XIII.

GRIEKS-OOSTERSE VERTELKUNST.

Zoals wij gezien hebben waren de klassieken al halverwege voor detrouvèreder Middeleeuwen geromantiseerd door de Grieks-Oosterse vertelkunst, waardoor alleen hij in de regel de klassieken te zien kreeg,—bijv. door de Egyptiese historie van Alexander of door de romans over Troje uit de periode van het verval der oudheid. De overdreven beschrijvingen, de avontuurlike fantasie, de dialektiese zielsanalyse en het galant-sentimenteleerotiese element,—dat waren alles duidelike sporen van dat verval der klassieken en hun Asiatisering. Daaruit was in de Oost-Romeinse wereld een vertelkunst ontstaan, van wier stam de Griekse en Byzantijnse roman en de romantiese Oosterse verhalen, b.v. de 1001 nacht, slechts verschillende vertakkingen zijn, door een en het zelfde sap gevoed. En reeds lang hadden de klerken, gelijk wij gezien hebben, zich Latijnse vertalingen van Griekse romans als „Apollonius van Tyrus” weten te verschaffen, zoals die van de vriendschapsproef of van de goede raad op reis. Nu, ten tijde van de kruistochten, wordt de romanhonger der leken door de Grieks-Oosterse vertellingsliteratuur gestild zowel door Latijnse vertalingen er van, als door mondelinge verhalen. En door haar kunstvorm en haar geest zowel als door haar onderwerpen, zou die al heel spoedig nog vruchtbaarder voor de ridderromans blijken te zijn dan de klassieken dit geweest waren. Veel uit onze moderne roman, de opbouw en de liefde-intriges stammen direkt uit de Aetiopiese verhalen van Heliodorus of de novellenkunst van Bagdad.

Een laat, zeer ingewikkeld literatuur-genre was de Griekse roman, zoals die jaren na Kristus bloeide—„Verhalen uit Babylon”,—„Verhalen uit Ephese”,—„Aetiopiese Verhalen”,—„Leukippe en Chlitophoon”,—„Chaereas en Kallirhoe”,—de pastorale roman „Daphnis en Chloë”, en hoe die ook alle heten. Aan de ene kant een nakomeling van een overrijpe en verouderende kultuur—zonder kracht en frisheid, zonder natuurlikheid en oorspronkelikheid, vroeg rijp vroeg wijs, gekunsteld, verzwakt, maar niet zonder fijnheid in denken en gevoel, en geboren met beschaving en kunst. Maar tegelijkertijd een kind, die roman, van die zekere tijd van barbaarse en chaotiese vernieuwing en kultuurmenging, waarin het kristendom zijn laatste wereldvernieuwende vorm zou krijgen, en zo, doordrongen van kinderlike lust naar avonturen en een ruwe barbaarsheid, maar ook met de dageraad van een nieuwe levensopvatting in zich en een geheel nieuw stel gevoelstonen.

Die romans beschrijven altijd het partikuliere leven; het vaderland, politiek en alle maatschappelike kwesties liggen buiten hun horizont. Met geschiedenis en godsdienst staan ze in geen verband, hebben geen de minste pretensie een beschrijving van werkelike gebeurtenissen te geven, en de goden behandelen ze ook vrij wel niet anders dan als een poëtiese fictie. Wat zulk een roman wil, is de fantasie met een ingewikkelde en spannende handeling enmerkwaardige avonturen gaande te houden, medelijden op te wekken voor een hartroerende geschiedenis, soms ook daardoor een wijze levensfilosofie aan de man te brengen en de moraal te helpen opbouwen.

Dikwels begint de roman met een scène tussen twee jongelui die op elkaar verliefd worden. Zij treffen elkaar bijv. bij een feest in de tempel, waar men voor een optocht of dans of voor spelen bijeen gekomen is. Beiden zijn zeer jong, maagdelik, naïef onschuldig,—geen van beiden hebben van de liefde iets willen weten; zij is een der maagden van die tempel, hij jager. Er zit hier een weinig verering der overkultuur in van het naïef-ongekunstelde, en een geraffineerd plezier om de onschuld in de mysteries der liefde in te wijden, maar er is ook een zeker verlangen in die tijd naar een verjongingskuur der reinheid. Beiden, hij en zij, schitteren boven alle andere jongelingen en maagden uit, hun namen zijn „Bloem” en „Gratie”, „Anthia”,„Chariklea”, hij is van voorname familie, zijn klederdracht en zijn wapenrusting worden geschilderd bijna als die van een Middeleeuws ridder, als zulk een ridder blinkt hij uit bij het rijden en de spelen, en ontvangt de lauwerkrans uit de hand van de schoonste maagd. Zij heeft een krans om haar gouden haar en draagt een met goud gestikt purperen gewaad. Amor straft ze nu wegens hun miskenning van zijn macht en steekt bij de eerste blik hun beider harten in lichte laaie. Mysties-platonies heet het bij deze gelegenheid hoe de hele natuur van liefde doordrongen was: de aantrekkingskracht van de magneet is een soort liefde, de rivieren worden er ook door liefde toe gebracht zich in elkaar uit te storten, en wanneer de mannelike palm alleen staat, ver weg van een vrouwelike, droogt die door liefde-verlangen uit! Door het oog vloeit het beeld der schoonheid in de ziel, zodat ziel met ziel verenigd wordt, zelfs als de lichamen gescheiden zijn. De jongelieden voelen die verliefdheid eerst als een soort ziekte; geheel in gepeins verzonken zitten zij bij het feestmaal aan, blozen, verbleken, gaan zelfs ziek naar bed. Heel naïef hebben zij er gewoonlik geen idee van wat hun scheelt, totdat een meer ervaren oudere vriend ze inlicht. Of wel dolen ze in de vrije natuur rond, klagen tot de maan, snijden de naam van de geliefde in de boomschors en trachten de toekomst uit de bloemen te lezen. Zij leven van elkaars blikken of handdrukken; hij drinkt van de zelfde kant van de beker waar zij haar lippen gezet heeft, of kust de fluit waarop zij geblazen heeft. Er loopt ook veeleroties geflikflooi onder door. Hij mag een krekel aanpakken die op haar borst gevallen is, en als hij haar eens op een dag een toverformule hoort murmelen over de arm van haar dienstmaagd die door een bij gestoken is, dan beweert hij in zijn lippen gestoken te zijn, opdat zij dan met haar lippen dicht bij de zijne komen zal.

Het jonge meisje is wel eerst wat bleu, maar heeft toch niet al te veel aanmoediging nodig, zij is het ook dikwels die er wat op weet te vinden, hetzij dat zij haar cameriere er toe weet te krijgen haar te helpen of dat zij degeen die haar bewaakt een slaapmiddel toedient. Met Grieks-zinnelike verfijndheid wordt het genot geschilderd dat de kus geeft,—lang daarna kan de jongeling de kus nog op zijn lippen voelen. Maar dat genot is meer dan eens met filosofiese sentimentaliteit gepaard. De kus is het eerste zoete dat de geliefde te genieten krijgt, want het wordt door het schoonste deel van het lichaam voortgebracht,—de mond is immers het orgaan van de stem, en de stem is de afschaduwing van de ziel; door de aanraking der lippen vliet het genot in de ziel, zo goed als de ziel tot het zoete genot van de kus op wordt getrokken. „Nooit heb ik zulk een zielegenot gesmaakt, en toen pas wist ik dat er geen genot was dat met de liefdekus vergeleken kan worden.” En de jongelieden generen zich ook niet alle andere liefdevruchten te plukken.

Of wel vluchten zij met elkaar en trouwen. Of wel voelen de ouders dat „het beter is, teneinde de onterende naam van de zinnelike begeerte te ontgaan, daarboven de wettelike banden van een eerbare vereniging te verkiezen en de ziekte der hartstocht in een huwelik om te zetten.” Maar dan komen, na de idylle, de avonturen, de verwikkelingen en de beproevingen. Nu trekken zij op weg,—hetzij ze op de vlucht gaan, of dat een van beiden zijn ouders wil gaan bezoeken, of dat hij of zij bij vreemden opgevoed is, of zelfs, als dat alles niet kan, is er een orakelspreuk volgens welke zij na de bruiloft een reis moeten ondernemen. En op die reis raken ze dan van elkaar af, hetzij door schipbreuk of door een overval van zeerovers. Ook kan het motief zijn dat de jonge vrouw door boze tongen belasterd is en de man haar als ontrouw weg zendt; dan dwaalt zij de wereld om, maar hij komt daarna haar onschuld te weten en gaat ook ronddolen om haar te zoeken. En altijd dwalen ze alle beiden, elk op zijn eigen houtje, in de wereld rond, krijgen beiden de wisselvalligheden van het lot te verduren en zoeken elkaar overal. En op dit weefsel wordt nu verder doorgeborduurd.

Reisverhalen en berichten over vreemde landen en zeeën waren altijd bij het Griekse volk van zeevaarders en handelaren geliefd en in trek geweest. Bij Homerus zowel als bij Herodotus en de Latijnse bewerkingen van Virgilius, vindt men een bezinksel van al de verhalen van matrozen en handelsreizigers, waar het de Grieken nooit verveelde naar te luisteren. Maar nu is de Hellenistiese tijd van de wereld zo veel groter en zo veel bonter geworden dan ooit tevoren, en ook het verlangen om de wereld te leren kennen, zoveel sterker en zoveel gemakkeliker te voldoen. En uit Indië kwam er weer aanvoer van nieuwe zeemansverhalen over tochten naar Ceylon en andere merkwaardige landen,—dezelfde verhalen waaruit de Arabieren later de geschiedenis van Sindbad samen zouden stellen; uit Aegypte en Perzië, uit Scythië en het „uiterste Thule” kwam al meer en meer kennis en stof. Natuurkundigen en geografen kompileerden grote verzamelingen van „Paradoxa”, allerlei merkwaardige gebeurtenissen, verhalen van dieren, planten, stenen, natuurfenomenen uit alle landen der wereld en de filosofen droomden temidden van hun Griekse overkultuur van een paradijs onder de gelukkige natuurvolkeren, en voor hun ogen stond het land der Hyperboraeën in 't Noorden, Atlantis in het Westen, of Indië ver in het Oosten als het ideaal van wijsheid en geluk. En van dit alles vindt men ook veel in de Griekse romans terug. Op hun reizen zien de geliefden vreemde klederdrachten en gewoonten, merkwaardige dieren en mensen; de lezer krijgt een beschrijving van de overstroming van de Nijl en van Aegyptiese toverformules, van kunstwerken te Delfi, Perziese hoven, Skytiese tempelfeesten, en veel van de magie en de toverij, waar de tijden zo vol van waren, vindt men in de romans weer. In de scholen der Sofisten en de rhetoren had zich een bloeiende beschrijvingskunst ontwikkeld die zich aan allerlei zeldzame en moeilike onderwerpen oefende, en het zijn de „opstellen” der leerlingen van die rhetorenscholen, die wij als delen van die romans aantreffen.

