Pastorale, alba, romance, ballade,—al deze verfijnde literaire bewerkingen van het volkslied zijn duidelik gedicht en gezongen geworden door ridderlike dillettanten—dames en heren—als een geliefd soort gezelschapsspel. De naam van de auteurs is niet bekend, altans van de meesten niet, het is de volkspoëzie van de ridderwereld, gelijk onze Deense middeleeuwse balladen dat waren. Een volksliedje als „Maagdedroomen” is in wezen niet verschillend van een romance als de schone Yolande of de schone Erembourc en een schertsende ballade als die van „koning Erik en de spottende Maagd” is na aan de Pastorale verwant.
Maar deze gezelschapsliederen zowel als de vertelkunst die zich bij de ontvangsten op de hoven ontwikkelden, krijgen nu beoefenaars van professie in de schare van dichters en zangers die aan het hof leefden om—en meer of minder ook van—die liederen en berijmde vertellingen te dichten en voor te dragen. Van de dagen van Olim waren er talrijke „jogleors” en „conteors” en „fableors” die van de ene stad naar de andere trokken, en van burcht tot burcht, allerlei kunstjes maakten, een beer lieten dansen, maar tegelijk ook viool speelden of doedelzakken en berijmde vertellingen lieten horen of liedjes,—om daarna geld in te zamelen van het kermispubliek of de gasten van de burchtheer. Maar boven de jongleurs verheft zich in de tijden der kruistochten een aristokratie,die soms uit die klasse voortgekomen of daarin teruggevallen is, maar die zich niet verwaardigt op kermissen op te treden en jongleurskunsten uit te voeren, maar die zich alleen in de adellike kringen beweegt, zich naar die hogere smaak vormt, zich enigsins de manieren van die kringen toeëigent en dikwels daarin opgenomen wordt. Dat zijn de „menestrels”, de „troubadours”,—„trouvères”; wanneer ze, wat dikwels 't geval is, tot de „vagantes” horen, noemen zij zich dikwels „maîtres”. Arme jongere zonen en verarmde baronnen zelf beginnen nu ook mede te doen aan deze wijze van het hof te vermaken, en zo vindt men ze weldra in deze nu zo veelomvattende dichtergroep, naast klerken en zonen van burgers en de lagere klassen. Het zijn musici van beroep, die allerlei kunstige melodiën komponeren en spelen, voor de viool en voor harp; de Britse en Bretonse melodieën (lais) werden over Frankrijk van hof tot hof gekolporteerd. Bij de muziek komt dan ook zang en het zeggen van gedichten. Zo brengen de zangers met de melodieën de Britse vertellingen in 't Frans over en dragen ze de kleine berijmde verhalen voor, de „lais Bretons”. „Lais” worden nu langzamerhand ook andere kleine berijmde vertellingen genoemd, welke detrouvèresdichtten en voordroegen,—de stof haalden ze òf uit het werkelike leven, òf uit de antieke myten b.v. over Narcissus of Orpheus. Maar eerst en vooral ontwikkelen de hofzangers van beroep in Zuid-Frankrijk een nieuwe kunstige hoflyriek, die weldra ook aan de ridderhoven van Noord-Frankrijk en Duitsland toonaangevend zou worden.
ZUID-FRANKRIJK.
In Zuid-Frankrijk is het maatschappelike leven der ridders het sterkst ontwikkeld en het uit zich in het lyries individualisme der troubadours.
Het was een zeer eigenaardige wereld, dat stukje van Europa, dat in de 12deen 13deeeuw het vaderland zou worden van de Provençaalse poëzie. In het Zuiden wordt het door de Middellandse Zee bespoeld, in het Westen door de Atlantiese Oceaan, in het Zuidwesten is het door de Pyreneeën begrensd,—behalve dat Catalonië en belendende dalen van het Spaanse schiereiland er bij horen—in het Oosten door de Alpen, ofschoon er tochvolop voeling blijft met de daaraan grenzende delen van Italië; eindelik gaat, wat het noordelik Frankrijk betreft, de grenslijn met een vrij grote boog van de Gironde in het Westen, noordelik over Poitou en weer zuidelik naar Lyon in de punt van het meer van Genève,—hoofdzakelik wordt de grens gevormd door de bergvlakte van Auvergne en Limousin. De met pijnbomen begroeide zandvlakte en de moerasstreken van Gascogne bij de Atlantiese Oceaan; de wijnbergen van Garonne; Toulouse en de bergdalen van de uitlopers der Pyreneeën; daarachter de Cevennes bij de Middellandse Zee, Languedoc met zijn rijke, oude Romeinse steden: Narbonne, Beziers, Nîmes; het dorre en stormachtige kustlandschap van Provence met Arles, Aix en Marseille; de alpenstreken van Dauphiné en Savoye, Poitou bij de Loire en Catalonië aan de overzijde der Pyreneeën... al deze streken maakten op verre na geen geografiese of politieke eenheid uit, maar toch bestond er een innig, levendig verband tussen, en vormen ze tegenover de daar buiten liggende provincies één geheel,—en wel ten gevolge van een gemeenschap in hun ethnologie, hun historie, hun taal en hun kultuur.
