III.

III.In den pas van Tuz.—Ontmoeting met antilopen.—Het dal van Inghiltsjik.—De tchiou-mouz.—Nog een Kirghizenhoofdman.—De bergengte van Attiaïlo.—De aoul vanOustchiar.—De rotsen versperren ons den uitgang.De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat, konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken, het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk, de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken alleronaangenaamst.Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort, die op gemzen gelijkt, rustig aan ’t grazen tegen een begroeide helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning, en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar, dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte horens, een weinig schuin naar buiten staande. ’t Is de antilope argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten.Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat voorspelt niet veel goeds.“Hoe komen we daarlangs?” vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. “Vot doroga”, (dat is de weg) zegt hij tegen ons in ’t russisch. “Djol djâman” (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die, hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan, en de grond glibberig is van het gletscherwater.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden, en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn; hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken, Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde lieden onbegrensd vertrouwen.Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de vallei, doet men als ’t ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien wij iets, dat onze aandacht trekt.Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg, dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten afsluitingen, die als ’t ware het geraamte der yourtes vormen. In het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken, die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine waterval tusschen struikgewas.De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als ’t ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld, dat de nomaden den “tchiou mouz” (grooten gletscher) noemen. De oppervlakte ervan is zeer oneffen, ’t is een aaneenschakeling van meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die, al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of mindere hardheid van den gletscher, liggenopgehoopt in strepen, die in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed, en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art, op chineesch grondgebied.Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm, gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor “vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe”.Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in ’t Fransch overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf, met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich bij onze karavaan voegden. ’t Waren onderdanen van onzen autocraat in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal, de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het Inghiltsjik-dal is gelegen.Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit, dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de richting van hetZ.W.naar hetN.O.door de bergengte van Attiaïlo. Uit de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof, die den hoogen bergwand volgt, en als ’t ware afscheidt. Wij blijven rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend, en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.Langzaam, terwijl de wind ons den regen in ’t gezicht zweept, beklimmen wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien, een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken, en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling, zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek ons kamp opslaan? De bodem, waarop wijstaan, is los puin, dat door de rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders, om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden, die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op, en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak, was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons den weg versperde.Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó, uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante’s gebaar van afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen, verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo, na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit, moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen, worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat wij ze bedaard konden opnemen, ’t geen zij zich goedschiks lieten welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn, dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daaropgaf ze hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.Intusschen kwam het vee naar kooi. ’t Was een merkwaardig schouwspel, die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn, elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en, waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen, als zij zich vergissen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk “als Kirghizen”, kleine monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond, rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der ouderen volgen.29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst, in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet, waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in onpeilbare diepten neergestort. ’t Is alsof we in een nauwe schroef zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren, stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut; het zou ons slechtbekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons met paard en al in de diepte doen storten.Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen, dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde, naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg, verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.Een Kirghizen-graf.Een Kirghizen-graf.De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs in den zak gestoken.De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen, hier zeer talrijk waren.Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was, onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen, dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden bereiken.Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker, en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt, tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld van den stroom.En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten, goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan ’t werk om steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de struiken op den oever.We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen wij den bergrug achter ons. ’t Is een lange en moeilijke tocht, waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der hoofdketens, die op het dal uitkomen. In ’t Oosten en Zuiden rijzen toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als ’t ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar nu begint het eerst.We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen, acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven, dat nu het ergste toch geleden is, staan we—n.b.aan den ingang der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe ’t ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten voorzichtig in ’t water plassend en met de handen, of ons houweel op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.IV.Op den top van de Oustchiar-spits.—De aoul van Kaënde.—Het gezicht op den Khan-Tengri.—De Kaënde-gletscher.—Ingesneeuwd.—Wij denken over terugkeeren.—In het Irtach-dal.—Bij den Kaltchè.—De kookkunst der Kirghizen.—Einde van onze topographische verrichtingen.—Een Kirghizen-begrafenis.1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden, en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na, en zij vluchtten huilende weg.Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons, en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling, waar wij onze tenten hebben opgeslagen.Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken, en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf dagen te voren hebben afgelegd.Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in ’t geheel niet bang meer; eer het tegendeel.Om drie uur ’s middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid door een der Kirghizen te paard,een uitstapje doen. We richten onze schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we, als ’t ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast; bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur ’s middags aan op den allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten, of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem, uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe klei ontworpen beeldhouwwerk houden.In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten vanKasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren, dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die, behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar nauwe en diepebedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden, als uit de diepste diepten der aarde opwellend.In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak, die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan, waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen, en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken het grootste genot, dat men zich denken kan.6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis en zenuwachtige spanning is het een genot, in ’t gras te liggen en naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan, en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen, dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven, en wij stemmen gaarne hierin toe.De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld zijn over een twintigtal tenten.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes, uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons maar volstrekt niet bekoren.Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd) van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken, waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende voedsel vinden, om hun honger te stillen.Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa’s verbonden door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends, en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan.Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we niet meer dan 15K.M.af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf, of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren; hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn onafscheidelijke muilen aan de voeten.Kirghizenherder met zijne kudde.Kirghizenherder met zijne kudde.12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven, en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm, het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als we kunnen, en twee tenten mee.In ’t begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid, waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos, dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling linksvan ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond, om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water, dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in te stoppen onder hun tent.’t Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen, en boven ons, op het dak van onze tent een 20cM.dikke laag sneeuw; terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen ons wekken,—bij wijze van spreken dan altoos,—en wij trekken onze stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van ’t hoofd tot de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de prins in ’t midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand, waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke, als ’t ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan, terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas, door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas—zooals wij hem noemen—is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken, gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van den Khan Tengri verheft.Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt, en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft, eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao,den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens te noemen, die door ons zijn bezocht.Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon het arme dier geen stap voorwaarts doen; ’t was alsof zijn pooten van hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek, waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post; maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.Twee dagen achtereen kunnen wij onze tentenniet verlaten; want het regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners, met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend, en om ’t hardst roepend: “Koch, Koch!” (vaarwel, vaarwel).De Kaënde-top is 6000 M. hoogDe Kaënde-top is 6000 M. hoogHet dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen, door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die aan romeinsche bouwconstructies doen denken.Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei, en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken, want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden, waar we kunnen oversteken.We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen wij erin, den overkant te bereiken.Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die 4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als we den volgenden dag naar het laag gelegendal van Irtach afdalen, wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood, en de lucht fel blauw. ’t Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.De Kaënde-gletscher.De Kaënde-gletscher.Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten, met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand, en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend, de chirtaï.De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van bontgekleurde stof.De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee, suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit, die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der Kirghizen.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen is. ’t Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat ons verbeteren zou. Enlangs de andere helling hadden we den berg desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar, spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk, terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum, die 4150 M. hoog is.Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek.Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan, en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100 breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is, het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal, dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen, dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao, en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria ontspringt.Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel van bevriezen is bij de nomaden in zwang.Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders, of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider stemherhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld, met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige, en niet kostbare begrafenisplechtigheid.Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.

III.In den pas van Tuz.—Ontmoeting met antilopen.—Het dal van Inghiltsjik.—De tchiou-mouz.—Nog een Kirghizenhoofdman.—De bergengte van Attiaïlo.—De aoul vanOustchiar.—De rotsen versperren ons den uitgang.De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat, konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken, het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk, de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken alleronaangenaamst.Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort, die op gemzen gelijkt, rustig aan ’t grazen tegen een begroeide helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning, en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar, dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte horens, een weinig schuin naar buiten staande. ’t Is de antilope argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten.Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat voorspelt niet veel goeds.“Hoe komen we daarlangs?” vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. “Vot doroga”, (dat is de weg) zegt hij tegen ons in ’t russisch. “Djol djâman” (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die, hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan, en de grond glibberig is van het gletscherwater.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden, en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn; hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken, Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde lieden onbegrensd vertrouwen.Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de vallei, doet men als ’t ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien wij iets, dat onze aandacht trekt.Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg, dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten afsluitingen, die als ’t ware het geraamte der yourtes vormen. In het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken, die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine waterval tusschen struikgewas.De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als ’t ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld, dat de nomaden den “tchiou mouz” (grooten gletscher) noemen. De oppervlakte ervan is zeer oneffen, ’t is een aaneenschakeling van meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die, al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of mindere hardheid van den gletscher, liggenopgehoopt in strepen, die in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed, en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art, op chineesch grondgebied.Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm, gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor “vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe”.Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in ’t Fransch overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf, met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich bij onze karavaan voegden. ’t Waren onderdanen van onzen autocraat in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal, de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het Inghiltsjik-dal is gelegen.Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit, dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de richting van hetZ.W.naar hetN.O.door de bergengte van Attiaïlo. Uit de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof, die den hoogen bergwand volgt, en als ’t ware afscheidt. Wij blijven rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend, en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.Langzaam, terwijl de wind ons den regen in ’t gezicht zweept, beklimmen wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien, een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken, en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling, zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek ons kamp opslaan? De bodem, waarop wijstaan, is los puin, dat door de rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders, om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden, die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op, en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak, was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons den weg versperde.Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó, uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante’s gebaar van afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen, verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo, na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit, moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen, worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat wij ze bedaard konden opnemen, ’t geen zij zich goedschiks lieten welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn, dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daaropgaf ze hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.Intusschen kwam het vee naar kooi. ’t Was een merkwaardig schouwspel, die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn, elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en, waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen, als zij zich vergissen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk “als Kirghizen”, kleine monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond, rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der ouderen volgen.29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst, in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet, waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in onpeilbare diepten neergestort. ’t Is alsof we in een nauwe schroef zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren, stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut; het zou ons slechtbekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons met paard en al in de diepte doen storten.Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen, dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde, naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg, verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.Een Kirghizen-graf.Een Kirghizen-graf.De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs in den zak gestoken.De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen, hier zeer talrijk waren.Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was, onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen, dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden bereiken.Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker, en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt, tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld van den stroom.En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten, goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan ’t werk om steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de struiken op den oever.We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen wij den bergrug achter ons. ’t Is een lange en moeilijke tocht, waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der hoofdketens, die op het dal uitkomen. In ’t Oosten en Zuiden rijzen toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als ’t ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar nu begint het eerst.We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen, acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven, dat nu het ergste toch geleden is, staan we—n.b.aan den ingang der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe ’t ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten voorzichtig in ’t water plassend en met de handen, of ons houweel op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.IV.Op den top van de Oustchiar-spits.—De aoul van Kaënde.—Het gezicht op den Khan-Tengri.—De Kaënde-gletscher.—Ingesneeuwd.—Wij denken over terugkeeren.—In het Irtach-dal.—Bij den Kaltchè.—De kookkunst der Kirghizen.—Einde van onze topographische verrichtingen.—Een Kirghizen-begrafenis.1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden, en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na, en zij vluchtten huilende weg.Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons, en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling, waar wij onze tenten hebben opgeslagen.Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken, en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf dagen te voren hebben afgelegd.Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in ’t geheel niet bang meer; eer het tegendeel.Om drie uur ’s middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid door een der Kirghizen te paard,een uitstapje doen. We richten onze schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we, als ’t ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast; bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur ’s middags aan op den allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten, of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem, uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe klei ontworpen beeldhouwwerk houden.In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten vanKasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren, dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die, behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar nauwe en diepebedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden, als uit de diepste diepten der aarde opwellend.In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak, die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan, waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen, en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken het grootste genot, dat men zich denken kan.6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis en zenuwachtige spanning is het een genot, in ’t gras te liggen en naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan, en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen, dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven, en wij stemmen gaarne hierin toe.De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld zijn over een twintigtal tenten.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes, uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons maar volstrekt niet bekoren.Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd) van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken, waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende voedsel vinden, om hun honger te stillen.Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa’s verbonden door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends, en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan.Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we niet meer dan 15K.M.af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf, of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren; hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn onafscheidelijke muilen aan de voeten.Kirghizenherder met zijne kudde.Kirghizenherder met zijne kudde.12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven, en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm, het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als we kunnen, en twee tenten mee.In ’t begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid, waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos, dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling linksvan ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond, om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water, dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in te stoppen onder hun tent.’t Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen, en boven ons, op het dak van onze tent een 20cM.dikke laag sneeuw; terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen ons wekken,—bij wijze van spreken dan altoos,—en wij trekken onze stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van ’t hoofd tot de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de prins in ’t midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand, waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke, als ’t ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan, terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas, door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas—zooals wij hem noemen—is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken, gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van den Khan Tengri verheft.Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt, en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft, eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao,den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens te noemen, die door ons zijn bezocht.Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon het arme dier geen stap voorwaarts doen; ’t was alsof zijn pooten van hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek, waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post; maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.Twee dagen achtereen kunnen wij onze tentenniet verlaten; want het regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners, met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend, en om ’t hardst roepend: “Koch, Koch!” (vaarwel, vaarwel).De Kaënde-top is 6000 M. hoogDe Kaënde-top is 6000 M. hoogHet dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen, door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die aan romeinsche bouwconstructies doen denken.Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei, en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken, want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden, waar we kunnen oversteken.We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen wij erin, den overkant te bereiken.Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die 4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als we den volgenden dag naar het laag gelegendal van Irtach afdalen, wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood, en de lucht fel blauw. ’t Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.De Kaënde-gletscher.De Kaënde-gletscher.Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten, met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand, en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend, de chirtaï.De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van bontgekleurde stof.De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee, suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit, die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der Kirghizen.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen is. ’t Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat ons verbeteren zou. Enlangs de andere helling hadden we den berg desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar, spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk, terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum, die 4150 M. hoog is.Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek.Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan, en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100 breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is, het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal, dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen, dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao, en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria ontspringt.Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel van bevriezen is bij de nomaden in zwang.Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders, of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider stemherhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld, met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige, en niet kostbare begrafenisplechtigheid.Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.

