XV.

Maar ginds in Ierland en Cornwalles en Wales leefden er massa's Keltiese sagen en gedichten en door immigratie uit Cornwalles in de 6deeeuw was nu ook de noord-westelike streek van Frankrijk, Bretagne, weer voor de Keltiese wereld teruggewonnen. Toen de Noormannen naar Engeland kwamen, vond men in de Ierse kloosters grote perkament-folianten—ze zijn er nog tot op den huidigen dag—waarin de monniken de oude sagen opgeschreven hadden over de heldendaden vanCuchulain, de voornaamste Ierse held, en over de strijd tussen de mannen uit Ulster enConnaught, of die tussen de koningen van Erin en hun huurlingen, de mannen van Fionn, wier voornaamste helden Fin en Ossian waren. In bepaalde direkte verbinding met de Ierse sagen kwamen de veroveraars niet te staan, maar er bestond in Wales een overeenkomstige poëzie, die wij nog in haar vorm van vóór 1100 kennen, n.l. in de oudste delen van de oudste manuskripten uit Wales, het zogenaamde „zwarte” en het „rode Boek”. Dit zijn ten dele kunstmatige lofzangen over vorsten, strijdzangen, en bardenliederen die, geakkompagneerd door de harp, in de grote feestzaal gezongen werden evenals de Noorse liederen der skalden; ten dele zijn het volkssprookjes: de Mabinogion, op oude sagen en mythen gebouwd. Onmiskenbaar slaat ons uit deze poëzie het eigenaardig Keltiese tegemoet.

Er ligt iets vaags over die poëzie in haar lyriek en fantasie. Vaste omtrekken of een massa détails te geven is haar zaak niet; personen en gebeurtenissen vloeien in 't vage, immateriële over, schijnen als visioenen voorbij 't oog te trekken. Maar ze worden door een rijk en levendig gevoel gedragen, dat alles in lyriese kleuren-tonen beeldt en een losgelaten fantasie die alles naar haar eigen bandeloze luimen omvormt.

Er schuilt een elegiese, romantiese stemming achter veel van die bardenliederen. Stap voor stap zijn de Kelten dan ook uit Europa verdreven, eerst naar 't Westen, toen op de eilanden,—door de Romeinen, de Germanen, door Angelen en Denen. Klagend staat de bard uit Wales aan de graven der krijgers en herdenkt de dappere gevallenen. Klagend spreekt de oude dichter, nu hijin zijn ouderdom een kruk draagt, over wat hij kon en deed in de dagen van zijn volle kracht, en over zijn liefde. Maar van de werkelikheid, het nu, ijlt de fantasie òf de toekomst tegemoet wanneer de sagekoning uit de glanstijd die nu op het feeëneiland wegens zijn wonden verzorgd wordt, wanneer koning Arthur op zal staan en de oude Britten-heerschappij weer zal vestigen, of zij gaat terug naar de oude tijd,—„ouder dan enige geschiedenis, die in enig boek geschreven is”. Van oude heidense sagen die de gekerstende inwoners van Ierland en Wales niet meer verstaan, bouwt de fantasie lustige, luchtige sprookjes op, woest en barbaars, maar vervluchtigd en vormloos als vage, stralende dromen. Geweldig kijven de helden van Ulster enConnaughtmet elkaar, of de witte stier van Ulster of de bruine vanConnaughtsterker is en schoner; ook al om de een of andere jacht-twist wordt er hevig gestreden, of over een paar varkens, over een oorvijg, of wie het eerste stuk vlees krijgen zal; en als de reus uit de slag thuis komt, is hij zo verhit door zijn woeste razernij dat hij dadelik moet baden om af te koelen;—drie kuipen gaan er aan, want de eerste twee worden dadelik door zijn lichaam aan 't koken gebracht. Op de wonderlikste expedities trekt de held uit; de gekste, onmogelikste opdrachten worden hem door Penkawr gegeven vóór hij de schone Olwen krijgt, maar hij volbrengt ze alle; hij loopt ook zo licht dat geen grassprietje zich onder zijn voet buigt; en hij kan de mier horen wanneer die 's morgens zijn nest verlaat. Tachtig jaar lang zitten die reuzen in de Wonderbare zaal te eten en te drinken zonder dat zij merken dat er meer dan één uur verlopen is. Onverzadigbaar is voor mannen en vrouwen beiden de liefde; de vrouw vraagt gewoon de man in wie zij behagen vindt, enCuchulainmaakt de vrouwen van Ulster zo gek op hem verliefd, dat de mannen terwille van hun huiselike vrede zelf er op uit trekken om hem de schoonste vrouw in de wereld te verschaffen. Maar wij horen ook van de jongeling die van stom liefdelijden versmacht of die slechts in zijn droom een schoonheid heeft gezien die hem zo zeer met liefde vervult, dat er geen stukje in een van zijn beenderen is, of geen plaatsje op het binnenste van zijn nagel dat niet van liefde doortrokken is. Door toverij wordt er een vrouw gevormd uit louter bloemen, uit de brem en de spirea en andere bloemen die daar groeien, zij krijgt de naam van „Bloemenaangezicht”—Blodenwedd—en wekt bij een ieder liefde op. Overal wordt er veel met kleuren gewerkt. De kleedij des konings is gelijk de wazige Mei-morgen, wisselendvan kleur; de winden hebben een kleur: uit 't Oosten komt de rode wind, uit 't Zuiden de witte, uit 't Noorden de zwarte en uit het Westen de dikke, grauwe mist-wind. Ook de geïllumineerde handschriften en oude wettelike dokumenten bewijzen welk een lyries gevoel voor kleur de Kelten hadden. Pracht en rijkdom, gouden sieraden en geborduurde en geweven stoffen, prachtige sloten en zalen en feesten, dit alles ziet men in hun sagen schitteren. En wij horen van allerlei wonderen,—van een toverketel die door de adem van meisjes verwarmd wordt; wanneer de ledematen van de dode krijgslieden daarin worden gelegd, groeien ze weer aan elkaar en worden ze weer levend; en van een tovervat dat altijd vol is met eten en de dingen die alle behoeften tevreden kunnen stellen; van toverlanden waar alle wensen vervuld worden en van „Avalon” het „appeleneiland” der eeuwige jeugd, heel ver weg in het Westen.

Een vage romantiese fantasie omgeeft overal de werkelikheid met die wereld welke niet gezien wordt. Staande tegenover de heldere aanschouwingskunst der Latijnse volkeren, bestond daar bij dat ras een fantasie die overal het onzichtbare zoekt, dat wat slechts mystiese voorstellingen opwekt. Een levendige romantiese natuur-poëzie gaat er door de sagen en sprookjes zowel als de liederen,—een poëzie van het mistige klimaat en de altijd omslaande winden en de Atlantiese Oceaan, van bos en heide, dat zoveel plaats in 't land inneemt. „Een roep van de bulderende zee komt tot mij, een roep van de bulderende zee jaagt mij des nachts op van mijn leger... Raad eens waaraan ik denk: Een sterk wezen, zonder vlees, zonder been, zonder hoofd, zonder voeten; het wordt nooit ouder dan het is; de zee wordt wit wanneer het komt. Hij is op 't veld, hij is in het bos, zonder hand, zonder voet, hij ziet niet en wordt door niemand gezien... Van 't Noorden komt de winterwind, laag en kort is nu de baan van de zon, de varens in het bos zijn geel, de golven van de zee brullen, de wilde gans laat zijn gewone kreet horen, de vorst bijt hem in zijn vleugels. Het is de tijd nu van het ijs en treurig zijn mijn woorden.”

