IV.

Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa; over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek, de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden:deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels, kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een klacht opgeheven,—slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner, geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren geen idee van gehad hadden.

Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten, zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren, met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan; „indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de blik en de lieve woorden,” zegt die zelfde kroniekschrijver, „altijd onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens dier Grieken niet kunnen twijfelen.” Vergeefs proberen de Franse gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van deGriekse keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te verblinden,—hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren, de meester van de garderobe, deprotostatordie de strijder op zijn paard helpt, deProto à secretisof de eerste secretaris, desilentiarii—zij die 't stilzwijgen opleggen—dereferendariidie smeekschriften in ontvangst nemen,—tot aan deSebastokratoren dePan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur:Nobilissimi, spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen), zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel moesten trachten na te bootsen.

Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in 't verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een Fransman van de 11deeeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben.

Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordthij—te Sevilla, Palermo of Damascus—in vertrekken binnengeleid met muren van wit pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.

Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange, safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te gemoet—hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens stand—heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester de gast sorbet brengt. Met een „God schenke U een lang leven” begint de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die schitterende, bloeiende konversatie-kunst!

Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: „In Allah's naam!” Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor hem dat de gastheer na de maaltijd hem een „Wel moge 't u bekomen” toeroept.

Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer mengedurig met hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets van kokette galanterie over zich kon krijgen,—b.v. wanneer zij in de slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren. Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren hyperboliese lofzangen over de vorsten: „Uw grootmoedigheid, o Heer, beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om die bij te houden!” Of het waren gedichten van lof en hulde voor de vrouwen—de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. „Afgunstig wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis,de gang van de gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan, gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!”—aldus klonken de liederen der Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.

Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende, een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo applaudiseerde.

De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde kultuurwerelden voorgoed,—zetten de deuren van West-Europa pas wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele stromingen der 11deen 12deeeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek verklaart en mogelik maakt.

HOFKULTUUR.

Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12deen 13deeeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten der baronnen meer en meer naar de residentiesder Leenheren. Hier ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende kultuur.

Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike kastelen—Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de hertogen van Champagne in Provence, die van de gravenvanGuines in Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der Wellen te Dankwarderode—akelig somber zijn ze om aan te zien en moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En toch—vergeleken met de kleine kastelen der baronnen—is er alles heel wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe—soms er nog zeer bovenop—verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden.

Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen—met rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in 't midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende naam van „paleis” draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage op en langs de façade daarvan, een open korridor, een „loggia” of „laube”, op de open trap zowel als op dieloggiahoudt men zich dikwels bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,—door het naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het vijandelik geschut geweken,—al meer en meer bouwt men de vensters nu in Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,—twee of drie te samen bij elkaar gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.

Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als „matras” is Arabies van oorsprong, een „tapijt” stamt uit Byzantium. De verlichting is ook al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen en gestileerde takken en vogels—meestal geel en roodbruin op witte grond—of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur); zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd linnen bedekt—soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt van Bayeux, waar de gehele slag bijHastingsin geborduurd is,—of met tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen—waar dan fantasties gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren—en die later in Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden daar levende bloemen over gestrooid.

De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen, om welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikten verwijfd noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest—vooral groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam zo buitengewoon sterk inspande—maar moet ook als een wellustig genot beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten. De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier om aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze sluiers—op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen—zijde uit Tyrus, Arabië en van de „Hindoe koesj”, „de Indiese Kaukasus”, satijn en fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, „baldakijn” van Bagdad, mouseline van de stad Musul aan de Tigris, „Sindu-wol” uit Indië. Van de kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd, in ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van de mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen dragen lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en een sleep. In de „visioenen” van een monnik uit die tijden lijdt keizerin Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat zij de weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als b.v. „Jupe” en „hoqueton” zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden; met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame hoort prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de „mi-parti” klederdrachten der mannen en het dragenvan bellen er op, zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven jeugd—zo klaagt een kroniekschrijver—is meer en meer verwijfd geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange puntschoenen.

Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en sinaasappelen, hete wijnen—van Cyprus en Malvezij—en ook limonaden. En het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar nog altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt en hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar er wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid en de schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds de voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als „tasse” en „karaf” zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt, noemt zich dan ook „vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny”, maar die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte en uit de altaar-kelk dronk,—het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen ontwikkelden.

En wat tafelmanieren aangaat, krijgen de edellieden nu een opvoeding waar men zich te voren geen idee van gevormd had. Geesteliken die als huiskapellanen of als opvoeders voor de zonen der adelliken aan de hoven vertoefden, trachten de jongelui iets van de tucht en fatsoenlike manieren aan de maaltijden bij te brengen, die volgens de oude reglementen in de refectoria der kloosters in gebruik waren. Uit de Talmud en van de Arabieren uit Spanje had de gekerstende Spaanse Jood Petrus Alphonsusdergelike regels voor tafelmanieren opgesteld in zijn „Disciplina Clericalis”, geliefkoosde lectuur in de 12deen 13deeeuw. En kon men niet bij Ovidius lezen dat men niet schrokken moest, maar het eten netjes met de hand naar de mond moest brengen en zijn gezicht niet mocht volsmeren? Indien Helena schrokkerig gegeten had en zich bemorst had, dan zou Paris niets met haar te maken hebben willen hebben. Of was er in de wijsheid van Jezus Sirach niet eigelik een heel Leerboek voor tafelmanieren in den dop te vinden,—dat men niet met een „hemel, wat een hoop eten!” er het eerst bij moest trachten te komen, dat men zijn maag niet mocht overladen, en indien men daar toch door de tafelgenoten toe mocht zijn verleid, dat men zich dan onopgemerkt even van tafel moest verwijderen om het „overvloedige” kwijt te raken? Al dergelijke nuttige voorschriften leerden de Ridders en hunne dames, dat men geen grote brokken in de mond mocht nemen, niet met eten in de mond mocht spreken, niet met de hand in de algemene schotel mocht roeren of er afgekloven benen weer in leggen, zorgen dat er geen vetrandje aan de beker achterbleef waaruit men gedronken had en de buurman nu weer uit drinken moest, en ook de mond niet mocht afvegen met het tafellaken—laat staan natuurlik er zijn neus in snuiten.

