidsblik op de bergen van Tahiti, het eiland, waaraan elk reiziger zijn cijns van bewondering heeft betaald.19 December.Na eene reis van 23 dagen zagen wij des avonds Nieuw-Zeeland in de verte liggen. Wij kunnen nu zeggen, dat wij den Stillen Oceaan bijna zijn overgetrokken. Om de onmetelijke uitgestrektheid van deze zee te begrijpen, moet men haaroverzeilen. Op onze snelle vaart van eenige weken achtereen zagen wij niets dan lucht, en den blauwen, diepen, diepen oceaan! Zelfs binnen de archipels zijn de eilanden niets dan stippen, die op grooten afstand van elkander liggen. Gewoon, als wij zijn, aan kaarten op kleine schaal geteekend en waarop eilandenstippen, schaduwen en namen zich verdringen, kunnen wij geen juist begrip krijgen van de uiterst kleine verhouding, waarin het droge land staat tot dit uitgestrekte watervlak. De meridiaan der tegenvoeters was óók gepasseerd, zoodat wij van nu af de gelukkige gedachte omdroegen, dat elke zeemijl verder er weer eene dichter bij Engeland was. Deze tegenvoeters wekken oude herinneringen van kinderlijken twijfel en verwondering bij ons op. Nog daags te voren keek ik verlangend naar dien hemelcirkel uit, als het zekere baken van onze reis naar huis; maar nu ik hem gevonden heb, beschouw ik al zulke rustpunten voor ’s menschen verbeelding als schaduwen, die de reizende mensch toch niet kan grijpen! Onlangs heeft een storm, die eenige dagen duurde, ons ruimschoots stof tot nadenken gegeven over hetgeen ons op de lange reis naar huis misschien te wachten staat, en zoo ernstig mogelijk naar het einde er van doen verlangen.21 December.Vroeg in den morgen zeilden wij de Eilanden-Baai binnen, bleven eenige uren bij de mondingtotdat wij windstil lagen, en bereikten niet vóór den middag de ankerplaats. Het land is heuvelachtig, maar heeft eene vlakke omgrenzing, en wordt bespoeld door talrijke zeearmen, die van de baai uit diep in het land dringen. Van verre schijnt de oppervlakte uit grof weiland te bestaan, maar in werkelijkheid is dit niet anders dan varen. Op de meer verwijderde bergen, evenals in enkele gedeelten der valleien, is eene groote oppervlakte boschland. De algemeene tint van het landschap is niet bepaald heldergroen en gelijkt op die van het land niet ver ten zuiden van Concepcion in Chili. Op vele punten der baai liggen kleine dorpen met aardig uitziende vierkante huizen, die zich tot dicht bij den waterkant uitstrekken. Drie walvischschepen lagen voor anker, en nu en dan voer eene kano van de eene kust naar de andere. Op deze uitzonderingen na, heerschte in den geheelen omtrek eene buitengewone kalmte. Slechts een enkele kano voer ons op zijde. Die stilte en de aanblik van het geheele landschap vormden eene merkwaardige en niet zeer aangename tegenstelling met onze blijde en luidruchtige verwelkoming op Tahiti.Des namiddags gingen wij aan land en begaven ons naar eene der grootere huizengroepen, die nauwelijks den naam van dorp verdiende. Zij heet Pahia, is de verblijfplaats der zendelingen en bevat geen andere inlandsche bewoners dan dienstpersoneel en arbeiders. In de nabijheid der Eilanden-Baai bedroeg het getal Engelschen met inbegrip van hunne gezinnen tusschen de 2 en 300. Alle landhuisjes, waarvan vele witgepleisterd zijn en er zeer netjes uitzien, behooren aan de Engelschen. De hutten der inboorlingen zijn zoo klein en armzalig, dat men ze van verre nauwelijks kan onderscheiden. Te Pahia bood het gezicht van de Engelsche bloemen in de tuinen vóór de huizen een zeer aangenaam schouwspel: er waren rozen in verschillende soorten, kamperfoelie,3jasmijnen,4en stammen, ja geheele hagen met eglantieren.522 December.Des morgens ging ik uit wandelen, maar ontdekte spoedig, dat het land zeer ontoegankelijk was. Alle heuvels zijn dicht begroeid met hooge varens, benevens een lagen struik in den vorm van een cipres, en nog zeer weinig grond is ontboscht of bebouwd. Ik beproefde het toen aan het strand; maar hetzij ik rechts of links ging, overal werd mijne wandeling spoedig door zoutwater-kreken en diepe beken gestuit. De gemeenschap tusschen de bewoners van de verschillende deelen der baai wordt (evenals op Chiloë) bijna geheel door booten onderhouden. Tot mijne verwondering ontdekte ik, dat bijna elke heuvel, dien ik beklom, in vroeger tijd meer of minder versterkt was geweest. In de toppen waren trappen of achtereenvolgende terrassen gehouwen, en dikwijls bleken zij door diepe loopgraven beschermd te zijn. Later ontdekte ik, dat de voornaamste heuvels landwaarts in eveneens eene kunstmatige omgrenzing vertoonden. Deze voormalige sterkten, door kapitein Cook zoo dikwijls onder den naam vanhippah’svermeld, noemt menPah’s, waarbij het verschil in uitspraak alleen aan het voorvoegsel is toe te schrijven.Dat dePah’svroeger veel gebruikt werden, bleek uit de stapels weekdierschalen en de kuilen waarin men aardappels placht te bewaren, zooals mij verteld werd. Daar op deze heuvels geen water was, konden de verdedigers nooit een lang beleg doorstaan, maar alleen overhaaste uitvallen doen om te plunderen, waartoe dan de achtereenvolgende terrassen eene goede bescherming zullen geboden hebben. De algemeene invoer van vuurwapenen heeft het geheele stelsel van oorlogvoeren veranderd, en eene open ligging op den top van een heuvel is nu niet alleen nutteloos, maar wat erger is, gevaarlijk. Bijgevolg worden dePah’stegenwoordig altijd op een vlak stuk gronds gebouwd. Zij bestaan uit eene dubbele palissadeering van dikke, lange palen, in eene zigzag-lijn opgesteld, zoodat elk deel van het terrein bestreken kan worden. Binnen de palissadeering ligt een hoop opgeworpen aarde, waarachter de verdedigers veiligkunnen uitrusten of hunne vuurwapenen aanleggen. Soms loopen er lage, overwelfde gangen over den vlakken grond naar de borstwering, waardoor de bezetting naar de palissadeering kan kruipen, om den vijand te verkennen. Rev. W. Williams, die mij dit verhaalde, voegde er bij, dat hij in een Pah stut- of steunwanden had gevonden, die naar de binnen- of beschutte zijde van den aardheuvel uitstaken. Op zijne vraag aan het opperhoofd naar het nut hiervan, antwoordde deze, dat als eenige zijner manschappen vielen, hunne makkers niet de lijken mochten zien, waardoor zij den moed zouden verliezen. Deze Pah’s worden door de Nieuw-Zeelanders als zeer volmaakte verdedigingsmiddelen beschouwd, want de aanvallers zijn nooit zoo goed georganiseerd, dat zij in gesloten gelederen naar de palissadeering stormen, deze omhakken en een bres maken. Als een stam ten oorlog gaat, kan het hoofd nooit den eenen troep hier en dan anderen daar commandeeren, want ieder man vecht op de manier die hem het beste bevalt; en om één voor één eene palissadeering te naderen, die met vuurwapenen verdedigd wordt, schijnt den aanvallers terecht een wisse dood toe. Ik denk niet, dat ergens ter wereld een krijgshaftiger volk te vinden zal zijn, dan de Nieuw-Zeelanders. Hunne houding toen zij voor het eerst een schip zagen (volgens het verhaal van kapitein Cook) bewijst dit duidelijk;6en de handeling om hagelbuien van steenen naar zulk een groot en vreemd gevaarte te werpen, alsmede hunne uitdaging tot het scheepsvolk: “Komt aan land en wij zullen u allen dooden en opeten,” getuigen van ongewone driestheid. Deze oorlogzuchtige geest blijkt ook uit vele hunner gewoonten en zelfs uit de minste handelingen. Als een Nieuw-Zeelander geslagen wordt, al is het ook uit gekheid, moet die slag worden teruggegeven; en daarvan zag ik een voorbeeld tegenover een onzer officieren.Door de toenemende beschaving is er tegenwoordig veelminder oorlog, uitgenomen tusschen enkele zuidelijke stammen. Ik hoorde eene eigenaardige anecdote vertellen van een voorval, dat eenigen tijd geleden in het zuiden plaats had. Een zendeling bezocht een opperhoofd, die zijn stam ten oorlog rustte: de musketten waren schoon en gepoetst, en de munitie lag gereed. Nadat hij lang over het nuttelooze van den oorlog had gesproken, en gewezen op de geringe beleediging, die hem had uitgelokt, was het opperhoofd zeer in zijn besluit geschokt en scheen te aarzelen; maar eindelijk viel het hem in, dat een zijner vaatjes kruit in slechten staat verkeerde, en niet lang meer goed zou blijven. Dit werd als een onwederlegbaar bewijs aangevoerd voor de noodzakelijkheid om den oorlog onmiddellijk te verklaren: immers, men mocht er niet aan denken zooveel goed kruit te laten bederven! En dit argument gaf den doorslag. De zendelingen vertelden mij, dat bij Shongi—het opperhoofd dat Engeland bezocht—de zucht naar oorlog de eenige en bestendige drijfveer was van al zijne handelingen. De stam, waarvan hij het voornaamste hoofd was, werd eens door een anderen stam aan de Thames-rivier veelvuldig lastig gevallen. Alle mannen van Shongi’s stam zwoeren daarop een duren eed, dat als hun knapen volwassen en krachtig genoeg zouden zijn, zij deze beleedigingen nimmer zouden vergeten noch vergeven. Het gestand doen van dien eed schijnt de hoofdreden te zijn geweest, waarom Shongi naar Engeland ging; en eenmaal hier, was het zijn eenig doel. Geschenken werden alléén op prijs gesteld, wanneer zij in wapenen konden worden omgezet; van de kunsten boezemden alleen zoodanige hem belang in, die op het maken van wapenen betrekking hadden. Te Sydney ontmoette Shongi door een zonderling toeval het vijandig opperhoofd van de Thames-rivier ten huize van den heer Marsden. Hunne houding over en weer was beleefd, maar Shongi vertelde hem, dat hij nooit zou ophouden zijn land te beoorlogen, als hij op Nieuw-Zeeland terug was. De uitdaging werd aangenomen, en na zijn terugkeer volvoerde Shongi zijne bedreiging tot de laatste letter. De stam aan de Thames-rivierwerd geheel overhoop geworpen, en het hoofd zelf, tot wien de uitdaging gericht was, gedood. Hoewel Shongi zulke diepgewortelde gevoelens van haat en wraak koesterde, wordt hij beschreven als iemand, die eene goede inborst bezat.Des avonds ging ik met kapitein Fitz-Roy en een der zendelingen, den heer Baker, een bezoek brengen aan Kororadika. Wij wandelden het dorp door, en zagen en praten met verscheidene lieden, zoo mannen, vrouwen als kinderen. Den Nieuw-Zeelander ziende, vergelijkt men hem terecht met den Tahitiër, want beiden behooren tot dezelfde menschen-species.7De vergelijking valt echter zeer ten nadeele van den Nieuw-Zeelander uit. Deze moge al wat meer energie bezitten, in alle andere opzichten is zijne hoedanigheid van eene veel lagere orde. Een enkele blik op hunne gelaatsuitdrukking overtuigt ons, dat de een een wilde, de ander een beschaafd mensch is. Op geheel Nieuw-Zeeland zou men te vergeefs een man zoeken met het gelaat en voorkomen van het oude Tahitische stamhoofd Utamme. Ongetwijfeld geeft de buitengewone manier, waarop hier het tatoueeren geschiedt, eene ongewone uitdrukking aan hun gezicht. De samengestelde doch symmetrische figuren, die het geheele gezicht bedekken, verbijsteren en misleiden een ongeoefend oog, terwijl bovendien de diepe insnijdingen, door verstoring van het spel der peripherische spieren, waarschijnlijk eene uitdrukking van stroeve onbeweeglijkheid voortbrengen. Maar behalve dit, vertoont het oog eene flikkering, die niets anders dan list en wreedheid kan beteekenen. Hunne lichamen zijn groot en forsch, doch in fraaiheid van vormen niet te vergelijken bij die der arbeidersklassen op Tahiti.Zoowel zij zelven als hunne huizen zijn onzindelijk, vuil en walgelijk; het denkbeeld om lichaam of kleêren te wasschen schijnt nooit in hun hoofd op te komen. Ik zag een opperhoofd, die een hemd droeg, zwart van de korsten vuil,en die op mijne vraag hoe dit zoo morsig was, verwonderd antwoordde:“Ziet gij dan niet, dat het een oud hemd is?”Enkele mannen dragen hemden; maar de gewone kleeding bestaat uit een of twee groote wollen dekens, die meestal zwart zien van het vuil en op zeer ongemakkelijke, lompe manier over de schouders zijn geworpen. Enkele voorname hoofden hebben eene passende kleeding van Engelsche stoffen, die echter alleen bij hooge gelegenheden worden gedragen.23 December.Op eene plaats, genaamd Waimate, die omstreeks 15 mijlen van de Eilanden-Baai en halverwegen tusschen de oost- en westkusten ligt, hebben de zendelingen eenig land gekocht, met het doel dit te bebouwen. Het was daar dat ik een bezoek ging brengen bij den heer W. Williams, die mij op mijn verzoek hiertoe had uitgenoodigd en bij wien ik geïntroduceerd was. Bushby, de Britsche resident, bood aan mij in zijne boot mede te nemen door eene kreek, waar ik een fraaien waterval zou zien, en welke tevens mijne wandeling zou bekorten. Ook verschafte hij mij een gids. Op zijne vraag aan een naburig hoofd om mij een geschikt man aan te wijzen, bood het hoofd zich zelf aan; maar zoo groot was zijne onwetendheid omtrent de waarde van het geld, dat hij eerst vroeg hoeveel pond ik hem zou geven, en later met twee dollars tevreden was. Toen ik het hoofd een zeer klein pak liet zien, dat ik wilde laten dragen, moest hij met alle geweld een slaaf nemen. Deze trotsche neigingen beginnen nu te slijten; maar vroeger zou een hoofdpersoon liever zijn gestorven, dan de vernedering ondergaan ook zelfs den kleinsten last te dragen. Mijn metgezel, voorheen een groot krijgsoverste, was een vlug, bedrijvig man met een geheel getatoueerd gezicht en eene vuile deken tot kleeding. Hij scheen met Bushby op zeer goeden voet te staan, ofschoon zij dikwijls samen getwist hadden. Bushby deed mij de opmerking, dat op oogenblikken, als deze inboorlingen het meest snoeven, eene kleine dosis kalme spotternij hun menigmaal het zwijgenoplegt. Zoo was dit opperhoofd eens bij hem gekomen en had op snoevenden toon gezegd:“Een groot opperhoofd, een beroemd man en mijn vriend is bij mij op bezoek gekomen. Gij moet hem wat goeds te eten geven, fraaie geschenken aanbieden, enz...”Bushby had hem zijne redevoering laten uitspreken en toen op kalmen toon geantwoord:“Wat zou uw slaaf dan anders voor u doen?”Met een zeer grappig gebaar had de man toen zijne opsnijderij gestaakt.Eenigen tijd geleden had de heer Bushby een veel ernstiger aanval te doorstaan. Een opperhoofd poogde met zijn troep midden in den nacht in zijn huis te dringen; en toen dit niet zoo gemakkelijk ging, openden zij een levendig geweervuur. Bushby werd licht gewond; maar eindelijk moest de troep wijken. Kort daarna ontdekte men wie de aanvaller was, en had eene algemeene samenkomst der hoofden plaats om het geval te bespreken. De Nieuw-Zeelanders beschouwden het als zeer misdadig, op grond dat de aanval bij nacht was geschied en Bushby ziek te bed lag. Zeer tot hunne eer, gold deze laatste omstandigheid algemeen als reden om Bushby in bescherming te nemen. En zoo besloten de hoofden, het land van den aanvaller ten bate van den koning van Engeland verbeurd te verklaren. Deze krasse handelwijze, om een opperhoofd, een gelijke, zóó te vervolgen en te straffen, was echter geheel zonder voorbeeld. Bovendien verloor de aanvaller de