Daar zien wij hoe een volk van jagers met de natuur en de jaargetijden vertrouwd is. Met de wilde woeste vlakten waarop het heidekruid in de wind golft, en vooral met het bos: de grauwe eiken en de hazelbosjes, de herten die op de open plekken in 't bos grazen, de wilde zwijnen daar waar het 't dichtst is, de arend in de toppen der bomen. Steeds horen wij van de passie waarmedeer gejaagd wordt,—op wilde zwijnen, wolven en herten. Van de jonge man die in de eenzaamheid van 't bos geboren en getogen is, geen mensen kent, maar wel alle natuurgeluiden en de taal der dieren, die hij met zijn fluit tot zich kan halen. Van de witte toverhinde, waar alle jagers het op verzien hebben. Van de fantastiese bosman die de jagers soms op een heuvel in het oerbos vinden, de Deense sagafiguur „Dier-mens” die met een knots in zijn hand het wilde, vreemde vee bewaakt... Vooral van de feeën die de jager aantreft wanneer hij een dier vervolgt en daardoor zijn jachtgezelschap kwijt raakt. Bij een meertje of een bron ziet hij een nymf daarin baden. En dan is òf zij het die zijn liefde verlangt en hem, wanneer hij niet wil, betovert en aan het ziekbed kluistert, of wel steelt hij haar kleêren die op de oever liggen en zo krijgt hij haar met geweld tot zijn wil.

Soms worden de mensen door de feeën zelfs naar hun rijk meegelokt. Een geloof in een land van gelukzaligheid en onsterfelikheid ergens in 't Westen komt overal in de Keltiese sagawereld te voorschijn. Enkele uitverkorenen onder de stervelingen zijn daar wel al eens op bezoek geweest. Een gewond krijgsman legt zich b.v. in een boot neer en laat zich dan door weer en wind maar drijven, waarop hij dan in het feeënrijk komt, waar zijn wonden verbonden worden. Dat gebeurde b.v. met koning Arthur. Hij die uit het feeënrijk terugkomt, meent dat hij maar één dag weg geweest is, maar dan kunnen er honderden jaren verlopen zijn. Eens toen Bran, door zijn krijgers en hoofdmannen omgeven, in zijn hal zat, stond er plotseling een vrouw voor hem, een afgezant uit het Geluksland, die in wonderbare verzen van de heerlikheid in dat eiland zong—waar de witte zeepaarden (de golven) omheen spelen en uit hun manen kristallen droppels naar de kust spatten; waar de vogels in oude, bloeiende bomen zingen, waar ze spelen op de vlakte, onder het genot vanWein, WeibenGesang; alles in geluk en in zonneschijn, „zonder enige mist”, zonder verdriet, en ziekte en dood, waar alles gelijk de zoetste muziek in de oren klinkt... In een kristelik kleed is een reis naar dat land beschreven in de verhalen van de Heilige Brandanus, en in een heidense variant als de tochten van Maël Duin. Hier komen ze aan allerlei fantastiese eilanden: het eiland van de grote mieren en de grote vogels, het eiland der zwarte Wenenden en der Lachenden, het eiland waar alles van kleur verandert en het eiland van de verschrikkelike smeden, de „ile des forgerons”, waar er geen gras groeit, maar waar men overalsintels vindt en hamerslagen hoort en blaasbalgen van de onderaardse smidsen,—men denkt hier allicht aan de Hekla en IJsland.

Dat zijn van die verhalen zoals alle zeevarende volkeren ze kennen; de Indiërs en de Grieken hebben die zowel als de IJslanders, en het is duidelik dat er al van zeer oude tijden verband is tussen die verhalen: men herkent allerlei motieven in die Ierse wonderbare reisverhalen òf uit de „Indica” van Megasthenes, òf uit de reizen van Sindbad, of uit de Odyssee en Virgilius.

De gehele lucht is er vol van toverij en magie; wat Ierland voor de Scandinaven was, vonden de Fransen in Wales: het land van tovenaars. De kern van de godsdienst der Druïden was dan ook het geloof in de magie; de Druïden hadden in hun cultus de goden zo goed als afgezet en beheersten nu zelf de wereld. Niet de krijgslieden maar die priesters en tovenaars waren de eigelike heersers in hun maatschappij. En sage en gezang vertellen van hun doen. Ze lopen langs de zee en vinden voorspellingen in de golven en de stemmen der zeevogels; donkere profetiën vertellen van een bos dat over de zee zal komen (een mastbos) over de rode en de witte draak die samen zullen vechten (Saksen en Britten). De figuur van Merlijn werd het inbegrip voor Wales van voorspelling en toverkunst. In zijn haat voor de mensheid was hij naar de bossen vanNorthumberlandgevlucht en daar voorspelde hij nu alles wat er gebeuren zou. In de bardenpoëzie wemelt het van mystiese versraadsels en die is ook doortrokken van een vreemd geloof in de zielsverhuizing: „Ik heb vele gedaanten aangenomen, ik ben een traan geweest in de lucht, de verste van alle sterren, een woord, een boek, een kaarslicht, een wild zwijn, een geluid in de slag, een golf op de woeste kust,”—men ziet hoe vreemd onwezenlik de meesten van die personificaties zijn. Door allerlei bezweringsformules kunnen de tovenaars de wil van de mens buigen, kwaad over het hoofd van de vijanden brengen, zich zelf en anderen in allerlei gedaanten omtoveren, en een mist op de heide of prachtige kastelen te voorschijn toveren en dit ook weer laten verdwijnen. Die toverij schijnt vooral op de heide te bloeien,—„la lande aventureuse”, waar we in de Franse romans uit Bretanje zo veel van horen.

Ongemengd was dit Keltiese element nu niet. Niet alleen de reis van Brandanus, maar de hele literatuur van Ierland en Wales was al vroeg doordrongen van antieke en Oosterse elementen en dikwels ook kristelike. Driehonderd en vijftig jaar lang hadden de Romeinen in Engeland geheerst en tot op den huidigen dagtoe tonen ruïnes en opgravingen hoe grondig ze de Latinisering aangepakt hadden. Evenals de hele latere Romeinse wereld, was ook hier in 't uiterste Noord-westen de Romeinse kultuur sterk met Oosterse elementen vermengd. Een prefekt—weet men toevallig—was van Nicomedia, een tribuun uit Syrië, dikwels kwamen garnizoenen uit Azië hierheen en inNorthumberlandheeft men altaren gevonden voor de Perziese Mithra, te Cambridge voor de Syriese Astarte, te York voor de Aegyptiese Serapis. De Keltiese kristelike kerk was in de 6de–8eeeuw, een tijd, verder van alle kultuur ontbloot, de enige in Europa om niet alleen aan Latijn te doen, maar ook aan Grieks; de Ierse kloosters hebben een hoofdaandeel aan het bewaren van de antieke literatuur. En een bizondere band schijnt ook die Westerse kerk met de Oosterse gehad te hebben; het kristendom der Ierse monniken draagt in vele opzichten meer een Oosters dan een Latijns karakter.

ToenGeoffreyde Britten van Brutus liet afstammen en van de Romeinen, was dat nog niet zo helemaal zonder enige reden. Onder de (jongere) „Mabinogion” vindt men verhalen die niets dan fantasiën over de tijd der Romeinen zijn,—b.v. over een keizer van Rome die met 32 koningen op jacht gaat en van een toverschip droomt, een tovereiland, een toverslot en een toverachtig schoon meisje en dan laat hij de hele wereld afzoeken totdat hij eindelik in Brittanië komt en de maagd vindt. Zo zijn er ook zelfs in het oudste deel van de Mabinogion, voortdurend trekken die opvallend aanOostersemotieven doen denken, zo b.v. de „Vriendschapsproef”,—twee vrienden die elkaars plaats innemen, maar tegenover elkaars echtgenoot vriendentrouw bewaren—of wel de geschiedenis van Ali Baba en de oliezakken die wij herkennen, of wel verwoeste prachtige toversloten, waar de bezoeker tot steen wordt, zodra hij een gouden schaal aanraakt. Bij het „Appelen-eiland” van de Eeuwige Jeugd in het Westen denkt men allicht aan de appelen der Hesperiden en de eilanden der zaligen, en er loopt een verhaal van een held die „het land waar niemand ooit vandaan komt” binnengedrongen was en daar met een vrouw vandaan was gekomen, waarbij natuurlik iedereen aan de geschiedenis van Orpheus en Eurydice denkt. Merlijn wordt ook al heel gauw verdoopt en heet dan als de zoon van een Romeins konsul Ambrosius, veel trekjes die zijn list betreffen en zijn helderziendheid, zijn eenvoudig op hem overgebracht van de verhalen van Indiese, Griekse en Hebreeuwse wijzen—van Midas en Silenus, van koning Salomo en de vorstder Geesten, Aschmedai—terwijl zijn „Profetiën”, die Geoffrey uitgaf, vol van reminiscenties van Lucanus zijn en van de Sibellijnse boeken.