Hoe weinig men ook weet van de verschillende rassen, Liguriërs, Iberiërs en Kelten, en de verhouding waarin die, de oudsten van Zuid-Frankrijk, tot elkaar stonden, zeker is in elk geval dat die donkere kleine mannen geheel en al verschild hebben van de sterk met Germaanse elementen doortrokken Galliërs uit Midden- en Noord-Frankrijk. Of het nu het klimaat is, de levenswijze of wat er ook de oorzaak van is,—het is geen verbeelding dat het Zuid-Frankrijk van eenMirabeau, eenThiersof eenGambetta, dat van eenMontaigneofMontesquieu, dat van eenBerliozen eenGautierenDaudet,—dat in het algemeen het Zuid-Frankrijk van de advokaten en politici, der journalisten en raisonneurs, der kolonisten en impressionisten een heel ander land is dan dat vanCorneilleenMolière, vanVoltaireenRousseau, vanTaineenRenan. Het was als bloeiende rhetoren en scherpzinnige dialectici, dat de Zuid-Fransen uitblonken zodra zij weer in de Romeinse kultuur werden opgenomen; tot op het huidige ogenblik toe is het die steeds weer opborrelende levendigheid en een soort lyriek die zich voor een ieder openbaren, die de landgenoten vanNuma RoumestanenTartarinkenmerkten.
De Romanisering van Zuid-Gallië—de streek met Narbonne in het Zuid-oosten en het Aquitanië van Caesar in het Zuid-westen—greep niet alleen éerder plaats dan die van het overige Gallië,maar geschiedde ook grondiger; reeds van de tijd af dat Marseille door Griekse kolonisten gesticht was, had Zuid-Frankrijk behoord tot de wereld der landen om de Middellandse zee. In de grote steden uit de Romeinse tijd staan nog poorten en aquadukten, termen en grafmonumenten, tempels en amfiteaters, als herinneringen aan het rijke Romeinse leven. Bij het einde van die periode waren deze steden om zo te zeggen het meest beschaafde deel van het Romeinse rijk en zij waren de laatste haardsteden waar de vonken van het uitdovende geestelik leven der Oudheid nog brandend gehouden werden. De biblioteek van Arles, de scholen vanToulouse, BordeauxenViennebewaarden nog lang hun roem en in Marseille waren er nog steeds Griekse overleveringen.
In veel mindere mate dan de naburige landen zou Zuid-Frankrijk ook de gevolgen van de Volksverhuizing ondergaan: omwentelingen en vermenging van rassen. De Bourgondiërs die uit het Oosten kwamen, weinig talrijk en half beschaafd als zij waren, voegden zich vrij gemakkelik in de bestaande civilisatie, ook de West-Goten, die zich tussen de Garonne en de Pyrenaeën vastzetten en het grootste deel van Spanje veroverd hadden, smolten vrij wel met de Romaanse bevolking samen. De veelvuldige invallen der Arabieren van uit het Zuiden brachten veel nieuwe kultuur-ideeën met zich mede, maar leidden niet tot een blijvend in-bezit-nemen. En met het Frankiese Noord-Gallië hield alle nadere verbinding op, vooral sedert de tijd van Karel de Grote. Zeer spoedig werd het verschil tussen de taal vanLangue d'ocenLangue d'oilheel sterk en ofschoon de Franse koningen nominaal Heren waren over het Zuid-Frankrijk ten Westen van de Rhône, evenals de Duitse keizer van Bourgondië en het eigelike Provence, vertoonden de Zuid-Franse vorsten zich toch alleen maar zo nu en dan eens even aan het koninklik hof te Parijs. Feitelijk leefde „Le Midi” een volkomen onafhankelik leven en hoorde nog steeds, evenals in de oudheid, ekonomies en kultureel bij Italië en de streken aan de Middellandse zee.
