XII.

ROMANTIES-KLASSIEKE LITERATUUR.

Alexander—dat was half middeleeuws, half Oosters-antiek werk. De oudheid zelf was, zoals wij gezien hebben, voor de fantasie der Middeleeuwen nooit geheel dood geweest. De grote massa had van munten en ivoorwerk en andere kleinodiën, van half vergane beelden en reliëfs een wazige voorstelling van Griekse goden en Romeinse keizers en de fantasie der studerende klerken was vervuld van een bonte menigte barokke beelden van de Griekse mythenwereld en Romeinse geschiedenis. Maar vooral stond men toch onder de invloed van de dekadente, vervallen oudheid; er waren half-barbaarse triomfbogen en sarkofagen uit de latere keizertijd over en bovendien had men mythografen en delexicografen en de florilegia uit de rhetoren-scholen die in 't bizonder bestudeerd werden. De Griekse oudheid—Homerus zowel als de treurspeldichters—lag helemaal buiten hun gezichtseinder; de schrijvers der Latijnse Gouden Eeuw—misschien zelfs Ovidius en Virgilius—werden meest in latere prosa-bewerkingen of uittreksels gelezen en in de nationalistiese interpretaties der grammatici was Uranus tot een koninklike sterrekundige geworden, Medusa tot een Libyse vorstin en Aeolus tot een weerprofeet en uitvinder van de zeilen op de schepen. Reeds lang hadden zich hier en daar geesteliken geamuseerd met een episode uit Ovidius of Virgilius in Latijnse verzen te behandelen, maar van omstreeks het jaar 1100 af brengen de rondtrekkende scholieren en halfgestudeerde speellieden talrijke voorstellingen uit de oudheid in omloop. Aan de hoven zong men of vertelde men van Narcissus en van Orfeus, of de geschiedenis van Dido en Aeneas; dergelijke verhalen worden nu ook overal in de geestelike romans ingevlochten. Enkele van die berijmde vertellingen naar Ovidius zijn in 't Frans en Engels tot ons gekomen; ook nog fragmenten van komplete vertalingen in het Frans en Duits van Ovidius' „Metamorphoses”. In de „Gesta Romanorum”, een Latijnse verzameling van kleine prozavertellingen, en de vele bewerkingen daarvan in de volkstaal van verschillende landen, vinden we ook nog verschillende motieven van Ovidius en Livius terug.

Het is een geromantiseerde klassieke literatuur—barok ingekleed, grillig en vreemd—soms erg nuchter en zonder enig begrip er van, in huiselike middeleeuwse toestanden omgezet, soms daarentegen door vrome geesteliken tot in een ideale sfeer opgeheven of door de fantasie der speellieden tot het niveau van de gewoonste avontuurtjes teruggebracht.

Eerst zijn er dan hele massa's goden en godinnen. Men raakt de kluts bij al die namen gemakkelik kwijt: Apollo en Apelles, Cybele en Sibylle zijn licht te verwarren; sommigen dachten eigelik, zoals b.v. de kerkvaders, dat zij duivels waren,—zo werd er b.v. gezegd dat Apollo door de Saracenen aangebeden en vereerd werd, even goed als Mahomed en Tervagaunt en al die andere duivelse goden van hen—maar anderen beweerden dat Apollo een speelman geweest was, die ook een uitstekend jager was en de mensen à raison van zoveel de toekomst voorspelde. Tovenaars en boze wezens waren het in elk geval; men moest maar eens bij Meester Ovidius lezen, hoe Jupiter zich in alle gedaanten om kon toveren en wat een hoereerder enSodomiet hij was. Maar het was toch maar het beste op goede voet met hen te staan, daar wist Paulus van mee te spreken, toen de hele familie uit de Olympus met hun rijke gaven aan kwam zetten,—Apollo met apoteek-zalf, Ceres met een massa zakken koren, Pallas met een hele vracht boeken.

Dan was er al die andere hekserij en duivelskunsten, waar de klerken der oudheid van wisten te vertellen. Waternymfen zoals die ook in Bretagne voorkwamen; zeemeerminnen en sirenen die „een lied zingen dat musica heet, en dat de schippers in 't verderf stort”; de kleine duivel Spin (d. w. z. Sfinks) die alle mensen in de afgrond wierp, welke zijn raadsels niet konden oplossen; de tovenaar Virgilius die even ervaren was in de zwarte kunst als Merlijn bij de Britten, en allerlei snuggere mechanismen op 't Capitool te Rome aanbracht ter bescherming van het Romeinse rijk. Toverij moet er ook geschuild hebben, dacht detrouvère, in die geschiedenis van een vorst die een witte koe bezat die zulke heerlike melk gaf en die hij door een man met honderd ogen liet bewaken, of in het verhaal van de koningsdochter Ariadne, wier vrijers allemaal naar een grote tuin gebracht werden, die zodanig ingericht was dat niemand er weer uit wist te komen, terwijl er nog een lelik beest van een leeuw ook in huis hield. Maar 't alleraardigste in al die klassieke feeënverhalen was dat van koning Orpheus wiens koningin Heurodis naar 't onderaardse feeënrijk van Pluto weggevoerd was. Wanhopend trekt Orpheus weg en leeft als een wildeman alleen in 't bos: alleen zijn harp heeft hij meegenomen en alle wilde dieren komen naar hem luisteren als hij daar op speelt. Dikwels ziet hij daar in de stilte van het bos de Alfenkoning op jacht met zijn gehele gevolg en onder de vrolike dames daaronder ontdekt hij op een zekere dag zijn geroofde vrouw. In zijn speelmanskleedij gaat hij met de stoet mede door een opening in de berg naar het prachtige slot van de Alfenkoning en dààr speelt Orpheus zó schoon voor de koning en het hof dat hij permissie kreeg zijn Heurodis weer naar zijn eigen koninkrijk mede te nemen. (De EngelseSir Orfeonaar een verloren Franslai.)

Even als nu de ridderverhalen uit zijn eigen tijd tekenden zich voor detrouvèreal die mooie aandoenlike liefdesgeschiedenissen af, waar Ovidius van vertelde,—van Prinses Atalante die met haar vrijers een wedloop aanging en hoe een arm ridder die won omdat hij een rozenkrans, een zijden ceintuur en een gouden bal bij zich had gestoken die hij onderweg liet vallen; van Pyramusen Thisbe die niettegenstaande „die huote” (de bewakers) in het groene bos elkaar zouden ontmoeten, maar zo ongelukkig om het leven kwamen, maar vooral de schone geschiedenis van Narcissus: dat was een allerheerlikste jonge man, met haar, zo verguld dat een jonkvrouw het als gouddraad had kunnen gebruiken om mede te borduren, en met een mond die alle vrouwen een „kus mij” scheen toe te roepen, en ogen die reeds menige jonkvrouw gewond moesten hebben. De vorstendochter zit aan het raam in haar vaders slot en wordt door Amor's pijl verwond wanneer hij voorbij komt; slapeloos wentelt zij zich op haar sponde heen en weer, zodat zij haar kamenier moet roepen om 't bed over te maken, de volgende dag gaat zij in 't bos wandelen, en ontmoet daar de ridder en bekent hem stamelend en blozend haar liefde,—alleen om door de hardvochtige jongeling uitgelachen te worden. Maar de straf van de God der liefde blijft niet uit. Als hij, vermoeid van de jacht, zich bij een boom neer heeft gelegd, wordt hij door zijn eigen beeld bekoord en versmacht van ongelukkige liefde; de vorstendochter komt de stervende jongeling nog eens opzoeken,—met gebroken hart vindt men haar later over 's jongelings lijk.

En zo zijn er nog zeer vele geschiedenissen. Maar tot gehele grote romans zwollen de vertellingen op van de drie meest belangrijke gebeurtenissen in de oudheid: de strijd om Thebe, waar Statius in zijn heldendicht van had verteld, de stichting van het Romeinse rijk door Aeneas waar Virgilius van had gezongen en de verovering van Troje waar Dares en Dictys een betrouwbare schildering van gegeven hadden. Deze romans werden in het midden van de 12deeeuw in Frankrijk geschreven, ergens aan de kant van Anjou-Poitou.

De twee epopeeën van Virgilius en Statius werden met ernst en ijverig door de middeleeuwse literair-ontwikkelde geesteliken gelezen. Vooral Virgilius was reeds van de laatste jaren der oudheid het Latijns leesboek bij uitnemendheid voor alle scholen geweest, elke regel van de Aeneis werd literair en uit een grammaties oogpunt verklaard; op het toneel en in natuurschilderingen en geweven behangsels werden Dido en Aeneas roerend afgebeeld en wat de Sofisten begonnen hadden, zetten de middeleeuwse geesteliken voort: het gedicht werd allegories opgevat en geïnterpreteerd. Zo was het vol van alle menselike wijsheid, als een fabel symbolies aangeduid,—beweerde de kerk—en terwijlvelen in Virgilius de grote tovenaar en duizendkunstenaar zagen, en zijn boek opsloegen om de voorspellingen er in, verklaarden anderen dat hij Kristen was en verwezen daarvoor naar de bekende vierde Ecloga, waarin de Mantuaan de zege van het kristendom voorspeld had. Zo werd ook Statius tot een kristen gemaakt en de Thebaïde was niet minder beroemd en alom bekend dan de Aeneide.