Eindelik schijnen ook verschillende Germaanse elementen de Keltiese sagen binnengedrongen te zijn—het is onzeker of dat nu de Noorse Vikingen, de Angelsaksen of de Denen en Noormannen zijn die ze gebracht hebben. Nu eens herkent men trekken uit de sage van Siegfried, dan uit die vanVölund-Wieland—of wel zijn het Germaanse namen die men plotseling te midden van zuiver Keltiese aantreft.

Maar hoe deze „Matière de Bretagne” ook samengeweven is,—daarin opende zich voor de Fransetrouvèresvan het Engels-Normandiese rijk een wereld van poëzie die hen en hun publiek in verrukking moest brengen. Die wereld was hun nieuw en vreemd en daar lag een mysties perspektief, een geheimzinnige ondertoon van halfvergeten mythen en sagen achter die verhalen, welke de fantasie romanties in beweging moest brengen. En met die vreemde stof kon men ongegeneerd omspringen en doen wat men wilde, zonder door traditie of piëteit gebonden te zijn; dat alles kwam in losse onsamenhangende saga-motieven uit het Westen aanfladderen en elke dichter kon dat aan elkaar flansen, presies zoals hij zelf wilde. Dat was iets anders dan dat gescharrel met die romans van Karel de Grote, waar de stof met zulk een piëteit en histories nauwkeurig behandeld moest worden, of een Latijns boek voor zich te hebben dat men volgen moest!

En wonderbaarlik scheen die „Bretonse stof” met de poëtiese smaak dier tijden overeen te stemmen. Hier streed men niet in geordende scharen voor goederen of voor land en rijk, maar de helden trokken—presies als de kruisridders en de vaganten in hun eigen wereld—op eigen hand op weg om avonturen op te zoeken. En nu waren het eens niet die eeuwige Saracenen daar ze mee moesten vechten, maar monsters en wildemannen,—en voor al die magie en toverij en dergelijke avonturen, daar hoorde een andere soort moed toe, een „nouveau frisson” die zij de zenuwen gaven. Er lag een geur van natuurromantiek over deze poëzie van bos, heide en oceaan en een glans en een kleurenpracht en sprookjesrijkdom over die Keltiese fantasiewereld, welke bijna de vergelijking met de Alexander- en Troje-romans kon doorstaan. En per slot van rekening leken die Keltiese sagen de Fransen meer van hun eigen vlees en bloed dan de Frankies-Germaanseepiek der baronnenwereld. Er was een levendigheid en een fijne genotzucht in die Keltiese poëzie, een vrolik opgewekt samenleven en zulk een sterk erotiese aanleg kwam daar in te voorschijn, dat de Fransen zich daar zeer aan verwant moesten voelen. Hier waren schitterende feesten, vooral ook aan het hof, een sappig „esprit gaulois”, en een gepassioneerd „feminisme”,—te midden van al die barbaarse woestheid lijkt het bijna een eerste schets van het leven der Franse edelen in de 12deeeuw.

Een kleine groep van ridderlike dichters die in het Anglo-Normandiese rijk werkten en die, ten dele direkt, maar ten dele ook door middel van Engelse en Latijnse vertalingen de Britse en Bretonse sagewereld trachtten te leren kennen, brachten van het midden der 12deeeuw af, „la Matière de Bretagne” in de kring van het Franse geestesleven en wel met het gevolg dat niet alleen de „Matière de France” (de nationale heldenpoëzie) maar ook de „Matière de Rome” (de onder antieke invloed staande romans) door de nieuwe modepoëzie vrijwel in de schaduw werd gesteld.

Maar feitelik was het niet zo zeer de „Matière de Bretagne” die Frankrijk veroverde als wel de Franse riddermaatschappij wier eigen dichterlik genie de Keltiese stof in zichzelf op wist te nemen.

MARIE DE FRANCE.

In het begin vergenoegde men er zich mede in kleine berijmde vertellingen de stof neer te leggen die men in de liederen der Bretonse en Britse speellieden getroffen had of door de „fableors” had horen vertellen. Het woord „lai”, van Keltiese oorsprong, kwam in gebruik voor die berijmde novellen welke hun stof uit den vreemde haalden en die door hun karakter en hun geest zich meer in 't bizonder tot de hogere kringen richtten, spesiaal waarschijnlijk tot de dames.

De oudste en fraaiste van die lais, waarvan de stof dus Brits was, waren door een dame gedicht wier naam Marie was en die in 't eigelike koninkrijk Frankrijk geboren was, maar onder de regering van Hendrik II, in Engeland woonde en hem haar novellen opdroeg. Evenals de oude romancen, schijnen ook de lais dikwels door vrouwen geschreven te zijn.In een Noorse bewerking uit de 13deeeuw van een Franse lai, heet het dat Willem de Veroveraar eens met zijn mannen aan de Normandiese kust lag, terwijl storm hen verhinderde naar Engeland over te steken; toen verdreef hij de tijd met jacht en feesten en om te zorgen dat die niet vergeten zouden worden, zond hij enige harpspelers naar een dame in Bretagne die bekend was door de schonelaisdie zij dichtte, en liet haar uitnodigen, op een fraaie melodie daar gedichten over te maken; dat deed zij en leerde de harpspelers 't gedicht zowel als de melodie. Zo maakte ook Iseut gedichten over haar ontmoetingen met Tristan. Marie was literair ontwikkeld, zij vertaalde fabelen uit het Engels en legenden uit het Latijn en zoals zij in de proloog voor haar lais vertelt, had zij er eerst over gedacht een goed geschiedwerk uit het Latijn te vertalen, maar daar er nu zovelen juist met dergelijke dingen bezig waren, had zij liever willen vertellen wat zij van Bretonse verhalen gehoord of gelezen had. Bij die „dergelijke dingen” denkt zij waarschijnlik aan zo iets als de Roman van Aeneas, er zijn allerlei reminiscenties in haarlaisjuist aan die roman te vinden, evenals aan Ovidius. Een zekere kennis van de Provençaalse erotiese poëzie der troubadours schijnt zij al vroeg gehad te hebben. Dichteres van betekenis was zij niet; er is iets bleeks en damesachtigs over haar stijl, iets konventioneels in haar karakteristiek; maar bevallig en met gemak geeft zij de Keltiese stof in Franse verzen weer,—in hoeverre zij zelf voor dit alles verantwoordelik is, of wat zij dankt aan een ander, Frans of Engels, die tusschen haar en de sagestof in staat, dat laat zich niet gemakkelik uit maken; zij zelf schijnt in elk geval geen Kelties gekend te hebben. Maar—zij wist een eigenaardige romantiese geur van 't ver-affe en 't wonderbaarlike over die vreemde, niet altijd meer goed begrepen motieven te leggen; zij voelt de poëzie van zee en bos, zoals die over de Keltiese sagen ligt, en overal legt zij nadruk op het erotiese en het sentimentele en het vergroot eigelik alleen maar de poëtiese charme, wanneer trekjes uit de Aeneas-roman of Ovidius of zelfs motieven van de Grieks-Oosterse vertellingen in de Keltiese stof ingeweven zijn.