De Middeleeuwen kregen dan ook nog minder vat op Zuid-Frankrijk dan zelfs op Italië. De twee grote beschavingsfaktoren: het Kristendom en het leenstelsel hadden daar ginds veel minder revolutionaire invloed dan meer in het Noorden, en de Romeinse kultuur van vroeger tijden bleef schrap staan tegen de nieuwe levensvormen en hield vol energie stand.
En hier moest het Kristendom menig kompromis aangaan metde oude Romeinse kultuur. In de 4deen 5deeeuw nog vond men in het offisieel gekerstende Gallië een aristocratie van hogere ambtenaren en grondbezitters die volkomen onverschillig bleven bij de kerkelike en politieke strijd van den dag en een leventje leidden van één en al genot, als in de beste dagen der oudheid. De laatste Gallo-romeinse schrijvers als Ausonius en Eutropius hoorden tot die kring. Op villa's, in de buurt van Bordeaux of ginds in Auvergne, verdreef men de tijd met jacht en visserij, maar men studeerde en kommenteerde ook zijn klassieken in welvoorziene biblioteken, deed, al was het dan ook als amateur, aan de archeologie, bracht komedies van Terentius, of in zijn genre, op privaatteaters ten tonele of voerde literaire gesprekken of een literaire briefwisseling. Niet weinigen van de bisschoppen der Kerk hoorden zo goed als geheel tot deze kringen. Sidonius Apollinaris stierf als bisschop te Clermont, maar zijn gedichten die hem een standbeeld verschaften op het Forum Trajanum, en zijn briefwisseling verplaatsen ons geheel in de Romeinse dekadenten-aristocratie. Zo schildert hij ons b.v. het leven van een adellike vriend op zijn kasteel bij de Garonne. Dat is al een burcht met muren en torens en het ligt op een heuvel—de tijden staan in het teken van de oorlog—maar met zijn zuilengangen, zijn termen, zijn muurschilderingen is het van binnen nog een heel Romeins patriciërshuis. Bij een andere vriend, te Nîmes, vertelt hij van een biblioteek in drie afdelingen; een heidense, alleen ten gebruike van mannen, een kristelike afdeling voor de vrouwen, en een gemengde afdeling voor de twee geslachten; teologiese discussies worden daar in huis gevoerd, zowel als heidense literaire gesprekken. Of wel heeft hij het over een concilie waar hij aan deelgenomen heeft; tussen de vergaderingen in gaat hij met enige andere hoge prelaten—hoofdzakelik jonge mannen—de stad uit en daar, bij een antiek grafmonument in de schaduw van de bomen, amuseert het bisschoppelik gezelschap zich afwisselend met het kegelspel en met het dichten elk om de beurt van Latijnse impromptu-verzen. Omstreeks het jaar 600 vertoonde een andere bisschop, Venantius Fortunatus, een nog vreemder legéring van officieel Kristendom en traditioneel Heidendom. Hij schrijft n.l. Heiligenlegenden en Kristelike lofzangen, maar daarnaast ook bruiloftsverzen voor een Frankies koningspaar met de hele mythologie van Amor en Venus er in, en verder kleinebillets-douxaan een zekere zuster Agnes of zuster Radegunde in een naburig klooster met sierlijk-galante dankbetuigingen voor bloemen of potten melk die de nonnen hemgestuurd hebben. Zo zijn er dus onder de Franse klerezij genoeg overleveringen voor die soort van aesteties heidendom bij de geestelikheid die, zoals wij gezien hebben, de opkomst der scholen in de 11deeeuw met zoveel liefde bevorderde; het is ook in de grensstreken tussen Zuid- en Noord-Frankrijk, in de buurt van Tours, Poitou en Anjou dat die belletristiese prelaten meer bizonder thuishoorden.
Trouwens, nergens breken de draden die naar de antieke kultuur terug voeren. Toen ongeveer het jaar 1000 enige Provençalen in het gevolg van een prinses naar Parijs kwamen, ergerden de mensen in Noord-Frankrijk zich over die kort geknipte, glad geschoren Zuidelingen, met hun fraaie kleeren, en hun ijdel, lichtvaardig optreden. In klederdracht zowel als in manieren stak er zeker nog heel wat van die der Romeinen uit de latere Keizertijd. Heel lang nog waren er te Arles de circusspelen of dierengevechten in zwang en zelfs in de zang-dansen der boeren kon men de voorstellingen van Amor en Venus nog terug vinden. Zeer waarschijnlik zijn er hier evenals in Italië, privaatscholen geweest naast die van de Kerk en heeft er onder de voornamen een zekere wereldlike klassieke kultuur bestaan naast die van de geestelikheid. De gemakkelike verbinding met Italië, met het humanistiese pauselike hof en de humanistiese hogeschool te Salerno, heeft zeker op verschillende wijzen sporen achtergelaten. Zo begint men b.v. in de 11deeeuw te Arles de kerk van de H. Trophime met standbeelden te versieren, waar men de antieken klaarblijkelik tracht na te bootsen en tegelijkertijd worden er te Avignon en in andere steden van Provence, kerken gebouwd, die in de portieken en gevels op de pilaren en de kapitélen allerlei détails van de antieke gebouwen nabootsen, die men rondom in die steden vinden kon.