aanspraak op de achting zijner gelijken; en dit werd door de Engelschen als van meer gewicht beschouwd dan de verbeurdverklaring van zijn land.Op het oogenblik dat de boot van wal stak, stapte er een tweede opperhoofd in, die alleen voor zijn pleizier de kreek eens op en neer wilde varen. Nooit zag ik een terugstootender en woester uitdrukking dan op het gezicht van dezen man. Onmiddellijk trof het mij, dat ik ergens zijn evenbeeld gezien had, en eindelijk herinnerde ik mij dat dit was op een der teekeningen van Retzsch bij Schiller’s ballade“Fridolin”, waar twee mannen Robert in het brandende open fornuis duwen.8Het woeste opperhoofd geleek op den man, die zijn arm op Robert’s borst legt. De gelaatsuitdrukking sprak hier waarheid: dit opperhoofd was een bekend moordenaar geweest, en was een berucht lafaard bovendien. Op het punt, waar de boot landde, vergezelde Bushby mij een kort eind den weg op. Ik kon toen niet nalaten de koele onbeschaamdheid te bewonderen, waarmede de oude grijze booswicht, die in de boot bleef liggen, Bushby naschreeuwde:“Blijf niet te lang weg; het zou mij vervelen hier te moeten wachten.”Wij begonnen nu onze wandeling. De weg liep langs een goed gebaand pad, aan weerszijden begroeid met het hooge varenkruid, dat het geheele land bedekt. Nadat wij eenige mijlen hadden geloopen, kwamen wij aan een landelijk dorpje, uit enkele hutten bestaande en omringd door eenige plekjes grond, waarop aardappelen waren gepoot. Het invoeren van den aardappel is voor het eiland van het wezenlijkste nut geweest, en hij wordt thans veel meer gegeten dan de inlandsche gewassen. Nieuw-Zeeland bezit een groot natuurlijk voorrecht, namelijk, dat de inwoners er nooit van honger zullen sterven. Het geheele land vloeit over van het meer genoemde varenkruid; en de wortels van deze plant, ofschoon niet smakelijk, bevatten toch veel voedsel. Een inboorling kan altijd hiervan leven, en heeft bovendien een overvloed van schaaldieren op elk gedeelte der zeekust.9De dorpen zijn voornamelijk kenbaar aan de platte vloeren of daken, welke op vier palen tien of twaalf voet hoog boven den grond zijn opgericht, en als veilige bewaarplaats voor de veldvoortbrengselen dienen.Dicht bij eene der hutten gekomen, zag ik tot mijn grootgenoegen de eigenaardige plichtpleging van het wrijven, of, gelijk men het noemen moest, het drukken der neuzen in haar waren vorm. Terstond bij onze nadering begonnen de vrouwen iets met zeer klagende stem te prevelen, gingen toen op hare hurken zitten en hielden de gezichten op. Mijn metgezel ging achtereenvolgens voor ze staan, plaatste den kant van zijn neus rechthoekig op den haren en begon te drukken. Dit duurde niet langer dan een hartelijke handdruk bij ons; en evenals wij bij het handschudden de kracht van den druk veranderen, zoo doen ook zij met den neus. Gedurende het drukken uitten zij een zacht tevreden geknor, dat zeer veelovereenkwammet het geluid dat twee varkens maken, die hunne gezichten tegen elkander wrijven. Ik merkte op, dat de slaaf of mindere zijn neus drukte tegen elk dien hij ontmoette, onverschillig vóór of na zijn meester, het opperhoofd. Ofschoon bij deze wilden het hoofd volstrekte macht heeft over leven en dood, bestaat tusschen hen geen enkel spoor van plichtpleging. Burchell heeft hetzelfde opgemerkt bij de ruwe Bechuanen in Zuid-Afrika. Waar de beschaving een zekeren trap heeft bereikt, ontstaan weldra samengestelde wellevendheidsvormen tusschen de verschillende klassen der samenleving. Zoo waren, bijv., op Tahiti alle inwoners verplicht zich in tegenwoordigheid des konings tot aan het midden te ontblooten.Toen de plichtpleging van het neusdrukken tusschen alle aanwezigen naar behooren was afgeloopen, gingen wij in een kring voor een der hutten zitten, en bleven daar een half uur. Alle hutten hebben nagenoeg dezelfde vorm en afmetingen, en komen in vuilheid en onreinheid met elkander overeen. Zij gelijken op een koestal, waarvan het eene einde open is, maar hebben dicht bij den ingang een tusschenmuur met een vierkant gat er in, dat toegang geeft tot eene kleine donkere kamer. In deze kamer bergen de bewoners al hun eigendom, en bij koud weder slapen zij er in; maar zij eten en brengen hun tijd door in het open voorgedeelte. Toen mijne gidsen hunne pijpen uitgerookt hadden, vervolgden wij onze wandeling. Het pad leidde door dezelfdegolvende landstreek, die weer overal met varenkruid bedekt was. Aan onze rechterhand vloeide eene kronkelende rivier, waarvan de oevers met boomen waren beplant; en hier en daar op de heuvels vertoonde zich eene strook bosch. In weerwil van de groene kleur, had het geheele landschap een eenigszins mistroostigen aanblik. Het gezicht van zooveel varenkruid maakte onwillekeurig den indruk van onvruchtbaarheid, hetgeen echter niet juist is: want waar het varenkruid zoo dicht en hoog groeit (het reikt tot aan de borst), wordt het land door akkerbouw vruchtbaar. Sommige bewoners denken, dat dit uitgestrekte, open land vroeger geheel met wouden bedekt was, die later door vuur zijn verwoest. Naar men zegt, worden bij gravingen op de kaalste plekken dikwijls stukken hars gevonden, welke uit denkauri-pijnboom (Agathis australis) vloeit.10De inboorlingen hadden blijkbaar gegronde reden om het land te ontbosschen, want het varenkruid (Pteris esculenta), dat vroeger het voornaamste voedingsmiddel was, bloeit alleen in de open, boschvrije gedeelten.11De bijnatotale afwezigheid van gemengde grassoorten—zulk een merkwaardig kenmerk in de flora van dit eiland—laat zich wellicht hierdoor verklaren, dat het land voorheen met woudboomen bedekt is geweest.De grond is vulkanisch; op verscheidene plaatsen gingen wij over slakkenvormige lava’s, en op vele naburige bergen kon men duidelijk kraters onderscheiden. Ofschoon het landschap nergens schoon, en alleen nu en dan aardig is, genoot ik van mijne wandeling en zou dit nog meer gedaan hebben, indien mijn metgezel, het opperhoofd, niet zoo bijzonder spraakzaam was geweest. Ik kende slechts drie woorden van zijne taal: “goed”, “slecht” en “ja”; en daarmede beantwoordde ik al zijne opmerkingen, zonder natuurlijk een enkel woord te verstaan van wat hij zeide. Maar dit was voldoende: ik was een goed “toehoorder”, een “aangenaam” persoon, en daarom hield hij niet op met praten.Eindelijk bereikten wij Waimate. Na zooveel mijlen door een onbewoond en onnut land te zijn getrokken, was de plotselinge verschijning van eene Engelsche boerderij met hare goed bebouwde velden, die daar als door toovenaarshand geplaatst was, eene uiterst aangename verrassing. Daar de heer Williams niet thuis was, heette Davies mij in zijne woning hartelijk welkom; en nadat ik hier met zijn gezin had thee gedronken, deden wij eene wandeling om de boerderij. In Waimate zijn drie groote huizen, waarin de zendelingen Williams, Davies en Clarke wonen; en dicht daarbij staan de hutten der inlandsche arbeiders. Op eene naburige helling stonden talrijke gerste- en tarwearen in vollen bloei, en op een ander veld zag men aardappelen en klaver. Maar, al wat ik zag, te beschrijven, is onmogelijk. Er waren groote moestuinen, waarin alle vruchten en groenten, die Engeland zelf voortbrengt, en bovendien vele uit een warmer klimaat. Ik noem slechts: asperges, witte boonen, komkommers, rhabarber, appelen, peren, vijgen, perziken, abrikozen, druiven, olijven, kruisbessen, aalbessen, hop, brem voor palissadeeringen, en Engelsche eiken; ook zag ik vele soorten bloemen. Rondom de boerderij warenvele stallen, eene dorschschuur met haar wantoestel, eene grofsmederij, en op den grond ploegscharen met ander gereedschap. Te midden van dit alles heerschte dat landelijke gezelschapsleven van varkens en kippen, die genoeglijk bij elkander lagen, evenals op elke boerderij in Engeland. Op eene afstand van een paar honderd yards, ter plaatse waar het water van een beekje in een vijver was afgedamd, stond een groote heusche watermolen.Dit alles is zeer verrassend, zoo men bedenkt, dat hier vijf jaren geleden niets anders dan varenkruid groeide. En wat meer zegt: al deze verandering is geschied door inlandsche werklieden, door zendelingen in de kunst onderwezen; de les van den zendeling is hier de staf van den toovenaar. De huizen zijn gebouwd, de vensters ingezet, de velden beploegd en zelfs de boomen geënt... door Nieuw-Zeelanders. Bij den molen zagen wij een Nieuw-Zeelander, wit gepoederd met meel, evenals zijn vakbroeder in Engeland. Toen ik dit geheele tooneel aanschouwde, bewonderde ik het in gedachte. Die bewondering sproot niet zoozeer voort uit het feit, dat alles mij levendig aan Engeland herinnerde—want toen de avond daalde, deden ook de huiselijke geluiden, de wuivende korenvelden, en het golvende land met zijn geboomte in de verte, onwillekeurig aan het vaderland denken: ook niet uit het zegevierende bewustzijn, nu ik zag wat Engelschen tot stand konden brengen—maar veeleer uit de hooge verwachtingen, die mij vervulden in den toekomstigen voorspoed van dit belangrijke eiland.Verscheidene jonge mannen, die door de zendelingen uit de slavernij waren afgekocht, werkten op de boerderij. Zij waren gekleed in hemd, buis en broek, en zagen er fatsoenlijk uit. Te oordeelen naar eene onbeduidende anecdote, die ik even wil vertellen, zou ik hen voor eerlijke lieden houden. Op onze wandeling door de velden kwam een jonge inlander naar Davies toe, en gaf hem een mes en eene zwikboor, zeggende dat hij deze op den weg gevonden had, en niet wist aan wien zij toebehoorden. Deze jonge mannen en knapen schenen zeer vroolijk en opgeruimd. Des avonds zagik een troepje van hen cricket spelen; toen ik daarbij dacht aan den stuggen ernst, waarvan de zendelingen beschuldigd worden, deed het mij genoegen te zien, dat een hunner eigen zoons lustig aan het spel deelnam. Een meer bepaalde en aangename verandering vertoonden de jonge vrouwen, die als dienstboden binnenshuis werkten. Door haar helder, net en gezond uiterlijk, evenals van de melkmeisjes in Engeland, vormden zij eene gunstige tegenstelling met de vrouwen uit de morsige hutten in Kororadika. De vrouwen der zendelingen hadden getracht haar van het tatoueeren af te brengen; maar toen op zekeren dag een vermaard “snijmeester” uit het zuiden kwam, zeiden de meisjes:“Wij moesten toch eigenlijk een paar strepen op de lippen hebben; want anders zullen onze lippen rimpelen als wij oud worden, en zullen wij zoo erg leelijk worden.”Wel geschiedt het tatoueeren niet meer zoo druk als vroeger; maar wijl het een kenteeken is ter onderscheiding van hoofd en slaaf, zal het waarschijnlijk lang in gebruik blijven. Hoezeer een gedachtensleur gewoonte kan worden, bleek uit de verklaring der zendelingen, dat zelfs inhunneoogen een glad gezichtalledaagschscheen, en niet zoo fraai als dat van een Nieuw-Zeelandschengentleman.Laat in den avond ging ik naar het huis van Williams, waar ik overnachtte. Ik vond er een groot gezelschap kinderen, die voor den Kerstdag waren bijeengekomen en nu allen aan eene tafel zaten thee te drinken. Nooit zag ik een aardiger, opgeruimder troepje; en dan te denken, dat dit midden in het land van kannibalisme, moord en alle gruwelijke misdaden was! De hartelijkheid en het geluk, die zoo duidelijk op de gezichten van het kleine volkje te lezen stonden, schenen ook door de oudere personen der zending gevoeld te worden.24 December.Des morgens werden aan de geheele familie gebeden voorgelezen in de landstaal, en na het ontbijt deed ik eene rondwandeling door de tuinen en de boerderij. Het was een marktdag, als wanneer de inboorlingen der omliggende gehuchten hunne aardappelen,maïs of varkens komen inruilen tegen dekens, tabak en somtijds zeep, als de zendelingen hen daartoe kunnen overreden. De oudste zoon van Davies, die eene eigen boerderij bezit, is de zakenman op de markt. De kinderen der zendelingen, die jong op het eiland kwamen, verstaan de taal beter dan hunne ouders, en kunnen gemakkelijker iets van de inlanders gedaan krijgen.Kort vóór den middag wandelden de heeren Williams en Davies met mij naar een gedeelte van het naburige woud, om mij den vermaarden Kauri-pijnboom te laten zien. Ik mat een dier prachtige boomen en vond, dat hij een omtrek had van 31 voet boven de wortels. Dichtbij was een andere, dien ik niet zag, van 33 voet; en men vertelde mij van een, die niet minder dan 40 voet in omtrek was. Deze boomen zijn vermaard om hunne gladde cylindervormige stammen, die eene hoogte bereiken van zestig, en zelfs negentig voet met bijna dezelfde middellijn en zonder een enkelen tak. De kroon van takken aan hun top staat in geen enkele verhouding tot den stam, en ook de bladeren zijn klein in vergelijking met de takken. Het woud bestaat hier bijna geheel uit kauri’s, waarvan de hoogste boomen met hunne evenwijdige zijden als reusachtige houten zuilen voor den toeschouwer oprijzen. Het hout van denkauriis het kostbaarste voortbrengsel van het eiland; ook zijpelt er eene hoeveelheid hars uit den stam, die, voordat het gebruik er van bekend was, tegen eenepennyhet pond verkocht werd.12Enkele wouden op Nieuw-Zeeland moeten bijna geheel ondoordringbaar zijn. De heer Matthews vertelde mij, dat een woud van slechts 34 mijlen in doorsnede, hetwelk twee bewoonde districten scheidde, eerst onlangs voor deeerste maal was doorgetrokken. Hij en een andere zendeling, ieder met een troep van omstreeks 50 man, poogden een weg te banen; maar dit kostte hun meer dan 14 dagen werk! In de bosschen zag ik zeer weinig vogels. Wat dieren betreft, is het een hoogst merkwaardig feit, dat zulk een groot eiland—meer dan 700 mijlen lang en op vele plaatsen 90 mijlen breed13—met afwisselende gronden, een fraai klimaat, en land van allerlei hoogten tot 14000 voet, geen enkel inheemsch dier bezit, met uitzondering van eene kleine rat. De verschillende soorten van het reusachtige vogelgeslachtDinornisschijnen hier de viervoetige zoogdieren te hebben vervangen, evenals nog heden de kruipende dieren op de Galápagos-Eilanden. Men zegt, dat de gewone Noorweegsche rat de Nieuw-Zeelandsche soort in den korten tijd van twee jaren op het noordelijk einde van het eiland heeft uitgeroeid. Op vele plaatsen bemerkte ik verscheidene soorten onkruid, die ik evenals de ratten als mijn landgenooten moest erkennen; en aan een Fransch schip komt de eer toe eenepreite hebben ingevoerd, die zich over geheele districten heeft verspreid, en ongetwijfeld zeer lastig zal blijken. Ook de gewone zuring (Rumex acetosa) is hier wijd en zijd verspreid en zal, naar ik vrees, altijd ten bewijze strekken van de schelmerij door een Engelschman gepleegd, die de zaden er van verkocht voor die van de tabaksplant.Van onze aangename wandeling in het huis teruggekeerd, at ik bij den heer Williams, die mij vervolgens een paard leende om naar de Eilanden-Baai terug te keeren. Met dankbaarheid voor de hartelijke ontvangst en met gevoelens van eerbied voor hunne beschaafde, nuttige en rechtschapen persoonlijkheden, nam ik van de zendelingen afscheid. Ik geloof, dat men moeilijk een corps mannen zou vinden, die beter dan zij voor de hooge roeping geschikt zijn, welke zij nastreven.Kerstdag.Nog enkele dagen, en het vierde jaar van onze afwezigheid uit Engeland zal verstreken zijn. Onzen Eersten Kerstdag brachten wij door in Plymouth; den tweeden in de St.