In die scholen was ook die fantasie en smaak geboren, welke de romanheld zich in allerlei extraordinaire avonturen en zielstoestanden doet storten. Bijvoorbeeld een rhetories beschreven zeestorm, een schipbreuk of een merkwaardige redding, dramatiese overvallen van piraten met daarop volgende gevangenschap en slavernij; plotselinge ontmoetingen, een even plotseling van elkaar afraken, verkledingen en vergissingen en herkenningsscènes. Zoals reeds in de nieuwere Attiese blijspelen wordt de knoopdoor allerlei romantiese motieven gelegd: kinderen die uitbesteed zijn geweest of geroofd waren geworden en ten slotte aan een moedervlek herkend worden of aan de doek waarin ze gewikkeld waren; mensen die erg op elkaar lijken en verwisseld worden, slavinnen die vrij geborenen blijken te zijn; mensen die als dood beweend worden en dan op eens nog tot de levenden blijken te behoren. En als een weifelen tussen dergelijke motieven wordt de handeling opgebouwd; het ene brengt die vooruit, het andere houdt die tegen. De twee geliefden lopen elkaar als gekken elk in een ander werelddeel te zoeken en schrijven elkaars naam op alle Hermeszuilen aan de weg voor het geval dat de ander daar ook voorbij mocht komen; of zij zijn vlak bij elkaar zonder er iets van te vermoeden, b.v. in hetzelfde huis door éen enkele muur gescheiden, spreken met elkaar zonder dat ze weten wie ze voor zich hebben, of wel de jongeling vindt een vrouwenlijk en meent dat het zijn geliefde is, hij begraaft het en is diep wanhopend, ofschoon zij het helemaal niet is; allerlei boze mensen trachten ze in het ongeluk te storten. Maar tegenover dit alles hebben de geliefden hun trouw te stellen, hun geduld en hun volharden. Maar zijmakenhun eigen lot niet als helden die de kracht om te handelen bezitten, zijondergaanhun lot. Beiden zuchten en wenen, klagen en verlangen in huilerige sentimentaliteit. De held zowel als de heldin vinden hun troost daarin dat ze overal waar zij komen gevoelvolle harten in hun lijden inwijden en in hun gevangenschap ontmoeten ze lotgenoten met wie zij hun tranen mengen, terwijl elk met zijn geschiedenis voor de dag komt en de anderen met de verhalen van zijn eigen ongeluk tracht te overbluffen. Met verfijnd materialisme krijgt men te horen „welk een smachtende schoonheid tranen aan een maagd schenken: het wit en het zwart in het oog vloeit te samen, terwijl het oog als een bron zwelt; het wit glinstert als een narcis, het zwarte gloeit als een viooltje, en de tranen die in het oog samengedrongen worden schijnen te glimlachen.” Is de maagd schoon en wordt zij door hem die haar ziet wenen, bemind, dan „kunnen zijn ogen niet laten de hare te volgen, want de schoonheid die in de ogen der geliefde troont, vloeit daaruit in die van de toeschouwer over en trekt de tranenvloed tot zich; de schoonheid glijdt in de ziel van de toeschouwer over, maar de tranen behoudt hij in zijn oog, die wil hij niet afwissen, zijn geliefde moet die kunnen zien.” Zelfs in de bruidsnacht liggen de twee gelieven samen te wenen in een soort melankolieke sentimentaliteit.Hij drinkt haar tranen, die hem zoet zijn en hem genezen, en zij legt zijn haar op haar eigen ogen opdat ook zijn haar de „liefdedrank” moge drinken; dan kust zij zijn ogen: „Gij hebt mij veel kwaad gedaan toen gij eerst mijn hart gewond hebt, maar gij hebt mij ook veel goed gedaan, toen gij mijn beeld de weg naar zijn hart weest. Daarom kus ik u; maar nu moet gij hem ook nooit een schonere vrouw laten zien die hem van mij af zou doen keren.”

Tot de moeilikheden der twee gelieven hoort ook dat zij overal belaagd worden wegens hun schoonheid en hun beminnelikheid; zij, door tyrannen of rovers of door een lompe herder in wiens hut zij toevlucht gezocht heeft; hij, door vorstinnen in wier handen hij gevangen is geraakt. Maar hun trouw en hun kuisheid zijn in de regel tegen alle verzoeking bestand. Er is iets kristeliks in het gewicht dat in die romans op de kuisheid gelegd wordt. Tegenover al de pogingen der vorstinnen om hem te verleiden, staat hij als een Josef, en zij bewaart haar deugd als een ware heilige, in het bordeel zowel als tegenover alle dreigementen van een tyran: „Laat de martelwerktuigen maar brengen, laat het rad maar komen, hier zijn mijn handen; neem de zweep maar in de hand, hier is mijn rug. Een nieuwe kamp zal voor uwe ogen beginnen: niettegenstaande alle folteringen zal een vrouw alléén in haar strijd zegevieren.”

En altijd overwint ten slotte de deugd en de liefde van het jonge paar. De onschuld en de tranen der schone roeren de tyran en de woeste rover, „die geen echte barbaar van zeden en manieren was, maar die de stempel van een zekere beschaving droeg”; hij is „de edele rover” die slechts tot zulk een leven gedreven is door het onrecht dat zijn familie hem aangedaan heeft, en „ook de handen van barbaren voelen weerzin, naar het schijnt, om zich aan schoonheid te vergrijpen en door de aanblik van de gratie wordt zelfs het boze oog weer vriendelik.” De gevangen schone wordt galant door de zegevierende vorst behandeld, dikwels zucht hij van liefde voor haar, maar geeft grootmoedig alle rechten op haar op wanneer haar harte-vriend weer opduikt; een andere even grootmoedige koning die haar geliefde gevangen heeft genomen, hoort diens klachten, doet zich zijn treurige liefdesavonturen vertellen en laat hem vrij, ja, wat meer zegt, geeft hem reisgeld mede om zijn beminde te kunnen gaan zoeken.

De geliefden zijn bovendien niet afkerig van zich door allerlei streken uit hun moeilikheden te helpen. Wat de romans verheerlikenis niet de moed van de krijgsman, maar list. Een van de bronnen waar de Griekse roman veel aan ontleend heeft is die literatuur van novellen over list en bedrog die van de oudste tijden zo populair bij de handeldrijvende Grieken geweest was. De schelmstukken van Odysseus werden het eerst opgeschreven; in de bewerking door Herodotus van de Aegyptiese dievenverhalen heeft men een specimen van de bijdrage die het Oosten hiervoor leverde en in de zogenaamde „Milesiese” vertellingen over liefde en list van Aristides van Milete, stamt veel uit Griekenland en het Oosten. Vooral toont het jonge meisje in die Griekse romans zich zeer vindingrijk en zonder scrupules; in 't algemeen laat zij het hoofd minder hangen dan de zeer weinig mannelike held. Of wel smeert zij haar gezicht vol met roet, en gaat in lompen gekleed en met een bedelrok op stap om haar geliefde te zoeken; of wel drinkt zij een slaapdrank, waardoor ze een tijd lang voor dood ligt, zodat zij niet meer met de gehate bruidegom hoeft te trouwen; soms legt zij een dubbelzinnige eed af; zo nodig koketteert zij hevig met de tyran en belooft zelfs hem na een zeker tijdsverloop te zullen nemen, om dan in die tussentijd de kans schoon te zien en te verdwijnen.

Maar alles eindigt ook goed, dat hoort nu eenmaal bij het genre van die romans evenals bij de komedie. Het zelfde spel van de grillen van het noodlot, de zelfde „Tyche”, die alle berekening trotseert en alle plannen in duigen doet vallen, die nu eens de geliefden door een onzinnige orakelspreuk naar Oost en West uit elkaar drijft, ze dàn weer verblindt, zodat ze hun geluk niet vlak voor zich zien liggen, maar zich met opzet in 't ongeluk storten,—diezelfde geluksgodin zal toch altijd tenslotte ouders en kinderen elkaar terug doen vinden, de vrije geboorte van de slavin voor den dag, en de onschuld van de ten onrechte verdachte echtgenote aan het licht doen komen, en de twee geliefden ten slotte, bevend van aandoening in elkaars armen laten vallen. En de zelfde overdaad van tranen die zij in hun ellende hebben geplengd, is nu hun liefdesgeluk gewijd. Alles wat zij doorstaan hebben was slechts een loutering, die ze hun geluk meer waard zal maken,—of een raffinement dat de liefde èn bij hen zelf èn bij de lezers wat moet aanwakkeren!