Maar ook het maatschappelik leven zelf had in zijn grondtrekken veel van de oudheid bewaard. Evenals in Italië stond ook hier het stadsleven boven dat van de landman, in tegenstelling met de toestanden in het Noorden. Mensen in goeden doen—adelliken zowel als burgers—woonden liever in de oude rijke Romeinse steden dan eenzaam ergens buiten. En de burgers hadden feitelik een niet onaanzienlik kommunaal zelfbestuur. Wel is waar stonden ze onder een graaf of een bisschop, die midden in de stad zijn residentie had of er vlak bij, maar hij regeerde alleen door een „Vicarius” of een „Baljuw” die door de burgerschap gekozen werden en langzamerhand hadden de steden allerlei privileges gekregen; in de loopvan de 12deeeuw kregen ook de meesten van hen hun eigen „consules”,—burgemeesters. Men kan b.v. in de „Coutumes” van Montpellier lezen,—die tot toonbeeld genomen werden van een massa andere steden,—hoe de stad vol zelfbewustheid haar rechten tegenover de „Seigneurs” laat gelden. En overal—heet het—waar niet iets anders uitdrukkelik gestipuleerd is, geldt „het geschreven recht”, d. w. z. het oude Romeinse recht, dat steeds van kracht is naast, of als deel van, het lokale gewoonterecht.
Over het algemeen is de maatschappij daar volstrekt niet zo gefeodaliseerd als in het Noorden. Het vrije landbezit (allodium) en de vrije bezittersstand die alleen de vorst als hun heer erkenden, waren grotendeels blijven bestaan, zonder in het leenstelsel opgenomen te worden. Tussen de adel, de rijke burgers en de grondbezitters bestond er geen scherpe grens, zij vormen te zamen die hogere standen wie het er om te doen is de kleine burgers er onder te krijgen en uit te buiten, en de burgers kunnen, als het er op aan komt, zich vrij gemakkelik het ridderzwaard om de lendenen laten gorden. „Welgeboren burgers, die de gewoonte hebben, op de wijze der ridders te leven”, heet het in een overeenkomst tussen Avignon en de omliggende graven, „zullen ook de zelfde rechten genieten als zij.” Zelfs waar er sprake is van leentoestanden, schijnt het in werkelikheid dikwels zo geweest te zijn dat de Vazallen hun grond in vrij bezit hadden en alleen maar in een vrij losse persoonlike verhouding tot de leenheer stonden, terwijl de macht van deze laatste voornamelik afhangt van de grootte zijnerallodia. Wanneer men de zaak goed onderzoekt, zijn de meesten van die „Senhoraten” oude Gallo-romeinse landgoederen geweest, alleen is dan het landhuis een kasteel geworden aan welks voet de kleine burgers bij elkaar zijn komen wonen en het leenstelsel zelf zijn misschien dikwels militaire vervormingen van de oud-Romeinse verhoudingen tussen de voorname patroon en zijn kliënten, tussen de rijke grondbezitter en de „prekaristen”—zijn pachters.
Maar in het algemeen zat het individualisme uit de latere Romeinse tijd op de troon, dat het vermogensrecht en personenrecht beheerste en zou de vervorming van de Germaanse stam-gemeenschap en stam-geest niet ondergaan, die de positieve zijde van het leenstelsel uitmaakt. De persoonlike en ekonomiese saamhorigheid, die de Germanen van hun „gauen” en hun krijgstochten medebrachten en die de schering van het feodale weefsel vormde, kon Zuid-Frankrijk al even weinig begrijpen als Italië. De wederzijdse,volkomen religieuse plicht van trouw van leenheer en vazal, konden die zich evenmin eigen maken als het begrip van een ekonomiese gemeenschap in de maatschappij die het leenstelsel draagt. Dat was ook de reden waarom Zuid-Frankrijk zo goed als geen aandeel heeft in de Franse en Duitse heldendichten die hun grond en verklaring vinden juist in die Germaanse stam-geest en het leenstelsel.