In het algemeen is het de gehele dagelikse omgang die nu het voorwerp van een cultivering en regulering wordt van het oogpunt van reinheid uit, van het algemeen gemak en van de schoonheid. Het is het samenleven der hogere kringen dat uit zich zelf, hier als overal, de manieren der mensen verfijnt en polijst. De hoven worden nu een school der beleefdheid, waarin de grote Heren van buiten wat worden gevijld en geschaafd. Maar evenals de nieuwe lukse en de verfijning van de uiterlike levensvormen dikwels slechts iets geweest zijn dat er buiten op zat,—het rijke zijden dek verborg soms een bed van stroo, en in plaats van de geraffineerde feestgerechten kwam er gewoonlik slechts spek en worst op tafel—zo blijkt het maar al te dikwels dat al die regels over de vormen van het hof niet natuurlik ontstaan zijn, en als gewoonte tot ontwikkeling gekomen, maar dat die er van buiten af kant en klaar in gebracht zijn en, als nieuwe kunstmatige modevoorschriften, van buiten geleerd. In de 11de, 12deen 13deeeuw ontstaat er een hele literatuur door klerken, die aan het hof leven, geschreven, eerst in 't Latijn, later in Franse en Duitse verzen en die ten doel heeft regelen voor de goede manieren en de goede toon op te stellen voor allemogelike levensomstandigheden. De enige leermeester tot wien men zich wendt is de oudheid. Bij Ovidius, bij Cicero en bij Seneca en in de verschillende verzamelingen van spreuken die in de middeleeuwen onder de naam gaan van Publius Syrus, Cato en Seneca, vindt men regels over hoe men zijn tanden en nagels schoon kan houden, hoe men niet te luid of te veel moet spreken, hoe men niet te hard of te veel mag lachen en dergelijke dingen meer die allen onder het „decorum” te rangschikken zijn. Maar in het bizonder had de Kerk langzamerhand als een schakel in de kristelike moraal een verfijnde opvoedingsleer ontwikkeld. In een Grieksch geschrift van Clemens van Alexandrië (ongeveer 200 n. C), de „Paedagoog”, vindt men een massa zulke voorschriften: men mag zijn neus niet snuiten, of niet niezen met al te veel lawaai, bij het drinken het hoofd niet te veel naar achteren werpen, enz. En dit alles—leert die Kerkvader—zijn geen bagatellen, want „wij moeten altijd leven alsof wij in de tegenwoordigheid van God leefden.” Dat was het juist wat de heilige kluizenaars deden. Daden van kristelike ootmoed en liefde waren voor hen niet iets wat alleen de grote handelingen betrof; die moesten integendeel het dagelikse leven tot in de kleinste kleinigheden doordringen, alles zou bij het opmaken van de rekening meetellen. Liefde wordt in de dagelikse omgang tot een meest delikaat in acht nemen van vormen en respekt, ootmoed tot de meest geraffineerde bescheidenheid. Wanneer de heilige Paulus bij de heilige Antonius op bezoek is, trachten zij elkaar in damesachtig-fraaie beleefdheidjes te overtreffen en parlementeren er een langen tijd over wie het eerst van het brood zal nemen, enz. Later heeft het kloosterleven een heel sisteem van de regelen der etikette bij de dagelikse omgang ontwikkeld—de regel van de H. Benedictus bevat een massa van dergelike voorschriften—hoe de monniken elkander of hun Abt zullen moeten begroeten of toespreken en er bestaan strenge straffen voor wie onder het zingen der psalmen hoest of wie bij het drinken met zijn tanden tegen de altaarkelk stoot, enz. Wij hebben uit het jaar 1000 ongeveer, verschillende leefregels voor jonge geesteliken en nonnen, door geesteliken geschreven. Zo is er b.v. één, waarin Bernhard van Clairvaux de jonge man inprent hoe hij zich gedragen moet, spreken, de mensen moet aankijken, enz. Zulke leraars zijn het die de klerken naar de adel op de kastelen sturen voor hun zoons. En het doet werkelik goed te zien welke drang naar goede manieren de ridders nu tot de leerlingen van klerken en Joden maakt, van de Muzelmannenen de oude klassieken,—en de energie die ze er aan besteden om zich die lessen ten nutte te maken. Zo leren ze b.v. om altijd te kloppen als ze een kamer binnen willen. „U” te zeggen tot hun gelijken en de hogeren in rang. „Heer”, „Vrouw” en „Jonkvrouw” te zeggen—men zegt dat de meervoudsvorm „U” reeds in de tijd van Caesar in gebruik kwam als men iemand aansprak,—bij het binnentreden iemand met een „God zegene U” te begroeten, te bedanken als men iets krijgt, niet te hevig te gestikuleren bij het spreken, de hand niet op het hoofd of op de schouder te leggen van een persoon die men aanspreekt, hem van wie men afscheid neemt Gode te bevelen... alles kleinigheden, maar die te zamen het sisteem vormden dat de tijd op zou bouwen.

Tot die hoofse vormen en gebruiken hoorde natuurlik nog in de eerste plaats vaardigheid in het hanteren van de wapenen en in het paardrijden; die worden tot ridderlike deugden met allerlei regels en steeds groter raffinement. Van de kinderjaren af worden de jongens daar reeds in geoefend en in vredestijd blijft men zich oefenen door toernooien en andere sport. Het fokken van paarden en hoe ze te verzorgen, de versierselen op de wapenrusting, de heraldiek, de schermkunst of hoe een lans te breken,—dit alles en dergelike dingen werden bij de hoven voorwerpen van grote zorg. Hoe zeer de wapens en de paarden bij de ridders geëerd en geliefd waren en hun altijd voor de geest stonden, dat tonen al de beelden en vergelijkingen uit die gedachtesferen waar de ridderpoëzie van doortrokken is. En het zelfde geldt van de jacht,—de hoofdpassie der ridders, behalve toernooien. Dan eens vergelijkt de dichter zijn verliefd hart met een teugelloos paard, dan met een havik, die zijn prooi in 't oog krijgt, de welopgevoede ridder wordt vergeleken met de welgedresseerde jachtvalk en de ongelukkige minnaar met een vogel in de ruitijd. Er zijn reeds vroeg leerboeken—veelal naar het Arabies bewerkt—voor alle mysteriën van de jacht-wetenschap, en een valk te kunnen dresseren, of de buit volgens de ware regels te kunnen verdelen, waren kunsten waar men de gunst van vorsten zo wel als dames mede kon winnen, als men zich daar een meester in toonde. Maar als gewichtige elementen in de hoofse vormen kwamen er bij die lichaamssport nog allerlei gezelschapskunsten. De jongelui van beider kunne worden in het teerlingspel onderwezen, in het schaken en de dans; het een of ander instrument te kunnen bespelen en de kunst van lezen en schrijven kwam er naderhandbij, altans voor vorstenkinderen. Voor deze laatsten hield men er veelal een „Paedagogus”,—een „maistre”—een „zuchtmeister” of „meisterinne” bij het hof op na; vooral de meisjes uit de voorname families leerden niet alleen lezen en schrijven maar ook zingen en spelen.