Verscheidene Keltiese sagen behandelden b.v. de verhouding der mensen in zake de liefde betreffende, tot de onsterfeliken. Mannen die b.v. uit het land des Doods opgestaan zijn of mannen uit het onderaardse feeënland die een vrouw onder de sterfeliken liefhebben. Of, gewoonlik, feeën die sterfelike mannen hun liefde aanbieden. Maar wanneer de zaak bekend wordt is 't uit,—gelijkaltijd bij de onderaardsen: wanneer niet-ingewijden 't zien of de zaak bij de naam genoemd wordt, dan verdwijnt alles. Zulk een sage was nu net iets voor de sentimentele romantiese smaak dier dagen.Lanval, een gedicht vanMarie de Franceevenals verschillende lais van onbekende schrijvers, behandelen dat tema met allerlei variaties. Er is b.v. een ridder die alleen het bos doorrijdt,—hij is op jacht van zijn gezelschap afgeraakt of hij dwaalt alleen maar wat om, b.v. omdat hij bedroefd is over het feit dat de koning zijn diensten niet goed beloont. Hij viert de teugel, en weldra heeft 't paard hem in 't dichtst van 't woud gebracht; het is heerlik weer en de vogels zingen in de middaguren, maar hij hoort er niet naar. Op eens is het hem alsof hij honden hoort aanslaan of een glimp van het witte hert krijgt, dan zet hij de hoorn voor de mond zodat het luid door 't bos weergalmt... Maar hij is steeds alleen in de betovering van 't eenzame bos. Zo komt hij dan aan een bron waar hij een badende fee verrast, hij bemachtigt haar klederen en zo krijgt hij haar in zijn macht en heeft haar zo aldra tot zijn wil,—als in de sage vanVölund (Wieland). Of wel wordt hij door haar aangezocht en laat hij zich naar haar tent of haar slot voeren, waar hij haar liefde geniet, volop eten en drinken krijgt zowel als de kostbaarste kleren en goud. Zulke feeën die prinsen naar hun feeën-kastelen ontvoeren, kenden ook de Oosterse verhalen; met een Middeleeuws-Latijnse verzameling van zulke geschiedenissen (de Delopathos) heeft een van die lais merkwaardige punten van overeenkomst en die zelfdelai (Guingamor)schildert ook de pracht van marmer en ivoor in dat slot en de muziekfeesten, met echt Oosterse kleuren. Het einde van de historie, om er dat even bij te voegen, is zeer karakteristiek. Wanneer de ridder daar drie „dagen” bij die fee door heeft gebracht, begint hij naar huis te verlangen en wil weg, maar nu vertelt de fee hem dat er reeds 300 jaar verlopen zijn en zo vindt hij dan ook 't bos en alles heel anders wanneer hij weer in de wereld terugkomt. Niettegenstaande dat de fee hem er tegen gewaarschuwd heeft, eet hij toch onderweg van de vruchten van een appelboom en daardoor valt plotseling de ouderdom op hem en wordt hij een oud mannetje,—door van 't aardse voedsel te gebruiken is hij n.l. ook weer onder de aardse wet der sterfelikheid gekomen,—evenals zij die naar 't dodenrijk trekken ook aan de wetten daarvan onderworpen zijn, zodra zij daar eten. (Verg. de appelen van Persephone en de sage van koning Hadding uit Saxo).

In de anderelaiskeert de ridder na een „heure du berger”, naar de mensenwereld terug, maar nu is hij altijd rijk en opgewekt en heeft nog steeds, wanneer hij maar wil, ontmoetingen met zijn geliefde; alleen heeft de onderaardse schone hem verboden op straffe van haar te moeten verliezen, iets van deze zaak te vertellen. Maar nu wordt ongelukkig de koningin op de jonge ridder verliefd. Met haar vrouwen komt de koningin de tuin in, waar de ridders dadelik de dames het hof gaan maken, maar hij, de schoonste van allen, houdt zich alleen op een afstand; ofwel komt de koningin eens door de voorhal waar zij hem bij het raam ziet zitten schaak spelen, terwijl een zonnestraal daardoor op zijn aangezicht valt en er een nieuwe glans op werpt. Zij laat hem roepen, tracht hem te verleiden door hem haar liefde aan te bieden en is diep gekwetst wanneer de jongeling die afwijst,—in een dierlaisin de eigen woorden van een lange passage uit Cicero's „De Amicitia”. In onbeheerste razernij barst de koningin nu in allerlei eerrovende beschuldigingen uit (wij volgen hier de versie uitMarie de France, waar de gebeurtenissen het natuurlikst met elkaar in verband schijnen te staan),—datLanvalzeker niet om jonge vrouwen geeft omdat hij natuurlik van knapen houdt,—de dichteres zal dat wel uit de Roman van Aeneas hebben—en om zijn eer te wreken komtLanvaler nu toe te zeggen dat hij een ander liefheeft die veel schoner is. In een veel plompere, misschien wel oorspronkelike versie is het de koning die bij een groot gastmaal, zijn koningin geheel ontkleed op een bankje ten toon stelt, zoals Ahasverus dat ook wilde, opdat de ridders haar kunnen bewonderen en haar gemaal benijden; wat zij dan ook allen plichtschuldig doen, behalve onze jonge ridder die, wanneer de koning hem uitvorst, er iets over los laat dat hij er een kent die nog schoner is.—In beide gevallen moet de ridder binnen een zekere vastgestelde tijd zijn bewering waar maken, anders moet hij voor zijn brutale pocherij sterven. Wanhopend loopt hij nu rond, niet alleen omdat hij nu sterven moet, maar ook wijl hij zijn woord tegenover zijn geliefde gebroken heeft. Maar de laatste dag komt er een prachtige stoet van maagden aanzetten die de bewondering der hovelingen opwekken en ten slotte de feeënkoningin op een wit paard, in een wit gewaad, maar zo dat haar gehele lichaam door alle aanwezigen te zien komt,—Venus noch Dido noch Lavinia waren schoner dan zij,—zo wonderbaarlik schoon is zij dat allen erkennen moeten dat de jonge man niet gepocht heeft. Maar hij blijft apart staan, omdat hij zichschaamt over zijn gebroken belofte en zij is dan ook eerst niet geneigd hem genade te schenken, maar 't eindigt er toch mede dat hij met haar meegaat naar het feeënrijk en nu voor goed.

Ook dit alles: dat de ridder naar de mensenwereld teruggaat, zich zijn geheim laat afpersen, enz., wordt in Oosterse sprookjes van de fee Peribanu verteld; er is hier verband met Griekse mythen van Amor en Psyche en de Duitse sagen overTannhaüserin de Venusberg. Even duister als de sage zelf is voorlopig ook nog het verband tusschen de verschillende vormen er van. Wat het omgekeerde geval betreft van een aardse vrouw die een onsterfelike man toebehoort, in die klasse valtMarie de France's laioverYonec. Maar hier is de bewerkster zich maar half bewust dat zij met een onsterfelike te doen heeft en dat het land in kwestie het hiernamaals is; de personen uit die sage maakt zij, zonder het echter geheel van de mystiek te ontdoen, tot echte gewone mensen en ridders.

De jonge echtgenote van een ridder is in een toren opgesloten en „verspilt haar schoonheid met tranen”. Op een morgen in de maand April ligt zij klagend naar de heldere zon te kijken. Dat die akelige jaloerse oude man van haar dan ook nooit schijnt te kunnen sterven. Dat er dan ook nooit bij haar eens een van die ridders komt, waar men hier in Bretanje altijd van spreekt, die de dames komen „troosten” zonder dat hun reputatie daar onder lijdt. Op 't zelfde ogenblik dat zij die wens uitspreekt, ziet zij in 't venster de schaduw—zeer schilderachtig wordt dit verteld—van een grote vogel, die vlak daarop de kamer in komt vliegen. Zodra de vogel en zij elkaar aankijken, wordt hij tot een ridder (in de „Oiseau Bleu” en ook in een Deens volkslied en een sprookje komt dat zelfde motief voor); nooit, beweert hij, heeft hij iemand anders dan haar liefgehad, maar hij zou zijn rijk niet hebben kunnen verlaten en bij haar komen indien haar wens hem niet geroepen had. Hier zien wij duidelik 't mytiese dat hier aan ten grondslag ligt, en de dame durft zich niet met hem inlaten, vóór zij de zekerheid verkregen heeft dat hij geen kwade geest is, nu weet de kristelike auteur er zeer naïef en onbeholpen niets beter op dan de ridder het H. Avondmaal in de toren te laten gebruiken! Dan schenkt de vrouwe hem haar liefde en—evenals de fee bij de ridder,—komt hij van nu af telkens wanneer zij dat wenst; alleen moet hij zorgen dat nooit iemand hem ziet. Lang genieten zij nu van elkaars omarmingen, totdat de echtgenoot zich er over begint te verbazen dat de schoonheid vanzijn troosteloze vrouw nu op eens weer zo opbloeit; hij laat haar bespieden en als hij hoort dat er dikwels een grote vogel bij haar komt, laat hij ijzeren punten in 't raam slaan. En wanneer de vogelridder dan de volgende keer komt heeft hij zich bezeerd en valt bloedend op haar bed neer, evenals in de Deense ballade, de knaapGermandin zijn veêren kleêren tot zijn geliefde komt, alleen om te sterven, daar de harpij onderweg zijn hartebloed gedronken heeft. Ook de ridder zegt dat hij nu naar huis moet vliegen om in zijn eigen rijk te sterven, maar zij zal een zoon baren die hem zal wreken. Met kreten van smart springt zij hem uit het raam na; in haar hemd volgt zij zijn bloedige sporen; het wordt een lange tocht—men begrijpt dat het oorspronkelik de reis naar het doodsrijk was die zij daar ondernam,—door een bergengte... over met bloed besprenkelde weiden... door een stad waar geen mens op straat te zien is... tot in een kasteel waar zij hem stervend te bed vindt liggen. Maar zij mag dáar niet blijven, zegt zij, als de mensen haar zagen zouden zij haar afmaken omdat zij schuldig is aan zijn dood; maar hij geeft haar een ring die maakt dat haar man niets van haar afwezigheid zal merken, en een zwaard dat zij aan hun zoon moet geven om daarmeê zijn dood te wreken...