-Maartens-Kreek bij Kaap Hoorn; den derden te Port Desiré in Patagonië; den vierden voor anker in eene afgelegen haven van het schiereiland Tres Montes; den vijfden hier; en zoo de Voorzienigheid wil, zal de volgende in Engeland zijn. Wij woonden eene godsdienstoefening bij in de kapel van Pahia, waar de dienst gedeeltelijk in het Engelsch en gedeeltelijk in de landstaal gehouden werd. Zoolang wij op Nieuw-Zeeland waren, hoorden wij van geen nieuwe daden van kannibalisme. Wel vond Stoke op een eilandje bij de ankerplaats verbrande menschenbeenderen om een vuurhaard verspreid liggen; maar mogelijk lagen deze overblijfselen van een smakelijken maaltijd er reeds verscheidene jaren. Het is waarschijnlijk, dat de zedelijke geaardheid van het volk snel verbeteren zal. Bushby vertelde eene aardige anecdote als staaltje van oprechtheid van althans enkele personen, die het christendom belijden. Een zijner jongelieden, die gewoon was aan de andere bedienden gebeden voor te lezen, verliet hem. Toen hij eenige weken daarna des avonds laat langs een bijgebouw ging, zag en hoorde hij een van zijne lieden den anderen, bij het licht van het haardvuur, met moeite uit den bijbel voorlezen. Daarna knielden zij en baden: en in hun gebed noemden zij de namen van Bushby, zijn gezin en van de zendelingen, elk in zijn eigen district.26 December.Bushby deed Sulivan en mij het aanbod om in zijne boot eenige mijlen de rivier op te varen in de richting naar Cawa-Cawa, en stelde daarna eene wandeling voor naar het dorp Waiomio, waar eenige belangrijke rotsen zijn. Wij volgden een der armen van de baai en hadden nu een aangenamen roeitocht te midden van aardige landschappen, totdat wij in een dorp kwamen, waar de boot niet verder kon. Hier boden een opperhoofd en zijne mannen vrijwillig aan met ons naar Waiomio te wandelen, een afstand van vier mijlen. Ditopperhoofd was destijds eenigszins berucht, doordien hij onlangs een zijner vrouwen en een slaaf wegens overspel had opgehangen. Toen een der zendelingen hem daarover ernstig onderhield, scheen hij zeer verwonderd en zeide, dat hij dacht stipt de Engelsche methode te volgen. De oude Shongi, die in Engeland bij het verhoor der Koningin aanwezig was, sprak zijne diepe afkeuring uit over het geheele proces; hij zeide, dat hij vijf vrouwen had en haar liever allen het hoofd zou laten afslaan dan zich om ééne zoozeer te kwellen. Dit dorp verlatende, staken wij over naar een ander, dat op korten afstand op een heuvelhelling lag. Vijf dagen te voren was de dochter van een opperhoofd gestorven, die nog heiden was. De hut, waarin zij stierf, was tot den grond toe verbrand en door eene schutting omgeven, waarop hunne houten afgodsbeelden stonden. Het geheel was vuurrood geverfd, opdat het van verre zichtbaar zou zijn. Hare japon was aan de doodkist bevestigd, en het afgesneden haar lag aan hare voeten. De bloedverwanten hadden zich het vleesch van de armen, lichamen en aangezichten gescheurd, zoodat zij met geronnen bloed bedekt waren; maar de oude vrouwen zagen er het vuilst en het walgelijkst uit. Den volgenden dag bezochten eenige officieren deze plek, en vonden de vrouwen nog huilend en bezig hare lichamen stuk te rijten.Wij vervolgden onze wandeling en bereikten weldra Waiomio. Hier staan eenige zonderlinge rotsen van kalksteen, die op ruïnen van kasteelen gelijken. Deze rotsen hebben langen tijd tot begraafplaatsen gediend, en worden bijgevolg als te heilig beschouwd om ze te mogen naderen. Toch riep een der jonge mannen tot de anderen: “Wie heeft den moed om meê te gaan?” en snelde vooruit; maar op nog geen honderd yards van de rotsen gekomen, dacht de geheele troep er anders over en bleef staan, ofschoon men ons met volkomen onverschilligheid toestond de geheele plek in oogenschouw te nemen. In het dorp rustten wij eenige uren uit, welke tijd besteed werd aan een lang onderhoud met Bushby over het recht van verkoop van sommigelanden. Een oud man, die een volleerd geslachtkundige scheen, duidde de achtereenvolgende bezitters aan door stukjes takken in den grond te steken. Voordat wij de huizen verlieten werd aan elk van ons gezelschap een mandjevol gebakken aardappelen uitgereikt, en volgens gebruik namen wij die mede om onderweg op te eten. Onder de vrouwen, die bezig waren met koken, merkte ik ook een mannelijken slaaf op. In een oorlogzuchtig land, als dit, moet het voor een man iets vernederends zijn werk te doen, dat als het laagste vrouwenwerk wordt beschouwd. Dat men slaven niet ten oorlog laat gaan, daarin heeft men misschien niet geheel en al ongelijk. Ik hoorde vertellen van een armen drommel, die tijdens de vijandelijkheden naar de tegenpartij overliep. Hier werd hij onmiddellijk door twee mannen gegrepen; maar wijl zij het niet eens konden worden aan wien hij zou toebehooren, stond elk met een bijl boven zijn hoofd gereed, vast besloten, dat de ander hem ten minste niet levend kon meênemen. Alleen door het beleid van de vrouw van een opperhoofd werd de arme man, die bijna dood was van schrik, gered. Daarna hadden wij eene aangename wandeling naar de boot terug, doch bereikten het schip niet voor des avonds laat.30 December.Des namiddags stevenden wij de Eilanden-Baai uit en zetten koers naar Sydney. Ik geloof, dat wij allen blijde waren Nieuw-Zeeland te verlaten. Het is geen aangenaam oord. Onder de inboorlingen mist men dien beminnelijken eenvoud, welken men op Tahiti vindt, en het meerendeel der Engelschen is het uitschot der maatschappij. Ook is het land zelf niet aantrekkelijk. Slechts op eene enkele schoone plek zie ik met dankbaarheid terug, en dat is Waimate met zijne christelijke bewoners.1Deze oostelijk van Tahiti gelegen archipel is een Fransche kolonie en voert den officiëelen naam vanTuamotu-Eilanden. Het woord Tuamotu wil zeggen “Afgelegen.” Zijne verdere namen zijnPaumotu- of Overwonnen-Eilanden; Lage Eilanden (volgens Krusenstern); Gevaarlijke Archipel (volgens Bougainville); en eindelijk de Paarlen-Eilanden (volgens de handelaren). Dien laatsten naam ontleenen zij aan hun kostbaarst product: de paarlen. De schoonste parel, die hier gevonden werd en later aan de Koningin van Engeland toebehoorde, werd met ƒ 72000 betaald. Zeer groote en kostbare exemplaren zijn echter zeldzaam. Van de 78 eilanden der groep, die 700 □ kilom. groot is en in 1897 5373 inwoners telde, hebben 35 parelbanken in hunne lagunen.(Vert.)2Pomaré is de naam van eene voormalige dynastie op Tahiti. Zij ving aan in 1793, en de laatste koning van dien naam, Pomaré V, deed afstand van den troon in 1880.(Vert.)3Caprifolium.4Jasminum.5Rosa canina.6James Cook ontdekte Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië in de jaren 1768–1771.(Vert.)7Tot deMaleiers—de vijfde der twaalf species.8Moritz Retzsch (1779–1857) bekend door zijn prachtige illustratiën bij de werken van Goethe en Schiller.(Vert.)9Daarbij heeft het eiland eene zeer geringe bevolkingsdichtheid, want op eene oppervlakte van 268.461 □ kilom. (achtmaal Nederland) wonen, volgens de telling in 1908, slechts ongeveer 1,008,000 zielen, waaronder 47,731 Maoris.(Vert.)10OokDámmara australisgenoemd. Hij behoort tot deConiferaeen groeit ook op de Philippijnen, waar hij onder den naam van Dámmara-den of Fakkelboom bekend is. Hij levert de bekende dámmara-hars (resina dammarae), evenals de plantendámmaraenxylopiaop de Molukken. Deze boom, die in vele gevallen 40–50 meter hoog wordt, heeft voor zijne ontwikkeling eene vochtige zeelucht en een drogen kleibodem noodig, en groeit alleen op het noordwestelijk deel van het noordelijkste der twee groote eilanden, waaruit N.-Zeeland bestaat. Zijn hout komt nog het meest overeen met dat van den witten of zilverden in West-Europa, en is zoo duurzaam, dat stammen (veel gebruikt voor masten, mijnstutten, spoorliggers, enz.) die 50 jaren in de aarde hadden gestaan, niets geleden hadden. De kauri-pijnboom is voor het oerwoud in de noordelijke warmere streken van N.-Zeeland, wat de mammoeth-boom is in Californië, en de ceder van den Libanon in Voor-Azië. Dámmara komt van het Hindostansche woorddâmar, dat “hars” beteekent.(Vert.)11Men kent op N.-Zeeland 115 soorten van varens (varenkruiden en varenboomen). In de wouden vindt men varenboomen (DicksoniaenCyathea) van 10–13 meter hoogte.(Vert.)12Tegenwoordig is wol het belangrijkste uitvoerartikel van Nieuw-Zeeland. In 1901, bijv., werd uitgevoerd aan wol voor £ 3.699.000; aan vleesch voor £ 2.369.000; aan goud voor £ 1.754.000; aan boter voor £ 882.000; aan Kaurihars voor £ 746.000; aan huiden voor £ 405.000; aan hout voor £ 295.000; aan kaas voor £ 239.000; en aan steenkool voor £ 142.000.(Vert.)13In □ Engelsche mijlen is de oppervlakte 103,700.(Vert.)
20 October 1835.Toen de opmeting van de Galápagos-Eilanden was afgeloopen, zetten wij koers naar Tahiti en begonnen onzen langen tocht van 3200 mijlen. Binnen enkele dagen zeilden wij uit het donkere en bewolkte zeegebied, dat zich des winters tot ver van de Zuidamerikaansche kust uitstrekt, en hadden toen bij heldere en onbewolkte lucht eene aangename reis, met eene snelheid van 150 tot 160 mijlen daags voor een stijven passaatwind. In dit meer centrale gedeelte van den Stillen Oceaan is de temperatuur hooger dan bij de Amerikaansche kust. Nacht en dag wisselde de thermometer in de achterkajuit tusschen 80° en 83°, hetgeen een zeer aangenaam gevoel verwekt; maar één of twee graden hooger wordt de temperatuur drukkend. Wij voeren door den Lagen of Gevaarlijken Archipel,1en zagen verscheidene van die hoogst eigenaardigeringvormige koraalbanken, welke even boven den rand van het water uitsteken en Lagunen-eilanden genoemd zijn. Het lange, schitterend witte strand is met een groenen plantenzoom bedekt, die, waarheen men ook ziet, in de verte snel versmalt en onder den horizon verdwijnt. Van den top van den mast kan men een uitgestrekte, stille watervlakte binnen den ring zien. Deze lange, holle koraaleilanden staan in geen verhouding tot den uitgestrekten oceaan, waaruit zij zich steil verheffen; en het schijnt verwonderlijk, dat zulke zwakke banken door de machtige en rusteloos beukende golven van dien grooten en ten onrechte “De Stille” genoemden Oceaan niet reeds lang zijn weggespoeld.
15 November.Bij het aanbreken van den dag kwam Tahiti in zicht. Dit eiland moet bij elken reiziger in de Stille Zuidzee blijvende klassieke herinneringen achterlaten. Van verre was de aanblik niet aantrekkelijk. De welige plantengroei van het lagere gedeelte was nog niet zichtbaar; en toen de wolken wegdreven, vertoonden zich de ruwste en steilste bergtoppen tot bij het midden van het eiland. Zoodra wij in de baai Matavai ankerden, werden wij door kano’s omringd. Het was dien dag voor ons Zondag, maar voor Tahiti Maandag; in het omgekeerde geval zouden wij geen enkel bezoek hebben gekregen, daar het bevel om op rustdag geen enkele kano te water te laten streng wordt opgevolgd. Na het middageten gingen wij aan wal om al het genot te smaken, dat de eerste indrukken van een nieuw land bij den mensch verwekken—vooral nu dit land het bekoorlijke Tahiti was. Een drom van mannen, vrouwen en kinderen stond op het gedenkwaardigePoint Venusgeschaard, om ons met lachende, vroolijke gezichten te ontvangen, en vergezelde ons naar het huis van Mr. Wilson, den zendeling van het district, die ons onderweg te gemoet kwam en op zeer vriendelijke wijze ontving. Nadat wij eene korte poos in zijn huis gezeten hadden, scheidden wij om eene rondwandeling te doen, maar keerden des avonds er heen terug.
Het land, dat voor cultuur geschikt is, vormt bijna overalniet veel meer dan eene strook lage alluviale grond, die zich om den voet der bergen ophoopt en door eene koraalbank, welke de geheele kustlijn omringd, tegen het geweld der zee beschermd is. Binnen het rif bevindt zich eene uitgestrekte, stille watervlakte evenals een meer, waar de kano’s der inboorlingen veilig kunnen laveeren en waar de schepen ankeren. Het laagland, dat tot den oever van koraalzand reikt, is met de schoonste producten uit de tusschenkeerkringsstreken bedekt. Te midden van banaan-, oranje-, brood- en kokosboomen zijn open plekken, waaryam-ofbroodwortels(Dioscorea), suikerriet en pijnappels worden gekweekt. Zelfs het kreupelhout is een ingevoerde vruchtboom, nl. deguajavaboom, die om zijn overvloed even schadelijk is geworden als onkruid. In Brazilië heb ik dikwijls de afwisseling in schoonheid bewonderd, welke de banaan-, palm- en oranjeboomen in hunne tegenstellingen te zien geven; en dan hebben wij hier nog den broodboom, kenbaar aan zijn groot, glanzig en diep gevingerd blad. Bewonderenswaardig is de aanblik van geheele boschjes, uit een boom bestaande, die forsch als een Engelsche eik zijne takken uitstrekt, beladen met groote en uiterst voedzame vruchten. Hoe zelden ook het genoegen, waarmee wij een voorwerp zien, kan worden afgemeten naar het nut dat het biedt, toch laat zich in ’t geval van deze schoone bosschen het gevoel van bewondering ongetwijfeld voor een groot deel verklaren uit het besef van hunne groote vruchtbaarheid. Eene reeks van kleine slingerpaden leidden in de koele schaduw der omgeving naar de hier en daar verspreide huizen, waar de bewoners ons overal opgeruimd en met de meeste gastvrijheid ontvingen.
Niets beviel mij zoozeer als de aard der bewoners. Er ligt een zekere zachtheid in de uitdrukking van hun gezicht, dat elke gedachte aan vermeende wildheid terstond verdrijft, terwijl eene zekere schranderheid toont, dat zij in beschaving vooruitgaan. Lieden uit de volksklasse zijn onder het werk op het bovenlijf geheel naakt; en het is bij zulke gelegenheden, dat men de Tahitiërs op hun voordeeligst ziet. Zij zijnzeer groot, breedgeschouderd, sterk en goed geëvenredigd. Men heeft opgemerkt, dat een Europeaan spoedig zoozeer aan eene donkere huid gewent, dat hij die aangenamer en natuurlijker vindt dan zijne eigene kleur. Een blanke, die zich naast een Tahitiër baadde, was evenals eene plant welke een tuinman kunstmatig heeft gebleekt, vergeleken met eene fraaie donkergroene, die krachtig in het open veld bloeit. De meeste mannen zijn getatoueerd, en de versieringen volgen de bochten van het lichaam zoo regelmatig, dat het een hoogst bevalligen indruk maakt. Een gewoon patroon, met afwisselende détails en eenigszins op de kroon van een palmboom gelijkend, ontspringt uit de middellijn van den rug en kronkelt zich sierlijk naar wederzijden. Misschien is de gelijkenis denkbeeldig, maar ik vond, dat het lichaam van een aldus getatoueerden man op den stam van een sierboom geleek, waarom zich eene fraaie slingerplant windt.
