VIII.

Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken en zich aangenaam voor te doen—van „plazers far e dir”;—zij is aangenaam gezelschap—„d'avinen companha”, zij is beminnelik in haar optreden—amorosa en totz son semblans; zelfs bij de besten wekt zij een duizendvoudigbehagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had de adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen, alle regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen een ieder beleefd zijn—hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken, als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden—zich aan de omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt: de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen, de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de „Ars Amandi” van de „Klerk” Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven.

En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere dweperij van een knaap.

Bernart de Ventadour—uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour bij de genadige burchtheer—is de zanger van de bescheiden page-liefde. Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op haar glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn „schoon-te-schouwen” verworven te hebben (onder dat pseudonym verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest... waarna hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden aanbad—vooral KoninginEleonora, aan wier hof in Normandië hij zich een tijd lang ophield,—maar nu en dan zond hij uit de verte liederen naar zijn „Bel Vezer”... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster.

Hij weet wel—zingt hij—dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is. Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als een vleugje uit het Paradijs;—moge elke ziel in de Kristenheid zulk een grote vreugde voelen als die nu mijn is!—Als hij haar nu toch maar eens alleen kon treffen, terwijl zij sliep,—of deed alsof zij sliep—dan zou hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten—haar „bel cors ab fresca color” bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog lang zou kunnen zien.

Maar nu—jubelt hij—nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met haar mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen, evenals—volgens Ovidius—hij die door de lans van Peleus gewond is, slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn hart van jubel dat hij bijna bezwijmt—midden in de natte wintersneeuw ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen.

Maar—bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit te steken.—Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft vanhaar liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht hij zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen. Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer roepen, „het harte barst van smart,—er blijft niets anders over dan te sterven.” Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen.

Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door hem zo nu en dan eens een kus te geven—meer zal het wel niet geweest zijn—de toewijding vanPeire Rogiervoor de hoog ontwikkelde Burggravin Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang aan het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe, nooit heeft hij ook „facta” van zijn meesteres gevraagd, maar alleen haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. „Zo zal ik beminnen wat ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar was, wat het in werkelikheid niet is.” En heel vriendelik en onderdanig leert hij de mensen (naar deArs Amandivan Ovidius) dat zij nooit aan kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadourPeire Raimonvoor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. „Op mijn knieën zal ik tot haar gaan,” zingt hij, „en wenend haar genade vragen; als zij mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse gestalte te laten beschouwen.” Maar dikwels slaat de demoedige platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt, in de hartstochtelikste wensen over. De arme klerkArnaut de Maruelhverklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid van de gravin en „de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult” hem genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen te kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij hem een kus moge schenken en „andere beloningen late volgen” en spreekt stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, „zodat honderd kussen er voor ons tot één worden.” En andere troubadours wensen haar, in de duidelijkste woorden, „zonder hemd” te omhelzen, beiden onder één deken.

Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek bij een vorstelik amateur-troubadour als graafGuillaume de Poitou, hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop had,—wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen. Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,—hij weet wat dapperheid is, eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel te vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort spelletjes te doen,—wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt, terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven dankt die hij gekregen heeft.—In een ander gedicht, bijna een kleine novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de bergen vanAuvergneontmoette.—Met een echte huzarenhumor vraagt hij een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn dan hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij kiezen,—natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met de lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer debomen groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht waren, maar door de zonnestralen openspringen,—evenals inHeine's „Im wunderschönen Monat Mai...”Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging? De vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken, belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat hij aan het hof niet „onhoofs” en als een boer spreekt.

Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger als graafRambautvan Oranje brutaal de hartstocht van de man door de uiterlike „hoofse” galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt. Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de wereld rondtrok en Loba vanPénautierbezong ofAzalaisvanLombresof „de Schone Albigenserin” teCastres. Midden in zijn holle, hoffelike frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij zich voor geld gegeven heeft: „Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een vrouw te koop.” Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare trouweloosheid van zijndame schikt; hij rechtvaardigt zich door te zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft—en is zo iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?—Zijn eigen vrouw, die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een „leer om leer” niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,—tot dat zijn kollega's hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te tonen.

Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours wasPeire Vidal—een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: „Dageliks bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben, als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant alsMontdidier; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten—met witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan vuur of ijzer.”—In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker wel voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij alleen maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden met de gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk van de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame teCarcassonne—die hij onder de vrij compromiterende naam van wolvin,lupa, verheerlikte—moet hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen; de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hemgewond naar het huis van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de Griekse Keizer was—naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.—

MINNEKUNST.

De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden.

In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan deSirventesdie hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van de gravin. Om haar roem bekend te maken—„son los enavantir”—is het dat hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel naief dat „wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen mag, gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht.” De „beloning” waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na, opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. „Ik heb behoefte om bemind te worden om daardoor lof en prijs te krijgen,” zegt zij volgens de biografie der troubadours tot een dichter, „en ik weet dat gij mij het een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemanddie de kunst verstaat om te belonen.” De „beloning” heeft echter zeker ook meer dan eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die „beloning” te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. VanRaimon de Miraval heet het dat „alle dames om strijd trachtten hem voor zich te winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen; niemand kon gezegd worden „in de mode” te zijn diede Miravalniet als vriend had.” Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen zou. DezelfdeRaimonnodigt in zijn gedichten ter ere vanAzalaisvanBoissazon, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan en in de loop van vier en twintig uur, „kwam hij, zag en overwon”.

Zelfs zonder zulk een hofdichterschap brengt de vazal heel natuurlik zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de leenheer op diens gemalin over,—waar n.l. de vrouw zelf niet het leen bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen en dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die de troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden de vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De dame is de „domna”—domina,—gelijk de leenheer dedominusis, en de hulde van de troubadour heet „domnei”, „vrouwendienst”. De ridder knielt—als voor de leenheer—en zweert zijn dame trouw, hij wil haar „man”, d. w. z. vazal (homme lige) zijn en legt met samengevouwen handen zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort, wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af „dient” hij haar en heet haar „vriend” (amico) als een tot het huishouden horende vazal, (in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen;cliëntis later ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegenbelooft zij zich als de leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, „genadig” voor hem te tonen en hem zijn „beloning” niet te onthouden en hij „klaagt haar aan” wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een vazal dat doet. Nog bijWolfram von Eschenbachnoemt de ridder zijn dame „de Burchtheer van zijn hart” (Vogt) en in deRoman de la Rosewordt die leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan, maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie.

En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren er in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet veel anderen dan zij zelf,—vooral sedert men, gelijk wij zien zullen, begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te zonderen—en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden door zulk eenalliance; er werd over de hand van een vrouw beschikt door haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook deze: „en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar een erfgenaam te verwekken”. De Kerk zelf erkende vier gronden om te trouwen: „om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar—heet het dan verder—er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel.” Een huwelik te sluiten uit liefde iseen misbruik van het Sakrament, en het is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat het een misbruik van het Sakrament is.—Onder die omstandigheden sprak het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde, maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,—over het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet blijven.

En nu zou de ervaring uitwijzen—dat was de groote ontdekking der troubadours—dat de „aanbidding” door de jonge ridders van de burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze niet alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook een meer of minder wederkerige dweperij,—dat die „damesdienst” een allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders, ja op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie, haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen en dichten. En als zulke opvoedsters werkten—elk in hun kring—al de voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of „la comtessa fina de Provensa”; van hen kon men zeggen, zo als het ergens heet van de Koningin van Koning Arthur: „Gelijk de leermeester het kind onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is niemandaan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft.” De jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van de dames,—gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,—maar met een ander vrij wat natuurliker woord in plaats van „dames”. De troubadours maken zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van de vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: „De dames vermogen de onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder en bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de slechten.” En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen; en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te behagen.

Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame kiezen om te „dienen”—haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. „Hij had een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden”, staat er dan ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest en weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat hij verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt dan—altans in een der biografiën van de troubadours—vrij gemakkelik onder elkaar gearrangeerd;—detroubadour biedt de andere dame, die nog vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.—

Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht als echtgenote betekent—kon, onder die omstandigheden minder dan ooit, tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet. Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat een der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer ze tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de ridder staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem, integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst een teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een element van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v. het gebruik van schuilnamen),—ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde.

Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname getrouwde vrouw—een verhouding die over de gehele scala zich bewegen kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste hartstocht—moge onze tijd immoreel schijnen,—voor die tijd betekende het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen, werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden, haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op in tegenstelling met het woestbegeren,—met de „losengiers”, waarmee men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde, die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der zinnen („hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des te zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren”)—en met de brutale echtgenoten—„op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk en rimpelig als een buffel.” Feitelik was de liefde der troubadours een grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens—verzekert hij ons—blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw bezoedelen alleen om met hun „zegepraal” te koop te loopen, prijst de troubadour: „discretie als een erezaak”; daarin ligt feitelik de charme en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de dame zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen, verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met een glimlach, met een handdruk (met „een draad van haar handschoen”), hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan—zegt hij—dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte vrouwen bieden (garçonnières—femmes folles) en de geciviliseerde liefde waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft, hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt, waar een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat dit niets erg is, want „had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:—car se sans peine joie avoit,—de dames bon marché seroit.”

Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike „Sitte”, de nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer bolwerken dan de naïeve zeden van vroegergekend hadden. Haar positie werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij dan te voren.

In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man om liefde vraagt. De man is haar „seigneur”; als hij binnentreedt, staat zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,—in een Franse ballade slaat de Koning de Prinses „zo dikwels met een riem dat heel haar blanke lichaam rood zich kleurt”, evenals in een Deens lied uit de MiddeleeuwenLave Stisönzijn vrouw een leidsel met ijzeren punten laat voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar deChansons de gesteen hetNibelungenliedte oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen.

Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor de plaats der vrouw in de maatschappij,—zij krijgt ook meer bescherming aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op de grote kastelen slechts uiterst zelden—Siegfried was meer dan een jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was—; en in elk geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken, nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeentrots en kortaf te zijn, „niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand te houden”. Een vrouw die bemind wil worden—zegt een Provençaals leerdicht—moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop—zeggen reeds oude Marialegenden—met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om of groette zij man of vrouw.—Zulk een afzondering en afsluiting van het geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel heeft horen vertellen. En hoe meer „verhinderingen” de schuchterheid der vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat al of niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de begeerte van de man in de weg doen staan,—hoe meer „tussen-stadia” van kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het opwekken van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook verfijnder.

De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat wij gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was ontstaan, werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel nieuwe kleur door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de „Minnekunst”—de Ars Amandi—een werk dat met de grootste attentie en ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur.

Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en de lichte vrouwen van Rome—meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd—hoe de min tot een kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik genot van te halen valt,—hoe die van een eenvoudig ruw paren worden kantot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een prikkeling van de fantasie,—hoe die tot een „roman” kan worden, een spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht wat Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste genot daar in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,—ongewoon eten smaakt nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,—hoe ze in 't geheim te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,—hij kent allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar belegeren—de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor haar ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te wekken.

Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van Ovidius te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken... hoe zij moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei kleine koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door een glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten gloeien, maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet houden—haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen, altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen.

En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de liefdeleer der troubadours uit,—in de onschuld huns harten namen zij die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boekvan wereldlike sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme. Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man alsGuillaumevanPoitou, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius. De lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der troubadours kunnen herkennen als aan de „Ars Amandi” van Ovidius ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de schoen van zijn dame uit mogen trekken,Peire Rogierde misstappen van de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek en uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie van geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de lasteraars en ook omdat—zo als Salomo leert—„de gesloten wateren zijn zoet en 't verborgen brood is liefelijk.” Wij hebben samenspraken—op het voetspoor van Ovidius—tussen de troubadour en de dienstmaagd van de schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen ten einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het aandringen van andere dames werdPons da Capdueilweer door de Vrouwe vanMercoeurin genade aangenomen, en vanGuillemvan Balaun verlangde de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door de nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend huldegedicht aan te bieden.—Zulke regelen voor de koketterie vatten de dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte vrouwelikheid.