Maar als de twee Latijnse heldengedichten nu tot onderhoudende romans voor ridders en hun dames omgewerkt worden, zet de schrijver de deftige hexameters en de epiese kunststijl eerst en vooral in een gewone verteltrant en in achtlettergrepige rijmkroniekverzen om, waardoor alles in een meer flegmatiese toon gestemd wordt en tot een heel wat lagere sfeer afdaalt. „Infandum regina, jubes renovare dolorem,” wordt tot „Vrouwe zegt hij, al mijn smarte wekt gij weer van harte.” „Et hæc meminisse juvabit” heet nu: „Eens zal het u vreugde schenken,—hier weer aan terug te denken,—dan deelt gij dikwels vrolik mee, 't kwaad door U geleên op zee.” „Manet alta mente repostum—judicium Paridis spretæque injuria formae,” luidt: „Juno, de hemelkoningin,—voor hen met afgunst in den zin, had een gevoel van grote haat, voor elk die kwam uit Troja's staat, sinds Paris 't oordeel had gesproken,—moest zij op Troja's macht gewroken.” De machtige kaskaden van 't oude rhythme zijn tot een vulgair kabbelen en babbelen geworden. Zo wordt ook de gehele inkleding van de epiese stijl weggeworpen: de vergelijkingen, de epitheta en de andere rhetoriese figuren. En daarmede gaat ook het gehele mythologiese godenapparaat overboord, dat er ook bij de Romeinse kunstdichters reeds heel losjes bij hing en geheel verdwenen moet zijn in de proza-bewerkingen voor schoolgebruik die de Middeleeuwse dichters waarschijnlik gekend hebben. Wanneer Fama naar koning Euander ijlt met de boodschap van Pallas' dood, wordt dit in de vertaling dat de koning mannen uitzendt om nieuws te horen waar zij mee naar huis moeten komen. In plaats van Iris in Virgilius komen gewone spionnen, zelfs de rol van Venus in de Aeneis wordt eigelik niet veel meer dan die van een goedgezinde fee, en terwijl bij Virgilius Camilla een amazone is, die de kunst van bovennatuurlike sport verstond, wordt zij hier een gewone jonkvrouw uit de ridderwereld die paard rijdt en de wapens weet te hanteren.

In 't algemeen ziet de Middeleeuwse dichter wat hij bij Virgilius en Statius leest, in het licht van zijn eigen tijd en interpreteerthij de woorden naar de betekenis die ze voor zijn eigen tijd hebben,—tekent hij en kleurt hij alles volgens de opvattingen der tijdgenoten. Wanneer hij van Thebe en Carthago leest, ziet hij de tinnen op de muren voor zich, ophaalbruggen en torens op de stadspoorten die elk door een graaf bewaakt worden. De tempels zijn voor hem gelijk Romaanse kerken, de soldaten zijn ridders. Amphiareus wordt in zijn verbeelding tot een aartsbisschop in helm en maliënkolder, gelijk Turpijn in het „Chanson de Roland”. Uitdrukkelik wordt hij met Turpijn vergeleken, gelijk Tydeus met Roland, des morgens, wanneer de torenwachter op zijn horen blaast en de nachtegalen in de pijnbomen slaan, komt Tydeus aangereden, kaarsrecht zit hij op zijn paard uit Gascogne, met de lans recht naar boven, met gulden sporen, met zijn zwaard dat Wieland gesmeed en meester Vulcanus geslepen heeft,—precies als Roland voor zijn schare bij Roncevaux. De Sibylle wordt een gerimpelde heks die de kunst van de „necromantie” verstaat. Wanneer Ismene, de zuster van Eteokles haar geliefde verloren heeft, gaat zij in een klooster en haar broeder verleent dat klooster molens en het recht tot visserij in de rivieren die daar voorbij vlieten. Nog meer wordt in de miniaturen der handschriften alles gemoderniseerd. Wanneer de boodschapper bijv. bij Aeneas komt, treft hij die aan het schaken.

In vele opzichten ging het dan ook zeer gemakkelik om de oude heldenfeiten in de sfeer der „chansons de geste” over te brengen,—vooral omdat het Romeinse kunst-epos een naïeve oude sagawereld behandelde die in meer dan één punt op het zelfde beschavings-niveau stond als de Franse heldendichten. Wanneer Oedipus als de moordenaar van Laius diens weduwe nog met bloedige handen tracht te verzoenen door haar te huwen, dan is dat een erg barbarisme voor de zo zeer gekultiveerde dichter uit de Romeinse keizertijd, maar voor het publiek van de Franse heldenpoëzie was het gewoon en natuurlik. Evenzo dat de koning van Argos, de avond zelf van de aankomst der verbannen vreemdelingen, zijn dochters in de zaal doet leiden en ze aan de gasten ten huwelik biedt. Op zulke punten vonden de Fransetrouvèreen de rhapsode van de oorspronkelike oude Griekse heldensage elkaar weer achter de artistieke behandeling van Statius. Of wanneer Tydeus met de gezanten voor Thebe komt en gewapend de zaal binnenrijdt, waar de koning met zijn mannen zit te eten,—wanneer Tydeus hun daar zijn uitdaging naar 't hoofd slingert, waarop ze elkaar over en weer met bedreigingenoverladen, en wanneer hij dan op de terugweg in een hinderlaag valt, maar er zich dapper doorslaat,—dan is dit presies als het de afgezant van Karel de Grote verging in een van de Franse heldendichten.

Maar toch is er genoeg nieuws en merkwaardigs dat de fantasie van de Middeleeuwse dichter boeit. Feitelik leert hij van de antieke kunst de wereld van buiten te schetsen en te schilderen. Terwijl de oude kronieken droog waren en grauw en ook de heldendichten nog het schilderachtige misten, leert nu de roman van Virgilius en Statius de kunst van het beschrijven. Ofschoon,—zelfs nu vinden wij er nog geen uitwerking in détails van gewone dagelikse dingen. Waar Virgilius homeries schildert hoe de mannen van Aeneas vonken uit steen slaan, de sintels in bladen bewaren enz., daar roept detrouvèrealleen maar: „zij legden een vuur aan en bereidden een maaltijd.” Het elegies-romantiese natuurgevoel van de stadsbewoner kent hij niet. Als Virgilius van de sombere rotsen en schrikaanjagende bossen van de Libyse kust vertelt of hoe de bladeren in 't najaar vallen en de kraanvogels voor 't vertrek bijéén komen, laat de roman dit weg. Maar wel heeft die van Virgilius en Statius geleerd de kleerdrachten en wapenrustingen te beschrijven, een kamp of een storm op zee, offers in de tempel of gymnastiekspelen. En dan tracht de schrijver alle beschrijvingen te overtreffen door de pracht van zijn wapenen en tenten, grafmonumenten of kunst- en vliegwerk,—presies als in de Alexanderroman. Op het kapitool van Karthago worden van die zelfde toverwerken aangebracht die volgens de „Mirabilia urbis Romae” op het kapitool van het oude Rome te vinden waren; Karthago heeft magneten als muren—evenals er volgens de reizen van Sindbad de zeeman, magneet-bergen (volgens de verhalen van een Spaanse jood: glazen muren) om Damascus zijn. Men tracht Virgilius te overtreffen bij het schilderen van de ongure détails van het nederdalen in de hel, waarbij Charon tot een duivel wordt. Allerlei natuur-merkwaardigheden worden er in gevoegd: uit het schuim op de bek van Cerberus groeit een vergift, dat stiefmoeders aan hun stiefkinderen geven. De mannen van Aeneas vangen kleine visjes waar ze rood purper uit halen,—het zwarte purper krijgen ze daarentegen uit een slang die krokodil heet, enz.

Evenals in de Alexanderromans, ontleent men ook trekken aan de kruistochten om een Oosterse lokale kleur te scheppen. Meer dan een episode is uit de kronieken en heldendichten over dekruistochten, naar 't schijnt, overgenomen. Daarin vindt men b.v. zulk een verhaal als van een troep oude grijze soldaten die op het kritiese ogenblik in een gevecht de kruisvaarders ter hulp waren gesneld,—niemand wist waar vandaan,—in de geestelike kronieken is het een hemelse heerschare van in het wit geklede martelaars („militum Christi cohors candida” is immers de oude naam der martelaars), in het heldengedicht zijn het alleen maar veteranen die hun witte baard over hun kolder hebben laten vallen, zoals in de Chanson de Roland de oude krijgslieden van Karel de Grote doen. Die hulp door oude grijze mannen vinden wij ook weer in de „Zeven tegen Thebe” terug. Evenzo kan men in een episode van diezelfde roman een vertelling uit de kruistocht herkennen van een der emirs van Antiochië, wiens zoon door de Franken gevangen was genomen, maar grootmoedig naar zijn vader terug gezonden wordt met rijke geschenken, waarop deze tot dank de stad verraderlik aan Bohemund overgaf.

Maar het schelst komt het verschil van sfeer tussen het Latijnse epos en de roman van detrouvèresuit bij de behandeling van zielstoestanden. Daar staat elegante kultuur tegenover naïeve natuur. Een jongeling die met Ismene, de zuster des konings, verloofd is, wordt stervend uit de slag naar huis gedragen en vraagt om nog slechts ééns, voor 't laatst, zijn bruid te mogen zien. Bij de antieke dichter houdt een gevoel van schaamte om haar liefde en smart op straat te tonen, de jonge vorstelike maagd in haar vertwijfeling terug; haar moeder moet haar dwingen zich naar zijn sponde te begeven en zo lang er mensen tegenwoordig zijn, staat zij stil en kalm bij de stervende; eerst wanneer zij met de dode alleen is, werpt zij zich jammerend op de baar neder en geeft haar gevoelens lucht. In het Franse gedicht is het jonge meisje op het punt van angst te bezwijmen, maar ijlt dan naar de baar van de stervende. Daar valt zij dan als dood om, „koud als ijs en groen als klimop”, slechts merken de omstanders op dat er aan haar nek nog een ader is die licht klopt; wanneer zij weer tot zich zelf komt, durft haar moeder haar niet naar het lijk te laten brengen, maar Ismene verklaart dat als zij 't niet te zien krijgt, haar hart van smart zal barsten. Lang daarna blijft ze nog in aandoenlike klachten bij de dode zitten wenen. Dat zijn naïeve, frisse menselike gevoelens tegenover stijve antieke „Sitte”.