Vele oudere personen hadden de voeten met kleine figuren bedekt, zoo geteekend, dat zij op eene zoogenaamdebroos(tooneelschoeisel) geleken; maar deze mode is gedeeltelijk verouderd en door andere opgevolgd. Hier moet elk zich houden aan de heerschende mode uit zijne jeugd, ofschoon die verre van onveranderlijk is. Bij een oud man staat deze dus voor altijd op zijn lichaam gestempeld, en kan hij zich nooit het air geven van een jongen modegek. De vrouwen zijn op dezelfde manier getatoueerd als de mannen, en wel zeer algemeen aan hare vingers. Eene ongepaste mode, nl. om het haar boven op het hoofd in een cirkelvorm weg te scheren, zoodat er slechts een buitenste krans overblijft, is nu bijna algemeen. De zendelingen hebben het volk pogen over te halen deze gewoonte te veranderen; maar het ismode, en dit woord is op Tahiti voldoende, evenals te Parijs. Zeer was ik teleurgesteld door het persoonlijk uiterlijk der vrouwen, die in elk opzicht ver onder de mannen staan. Een aardig gebruik is, om achter op het hoofd of door een klein gaatje in de ooren eene scharlakenroode bloem te dragen. Ook dragen zij een kransvan gevlochten kokosbladeren ter beschutting van de oogen. De vrouwen schijnen nog meer behoefte te hebben aan eene verandering in mode dan de mannen.
Bijna alle inboorlingen verstaan wat Engelsch, d.w.z. zij kennen de namen van gewone voorwerpen; en met behulp hiervan, alsmede door teekens, kon een gebrekkig soort van gesprek worden gevoerd. Toen wij des avonds naar de boot terugkeerden, hield een aardig tooneel, waarvan wij getuige waren, ons staande. Een aantal kinderen speelden op het strand en hadden vreugdevuren ontstoken, die de stille zee en de boomen in het rond verlichtten, terwijl andere, in kringen geschaard, Tahitische liederen zongen. Wij naderden het troepje en gingen in het zand zitten. De liedjes waren geïmproviseerd en zinspeelden, geloof ik, op onze komst; een klein meisje zong een regel, dien de anderen bij gedeelten herhaalden, zoodat er een zeer aardig koor ontstond. Het geheele tooneel herinnerde ons op ondubbelzinnige wijze, dat wij aan het strand zaten van een eiland in de wijdberoemde Zuidzee.
17 November.Deze dag staat in het logboek genoteerd als Dinsdag 17 November, in plaats van Maandag den 16den, ten gevolge van onze tot dusver voorspoedige jacht op de zon. Vóór het ontbijt werd het schip door eene flotielje kano’s omsingeld; en toen de inboorlingen verlof kregen aan boord te komen, bedroeg hun aantal waarschijnlijk niet minder dan 200. Ieder was van oordeel, dat het moeilijk zou geweest zijn er evenveel van een ander volk bijeen te krijgen, die zoo weinig last veroorzaakten. Elk bood iets te koop aan, waarbij schelpen het hoofdartikel vormden. De Tahitiërs begrijpen nu de waarde van het geld ten volle, en verkiezen het boven oude kleêren of andere artikelen, doch zijn verlegen met de verschillende munten van Engelsche en Spaansche stempels, en vertrouwen het zilver niet geheel voordat het tegen dollars is ingewisseld. Enkele hoofden hebben groote sommen geld bijeengebracht. Niet lang geleden bood een hunner 800 dollars (ongeveer 160 pond sterling) voor een klein schip, en dikwijls koopenzij walvischbooten en paarden voor den prijs van 50 tot 100 dollars.
Na het ontbijt ging ik aan wal, en beklom de naastbijzijnde steilte tot eene hoogte van 2–3000 voet. De buitenste bergen zijn glad en kegelvormig, maar steil; en de oude vulkanische gesteenten, waaruit zij bestaan, worden doorsneden van vele diepe ravijnen, die uit de ongenaakbare bergachtige gedeelten van het midden van het eiland naar de kust loopen. Na de smalle, lage en vruchtbare, doch onbewoonde landstreek te zijn doorgetrokken, volgde ik een effen steilen bergkam tusschen twee diepe ravijnen. Eigenaardig was hier de plantengroei, bijna geheel uit kleine dwergvarens bestaande, die hooger op met grof gras vermengd was en niet heel veel verschilde van die, welke men op sommige bergen in Wallis ontmoet. Eene dergelijke vegetatie, zoo dicht boven den boomgaard van tropische gewassen op de kust, was zeer verrassend. Op het hoogste punt, dat ik bereikte, verschenen weder boomen. De laagste der drie betrekkelijk rijke plantenzonen dankt hare vochtigheid, en dus hare vruchtbaarheid, aan hare vlakke ligging; want daar zij zich nauwelijks boven den zeespiegel verheft, vloeit het water uit het hoogere land langzaam af. De tusschenzone reikt niet, zooals de bovenste, in een vochtigen en bewolkten dampkring, en blijft daardoor onvruchtbaar. De bosschen in de bovenste zone bestaan uit zeer fraaie boomvarens, die de kokosnoot van de kust vervangen. Toch moet men zich niet voorstellen, dat deze bosschen maar eenigszins de wouden van Brazilië in pracht evenaren. Men kan trouwens niet verwachten, dat het groot aantal voortbrengselen, waardoor een vasteland zich kenmerkt, op een eiland voorkomt.
Van het hoogste punt, dat ik bereikte, had men van verre een goed uitzicht op het eiland Eimeo, dat onder dezelfde souvereiniteit staat als Tahiti. Boven de hooge en spitse toppen stapelden zich witte wolkgevaarten, die een eiland vormden aan den blauwen hemel, zooals Eimeo zelf in den blauwen oceaan. Met uitzondering van eene kleine doorvaart,is het eiland geheel door een koraalrif omringd. Van verre was daarvan slechts eene smalle, doch scherp begrensde, schitterend witte streep zichtbaar, waar de golven het eerst de koraalbank troffen. Steil verrezen de bergen uit het kristallen watervlak der lagune, die binnen deze smalle witte streep besloten is, terwijl daarbuiten de deinende waters van den oceaan eene donkere kleur bezaten. De aanblik was treffend, en kon passend bij eene omlijste teekening vergeleken worden, waarvan degolven delijst, destillelagune het papier, en het eiland zelf de teekening voorstellen. Toen ik des avonds den berg afdaalde, ontmoette ik een man, dien ik met eene kleine gift verblijd had, en die nu eenige heete gebraden bananen, een pijnappel en kokosnoten medebracht. Ik ken niets heerlijkers, als men eene lange wandeling in de brandende zon heeft gedaan, dan de melk eener jonge kokosnoot. Pijnappels zijn hier zoo overvloedig, dat de menschen hen even kwistig eten als wij onze rapen. Zij hebben een voortreffelijken smaak—misschien zelfs beter dan die in Engeland worden gebruikt; en dit acht ik den hoogsten lof, dien men eene vrucht kan toezwaaien. Voordat wij aan land gingen, vertolkte de heer Wilson voor mij aan den Otaheiter, die mij zulk eene attentie bewezen had, dat ik hem en nog iemand noodig had om mij op een kort uitstapje in het gebergte te vergezellen.
18 November.Des morgens vroeg ging ik aan land, met eenige levensmiddelen in een tasch bij mij, en twee wollen dekens voor de gidsen en mijzelven. Deze werden aan de uiteinden van een langen stok gebonden, dien mijne gidsen vervolgens beurt om beurt op de schouders droegen. De inboorlingen zijn er aan gewoon een aan beide einden met 50 pond bezwaarden stok aldus een geheelen dag lang te dragen. Ik zeide mijn gidsen, dat zij zich van voedsel en kleêren moesten voorzien; maar zij antwoordden, dat er voedsel genoeg in het gebergte was, en dat, wat kleêren betrof, zij aan hunne huid genoeg hadden. Onze tocht leidde door de vallei van Tia-auru, waardoor eene rivier vloeit, die bij Point Venus in zee valt; zij is een vande hoofdrivieren op het eiland, en ontspringt aan den voet der hoogste centrale toppen, die zich tot omstreeks 7000 voet verheffen. Het geheele eiland is zoo bergachtig, dat de eenige weg om tot het binnenland door te dringen is, de valleien te volgen. In ’t eerst voerde onze weg door bosschen, die de rivier aan weerszijden begrenzen; en de kijkjes op de centrale toppen, die als door eene laan met hier en daar een wuivenden kokosboom aan den kant zichtbaar werden, waren uiterst schilderachtig. Weldra begon de vallei smaller te worden, en werden de hellingen hooger en steiler. Na eene wandeling van drie tot vier uren, vonden wij dat het ravijn bijna niet breeder was dan de bedding van den stroom zelve. Aan den eenen kant waren de wanden bijna loodrecht; maar wegens de zachte structuur der vulkanische lagen, groeiden boomen en velerlei planten uit elken vooruitspringenden rand. Deze wanden waren ongetwijfeld eenige duizenden voeten hoog en vormden, over het geheel genomen, eene bergkloof zoo prachtig als ik nooit te voren gezien had. Omstreeks den middag stond de zon loodrecht boven het ravijn, en de lucht, die koel en vochtig was, werd nu brandend heet. In de schaduw eener vooruitspringende rots, aan den voet van een zuilvormig gestolden lavawand aten wij ons middagmaal. Mijne gidsen hadden zich al een schotel kleine visch en zoetwater-garnalen verschaft. Zij hadden een netje bij zich, dat om een hoepel was gespannen, doken hiermeê op diepe plaatsen en in maalstroomen te water, volgden als otters met open oogen den visch in hoeken en gaten, en vingen hem.
Te water hebben de Tahitiërs de vlugheid van tweeslachtige dieren. Ellis verhaalt eene anecdote, die bewijst hoezeer zij zich in dit element thuis gevoelen. Toen in het jaar 1817 een paard, dat voor Pomaré2bestemd was, van boord werd geheschen, brak de strop, en viel het dier te water.Onmiddellijk sprongen de inboorlingen over boord en wendden, al schreeuwend, vruchtelooze pogingen aan om te helpen, zoodat het dier bijna verdronken was. Maar nauwelijks bereikten zij het strand, of de geheele bevolking nam de vlucht en trachtte zich voor het “varken dat een mensch draagt”—gelijk zij het paard noemden—te verbergen.
Iets hooger in de vallei verdeelde de rivier zich in drie kleine stroomen. De twee noordelijke waren onbruikbaar door eene reeks watervallen, die van den rotsachtigen top van den hoogsten berg omlaag stortten; en ofschoon ook de derde naar allen schijn ontoegankelijk was, besloten wij toch hem te volgen. De wanden der vallei waren hier bijna loodrecht; maar zooals dikwijls met gelaagde gesteenten het geval is, bevatten die wanden smalle vooruitstekende richels of randen, welke dicht begroeid waren met wilde bananen, lelie-achtige planten (Liliaceae) en andere fraaie keerkringsgewassen. Op hunne klimtochten langs deze rotsranden, met het doel vruchten te zoeken, hadden de Otaheiters een pad ontdekt, waarlangs de geheele steilte kon worden beklommen. De eerste beklimming van uit de vallei was zeer gevaarlijk, daar wij met behulp van touwen, die wij bij ons hadden, een steilhellend naakt rotsvlak over moesten. Hoe iemand ontdekte, dat deze hoogst gevaarlijke plek het eenige punt was, waar de zijde van den berg beklommen kon worden, is mij een raadsel. Daarna liepen wij voorzichtig langs een der randen, tot waar wij een van de drie stroomen bereikten. Deze rand vormde een vlak terras, waarboven een prachtige waterval van eenige honderden voeten hoogte omlaag stortte, terwijl daaronder een tweede hooge waterval in den hoofdstroom der vallei beneden viel. Van deze koele en belommerde plek maakten wij een omweg, ten einde den overhangenden waterval te vermijden, en volgden, als te voren, kleine vooruitspringende richels, waar het gevaar van omlaag te storten door den dichten plantengroei gedeeltelijk werd opgeheven.
Op het punt waar wij van den eenen richel op een anderen moesten overgaan, stond een loodrechte rotswand, die denweg versperde. Een der Tahitiërs, een kranige sterke kerel, zette een boomstam tegen deze rots, klom er tegen op en bereikte vervolgens, door spleten als steunpunten te gebruiken, den top. Hier bevestigde hij de touwen aan eene vooruitstekende punt, liet ze toen zakken om onzen hond en bagage op te trekken, en daarna klommen wij zelven naar boven. Ter zijde van den rand, waarop de doode boom geplaatst was, had de afgrond zeker eene diepte van 5–600 voet; en zoo de overhangende varens en leliën dien niet gedeeltelijk aan het oog hadden onttrokken, zou ik duizelig zijn geworden, en had niets mij kunnen bewegen het gevaar te trotseeren. Wij klommen verder: nu eens langs richels, dan over mesvormige bergkammen, met diepe ravijnen aan weerszijden. In de Cordilleras heb ik bergen gezien op veel grootere schaal, maar die in steilte volstrekt niet te vergelijken waren met deze. Des avonds bereikten wij eene kleine vlakke plek aan de oevers van denzelfden stroom, dien wij voortdurend gevolgd waren, en die in eene reeks van watervallen uit het gebergte daalt. Hier sloegen wij ons nachtkwartier op. Aan beide zijden van het ravijn stonden groote groepen bergbanaanboomen, beladen met rijpe vruchten. Vele van deze planten hadden eene hoogte van 20 tot 25 voet, bij een omtrek van 3 tot 4 voet. Met reepen schors in plaats van touwen, met bamboesstengels als daksparren, en het groote blad van den banaan als dak bouwden de Tahitiërs in enkele minuten een uitstekend huis, en maakten van droge bladeren een zacht bed.
Toen gingen zij vuur maken om ons avondeten te koken. Door een stok met stompe punt krachtig heen en weer te wrijven in eene holte van een anderen stok, als wilden zij de groef verdiepen, vatte het zaagsel eindelijk vuur, en hadden zij licht. Voor dit doel gebruiken zij alleen eene eigenaardige, witte en zeer lichte houtsoort (Hibiscus tiliaceus)—dezelfde, die ook dient om stokken te maken voor het dragen van lasten, en de drijvende loefbalken van hunne kano’s. Het vuur ontstond in enkele secunden; maar voor iemand, die de kunst niet verstaat, vereischt het degrootste inspanning. Ik ondervond dit zelf, en was er zeer trotsch op, dat het mij eindelijk gelukte het zaagsel te doen ontbranden. De Gaucho in de Pampas volgt eene andere methode; hij neemt een buigzamen stok van omstreeks 18 inches lengte, drukt het eene einde tegen zijne borst, het andere spitse in eene holte, die zich in een stuk hout bevindt, en draait dan snel het gebogen deel rond, evenals een timmerman zijn centerboor. Toen de inboorlingen een takkevuurtje gemaakt hadden, legden zij een twintigtal steenen ter grootte van een cricketbal op het brandende hout, zoodat, toen ongeveer tien minuten later de takjes verteerd waren, de steenen gloeiden. Van te voren hadden zij stukjes ossevleesch, visch, rijpe en onrijpe bananen, alsmede een aantal toppen van den wilden kalfsvoet (Arum) in kleine bladstrooken gewikkeld. Deze groene pakjes werden nu in eene laag tusschen twee lagen heete steenen gelegd, en alles te zamen met aarde bedekt om geen rook of damp te laten ontsnappen. In ongeveer een kwartier was het geheele maal allersmakelijkst gekookt. Nadat de keur van groene pakjes op een dek van banaanbladeren was gelegd, gebruikten wij ons landelijk maal en dronken uit eene kokosschaal het koele water van den snelvlietenden stroom.