Zelfs de innerlike habitus der mensen komt onder de invloed van dit leven der hogere klassen en het sosiale leven op het adellik slot en aan het hof—in hoofdzaak juist in die zelfde mate als dat het geval is waar dit elders in de geschiedenis voorkomt,—aan de Indiese en Perziese hoven, die van de Italiaanse renaissance of bij het leven te Versailles.

Het gezelschap bestaat in de eerste plaats uit de Seigneur en zijn familie—daaronder vele behoeftige mannelike en vrouwelike verwanten die op het kasteel genadebrood eten;—daarnevens een heel garnizoen van ridders die een soort lijfgarde van de Seigneur vormen. Verder zijn daar een hele schare van jonge edellieden die naar het hof gezonden worden om zich daar in de wapenen te oefenen en de ridderlike tucht te leren, zulk een vorstenhof is feitelik een soort Ridderakademie. Die jonge lui doen eerst dienstalspages en als fakkeldragers of boodschappers, zorgen voor de valken op de jacht en het aankleden en ontkleden hunner heren; later worden zij schildknapen en de armen onder hen brengen het veelal niet verder; de rijken daarentegen, of zij die hun wapenrusting en riddertooi door een ander kunnen laten bekostigen, worden tot ridder geslagen en trekken dan weg. Vervolgens heeft men de arme „Chevaliers sans terre” die op het ene hof voor, het andere na, gastvrijheid komen vragen, ook zelfs edelen in goeden doen die ergens hun eigen goed en burcht hebben, maar die er de voorkeur aan geven aan het hof van de leenheer hun leven te slijten. En verder een heel stel hofambtenaren, de seneschalk, de keukenmeester, de keldermeester, de intendant en de maarschalk. De burchtvrouw en haar dochters hebben—evenals de vorst—ook hun suite van arme tantes, nichtjes en andere adellike dames die op het kasteel wonen als dames van gezelschap of kameniers en evenals hun broeders worden de adellike jonge meisjes voor hun opvoeding daar heen gezonden, om daar dienst te doen en liefst ook te trouwen. Wanneer daar nu nog een heel dienstpersoneel bij komt, dan begrijpt men dat de burcht in de regel niet het hele hof kon bergen, vooral niet bij feestelike gelegenheden, wanneer de adel uit de buurt ook nog aan kwam zetten; dan moesten velen bijde gegoede burgers hun intrek nemen, de residentie lag ook bijna altijd in of bij een stad.

Hier wordt er het leven van de grote Heren geleid. Alle werk voor het dageliks brood is onterend. Is er eens een edelman die zich in 't geheim met de schaapsteelt afgeeft, dan voelt hij zich diep beschaamd wanneer het aan den dag komt. Handel is een zaak voor kramers en Joden. Alle „gaigneurs” worden veracht,—zij die hun brood moeten verdienen en alleen des Zondags vrij hebben. Zelfs van die zaken welke de administratie der goederen medebrengt, wil men niets weten. Het jonge geslacht stelt de aanvaarding van de erfenis zolang mogelik uit, zij blijven liever bij het hof dan zich daarmee druk te maken. Wanneer er recht gesproken zal worden en er plotseling bezoek komt, dan laten de jongelui zowel als de baronnen alle rechtspleging in de steek en haasten zich volgens de verhalen in de romans, de gasten te ontvangen. En gelijk de zaken op de schouders hunner beambten geschoven worden, zijn ook zorgen en bekommeringen iets waar een edelman zich boven moet weten te verheffen. In de oude heldengedichten zag men zelfs de hoogststaanden tranen storten, maar nu heet het—gelijk dikwijls in de romans voorkomt—: „Laat de mindere man verdriet hebben, die is er aan gewoon,—maar dat past niet bij een vorst of een voorname dame.” Vooral van de bezittingen moet men zich nooit iets aantrekken of er een traan voor laten, wanneer men het hart van een baron in zich heeft. „De vreugde te beminnen”—joye aimer—is ridderplicht, en „jeunesse” wordt als een van de ridderdeugden voorgesteld. Het is een van de eisen der hogere kringen dat men rijk moet zijn, niets te doen moet hebben, vrolik zijn en jong,—gelijk naderhand in de salons der 18deeeuw.

Het leven is een en al gezelligheid,—een leven van uiterlikheden, vóor en met anderen. Slechts in de eenzaamheid of in kleine kring kan een intiem innerlik leven ontstaan, een warm gemoedsleven, een dieper denken, gaan met de gezelligheid niet samen. Het is een leven van ogenblikken, van op zich zelf staande momenten, op de omgeving gericht. Zulke mensen zijn licht bewogen gevoelsmensen: zij zijn nerveus-ontvankelik voor de stemmingen van hun omgeving, zij nemen gretig deel, ofschoon misschien niet diep, aan het wel en wee van anderen; zelf zijn zij expansief in hun gevoelens en hebben er behoefte aan bij anderen sympatie te vinden; beminnelikheid en behaagzucht, koketterie en ijdelheid, sympatie en fijngevoeligheid zijn eigenschappen die dat levenontwikkelen. Maar geen sterke passie zal licht gelegenheid krijgen om bij zulk een versnippering van het gevoelsleven tot volle groei te komen, die zou ook een einde maken aan het sosiale leven en aan het intieme huweliksleven, en het familieleven begint onder deontwikkelingvan het sosiale leven te kwijnen; aan de hoven der 13deeeuw gelijk in de salons der 18de; glijden man en vrouw van elkander, zij hebben geen tijd en gelegenheid om voor elkaar te leven, men moet zich grotendeels aan het leven geven. Zelfs komt het huwelijk in miskrediet, als het gezellige sosiale leven in de weg staande; in een Duitse roman verklaart Gawein dat voor Iwein: wat zijn er niet een menigte echtgenoten die zich met hun vrouw opsluiten, alle riddervreugd er aan geven, zich in de gewoonste kledij steken, ongesoigneerd er uit zien en een hoogst onaangenaam leven leiden, het hoofd vol van huiselike beslommeringen.