Maar van de gehele tragiese grootheid in de sage over Thebe, van de misdaden en de lotgevallen van een mensengeslacht die de Romeinse rhetoricus gevoelde en trachtte te bewaren, blijft bijde middeleeuwse geestelike niet veel meer over dan het aandoenlike en het moreel-didaktiese. Hij schrijft—zo vertelt hij—om door een afschuwwekkend voorbeeld te tonen hoe vreselik hij gestraft wordt die „tegen de natuur” handelt, en hoe vreselik de vloek eens vaders werken kan. Maar meest wordt de tragiek toch slechts aandoenlik. De kolossale Tydeus zal b.v. de piep-jonge Aton in de strijd ontmoeten, de verloofde van Ismene. Bij Statius verwaardigt hij zich niet werkelik met de jongen te vechten, maar werpt in 't voorbijgaan honend een speer naar hem, waardoor hij hem dodelik wondt, waarop hij kalm verder loopt, en versmaadt het lijk te plunderen, gelijk een leeuw het bloed van het kleine vee niet lust, maar alleen dat van de stier wil drinken. In de Franse Roman daarentegen waagt Tydeus niet Aton kwaad te doen;—om vele redenen, zegt hij lachend, wil ik niet met je vechten, gij zijt zo schoon en nog zo jong en bijna ongewapend; gij had liever thuis moeten blijven; je geliefde zou er geen plezier in hebben als wij samen vechten gingen. Woedend over die spot, slaat de jonge man er nu op los, zodat Tydeus zich zelf verweren moet, hij wil hem alleen maar even op zijn schild slaan, maar kent zijn eigen kracht niet goed en, dodelik gewond, stort de ander neer. De reus voelt zich daar heel en al ongelukkig over, maar de verslagene erkent dat Tydeus zonder schuld is en wordt nu stervend door de mannen van Tydeus naar Thebe gedragen.

Reeds bij Statius wordt er een zachtere toon aangeslagen,—hij was meer bij Ovidius dan bij Virgilius in de leer geweest—en nu toont de romanschrijver alle mogelike voorliefde voor het aandoenlike, het gracieuse, het galante en het erotiese. In Atys en in Parthenopaeus, de vrijers van Ismene en Antigone, had Statius de ephebus getekend, zeer jeugdig nog, die de rijpe oudheid zo graag zag, en in kunst en poëzie vereerde. De schoonheid van de 15-jarige wordt in de ridderromans in meer details aangegeven: zijn gezicht is witter dan „sneeuw op de takken”, met een zachte blos er over heen, de levende, heldere ogen zijn vol vrolikheid, de volle kin zonder baard; zijn haar is omwonden met een groen zijden lint, ook zijn kleêren zijn van zijde. Wanneer de heldengedichten de knaap in strijd schilderden, was dat alleen om te doen zien wat een waaghals hij was en hoe hij vurig en woest de anderen in kracht trachtte te overtreffen. Hier daarentegen worden de lezers er aan herinnerd wat er voor een fijne jonkvrouwelike wang achter de helm en een tenger lichaampje onder demaliënkolder zit, en hoe de knaap onder het gevecht naar zijn geliefde verlangt zo als zij naar hem. Juist gelijk de heldenpoëzij de amazones, de „schildmaagden” bewondert, omdat zij zich werkelik boven hun geslacht hebben weten te verheffen en de mannen gelijk geworden zijn,—zo ook nog de Camilla van Virgilius—terwijl daarentegen de ridderroman de gedachten meer in 't bizonder vestigt op de naakte jonkvrouwelike huid onder de maliënkolder en er de nadruk op legt hoe Camilla niettegenstaande alles vrouw is gebleven, schoon en beminnelik: overdag duldde zij geen vrouw in haar nabijheid, maar 's nachts kwam geen man haar maagdelik vertrek binnen.

Het galant erotiese verknoeit, verwatert de wilde tragiek. Bij Statius ijlt Jokaste, de oude moeder der twee strijdende broeders in de vroege morgenstond, bleek met ongekamd hangende haren—een Erinye om aan te zien—naar het vijandelike kamp, steunend op haar dochters; haar borst is naakt en onder wild weeklagen slaat zij haar armen aan 't bloeden; woest klopt zij op de poort en baant zich niettegenstaande alle tegenstand een weg tot de koningstent waar zij haar klachten en boosheid over haar zoon uitstort. Maar in de roman trekt zij netjes zo als 't hoort met een gezantschap op weg, vergezeld van haar twee schone, fraai uitgedoste dochters; voorname jongelingen leiden de paarden der dames. Evenals Flore en Beauté in de Alexanderromans maken ze onderweg kennis met een paar van de vreemde ridders die ze naar het kamp vergezellen. Een van hen is de jonge vorst Parthenopaeus die „naar de Franse mode” gekleed is. Die wordt terstond op de schone Antigone verliefd, wier lichaam door het eenvoudig blanke purperen gewaad heen te zien komt, en dat bovendien tot aan de gordel toe open staat; heur haar is omwonden met zilverdraad. Onderweg voeren ze een levendige conversatie, zonder onfatsoenlike woorden, maar toch ook niet al te ernstig of deftig, integendeel schertsend en vriendschappelik. Hij vraagt haar dadelik of zij zijn vriendin wil zijn. Trots maar beleefd antwoordt zij dat die liefde wel wat al te spoedig in zijn werk zou gaan; zo iets kan men aan herderinnetjes vragen en aan andere lichte vrouwen, maar zij is maagd en koningsdochter en kan zich niet zo vlug tot zo iets lenen. „Maar daarom zeg ik niet” voegt zij er met haar aangeboren natuurlikheid bij—„en daar durf ik gerust voor uitkomen, dat ik u niet zeer lief kan hebben, indien gij van mijn eigen stand waart, en het uitgemaakt was dat ik uw vrouw zou worden. Want schoon zijt gij voor alle anderenen nooit zag ik zulk een edel heer.” Niets van dit alles vindt men bij Statius. Nu vertelt Parthenopaeus dat hij uit een koninklik geslacht is en dan vraagt zij hem er met haar moeder over te willen spreken. Die vindt alles zelf wel goed, maar zij wil toch de zaak eerst thuis met Eteokles overleggen en zo rijden ze verder; zo weinig bekommeren de jongelui zich over de vredesonderhandelingen dat zij wensten dat de tocht naar 't kamp nog lang zou duren. En als dan daarna Jokaste in de tent des konings over de „overeenkomst” onderhandelt, blijven de jonge ridders haar dochters gezelschap houden en maken ze 't hof (doneier) en ze vragen God de onderhandelingen niet al te gauw ten einde te brengen. Ismene, die in een goede leerschool geweest is, doet niets dan disputeren en weet haar tongetje aardig te roeren; zij verdedigt het standpunt van Thebe, terwijl Antigone met 't oog op Parthenopæus steeds aan de kant der Grieken staat. Zo oppervlakkig is het tragiese konflikt in Antigone voorgesteld. Wanneer de onderhandelingen mislukt zijn en de strijd opnieuw ontbrandt, zendt Parthenopæus het paard van een verslagen Thebaan als trofee naar zijn dame—zij en Ismene zitten juist onder de schaduw van een pijnboom naar het gevecht te kijken—en Antigone zendt hem haar groeten terug met een betuiging van haar gevoelens van liefde.—Intussen volgt Ismene met haar ogen de heldendaden van haar geliefde, de Thebaan Aton,—zij herkent hem aan de zijden mouw die hij als haar ridder draagt—en zij raakt door die heldendaden zo zeer in vervoering dat zij zweert hem te zullen belonen: Of ik nu een domheid bega of niet, maar ik geloof toch dat ik bij hem zal slapen.

Ook koning Eteokles had een liefdesavontuur, hij maakt de dochter van een zijner aanvoerders het hof,—en de aard van zijn verhouding tot haar wordt nog aangegeven door het zeer weinig fatsoenlike portret van zijn geliefde dat hij voor de grap op zijn schild heeft laten aanbrengen (ook graaf Willem van Poitou liet zijn vriendin op zijn schild afbeelden; hij wilde haar in de slag dragen die hem zo dikwels in het bed gedragen had). Zij had heel lang de gebeden van haar koning weerstaan, maar eens had haar vader een verraad begaan, en nu stond zijn leven op 't spel en Antigone leidde nu de jonge maagd naar haar broeder. Een pikant-aandoenlike scène,—die, gelijk zo dikwels in de middeleeuwse romans veel naïefs en ruws achter sentimentaliteit verbergt. Wij horen hoe schoon zij in haar verdriet is; van haar haar dat zij zich niet de moeite gegeven heeft op te maken; dekleine zachte mond welks volle lippen als gemaakt zijn om te kussen; haar ogen, glimlachend en vol liefde, die nu bedauwd zijn; haar tranen, schoner dan de glimlach van andere vrouwen; onschuldig ziet zij er uit, haar woorden klinken zacht. De koning kan zich nauweliks inhouden om haar niet vriendelik te gemoet te snellen, maar hij verliest zijn waardigheid niet uit 't oog en wil haar nu geen medelijden tonen die dit nooit voor hem had. Maar Antigone zal haar voorspraak zijn, en zij raadt hun aan elkaar barmhartigheid te tonen en zij slaagt er in de verzoening te weeg te brengen. En van nu af is Salamandre de vriendin des konings, dikwels trekt hij ten strijde om in haar ogen uit te blinken; wanneer ze alleen zijn, beloont zij hem daarvoor.