III.In den pas van Tuz.—Ontmoeting met antilopen.—Het dal van Inghiltsjik.—De tchiou-mouz.—Nog een Kirghizenhoofdman.—De bergengte van Attiaïlo.—De aoul vanOustchiar.—De rotsen versperren ons den uitgang.De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat, konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken, het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk, de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken alleronaangenaamst.Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort, die op gemzen gelijkt, rustig aan ’t grazen tegen een begroeide helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning, en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar, dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte horens, een weinig schuin naar buiten staande. ’t Is de antilope argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten.Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat voorspelt niet veel goeds.“Hoe komen we daarlangs?” vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. “Vot doroga”, (dat is de weg) zegt hij tegen ons in ’t russisch. “Djol djâman” (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die, hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan, en de grond glibberig is van het gletscherwater.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden, en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn; hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken, Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde lieden onbegrensd vertrouwen.Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de vallei, doet men als ’t ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien wij iets, dat onze aandacht trekt.Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg, dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten afsluitingen, die als ’t ware het geraamte der yourtes vormen. In het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken, die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine waterval tusschen struikgewas.De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als ’t ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld, dat de nomaden den “tchiou mouz” (grooten gletscher) noemen. De oppervlakte ervan is zeer oneffen, ’t is een aaneenschakeling van meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die, al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of mindere hardheid van den gletscher, liggenopgehoopt in strepen, die in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed, en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art, op chineesch grondgebied.Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm, gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor “vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe”.Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in ’t Fransch overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf, met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich bij onze karavaan voegden. ’t Waren onderdanen van onzen autocraat in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal, de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het Inghiltsjik-dal is gelegen.Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit, dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de richting van hetZ.W.naar hetN.O.door de bergengte van Attiaïlo. Uit de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof, die den hoogen bergwand volgt, en als ’t ware afscheidt. Wij blijven rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend, en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.Langzaam, terwijl de wind ons den regen in ’t gezicht zweept, beklimmen wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien, een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken, en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling, zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek ons kamp opslaan? De bodem, waarop wijstaan, is los puin, dat door de rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders, om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden, die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op, en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak, was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons den weg versperde.Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó, uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante’s gebaar van afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen, verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo, na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit, moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen, worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat wij ze bedaard konden opnemen, ’t geen zij zich goedschiks lieten welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn, dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daaropgaf ze hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.Intusschen kwam het vee naar kooi. ’t Was een merkwaardig schouwspel, die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn, elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en, waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen, als zij zich vergissen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk “als Kirghizen”, kleine monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond, rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der ouderen volgen.29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst, in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet, waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in onpeilbare diepten neergestort. ’t Is alsof we in een nauwe schroef zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren, stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut; het zou ons slechtbekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons met paard en al in de diepte doen storten.Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen, dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde, naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg, verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.Een Kirghizen-graf.Een Kirghizen-graf.De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs in den zak gestoken.De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen, hier zeer talrijk waren.Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was, onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen, dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden bereiken.Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker, en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt, tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld van den stroom.En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten, goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan ’t werk om steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de struiken op den oever.We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen wij den bergrug achter ons. ’t Is een lange en moeilijke tocht, waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der hoofdketens, die op het dal uitkomen. In ’t Oosten en Zuiden rijzen toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als ’t ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar nu begint het eerst.We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen, acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven, dat nu het ergste toch geleden is, staan we—n.b.aan den ingang der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe ’t ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten voorzichtig in ’t water plassend en met de handen, of ons houweel op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.

In den pas van Tuz.—Ontmoeting met antilopen.—Het dal van Inghiltsjik.—De tchiou-mouz.—Nog een Kirghizenhoofdman.—De bergengte van Attiaïlo.—De aoul vanOustchiar.—De rotsen versperren ons den uitgang.

In den pas van Tuz.—Ontmoeting met antilopen.—Het dal van Inghiltsjik.—De tchiou-mouz.—Nog een Kirghizenhoofdman.—De bergengte van Attiaïlo.—De aoul vanOustchiar.—De rotsen versperren ons den uitgang.

De pas van Tuz is een der meest gewichtige punten van onzen tocht door het Hemelsche gebergte; maar het dal, dat aan dien pas voorafgaat, konden wij uit de vallei van den Saridjass-sou niet dadelijk bereiken, het bleef verborgen achter een moraine die, als een soort van dijk, de beide rivieren scheidt, welke een tijdlang bijna evenwijdig aan elkaar loopen, eer ze zich vereenigen.

Toen we den 22sten ons kamp opbraken, werden we geplaagd door zwermen muskieten, die het ons bijzonder lastig maakten. Al sloegen wij nog zoo driftig met onze karwatsen om ons heen, om ze van ons af te houden, zij weten onze gevoelige plekjes wel te vinden, en steken alleronaangenaamst.

Tegen tien uur zien we een groep van drie arkars, een antilopensoort, die op gemzen gelijkt, rustig aan ’t grazen tegen een begroeide helling. Zij schijnen volstrekt niet verbaasd over onze verschijning, en in plaats van bij onze nadering op de vlucht te gaan, blijven zij kalm voortgrazen, en lichten af en toe den kop op, om ons aan te kijken. Ze zijn zoo groot als kleine gemzen, met kort, geelbruin haar, dat bijna niet afsteekt bij de kleur van den bodem, en kleine rechte horens, een weinig schuin naar buiten staande. ’t Is de antilope argalis, die veel voorkomt in het gebergte van Tiensjan.

Het dal van Tuz splitst zich in drie afdeelingen, waarvan wij diegene kiezen, die het meest naar rechts is gelegen; de beide overige zijn onbegaanbaar. Langs iets, dat in de verte op een pad gelijkt, komen wij al spoedig aan de eerste hellingen van losse steenbrokken, aan den voet van een geweldigen bergmuur vol diepe rotskloven. Wel zien we van hier een soort van weg, die langs den steilen bergwand omhoog slingert en die, waar de voorbijtrekkende karavanen de steenen hebben verplaatst en verschoven, witachtig afsteekt bij den roestkleurigen bodem. Maar een pad is dit eigenlijk slechts in naam; want wij komen met de grootste moeite voorwaarts; de steenen glijden ons onophoudelijk onder de voeten weg. Zurbriggen, die een eindweegs vooruit is, staat ons als een ruiterstandbeeld op de hoogte af te wachten.

Als we hem genaderd zijn, schudt hij bedenkelijk het hoofd met den rossen baard, en kauwt op de uitgegane pijp in zijn mondhoek. Dat voorspelt niet veel goeds.

“Hoe komen we daarlangs?” vraagt hij, terwijl hij rondziet naar het amphitheater van rotsen en ijs, dat zich op een afstand van een paar honderd meters voor ons uitstrekt. Wij roepen den djighite. Deze wijst op een donkere streep, die midden over den gletscher loopt. “Vot doroga”, (dat is de weg) zegt hij tegen ons in ’t russisch. “Djol djâman” (heel slecht) voegt hij er in zijn eigen dialect bij. Dicht bij ons vangt een klein meer het water der drie gletschers op, die, hoewel niet bijzonder hoog, bijna geheel kaal zijn, en bedenkelijk steil. Maar onze jager is, met twee paarden aan den teugel, reeds begonnen de moraine vóór ons te beklimmen. Wij volgen hem, zonder eigenlijk goed te bedenken wat we beginnen. Met een moed, dien men haast doldriftig zou kunnen noemen, sleepen wij de dieren naar den top van de rotsen, waar ze bijna geen ruimte hebben om te staan, en de grond glibberig is van het gletscherwater.

Wij wagen ons dapper op de ijshelling.Wij wagen ons dapper op de ijshelling.

Wij wagen ons dapper op de ijshelling.

Zurbriggen waagt zich, zijn paard bij den teugel houdend, onversaagd op de ijshelling. Eerst klimt hij in een rechte lijn omhoog; maar een steilte, die voor hem oprijst, noodzaakt hem, schuins rechts te houden. Wij volgen zijn voorbeeld, steeds zoekend naar spleten en kanten, om onzen voet neer te zetten, en ruwe plekken, waar we even staande kunnen blijven. We hebben geen houweel bij ons, en moeten ons dus met de handen vastklemmen, om niet te vallen. Maar op de plek aangekomen, waar wij in de schuinte moeten gaan klimmen, beginnen wij in te zien, dat het nu toch te gevaarlijk wordt. De paarden zouden hier allicht door de zwaarte van hun last omvergetrokken worden, en neerstorten op de puntige rotsen daar beneden. Zurbriggen, die op wonderbaarlijke wijze een veilig punt heeft weten te bereiken, roept ons uit alle macht toe, dat we niet verder mogen gaan; zijn eigen paard was bijna uitgegleden, en beeft nog van angst. Op eens tuimelt een der vrachtpaarden als een steen naar beneden, waar de andere helft van onze karavaan nog staat te wachten. Abbas geeft een kreet van pijn; hij is door een trap van het gevallen paard aan zijn been gekwetst.

Het zou al te dwaas zijn, onder deze omstandigheden ons plan te willen doorzetten. Wij besloten dus, te kampeeren bij het meer en gedurende het verdere verloop van den dag een beteren weg te zoeken. Wij lieten nu onze paarden alleen staan, en volgden onzen gids naar den top van den pas, dien wij vrij spoedig bereikten. Wij waren hier op een hoogte van 3450 M. Aan onze voeten strekte zich het Inghiltsjik-dal uit, over een lengte van honderd werst, ten Zuiden begrensd door een duizelingwekkenden bergwand, meer dan 6000 M. hoog. Maar wij hadden haast, en het kwam er thans meer op aan, een veiligen overgang te vinden, dan te genieten van dat prachtig schouwspel. Rechts van den pas daalde een gletscher af, waarvan de helling volstrekt niet steil was, en langs dien weg besloten wij verder te trekken.

