X.

Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000, waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden, ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het Oosten: verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste zelfopofferingen—van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die—evenals Oedipus in de oudheid—zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die in hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels te overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en ellende in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar, Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert.

„Barlaam en Joasaph” is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die het verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben.Lang vóór de kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had, was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar eerst de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in de 11deeeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was er uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven bestaan en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht ook een grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels zonden in de 10deeeuw de Aartspriester Leo met een missie naar Byzantium en daar verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en zo bracht hij o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee naar huis, die hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse kringen, in 't Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook wel de roman „Van de zeven wijze meesters” bekend—de geschiedenis van een prins wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem daarna bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun beurt een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een overijlde bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met een juist tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de omlijsting die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende versies heel Europa door; ze vertelden van de verwonderlike scherpzinnigheid der wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen waar het er op aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe merkwaardig het noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat later de bekende verzameling van anekdoten en dierfabels die „Kalilah en Dimnah” heet; die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door een gekerstende Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.—Behalve Zuid-Italië is ook Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. Daar woonde een andere bekeerde Jood,Petrus Alphonsus, die ongeveer in het jaar 1100 een reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten en zedelike vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij „Disciplina Clericalis” noemde: het handelt over een vader die zijn zoon levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert.

Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de „vriendschapsproef” gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was hetvoor de geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot—allemaal in de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af. Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert, merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt de vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer de andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend te redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat de een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan. Die staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen; zijn vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te zijnen gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de geesteliken reeds in de 11deeeuw in Latijnse verzen, met de nodige retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat, wanneer de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters.

Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was deklassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3deeeuw geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds vroeg in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds ten tijde van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse kloosters handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de volgende eeuwen kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften verder zien verspreiden. In de 10deeeuw vinden wij de stof in Latijnse hexameters bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling van verhaaltjes,de „Gesta Romanorum” over, en reeds in de 12deeeuw zijn er Provençaalse en Franse bewerkingen geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese motieven in zich opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde van het klassieke tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een onnatuurlike verhouding tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te raken, legt hij hun een raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius lost het raadsel op. Maar daar dat juist een bekentenis van de bloedschande inhoudt, wordt hij, verre van de hand der prinses te krijgen, meer dan ooit door de koning vervolgd. Hij moet uit Tyrus vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, trouwt met een andere koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De familie raakt door een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de merkwaardigste avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel terecht, maar zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de echtgenoote wordt priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en droevig om op zoek naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt en herkent. Al deze in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude schrijver samengeweven om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige schilderingen in de trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm op zee en een overval door zeerovers, dan eens hoffeesten en godsdienstige ceremoniën; hier horen wij van een jongeling, die van liefde verteert, daar van een meisje dat door tranen of roerende smeekbeden een barbaar vertedert die haar kuisheid belaagt,—vol van lange redeneringen en klachten, vertwijfeling en herkenningsscènes.

Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had voor de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende onderwerpen—bloedschande en bordeelscènes—; de medelijden-verwekkende ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendienvoerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op een oude hoogstaande kultuur.

Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige vertelling in Latijnse hexameters, in de 11deeeuw geschreven door een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. „Ruodlieb” verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten, waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse of Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11deeeuw, vinden wij niet weinig trekjes van fijne „hoofse” manieren die duidelik als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt een der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het gezelschap gaat dansen; „gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij dichter bij komt, ontwijkt zij haastig”. Een ridder en een dame spelen met de teerling om vingerringen,—feitelik, zegt de dichter, spelen ze om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei even gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeerzij liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.—Elders komt de schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de kaak.

Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt niet spesiaal op de voorgrond gesteld—ook dit wijst er op hoezeer 't werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is—maar wel zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd (zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het afscheid,—de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om het hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te zien of hij nog niet komt,—de moeder die voor hem uithaalt en hem op de erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van zich af schuift, en dergelike trekjes meer.

Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12deeeuwse ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.—

DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN.

De kruistochten waren het die in de 12deeeuw 't meest op de voorgrond traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven droegen er de stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der samenleving, die een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het Oosten trokken, hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of kleine scharen van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote verheffing van het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid eeuwenlang moedeloos door eigenellende naar de oude goede tijd terug hadden gekeken, voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets nieuws in hun leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid werd. Zelfs in die tijd, „nu de wereld oud geworden is”,—zo laten de kroniekschrijvers van de eerste kruistocht zich uit—zelfs nu is het gebleken dat er dingen gebeuren die „evengoed de moeite van het horen waard zijn als in de oudheid”—die zelfs „veel belangrijker zijn, en de mensheid tot groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van vroeger”, ja! „sedert de schepping van de wereld en het mysterium van het kruis is er niets gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, die een werk Gods was, en niet van de mensen”.

Een machtige beweging grijpt alle gemoederen, de gehele maatschappij. Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven, huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander, zo goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij het volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg, in scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij met de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit de gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse en Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar hun „Seigneur”. Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen tot het gebed op te roepen, voor hen die „over de zee” waren getrokken; „ik zing,” zo klaagt de Vrouwe van Fayel, „om mijn ziek gemoed te versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet, wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waarhijis, die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen,” en het refrein luidt: „God,wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed.” Maar, „op ten strijd! ginds over de zee,—oltrée!” klonk het refrein van de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen achter zich aantrok. „O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze Wereld-zee,” zongen de pelgrims. „God de Heer zelf is onze Veerman, de goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis waar wij zullen landen!” Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het leven er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.—Wie kent de geschiedenis niet van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld. Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden—van de heilige lans van Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn bloed;—al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in 't nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in de gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders.

Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese soldatesca op de Saraceense „honden” botviert, nu er voor hen thuis geen plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, „laat ons dapper voor Kristus strijden,” roept een deelnemer aan de eerstekruistocht uit, „indien God het wil, worden wij allen rijk.” Nu men dom genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,—waar de zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert—nu zouden de kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden met hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken waarmede de Saracenen hun woningen versierden—dat alles waar zij thuis slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen. Nog vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de landen nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen—over het mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten heen heette gezonden te hebben, over het land van de „Aartspriester Johannes”, nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van die mystiese „Aartspriester” gekregen moest hebben en die in talrijke afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de „fontein der verjonging”. En op de tapijten die de kruisvaarders van Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen te voeden. Van die tapijten gingen draken engriffioenenen gevleugelde leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten weldra op de portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over.

Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen. Toen graafGuillaumevanPoitouvan zijn mislukte tocht thuis gekomen was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijkrond en maakte zich interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd en hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust van Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders te Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden. „Zeg mij nu, meesterTrougemunt,” heet het in een Duits lied (enTrougemuntbetekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), „twee en zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel zoogt er zijn jongen?”... en op alle vragen heeftTrougemunteen antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: „Die gij daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan.”

En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan uit Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag van een kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook een heldendicht, of berijmde kroniek, „Het lied van Antiochia” dat reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die op de kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen schildert met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de zelfde strijdlustige wereldlikheid die men in de oude „chansons de geste” aan kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en derde hand overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de kruistochtenzelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer zijn eigen licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug vallen. In de geestelike kronieken—bijvoorbeeld in die rommelkamer voor allerlei overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij elkaar bracht—wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt, schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen. Zijn afstamming is in wonderen gehuld—hij stamt van de mystiese zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,—dromen voorspiegelen zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor zijn missie. „In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige monnik.”

En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike ridderstaat,—het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen, waar alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde feodale maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf, waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid—door de oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op een berg in Syrië lag—een machtig gebouwencomplex, „welks reusachtige pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen”—of nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het rode kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de „Tempel van Salomo” zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten.

Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist in volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht komt de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de godsdienstige temperatuur. Het bleektelkens weer dat het gloeiendste geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit—bij de troubadours zijn wij die reeds tegengekomen—en tegelijkertijd neemt de belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als pelgrim uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken, natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde—die de hospitalen en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen—, in hun grotere verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld ter nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina en Konstantinopel had er een vermenging plaats, een „commercium et connubium” tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders, werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is door die ‚skepsis’ en het humanitarisme aangegrepen die daar in het kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de zwartrokken te velde te trekken als om de „edele Saracenen” en „le courtois Saladin” te prijzen.

Voorlopig zijn het nu de oude „chansons de geste” en in Duitsland de oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerden aktueel gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de wereld gebracht dat „Karel de Grote's reis naar Jerusalem” heet. Daarin trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan hij zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,—en het eindigt dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken, nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12deeeuw wordt een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der ongelovigen een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de heldendichten. Zo wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door zijn onechte broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der Saracenen te Toledo, door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij heldendaden uitvoert en Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem verliefd wordt.Huonvan Bordeaux wordt door de Franse koning op een gevaarlike reis naar Babylon gestuurd: daar moet hij het kasteel van de „Amiraal” binnendringen, voor diens ogen een zijner mannen neervellen, diens dochter drie kussen geven en verder de baard van de admiraal afknippen en die met drie van zijn kiezen naar het Franse hof brengen,—wat hij alles weet uit te voeren met de hulp van de Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel als van de heidense koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen doorstaan te hebben, naar huis trekt. Even amusant en romanties vertellen een hele reeks Duitse speelmans-gedichten, die in de 12deeeuw aan het Beierse hof werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten van de Duitse vorsten: KoningRotherdie de dochter van Keizer Constantinus schaakt—door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij krijgt haar terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om de koningin daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige gevechten met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen zijn tocht gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land der Kraanvogelmensenkomt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de atmosfeer der kruistochten over te planten.

Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist terug komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is. Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht vanHornenRimelbij, de Engelse roman van „KoningHorn”, de Duitse sagen en gedichten van „der edle Möringer” en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk. Ook het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw—in elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee vrouwen—er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.—

Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen, Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten, Italianen, Spanjaarden en Grieken. „Als een Brit of een Duitser zich tot mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en onze naasten schiep weer broederschap tussen ons.” En zo is de gehele tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk datWillem de Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof die de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste appetijt opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens grote genot was zich te omgeven met mensen „die hem sprookjes en sagen vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich,Robert de Coutances, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip vanMontjardin, die hem van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neefGautier de Cluse, die Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf.” En in de dichterlike fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand—in tegenstelling met de klassiek-harmoniese—beschrijven kan als een, waarin de rijkdom der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt, dan is de mentaliteit van de 12deeeuw meer romanties dan die van alle andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die uit de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit storten, smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen—het antieke en het kristelike, het Oosterse en het Keltiese—tot nieuwe levende fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst. Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op, zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door „Heer Vulcanus”. Moet iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson, schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als koning Arthur, en een tovenaarals Virgilius of Merlijn. Tydeus—een van de „Zeven voor Thebe”—is waardiger de kroon te dragen dan Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is een neef van Plato.