Meer en meer verdwijnt de Keltiese achtergrond uit de vertellingen vanMarie de France. Een bezoek in het feeënrijk is oorspronkelik ook wel het onderwerp van deLaivanGuigemargeweest, maar de gehele détail-schildering wijst in de richting van de Grieks-Oosterse kunst. De jongeGuigemardie altijd de liefde van zich afgeworpen heeft, schiet eens op de jacht op een witte hinde, maar de pijl slaat op hem zelf terug en verwond hem,—blijkbaar is de hinde door een fee gezonden om hem voor zijn gevoelloosheid te straffen, evenals Amor bij Ovidius de god van de jacht treft omdat die de liefde veracht heeft. En de hinde voorspelt hem dat slechts een trouwe liefde hem zal kunnen genezen. Somber dwaaltGuigemarnu van zijn mannen af om bij het zeestrand een prachtig wonderschip te treffen,—er is niemand aan boord. Nieuwsgierig maar niet zonder enige angst gaat hij er heen en vindt daar een prachtig bed (het wordt beschreven zo prachtig als dat van Salomo in het Hooglied en dat van Hektor in de roman van Troje), hij gaat er even op liggen omdat hij door zijn wonden vermoeid is en als hij weer opstaat is hij al in het ruime sop. Dat soort van tover-mystiek is echt Kelties. Hij landt aan de voet van een groene marmeren toren. Daar houdteen oude man zijn vrouw gevangen, slechts een jong meisje en een oude ontmande klerk zijn daar bij haar,—dat zijn natuurlik voorstellingen van een harem en eunuchen die de dichteres hier voorzweefden. De twee vrouwen vinden de jongeling op dek liggen slapen; hij lijkt dood, maar als de jonge vrouw haar hand op zijn borst legt, merkt zij dat die nog warm is, nu slaat hij ook zijn ogen op en zij brengen hem binnen waar hij in het bed van de maagd gelegd en goed verzorgd wordt.Marie, die voor alles allerlei zedige omschrijvingen weet te vinden en die altijd in de kleinste kleinigheden de zedigheid in acht neemt, laat ze een mantel als een gordijn voor dat bed hangen, want er is maar één kamer in die toren. Nu vergeet hij al heel gauw zijn wonden, maar hij wordt daarentegen nu door de liefdepijl getroffen, en de jonge vrouw niet minder. Het meisje helpt ze, en ofschoon hij zich eigelik erg geneert,—want, zegt de sentimenteleMarie de France, hij was niet een van die lichtzinnige ridders die de ware liefde bespotten—waagt hij 't eindelik met zijn gevoelens voor den dag te komen. Eerst wijst zij hem lachend af,—zij moet van Antigone uit de roman van Thebe geleerd hebben dat men eerst en vooral moet tonen er niet „zo maar één” te zijn die men met een natte vinger kan lijmen; maar de ridder antwoordt, en het isMarie's eigen fijne vrouwelikheid die door zijn woorden spreekt,—: „Vrouwe, wees niet boos dat ik dit zeg. Een lichtzinnige vrouw moet zich lang laten smeken om haar waar op prijs te stellen, opdat men gelove dat het de eerste keer is dat zij zich lokken laat. Maar een edele vrouw, die een man vindt van wie zij houdt, heeft zich niet trots op een afstand te houden, maar mag hem liefhebben en zich met hem verheugen.” De dame geeft dan ook al heel gauw toe, en zij kussen elkaar en omhelzen elkaar en „wat daar verder zo bij hoort”. Maar de echtgenoot krijgt de lucht van wat er in die toren gebeurt enGuigemarmoet nu vertrekken. Wederkerig geven zij elkaar beloften van trouw, maar hij legt toch een kuisheidsgordel om haar lijf—dat wijst ook op Asië en Aegypte—en zij legt een knoop in zijn hemd die zij alleen los zal kunnen maken... Verder horen wij hoe beiden hun trouw bewaren, hoe zij haar man verlaat en bij een andere ridder in huis komt die tracht haar in zijn macht te krijgen, maar hij kan haar gordel al evenmin los krijgen als alle vrouwen van Bretagne de knoop in 't hemd vanGuigemarlos kunnen maken. Ten slotte vinden zij elkaar en worden ze verenigd,—aandoenlik wordt geschilderd hoe zij elkaar gaandewegherkennen, fijn is ook de droefheid beschreven van de ridder in wiens huis zij opgenomen was geworden en die nu getuige is van de vreugde van hun wederzien. Ook hierin is er veel dat aan Grieks-Oosterse romans herinnert met hun verliefde maar toch zo humane despoten...

Over 't algemeen putMarienu langzamerhand haar stof zo wat uit alle bronnen, terwijl zij die alleen maar in Engeland of Bretagne lokaliseert en er haar zachte sentimentele geest in legt. Zij neemt b.v. een vulgaire anekdote over echtbreuk en een geliefde die zich in een badkuip aan het kokende water brandt, maar brengt die in hoger sfeer over, door er een sentimentele troubadour-liefde in te leggen en vol aandoening het ongelukkig einde der gelieven te bewenen. Zij neemt een verhaal dat in 't middeleeuws Latijn voorkwam en van Oosterse oorsprong schijnt, over de jalousie van een echtgenoot die zo hevig was dat hij eens een nachtegaal door vier paarden in stukken deed rijten omdat haar gezang zijn vrouws hart in tederheid deed smelten en haar zo tot liefde verlokte. Daar maakt zij nu een aandoenlike kleine natuur-romantiese geschiedenis van: De echtgenote van de ridder en haar vriend zitten in een nacht vol maneschijn elk voor zijn venster naar elkander te kijken en naar 't gezang van de nachtegaal te luisteren—hun tuinen grenzen aan elkaar, zij kunnen nu met elkaar spreken maar zij zijn nog nooit samen geweest. De ruwe echtgenoot is boos dat zijn vrouw 's nachts zo dikwels opstaat en naar 't gezang der vogelen luistert,—'t is de nachtegaal zegt zij n.l. die maakt dat zij geen oog dicht kan doen—en daarom zet hij een vogelknip voor de verstoorder van zijn vrede uit en eens op een dag kan hij vol triomf haar de bloedige vogel in de schoot werpen. Maar de dame zendt het kleine lichaampje in fluweel gehuld naar haar vriend met de boodschap dat zij nu niet langer 's nachts bij het raam durft te gaan zitten en hij legt het lijkje in een gouden kistje en draagt het als een herinnering op zijn borst...

Helemaal tot kleine romans groeien ten slotte hier de vertellingen aan, die naar het schijnt niets Kelties in zich hebben en waar het overdreven fantastiese geheel op de achtergrond treedt voor de zuiver menselike hartegevoelens. Beide handelen ze over vrouwen wier liefde zo vol zelfverlochening is dat zij zich voor het geluk van hun geliefde opofferen door voor een andere vrouw plaats te maken. Maar het is zekerMarie's eigen gevoelige idealisme, dat dit in de onderwerpen gelegd heeft die zij opvatte.