Toen wij in het kamp terug kwamen, vonden wij daar twee zieken, Abbas en Piotra. De laatste rolde over den grond, met hevige krampen in den buik, en Abbas klaagde over zijn been.

Wij wreven hen in met een antiseptisch middel en gaven den jongen Rus iets verzachtends. Het blinde vertrouwen van die eenvoudige lieden op onze macht en onze kennis hielpen haast evenveel als de geneesmiddelen zelf. Later kregen wij nog gelegenheid, bij de Kirghizen voor dokter te spelen. Hoewel deze zeer gehard zijn, speelt bij hun ongesteldheden de verbeelding een groote rol. Een kleinigheid is dan ook voldoende om hen te genezen, en zij stellen dus in de wetenschap der beschaafde lieden onbegrensd vertrouwen.

Den volgenden morgen kwamen wij na drie uren aan den tweeden pas van Tuz. Er zijn werkelijk twee passen van dien naam, die beide door de nomaden worden overgetrokken, al naar gelang van hun meerdere of mindere begaanbaarheid. Wij hadden dus het voorbeeld der Kirghizen gevolgd. Om van het hoogste punt van den pas weer af te dalen in de vallei, doet men als ’t ware een sprong van 2000 meter in de diepte. Er is geen gebaande weg, en men kan zich maar niet op goed geluk naar beneden laten glijden. Den weg moet men zelf maar zoeken. Toen ik de streek, waar gras groeide, weer had bereikt, waren de vier pooten van mijn paard bloedig gewond, en het arme dier scheen alles behalve behagen te scheppen in die halsbrekende klimpartij.

De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.

De Kirghizen leiden in hun dorpen een rustig leven.

Tegen drie uur hadden wij den voet van den berg bereikt. Het landschap bleef steeds eentonig; hoewel het thans werd verlevendigd door struikgewas, dat aan den oever der rivier groeide. Enkele cruciferen met saffraankleurige bloemen, distels, en gele anemomen bloeien tusschen de struiken in den schralen bodem. Hier en daar ontspringt onverwacht een beek uit het dorre rotsgesteente, en besproeit kleine grasvelden, die ons werkelijk als een oasis voorkomen in deze steenwoestenij. Op een kleine verhooging langs den oever zien wij iets, dat onze aandacht trekt.

Het is een Kirghizengraf, gebouwd uit gekruiste boomstammen, waarop een pyramide van steenen is opgericht. Kort daarop komen wij aan een aoul, die door de nomaden is verlaten. Hier hebben zij verblijf gehouden in het koude jaargetijde, want deze zijde van den berg, dien wij nu juist zijn overgeklommen, schijnt dan aan de zonnestralen te zijn blootgesteld, zoodat de sneeuw er spoedig smelt en de bodem met gras bedekt is. Rondom een groot granietblok ziet men duidelijk de kringen, die de keregas hebben achtergelaten; dat zijn de houten afsluitingen, die als ’t ware het geraamte der yourtes vormen. In het midden liggen nog de drie zwart geschroeide steenen, die als haard hebben gediend. Het gras groeit hoog en dicht, waar het vee den grond bemest heeft. Maar wij willen toch liever niet kampeeren op deze plek, en achten het beter, beschutting te zoeken achter een verhevenheid van den bodem, om den killen luchtstroom te ontwijken, die ons tegenwaait van den gletscher, uit welks tallooze spleten en gleuven stroomen modderig water neerstorten. Vlak tegenover ons begroet ons de geweldige, in wolken gehulde Kizil-Tao met donderende sneeuwlawinen, die ons echter volstrekt geen angst aanjagen, daar zij ons hier niet kunnen bereiken. Niet ver van ons blinkt een kleine waterval tusschen struikgewas.

De Kirghizen verzamelen hier dikwijls hun kudden, daar de plek als ’t ware een natuurlijke besloten ruimte vormt.

24 Juli. Wij gaan op verkenning uit naar den Inghiltsjik-gletscher om een plaats te zoeken, waarlangs we de paarden kunnen overbrengen. Als ons dat gelukt, zullen we zoo hoog mogelijk zien te geraken, om ons hoofdkwartier te kunnen betrekken vlak bij den voet van den Khan Tengri. Hij ligt ongetwijfeld aan het eind van dat reusachtige ijsveld, dat de nomaden den “tchiou mouz” (grooten gletscher) noemen. De oppervlakte ervan is zeer oneffen, ’t is een aaneenschakeling van meren en stroomen, dalen en heuveltjes, bezaaid met steenen, die, al naar de richting waarin zij zijn afgegleden, en de meerdere of mindere hardheid van den gletscher, liggenopgehoopt in strepen, die in verschillende richting loopen, en afwisselend zijn van kleur. Van boven af gezien gelijkt de gletscher op het schild van een reptiel.

Wij behoeven niet lang te twijfelen aan de volslagen onmogelijkheid om onze paarden hierheen te brengen, wegens het gebrek aan gras en de onbegaanbaarheid van den bodem. Om dien Inghiltsjik-gletscher te kunnen volgen tot aan zijn oorsprong, en op die plek eenige weken te vertoeven, zouden we moeten beschikken over een flinken troep sterke lastdragers, met doelmatig schoeisel, en aan deze eischen voldeden noch de lieden, die wij hadden medegenomen, noch zij, die wij in de naburige dalen hadden aangetroffen. Want de inwoners zijn onvoldoende gekleed, en kunnen bovendien volstrekt geen vrachten op den rug dragen. Wij moesten er dus in berusten, en op een ander punt den Khan Tengri zien te naderen. We wilden het nu beproeven langs den pas Mouj-art, op chineesch grondgebied.

Bij het opbreken waren wij niet weinig verbaasd, toen wij onzen djighite zagen aankomen met een ouden Kirghies, die zich zoo diep voor ons neerboog, alsof hij ons een gunst kwam afsmeeken. Het was niemand minder dan het hoofd, of chirtaï van het Kaënde-dal, die ons zijn diensten kwam aanbieden. Toen wij den vorigen avond op den gletscher rondzwierven, was de djighite plotseling zonder waarschuwing verdwenen en had in 24 uren 150 werst afgelegd, om den man op te zoeken, dien hij nu medebracht. Onze vriend Abbas liet zijn potten en pannen in den steek, om met de grootste deftigheid zijn plichten als tolk en ceremoniemeester te vervullen. Altoos onverstoorbaar kalm, gedroeg hij zich ook bij deze gelegenheid met voorbeeldigen tact, en behandelde onzen gast als een ouden bekende. Hij had het anders op de Kirghizen volstrekt niet begrepen en koesterde de diepste minachting voor hen. Hij ging zelfs zoo ver, hen en hun vrouwen te verklaren voor “vuile honden, die alles zouden eten, tot krengen toe”.

Die chirtaï scheen nu ook niet bepaald een voornaam personage. Op een paar beleefde phrases na, die Abbas ons op zijn manier in ’t Fransch overbracht, scheen hij zich niet anders te kunnen uitdrukken dan door buigingen en salamaleks, die hij onophoudelijk ten beste gaf, met gesloten oogen en de handen op de borst gedrukt. Toen we pas op weg waren, kwamen ons twee mannen te paard tegemoet rijden, die zich bij onze karavaan voegden. ’t Waren onderdanen van onzen autocraat in miniatuur, door hem uitgezonden, om ons hun hulp aan te bieden.

Al was hun hoofd niet precies op de hoogte van de vormen der wellevendheid, hij wist zeer goed, wat de plicht der gastvrijheid gebood. Die twee lieden bewezen ons uitstekende diensten bij het oversteken van de rivier, die op sommige punten bijna 200 meter breed was. Wij bereikten de overzijde aan den ingang van het Attiaïlo-dal, de eenige toegang tot de vallei van Kaënde, die ten Zuiden van het Inghiltsjik-dal is gelegen.

Het gebergte, dat de beide dalen scheidt, is uit een geologisch oogpunt beschouwd, de kern van de Khan Tengri-groep. Het vertoont een eigenaardig karakter, zoowel door zijn uiterlijk voorkomen als door den aard van het rotsgesteente. De hoekige omtrekken en de waaiervormige ligging der granietlagen verraden den plutonischen oorsprong van zijn vorming. Wat ons als een zonderling verschijnsel trof, was het feit, dat de berg plotseling afbreekt, en schuin doorsneden wordt in de richting van hetZ.W.naar hetN.O.door de bergengte van Attiaïlo. Uit de verte zou men dit niet hebben verwacht; want de bergketen schijnt onafgebroken door te loopen, en zich als een zware versterking aan te sluiten bij de reuzenmassa van den Kizil-Tao. Maar van dichtbij gezien, zooals wij daartoe gelegenheid hadden bij onzen doortocht door het Attiaïlo-dal, bemerkte men, dat dit aanhangsel een geheel verschillenden oorsprong en bouw verraadt. Twee of drie wersten verder splitst zich het dal in tweeën. Links opent zich een geweldige kloof, die den hoogen bergwand volgt, en als ’t ware afscheidt. Wij blijven rechts houden. Een paar uur later komt er een regenbui, die ons noodzaakt, stil te houden aan den voet van hooge rotsen, wier toppen met ijs zijn bedekt. Af en toe vallen steenen uit de hoogte rondom ons neer; maar aan zulke kleine bezwaren zijn wij nu reeds gewend, en wij letten er niet eens meer op. Met den rand van onzen hoed over de oogen neergeslagen, den kraag tot over de ooren opgetrokken, en een plaid om de schouders, vertrekken wij uit ons bivouak op een hoogte van 3000 M., en weten nog niet recht waar we heden avond zullen slapen.

Langzaam, terwijl de wind ons den regen in ’t gezicht zweept, beklimmen wij de eene helling van losse steenen na de andere, en vervolgen onzen weg, om moraines heen, welker gletschers in ijzige mistwolken zijn gehuld. Op het hoogste punt van den pas klaart de lucht op, en wij zien, dat we langs de oevers van een meer rijden, dat te midden van bloemrijke weiden gelegen is. In onze onverschillige en gedrukte stemming brengt dit liefelijk landschap, door een wazigen nevel gezien, een oogenblikkelijke omkeering teweeg. Onze stompe zwaarmoedigheid maakt plaats voor opgewektheid, en bijna met vreugde begroeten wij dat zonnige groene plekje, dat ons aan een Alpenlandschap doet denken, en als een herinnering is aan ons schoon vaderland. Maar die liefelijke indrukken zijn niet van blijvenden aard. Na deze oase volgt plotseling, zonder overgang, een akelige nauwe kloof, die op een tunnel gelijkt. De lucht betrekt weer, en het begint opnieuw hard te regenen. De rivier is bovenmatig gezwollen. Toch moeten wij den stroom herhaalde malen oversteken en langs den oever rijden, voortdurend bedreigd door de vallende steenen, die met angstwekkende snelheid van de hooge hellingen komen neerstorten. Om ongelukken te voorkomen, moeten we soms gevaarlijk hard rijden op den glibberigen natten oever, waar we bijna niet staande kunnen blijven van de gladheid. Op eens houdt de djighite stil, en wenkt ons, zijn voorbeeld te volgen. Hij roept ons toe, dat we ons vlak bij een vreeselijken afgrond bevinden en dat het onverantwoordelijk onvoorzichtig zou zijn, onzen weg te vervolgen. Wij zien elkaar verschrikt en verwonderd aan. Wat zullen we doen? Waarom heeft hij ons niet eerder gewaarschuwd? Moeten wij dan op deze plek ons kamp opslaan? De bodem, waarop wijstaan, is los puin, dat door de rivier wordt medegevoerd, en naast ons bruist het water, dat groote rotsblokken voortstuwt, die, als zij een versperring vormden, ons en ons kamp zouden kunnen doen medesleuren. Maar bij de gedachte, dat ons niet anders overblijft, dan op onze schreden terug te keeren, zinkt ons de moed in de schoenen, en wij schikken ons gelaten in ons lot.