En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende, rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning: een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf, waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,—verwondering wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en dromen. Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half bij, poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar wordt slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in een onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf, verraadt hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op; maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods, waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch—dat naburig rijk heet „het land waar men nooit uit weer keert” en een zekere mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders achter en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen een dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op uitkijken—wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en Guldborg.

Dat tweeledige en dat perspektief—die afstand welke slechts het verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling, voorbeeld en navolging—geheel die menigvuldigheid van voorstellingen en tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord: Romantiek.—

DE ALEXANDER-ROMANS.

Heel natuurlik werden de figuur en de geschiedenis van Alexander de Grote het eerste dat tot ridderromans omgewerkt werd. De geesteliken hadden reeds lang Latijnse ridderromans gekend en nu begon de wereld der kruistochten om verschillende redenen voor de avontuurlike tochten van Alexander belangstelling te voelen en die te begrijpen.

Van de oudheid af had die belangstelling al bestaan—de ene generatie na de andere had die bewonderd en zich er over verbaasd en hadden die romans de verbeeldingskracht voedsel en vleugels gegeven. Bij de geschiedschrijvers der oudheid—Plutarchus, Arrianus, Diodorus, Justinus, Curtius—treedt ons, zo al niet de historiese Alexander tegemoet, (wie weet hoedieer uitgezien heeft?), dan toch het volkomen ontwikkelde schitterende beeld van de grote held: de lieveling der goden, met alle eigenschappen om de mensen voor zich te winnen en te beheersen—schoon, dapper, welsprekend, beminnelik; opgevoed door niemand meer of minder dan Aristoteles, de grootste wijsgeer van heel Griekenland,—flink om zichzelf te beheersen, met een blik op de mensen en de regeerkunst; en ten slotte gedreven door jeugdige drang tot handelen, en een onverzadigbare eergierigheid. Als een echte leerling van de mannen van Odysseus, offert Alexander te Memphis aan Apis en laat zich in de Ammons tempel als de zoon van een God begroeten; als een Grieks filosoof gooit hij voor de ogen van de van dorst versmachtende soldaten de beker met water in het zand der woestijn ledig, endrinkthij de medicijnbeker uit terwijl hij zijn vriend Philippus de brief overhandigde die de zaak aangaf. Maar: Alexander's missie in de historie was juist om aan het eigelike antieke een einde te maken; in de Griekse rijken smolten het Oosten, Aegypte en Griekenland tot een gemengde kultuur samen; en daarin is het dat het slechtsin zo geringe mate antieke beeld van het leven en de figuur van Alexander zich gevormd heeft, dat tot de Middeleeuwen kwam en met zulk een entoesiasme werd ontvangen. Te Alexandrië ontstond ongeveer 200 jaar n. C., half op de geschiedenis, half op Oosterse sagen gebaseerd, de zogenaamde pseudo-Callisthenes, een levensbeschrijving van Alexander, aan Callisthenes toegeschreven, die, met enige zogenaamde brieven van Alexander aan zijn moeder en Aristoteles, het uitgangspunt werd—grotendeels door een Latijns uittreksel van Julius Valerius—voor een rijke middeleeuwse Alexander-literatuur, eerst in 't Latijn, toen in het Provençaals, toen in 't Frans en Duits en daarna in vele Europese talen.

In het beeld dat de middeleeuwen op die wijze ontvingen, waren trekken van een fijne, nobele kultuur, vermengd met de laatste half Oosterse sterk-fantastiese producten der oudheid. Voor de Aegyptiese schrijver van de biografie van Callisthenes is Alexander niet een zoon van koning Philippus maar van Nektanebus, een Aegypties tovenaar, die de laatste uit het geslacht was van de oude koningen en halfgoden. In de gedaante van de God Ammon is Nektanebus bij de Koningin Olympias gekomen en heeft door zijn toverkunst ook koning Philip kunnen doen gelooven dat diens gemalin door een God zwanger is geworden. Allerlei wonderen gebeuren er bij de geboorte van Alexander. Nektanebus wordt een van de opvoeders van de knaap, maar deze doodt hem wanneer hij te weten komt dat het zijn vader was. Verder zijn Zeuxis en vooral ook Aristoteles de leraars van Alexander. Hij wordt in de „zeven liberale kunsten” onderwezen en wint een ieder voor zich, door zijn verstand en zijn beminnelikheid, hij is vooral zo vrijgevig dat zijn ouders en leraars het bedenkelik beginnen te vinden. Na het wilde paard Bucephalus getemd en afgericht te hebben, trekt de jongen met permissie van zijn vader naar de Olympiese spelen. Daar hoont een andere vorst hem en spuugt zelfs naar hem; met kalme zelfbeheersing verdraagt de jongeling eerst de belediging, maar wreekt zich door hem onder de spelen ter aarde te vellen. Als hij thuis komt, hoort hij dat zijn vader Olympias verstoten heeft en op 't punt staat met een ander bruiloft te vieren, Alexander ijlt de feestzaal binnen, geeft zijn vader een bittere en scherpe terechtwijzing en dwingt hem zijn echtgenote weer in haar oude waardigheid te herstellen.