Alleen denegatievezijde van het leenstelsel—als men het zo uitdrukken mag—d. w. z. de individualistiese anarchie der baronnen vond daar een vruchtbare bodem. Wat kwam die niet prachtig overeen met het individualisme van het Romeinse vermogensrecht en de latere Romeinse patriciërsgeest, waarin alle maatschappelike gevoelens uitgestorven waren. En de vele wijd uiteenliggende bergdalen in de Pyreneeën en de Cevennen bevorderden het separatisme maar al te wel.
Zo vinden wij dan omstreeks 1100 Zuid-Frankrijk in een bonte massa van „Senhoraten” verdeeld van alle grootten en allerlei aard, naast elkaar of zeer los aan en met elkaar verbonden, elkaar bevechtende, en door huwelik of ruiling in allerlei verbindingen met elkaar tredende. Daar zijn de hertogen van Aquitanië, tegelijk graven van Poitou—energiese vorsten en literair ontwikkeld die, vooral nadat zij zich Gascogne onderworpen hadden, als koningen over heel Zuidwest-Frankrijk heersten, hoewel steeds in strijd met hun machtige vazallen, de graven van Auvergne, Périgord, Angoulême of de Heren van Blaye, Ventadour of Chateauroux. Of de graven van Toulouse die in de 11deeeuw Provence geannexeerd hadden en over de hele Zuid-kust regeerden, maar die door een ongelukkige erfopvolging hun provincies steeds in al te veel handen over zagen gaan en die bovendien, op ridderavonturen belust, aan de kruistochten in het Oosten en in Spanje deelnamen in plaats van een oogje in het zeil te houden bij de woelige graven van Foix en Carcasonne, de burggraven van Albi en Narbonne of de oude steden in Languedoc. Dan hebben wij de graven Raimond of Berengarius van Barcellona die van het grote plan zwanger gingen om het oude rijk der West-Gothen weer op te richten en die zich door koop en huwelik grote bezittingen in Zuid-Frankrijk verwierven, maar die op hun beurt weer verlamd werden tengevolge van de erfopvolging, waarbij hele landsdelen onder de verschillende takken der familie werden verspreid. In het midden van de 12deeeuw werden Poitou en Guyenne met het Normandies-Engelse rijk verenigd en zetten Hendrik IIen zijn zonen—Richard Leeuwenhart en zijn broeders—bijna geheel Zuidwest-Frankrijk in vuur en vlam door hun onderling twisten, waar meer en meer van de Zuid-Franse heren in betrokken werden.
Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat, zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in een spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de seigneur in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen der vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als de ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de 12deeeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet eens te spreken. Die mensen uit het Noorden—zo spot men in Zuid-Frankrijk—denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken zijn en de Duitsers met hun plompe manieren en hun „hondengeblaf” horen nu aan een hof helemaal niet thuis. Het woord „cortes”, Noordfrans „courtois”, waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence teAix, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar „op een keizerlik kussen” een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: „Uit Catalonje scheen zij mij te komen, door haar groet en harerwoorden lichte spel.” Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het slotBauxder vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het grafelik hof vanFoix, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,—volgens de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis, trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij, die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn oor strelen door elk woord van lof: „zulk een heerlik land kent niemand als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur achtergelaten.”
Twist en het gezellige leven,—het een is even karakteristiek voor de Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten, deze ridders—zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden, dat de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het zijn geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming van het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook weer los,—òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de Romeinse dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme, lyriek, aesteties intellektualisme,—zie daar de hoofdtrekken van het Provençaalse geestesleven.
Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasmewisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid. In de 11deeeuw kwamen er talrijke extravagante „bekeringen” en voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II het wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. De hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan kerken en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte een groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen en mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te lang ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der troubadours. „Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen? Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden.”
Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een verbitterde ketterse stemming. „Helaas!” klaagt een poëtiese Tempelheer na de val van Caesarea, „indien God, wien dit alles moest mishagen, het goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die nu nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God, die vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht en laat zijne dienaren zegepralend heersen.” En met spot en scherpe hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de „ketterse”, half onkristelike godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige ontwikkelde geestelikenzetten in Provence en Lausanne bewegingen op touw om het „bijgeloof” van de sacramenten, relikwieën en heiligen bij de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13deeeuw klagen de mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij, aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme—dat is de houding van de wereld der troubadours tegenover het Kristendom.
Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar spek had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje afscheept,—en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten verweet dat zijn liefde zo snel vervloog.
En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,—over de bijzitten der baronnen of de „vrienden” van de getrouwde vrouwen of van de ruwe, gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,—eenliterair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding munt voor een „roman” slaat. De koketterie der dames en de galanterie der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen die fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach, een handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een „scene”, de gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de grove Noordeling geeft.
En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op, die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren dichtkunst een artistieke vorm geven,—dansballaden en romancen, alba's en pastoralen—maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen om aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van al de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de bij uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is de slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de oudste die men kent is graafGuillaumevan Poitou, die omstreeks het jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven, maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van één lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er zijn duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen vindt men in den regel „jongleurs” die met hen rondtrokken en hun gedichten voor hen accompagneerden en opzegden.
DE KUNST DER TROUBADOURS.
L'Art de Trobarwerd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats, beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten worden om goed te „trobar”, door die regels komt de kunst hoe langer hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge kring van kenners richt, dat slechts wil „grat de las melhors” en zich absoluut niet bekommert om bijval van de „desconnoissedors”.—Maar die kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. „Trobar” is uitvinden en in tegenstelling met de „jongleurs” die overal de gedichten van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. „Ik wil een nieuw lied zingen,” begint er een troubadour, „met grote moeite, opdat het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is niet goed en niet schoon.” En een ander: „Ik vind het altijd vervelend te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is? Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was.” In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de troubadourskunst—evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese Noorden—het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de kunst in conventionele,kunstige vormen, maar spoort binnen die perken de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te trachten elkaar te overtreffen.
De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid door de viool of de harp. „Een liedje zonder muziek is gelijk een molen zonder water”, heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4 regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in versvormen der gehele moderne lyriek.
Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven, de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen, aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals zijn samengevallen,—amati, amatis, amatus,—dit is alles tot amatz geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen,assonance; maar de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En erkomen nog meer gekunstelde rijmen op,—de zogenaamde „rimes riches” worden ingevoerd, waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art = kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden; als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst, door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen. En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: „A Lunel lutz una luna luzens”, of met woorden van dezelfde klank maar verschillende betekenis: „ongle—oncle”. Men heeft ook oor er voor om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale dichtvorm: „descort”, het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat, „omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de inhoud.”
En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van een artistiek aristocratiseren. „In mijn hart draag ik de vijl,” zingt een troubadour, „waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing.” Niet van alle landstreken wordt het dialekt geaccepteerd als een „natural e drecha parladura”: als Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne, platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, „want hij die bemint, moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in woorden.” Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men begint grammatica's te schrijven. Veelalverheft men bewust de stijl boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde Amor, of zinswendingen als: „Gelijk de magneet... aantrekt, zo...” enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst „de ceder der vrolikheid” genoemdwordtof een dame: „de toren der eer”. De gehele rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der bitterheid.
Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik te verstaan—wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse Skalden. „Le trobar clus” (gesloten) is het aestetiese program voor een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden, bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: „jaagt hazen met ossen en zwemt tegen stroom in”,—zoals hij zelf zegt over zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt „als het rijk dat de Ebro doorstroomt”, de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met „de zuster van mijn oom” werd aangegeven; en wanneer „de liefde die hem in het harte regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt”, dan is dit niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger van deze „estilh clus”, Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; „per slot van rekening is dat ook het moeilikste.” Maar zijn tegenstander beweert: „neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik van Jan en Alleman komt; goud isduurder dan zout, omdat het zoveel zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het moeilikst toegankelik is.”
Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours eindigen de meesten van hun gedichten met een „tornada”—een kleine „staart”—cauda—die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,—voor een bepaald persoon of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids- en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de binnenkamer gefluisterd waren,—dit alles zou nu de vleugelen van de zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of, omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de geestelikheid.
Een „Sirventes” betekent letterlik een dien-dicht (sirven= dienen,servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese en strijdlustige Zuid-Franse geest in het „sirventes” zijn uiting.