Overal in alle landen treft men verhalen—die misschien op een oud sprookje terug gaan—van de jonge vorstendochter die bestemd was om de bruid van een prins te worden, maar die dan juist daar vóor geschaakt wordt en die dan na velerhande avonturen pas herkend en erkend wordt juist op 't ogenblik dat een van haar zusters met de vorst trouwen zou voor wie zij zelf bestemd was. Uit dit motief is het gedicht vanMarie, De Esch—„Le Fraisne”—ontstaan. Het is een vondeling, die Esch heet naar de boom waaronder zij gevonden werd,—zij wordt in een klooster opgevoed, maar heeft een vorst lief die in de buurt woont en vlucht uit het klooster om op zijn slot als zijn bijzit te gaan leven. Zij zijn zeer gelukkig samen, maar dan verlangen ongelukkig de baronnen van de vorst dat hij nu een huwelik in zijn stand aan zal gaan om een erfgenaam het leven te geven. Hij wordt er dan ook toe gebracht om de hand van de dochter van een zijner ridderlike naburen te vragen. De bruiloft wordt vastgesteld en de moeder komt naar het kasteel om de voorbereidselen te treffen en o. a. om de bijzit weg te jagen. Maar ze wordt verrast en geheel ingenomen door de liefelikheid van het jonge meisje, dat zacht en geduldig aan alles medehelpt, zijn dienaars zegt hoe hij gewoon is het te hebben, ook b.v. zelfs zijn bruidsbed helpt gereed maken „want dat wist zij zo heel goed” en als zij geen linnengoed vindt dat mooi genoeg is voor hem, gaat zij zelf van haar eigen linnengoed uit haar kast halen. Maar wat zij daar nu uithaalt is juist het goed waar zij in gewikkeld was toen zij in 't klooster opgenomen was. En—de moeder van de bruid kijkt en kijkt,—ze kent dat goed! Dat was 't zelfde linnen waarin zij zo lang geleden haar eigen kind te vondeling legde, toen zij niet had durven erkennen dat zij een tweeling gekregen had, omdat zij altijd volgehouden had dat dit op ontrouw van de vrouw duidde. „Esch” is dus haar eigen kind, de tweelingzuster van de bruid (Hazel)... En nu komt er verklaring en vreugde,—gejubel!—en Esch wordt de bruid in plaats van haar zuster.

Het is de zachte vrouwelikheid, de aandoenlike verzaking van de liefde die hier verheerlikt wordt—zoals die reeds in talrijke legenden van vrouwelike heiligen door het Kristendom verheerlikt was geworden, zowel als in de Indiese en Griekse poëzie. Maar zo lang als de opoffering aan een Godsvrucht te danken was die zich van de wereld afwendt, zolang de stempel van de slavernij nog op de vrouw drukte, kon de verzaking niet het karakter vandie vrijwillig verlochenende liefde dragen als hier in „Fraisne”. NaMarie de Francewordt de geduldige Geliefde een lievelingstema voor de poëzie der middeleeuwen en ook van de latere tijd; de verwantschap met de lais van Marie laat zich vooral niet lochenen voor de schone Engelse en Noordse balladen van „De schone Anna—fair Annet”.

In het Deense volkslied is de ridder blijkbaar van plan ze alle beiden aan te houden, en hij vraagt kalm zijn bruid wat zij zijn „fryndinne” voor geschenk denkt te geven en omgekeerd. In de tijd van de kruistochten, kwam het, zoals wij al gezien hebben, dikwels genoeg voor dat de echtgenote meer of minder vrijwillig zich in een soortménage à troismoest schikken, wanneer haar ridder van zijn reizen met een vrouw thuis kwam die hij in verre landen gehuwd had. Dat is het tema van de grootste en fijnst uitgevoerde vertelling vanMarie de France, die van Eliduc.

Ridder Eliduc van Bretagne heeft zijn vrouw en zijn haardstede moeten verlaten en is naar Engeland getogen waar hij de Koning van Exeter in de oorlog gevolgd is. De koningsdochter wordt op hem verliefd en spreekt vriendelik met hem en ook de ridder kan van zijn kant niet nalaten naar de zoete woorden der prinses te luisteren, maar wil zijn vrouw toch niet vergeten. De prinses zendt hem een kamerjonker met geschenken om te zien of hij haar lief heeft,—zó kan men nu eigelik niets er over te weten komen, voegt de dichteres er met een zekere skeptiese mensenkennis aan toe, die dikwels door haar sentimentaliteit heen breekt; nog nooit zag ik een ridder die geen geschenken aanneemt. Levendig als bij Ovidius wordt de twijfel der prinses beschreven, of zij die geschenken durft zenden of niet, en haar ongeduld om 't resultaat te horen. Eliduc neemt alles aan, maar zegt „niets zonder dank” en biedt de boodschapper geld; zo weet de Prinses nog niet wat zij geloven moet. Zij heeft n.l. geen idee dat ook het hart van de ridder in diepe nood verkeert, hij kan niet meer voor zich zelf verbergen dat hij haar lief heeft, maar toch wil hij zijn trouw jegens zijn echtgenote bewaren. En hij wil ook wel op goede voet met de prinses staan en haar eens kussen, maar ook niets meer. Eens zit de koning schaak te spelen en laat zijn dochter binnen komen om Eliduc bezig te houden. Zij gaan apart in een hoek van de zaal zitten—de scène doet denken aan die tusschen Jason en Medea in de roman van Troje—zij zijn beiden wat gegeneerd en 't gesprek vlot volstrekt niet. Eindelik stamelt hij een woord van dank voor haar geschenkenen nu biecht zij op dat zij die zond, omdat zij hem lief heeft en niemand anders wil hebben. Hij legt zijn gevoelens nu ook bloot maar—voegt er bij—wanneer de oorlog gedaan is moet hij naar huis terug. Zij legde zich daar bij neer en van toen af zagen zij elkaar dikwels en hielden veel van elkander.

Maar nu wordt Eliduc naar Bretagne teruggeroepen, omdat zijn eigen koning zijn hulp tegen hun vijanden nodig heeft. Hij moet weg. Het doet hem verdriet voor zijn vriendin, maar er is niets tussen hen geweest dan vriendelike woorden en gaven, geen dwaasheden of iets oneerbaars, maar zij die niet wist dat hij getrouwd was, bleef hopen. Men ziet hoe fijn de kleuren gemengd zijn, hoe delicaat Marie de halfheid in de verhouding weet te tekenen: hij heeft de eerste schrede niet gedaan, alleen is hij niet sterk genoeg geweest om de avances der jonge dame af te wijzen; hij heeft alles nog binnen de grenzen van het fatsoen weten te houden, maar heeft 't niet over zich kunnen verkrijgen te zeggen dat hij daar ginds in den lande van overzee getrouwd was. Nu voelt hij met smart dat het hart van een hunner of misschien wel van beiden bij de scheiding moet breken, en besluit alles aan de beslissing van de prinses zelf over te laten. Eerst neemt hij afscheid van de Koning en gaat dan naar de dochter om haar alles te vertellen. Maar ongelukkig valt zij dadelik in zwijm zodra zij van afscheid nemen hoort spreken en nu kan onze held niet anders doen dan haar in zijn armen nemen en kussen: „Mijn zoete vriendin, laat ik U alleen dit maar zeggen: gij zijt de mijne in leven en dood.” Haar dadelik meenemen—wat zij eigelik wilde—kan hij niet; hij staat in haars vaders diensten dat zou trouwbreuk zijn; wel kan hij terugkomen als hij een vrij man is en dan kan hij haar schaken, zonder dat zijn eer daar onder lijdt. Nu wisselen ze ringen, kussen elkaar... en zo zijn al zijn schone voornemens door haar tranen gesmolten—zoals het de man zo dikwels gaat die komt om zulk een verhouding af te breken.