Maar bij een kamp, werpt Parthenopaeus de koning van zijn paard—doden wil hij hem niet, want hij hoopt immers zijn zwager te worden—maar verraderlik velt een van 's konings trawanten de jonge held, tot grote smart van Eteokles die zelf zijn zuster's hand voor hem bestemd had. Boven in een van de torens zitten juist Antigone en Salamandre bij hun borduurraam naar de strijd te kijken; vergeefs tracht de laatste de wanhopige koningsdochter in te houden.—„Gij zijt van koninklijk geslacht,” zegt zij eigenaardig genoeg, „en moet u kunnen beheersen, opdat men u niet lake,”—maar nog geen week later heeft Antigone zich dood geweend.

Dit alles is er bijgevoegd en de elegante figuur van de jeugdige Parthenopaeus ging even als de jonge liefde van Aton en Ismene reeds in de laatste helft van de 12deeeuw in de gemeenschappelike poëtiese schatkamer van de lyriek der troubadours en hun romans over.

Maar in de „Roman van Aeneas” kwamen er twee liefdes-episodes voor waarbij die in de roman van Thebe in 't niet verzonken. De gehele nationale achtergrond waarop in het Romeinse epos de avonturen van Aeneas zich aftekenen en van waar ze verlicht worden, is in de middeleeuwse roman natuurlik verdwenen. De Aeneis toch was een Romeins nationaal gedicht, geschreven ter verheerliking van het Romeinse keizerschap om de stichting van het rijk aan het overoude, eerwaardige Ilium te verbinden en het onder de bescherming der eeuwige machten te plaatsen; dat alle avonturen van Aeneas, van de val van Ilium af tot de opoffering van Dido toe, schakels zijn in de keten van een goddelike wereldorde, die tot het Augustiaanse keizerrijk leiden moet,—dat is de idee die grootheid en waardigheid, ethiek en pathosover alle personen en gebeurtenissen van het gedicht werpt. Maar in de Middeleeuwse roman schrompelden die reuzenafmetingen in tot een heel weinig belangrijk geschiedenisje van een vluchteling, die met enige schepen omdwaalt, gastvrij door een koningin ontvangen wordt, die hem lief heeft, maar die hij trouweloos verlaat, waarop hij grond in Latium verwerft en in de strijd het rijk en de koningsdochter weet te veroveren. Een avontuurlike roman zoals b.v. Apollonius van Tyrus dat geweest was, en zonder dat er sprake is van noodlot of een missie. De enige hoofdepisode is zijn liefdebetrekking tot de koningin van Carthago. De vorstin die evenals Medea in de oude saga een vreemdeling haar liefde schenkt maar door hem verlaten wordt, heeft bij Virgilius een myties-heroiese grootheid over zich en er is iets van een natuurmacht, iets van een noodlot in de liefde van die twee en haar dood. In de Franse roman daarentegen is het niets dan een avontuurtje tussen een man en een vrouw, die hun luimen volgen en zelf hun noodlot bezegelen. Naïef wordt er eerst verhaald hoe Aeneas, vergezeld door Ascanius, op bezoek komt in het slot van Dido; in de roman bepaalt zich de goddelike interventie tot het feit dat Venus het gift van de liefde op de lippen van de knaap uitgegoten heeft, en terwijl onder het bezoek dan eens de gastvrouw, dan eens de vader dat lieve kind kussen, zuigen ze beiden de liefde in. Vooral vlamt die in Dido op en als zij des avonds hare gasten op 't slot naar bed heeft gebracht, „kan zij er zich nauweliks toe brengen weg te gaan”. Familiaar en realisties wordt dan haar slapelooze nacht geschilderd. Waar Virgilius zich vergenoegt met te zeggen dat „de liefde-onrust gunt geen slaap haar in de ogen”, gaapt hier de heldin, rekt zich uit, zucht, denkt er over na hoe hij was en wat hij zeide; zij zoent het hoofdkussen en omhelst het, terwijl zij zich verbeeldt dat zij hem naakt in haar armen sluit. Met zulke détails schilderde ook de troubadour van Provence de slapeloze nacht van zijn geliefde. Met de dageraad staat ze op en roept haar kamenier niet, maar ijlt terstond naar haar zuster Anna. Bij Virgilius houdt zij dan een lange pathetiese rede tot haar zuster volgens alle regelen van de kunst, over haar liefde tot de vreemdeling, maar ook over de eed die zij haar gestorven echtgenoot gezworen had dat zij eeuwig weduwe zou blijven. Naïef, maar natuurgetrouw heet het in de roman: „Anna, ik geloof dat ik niet langer kan blijven leven, zuster!”—„Wat is er dan gebeurd?”—„Ik ben mijzelf niet meer, ik kan het niet meer verbergen: ik heb lief.”—„Enwie is het?”—„Dit zal ik je zeggen, het is voorwaar hij...” Maar wanneer zij zijn naam zal noemen, valt zij in zwijm en kan zij pas later voortgaan. Haar zuster antwoordt ook niet in zulk een deftige speech als de Anna van Virgilius, maar tracht haar te doen begrijpen,—prakties en cynies, als later zo dikwels de koppelaarsters in de ridderromans—dat die trouw jegens een afgestorvene nu niet zo heel veel betekent, dat zij van hem toch geen plezier kan hebben of een erfgenaam krijgen; het is een goed waar woord: „laat de doden voor de doden en de levenden voor de levenden zorgen.” Er moet toch ook iemand zijn om het land te verdedigen.

Nu geeft de koningin zich geheel en al aan haar passie over en onder het samenzijn met Aeneas groeit die de volgende dagen steeds aan; zij weet niet wat zij doet, vraagt haar gast duizend maal hetzelfde en vertelt hem los en vast, alleen maar om met hem te kunnen praten. Om haar gedachten te verzetten—hier worden de gebeurtenissen weer, als gewoonlik bij de Middeleeuwse dichters, zuiver psychologies gemotiveerd zonder het Virgiliaanse godenapparaat—arrangeert zij een jachtpartij. En gedurende die jacht is het dan dat Aeneas en Dido in een grot een schuilplaats zoeken voor een onweer. „Die dag was het begin van dood en ongeluk; om decorum en haar reputatie geeft zij niet meer, zij vraagt niet om heimelike liefde, zij spreekt van een huwelik en verschoont haar val met deze naam.” In die kuise algemene bewoordingen duidt Virgilius aan wat detrouvèrezich niet geneert rond uit te zeggen: „Daar zijn die twee nu alleen tesamen, hij doet met haar wat hem lust, veel geweld hoeft hij niet te gebruiken. De koningin weigert hem niets, maar geeft hem zijn wil; lang had zij er zelf naar verlangd.” Bij Virgilius waar alles goddelik bestierd is met het oog op de missie van Aeneas, is het eigelik alleen Dido die lief heeft en wanneer Mercurius kort daarna Aeneas beveelt verder te trekken, gehoorzaamt deze zonder aarzelen. Maar hier voelt hij twijfel en gewetenswroeging, voor dat hij zijn besluit nemen kan. En 't duurt niet lang of Dido doorziet zijn plannen. Bij Virgilius raast Dido dan als een furie of een Bacchante in het paleis en de stad rond en giet in lange tirades haar klachten over de verrader uit, haar verwijten, haar woede en haar vloek: zij wenst zijn dood en verzekert dat zij als een zwarte furie om zijn lijkstoet zal fladderen. Anders bij de Franse Dido, zij is in 't kristendom opgevoed en in de wereld der baronnen en spreekt met heel wat meer vrouwelike ingetogenheiden zachtheid, zij smeekt om medelijden, vraagt hem of zij iets misdaan heeft, is bang voor haar baronnen die er al lang boos over waren dat zij zich met de vreemdeling ingelaten heeft, en zegt dat het haar dood zal zijn. Wanneer Aeneas weg zeilt, gaat zij de vrijwillige vlammendood tegemoet op die zelfde kussens waarop zij zijn liefde genoten heeft en kust het bed en zijn feestklederen, ten teken dat zij hem vergeven heeft. Terwijl de vlammen haar schone, blanke, zachte lichaam lekken, is „Aeneas” het enige woord dat zij er nog uit kan krijgen. Haar as wordt in een urn gedaan waarop geschreven staat: „Hier rust Dido die voor haar liefde in den dood ging; nooit was er een betere heiden, als zij alleen maar niet plotseling door liefde was getroffen, maar haar liefde was misdaad.” Terwijl Virgilius in Dido's dood alleen maar een grote hartstocht zag in haar schoonheid als natuurmacht, werd die voor de middeleeuwse dichter een voorwerp van aandoening en medelijden, een zedelik afschuwwekkend, maar ook stichtelik voorbeeld.

Later landt Aeneas dan in Latium, waar koning Latinus heel spoedig geneigd blijkt de vreemdeling als zijn schoonzoon en erfgenaam aan te nemen, terwijl de koningin haar dochter Lavinia aan koning Turnus wil geven, die oudere rechten op haar kan laten gelden. De betrekking tussen Aeneas en Lavinia, bij Virgilius vluchtig aangeduid, maar misschien meer uitgewerkt in een niet overgeleverd later Latijns gedicht, wordt in de roman aangegrepen als een welkome aanleiding om daar weer een andere lang uitgesponnen liefdesgeschiedenis aan vast te knopen, waarin het onschuldige verliefdheidje van de jonge koningsdochter een schone tegenstelling vormt met de hete, ervaren passie van de vorstelike weduwe.