Dien avond wandelden we niet langs de tenten, zooals anders, om een gezellig praatje te houden, en we gebruikten niet kalm het middagmaal op den tchiamkerr, die voor den ingang onzer tent werd uitgespreid. Nadat we ons goed hadden vergewist, dat de tenten stevig waren vastgemaakt, en geen vocht doorlieten, kropen we in onze slaapzakken en wachtten, tot de god van den slaap zich over ons zou ontfermen. Gedurende den nacht werden we onophoudelijk gekweld door afschuwelijke droomen, en telkens sprongen we verschrikt op, in de meening, dat ons laatste uur geslagen was. De regen, die met steeds meer geweld op het dak der tenten kletterde, deed ons denken aan den toestand der rivier, die dus ook steeds bleef wassen, en waarin wij het doffe tegen elkander botsen hoorden van de steenen, die het woest geweld van den stroom losrukte van den oever. Als de paarden, die onrustig buiten heen en weer liepen, langs de tenten streken of struikelden over de gespannen koorden en palen, beving ons soms werkelijk de angst, dat onze schuilplaats geen voldoende beschutting zou blijven verleenen. Tegen den morgen echter klaarde de lucht op, en in den warmen zonneschijn begon onze doorweekte bagage spoedig te drogen. De afgrond, waarvan onze djighite den avond te voren sprak, was een geweldig diepe kloof, die de berghelling doorsneed en ons den weg versperde.

Wij moesten eerst langs den rand dier kloof hoogerop klimmen, en zóó, uiterst voorzichtig, op den vochtigen grond, een omweg maken, eer wij de overzijde der kloof weer hadden bereikt. Bij het afscheid van die bergengte van Attiaïlo bootsten wij onwillekeurig Dante’s gebaar van afgrijzen na, bij het verlaten der hel. Op een betrekkelijk veilige plek aangekomen, zagen wij bijna met ontzetting terug naar die duistere kloof, vol sombere schoonheid, waarin de stroom als razend worstelt tegen de nauwe kerkerwanden, die hem omsluiten, om somtijds geheel te verdwijnen in onzichtbare, onderaardsche kolken. De steile wanden der kloof, die wij zijn omgetrokken, vertoonen hun kale rotslagen van mica en kwarts, hier en daar afgebroken, waar verzakkingen hebben plaats gehad en de overblijfselen van verschillende lagen een bontgekleurde mengeling vormen. Aan de andere zijde heeft de harde rotswand meer zijn oorspronkelijken bouw bewaard; het zijn loodrechte muren, trapsgewijs opklimmend, en op den top bekroond door alleenstaande rotsblokken, die den indruk geven van middeleeuwsche burchten, zoo plomp en zwaar. De roestkleur der rotsen, waarover loodrechte blauwachtige strepen loopen, verkleurd door het afloopen van het water, en de vele holten en spleten gaven aan die kalksteenrotsen een schilderachtig vervallen voorkomen.

Na nog een eindweegs te hebben afgelegd, dalen wij af in het Kaënde-dal, waar de chirtaï ons opwachtte, met twee van zijn onderhoorigen. Hij bracht ons een zak met koumiss, dien hij ons zeer welwillend aanbood. Daarop plaatste hij zich aan het hoofd van den stoet, om ons den weg te wijzen door het warnet van kanalen, die tusschen de steenen van den thalweg kronkelen, en bracht ons zoo, na eenige onderdompelingen, op een met gras begroeide hoogte aan de grens van een dennenbosch. Hier verzocht hij ons, of wij ons naar zijn aoul wilden begeven, die, ongeveer een halve dagreis van ons verwijderd, meer stroomopwaarts lag. Maar daar wij zeer verlangend waren, om het doel van onzen zwerftocht te bereiken, bedankten wij voor zijn vriendelijk aanbod en beloofden hem, zoo mogelijk, later aan zijn beleefde uitnoodiging te zullen voldoen. Om den bergwand te kunnen beklimmen, die de vallei van Kaënde aan de zuidzijde afsluit, moeten wij nog ongeveer drie uren door het dal trekken, waarna wij door weelderige grasvelden den Oustchiar-pas bereiken, te ongeveer twee uur des middags. Daar wachten ons twee onbekende Kirghizen, met het gewone huldeblijk, de traditioneele koumiss. Hun aanwezigheid op die plek doet ons niet weinig verbaasd staan. Hoe wisten die menschen dat wij in aantocht waren, terwijl zij aan de tegenovergestelde zijde van het dal wonen? Wij kunnen het raadsel niet oplossen. Begeleid door deze eerewacht, kwamen wij een uur later aan hun aoul, die aan de rivier was gelegen, in een kromming van het dal.

Al de mannen kwamen ons onmiddellijk te gemoet, terwijl de kinderen verschrikt wegliepen, en de vrouwen ons angstig bespiedden door de reten der yourtes. Geen van allen begreep, wat dit bezoek van vreemdelingen in hun land moest beteekenen. Het kostte den djighite en Abbas vrij veel moeite, om hun het doel onzer reis uit te leggen, en hen te overtuigen, dat wij niet het geringste kwaad in den zin hadden.

Den geheelen middag werd ons kamp druk bezocht door het mannelijk element van de kolonie, en al spoedig werden wij met broederlijke hartelijkheid behandeld. De Kirghizen hebben een opmerkelijke eigenschap; als zij eenmaal weten, dat men hun geen kwaad zal doen, worden zij verregaand opdringend en onbescheiden.

De koumiss vloeide in stroomen, en Abbas onthaalde hen, bij wijze van contra-beleefdheid, rijkelijk op thee, die vooraf in een grooten ketel werd klaargemaakt. Des avonds deden wij een wandelingetje langs de tenten, tot schrik van de vrouwen, die zich verscholen toen zij ons zagen aankomen. Maar de mannen, die ons vergezelden, haalden hun echtgenooten voor den dag, en lieten ze op een rij staan, zoodat wij ze bedaard konden opnemen, ’t geen zij zich goedschiks lieten welgevallen. Hare kleeding was wel schilderachtig; maar overigens waren zij niet bijzonder aantrekkelijk van uiterlijk, en men moest ze goed aankijken, om ze te onderscheiden van de mannen, zoo lomp en forsch waren zij gebouwd, en zulke ruwe, afstootende gezichten hadden zij. Een der Kirghizen noodigde ons uit, zijn yourte binnen te treden. Twee vrouwen verstopten zich daarbinnen achter een gordijn, dat de man op ons verzoek wegschoof. De eene was bezig, een kleintje van een paar maanden in te bakeren in een lamsvacht. Daaropgaf ze hem een zuigflesch, vervaardigd uit een hollen ossenhoren, met een perkamenten blaas bij wijze van speen. De andere borduurde een muts voor haar man. Ze had de stof over een houten ring gespannen, dien ze tusschen de knieën vasthield, en ze reeg een wollen draad door het weefsel, met een beensplinter, die als naald diende. De teekening was niet symmetrisch; maar de levendige, frissche kleuren waren met smaak gerangschikt, en het borduurwerk maakte een zeer fraaien indruk.

Intusschen kwam het vee naar kooi. ’t Was een merkwaardig schouwspel, die menigte kudden, die daar van de bergen kwamen afdalen, en door de herders werden opeengedrongen in de nauwe ruimte, waar men ze gedurende den nacht houdt opgesloten. De geheele aoul was in rep en roer bij de aankomst der kudden. Alle vrouwen kwamen uit de hutten te voorschijn, elk haar eigen vee zoekend, en trachtend, het te roepen en bij elkaar te houden. Er is een lang touw op den grond gespannen, waaraan schapen, geiten, koeien en paarden in afzonderlijke groepen worden bevestigd. De grootere kinderen helpen hun moeders bij dat werk. Maar de mannen voeren niets uit; zij vergenoegen zich met toekijken en, waar zij het noodig achten, de vrouwen duchtig onderhanden te nemen, als zij zich vergissen.

Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.

Wij begroetten het Kaënde dal als een schilderachtig plekje in de Alpen.

Kleine, dikke kleuters van twee of drie jaar, met bruine gezichten en stevige armpjes en beentjes, zoo leelijk “als Kirghizen”, kleine monstertjes van dikte en gezondheid, springen in die drukte rond, rollen tusschen het vee over den grond, en willen het voorbeeld der ouderen volgen.

29 Juli. Daar een onzer paarden kreupel ging, ruilden wij dit, bij ons vertrek uit den aoul van Oustchiar, voor een paar roebels tegen een ander paard van de nomaden. De geheele stam kwam bij dien koop te pas, en wie weet hoe lang het zou hebben geduurd, als wij Abbas niet bevolen hadden, korte metten te maken met al die praatjesmakers.

Om tien uur bereiken wij den Artchiar pas, den bergwand tusschen de dalen van Oustchiar en Artchiar. Van af het hoogste punt heeft men een mooi gezicht op den Oustchiar-top, die achter den aoul oprijst, in een pantser van ijs gehuld, en bedekt met sneeuw. Aan de andere zijde van den pas rijzen vier of vijf bergreeksen op, die elkander in verschillende richtingen kruisen, en wij weten nog volstrekt niet, waarheen de uitgang aan onzen voet ons leiden zal. Wij volgen de nauwe kloof, die na een paar uren ons voert tot een plek, waar de rivier plotseling verdwijnt in een afgrond, waarvan de rotswanden tot elkaar schijnen te naderen, om ons den weg te versperren. Maar een soort van pad slingert door losse steenbrokken langs de helling omhoog, langs een reeks scherpe, vooruitstekende rotspunten. Wij zijn omgeven door een chaos van gevallen rotsblokken, van duizelingwekkende hoogten in onpeilbare diepten neergestort. ’t Is alsof we in een nauwe schroef zijn geklemd, en nooit meer een uitweg zullen vinden.

Toch stappen de paarden geduldig voort, wringen zich met katachtige lenigheid rondom de belemmeringen, die ons den weg versperren, stappen over losse steenen heen, wijken uit voor spleten, springen over kloven, treden voorzichtig langs den rand eener klip, en zoo duurt dat voort, nu reeds meer dan twee uren lang. Ons stevig vastklemmend aan onzen zadelknop, laten wij ons maar op goed geluk voortdragen. Onze vaardigheid in het paardrijden is ons hier van geen het minste nut; het zou ons slechtbekomen, als wij onze kennis van de hoogere rijkunst hier in toepassing wilden brengen, want de geringste mispas zou ons met paard en al in de diepte doen storten.

Nu en dan kijken wij eens, op een hoog punt gekomen, of de geheele karavaan nog aanwezig is. Als de laatste verhevenheid is beklommen, dalen wij af langs diepe gleuven, tusschen wallen van kleiaarde, naar beneden in het dal, dat zich hier in twee takken splitst. De plantengroei heeft het vroegere alpenkarakter verloren, en wordt hier in de hoogste mate grillig en wonderlijk. Stekelige, lederachtige grassoorten, met veelkleurige bloemen, groeien op den rossig gelen grond; boschjes van dicht struikgewas, waaruit een walgelijke reuk opstijgt, tamarinde, knoflook, thym en een menigte onbekende planten groeien hier in vreemde kronkelingen en bochten, als verwrongen in stuiptrekkingen van pijn, en ademen een lucht van bederf uit, die u de keel toesnoert. Midden in de rivier staat een eenzame wilg, verwrongen en verminkt door het geweld van den vloed. Die reeks van afgronden en die zonderlinge plantengroei doen u vol verbazing beseffen, dat gij door een geheimzinnig oord trekt, waar elk voorwerp u treft door zijn bizarre afwijking van allen regel.

Een Kirghizen-graf.Een Kirghizen-graf.

Een Kirghizen-graf.