Eliduc komt thuis en wordt door allen goed ontvangen, vooral door zijn trouwe echtgenote; maar hij loopt stil en in overpeinzingen rond en zij vraagt in haar verdriet of iemand haar misschien belasterd heeft. Als hij nu zijn koning bijgestaan heeft, gaat hij, zoals hij beloofd heeft, naar Exeter terug en schaakt daar de koningsdochter. Er steekt een storm op zee op en de bemanning mompelt iets over—even als in de geschiedenis van Jonas—dat er zeker een schuldige aan boord is, die geofferd zal moeten worden;—natuurlik is zij dat, de vrouw die 't met een getrouwdeman houdt. De prinses bezwijmt van schrik, ook omdat zij hoort dat hij gehuwd is; woedend slaat Eliduc de schipper tegen den grond en neemt zelf 't roer over, hij weet het schip ook veilig aan land te brengen, maar... zijn geliefde ligt daar nog altijd dood voor hem. Wanhopend neemt hij haar in zijn armen en draagt haar naar een verlaten grafkapel waar hij haar voor 't altaar op een baar legt; hij heeft de moed niet het lichaam te begraven, lang blijft hij over haar gebogen zitten klagen en zweert dat hij nooit meer wapenen zal dragen, maar monnik wil worden. Als zij hem niet lief had gehad, zucht hij, had zij nu een koningskroon gedragen... Nu rijdt hij naar huis, maar altijd keek hij even somber en elke morgen na de mis reed hij naar die kapel en ging bij 't lijk van zijn geliefde zitten die merkwaardig genoeg er altijd even fris en schoon uitzag. Zijn bedroefde vrouw laat haar man's wegen bespieden en in gezelschap van een dienaar gaat zij eens de kapel binnen, waar zij het meisje ziet liggen als een pas ontloken rozenknop; zij neemt het lijkkleed weg en bewondert haar schone lichaam. Zij verbaast zich nu niet meer over de smart van haar man en heeft innig medelijden met hem; droef geresigneerd voelt zij ook heel goed dat zij zijn liefde nooit meer terug zal kunnen krijgen. Wenend zit zij bij het lijk van haar mededingster,—een situatie vol grootse, dichterlike schoonheid. Daar komt in de stilte een wezel aanlopen over de stenen in de vervallen kerk. Haar dienaar slaat die met een stok dood. Maar 't duurt niet lang of het vrouwtje van de wezel komt met een rode bloem in haar mond aanlopen en zodra zij het mannetje daarmee aangeraakt heeft, is die weer levend. (Een natuurmerkwaardigheid waar klassieken zowel als Oosterse schrijvers van weten te vertellen). Nu beveelt de vrouw haar dienaar de rode bloem op te nemen, nauweliks heeft zij die op de lippen der afgestorvene gelegd of die ontwaakt met een diepe zucht uit haar lange slaap. Maar wat volgt is nog schoner; de vreemdelinge klaagt haar nood, hoe zij een man lief heeft gehad en met hem gevlucht was en hoe zij toen hoorde dat hij getrouwd was; de vrouw van de ridder moet haar nu zelf troosten door te vertellen hoe innig veel verdriet die man hier over heeft en hoe weinig hij van zijn echtgenote houdt. Zij heeft al dadelik haar besluit genomen; die twee moeten elkaar toebehoren, zij zal zelf de sluier aannemen. Dat weet de heldhaftige vrouw ook door te zetten en Eliduc „dulcement sa femme mercie”, wat werkelik ook niet te veel is. Maar 't duurde niet lang—eindigt de dichteresdie hier enigsins kristelik begint te worden en schijnt te vinden dat Eliduc er wat al te gemakkelik af is gekomen—of hij volgde met zijn prinses het voorbeeld van de vrouw en zij gaan ook in een klooster. En in het klooster ontvangt de echtgenote haar opvolgster als een zuster!

WaarMarie de Francedeze geschiedenis misschien vandaan heeft, is niet van veel belang; zoals zij die hier vertelt, zonder sterke kleuren en zonder diepe kracht, met een licht lopende damespen, is het toch wel degelik haar eigen werk geworden; er zit in die vertelling juist dat mengsel van voorname wereldlikheid en fijne, ironiese zielekennis, van een gevoelvol verheven menselikheid en fijn, subtiel moreel gevoel,—die ook later weer de echt Franse liefderoman zal karakteriseren.

DeLaisvanMarie de Francevormen daartoe de bekoorlikste inleiding.

TRISTAN EN ISOLDE.

Uit vele van die populaire speelmanslais ontstonden romans. Van de liefde van Tristan en Isolde is er gezongen en gedicht in die oudelais, waardoor die paar gelieven uit Cornwall reeds aan de oudste Provençaalse troubadours bekend waren. En weldra stonden zij voor de middeleeuwen als omstraald door een nog hogere poëzie dan zelfs Floris enBlanchefleurof Aeneas en Dido in de oudheid. „Nooit,” heet het in de oudste versie, die men heeft kunnen opdiepen (Berol's bron), „hadden anderen elkaar zo lief en kochten de liefde zo duur.” Het noodlot had ze door één teug aan liefde en ongeluk gewijd, en zo stond het paar voor alle gevoelige harten met een dubbele aureool omgeven; hun liefde was misdadig, altans volgens de vromen van de Ridderromantiek, maar ze waren toch enigsins te verontschuldigen door het onwederstaanbare van hun schone passie en ze werden toch ook door al hun ellende gelouterd. Evenals St. Preux en Julie of Werther en Lotte voor hun tijdgenoten, waren Tristan en Isolde voor de middeleeuwen martelaars der liefde, onschuldige offers van de moraal der burgerlik kristelike maatschappij,—maar in de ogen van alle jongeren was hun lot toch eigelik benijdenswaardig, en stonden ze toch in geluk ver boven dat van de gewone burger.

Geen motief is zo dikwels in de romans gebruikt geworden als dit, maar er heeft een merkwaardig noodlot op de overlevering er van gerust. Van de oudste versies is er geen een over; de oudste die wij hebben zijn fragmenten van twee Franse berijmde romans die uit 't Anglo-Normandiese rijk stammen, die van Berol en van Thomas, uit de jaren 1160–1170; dan zijn er een paar latere Franse berijmde bewerkingen verloren gegaan, maar wij hebben een proza-roman uit de 13deeeuw over; in 't Duits bestaan er berijmde bewerkingen van Eilhart v. Oberge (1190) en Gotfried van Strassburg (ongeveer 1210) en twee vervolgen; vervolgens is er een Middel-Engels-gedicht, Sir Tristrem, een IJslandse sage en enkele late volksboeken. Met grote kunst heeft de Franse filologie echter aan Frankrijk van dit alles teruggegeven wat haar toekomt, door de vreemde versies in twee groepen in te delen, die respektievelik op Berol en Thomas terug gaan, en heeft uit wat aan de versies van elke groep gemeen is, de twee Anglo-Normandiese romans kunnen rekonstrueren om de paar fragmenten heen die wij er feitelik alleen maar van bezitten. Zij zijn—zoals wij zagen—omtrent van de tijd van Marie de France. Berol is meer populair en die staat waarschijnlik ook wel dichter bij 't oorspronkelike. Thomas is meer ridderlik. Terwijl 't vooral Eilhart is die ons Berol kan helpen reconstrueren, hoort zowel de roman van Gotfried, als die van Sir Tristrem en de IJslandse sage tot de groep afstammelingen van Thomas. De groei van de Ridderromantiek laat zich heel goed volgen als men de twee groepen Berol-Eilhart en Thomas-Gotfried met elkaar vergelijkt.