En dit alles is toebereid met een kunst van onderhouden die voor lange tijden de techniek van onze romans bepaald heeft. Gewoonlik komt de lezer eerst in een merkwaardige, vreemde situatie, waardoor zijn nieuwsgierigheid en belangstelling opgewekt worden,zonder dat hij eigelik weet hoe en waarom. Twee reizigers treffen elkaar bijv. in een herberg en de een vertelt de ander een geschiedenis die hem onlangs overkomen is. De ander, wie men toch zou denken dat dit alles niets aanging, luistert in stijgende spanning, vraagt, raakt in de war en verwijdert zich om zijn aandoening te verbergen. Wanneer hij terugkomt om het slot van 't verhaal te horen of b.v. te vragen waar de personen in kwestie heen getrokken zijn, deelt de waard hem tot zijn diepe vertwijfeling mede dat de ander juist per schip vertrokken is. Langzaam, en stukje voor stukje begint de lezer iets van de vóórgeschiedenis te snappen, later krijgt hij nog een paar draden te pakken; de handeling kan hij tot een zeker ogenblik volgen, dan, juist als de situatie zeer spannend is, laat de schrijver die los en plagerig volgt hij nu weer een ander persoon op diens weg; voortdurend worden er nieuwe episoden ingewerkt; net als in die Chinese doosjes wordt in elke historie altijd weer een andere gevoegd, iedere nieuwe persoon die optreedt vertelt ook weer zijn geschiedenis, die de lezer zich dikwels ietwat geïrriteerd af doet vragen wat dit daar nu weer mee te maken heeft, maar die toch tenslotte van afdoende betekenis voor de hoofdhandeling kan blijken te zijn... en zo is de lezer in één voortdurende spanning en wordt hij voortgezweept, in de war gebracht, geërgerd, verder gebracht... teruggehouden... maar de roman laat hij niet los voordat hij aan 't einde gekomen is!

Een vervolg op die Griekse roman vormen, naar het schijnt, in de Byzantijnse tijd, andere romans die wij niet kennen, maar waaraan via het Latijn, Franse en Duitse romans hun oorsprong danken. Maar deze romanliteratuur is, zoals wij reeds zagen, slechts één enkele tak van de rijke, mondelinge en schriftelike vertelkunst die zich in de Grieks-Oosterse wereld ontwikkelde. En door de collecties van Latijnse verhalen die wij al meer dan eens genoemd hebben, zowel als nog meer langs mondelinge en schriftelike wegen die wij nu niet meer kunnen nagaan, kwamen er talrijke Oosters-Griekse verhalen tot de Middeleeuwen van het genre dat wij nu uit de grote schatkamers van Oosterse vertellingen kennen, waarvan de „Duizend-en-één-Nacht” een van de grootste en laatste is, maar die ook in 't Persies tot hele gedetaljeerde liefderomans uit werden gewerkt.

Die vertellingen zijn al even onkrijgshaftig als de Griekse romans, en ofschoon anders in elkaar gezet, zijn het dezelfdeonderwerpen die daarin met voorliefde behandeld worden. Het zijn verhalen van sentimentele liefde, zielegrootheid, onschuldig lijden, list en vernuft, vreemde spelingen van het noodlot en de merkwaardigste gevallen van toverij.

Dat element van toverij ontbrak niet in de latere klassieke periode—de toverdrank van Medea en Circe en de toverroman van Apuleius en zijn „gouden Ezel” staan verre van alleen—maar vooral door de Oosterse vertellingen maakten de Middeleeuwen kennis met alle soorten van tovermotieven waar ze rijkelik gebruik van konden maken. Daar had men allerlei geesten en toverdieren; bronnen waar men niet uit mocht drinken of er stak een hevige storm op, of een enorme geest kwam de stoutmoedige tot een tweestrijd uitdagen; mensen die door toverij tot stenen en dieren gemaakt worden; toverslotten, waarin niemand wegens spoken en heksen durfde overnachten; feeën die hun menselike geliefden naar hun rijk ontvoerden. En er waren spiegels en bronnen waarmede men de kuisheid van een vrouw op de proef kon stellen en toverkussens die men in 't bed legde en die dan de man als van steen maakten in de armen van de vrouw.

Voor de Middeleeuwen waren alle „Wijzen van het Oosten” Tovenaars en Magiërs evenzo zeer als de Philosofen van de klassieken: Hippocrates en Virgilius, zo wel als koning Salomo en al de wijzen der Oosterse novellen. Die maakten vernuftige mekanismen, ze konden zien wat er op andere plaatsen geschiedde, konden de gedachten van anderen lezen en te weten komen wat anderen in 't schild voerden, misdaden opsporen, en zeer talrijk waren de bewijzen van scherpzinnigheid waar de Midrasch en de Talmud der Joden of de Arabiese sprookjesverzamelingen van verhaalden.

Maar slimmer dan zelfs de wijste man was toch dikwels de vrouw, waar het er op aan kwam om de mannen te bedriegen. Een wijze als Hippocrates werd door zijn vrouw vergiftigd; Virgilius de Tovenaar zou een listige vrouw in 't geheim ontmoeten en toen hij zich in een mand naar haar vertrek zou laten hijsen, liet zij hem midden in de lucht hangen tot spot voor iedereen. Van de vrouw van Salomo vertellen Joodse sagen en Byzantijnse romans, hoe de sluwe vrouw en de verstandige bultenaar Morolf, Salomo's broeder en helper elkaar steeds weer in list trachten te overtreffen. Van de gemalin van Caesar zowel als van die van Constantijn wordt verteld hoe zij hem met haar twaalf camerieres bedroog die verklede mannen waren, totdat een der wijzen haar schaamteloosheidaan 't licht bracht. Een vrouw neemt een slaapdrank in en geeft zich zo voor dood uit, ze wordt begraven en door haar geliefde weggevoerd. Een ander laat een geheime gang graven tussen het huis van haar man en dat van diens vriend, die tegelijk haar geliefde is. De vriend presenteert haar nu in zijn eigen huis als zijn eigen vrouw; de bedrogene kan zijn eigen ogen niet geloven, maar de vriend verklaart dat er alleen maar een merkwaardige gelijkenis in 't spel is; als hij naar huis wil gaan zal hij zijn eigen vrouw thuis vinden,—wat dan ook uit komt. Een derde heeft het ongeluk dat een geleerde ekster de echtgenoot vertelt, wat zij in zijn afwezigheid heeft uitgevoerd, maar de vrouw weet op alles raad en slaagt er gemakkelik in door een zeker experiment hem te overtuigen dat die eksters maar leugenbeesten zijn, zodat hij ze nu ook niet kan vertrouwen.

Meestal kan men die Oosterse verhalen van vrouwenlist waar ze in de Europeese novellen, b.v. de Fransefabliauxovergegaan zijn, daaraan herkennen dat ze zo paradoxaal lijken, zo kunstig, en in de aangewende middeltjes zo tegen alle gezond verstand in schijnen te druisen, vergeleken met de nuchterder, natuurliker Europese geschiedenissen. Het zelfde gemis aan respekt, beter: het zelfde genot in het paradoxaal-onwaarschijnlike kenmerkt ook die talrijke Oosterse geschiedenissen over het merkwaardige spel van het toeval of, als men wil, over de wonderbare wegen en de almacht van het Noodlot. Van de Duizend-en-één-Nacht kent een ieder genoeg dergelijke verhalen over de vreemdste combinaties van het toeval. Alle toevalligheden hebben b.v. zo zeer samengezworen naar 't schijnt om een volkomen reine vrouw in de schijn van schuld te brengen, dat ook alleen maar een even merkwaardig toeval haar onschuld aan den dag kan brengen. Of—en dit is een historie die in veel versies in de Middeleeuwen bekend was—men heeft de keizer voorspeld dat een arm kind dat juist geboren wordt, zijn schoonzoon en erfgenaam zal worden en wat de keizer ook keer op keer probeert om de voorspelling te doen falen, alles werkt daarentegen juist samen om die wel te doen uitkomen.

Maar de Oosterse fantasie zoekt ook buiten de grenzen van het natuurlike, op het gebied van het zieleleven haar weg naar overspanning en paradoks. Vrienden die elkaar in zelfopoffering, vijanden die elkaar in grootmoedigheid trachten te overtreffen, liefde die alle beproevingen doorstaat, de zwartste ondank, de blankste edelmoedigheid. Een jongeling woont bij een getrouwdevriend, diens vrouw begint te sukkelen en vertelt eindelik aan haar man dat zij van liefde voor de jonge huisgenoot vergaat. De man neemt nu zijn jonge vriend in 't vertrouwen, en die... weet zich een melaatse ziekte op de hals te halen om zodoende bij de vrouw zijns vriends de liefde te doen overgaan die de schone verhouding tussen hen drieën in de war had gebracht. Romanties is die liefde vooral en sentimenteel—veel meer zelfs dan in de Griekse romans. Als in deze laatste zijn de geliefden in de regel zeer jong. Hij wordt op iemand verliefd die hij nooit gezien heeft, op haar portret, op haar beeld dat hij in zijn dromen gezien heeft, of hoogstens heeft hij een glimp van haar achter het tralievenster gehad. Hij legt zich op zijn bed en wordt zieker en zieker en bij zijn onmannelik gedrag moet nu een vriend of de ene of andere koppelaarster voor hem handelen. Het feit dat in 't Oosten de vrouw altijd bewaakt wordt en van allen afgesloten leeft, geeft een hoogst romanties tintje aan de verhouding tussen de geslachten en brengt noodzakelik gevaarlike avonturen, zowel als het gebruik van tussenpersonen met zich meê, en wanneer b.v. de held als een slavin verkleed de harem binnen is gesmokkeld, of in een mand met bloemen naar boven is gehesen, dan wordt die gelegenheid ook terstond aangegrepen, daar was die zeldzaam genoeg voor en duur genoeg gekocht, om terstond op alle liefdegenot aanspraak te maken.—Maar meestal doolt hij lang in de grootste ellende rond; de ongelukkige jonge man wordt waanzinnig van verdriet; hij of zij worden als in de Griekse romans als slaven verkocht of door rovers weggevoerd en pas na jarenlange tegenspoeden, en na er veel tranen en zuchten bij te hebben gelaten, komen zij tot hun welverdiende geluk.