De eenige weg, waarlangs wij verder kunnen trekken, is het bed van de rivier, slechts weinige meters breed, en waarin het water zich met geweld een weg zoekt te banen tusschen opgestapelde steenblokken en twee hooge rotswanden, die zich aan beide zijden ten hemel verheffen. Die sombere gevangenismuur, waarop zich plekken roodachtig mos vertoonen, die gelijken op bloedvlekken; die gapende wonde in het gebergte boezemt ons schrik en ontzetting in. Maar wij denken aan de lange rust dier rotsen, die al zoovele eeuwen den voorbijtrekkenden reiziger hebben bedreigd, en wij betreden zonder vrees den ingang dier hel, om in het halfduister der kloof door te dringen.

Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.

Een Kirghies, die bezig is, een arend af te richten.

Een eindweegs verder, bij een scherpe bocht, schuimt de rivier met kracht tegen den rotswand omhoog, en snijdt ons den pas af. Wij moeten het water in, en ons al spartelend op het droge redden. Dat gevaarlijke spelletje herhaalt zich nog eenige malen, tot groote ontevredenheid van Zurbriggen, die niets gesteld is op die gedwongen zwemoefeningen. Om de handen vrij te houden, heeft hij zijn onafscheidelijke pijp zelfs in den zak gestoken.

De bergengte van Artchiar mondt uit in het dal van Koékab, waarheen wij thans onze schreden richtten. Wij hielden stil op een landtong, die zich tusschen de beide rivieren uitstrekt. Deze dijk, door aanslibbing ontstaan, gaf ons werkelijk een gevoel van verademing, na de strakke steilheid van die kale berggevaarten. Des avonds ontstaken wij groote vuren, om de wilde dieren te verjagen, die, volgens de Kirghizen, hier zeer talrijk waren.

Ons plan was, om op chineesch grondgebied over te gaan, en den Khan Tengri te naderen door het dal van Mouj-art, den loop volgend van den Koékab-Sou, die ons, zooals wij dachten, naar den Ak-Sou zou voeren. Maar wij beraamden dit plan, zonder juiste kennis te bezitten omtrent het terrein, waarop wij ons wilden begeven. Toen wij het dal van Koékab genaderd waren, zagen wij dadelijk, dat het onmogelijk was, onzen weg in die richting voort te zetten. Een kloof van bijna duizend meter diepte, en op den bodem daarvan een bruisende stroom, die in razende vaart voortjoeg, en waaruit wolken van damp omhoog sloegen, dat was de eenige weg, waarlangs wij op deze wijze ons doel konden bereiken.Er viel niet aan te denken, dit plan was onuitvoerbaar.

Meer stroomopwaarts schijnen de zijden van het dal toegankelijker, en op een niet al te steile plek trachten wij omhoog te klimmen. Als wij echter een tijdlang den voet van den berg hebben gevolgd, en de rivier hebben doorwaad, zien wij ons ongelukkigerwijze genoodzaakt, tegen den stroom op te zwemmen. Het water is hier 3 à 4 meter diep. De paarden worden onmiddellijk machteloos teruggedreven door het geweld van den stroom.

En als daarna de weg dan nog maar vrij was! Maar waar onze blik ook rust, nergens is een uitweg te zien. Wij weten niet recht, wat wij nu moeten beginnen. Zoover te zijn gekomen, om ons thans door de rotsen den weg te zien versperd! Het was wel teleurstellend. Maar wat zouden wij doen? Te voet onzen weg voortzetten ging niet aan. Wij moesten, goed- of kwaadschiks, op onze schreden terugkeeren.

Intusschen kampeerden wij maar op de plek, waar wij nu waren aangekomen, want wij hadden geen moed meer, om weer telkens tegen wil en dank een bad te nemen. Wij sloegen de handen aan ’t werk om steenen weg te dragen, terwijl de paarden gingen knabbelen aan de struiken op den oever.

We willen het dal van Koékab echter niet verlaten, zonder het ten minste goed te hebben opgenomen. Den volgenden morgen beklimmen wij den bergrug achter ons. ’t Is een lange en moeilijke tocht, waarop wij meerdere kudden zien van schapen met groote horens, die de geleerden ovis argalis noemen. Om vier uur zijn wij ter hoogte van 3850 M. geklommen. Wij zijn nog niet op het hoogste punt; maar het wordt laat, en wij mogen niet vergeten, dat de terugtocht ons nog wacht. Van ons standpunt zien wij slechts de groote lijnen der hoofdketens, die op het dal uitkomen. In ’t Oosten en Zuiden rijzen toppen op van 5000 en 6000 M. hoog, bedekt met gletschers en eeuwige sneeuw. Aan het uiterste eind van den Kok-Chaal-Tao onderscheiden wij in een wijde insnijding een nevelige vlakte; waarschijnlijk de woestijn van Taclamakan. De zon begint te dalen. Twee duizend meter beneden ons zien wij duidelijk onze metgezellen en de dieren die zich bewegen bij de tenten van het kamp. De weg erheen schijnt ons als ’t ware aangewezen, langs een helling van losse steenen, die eindigt in een nauwen doorgang. Met een paar sprongen zijn wij zoover. Maar nu begint het eerst.

We moeten van het eene rotsblok op het andere springen, over glibberige steenen glijden, met kleine stapjes langs smalle richels loopen, acrobatische toeren verrichten, en ten slotte komt de zwaarlijvige Zurbriggen ons op de schouders tuimelen. Als we eindelijk gelooven, dat nu het ergste toch geleden is, staan we—n.b.aan den ingang der bergkloof van Artchiar. Dat is toch wel heel erg! Wij hebben begrijpelijkerwijze geen lust, om den nacht in die gevangenis door te brengen en er longontsteking op te doen. Wij trachten de zaak zoo gelaten mogelijk onder de oogen te zien, en besluiten, hoe ’t ook moge afloopen, in elk geval ons kamp weer te bereiken. Maar het kost moeite. Met ons drieën aan één touw gebonden, met de voeten voorzichtig in ’t water plassend en met de handen, of ons houweel op den tast den weg zoekend, komen wij te middernacht in ons kamp aan. Onze schoenen zaten vol kiezel, onze zakken vol water, en wij waren door en door nat. Maar een goed vuur, een bord warme soep, en een verkwikkende nachtrust deden ons spoedig al de onaangenaamheden vergeten, die wij op dien ongelukkigen tocht hadden uitgestaan.

IV.Op den top van de Oustchiar-spits.—De aoul van Kaënde.—Het gezicht op den Khan-Tengri.—De Kaënde-gletscher.—Ingesneeuwd.—Wij denken over terugkeeren.—In het Irtach-dal.—Bij den Kaltchè.—De kookkunst der Kirghizen.—Einde van onze topographische verrichtingen.—Een Kirghizen-begrafenis.1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden, en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na, en zij vluchtten huilende weg.Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons, en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling, waar wij onze tenten hebben opgeslagen.Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken, en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf dagen te voren hebben afgelegd.Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in ’t geheel niet bang meer; eer het tegendeel.Om drie uur ’s middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid door een der Kirghizen te paard,een uitstapje doen. We richten onze schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we, als ’t ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast; bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur ’s middags aan op den allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten, of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem, uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe klei ontworpen beeldhouwwerk houden.In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten vanKasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren, dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die, behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar nauwe en diepebedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden, als uit de diepste diepten der aarde opwellend.In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak, die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan, waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen, en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken het grootste genot, dat men zich denken kan.6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis en zenuwachtige spanning is het een genot, in ’t gras te liggen en naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan, en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen, dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven, en wij stemmen gaarne hierin toe.De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld zijn over een twintigtal tenten.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes, uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons maar volstrekt niet bekoren.Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd) van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken, waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende voedsel vinden, om hun honger te stillen.Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa’s verbonden door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends, en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan.Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we niet meer dan 15K.M.af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf, of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren; hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn onafscheidelijke muilen aan de voeten.Kirghizenherder met zijne kudde.Kirghizenherder met zijne kudde.12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven, en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm, het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als we kunnen, en twee tenten mee.In ’t begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid, waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos, dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling linksvan ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond, om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water, dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in te stoppen onder hun tent.’t Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen, en boven ons, op het dak van onze tent een 20cM.dikke laag sneeuw; terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen ons wekken,—bij wijze van spreken dan altoos,—en wij trekken onze stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van ’t hoofd tot de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de prins in ’t midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand, waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke, als ’t ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan, terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas, door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas—zooals wij hem noemen—is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken, gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van den Khan Tengri verheft.Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt, en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft, eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao,den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens te noemen, die door ons zijn bezocht.Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon het arme dier geen stap voorwaarts doen; ’t was alsof zijn pooten van hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek, waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post; maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.Twee dagen achtereen kunnen wij onze tentenniet verlaten; want het regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners, met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend, en om ’t hardst roepend: “Koch, Koch!” (vaarwel, vaarwel).De Kaënde-top is 6000 M. hoogDe Kaënde-top is 6000 M. hoogHet dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen, door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die aan romeinsche bouwconstructies doen denken.Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei, en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken, want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden, waar we kunnen oversteken.We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen wij erin, den overkant te bereiken.Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die 4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als we den volgenden dag naar het laag gelegendal van Irtach afdalen, wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood, en de lucht fel blauw. ’t Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.De Kaënde-gletscher.De Kaënde-gletscher.Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten, met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand, en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend, de chirtaï.De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van bontgekleurde stof.De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee, suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit, die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der Kirghizen.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen is. ’t Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat ons verbeteren zou. Enlangs de andere helling hadden we den berg desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar, spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk, terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum, die 4150 M. hoog is.Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek.Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan, en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100 breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is, het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal, dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen, dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao, en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria ontspringt.Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel van bevriezen is bij de nomaden in zwang.Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders, of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider stemherhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld, met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige, en niet kostbare begrafenisplechtigheid.Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.

Op den top van de Oustchiar-spits.—De aoul van Kaënde.—Het gezicht op den Khan-Tengri.—De Kaënde-gletscher.—Ingesneeuwd.—Wij denken over terugkeeren.—In het Irtach-dal.—Bij den Kaltchè.—De kookkunst der Kirghizen.—Einde van onze topographische verrichtingen.—Een Kirghizen-begrafenis.

Op den top van de Oustchiar-spits.—De aoul van Kaënde.—Het gezicht op den Khan-Tengri.—De Kaënde-gletscher.—Ingesneeuwd.—Wij denken over terugkeeren.—In het Irtach-dal.—Bij den Kaltchè.—De kookkunst der Kirghizen.—Einde van onze topographische verrichtingen.—Een Kirghizen-begrafenis.

1 Aug. Wij veroorloofden ons de weelde, van een dag rust te nemen in de omstreken der bergengte van Artchiar, namen lucht- en zonnebaden, en gingen planten zoeken in den omtrek, zoodat wij onze verzameling met eenige zeldzame exemplaren vermeerderden. Des middags zagen wij een troep wolven op de berghelling. Wij zonden hun een paar kogels na, en zij vluchtten huilende weg.

Dien nacht begon het hevig te regenen, en vier en twintig uren achtereen duurde die zondvloed, die stroomen van slijk en steenen van de bergen deed neerstorten, en ons in onze tenten hield opgesloten. De Koékab-Sou, die het water van beide zijden van het dal opvangt, stijgt geweldig door de duizenden stroomen, die van de hoogte neerstorten en alles in hun vaart medesleepen. De berg gelijkt op een reuzenspons, en uit alle openingen spuit het water met verbazende kracht. De beide rivieren veranderen telkens hun loop, en bedreigen zelfs de helling, waar wij onze tenten hebben opgeslagen.