Bertran de Born, heer vanHautefortinPérigord, was de eerste, de voornaamste man van de politieke „Sirventes”. Gelijk de Arabiese zonen der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, dietot gedicht wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord zong hij onderwijl door: „Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan, als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij elkaar kunnen brengen.” Met vurige strijdlust mengt hij zich in het oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was. Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen „die schrok-op uit Poitou” op zetten, „Richard ja-en-neen”, zoals hij hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten.Talairandis een echte „Lombard”,—als andere woedend opspringen, rekt hij zich even uit en gaapt... „Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet; maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen.” Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen voor niets verslijt,—„wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en voeten laten beslaan als een paard.” Maar het jubelt in hem wanneer hij de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl van de Latijnse „planctus” die abten en bisschoppen bij de dood der vorsten op bestellingschreven. Hij verzoende zich met Richard maar kreeg niet minder stof voor zijnSirventesin de twisten tussen de Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,—hij doet wat hij kan om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van Aragon.
Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,—het zijn onze krantenartikelen,—een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: „Al is er overal om mij heen vrede,—een duim breed grond is mij genoeg om te vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat; mijn hart is aan strijd alleen gewijd”, of wanneer hij als dronken is van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de velden snellen: „eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als wanneer ik de kreet „Vooruit!” hoor, en de paarden hinniken, en er hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde speren nog in hun zijde.” En zijn haat van edelman tot boer en burger breekt in hevig leedvermaak uit, „het doet mij goed wanneer ik die ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie... wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt, versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende hun alle ongeluk!”
Een andere soort van „Sirventes” is de moraliserende. De grote man daarvoor isPeire Cardenal. Van voorname geboorte, „vrolik, schoon en jong”, maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort vanDon Quichotvan het recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen.Dan weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt, wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee, drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het. Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat, indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder—de helft van de duim van mijn handschoen—zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht altijd weer nieuwe grille beelden voort—als bij Dante—en houden nieuwe burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken. En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. „Welk een machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap af moeten leggen.”
En het rumoer van dieSirventesklinkt veelstemmig over geheel Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien, altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderenaf te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,—wat toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood werd wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van Montaudon,—de humorist onder de dichters derSirventes. Van voorname geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie van zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,—een lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat—een echtgenoot die zijn vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig sarkasme,—hoe vlijtig zij de „schilder”-kunst verstaan, zodat de kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als troubadour rondtrok!
Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire dichtsoort; zo wel de Tyrolers („schnadahüpferl”) als de Noorse boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders. Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake zijn van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee aanwezige troubadoursuitnodigde, zich tot de voorvechter van een der twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan goed voorbereid en „voerden de liederen-kamp op.” En het gebeurde dan veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard, ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet schenken,—deDauphinvanAuvergnehoudt zich grootmoedig aan het eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen zonder wederliefde te krijgen;—Eble verklaart dat met alle respect voor ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft vertonen; waaropGuillem Gasmeropmerkt dat men zijn schuldeiser met fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw afkomt.
Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters derSirventesde groten „tot hoge daden” aan moeten sporen, „de kwaden moeten beschamen” en zonder vreze„herauten der waarheid moeten zijn”, zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van hun weldoeners het eeuwige leven schenken,—als dichters van Canzonen hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping—de verkondiging van de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde.
In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingtArnaut de Maruelh; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug mij over het gezang der vogels en over de bloemen—jubelt Bernart de Ventadour—over mij zelf,maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen. Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. „Joi” en „Gaug” (vreugde), „Joi e deport”, die woorden gaan als leitmotif door de gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk, komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers. „Joi e deport” betekent dat gevoel van de edelman die zich „vrij weet van materiele en geestelike beslommeringen” en dat heerlike gevoel moet de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren natuur—zingen ze—kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet alles liefhebben wat heerlik is en schoon—schone wapenen, een vrolik tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (Guiraut de Bornelh). De vreugde is de wortel van alle goeds, „se(zonder)joi non e valors”, de vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse troubadours „hohe muot” noemen of „riche muot”; „geen enkele keer heb ik hem in treurige stemming gezien” leest men in een lofzang over een gestorven vorst.
Maar „joi” is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het zelfde sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom en het entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,—dat is het wat bij de troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven: daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland niet willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en onaangenamer dan schulden te hebben.En toch—toch is de ontbering van een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan.
De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen. De liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de lente,—wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder de struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al 't zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de tong tegen een holle kies te drukken—zingtGuiraut de Bornelh—zo kan hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde roos, de leeuwerik en de nachtegaal—dat is de stralende, vriendelike lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de natuur door de stralen van de zon.