Zo luidt de geschiedenis van Alexander's jeugd. In de middeleeuwen krijgt die een andere kleur en vorm,—met trekken van het baronachtige, het ridderlike en het fantastiese. Nog vrijwel inde antieke atmosfeer bleef de Zuid-Italiaanse priester die ongeveer 1000 jaar n. C. een bewerking van de stof gaf in Latijnse proza: „de Proeliis”. In de 11deeeuw was er een geleerd geestelike,Albéric de Briançon, die een Provençaals gedicht schreef met Julius Valerius als bron, maar die nu en dan ook de echte klassieke historici er ter vergelijking bijhaalde: zijn doel is asketies: de geschiedenis van Alexander te schilderen als een groot bewijs voor de waarheid van het woord van de Prediker: „Alles is ijdelheid”, maar hij schijnt—slechts een klein fragment is er van over—de oude verhalen toch veelal in de toon der heldenpoëzie gestemd te hebben. Maar geheel in de stijl en het rhytme daarvan wordt Albéric's gedicht in de 12deeeuw overgebracht in een Noord-Franse bewerking uit de grensstreken tussen Noord- en Zuid-Frankrijk. En tegelijk duikt het ook aan de overzijde van de Rijn op, toen een priester Lamprecht uit Keulen of omstreken, het in Duitse verzen weergaf en het tot een hele roman uitwerkte. Bij Lamprecht begint het hoofse element reeds hier en daar de ongeneerde baronnen-poëzie op zijde te dringen. Maar geheel en al in de geest der riddertijd is de bewerking die het gedicht van Lamprecht tegen het einde der eeuw onderging, en nog meer is dit het geval met een grote Noord-Franse Alexanderroman, welks oudste deel vanLambert le Tortis, maar waarvan de laatste versie (ongeveer 1185) wordt toegeschreven aan Alexander van Bernay of van Parijs.—

IJverig protesteren die middeleeuwse baronnen- en riddergedichten er tegen dat Alexander een onecht kind zou zijn, een spruit van een heksenmeester—„gelijk enkele troubadours beweerd hebben”—; neen! zo iets moge waar zijn van een Merlijn of de boze graven van Anjou, maar Alexander was voorzeker van echte koninklike stam! En een echte „fils de baron” is de knaap dan ook van zijn wieg af. Zijn ene oog is blauw als dat van de draak, zijn andere zwart als dat van de griffioen, de borst van een min is hem niet genoeg,—de vrouw van een ridder moet hem met een gouden lepel voeden,—en hij vliegt op als men hem aanraakt; als hij opgroeit, wil hij alleen edele ridders om zich heen hebben en verwaardigt zich niet een schildknaap of mindere aan te kijken. In latere versies is het nog meer het welopgevoede kind van een edelman dat op de voorgrond geschoven wordt: de knaap is „gentile” en glimlacht vriendelik tegen een ieder die hem aanspreekt. Zijn opvoeding is die van een middeleeuws vorstenzoon. Hij wordt in de wapenen geoefend, in de rechtspleging volgensalle vormen van het leenrecht, in goede manieren en gedrag. Dertig gravenzonen die op de zelfde dag als de prins geboren zijn, worden met hem opgevoed en blijven zijn lijfwacht vormen—men vergelijke het boek der Macchabaeën I, 7. Met grote animo en zeer levendig wordt verteld hoe hij Bucephalus inrijdt en temt,—het paard heet met de nodige fantasie een kruising tussen een oliefant en een drommedaris. Tot grote schrik van iedereen rijdt de prins het getemde dier de slotstrap op, de zaal in, dwars over alle tafels en banken, dan stijgt hij er af, geeft het paard aan een stalknecht over en vraagt zijn vader hem tot ridder te slaan—hem zelf zo wel als zijn volgelingen. Uitvoerig worden de middeleeuwse ceremonieën bij deze handeling geschilderd. Eerst moeten de jonge mannen baden; als men heel natuurlik water binnen wil brengen, verklaart Alexander „mannelik” dat zij alleen maar in de zee willen baden. Terwijl de jonge mannen in het water rondspartelen, laat de koningin de nieuwe kleeren naar 't strand brengen—die speelden toen de zelfde rol als nu bij de aanneming,—en tegelijk daarmee zendt de koning de paarden en wapenen daarheen. Toen had gij—barst de zanger uit—die massa's van hermelijnen pelsen eens moeten zien, van zijden stoffen, van marterbont, gezadelde paarden en wapenrustingen. De koningin is zelf gekomen om naar de badenden te kijken,—zij heeft een baldakijn boven het hoofd om zich tegen de warmte te beschutten—en naderhand geven de kamerdienaars Alexander's volgelingen hun klederen aan, maar de koningin zelf trekt die haar zoon aan. Eerst een hemd zonder naad en uit één stuk, (als de rok van Kristus),—uit Engeland was dat over Friesland aan koning Philippus gezonden—die beschermd tegen wonden en hete wellust,—gelijk ascetiese haren hemden en de „helm” waar sommigen mede geboren heten. Daaroverheen krijgt hij een zijden kleed dat vervaardigd is door feeën in een bos bij Babylon en dat hem door een tovenaar gebracht is; wanneer men dat aanheeft, voelt men noch warmte noch kou. Daarna legt zijn moeder hem een hermelijnen mantel over de schouders met een rand van pantervel; als men die aan heeft, krijgt men nooit wit haar. En zo nog andere kledingstukken met allerlei wonderbare eigenschappen. Nadat zij gekleed zijn, slaat koning Philippus al die jonge lieden tot ridders en geeft hun wapenen. Het zwaard van Alexander is door een fee van koningin Penthesilea gebracht, zijn harnas is van Arabies goud, de helm is van Cornwall—in zijn tijd heeft koning Arthur dieopgehad; het schild is door koning Salomo gezonden,—dat is nog van Samson geweest. Nu gaan de nieuwe ridders onder het oog van de dames ridderoefeningen houden; die zitten de schone jonge prins te bewonderen en zeggen tegen elkaar: „Als hij en ik bij elkaar lagen, zou ik hem niets kunnen weigeren.” Eindelik roepen de herauten hen aan tafel en de ridders laten zich dat niet twee keer zeggen; Alexander komt vlak tegenover zijn moeder te zitten die niet laten kan hem aan te zitten kijken.