Niet zonder bewondering sloeg ik de planten in den omtrek gade. Aan alle zijden banaanboomwouden, waarvan de vruchten bij hoopen op den grond lagen te rotten, ofschoon zij in velerlei opzicht als voedsel dienen. Tegenover ons lag een uitgestrekt en dicht begroeid bosch van wild suikerriet, terwijl de rivier belommerd werd door de donkergroene knoestige stammen van den vroeger om zijne sterke bedwelmende eigenschappen zoozeer vermaarden kawa-struik (Ava). Ik kauwde een stuk en vond, dat het een bijtenden, onaangenamen smaak had, hetgeen mij terstond zou hebben doen besluiten de plant voor giftig te verklaren. Dank zij den zendelingen, tiert deze plant nu alleen in deze diepe ravijnen, onschadelijk voor elk. Dichtbij zag ik den wilden kalfsvoet, waarvan de wortels, mits goed gekookt, een degelijk voedsel vormen, terwijl de jonge bladeren beter zijndan spinazie. Dan waren er de wilde brood(yams-)wortel, en eene lelie-achtige plant,Tigenaamd, welke hier in overvloed groeit en een zachten, bruinen, in vorm en grootte op een dik blok hout gelijkenden wortel bezit. Laatstgenoemde wortel diende ons als dessert, want hij is zoo zoet als stroop en heeft een aangenamen smaak. Daarenboven waren er vele andere wilde vruchten, en nuttige gewassen. Behalve het koele water, leverde de stroom ook aal en rivierkreeft. Inderdaad, ik bewonderde dit landschap, toen ik het vergeleek met een onbebouwd gewest in de gematigde streken, en begreep den zin der woorden, dat de mensch—althans de wilde mensch met zijne slechts ten deele ontwikkelde geestvermogens—het kind der keerkringen is.
Toen de avond begon te vallen, doolde ik onder het duistere lommer der bananen en volgde den oever verder opwaarts. Mijne wandeling was echter spoedig ten einde, doordien ik aan een waterval kwam van 2–300 voet hoogte; en boven dezen was er nog een. Ik noem al die watervallen in dezen enkelen bergstroom, om in ’t algemeen een denkbeeld te geven van de helling van het land. Het scheen of er op dit afgelegen plekje waar het water viel, zich nooit een zuchtje van den wind had doen gevoelen. De dunne randen der groote banaanbladeren, vochtig van den dauw, waren ongeschonden in plaats van in duizend reepjes te zijn gespleten, zooals anders meest het geval is. Van onze verheven standplaats, bijna zwevend tegen de helling van den berg, hadden wij vluchtige kijkjes op de naburige vallei in de diepte, en hoog daarboven verrezen de kruinen der centrale bergen, die tot op 60° van het zenith reikten en den westelijken hemel half in het duister hulden.
Voordat wij ons te slapen legden, viel de oudste Otaheiter op de knieën, en zeide met gesloten oogen een lang gebed op in zijne moedertaal. Hij bad zooals een goed christen doen zou, met gepasten eerbied en onbevreesd dat hij zich door teekenen van vroomheid belachelijk zou maken. Gedurende den maaltijd zou geen der mannen voedsel aanraken, zonder vooraf een kort gebed op te zeggen. Reizigers, diedenken dat een Tahitiër alléén bidt wanneer de oogen van den zendeling op hem gericht zijn, hadden dien nacht maar eens met ons op den berg moeten slapen. Voordat de morgen aanbrak, viel er eene hevige regenbui; maar het goede dak van banaanbladeren hield ons droog.
19 November.Toen de dag aanbrak deden mijne vrienden hun morgengebed en maakten, op dezelfde wijze als den vorigen avond, een uitstekend ontbijt voor ons gereed. Zij zelven aten er ruimschoots van; en inderdaad moet ik bekennen, dat ik nog nooit een mensch zooveel heb zien eten. Vermoedelijk zijn hunne bijzonder ruime magen een gevolg hiervan, dat een groot deel van hunne spijs uit vruchten en groenten bestaat, die in een gegeven volume een betrekkelijk klein quantum voedsel bevatten. Naar ik later vernam, was ik onbewust de oorzaak, dat mijne gidsen eene van hunne eigen wetten en besluiten overtraden. Ik had nl. eene flesch met spiritualiën bij mij, waarvan zij niet weigeren konden iets te gebruiken; maar telkens als zij een teugje dronken, legden zij hunne vingers op den mond en prevelden het woord: “Zendeling.” Ofschoon het gebruik van den kawastruik belet was, werd vóór omstreeks twee jaren door den invoer van spiritualiën dronkenschap zeer algemeen. De zendelingen bewogen toen enkele goedgezinde mannen, die zagen dat hun land snel in zijn verderf liep, om te zamen een “Matigheidsgenootschap” op te richten. Hetzij uit overtuiging of uit schaamte, lieten alle hoofden en de koningin zelve zich eindelijk tot aansluiting bij dat genootschap bewegen. Onmiddellijk werd eene wet uitgevaardigd, dat geen spiritualiën op het eiland mochten worden ingevoerd, en dat de kooper en verkooper van het verboden artikel met boete zou worden gestraft. Eene merkwaardig rechtvaardige daad was, dat men een zekeren tijd toestond om den aanwezigen voorraad te verkoopen, voordat de wet in werking trad. Maar toen dit plaats had, werd er een algemeen onderzoek ingesteld, waarbij zelfs de huizen der zendelingen niet verschoond bleven, en werd al de “ava” (zooals de inboorlingen allebrandende geestrijke dranken noemen) op den grond gestort. Denkt men aan de gevolgen der onmatigheid op de inboorlingen zoowel van Noord- als Zuid-Amerika, dan zal men, denk ik, toegeven dat ieder die het wèl meent met Tahiti, geen gewone mate van dankbaarheid aan de zendelingen verschuldigd is. Zoolang het kleine eiland St.-Helena onder het bestuur der Oost-Indische Compagnie stond, mochten spiritualiën om het groote nadeel, dat zij veroorzaakt hadden, niet worden ingevoerd; maar uit de Kaap de Goede Hoop werd wijn geleverd. Het is een treffend en niet zeer streelend feit, dat in hetzelfde jaar toen spiritualiën verkocht mochten worden op St.-Helena, het gebruik daarvan op Tahiti bij volkswil werd afgeschaft.
Na het ontbijt vervolgden wij onzen tocht. Daar mijn doel alléén was iets van het middenlandschap te zien, keerden wij langs een ander pad, dat naar de hoofdvallei beneden voerde, terug. Een eind weegs volgden wij een hoogst ingewikkeld pad, dat spiraalvormig om de helling van den berg liep, aan welks voet de vallei lag, en trokken in de minder steile gedeelten door uitgestrekte boschjes wilde banaanboomen. Met hunne naakte, getatoueerde lichamen en hunne met bloemen versierde hoofden, zouden onze gidsen onder het duistere lommer dezer boschjes een fraai type hebben gevormd van menschen, die een oerwoud bewonen. Bij onze daling volgden wij eene reeks van uiterst smalle bergkammen, die over groote afstanden zoo steil waren als een ladder, maar alle met planten begroeid. Wat den tocht zoo vermoeiend maakte, was de buitengewone zorg, waarmeê hier elke voetstap moest worden gewogen. Telkens als ik van deze hooge, mesvormige bergkammen de oogen over het land liet gaan, verwonderde ik mij over deze afgronden en ravijnen, en was de indruk van dit smalle steunpunt uit bijna dezelfde, als hij voor iemand in een luchtballon moet zijn. Bij deze daling behoefden wij slechts eens de touwen te gebruiken, en wel op het punt, waar wij in de hoofdvallei kwamen. Hier sliepen wij onder denzelfden rotswand, waar wij den vorigen dag gegeten hadden; maar ofschoon denacht helder was, heerschte in de diepe, nauwe bergkloof eene ondoordringbare duisternis.
Voordat ik dit land zag, kon ik moeilijk twee feiten begrijpen, waarvan Ellis melding maakt, nl., dat de overwonnen Otaheiters, die na de moordende veldslagen in vroeger tijden in het leven waren gebleven, met een handvol mannen eene geheele menigte konden weerstaan. Inderdaad, ik erken, dat op de plek waar onze Otaheiter den dooden boomstam tegen den rotswand zette, zes man met gemak eenige duizenden konden afslaan. Ten tweede: dat er na de invoering van het christendom wilde Otaheiters in de bergen leefden, wier schuilhoeken aan de meer beschaafde bewoners onbekend waren.
20 November.Vroeg in den morgen gingen wij op weg en bereikten des middags Matavai, nadat wij onderweg een grooten troep knappe, sterk gebouwde mannen waren tegengekomen, die wilde bananen gingen zoeken. Ik bevond, dat het schip wegens de moeite om water in te nemen zich naar de haven van Papawa had begeven, en wandelde nu terstond daarheen. Deze haven is eene zeer aardige plek; de kreek is omringd door klippen, en het water is er zoo effen als in een meer, terwijl de bebouwde grond met zijne schoone voortbrengselen, waartusschen hier en daar eene hut ligt, tot dicht bij den waterkant reikt.
Op grond van de verschillende verhalen, die ik vóór mijn bezoek aan deze eilanden gelezen had, was ik zeer verlangend mij door eigen waarneming een oordeel te vormen over de zedelijke gesteldheid der bewoners, ofschoon, zooals vanzelf spreekt, dit oordeel zeer oppervlakkig moest zijn. Ten allen tijde hangen de eerste indrukken zeer veel af van onze vooraf verkregen begrippen. Mijne begrippen waren ontleend aan dePolynesian Researchesvan Ellis, een bewonderenswaardig en hoogst belangwekkend boek, maar dat natuurlijk alles uit een gunstig oogpunt beziet; dan uit Beechey’s Reis, en eindelijk uit het werk van Kotzebue, dat sterk tegen het geheele zendelingenstelsel gekant is.Hij, die deze drie verhalen vergelijkt, zal, denk ik, een vrij nauwkeurig begrip krijgen van den tegenwoordigen toestand op Tahiti. Een mijner indrukken, dien ik aan de twee laatste autoriteiten ontleende, was beslist onjuist, nl. dat de Otaheiters een neerslachtig ras waren geworden, dat bevreesd was voor de zendelingen. Van het laatste zag ik geen spoor, tenzij dat vrees en eerbied onder denzelfden naam mogen doorgaan. In plaats dat misnoegdheid hun gewone stemming is, geloof ik, dat men in Europa moeilijk half zooveel opgeruimde en tevreden gezichten bijeen zou kunnen brengen. Heftig vaart men uit tegen het verbod van fluit en dans, als dwaas en verkeerd; en de meer dan presbyteriaansche manier van rustdagvieren beschouwt men in een dergelijk licht. Ik wil echter den schijn niet aannemen over deze punten eene meening te voeren, in strijd met personen, die evenveel jaren, als ik dagen, op het eiland gewoond hebben.
Over het geheel schijnen mij de zedelijkheid en godsdienst der bewoners hoogst lofwaardig toe. Velen zijn er, die nog scherper dan Kotzebue zoowel de zendelingen en hun stelsel aanvallen, als de gevolgen daardoor teweeg gebracht. Zij, die zoo spreken, vergelijken nooit den tegenwoordigen toestand van het eiland met dien van slechts 20 jaren vroeger, noch met dien van het hedendaagsche Europa, maar metenhemaf naar den hoogen maatstaf van evangelische volmaaktheid. Zij verwachten, dat de zendelingen zullen uitvoeren wat de Apostelen zelven niet vermochten. Voor zoover de zedelijkheid van een volk bij dezen hoogen maatstaf te kort komt, werpt men een blaam op den zendeling, in plaats van hem te prijzen voor hetgeen hij heeft tot stand gebracht. Men vergeet, of wil niet bedenken, dat menschenoffers en de macht eener afgodspriesterschap; een stelsel van verdorvenheid, dat nergens ter wereld zijne wederga vond; ook kindermoord als een gevolg van dit stelsel, en bloedige oorlogen waarin de overwinnaars vrouwen noch kinderen spaarden—dat al deze gruwelen hebben opgehouden te bestaan, en dat oneerlijkheid, onmatigheid enlosbandigheid door de invoering van het christendom aanmerkelijk zijn verminderd. Dat een reiziger deze dingen vergeet, getuigt van grove ondankbaarheid, want mocht hij ooit gevaar loopen op eene onbekende kust schipbreuk te lijden, dan zal hij met de meeste vroomheid bidden, dat het woord van den zendeling ook daarheen worde overgebracht.
Op het punt van zedelijkheid maakt vrouwendeugd, zooals dikwijls gezegd is, de meeste uitzonderingen. Maar voordat men haar te streng berispt, zal het goed zijn zich de tooneelen duidelijk voor den geest te roepen, door Kapitein Cook en Banks beschreven, waarin de grootmoeders en moeders van het tegenwoordige ras eene rol speelden. Zij, die het strengst zijn, dienden in ’t oog te houden, hoezeer de zedelijkheid der vrouwen in Europa afhangt van het stelsel, dat moeders vroegtijdig tegenover hare dochters in acht nemen, en hoeveel daarvan in elk bijzonder geval aan de voorschriften van den godsdienst te danken is. Maar het is nutteloos met zulke praters te redetwisten! Ik geloof dat zij, teleurgesteld door de ontdekking dat de losbandigheid niet meer zoo ruim baan heeft als vroeger, geen achting willen hebben voor eene zedelijkheid, die zij niet in praktijk wenschen te brengen, noch voor een godsdienst, dien zij onderschatten, zoo niet verachten.
Zondag, 22 November.De haven van Papéite (of Papeete), waar de koningin verblijf houdt, kan als de hoofdstad van Tahiti beschouwd worden; ook is zij de zetel der regeering en het brandpunt van scheepvaart. Kapitein Fitz-Roy, vergezeld van eenige personen, ging hier dezen dag eene godsdienstoefening bijwonen, eerst in de Tahitische taal, en vervolgens in het Engelsch. Pritchard, het hoofd der zendelingen, nam den dienst waar. De kapel bestond uit eene groote, luchtige, houten loods, die overvol was met zindelijke, nette menschen van elken leeftijd en beide seksen. In de mate van aandacht, die de toehoorders schenen te hebben, werd ik eenigszins teleurgesteld; maar ik geloof, dat dit kwam door mijne te hoog gespannen verwachtingen. In allen gevalle waren diehouding en stemming naar het uiterlijk geheel dezelfden als in eene Engelsche kerk op hetplatteland. Het zingen van de psalmen was bepaald zeer aangenaam; maar de taal van den preekstoel, ofschoon vloeiend gesproken, klonk niet mooi; en een voortdurend herhalen van woorden, als:tata ta,mata mai, maakte haar eentonig. Na afloop van den Engelschen dienst, keerde een deel van ons gezelschap te voet naar Matavai terug. Het was eene aangename wandeling, nu eens langs het zeestrand, dan weer onder het lommer der talrijke fraaie boomen.
Omstreeks twee jaren geleden was een klein schip onder Engelsche vlag door eenige bewoners der Lage Eilanden geplunderd, die toen onder de heerschappij der koningin van Tahiti stonden. Algemeen geloofde men, dat de bedrijvers tot deze daad waren aangespoord door eenige onbezonnen wetten, welke hare majesteit had uitgevaardigd. De eisch tot schadeloosstelling van den kant der Britsche regeering werd ingewilligd en eene som van bijna 3000 dollar werd aangeboden, te betalen op 1 September 1835. De Commodore te Lima gelastte kapitein Fitz-Roy onderzoek naar deze schuld te doen, en bij niet-betaling voldoening te eischen. Overeenkomstig dien last verzocht de kapitein om een onderhoud met koningin Pomaré, die later zulk eene vermaardheid kreeg door de slechte behandeling, welke zij van de Franschen ondervond. Wat toen plaats had, zal ik, sedert kapitein Fitz-Roy zijn belangrijk rapport uitbracht, niet pogen te beschrijven. Het geld scheen niet betaald te zijn, misschien omdat de aangevoerde redenen wat dubbelzinnig waren; maar overigens kan ik niet genoeg onze algemeene verbazing uitdrukken over den fijnen tact, de gezonde taal, de gematigdheid, openhartigheid en snelle beslissing, die allerwege aan den dag werden gelegd. Ik geloof, dat wij allen de bijeenkomst verlieten met een geheel anderen dunk omtrent de Tahitiërs, dan wij bij onze binnenkomst hadden. De hoofden en het volk besloten in te schrijven en zoo het tekort aan te vullen. Toen kapitein Fitz-Roy opmerkte, dat het hard voor hen was wegens de misdadenvan andere eilanders hun persoonlijk eigendom op te offeren, antwoordden zij, dat zij hem dankbaar waren voor zijne opmerking, maar dat Pomaré hunne koningin was, en zij besloten hadden haar in deze moeilijke aangelegenheid te helpen. Dit besluit en de snelle uitvoering er van—want den volgenden morgen vroeg werd er eene inschrijving geopend—voltooiden op volmaakte wijze dit zeer merkwaardig geval van loyauteit en fijnen tact.