Hier en daar vindt men nu motieven uit die Griekse en Oosterse vertellingsliteratuur in de gehele Ridderromantiek,—in wat vooraf gaat hebben wij ze al gevonden en wij zullen er in wat volgt geregeld weer aantreffen. Maar als direkte afstammelingen daarvan doet zich heel duidelik een reeks romans en vertellingen kennen,—door de kinderachtig-zoetsappige liefde die daarin optreedt, of door een spesiale soort van avonturen en spel van het noodlot, of wel door de buitengewoon extravagante geschiedenissen van toverij en vrouwenlist.

Een van de hoofdmotieven in de Griekse romans was, zoals wij zagen, dat twee gelieven, of man en vrouw door een toeval, op reis van elkaar gescheiden raken, of door rovers overvallen worden,en terwijl zij elkaar trouw de gehele wereld over blijven zoeken, hebben zij al de wisselvalligheden der fortuin en al de wereldse ellende te verduren. In de Franse romans (van de 12deof begin 13deeeuw) zo als Floris enBlanchefleur, AucassinenNicolette, Escoufle, Guillaumevan Palermo, worden histories van dat genre als in de ridderliteratuur behandeld.

De ridderromans beginnen met de opvoeding van de held of heldin van kindsbeen af aan een vorstelik hof te schilderen. Of wel is het de zoon van een edelman,Guillaume, die aan het hof van de keizer van Italië opgroeit met 's keizers dochterAlis, of de dochter van een kristen-ridder,Blanchefleur, is gevangen bij het hof van een Spaans-Moors koning en groeit daar op met prins Floris. Zoet wordt de schoonheid en de liefelikheid der kinderen geschilderd,—evenals in de sentimentele legenden van het Kindeke Jezus uit die tijd, of op de groepen van de „Madonna met het kind” waar de Franse kunst de kerkportalen mee begon te versieren. De jongen, drie jaar oud, lijkt met zijn blonde haar een engel, allen zijn dol op hem en hij zit voortdurend op de rug van de schildknapen en ridders. Wanneer zijn moeder hem naar 't hof zal zenden, neemt zij hem de laatste nacht nog bij zich in bed en als de jongen weg rijdt, legt zij een zacht kussen op zijn zadel. Aan het hof komt de jonge keizersdochter hem met haar speelkameraadjes te gemoet, hij groet zoals hij dat van zijn moeder geleerd heeft en de eerste ontmoeting der kinderen is vol gratieuse verlegenheid. Aldoor zijnGuillaumeenAlisof Floris enBlanchefleursamen; hij is vol attenties en beleefd, heeft nooit lelike woorden of vloeken in zijn mond, en zij zingt en naait en heeft er plezier in steeds maar gordels en beurzen weg te geven die zij geborduurd heeft. Samen spelen zij in een tuin, terwijl „de vogeltjes van de liefde zingen”. Als de een lezen moet leren, moet de ander meê doen en dan leren ze dat uit de „heidense liefdeboeken” en schrijven met zilveren en gouden stiften over vogelengezang en bloemen en liefde op ivoren tafelen (ook in de „Duizend-en-één-Nacht” schrijven een jongen en een meisje elkaar verzen vol liefdebetuigingen, zodra de onderwijzer hun de rug toekeert). Zij noemt hem „vriend” of „broeder”, maar men kon aan de kleur op haar gezicht en de ogen zien welke naam haar 't zoetst klonk; wanneer zij „vriend” zegt, zucht zij en worden haar ogen eens zo klein van schattige schuchterheid.

En zo groeien zij op. Hij doet dienst als page, munt uit bij de ridderspelen, in 't schaken en bij 't bakspel, in hoofsheid enmildheid. Zij wordt maagd,—de kleine vaste ronde borstappeltjes zijn als „Waalse noten”, haar tengere middeltje kan men met de twee handen omspannen; haar lichaam is zo blank dat wanneer zij met blote benen op de weide door de morgendauw loopt, de madeliefjes, met haar vergeleken, grijs schijnen. Hun gevoelens worden ook inniger. Wanneer hij eens een ogenblikje van haar af is, worden haar ogen helemaal „rond” en kijkt haar hart door 't raam van het oog om hem na te staren; en als zij eens op een dag in de tuin wandelend, de jonge man ziet liggen slapen, kan zij niet nalaten hem te kussen, maar nu heeft hij juist van haar liggen dromen en droomt op het zelfde ogenblik dat zij hem een roos geeft en nu wordt hij wakker en begroet haar beleefd. En het duurt niet lang of zij kussen en liefkozen elkaar en menige nacht brengtAlisslapeloos door als zij bedenkt hoe dikwels haar vriend haar borstjes en haar lijf onder haar kleren heeft gestreeld en haar „schone lenden” heeft geliefkoosd.

Het verschil in stand heeft weinig voor de gelieven te zeggen, en in elk geval brengt de liefde ze daar licht over heen, of zij nu 's keizers dochter is of hij vorstenzoon en zij van mindere stand. Maar de lelike ouders kunnen diemésaillanceniet toelaten. Daarom vluchten b.v.GuillaumeenAlis(in „Escoufle”) eens op een nacht, aan haar beddelakens laat zij zich uit het raam van haar kamer neerglijden en op muilezels rijden zij de weg op. En de muilezels bleven aldoor vlak tegen elkaar aanlopen; de twee gelieven hadden pret en liefkoosden elkaar, dan eens nam hij haar hand, dan aaide hij haar over de wangen; „wat heb ik die maan toch lief,” zegt hij, „die beschijnt uw schone aangezicht.”—En de dichter barst uit: „Wel hebben die twee, vader en moeder, goud en goed op 't spel gezet om de roepstem huns harten gehoor te geven!” Vergeefs worden de vluchtelingen nagezeten, vrolik en wel rijden ze de wereld rond, in de herbergen krijgen ze volop eten en drinken op reis mee, buiten in de heerlike vrije natuur spreiden zij hun tafellaken... Maar, ééns op een dag, wanneer zij zich bij een bron waarbij ze gegeten hebben, te slapen heeft gelegd, en hij bezig is haar aangezicht tegen de zon te beschutten, dan schiet plotseling een wouw uit de lucht op zijn beurs af waarin een ring is die zijn geliefde hem juist geschonken heeft,—een trek die ook in de „Duizend-en-één-Nacht” te vinden is—Guillaumespringt dadelik te paard hem achterna,Aliswordt wakker en is nu eenzaam door haar trouweloze schaker achtergelaten,—wanhopend gaat zij nu ook op weg,—natuurlikjuist de verkeerde kant op. En zo krijgen wij weer de gewone situatie: twee gelieven die op goed geluk elkaar in de wijde wereld gaan zoeken.

Wanneer de koning der Moren in „Floris enBlanchefleur” merkt dat het tussen zijn zoon en het jonge kristen-meisje wat al te warm wordt, zendt hij de prins weg in een verre stad naar school, het meisje wordt aan vreemde kooplieden verkocht en de koning en koningin laten een prachtig grafmonument oprichten, dat Floris wanneer hij thuis komt, als het graf van die arme overledenBlanchefleurwordt getoond. Dit motief komt ook in de „Duizend-en-één-Nacht” voor. Zijn ouders die denken dat het gevaar nu geweken is, laten het graf versieren met schone herinneringen aan de jeugdige liefde van die twee kinderen: twee beelden die hem en haar voorstellen en die door de wind bewogen, elkaar goudbloemen geven, terwijl zij de woorden spreken: „Kus mij, mijne schone!” Maar Floris laat zich niet troosten,—„de liefde heeft een kruid in zijn hart geplant, dat steeds in bloei stond en dat zo zoet rook, dat hij daar alles door vergat”, hij beklaagt zich overal en gelijk de held in de Griekse romans, besluit hij zich van kant te maken en wel met een zilveren schrijfstift, die zijn geliefde hem geschonken heeft; dan zal hij zo naar het „camp flori” komen en met zijn vriendin bloemen plukken,—dat zijn waarschijnlijk de affodil-bedden in de klassieke onderwereld. Nu moeten zijn ouders de waarheid wel bekennen en zij laten 't hem aan niets ontbreken als hij nu de wereld in trekt om zijnBlanchefleurte zoeken. Als een koopman verkleed, gaat hij op weg,—gelijk de prins in „Duizend-en-één-Nacht” die zijn geschaakte geliefde achterna trekt. (Latere versies vinden blijkbaar die verkleding als koopman niet deftig genoeg en laten de prins op reis gaan als een vorstenzoon met een gevolg van ridders).