En daarenboven: mensen van de wereld leren de kunst van observatie, in elk geval leren ze de kleinigheden en uiterlikheden opmerken, en de eigenaardigheden der verschillende mensen kennen, nauwkeurig de omslag in de conversatie volgen, het verholen spel van het eigenbelang en der ijdelheidjes fijn doorzien, snel te begrijpen, gewillig zich aan het nieuwe aan te passen, zonder aarzelen anderen na te volgen; zij worden gevat en vindingrijk, mededeelzaam en onderhoudend en weten aan hun innerlik vorm en uitdrukking te geven die hun uitwerking niet missen. Maar bij al dat heldere vernuft en dat veelzijdige aanpassingsvermogen, al die improviserende „Esprit” en die handige vorm-kunst, blijft er geen plaats over voor diepe oorspronkelikheid, voor eigelike geestelike productiviteit. Aan de hoven der 13deeeuw wordt de persoonlikheid als in de salons der 18deuitgewist, de scheppingskracht vermindert en daar kan het geestesleven wel vrijheid en veelzijdigheid ontvouwen, maar diepte en grootheid zijn er niet in te vinden.

Ontwikkelen nu de mensen zich in dit maatschappelike leven als van zelf in de genoemde richtingen, de druk dier maatschappij geeft de enkeling in een dubbel opzicht zijn vorm. Aan de ene kant slijpt dat n.l. alle hoekjes en kantjes bij hem af, vormt hem naar één model, stemt hem in de heersende toon en dwingt hem tot een zeker jargon. Alles wat één enkele doet is „onopgevoed”—„doet men niet—dat lijkt op niets, zò doet men, dat is zoals het hoort.”Curialis, courtois, dat betekent het conventionele begrip, voor wat aan de curia, de cour, past, wat hoffelik is. Maar toch, binnen de perken van de mode en de goede toon, steltmen, tot zekere hoogte altans, het individuele op prijs. Een ieder moet trachten uit te steken, zich niet in het gezelschap op de achtergrond houden, ieder moet zijn loodje bijdragen, zijn talent voor de anderen nuttig maken. Allen moeten proberen hun natuurlike goede eigenschappen tot hun recht te laten komen, moeten trachten in of met iets uit te blinken—in de ontvangstzaal zal b.v. de ene dame de gelegenheid aangrijpen om haar mooie handen te laten zien, de ander glimlachen om haar frisse tanden te vertonen, de een schittert door haar vernuft, de ander door haar gevoeligheid. En men tracht elkaar steeds de loef af te steken in elegantie, in hoofse vormen; de grote kwestie is een nieuwe mode in te voeren of nieuwe paragrafen bij het Wetboek van de goede toon te voegen.

Wat ook tot de vrijheid en vernieuwing bijdraagt is, dat er in de 12deen 13deeeuw, èn in Frankrijk èn in Duitsland, zo veel van die hoven zijn met hun intellectuele feesten en partijen, en dat er een intens verkeer daar tussen plaats vindt. Een hoofdstad is er nog niet en ook geen koninklik of keizerlik hof dat een werkelik toonaangevend centrum uitmaakt. De ridders trekken over en weer naar de hoven van Ardres, Boulogne en St. Pol, men ziet elkaar bij toernooien en feesten, en als er een te Atrecht gegeven is, geeft een ander er een even groot, of groter, te Brugge. Evenals in het oude Griekenland, in het Italië der renaissance, of het Duitsland der 18deeeuw, blijken ook hier die vele kleine centra die in zulk een levendig verkeer met elkander staan, op de ontwikkeling van het geestesleven een zeer gunstige invloed te oefenen. De mode regeert, maar er komen steeds nieuwe modes op, de goede toon „stemt” de anderen wel, maar wordt toch weer op zijn beurt opnieuw „bestemd” door hem, die de nieuwe toon aangeeft. Op die wijze werkt dit maatschappelijke leven tegelijkertijd nivellerend en toch ook voortdurend variërend.

En ten slotte: dat maatschappelik leven is een hofleven. Overal merkt men een indeling in verschillende klassen, een rangorde, een soort hiërarchie: van de Seigneur af, door heel zijn familie heen, van de baronnen tot de ridders zonder iets toe, van de ridders tot de schildknapen en pages, van de hofbeambten tot de laagste rangen van het dienstpersoneel. Aan tafel zit men volgens zijn rang aan, in de Kapel heeft een ieder zijn vaste plaats, er is verschil bij de titulatuur: Heer, Jonker, Dame, Demoiselle en Pucelle. Bij het afscheid geeft de Seigneur de baronnen zijn hand, maar de dienende ridder zegt hij alleen maar goeden dag. Natuurlikzijn wij hier ver van de etikette van Byzantium of van het hof van Lodewijk XIV, maar de vraag naar geboorte en rang, „parage”, speelt een steeds belangrijker rol.„Mesure”,„Maze”heeft in het bizonder de betekenis van de takt en het berusten waarmee een ieder zich in die hiërarchie invoegt, met de hem toebedeelde plaats tevreden is en voor een ieder het respekt heeft dat hem wegens zijn rang en stand toekomt. En er ontwikkelt zich een geest van onderdanigheid en een vleiende toon jegens de supérieuren, een van hoogmoedige trots tegen de inférieuren die ten allen tijde onafscheidelik van het hofleven geweest zijn. Ten eerste worden van die kringen natuurlik alle „villains” uitgesloten; men houdt alleen rekening met „gentilhommes”. De fundamentele opvatting van die adelskultuur,—en dit wordt steeds meer en meer emfaties door de gedichten gestaafd,—is volkomen tegen de geest van het Kristendom in, dat de menselike natuur bij de „geborenen” en „niet-geborenen” absoluut verschillend van aard is, dat de „nourriture”, de opvoeding, zo goed als niets betekent tegenover de „nature”; de voornamen zijn van andere stof gemaakt of altans in een andere vorm gegoten door de natuur, dan het volk. Maar in de adel zelf is ook gelijkheid van geboorte een bijna noodzakelike voorwaarde voor een huwelik. Een „vavassor” durft zijn ogen niet tot de dochter van een baron opheffen, een baron niet tot een vorstendochter, alhoewel het als een teken van een „verheven gemoed” geldt, wanneer men tracht de maatschappelike ladder op te klimmen.

DE „SALON-POËZIE” DER RIDDERKRINGEN.