Nadat de voornaamste bespreking was afgeloopen, maakten verscheidene hoofden van de gelegenheid gebruik om kapitein Fitz-Roy een aantal schrandere vragen te doen over internationale gebruiken en wetten, die betrekking hadden op het behandelen van schepen en vreemdelingen. Voor sommige punten werd de wet, na genomen besluit, op staanden voet mondeling uitgevaardigd. Dit Tahitische parlement duurde verscheidene uren, en toen het geëindigd was, noodigde kapitein Fitz-Roy koningin Pomaré tot een bezoek aan deBeagle.
25 November.Des avonds werden vier booten afgezonden, om hare majesteit in te halen. Het schip was in vlaggetooi, en bij hare komst aan boord zat de bemanning in de raas. Zij werd door de meeste hoofden vergezeld. Allen gedroegen zich zeer netjes, vroegen om niets, en schenen met de geschenken van kapitein Fitz-Roy zeer verblijd. De koningin is eene groote, plompe vrouw, zonder eenige schoonheid, bevalligheid of waardigheid. Zij heeft slechts één koninklijke eigenschap, nl., dat de uitdrukking van haar gezicht, die eenigszins knorrig of gemelijk is, onder alle omstandigheden volmaakt strak blijft. Onze vuurpijlen werden het meest bewonderd; en na elke ontploffing kon men van het donkere strand rondom de baai een geluid “o! o!” hooren. Maar ook het gezang der matrozen werd zeer bewonderd, en een van de onstuimigste liederen trok zoozeer de aandacht der koningin, dat zij opmerktedatdit stellig geenpsalmkon zijn! Het koninklijk gezelschap keerde eerst na middernacht naar het strand terug.
26 November.Des avonds zetten wij, begunstigd door een zachte strandbries, koers naar Nieuw-Zeeland; en toen de zon onderging, wierpen wij een afscheidsblik op de bergen van Tahiti, het eiland, waaraan elk reiziger zijn cijns van bewondering heeft betaald.
19 December.Na eene reis van 23 dagen zagen wij des avonds Nieuw-Zeeland in de verte liggen. Wij kunnen nu zeggen, dat wij den Stillen Oceaan bijna zijn overgetrokken. Om de onmetelijke uitgestrektheid van deze zee te begrijpen, moet men haaroverzeilen. Op onze snelle vaart van eenige weken achtereen zagen wij niets dan lucht, en den blauwen, diepen, diepen oceaan! Zelfs binnen de archipels zijn de eilanden niets dan stippen, die op grooten afstand van elkander liggen. Gewoon, als wij zijn, aan kaarten op kleine schaal geteekend en waarop eilandenstippen, schaduwen en namen zich verdringen, kunnen wij geen juist begrip krijgen van de uiterst kleine verhouding, waarin het droge land staat tot dit uitgestrekte watervlak. De meridiaan der tegenvoeters was óók gepasseerd, zoodat wij van nu af de gelukkige gedachte omdroegen, dat elke zeemijl verder er weer eene dichter bij Engeland was. Deze tegenvoeters wekken oude herinneringen van kinderlijken twijfel en verwondering bij ons op. Nog daags te voren keek ik verlangend naar dien hemelcirkel uit, als het zekere baken van onze reis naar huis; maar nu ik hem gevonden heb, beschouw ik al zulke rustpunten voor ’s menschen verbeelding als schaduwen, die de reizende mensch toch niet kan grijpen! Onlangs heeft een storm, die eenige dagen duurde, ons ruimschoots stof tot nadenken gegeven over hetgeen ons op de lange reis naar huis misschien te wachten staat, en zoo ernstig mogelijk naar het einde er van doen verlangen.
21 December.Vroeg in den morgen zeilden wij de Eilanden-Baai binnen, bleven eenige uren bij de mondingtotdat wij windstil lagen, en bereikten niet vóór den middag de ankerplaats. Het land is heuvelachtig, maar heeft eene vlakke omgrenzing, en wordt bespoeld door talrijke zeearmen, die van de baai uit diep in het land dringen. Van verre schijnt de oppervlakte uit grof weiland te bestaan, maar in werkelijkheid is dit niet anders dan varen. Op de meer verwijderde bergen, evenals in enkele gedeelten der valleien, is eene groote oppervlakte boschland. De algemeene tint van het landschap is niet bepaald heldergroen en gelijkt op die van het land niet ver ten zuiden van Concepcion in Chili. Op vele punten der baai liggen kleine dorpen met aardig uitziende vierkante huizen, die zich tot dicht bij den waterkant uitstrekken. Drie walvischschepen lagen voor anker, en nu en dan voer eene kano van de eene kust naar de andere. Op deze uitzonderingen na, heerschte in den geheelen omtrek eene buitengewone kalmte. Slechts een enkele kano voer ons op zijde. Die stilte en de aanblik van het geheele landschap vormden eene merkwaardige en niet zeer aangename tegenstelling met onze blijde en luidruchtige verwelkoming op Tahiti.
Des namiddags gingen wij aan land en begaven ons naar eene der grootere huizengroepen, die nauwelijks den naam van dorp verdiende. Zij heet Pahia, is de verblijfplaats der zendelingen en bevat geen andere inlandsche bewoners dan dienstpersoneel en arbeiders. In de nabijheid der Eilanden-Baai bedroeg het getal Engelschen met inbegrip van hunne gezinnen tusschen de 2 en 300. Alle landhuisjes, waarvan vele witgepleisterd zijn en er zeer netjes uitzien, behooren aan de Engelschen. De hutten der inboorlingen zijn zoo klein en armzalig, dat men ze van verre nauwelijks kan onderscheiden. Te Pahia bood het gezicht van de Engelsche bloemen in de tuinen vóór de huizen een zeer aangenaam schouwspel: er waren rozen in verschillende soorten, kamperfoelie,3jasmijnen,4en stammen, ja geheele hagen met eglantieren.5
22 December.Des morgens ging ik uit wandelen, maar ontdekte spoedig, dat het land zeer ontoegankelijk was. Alle heuvels zijn dicht begroeid met hooge varens, benevens een lagen struik in den vorm van een cipres, en nog zeer weinig grond is ontboscht of bebouwd. Ik beproefde het toen aan het strand; maar hetzij ik rechts of links ging, overal werd mijne wandeling spoedig door zoutwater-kreken en diepe beken gestuit. De gemeenschap tusschen de bewoners van de verschillende deelen der baai wordt (evenals op Chiloë) bijna geheel door booten onderhouden. Tot mijne verwondering ontdekte ik, dat bijna elke heuvel, dien ik beklom, in vroeger tijd meer of minder versterkt was geweest. In de toppen waren trappen of achtereenvolgende terrassen gehouwen, en dikwijls bleken zij door diepe loopgraven beschermd te zijn. Later ontdekte ik, dat de voornaamste heuvels landwaarts in eveneens eene kunstmatige omgrenzing vertoonden. Deze voormalige sterkten, door kapitein Cook zoo dikwijls onder den naam vanhippah’svermeld, noemt menPah’s, waarbij het verschil in uitspraak alleen aan het voorvoegsel is toe te schrijven.
Dat dePah’svroeger veel gebruikt werden, bleek uit de stapels weekdierschalen en de kuilen waarin men aardappels placht te bewaren, zooals mij verteld werd. Daar op deze heuvels geen water was, konden de verdedigers nooit een lang beleg doorstaan, maar alleen overhaaste uitvallen doen om te plunderen, waartoe dan de achtereenvolgende terrassen eene goede bescherming zullen geboden hebben. De algemeene invoer van vuurwapenen heeft het geheele stelsel van oorlogvoeren veranderd, en eene open ligging op den top van een heuvel is nu niet alleen nutteloos, maar wat erger is, gevaarlijk. Bijgevolg worden dePah’stegenwoordig altijd op een vlak stuk gronds gebouwd. Zij bestaan uit eene dubbele palissadeering van dikke, lange palen, in eene zigzag-lijn opgesteld, zoodat elk deel van het terrein bestreken kan worden. Binnen de palissadeering ligt een hoop opgeworpen aarde, waarachter de verdedigers veiligkunnen uitrusten of hunne vuurwapenen aanleggen. Soms loopen er lage, overwelfde gangen over den vlakken grond naar de borstwering, waardoor de bezetting naar de palissadeering kan kruipen, om den vijand te verkennen. Rev. W. Williams, die mij dit verhaalde, voegde er bij, dat hij in een Pah stut- of steunwanden had gevonden, die naar de binnen- of beschutte zijde van den aardheuvel uitstaken. Op zijne vraag aan het opperhoofd naar het nut hiervan, antwoordde deze, dat als eenige zijner manschappen vielen, hunne makkers niet de lijken mochten zien, waardoor zij den moed zouden verliezen. Deze Pah’s worden door de Nieuw-Zeelanders als zeer volmaakte verdedigingsmiddelen beschouwd, want de aanvallers zijn nooit zoo goed georganiseerd, dat zij in gesloten gelederen naar de palissadeering stormen, deze omhakken en een bres maken. Als een stam ten oorlog gaat, kan het hoofd nooit den eenen troep hier en dan anderen daar commandeeren, want ieder man vecht op de manier die hem het beste bevalt; en om één voor één eene palissadeering te naderen, die met vuurwapenen verdedigd wordt, schijnt den aanvallers terecht een wisse dood toe. Ik denk niet, dat ergens ter wereld een krijgshaftiger volk te vinden zal zijn, dan de Nieuw-Zeelanders. Hunne houding toen zij voor het eerst een schip zagen (volgens het verhaal van kapitein Cook) bewijst dit duidelijk;6en de handeling om hagelbuien van steenen naar zulk een groot en vreemd gevaarte te werpen, alsmede hunne uitdaging tot het scheepsvolk: “Komt aan land en wij zullen u allen dooden en opeten,” getuigen van ongewone driestheid. Deze oorlogzuchtige geest blijkt ook uit vele hunner gewoonten en zelfs uit de minste handelingen. Als een Nieuw-Zeelander geslagen wordt, al is het ook uit gekheid, moet die slag worden teruggegeven; en daarvan zag ik een voorbeeld tegenover een onzer officieren.
Door de toenemende beschaving is er tegenwoordig veelminder oorlog, uitgenomen tusschen enkele zuidelijke stammen. Ik hoorde eene eigenaardige anecdote vertellen van een voorval, dat eenigen tijd geleden in het zuiden plaats had. Een zendeling bezocht een opperhoofd, die zijn stam ten oorlog rustte: de musketten waren schoon en gepoetst, en de munitie lag gereed. Nadat hij lang over het nuttelooze van den oorlog had gesproken, en gewezen op de geringe beleediging, die hem had uitgelokt, was het opperhoofd zeer in zijn besluit geschokt en scheen te aarzelen; maar eindelijk viel het hem in, dat een zijner vaatjes kruit in slechten staat verkeerde, en niet lang meer goed zou blijven. Dit werd als een onwederlegbaar bewijs aangevoerd voor de noodzakelijkheid om den oorlog onmiddellijk te verklaren: immers, men mocht er niet aan denken zooveel goed kruit te laten bederven! En dit argument gaf den doorslag. De zendelingen vertelden mij, dat bij Shongi—het opperhoofd dat Engeland bezocht—de zucht naar oorlog de eenige en bestendige drijfveer was van al zijne handelingen. De stam, waarvan hij het voornaamste hoofd was, werd eens door een anderen stam aan de Thames-rivier veelvuldig lastig gevallen. Alle mannen van Shongi’s stam zwoeren daarop een duren eed, dat als hun knapen volwassen en krachtig genoeg zouden zijn, zij deze beleedigingen nimmer zouden vergeten noch vergeven. Het gestand doen van dien eed schijnt de hoofdreden te zijn geweest, waarom Shongi naar Engeland ging; en eenmaal hier, was het zijn eenig doel. Geschenken werden alléén op prijs gesteld, wanneer zij in wapenen konden worden omgezet; van de kunsten boezemden alleen zoodanige hem belang in, die op het maken van wapenen betrekking hadden. Te Sydney ontmoette Shongi door een zonderling toeval het vijandig opperhoofd van de Thames-rivier ten huize van den heer Marsden. Hunne houding over en weer was beleefd, maar Shongi vertelde hem, dat hij nooit zou ophouden zijn land te beoorlogen, als hij op Nieuw-Zeeland terug was. De uitdaging werd aangenomen, en na zijn terugkeer volvoerde Shongi zijne bedreiging tot de laatste letter. De stam aan de Thames-rivierwerd geheel overhoop geworpen, en het hoofd zelf, tot wien de uitdaging gericht was, gedood. Hoewel Shongi zulke diepgewortelde gevoelens van haat en wraak koesterde, wordt hij beschreven als iemand, die eene goede inborst bezat.
Des avonds ging ik met kapitein Fitz-Roy en een der zendelingen, den heer Baker, een bezoek brengen aan Kororadika. Wij wandelden het dorp door, en zagen en praten met verscheidene lieden, zoo mannen, vrouwen als kinderen. Den Nieuw-Zeelander ziende, vergelijkt men hem terecht met den Tahitiër, want beiden behooren tot dezelfde menschen-species.7De vergelijking valt echter zeer ten nadeele van den Nieuw-Zeelander uit. Deze moge al wat meer energie bezitten, in alle andere opzichten is zijne hoedanigheid van eene veel lagere orde. Een enkele blik op hunne gelaatsuitdrukking overtuigt ons, dat de een een wilde, de ander een beschaafd mensch is. Op geheel Nieuw-Zeeland zou men te vergeefs een man zoeken met het gelaat en voorkomen van het oude Tahitische stamhoofd Utamme. Ongetwijfeld geeft de buitengewone manier, waarop hier het tatoueeren geschiedt, eene ongewone uitdrukking aan hun gezicht. De samengestelde doch symmetrische figuren, die het geheele gezicht bedekken, verbijsteren en misleiden een ongeoefend oog, terwijl bovendien de diepe insnijdingen, door verstoring van het spel der peripherische spieren, waarschijnlijk eene uitdrukking van stroeve onbeweeglijkheid voortbrengen. Maar behalve dit, vertoont het oog eene flikkering, die niets anders dan list en wreedheid kan beteekenen. Hunne lichamen zijn groot en forsch, doch in fraaiheid van vormen niet te vergelijken bij die der arbeidersklassen op Tahiti.
Zoowel zij zelven als hunne huizen zijn onzindelijk, vuil en walgelijk; het denkbeeld om lichaam of kleêren te wasschen schijnt nooit in hun hoofd op te komen. Ik zag een opperhoofd, die een hemd droeg, zwart van de korsten vuil,en die op mijne vraag hoe dit zoo morsig was, verwonderd antwoordde:
“Ziet gij dan niet, dat het een oud hemd is?”
Enkele mannen dragen hemden; maar de gewone kleeding bestaat uit een of twee groote wollen dekens, die meestal zwart zien van het vuil en op zeer ongemakkelijke, lompe manier over de schouders zijn geworpen. Enkele voorname hoofden hebben eene passende kleeding van Engelsche stoffen, die echter alleen bij hooge gelegenheden worden gedragen.