Als wij echter den 3den Augustus buiten komen, is de hemel helder en effen, en de zon schijnt. De berg is tot rust gekomen, en van al het misbaar van den vorigen dag is niets meer te bespeuren, dan nog wat zacht geruisch van beekjes, die langs de oneffenheden in het rotsgesteente vloeien en een aangename koelte verspreiden. Wij kunnen dus zonder gevaar de bergengte van Artchiar weer doortrekken, en ons over den pas terugbegeven, langs denzelfden weg, dien wij vijf dagen te voren hebben afgelegd.

Als we des avonds, na onderweg een herder met zijn kudde te hebben ontmoet, te Oustchiar aankomen, zijn de nomaden zeer verheugd, ons weer te zien. Wij vinden daar een koerier, die door den gouverneur van Prjevalsk ons is nagezonden, met een brief, waaruit wij vernemen dat in China de oorlog is uitgebroken. De boodschapper raadt ons met nadruk af, om ons op dat onveilig grondgebied te begeven, als wij ons niet aan onaangenaamheden willen blootstellen. Den volgenden dag maken wij nader kennis met de Kirghizen, bekijken hun tenten, bezichtigen met belangstelling hun werk (een van hen was bezig een arend af te richten), zien toe, hoe de vrouwen hare huiselijke bezigheden verrichten, en geven haar sieraden van aluminium ten geschenke. Zij zijn ons uiterst dankbaar, lachen ons vriendelijk toe, en zouden zeker graag een praatje met ons maken, als zij maar konden. Ze zijn nu in ’t geheel niet bang meer; eer het tegendeel.

Om drie uur ’s middags gaan de prins, Zurbriggen en ik, begeleid door een der Kirghizen te paard,een uitstapje doen. We richten onze schreden naar de bevallige Oustchiar-spits. Tegen den avond bivakkeeren we op een hoogte van 3850 M., aan den voet van den allerhoogsten top. Als we weer opbreken, beweert Zurbriggen, dat we nog in ons kamp zullen kunnen ontbijten. Hij heeft er niet op gerekend, dat we, als ’t ware, door een nauwen koker van ijs moeten omhoogklimmen, en dat we, steeds gebombardeerd door vallende steenen, vier uur zullen noodig hebben, om een paar honderd meter te stijgen. Het ijs was spiegelglad, en de berijpte rotsen boden ons niet het minste houvast; bijna verloren wij den moed. Maar geduld overwint alles, en met de noodige voorzichtigheid bereiken ook wij ons doel; we komen, langs den zuidelijken bergkam, om ongeveer één uur ’s middags aan op den allerhoogsten top van de Oustchiar-spits. Deze wordt eerst gedoopt, en daarna gaan wij onzen inwendigen mensch versterken. 4500 meter is hij hoog, die slanke toren van graniet en ijs. Vóór alles moeten we weten, of we den langgezochten Khan Tengri hier ook kunnen zien. We krijgen hem dadelijk in het oog; want hij rijst op tegen den achtergrond van het Kaënde-dal, als op een voetstuk van gletschers, die naar alle zijden afdalen. De dalen van Kaënde en Koékab strekken zich uit naar het Zuiden en het Westen, met den rug naar elkander toegekeerd.

Maar dat verschiet van golvende bergruggen biedt een woest en verlaten schouwspel aan. Geen enkel plekje groen siert den dorren bodem, uitgedroogd door de zonnehitte. Zonder de sneeuw, die de uitstekende rotspunten omzoomt, zou men het geheele landschap voor een in ruwe klei ontworpen beeldhouwwerk houden.

In het Zuiden schijnen twee hooge toppen, de Ak-Sou-Tao en de Djannart-Tao, als schildwachten opgesteld aan den ingang van twee valleien, de wacht te houden bij de nadering van een denkbeeldigen vijand. Daartusschen vertoont zich een wijde opening, waardoor de wateren een uitweg vinden van den Djannart-Sou, dien wij in de verte als een zilveren lint zien kronkelen door de blauwachtige vlakten vanKasjgarië. Daarboven volgt ons oog de vage golvingen der keten van den Bittama-Tao, die de zuidelijke grens vormt van het plateau van Outch-Tourfan. En nog verder ligt de geheimzinnige Gobi, dien men meer vermoedt dan meent te onderscheiden, aan den verren gezichteinder.

Wij kunnen van af dit hooggelegen punt met een oogopslag de reuzenkom overzien, die het water van honderden gletschers opvangt en omringd is door een kring van 5000 Meter hooge bergreuzen. Wij bespeuren, dat de hoofdader van dit stroomstelsel de Saridjass-Sou is, die, behalve bij de uitmondingen der dalen, verborgen blijft in haar nauwe en diepebedding, driehonderd wersten lang. Het is een vreemd en indrukwekkend gezicht, dien statigen, melkwitten stroom zich door de bergen te zien kronkelen, om plotseling bij een kromming achter een hoogte te verdwijnen, en verderop weder te voorschijn te treden, als uit de diepste diepten der aarde opwellend.

In het Westen zien wij, vlak tegenover ons, twee dalen; links het Djannart-dal, met de valleien van Kaïtche, Bichirtik en Archiriak, die zich openen in den Kok-Chaal-Tao. Daartusschen zien wij, door de opening van het Ichtik-dal, de golvingen van het plateau van Karagan, waarop de Naryn ontspringt, die later Syr-Daria genoemd wordt. Rechts wendt zich het Irtach-dal, na de eerste dertig werst, plotseling naar het Noorden, achter den Terekty-Tao en den Keou-eou-leou-Tao.

Nog een oogenblik blijven wij de drie toppen bewonderen, welke het dichtst bij de Oustchiar-piek zijn gelegen. De middelste vooral trekt onze aandacht; zijn dreigend voorkomen lokt niet uit tot een beklimming. Wij noemen hem den Kargan-tach (den steenen arend).

In een omzien zijn wij in ons kamp terug. En als wij in onze ruime tent aanliggen om den disch, waarop fijne confituren ons toelachen, en genieten van een geurig kop thee, komt dat verblijf ons waarlijk als een paleis voor. Op het gras te slapen, na een nacht op de steenen en een dag tusschen ijsvelden te hebben doorgebracht, is in deze streken het grootste genot, dat men zich denken kan.

6 Aug. Het gezicht op den Khan Tengri bezielt ons met nieuwe geestdrift. Wij beginnen zelfs te denken, dat het beklimmen van dien top volstrekt niet gevaarlijk zal zijn. We zouden dan moeten kampeeren aan den voet, en wachten op het gunstige oogenblik om den tocht te ondernemen. Maar dan moet het eerst mooi weer worden; anders zal het niet gaan. Vandaag luieren wij maar, evenals de Kirghizen, en rollen als kleine kinderen in het gras. Na langdurige lichamelijke vermoeienis en zenuwachtige spanning is het een genot, in ’t gras te liggen en naar de wolken te kijken, terwijl onze spieren zich ontspannen en onze polsslag weer normaal wordt. Het is een echte gezondheidskuur.

Den volgenden morgen vertrekken wij naar den aoul van Kaënde. De Kirghizen vergezellen ons tot aan den Oustchiar-pas. Wij keeren langs denzelfden weg terug, dien we den 28sten Juli zijn gegaan, en trekken dan langs de linkerzijde van het dal, door zachtglooiende weiden en dennenbosschen. Tegen zonsondergang bereiken wij het kamp der nomaden. Deze zijn op een heuveltje vergaderd, en begroeten ons met eindelooze salaams en baïs. De chirtaï geeft ons te kennen, dat hij zelf, zijn familie en zijn stam zich zeer verheugen, ons als gasten te mogen ontvangen. Hij verzoekt ons, eenige dagen te blijven, en wij stemmen gaarne hierin toe.

De aoul van Kaënde telt ongeveer honderdvijftig personen, die verdeeld zijn over een twintigtal tenten.

De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.

De dochter van den Chirtaï van Kaënde die verloofd was met den Kaltché van Irtach.

Daar Abbas ons heeft verteld, dat de dochter van den chirtaï onlangs verloofd is, dringen wij er zeer op aan, haar te mogen zien en photographeeren. Eer zij zich echter aan ons vertoont, maakt zij zich zoo mooi als zij kan en trekt haar fraaiste kleeren aan. Zij is nog zeer jong, en bijzonder groot voor haar leeftijd. Maar al draagt zij een zijden gewaad, al blinken er edelgesteenten aan haar vingers en polsen, en in haar ooren, al draagt zij sierlijk bewerkte laarsjes en al prijkt een bos witte veeren op haar bonten muts, zij is en blijft een leelijk Kirghizen-mormeltje, met gespleten schuine oogjes, uitstekende jukbeenderen en een dikken neus. De jonge dame kan ons maar volstrekt niet bekoren.Zij is verloofd met den kaltchè (hoofd) van het Irtach-dal, een der rijkste mannen in den omtrek.

Maar eer deze zijn bruid in ontvangst neemt, zal hij een groot gedeelte van zijn kudden moeten afstaan. De chirtaï en zijn beide ongetrouwde zoons waren niet zeer bescheiden in hun eischen geweest; op den dag van het huwelijk moet de jonge echtgenoot 40 kameelen, 400 paarden en 5000 schapen aan zijn schoonvader afleveren, en bovendien nog een menigte kleinere geschenken uitdeelen. Zij is lang niet de eerste de beste, dat dertienjarige dochtertje van den Kirghizenhoofdman!

De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.

De Kaltché van Irtach, de bruidegom van de dochter van den Chirtaï.

9 Augustus. Een paar uur nadat wij ons op weg hebben begeven, komen wij aan den Kaënde-gletscher, en gedurende de eerste twee of drie wersten volgen wij de moraine, die het meest naar links is gelegen. Daar de weg door de rotsblokken steeds meer ontoegankelijk wordt, besluiten wij hier stil te houden en ons kamp op te slaan in een plooi van het terrein, tusschen twee stroomen die van de hoogste gletschers storten. Wij vinden op deze plek al wat wij noodig hebben, indien wij hier eenigen tijd vertoeven. Er groeien een menigte téogoïroukstruiken, waarlangs een helder beekje stroomt, en de paarden kunnen voldoende voedsel vinden, om hun honger te stillen.

Den volgenden dag klimmen wij tot op een hoogte van 4000 M. boven dit kamp, om de omstreken te verkennen en te zien, of wij de paarden nog iets hooger kunnen brengen. De Kaënde-gletscher ligt zeer nauw besloten tusschen twee hooge rotswanden, en zijn langzaam glooiende oppervlakte vertoont op het eerste gezicht geen bepaalde belemmeringen. Aan weerszijden is hij met die rotsmassa’s verbonden door een reeks van nevengletschers, die op de plaats waar zij met den hoofdgletscher samenkomen, een duidelijk afgebakende grenslijn vertoonen, aangegeven door verspreide steenblokken. Een dubbele rij hooge toppen, donkere steenkolossen, of glinsterende pyramiden van ijs, schijnt hem als een eerewacht te begeleiden. Op den achtergrond rijst, hoog verheven, de Khan Tengri op, als een geweldige kristallen koepel, de dom eener reuzenmoskee. Hij heeft niets schrikwekkends, en doet denken aan een oostersch vorst, die met kalmen glimlach en onverstoorbare waardigheid op zijn hovelingen nederziet.

Daar wij zien, dat op de lagere hellingen gras groeit, en de gletscher zelf vrij effen is, durven wij het wagen, onze paarden nog wat hooger op te brengen, en een paar wersten verder ons kamp op te slaan.

Wij laten een gedeelte van de bagage, den mondvoorraad en onze geiten en schapen achter in de hoede van den djighite, en trekken den volgenden morgen den Kaënde-gletscher op. In één dag leggen we niet meer dan 15K.M.af. Maar met hoeveel moeite en bezwaren, vooral voor onze paarden, gaat die tocht gepaard! De arme dieren zijn totaal uitgeput; hun pooten zijn bloedig ontveld, en een heeft zich zelfs bij een val aan de dij gekwetst, en veel bloed verloren. Des avonds brengen wij ze naar een met gras begroeide plek, die dicht bij ons kamp is gelegen, om daar te wachten, tot wij terugkeeren. We zijn hier op een hoogte van 3296 M. We kampeeren op den gletscher zelf, of liever op de korst van steenen, waarmede hij bedekt is. Abbas is niet al te best in zijn schik. Wij vernemen nu eerst, dat hij nog nooit in zijn leven sneeuw had gezien. Dat laat zich wel hooren; hij komt van de oevers van den Chatt-el-Arab! En steeds met zijn onafscheidelijke muilen aan de voeten.