Het oude nationale helden-epos had nog een ereplaats aan de nieuwe hoven zo wel als op de oude kastelen der baronnen; aan de oorspronkelike gedichten werd steeds bijgevoegd en veranderd en er ontstonden nieuwe gedichten in de trant der ouden, uur aan uur hielden de zangers de adellike heren en dames in spanning door hun voordrachten onder begeleiding van muziek van de eindeloze gevechten met die „honden” van Saracenen of tussen de krakélende baronnen. Maar in de 12deeeuw was de produktieve tijd voorbij; de atmosfeer en het hofleven waren weinig geschikt om tot heldendichten te inspireren. De helden-epiek was toch een maatschappelike poëzie, ontstaan uit een levende algemeen nationalesageschat en gaf uitdrukking aan een levende nationale of provinciale, algemene geest. Maar de nieuwe ridderkringen hadden niets van die maatschappelike geest, de laatste echo van de oude Germaanse stamgeest. Hier waren ridders bij elkaar die gewoon waren hun leven op eigen hand te leven en zich neer te slaan, of in dienst te treden, dan hier en dan daar; het gehele leenstelsel berustte op het vrije kontrakt; de nieuwe maatschappij die zich vormen zou, wees vooruit en voelde zich zeer weinig solidair met de overleveringen van het oude Frankrijk der Karolingiërs en nog was het slechts een vrije, bewegelike gastvrijheid, nog ver verwijderd van een nieuwe maatschappelike geest, die de vele kleine centra geschapen hadden. De resonantiewand voor de heldengedichten was weggenomen—de piëteit van het terugkijken op het verleden, een organies gevoel van saamhorigheid, de bijna religieuze stemming van een feest ter herinnering aan de voorvaderen.

Wat de gastvrijheid der ridders wenste, was een vrije conversatie,—vrije geestesoefening, evenals men bij toernooien of op de jacht het lichaam oefende. Terwijl de heldengedichten op geschiedenis berustten, of op sagen die voor geschiedenis aangezien werden en als geschiedenis werkten,—en terwijl de heldendichten uit een soort stam- of provincie-patriotisme ontstonden en tot zekere hoogte een opbouwende, opvoedende kracht bezaten,—emancipeert zich nu voor 't eerst de aestetiese drang om histories te vertellen en te horen, zo wel van historiese als van patriotiese belangen. In de grotere kringen wil men eerst en vooral gesprekken hebben. Het begint tot de goede toon te horen om te kunnen „bien parler”, goed en flink te kunnen spreken; zo wel voor ridders als voor de dames wordt dat als een bepaalde deugd beschouwd. In de romans zien wij hoe men daar aan tafel zit te praten of de ridders komen op bezoek in de vertrekken van de vrouwen, terwijl dezen daar met hun naaiwerk zitten. Of wel komt men in het goede jaargetijde 's avonds in de burchttuin onder een oude vruchtboom bij elkaar of wandelen allen te zamen de tuin in. En dan wordt er gesproken over wapenen en toernooien, over honden en vogels of over de liefde. Uit de romans kan men ook zien dat men er altijd op uit was vlug en ad rem te antwoorden, handig met een grap voor den dag te komen, met lichte toespelingen of dubbelzinnigheden, en iemand te kunnen plagen of geestigheden ten beste te geven op een elegante en onderhoudende manier. De Franse conversatiekunst doet hier zijn eerste zwakkepogingen. Bovendien heeft men allerlei soort gezelschapsspelletjes,—raadsels worden opgegeven, of wel er wordt iemand tot Koning gekozen en allen moeten hem zelfs op de meest intieme vragen antwoorden.

Maar de gesprekken bestonden toch in een mate waar men zich nu geen idee van maken kan, in het vertellen van geschiedenissen. Iedereen kende er en niemand werd ooit moe ze uur aan uur te horen vertellen. Men vertelde elkaar geschiedenissen 's avonds in bed—Meriaduc stond erop met Tristan in één kamer te slapen, omdat die hem altijd 's nachts zulke aardige avonturen vertelde—men vertelde elkaar verhalen te paard bij de lange vervelende dagreizen; op jacht verhalen de deelnemers elkander merkwaardige jager-grappen waar niemand geloof aan slaat; bij de wijn, na tafel, trachten de ridders elkaar in grootsprekerijen te overtreffen over hun avonturen in de oorlog of met vrouwen; de ouden van dagen vertellen van hun vrolike jeugd; en er zijn ook dames die een grote kring om zich heen verzamelen omdat zij de reputatie hebben van vele geschiedenissen te kunnen vertellen. En de geestelike die boeken gelezen heeft, wordt overal waar hij als gast op de kastelen komt, als een levende encyclopaedie beschouwd en moet niet alleen van de „Gesta Romanorum” vertellen—over alles wat er ten tijde der oude Romeinen gebeurd is—maar ook van alles wat er in de heilige Schrift te lezen staat. En als een passende vergoeding voor de genoten gastvrijheid, moeten alle reizigers alles opdissen wat zij gezien hebben of ondervonden of in vreemde landen hebben hooren vertellen.

De stof voor die vertellingen kwam—zo als wij later zien zullen—meestal uit vreemde landen, uit die ontzachelike bonte massa van motieven die door het reizen en trekken, in het dooréénmengen der volkeren en de uitwisseling van ideeën, in de tijd der kruistochten in omloop kwamen. Maar de drang tot vertellen en de vertelkunst zijn produkten van het gezellige maatschappelike leven en het letterkundige genre—de geversificeerde vertelling, zo wel het korte „Conte” als de lange „Roman”—dat uit die gezellige bijeenkomsten geboren wordt en zelf de stof daarvoor uit moet maken, staat, èn in vorm en stijl, èn in geest en wijze van voorstelling geheel onder de invloed van die oorsprong en bestemming. De oude „Chansons de geste” die bestemd waren om in een zaal, onder begeleiding van muziek, half gezongen, half gereciteerd te worden, voor een groot gezelschap en bij feestelike gelegenheden, rollen voort, deftig en zwaar en stijf, in lange regelsvan 10 of 12 lettergrepen: „Carles li Reis nostre Emperere magne—sept ans tuz pleins ad estet en Espagne”. En in brede trekken wordt ons alles geschilderd, met onvermengde, sterke kleuren, in grote, aanschouwelike scènes wordt het verhaal ingedeeld en schrijdt met dramatiese stoten en in vlug tempo voort: de toon is opgewekt en verheven en zo gaat het zonder grote veranderingen tot het einde. Maar de nieuwe vertellingspoëzie moet in de plaats van de conversatie in die kringen komen en moet in het vrouwenvertrek of bij de maaltijd een gezelschap van heren en dames onderhouden door gewoon en natuurlik een historie te vertellen. Daarom loopt de taal daarvan als een rustige vlugge stroom, als een gezellig babbeltje in versregels van acht voeten: „Chrestien commance son conte—si comme l'histoire nous raconte—qui traite d'un empereur—puissant de richesse et d'honneur—” En de toon en de voorstelling verandert als in de levende gesproken taal; nu eens vertelt men haastig en vlug, dan weer wijdt men bij een beschrijving wat uit, het verhaal slaat in een levendig gesprek over, maar verliest zich dan weer in allerlei beschouwingen, de toon is rustig en blijft zich gelijk, zonder grote sprongen, maar met vele kleine veranderingen—medelijdend zuchten, schertsende ironie. En het verhaal schrijdt steeds kalm door, begint bij het begin, springt niets over, vat de geschiedenis niet in dramatiese scènes samen, maar houdt steeds de belangstelling gaande. Het is de stijl en de toon van de moderne roman en novelle die men hier ziet ontstaan. En het was ook de geest van het Hofleven zelf die de nieuwe vertelkunst zou bezielen niettegenstaande de vreemde van alle kanten opgenomen stof; wat die kenmerkt is de licht-gewekte zo al niet diepe sympatie met het geluk en het ongeluk der mensen, de sceptiese mensenkennis en de fijne blik op het leven dat alles zoals wij gezien hebben, karakteristiek was voor de mensen uit die kringen. Wat wij reeds in het Frankrijk van de 12deen 13deeeuw in dat sosiale leven geboren zien worden, is deContevan de 19deeeuw, geestig als bij Voltaire, en sentimenteel als bij Musset.