Lavinia's moeder wil haar kind liefde voor Turnus doen voelen en tracht haar nu te verklaren wat liefde eigelik voor een eigenaardige koorts is. Maar als 't jonge meisje die beschrijving hoort, is 't enige wat zij daaruit afleidt, dat zij zich die ziekte wel van 't lijf zal weten te houden. Dan verklaart haar moeder verder hoe die ziekte juist zijn geneesmiddel in zich draagt, hoe er vreugde welt uit tranen en uit het bittere, zoet; laat zij maar even naar 't beeld van Amor kijken, die heeft pijlen maar ook een doos met zalf tegen de wonden door de pijlen veroorzaakt. Dit helpt alles niets, het jonge meisje wil haar rust bewaren. Deze hele scène herinnert aan de zoetsappige naïeveteit in „Daphnis en Chloë” of andere latere klassieke liefderomans. Intussen krijgt Laviniaonder een wapenstilstand van uit haar torenkamer Aeneas in het oog in het vijandelik kamp, en op 't zelfde ogenblik wordt zij door een liefdepijl gewond. Zij opent haar kamerdeur om hem beter te kunnen zien en vraagt nu zich zelf af—evenals Chloë—wat er toch eigelik is. Zou dat de ziekte zijn waar moeder onlangs over sprak? Maar waar zou de medicijn dan blijven die Amor, zoals moeder zeide, medebracht? Ik ben bang dat de doos verloren is en de zalf weg! Maar ik moet verbergen wat mij scheelt. Moeder zal woedend zijn dat ik de erfvijand liefheb. En zij blijft zo in zich zelf praten; daar komt het innerlike drama van het gehele zieleleven te voorschijn, waar de klassieken en de geestelike literatuur het oog der middeleeuwse schrijvers voor geopend hebben en die de romans van nu af, in eindeloze spitsvondige dialogen met zich zelf, trachten weer te geven. Een ogenblik denkt zij er werkelik aan zich tussen Turnus en Aeneas te verdelen, maar zij zet die lelike gedachte van zich af: ware liefde gaat slechts van één tot één; men kan tegen velen glimlachen, maar hij die meer dan een wil liefhebben, houdt zich niet aan de voorschriften der liefde. Zij denkt er over een boodschap naar Aeneas te sturen maar durft toch de eerste stap niet doen, hij mag toch niet denken dat zij lichtvaardig is. De gehele dag zit zij te staren in de richting die hij genomen heeft, en 's nachts ligt zij slapeloos te klagen dat Amor zo wreed is een arm, weerloos jong meisje te overvallen. Wanneer de koningin de volgende dag haar dochter zo bleek en afgevallen ziet verschijnen, begrijpt zij heel gauw wat haar scheelt en letter voor letter—in hele korte vragen en antwoorden, bijna als in de Latijnse komedies—weet zij de naam van het „voorwerp” uit Lavinia te halen. Verbitterd dat dit nu juist Aeneas moet zijn, tracht zij Lavinia tot andere gedachten te brengen door de ruwste en verschrikkelikste beschuldigingen tegen hem in te brengen, hoe Aeneas aan de paederastie doet,—ook dit duidt op een laat klassieke bron voor deze episode. Maar het helpt alles niet; wanneer het jonge meisje alleen gebleven is, schrijft zij een brief „tot en latin”, waarin zij Aeneas haar liefde bekent en om de zijne vraagt. Zij bindt die brief aan een pijl en weet door een list een boogschutter er toe te krijgen die naar het vijandelike kamp te schieten. Die liefdegroet is wel enigsins onvoorzichtig, maar bereikt toch zijn doel. De pijl valt naast Aeneas neer, die ziet de brief, leest die en kijkt in de richting van de toren waar zij hem kushanden toe staat te werpen. Als in de Noordfranse romances is het jonge meisje het nog dat het initiatiefneemt; wij zijn nog niet tot het troubadour-standpunt gekomen. Aeneas neemt de toenadering goed op en staat van nu af dikwels naar de toren te kijken, tegenover zijn mannen doet hij heel naïef, net alsof het de toren zelf is die hij bewondert, maar zij begrijpen er alles van en plagen hem met allerlei toespelingen. Maar het is ook hier altijd de vrouw die 't meest door de liefde geplaagd wordt als in 't geval van Dido; maarhijvindt niet dat het geheel en al met zijn waardigheid strookt om te laten merken dat hij verliefd is en hij laat zich daarom soms een ganse dag niet zien. „Hij die een vrouw wil liefhebben, zo redeneert hij, moet zijn hart niet al te haastig voor haar openen, hij moet zich enigsins op een afstand houden, want als de vrouw weet dat zij de sterkste is, krijgt hij dat spoedig te voelen.” Wanhopig begint Lavinia hem reeds van al dat slechte te verdenken dat haar moeder haar voorgelogen heeft en besluit hem van nu af te haten,—„als ik hem tenminste van ganser harte haten kàn”; maar wanneer zij hem tegen de avond voorbij ziet rijden, zelf onder de indruk van wat zijn liefde hem doet ontberen, krijgt zij berouw over haar boosheid. „Ach! het duurt te lang voor hij zijn recht van mij opeist. Zoete vriend, te voet zou ik naar uw tent willen gaan, het zou mij een genot zijn smart voor u te voelen.” Het is als 't gevoel voorAbélardvoor Héloise die zijn slavin wilde zijn. Zelfs als Aeneas eindelik Turnus, zijn mededinger, geveld heeft en recht heeft op het rijk en de prinses, houdt hij haar nog lang in haar smartelike onzekerheid; uit een soort trots of een soort verfijnde wreedheid wacht hij nog met zijn bezoek bij haar, en zij is verdrietig, daar zij denken moet dat hij haar veracht omdat zij de eerste stap gedaan heeft. Totdat ten slotte de kroningsfeestelikheden en de bruiloft op één dag plaats hebben.

De episoden van Dido en Aeneas zowel als Lavinia en Aeneas bleven een voorbeeld voor talrijke latere ridderromans. Dit was over het algemeen ook met de roman van Aeneas het geval, niet alleen wat betreft de schilderachtige beschrijvingen, maar ook wat de levendige gesprekken aangaat, pikant gepointeerd, toen reeds echt Frans-spiritueel.

Maar ook deze roman werd in de schaduw gesteld door een andere en latere navolger—het enorme werk vanBenoît de St. More—de „Roman van Troje”, een gedicht uit ± 1160 en dat in vele opzichten onder de invloed van zijn twee voorgangers staat.

Van alle verhalen uit de oudheid was er geen één dat de Middeleeuwenzo bezig hield als dat van Troje. Evenals de Romeinen van de gevluchte Trojanen heetten af te stammen, zo trachtten zowel patriciese geslachten, enkele steden, als verschillende volken—Franken zowel als Britten—hun oorsprong tot Troje op te voeren. Reeds in de 7deeeuw kan men in de kroniek van Fredegarius lezen dat de Franken van Francio, de zoon van koning Priamus afstammen en in de offisiële dokumenten der Franse koningen komt die bewering voortdurend weer voor den dag. In een kroniek van de 9deeeuw beweren de Britten van hun kant ook van Troje te komen door een afstammeling van Aeneas, genaamd Brutus, waar ook de naam Britten dan vandaan zou komen. En er waren ook reeds heel wat Latijnse kronieken en Latijnse gedichten over de val van Troje geschreven, vóór een geestelike zich er nu toe aangordde om een berijmde roman over de beroemdste van alle klassieke verhalen te schrijven.

Zijn bron was niet Homerus, maar twee Latijnse prosawerken, die respektievelik Dares en Dictys als schrijver noemden en die vrij korte uittreksels schijnen te zijn van Griekse of Latijnse werken uit de latere classiciteit.

Het was een heel wat andere vorm waarin de geschiedenis van de verovering van Troje zich hier deed kennen dan bij Homerus. Alle twee de schrijvers doen zich voor als betrouwbare historici die zelf als ooggetuigen de gebeurtenissen hebben bijgewoond, dageliks hun dagboek daarover hebben bijgeschreven—Dares aan de kant der Trojanen, Dictys bij de Grieken—en die nu droog, kort en nauwkeurig, alles mededelen zoals dat een geschiedkundige uit de school van Thucydides en Sallustius past, zonder de partijdige leugens of de poëtiese fabelen van Homerus, en dus ook zonder de godenwereld die hij er zo kinderachtig bij haalt.Benoît de St. Morein zijn Roman van Troje, gelooft vast en zeker dat zijn autoriteiten zelf in het Griekse en Trojaanse kamp rond hebben gedoold, maar dat verhindert niet dat hij zelf de droge mededelingen van zijn geschiedschrijvers met alle details aanvult die hij maar te pakken krijgen kan. Hij is uitstekend thuis in de wereld der Franse heldendichten en er lopen hem gedurig formulen en citaten daaruit in de pen; gevechten en verwondingen schildert hij ook met grote kennis van zaken en er ligt over zijn verzen iets van het strijdgenot zelf, de „gaudia certaminis” der heldendichten, wanneer er in de horen geblazen wordt, de wapens in de zon schitteren, de banieren over het strijdgewoel waaien en de zwaarden tegen de helmen dreunen; het is dan ook zekerwel uit zijn hart gesproken wanneer een der helden van de oorlogszuchtige geestelike zegt: dat men nooit naar priesterraad luisteren mag, dat zijn altijd lafaards, die moeten thuis blijven, in de kerk bidden en zich niet met ridders bemoeien. Maar de romanticus die hij is, weet heel goed dat het leven in de Griekse oudheid er anders uitzag dan in Frankrijk ten tijde van Lodewijk de zevende en hij amuseert zich zelf zowel als zijn lezers met alle fraaiigheden op te dissen die hij maar vinden kan. Hij vertelt van lijkverbranding en de spelen die daar bij plaats hadden, „want dezulken lees ik dat men in die dagen arrangeerde wanneer er een held gestorven was.” Aan de verhalen over de kruistochten en aan het Oosten ontleent hij—evenals zijn voorgangers—heel wat exotiese kleur, nog meer bovennatuurlike natuurkunde en stukjes naïeve middeleeuwse kosmografie. Alles wat oud is en vreemd en merkwaardig, is voor hem één en hij zwelgt er gewoon in. Wat weet hij al niet te vertellen? Van de stad Troje, waar alles van marmer is en de straten geplaveid waren en gedeeltelik overdekt, zodat men er lopen kon zonder vuil te worden. Over het slot van Priamus dat hij bij zijn beschrijving versiert in de trant van de tempel van Salomo in het Boek der Koningen, of van het zonnepaleis bij Ovidius of het keizerlik paleis te Byzantium; in elke zuil en in elk kapiteel zijn bloemen- en dieren-versieringen gebeeldhouwd (als in de Romaanse kerken), de ramen zijn van kristal en in de kamers vindt men gouden standbeelden. Bizonder merkwaardig is „de Kamer der Schoonheid” die haar licht alleen kreeg van al de edelstenen, waarvan de vloer en de muren, de zuilen en de zoldering samengesteld waren—dezelfde waar ook het nieuwe Jerusalem in de openbaring van Johannes mede was opgebouwd,—en aan de zuilen waren weer beelden aangebracht die gelijk automaten dansten en speelden, bloemen op de grond strooiden en welriekende geuren verspreidden. Dan vertelt onze geestelike verder van al de prachtige en wonderbare kleêrdrachten die de Trojaanse dames aan hadden—al de nieuwe kleurrijke stoffen van de Levant met bonte patronen—en over de kleedij der soldaten, hun wapens en hun prachtige fantastiese schildversieringen, de met edelstenen bezette gouden helmen, hoeden van Indiese vogelveren, de mantel van Hektor uit rood laken van Saragossa, met vergulde leeuwen bedekt, met hermelijn gevoerd en met een rand van zwart sabelbont; de witte zijden paardendekken met vergulde bellen; strijdwagens van ivoor, de wielen van ebbenhout met goud beslagen. Zulke wonderwerken zijn dan natuurlikdoor tovenaars gemaakt of een geschenk van feeën. Wij horen ook van Centauren die aan het gevecht deelnamen en met pijl en boog schieten,—gelijk men ze onder de figuren van de dierenriem der Romaanse kerkportalen in steen uitgehouwen kan zien. Ten slotte vindt Benoît nog gelegenheid om, naar een fabuleuze wereldbeschrijving van voor de tijd van Karel de Grote, een heel overzicht te leveren over de merkwaardige landen en rivieren en volkeren van het Oosten.