Blanchefleuris verkocht geworden aan de „admiraal” van Babylon die haar in zijn „vrouwentoren” opsluit,—blijkbaar een soort Oosterse harem—waar er 140 kamers zijn met jonge meisjes die bediend en bewaakt worden door eunuchen. Elk op de beurt moest naar de „lever” van de admiraal en als het bewijs van hun kuisheid geleverd is, worden ze voor één jaar de favorite,—hierop worden ze onthoofd, want de despoot wil niet dat iemand anders een vrouw zal bezitten die eens de zijne geweest is. Dit is alles volkomen Oosters. Na lang vergeefs zoeken zit Floris in een herberg en terwijl allen om hem heen vrolikpraten en eten, denkt hij alleen maar aan zijn „Wittebloem” en zucht en weet niet wat hij eet. De waardin merkt dit en stoot haar man in de zij,—„bij God, dat is geen koopman, dat is een jonge edelman.” Dan begint zij een vriendelik gesprek met hem en vertelt hem in de loop daarvan dat er voor enige tijd hier een meisje was komen logeren die erg op hem leek en dieBlanchefleurheette en aldoor zat te zuchten over een zekere Floris. De jonge „koopman” raakt helemaal in de war hierdoor, gooit de wijnkan op de tafel om, maar geeft de waardin een gouden beker tot beloning voor haar mededeling en trakteert het gehele gezelschap op wijn. Dan haast hij zich weg in de richting waar de waardin van vertelde, komt weer bij een vriendelike waard en waardin,—zijn eigenaardige jeugdige schoonheid wekt aller medelijden en welwillendheid,—en ten slotte komt hij werkelik te Babylon, waar zij in de „vrouwentoren” van de admiraal zit. Hij maakt kennis met de portier van de toren, speelt schaak met hem, en geeft hem ook een gouden beker ten geschenke, waarop de man hem in een bloemenmand naar boven hijst. Vrolik en wel springt hij de mand uit, maar ongelukkig is hij bij vergissing niet in de kamer vanBlanchefleurterecht gekomen maar in die van een harer vriendinnetjes. Van schrik schreeuwt zij eerst luid, maar weet toch de andere meisjes die ijlings aan komen zetten weg te krijgen,—'t was maar een kapelletje dat uit de bloemen op was gevlogen. En dan roept zeBlanchefleur,—zij heeft n.l. dadelik begrepen dat het haar vriend is die gekomen is. Sprakeloos vallen ze in elkaars armen en de volgende dagen brengen die twee gelieven in één liefderoes inBlanchefleur's vertrek door. Maar zo komt het dat zij meer dan eens haar plicht vergeet om op de „lever” van de admiraal te verschijnen; zij worden samen in bed ontdekt,—allerliefst is het dat de admiraal eerst meent dat het een meisje is, dat daar bijBlanchefleurligt, maar als zij de borst van de bedgenoot zien, weten ze dat het een jongen is. Nu moeten ze beiden verbrand worden,—Floris heeft een toverring bij zich, die hijBlanchefleuraan de vinger wil steken, zodat zij altans gered kan worden; maar geen van beiden wil alléén gered worden en dus werpen ze de ring weg en worden naar de brandstapel geleid. Maar—de admiraal krijgt de hele historie te horen, hoe zij elkaar in leven en dood trouw zijn gebleven en dan wordt hij, gelijk zo dikwels met de tyran in de Griekse romans het geval is, zo zeer door medelijden bevangen dat hij ze beiden vrij laat en—Floris zelfs tot ridder slaat! Nu trekkenFloris enBlanchefleurvol geluk naar Spanje, waar Floris de troon bestijgt en ter ere van zijn kristelike vrouw zelf haar geloof aanneemt.

Het gehele gedicht is in een zachte, schone sprookjestoon geschreven; de bloemennamen van de held en heldin schijnen direkt van dergelijke personennamen in Griekse romans vertaald, misschien is het helemaal oorspronkelik niets anders dan een bloemensprookje geweest. Het schijnt in twee verschillende versies naar West-Europa gekomen te zijn, en daar zijn dan twee groepen van die roman uit ontstaan, waarvan de éne in veel ruwer lijnen opgetrokken is, niet alleen wat de boosheid van Floris' vader betreft, maar ook de ongelukken vanBlanchefleur: in 't algemeen schijnt deze groep voor de smaak van een groter, meer populair publiek bestemd.

Een heel bizondere bewerking heeft de sage ondergaan in de kleine „chante-fable” van „AucassinenNicolette”. In dit liefelike gedicht zijn de verzen met uitzondering van de meest lyriese passages in proza overgebracht, iets wat verder in 't Oud-Frans niet voor schijnt te komen,—hoewel dat natuurlik bij de voordracht der berijmde romans door detrouvèresfeitelik meer dan eens plaats gegrepen zal hebben,—en door zoo van de banden van 't vers vrijgemaakt te zijn, is de vertelling tot een kompleet sprookje geworden, alle waarschijnlikheid over boord gooiende en op de alleraardigste manier een romantiese droom mengelend met de nuchtere werkelikheid des levens, een dwepen zo erg, dat de boog wel eens al te zeer gespannen blijkt en barst—met de meest naïeve natuurlikheid, de zoetste zwaarmoedigheid met schelmse en ondeugende vrolikheid. Hier is het 't meisje die tot de Moorse stam behoort, maar zij is gekerstend geworden en opgevoed te Beaucaire, waar de zoon van de graaf haar lief krijgt. De graaf laat het meisje in een toren opsluiten om haar later geheel te doen verdwijnen, en zijn zoon die zich van zijn passie niet wil laten genezen, werpt hij in de gevangenis; maar Nicolette weet door middel van haar beddelakens uit haar toren te ontvluchten, sluipt naar de gevangenis vanAucassintoe, waar zij door een spleet in de muur haar vriend te spreken krijgt, totdat de torenwachter die hen vol sympathie heeft gadegeslagen, haar waarschuwt dat de nachtwachter uit de stad op zijn ronde nadert.Nicolettemoet over de muur en de gracht naar 't bos vluchten en zendt een groet aanAucassin, die als hij ook uit de gevangenis ontsnapt is, daar ook heen snelt, en nu leven ze eenromantiese natuuridylle in 't bos. Maar dan gaan ze op reis,—in de beschrijving van de vreemde landen met de merkwaardige zeden, waar ze door trokken, klinkt als een echo en bijna als een parodie van de exotiese reisverhalen der Griekse romans—zij raken in slavernij, worden onder een storm van elkaar gescheiden, enAucassinkomt in zijn eigen rijk terug; maar zijn leven is een en al zwaarmoedigheid, totdat eens op een dag zijnNicolette, verkleed als een arme speelman (gelijk de helden in een Griekse roman) naarBeaucairekomt en zich weer bekend maakt...

Dit kinderlike en populaire volkssprookje zal eigelik wel niet voor de hogere kringen van de ridderromantiek bestemd zijn geweest; maar de fijne tederheid, de heidense sensualiteit, de schone mensenliefde, welke die gehele klasse van de Grieks-getinte romans kenmerken, die wij hier onderzoeken, laat zich nergens liefeliker kennen dan in „AucassinenNicolette”—waarbij dan nog een bijna ziekelike innigheid komt, een overspannen dweperij, die echt Middeleeuws-romanties is.

Heel wat beter aan Europese toestanden aangepast is het verdere verloop der handeling in „l'Escoufle”, daar wij afscheid van namen toen de wouw in 't bosGuillaumeenAlishad gescheiden. Bij haar rondzwerven komt de dochter van de keizer te Montpellier, waar zij met een arme vriendin een tijd woont en de kost verdient met haar prachtig handwerk. Zij borduurt b.v. zijden beurzen die de edellieden uit de omtrek aan hun dames ten geschenke geven; zij geneert zich ook niet het haar van de Heren te gaan wassen, al heel gauw is zij overal bekend wegens haar vriendelikheid en haar schoonheid, zo zeer dat het huis van de twee dames een hele salon wordt, waar de gehele adel uit de buurt de artistieke schone het hof komen maken, zodat de adelike dames erg jaloers worden. Eindelik komt zij als een soort dame van gezelschap of een hoger genre van dienstmaagd in huis bij een grafelike familie. Hier krijgen wij de beschrijving van een gezellige, naïeve scène,—de heer des huizes is 's avonds van de jacht thuis gekomen en maakt het zich gezellig bij de haard, waar men appelen braadt,—om beter te kunnen „gratter” heeft hij alleen maar zijn broek aangehouden en zijn hoofd rust inAlis'schoot;—de familie zit om hem heen en ze praten over koetjes en kalfjes. Een vertelt van die vreemde rare man die daar nu in de stad in 't hotel woont en die vandaag op de jacht meegeholpen heeft; er was ergens een wouw gevangen en zodra de jonge man die gezien had, had hij diens hart uit zijn borstgerukt en dat opgegeten. De graaf wordt nieuwsgierig en laat de man bij zich roepen, die dan vertelt waarom hij de wouwen zo haat... En terwijl hij daar zijn historie staat te vertellen, herkentAlishem op eens... de rest kan men gissen!—Het is de levendigste beschrijving van het dagelikse ridderlike leven der 12deeeuw, die men zich wensen kan, en toch: niet alleen daarin datAliszeer sterk aan de odalisken doet denken, maar ook in de episode van de man die zijn zonderlinge manier van optreden moet komen verklaren, kan men moeilik iets anders dan een Oosterse bron van de scène zien.

Is het motief van de scheiding der twee gelieven en van hun hereniging een der grondformules van de liefderoman gebleven, het andere motief dat van de Grieks-Oosterse vertellingskunst in de ridderromantiek over is gegaan, heeft zich niet minder vruchtbaar getoond voor de wereldliteratuur. Dat is 't motief van de echtgenote die onschuldig van ontrouw verdacht en weggejaagd wordt; haar onschuld komt echter voor den dag en het gelukt haar man de verschoppelinge te vinden en haar weer in ere te herstellen. Het is een roman-formule waar het werkelike leven dikwels genoeg de stof voor geleverd heeft en die werkelik bizonder geschikt is om tot het gevoel en de fantasie te spreken: de reine onschuld die door duivelse boosheid zwart gemaakt wordt; de goedige echtgenoot, een man van eer, maar die door schijnbaar sterke bewijzen verblind, er toe komt groot onrecht te doen—de waarheid eerst onder de voeten getreden, maar die ten slotte triomfeert. Van verschillende trekken die nu in de „Duizend-en-één-Nacht” te vinden zijn tot de geschiedenis van Suzanna in het boek van Daniël, van de historie van Lucretia bij Livius tot de Griekse roman van Chaereas en Kallirhoe, boden het Oosten en de klassieken genoeg uitgangspunten. In de middeleeuwse kronieken en heldendichten kan men dergelijke geschiedenissen lezen over allerlei koninginnen, Angelsaksiese, Franse en Duitse; in de legenden waren die op heiligen overgebracht. Maar die vorm van het motief, waarin de middeleeuwse ridderromans het behandelen—de Franse „roman van de violette moedervlek”, „de Graaf van Poitiers”, de „roman van Rozenvlek”, de Duitse „roman van de twee kooplieden”—heeft de eigenaardigheid dat een weddenschap of in elk geval een dispuut tussen de man en diens vrienden over de trouw zijner echtgenoot het uitgangspunt vormen; het „bewijs” dat de lasteraar haar gunst genoten zou hebbenis dat hij weet aan te geven waar zij een moedervlek op 't lichaam draagt, of haar slaapkamer kan beschrijven of een ring van haar kan vertonen. De weddenschap of het dispuut als uitgangspunt hebben wij ook in de geschiedenis van Lucretia en iets dergelijks vinden wij in vele Oosterse histories; schijnbare bewijzen van ontrouw die de echtgenoot in de war brengen, hebben wij ook reeds in Griekse romans en Oosterse vertellingen. En die ganse half wrede, half moraliserende sentimentaliteit die in het motief ligt, draagt een Oosterse stempel.