Een andere manier waarop de gasten onderhouden werden, was zang en spel en dans. Wanneer de vrouwen bij elkaar zitten te naaien of te spinnen, begint één er van een lied en heffen de anderen het refrein aan; na tafel wanneer de mannen en vrouwen samen aangezeten hebben, geeft een der vrouwen ook een lied ten beste en wordt het refrein door de overigen gezongen; of wel moet ieder der aanwezigen om de beurt een lied zingen.Naast de viool en de harp die men van oudsher kende, komt nu de luit van de Arabieren, wier hoven in Andalusië van muziek en gezang weerklonken. Ouderwetse moralisten ijveren tegen al dat gezang en spel in gezelschap; dat verwekelikt maar en leidt tot wellust zeggen ze. En nog meer is de dans hun een reden tot ergernis, als zijnde een uitvinding des duivels. Bijna bij alle feestelike bijeenkomsten wordt er aan de hoven gedanst, en er komen massa's nieuwe dansen op waarvan enkele, naar de namen te oordeelen, uit Griekenland schijnen te stammen. Het zijn kettingdansen, rondedansen, dansen door vrouwen alleen of door mannen en vrouwen,—maar de meesten zijn zeker begeleid geworden door gezang.

En die liederen zijn het andere genre dat uit dat hogere sosiale leven geboren wordt. Niet spesiaal uit dat aan de hoven; men kan ze tot in de eerste tijden der middeleeuwen vervolgen, in alle maatschappelike klassen horen ze thuis, maar wel worden ze bij de hoven meer in 't bizonder gekultiveerd en krijgen ze daar kleur en vorm.

Velen van die dansliederen, zoals die omstreeks het jaar 1100 op de ridderkastelen gezongen werden, schijnen van de oude lentefeesten te stammen, die uit de grijze voortijd in alle landen gevierd werden. In de heidense tijd vermoedt men dat die Mei of April feesten in 't bizonder aan de godin der liefde gewijd waren en de vrouwen hebben er de hoofdrol bij gespeeld; het moeten een soort „vrouwelike Saturnalia” geweest zijn, waarbij zij zich nu eens van de voogdij van man of broeder mochten emanciperen, of in elk geval in wilde dansen en liederen zich allerlei grappen veroorloofden. Die oorsprong verklaart het gewone begin van die liederen; de lof en prijs van 't voorjaar en 't nieuwe jaar dat in die tijd met het voorjaar begon en het zijn steeds vrouwen die het woord voeren en die elkaar aanzetten om tegen hun mannen of moeders in opstand te komen en van hun jeugd te genieten. In een liedje uit Limousin van ongeveer 1100 zingt een van de dansende meisjes, die tot „April-Koningin” gekozen was, aldus de lof van de lente: „Nu eindelik de heerlike tijd gekomen is, zal de vreugde een aanvang nemen, de ijverzuchtigen zich ergeren en daarom zal de koningin eens laten zien hoe vol liefde zij is,” en de meisjes vallen in: „Weg, uit den weg, gij ijverzuchtigen!—laat ons dansen, laat ons dansen met elkaar!” Overal—gaan ze door—heeft zij laten weten: alle meisjes en jongens mogen komen dansen. Maar nu komt ook de koning,om het dansfeest te verhinderen, hij is bang dat men hem zijn April-Koningin ontroven zal. Maar zij wil van de oude niets weten, zij wil liever een jonge kerel hebben die weet hoe een mooi meisje behandeld moet worden. En hij die haar zag, zoals zij zich daar bij het dansen vertoonde, die kan zeggen dat de vrolike koningin haars gelijke in de wereld niet heeft... „A la vi', a la vie, jalous,—lassaz nous, lassaz nous—ballar entre nos, entre nos.” Een dergelijke half-conventionele wildheid kenmerkt andere oude Noord-Franse of Duitse dansliederen. „De gehele wereld zal mij niet verhinderen mij een „ami” te kiezen,” zingt een meisje uit Noord-Frankrijk; openlik verklaart zij aan haar moeder: „Ma mère, je veux Robin”; de moeder dreigt haar met een stok en wil haar met haar spinnewiel opsluiten, maar het meisje belooft zich zelf dat zij haar geliefde toch wel zal krijgen: „Les mammelettes me poignent, je ferai novel ami”, zo zingt zij haar liefdeverlangens uit. En een Duitsch meisje zingt: „ik zal mijn zorgen laten lopen en met mijn vriendinnen de weide ingaan,” en dan roept zij haar „Mei-geliefde”: „zoete Rozenmond, kom, kus mij gezond.” In haar klooster klaagt de non; zij wil er vandoor en zich met haar geliefde amuseren:„S'irons à Paris, mener bonne vie,—car il est jolis et je suis jeunette,” en liefde-smachtend luidt haar refrein: „Je sens les douls mals leis ma seinturete—malois sois de Deu ki fist nonnette!”—„ik voel de zoete smarten onder mijn lendenen—vervloekt door God zij hij die mij een non deed worden!”