Ook de persoon zijner helden weet hij te beschrijven tot in de kleinste détails. Hier had hij de eigen woorden van Dares om zich aan te houden. Bij Dares en zeker ook wel bij Dictys waren er een hele reeks karakteristieken te vinden van alle personen, hun innerlik zo wel als hun uiterlik,—in de compendia die tot ons gekomen zijn, werken die met de nauwkeurige opgave van alle kentekenen als een soort offisiële pas. Het is waarschijnlik een soort uitvinding der rhetoren, net als de nauwkeurige beschrijvingen die men er plezier in had van kunstwerken te geven,—dergelijke voorstellingen van de optredende personen door een korte opgave van uiterlike en innerlike trekken kennen trouwens ook de IJslandse sagen. Van Grieken zowel als Trojanen worden door onze exacte, realistiese geschiedschrijvers de eigenaardigheden, maar ook de ondeugden opgesomd. Helena heeft een moedervlek, Briseis wordt enigsins ontsierd door haar samengegroeide wenkbrauwen, en er is ook iets niet in orde met Priamus die enigsins vreemd spreekt. Neoptolemos heeft een te dikke buik en grote ronde ogen; die had de rechten bestudeerd en kon verzen maken; de kleine dikke roodharige Aeneas is wel verstandig, maar denkt altijd 't eerst aan zijn eigen voordeel. Paris die anders zo schoon is, loopt toch met een enigsins kromme rug. Zelfs van Hektor kan men bij Dares lezen dat hij scheel is en stottert. En zo moet ook detrouvèrewel in alle eerlikheid toegeven dat zijn lievelingsheld „wel iets schoner had kunnen zijn” en dat hij niet alleen iets of wat stotterde maar ook aan beide ogen scheel zag,—„wat hem toch volstrekt niet misstaat” haast hij zich er bij te voegen. En niettegenstaande al die kleine gebreken houdt hij de baronnen van de 12deeeuw toch al die Grieken en Trojanen voor als de typen van „hoofsheid” en ridderlikheid. Detrouvèrewil juist in zijn gedicht de grotere beschaving der Grieken als een ideaal zijn tijdgenoten voorhouden. Hij doet b.v. uitkomen hoe daar in de oude tijd de gezanten zeker konden zijn dat ze nooit overlast zouden lijden,—iets wat hun in de Franse„chansons de geste” voortdurend overkomt. Hij prijst Achilles in tegenstelling met de baronnen der heldenpoëzij daarvoor, dat hij nooit nà tafel onder een beker wijn zou blijven zitten pochen. Wanneer Achilles en Hektor voor de tweekamp tegenover elkaar komen te staan, beginnen zij eerst alle twee te snoeven en te dreigen—zoals dat in de heldenpoëzie gewoonte was—maar Hektor breekt plotseling af en zegt dat hij zijn mond niet vuil wil maken met dingen waardoor de mens niet beter wordt. Theseus waarschuwt in het gevecht Hektor dat hij zich in de hitte van het gevecht te ver van zijn mannen gewaagd heeft, later krijgt Hektor gelegenheid hem een dergelijke dienst te bewijzen. Maar detrouvèrevindt het heel lelik wanneer Hektor eens een gevallen vijand plundert,—iets wat de krijgers in de heldengedichten kalm doen en men ook op het wandtapijt vanBayeuxziet gebeuren.

De Trojanen—aan wier zijdeBenoîtstaat evenals de gehele Middeleeuwen—overtreffen de Grieken in hoofse vormen. Elke avond, wanneer zij de strijd verlaten en hun wapenrustingen uitgetrokken hebben, worden ze tot fijngekultiveerde mensen. Wanneer Hektor thuis komt, gaat hij eerst zijn mannen in hun nachtverblijf opzoeken, en geeft order om de gewonden goed te verzorgen en spreekt hun moed in. Dan pas gaat hij naar zijn kasteel en dan trachten de dames om strijd hem zijn wapenrusting uit te trekken,—nooit zouden zijn schildknapen dat mogen doen. Eens komt hij gewond thuis, het valt hun lastig hem zijn bebloede rok uit te trekken, zijn echtgenote Andromache weent, en hij wordt in een prachtig bed gelegd in de „chambre de beauté”, waar een beroemd geneesheer de wonden komt behandelen. Vóór hij in slaap valt, komt zijn oude vader, „de edele, hoofse koning Priamus”, angstig naar hem informeren, maar Hektor antwoordt geruststellend. Steeds wordt de oude man grote eerbied bewezen; de kinderen zijn er altijd op uit hem zo min mogelik verdriet te doen en wanneer de koningin der Amazonen, na de dood van Hektor, de stad ter hulpe snelt, is zij vol medelijden met de oude koning, want hij weent groteliks over de zonen die hij verloren heeft. En als een goede, edele vrouw troost zij hem zo goed als ze kan. Gelijk het ook in de raadsvergaderingen heel wat meer parlementair en beschaafd toe gaat dan b.v. in het Rolandslied—Hektor is het met een voorslag niet eens en argumenteert er tegen, maar zegt ten slotte dat hij zich natuurlik niet wil verzetten tegen wat de anderen het beste zouden vinden,—zo is er ook altijd dewarmste, schoonste verhouding tussen alle leden der koninklike familie, de schoondochters inkluis. Iedereen kust daar iedereen,—en overal. Angstig volgen de dames overdag de strijd van de muren af, 's avonds komen de vorsten de dames in de „kamer der schoonheid” bezoeken; hier praten ze gezellig met elkaar en de oude koningin maant alle aanwezigen in bewogen woorden aan om „lor cors, lor terre et lor aveir” eensgezind te verdedigen. Tegenover Helena zijn allen louter galanterie; reeds dadelik toen zij naar Troje kwam, was koning Priamus haar tegemoet gereden en had haar paard bij de teugel de stad ingeleid; nooit krijgt zij het minste verwijt te horen, hoogstens kan Hektor eens op een manier, die ons niet heel delikaat lijkt, een grap verkopen over „haar twee echtgenoten”, die zij nu samen kan zien vechten.

Hoofse beminnelikheid, een milde zachte humaniteit is het voor Benoît waar men de ware adel aan herkent. Reeds die hiervoor genoemde „signalementen” hadden dit bizonder doen uitkomen, maar de geesteliken gaan hierin veel verder. Achilles was „nimmer zwaarmoedig en korzelig, maar opgewekt, milddadig en royaal”,—Patroklus is een innemend, beminnelik ridder, die niets gesteld is op boosheid en verdriet; van de dikke Polidarius heet het daarentegen dat hij zwaarmoedig was en nooit van vrolikheid hield, wat een berisping verdient. Priamus wordt geprezen wegens zijn zachte lieve stem en omdat hij zo veel hield van liederen en geschiedenisjes. Maar vóór allen is Hektor het ideaal van een ridder. Zijn „cortesie” is zo groot dat Grieken zowel als Trojanen in vergelijking met hem „gewone boeren” zijn, nooit gebruikte hij lelike woorden of sprak hij kwaad, altijd toonde hij zelfbeheersing, alleen gaf hij te graag alles weg, en gaf niets om goud of paarden of edelstenen, „alleen zijn edel gemoed hield hij voor zich”.

Maar toch,—de natuur gaat boven de leer, en telkens als detrouvèrezich eens goed en van nabij in de stof inleeft, vergeet hij dat hij zich in een hogere, meer ideale sfeer moet bewegen en dan haalt hij, evenals de dichter van de roman van Aeneas, alles in de nuchtere naïeve werkelikheid neer waar hij thuis hoorde.