De „Graaf vanPoitiers” is de oudste, nog vrij ruwe versie, de „Roman van de violette moedervlek”, de fijne ridderliker bewerking. De koning van Frankrijk houdt een feest voor zijn hof en zijn baronnen. Terwijl zij zitten te praten en te zingen, beroemt de graaf vanNevers,—of vanPoitiers—zich op de trouw en de deugd van zijn geliefdeOriaut(in de oudste roman is het zijn vrouw) en zingt haar lof. Een edelman, een intrigant, graaf Lysiart van Forest, spot met zijn vertrouwen en beweert dat hij binnen korten tijd het bewijs zal brengen dat hij de liefde der schone genoten heeft. Zij wedden om hun graafschappen en graaf Lysiart rijdt naar het slot vanOriautmet de groeten van haar geliefde en de boodschap dat zij verzocht wordt hem goed te ontvangen. Oriaut staat juist als hij komt in het raam van haar torenkamer naar het gezang der vogeltjes te luisteren en liederen vanPoitoute zingen terwijl zij aldoor aan haar hartevriend denkt. Zij ontvangt hem zeer vriendelik en geeft hem een kamer op het slot, maar wanneer hij woorden van liefde loslaat, wijst zij hem eens voor altijd af. (In de oudere roman toont hij zijn liefde door onder de maaltijd elk stuk te grijpen waar zij al van gegeten heeft, haar op de voeten te trappen en haar om 't lijf en aan de borsten te pakken). MaarOriautheeft een sluwe oude kamenier; de graaf weet haar om te kopen dat zij hem door een gat laat kijken terwijl de schone een bad neemt. En nu ziet hij dat zij een violette moedervlek op haar ene borst heeft. (In de oudere versie weet de cameriere hem haar ring te verschaffen, wat van haar haar en een stuk van haar kleed). Met dit „bewijs” voorzien, ijlt de verrader nu naar 't hof, waar hij nu vol jubel de ridder met al zijn vertrouwen beschaamt en zijn leen van hem wint.

Zonder enig verder onderzoek jaagt de ridder zijn geliefde nu natuurlik weg. En nu krijgen wij weer de gewone situatie voor die romans. Terwijl zij n.l. in de wereld ronddoolt, gezocht voor haar schoonheid en belaagd voor haar deugd die zij bewaart,merkt hij al heel spoedig hoe hij bedrogen is. Nu is het zijn beurt om met Othello zijn „Fool! fool! fool! fool!” te roepen en hij trekt ook de wereld in om zijn verongelijkte geliefde te zoeken. Zijn zwerftochten worden in lieve kleine episoden beschreven. Hij ligt b.v. ziek in het huis van een burger, van verdriet uitgeteerd en de schone dochter van de gastheer zit bij zijn bed te naaien, terwijl zij de ballade vanOriautenRenautzingt. Als hij de naam van zijn beminde hoort, wordt hij dadelik opgefrist wakker, nu wil hij opstaan om te gaan zoeken en hij begint in bed al een minnezang te zingen. Nu vraagt het jonge meisje hem of hij zich beter voelt en hij polst haar of zij wel weet van wie zij zong,—zodat zij begint te begrijpen dat wat hem scheelt „mal d'amour” is. Dan vertelt hij haar zijn hele geschiedenis en wil dadelik op weg. Maar de familie wil hem niet loslaten vóór hij goed en wel beter en wat aangesterkt is; de vriendelike mensen willen geen betaling van hem aannemen. Als hij ergens anders komt, wordt de dochter van een hertog verliefd op hem, haar dienstmaagd geeft hem een toverdrank te drinken, zodat hij zijnOriautvergeet... Reeds is het huwelik bepaald, maar eens op een dag, wanneer hij in 't bos op jacht is en hij een van de liederen vanBernard de Ventadourneuriet, vangt zijn sperwer een leeuwerik die—Oriaut's ring om zijn hals heeft! Nu wordt zijn herinnering weer levend, zijn liefde neemt de kamp op tegen de toverdrank en zegeviert. Weer trekt hij de wereld in envindthaar juist als zij op de brandstapel staat—een gewone trek in een Griekse roman—; zij moet sterven voor een misdaad, waar boze mensen haar van beschuldigd hebben.

Zoals men ziet, vervolgt het noodlot de onschuldige vrouw overal in de wereld en van dergelijke door alle ongeluk getroffene, door de mannen belaagde en door boze medeschepselen van allerlei misdaden beschuldigde vrouwen, weten vele ridderlike romans en vertellingen op Oosterse manier te vertellen. De heldin wordt b.v. door haar eigen vader belaagd en houwt haar ene hand af om zo haar schoonheid in diskrediet te brengen; zij moet de vlammendood sterven, maar vlucht in een boot zonder roer de zee op; trouwt, maar wordt door haar schoonmoeder vervolgd, of wordt als kindermeisje beschuldigd het haar toevertrouwde kind omgebracht te hebben;—maar altijd brengt de genade van de voorzienigheid haar door alle beproevingen heen. Het is een hele literatuur over de vervolgde en onderdrukte vrouwen die haar oorsprong heeft in laat-Griekse sentimentaliteit en Oosterse martellust,maar in de middeleeuwse romans neemt die een belangrijke plaats in bij de strijd van het kristendom om de harten te verweken en de zeden te verzachten, en bij het werk van de poëzie, om de ruwe baronnen als ridders de vrouw te doen eren.

In schelle tegenstelling met de geest in deze romans staan al de Oosterse verhalen over de sluwheid der vrouw die terzelfder tijd de Westerse literatuur binnen drongen. Die kwamen geheel en al overeen met al de anekdoten over vrouwen die uit zichzelf in Galliese aarde ontstaan en gegroeid waren; alleen waren de inheemse „fabliaux” nog al humoristies en schuin, en meer ironies-skepties, terwijl er in de Oosterse een sombere, lage passie op te merken viel. Populaire speelmans-liederen in 't Frans en Duits bewerkten ookcon amorede Oosters-Byzantijnse geschiedenissen van de ontrouwe echtgenote van koning Salomo en de sluwe bultenaar Morolf. Nu namen ook de ridderromans Oosterse verhalen van dat genre ter behandeling op. Maar zij wagen zich aan het kunststuk om die verhalen met een nieuwe geest te bezielen; openlik nemen zij het voor de vrouw en de liefde op en geven hun ten slotte de zege.

Een van de oudste ridderromans heet Eracle en is in 1160 doorGautiervanArrasop grond van geestelike Oosterse legenden en Oosters-Byzantijnse vertellingen geschreven. De roman begint in religieus-stichtelike trant, door van een vroom Romeins echtpaar te vertellen—de man is senator. Zij leven kinderloos, totdat een engel zich voor hen openbaart die hun zekere intieme mededelingen doet, waaruit ze leren hoe zij hun nachtelik samenzijn de gewenste vrucht kunnen doen dragen. Schuchter volgen ze die voorschriften en er wordt hun dan ook een jongen geboren. Op de dag dat 't kind gedoopt zal worden kwam er een engel aanvliegen die een brief van God op de wieg legt; die mag niet geopend worden vóór de jongen die zelf kan lezen. Maar dat duurt niet erg lang, zo voorlik is het kind,—en in die brief schenkt God hem drie bovenmenselike gaven: hij zou verstand hebben van edelstenen, paarden en vrouwen,—de drie dingen waar een Oosterling altijd het meeste op gesteld was iets van te weten. Nu sterft de senator en de weduwe ziet zich genoodzaakt door geldgebrek haar kind te verkopen,—„zoals dat in die dagen zo veel gebeurde”; zij stelt zich bovendien voor—zo luidt de verontschuldiging van de schrijver—het geld uitsluitend voor zielemissen voor haar man te gebruiken. Roerend als in delegenden wordt beschreven hoe zij de strik om de hals van de jongen legt en zachtmoedig als een lammetje laat hij zich naar de slavenmarkt brengen. Hij landt weldra aan het hof van de keizer aan, waar hij spoedig gelegenheid krijgt om zijn kunst te tonen, die de keizer op de proef stelt—eerst met stenen, dan met paarden. Telkens laadt de jongen eerst de spot van alle aanwezigen op zich door zijn keuze; hij laat de grootste en aanzienlikste edelstenen liggen en pas later blijkt het dat daar „de worm” in zat; hij gaat de beste paarden voorbij en kiest een onaanzienlike klepper, maar overwint toch alle anderen met hem bij de wedrennen. Hij komt nu, als een bij de Oosterse hoven aangestelde „Wijze”, tot grote eer en moet o. a. voor zijn heer en meester een keizerin kiezen. Dat gaat weer helemaal op zijn Oosters toe, als in het boek van Esther. Alle groten van het rijk krijgen bevel zich met hun jonge dochters naar de hoofdstad te begeven. Dat wordt daar buiten de stad een heel kamp en als een kermis, en de gespannen verwachting der jonge meisjes, en hoe jaloers zij op elkaar zijn, wordt buitengewoon levendig beschreven,—ook hun verwanten en bekenden, hoe die al het hof maken aan degene van wie men verwacht dat zij keizerin zal worden, enz. Eracle loopt langs al de opgestelde meisjes; ieder die iets op haar geweten heeft, beeft onder zijn blik, hij doorziet hun lichtvaardige en domme gedachten en gaat, het hoofd schuddend, ze allen voorbij zonder er één uit te kiezen. Maar op de terugweg ziet hij een arm klein meisje de straat oversteken; hij volgt haar naar het eenvoudige huis waar zij bij een tante woont en kondigt hun aan dat zij koningin moet worden. Men voelt met welk een sympathie de dichter de vreugde in dat bescheiden milieu schildert, de onschuld van 't kleine meisje, de voorbereiding van haar uitzet, en de pracht van de bruiloft zelf. Als keizerin verovert zij weldra allen door haar vrome ootmoed en gratie.