Vooral klinken van alle kanten de protesten van de getrouwde vrouwen: „Mijn man heeft mij overdag,—mijn vriend de korte nacht... Loop heen, gij lelike bochel! bij God, ik zal u horens laten dragen; want nu is de zoete tijd gekomen dat de weiden groenen. Nu zullen wij, mijn vriend en ik, de nieuwe bloempjes gaan plukken („bloemen plukken” betekent in deze liedjes altijd zich aan de liefde overgeven). Waarom slaat mijn man mij? Ik heb immers nooit iets anders gedaan dan mijn vriend beminnen. En gunt hij mijdatplezier niet eens meer, dan zal ik mij nog meer op hem wreken.”En de jonge Provençaalse zingt: „Wat zal ik u zeggen waarom ik zo vol liefde ben,”—en zij zelf en haar vriendinnen vallen haar in de rede: „Coindetta sui...” „Knap ben ik, maar ik heb verdriet over mijn man, ik wil niets van hem weten—want ik ben maar klein en jong en een maagd, ik moest een man hebben waar ik plezier in kon hebben... Maar God weet dat ik geen smaak heb in mijn echtgenoot, alsik hem zie, wens ik slechts dat de dood hem van mij wegneemt. Maar één ding heb ik wel gemerkt en dat zal ik u zeggen: mijn vriend heeft mij reeds lang bemind en hem zal ik mijn liefde schenken... En het lied dat ik hier op deze melodie dicht, dat moet—vraag ik—wijd en zijd door alle vrouwen gezongen worden, over mijn vriend dien ik bemin en naar wien ik zo verlang.” „Coindetta sui...Aardig ben ik” enz., zingt het koor daar dan weer tussen in.

Dat zijn oude conventionele volksliederen-motieven in de ridder- en hofkringen in voorname vorm gegoten. Andere dansliedjes, eveneens door vrouwen gezongen en oorspronkelik ook wel door haar gedicht, zijn romanceachtig vertellend. Het zijn kleine liefde-episodes of liefdegeschiedenissen, slechts met een paar losse lijnen opgetrokken, in een paar trekken te voorschijn getoverd... alsof men in de muziek maar even het tema aangeeft, maar de uitwerking aan de fantasie van de hoorders overlaat... dikwels half dramaties in de gesprekvorm, maar oorspronkelik altijd met een refrein dat de grondgedachte aangeeft... de stemming waar de kleine „historie” uit ontkiemd is en die alleen gebruikt zal worden om de toehoorders mee in slaap te wiegen. Dat zijn de romancen waar onze Scandinaviese volksliederen ook meê samen hangen. „Aalis main se leva—bon jor ait, qui mon cuer a... Alisstond 's morgens op—geluk voor hem die mijn hart bezit—zij kleedde zich en maakte zich mooi onder een elseboom—geluk voor hem die mijn hart bezit,—het is niet langer mijn.” Meer hebben wij van dit liedje niet. Kompleet hebben wij daarentegen het lied van Gaiete en Oriour, twee zusters die een Zaterdag naar de beek gingen om te baden. „De lucht trilt en de takken wiegelen; mogen zij die minnen zoet slapen!” luidt het refrein als van een wiegelied. De jonge Gerard komt van wapenoefeningen terug, ziet Gaiete aan de beek en neemt haar in zijn armen. „Als je nu water geput hebt, Oriour,” zegt zij tegen haar kleine zuster, „ga dan naar de stad terug, ik blijf bij Gerard.” Oriour gaat naar huis, maar weent haar beide oogen uit en zucht uit het diepst van haar hart, omdat haar zuster niet met haar mede gaat. Maar Gerard en Gaiete gaan terstond direct naar de stad en daar troost Gerard haar. „Vante l'ore et li raim crollent,—ki s'antraimment, soweif dorment.” Men ziet bijna de dansenden de kleine geschiedenis mimies voorstellen.

Minder bij de dans dan bij het werk in het vrouwenvertrek zijn die oude romances gezongen geworden, die de adellike dameof jonkvrouw in haar stille liefdedromen schilderen, in de smart of het geluk van haar ootmoedige liefde. Daar zit de schone Dolette bij het venster en leest in een boek, maar haar gedachten zijn er niet bij, zij denkt aan haar Doon die ver weg getrokken is, naar 't een of ander toernooi. En nu komt juist het bericht dat hij gevallen is; zij neemt terstond het boetekleed aan en wijdt zich aan het nonnenleven.

Zo zit ook de schone jonkvrouw Yolande in haar vertrek een fluwelen wambuis te maken voor haar vriend die ver weg is. Zuchtend zegt zij: „God, wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht dat ik daar smarte bij zou voelen,” en zij bidt God medelijden met haar te hebben. Maar op het zelfde ogenblik komt haar lieve vriend de kamer binnen. Zij ziet hem, buigt haar hoofd en kan geen woord uitbrengen. „Mijn lieve dame, hebt gij mij heel vergeten?” vraagt hij. Maar nu lacht zij en strekt zuchtend de schone armen naar hem uit. „Schone vriend, ik kan u niet bedriegen. Met geheel mijn hart bemin ik u. Zo veel als gij wilt, moogt gij mij kussen.” Zij neemt haar vriend in haar armen. Zij zetten zich op een mooi bed en daar omhelzen zij elkaar. „God! wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht, dat ik daar smarte bij zou voelen.”

Boven in het vrouwenvertrek is het ook dat de koningsdochter Erembourc zit te borduren en zij door een torenvenster ziet dat haar vroegere vriend, Graaf Raymond, de binnenplaats op rijdt; nu komt hij in de lente thuis maar hij heft het hoofd niet meer op naar haar kamer als vroeger. Maar zij roept hem, hij mag haar de belediging toch niet aandoen niet eens meer even met haar te komen spreken. „Gij hebt niet goed gehandeld, koningsdochter! Gij hebt een ander liefgehad, om hem hebt gij mij vergeten”, roept hij naar boven. Maar zij zweert van niet; met haar dames en maagden is zij bereid een eed af te leggen dat zij onschuldig is. En dan komt hij bij haar binnen—breed van schouders, smal van middel—blond, met gekrulde haren; een knapper jongeling was niet te vinden. Hij gaat op het geborduurde kussen zitten, zij zit naast hem; „de joste lui se siet bele Erembors,—lors recomencent leurs premières amors...” Het gehele kalme vrouwenleven in die torenkamers hangt als een atmosfeer om de weinige woorden van die liederen,—in een vaag onbewust verlangen naar vrijheid en een bereidwillige onderwerping aan de heerschappij van de mannen. Het is alsof men de eenvoudige woorden hoort zingen met begeleiding der akkoorden van een tedere guitaar.