De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de werking der liefde spitsvondig besproken—hoe de echte minnaar zich in die en die situatie gedraagt—aanwelke van de twee geliefden de voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door de gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of een derde wie zij haar hand heeft gegeven,—is reeds in een Griekse roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een passage in het 6dehoofdstuk der Spreuken van Salomo door een foutieve lezing ook een bijdrage heeft geleverd.

Ook voor de psychologie der liefde is er in Ovidius en de antieke poëzie menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de aanbidders doorboren en zijn hart wonden. „Dit meisje is als een jager—heet het in de Indiese hoflyriek—haar wenkbrauw is de boog die zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is de Antilope die zij treft”. Volgens de Phaedrus van Plato zijn de Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse kerkelike verhandelingen over: „De ogen”, lezen wij in zulk een stuk van ongeveer 1100, „zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart binnen”; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de vijand geopend,—maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen. Aangezien „Amor” in 't Provençaals vrouwelik is, smoltde God der liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus. In de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de tuin van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij op een rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt (Pervigilium Veneris). En in overeenstemming met deze en dergelijke middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen—alles met een bepaalde allegoriese betekenis—en de Godin der Liefde zelf met een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der minneliederen overgegaan.

Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af, warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem als een magneet steeds tot zich trekt.—Al zulke motieven gaan ook in de troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde verteltArnaut de Marueilin alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn spondeligtte woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en dieren waar reizigers uit hetOosten of schrijvers van de boeken over de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt in de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart. De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam der liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet, zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar blik verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee, verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij zijn.—

Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde is toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de 11deen 12deeeuw hebben zien opkomen.

Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover de godsdienst als deSirventestegenover de Kerk. De zanger zal ons vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met hymnen begroet, „want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst ook God”. Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken, zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême graafGuillaumevanPoitoueen opmerking maakt over zijn uitspattingen, wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet.

Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius deliefde als een kunst leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd die gevormd en gekleurd in de kristelike geest.

Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de kristelikecaritasen deamor deiaan de ene kant en devoluptasoflibido, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich met alle gevoelens geven,—iets dat voor de religie der liefde als het eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat kan door geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het gevoel in het Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar de kristelike „amor” een taal, zeer verwant met die van de troubadours wanneer die het over hùn „amor” hadden. Wanneer men bij een van de kerkvaders zinnen leest als deze: „Niemand kan zalig zijn zonder liefde. Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij die liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden”—dan kon dit alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede tot de liefde Gods en deze „Gottesminne” werd in gloeiende kleuren en smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van wijn maar van liefde—zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour—de glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de kerk bid, zie ik U voor mij.

Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van benedennaar boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame. Even verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of Daphnis en Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van Sigurd en Brynhilde—twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar staan,—dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,—tegenover de trots afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van de timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de troubadour: „hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte lief” en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of zijn liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede vreest; „ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de kleine vogeltjes op de dag wachten,” zegt een Duits minnezanger. Het is hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. „Met gevouwen handen, met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade, o goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om barmhartigheid in uw ziel te storten.” „Gij kunt mij verkopen of wegschenken of mij doden,—ik ben helemaal uw eigendom.” Evenzo noemen de heiligen der Kerk zich „de slaven Christi” en als die het water drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aanAbélard: „Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend, is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de Keizerin van Augustus.” Een en ander hieruitis misschien genomen uit de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen en aanbidden. „Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u,” barst Bernard de Ventadour uit.

Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in de hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron van alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn der Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend.

Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist, zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden; een ridder—heet het—moet vóór alles „paresse” ontgaan en strijd en beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet worden. Het is uit het boek van Job of uit het „boek der wijsheid” van Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: „Weinig heeft hij lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete pijn.” Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme.

Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning, zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de minnaar de dank van „Merce”,—de genade. Als de Madonna moet zijn Dame zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen.

GEESTELIKE ROMANS.

Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale en geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven avontuurlike fantasie van de tijd.

In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond tredende mensen van hun tijd,—met de beste vorming en de grootste leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven. Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over het perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en Duitse monniken, elk methunhistorie en met alles wat de wijze klerken van Rome nagelaten hadden,—ja! zelfs kon men er vertalingen van Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al de schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd verschillende wereldstreken en tijden—Keltiese Arthur-legenden en Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese heldendichten—vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur. Zo kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar voortdurend de hoge heren met hun gevolgaan kwamen zetten. Aan de andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen, maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven.

In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen—zonder samenhang, zonder détails, zonder enige aandoening—groot en klein door elkander, alles wat de annalist maar ter ore komt,—beginnen in veel dier kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en de kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien wij b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers met gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt.De vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was, weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: „een kleine boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn zoon.” Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in het licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de scène er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de Normandische monnikOrdericus Vitalisover de Normandiese vorsten. Het is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij het liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese romanvormt zich eindelik grotendeels de „Historie der Britten” van de Engelse klerkGeoffreyvanMonmouth. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los: brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal—evenals Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders—gelijk Iokaste tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld.

Maar die romantiese kronieken—die van onze Deense Saxo is een van de prachtigste exemplaren van het soort—zouden niet achter de kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante verhalen. DatGeoffreyvanMonmouthzijn „Historia Regum Britanniae” schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen ook verscheidene Normandiese geesteliken—gelijk er zo vele aan de hoven leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen—het Latijn vanGalfridusin Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers,Mester Wace, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,—Wace zowel alsGaimar, de andere bewerker vanGeoffrey, hadden ook oude Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald—missen de deftige retoriesestijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in nog groter détail en—iets waarGaimaruitdrukkelik opmerkzaam op maakt—vergeten niet 's konings privaatleven en zijn liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten.

Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse „Keizerkroniek”, in Duitse verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten—met de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen, legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen; in de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of wij krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk hier bij de speelman in de leer is gegaan.

In hun honger naar vertellingsstof versmaadden de klerken ook niet de nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te St. Gallen zat er reeds in de 10deeeuw een jong geestelike die als Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten—dat van Walther en Hildegunde—tot een Latijns epos in hexameters omwerkte met zinswendingen envergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel als geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie van het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt. In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12deeeuw) zijn verschillende „chansons de geste” tot een poëties gestemd Latijns stuk proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden, blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in 't algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de martelaarskroon—alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de „Chanson de Roland” thuis hoort.

Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese, roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om het publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in de 12deeeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen, door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijstOrdericus Vitalisook een geestelike die in de kapel van een Engelse graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen verzamelde en ze „een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden uit het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die de heilige strijd aangebonden hadden”, en op die manier schilderde hij o. a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus en Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderden het Thebaiese legioen zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan om zich als„bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken”. Men bracht de daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm, schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel, Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der „Brautwerbungen” in de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors toog om voor Isaak een vrouw te zoeken.

Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag, wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon, net als detrouvères: „Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond niet langer gaan—hoort wat ik zeg van Kristi dood...” Verder werden alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar in de biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in naieve Franse verzen na te vertellen—van het Jodenjongetje dat de Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden.

Juist in de 11deeeuw stroomden er van Oost en West de meest fantastiese en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen—uit de oude kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland—haalden de Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden die doortrokken waren van hetavontuurlik-fantastiese van een zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta—of hoe al die Keltiese heiligen heten—zijn als door een atmosfeer van mystiek omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond—en de zwarte vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde. Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,—legenden die samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders en Indies-Oosterse reisverhalen.


Back to IndexNext