Maar nu slaat de toon van de vertelling om; het is duidelik dat 't vervolg uit een heel andere bron stamt, de inspiratie is geheel anders. De keizer moet ten oorlog en om zeker te zijn van zijn gemalin, zet hij haar in een toren met een lijfwacht van 24 ridders; zij heeft een bed in 't midden van de toren en de ridders slapen in een kring er om heen. Op die manier worden de vrouwen dikwels in de Oosterse vertellingen bewaakt, zo ook de dochter van Pompeius in de „Gesta Romanorum”. Maar de ridderlike dichter ziet in die strenge beledigende bewaking eenonrecht, dat de keizer zijn vrouw aandoet en dat verontschuldigt wat er nu gebeurt. Eracle heeft daar sterk tegen gewaarschuwd; men past 't best op een vrouw door haar vertrouwen te tonen, dwang en verveling, zegt hij, kan tot allerlei verkeerds leiden. En nu gebeurt dan ook—echt Oosters-paradoxaal—dat de deugdzame en zo uitstekend bewaakte vrouw toch toont de Eva te zijn die zij is en dat „vrouwenlist zonder einde is”. Er moet een feest plaats hebben waar de keizerin volgens oude gewoonte bij tegenwoordig moet zijn, en waar zij onder volle bewaking heen gebracht wordt. Maar onder de jongelui van goeden huize die voor de vorstin zingen en dansen en aan de wedstrijden mede doen, trekt de jonge Parides weldra haar aandacht en in een ogenblik is zij evenzeer op hem als hij op haar verliefd. Fijn en fris worden beider gedachten beschreven: zij zit er over te peinzen hoe zij hem zal laten merken wat zij voelt; zij mag toch wel hopen dat hij haar blikken begrepen zal hebben, en zulk een edel gemoed als 't zijne moet toch de hoogte in willen en niet vervaard zijn om zijn gedachten tot een vorstin op te heffen; gelijk-gestemde zielen als de hunne moeten elkaar toch onder duizenden kunnen verstaan. Als zij nu zondigt, is het toch in elk geval de keizer die haar 't eerst onrecht aangedaan heeft, en de liefde wekt toch zo dikwels edele deugden in de mens op, dat zij zich toch wel voor God daarvoor zullen kunnen verantwoorden, zelfs als die op zich zelf misschien zonde is. De keizerin zit nu in haar wachttoren te verlangen, terwijl de jongeling zich, op zijn Oosters, op zijn bed legt en van liefde verteert. Maar nu komt er, ook op Oosterse wijze, een vriendelike oude buurvrouw die hem de pols voelt, hem vraagt wat hem scheelt en al heel gauw merkt wie het voorwerp van zijn gevoelens is. En de volgende dag gaat de oude vrouw met een mandje kersen naar de keizerin en begint een praatje met haar... zij beklaagt haar omdat zij zo van allen afgesloten leeft, en weet net zo lang te vragen tot zij begrijpt hoe de zaken staan en vertelt dan van die jonge man die van liefde verteert. In een pastei die de keizerin de volgende dag aan de vrouw laat brengen om voor de kersen te bedanken, ligt een mededeling hoe de ontmoeting plaats zal kunnen hebben. In de woning van de oude vrouw wordt een onderaardse kamer gegraven en daar wordt Parides in verborgen. Wanneer de keizerin nu, enige dagen daarna, bij een groot feest, met haar escorte daar voorbijrijdt, heeft zij 't ongeluk van haar paard te vallen, haar rijkleed erg vuil te maken en haar been tebezeren, zodat zij in 't huis van de oude ondergebracht moet worden. En dan wordt ook alles volgens 't programma afgewerkt,—dat natuurlik ook van Oosterse oorsprong is: „Ne sait, qu'il fait, qui femme gaite.”

Maar natuurlik weet de wijze Eracle die met de keizer en het leger van huis is, dadelik wat er gebeurt en vertelt dit aan zijn meester. Deze ijlt spoorslags terug en neemt de schuldigen in verhoor. Zij erkennen beiden 't gebeurde, maar zij verklaart dat zij alles wil doen om haar geliefde te bezitten en ook hij is bereid voor zijn liefde te sterven,—„dat is geen schande.” En wanneer dan bovendien Eracle de keizer nog voorhoudt dat hij zelf aan alles medeschuldig is, door zijn tyrannieke behandeling van zijn echtgenote, dan laat de grootmoedige Oosterse despoot die hij is, zich welwillend van zijn echtgenote scheiden en verenigt de twee gelieven... En dan glijdt de roman weer in een geestelike legendesfeer over.

Oosterse vrouwenlist, ontrouw van een Griekse keizerin, maar met de sympathie der lezers aan de kant van echtbreuk en de vrouw,—dat is ook het onderwerp van een der eerste romans vanGautier's grote mededingers,—de „Cligès” vanChrestien de Troyes. Het is haar neef die de keizerin hier bemint, en haar voedster, die de toverkunst verstaat, bereidt eerst een toverdrank die de keizer verhindert het huwelik te „consumeren” wanneer hij 's nachts bij haar komt en daarna een andere die de keizerin in een slaap brengt die op de dood gelijkt, waarna zij zich laat schaken,—evenals dit uit de geschiedenis van koning Salomo's echtgenote in de Oosterse vertellingen bekend is; wij kennen het uit de geschiedenis van Romeo en Julia.

Maar in een roman als „Cligès” is het, gelijk wij later zullen zien, alleen maar de uiterlike handeling, de machinerie er van, die uit het Oosten stamt. Van deze, zoals van zo veel andere romans die alleen in wat voorafgaat beschouwd zijn als een Europeisering van Grieks-Oosterse vertellingskunst, geldt het dat ze veel meer op te vatten zijn als geheel originele ridderlike romanpoëzie die eenvoudig „prend son bien où il le trouve”.

Maar nog een vreemd element—en niet 't minst belangrijke—zou die romanpoëzie beïnvloeden, vóór die haar volle romantiese geur en kleur zou krijgen.

MATIÈRE DE BRETAGNE.

De ridderromantiek ontvouwde zich voor 't eerst ten volle in het Engels-Normandiese rijk dat immers in het midden van de 12deeeuw Groot-Brittannië en het gehele West-Frankrijk omvatte en waar de taal van de heersende klassen het Frans was. Hier vond men de grootste welstand en het sterkste geestelik leven, hier kwamen het koningsschap en de adel der leenheren pas tot hun grootste recht, hier was de volksmenging en de kultuurmenging, waar de romantiek uit ontstond het rijkst.

In het door de Noormannen veroverde rijk kwam het koningsschap in Engeland met Willem de Veroveraar en zijn opvolgers tot een macht zoals die sedert de tijd van Karel de Grote niet gezien was. Een rijk waarin een kleine klasse van veroveraars een veel groter massa, de oorspronkelike bevolking, er onder wil houden, moet noodzakelik streng monarchies en militaristies georganiseerd worden. En de krachtige, niet al te makke koningen die ze waren, wisten de organisatie dan ook flink door te voeren. Zware belastingen vulden 's konings schatkist, grote goederen en jachtrechten maakten de baronnen rijk en machtig, maar de koning liet allen, ook de vazallen zijner vazallen, aan zichzelf de eed van trouw zweren en oefende een niet geringe despotiese macht over de adel uit doordat hij zich het recht van voogdij en om huweliken te sluiten voorbehield; ook de gehele rechtspleging en het gehele bestuur hielden de koningen alleen in hun hand; gelijk ook de geestelikheid hun gehoorzaam gereedschap was. Voortdurend staken zij het Kanaal over en onderdrukten Angelsaksen en Britten en de baronnen van Normandië; razend van woede zodat hun aderen er van opzwollen, als iemand ook maar kikte of tegenstand trachtte te bieden, ontembaar in hun wreedheid, zelfs tegen hun naaste bloedverwanten, ontoombaar in hun lusten en begeerten, als zij op de jacht het koren der boeren neertrapten, hun echtgenoten wegzonden of er talrijke bijzitten op na hielden, maar ook, als goede koningen voor hun soldaten, goud onder hun mannen uitstrooiende en er genot in vindend royaal en vlot te leven en schitterende feesten te geven. In het begin van de 12deeeuw hield Hendrik I een hof, waar de meest elegante feesten en tournooien gegeven werden en waar men de dames het hof maaktezoals in die tijd anders zo goed als niet voorkwam behalve in Provence en Languedoc.

Na een periode van burgeroorlogen die de Noormannen, Britten en Angelsaksen geheel tot één volk deden samensmelten, dat zich Engelsen noemde, maar waarin Frans de taal van de hogere klassen was, kwam toen ongeveer 1150 met Hendrik II, het huis vanAnjouaan de regering, dat derPlantagenets. Onder hem zagen de Normandiese koningen de hoogste verwezenliking van hun eergierige plannen. Van moederszijde een afstammeling van Willem de Veroveraar, had hij van zijn vaderAnjougeërfd, zowel alsTouraineenMaine. Door zijn echtgenote, koningin Alienor (Eleonora), een prinses vanPoitou, die eerst met de koning van Frankrijk getrouwd was geweest, kreeg Hendrik ook nog het graafschap Poitou en het hertogdom Aquitanië, d. w. z. geheel Zuid-West-Frankrijk in zijn bezit. Zijn machtig West-Europese rijk dat zich van de Orkney-eilanden tot aan de Pyreneeën uitstrekte, overschaduwde geheel en al de Franse koning te Parijs met zijn nog slechts beperkte macht. En de verbindingen van het koningshuis strekten zich over geheel Europa uit. De oudste zoon van Hendrik, die onderkoning over Engeland was, trouwde met de dochter van de Franse koning, de tweede zoon, Richard Leeuwenhart, huwde de dochter van de koning van Aragon, de oudste van zijn eigen dochters trouwde met de machtige hertog Hendrik van Saksen en werd de moeder van een aanstaand Duits keizer, een andere prinses werd koningin van Castilië, een derde trouwde met de rijke koning van Sicilië. Het was in Hendriks hand dat alle draden van de Europese politiek samen schenen te komen.