Duideliker spreken de gevoelens der geliefden zich in liederen uit, die het afscheid schilderen van ridders en hun dames. Dit zijn ook oorspronkelik meestal liederen van vrouwen of altans is de vrouw degene die vooral het woord voert en de warm liefhebbende is, terwijl de man er de rol van koelbloedige meerdere speelt. Wij hebben Duitse liederen van dit genre over of altans fragmenten er van. De vrouw klaagt en hij belooft haar niet te vergeten, of zij smeekt hem bij haar te blijven, maar hij antwoordt lichtzinnig of, als om te tonen dat hij een man is, dat hij zich niet eeuwig en altijd door een vrouw kan laten binden; soms is zij een vorstin en eist dat hij haar beminnen zal of hij moet het land verlaten, maar de ridder laat zijn paard zadelen, hij wil liever vertrekken dan zich door een vrouw te laten dwingen. Of de vrouw is verlaten achtergebleven en klaagt dat nu de lindebomen kaal zijn, dat haar geliefde, een onervaren jongen, in het net van andere vrouwen verward is geraakt, ofschoon God weet dat zij—dat „ich im diu holdeste bin”. Zij staat op de tinnen van het kasteel en kijkt hem achterna nu hij wegrijdt; de valk die zij voor hem had afgericht, is nu ook van haar weggevlogen. God „brenge hen samen die gaarne samen willen zijn.” Of zij verlangt naar hem in de verte. „Es stuont eine Frouwe alleine unt warte über Heide.” „Wanneer ik alleen sta in mijn hemd en aan u denk, mijn Ridder, dan gloei ik als een roos en is mijn hart vol droefenis.”

Dikwels is het op een kruistocht dat de ridder moet gaan en roept zijn kristelik en militair plichtsgevoel hem weg, over zee en land, terwijl haar liefde hem terug wil houden. Allerliefst is zo bijvoorbeeld een Provençaalse romance waar het adelike meisje een schonen zomerdag onder een bloeiende vruchtboom in de tuin zit en tot Jezus klaagt dat haar geliefde voor Hem naar het heilige land getrokken is en haar verlaten heeft. De dichter tracht haar te troosten met de hoop op de hemel, maar zij laat zich met het hiernamaals niet afschepen „wanneer God mij ondertussen hier op aarde hem ontrooft die mijn vreugde was, hem die ik nog maar zoo kort had, maar die nu zo ver weg is.”

„Liebesgrüsse”, „saluts d'amour” zendt de verlatene haar geliefde in de verte achterna. „Zoveel bladen, zoveel grassprietjes, zoveel bloemen als er zijn, zend hem zo veel liefdegroeten van mij.” Dikwels is het een valk of een zwaluw wier vrije vlucht zij benijdt en aan welke zij haar groeten medegeeft,—een overal in het volkslied geliefd motief. Later zendt hij dan ook op zijn beurt haar groeten door vogels. „Weg vliegt de monterevogel,”—heet het in een „salut d'amour”, uit Provence—„recht daar heen waar zij woont en slaat zich zonder angst neer, en wanneer de schone zich vertoont, begint het vriendelike vogeltje een zoet gezang te laten horen, zo als hij die tegen de avond ten beste pleegt te geven, dan zwijgt hij en bedenkt hoe hij het beste zeggen zal wat zij genadig horen wil.” Dan zingt hij menig vleiend woord tot haar over haar geliefde, zij hoort dat aan en zendt de gevleugelde boodschapper met vele schone liefdewoorden terug.

Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door mannelike kunstdichters uit het oude motief van „Het afscheid der geliefden”. De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot te samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden, voor dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar als die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,—van de hoogdravende Hymne aan het Licht van Prudentius af (Aeterne rerum conditor) tot de meer moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat „het Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft.” Aan de andere kant misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in de „Heroides”, waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje, ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf de vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar vriend in haar armen, totdat de wachter roeptdat hij de dageraad ziet. „Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die nacht nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve, zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn schalmei blaast.” Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart. „Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!”

Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht de geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe, niettegenstaande het gevaar en zegt: „Welaan, dan blijf ik hier,” totdat zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik te blijven: „Nooit hadden zij het zo goed als nu.” Maar... numoethij toch weg: „Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft al weerklonken.” En wenend blijft zij alleen achter: „nû lige ich liebes âne—reht als ein senede wip.” In de Albas uit Provence—alba: morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk—komt die wachter langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug te geven en hij roept de kamer in: „Beste vriend, slaap niet langer, in het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra morgen.”—„Waarde, goede vriend—komt ten slotte het antwoord—ik zwelg in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, want ik houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en ik geef niets om echtgenoot of dageraad.” Hier is het nu, zo als men ziet, niet langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde verheerlikt en in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het allerverst uitgewerkt vindt men het motief bijWolfram von Eschenbachin wiens „dageliederen” de wachterzowel als de vriend die in het geheim is, tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie der geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar tranen en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een pateties dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van „de zaligheid van gestolen liefde en al de bitterheid die daar onafscheidelik van is.”

Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven; of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt, misschien ook nog wel een derde—een mededinger die het meisje ook ten dans nodigt—totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft. Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt men een andere soort gedichten die ophunwijze aan één zijde der pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of waar hij pocht op een „bonne fortune” die hem ten deel gevallen is,—hoe hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe hij het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor haar vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende herderinnetjes aangeboden had gratis dedeclinatioen deconjugatiote leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had afgeluisterd.

De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont een vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter, een ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf een gesprek tussen de herders en herderinnetjesafluisteren—Robin die Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die zij hem gisteren heeft zien kussen,—of boeren feestdansen, kibbelarijen en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes en dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd, onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n veehoedstertje en haar liefde,—dat betekent namelik niet veel!

„Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: „Lief kind,” zei ik, „ik vind het treurig dat je het zo koud hebt.”—„Heer,” antwoordde zij, „Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als de wind eens door mijn kleeren waait.” Ik zeide dat ik haar graag gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo alleen het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld...”En zo gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter van een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben, die niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin geven—gaat hij door—zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen wat ze willen zonder gezien te worden. Maar—gelijk Else in de ballade, heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn opdringerigheid: „van een ridder als vader, daar weet zij niets van, soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een slet.” Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor. „God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven.” Maar zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar haar vader die daar ginds hetveld loopt te ploegen en wil daar heen gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: „Heer, ik geef mij aan u over.” De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme van de pochende ridders („gaps”) vinden wij ook beiden in de pastorale terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft. Zelf roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan gewillig. Maar dikwels is de herderin ook „trop sage de garder son pucelage” en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op een afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij triomfantelik het gedicht: „lors me montai, si m'en alai,—à deu l'ai commandée:—Dolente et esgarée—la laissai en la prée.”


Back to IndexNext