Dat er oorspronkelik een sage uit Cornwall of uit West-Schotland aan ten grondslag ligt, staat buiten alle twijfel. Ook is 't zeker dat er zich al heel vroeg om die oorspronkelike sage-stam andere motieven en anekdoten geslingerd hebben, tendele reeds op Keltiese grond, maar ook later in de Franse versies, uit de oudheid en het Oosten, uit Frankrijk zelf en uit Duitsland. Zoals het werk van Berol en Thomas eeuwen lang alle landen rond is getrokken, kan de stof door zijn hele kleur en toon maar tot zekere hoogte Kelties genoemd worden. Reeds de namen zijn kosmopolities. Iseut beschouwen sommigen als Germaans evenals andere vormen met Is-, misschien voor Ishilde, maar in elk geval is de naam al zéér spoedig als Kelties gevoeld; haar vader Gormond heeft zeker een Scandinaviese naam, ook Morolt lijkt Germaans.Blanchefleur, Tristan's moeder is natuurlik Frans, Isolde's dienstmaagdBrangién(= witborst) daarentegen Kelties. Marc, de oom is Kelties en betekent paard; dat heeft aanleiding gegeven tot het sprookje dat hij paardenoren had,—een trek die in vele volkssagen voorkomt, maar nu wordt ook de geschiedenis van koning Midas zijn ezelsoren en het geheim dat hij aan 't riet toevertrouwde op koning Marc overgedragen. Eindelik is Tristan oorspronkelik Kelties (Drostan, maar de gelijkenis met 't Frans „triste” heeft invloed op de naam gehad en een zeker elegies-tragies kleurtje over de Franse Tristan gelegd die Drostan uit Cornwall zeker miste). Die Drostan schijnt een held van 't zeer populaire „Schlau-kopf”-type geweest te zijn—gelijk Odysseus of Jakob uit de Bijbel—een slimme schelm, die door het noodlot vervolgd wordt, maar handig en gewikst zich door alles heen weet te slaan. Hij was de duizend-kunstenaar die zwemmen kon, vechten, draken doden, die kon springen zo hoog als niemand anders (in Cornwall wees men de rots waarvan hij zijn enorme beroemde sprong gedaan had); een man even uitstekend als jager als in de kunst het wild te bereiden, als harpspeler als in de kunst om vogelenstemmen na te bootsen. En de verhouding waarin hij tot de vrouw van zijn oom stond was slechts een van de wijzen waarop het noodlot hem vervolgde, maar waarop hij ook zijn listige streken kon vertonen.

Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan 't hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall of Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd—de naïeve monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman denken—terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven zal die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te ontvluchten en aan land te komen,—bij koning Marc, waar hij aan 't hof in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij eigelik is en de koningstelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige trek gemeen.

En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar 't rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was om het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en de Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik de kroniek vanGeoffreyvanMonmouthgebruikt en wel naar de Franse berijmde bewerking vanWace; het motief is bovendien algemeen genoeg in de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn voorhoofd geveld—een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel zitten—maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan.

Nu wordt Tristan ernstig ziek,—niemand kan zijn wonden helen, waar bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,—iets wat Gotfried overslaat omdat „zo iets niet goed past in de hoofse toon”. Gelijk gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich op een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of—zoals de ridderlike versies 't liever voorstellen—als een harpspeler en komt zo in het paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede manieren (moralitas), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend zal worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt, ofschoon dekoningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden had.

Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen die jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem schuilde.

Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses ten huwelik zou krijgen,—een in de Griekse en Germaanse sagenwereld zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed, trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn muil—in het hart zegtGotfriedmeer in overeenstemming met ridderlike opvattingen—snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn broekzak—legt die op zijn borst, zegt Gotfried, maar—nu trekt het vergif zijn lichaam door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in zwijm. De Seneskalk des konings, een slecht mens, komt langs het lijk van de draak, en eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol triumf naar huis en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het vooruitzicht met die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet geloven dat hij zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat met haar moeder het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de vreemdeling met de tong van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar hij verpleegd wordt en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en bewijst tot groote schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft willen bedriegen. Dit is duidelik een geheel op zich zelf staande sage die vrij onhandig in het gedicht ingevlochten is,het wordt ook in een apart Kelties gedicht gevonden over „De held en het hert met de witte poot”; misschien is het ook verwant aan de Griekse geschiedenis van Alkatoos, die op die zelfde manier zich door de tong van het monster als de geen doet kennen die het gedood heeft, inplaats van een ander die hem die eer wil roven. De sage is in haar grondtrekken zeer algemeen.

Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt in het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er zich over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan een koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen, en ziet het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt er mee gekregen heeft—op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het stukje dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard heeft,—kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En zij neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te doden. Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje. Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar moeders broeder haten, maar haar „milde wîplichheit” zoals Gotfried zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt van de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een iets besluit, houdt de ander haar terug, ookBrangienstelt zich op de voorgrond en wil als Isolde's „cameriere” ook een duitmeêin 't zakje doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt „voor de schone rij der vrouwen”, die galant door de Duitser met de zon, de maan en de dageraad vergeleken worden.Brangienbrengt er het drietal toe elkaar de kus der verzoening te geven,—het maakt vooral indruk als Tristan mededeelt dat het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de hand van Isolde komt vragen.

Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt de prinses, doorBrangienbegeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedeniszijn er sprookjesmotieven en reminiscenties van allerlei heldensagen. De eigelike handeling begint pas waar Tristan en Isolde uit Ierland vertrekken, nadat Tristan voor zijn oom de hand van de Ierse koningsdochter gevraagd heeft.

Isoldes moeder heeftBrangieneen minnedrank meegegeven die zij de jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om hun huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde Ovidius,—Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. „Doch neen! het was geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood”, barst Gotfried uit. Te laat ontdektBrangienwat er gebeurd is. „Die drank die wordt beider dood.” En inderdaad blijkt nu ook al ras dat „der Welt Unmusze”, de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar „de ogen en de harten naderen elkaar steelsgewijze,”—de liefde—die „kleurster” maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes, met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat. „Wat scheelt er aan?” vraagt hij.„„L'amer” is het dat mij wee doet”; en nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord hebben kan. Bedoelt zij „de zee”? Is het „de bittere” wind? vraagt hij daarna, maar zij is het die de derde betekenis noemen moet:—het is „de liefde”. „Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan,” zegt hij dan. Het is zeker een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't Latijn. En dan wordt Tristan—gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel beschrijft, in de trant van „Daphnis en Chloë”—door de geneesheer Liefde naar de legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan als medicijn voor hun ziekte.

En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis,noch in de Ilias, noch in deVölsungensage, noch in de Chanson de Roland; dit is een roman-truc,—vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan niet als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is, valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood van Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan en Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking er van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de natuurmacht der liefde,—zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen, of andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmachtdie, zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart en juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën moeten kampen.

Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen plaats in de huweliksnacht in te nemen,—een onderschuiving die in vele verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het paar zo van de diensten vanBrangiengeprofiteerd heeft, vinden ze het toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars die haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet.Brangienbrengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de waarheid.Brangienwordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en de hulp der gelieven.

Die nemen namelik kalm hun maatregelen om hun relaties achter de rug van haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het hof—vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die kent—die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken en de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te vermijden—Brangienstaat tegenover de dwerg aan hun zijde—maar waar zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij weet de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,—erwerd al op gezinspeeld—door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval betreft, over deze „komedie” heeft de volksfantasie altijd de nodige anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor dat tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen ook de grote kunst vanMarie de Francewas. De minnedrank komt dan ook goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen; zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben, en dat hun alles toegestaan is—en dat voelt de lezer ook. Maar hun liefde staat ook daardoor hoger dan de grove komiek derfabliauxdoordat de echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig is en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die hem bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is de sympathie van allen voor de „einvalt” en „wegelôse” koning, zoals Gotfried hem noemt. „Slechts zijn grote liefde voor u,” zegtBrangieneens tegen haar meesteres, „maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij beloont hem slecht.”

In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet raad. Er stroomt een rivier langs—of oorspronkelik door—het vertrek van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw) en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,—een list die reeds in een oude Ierse sage voorkomt.

De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te beloeren,—in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw vande koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak bij de koning te willen zijn—vooral over een som gelds om zijn harnas terug te krijgen dat hij heeft moeten verpanden—; maar zij zegt dat zij dit niet durft,—zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof voelt. De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand vertelt, bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij Isolde in verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel speelt, wordt zijn neef weer in genade aangenomen. MaarBrangienmoraliseert over het mirakel dat God voor hen gedaan heeft—op een manier waarvan men eigelik niet weet of het Godsbespotting of naïef laks kristendom is—hij is een goed vader die geen hart heeft hen kwaad te doen die „buen et loyal” zijn.

Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. „Ach, God, welk een smart,” roept de dichter uit—„dat de koningin de lakens niet weggedaan had.”


Back to IndexNext