De scène met de Olympiese spelen waar de antieke berichten nu van vertellen, kunnen de Middeleeuwen niet begrijpen, Alexander's glimlachende zelfbeheersching bij de bespotting door een vreemde vorst, kunnen ze ook niet bewonderen. In plaats daarvan komt dan ook een oorlog die met eenscèneuit een echte „Chauson de geste” begint. Boodschappers van een vreemde koning komen de zaal binnen, waar Koning Philip hof houdt, en eisen overmoedig de betaling van een schatting. Terwijl men radeloos in de zaal zit te kijken, springt Alexander op, weigert brutaalweg de schatting te betalen en zendt de mannen terug met een uitdaging. Gelijk in de Franse heldendichten gaat hij op tafel staan om mannen aan te werven en, „gelijk een edele ridder” laat hij, door het gehele rijk, het geld van woekeraars en allen die zich verrijkt hebben opeisen, om daarmede de ridders te kunnen wapenen; op raad van Aristoteles omringt hij zich verder, op 't voorbeeld van Karel de Grote, met 12 pairs. Geheel en al in de trant van de oude heldengedichten worden nu de oorlog en de slagen geschilderd: ze rijden er op Arabiese paarden, de banier waait boven het leger, de werpspiesen vallen dicht als de Mei-regen, „daar had gij menig schild in stukken kunnen zien, en menige gebarsten helm en rusting.” In een tweegevecht velt ten slotte Alexander de vreemde koning. Later hoort hij vertellen van de rijke stad Athene, die zo goed door haar „baronnen” bewaakt wordt, dat die onneembaar geacht wordt; terstond besluit de eergierige prins naar die stad op te trekken. Maar het bericht dat zijn vader op nieuw in 't huwelik wil treden, roept hem ijlings naar huis. Het komt tot een hevige scène in de grote zaal waar de bruiloft gevierd wordt, maar als Koning Philip, verbitterd, zijn zoon een zwaard in de zijde wil stoten, struikelt hij en wordt gewond, waarop Alexander hem in zijn armen opneemt, hem op een bed legt, en hem door zijn verwijten en door hem zacht toe te spreken er toe brengt zich met Alexander's moeder te verzoenen. Er is hier iets veel brutalers en tegelijkertijd iets veel sentimentelersdan bij de corresponderende scène in de antieke bronnen.

Kort daarna sterft koning Philippus en nu trekt Alexander als koning op zijn grote veroveringen en ontdekkingsreis uit. Hierover hadden de Oosters-antieke berichten al veel te vertellen. Ten eerste over Alexander's snuggerheid en slimheid. Hoe kalm en geestig wijst hij de overmoedige spottende brieven van de koning der Barbaren en diens gaven niet terug; hoe hij vermomd de stad van de Persiese koning binnendringt om daar te verspieden en zich zelfs bij hem aan tafel weet in te dringen, maar hoe hij zich door die schitterende pracht volstrekt niet laat verblinden,—kalm steekt hij de gouden beker, die hem voorgehouden wordt, bij zich, met de woorden, dat zulks de gewoonte is bij Alexander van Macedonië. Dan over zijn grootmoedigheid en zijn beminnelikheid. Hij behandelt de moeder en de echtgenote van de koning van Perzië zeer goed en neemt Roxana, de dochter tot vrouw. Vreedzaam bezoekt hij het land der Amazonen en die betalen hem schatting. Na Porus, de koning der Indiërs overwonnen en geveld te hebben, voert hij in alle vormen een briefwisseling met diens schoondochter Candace, die hem geschenken doet toekomen en in 't geheim zelfs zijn portret laat schilderen. Alexander komt er later toe haar hulp te verlenen tegen de vijand, en daar hij de dood van Porus op zijn geweten heeft, durft hij zich niet anders dan vermomd naar diens rijk op reis begeven, waar hij zo de residentie van de koningin bezoekt; maar zij herkent hem door zijn portret, doch verraadt hem niet aan haar hovelingen en ontvangt hem vriendelik. Overal is Alexander de dappere krijgsman, maar nog meer de verstandige, slimme veldheer en nog 't allermeest de geestige, galante, edelmoedige vorst.