Een van de schoonste scènes van de Ilias is die waar Hektor naar zijn woning gegaan is om voor de strijd van zijn vrouw afscheid te nemen, maar haar met zijn kind en de voedster tegen komt, vol onrust en angst. Zij smeekt hem om thuis te blijven. „Vrouwe, dit alles bekommert mij ook,” antwoordt hij, maar het is zijn plicht om ten strijde te trekken... en dan wil hij zijn jongen in de armen nemen, maar die is bang voor 't „golvende, dehelmkam dekkende paardhaar” en kruipt weg, zodat vader en moeder elkaar in een gelukkige glimlach over hun kind ontmoeten. Nu neemt Hektor zijn helm af en kust zijn jongen en wiegt hem in zijn armen, bidt voor hem tot de goden en legt hem dan weer aan moeder's borst, door haar tranen heen glimlacht zij en drukt hem tegen zich aan. Dan scheiden ze van elkander, en zij gaat de zware weg naar huis; „zijn vrouw ging talmende huiswaarts, telkens het hoofd weer wendend en hevige tranen vergietend”. Van deze hoogte—de meest gevoelvolle innigheid, maar beheerst door natuurlike adel en een zuiver plichtgevoel—was reeds de voorstelling bij Dares diep gezonken. Andromache heeft in haar dromen voorspellingen gekregen en heeft Hektor gebeden thuis te blijven, maar hij verwijt haar die „vrouwelike woorden” en in haar angst zendt zij iemand naar Priamus met de vraag zijn zoon te verbieden die dag ten strijde te trekken. Als Hektor dat hoort bromt hij op zijn vrouw en beveelt haar zijn wapens te halen. Vergeefs tracht Andromache op zijn gemoed te werken door hem de knaap toe te steken, haar klachten doen de mensen er bij komen en nu ijlt zij zelf weg naar Priamus... BijBenoîteindelik is alle hoogheid uit die scènes verdwenen, die zijn zo brutaal en woest dat de hoofse Hektor niet meer te herkennen is. „Dat verwachtte ik wel dat er geen greintje gezond verstand meer in je is,” zegt hij hard tot zijn vrouw, en het scheelde niet veel, zegt de dichter of hij had zijn vrouw geslagen. De oude Hekuba komt er nu bij en tracht de held tot betere gedachten te brengen, maar hij doet niets dan bedreigingen tegen zijn vrouw uiten. Terwijl hij zijn wapenrusting aantrekt, slaat zij zich wanhopend op haar borst, trekt zich de haren uit, werpt zich voor haar man op de knieën, terwijl hij juist zijn kniestukken aangordt, en houdt hem het kind smekend vóór, „dat kleine kind, dat gij uit uw eigen vlees gewekt hebt” en dat nu vaderloos zal worden. Maar Hektor is woedend en wil weg. Schreeuwend ijlt Andromache de stad door naar Priamus; als de oude man haar aangehoord heeft, zucht hij bang en diep, kijkt voor zich heen, tranen biggelen op zijn kin en kleêren; met moeite stijgt hij te paard en rijdt weg. Midden op de straat treft hij zijn zoon, „zwetend van boosheid”, met een rood gezicht en opgezwollen ogen, alsof hij geweend had. Nu verbiedt hij hem te gaan strijden, en brommende en scheldende op die gekke vrouwen moet Hektor naar huis terug; niemand durft hem aankijken en hij is er niet toe te brengen zijn wapenrusting af te leggen.

Van het hoge van Homerus en de „Sitte” is hier niets meer over, maar de middeleeuwse dichter heeft alles fris en zelfstandig beleefd. Maar evenals in de roman van Aeneas is het toch vooral in het liefdeleven dat de innerlike wereld, die tot nu toe alleen de theologen hadden nagegaan, zich nu voor de fantasie van de dichter opent. Nog meer dan de „roman d'Enée” zou de roman van Troje een voorbeeld voor de lateren worden door zijn beroemde schilderingen, waarin het vrouwenhart zijn liefdeleven blootlegt.

Het is Medea, de Colchiese koningsdochter, die op de vreemdeling verliefd wordt, welke zij in haar vaders burcht ziet. Tegen de nacht beraamt zij een ontmoeting met Jason. Ongeduldig zit zij in haar kamer te wachten, kijkt steeds weer of de maan nog niet op is en gaat aan de zaal staan luisteren of de mannen zich nog niet gereed maken om naar bed te gaan. „Hebben die nu gezworen dat zij nooit naar bed zullen gaan?—de nacht is weldra half voorbij”, klaagt zij. Nu begint zij zich een beetje over zich zelf te schamen, gaat op haar bed zitten, staat weer op, opent het raam en merkt dat de maan al op is. Nu wordt het in de grote zaal ook stil, zij ziet dat de kamerdienaars daar de bedden al opmaken, en tegelijk ziet zij dat Jason zich ook te slapen legt; nu zendt zij haar oude cameriere om hem te halen. Maar de dienstmaagd zegt haar dat zij nu in bed moet gaan liggen, „dat is veel meer zoals het hoort”, en doen alsof zij slaapt. Dat doet ze dan ook en speelt een hele komedie wanneer hij komt; gemelik en bedeesd vraagt zij wat hij wil, nu was zij na al dat lawaai in de zaal juist zo heerlik in slaap gevallen. In alle vormen van de troubadour „geeft” Jason „zich aan haar over” als zijn heerseres „en smeekt haar zijn eed van hulde te aanvaarden als haar getrouwe vazal”. En wanneer hij haar bij het beeld ener godheid zijn trouw bezworen heeft, brengen ze samen de nacht in liefdegenot door. Dat is een Medea, die vanBenoît, welke heel ver afstaat van de kuise en trotse jonge Medea van de Griekse dichter, Apollonius van Rhodus, in wier ziel de hartstocht langzamerhand de overmacht krijgt en zelfs heel wat anders is dan die van Ovidius in wie verstand met hartstocht strijdt. Die vanBenoîtis misschien nog 't meest verwant aan de Saraceense vrouw uit de gedichten der kruistochten of de dochter van de Wildeman in de oude verhalen: de heidin die woest op de gevangen held verliefd wordt, hem verlost en zo nodig helpt om haar eigen vader te doden.

Fijner en meer gecompliceerd is de liefde in een andere episodegeschilderd, die de grootste literair-historiese betekenis gehad heeft. De geschiedenis van Troilus en Briseis geeft in een kort bestek—waarschijnlik niet doorBenoîtzelf gevonden, maar iets wat hem in een uitgebreider versie van Dares voorlag dan die welke wij nu kennen—een staaltje van alles wat Ovidius geleerd had over de onbestendigheid en de erotiese behaagzucht van de vrouw. Het lag voor de hand Helena zelf als het type van vrouwelike zwakheid en veranderlikheid op te vatten en dat had Ovidius in zijn „Heroiden” dan ook gedaan. De brief waarmede zij op de liefdebetuigingen van Paris antwoordt, die hij haar in de handen heeft weten te spelen, terwijl hij te Sparta als gast vertoeft, is een meesterstuk van koketterie en slimheid en wispelturigheid. Zij begint hem met verwijten te overladen dat hij haar zo beledigt en de gastvrijheid zo misbruikt en wijst verontwaardigd zijn aanzoek af. Maar dan voegt zij er bij dat zij eigelik al lang de taal zijner ogen en zijn zuchten verstaan heeft en dat zij gelezen had wat hij in de wijn geschreven had die er op tafel gemorst was; zij was heus bang geweest dat haar man iets gemerkt zou hebben. Zij geeft toe: hij is schoon... laat er een woordje van los dat hij ook niet de eerste is die om haar gezucht heeft,... spreekt van haar man... van haar reputatie... laat onbewust—of waarschijnlik met opzet—merken hoe verliefd zij zelf is... en zegt ten slotte dat Paris in elk geval veel te haastig in zijn werk gaan wil en oogsten wil terwijl het gras nog groen is; ofschoon... de gelegenheid nu juist schoon is terwijl haar man juist afwezig is... en zegt dat, mocht hij haar nog iets mede te delen hebben, hij verzocht wordt gebruik te maken van twee van haar maagden die zij hem als trouwe en ook betrouwbare helpers noemt.

Maar al ligt nu ook de skepsis van de libertijn Ovidius aan de figuur van Briseis ten grondslag, toch heeft de Oosterse verachting voor de vrouw en de angst der monniken voor haar er ook toe bijgedragen. Het monnikenkristendom dat de vrouwen vijandelik tegenover stond, kreeg er nooit genoeg van de trouweloosheid van de vrouw af te schilderen en om naar de talrijke spreekwoorden en exempelen daarvan in de bijbel te verwijzen, van Eva tot Dalila. En door de Latijnse verzamelingen van vertelsels, zoals de geschiedenis van de Zeven Wijzen, zowel als langs de mondelinge weg werden de Middeleeuwen met een rijke keur van histories voorzien over de sluwheid en de valsheid van de vrouw. Die geschiedenis welke de Middeleeuwen het best kende was het relaas dat men al bij de Latijnse schrijver Petronius vindtonder de titel van „de Weduwe van Ephesus”, een weduwe die zich ontroostbaar in het grafmonument van haar man heeft opgesloten, maar zich al een van de eerste nachten aan een soldaat geeft, die op het kerkhof onder een paar galgen de wacht houdt, terwijl zij zelfs medehelpt om het lijk van haar man aan de galg te hangen, in plaats van een dief die heeft weten te ontkomen, om op die manier de soldaat voor straf te vrijwaren.