Van uiterlik was de koning zelf een echte Noorman uit het geslacht van de Veroveraar: vierkant, maar met een rond hoofd, met een vuurrood gezicht vol sproeten, en rood haar. Maar even als zijn korte schoudermantel—die hem de naam van „kortmantel” verschaft had—uitAnjoukwam, zo duidden ook veel van zijn eigenaardigheden er op dat de man zelf daar ook uit stamde: zijn soberheid, zijn levendigheid en zijn drang naar ontwikkeling. Zijn werklust had iets koortsachtigs: altijd zat hij in 't zadel, nooit was hij langer dan één week op één plaats in zijn rijk, zijn gevolg was altijd veel eerder moe dan hij; zelfs als hij 's avonds in zijn kwartier aangekomen was, liep hij nog heen en weer te redeneren, zelfs onder de mis kon men hem nog edikten zien zitten uitvaardigen. Ook zijn zucht naar kennis was zonder perken, Latijn sprak hij even goed als Frans en hij verstond veelandere talen; als hij geen zwaard op jacht in de hand had of met zijn raad vergaderde, zat hij in een boek verdiept of te disputeren met zijn klerken.

Het rijk waarvan hij aan het hoofd stond, nam enorm in bloei toe. Nu Engeland door de Noormannen veel van zijn geïsoleerdheid verloren had en op 't punt stond zich tot „het Australië van Europa” te ontwikkelen, zou het de Vlaamse en Italiaanse lakenindustrie van wol voorzien en maakte het ontwakende handelsleven steden alsYork, Nottingham, Gloucesteren vooral Londen, van vlekken tot rijke burger-gemeenten. En welk een enige vermenging van intelligente nationaliteiten vond er nu niet in dat rijk plaats! De Noormannen die reeds door hun verfransing zulk een merkwaardige ontfankelikheid en drang tot ontwikkeling aan den dag gelegd hadden, en die zich bij alle gelegenheden door hun levendigheid en hun moed de voorgangers van Europa toonden. De Kelten die reeds in de 6de–8eeeuw in Wales en Ierland een buitengewoon rijke en merkwaardige kultuur gehad hadden en de Angelsaksen die in de 8e–10eeeuw hun zeker niet minder belangrijk bloeitijdperk gekend hadden,—en wel alle twee in een tijd dat de rest van Europa de zoetste slaap der onwetendheid sliep. En eindelikPoitou, in West-Frankrijk, dat de beste scholen had van die tijd en de meest originele literatuur en dat waarschijnlik de wieg geweest is van de troubadour-poëzie die zo snel naar Zuid-Frankrijk oversloeg om daar pas tot bloei te komen. In de streek vanPoitouwas het, zoals men zich herinneren zal, dat juist nu, in de tijd van Hendrik II, de roman van Aeneas, de Alexanderroman, de roman van Thebe en de Trojeroman doorBenoît de St. Moregeschreven werden. En in het Engels-Normandiese rijk was het ook, zoals wij gezien hebben, dat de belangstelling der baronnen in de historie het eerst rijmkronieken in het leven riep, die de Latijnse geestelike annalen voor leken toegankelik maakten.

Het was, zoals men zich herinneren zal, in de eerste plaats, de kroniek vanGeoffreyvanMonmouth, een geestelike uit Wales over de „Historia Regum Britanniae”, welke de Normandiese vorsten en vorstinnen door hun klerken in Franse verzen over lieten zetten. Patriot en vol verdriet over de ondergang der Britten, maar toch veel voelend voor de Normandiërs, welke immers een einde hadden gemaakt aan de macht van de Angelsaksen en de Denen op het eiland, dichtteGeoffreyuit de volheid van zijn rijke fantasie en zijn grote geleerdheid; voor het Britse volktoverde hij uit de overleveringen van Wales een sage van hun stralend verleden op, en—of dat nu een diplomatieke zet was of uit „eerlike ambitie”—weefde hij het verleden van de Fransen en zijn eigene landgenoten zo volkomen samen alsof de schrijver op het standpunt van de Normandies-Engelse koningspolitiek stond. De Britten, beweerde hij, stammen van de Romanen en Trojanen evengoed als de Fransen, waren een even geciviliseerde natie als zij en vooral niet te verwarren met Angelsaksen en Denen. In hun glanstijd, onder koning Arthur, had het rijk der Britten èn Engeland èn 't grootste deel van Frankrijk omvat, presies als nu het Normandies-Engelse rijk. En in die zelfde koning Arthur, wiens schitterende hof hij blijkbaar in de beeltenis van het hof van zijn tijdgenoot Hendrik de Eerste beschreef, schilderdeGeoffreyvoor het nieuwe rijk de grote held van het nationale verleden, die helemaal niet onder deed voor Karel de Grote, waar de „Franceis de France” in hun „Chansons de geste” zo trots op waren.

Geoffrey is de Nestor van een groep geleerde Engelse geesteliken die zich nu als om strijd aangorden de wereld van het Britse verleden voor de Fransen en Europa te openen. ToenGeoffreyzag welk een sukses zijn kroniek had, verraste hij de geleerde wereld ook met de merkwaardige voorspellingen van Merlijn, de oude wijze van Wales, die, zoals blijken zou, volkomen de gebeurtenissen tot zijn eigen tijd toe had voorspeld. En nu kwam Giraldus Cambrensis, geboren op een adellik familieslot in Wales, maar met half Normandies, half Brits bloed in zijn aderen; resoluut wierp hij de algemene zware pedanterie der geesteliken van zich af en praatte er in zijn Latijnse geschriften over Wales en Ierland lustig op los, vertellend van de vele natuurwonderen, van de merkwaardige zeden en gewoonten, over de gave der voorspelling van zijn landgenoten en al het mirakuleuse dat in zijn eigen land als in de lucht lag. Dan was erWalter Map, ook van adel en uit Wales, aartsdiaken te Oxford; in zijn geschrift hoopte hij als in een soort rommelkamer allerlei anekdoten en merkwaardigheden op, die hij gehoord had of gelezen en zich herinnerde, en de geleerde schrijver heeft er toch ook plezier in allerlei volksverhalen weer te geven over dwergen en kabouters, over „Harlekijn” en over feeën die zich door ridders laten beminnen, maar ze laten lopen zodra die dat aan de grote klok hangen. Misschien was het ookWalter Mapdie de merkwaardige graal-histories in elkaar heeft gezet, uit Keltiese, Oosterse en Kristelike elementen samengesteld, welke in die tijd juist in omloop kwamen.

Zowel Walther als Giraldus waren kapellaans aan het hof van koning Hendrik de Tweede en ofschoon zij in 't Latijn schreven, richtten zij zich tot de hofkringen. Evenals onder de Otto's in Duitsland zijn er blijkbaar heel wat ontwikkelden onder de hoge adel geweest, die evenals de koning zelf Latijn verstonden. En het is een hele geestelike „Keltiese beweging” waar deze ijverige Britse geesteliken propaganda voor maken. Giraldus las zelfs zijn werk, drie dagen lang, aan een auditorium voor, dat hij te Oxford bij elkaar had gehaald, en—ontving bij die gelegenheid zijn toehoorders allerroyaalst!

Maar van nog groter betekenis dan deze geleerde propaganda was de invloed der Brits-Bretonse speellieden en vertellers uit Wales en Bretagne. De „Bretonse” melodieën waren al heel vroeg wijd en zijd bekend geworden en tegelijk daarmeê werden zeker ook veel van die volksliederen die er bij gezongen werden, door talenkundige speellieden in 't Engels en Frans overgebracht en in elk geval werden de sagen welke die liederen behandelden wel in diezelfde kringen in proza naverteld. Reeds vóór dat de Noormannen naar Engeland trokken, hadden ze zich, intelligent en ontfankelik als ze waren, al in verbinding gesteld met het naburige Bretanje en toen ze een mensenleeftijd vóór ze naar Engeland gingen, naar Zuid-Italië waren getrokken, brachten ze reeds de namen van helden uit hun sagen met zich mede; reeds in de 11deeeuw vindt men in Italië Arthur en Gawain als doopnamen. Maar vooral nu, na de samensmelting tot één volk, is een grote invloed van poëzie en sage niet te miskennen.

En die Keltiese sagen en gedichten spraken voor zich zelf. Voor de mensen die smachtten naar romantiek, zou zich daarvan nu een gehele wereld openen.

Kelten waren toch ook de Fransen eens geweest en in den grond was hun aard, niettegenstaande al hun romanisering, toch helemaal Gallies gebleven; de karakteristiek welke de Latijnse schrijvers van de Galliërs geven—hun sanguiniteit en hun levendigheid, hun zin voor opschik, hun opgewektheid, hun gezellige omgang,—dit alles past nog op den huidigen dag op de Fransen. Trots het Latijn en het Kristendom en de heerschappij der Franken, hadden zich ook nog overblijfselen van de oude Keltiese godsdienst der Druïden bewaard. De oude priesterkaste, waarvan er zelfs in 't jaar 700 nog geheime genootschappen bestonden, bleef zijn bestaan voortzetten als tovenaars die demagiese kruiden kenden en de oude toverformules. Nog trokken tegen Nieuwjaar, evenals vroeger, de mensen in de maneschijn naar buiten om de heilige mistelstruik te zoeken. En in de bronnen woonden nog altijd feeën die met geschenken bij de wieg der pasgeborenen aan kwamen zetten en die de eenzaam in 't bos rondzwervende jonge mannen in hun alfendans meesleepten.


Back to IndexNext