Maar ook is hij de personificatie van de onverzadigbare drang naar onderzoek en de onverschrokken lust naar avonturen. Wat de ouden in hun wildste fantasie voor vreemds hadden wensen te zien, is in de tochten van Alexander verpersoonlikt. Dieper en dieper dringt het leger Azië binnen en de wonderen worden steeds groter. Daar zijn allerlei merkwaardige mensen en dieren; b.v. de ichthyofagi, een bron waarin men dode vissen dompelt waarop ze weer levend worden, eilanden in de zee die plotseling duiken en zo enorme vissen blijken te zijn, sprekende bomen op de zon en de maan. Op een berg, door een muur van saphir omgeven, komen Alexander en zijn mannen in een prachtige tempel, waar allerlei vreemde dingen te zien zijn: een karbonkel verlicht de ruimte, een vogel uit een gouden kooi roept hun waarschuwendewoorden tegen, op een vergulden ligbank rust een in zijde gekleed persoon met een gesluierd gezicht. Niettegenstaande de waarschuwingen wil Alexander de vogel en de karbonkel grijpen, maar nu begint de man op de rustbank zich te bewegen, en terwijl Alexander steeds nog kalm zijn verschrikte volgelingen uitnodigt plaats te nemen en te gaan eten en drinken, barst er nu op eens een verschrikkelik onweer los en hoort men een hels lawaai van fluiten en pauken en cymbalen,—de gehele berg begint te roken en ijlings vluchten allen. Alexander daalt zelf in een glazen klok op de bodem van de zee neer om de diepte na te sporen en hij laat een vernuftig mechanisme maken waardoor hij zich met behulp van gebonden griffioenen in de lucht op kan heffen om de hoogte te onderzoeken.

Dit was nu alles natuurlik net iets voor de Middeleeuwen. Maar reeds aan het einde van de oudheid was een asceties-religieuze opvatting op de voorgrond gekomen, voor welke die gehele geschiedenis van Alexander niets anders was dan één groot voorbeeld van menselike onverzadigbaarheid, ijdele eergierigheid en verwaande nieuwsgierigheid. Met de gymnosophisten van Indië, boedhistiese filosofen, behandelt Alexander diepzinnige vraagstukken als de kwestie welke van de twee er eerder was: de nacht of de dag, en of er meer levenden zijn dan doden of omgekeerd. Voor hen die in Maja en in het Nirwana geloofden, is Alexander slechts de wereldse ijdelheid en begeerte die tot niets leiden. En deze opvatting gaat ook op de middeleeuwse geestelikheid over. Evenals Caesar in talrijke middeleeuwse verzen van zijn graf uit spreekt en er de mensheid aan herinnert dat hij zich nu met een klein plekje aarde moet vergenoegen en een steen, hij, voor wie de gehele wereld in zijn leven niet groot genoeg was, zo vlocht de monniksgeest episoden in de Alexander-gedichten in, die aan de parabelen van de Talmud en het Oosten waren ontleend en die als „memento mori” waarschuwende woorden tot de veroveraar der wereld moesten spreken. Wanneer hij van zijn expeditie naar de bodem van de zee terugkomt, is hij in ernstige overpeinzingen verzonken. Ook daar, bij de vissen, heeft hij gezien dat de groten de kleinen opeten, en ook daar zitten begeerlikheid en hebzucht aan het roer en zijn de wortel van alle kwaad. Een andermaal hoort hij een boer van een bron vertellen die wijsheid verleent, maar hij die begerig is, moet er niet van drinken, want voor zo iemand wordt die een vergift dat krankzinnig maakt. Alexander beveelt de boer terstond hem naardie bron te brengen. Op weg daarheen komen zij voorbij een landgoed, waarover de boer vertelt dat de verkoper, een arme edelman en de koper, een burger, in edelmoedigheid met elkaar schijnen te wedijveren, daar geen van tweeën zich een schat van 100 ton gouds wil toeëigenen, die men daarop begraven heeft gevonden. „Die man is gewoon gek, die burger,” roept Alexander uit, „in zijn plaats zou ik er geen dukaat van terug gegeven hebben.” Waarop de boer zegt dat hij Alexander dan niet durft raden uit die bron te drinken en werkelik vloeit er dan ook, als ze naderbij komen, bloed uit in plaats van water.—Ergens anders lezen zij dat het leger van Alexander bij een enorm gesloten kasteel komt, niets meer of minder dan het aardse paradijs. Een paar van zijn mannen kloppen aan en eisen uit naam van Alexander het betalen van een schatting. Nadat zij lang zijn blijven kloppen, wordt er een klein luikje open gedaan en geeft een oud man hun daardoor een steen, waarin een mensenoog gegrift staat. Een oude Jood verklaart daarop aan Alexander dat die steen zo zwaar is dat al het goud der wereld er niet tegen opweegt; maar wanneer men slechts het oog met een weinig slijk bedekt, wordt de steen heel licht. Dat is een simbool van het menselik oog dat door al het goud der wereld niet verzadigd wordt, maar welks begerigheid pas niet meer opgewekt wordt, wanneer het onder de aarde ligt. De eerste van die parabels is uit het Arabies, de tweede uit de Talmud.