23 December.Op eene plaats, genaamd Waimate, die omstreeks 15 mijlen van de Eilanden-Baai en halverwegen tusschen de oost- en westkusten ligt, hebben de zendelingen eenig land gekocht, met het doel dit te bebouwen. Het was daar dat ik een bezoek ging brengen bij den heer W. Williams, die mij op mijn verzoek hiertoe had uitgenoodigd en bij wien ik geïntroduceerd was. Bushby, de Britsche resident, bood aan mij in zijne boot mede te nemen door eene kreek, waar ik een fraaien waterval zou zien, en welke tevens mijne wandeling zou bekorten. Ook verschafte hij mij een gids. Op zijne vraag aan een naburig hoofd om mij een geschikt man aan te wijzen, bood het hoofd zich zelf aan; maar zoo groot was zijne onwetendheid omtrent de waarde van het geld, dat hij eerst vroeg hoeveel pond ik hem zou geven, en later met twee dollars tevreden was. Toen ik het hoofd een zeer klein pak liet zien, dat ik wilde laten dragen, moest hij met alle geweld een slaaf nemen. Deze trotsche neigingen beginnen nu te slijten; maar vroeger zou een hoofdpersoon liever zijn gestorven, dan de vernedering ondergaan ook zelfs den kleinsten last te dragen. Mijn metgezel, voorheen een groot krijgsoverste, was een vlug, bedrijvig man met een geheel getatoueerd gezicht en eene vuile deken tot kleeding. Hij scheen met Bushby op zeer goeden voet te staan, ofschoon zij dikwijls samen getwist hadden. Bushby deed mij de opmerking, dat op oogenblikken, als deze inboorlingen het meest snoeven, eene kleine dosis kalme spotternij hun menigmaal het zwijgenoplegt. Zoo was dit opperhoofd eens bij hem gekomen en had op snoevenden toon gezegd:
“Een groot opperhoofd, een beroemd man en mijn vriend is bij mij op bezoek gekomen. Gij moet hem wat goeds te eten geven, fraaie geschenken aanbieden, enz...”
Bushby had hem zijne redevoering laten uitspreken en toen op kalmen toon geantwoord:
“Wat zou uw slaaf dan anders voor u doen?”
Met een zeer grappig gebaar had de man toen zijne opsnijderij gestaakt.
Eenigen tijd geleden had de heer Bushby een veel ernstiger aanval te doorstaan. Een opperhoofd poogde met zijn troep midden in den nacht in zijn huis te dringen; en toen dit niet zoo gemakkelijk ging, openden zij een levendig geweervuur. Bushby werd licht gewond; maar eindelijk moest de troep wijken. Kort daarna ontdekte men wie de aanvaller was, en had eene algemeene samenkomst der hoofden plaats om het geval te bespreken. De Nieuw-Zeelanders beschouwden het als zeer misdadig, op grond dat de aanval bij nacht was geschied en Bushby ziek te bed lag. Zeer tot hunne eer, gold deze laatste omstandigheid algemeen als reden om Bushby in bescherming te nemen. En zoo besloten de hoofden, het land van den aanvaller ten bate van den koning van Engeland verbeurd te verklaren. Deze krasse handelwijze, om een opperhoofd, een gelijke, zóó te vervolgen en te straffen, was echter geheel zonder voorbeeld. Bovendien verloor de aanvaller de aanspraak op de achting zijner gelijken; en dit werd door de Engelschen als van meer gewicht beschouwd dan de verbeurdverklaring van zijn land.
Op het oogenblik dat de boot van wal stak, stapte er een tweede opperhoofd in, die alleen voor zijn pleizier de kreek eens op en neer wilde varen. Nooit zag ik een terugstootender en woester uitdrukking dan op het gezicht van dezen man. Onmiddellijk trof het mij, dat ik ergens zijn evenbeeld gezien had, en eindelijk herinnerde ik mij dat dit was op een der teekeningen van Retzsch bij Schiller’s ballade“Fridolin”, waar twee mannen Robert in het brandende open fornuis duwen.8Het woeste opperhoofd geleek op den man, die zijn arm op Robert’s borst legt. De gelaatsuitdrukking sprak hier waarheid: dit opperhoofd was een bekend moordenaar geweest, en was een berucht lafaard bovendien. Op het punt, waar de boot landde, vergezelde Bushby mij een kort eind den weg op. Ik kon toen niet nalaten de koele onbeschaamdheid te bewonderen, waarmede de oude grijze booswicht, die in de boot bleef liggen, Bushby naschreeuwde:
“Blijf niet te lang weg; het zou mij vervelen hier te moeten wachten.”
Wij begonnen nu onze wandeling. De weg liep langs een goed gebaand pad, aan weerszijden begroeid met het hooge varenkruid, dat het geheele land bedekt. Nadat wij eenige mijlen hadden geloopen, kwamen wij aan een landelijk dorpje, uit enkele hutten bestaande en omringd door eenige plekjes grond, waarop aardappelen waren gepoot. Het invoeren van den aardappel is voor het eiland van het wezenlijkste nut geweest, en hij wordt thans veel meer gegeten dan de inlandsche gewassen. Nieuw-Zeeland bezit een groot natuurlijk voorrecht, namelijk, dat de inwoners er nooit van honger zullen sterven. Het geheele land vloeit over van het meer genoemde varenkruid; en de wortels van deze plant, ofschoon niet smakelijk, bevatten toch veel voedsel. Een inboorling kan altijd hiervan leven, en heeft bovendien een overvloed van schaaldieren op elk gedeelte der zeekust.9De dorpen zijn voornamelijk kenbaar aan de platte vloeren of daken, welke op vier palen tien of twaalf voet hoog boven den grond zijn opgericht, en als veilige bewaarplaats voor de veldvoortbrengselen dienen.
Dicht bij eene der hutten gekomen, zag ik tot mijn grootgenoegen de eigenaardige plichtpleging van het wrijven, of, gelijk men het noemen moest, het drukken der neuzen in haar waren vorm. Terstond bij onze nadering begonnen de vrouwen iets met zeer klagende stem te prevelen, gingen toen op hare hurken zitten en hielden de gezichten op. Mijn metgezel ging achtereenvolgens voor ze staan, plaatste den kant van zijn neus rechthoekig op den haren en begon te drukken. Dit duurde niet langer dan een hartelijke handdruk bij ons; en evenals wij bij het handschudden de kracht van den druk veranderen, zoo doen ook zij met den neus. Gedurende het drukken uitten zij een zacht tevreden geknor, dat zeer veelovereenkwammet het geluid dat twee varkens maken, die hunne gezichten tegen elkander wrijven. Ik merkte op, dat de slaaf of mindere zijn neus drukte tegen elk dien hij ontmoette, onverschillig vóór of na zijn meester, het opperhoofd. Ofschoon bij deze wilden het hoofd volstrekte macht heeft over leven en dood, bestaat tusschen hen geen enkel spoor van plichtpleging. Burchell heeft hetzelfde opgemerkt bij de ruwe Bechuanen in Zuid-Afrika. Waar de beschaving een zekeren trap heeft bereikt, ontstaan weldra samengestelde wellevendheidsvormen tusschen de verschillende klassen der samenleving. Zoo waren, bijv., op Tahiti alle inwoners verplicht zich in tegenwoordigheid des konings tot aan het midden te ontblooten.
Toen de plichtpleging van het neusdrukken tusschen alle aanwezigen naar behooren was afgeloopen, gingen wij in een kring voor een der hutten zitten, en bleven daar een half uur. Alle hutten hebben nagenoeg dezelfde vorm en afmetingen, en komen in vuilheid en onreinheid met elkander overeen. Zij gelijken op een koestal, waarvan het eene einde open is, maar hebben dicht bij den ingang een tusschenmuur met een vierkant gat er in, dat toegang geeft tot eene kleine donkere kamer. In deze kamer bergen de bewoners al hun eigendom, en bij koud weder slapen zij er in; maar zij eten en brengen hun tijd door in het open voorgedeelte. Toen mijne gidsen hunne pijpen uitgerookt hadden, vervolgden wij onze wandeling. Het pad leidde door dezelfdegolvende landstreek, die weer overal met varenkruid bedekt was. Aan onze rechterhand vloeide eene kronkelende rivier, waarvan de oevers met boomen waren beplant; en hier en daar op de heuvels vertoonde zich eene strook bosch. In weerwil van de groene kleur, had het geheele landschap een eenigszins mistroostigen aanblik. Het gezicht van zooveel varenkruid maakte onwillekeurig den indruk van onvruchtbaarheid, hetgeen echter niet juist is: want waar het varenkruid zoo dicht en hoog groeit (het reikt tot aan de borst), wordt het land door akkerbouw vruchtbaar. Sommige bewoners denken, dat dit uitgestrekte, open land vroeger geheel met wouden bedekt was, die later door vuur zijn verwoest. Naar men zegt, worden bij gravingen op de kaalste plekken dikwijls stukken hars gevonden, welke uit denkauri-pijnboom (Agathis australis) vloeit.10De inboorlingen hadden blijkbaar gegronde reden om het land te ontbosschen, want het varenkruid (Pteris esculenta), dat vroeger het voornaamste voedingsmiddel was, bloeit alleen in de open, boschvrije gedeelten.11De bijnatotale afwezigheid van gemengde grassoorten—zulk een merkwaardig kenmerk in de flora van dit eiland—laat zich wellicht hierdoor verklaren, dat het land voorheen met woudboomen bedekt is geweest.
De grond is vulkanisch; op verscheidene plaatsen gingen wij over slakkenvormige lava’s, en op vele naburige bergen kon men duidelijk kraters onderscheiden. Ofschoon het landschap nergens schoon, en alleen nu en dan aardig is, genoot ik van mijne wandeling en zou dit nog meer gedaan hebben, indien mijn metgezel, het opperhoofd, niet zoo bijzonder spraakzaam was geweest. Ik kende slechts drie woorden van zijne taal: “goed”, “slecht” en “ja”; en daarmede beantwoordde ik al zijne opmerkingen, zonder natuurlijk een enkel woord te verstaan van wat hij zeide. Maar dit was voldoende: ik was een goed “toehoorder”, een “aangenaam” persoon, en daarom hield hij niet op met praten.
Eindelijk bereikten wij Waimate. Na zooveel mijlen door een onbewoond en onnut land te zijn getrokken, was de plotselinge verschijning van eene Engelsche boerderij met hare goed bebouwde velden, die daar als door toovenaarshand geplaatst was, eene uiterst aangename verrassing. Daar de heer Williams niet thuis was, heette Davies mij in zijne woning hartelijk welkom; en nadat ik hier met zijn gezin had thee gedronken, deden wij eene wandeling om de boerderij. In Waimate zijn drie groote huizen, waarin de zendelingen Williams, Davies en Clarke wonen; en dicht daarbij staan de hutten der inlandsche arbeiders. Op eene naburige helling stonden talrijke gerste- en tarwearen in vollen bloei, en op een ander veld zag men aardappelen en klaver. Maar, al wat ik zag, te beschrijven, is onmogelijk. Er waren groote moestuinen, waarin alle vruchten en groenten, die Engeland zelf voortbrengt, en bovendien vele uit een warmer klimaat. Ik noem slechts: asperges, witte boonen, komkommers, rhabarber, appelen, peren, vijgen, perziken, abrikozen, druiven, olijven, kruisbessen, aalbessen, hop, brem voor palissadeeringen, en Engelsche eiken; ook zag ik vele soorten bloemen. Rondom de boerderij warenvele stallen, eene dorschschuur met haar wantoestel, eene grofsmederij, en op den grond ploegscharen met ander gereedschap. Te midden van dit alles heerschte dat landelijke gezelschapsleven van varkens en kippen, die genoeglijk bij elkander lagen, evenals op elke boerderij in Engeland. Op eene afstand van een paar honderd yards, ter plaatse waar het water van een beekje in een vijver was afgedamd, stond een groote heusche watermolen.
Dit alles is zeer verrassend, zoo men bedenkt, dat hier vijf jaren geleden niets anders dan varenkruid groeide. En wat meer zegt: al deze verandering is geschied door inlandsche werklieden, door zendelingen in de kunst onderwezen; de les van den zendeling is hier de staf van den toovenaar. De huizen zijn gebouwd, de vensters ingezet, de velden beploegd en zelfs de boomen geënt... door Nieuw-Zeelanders. Bij den molen zagen wij een Nieuw-Zeelander, wit gepoederd met meel, evenals zijn vakbroeder in Engeland. Toen ik dit geheele tooneel aanschouwde, bewonderde ik het in gedachte. Die bewondering sproot niet zoozeer voort uit het feit, dat alles mij levendig aan Engeland herinnerde—want toen de avond daalde, deden ook de huiselijke geluiden, de wuivende korenvelden, en het golvende land met zijn geboomte in de verte, onwillekeurig aan het vaderland denken: ook niet uit het zegevierende bewustzijn, nu ik zag wat Engelschen tot stand konden brengen—maar veeleer uit de hooge verwachtingen, die mij vervulden in den toekomstigen voorspoed van dit belangrijke eiland.
Verscheidene jonge mannen, die door de zendelingen uit de slavernij waren afgekocht, werkten op de boerderij. Zij waren gekleed in hemd, buis en broek, en zagen er fatsoenlijk uit. Te oordeelen naar eene onbeduidende anecdote, die ik even wil vertellen, zou ik hen voor eerlijke lieden houden. Op onze wandeling door de velden kwam een jonge inlander naar Davies toe, en gaf hem een mes en eene zwikboor, zeggende dat hij deze op den weg gevonden had, en niet wist aan wien zij toebehoorden. Deze jonge mannen en knapen schenen zeer vroolijk en opgeruimd. Des avonds zagik een troepje van hen cricket spelen; toen ik daarbij dacht aan den stuggen ernst, waarvan de zendelingen beschuldigd worden, deed het mij genoegen te zien, dat een hunner eigen zoons lustig aan het spel deelnam. Een meer bepaalde en aangename verandering vertoonden de jonge vrouwen, die als dienstboden binnenshuis werkten. Door haar helder, net en gezond uiterlijk, evenals van de melkmeisjes in Engeland, vormden zij eene gunstige tegenstelling met de vrouwen uit de morsige hutten in Kororadika. De vrouwen der zendelingen hadden getracht haar van het tatoueeren af te brengen; maar toen op zekeren dag een vermaard “snijmeester” uit het zuiden kwam, zeiden de meisjes:
“Wij moesten toch eigenlijk een paar strepen op de lippen hebben; want anders zullen onze lippen rimpelen als wij oud worden, en zullen wij zoo erg leelijk worden.”
Wel geschiedt het tatoueeren niet meer zoo druk als vroeger; maar wijl het een kenteeken is ter onderscheiding van hoofd en slaaf, zal het waarschijnlijk lang in gebruik blijven. Hoezeer een gedachtensleur gewoonte kan worden, bleek uit de verklaring der zendelingen, dat zelfs inhunneoogen een glad gezichtalledaagschscheen, en niet zoo fraai als dat van een Nieuw-Zeelandschengentleman.
Laat in den avond ging ik naar het huis van Williams, waar ik overnachtte. Ik vond er een groot gezelschap kinderen, die voor den Kerstdag waren bijeengekomen en nu allen aan eene tafel zaten thee te drinken. Nooit zag ik een aardiger, opgeruimder troepje; en dan te denken, dat dit midden in het land van kannibalisme, moord en alle gruwelijke misdaden was! De hartelijkheid en het geluk, die zoo duidelijk op de gezichten van het kleine volkje te lezen stonden, schenen ook door de oudere personen der zending gevoeld te worden.
24 December.Des morgens werden aan de geheele familie gebeden voorgelezen in de landstaal, en na het ontbijt deed ik eene rondwandeling door de tuinen en de boerderij. Het was een marktdag, als wanneer de inboorlingen der omliggende gehuchten hunne aardappelen,maïs of varkens komen inruilen tegen dekens, tabak en somtijds zeep, als de zendelingen hen daartoe kunnen overreden. De oudste zoon van Davies, die eene eigen boerderij bezit, is de zakenman op de markt. De kinderen der zendelingen, die jong op het eiland kwamen, verstaan de taal beter dan hunne ouders, en kunnen gemakkelijker iets van de inlanders gedaan krijgen.