De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. „Het leek hem onaangenaam, lang op één plaats te blijven,” heet het over één, en dat geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij te paard overal heen—zo alsRaimbaut de Vaqueirashet in een gedicht schildert—met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht hij: „Ik wil een gedicht maken over niets,” begint hij, „het is gedicht terwijl ik te paard zat te slapen,” hij voelt zich behekst, weet niet of hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangente barsten, maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; „zijn hart schiet blad en bloem en houdt zich groen, geheel het jaar.”
Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,—dat is het levensprogramma van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil worden—Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid—moet niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open tafel houden „zonder portier”. Maarlarguezza—„milte” heet het in het Duits—was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen, moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor de kerk kwam het er op aan—en niet alleen uit egoïsme—om de geest van hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en mammon los te maken. „Donar”—te geven, met geld te strooien, te leven en te laten leven—daaruit bestaat voor de troubadour het leven der Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's waarschuwingen tegen die soort van mildheid,die neemt wat men geeft en geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl de armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee wegjaagt met een „scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers luisteren!” Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in 1174 bij Beaucaire 30.000soushet venster uit liet werpen en 30 paarden liet verbranden, alleen om zijn „larguezza” te tonen of Robert Kortbroek die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. „Liever ja zeggen, dan neen!”—dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de royaliteit van de ridders samenvat.
In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn met zijns gelijken—dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af te ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te verzamelen. De vaste kastelen—klagen de troubadours—met hun grachten en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,—dat die geen begrip hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden zijn is toch maar niets dan—een paar baronnen bij elkaar! „Oorlog en wapenspel—geld uitgeven en de vrouwen het hof maken”—assautz e tornei—donar e domnei—al die dingen horen even goed bij het ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt („ensenhament”) zowel als indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en „hoofsheid”. Het zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt, maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten en beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike groet, een kwikantwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is, welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich al te veel van de waarheid te verwijderen.
Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. „Moge ik Gode nooit zo ongevallig worden,” zingt Bernart de Ventadour, „dat hij mij laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal hebben.” Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien. Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen verkeren de troubadours. „Vrouwenjagers” noemen de mannen van de kerk hen. Toen de goede Koning Karel de Grote—zo heet het—over alles heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven leidden.
Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die—zo als er een in een humoristies gedicht vertelt—daar niets van weten wil; maar heel sterk ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de hoven ontmoeten. „Menig oog heb ik gekust en menig oor,” zingt er een tot een dame, „alleen omdat zij uw oog en oor geleken.” En wanneer een ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet bij zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o schone Sembelineen het is een heel ding dat ik van u niet alles neem, want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn schone nòch dom nòch stom, de Burggravin vanMontausiergeve mij haar hals en handen; naarRochechouartrijd ik om het haar van Vrouwe Agnes, zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz.
Met een levend schoonheidsgevoel en verfijnde zinnen ontwikkelen de troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken. Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel is toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen, de kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak op elkaar,—dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten van de 11deeeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen en de blik, op de glimlach en het teint—de schilderachtig-gracieuse en erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar de uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,—een Latijns dichter van de 12deeeuw spreekt van de ogen als:ridentes, blandientes, innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, capientes. De mond heeft „zwellende” lippen die kussen uitlokken (küssenlîch, noemt Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht liefelik—mollia spondens risus noemt 't reeds een geestelike dichter van ongeveer 1100. Maar vooral prijst men de kleur der huid,—de stralende glans er van:clara clartatz, wit als het wit van de hagedoorn of het ivoor, of gelijk een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood gemengd is. Heel wat barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat het voorhoofd als in hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood of het wit van de huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een wapenschild.
Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,—de huid is zo teder—beweert een Duits dichter—dat, als zij drinkt, men de wijn blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes zijn als twee noten,—zo klein dat men ze metde hand gemakkelik omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed. In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter meer in het algemeen de figuur geprezen als „ben estans” (Duits:wol getan) of „covinens” d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt men van wat slank en fijngebouwd is; „graile” (gracil) en „delgat” (delicat) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten, maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor:gais, cortes, avinens, plasens, coinde, isneus, die de zinnelike liefde schilderen en die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. „Haar ledematen zijn zo zacht”, heet het, „als verder alleen konijnen zijn”. Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is „amoros”—„minneclich”—„plaisant”—en vraagt omhelsd te worden. Ook haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden later veel geroemd.—In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April, en de schaduw in de zomer,—zingt een Provençaals dichter. Als een waslicht is zij tussen vetkaarsen,—heet het in 't Noord-Frans, de glans van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te zien is als te luisteren naar muziek.—In haar tegenwoordigheid—zegt een Duits dichter—vergeet men alles wat het gemoed bezwaart.