Ofschoon, de ridderlike opvatting laat zich aan Oosterse wijsheid weinig gelegen liggen. Die houdt zich aan Alexander als hij uitroept: „ons erf is, onder het hemelblauw, de hele aard, wat mij zo pijnlik treft en mij zo zeer bezwaart, is dat de wereld werd gebouwd op al te eng een rots,—God schiep te klein de aard voor mannentrots.” Of aan het schone antwoord dat de Macedoniese koning de gymnosofisten geeft, wanneer die hem vragen waarom hij zo heen en weer trekt, ofschoon hij toch gelijk alle andere mensen sterven moet: „Dat wordt slechts door de hoogste voorzienigheid bestuurd, en wij zijn haar dienaren, die uit moeten voeren wat die beveelt; de zee komt niet in beweging tenzij de wind er over heen strijkt. Ik zou gaarne willen rusten, maar Hij die mijn geest bestuurt, laat dat mij niet toe,”—het antwoord van een heldengeest op de bezwaren van de burgerlikheid, dieTegnèrzo prachtig beschreven heeft in zijn gedicht over „Alexander aan de Hydaspes”. En door zijn gehele optreden protesteert Alexander ook tegen de geestelike beschuldigingen van onverzadelikehebzucht. Porus biedt Alexander schatten als hij, Porus, zijn rijk terug krijgt; in de antieke bronnen neemt Alexander het goud aan, maar in de Franse ridderroman geeft hij Porus zijn rijk voor niets terug. „Een begerig man kan nooit een rijk veroveren, hij zal integendeel kwijt raken wat hij heeft. Indien mijne volkeren mij lief hebben, is het vanwege mijn vrijgevigheid. Ik geef allen wat zij hebben willen.” Alexander is alleen daarom onverzadelik in het nemen, omdat het geven een passie voor hem is geworden. Hij wordt het voorbeeld in de middeleeuwen, van ridderlike, vorstelike „largesse”. Reeds toen hij 11 jaar oud was bedolf hij de groten des rijks zo zeer onder zijn geschenken, dat ze zijn vader kwamen waarschuwen: „Indien hij Heer was over de gehele wereld, zou hij die binnen 14 dagen weg geven.” Waar hij ook komt, overal deelt hij uit, rechts en links, dikwels geeft hij zo ook het land dat hij veroverd heeft terug. Aan een jongleur die zijn eigen liederen op de fluit akkompagneert, geeft hij een gehele stad ten geschenke,—een antiek motief waaraan een geheel nieuwe wending gegeven is; een andere keer schenkt hij een ridder die een kleinigheid vraagt, een geheel land, en wanneer de ander, geheel en al in de war, zegt dat hij liever geld en kleeren wil hebben, voegt Alexander hem verachtelik toe: „Ik ken u niet, en het hart in uw lijf niet,—maar zo zijn nu de geschenken welke de koning van Macedonië geeft”; (vgl. Seneca:De Beneficiis, II, 16). Eens komt een Aziaties „baron” klagen dat hij door zijn leenheer verongelijkt is; dadelik trekt Alexander daarheen, hoewel zijn weg daar niet langs liep en verschaft hem recht; een andere keer, als hij een stad veroverd heeft, laat hij zich bewegen,—hij is immers de „bloem der hoofsheid”—door de tranen van de schone gevangen hertogsdochter, als hij merkt hoe haar blik voortdurend op een der mannelike gevangenen blijft rusten, ondervraagt hij ze beiden en wanneer hij hoort dat zij elkaar trouw liefhebben, schenkt hij hun de vrijheid en geeft een feest bij hun huwelik.

Want gelanterie tegen de vrouwen hoort meer dan iets anders tot zijn ridderlike vorstendeugden. Het erotiese element neemt hoe langer hoe groter plaats in. In de episode met Candace die Alexander's portret laat maken en die door hem incognito bezocht wordt, was in de antieke versie dat element in 't geheel niet aanwezig, daar vond men niets dan galanterie en grootmoedigheid van twee vijanden tegenover elkaar. Maar in de middeleeuwse roman is zij op Alexander verliefd geworden doorde roem die er van hem uitstraalde en als hij haar bezoekt, biedt zij hem zelf onverholen dadelik haar liefde aan, die hij dan ook volop te genieten krijgt. Met veel détails schilderen die romans dan ook het bezoek in het land der Amazonen. Allerliefst is hoe de koningin het leger van Alexander twee maagden tegemoet zendt, Flore en Beauté, met geschenken en beloften van hulde. Koket gekleed—de tedere huid is door het open kleed te zien—trekken ze op weg en zingen onder het rijden een lied van de schone jongeling die zijn eigen schaduw in het water zag en van verlangen daarnaar verteerde; zij komen twee van Alexander's baronnen tegen en vragen die met hen mede naar 't kamp te willen gaan. Onder veel plichtplegingen leiden de ridders hun paarden bij de teugels, eerst stribbelen de jonge meisjes een beetje tegen, maar zij laten zich toch al heel gauw een kusje ontstelen, en wanneer zij hun boodschap bij Alexander verricht hebben—hij komplimenteert o. a. hun koningin over de verstandige zet om zulke schone gezanten af te vaardigen—vragen de ridders verlof aan Alexander, met de twee jonkvrouwen te mogen trouwen, die daar meer dan bereid toe zijn. Later komt de koningin der Amazonen zelf op bezoek, en Alexander ontvangt haar met veel praal; zij en haar vrouwen voeren allerlei gymnastiese spelen uit en zij werpt haar overkleed af om haar lichaam onder het spel beter te laten uitkomen.