Kirghizenherder met zijne kudde.Kirghizenherder met zijne kudde.

Kirghizenherder met zijne kudde.

12 Augustus. Een sneeuwstorm houdt ons den geheelen dag in onze tenten opgesloten. De schapen en geiten blaten den geheelen dag allerjammerlijkst, en om hun razenden honger te stillen, eten zij maar vast ons brandhout op. We bevinden ons te midden van dichte nevelwolken, en onafgebroken stuiven de witte vlokken neer. Als dat zoo aanhoudt, zullen we wel een paar dagen hier moeten blijven, en op rantsoen gesteld worden. Twee dagen later bedaart de storm, het wordt mooi weer, en wij maken van die gelegenheid gebruik om weer een uitstapje op den gletscher te wagen. Drie Kirghizen, met schoenen van paardenvel aan, zullen meegaan als vrachtdragers. Daar we niet weten hoe lang we zullen wegblijven, nemen we zooveel proviand als we kunnen, en twee tenten mee.

In ’t begin gaat alles goed. Eerst loopen we over de steenen, waarmee de gletscher is bedekt, en daarna op het ijs zelf; de dunne laag sneeuw hindert niet. Maar die laag wordt gaandeweg dieper en minder hard, en we moeten ons met touwen aan elkaar binden. De gletscher is doorsneden door dwarsspleten, afgronden en draaikolken, en wij moeten de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Ondanks de meesterlijke behendigheid, waarmede Zurbriggen de moeilijkheden weet te overwinnen, loopen wij telkens gevaar, zoo de dichte sneeuwlaag bezwijken mocht onder het gewicht van onze zwaarte, in een afgrond te storten; maar gelukkig houdt het touw ons tegen. Op het hoogst gelegen gedeelte komen wij aan een gevaarlijke plek. Al is de steilte der helling hier niet te vergelijken bij de Mer de Glace, de scherpe ijsranden zijn zoo dicht opeengedrongen, en zoo lang, dat ze gelijken op de bladen van een half opengeslagen boek. Om zich daarover voort te bewegen, moet men zoo behendig zijn als een koorddanser, en het ijs is zoo broos, dat het bij den eersten slag van het houweel in stukken stuift. Wij vinden het dus nog maar het beste, langs de sneeuwhelling linksvan ons op te klimmen, waarop de lawinen van hooger gelegen gletschers neerstorten. Hier hebben we althans vasten grond onder de voeten; maar de zekerheid, dat we elk oogenblik onder een stortvloed van sneeuw en ijs kunnen worden bedolven, jaagt ons voort, tot we eindelijk met een paar sprongen een moraine bereiken, waar we besluiten, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, te kampeeren. We graven een opening in den grond, om er den nacht in door te brengen; maar het gat loopt vol water, dat tusschen de steenen doorsijpelt. Zurbriggen neemt de wijk in een rotsspleet. De Kirghizen kunnen niet eten van vermoeidheid, en lijden ondragelijke pijn; want daar zij geen brillen dragen, zijn hun oogen hevig aangedaan door het schitteren van de sneeuw. Wij doen voor hen wat in ons vermogen is, en raden hen aan, zich zoo warm mogelijk in te stoppen onder hun tent.

’t Is een treurige nacht. Onder ons de vochtige, scherpe steenen, en boven ons, op het dak van onze tent een 20cM.dikke laag sneeuw; terwijl het 16 graden vriest; men kan zich voorstellen, dat onder zulke omstandigheden van slapen weinig inkomt. Om vijf uur komt Zurbriggen ons wekken,—bij wijze van spreken dan altoos,—en wij trekken onze stijf bevroren kleeren en laarzen weer aan, na ons van ’t hoofd tot de voeten te hebben gewreven, om wat te ontdooien. Dan binden we ons opnieuw aan elkander vast; Zurbriggen vooraan, ik achteraan, en de prins in ’t midden. Wij klimmen den pas op, die vlak tegenover ons ligt, om te zien, of van deze zijde de top, dien wij voor den Khan Tengri houden, misschien zal kunnen bestegen worden.

Ons bivouak ligt op een hoogte van 4040 M., en de bewuste top is ruim 6000 M. hoog. Tusschen dien top, en de spits aan onze linkerhand ligt een gletscher, waarin zich enkele spleten vertoonen. De eerste zonnestralen vallen op den rotswand, die zich rechts van den gletscher verheft, en die gekroond wordt door een vooruitspringenden ijsrand, waarvan, als een franje, een rij scherpe ijskegels afhangt, welke, als ’t ware, schijnen te wachten op onzen doortocht, om ons te treffen. Maar die haaientanden zijn al te begeerig, en waarschuwen ons door hun geklapper, dat wij op onze hoede moeten zijn voor hun vraatzucht. Nu komen wij aan het punt, waar de spleten beginnen, en waar we, steeds links en rechts, voor- en achterwaarts wijkend, zeker niet meer dan twee of drie meter vorderen in een kwartier. Eindelijk komt er een oogenblik, waarop we boven op een massieve ijsnaald staan, terwijl aan alle zijden rondom ons een afgrond gaapt.

Wel spant zich een soort hangende brug van sneeuw over een wijde en diepe kloof; maar de gids, die met zijn houweel de sterkte heeft beproefd, durft zich er niet op te wagen. Daar wij echter geen anderen uitweg zien uit onze benarde positie, begroeten wij dat gevaarlijke pad als een uitkomst in den nood. Terwijl de gids op handen en voeten voortkruipt, houden wij het touw vast, dat stevig om het handvat van het diep in de sneeuw gestoken houweel gerold is. Eén voor één kruipen we zoo voort, angstvallig elken schok vermijdend, en zonder onze stem te durven verheffen, want de geringste trilling der lucht zou een lawine kunnen doen neerploffen. Maar van af dit punt wordt de gletscher vlak en effen. Binnen weinige minuten bereiken we den voet van den pas, door treden in de harde sneeuw te hakken. De Ak-Moïnok pas—zooals wij hem noemen—is 4560 M. hoog en opent zich in het verst naar het Oosten gelegen uiteind van den bergwand, die de dalen van Inghiltsjik en Kaënde scheidt. Wij zijn de eersten, die hem hebben beklommen en zullen ook wel de laatsten zijn. Deze laatste tocht is werkelijk de gewichtigste van onze geheele onderneming geweest; want nu eerst zijn wij in staat gesteld, de juiste ligging van den Khan Tengri te bepalen.

De top, dien wij op den Oustchiar-piek tegen den achtergrond van het Kaënde-dal zagen oprijzen, was de Khan Tengri niet. Deze is meer naar het Noorden gelegen, twintig wersten verwijderd van den Ak-Moïnok pas.

De Inghiltsjik-gletscher verdeelt zich hoogerop in twee groote takken, gescheiden door een bergmassa, op welker top zich de pyramide van den Khan Tengri verheft.

Deze top staat dus op zich zelf, en hangt volstrekt niet samen met een der talrijke bergketens, die hem omgeven. Toch is het zeker, dat door zijn granietvorming dit bergstelsel een homogeen geheel uitmaakt, en dat de hoofdgroep, uit welks midden de Khan Tengri zich verheft, eveneens de ketens omvat van den Saridjass-Tao, den Inghiltsjik-Tao,den Kaënde-Tao en den Mouj-Art-Tao, om slechts de voornaamste ketens te noemen, die door ons zijn bezocht.

Wij maakten gebruik van de bijzonder gunstige gelegenheid, welke de Ak-Moïnok-pas ons bood, voor het doen van waarnemingen met de instrumenten, die wij hadden medegenomen. Het afdalen ging vrij snel in zijn werk, en een uur later kwamen wij weer aan ons bivouak. Thans scheen het ons niet meer noodig, den Kaënde-top te beklimmen, dien wij voor den Khan Tengri hadden aangezien. Als het weer niet zoo wisselvallig was geweest en onze Kirghizen zich gemakkelijker van het kamp naar ons bivouak en terug hadden kunnen begeven, zouden wij zeker hier nog eenige dagen zijn gebleven. Wij hadden wel gaarne willen weten, hoe de Khan Tengri er van de andere zijde uitzag.

Den volgenden morgen werden de paarden van den gletscher naar ons kamp teruggebracht. Zij konden bijna niet meer loopen, en waren in een deerniswaardigen toestand. Toen ik goed en wel te paard zat, kon het arme dier geen stap voorwaarts doen; ’t was alsof zijn pooten van hout waren. Een der Kirghizen was zoo vriendelijk, mij het zijne af te staan. Zoo kwamen wij, al hinkend en strompelend, terug op de plek, waar wij onzen djighite hadden achtergelaten. Hij is op zijn post; maar dat blijkt eigenlijk puur toeval te zijn. Wij weten trouwens wel, dat hij niet al dien tijd op onze bagage heeft gepast. Hij heeft gebruik gemaakt van onze afwezigheid, om de verlaten vrouwen in Kaënde te gaan troosten. Zijn aanwezigheid is trouwens op zich zelf reeds voldoende, om de veiligheid van onze bezittingen te verzekeren.

Twee dagen achtereen kunnen wij onze tentenniet verlaten; want het regent onophoudelijk door, en het geeft niet, of wij ons al eens willen vertreden. De grond is zoo doorweekt, dat wij er tot aan de enkels inzakken, en bovendien bestookt ons de berg met een regen van projectielen. De paarden zakken telkens door hun eigen zwaarte in diepe kuilen, en blijven liefst maar dicht in de buurt.

Ten laatste wordt toch de lucht weer helder, en wij kunnen eindelijk dit onherbergzaam oord vaarwel zeggen. Binnen weinige uren bereiken wij het kamp der nomaden, die zich gedurende onze afwezigheid dieper in het dal hebben begeven. De Kirghizen zijn bijzonder gedienstig, en willen niets liever dan ons behulpzaam zijn. Ik begrijp niet, waarom sommige reizigers zulk een ongunstig oordeel over hen vellen. Dat ze onbeschaafd zijn, is hun schuld niet; maar onder die ruwe schors zijn eigenschappen aanwezig, die men waarlijk wel mag op prijs stellen.

Wij wilden naar Prjevalsk terugkeeren langs een anderen weg dan wij gekomen waren. Als wij ons wat haastten, konden wij ook het Irtach-dal nog gaan bezoeken, en zoodoende onze topographische opnamen tot een bevredigend einde brengen, daar wij dan het geheele stroomgebied van den Djannart-Sou zouden hebben onderzocht.

Onze paarden waren eigenlijk allen onbruikbaar geworden, en daar wij nog meerdere groote rivieren moesten oversteken, zouden de uitgeputte dieren allicht niet in staat zijn, onze bagage behouden over te brengen. Toen de chirtaï dit vernam, bood hij ons zeer welwillend drie kameelen aan, om onze bagage te dragen en rijpaarden voor alle personen, die deel uitmaakten van onze karavaan. Wanneer wij aan den aoul van Irtach kwamen, zouden deze worden vervangen door de paarden van den kaltchè, zijn aanstaanden schoonzoon, aan wien hij onmiddellijk bericht zond van onze komst. Wij waren hem voor die bijzonder welwillende behandeling zeer erkentelijk; beloofden de mannen die ons vergezelden een ruime belooning te schenken, en verzekerden hem, dat wij hem in de gunst van den gouverneur van Prjevalsk zouden aanbevelen. Wij namen daarop afscheid van den aoul en zijn bewoners, met wie wij hartelijke handdrukken wisselden, terwijl de vrouwen zich verdrongen om ons goedendag te zeggen, ons hare zuigelingen toestekend, en om ’t hardst roepend: “Koch, Koch!” (vaarwel, vaarwel).