Kort vóór den middag wandelden de heeren Williams en Davies met mij naar een gedeelte van het naburige woud, om mij den vermaarden Kauri-pijnboom te laten zien. Ik mat een dier prachtige boomen en vond, dat hij een omtrek had van 31 voet boven de wortels. Dichtbij was een andere, dien ik niet zag, van 33 voet; en men vertelde mij van een, die niet minder dan 40 voet in omtrek was. Deze boomen zijn vermaard om hunne gladde cylindervormige stammen, die eene hoogte bereiken van zestig, en zelfs negentig voet met bijna dezelfde middellijn en zonder een enkelen tak. De kroon van takken aan hun top staat in geen enkele verhouding tot den stam, en ook de bladeren zijn klein in vergelijking met de takken. Het woud bestaat hier bijna geheel uit kauri’s, waarvan de hoogste boomen met hunne evenwijdige zijden als reusachtige houten zuilen voor den toeschouwer oprijzen. Het hout van denkauriis het kostbaarste voortbrengsel van het eiland; ook zijpelt er eene hoeveelheid hars uit den stam, die, voordat het gebruik er van bekend was, tegen eenepennyhet pond verkocht werd.12Enkele wouden op Nieuw-Zeeland moeten bijna geheel ondoordringbaar zijn. De heer Matthews vertelde mij, dat een woud van slechts 34 mijlen in doorsnede, hetwelk twee bewoonde districten scheidde, eerst onlangs voor deeerste maal was doorgetrokken. Hij en een andere zendeling, ieder met een troep van omstreeks 50 man, poogden een weg te banen; maar dit kostte hun meer dan 14 dagen werk! In de bosschen zag ik zeer weinig vogels. Wat dieren betreft, is het een hoogst merkwaardig feit, dat zulk een groot eiland—meer dan 700 mijlen lang en op vele plaatsen 90 mijlen breed13—met afwisselende gronden, een fraai klimaat, en land van allerlei hoogten tot 14000 voet, geen enkel inheemsch dier bezit, met uitzondering van eene kleine rat. De verschillende soorten van het reusachtige vogelgeslachtDinornisschijnen hier de viervoetige zoogdieren te hebben vervangen, evenals nog heden de kruipende dieren op de Galápagos-Eilanden. Men zegt, dat de gewone Noorweegsche rat de Nieuw-Zeelandsche soort in den korten tijd van twee jaren op het noordelijk einde van het eiland heeft uitgeroeid. Op vele plaatsen bemerkte ik verscheidene soorten onkruid, die ik evenals de ratten als mijn landgenooten moest erkennen; en aan een Fransch schip komt de eer toe eenepreite hebben ingevoerd, die zich over geheele districten heeft verspreid, en ongetwijfeld zeer lastig zal blijken. Ook de gewone zuring (Rumex acetosa) is hier wijd en zijd verspreid en zal, naar ik vrees, altijd ten bewijze strekken van de schelmerij door een Engelschman gepleegd, die de zaden er van verkocht voor die van de tabaksplant.
Van onze aangename wandeling in het huis teruggekeerd, at ik bij den heer Williams, die mij vervolgens een paard leende om naar de Eilanden-Baai terug te keeren. Met dankbaarheid voor de hartelijke ontvangst en met gevoelens van eerbied voor hunne beschaafde, nuttige en rechtschapen persoonlijkheden, nam ik van de zendelingen afscheid. Ik geloof, dat men moeilijk een corps mannen zou vinden, die beter dan zij voor de hooge roeping geschikt zijn, welke zij nastreven.
Kerstdag.Nog enkele dagen, en het vierde jaar van onze afwezigheid uit Engeland zal verstreken zijn. Onzen Eersten Kerstdag brachten wij door in Plymouth; den tweeden in de St.-Maartens-Kreek bij Kaap Hoorn; den derden te Port Desiré in Patagonië; den vierden voor anker in eene afgelegen haven van het schiereiland Tres Montes; den vijfden hier; en zoo de Voorzienigheid wil, zal de volgende in Engeland zijn. Wij woonden eene godsdienstoefening bij in de kapel van Pahia, waar de dienst gedeeltelijk in het Engelsch en gedeeltelijk in de landstaal gehouden werd. Zoolang wij op Nieuw-Zeeland waren, hoorden wij van geen nieuwe daden van kannibalisme. Wel vond Stoke op een eilandje bij de ankerplaats verbrande menschenbeenderen om een vuurhaard verspreid liggen; maar mogelijk lagen deze overblijfselen van een smakelijken maaltijd er reeds verscheidene jaren. Het is waarschijnlijk, dat de zedelijke geaardheid van het volk snel verbeteren zal. Bushby vertelde eene aardige anecdote als staaltje van oprechtheid van althans enkele personen, die het christendom belijden. Een zijner jongelieden, die gewoon was aan de andere bedienden gebeden voor te lezen, verliet hem. Toen hij eenige weken daarna des avonds laat langs een bijgebouw ging, zag en hoorde hij een van zijne lieden den anderen, bij het licht van het haardvuur, met moeite uit den bijbel voorlezen. Daarna knielden zij en baden: en in hun gebed noemden zij de namen van Bushby, zijn gezin en van de zendelingen, elk in zijn eigen district.
26 December.Bushby deed Sulivan en mij het aanbod om in zijne boot eenige mijlen de rivier op te varen in de richting naar Cawa-Cawa, en stelde daarna eene wandeling voor naar het dorp Waiomio, waar eenige belangrijke rotsen zijn. Wij volgden een der armen van de baai en hadden nu een aangenamen roeitocht te midden van aardige landschappen, totdat wij in een dorp kwamen, waar de boot niet verder kon. Hier boden een opperhoofd en zijne mannen vrijwillig aan met ons naar Waiomio te wandelen, een afstand van vier mijlen. Ditopperhoofd was destijds eenigszins berucht, doordien hij onlangs een zijner vrouwen en een slaaf wegens overspel had opgehangen. Toen een der zendelingen hem daarover ernstig onderhield, scheen hij zeer verwonderd en zeide, dat hij dacht stipt de Engelsche methode te volgen. De oude Shongi, die in Engeland bij het verhoor der Koningin aanwezig was, sprak zijne diepe afkeuring uit over het geheele proces; hij zeide, dat hij vijf vrouwen had en haar liever allen het hoofd zou laten afslaan dan zich om ééne zoozeer te kwellen. Dit dorp verlatende, staken wij over naar een ander, dat op korten afstand op een heuvelhelling lag. Vijf dagen te voren was de dochter van een opperhoofd gestorven, die nog heiden was. De hut, waarin zij stierf, was tot den grond toe verbrand en door eene schutting omgeven, waarop hunne houten afgodsbeelden stonden. Het geheel was vuurrood geverfd, opdat het van verre zichtbaar zou zijn. Hare japon was aan de doodkist bevestigd, en het afgesneden haar lag aan hare voeten. De bloedverwanten hadden zich het vleesch van de armen, lichamen en aangezichten gescheurd, zoodat zij met geronnen bloed bedekt waren; maar de oude vrouwen zagen er het vuilst en het walgelijkst uit. Den volgenden dag bezochten eenige officieren deze plek, en vonden de vrouwen nog huilend en bezig hare lichamen stuk te rijten.
Wij vervolgden onze wandeling en bereikten weldra Waiomio. Hier staan eenige zonderlinge rotsen van kalksteen, die op ruïnen van kasteelen gelijken. Deze rotsen hebben langen tijd tot begraafplaatsen gediend, en worden bijgevolg als te heilig beschouwd om ze te mogen naderen. Toch riep een der jonge mannen tot de anderen: “Wie heeft den moed om meê te gaan?” en snelde vooruit; maar op nog geen honderd yards van de rotsen gekomen, dacht de geheele troep er anders over en bleef staan, ofschoon men ons met volkomen onverschilligheid toestond de geheele plek in oogenschouw te nemen. In het dorp rustten wij eenige uren uit, welke tijd besteed werd aan een lang onderhoud met Bushby over het recht van verkoop van sommigelanden. Een oud man, die een volleerd geslachtkundige scheen, duidde de achtereenvolgende bezitters aan door stukjes takken in den grond te steken. Voordat wij de huizen verlieten werd aan elk van ons gezelschap een mandjevol gebakken aardappelen uitgereikt, en volgens gebruik namen wij die mede om onderweg op te eten. Onder de vrouwen, die bezig waren met koken, merkte ik ook een mannelijken slaaf op. In een oorlogzuchtig land, als dit, moet het voor een man iets vernederends zijn werk te doen, dat als het laagste vrouwenwerk wordt beschouwd. Dat men slaven niet ten oorlog laat gaan, daarin heeft men misschien niet geheel en al ongelijk. Ik hoorde vertellen van een armen drommel, die tijdens de vijandelijkheden naar de tegenpartij overliep. Hier werd hij onmiddellijk door twee mannen gegrepen; maar wijl zij het niet eens konden worden aan wien hij zou toebehooren, stond elk met een bijl boven zijn hoofd gereed, vast besloten, dat de ander hem ten minste niet levend kon meênemen. Alleen door het beleid van de vrouw van een opperhoofd werd de arme man, die bijna dood was van schrik, gered. Daarna hadden wij eene aangename wandeling naar de boot terug, doch bereikten het schip niet voor des avonds laat.
30 December.Des namiddags stevenden wij de Eilanden-Baai uit en zetten koers naar Sydney. Ik geloof, dat wij allen blijde waren Nieuw-Zeeland te verlaten. Het is geen aangenaam oord. Onder de inboorlingen mist men dien beminnelijken eenvoud, welken men op Tahiti vindt, en het meerendeel der Engelschen is het uitschot der maatschappij. Ook is het land zelf niet aantrekkelijk. Slechts op eene enkele schoone plek zie ik met dankbaarheid terug, en dat is Waimate met zijne christelijke bewoners.
1Deze oostelijk van Tahiti gelegen archipel is een Fransche kolonie en voert den officiëelen naam vanTuamotu-Eilanden. Het woord Tuamotu wil zeggen “Afgelegen.” Zijne verdere namen zijnPaumotu- of Overwonnen-Eilanden; Lage Eilanden (volgens Krusenstern); Gevaarlijke Archipel (volgens Bougainville); en eindelijk de Paarlen-Eilanden (volgens de handelaren). Dien laatsten naam ontleenen zij aan hun kostbaarst product: de paarlen. De schoonste parel, die hier gevonden werd en later aan de Koningin van Engeland toebehoorde, werd met ƒ 72000 betaald. Zeer groote en kostbare exemplaren zijn echter zeldzaam. Van de 78 eilanden der groep, die 700 □ kilom. groot is en in 1897 5373 inwoners telde, hebben 35 parelbanken in hunne lagunen.(Vert.)2Pomaré is de naam van eene voormalige dynastie op Tahiti. Zij ving aan in 1793, en de laatste koning van dien naam, Pomaré V, deed afstand van den troon in 1880.(Vert.)3Caprifolium.4Jasminum.5Rosa canina.6James Cook ontdekte Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië in de jaren 1768–1771.(Vert.)7Tot deMaleiers—de vijfde der twaalf species.8Moritz Retzsch (1779–1857) bekend door zijn prachtige illustratiën bij de werken van Goethe en Schiller.(Vert.)9Daarbij heeft het eiland eene zeer geringe bevolkingsdichtheid, want op eene oppervlakte van 268.461 □ kilom. (achtmaal Nederland) wonen, volgens de telling in 1908, slechts ongeveer 1,008,000 zielen, waaronder 47,731 Maoris.(Vert.)10OokDámmara australisgenoemd. Hij behoort tot deConiferaeen groeit ook op de Philippijnen, waar hij onder den naam van Dámmara-den of Fakkelboom bekend is. Hij levert de bekende dámmara-hars (resina dammarae), evenals de plantendámmaraenxylopiaop de Molukken. Deze boom, die in vele gevallen 40–50 meter hoog wordt, heeft voor zijne ontwikkeling eene vochtige zeelucht en een drogen kleibodem noodig, en groeit alleen op het noordwestelijk deel van het noordelijkste der twee groote eilanden, waaruit N.-Zeeland bestaat. Zijn hout komt nog het meest overeen met dat van den witten of zilverden in West-Europa, en is zoo duurzaam, dat stammen (veel gebruikt voor masten, mijnstutten, spoorliggers, enz.) die 50 jaren in de aarde hadden gestaan, niets geleden hadden. De kauri-pijnboom is voor het oerwoud in de noordelijke warmere streken van N.-Zeeland, wat de mammoeth-boom is in Californië, en de ceder van den Libanon in Voor-Azië. Dámmara komt van het Hindostansche woorddâmar, dat “hars” beteekent.(Vert.)11Men kent op N.-Zeeland 115 soorten van varens (varenkruiden en varenboomen). In de wouden vindt men varenboomen (DicksoniaenCyathea) van 10–13 meter hoogte.(Vert.)12Tegenwoordig is wol het belangrijkste uitvoerartikel van Nieuw-Zeeland. In 1901, bijv., werd uitgevoerd aan wol voor £ 3.699.000; aan vleesch voor £ 2.369.000; aan goud voor £ 1.754.000; aan boter voor £ 882.000; aan Kaurihars voor £ 746.000; aan huiden voor £ 405.000; aan hout voor £ 295.000; aan kaas voor £ 239.000; en aan steenkool voor £ 142.000.(Vert.)13In □ Engelsche mijlen is de oppervlakte 103,700.(Vert.)
1Deze oostelijk van Tahiti gelegen archipel is een Fransche kolonie en voert den officiëelen naam vanTuamotu-Eilanden. Het woord Tuamotu wil zeggen “Afgelegen.” Zijne verdere namen zijnPaumotu- of Overwonnen-Eilanden; Lage Eilanden (volgens Krusenstern); Gevaarlijke Archipel (volgens Bougainville); en eindelijk de Paarlen-Eilanden (volgens de handelaren). Dien laatsten naam ontleenen zij aan hun kostbaarst product: de paarlen. De schoonste parel, die hier gevonden werd en later aan de Koningin van Engeland toebehoorde, werd met ƒ 72000 betaald. Zeer groote en kostbare exemplaren zijn echter zeldzaam. Van de 78 eilanden der groep, die 700 □ kilom. groot is en in 1897 5373 inwoners telde, hebben 35 parelbanken in hunne lagunen.
(Vert.)
2Pomaré is de naam van eene voormalige dynastie op Tahiti. Zij ving aan in 1793, en de laatste koning van dien naam, Pomaré V, deed afstand van den troon in 1880.
(Vert.)
3Caprifolium.
4Jasminum.
5Rosa canina.
6James Cook ontdekte Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië in de jaren 1768–1771.
(Vert.)
7Tot deMaleiers—de vijfde der twaalf species.
8Moritz Retzsch (1779–1857) bekend door zijn prachtige illustratiën bij de werken van Goethe en Schiller.
(Vert.)
9Daarbij heeft het eiland eene zeer geringe bevolkingsdichtheid, want op eene oppervlakte van 268.461 □ kilom. (achtmaal Nederland) wonen, volgens de telling in 1908, slechts ongeveer 1,008,000 zielen, waaronder 47,731 Maoris.
(Vert.)
10OokDámmara australisgenoemd. Hij behoort tot deConiferaeen groeit ook op de Philippijnen, waar hij onder den naam van Dámmara-den of Fakkelboom bekend is. Hij levert de bekende dámmara-hars (resina dammarae), evenals de plantendámmaraenxylopiaop de Molukken. Deze boom, die in vele gevallen 40–50 meter hoog wordt, heeft voor zijne ontwikkeling eene vochtige zeelucht en een drogen kleibodem noodig, en groeit alleen op het noordwestelijk deel van het noordelijkste der twee groote eilanden, waaruit N.-Zeeland bestaat. Zijn hout komt nog het meest overeen met dat van den witten of zilverden in West-Europa, en is zoo duurzaam, dat stammen (veel gebruikt voor masten, mijnstutten, spoorliggers, enz.) die 50 jaren in de aarde hadden gestaan, niets geleden hadden. De kauri-pijnboom is voor het oerwoud in de noordelijke warmere streken van N.-Zeeland, wat de mammoeth-boom is in Californië, en de ceder van den Libanon in Voor-Azië. Dámmara komt van het Hindostansche woorddâmar, dat “hars” beteekent.
(Vert.)
11Men kent op N.-Zeeland 115 soorten van varens (varenkruiden en varenboomen). In de wouden vindt men varenboomen (DicksoniaenCyathea) van 10–13 meter hoogte.
(Vert.)
12Tegenwoordig is wol het belangrijkste uitvoerartikel van Nieuw-Zeeland. In 1901, bijv., werd uitgevoerd aan wol voor £ 3.699.000; aan vleesch voor £ 2.369.000; aan goud voor £ 1.754.000; aan boter voor £ 882.000; aan Kaurihars voor £ 746.000; aan huiden voor £ 405.000; aan hout voor £ 295.000; aan kaas voor £ 239.000; en aan steenkool voor £ 142.000.
(Vert.)
13In □ Engelsche mijlen is de oppervlakte 103,700.
(Vert.)