Briseis is de dochter van Calchas. Haar vader heeft de Trojanen verlaten en zich bij de Grieken aangesloten, maar zij is te Troje achtergelaten en tussen haar en Prins Troilus is er een zekere verstandhouding. Zij is schoon, vriendelik, zachtaardig, hij is elegant, opgeruimd en zacht, met ogen die van vreugde en tevredenheid schitteren. Maar wanneer er gevangenen uitgeleverd zullen worden, verlangen de Grieken dat ook de dochter van Calchas teruggezonden zal worden en de Trojanen moeten dat beloven. Briseis is wanhopend, de laatste nacht brengt zij met Troilus onder omhelzingen en tranen door; met die tranen die uit de ogen neerstromen vermengen zij hun kussen, zoals zo dikwels in de Griekse romans. Twee gelieven te scheiden, roept de dichter vol medelijden uit, is een zonde daar men hard voor moet boeten. De volgende morgen moet zij nu alles inpakken, zij kleedt zich in haar fraaiste plunje—haar kleed is uit Indië, het heeft zeven kleuren—gaat van alle koninklike prinsessen afscheid nemen en trekt weg door verscheidene prinsen vergezeld. Troilus houdt de leidsels van haar paard vast. Bij het afscheid beloven Troilus en zij elkaar eeuwig trouw, maar de dichter voorspelt dat zij hem spoedig vergeten zal; kuisheid en schoonheid gaan zelden samen,—zegt Salomo. Nu komen verscheidene Griekse ridders haar tegemoet, o.a. de elegante Diomedes. Hij wordt dadelik op haar verliefd en terwijl zij samen verder rijden, biedt hij haar aan haar ridder en vriend te worden, als zij nu eenzaam onder al die vreemden zal zijn; nog nooit—verzekert hij—heeft hij aldus tot een vrouw gesproken,— zij is de eerste die indruk op hem heeft gemaakt en hij wil alles doen om haar in haar smart te troosten. Maar Briseis antwoordt hem dat zij terecht zéér lichtvaardig zou schijnen, indien zij een man die zij in 't geheel niet kent, haar liefde schonk; liefde brengt ook veel ongeluk mede, „tegen éen die lacht zijn er zes die wenen” en de mannen bedriegen een meisje zo licht. „Maar gij zijt van hoge geboorte en welopgevoed en indien ik ooit iemand zou liefhebben, zou het niemand anders zijn dan gij!” Diomedes steltzich, vrij natuurlik, hier mede tevreden, hij ziet nu wel dat zij „n'esteit mie trop salvage”. Hij begeleidt haar nu naar haar vader's tent en neemt dan afscheid. Nu komen er vele Grieken haar een bezoek brengen die Briseis zeer beleefd ontvangt. Er zijn nog geen vier dagen vervlogen of zij voelt al geen lust meer om terug te keren. Maar kort daarop verovert Diomedes het paard van Troilus en zendt het haar als een groet van haar vroegere vriend,—een courtoisie die haar toch wel wat grof lijkt; zij laat hem antwoorden dat Troilus een beter ridder is dan hij en zijn beurt wel komen zal. Maar, voegt zij er bij, zij kan niet haten zo als zij moest, hem die haar lief heeft. En 't duurt ook niet lang voor Troilus op zijn beurt het paard van Diomedes machtig weet te worden en Diomedes, meer en meer verliefd, laat zijn hoofd nu hangen,—zo treurig er uit ziende als een sperwer bij 't ruien. Briseis merkt wel hoe hij lijdt, maar zo is nu eenmaal de aard van de vrouw, dat, wanneer zij merkt dat gij haar lief hebt, dan werpt zij u alleen maar aanmatigende blikken toe, en hier, zoals zo dikwels, stoot de dichter een harte-zucht voor eigen rekening uit. Maar intussen, Briseis zou eigelik graag Diomedes het paard van Troilus terug gegeven hebben, als dat maar aanging,—opdat hij zich wederom in de strijd zou kunnen onderscheiden—zij wil het zelf ook eigelik graag kwijt, daar de Grieken de spot drijven met dit geschenk dat zij op zulk een eigenaardige wijze van haar vroegere geliefde gekregen heeft; eindelik slaagt zij er in hem op een fijne manier onder de vorm van een plagerij, aan Diomedes zijn geschenk terug te geven. Nu voelt zij zich gelukkig, dat zij hem helemaal in haar net gevangen heeft en schenkt hem ook nog haar mouw als banier. „Van nu af—merkt detrouvèreop—moet 't Troilus duidelik zijn dat hij niet meer op haar liefde staat kan maken.” Troilus wordt dan ook razend van woede wanneer hij bij het gevecht Diomedes met die banier ziet, die hem 't duidelikst bewijs is van de trouweloosheid van zijn geliefde, en onder ruwe scheldwoorden aan haar adres, houwt hij op haar nieuwe ridder los. Lelik gewond wordt Diomedes naar huis terug gebracht, maar nu houdt Briseis zich ook niet langer in: zonder zich aan bedreigingen van haar vader of aan de praatjes te storen, ijlt zij naar de tent van de zieke. Onderweg heeft zij een hevige innerlike strijd te doorstaan, zij noemt zich zelf trouweloos, „om mijnentwil zullen de vrouwen heel wat over hun valsheid moeten horen, en het is wel waar dat mijn aard wel wat àl te veranderlik is.” Maar—antwoordt zij zich zelf—nukan ik nooit meer terug, nu heb ik mijn nieuwe vriend mijn gehele hart gegeven en nu moet ik trachten hem trouw te blijven. Had men mij te Troje laten blijven, dan was dit alles niet gebeurd. Maar hier ben ik zonder vriend, niemand kan mij raad geven, en ik kan toch ook niet altijd hier blijven lopen treuren! God geve Troilus alles goeds, maar nu wij elkaar niet meer lief kunnen hebben, geef ik mij liever aan Diomedes... kon ik maar vergeten wat er gebeurd is, dat drukt toch wel zwaar op mijn geweten.

Heel erg zwaar neemt detrouvèrede trouweloosheid van Briseis blijkbaar niet op. De vrouwen zijn voor hem toch maar het zwakke frivole geslacht, waar men niet te veel van verwachten mag: in 't algemeen kan men zeggen dat uit de manier waarop hij „de zoete zonde” beschouwt, die hele lichtzinnige weekhartigheid blijkt die de ganse ridderromantiek kenmerkt, en nergens ziet men duideliker dan hier, hoezeerBenoîtal het geestelike afgelegd heeft en zich in de armen van „Frau Welt” heeft geworpen.

Bovendien, Briseis is feitelik maar een dochter van een priester, die toch niet anders was dan de bijzit van Prins Troilus. Daarentegen heeft de dichter in Polyxena, een van de dochters van Priamus, de echte tegenhanger geschilderd van de trotse prinses uit de Roman van Thebe, Antigone, en in het gevoel van Achilles voor haar heeft hij een liefde getekend meer ridderlik van aard dan die van Diomedes, zowel als van Aeneas. Onder een wapenstilstand is Achilles over gekomen om een plechtigheid bij te wonen die bij de Trojanen plaats heeft ter ere van Hektor die gedood is; daarbij krijgt hij Polyxena te zien en staat de gehele tijd als aan de plek genageld van verrukking. Als zij weg is, rijdt hij diep in gedachten naar huis. In een lange monoloog klaagt hij dan over zijn hopeloze liefde: er is niemand die de Trojanen zo zeer haten als hem die Hektor de dood had gegeven. Nu zendt hij een paar vertrouwde mannen naar koningin Hekuba en belooft alle mogelike boetedoening voor de dood van Hektor, als hij Polyxena maar de zijne mag worden. De jonge maagd was daar zelf bij tegenwoordig, maar als welopgevoed meisje, hoort zij dat aan zonder een woord mede te spreken. Priamus heeft wel bezwaren, van geboorte en rang vindt hij n.l. Achilles heel wat minder dan een Trojaanse koningsdochter, maar hij geeft toch zijn toestemming, indien Achilles bij de Grieken het beleg op kan doen heffen en zij aftrekken. In die tussentijd geeft Achilles thuis lucht aan zijn gevoelens in klachten over de macht van Amor en op de wijze der troubadours noemt hij zijn aangebedene„verheerlikte geest”, „glans der schoonheid” en dergelijke. Nu tracht hij de Grieken te bewegen naar huis te trekken en wanneer hem dat niet gelukt, blijft hij mokkend in zijn tent thuis. Maar ten slotte, wanneer de Grieken al te erg in 't nauw gebracht worden, kan hij toch niet meer achterblijven en werpt zich—hevige verwijten van „Amor” die zich openbaart, en zijn zelfverwijt wegens zijn verraad jegens de schone—toch weer in de strijd. Van haar kant voelt Polyxena zich in stilte ook zeer ongelukkig; van dat huwelik had zij nu al zo lang horen spreken, dat zij nu juist haar zinnen daarop was gaan zetten. Maar nu beraamt Hekuba verraad. Zij laat Achilles weten dat hij Polyxena toch kan krijgen en vraagt hem 's nachts bij een tempel buiten de stad te komen. En even als Amor Leander, de geliefde van Hero van zijn verstand beroofde, zo nu ook Achilles. Romanties wordt de eenzame tocht in de maneschijn van hem en zijn volgelingen beschreven, naar de verlaten, eenzame plaats waar de koningin een hinderlaag heeft aangebracht en waar de held nu zijn dood vindt. Onder groot weeklagen wordt zijn lijk begraven en de Grieken richten een gedenkteken voor hem op, waarop zij Polyxena afbeelden, over hem wenende. Aandoenlik is het ook te lezen hoe later, na de inneming van Troje, de Grieken wreedaardig de maagd op het graf van Achilles offeren. „Laat de dood mij maar nemen,” zegt de trotse koningsdochter, „ik verweer er mij niet tegen, hier schenk ik die een jonkvrouw zo schoon als ooit een koningszoon verwierf.”

Polyxena en Antigone, Dido en Medea, Ismene en Lavinia, en ten slotte Briseis, het is een hele vrouwengalerij—hooggeboren trots, woest hartstochtelik, zacht onschuldig, koket wisselvallig—welke die romans hun tijdgenoten voor zetten.


Back to IndexNext