De Kaënde-top is 6000 M. hoogDe Kaënde-top is 6000 M. hoog

De Kaënde-top is 6000 M. hoog

Het dal van Kaënde is wel de zonderlingste vallei, die men zich kan voorstellen. Ongeveer zestig wersten lang, strekt het zich uit in grillige bochten en kronkelingen, nu eens breed, dan weer zich vernauwend, hier begrensd door steile rotswanden, dáár zacht omhoogstijgend langs glooiende hellingen. In geologisch opzicht is het gedeelte, dat volgt op den pas van Oustchiar, het merkwaardigst. Het schijnt, dat in dien pas een plotselinge verzakking van het gebergte heeft plaats gegrepen, en dat de opeengehoopte overblijfselen, door die bergstorting ontstaan, van lieverlede zijn medegevoerd naar het dal. Langs den oever van den stroom verheffen zich grillige klippen, gegroefd en doorknaagd door de werking van het water, die aan romeinsche bouwconstructies doen denken.

Ditmaal voert onze weg ons langs een begraafplaats der Kirghizen. De grond is er zeer oneffen, vol kuilen, grafheuvels van klei, en steenhoopen. De Kirghizen koesteren grooten eerbied voor de nagedachtenis hunner dooden. Als zij langs een kerkhof komen, gaan zij altoos de graven hunner verwanten bezoeken en er voor hen bidden. Als het noodig is, brengen zij dan meteen herstellingen aan. De graven zijn altoos goed onderhouden, en worden nooit verwaarloosd.

Als wij de uiterste grens van het dal hebben bereikt, zien wij ons den weg versperd door den Saridjass-Sou, die met bruisend geweld zijn wateren tusschen de steile oevers voortstuwt. Vóór ons ligt de ingang van het Irtach-dal; maar wij weten niet hoe we het zullen bereiken, want we kunnen dien onstuimigen stroom onmogelijk doorwaden. Er zit niet anders op, dan weer terug te keeren, tot we een plek vinden, waar we kunnen oversteken.

We volgen een pad langs den linker oever, en na veel moeite slagen wij erin, den overkant te bereiken.

Het Keou-eou-leou-dal, dat wij thans eerst moeten doortrekken, vertoont geen bijzondere eigenaardigheid, en de eentonigheid van onzen weg wordt hier door niets verbroken. Aan het eind van deze vallei gaan de Kirghizen, die ons van af den Oustchiar-pas hebben vergezeld, huns weegs, om den weg te volgen, die over den pas van Karakol rechtuit naar Prjevalsk gaat. Het beklimmen van den Keou-eou-leou-pas, die 4160 M. hoog is, gaat slechts langzaam; de kameelen hebben last van de ijlere lucht, en moeten telkens blijven staan, om adem te scheppen. Als we den volgenden dag naar het laag gelegendal van Irtach afdalen, wordt het ondragelijk warm. De grond is geel, de berghellingen rood, en de lucht fel blauw. ’t Is, alsof we door de ambas van Midden-Afrika trekken. Nu en dan echter schemeren verre gletschers door de openingen in het gebergte, aan weerszijden der vallei. Plotseling maakt deze een kromming naar het Oosten en wordt thans aan de zuidzijde begrensd door een zonderlingen muur van basaltrotsen, welker onafgebroken gelijkvormigheid bijna iets onnatuurlijks heeft.

De Kaënde-gletscher.De Kaënde-gletscher.

De Kaënde-gletscher.

Nog altijd dalen wij, voorovergebukt op onze paarden gezeten, met pijn in de oogen en geschroeide huid door de hitte en de felle weerkaatsing van het zonlicht. Als we na een rit van 12 uren nog geen nomaden ontmoeten, houden we stil, om te kampeeren, ondanks het koppig verzet der Kirghizen, die volstrekt nog dien avond den kaltchè willen opzoeken. Doch deze is reeds gewaarschuwd en komt ons een bezoek brengen. Hij weet wie wij zijn, en wat we van hem verlangen. Het vereischte aantal paarden en kameelen zal hij ons dan ook verschaffen. Maar hij is wat teruggetrokken en op een afstand, en schijnt zich niet te verheugen over onze komst, zooals onze vriend, de chirtaï.

De prins en ik gaan den volgenden dag zijn bezoek beantwoorden. Hij ontvangt ons in een weelderig ingerichte yourte, blijkbaar ter eere van deze feestelijke gelegenheid rijk versierd. We gaan op een tapijt van dierenvellen zitten, neergehurkt op de wijze der Kirghizen. Langs de wanden hangen echte tapijten uit Kasjgar, en draperieën van bontgekleurde stof.

De kaltchè stelt ons aan zijn vrouwen voor, die een buiging maken en daarna in een halven kring bij elkaar kruipen, vlak tegenover ons. Op den grond wordt een servet gelegd, waarop bedienden schotels met dampende vleeschgerechten neerzetten, benevens melk, thee, suiker en borsaks. Het is wel jammer, dat wij pas in ons kamp hebben gegeten. Ondanks onze verontschuldigingen dringt ons de kaltchè een stuk schapenrib op, dat hij ons met de vingers toesteekt.

Hij kiest de allervetste stukken uit, en wij kunnen ze, met den besten wil, niet door de keel krijgen. De kaltchè bemerkt wel, dat het ons moeite kost, en geeft bevel, andere spijzen voor ons gereed te maken. Wij zien ongelukkig, hoe dat in zijn werk gaat, en het gezicht alleen is al voldoende, om ons vooruit allen eetlust te benemen. Het recept is als volgt: Men raspt vleesch in bouillon, kneedt het ferm met beide handen, en strooit er vóór het opdienen wat zout en kruiden over.

Wij drinken echter, om hem genoegen te doen, gaarne een paar koppen thee en melk. Vóór deze ons worden aangeboden, vischt een der Kirghizen er met een strootje de verschillende ongerechtigheden uit, die er in zwemmen, en als wij ze hebben leeggedronken, likken de vrouwen smakelijk de koppen uit, en zorgen, dat er geen droppeltje overblijft. Deze staaltjes geven een goed denkbeeld van de argelooze ongedwongenheid, die er heerscht in de zeden en gebruiken der Kirghizen.

Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.

Kirghizen-paard, rustend op de helling van den Kaënde-top.

Daarna doen we nog een uitstapje in de drie dalen, die te samen den naam Outchkoul, de drie meren, dragen. Feitelijk treffen we slechts één meer aan, in de eerste vallei, dat daarom den naam Bach-koul draagt. Het is een bij uitstek geschikte plek voor een winterverblijf.

29 Aug. Om onze topographische werkzaamheden te besluiten, klimmen Zurbriggen en ik op den top, die ten Zuiden van ons kamp gelegen is. ’t Is het hoogste punt van den Ichigart-Tao, die de dalen van Irtach en Djannart scheidt. Wij vermijden de steenachtige hellingen, en klimmen langs den noordelijken bergrug omhoog, waar steile kalksteenrotsen het ons verbazend lastig maken. Wij dachten dat de weg volstrekt niet moeilijk zou zijn, en hebben zelfs geen touw meegenomen, zoodat we weer toeren verrichten, die geen acrobaat ons verbeteren zou. Enlangs de andere helling hadden we den berg desnoods te paard kunnen bestijgen! Hier loopen we levensgevaar, spannen ons in tot het uiterste, en scheuren onze nagels bijna stuk, terwijl we op ons doode gemak ons doel hadden bereikt, als we een anderen weg hadden gekozen. Maar onze moeite wordt ruim beloond door het prachtige uitzicht, dat wij genieten op den top van den Karahoum, die 4150 M. hoog is.

Vooral het geheimzinnige Djannart-plateau wordt onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek.

Ik geloof niet, dat men ergens elders zulke zonderlinge, verrassende en onverklaarbare tegenstellingen zal ontmoeten als in het Hemelsche Gebergte. Dat is ons reeds meermalen opgevallen. De natuur schijnt hier te hebben gehoorzaamd aan wetten, wier oorsprong buitengewoon moeilijk is na te gaan. Hoe zijn die zonderlinge bergen ontstaan, en welke ontzaglijke veranderingen moeten zij hebben ondergaan, om zoo ten eenenmale af te wijken van de voorstellingen, die wij ons vormen omtrent de gevolgen eener vulkanische uitbarsting?

De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.

De Djoukoutchiak-groep, met den gevaarlijken pas, waarlangs zich de nomaden naar Prjevalsk begeven.

Het aan anderen overlatend, deze raadselen op te lossen, zullen wij ons vergenoegen met een beschrijving te geven van die wijde kom, die het eigenlijke Djannart-dal vormt. Ongeveer 150 wersten lang en 100 breed, strekt het zich uit als een geweldige arena, in het midden bijna vlak, en omgeven door trapsgewijs opstijgende, hooge bergmuren. In het Zuiden verbergen de besneeuwde toppen van den Kok-Chaal-Tao de grens tusschen het russische en chineesche grondgebied. In dien bergwand onderscheiden wij het Djannart-dal, waarnaar de geheele kom genoemd is, het dal van Kaïtche, en dat van Bichirtik, en eindelijk het Ichtik-dal, dat zich aansluit bij het plateau van Karagan. Daarop volgt het dal van Akchirak, dat begint bij den pas van dien naam, die tevens het eene uiteinde vormt van de keten, waarop wij ons bevinden. Van dit hooge punt zien wij met genoegen naar de ons reeds welbekende toppen, dien van Oustchiar, den Kaënde Tao, den Khan Tengri, den Kizil-Tao, en de groepen van Terekty en Keou-eou-leou, waaruit een met sneeuw bedekte spits oprijst, die ons aan den Cervin herinnert.

In het Westen rijzen de koepelvormige sneeuwgevaarten op, die den gletscher van Pretovsk bekronen, waarop men vermoedt dat de Syr-Daria ontspringt.

Als wij ons kamp opbreken, heeft er juist een Kirghizenbegrafenis plaats. Eenige dagen geleden hebben herders een lijk in de rivier gevonden. De kaltchè, die het niet herkende, heeft het bericht laten verspreiden, en het is doorgedrongen tot Prjevalsk, waar de ouders van den overledene wonen. Intusschen heeft men het lijk, met touwen gebonden, en met steenen bezwaard, in het water gelegd. Dat stelsel van bevriezen is bij de nomaden in zwang.

Als de ouders van den doode zijn aangekomen, wordt het lijk op een ruwe baar naar de plek vervoerd, waar het zal begraven worden. De plechtigheid is niet indrukwekkend. De kaltchè vraagt aan de ouders, of zij in den doode hun zoon herkend hebben, en als zij die vraag bevestigend hebben beantwoord, laat hij de aanwezigen met luider stemherhalen, dat...., zoon van...., door een ongeluk om het leven is gekomen. Daarop wordt het lijk in een vilten omhulsel gewikkeld, met touwen vastgebonden, en in den kuil neergelaten. De aanwezigen gaan in optocht rond het graf, en werpen er bij elken stap een handvol aarde in, tot de kuil gevuld is. Daarna wordt er een hoop steenen op gestapeld. Het is een weinig tijdroovende, eenvoudige, en niet kostbare begrafenisplechtigheid.

Toen wij des avonds in het hooger gelegen gedeelte van het Irtach-dal kampeerden, vernamen wij, waarom het dezen naam draagt. In het dal bevindt zich een steen, die op een paardenzadel gelijkt. Op een afstand van honderd mijlen in den omtrek is die steen bekend, en al de nomaden, die er voorbijtrekken, gaan erheen, om er dierenschedels neer te leggen. De steen staat op een groot rotsblok, waaromheen de horens van allerlei dieren liggen opgehoopt.


Back to IndexNext