De drang naar avonturen en de lust naar ontdekkingen brengen Alexander meer en meer oostwaarts en hoe verder hij daarheen doordringt, des te merkwaardiger dingen krijgt hij te zien. Wat over die tocht van Alexander het nodige licht werpt en het een nieuwe glans bijzet, is het verlangen als in de tijden der kruistochten naar het Oosten. Talrijke merkwaardigheden die de kruisvaarders bij de Saracenen gezien hebben of waar ze over hebben horen spreken, worden nu gebruikt om aan de beschrijving van Alexander's tochten lokale kleur bij te zetten. Bijvoorbeeld de grote prachtig versierde tenten die de Saracenen gebruikten en die nog in onze dagen tot de luxe-voorwerpen van het Oosten behoren; de kruisvaarders hadden er meer dan een zo veroverd en Europese vorsten kregen die wel van Oosterse prinsen ten geschenke. Of fraaie grafmonumenten, kostbaar van buiten zo wel als van binnen versierd, met eeuwig brandende lampen, die door magneten vrij in de grafkamer blijven zweven en dergelijke dingen meer,—dit kan iets geweest zijn wat de kruisvaarders zich nog van antieke en Oosterse grafmonumentenherinnerden of—een echo van de vele verhalen die over het graf van de profeet in Mekka liepen. Tenslotte allerlei mechaniese kunstwerken, die in het keizerlik paleis te Byzantium of in de paleizen der Saracenen-vorsten zulk een indruk op de reizigers gemaakt hadden. Kronieken en sagen vloeien over van de gedetailleerde beschrijvingen daarvan. Reeds Haroen al Rashid moet Karel de Grote automatiese speelwerken gezonden hebben; in het paleis der Kalifen te Bagdad was een gouden boom te zien met zingende metalen vogels; om die boom heen voerden automatiese ruiters toernooien op, en van die zelfde kracht was het kunst en vliegwerk aan het hof van Byzantium, zo als dat in gedichten en kronieken beschreven staat. En dit alles komt ook overal in de Alexander-romans voor. Beschrijvingen van fantastiese natuurmerkwaardigheden, waar men op de kruistochten kennis mede had gemaakt, werden ook in de verhalen die daarover al in de oude bronnen te vinden waren, ingevlochten. Evenals de kruisvaarders, werd het leger van Alexander, wanneer het zich des avonds om de vuren bij een bron in de woestijn had nedergeslagen, plotseling gealarmeerd door het bericht dat alle dieren der woestijn daar hun dorst kwamen lessen, en in grote scharen kwamen ze dan aanzetten, witte leeuwen, schorpioenen en andere. Of wel hoort het leger plotseling in de duisternis tot zijn grote schrik als een tromgeroffel boven hen—dat zijn de vleugelslagen van grote scharen gieren of andere roofvogels. Ook aan de Keltiese sagen hebben de Alexander-romans blijkbaar fantastiese trekken ontleend. Wij worden altans sterk aan de Bretonse romans herinnerd, wanneer het leger over „le tertre avantureux” trekt, waar de dapperen lafaards worden, en de laffen moedig, of door een betoverd dal waar niemand zijn weg door en uit kan vinden, totdat ze eindelik na allerlei toverkunsten, door een duivel geholpen worden, die Alexander onder een steen vandaan haalt, waar hij gevangen zit.

Maar het verst naar het Oosten zijn de schoonste wonderen te vinden—daar ginds aan de uiterste rand van de aarde, waar men van de bergen van Indië uit de zee-ring kan zien die de aarde omgeeft. Hier vindt men de zonne- en maan-bomen die Alexander zijn spoedige dood voorspellen. Hier is de „fontein der verjonging”,—„fontaine de Jouvence”,—die waarover de Priester Johannes ook spreekt in zijn brief aan de Griekse keizer; dat is een zij-rivier van een der stromen in het Paradijs. Alexander en zijn mannen baden zich daar in en krijgen dan hun jeugd terug. Hier, in 't Oosten, zijn ook de merkwaardigste bossente vinden, van welker gekruide lucht de mensen leven en waarin de mandragora en andere wonderplanten groeien. Daaruit klinkt Alexander en zijn mannen zulk een wonderbaarlik schoon gezang tegemoet, dat zij al hun smart en bekommernis vergeten, „alles wat hun van kindsbeen af voor kwaads overkomen is” en zij ontdekken daar in 't bos de aanvalligste meisjes die daar lachend onder de bomen spelen. Dat zijn bosnymfen die in 't voorjaar uit de knoppen van de bomen ontstaan, doch alleen maar onder de schaduw der bomen kunnen leven,—zeker wel een Oosterse sage. Het leger slaat zich in dat bos neer en de soldaten van Alexander kiezen elk zulk een nymf uit die zij zich tot vrouw nemen en zo leven zij in vreugde en genot. Maar als dan het najaar komt en de bloemen verwelken en de bladeren vallen,—dan verteren ook,—smartelijk als het is om aan te zien—de lieve kleine wezentjes en sterven ze. Verdrietig trekken de soldaten verder.

Als een ideaal van vorstelike grootmoedigheid en drang naar ridderlike avonturen bleef die figuur van Alexander voor de gehele fantasie der Middeleeuwen leven en zijn leven werd steeds weer in rijmkronieken, romans en volksboeken beschreven. En van de tijd der kruistochten over Marco Polo tot Columbus toe, is het Indië uit de Alexander-literatuur dat de schrijvers voorzweeft als het aardse paradijs en het doelwit van aller reisverlangens; nog nà de ontdekking van Amerika zocht men in Florida naar de „fontaine de Jouvence”.


Back to IndexNext